Weg met de hele Participatiewet: een nieuwe sociaaldemocratische visie op werk en inkomen

De Participatiewet is één van de grootste dwalingen van onze partij. In plaats van mensen te helpen aan werk en inkomen, stijgt de armoede en de problematische schulden, en in plaats van de werkloosheid aan te pakken en mensen effectief naar werk te helpen, worden de werklozen aangepakt en opgejaagd. Negentiende-eeuwse arbeidsverhoudingen keren terug. Vangnetten vallen steeds meer weg en zitten vol met gaten, waardoor mensen hard vallen. Alles, ook zekerheid over werk en inkomen, is een individuele verantwoordelijk én aansprakelijkheid geworden. Succes en falen is een keuze, als jij maar wilt. Zelfredzaamheid als voorwaarde aan hulp die evident niet zelfredzaam zijn – zelfs bij de voedselbank is er een verstikkende bureaucratie aan voorwaarden. De participatiesamenleving werd niet de beloofde springplank, maar bleek een zuigend participatiemoeras, waarin mensen pijnlijk langzaam verzuipen – en zoals een moeras werkt, hoe meer je je best doet om eruit te geraken, hoe dieper je erin vast komt te zitten. Het is tijd om die hele wet in de prullenbak te gooien en een hele nieuwe, inspirerende visie op werk en inkomen te ontwikkelen.

Terug naar onze idealen, wat ging er mis? – Een analyse

De fabel van de overwinning en het succes van de persoonlijke autonomie

Wij sociaaldemocraten moeten weer staan voor collectieve actie om het individu te helpen ontsnappen aan armoede, onveiligheid en onwetendheid. Dat was de drijfveer achter de opbouw van de verzorgingsstaat, met een zware verantwoordelijkheid voor de overheid om onderwijs, zorg, wonen en het pensioen voor iedereen betaalbaar en toegankelijk te houden. De bron van vrijheid lag in het succes van die collectieve actie die mensen in staat stelde tot een grotere grip op hun eigen lot. Niets heeft de mensen meer vrijheid gegeven dan de verzorgingsstaat. Neoliberalen doen het voorkomen alsof vrijheid in de eerste plaats een individuele prestatie is. Met als logische implicatie dat het individu de volledige verantwoordelijkheid kan dragen voor wat er met hem gebeurt en de overheid daar geen omkijken meer naar heeft. Het is een vergissing, met ingrijpende gevolgen, om aan te nemen dat ons emancipatieproces is voltooid en we nu een maatschappij hebben van economisch zelfredzame, autonome individuen.

Persoonlijke autonomie klinkt goed, vanwege de verbonden betekenis met mondigheid: je neemt je leven in eigen hand. Maar het wordt benauwend als je je realiseert dat daarom van jou wordt verwacht dat je in competitie treedt met alle anderen, dat je winst moet maken op je leven. Neoliberalen prijzen zo’n samenleving aan als een high opportunity, high risk society. Het lullige is alleen dat de opportunities voor de ene klasse zijn en de risks voor de andere. Als de maatschappelijkheid ineenschrompelt ten gunste van de markt resteert voor de mensen weinig anders dan mee te doen in de klopjacht op individueel succes en status. Neoliberaal denken is daarom agressief antimaatschappelijk, gericht op een politiek van sociale ontbinding. Daarmee staat het haaks op de waarde die het hart vormt van waar wij voor (moeten) staan: solidariteit.

De zelfredzaamheidsparadox

In de praktijk houdt de neoliberale zelfredzaamheidsideologie in dat de overheid allerlei verantwoordelijkheden die vroeger voor rekening van het collectief kwamen nu op individuen afschuift. Dan wordt de eigen verantwoordelijkheid een dogma waarmee de politiek de verzorgingsstaat diep in het hart kan raken. Het individu dat niet zonder anderen kan om vooruit te komen en de zin van zijn bestaan mede aan die anderen ontleent, maakt in dit neoliberale relationele mensbeeld plaats voor de ‘onderneming ik’ die met ‘zelfredzaamheid’ vorm krijgt. Eén van de gevolgen is dat de risico’s die mensen in hun leven lopen vooral worden toegeschreven aan eigen keuzes. Tegenslag is dan eerder een gevolg van slecht zelfmanagement dan van maatschappelijke misstanden of gewoon het noodlot. Het resultaat is een ‘zelfredzaamheidsparadox’: door van iedereen evenveel verantwoordelijkheid te vragen, verliezen sommige groepen juist de regie over het eigen leven. Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen.

Eén van de gevolgen daarvan is nu dat de risico’s die mensen in hun leven lopen vooral worden toegeschreven aan eigen keuzes. Tegenslag is dan eerder een gevolg van slecht zelfmanagement dan van maatschappelijke misstanden of gewoon het noodlot. De neoliberale ideologie van zelfredzaamheid gaat ervan uit dat iedere burger een volledig, gebalanceerde persoon is die de wet kent, begrijpt en aan alle gedragseisen kan voldoen. Ideaal geprogrammeerd op digitale handhaving door boetecomputers, alert en geïnteresseerd in iedere overheidsbrief, in staat om op de juiste website alle vragen tijdig van het goede vinkje te kunnen voorzien. Degene die dit niet doet, is in dit ijzeren overheidsparadigma een calculerende burger annex oplichter, die ‘hard aangepakt’ moet worden. De vorige Nationale Ombudsman placht daar jarenlang tegen in te brengen dat uit de fraudecijfers blijkt ‘dat 98 procent van de burgers deugt’ en dus helemaal niet hoeft te worden bejegend als aspirant oplichter. Maar dat past niet in het neoliberale mensbeeld. Het leidt tot een overdaad aan bureaucratische controlemaatregelen, geproduceerd door een verkokerde overheid, geënt op kwade trouw.

Te veel mensen zijn gaan geloven in een soort ideaalbeeld van assertieve individuen die hun mannetje en vrouwtje staan in de wereld van markt en strijd. Dan is het logisch dat de afkeer van afhankelijkheid groeit. Daar ligt de bron van sociale ontbinding. Als je succes hebt, dan is het jouw verdienste, als je faalt, dan heb je het aan jezelf te wijten. Dat deugt natuurlijk helemaal niet: de samenleving is complexer dan ooit en dan zeggen we tegen het individu dat het al de risico’s maar moet kunnen overzien. De staat kan dat niet meer, ondanks alle toezicht die hij uitoefent, maar van het individu veronderstellen we dat het dat wél kan. Terwijl maatschappelijke misstanden, maar soms ook noodlot of dikke pech, meer dan voorheen bepalen of iemand vastloopt. De impliciete veronderstelling achter veel van de huidige regels lijkt te zijn dat iedereen altijd netjes de post bijhoudt en begrijpt, reageert op aanmaningen, zich voortdurend bijschoolt, op tijd zijn pensioen organiseert, actieve keuzes in de zorg maakt en, mocht er iets misgaan, de juiste wegen weet te bewandelen om die fouten te herstellen. Wie in ieder geval moeite heeft er overheen te springen zijn de tweeëneenhalf miljoen laaggeletterden en de twintig procent van de bevolking die slecht met computers overweg kan. Die groepen raken makkelijk verstrikt in de digitale systemen van de verzorgingsstaat. Bovendien heeft niet iedereen evenveel aanleg en doorzettingsvermogen om door de keuzejungle te navigeren.

De paradox van de terugtrekkende overheid die burgers steeds meer in de gaten houdt

De paradox is dat de overheid zich terugtrekt en tegelijkertijd de burgers meer dan ooit in de gaten houdt. Het een heeft ook met het andere te maken. Een bestuur dat neoliberale retoriek gebruikt dringt zich steeds dieper in onze levens. Dat is minder verwonderlijk dan het lijkt. De politiek heeft de burgers verantwoordelijk gemaakt voor hun levensloop, maar kan het ook niet laten hen aan te spreken, te corrigeren of te straffen. Rutte stelt zich op als de human resources manager die hij vroeger bij Unilever was, met ons als zijn personeel, zijn human capital, dat moet worden gemanaged en optimaal moet renderen.

Het is ironisch dat we mensen zozeer zijn gaan controleren in een tijd waarin zoveel wordt gesproken over individuele vrijheid. Overal is die controle dieper doorgedreven, dieper dan ooit het geval is geweest. Als je een uitkering hebt, dan moet je niet alleen een vaak onzinnige tegenprestatie doen, je kapot solliciteren op onzinvacatures, instructies volgen voor kledingadvies en verplicht meedoen aan activiteiten waaraan private partijen flink geld verdienen over jouw rug, maar de overheid beoordeeld ook of je wel met iemand mag of kan samenwonen, ook al is het je kind of je moeder, wat ze onder je bed of in je badkamer, buiten met camera’s en met een hele opsporings- en verklikkersmacht mogen komen controleren, of je een auto mag houden, en of je vrijwilligerswerk en mantelzorg mag doen. Het verstrekken van mantelzorg kan zelfs leiden tot grote boetes en terugbetalingen, en dus schulden. Privacy is een groot goed, maar dat geldt nu wel voor belastingfraudeurs (jaarlijks bij alleen al bedrijven volgens medewerkers van de belastingdienst zelf voor 4,2 miljard euro), maar niet voor mensen in de sociale (on)zekerheid (jaarlijks 153 miljoen euro, 0,25% van de totale uitgaven van de sociale zekerheid).

De paradox dat hoe meer hulp je nodig hebt, het des te moeilijker is gemaakt om hulp te krijgen

De ene overheidsdienst begraaft bovendien nu mensen in de problemen, zodat een andere ze weer kan opgraven. Hoe dieper je in de shit zit, hoe moeilijker het is om hulp te krijgen. Het recht is steeds vaker iets dat je moet halen. Het komt al lang niet meer naar je toe. Je moet loketten aflopen, formulieren invullen, intakegesprekken voeren. Hier is iets vreemds aan de hand: hoe minder je hebt, hoe meer bureaucratie er over je heen wordt gestort. Terwijl je daar juist steeds minder energie voor hebt. In de participatiesamenleving is je probleem een reden om je uit te sluiten van een oplossing. Je hebt een drugsprobleem, daarom zit je in de verslavingszorg, maar daar word je geschorst omdat je drugs blijft gebruiken. Je hebt een gedragsprobleem, daarom zit je bij een jeugdzorginstelling, maar daar moet je weg omdat jij je niet gedraagt. Je hebt schulden, maar omdat je niet zelf je administratie kan bijhouden, word je uit de schuldhulpverlening gegooid.

De paradox dat als je faalt, er niet naar het probleem gekeken wordt, maar het probleem alleen maar groter gemaakt wordt

En dan komt het tweede mechanisme: als je iets fout hebt gedaan, dan komt het ‘recht’ ineens razendsnel naar je toe. Sterker nog, dan dendert het als een sneltrein over je heen. Bij falen gaat er een intimiderende, vernederende en vooral ook zeer kostbare controlemachine in werking en wordt, vooral door de overheid, boete op boete geplaatst.

Wat het nog erger maakt: Nederland is bezaaid met instellingen die afgerekend worden op het oplossen van deelproblemen. Het CJIB wil dat iemand zijn boetes betaalt. De deurwaarder wil geld zien. De politie wil hem opsluiten. De crisisopvang wil hem weer thuiskrijgen. De sociale dienst wil dat hij aan het werk gaat. De psychiater wil hem van zijn depressie genezen. De maatschappelijk werkster wil hem in de schuldhulpverlening. De schuldhulpverlening wil dat hij zijn post opent. En de dagbesteding wil hem bezighouden. De mensen die buiten de boot vallen, zie je in beleidsdocumenten niet meer terug, hooguit als restcategorie: ‘Uitstroom naar onbekend.’ Gevolg: waanzin, vernedering, verspilling.

Management by insult

De overheid is boos, achterdochtig en gefrustreerd. Het is management by insult. Geen wonder dat mensen geen vertrouwen meer hebben in de politiek. Ontbinding ontstaat waar binding ontbreekt. Er is geen binding meer vanwege een geïnstitutionaliseerd wantrouwen van de burger door de Staat. Wij hebben de taak deze staat van ontbinding terug te buigen naar binding. Het vertrouwen van de kiezer kunnen we alleen terugkrijgen door het vertrouwen aan die kiezer te geven. We moeten een einde maken aan het wantrouwen in de burger en bovenstaande maatregelen omvormen in het beginsel van ‘vertrouwen, tenzij’.

Dit moet gevolgen hebben voor het sociale contract tussen overheid en burger. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid hun niet over de rand duwt en dat momenten van onoplettendheid en mentale zwakte niet direct ingrijpende gevolgen hebben. Dat betekent dat eigen verantwoordelijkheid en ‘zelf kiezen’ als gietijzeren maatstaf voor beleid tekortschieten. De menselijke realiteit is anders, rommeliger. Dat maakt ons ook als mens en onderscheidt ons ook gelukkig van robotten. De overheid moet zich daarom niet gedragen alsof de burger een ‘onuitputtelijk mentaal budget’ heeft.

De schande van de enorme, groeiende armoede in ons rijke land

Armoede is in ons zeer rijke land een schandelijk, groeiend probleem. Armoede is geen karaktergebrek, maar vooral geldgebrek. Niet alleen blijkt het geldende sociale minimum voor grote groepen burgers die daarop aangewezen zijn structureel veel te laag zijn, komen steeds meer groepen er niet voor in aanmerking of wordt er zelfs daarop gekort, het systeem loopt ook vast in kostbare controles met onaanvaardbare inbreuken op de eigen levenssfeer, zinloze verplichtingen en verboden en contraproductieve sancties. Het vangnet in de vorm van de Participatiewet blijkt niet te verhinderen dat mensen tot ernstige en langdurige armoede veroordeeld worden. Sommige groepen worden categorisch uitgesloten. Of er worden drempels opgeworpen om mensen af te houden van voorzieningen. Armoede blijkt ook steeds meer erfelijk te worden. Ooit (begin jaren vijftig van de vorige eeuw) werd de Algemene Bijstandswet door het kabinet Drees ingevoerd om van barmhartigheid een recht te maken. Een vangnet om te kunnen overleven, dat volgens de indiener, minister Klompé (KVP), niet te karig moest zijn. Dat is het nu wel, net zoals o.m. de AOW (het basispensioen) en de Wajong-uitkering. Studeren kan je zelfs alleen nog maar met een lening, die valselijk en schadelijk propageert dat schulden maken geen probleem is en in de praktijk de toegankelijkheid tot tertiair onderwijs voor lage en middeninkomens ernstig beperkt.

Dat is niet het gevolg van dat we ons het niet meer kunnen veroorloven, maar van politieke keuzes (die dus ook anders hadden kunnen en moeten worden gemaakt). We zijn ondanks de crisis van 2008 nog steeds een zeer rijk land. De gevolgen van de crisis zijn wel volledig afgewenteld op gewone burgers. Grote bedrijven, multinationals voorop, en vermogende Nederlanders zijn rijker dan ooit. Het geld klotst aan alle kanten daar tegen de plinten. Men weet gewoon niet meer wat er nog mee te doen. De exorbitante zelfverrijking kent geen grenzen, de maatschappelijke ongelijkheid is ongekend.

Hoe het anders kan: een proeve van een nieuwe sociaaldemocratische visie op inkomen en werk

Inkomenszekerheid aan de onderkant: een hard, hoger sociaal minimum met een gegarandeerd (en dus niet universeel) basisinkomen

We vervangen de bijstand, de AOW, de Wajong, de studiefinanciering en de ANW door een negatieve inkomstenbelasting voor iedereen die een inkomen heeft wat onder het sociaal minimum ligt. Verdien je minder dan dat sociaal minimum, dan betaal je geen belasting, maar dan vult de belastingdienst dat aan tot dat sociaal minimum. Zonder voorwaarden, verplichtingen en verboden.  Waarmee het vangnetinkomen volledig losgekoppeld wordt van participatie en werk. Dus geen tegenprestatie, sollicitatieplicht, taaleis, verplichte werkervaringstrajecten, verplichte cursussen, etc. en geen verbod voor of voorwaarden aan bijv. vrijwilligerswerk of mantelzorg. Voor AOW-ers vervalt ook de huidige opbouweis (die kortingen veroorzaakt bij migranten) en bij Wajong-ers vervalt de keuring op arbeidsongeschiktheid. Ook werkenden, zelfstandigen en bijv. ook kunstenaars vallen onder de regeling. En vergis je niet: meer dan de helft van de armen in Nederland heeft gewoon een baan! Daarmee wordt ook de sterk stijgende armoede in die groepen adequaat geadresseerd. Een leven zonder armoede wordt een recht in plaats van een gunst. Meer dan 1,2 miljoen Nederlanders worden zo uit de armoede opgeheven, inclusief 400.000 kinderen. Met dit gegarandeerd basisinkomen wordt tevens een aanzienlijke vereenvoudiging en dito besparing in uitvoerings- en controlekosten bereikt.

Zoals gezegd, moet dat sociaal minimum hoog genoeg zijn. We verhogen het (voor iedereen van 18 jaar en ouder gaan geldende) minimumloon en het daaraan gekoppelde (70%) sociaal minimum met circa 10%. Zeg minimumloon op 1750 euro per maand, sociaal minimum op 1225 euro.

De loonvorming is sterk achtergebleven bij de economische groei. Voor het minimumloon, dat afhangt van de algemene cao-loonontwikkeling, geldt dat nog sterker vanwege bevriezingen en het achterwege laten van vierjaarlijkse aanpassingen aan de werkelijke loonontwikkeling. In essentie is het minimumloon sinds midden de jaren 1990 niet gestegen. Over de jaren heeft de koppeling van minimumloon en uitkeringen tot een omkering geleid waarin niet langer de cao‐loonontwikkeling het minimumloon bepaalt maar omgekeerd: overheidsbeleid verlangde dat cao‐lonen aan de onderkant worden verlaagd. Dit vergrootte de ongelijkheid van het loongebouw en verzwakt de onderhandelingspositie van werknemers en hun organisaties. De halfjaarlijkse aanpassing van het minimumloon moeten we gaan baseren op het indexcijfer van cao‐lonen inclusief jaarlijkse beloningselementen zoals dertiende maand, dat een iets gunstiger ontwikkeling vertoont. Een serieuze vierjaarlijkse aanpassing lijkt daarnaast echter essentieel

Voor deze laagste inkomens zetten we het belastingtarief op nul, dus bruto is netto. We schaffen ook de premies voor volksverzekeringen af (AOW, ANW, WLZ en ZVW) – de uitgaven worden bekostigd uit de opbrengst van de belastingen. Dat vermindert de druk op arbeidskosten en verhoogt die op kapitaal. En we verlagen de vaste individuele lasten voor huur en (duurzame) energie en gaan we zorg, onderwijs en kinderopvang volledig collectief financieren uit de belastingen, dus zonder individuele bijdragen. Het besteedbaar inkomen stijgt hierdoor aanzienlijk, en de armoedeval (sterk verminderd stijgend besteedbaar inkomen bij stijgend bruto inkomen, waardoor meer-inkomen, bijv. bij meer werken, dus weinig loont) wordt hierdoor sterk verminderd.

De aanvullende pensioenen maken we zekerder, inclusief indexering. Dus juist geen individuele pensioenpotjes en we handhaven de doorsneepremie, en daarmee de solidariteit tussen generaties. Dat doen we door het vermogensbeheer te reguleren, waardoor de risico’s en kosten enorm gereduceerd worden, hetgeen legitimeert om de rekenrente voor te hanteren buffers te baseren op het werkelijke rendement. Deze maatregel zorgt ook dat pensioenfondsen meer investeren in zinvolle, duurzame investeringen, die ook goed zijn voor de gewone burgers en werknemers in ons land. En dus minder in investeringen die juist slecht zijn voor werknemers en burgers. Voorts vergroten we het financiële draagvlak van pensioenfondsen door een plicht in te voeren voor een verplichte, collectieve aanvullende pensioenregeling voor alle werknemers, incl. flexkrachten en zzp-ers. En we laten de aansprakelijkheid van werkgevers bij pensioentekorten om bij te storten weer herleven.[1]

Een gegarandeerd basisinkomen is geen universeel basisinkomen. Het is er dus niet voor iedereen. Dat zou een veel te hoge belastingdruk leggen, ook op arbeid, waardoor werken niet meer lonend zou zijn. Bas Jacobs heeft terecht daarvan ook Rutger Bregman, de grote pleitbezorger van het basisinkomen, overtuigd.[2] Om in aanmerking te komen voor een gegarandeerd basisinkomen, moet je niet teveel verdienen, waarbij het redelijk is om het inkomen op huishoudenniveau in aanmerking te nemen. Waarom zouden we de vrouw van de doorgaans goed verdienende tandarts een aanrechtsubsidie geven? Daarbij hoort wel een hoger sociaal minimum voor meerpersoonshuishoudens, zeg 1600 euro per maand (en ook hier geldt, bruto is netto), en geen voordeurdelerskortingen meer. En het is ook redelijk om vermogen in aanmerking te nemen dat groter is dan wat nodig is als spaarreserve om bijv. apparaten te vervangen (het NIBUD adviseert 3500 euro nodig spaarvermogen bij een bijstandsinkomen). Het bezit van eerste eigen woning waar men ook daadwerkelijk woont blijft buiten beschouwing tot bijv. 500.000 euro evenals niet vrij beschikbaar pensioenvermogen vrijgesteld worden. Bezit van roerende goederen is tot een bepaald maximum (zeg 50.000 euro) ook vrij, met uitzondering van beleggingsobjecten. Voor gepensioneerden geldt een uitzondering: voor hen geldt net als nu in de AOW geen inkomens- of vermogenstoets.

En het geldt alleen voor mensen van 18 jaar en ouder, die Nederlander zijn of daaraan gelijkgesteld. Net als in de bijstand nu kunnen daarbij aan arbeidsmigranten, ook uit andere EU-lidstaten, beperkingen worden gesteld, bijv. dat je hier 5 jaar onafgebroken gewerkt moet hebben.

Niettemin kunnen en zullen er situaties blijven bestaan waarbij aanvullende ondersteuning nodig is om niet in armoede te geraken of om daar uit te komen. Minima en mensen in de schuldhulpverlening krijgen automatisch kwijtschelding van lokale lasten (incl. waterschapsheffingen). Bijzondere bijstand door gemeenten blijft beschikbaar voor specifieke situaties en kosten, waarbij er meer mogelijkheden komen voor gemeenten om die in te zetten. Het opwerpen van formele drempels om in aanmerking daarvoor te komen door gemeenten wordt expliciet verboden. De inkomensgrens om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand wordt wettelijk geregeld, op 130% van het sociaal minimum. We bevorderen een integrale aanpak van problemen bij mensen. En we richten de schuldhulpverlening geheel anders in.[3]

Werk blijft belangrijk

Goed en fatsoenlijk werk blijft voor de moderne mens belangrijk. Werk is een belangrijk middel voor zelfstandigheid en bestaanszekerheid, voor structuur en voor sociale context. Betaald werk geeft natuurlijk in de eerste plaats een inkomen, maar werk is veel meer dan een inkomen. Het geeft zin, structuur en sociale context aan je leven. Mensen stellen zich vaak voor met hun naam én hun beroep. Zonder werk geen beroep, geen collega’s. Waar praat je over in je vrije tijd? En met wie? Werk is niet een ongemak wat we moeten verduren om inkomsten te kunnen generen, opdat we maar voldoende kunnen consumeren. Werk vormt ons tot wie we zijn – als er geen werk meer is, dan raakt dat ons ‘zijn’. Dat besef je pas goed als je het niet meer hebt. Werk is in onze tijd hét middel tot erkenning, ontplooiing, sociale contacten en dagritme. Werk geeft mensen ook macht in de positie tegenover kapitaal en de overheid. Het maakt je minder afhankelijk en geeft je een onderhandelingspositie. Met een betaalde baan heb je wel onderhandelingspositie, collectief georganiseerd in een vakbond, met een ultiem stakingswapen.

Werkgevers hebben de inspanningen van werkenden bovendien hard nodig om bedrijven en organisaties draaiende te houden. De maat­schappij wordt krachtiger als meer mensen aan het werk zijn. Alleen als we werken, kunnen we onze welvaart voortzetten en zijn onze sociale voorzieningen betaalbaar. Bedrijven presteren bovendien beter als het personeel een afspiegeling vormt van de maatschap­pij. De arbeidsdeelname is de afgelopen decennia sterk gestegen, vooral onder vrouwen en 55-plussers, maar nog steeds blijft de arbeidsparticipatie in die groepen achter. Twee op de drie Nederlanders tussen de 15 en 75 jaar zijn aan het werk.[4] Maar er zijn 1,3 miljoen mensen die (meer) zouden willen werken[5], en sommigen staan meer en langduriger aan de kant, terwijl er aan de andere kant ook meer dan een miljoen vacatures zijn, en de werkdruk in veel sectoren enorm groot is bij gebrek aan voldoende (financiering van) collega’s.

Onzinnige en contraproductieve verplichtingen, dure draaideurwerkgelegenheid: werklozen als verdienmodel

Als je een uitkering hebt, dan moet je nu niet alleen een vaak onzinnige tegenprestatie doen, je kapot solliciteren op onzinvacatures, instructies volgen voor kledingadvies en verplicht meedoen aan activiteiten waaraan private partijen flink geld verdienen over jouw rug, maar de overheid beoordeeld ook of je wel met iemand mag of kan samenwonen, ook al is het je kind of je moeder, wat ze onder je bed of in je badkamer mogen komen controleren, of je een auto mag houden, en of je vrijwilligerswerk en mantelzorg mag doen.

Ondertussen is er hoogstens sprake van draaideurwerkgelegenheid, zodra de loonsubsidie stopt bij een tijdelijke baan, word je er weer uitgeknikkerd. In plaats van de werkloosheid hebben we de werklozen aangepakt, in plaats van de oorzaken van armoede (te laag inkomen, te weinig vast werk, te hoge vaste lasten, te veel stimuleren van schulden) aan te pakken, doen we aan symptoombestrijding met allemaal specifieke regelingen met ieder zijn eigen beperkende voorwaarden en schuiven we het probleem op het bordje van gemeenten.

Jaarlijks wordt er 2 miljard euro uitgegeven aan de re-integratie van werkzoekenden, maar het zijn vooral gemeenten zelf en re-integratiebureaus die er iets mee opschieten. Honderden miljoenen worden uitgegeven in een werklozenindustrie van sollicitatietrainingen, inspiratiedagen, elevator pitches en zo meer, waarvan de ineffectiviteit al vaak genoeg is aangetoond. Sommige trainingen van het UWV verlengen zelfs de werkloosheid. Werklozen krijgen er geen baan door en de re-integratie sluit niet aan bij de wensen en mogelijkheden van henzelf en die van de arbeidsmarkt. Uitkeringsgerechtigden worden monddood gemaakt, geïntimideerd met voortdurende dreiging hun uitkering kwijt te raken.

Maar dwang werkt contraproductief. Daarbij is het van belang je te realiseren dat volgens een CBS-enquête tussen de 60 en 70 procent van bijstandsgerechtigden desgevraagd zegt zelf niet actief op zoek te zijn naar werk, ook al moeten ze zich formeel beschikbaar houden voor de arbeidsmarkt. Hierbij gaat het volgens het CBS bijvoorbeeld om mensen met een arbeidsbeperking (waaronder steeds meer jongeren doordat instroom in de Wajong veel moeilijker is geworden), ouderen die niet meer verwachten aan het werk te komen en alleenstaande moeders. Tussen de 10 en 15 procent van de bijstandsgerechtigden werken al, maar verdienen onvoldoende en krijgen daarom aanvullende bijstand. Deze groep moet vooral geholpen worden met een inzet op minder flex- en deeltijdwerk, hogere lonen en meer vrijstelling van bijverdiensten. De resterende groep van 20 tot 25 procent is echt op zoek naar werk.

Werkloosheid wordt nu teveel als een individueel probleem gezien. Te weinig ‘human capital,’ of zoiets. We investeren nu in papierprikken, onbetaald werk en inspiratiedagen en niet in banen. In de gemeente Rotterdam kun je als werkloze gratis kledingadvies krijgen zodat je ‘vol zelfvertrouwen naar een sollicitatiegesprek kan.’ Dat kost de gemeente 62.000 euro en daar maken dan 150 Rotterdammers gebruik van, ongeveer vierhonderd euro per advies. Daar kan een werkloze een maand de huur van betalen, of daar kan stichting Dress for Success een kek tentje op de lokale ‘participatiemarkt’ mee optuigen. Mensen zijn in de eerste plaats werkloos omdat er niet genoeg werk is. We moeten niet de werkloze aanpakken, maar de werkloosheid!

Inkomen boven werk, effectiviteit boven legitimiteit

We snijden de verplichtende band door tussen werk en inkomen – werk gaat niet langer boven inkomen, en legitimiteit niet meer boven effectiviteit. Leven is meer dan werk alleen, en wie echt niet kan of wil werken, verplichten we niet langer te solliciteren en te reïntegreren naar werk. De koppeling tussen uitkering en re-integratieplicht vervalt. In plaats daarvan komt er een recht op fatsoenlijk betaald werk. We faciliteren, verleiden en motiveren mensen maximaal om zelf hun inkomen te verdienen, maar dwang is uitgesloten.

Werk moet lonen

Om te zorgen dat weer of meer gaan werken, vanuit een situatie waarin men nog een gegarandeerd basisinkomen heeft, voldoende blijft lonen, belasten we in die situatie de meer-inkomsten uit arbeid voor de eerste periode gefaseerd minder – bijv. maar voor 50% in het eerste jaar, 30% in het tweede jaar en 20% voor het derde jaar. Kleine baantjes leiden vaak tot meer werk, maar dan moet je ze in het begin niet te zwaar belasten. En er is geen risico dat je je inkomenszekerheid via het gegarandeerd basisinkomen verliest na een tijdje werk. Daarbij helpt ook dat we de fiscale arbeidskorting vervangen door een arbeidstoeslag, een uitkering van de belastingdienst die men ontvangt tot een inkomen per huishouden uit arbeid (loon) van eveneens bijv. 25.000 euro per jaar, op basis van de bij de belastingdienst bekende inkomensgegevens (men hoeft die dus niet aan te vragen, maar ontvangt hem automatisch, en hij wordt dus in beginsel ook niet achteraf verrekend).

Werkwinkels

We maken ook een einde aan de gekmakende complexiteit van de huidige regelingen. Nieuwe regionale arbeidsbureaus, de Werkwinkels[6], tripartite bestuurd en gefinancierd door gemeenten, werkgevers en werknemers, krijgen de plicht om mensen die zelf niet voldoende verdienen voor het sociaal minimum, kosteloos op maat hulp aan te bieden om betaald, vast werk te vinden. Ook anderen hebben toegang tot deze hulp. Nu kunnen werklozen en arbeidsongeschikten onder veertien verschillende regelingen vallen, ook nog eens met verschillende uitvoerders. Bovendien dienen de regelingen zoveel verschillende – soms tegenstrijdige – doelen dat de rode draad ver te zoeken is. Gevolg is dat de rege­lingen die mensen en bedrijven zouden moeten stimuleren tot het aangaan of creëren van werk, eerder het omgekeerde bereiken. Dat vervangen we door één regeling met één uitvoerder en één loket, voor alle hulp om mensen aan werk te helpen, van scholing tot loonkostensubsidie en no-riskpolissen voor werkgevers, zoals onlangs ook de grootste Nederlandse werkgeversorganisatie, de AWVN, bepleitte.[7]

Deze re-integratie naar (meer) betaald werk wordt geheel publiek georganiseerd en moet voldoen aan een kwaliteitskeurmerk. Nadruk ligt op motivering en facilitering. De re-integratietaken van het UWV gaat op in deze nieuwe regionale arbeidsbureaus. Iedereen krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke werkcoach. Weg met de strenge selectiecriteria op basis van digitale algoritmes (ook al wel ‘death by algorithm’ genoemd). Draaideurbanen, gedwongen werk zonder loon, constructies als Flextensie en uitbesteding aan uitzendbureaus en commerciële re-integratiebedrijven worden gestaakt. Re-integratie moet gericht zijn op volwaardig, normaal beloond en vast werk.

Werk maken van werk

We verloochenen onze naam niet: we blijven de Partij van de Arbeid. Werk is dan wel geen plicht meer voor de burger, het blijft belangrijk dat we blijven strijden voor goed en zinvol werk, met een goede, zekere rechtspositie, voor iedereen die dat wil. Wij weten dat de meeste mensen dat ook willen, met name hen die onvrijwillig geen werk (meer) hebben. Niet de werklozen, maar de werkloosheid moet worden aangepakt.

We herstellen de prioriteit van volledige werkgelegenheid voor iedereen die werken wil. We hanteren een doelstelling van volledige werkgelegenheid, bijv. nationaal gefixeerd op 2%, Europees voor de komende periode op maximaal 4% – banen van bijv. tenminste 20 uur, en tenminste 80% vast contract. Wij staan voor de maakbaarheid van werk. Daar kunnen we veel meer aan doen dan velen denken.

We voeren een meerjarig Plan voor de Arbeid in waarin werkgelegenheidsdoelstellingen en -instrumenten jaarlijks worden geformuleerd. Daarin maken we 300.000 banen in de publieke sector en ongeveer net zoveel in de private sector. Dat zal ook de problemen met werkdruk en daardoor aantrekkelijkheid van beroepen helpen oplossen.

In de publieke sector en in de gereguleerde sectoren

In de publieke sector kan en moet de overheid dat rechtstreeks doen, en in reguleerde sectoren (post, banken, openbaar vervoer, etc.) kan dat met die regels worden afgedwongen. Wij zijn voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, hebt veel eigen regel- en budgetruimte, en je verdient ook goed. Het maakt economisch niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient.

Publieke banen zijn echte banen, belangrijk voor onze welvaart (de bestedingen van de mensen die hun inkomen in het publieke domein verdienen zijn van enorm duurzaam belang voor ons nationaal inkomen) en ons welzijn. Er bestaat dus ook niet zoiets als ‘echte’ banen (markt) en surrogaat­banen (publiek). Er is daarom geen objectieve maatstaf voor de optimale omvang van de publieke sector. Naarmate producten dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids-) productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw.

De publieke sector is de grootste werkgever in ons land. Van de ruim 10 miljoen banen zijn er nu ca. 2 miljoen in de publieke sector, waarvan ongeveer 1 miljoen in de zorg. We investeren tot ca. 15 miljard euro per jaar extra in de publieke sector, voor meer banen en minder werkdruk, beter salaris en rechtspositie en betere kwaliteit van dienstverlening.

In de marktsector

In de marktsector kan zij dat bevorderen door gunstige voorwaarden te scheppen en afspraken te maken: de lasten op arbeid omlaag en die op kapitaal omhoog, concrete aantallen extra banen koppelen aan grote investeringen in o.m. de duurzaamheidstransities, en investeren in een ambitieuze robotagenda waarin een mensgericht technologieontwerp centraal moet staan. Robotisering moet gericht zijn op veranderingen van werk, niet op verlies van werk.

We gaan voorts de WW weer betere bescherming laten bieden door de duur van de WW-uitkering te koppelen aan de conjunctuur: de maximale duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur. Werknemers worden zo beter beschermd als het risico op werkloosheid hoger is. Verder gaan we de financiële verantwoordelijkheid voor het eerste halfjaar van de WW volledig bij werkgevers leggen. Hierdoor worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers. Ontslaan wordt kostbaarder en dus ontmoedigd: Er zal structureel extra werkgelegenheid zijn, zonder extra overheidskosten.

Apart aandacht voor groepen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt

We geven apart aandacht aan groepen burgers die het extra moeilijk hebben op de arbeidsmarkt:

  • laaggeschoolden (met aparte, extra banen in de publieke sector, een hogere franchise in de grondslag voor werkgeverslasten voor laaggeschoold werk, fiscaal voordelige dienstencheques voor huishoudelijke diensten, en aanpassing van het fiscale Lage Inkomens Voordeel),
  • ouderen (55-plus; met 100% resp. 50% verlaging van werkgeverslasten voor 55-plussers die na werkloosheid in het eerste resp. tweede jaar weer aan het werk gaan; en generatiecontracten invoeren met transferbanen waarbij jongeren tegen cao-loon een half jaar voor een oudere met pensioen gaat, vast aan de slag gaan zodat ouderen hun vakmanschap kunnen overdragen om zo jongeren goed in te werken met uitzicht op vaste aanstelling; en oud naast jong banen, met 80% werken-90% loon-100% pensioenopbouw regeling voor ouderen die dan jongeren kunnen coachen – Vier ouderen is dan één nieuwe baan),
  • mensen met een niet-westerse afkomst (invoering verplicht anoniem solliciteren, meldpunt tegen arbeidsdiscriminatie, apart aandacht bij werkbemiddeling), en
  • de mensen met een arbeidsbeperking (SW-bedrijven weer nieuwe instroom en detachering toestaan in sociale ontwikkelingsbedrijven, met nieuwe investeringen en regietaak voor beschut werk; verbetering Quotumwet; meer stimulerende maatregelen en meer geld voor begeleiding naar werk; verplichte overheidsbestedingen met social return on investment).

Basisbanen als recht

We voeren als sluitstuk ook basisbanen in als een recht voor de burger en een plicht voor de overheid. Basisbanen moeten normale banen in de publieke sector zijn tegen tenminste het minimumloon en met een vast contract. Basisbanen zijn geen plicht voor de burger bij geen werk, er is geen dwang – maar ze moeten door de gemeente worden aangeboden als mensen daarom verzoeken en de gemeente bemiddelt daar ook actief in. Ze zijn gericht op mensen die niet een betaalde baan vinden en die wel willen werken. Er is genoeg werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, en noem maar op. Werk wat nu teveel blijft liggen. Veel van de kosten worden terugverdiend doordat er geen uitkering nodig is en tal van maatschappelijke kosten worden voorkomen. Zo leggen we ook een vloer in de arbeidsmarkt. Anders dan bij de oude Melkertbanen is doorstroming naar een andere baan geen doel – basisbanen zijn echte banen. Er is niets mis met gesubsidieerd werk.

Een ontspannen samenleving met eerlijk delen van werk en zorg

Werk is belangrijk, maar we herhalen: er is er meer in het leven dat belangrijk is. Nu werken sommigen zich letterlijk kapot en zitten anderen onvrijwillig thuis op de bank achter de geraniums. Altijd aan het werk zijn is nog meer dan het rijden van een Porsche of het bewonen van een villa aan de Vecht een 21e-eeuws statussymbool. Daarom werkt iedereen steeds meer uren, terwijl door automatisering en digitalisering het aantal werkuren juist zou moeten kunnen dalen. Korter werken leidt bovendien tot een hogere productiviteit en betere resultaten.[8] De econoom John Maynard Keynes voorspelde dat aan het eind van de 20e eeuw de werkweek zou zijn verkort tot 15 uur per week. En Joke Smit die vijftig jaar geleden met haar artikel ‘Het onbehagen van de vrouw’ aan de basis stond van de tweede feministische golf, zag heel veel redenen voor een 5-urige werkdag. Niet alleen zou het vrouwen economisch onafhankelijker maken, ook zouden de zorgtaken beter worden verdeeld, kinderen evenwichtiger opgroeien en zouden ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid afnemen. Sinds haar publicatie zijn weliswaar meer vrouwen gaan werken, maar de werkweek zelf is nauwelijks verder verkort.

We moeten werk eerlijker verdelen met een collectieve arbeidstijdverkorting naar een 30- (5×6) of 32- (4×8) urige werkweek, waarbij het besteedbaar inkomen tot anderhalf modaal (bruto ca. € 56.000 per jaar) wordt gegarandeerd. Maar er is ook meer kraam- en ouderschapsverlof nodig, die effectief over beide ouders verdeeld wordt. Wij pleiten net als de Europese Commissie voor tien dagen betaald kraamverlof en vier maanden betaald ouderschapsverlof voor beide ouders. Net als in Noorwegen moeten we dat zo organiseren dat dit niet overdraagbaar is.

Tekorten op de arbeidsmarkt: (1) investeer in hogere en eerlijke lonen en verlaag de werkdruk

En er is apart beleid nodig om de tekorten op de arbeidsmarkt aan te pakken. Die tekorten worden door vergrijzing en ontgroening, en door onze extra banen. In de eerste plaats vraagt dit verbetering van de aantrekkelijkheid van beroepen, door verlaging van de werkdruk, maar ook door betere beloning en een zekere rechtspositie. Betere beloning is ook goed voor onze economie, de binnenlandse bestedingen nemen toe en verminderen onze afhankelijkheid van export en doorvoer en ook van de veel te grote financiële industrie in ons land. De lonen blijven veel te ver achter bij de groei van de arbeidsproductiviteit. Het arbeidsinkomensquotum (AIQ) – het deel van wat we in Nederland verdienen dat bij werkenden terecht komt is de afgelopen veertig jaar enorm gedaald. Ook de investeringen daalden. De winsten van het bedrijfsleven worden in toenemende uitgekeerd als dividend aan aandeelhouders, toegevoegd aan het vermogen van het bedrijf of gebruikt om de eigen aandelen mee op te kopen. Hiermee wordt geld onttrokken aan de reële economie: er wordt geen productie mee gecreëerd, het leidt slechts tot prijsstijgingen van bestaande producten, het geld verdwijnt als het ware in stijgende aandelenkoersen en oplopende vastgoedprijzen. Het overgrote deel van de aandeelhouders is in feite gewoon speculant. Dat is slecht voor de economie, veroorzaakt nieuwe zeepbellen die eens zullen exploderen, en het veroorzaakt sterk stijgende ongelijkheid, sterk achterblijvende koopkracht en een verontrustende stijging van het aantal werkende armen in ons land. Het voedt ook het cynisme bij gewone burgers over wat de politiek er nog toe doet als we daar niet iets substantieels aan weten te doen. We moeten daartoe ons belastingsysteem grondig veranderen, waarbij inkomen uit kapitaal tenminste net zo zwaar wordt belast als inkomen uit arbeid, de belastingontwijking en -ontduiking effectief wordt aangepakt en het draagkrachtbeginsel effectief wordt gemaakt – de zwaarste schouders moeten weer de zwaarste lasten gaan dragen.

Lonen moeten niet alleen hoger, de beloningsverhoudingen moeten ook veel eerlijker. Nu zijn topinkomens volslagen uit het lood geslagen. Er moet een Wet op maximale beloningsverhoudingen komen, waarbij de hoogste inkomens niet meer dan twintig maal mag verdienen dan de laagste inkomens in een bedrijf of instelling (incl. variabele beloning en pensioenen, inclusief ingehuurd personeel). En we gaan een eind maken aan de uitzonderingen op de beperking van topinkomens in de publieke sector, gouden handdrukken met 80% belasten en variabele beloning strakker reguleren. Bij eerlijke beloningsverhoudingen hoort ook dat we een eind maken aan de discriminatie in beloning tussen mannen en vrouwen. Daartoe nemen we wettelijke maatregelen, maar ook versterken we de handhaving door de Inspectie SZW. Ook moeten werknemers meer direct profiteren van toenemende winst door een verplichte vermogensaanwasdeling.

Tekorten op de arbeidsmarkt: (2) verhoog de arbeidsparticipatie van vrouwen

In de tweede plaats vraagt dit om een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen. Dit helpt ook voor verbetering van hun financiële zelfstandigheid, vooral bij scheiding, overlijden van de partner en bij pensioen. En het helpt bij het eerlijk verdelen van werk en zorg tussen mannen en vrouwen.

De massale opkomst van tweede-verdieners beïnvloedt behalve de inkomensverdeling ook de werkgelegenheidsverdeling. In de voltijds‐kostwinnerswereld bevinden laagbetaalde werknemers en hun huishoudens zich onderin de inkomensverdeling, nu worden ze gespreid over de volle breedte van de verdeling, tot aan de top. Van de banen met het laagste beroepsniveau bevindt zich meer dan een derde in de bovenste helft van de verdeling. Twee laagbetaalde tweeverdieners kunnen samen hogerop klimmen, of tweede en derde verdieners verrichten laagbetaald werk naast een eerste verdiener met goedbetaald werk. Het eerste komt zeker voor maar het tweede is aanmerkelijk belangrijker. In de bovenste helft van de inkomensverdeling wordt 60 à 75 procent verricht door additionele verdieners. Zij concurreren aan de onderkant van de arbeidsmarkt ‐ tegen de achtergrond van een hoger inkomen, doorgaans op deeltijdbasis en met een betere opleiding ‐ met het laagopgeleide arbeidsaanbod dat op deze banen is aangewezen en voor het inkomen afhankelijk is van werken in voltijd. De overgrote meerderheid van deze laagopgeleide banen is tegenwoordig in deeltijd en wordt ingenomen door beter opgeleide personen. Het leidt tot een vicieuze cirkel van grotere inkomens‐ en arbeidsmarktongelijkheid. Ook daarom moeten we de arbeidsparticipatie van vrouwen, vooral voor laagopgeleide banen, verbeteren. De hiervoor genoemde invoering van een arbeidstoeslag voor de laagste inkomens helpt in ieder geval de gevolgen van deze ongelijke arbeidsparticipatie te verminderen.

Al is de eenverdienerswereld verdwenen, er zijn nog wel degelijk eenverdieners over: 1,9 miljoen, die even zo vele huishoudens vormen. Eenverdieners met een meerpersoonshuishouden zijn 11 procent van de werknemers in 18 procent van de huishoudens en met 15 procent van alle looninkomen. In verhouding tot de massa van tweeverdieners leidt dit tot een belangrijk probleem van solidariteit: waarom inkomen herverdelen naar huishoudens waarin slechts een persoon een overigens vergelijkbare positie op de arbeidsmarkt inneemt? Ook hier helpt de vervanging van de arbeidskorting door de arbeidstoeslag. De huidige fiscale arbeidskorting wordt maximaal op het niveau van het minimumloon. Bedoeld als gunstiger voor de onderkant van de verdeling en als stimulans voor betaald werk sorteert ze in de tweeverdienerswereld ook een omgekeerd effect. Het laagbetaalde werk raakt oneigenlijk verspreid over de hele inkomensverdeling zoals we hierboven al zagen in de brede spreiding van laagopgeleide beroepen. Het betreft echter ook werk dat (per uur) beter beloond is, omdat het belastingstelsel op jaarbasis werkt en op die basis naar het minimumloon kijkt. Dit spreekt direct uit het feit dat meer dan een derde deel van de volwassen vrouwen verdiensten heeft tot aan het niveau van het minimumloon op jaarbasis – en klaarblijkelijk de gewerkte uren aanpast – tegenover minder dan 7 procent die het minimumloon verdient op uurbasis.

Inkomensongelijkheid lijkt zelf ook de huishoudvorming te beïnvloeden en daar een vicieuze cirkel te scheppen van grotere ongelijkheid naar selectieve paarvorming en inkomensverwerving naar verder groeiende ongelijkheid. Aanwijzingen daarvoor zien we terug in de verminderde paarvorming onder lager en middelbaar opgeleiden.

We gaan ook daarom de kinderopvang volledig publiek financieren en organiseren, geïntegreerd met het onderwijs. Kinderbijslag en kindgebonden fiscale toeslagen kunnen dan, in combinatie met hogere lonen en uitkeringen, en lagere vaste lasten, vervallen. We gaan voorts volledige banen organiseren in de publieke sector door aanvullende werkzaamheden, schoonmaakwerk gewoon overdag organiseren, etc. Voltijdsbanen gaan we ook fiscaal voor werkgevers aantrekkelijker maken, zodat zij minder genegen zullen zijn parttimebanen aan te bieden.

Tekorten op de arbeidsmarkt: (3) verbeter het onderwijs

In de derde plaats kan er aan de scholingskant veel verbeteren om niet op te leiden tot werkloosheid, maar op de werkelijke behoeften van de arbeidsmarkt, en door een veel grotere inzet te plegen op verhoging van de onderste onderwijsniveaus. Het is onacceptabel dat er 2,5 miljoen inwoners zijn die laaggeletterd zijn. Daar is echt nog veel winst te halen, evenals bij de gelijkheid van kansen in het onderwijs – we schaffen studieleningen af, evenals les-, cursus- en collegegelden. Het onderwijs wordt tot en met het mbo gratis en voor het hoger onderwijs komt er een studieheffing na afloop van dat onderwijs, gerelateerd aan het dan verdiende inkomen. We stellen o.m. de selectie in het voortgezet onderwijs uit tot 15/16 jaar, investeren fors in het onderwijs, verkleinen de groepsgrootte, zetten het meeste geld en de beste en best beloonde leraren in bij de scholen met de grootste pedagogische uitdaging en voeren overal een gratis voorschool in.

En ook bij na-, bij- en omscholing zijn de inspanningen nu nauwelijks effectief om mensen aan het werk te houden. Er wordt al wel een leven lang geluld over levenslang leren. Tot nu toe is er weinig van terecht gekomen. Uit onderzoek blijkt onder meer dat groepen die het minste baat heb­ben bij scholing, het meest gebruik maken van bestaande voorzie­ningen, terwijl de werkenden die er het meest behoefte aan hebben, het minst profiteren. Theoretisch opgeleiden breiden hun kennis en sociaal kapitaal nog verder uit, terwijl praktisch geschoolden de boot dreigen te missen. ‘Een leven lang leren’ heeft als gevaar dat groepen verder divergeren en het gat tussen de door het Sociaal Cultureel Planbureau benoemde cans en cannots groter wordt. Dit probleem wordt nog acuter als we kijken naar de populatie van zelfstandigen zonder personeel en voor flexwerkers. Bij hen liggen de investeringen in leren en ontwikkelen aanzienlijk lager dan bij vergelijkbare groepen werknemers. Dit heeft vooral met kosten en gebrek aan tijd te maken. Hoe losser de arbeids­relatie is, hoe minder formele ontwikkelkansen er bestaan. Lange tijd namen werkgevers en werknemers aan dat een arbeidscontract in principe een loopbaan lang mee kon. Voorbereiding op een andere functie, in een andere onderneming, was en is nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Bijna driekwart van de scholing is nog altijd gericht op de huidige functie. We weten dat ‘werk moet lonen’, maar de prikkels voor ‘scholing moet lonen’ zijn nog zwak. Niet willen oplei­den voor de concurrent, voert op nog te veel plekken de boventoon. Bovendien benaderen we de noodzaak van een leven lang leren vaak vanuit angst en de dreiging van werkloosheid, terwijl de psychologie ons leert dat zekerheid en perspectief mensen eerder verleiden tot beweging.

Dat moet dus anders, met vast aantal vouchers voor deze na-, bij- en omscholing. door middel van een, dat iedereen tot zijn beschikking krijgt. Er komt een heldere digitale omgeving, waarop een overzicht van álle mogelijkheden te vinden is voor het gebruik van deze vouchers. Het gaat daarbij niet alleen om opleidingen, maar ook om detacheringsmogelijkheden, beschikbare leerwerktrajecten en andere vormen van ontwikkeling. Deze middelen zijn niet alleen voor formele doelen in te zetten, maar ook voor een breed scala aan informele mogelijkheden. Via cao’s (de transitievergoeding!), arbeidsvoorwaardenreglementen en individuele arbeids­overeenkomsten is het vervolgens mogelijk om extra vouchers toe te voegen aan de rekening van de individuele werkenden, naast bestaan­de, functiegerichte scholing. Ook mensen zonder werk kunnen de vouchers gebruiken om de kansen op nieuw werk te vergroten. Werkwinkels kunnen ondersteuning bieden bij het maken van de juiste keuzes. Een dergelijk vouchersysteem maakt het mogelijk prikkels in te bou­wen voor opleidingen in de richting van kansrijke beroepen, bijvoor­beeld door de ‘voucherkosten’ voor bepaalde programma’s tijdelijk te verlagen. Op die manier kunnen ze voor een deel als beleidsinstrument worden ingezet bij het invullen van strategisch, nationaal arbeids­marktbeleid en het reageren op maatschappelijke en economische behoeften. Financiering vindt plaats via een premiestelsel door werkgevers, aangevuld met een rijksbijdrage. De werkgeverspremie moet niet rechtstreeks op arbeid drukken, en wordt dus niet afhankelijk van het aantal werknemers, maar van de winst en/of omzet.

Tekorten op de arbeidsmarkt: (4) reguleer de arbeidsmigratie

En in de vierde plaats zal er ondanks al deze inspanningen structureel steeds meer behoefte komen aan arbeidsmigranten. Voor sectoren waar deze tekorten krijgen worden in wervingslanden, waaronder in Noord- en West-Afrika, bureaus geopend waar mensen een tijdelijke vergunning voor arbeidsmigratie kunnen aanvragen. Deze vergunning geeft maar beperkte rechten op sociale zekerheid – geen gegarandeerd basisinkomen, geen WW, wel ziektewet en zorg – en bij werkloosheid vervalt de vergunning. Als de tijdelijke vergunning bijv. tien jaar lang aaneengesloten is verleend, kan er fasegewijs uitbreiding van rechten plaatsvinden. Door arbeidsmigratie gereguleerd substantieel en veilig te organiseren, wordt ook het misbruik van de vluchtelingenroute kleiner, het verdienmodel van mensensmokkelaars en vallen er minder slachtoffers in de pogingen om Fort Europa te bereiken. Dat is veel effectiever en humaner dan metershoog prikkeldraad met scheermesjes en deals met onveilige en instabiele landen.

Zorg voor zeker werk

Onzeker werk dreigt ons terug te werpen op 19e eeuwse arbeidsverhoudingen. Nederland is kampioen flexwerk en er zijn zeer veel onvrijwillige ondernemers – zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers), omdat men alleen zo aan betaald werk komt. Dat komt omdat hier flexwerk veel goedkoper en aantrekkelijker is voor bedrijven dan werknemers in loondienst, in vergelijking met andere landen. Vooral jongeren en vrouwen, met name lager geschoolden, komen nog maar moeilijk aan een vaste baan. Zij hebben geen regeling voor arbeidsongeschiktheid en aanvullende pensioenen, en hebben ook op tal van andere punten een slechte rechtspositie. Zo hebben zzp-ers geen ontslagbescherming, geen minimumloon en geen doorbetaling bij ziekte.

De overmatige flexibilisering van de arbeidsmarkt is slecht voor de arbeidsproductiviteit, slecht voor innovatie, slecht voor het draagvlak van onze sociale regelingen, en vooral ook slecht voor de betrokkenen zelf. Daarom moeten we flexwerk duurder maken voor werkgevers, o.m. door flexwerkers meer zekerheden te garanderen die werkgevers/opdrachtgevers moeten betalen, en daar een wettelijk minimumtarief in te voeren in plaats van de huidige fiscale zelfstandigenaftrek. Payrollconstructies en nul-urencontracten worden verboden.

We moeten een einde maken aan schijnconstructies van zelfstandigheid, met bijzondere aandacht voor platformbedrijven. Werken bij platformbedrijven gaat goed zo lang het goed met het bedrijf en de economie. Maar er is ook direct een probleem als de economie tegen zit. Dan hebben de platformwerkers een zeer zwakke positie. Ze zitten in een klap zonder inkomen en kunnen alleen op de bijstand terugvallen. Niet fijn voor hen, en de economie als geheel kan bovendien sterker gaan schommelen. Maar belangrijker: de platformwerkers zijn ijzersterke concurrenten voor werknemers. Werkgevers zitten niet aan ze vast en de bruto kosten per uur worden gedrukt omdat er minder geld naar verzekeringen en belastingen gaat. Je zou wel gek zijn om te kiezen voor een arbeidscontract, als er zo’n eenvoudig, goedkoop en weinig verplichtend alternatief is. De groei van platformwerk, juist onder de sterkste spelers op de arbeidsmarkt, beïnvloedt zo de onderhandelingspositie van de overgebleven werknemers. Want hoe gaat ‘de rest’ de verplichte risicoverzekeringen voor ziekte en werkloosheid betalen? Wie wil er dan nog betalen voor verplicht pensioen? Wat betekent nog meer zzp-ers voor de belastinginkomsten? Dit soort schijnconstructies zijn daardoor een ernstige bedreiging voor de positie van andere werknemers en van de bestaanszekerheid van ons allen.

Voor alle werknemers versterken we de rechtspositie, o.m. in het ontslagrecht en de resterende ongelijkheid voor jongeren bij het minimumloon schaffen we af.

Door concurrentie op goedkoopste arbeidsvoorwaarden binnen de EU is vrij verkeer van diensten verworden tot uitholling van rechten van werknemers. Dat moet worden bestreden door die rechten veel meer centraal te stellen en te beschermen. Met name in de transportsector moet er meer gebeuren.

De handhaving door de Inspectie SZW van schijnconstructies bij flexwerk en arbeidsmigratie moet ook worden versterkt. Uitzendbureaus krijgen opnieuw een vergunningenplicht om misstanden tegen te gaan.

Meer zeggenschap voor werknemers

We versterken ook de zeggenschap van werknemers, o.m. door meer bevoegdheden van de Ondernemingsraad (OR) bij fusie, overname, doorstarten en afhandeling van faillissement, en door een sterkere positie van werknemers in Raden van Commissarissen en Raden van Toezicht. Vakbonden – je collectief organiseren als werknemer – moeten beter worden gefaciliteerd bij hun belangrijke werk. We gaan het stakingsrecht wettelijk regelen, vakbondsleden moeten betere positie kunnen krijgen in cao’s om free-rider-gedrag tegen te gaan, er moet verplicht aandacht voor het belang van vakbonden zijn in het onderwijs en aan de algemeen verbindend verklaring van cao’s wordt niet getornd.

Prima financierbaar

Tot slot: dit is allemaal heel goed financierbaar. Als we de vennootschapsbelasting op de winst van bedrijven niet verlagen, maar weer verhogen naar het niveau van bijv. 2004, dan is er alleen al een opbrengst van 15 miljard euro per jaar. Aanpak van belastingfraude en – ontwijking levert ook al gauw tenminste 5 miljard euro per jaar op. Het afschaffen van het boxenstelsel in de inkomstenbelasting (waardoor inkomen anders dan uit arbeid veel minder zwaar belast worden), en het afschaffen van alle aftrekposten en vrijstellingen (in combinatie met een meer naar draagkracht ingericht tarievenstelsel) levert ook tientallen miljarden euro’s op. En dan hebben we het nog niet gehad over de opbrengst van het fiscaliseren van de volksverzekeringen en de veel lagere uitvoeringskosten van de sterk vereenvoudigde regelingen voor uitkeringen, werk en belasting. Het is eerlijker naar draagkracht, zekerder, effectiever, verminderd private schulden en veel eenvoudiger. Daar komt bij dat er veel investeringsruimte is door het absurd lage begrotingstekort en staatsschuldniveau (de volledige staatsschuld kan sowieso al weggestreept worden tegen de zekere toekomstige extra belastingopbrengsten op de nog uit te keren aanvullende pensioenen), door de historisch ongekend lage rente (waardoor geld lenen voor de overheid eigenlijk zelfs geld oplevert) en de noodzaak bij pensioenfondsen om mee te investeren (gegeven de hiervoor voorgestelde regulering van hun vermogensbeheer).

We kunnen het doen, als we het willen. Het vraagt alleen een moedige, radicale maar ook aansprekende politieke keuze. Er is een alternatief. Durf te kiezen. Laten we het doen, PvdA Linksom!

 

 

 

[1] Zie: http://gerardbosman.com/2018/10/18/een-zeker-volwaardig-eerlijk-en-tijdig-collectief-pensioen-voor-iedereen/

[2] Zie: https://decorrespondent.nl/8389/basisinkomen-vergroot-de-armoede-onzin/3783231187692-9838bd05

[3] Zie hiervoor: http://gerardbosman.com/een-nieuwe-koers/schulden/

[4] UWV (2018), Arbeidsmarkt­prognose 2018-2019

[5] Centraal Bureau voor de Statistiek (2017), 1,3 miljoen mensen willen (meer) werken

[6] De term ‘Werkwinkels’ is van de Argumentenfabriek

[7] Zie: Wegwerkzaamheden, Tien ideeën voor de wereld van werk, te downloaden op: https://www.awvn.nl/topics/toekomstvanwerk/

[8] Zie: Rest: Why You Get More Done When You Work Less (hier vertaald onder de titel: Rust in uitvoering, meer voor elkaar krijgen door minder te werken) van de Amerikaanse publicist Alex Soojung-Kim Pang

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *