<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Gerard Bosman</title>
	<atom:link href="https://gerardbosman.com/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://gerardbosman.com</link>
	<description></description>
	<lastBuildDate>Thu, 15 May 2025 12:57:46 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=6.2.6</generator>

<image>
	<url>https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2016/10/pvda_logo_01_w150.png</url>
	<title>Gerard Bosman</title>
	<link>https://gerardbosman.com</link>
	<width>32</width>
	<height>32</height>
</image> 
	<item>
		<title>Alles moet anders en wel nu! &#8211; Werk en inkomen &#8211; beknopte versie</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2025/05/15/alles-moet-anders-en-wel-nu-werk-en-inkomen-beknopte-versie/</link>
					<comments>https://gerardbosman.com/2025/05/15/alles-moet-anders-en-wel-nu-werk-en-inkomen-beknopte-versie/#respond</comments>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 15 May 2025 12:57:40 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1673</guid>

					<description><![CDATA[Dit is de beknopte versie van het financieel-economische hart van een gedurfd, aansprekend en geloofwaardig links-progressieve programma voor Verenigd Links, onder de titel ‘Alles moet&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[


<p>Dit is de beknopte versie van het financieel-economische hart van een gedurfd, aansprekend en geloofwaardig links-progressieve programma voor Verenigd Links, onder de titel ‘<em>Alles moet anders, en wel nu!</em>’ Deze titel brengt tot uiting dat we radicaal moeten durven te denken, in grote stelselwijzigingen en een andere ordening, én dat we haast hebben met deze grote veranderingen, enerzijds omdat de maatschappelijke problemen schreeuwen om die veranderingen (ieder uitstel maakt de problemen alleen maar groter, en halve of halfbakken oplossingen lossen de problemen niet wezenlijk en structureel op), en anderzijds om onze kiezers snel concrete resultaten te kunnen laten zien. Dat is belangrijk om ons beleid ook na een eerste regeerperiode te kunnen voortzetten en om terugdraaien van verbeteringen zo moeilijk mogelijk te maken. Wij gaan wèl leveren, waar extreemrechts nu alleen maar woorden en illusies levert.</p>
<p>Haast impliceert geen onzorgvuldigheid – we garanderen, anders dan het extreemrechtse prutsers kabinet van Schoof, dat onze voorstellen uitvoerbaar zijn, degelijk gefinancierd worden en juridisch passen in de democratische rechtsstaat. We realiseren de combinatie van urgentie en spoed met zorgvuldigheid door zaken goed voorbereid te hebben voordat we in een coalitie stappen. Er zijn concrete, meetbare doelstellingen, en er liggen concrete wetsvoorstellen en andere maatregelen die getoetst, gedekt en doorgerekend zijn. We laten steeds een meervoudige beoordeling van effecten plaatsvinden, opdat deze gestalte krijgt vanuit verschillende perspectieven: dat van burgers en betrokkenen, dat van professionals, ambtelijke en andere (zoals wetenschappers), en dat van de samenleving als geheel. Daarbij worden ook de effecten integraal in het hele sociale, economische en financiële domein bezien, vanuit het oogpunt van de burger en van de samenleving als geheel. Dat doen we onder meer met de WRR en de verschillende planbureaus.</p>
<p>Vanaf dag één kan een kabinet onder onze leiding van start hiermee. Soms wordt voorzien in noodwetgeving of noodmaatregelen, waarbij het parlement niet buiten spel wordt gezet (ze behoeven parlementaire goedkeuring), maar waarbij andere belemmeringen snel opzij gezet kunnen worden waar de nood en de urgentie hoog is.</p>
<p>Naast dit onderdeel, Werk en inkomen, zijn er ook hiermee samenhangende plannen voor de volkshuisvesting, de gezondheidszorg, het onderwijs &amp; de kinderopvang, de verduurzaming en klimaattransitie van onze economie en omgeving, migratie en de versterking van onze democratische rechtsstaat en veiligheid. Deze onderdelen overlappen elkaar deels.</p>
<p><em><u>Armoede en bestaanszekerheid</u></em></p>
<p>We bannen binnen 4 jaar armoede in ons land nagenoeg uit. Tenminste 95% van alle huishoudens heeft een netto inkomen van tenminste € 500 per maand boven de armoedegrens.</p>
<p>Ook is binnen 4 jaar de bestaanszekerheid van alle inkomens tot tenminste anderhalf modaal enorm toegenomen. Zij zijn er in besteedbaar inkomen (= bruto inkomen minus belastingen &amp; premies minus vaste lasten voor wonen, zorg, energie, water, onderwijs en kinderopvang) binnen 4 jaar tenminste € 1000 per maand op vooruitgegaan.</p>
<p><em><u>Hogere en eerlijke lonen</u></em></p>
<p>We hebben dat gedaan in de eerste plaats door hogere lonen. Het minimumloon is per direct verhoogd naar € 17 per uur voor iedereen vanaf 18 jaar – ook de minimumjeugdlonen zijn fors verhoogd. Doordat we gelijktijdig bij de berekening van het minimumuurloon en in de gehele publieke sector uitgaan van de invoering van een collectieve arbeidstijdsverkorting naar 32 uur per week met behoud van loon is het wettelijk minimumuurloon extra verhoogd naar € 19,13 per uur. Het minimumloon geldt voor ongeveer 2,3 miljoen werknemers. Ruim 40% van alle lonen boven het minimumloon, alle lonen tot tenminste 130% van het minimumloon, zijn door de verhoging van het minimumloon ook fors gestegen (het zogenaamde overloopeffect). Het minimumloon stijgt voortaan mee met stijgingen van het mediane loon, of, als dat hoger is, met de inflatie.</p>
<p>Daarenboven zijn alle lonen in de publieke sector direct met € 250 bruto per maand. Voortaan gaan we in de publieke sector beter betalen dan in de markt. Dat bevorderd loonstijging ook in de markt. Doordat in de publieke sector gewerkt wordt met 32-urige werkweek met behoud van loon stijgt het uurloon daar ook sterker.</p>
<p>De lonen worden ook eerlijker – we beperken buitensporige beloningen door bij wet te bepalen dat bij een werkgever degene met de hoogste beloning niet meer dan 20 maal mag verdienen dan degene met de laagste beloning. In de publieke sector mag niemand meer verdienen dan de premier – alle uitzonderingen worden opgeheven (inclusief het Koninklijk Huis, de pensioenfondsen en hun uitvoerings- en vermogensbeheerorganisaties, woningcorporaties, zorginstellingen, etc.). Ook gaan we binnen 2 jaar discriminerende beloningsverschillen – zoals op grond van sekse, leeftijd of afkomst -effectiever verbieden: de werkgever moet verschillen kunnen motiveren.</p>
<p>Naast de invoering van een 32-urige werkweek bij de berekening van het minimumloon en in de publieke sector vergroten we het betaald zorgverlof,  verlof mantelzorg, respijtverlof en het rouwverlof, en voeren we nieuwe verplichte vrije dagen in.</p>
<p><em><u>Werkzekerheid</u></em></p>
<p>Betaald werk wordt ook veel zekerder. Binnen 4 jaar brengen we het aandeel flexwerkers terug van 40% naar 10%. Alle werkgevers moeten al binnen een jaar 85% van hun werkenden (inclusief ingehuurde zzp-ers) in vaste dienst hebben. In de publieke sector heeft iedereen een regulier, vast contract – inhuren van zzp-ers is voor reguliere werkzaamheden uitgesloten. De ontslagbescherming wordt versterkt, tijdelijke contracten moeten sneller omgezet worden in vaste contracten, andere arbeidscontracten dan een regulier en een uitzendcontract worden verboden (0-uren oproepcontracten, payrolling, e.d.), uitzendwerk mag alleen plaatsvinden voor piek en ziek, uitzendbureaus worden streng gereguleerd, gecontroleerd en gesanctioneerd. Uitzendwerk en inhuren zzp-ers wordt ook fors duurder met zwaardere werkgeverslasten en betaling premies voor aanvullend pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekering. Alle werkenden inclusief zzp-ers krijgen verplicht aanvullend pensioen, er komt een verplichte aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp-ers en er wordt een minimumtarief voor zzp-ers ingevoerd ter hoogte van tweemaal het wettelijk minimumloon. Daarbij wordt de fiscale zelfstandigenaftrek geschrapt.</p>
<p>We stellen direct paal en perk tegen uitbuiting van arbeidskrachten, met een heel pakket aan maatregelen tegen uitbuiting van arbeidsmigranten en kinderen. We gaan arbeidsmigratie in lage lonen arbeid actief tegen en voorkomen overlast bij de huisvesting.</p>
<p><em><u>Democratisering van werk en sterkere vakbonden</u></em></p>
<p>We democratiseren onze werkorganisaties, Er is binnen vier jaar een wettelijk verplichte Maatschappelijke Raad ingevoerd bij alle ondernemingen met meer dan 100 werknemers. We hebben gelijktijdig de instemmingsrechten van de Ondernemingsraad verruimt, opdat ze tenminste gelijk zijn aan die van een aandeelhoudersvergadering. We stimuleren arbeiderszelfbestuur in werkendencoöperaties. Overdracht van bedrijf aan een werkendencoöperaties is binnen twee jaar vrijgesteld van belasting. In de marktsector voeren we ook een vermogensaanwasdeling in, waar mogelijk in de vorm van niet verhandelbare aandelen die zeggenschap geven in de onderneming, bijv. met verplichte kapitaaldeelnamefondsen per onderneming.</p>
<p>We versterken de positie van vakbonden fors – dit helpt de lonen en de overige arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden te verbeteren. Er is binnen een jaar een verbod ingevoerd op nepvakbonden (zgn. ‘gele bonden’). Inzet van enquêtetool bij cao’s is tegelijkertijd verboden en bonden die opgericht en/of voornamelijk worden gefinancierd door werkgevers mogen geen cao’s meer afsluiten. Werkgevers moeten binnen twee jaar verplicht tenminste 50% meebetalen aan de contributie van vakbonden van hun werknemers. Er zijn binnen twee jaar meer wettelijke vakbondsfaciliteiten voor actieve vakbondsleden. Jongeren krijgen tegelijkertijd in het burgerschapsonderwijs veel meer aandacht voor het belang van vakbonden. We hebben binnen twee jaar ingevoerd dat werkgeverslasten hoger zijn bij werkgevers die geen cao’s afsluiten – ons doel is om het aantal werknemers dat onder een cao valt voor 2030 te verhogen van 70 naar 90%. De toegang tot de werkvloer van vakbonden is binnen een jaar beter wettelijk gegarandeerd en benadeling en bedreiging en vakbondsleden en hun kader door werkgever wordt met betere rechtsbescherming tegengegaan. We hebben het stakingsrecht binnen een jaar wettelijk veel beter gewaarborgd. Het veroorzaken van schade mag niet meer leiden tot beperkingen van het stakingsrecht en het beperken van het stakingsrecht mag alleen bij maatschappelijk cruciale sectoren in geval daardoor essentiële maatschappelijke functies zeer in het gedrang komen – denk aan acute bedreiging van veiligheid, openbare orde en noodzakelijke zorgverlening, met een zware motiveringsplicht en bewijslast voor de verbiedende overheid.</p>
<p><em><u>Veel meer betaalde banen, volledige werkgelegenheid, een recht op betaald werk</u></em></p>
<p>We hebben binnen 4 jaar honderdduizenden extra banen gecreëerd, en vergroten daarmee de schaarste aan werknemers. Betaald werk (in loondienst of als zelfstandige) blijft de belangrijkste hoeksteen van bestaanszekerheid. Maar werk is veel meer dan inkomen. Het geeft zin, structuur en sociale context aan je leven. Werk geeft mensen ook macht in de positie tegenover kapitaal en de overheid. Het maakt je minder afhankelijk. Mits het goed, vast en eerlijk werk is, met een goede beloning en rechtspositie en goede zeggenschap. Betaald werk opgeven als zelfstandige waarde bevrijdt mensen niet, integendeel. Een wereld waarin al het werk gedaan wordt door robots en machines en alle mensen voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van de overheid is Orwelliaans.</p>
<p>We zijn afgestapt van het onterechte idee van een evenwichtswerkloosheid. Onvrijwillige werkloosheid leidt tot hoge, vermijdbare maatschappelijke kosten en persoonlijk drama. We sturen op volledige werkgelegenheid voor iedereen die wil en kan. Dit doel vervangt de sturing op inflatie en begrotingstekort en staatsschuld. In tijden van crisis scheppen we anticyclisch extra publiek werk en breiden we de scholingsinspanningen en de inkomensbescherming uit. Publieke banen als schokdempers om de bestedingen op peil te houden en de kosten van werkloosheid te vermijden. Het helpt ook tegen te grote inflatie of deflatie. Daarmee voorkomen we grote maatschappelijke kosten van crises en verkorten we de herstelperiodes.</p>
<p>We hebben in drie jaar de plicht gewijzigd in een recht op betaald werk, voor iedereen die betaald werk wil en kan. We kiezen principieel voor de benadering van betaald werk als recht, en niet als plicht. Of je betaald werkt – als werknemer of als zelfstandige – bepaal je zelf, en ook waar, hoeveel, en wat je werkt. Eigen regie is zoveel succesvoller en humaner dan dwang en repressie. Het recht op betaald werk is de andere kant van de medaille van onze ontkoppeling van het inkomensvangnet van de arbeidsbemiddeling (van bijstand naar Zekerheidsinkomen).</p>
<p>Er is binnen een jaar een periodiek bijgesteld Plan van de Arbeid gemaakt, met doelen en maatregelen, ook per sector.</p>
<p>De banen in Nederland veranderen in de komende 10 jaar aanzienlijk. Onze economie richten we vooral op (duurzame) binnenlandse bestedingen, duurzame productie, en een hoogwaardige kenniseconomie, met minder geopolitieke risicovolle afhankelijkheden, in plaats van een op uitbuiting gebaseerde lage-loneneconomie, de speculatieve financiële industrie (die maar liefst vier maal zo groot als ons nationaal inkomen, en ons dus extra kwetsbaar maakt bij kredietcrises), energie-intensieve en vervuilende en biodiversiteit bedreigende bedrijvigheid en de veel te grote uitvoer en doorvoer. Die transitie van onze economie maakt onze economie en de positie van bedrijven en huishoudens stabieler en beter weerbaar tegen externe invloeden. Minder export en doorvoer van goederen is ook goed voor ons klimaat en tegen de vervuiling en zorgt dat ons enorme en (strijdig met de EU-norm daarvoor) schadelijke overschot op de betalingsbalans. We hebben binnen 4 jaar ook veel extra werk gecreëerd in de duurzaamheidstransities en in de bouwopdracht om de woningnood op te lossen. Mensen die hun baan verliezen door de transities krijgen een werk- en inkomensgarantie door ze naar nieuw werk te begeleiden met een speciaal transitiefonds. We garanderen dat niemand financieel en liefst ook qua werk erop achteruitgaat.</p>
<p>We investeren fors in een goede publieke sector. Betaald werk in de publieke sector en bij aanbestedingen is van kostenpost tot doelstelling gemaakt. Om de tekorten en de wachtlijsten in de publieke sector op te lossen en daar de werkdruk te verlagen zijn er binnen 4 jaar ca. 300.000 extra banen gecreëerd in het onderwijs, de zorg, bij de politie, in defensie, in het OV, bij uitvoeringsorganisaties, etc. De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, hebt veel eigen regel- en budgetruimte, en je verdient ook goed, en je bent als regel in vaste dienst. Aparte aandacht geven we aan banen bij uitvoeringsorganisaties in voor onderhoudstaken van fysieke en digitale infrastructuur. Er komen extra banen als conciërges, conducteurs, klassenassistenten, huishoudelijke hulp, burger/klantcontacten, buurtwachten, etc.</p>
<p>We zorgen ook voor voldoende laaggeschoolde arbeid – niet iedereen kan helaas toegang krijgen tot hooggeschoolde arbeid. We voeren in de markt daartoe dienstencheques in en hebben behoud en uitbreiding van laaggeschoold werk als eigenstandig doel gesteld met bijbehorende financiering in de publieke sector. De overheid treedt op als ‘employer of last resort’ – arbeid als meer belangrijke waarde dan efficiënte bedrijfsvoering in de publieke sector.</p>
<p>Er is binnen drie jaar als sluitstuk van het recht op betaald werk een recht op een betaalde basisbaan ingevoerd. Iedereen die er niet in slaagt regulier betaald werk te vinden, heeft het recht gekregen op een publieke basisbaan, passend bij iemands mogelijkheden, met een vast contract, tenminste minimumloon, normale rechtspositie en opbouw aanvullend pensioen. Publieke instellingen en non-profitorganisaties kunnen basisbanen van het Rijk bekostigd en vervuld krijgen via de Huizen van Arbeid (zie hierna). De enige toets is of er geen reguliere betaalde arbeid wordt verdrongen. Er zijn geen doorstroomdoelstellingen naar regulier werk en geen selectiecriteria om in aanmerking te komen voor een publieke basisbaan. Deze publieke basisbanen zijn er voor iedereen die daar gebruik van wil maken, dus niet alleen voor mensen die moeilijk bemiddelbaar zijn. Dat voorkomt stigmatisering. We stellen ze niet beschikbaar aan private werkgevers – dat zou subsidiëring van privaat ondernemerschap zijn, en daar is zeer weinig reden toe.</p>
<p><em><u>Inclusief werk</u></em></p>
<p>Wij staan voor inclusief werk als norm. We dwingen een inclusieve arbeidsmarkt af voor de 1,7 miljoen mensen waarvoor de arbeidsmarkt een beperking heeft, met scherpere en effectievere regelgeving. Teveel mensen met een beperking staan aan de kant.</p>
<p>We voeren binnen 2 jaar een bindend quotum in voor het aantal mensen met een arbeidsbeperking bij alle werkgevers (overheid, publieke instellingen en bedrijven) met 25 of meer werknemers. Anders dan bij de huidige quotumwet gaat het quotum niet alleen voor nieuwe banen, maar om het totale werknemersbestand. Dat maakt de ambitie veel groter en garandeert inclusief werk als norm bij alle middelgrote en grotere werkgevers. Werkgevers van mensen met een arbeidsbeperking ontvangen een bonus hiervoor, ook kleinere werkgevers; werkgevers die niet aan hun quotum voldoen over meerdere jaren krijgen een malus – een extra heffing. Werkgevers worden actief benaderd door de expertcentra voor mensen met een arbeidsbeperking bij de Huizen van Arbeid om aan het quotum te voldoen en hen daarbij te helpen. In hun jaarverslag moeten werkgevers erover rapporteren. Degenen die hiervoor in aanmerking komen en meetellen voor het quotum zijn al erkend gedeeltelijk arbeidsgeschikt of worden daartoe alsnog gekeurd. De garantiebanen gaan we effectiever regelen. Deze banen zijn voor mensen met een arbeidsbeperking, maar die met ondersteuning en begeleiding wel regulier werk kunnen verrichten. De Sociale Ontwikkelingsbedrijven bieden hier ook deze ondersteuning, waaronder jobcoaching en aanpassingen van de werkplek. Ook helpen zij werkgevers bij het realiseren van garantiebanen, zowel in de private als in de publieke sector. Daarbij krijgen ze veel budget- en regelvrijheid om goed maatwerk te kunnen verrichten. Het gaat om mensen die in het doelgroepenregister staan, maar de werking daarvan moet worden verbreedt, zodat ook de vele mensen die nu volgens de organisatie Ieder(In) buiten beeld blijven, daarin ook hun plaats krijgen. De doelstellingen in aantallen blijven, anders dan Rutte III wilde, voor publieke en private sector afzonderlijk in stand. We maken daarbij aparte doelstellingen voor mensen met een niet-fysieke beperking, die nu nauwelijks een plek krijgen.</p>
<p>Er komt een bonus/malusregeling waarin werkgevers die wel voldoende mensen met een arbeidsbeperking aanstellen tenminste netto niet meer gaan betalen, en als men nog beter presteert een beloning krijgen (ongeveer 5000 euro per gerealiseerde extra baan). We willen die bonus alleen verstrekken bij vaste banen van voldoende omvang (tenminste 26 uur) verstrekken. Werkgevers die ondermaats presteren gaan meer betalen. Daarbij gaan we scherper kijken naar realisaties, opdat het echt nieuwe arbeidsplekken betreft en dat het om duurzame arbeid gaat, en geen draaideurconstructies. We betrekken ervaringsdeskundigen bij de uitvoering en het beleid.</p>
<p>De bestaande regelingen voor facilitering van werk aan mensen met een arbeidsbeperking (zoals garantiebanen en beschut werk, jobcoach, no-riskpolis bij ziekte, subsidie voor aanpassing van de werkplek en loonkostensubsidie) worden sterk vereenvoudigd en geïntegreerd in één simpele regeling, met veel uitvoeringsvrijheid en meer budget. De professionals in de expertcentra bij de Huizen van Arbeid krijgen veel vrijheid om op maat de juiste ondersteuning toe te kennen. Nu kennen deze regelingen ieder zijn eigen voorwaarden, indicaties en geldstromen: beschut werk, garantiebanen (werkplekken bij bedrijven voor arbeidsgehandicapten, toegezegd door het bedrijfsleven), recht op job coaching. Allemaal met de beste bedoelingen georganiseerd.. Dat is veel te complex en bemoeilijkt om mensen aan betaald werk te helpen: als je vastlegt wie in aanmerking komen, sluit je ook mensen uit. Het blijkt alleen maar lastiger te zijn geworden. Beter is: één regeling en dan per individu maatwerk laten organiseren met meer budget- en regelvrijheid voor de uitvoerende, goed opgeleide professional.</p>
<p>De dienstverlening voor werkenden met een arbeidsbeperking wordt gericht op individueel maatwerk voor de betrokken werkzoekende of werknemer en de betrokken werkgever, met een ruime regel- en bestedingsvrijheid voor de arbeidsbemiddelende professional, zonder aparte toegangsvoorwaarden voor ieder instrument. De persoon met een arbeidsbeperking en de werkgever hebben steeds maar één contactpersoon, voor alle vragen en ondersteuning.</p>
<p>Verder krijgen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (inclusief mensen met een beperking, en ook in een sociaal ontwikkelingsbedrijf) een recht op initiatief. Dat betekent dat werkzoekenden zelf een re-integratieplan kunnen indienen bij een Huis van Arbeid (zie hierna), met de daarvoor noodzakelijke loonkostensubsidie, jobcoaching en werkplekaanpassing. Dit leidt tot extra kosten, maar het leidt evengoed tot een besparing op de uitkeringslasten. Het recht op werk en begeleiding naar werk wordt versterkt en mensen kunnen zelf de regie nemen.</p>
<p>We stellen in aanbestedingen en inkopen door overheden en publiek bekostigde instellingen een norm voor <em>social return on investment</em> verplicht. Dat betekent dat de uitvoerder of verkoper verplicht moet voldoen aan een door die overheid of instelling gestelde norm voor het betrekken van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt bij de uitvoering.</p>
<p>Mensen die minder productiviteit hebben en/of niet voltijds kunnen werken vanwege hun beperking krijgen wettelijk gegarandeerd hun voltijds functieloon – hun werkgever ontvangt daartoe loonsubsidie. Er komt één duidelijke loonkostensubsidieregeling, zodat alle werkenden met een beperking hetzelfde functieloon verdienen als hun collega’s zonder beperking. Dit komt in plaats van de huidige loonsuppletie aan de werkende met een beperking. Voor de werkgevers vervangt de loonsubsidie de huidige loondispensatie. De loonkostensubsidie wordt via de Sociale Ontwikkelingsbedrijven verstrekt.</p>
<p>We gaan de sociale werkvoorziening weer openstellen voor nieuwe instroom, waarbij we ze omvormen tot sociale ontwikkelingsbedrijven. Het bestaande beschut werk en ook de arbeidsmatige dagbesteding gaan hier in op. Deze bedrijven bieden voor mensen met een arbeidsbeperking en mensen die door andere omstandigheden een grote afstand tot de arbeidsmarkt of een verhoogde begeleidingsbehoefte hebben, passend en duurzaam werk én de mogelijkheid om zich te ontwikkelen op een manier die bij hun past. In ons programma sluiten we aan bij de voorstellen van de FNV en van de initiatiefnota van de SP en het CDA over sociale ontwikkelingsbedrijven. Sociale Ontwikkelbedrijven zijn een springplank naar werk in het bedrijfsleven, maar ook een vangnet voor als dat even niet meer lukt. Zo kom je niet thuis te zitten als het werken bij het bedrijf stopt. Die ontwikkeling kan buiten en binnen het ontwikkelbedrijf. Ontwikkeling van mensen staat centraal, maar ook het bieden van een veilige haven. Want als het niet lukt bij een reguliere baan, kunnen mensen altijd terugkeren naar het Sociaal Ontwikkelbedrijf. De rijksoverheid wordt in plaats van gemeenten verantwoordelijk voor adequate financiering van de Sociale Ontwikkelingsbedrijven, waarbij er tenminste één is per arbeidsregio. Ze worden gekoppeld aan de regionale Huizen van Arbeid (zie hierna), waarbij ze ook een expertisecentrum vormen voor het realiseren en in stand houden van inclusief werk.</p>
<p>We gaan het door Nederland ondertekende VN-Verdrag voor mensen met een beperking wettelijk afdwingbaar maken voor burgers en belangenorganisaties. Een inclusieve arbeidsmarkt vereist een inclusieve samenleving. Met een investeringsplan tot 2030 die dat mogelijk maakt. En met een recht op schadevergoeding bij overtreding. Alle openbare ruimten en gebouwen, woningen, horeca, winkels, het openbaar vervoer, de informatievoorziening, verkiezingen, etc. moet voor mensen met een beperking wettelijk verplicht maximaal toegankelijk worden gemaakt binnen een in het plan opgenomen termijn. Het investeringsplan vergoedt de kosten hiervan. Het OV en het zorgvervoer heeft daartoe ook een structureel hoger budget nodig. Voor mensen met een arbeidsbeperking en/of grote afstand tot de arbeidsmarkt moeten er aparte regelingen blijven om hen te ondersteunen, maar die gaan we wel vereenvoudigen en beter organiseren, met als doel het recht op betaald werk (al vastgelegd in het afdwingbaar te maken VN-Verdrag over toegankelijkheid voor mensen met een beperking), zo inclusief mogelijk vorm te geven.</p>
<p><em><u>Betere arbeidsbemiddeling</u></em></p>
<p>We richten binnen drie jaar regionale Huizen van Arbeid op. Dit zijn regionale arbeidsbureaus waar werknemers en werkgevers gratis hulp en advies kunnen krijgen op alle terreinen van arbeid. De huidige arbeidsbemiddeling van gemeenten en het UWV gaan hierin op. De Huizen van Arbeid gaan tripartite bestuurd worden door gemeenten en sociale partners met een door de minister van SZW aangestelde voorzitter. De arbeidsbemiddeling wordt daarbij veel beter, met veel meer persoonlijke aandacht en scholing.</p>
<p>Met de oprichting van de Huizen van Arbeid wordt tegelijkertijd een einde gemaakt aan de feitelijke privatisering van arbeidsbemiddeling naar uitzendbureaus, die vooral bemiddelen naar onzeker en slecht betaald, laagwaardig werk, ter meerdere glorie van het verdienmodel van uitzendbureaus. Daarbij wordt vaak een draaideurconcept gebruikt (‘Flextensie’) waarbij tijdelijke werkgevers/uitzendbureaus subsidie ontvangen en bi afloop daarvan de werknemer weer dumpen bij gemeenten in de bijstand, en die gemeenten leveren dan als beloning van dit perverse gedrag weer nieuwe bijstandsklanten aan die dat werk moeten aanvaarden op straffe van verlies van uitkering plus een boete. We verbieden per direct, vooruitlopend op de stichting van de Huizen van Arbeid, deze constructies.</p>
<p>Tevens wordt met de oprichting van de Huizen van Arbeid een einde gemaakt aan het concept van ‘zelfredzaamheid’ in de arbeidsbemiddeling. Nu wordt de werkzoekende vooral aangesproken op zijn zogenoemde zelfredzaamheid, ook als die er totaal niet is. Er wordt nauwelijks gewerkt aan het wegnemen van eventuele belemmerende factoren om werk te vinden. Scholing wordt nauwelijks toegepast, en specifieke hulp voor mensen met een beperking of chronische ziekte – ruim de helft van het huidige bijstandsbestand – is er ook maar zelden. Alle aandacht gaat nu naar controle, handhaving en sanctionering in plaats van facilitering, motivering en beloning. In de Huizen van Arbeid komt er standaard voor werkzoekenden een persoonlijke intake, veel meer individueel contact, betere bemiddelaars en echte hulp: neem belemmeringen om te werken effectief weg (kinderopvang, scholing, hulp bij schulden of verslaving, ontbrekende zorg regelen, etc.). Daartoe wordt het budget aanzienlijk verhoogd, circa een verdrievoudiging. Met een integrale benadering, zo nodig eerst andere problemen oplossen. Iedereen kan er gratis terecht, ook voor meer of ander werk. Zeker in een tijd van enorme arbeidstekorten, maar ook vanuit het belang van werk voor mensen, moeten we zorgen dat de arbeidsbemiddeling van hoge kwaliteit is, gratis toegankelijk voor iedereen.</p>
<p>De arbeidsbemiddeling van UWV en gemeenten wordt met de oprichting van de Huizen van Arbeid organisatorisch, financieel en juridisch geheel ontkoppelt van het krijgen van een uitkering<strong>. </strong>Activerend arbeidsbeleid wordt principieel vrijwillig, zonder dwang of drang, maar met maximale motivering en facilitering. En geheel onder eigen regie van de werkzoekende, zowel wat betreft waar en voor wie men werkt, hoeveel en wanneer men werkt, in welke arbeidsrechtelijke constructie dat is (inclusief startend of herstartend ondernemer) en met welke arbeidsbemiddeling dat is. Er is daardoor voor mensen met een WW-, WIA- of Zekerheidsuitkering (die de bijstand vervangt, zie hierna) geen sollicitatieplicht meer, geen plicht beschikbaar te zijn voor betaalde arbeid, geen plicht tot aanvaarden van betaalde arbeid, geen plicht tot inschrijven bij uitzendbureaus, geen taaleis, geen goedkeuringsplicht voor vrijwilligerswerk, mantelzorg en vakanties, en geen andere plichten die daarvan nu afgeleid zijn. Motivering en facilitering zijn veel effectiever dan repressie, dwang en drang, die zelfs contraproductief blijken te zijn. Vertrouwen in mensen en eigen regie staat voorop. We laten daarmee het wederkerigheidsdogma principieel los en nemen afscheid van mantra’s als ‘iedereen een traject’ en van het ‘activerend arbeidsmarktbeleid<em>’</em>. We erkennen daarmee het contraproductieve karakter van de verplichtingen die daarmee nu samenhangen. Verplicht onbetaald werk wordt per direct verboden. We schaffen de tegenprestatie per direct af.</p>
<p>We zorgen dat binnen dat uitgangspunt arbeidsbemiddeling goed en effectief is en dat onvrijwillige werkloosheid zoveel mogelijk voorkomen en zo kort mogelijk is. Iedereen die zich meldt bij de werkwinkel krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact en aandacht is. Mensen in het inkomensvangnet, het Zekerheidsinkomen (zie hierna), in de WW en de WGA krijgen daartoe standaard een aanbod. De Huizen van Arbeid werken met een wettelijk kwaliteitskader voor de kwaliteit van bemiddeling naar werk, inclusief handhaving van de kwaliteit via een meer onafhankelijke inspectie SZW. <strong>Er komt ook een recht van initiatief voor werkzoekenden bij de Huizen van Arbeid. Werkzoekenden kunnen daarmee met ondersteuning vanuit de Huizen van Arbeid een plan maken om weer, meer of anders aan betaald werk te komen. Dat plan wordt getoetst aan redelijke effectiviteitsnormen, en komt vervolgens in aanmerking voor uitvoering en financiering.</strong></p>
<p>De Huizen van Arbeid gaan ook veel meer investeren in voorkomen van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. We gaan de Huizen van Arbeid beter preventief inzetten. Iedere werkende krijgt onder werktijd met behoud van loon periodiek (bijv. iedere 2 jaar) een gratis onafhankelijke gezondheidscheck en een loopbaangesprek over onder meer nuttige of noodzakelijke scholing om langer zijn baan te kunnen houden. Werkgevers worden verplicht deze scholing te organiseren onder werktijd, de Huizen van Arbeid helpen hen daarbij. We scherpen tegelijkertijd ook de Arbeidsomstandighedenwet aan en intensiveren de handhaving. Werken in ongezonde arbeidsomstandigheden – zoals onder meer op Schiphol bij de bagageafhandelaars, bij flitsbezorgbedrijven, in de transportsector en bij slachterijen – worden direct stilgelegd en verantwoordelijke werkgevers en bestuurders worden strafrechtelijk vervolgd. Dit ketenverantwoordelijkheid ten aanzien van toeleveranciers en andere ketenpartners daarbij versterkt. We vergroten daarbij de wettelijke aansprakelijkheid van werkgevers bij het optreden van arbeidsongeschiktheid bij hun werknemers voor zowel private als collectieve (denk aan de uitkeringen die daardoor verstrekt moeten worden) schade. Bij het ingaan van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid wordt in het vervolg standaard deze aansprakelijkheid onderzocht.</p>
<p><em><u>Betere en meer scholing voor de toekomstige en huidige beroepsbevolking</u></em></p>
<p>Voor betere voorbereiding en het kunnen behouden van betaald werk, als ook voor het voorzien in de arbeidsvraag van werkgevers, is het nodig fors te investeren in scholing, zowel in het initieel onderwijs als in post-initieel onderwijs. Allereerst vraagt dit om forse investeringen in het funderend (PO en VO), beroeps- en hoger onderwijs, waarbij het meeste geld moet naar waar de grootste achterstanden zijn, zo vroeg mogelijk en met zo laat mogelijke selectie. En een groot offensief om wat te doen tegen de enorme laaggeletterdheid (daaronder rekenvaardigheid en basis digitale vaardigheden) van schoolverlaters (25%!) en volwassenen (1,5 miljoen!, in meerderheid autochtonen), met als trekkers scholen, bibliotheken en buurtcentra. De noodzakelijke onderwijsverbeteringen zijn een basisvoorwaarde om iedereen ook een kans op goed betaald werk te geven en te behouden en om volwaardig zelfstandig te kunnen functioneren in onze complexe samenleving. Zie ons Plan voor beter onderwijs voor iedereen, voor concrete doelstellingen en maatregelen.</p>
<p>We gaan in de tweede plaats binnen 2 jaar fors structureel meer investeren in beroepsonderwijs. Het aanbod en de inrichting van het initieel beroepsonderwijs moet beter afgestemd worden op de vraag van werkgevers. Praktijkleren, dat in buitenland succesvol is juist voor lager opgeleide werkenden, is in ons land relatief onderontwikkeld. We gaan het werkend leren en stages extra bevorderen met een aparte studiekostenregeling met loonkostensubsidie en ondersteuning van werkgevers. ROC’s (mbo-instellingen) met veel leerlingen uit achterstandsituaties ontvangen gericht extra overheidsgeld om voortijdig schooluitval te voorkomen. Daarnaast komen er zogeheten tweede kans beroepsbegeleidende leerweg (BBL)-trajecten. Er komt binnen 2 jaar ook een gericht actieplan tegen schoolverlaten zonder startkwalificatie, het niet volgen van onderwijs en schoolverzuim.</p>
<p>We voeren binnen 3 jaar eindelijk een leerrechtensysteem in om voortdurende scholing tot een recht te maken. Goede en voortdurende scholing is een belangrijk instrument om onvrijwillige werkloosheid te voorkomen. Iedereen krijgt bij geboorte of immigratie na verkrijgen Nederlanderschap of status gelijk aan een Nederlander een gelijk aantal leerrechten. Bij migratie op latere leeftijd is er correctie op leerrechten, afhankelijk van genoten vooropleiding. Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs), basiseducatie voor volwassenen en inburgeringsonderwijs (inclusief dat voor minderjarigen) is gratis en kost geen leerrechten. Gebruik van initieel tertiair onderwijs (mbo, hbo, wo) kost leerrechten, waarbij een hoger onderwijsniveau meer leerrechten kost. Beroepsonderwijs in de vorm van werkend leren wordt daarvan vrijgesteld – gedurende zo’n leerweg gebruik je geen leerrechten, heb je recht op minimum(jeugd)loon en ontvangt de werkgever daarvoor loonsubsidie in geval van aangewezen tekortberoepen. De leerrechten kunnen voorts gebruikt worden voor gecertificeerde bij- en nascholing of voor omscholing. Deze scholing wordt zoveel mogelijk op maat vormgegeven. Alleen arbeidsrelevante scholing wordt gecertificeerd. Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld. Dit leerrechtensysteem komt in de plaats van het huidige les- en collegegeld. Dit vergroot de toegankelijkheid voor ons tertiair onderwijs enorm.</p>
<p>Volgen van relevante scholing door werknemers wordt verplicht deel van de beloningssystematiek, de werkgever wordt wettelijk verplicht daartoe voldoende gelegenheid te geven onder werktijd. De werkgever wordt daarmee verplicht te zorgen dat werknemers actief brede en waardevolle scholing krijgen die gecertificeerd is. Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor gratis scholing richting betaald werk. De transitievergoeding bij onvrijwillig ontslag kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor extra leerrechten. De financiering van de leerrechten geschiedt tripartite door het ministerie van OCW en een werkgevers- en werknemerspremie. De bestaande sectorale opleidingsfondsen worden geïntegreerd in het nieuwe leerrechtensysteem.</p>
<p><em><u>Oplossen van arbeidstekorten</u></em></p>
<p>Door de vergrijzing en ontgroening hebben we te maken met grote arbeidstekorten. We lossen de tekorten aan arbeidsaanbod, ondanks de hiervoor genoemde forse uitbreiding en wijziging van de arbeidsvraag, binnen vier jaar is op met een breed pakket van maatregelen, een offensief voor het oplossen van tekorten aan zowel de arbeidsvraag als het arbeidsaanbod.</p>
<p><u>Hogere arbeidsproductiviteit</u></p>
<p>Een belangrijke bijdrage aan het structureel oplossen van arbeidstekorten is het organiseren van een hogere arbeidsproductiviteit. Deze is in Nederland veel te laag, vooral doordat arbeid zo goedkoop is. Hogere lonen en hogere belastingen op niet-productief bestede winst zijn de sleutels om de arbeidsproductiviteit te verhogen. In ons Plan voor de Arbeid staan concrete, meetbare en gefaseerde doelstellingen voor verbetering van de arbeidsproductiviteit en het arbeidsinkomensquote (het aandeel van het nationaal inkomen dat gaat naar betaald werk).</p>
<p>            <u>Betere arbeidsbemiddeling, meer preventie van uitval en inclusief werk</u></p>
<p>De hiervoor gepresenteerde betere arbeidsbemiddeling zal ook een beetje helpen. We investeren voorts in beter werkgeverschap en goede begeleiding van startende professionals in de publieke sector, opdat er minder uitval is en daardoor de vraag daalt. Ook staan er veel teveel mensen aan de kant met ziekte of een arbeidsbeperking. Door onze investeringen in preventie (zowel op het werk, als daarbuiten) en door onze maatregelen voor inclusief werk (zie hierna) komen er meer mensen beschikbaar.</p>
<p>Ook zijn veel zorgproblemen die leiden tot arbeidsuitval verbonden met stress en geestelijk welbevinden. Onze maatregelen om de werk- en studieprestatiedruk te verminderen, meer ruimte te organiseren voor een goede balans tussen werk, zorgtaken en vrije tijd, ook tussen partners, de social media te reguleren en kinderopvang geheel gratis en beter te organiseren en veel meer te investeren in voorkomen van verzuim en arbeidsongeschiktheid en van werkloosheid, zullen (de groei van) de zorgvraag zowel in de GGZ, de jeugdzorg als de curatieve zorg aanzienlijk verminderen. We maken ook een eind aan de medicalisering van klachten die niet in de zorg thuishoren. Daarbij helpen onze plannen voor inclusief onderwijs en inclusief werk.</p>
<p>Bij preventie van zorgvraag hoort ook een gezonde leefomgeving. Ons programma voorziet in een drastische vermindering van vervuiling van onze bodem, hydrosfeer en atmosfeer, de biodiversiteit bevorderen, zoönoses beter voorkomen en geluidsoverlast aanpakken. Onze natuur zal veel meer mogelijkheden voor gezonde ontspanning bieden, ook in stedelijke omgeving.</p>
<p>            <u>Meer uren per week werken</u></p>
<p>Verder is nog een substantiële verruiming van het arbeidsaanbod te realiseren door mensen meer uren te laten werken. Minder stress met tijd voor werk en zorg door kortere werkweek en meer betaald verlof zal paradoxaal genoeg leiden tot meer gewerkte uren per week. Vrouwen zullen dan naar verwachting meer gaan werken en mannen minder, maar er zullen vooral ook meer mensen gaan werken die nu alleen zorgtaken uitvoeren. De inzet op minder uren voor voltijdswerk zal paradoxaal een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen opleveren en door het op deze manier te doen zal de financiële onafhankelijkheid van vrouwen (zeker na scheiding, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of pensioen) enorm verbeteren. Ook zal meer balans tussen betaald werk en vrije tijd/zorg preventief werken in de groeiende zorgvraag en minder verzuim impliceren.</p>
<p>Betaald werk wordt in ons programma zowel financieel (door hogere lonen en door afschaffen van alle partner-gerelateerde kortingen en andere inkomensafhankelijke regelingen buiten de progressiever wordende tarieven, zie verderop), als ook in termen van werkzekerheid en werkplezier (met onder meer veel meer eigen regie van professionals en minder bureaucratie), maar ook door betere en gratis kinderopvang (zie hierna) veel aantrekkelijker.</p>
<p>            <u>Meer ouderen aan het werk</u></p>
<p>Bij ouderen is extra arbeidsaanbod moeilijk te realiseren. Daarbij moeten we ons realiseren dat er grote verschillen zijn in (gezonde) levensverwachting. In 2017/2020 was de levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte van de meest welvarende mannen gemiddeld 25 jaar hoger dan van de minst welvarende mannen. Voor vrouwen verschilde dit 23 jaar. De gemiddelde levensverwachting in Nederland stijgt, maar de verschillen nemen toe. De afgelopen tien jaar is de levensverwachting voor vrouwen met de allerlaagste inkomens zelfs gedaald. We gaan daarom gericht beleid voeren om deze gezondheidsverschillen, de meest schrijnende vorm van de enorme ongelijkheid tussen rijk en arm in ons land, drastisch te verkleinen. We willen deze gemiddelde verschillen binnen 15 jaar terugbrengen naar maximaal 2,5 jaar in absolute levensverwachting en 5 jaar in goede gezondheid, voor mannen en vrouwen. Dat doen we door de ongelijkheid zelf te verminderen, met eerlijke beloningsverhoudingen, herverdeling van bezit en inkomen via belastingen en een stevige vloer van bestaanszekerheid met goede sociale zekerheid, een sterke publieke sector en een brede, betaalbare huursector in goede volkshuisvesting. In de gezondheidszorg helpt het schrappen van eigen bijdragen en eigen risico, het verbreden van de basiszorg en de verbetering van de ouderenzorg enorm bij het bestrijden van ongelijkheid in (gezonde) levensverwachting. Chronisch zieken zijn vooral arme mensen. Ook in het kader van preventie van zorgvraag geven we apart aandacht aan de verschillen tussen arm en rijk, door juist voor lage inkomens een gezonde levensstijl mogelijk te maken. Het bestrijden van deze ongelijkheid levert in potentie ook een grotere arbeidsparticipatie van ouderen op. We hebben om die ook daadwerkelijk te realiseren ook veel meer aan loopbaanbegeleiding georganiseerd, en betere, ook op ouderen afgestemde arbeidsomstandigheden. In de hierna gepresenteerde opzet van de Huizen van Arbeid wordt hier in voorzien.</p>
<p>            <u>Meer, betere en toegankelijke scholing</u></p>
<p>Een volgend stukje van de puzzel voor oplossingen van het enorme arbeidstekort is gelegen in het beter matchen van het beroeps- en hoger onderwijs met de onderwijsvraag. In de allereerste plaats is er een grote verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en van de toegankelijkheid (voor mensen met sociaaleconomische en taalachterstanden, en voor mensen met een studiebeperking) nodig met bijbehorende financiering. Zie hiervoor bij een aparte paragraaf in dit programma. Ook hebben we financiële beperkingen in de toegankelijkheid van het onderwijs weggenomen door les- en collegegeld te vervangen door een nieuw leerrechtensysteem en we gaan alle studiekosten (leermiddelen e.d.) via de onderwijsinstelling te bekostigen (zie verderop). Dit zal de bemiddelbaarheid van alle jongeren doen toenemen. Ook kondigen we een groot plan aan voor volwasseneneducatie. Maar meer gericht op betere matching hebben we twee extra maatregelen genomen. We hebben binnen twee jaar het aantal studieplekken voor studies waaraan wij op de arbeidsmarkt een overschot aan hebben beperkt en die waaraan wij een tekort hebben juist uitgebreid. Bij dat laatste hebben we ook voor meer mogelijkheden voor zij-instroom en voor werkend leren ingevoerd. We hebben voorts een systeem ingevoerd met bonussen en een werkgarantie voor afgestudeerden bij studies voor tekortberoepen. We trekken alles uit de kast om mensen te verleiden tot een studie voor erkende tekortberoepen.</p>
<p>            <u>Meer circulaire arbeidsmigratie voor erkende tekortberoepen</u></p>
<p>Ook migratie gaan we inzetten voor het oplossen van arbeidstekorten. Dat kan wel degelijk effect hebben, doordat we inzetten op vooral circulaire, tijdelijke arbeidsmigratie. Als er jaarlijks netto 50.000 arbeidsmigranten extra naar Nederland komen, groeit de potentiële beroepsbevolking iedere tien jaar met een half miljoen of 5 procent extra. Daarmee wordt het risico op structurele personeelstekorten in deze periode sterk verminderd. Op korte tot middellange termijn kan het aantrekken van gekwalificeerde arbeidskrachten uit het buitenland voorzien in deze personeelsbehoefte.</p>
<p>Arbeidsmigranten dragen per definitie bij aan de economische groei als zij in Nederland productieve arbeid gaan verrichten. Als de productiviteit van arbeidsmigranten gemiddeld overeenkomt met die van de gevestigde werkenden, zullen 50.000 extra arbeidsmigranten per jaar het welvaartsniveau met ongeveer een kwart procentpunt per jaar verhogen. Arbeidsmigranten die worden aangetrokken voor hoogproductief werk, zullen juist een grotere bijdrage aan het gemiddelde welvaartsniveau leveren. Arbeidsmigranten leveren ook een positieve bijdrage aan de welvaart als hun talenten en capaciteiten complementair zijn aan die van de gevestigde werkenden, die daardoor ook productiever worden. Dit geldt in het bijzonder voor specialistische functies waaraan in Nederland een tekort is.</p>
<p>Voor het effect op de welvaart maakt het veel uit in welke levensfase arbeidsmigranten naar Nederland komen, of zij in Nederland een gezin vormen en of en, zo ja, wanneer zij vertrekken. Ons beleid voor meer op erkende tekortberoepen gerichte circulaire arbeidsmigratie, met een systeem van tijdelijke arbeidsvergunningen, is al met al het beste antwoord om ook migratie een positieve rol te geven bij het oplossen van arbeidstekorten. Door hen ook te scholen en financieel te ondersteunen bij hun terugkeer en samen met het land van herkomst te zorgen voor een werkgarantie bij terugkeer, is er geen sprake van een braindrain maar juist van een verbetering in de situatie daar. Binnen twee jaar zijn daartoe de eerste bilaterale afspraken gemaakt.</p>
<p>We hebben binnen een jaar een Arbeidsmigratieplan met concrete taakstellingen en instrumenten voor aantallen tijdelijke arbeidsmigranten in erkende tekortberoepen. Dit komt in plaats van de lage-lonen-arbeidsmigratie, die we zoveel mogelijk dwarszitten met de hiervoor genoemde maatregelen tegen uitbuiting van arbeidsmigranten en met het stoppen van vergunningen voor dit soort bedrijvigheid. Met een snellere en betere integratie van migranten, en om hen sneller aan het werk te krijgen – ook vluchtelingen – helpen we ook het arbeidstekort te verkleinen. Meer en snelle erkenning buitenlandse diploma’s helpt daar enorm bij en is daarom een prioriteit – we hebben dat binnen twee jaar ingevoerd.</p>
<p>We zetten ons ook zeer in om dit tot speerpunt van migratiebeleid in Europa te maken – niet asiel is het grootste probleem (maar wel het moeilijkste te reguleren deel van de migratie) maar arbeidsmigratie. Die moeten en kunnen we veel beter reguleren, binnen en buiten de EU, door lage lonenarbeid uit te bannen en in te zetten op tijdelijke, circulaire migratie. Migratie is niet <em>de</em> grote oplossing van het tekort aan arbeidskrachten of de grijze druk, maar kan daarbij wel degelijk een belangrijke functie vervullen, mits je het goed (circulair, snel, veilig, met goede integratie) organiseert.</p>
<p>            <u>Minder arbeidsvraag</u></p>
<p>Een laatste, belangrijk stuk van de oplossing van arbeidstekorten ligt in het schrappen van veel banen die weinig toevoegen aan onze economie of zelfs schadelijk zijn voor onze welvaart en welzijn. Oplossingen voor arbeidstekorten worden eenzijdig gezocht aan de aanbodszijde van de arbeidsmarkt, terwijl de krapte juist voortkomt uit een te grote economie door veel export – de vraagkant. De focus van onze economie moet zich meer richten op essentiële ‘binnenlandse’ sectoren als de zorg en het onderwijs.</p>
<p>De belangrijkste reden voor de focus op de aanbodzijde in plaats van de vraagzijde op de arbeidsmarkt lijkt te zijn dat een kleinere vraag naar arbeid al snel wordt geassocieerd met minder welvaart. Alleen als de arbeidsproductiviteit stijgt zou de vraag naar arbeid kunnen afnemen zonder dat de productie daalt. Maar juist in sectoren waar personeelstekorten de grootste impact hebben, zoals de zorg en het onderwijs, zijn de mogelijkheden voor productiviteitsverhoging vooralsnog beperkt – al verschillen de meningen over de mogelijkheden van bijvoorbeeld AI op langere termijn. Terwijl essentiële ‘binnenlandse’ sectoren als de zorg en het onderwijs door gebrek aan personeel moeite hebben om hun dienstverlening op peil te houden, zetten we een groeiend deel van onze productiecapaciteit in ten behoeve van het buitenland.</p>
<p>Wat ook nauwelijks aandacht krijgt, is de vraag of we niet met minder productie toekunnen – en dus minder arbeidskrachten nodig hebben – zonder dat dit de welvaart verlaagt. Minder groei betekent niet automatisch minder welvaart. Vaak wordt aangenomen dat de consumptie zich min of meer parallel aan het bruto binnenlands product (bbp) ontwikkelt. Minder economische groei betekent dan automatisch minder consumptiemogelijkheden en dus minder welvaart. Daarmee wordt echter over het hoofd gezien dat de Nederlandse economie aanzienlijk meer produceert dan nodig is voor de binnenlandse bestedingen.</p>
<p>Nederland kent immers al decennialang een omvangrijk overschot op de handelsbalans. In het verleden, toen Nederland nog een relatief jonge bevolking had, was het verstandig om te streven naar een positief handelssaldo. Daarmee werd immers vermogen in het buitenland opgebouwd, dat in de toekomst zou kunnen worden benut om de binnenlandse consumptie te financieren als de bevolking ouder wordt en er minder productieve jonge arbeidskrachten beschikbaar zouden zijn. Je zou dus verwachten dat naarmate de Nederlandse bevolking meer ‘vergrijsde’, het handelsoverschot zou afnemen &#8211; en op den duur zou omslaan in een handelstekort. Het tegendeel was echter het geval. Een steeds groter deel van het Nederlandse productiepotentieel wordt dus niet gebruikt om voor binnenlands gebruik te produceren, maar voor het buitenland. Niet alleen in het licht van de vergrijzing van de bevolking, maar ook gezien de huidige personeelstekorten is dit een merkwaardige ontwikkeling. Terwijl essentiële ‘binnenlandse’ sectoren als de zorg en het onderwijs door gebrek aan personeel moeite hebben om hun dienstverlening op peil te houden, zetten we een groeiend deel van onze productiecapaciteit in ten behoeve van het buitenland.</p>
<p>Waar de krapte op de arbeidsmarkt en toenemende personeelstekorten doorgaans worden toegeschreven aan een ‘te kleine beroepsbevolking’, is er meer reden om de oorzaak te zoeken in een ‘te grote economie’. De Nederlandse economie produceert veel meer dan nodig is om de welvaart van de Nederlandse bevolking op peil te houden. Als het saldo van uitvoer en invoer in het komende decennium geleidelijk in balans zou worden gebracht, zou het bbp met 11% kunnen worden verkleind, zonder dat dit ten koste gaat van de ruimte voor binnenlandse bestedingen (consumptie plus investeringen). De vraag naar arbeid vanuit het bedrijfsleven zou daarmee min of meer evenredig kunnen afnemen, waarmee de gevreesde structurele personeelstekorten als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen.</p>
<p>Er is dan ook alle reden om een beleid te gaan voeren dat niet tot doel heeft bedrijvigheid gericht op de uitvoer aan te moedigen en te ondersteunen, maar juist te ontmoedigen en af te remmen. Het economisch beleid zou zich primair moeten richten op het bedrijfsleven dat voor de binnenlandse markt produceert. Binnenlandse bestedingen moeten belangrijker worden dan export en doorvoer. Daarbij helpt ook dat de binnenlandse vraag versterkt wordt door hogere inkomens en een grote publieke sector met veel publieke werknemers die een goede, stabiele koopkracht hebben. Dat staat centraal in ons economisch beleid, en is ook goed voor de vergroening van onze economie. We maken binnen 4 jaar een einde aan ons handelsoverschot. We moeten ons richten op banen die werkelijk toegevoegde waarde leveren in termen van breed welzijn.</p>
<p>Daarnaast zou het goed zijn in het pensioenstelsel de verhouding tussen kapitaaldekking en omslagfinanciering te veranderen ten gunste van het laatste, om zo een lager spaaroverschot te organiseren – dat helpt bij het terugdringen van het handelsoverschot ten gunste van binnenlandse bestedingen. Door de verhoging van de AOW (zie hierna) doen we dat eveneens. Door aanpassingen in het pensioenstelsel (zie verderop) bevorderen we dat pensioenpremies omlaag gaan terwijl de pensioenzekerheid toeneemt.</p>
<p><em><u>Een andere economisch verdienmodel met andere banen: sociaal, groen en slim</u></em></p>
<p>We hebben met onze grote veranderingen in onze economie afscheid genomen van het neoliberale superkapitalisme, waarin aandeelhouderswaarde allesoverheersend is geworden. We kiezen voor een Rijnlands in plaats van een Angelsaksisch model, met een sterke, grote publieke sector en moderne verzorgingsstaat, en waarin de markt sterk gereguleerd en gedemocratiseerd is, ook met coöperaties. De invloed van de markt is ook verbannen uit het politieke domein. Met een eerlijk belastingstelsel (zie verderop) herverdelen we bezit en inkomen. Niet de wolf in onze natuur is het probleem, maar de wolf van Wall Street en het superkapitalisme, en van de fossiele en vervuilende bedrijvigheid. We laten ons daarbij niet langer gijzelen door de open grenzen en globalisering, in een race to the bottom. En dat vraagt dus ook een sociale Europese Unie, andere handelsverdragen en een nieuw Bretton Woods (monetair stelsel).</p>
<p>Dat betekent eveneens een einde aan economische groei als doel, en een transitie naar kwalitatieve groei, in termen van brede welzijnsgroei. De economie moet opereren binnen harde ecologische en sociale grenzen, een donut-economie. De overheid moet veel gerichter sturen welke arbeid we wel willen: duurzaam en sociaal: publieke banen, banen in de duurzaamheidstransities en in de woningbouwopgave en banen in bedrijvigheid die bijdragen aan onze brede welvaart, met maatschappelijk ondernemerschap en coöperatieve werkorganisaties als norm. Dit economisch hervormingsplan (Plan voor een slimme, sociale en groene economie) is er binnen een jaar en wordt ondersteund met een Toekomstfonds en een nieuwe Nationale Investeringsbank (zie verderop).</p>
<p>            <u>Minder geopolitieke afhankelijke economie</u></p>
<p>Aparte aandacht is nodig voor het weerbaar maken van Europa, ons land en onze bondgenoten – voor het verdedigen van internationale grenzen, de democratische rechtsstaat inclusief het internationale recht, onze vrije samenleving en onze welvaart en welzijn. Dat vraagt ook een andere economie, met veel minder afhankelijkheden van vijandige en onbetrouwbare landen (grondstoffen, productiefaciliteiten, distributiefaciliteiten) voor essentiële goederen en diensten (medicijnen en medische hulpmiddelen, staal en andere bouwmaterialen, energie, zeldzame grondstoffen die nodig zijn voor bijvoorbeeld groene energie en voor data infrastructuur, wapens en verdedigingsmiddelen, inclusief het kunnen vergaren van inlichtingen, etc.). Daarvoor zal de productie en levering van die goederen en diensten in Europa, en ook in ons land, fors moeten groeien, hetgeen langere termijn zekerheid behoeft voor de leveranciers en soms ook subsidiëring bij de transitie. Waar nodig nationaliseren we desnoods al dan niet tijdelijk essentiële bedrijven om ze overeind te houden of om ze te transformeren. Deze transitie is urgent. We bevorderen een Europees plan voor minder geopolitieke afhankelijkheid en voeren zelf een 4-jarenplan uit, dat er al binnen een jaar is, en onderdeel is van ons Plan voor een slimme, sociale en groene economie.</p>
<p>            <u>Minder export en doorvoer, geen handelsoverschot meer, minder transport</u></p>
<p>Het Plan voor een slimme, sociale en groene economie maakt een einde aan de rol van ons land als export- en doorvoerland, met weinig toegevoegde waarde en veel vervuiling en overlast. We maken binnen 5 jaar een einde aan ons handelsoverschot.</p>
<p>We stoppen ook met het ruim baan geven aan de distributiecentra, de enorme blokkendozen die nu steeds meer ons landschap ontsieren en alleen kunnen bestaan met op arbeidsmigratie en uitbuiting gebaseerde lage lonenarbeid. Er komt per direct een landelijk moratorium op uitbreiding en nieuwe plekken voor distributiecentra. Vrachtwagenverkeer voor transport van goederen in ons land krijgt een apart tarief van rekeningrijden – dat is hoger per km en voor niet-elektrische voertuigen, en voor transport waarvoor niet aangetoond wordt dat er geen duurzaam alternatief is. We voeren tegelijkertijd een aparte heffing in op het bezorgen van pakketten en van voedsel/maaltijden. De prijs van hogere lonen, betere arbeidscontracten en de milieuschade van al dat bezorgen gaat zichtbaar worden in de consumentenprijs, dat zal het aantal vervoersbewegingen drastisch doen krimpen. Veel van die bewegingen zijn onnodig.</p>
<p>De distributieknooppunten als de Rotterdamse haven en Schiphol moeten niet meer inzetten op groei, maar op een kwalitatieve, duurzame transitie, met enkel duurzaam transport en daarin een voorlopersrol spelen.</p>
<p>We zorgen voor een forse krimp in de luchtvaart. De sprookjes over duurzaam vliegen zijn vooralsnog voor de komende decennia luchtkastelen. Vliegen moet beperkt worden tot waar geen alternatieven zijn en beprijst, opdat er zo min mogelijk onnodig gevlogen wordt. Deze krimp maakt vliegen wel weer haalbaar binnen de grenzen van natuurvergunning en gezondheidsnormen. We maken binnen twee jaar continentale vluchten fors duurder, verbieden tegelijkertijd vluchten waar goede railalternatieven bestaan (dit scheelt al 100.000 vluchten!) en zetten per direct, zo nodig met noodwetgeving, een stop op de groei van luchthavens: Lelystad Airport gaat definitief niet open, Schiphol moet terug naar maximaal 250.000 vluchtbewegingen, en regionale luchthavens gaan binnen twee jaar dicht. Privévliegtuigen worden binnen 2 jaar  in beginsel niet meer toegelaten. Nachtvluchten worden per direct verboden. De krimp is mogelijk met behoud van een goede bereikbaarheid van alle voor Nederland belangrijke bestemmingen. Er zijn veel minder overstappers nodig. Schiphol blijft een kleinere hub met een groot netwerk. Het internationaal vervoer van Nederland komt niet in de knel. Economisch is er nauwelijks nadeel. Er komt binnen 2 jaar een aparte ticketbelasting voor veel-kilometer-vliegers en kortingen voor veelvliegers worden verboden. En er komt binnen 2 jaar een kerosinebelasting op alle vliegbewegingen, die zwaarder is voor privé- en zakenvliegtuigen. Zo maken we de luchtvaartkrimp ook eerlijker. Tegelijkertijd zetten we in op veel meer snelle verbindingen in Europa via railverkeer, voor personen en voor goederen.</p>
<p>Scheepvaart maken we uiterlijk in 2060 een van de duurzaamste vormen van transport. We zetten vol in op elektrificatie van de scheepvaart met groene stroom – op het water en aan de wal. Voor nieuwe schepen gaan we uiterlijk per 2030 verbieden dat er een hoofdmotor in komt. De eis wordt dan tenminste hybride diesel-elektrisch gaan varen. En dan gaan de accu’s het vanzelf steeds meer overnemen als die goedkoper en kleiner worden. De scheepvaart wordt onder de werking van het ETS gebracht en krijgt ook een CO₂-heffing. Ook privéjachten met fossiele brandstoffen gaan we zwaarder belasten. Er komen strenge normen voor geluid van schepen onder water. We gaan op de Noordzee streng handhaven op verbod van lozen van giftige stoffen, o.m. na scrubben. Niet-duurzame cruiseschepen worden per direct geweerd. Binnenvaart, slepers, baggerschepen en veerboten moeten voor 2030 elektrisch zijn.</p>
<p>            <u>Energietransitie naar groene elektriciteit en grote energiebesparing</u></p>
<p>Wat betreft de energietransitie maken we eveneens binnen een jaar een plan met doestellingen in de tijd en bijbehorende maatregelen. Elektriciteit moet het belangrijkste element van het energiegebruik worden. De kolencentrales moeten volgens huidige wetgeving in 2030 dicht. We zorgen dat dit inderdaad gebeurt. We normeren wettelijk gefaseerd vermindering uitstoot van broeikasgassen richting een klimaatneutrale elektriciteitssector in 2035, stimuleren opslag in batterijen bij zonneparken en normeren verplicht zon op daken. Investeringen in adequate elektriciteitsnetten zijn cruciaal. Andere energiedragers, zoals waterstof, spelen, anders dan het beleid tot nu toe faciliteerde, bij ons slechts een beperkte rol. Het regelbaar vermogen voor onze elektriciteitsproductie moet uiterlijk in 2035 klimaatneutraal zijn. Flexibiliteit van de vraag naar elektriciteit en goede verbindingen met omringende landen verminderen de noodzaak van dit regelbaar vermogen.</p>
<p>We reguleren het gebruik van biomassa. Alleen echte duurzame biomassa kan gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd worden. In het Klimaatakkoord is een te belangrijke rol weggelegd voor biomassa in de verduurzaming van de Nederlandse energievoorziening, dat gaan we beperken. Biomassa is in ons energiebeleid vooral een tijdelijke oplossing, tot het moment dat andere, meer duurzame opties goedkoper en verder ontwikkeld zijn. We beperken de subsidies voor biomassa tot waar en zolang er echt geen duurzamer alternatief is, met inachtneming van de energiebesparingstaakstellingen. De inzet van biomassa als energiebron moet waar dat kan af worden gebouwd. Liever biomassa gebruiken als grondstof, dan als energiebron.</p>
<p>We investeren niet in kernenergie, dat is niet duurzaam, is onnodig, is te laat beschikbaar en veel te duur. We schrappen de bouwplannen en gereserveerde middelen hiervoor per direct. Kernenergie is een dure, onnodige, gevaarlijke rechtse hobby. Kernfusie is al decennia een technische illusie gebleken. Het is goed om daar naar onderzoek te blijven verrichten, maar voor onze huidige urgente problemen is daar ook niet de oplossing van te verwachten.</p>
<p>De energie-infrastructuur van Nederland moet leidend worden voor de ruimtelijke, sociale en economische ontwikkeling, en niet meer volgend zoals nu. Infrastructuur heeft een sturende werking op gedrag van burgers en bedrijven. Daarvoor krijgen netbeheerders direct alle benodigde investeringsruimte en wettelijke ruimte. Ook voor burgers, corporaties en gemeentes maken we binnen een jaar juridische ruimte zodat ze zelf met lokale duurzame energiesystemen aan de slag kunnen gaan en lokaal maatwerk mogelijk wordt. Het tijdig en op de juiste plaats realiseren van adequate elektriciteitsnetten is de hoofdopgave van de vernieuwing van het energiesysteem. Energie-infrastructuur wordt een vestigingsplaatsfactor in een breder ruimtelijk perspectief voor Nederland.</p>
<p>We gaan veel meer inzetten op energiebesparing. Het potentieel daarvoor wordt veel te weinig benut. Alle nieuwe bedrijvigheid die veel extra energie nodig heeft wordt per direct, zo nodig met noodwetgeving, in beginsel niet meer toegelaten. We verhogen het energiebesparingsdoel voor 2030 van 32,5% naar 45%. De schoonste energie is de energie die we niet hoeven op te wekken. En we kunnen niet zonder, willen we de doelstelling van maximaal 1,5 graad opwarming halen en nog ergere  klimaatrampen voorkomen. De transitie is alleen haalbaar bij forse energiekrimp.</p>
<p>De uitstoot van broeikasgassen door de industrie moet veel sneller omlaag. Voor het bereiken van de reductiedoelstellingen voor CO₂ hangt veel af van de industrie. De doestellingen van het Klimaatbeleid voor de industrie gaan we binnen een jaar wettelijk verankeren en afdwingbaar maken voor overheid, burgers, milieuorganisaties en voor bedrijven die wèl hun doelen halen, maar concurrenten vals zien spelen. We heffen per direct de uitzondering van de industrie op de investeringsverplichting in energiebesparing op en gaan deze verplichting strak handhaven.</p>
<p>In ons nieuwe belastingstelsel (zie verderop) wordt door ons ook een verandering van de energiebelasting ingevoerd, waarbij de huidige vrijstellingen voor grootverbruikers vervallen. Eveneens willen we een hoge CO₂-heffing en een ETS-heffing. Dit zal de industrie aanzienlijk prikkelen te investeren in energiebesparing, energieefficiëntie en verduurzaming van hun energiegebruik. Het zal zonder twijfel ook leiden tot vertrek of beëindiging van sommige energie-intensieve bedrijvigheid, maar daar staat nieuwe, duurzame en slimme bedrijvigheid tegenover. De betrokken werknemers krijgen een inkomensgarantie en worden desgewenst naar ander werk begeleid.</p>
<p>We bieden energie-intensieve bedrijven die hun CO₂-uitstoot willen terugdringen investeringszekerheid door middel van <em>carbon </em><em>contracts for difference </em>(CCfD’s), die de kloof overbruggen tussen de  geldende prijs van CO2-emissies en de werkelijke kosten van emissiereductie. Restwarmte-uitstoot wordt belast opdat het rendabel wordt deze te benutten.</p>
<p>Er komt een Noodwet voor verplichte energiebesparing bij bedrijven komen opdat huishoudens niet verstoken worden van energie. Bij elektriciteitstekorten gedurende de transitie gaan we energie-intensieve productie beperken of zelfs stilleggen.. Alles wordt uit de kast gehaald om energie te besparen.</p>
<p>            <u>Groene, energie-arme industrie</u></p>
<p>De industrie in Nederland gaat zeer ingrijpend veranderen. De relatief grote omvang van de zeer energie-intensieve industrie werd mede mogelijk door de relatief grote hoeveelheid fossiele brandstoffen uit eigen bron (vooral aardgas). Dit specifieke voordeel kan niet vervangen worden door eigen opwekking van duurzame energie, omdat andere Europese landen soms veel meer duurzame energie kunnen opwekken. Het oude industriemodel is niet meer bruikbaar, ook al blijven andere relatieve voordelen van Nederland bestaan, zoals de ligging en de immateriële infrastructuur.</p>
<p>Er komt binnen een jaar een nieuw sectorplan voor vergroening van en vermindering van energiegebruik door de industrie en diensten. We verscherpen de klimaateisen in de industrie. We gaan bij de nieuwe klimaatdoelstellingen voor de industrie en diensten de gehele klimaatafdruk van deze bedrijven meerekenen. Dat vraagt om een economisch structuurbeleid dat gericht is op onder meer extensivering (vermindering) van energiegebruik in de industrie.</p>
<p>De sleutel ligt in circulariteit en vermindering van laagwaardig gebruik. Als fossiele import helemaal moet verdwijnen met behoud van de chemie, dan zijn er grote stappen op circulariteit nodig. De integratie tussen raffinage en chemie (met name plastics) blijft, maar verandert substantieel. Dit levert een duurzamere sector en een kleinschaligere chemische productie.</p>
<p>Wij zien geen toekomst voor de kunstmestfabricage meer in ons land. Voor ijzer en staal gaat meer schroot verwerkt worden. Productie van staal in Europa voorkomt afhankelijkheid van landen buiten Europa. Dat kan prima in Europese landen waar veel meer potentieel is aan duurzame energieopwekking, zoals Spanje en Zweden. Bovendien levert de staalproductie in ons dichtbevolkte land al lang grote gezondheidsproblemen op. Wij zien kortom, hoe pijnlijk ook, ook geen toekomst voor staalproductie in ons land.</p>
<p>Waterstof is een opslagmogelijkheid voor energie, waarbij echter veel energie verloren gaat. We gaan, anders dan waar de industrie nu van uitgaat, grote waterstofprojecten niet subsidiëren, ook niet wat betreft het aanleggen van het leidingen – de sector moet dat zelf financieren. Dat maakt des te meer dat energie-intensieve bedrijvigheid in ons land maar beperkt houdbaar zal zijn. De duizelingwekkende hoeveelheden wind- en zonnestroom die nodig zijn voor de productie van groene waterstof, gaan vele tientallen miljarden kosten. De aansluiting op het elektriciteitsnet zou nog eens vele miljarden kosten, net als de bouw van de elektrolysers. De kans dat waterstof vanaf de Noordzee het goedkoopst zal zijn, is niet zo groot. Als de industrie overgaat op groene waterstof gaan velen er daarom van uit dat de waterstof uiteindelijk geïmporteerd moet worden. Maar ook import is niet goedkoop, integendeel. Schaarse, groene waterstof moeten we niet gebruiken om de energie-intensieve bedrijvigheid in stand te houden met subsidies, maar kan wel goed dienen als bufferbrandstof, om tijdelijke tekorten bij productie met zon en wind op te vangen. Een waterstofcentrale kan zo’n dip opvangen, als een soort chemische accu voor zon- en windenergie.</p>
<p>CO₂-opslag is uiteindelijk ook geen oplossing, maar kan wel tijdelijk soelaas bieden, maar we moeten onze focus en subsidie vooral richten op CO₂-hergebruik. Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar is, en alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.</p>
<p>We stoppen ook met het faciliteren van veel energie en water slurpende datacenters in ons land. We stellen daarenboven bindende duurzaamheidsnormen vast voor datacentra, waaronder energie-efficiënte koeling, minimaal watergebruik, hergebruik van restwarmte en verlenging van de levensduur van hardware. In afwachting daarvan stellen we per direct een moratorium in. We stellen ecodesignregels vast die het dataverbruik van online films, video’s, games en advertenties aan banden leggen, evenals dat van slimme apparaten. We voeren ecodesignregels in voor software om het gebruik van systeembronnen, energie en data te beperken. We verbieden cryptomunten – naast het grote data- en energiebeslag zijn deze munten gevaarlijk voor de financiële stabiliteit, schulden van huishoudens en worden ze gebruikt voor witwassen van criminaliteit en witwassen. We ontwikkelen een meetlat voor de rekenintensiteit van kunstmatige intelligentie (AI), voeren een rapportageverplichting in voor AI-ontwikkelaars en bevorderen het gebruik van de meetlat als criterium bij de aankoop van AI door overheden.</p>
<p>            <u>Groene, natuurinclusieve landbouw</u></p>
<p>Landbouw is voor onze economie maar van beperkt belang. Het draagt niet meer dan 1,4% bij aan ons nationaal inkomen. Als we het hele agrocomplex van bedrijvigheid meerekenen komt het op ruim 4%, iets meer dan de cultuursector bijdraagt aan onze economie (die echter veel minder overheidssubsidie krijgt). Landbouw is verantwoordelijk voor 71% verantwoordelijk voor de binnenlandse stikstofuitstoot en voor 10,8% van de uitstoot van broeikasgassen. Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het is absurd dat in een dichtbevolkt land dat drijft op diensten bijna 60 procent van het grondgebied in beslag wordt genomen door een uitermate vervuilende activiteit: de intensieve landbouw. Deze heeft grote nadelige maatschappelijke en milieueffecten. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid.  Dat moet minder, duurzamer, natuurlijker.</p>
<p>Landbouw moet van ons in 2040 geheel klimaatneutraal zijn. De uitstoot van CO₂, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen. In de landbouw moet alleen al voor de reductiedoelstelling van broeikasgassen de veestapel voor 2030 met 30% verminderen met een maximum van 1,7 dier per hectare.</p>
<p>Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector, daarvoor lenen de productieomstandigheden in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. De gangbare, industriële landbouw kan de wereld op den duur niet voeden. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Burgers maken zich zorgen over klimaatverandering, maken zich zorgen over gezondheidsrisico’s en ergeren zich aan de landschapsvervuiling en schendingen van dierenwelzijn, natuurbeschermers zien dat er zich een &#8216;ecologische ramp&#8217; voltrekt in het agrarische gebied. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren.</p>
<p>We hebben binnen een jaar een plan vastgesteld voor de toekomst van de landbouw en visserij. We verplichten, stimuleren en faciliteren boeren om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030 en 2040. De toekomst ligt in gemengd boerenbedrijf met natuurinclusieve akkerbouw, voedselbossen en extensieve veeteelt, gecombineerd met betaald natuur- en landschapsbeheer en andere, niet-vervuilende bedrijvigheid. Het areaal landbouwgrond (nu 54 procent van het landoppervlak) wordt gehalveerd. Dat wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de uitbreiding van de voedselproductie op zee. Boeren gaan minder produceren, maar ze krijgen wel een betere prijs voor hun producten.</p>
<p>We maken een einde aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – met een krimp van tweederde ten opzichte van 2020 uiterlijk in 2030, dus tot eenderde van de huidige omvang. Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen. Veevoer gaat genormeerd worden naar uiteindelijk zonder ingevoerde soja en zonder kunstmest. Nederlanders eten in 2120 minder vlees en/of eten kweekvlees. Met BTW- en prijsmaatregelen ondersteunen we die transitie. We gaan vegetarische vleesvervangers, kweekvlees en het gebruik van insecten en zeewier in de voedselvoorziening bevorderen.</p>
<p>We bevorderen een snelle hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) met hogere kwaliteitsnormen. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken.</p>
<p>Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.</p>
<p>De stikstofarresten van de Raad van State en uitspraken van andere rechters worden direct en strikt uitgevoerd – niet door ontwijktrucs. We gaan versnellen in plaats van vertragen: 50% procent minder stikstofuitstoot en driekwart van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op een gezond niveau in 2030.</p>
<p>Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Met deze vernatting van veenweidegebieden zijn ze niet meer geschikt voor melkveehouderij, maar wel voor ‘<em>natte’</em> teelten zoals cranberry’s en riet. Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw. De vruchtbare kleigronden in Zeeland, de polders, Noord-Holland, Friesland en Groningen behouden hun bestemming als akkerbouwgrond. Hier zullen vooral gewassen worden geteeld voor menselijke consumptie. Het is zonde om op vruchtbaar land gras te laten groeien voor koeien. De normen voor dierenwelzijn moeten fors worden verhoogd en strak gehandhaafd. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling.</p>
<p>We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Verkoop van gewassen, planten en bloemen die met pesticiden gekweekt zijn wordt in Europa eveneens verboden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Pesticiden veroorzaken ernstige ziektes bij mensen op en rondom de boerderijen en bijv. de bloembollenvelden, zoals Parkinson en leukemie. Een progressieve belasting op pesticiden (zolang er nog geen Europees verbod is) en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop. Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. We blijven het voorzorgprincipe hanteren tegen genetische modificatie van gewassen.</p>
<p>            <u>Circulaire economie</u></p>
<p>We gaan onze economie geheel verduurzamen naar een circulaire economie. Dat is een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Met ook nieuwe verdienmodellen. Voor iedere sector van onze economie komen er in een apart plan voor een circulaire economie wettelijke doelstellingen, gefaseerd in de tijd, met instrumenten en financiering, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050. Dit plan is er binnen een jaar. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kan een circulaire economie 10% afname van onze CO₂-uitstoot en 20% waterbesparing in de industrie opleveren, maar ook meer leveringszekerheid van grondstoffen (25% minder import van primaire grondstoffen), als ook ruim 50.000 nieuwe banen en zeven miljard euro extra voor de Nederlandse economie. Dat vraagt wel een enorme transitie. Deze moet eerlijk en rechtvaardig plaatsvinden, opdat huishoudens met een laag en middeninkomen daar niet de rekening van betalen. Het moet hen financieel mogelijk gemaakt worden duurzaam te leven. In het plan wordt daar uitwerking aan gegeven. Een circulaire economie helpt ook enorm tegen risicovolle geopolitieke afhankelijkheden.</p>
<p>We gaan voor de verkoop van producten in het plan voor een circulaire economie wettelijke normeringen instellen dat het gebruik van circulaire en/of duurzame natuurlijke grond- en hulpstoffen steeds meer verplicht stelt. Onder meer bij de bouw, textiel en bij elektronica. Er komt ook een Afvalwet naar analogie van de Klimaatwet, die het gebruik van niet-circulaire/duurzame natuurlijke producten met (ook door derden) afdwingbare doelstellingen en termijnen beperkt. En er komt binnen twee jaar een verpakkingsbelasting plus een uitbreiding van statiegeldregelingen. We gaan de nieuwe Europese richtlijn voor reparatie en garantie al vooruitlopend in nationale regelgeving omzetten in het hiervoor genoemde plan.</p>
<p>            <u>Maatschappelijk verantwoord ondernemen, beperken en reguleren marktwerking</u></p>
<p>In onze economische transitie gaan we ook de marktwerking meer reguleren: We hebben binnen 2 jaar de verplichtingen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) uitgebreid en effectiever gemaakt.</p>
<p>Marktwerking is binnen 3 jaar wettelijk uitgesloten in publiek sectoren. De Autoriteit Consument en Markt is in deze sectoren niet meer bevoegd. Bij disfunctioneren kan de bevoegde overheid aanwijzingen geven en/of onder curatele stellen. We hebben de privatisering van het OV en nutsbedrijven binnen 4 jaar terug gedraaid. In andere sectoren, waarin ook publieke belangen spelen (banken, post, communicatie) zetten we zwaarder in op regulering.</p>
<p>Waar er wel marktwerking is gebleven, hebben we tegelijkertijd het marktmeesterschap van de overheid versterkt, vooral uit oogpunt van het algemeen belang en van consumentenbelangen. Reclame gaan we binnen 3 jaar veel sterker reguleren. We zetten ons in om de misstanden die nu wekelijks bij consumentenprogramma’s te zien zijn aan te pakken met extra regelgeving en handhaving. Met scherpe en intensieve inspecties en hoge, effectieve boetes. We hebben binnen 2 jaar vijandige overnames moeilijker gemaakt. Excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen wordt wettelijk beperkt. We hebben het patentrecht binnen 2 jaar beperkt. We hebben in 2 jaar de huurbescherming versterkt van zelfstandige winkeliers en de rechtspositie van franchisenemers, en we hebben tegelijkertijd de mededingingswetgeving aangescherpt, zodat de macht van grote inkopers tegenover kleine zelfstandigen is ingeperkt.</p>
<p>Handelsverdragen en de Europese Unie worden hervormd. We voeren daartoe binnen 2 jaar een wettelijk toetsingskader in. We zetten ook in op een nieuw begrotingspact in de EU. Dit wordt opgenomen in een nieuw EU-verdrag, dat ook eigen belastingheffing mogelijk maakt, ook een sociale pijler kent en geen vetorecht meer kent (zie ook bij linkse begrotingspolitiek).</p>
<p>            <u>Betere bescherming privacy en regulering van internet</u></p>
<p>De privacy van burgers moet binnen 3 jaar veel beter worden beschermd en het internet moet meer worden gereguleerd met een heel pakket aan maatregelen. Overheden en publieke instellingen moeten zelf controle houden over hun databestanden. Er is voor gebruikers een wettelijk gegarandeerde zeggenschap en transparantie over de koppeling van databestanden in publieke sectoren. Het medisch beroepsgeheim is niet aangetast mar juist versterkt. We draaiden het mogelijk maken van het verkopen van je data door je bank terug. Banken krijgen geen inzicht in telefoongesprekken. Burgers hebben wettelijk zeggenschap en controle over wat er met hun data gebeurt en er zijn strenge wettelijke voorwaarden voor het omgaan met deze data. Cookies zijn scherp aan bonden gelegd. Apps en platforms die zich daar niet aan conformeren zijn verboden. Bij het gebruik van algoritmes en databestanden is transparantie wettelijk verplicht. Stigmatiserend gebruik van algoritmes, bijv. bij het bestrijden van fraude, is verboden. Algoritmes mogen niet leiden tot uitsluiting op de arbeidsmarkt of verzekeringen. We ondersteunden de snelle ontwikkeling van een ‘publiek internet’, met waardengedreven publieke en non-profit platforms, waardoor informatie en communicatie, en daarmee datastromen, niet langer via commerciële platforms of platforms die in handen zijn van autoritaire regimes hoeft te gaan. Zo bevorderen we een divers en pluriform internet met verschillende typen spelers. We verbieden apps en platforms die nepnieuws verspreiden, illegale verkoop toestaan, discriminerende, racistische, bedreigende en gewelddadige uitlatingen toestaan, de democratische rechtsstaat ondermijnen en/of de nationale veiligheid ondermijnen (zoals vanuit autoritaire regimes, terreurorganisaties of criminele organisaties). We hebben de digitale infrastructuur veel steviger gereguleerd. Dit geldt des te meer in het geval platformbedrijven nutsfuncties vervullen. De huidige kaders voor wetgeving en regulering lopen achter bij de alledaagse realiteit van algoritmische lock-ins, ongebreidelde verknopingen van datastromen, vervagende grenzen tussen de private infrastructuur en gebruikersvoorwaarden met een onduidelijke status. Het dwingend en niet transparant goedkeuren van delen van je data en surfgedrag op websites is verboden. Zelfregulatie is evident onvoldoende gebleken. We verboden de handel in persoonsgegevens (met inbegrip van gepersonaliseerde reclame), biometrische massasurveillance, <em>social scoring </em> en de ongerichte onderschepping van telecommunicatie. Platformbedrijven moeten verplicht voor hun diensten voldoen aan dezelfde eisen als hun concurrenten: cao-naleving (Picnic), verbod op schijnzelfstandigheid (Deliveroo, Uber), beroepsvoorschriften (Uber) en belastingvoorschriften als btw en toeristenbelasting (AirBNB). We voerden naar Frans voorbeeld een aparte belasting in op digitale diensten (Digitaks) en voeren wetgeving in om monopolyposities (zoals Google bij zoekmachines en Facebook bij sociale media) te breken. Dat kan o.m. met interoperabiliteit, het verbieden van koppelingen (zoals die nu door de Europese Commissie is verboden tussen het besturingssysteem Windows en de zoekmachine Internet Explorer), en door te verbieden dat toegang tot platforms of data uniek is – zoals nu Facebook bepaalt welk aanbod van andere partijen is toegestaan. Dataportabiliteit maakt het gebruikers mogelijk een alternatief voor Facebook te kiezen zonder gegevens te verliezen en dus zonder virtuele vrienden te verliezen. We namen maatregelen om jongeren beter te beschermen tegen potentieel beschadigende content en verslavend internetgedrag, en om burgers te misleiden met ‘<em>fakenews’</em> – dat moet wel zeer transparant en controleerbaar gebeuren, onafhankelijk van de overheid – en bewuste manipulatie van de democratie. Accounts zijn verplicht op de eigenaar/gebruiker verifieerbaar voor de overheid bij strafbare uitingen, waaronder racisme, discriminatie en bedreiging, maar ook fascisme en bedreiging van de rechtsstaat.</p>
<p>            <u>Regulering en krimp van financiële sector</u></p>
<p>Aparte aandacht geven we aan de noodzakelijke krimp en hervorming van onze financiële sector. We hebben de financiële sector binnen 3 jaar fors ingekrompen en gereguleerd. Onze financiële sector is nu een waterhoofd in onze economie, die ook grote risico’s geeft voor onze totale economie, welvaart en brede welzijn. Het faciliteert ook op grote schaal belastingontwijking, het zo desastreus uitpakkende superkapitalisme en zelfs criminele organisaties met witwassen en belasting ontduiken. We hebben scherp ingegrepen met tal van maatregelen. We willen de financiële sector in 10 jaar laten krimpen van 7 à 10% naar maximaal 3% van ons bbp. In plaats van de focus te richten op reductie van overheidsschulden moeten we die richten op reductie van private schulden.</p>
<p>We eisen fors hogere buffers bij banken en verplichten tot een harde scheiding tussen nuts- en zakenbankfuncties (aparte betaalrekening- en spaarbanken). We sturen aan op een stelsel met kleine banken, en willen lagere private schulden – de totale private schulden willen we binnen 10 jaar verlagen van 274% van ons bbp naar maximaal 135%, die van niet-financiële bedrijven van 172% naar maximaal 100% en die van huishoudens van 102% naar maximaal 85%. Banken met nutsfuncties moeten verplicht coöperatief zijn opgezet, die niet op winst maar op het publiek belang en dat van hun cliënten gericht zijn. Er is ook een aparte, veilige staatsbank voor huishoudens gecreëerd. Banken dragen nog steeds te weinig bij aan de overheidsfinanciën, daarom verhoogden we de bankenbelasting, en die voor zakenbanken extra. Daarnaast willen we in Europees verband een belasting invoeren op speculatieve transacties met aandelen (Financial Transaction Taks – FTT – of ook wel Tobin-tax genaamd). De bankenunie moet afgemaakt worden door de invoering van een door banken zelf gefinancierd Europees depositogarantiestelsel (DGS), zodat overheden onder druk van spaarders niet in de verleiding komen falende banken alsnog te redden. Hierbij moet er altijd een mogelijkheid moet zijn klanten van die bedrijven te redden in bepaalde omstandigheden. Met de invoering van een Europees DGS zorgen we ervoor dat de Europese bankenunie naast Europees toezicht en een Europees steunfonds stevig op drie pijlers rust.</p>
<p>Het is hard nodig de rol van banken en van de overheid bij geldcreatie aan de orde te stellen en het gebruik van cryptomunten als bitcoins te verbieden. Geldschepping moet de samenleving dienen: daarom een goede democratische controle op geldschepping, het voorkomen van financiële zeepbellen en het creëren van ruimte voor publieke bestedingen. Dat doen we door geldschepping te beperken door dit exclusief te beleggen bij een digitale euro onder controle van de Europese Centrale Bank. We stimuleren dat geld in de productieve economie terechtkomt en ontmoedigen speculatie.</p>
<p>We moeten ook de uitwassen van het Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme bestrijden: de investeerder, en niet de belastingbetaler moet verplicht de grootste risicodrager zijn; excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen is onmogelijk gemaakt; de invloed van werknemers is vergroot; en de kosten en het verdienmodel van private equity-partijen is verplicht transparant geworden. We hebben daarenboven binnen een jaar private equity geheel verbannen uit de publieke sector, vooruitlopend op de beëindiging van marktwerking daar.</p>
<p>Ook verzekeraars en accountants worden scherper gereguleerd. Fiscalisten, accountants en vermogensbeheerders ontspringen nog te vaak de dans bij belastingontduiking. We hebben de mogelijkheden verruimd om de adviseurs die meewerken aan belastingontduiking en agressieve belastingontwijking te vervolgen en zijn dat ook veel meer daadwerkelijk aan het doen.</p>
<p><em><u>Een schuldenoffensief</u></em></p>
<p>De gewenste krimp van de financiële sector bereiken we mede door een schuldenoffensief – een pakket aan maatregelen dat de private schulden bij huishoudens drastisch beperkt en risicovolle en problematische schulden voorkomt. We zorgen ervoor dat het aantal huishoudens met risicovolle (staan rood + betalingsachterstanden + creditcardschuld) of problematische schulden (kunnen op eigen kracht schulden niet meer afbetalen) binnen 5 jaar is gedaald van rond de 1,7 miljoen huishoudens naar maximaal 250.000 huishoudens. We zorgden dat problematische en risicovolle schulden bij huishoudens veel beter worden voorkomen en dat ze sneller en effectiever worden opgelost. De onderstaande maatregelen worden met noodwetgeving binnen een jaar ingevoerd, want de nood is hoog.</p>
<p>We vergrootten de risico’s voor kredietverstrekkers – de risico’s liggen nu te eenzijdig bij de kredietnemers. We zorgden dat de hypotheekverstrekker minder risico’s accepteert door de hypotheek te laten vervallen bij inlevering van het onderpand – de woning. De hypotheeknemer heeft daardoor geen risico meer op een restschuld. Ook bij andere kredieten dan hypotheken vergrootten we het risico van de kredietverlener, onder meer door bij faillissement van natuurlijke personen geen beslag meer mogelijk te maken op toekomstig inkomen en kan er op meer essentiële goederen geen beslag meer gelegd worden voor verkoop. Kredieten aan personen die al geregistreerd staan (in het publiek te maken) BKR worden wettelijk nietig verklaard, en de zorgplicht van kredietverstrekkers kan niet meer overgaan op incassobureaus.</p>
<p>We verboden ook de commerciële handel in schulden, beperkten de wettelijke rente en incassokosten fors (de wettelijke maximale rente verlagen we naar de gemiddelde spaarrente plus 2%; incassokosten moeten feitelijk onderbouwd aan kosten zijn gemaakt en worden wettelijk beperkt tot maximaal 100 euro), maakten gerechtsdeurwaarders weer publieke instanties zonder winst en nevenactiviteiten, reguleerden dat schuldenaren altijd maar één deurwaarder kunnen hebben met regio-gebonden deurwaarders, reguleerden incassobureaus met vergunningen en waarborgsommen, alsmede aansprakelijkheid en strafbaarstelling van hun bestuurders bij overtreding. Het Bureau Kredietregistratie (BKR) werd genationaliseerd – de Rijksoverheid gaat de regels bepalen. Daarbij vervallen de registraties na 6 maanden na succesvolle schuldsanering en geen nieuwe betalingsachterstanden. </p>
<p>We beperkten schulden bij overheden (de grootste schuldeisers) door één centraal Rijks incassotraject (incl. het CJIB), met één incassobeleid voor alle overheden, en een maatregel waardoor uitkeringen, toeslagen en andere verstrekkingen worden op een gelijk tijdstip uitbetaald. Doordat de fiscale toeslagen vervallen (zie hierna), we geen uitkeringen meer als (terugvorderbare) voorschotten verstrekken, de vaste lasten fors beperkt worden met ook afschaffen van zorgpremies en eigen betalingen in de (basis)zorg, en de Fraudewet Sociale Verzekeringen met zijn buiten proportionele boetes en omgekeerde bewijslast vervalt, zullen de vorderingen van de overheid op huishoudens enorm afnemen. Bij verkeersboetes is een proportionaliteitstoets ingevoerd in relatie tot inkomen en bezit.</p>
<p>Ter preventie van problematische consumptieve schulden bij huishoudens verhoogden we de leeftijdsgrens voor het aangaan van een krediet van 18 naar 21 jaar, kwam er structureel meer en betere financiële scholing in onderwijs, organiseerden we meer aanbod van financiële coaching bij (opnieuw) gaan werken en zorgden we voor meer regulering en verbod van krediet- en gokreclame en draaiden we de legalisering van gokken terug. Ook verboden we wettelijk achteraf betalen (zoals met Klarna) en in termijnen betalen zonder voorafgaande krediettoetsing en effectieve leeftijdstoetsing. In iedere gemeente kwam er verplicht een publiek, onafhankelijk Geldloket voor onafhankelijk, gratis financieel advies en formulierenhulp. Gemeenten krijgen daar uiteraard extra budget voor. Er is een wettelijk verplichte, uitgebreide gemeentelijke vroegsignalering en hulpaanbod bij betaalachterstanden vaste lasten en bij risicovolle levensevents (arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, scheiding, overlijden partner e.d.) en er kwam automatische wettelijke kwijtschelding van alle lokale lasten bij inkomen op of onder 130% van het sociaal minimum  en bij toekenning van schuldhulpverlening.</p>
<p>We hebben de schuldhulpverlening veel toegankelijker, effectiever en efficiënter gemaakt. We hebben de schuldhulpverlening (incl. bewindvoering) wettelijk verplicht volledig publiek gemaakt: schuldhulpverlening mag niet meer uitbesteed worden aan commerciële partijen (er blijft wel ruimte voor private, niet-commerciële partijen), en bewindvoerders komen verplicht in dienst bij gemeenten. Er is een kwaliteitssysteem met verplichte certificaten voor bewindvoerders en schuldhulpverleners.</p>
<p>We integreerden de nu opeenvolgende systemen van minnelijke en rechterlijke schuldsanering in één nieuw systeem van gemeentelijke schuldhulpverlening en schuldsanering. Dan gaat het sneller en effectiever. Gemeenten verkregen de bevoegdheid om alle maatregelen te nemen die nu ook kunnen bij de rechter, met beroepsmogelijkheid  voor schuldenaar en schuldeisers bij de rechter (zonder schorsende werking). Er is een wettelijk toegangsrecht tot schuldhulpverlening gekomen met wettelijke, korte beslistermijnen. Bij toelating schuldhulpverlening is er direct een schuldenmoratorium (= bevriezing van schuld, dus geen verhoging meer door rente en kosten) en een verbod op huisuitzetting, op stopzetting levering energie en water, op beëindiging zorgverzekering en beëindiging van telefoon/internetlevering. Binnen zes weken na de aanmelding moet er door de gemeente een individueel (op maat) gemaakt schuldhulpverleningsplan opgesteld worden, niet alleen zoals nu gericht op het oplossen van de schulden voor schuldeisers maar óók op nieuw perspectief voor een duurzaam schuldenvrij bestaan van de schuldenaar. We investeerden fors in dit nieuwe systeem bij gemeenten. Er is ook een recht op onafhankelijke, gratis juridische, financiële en sociale bijstand voor de schuldenaar ingevoerd met wettelijk een goede rechtsbescherming met bezwaar en beroep.</p>
<p>Een nationaal schuldenfonds maakt het opkopen van schulden mogelijk. De beslagvrije voet is verhoogd tot 100% van het sociaal minimum – dat is niet voor niets gedefinieerd als het sociaal minimum. Inwonende kinderen – ongeacht de leeftijd – hoeven niet meer bij te dragen. De maximum schuldsaneringstermijn is onlangs gehalveerd naar 1,5 jaar, en we voerden daarenboven ieder half jaar een maand schuldenaflospauze in. De schuldsaneringstermijn kan worden verlengd bij niet nakoming verplichtingen door de schuldenaar (in plaats van beëindiging, daar schiet niemand wat mee op). Na afloop van de schuldsaneringstermijn vervalt net als nu de restschuld en er is verplichte nazorg om herhaling te voorkomen. Er is een eenmalig schuldenpardon verleend op het moment dat bovenstaande maatregelen zijn ingegaan, dat alle problematische schulden die op dat moment al tenminste 5 jaar bestaan, bij wet kwijtscheldt.</p>
<p><em><u>Hogere en betere uitkeringen, met meer zekerheid en rechtsbescherming</u></em></p>
<p>            <u>Hoger sociaal minimum, behoud van volledige koppeling aan wettelijk minimumloon</u></p>
<p>Het sociaal minimum stijgt mee met de verhoging van het wettelijk minimumloon. Dat maakt uitkeringen zoals de bijstand (400.000 personen) en de AOW (ruim 3,5 miljoen personen) fors hoger, met ruim € 286 bruto per maand erbij.</p>
<p>            <u>Betere uitkeringen bij onvrijwillige werkloosheid</u></p>
<p>We zorgen ook voor betere regelingen bij onvrijwillige werkloosheid. De WW wordt niet verkort, maar verlengd – de minimumduur gaat binnen een jaar van drie naar zes maanden. De maximumduur blijft twee jaar. We versterken binnen 3 jaar de verplichtingen van werkgevers om bij dreigende werkloosheid elders werk te vinden. De nieuwe Huizen van Arbeid gaan werkgevers hierbij beter – intensiever, en meer op maat – bij helpen. Werkgevers die hierbij onvoldoende resultaat boeken, krijgen hogere WW-premies. Met een combinatie van opleiding, uitkering, aanvulling van de oude werkgever en inkomen bij de nieuwe werkgever krijgen mensen bij dreigende werkloosheid de kans om omgeschoold te worden zonder dat zij ineens (een groot deel van) hun inkomen kwijt zijn. Ook komt er voldoende budget voor scholing speciaal gericht op langdurig werklozen. We schrappen de regels over aanvaarden van niet-passende arbeid in de WW binnen 3 jaar. We intensiveren en verbeteren de arbeidsbemiddeling vanuit de WW met de nieuwe Huizen van Arbeid.</p>
<p>Werknemers die werkloos geraken door de grote transities die in onze economie nodig zijn krijgen vanuit een apart fonds tot 2 jaar hun inkomen tot het niveau van tweemaal modaal gegarandeerd en worden zij met hulp van speciale extra arbeidsbemiddeling en scholing aan een nieuwe, passende baan geholpen. Dit fonds en de hulp daarbij wordt binnen 3 jaar gerealiseerd.</p>
<p>            <u>Betere uitkeringen bij ziekte en arbeidsbeperking</u></p>
<p>Er komen ook betere uitkeringen bij niet kunnen werken door ziekte of arbeidsbeperking. De bestaanszekerheid van deze groep kwetsbare mensen wordt nu ernstig bedreigd en hun mogelijkheden, voor zover aanwezig, om weer goed, betaald werk te vinden zijn veel te beperkt en te complex om effectief inclusief werk, een vereiste voor goed werk, mogelijk te maken. De recent gebleken grootschalige fouten bij het UWV bij het berekenen van WIA uitkeringen onderstrepen de ernst en de urgentie. We garanderen dat niemand de dupe wordt van deze fouten – we sluiten terugvorderingen in verband met deze fouten van het UWV wettelijk uit.</p>
<p>Alle werknemers krijgen binnen een jaar wettelijk 100% doorbetaling van hun loon bij ziekte gedurende de eerste 2 jaar (nu is dat bij cao in sommige sectoren lager. De subsidieregelingen voor loondoorbetaling bij ziekte voor mensen met arbeidsbeperking worden tegelijkertijd verbeterd en deze komen ook beschikbaar voor 55-plussers en mensen die langdurig werkloos zijn geweest. Flexwerkers krijgen rondom ziekte en re-integratie dezelfde ondersteuning, begeleiding en bescherming als reguliere werknemers.</p>
<p>De bepaling van de mate van arbeidsgeschiktheid wegens een arbeidsbeperking ten behoeve van een WIA-uitkering of een garantiebaan al dan niet met loonkostensubsidie wordt binnen 3 jaar onafhankelijk van de uitkeringsinstantie ingericht bij de Huizen van Arbeid. De rechtsbescherming hierbij wordt versterkt. De regeling bij de keuring gaan we drastisch vereenvoudigen met simpele rekenregels. We verlagen tegelijkertijd de grens om in aanmerking te komen voor een WIA/WGA-uitkering van 35% naar 15% arbeidsongeschiktheid. Daarmee komt deze grens in overeenstemming met de ILO-normen. Het is nu een ernstige van bestaanszekerheid dat mensen met 15-35% arbeidsbeperking geen voorziening hebben. De resterende verdiencapaciteit in de WGA bepalen we niet langer door uit te gaan van 65% van het laatst verdiende loon, maar van 85% van het modale loon (hierdoor gaan lagere inkomens erop vooruit), en we verruimen de inkomenstoetsgrenzen net zoals bij het Zekerheidsinkomen (zie hierna).</p>
<p>            <u>Intrekken Participatiewet, vervanging bijstand door Zekerheidsinkomen</u></p>
<p>De meest ingrijpende verandering in de sociale zekerheid betreft de intrekking van de Participatiewet en de vervanging van de bijstand. Er komt een nieuw inkomensvangnet. De bijstand en de Participatiewet wordt binnen drie jaar vervangen door een volledig individueel Zekerheidsinkomen. Een nieuw inkomensvangnet voor iedereen die minder verdiend dan het sociaal minimum, dat net als nu het inkomen aanvult tot dat sociaal minimum. Zoals eerder aangegeven, gaat dat sociaal minimum per direct wel fors omhoog. We verlagen tegelijkertijd ook de leeftijdsgrens voor het sociaal minimum naar 18 jaar in lijn met onze verlaging van de leeftijdsgrens voor het wettelijk minimumloon. We schrappen ook tegelijkertijd de huidige wachttijd in de bijstand voor jongeren tot 27 jaar van een maand.</p>
<p>Het Zekerheidsinkomen is (juridisch, financieel en organisatorisch) zoals hiervoor bij de arbeidsbemiddeling al aangegeven volledig ontkoppelt van de arbeidsbemiddeling Er zijn dus geen verplichtingen en verboden meer gerelateerd aan de uitkering. In plaats van straffen als je iets niet wil, geven we beloningen als je iets wel doet. Bij aanvaarden van betaald werk van tenminste 24 uur per week en 1 jaar aaneensluitend vervulling daarvan, krijgen degenen die daarvoor meer dan half jaar minder of geen uren betaald werkten en een Zekerheidsinkomen ontvingen en daarna niet meer krijgen een eenmalige werkbonus. De hoogte van de werkbonus is gelijk aan een maand minimumloon.</p>
<p>De huidige bestedingsbeperkingen en controles op de besteding van de uitkering vervallen in het Zekerheidsinkomen, dat gaat de Staat niets aan. Dus geen standaard verplichte inzage in bankafschriften e.d. meer. En we verruimen de inkomens- en vermogensvrijstellingen in het Zekerheidsinkomen fors ten opzichte van de huidige bijstand. We stellen vrijwilligersvergoedingen, smartengeld en terugbetalingen bij jaarafrekeningen (bijv. van premies, belastingen, energie, water, e.d.) of fouten bij derden als ook inkomen uit verkoop van roerende goederen (niet zijnde inkomen uit bedrijf), geheel vrij van de inkomenstoets. Bij weer betaald gaan werken komt er een aanvullende tijdelijke vrijstelling (bijvoorbeeld voor 12 maanden 25% van inkomen uit arbeid vrij met een maximum van totaal inkomen tot modaal – hiermee creëren we een extra beloning op weer betaald gaan werken in plaats van een sanctie als je daar te weinig voor doet zoals nu). En we laten € 2400 (ca. 20% van de uitkering) per jaar aan netto inkomsten uit (onder)huur of uit vergoeding voor inwoning vrij – daarmee ontvangen samenwoners (of dat nu ouders, kinderen, een geliefde, vriend, kennis of wildvreemde is) een bonus in plaats van een sanctie om mee te helpen de woningcrisis op te lossen én het versterkt zijn bestaanszekerheid. Daarenboven stellen we € 1800 per jaar aan giften en erfenissen vrij. Dit voorkomt dat er gecontroleerd moet worden op kleine giften, zoals boodschappen. Tenslotte verruimen we ook de vermogenstoets aanzienlijk. We stellen € 100.000 aan roerende goederen plus de eigen, zelf bewoonde, woning geheel vrij, zodat je bijv. auto kan bezitten en belangrijke apparaten kan bezitten en vervangen en je woning niet hoeft te verkopen en de opbrengst ‘op te eten’ alvorens je aanspraak kan maken op het Zekerheidsinkomen. Voor ZZP-ers geven we een vrijstelling voor het bedrijfsvermogen, dat dan wel apart en controleerbaar geadministreerd moet worden. Je hoeft dat dus ook niet meer te verkopen en op te eten voor het recht op een Zekerheidsinkomen.</p>
<p>Het Zekerheidsinkomen gaat uitgevoerd worden door de Sociale Verzekeringsbank (SVB), net als de AOW. De inkomenstoets vindt plaats op basis van het inkomen op de maand voorafgaand aan de maand waarvoor de uitkering verstrekt wordt, en rond de 21<sup>ste</sup> van die maand uitgekeerd wordt. Dat wordt iedere maand door de Belastingdienst doorgegeven aan de SVB, met afschrift aan de betrokkene. Die kan altijd online dat ook zien en zo nodig wijzigen. Rechthebbenden op het Zekerheidsinkomen krijgen proactief informatie over hun rechten op Zekerheidsinkomen en wijzigingen daarin, met een eenvoudig recht op bezwaar en beroep. Inkomens worden getoetst op jaarbasis, en bij sterk wisselende inkomens kunnen personen een wijziging van het peiljaar krijgen. Bij fouten worden geen sancties opgelegd, deze worden gereserveerd voor alleen opzettelijke fraude, met bewijslast voor de rijksoverheid. Ook bij correcties van inkomsten door de Belastingdienst zonder sancties geldt een bewijslast voor deze dienst. Samen met de individualisering van alle uitkeringen (zie hierna) en de ontkoppeling met de arbeidsbemiddeling wordt de nieuwe bijstand een toonbeeld van vereenvoudiging, met veel lagere uitvoerings- en controlekosten. Sancties en terugvorderingen zullen nog nauwelijks voorkomen. De uitvoeringskosten zullen drastisch dalen.</p>
<p>Gemeenten behouden de mogelijkheid voor aanvullend maatwerk via de bijzondere bijstand. Daartoe krijgen ze meer vrijheden en financiële middelen. Gemeenten ontvangen van het Rijk een doeluitkering voor de bijzondere bijstand met een progressief stelsel, gebaseerd op de inkomensverdeling in gemeenten. De toekenning geschiedt op basis van een door de gemeenteraad vastgestelde gemeentelijke verordening, waarbij een hardheidsclausule en bezwaar- en beroepsprocedure verplicht zijn.</p>
<p>            <u>Alle uitkeringen worden individueel</u></p>
<p>Alle uitkeringen, ook die van het Zekerheidsinkomen en de AOW, worden principieel en binnen twee jaar individueel. Het hebben van een partner of een andere inwonende heeft dan geen negatieve gevolgen meer voor de uitkering – de huidige kortingen (partnertoets, kostendelersnorm) en aparte normbedragen voor alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens worden daarbij afgeschaft. Alle uitkeringen worden individueel op 100% van het sociaal minimum (70% van het wettelijk minimumloon) gesteld voor beide partners, ongeacht het hebben van kinderen – de kinderbijslag wordt daarbij verhoogd (zie ook verderop).</p>
<p>Omdat alle uitkeringen geïndividualiseerd worden op het niveau van een alleenstaande gaan samenwonenden er in de AOW (zo’n 1 miljoen van de 3,5 miljoen AOW-ers) en in de bijstand er fors extra op vooruit, zo’n 40% gezamenlijk. Daarenboven telt partnerinkomen niet meer mee in het bepalen van (de hoogte) van het recht op bijstand (partnertoets) en wordt in de bijstand de kostendelerskorting geschrapt.</p>
<p>Door het schrappen van de partnertoets komen er meer mensen in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Hetzelfde geldt voor de verruiming van de inkomens- en vermogenstoets en het schrappen van de plichten in relatie tot het verkrijgen van en beschikbaar zijn voor betaald werk in de bijstand. Wij schatten deze effecten op maximaal een verdubbeling van het aantal bijstandsgerechtigden. Anderzijds verwachten we dat door de veel betere arbeidsbemiddeling die we tot stand brengen, de betere scholing tijdens de loopbaan of bij werkloos zijn en het grotere aanbod van goed en passend betaald werk dit effect tenminste voor de helft weer teniet gedaan wordt. Dus per saldo maximaal een stijging van het aantal bijstandsgerechtigden met 50% tot 600.000.</p>
<p>Samenwonen wordt in het vervolg niet meer bestraft, maar juist beloond met een bonus. Dit bestrijdt de woningnood, vergroot de bestaanszekerheid en financiële zelfstandigheid, en voorkomt dat juist mensen aan de onderkant van de samenleving hun beslissingen over hoe ze hun leven en liefde vorm geven in relaties of juist niet vooral financieel gemotiveerd moeten nemen. En – last but not least – het voorkomt dat er allerlei ernstige privacy schendende controles moeten plaatsvinden over samenwonen, met vaak zeer dubieuze methoden en normen.</p>
<p>Niet of slechts beperkt betaald werkende partners krijgen hiermee een eigen recht op een uitkering ongeacht het inkomen van de andere partner. Dit schrapt het uitgangspunt om financiële draagkracht in aanmerking te nemen bij gezamenlijke huishoudens, maar doet recht aan het fundamentele recht voor eigen keuzes, en is in lijn met het uitgangspunt bij huwelijken waarbij niet meer bij voorbaat uitgegaan wordt van gemeenschap van goederen. We willen niet dat samenlevingsvormen afgedwongen worden door gevolgen in de uitkering. Dat is voor ons een beschavingsnorm, net als de koppeling van het sociaal minimum aan het minimumloon.</p>
<p>Ook andere inwonenden leiden door het vervallen van de kostendelersnorm niet meer tot gevolgen in de uitkering. Door het vervallen van de partnertoets en de kostendelersnorm, alsmede het vrijlaten van een deel van inkomsten uit (onder)huur, wordt de acute woningnood wat verminderd, krijgen huishoudens met een Zekerheidsinkomen de mogelijkheden hun besteedbaar inkomen verder te verhogen met medebewoners en wordt de uitvoering van de regeling en de controle daarop drastisch vereenvoudigd.</p>
<p>            <u>Vervallen van de Wajong</u></p>
<p>Het nieuwe Zekerheidsinkomen vervangt ook de Wajong. De huidige Wajong-keuringen kunnen daarmee vervallen. En daarmee vervalt ook een belangrijke stigmatisering die veel jonggehandicapten nu ervaren – ze krijgen recht op hetzelfde goede inkomensvangnet als iedereen.</p>
<p>            <u>Vervanging van de studiefinanciering, gratis onderwijs, beloning stages</u></p>
<p>Het nieuwe Zekerheidsinkomen gaat ook de studiefinanciering vervangen. Dat doen we gefaseerd, met als eerste stap het verhogen van de aanvullende beurs tot het verschil tussen wat je nu maximaal als aanvullende beurs plus lening kan krijgen en de basisbeurs; vervolgens het verhogen van de basisbeurs van thuiswonenden tot die voor uitwonenden (waarmee de basisbeurs ook onafhankelijk wordt van woon- en leefsituatie) en tenslotte met verhoging van deze basisbeurs tot het niveau van het sociaal minimum. De OV-studentenreisvoorziening blijft in stand zolang het nieuwe OV-prijsbeleid (zie elders) nog niet (volledig) is ingevoerd.</p>
<p>De nieuwe huurregulering en nieuwe huursubsidie (zie verderop) gaat ook gelden voor onzelfstandige woonruimtes (kamerverhuur), zodat ook studenten daarvan kunnen profiteren.</p>
<p>Het volgen van initieel tertiair onderwijs (voltijds mbo inclusief bbl, hbo, wo) wordt geheel gratis met het invoeren van het nieuwe leerrechtensysteem (zie hiervoor) – het les- en collegegeld hiervoor vervalt. Ook leermateriaal wordt gratis verstrekt door de onderwijsinstelling (die daarvoor van het Rijk geld ontvangt). Zogenaamde vrijwillige onderwijsbijdragen worden verboden.</p>
<p>Stages moeten verplicht beloond worden (zie hierna). Extra activiteiten, zoals excursies, huiswerkbegeleiding, bijlessen en aanvullende trainingen worden in onze nieuwe onderwijsbekostiging (zie elders in dit programma) gefinancierd, zodat de sluipende privatisering van ons onderwijs wordt gekeerd. We vernietigen het verdienmodel van allerlei instituten door gratis, goed collectief aanbod – dat vermindert de ongelijkheid. Leerlingen en studenten moeten niet meer geconfronteerd worden met extra onderwijsbijdragen hiervoor.</p>
<p>Stages moeten wettelijk verplicht beloond worden door de stage-biedende instantie. Deze kunnen daarvoor subsidie ontvangen onder voorwaarden van goede begeleiding e.d. Stages die betaalde arbeid verdringen worden verboden en dat verbod wordt actief gehandhaafd. Er komt een verplichte minimum stagevergoeding (gelijk aan 75% van het minimum(jeugd)loon per uur) voor verrichte arbeid plus vergoeding van alle onkosten van stagiairs, waarin geen onderscheid gemaakt mag worden tussen niveau van opleiding of sector waarin men werkt. Alleen bij de BBL in het mbo (werkend leren) geldt de volledige minimum(jeugd)loon verplichting. Werkgevers die BBL leerwerkplekken aanbieden krijgen extra loonsubsidie in geval van (opleiding tot) erkende tekortberoepen. Werkgevers die geen of weinig stageplekken en/of BBL-plekken aanbieden gaan hogere werkgeverslasten betalen. Bij iedere stage is er een verplichte stageovereenkomst met duidelijke rechten en plichten. Voor veel studenten, maar ook voor het bedrijfsleven, is werkend leren, de zgn. beroepsbegeleidende leerweg (BBL) belangrijk. Wij willen met gerichte (loonkosten)subsidies deelname aan de BBL bevorderen, met name in tekortberoepen.</p>
<p>            <u>Verhoging en verbetering AOW en aanvullende pensioenen</u></p>
<p>Voor ouderen wordt het basispensioen (de AOW) drastisch verbeterd: het wordt per direct veel hoger door het hogere sociale minimum, en de uitkering wordt binnen 2 jaar niet meer gekort wegens samenwonen. Voorts wordt binnen 3 jaar het AOW-hiaat (onvolledige opbouw AOW doordat men te weinig jaren AOW-premie heeft betaald, meestal het geval bij migranten; zo’n 95% van alle oudere migranten hebben een AOW-hiaat; ruim 71.000 AOW-ers hebben een aanvullende uitkering nodig – AIO – om niet onder het sociaal minimum te komen) opgeheven, omdat het opbouw vereiste geschrapt wordt.</p>
<p>Dat hangt samen met een andere manier van financiering van de AOW – niet meer met een premie, maar uit de totale belastingopbrengsten, ook uit de belastingen op kapitaal. We gaan binnen 3 jaar de AOW (net als alle volksverzekeringen &#8211; naast de AOW zijn dat de Algemene Nabestaandenwet (ANW) en de Wet Langdurige Zorg (WLZ)) én de basiszorg en de maatschappelijke ondersteuning (WMO) – rechtstreeks uit de belastingopbrengst financieren. De aparte premies volksverzekeringen verdwijnen daarmee. Deze fiscalisering van onder meer de AOW is geheel anders dan eerdere voorstellen daartoe, omdat we de premie niet rechtstreeks verwerken in de tarieven voor de inkomsten- en loonbelasting, maar de lasten ook financieren uit belastingen op winst, vermogen, en ander inkomen uit vermogen (incl. dividend, erfenissen en schenkingen). Deze wijze van fiscalisering van de AOW verhoogt niet de lasten op arbeid en pakt voor ouderen beter uit. Uiteraard gaan ouderen met zeer hoge inkomens en/of vermogen wel meer belasting betalen in ons nieuwe belastingstelsel en kan dit voor hen een lager netto inkomen impliceren, maar dan hebben we het over inkomens en vermogens waar de bestaanszekerheid niet in het geding is.</p>
<p>Wel gaat door de hogere AOW ook de franchise bij de aanvullende pensioen mee omhoog, waardoor deze aanvullende pensioenen dalen. Per saldo gaan de meeste AOW-ers erop vooruit, degenen met geen (200.000 AOW-ers) of slechts een klein aanvullend pensioen (113.000 AOW-ers) het meest.</p>
<p>Daarmee wordt de verhouding tussen de pensioenen gebaseerd op omslagstelsel (AOW – we gaan dat wel ook omslaan naar belastingen op kapitaal, zie hierna) en die op kapitaaldekking (aanvullende pensioenen) ten gunste van de eerste veranderen. Doordat de AOW de franchise vormt bij aanvullende pensioenen zullen deze dalen. Per saldo gaan de ouderen er wel iets op vooruit, met name degenen zonder of met een heel klein aanvullend pensioen, en samenwonenden. De verschuiving naar omslagstelsel en de hieronder genoemde verbreding van de financiering van de AOW leiden ertoe dat de premies dalen, betaald werk dus lonender wordt en er meer geld beschikbaar is voor binnenlandse bestedingen – er wordt ontspaard. Dat geldt ook voor de hieronder genoemde aanpassingen van het nieuwe (aanvullende) pensioenstelsel.</p>
<p>De AOW-leeftijd wordt binnen twee jaar inkomensafhankelijk gegeven de enorme ongelijkheid in (gezonde) levensverwachting. Arme mensen gaan meestal op jongere leeftijd werken, betalen daardoor langer pensioenpremie, maar gaan eerder dood en genieten daardoor minder lang van hun pensioen. En ze leven gemiddeld veel langer in slechte gezondheid met hogere zorgkosten. Voor lagere inkomens (op basis van gemiddeld inkomen per jaar vanaf 18 jaar t/m 60 jaar) gaat de AOW-leeftijd omlaag. Dit wordt door het Rijk gefinancierd. Sectoraal kunnen aanvullende afspraken worden gemaakt voor vervroegde uittreding bij zware beroepen, dat financieren de betrokken werkgevers. Totdat de leeftijdsafhankelijke AOW wordt ingevoerd wordt de AOW-leeftijd bevroren. De kosten voor de overheid van een vroegere pensioenleeftijd voor de lagere inkomens verhalen we door een lagere vrijstelling (franchise) in de werkgeverslasten bij beroepen waarin statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerder arbeidsongeschiktheid is – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken.</p>
<p>We houden na het aflopen van de tijdelijke bevriezing de koppeling van de AOW-leeftijd aan de stijging (maar gaan dat ook doen bij een onverhoopte daling!) van de gemiddelde leeftijdsverwachting in stand. Dat is behulpzaam bij het oplossen van arbeidstekorten en ook wel rechtvaardig – als je langer leeft dan is het ook redelijk dat je langer werkt en bijdraagt aan de financiering van je pensioen en de zorg.</p>
<p>We hebben binnen twee jaar voorts het automatisch leeftijdspensioen volledig afgeschaft. Mensen gaan we vragen wat ze willen. Iedereen wordt bij het bereiken van zijn AOW-leeftijd ruim van te voren gevraagd of men door wil werken, eventueel ook aangepast en/of in deeltijd. Doorwerken na de AOW-leeftijd blijft uiteraard principieel vrijwillig. In de pensioenregeling moet een bonusbepaling bij langer doorwerken worden opgenomen, te financieren uit de werkgeverspremie. Deeltijdpensioen (voor- en na de pensioenleeftijd) maken we aantrekkelijker en eenvoudiger. Ook (eerder, of juist later) deeltijdspensioen hebben we tegelijkertijd aantrekkelijker en makkelijker gemaakt. Nu werkt maar een kleine tien procent van mensen voor een zeer beperkt aantal uren door, terwijl sommigen dat veel meer willen.</p>
<p>We gaan de nieuwe Pensioenwet alsnog aanpassen. Dat moet zorgvuldig. We bevriezen de invoering ervan. Het invaren van 1600 miljard euro aan collectief pensioenvermogen in 20 miljoen individuele pensioenpotjes zit vol risico’s, ook al omdat er ernstige gebreken zijn in de administraties van veel pensioenfondsen. Er dreigen ook enorme aantallen rechtszaken bij dit invaren. Als het invaren van pensioenrechten in het nieuwe stelsel niet rechtvaardig en zorgvuldig kan gebeuren, zullen we niet aarzelen de invoering verder uit te stellen. Zoals hiervoor al aangegeven is gaan alle werkenden vanaf 18 jaar verplicht aanvullend pensioen opbouwen. Zzp-ers gaan dat doen bij een eigen, apart pensioenfonds. We bezien opnieuw of met deze wijziging het afschaffen van de doorsneepremie en individualisering dan nog zinvol is. Immers, als iedereen gelijk aanvullend pensioen opbouwt, dan zijn de huidige onevenwichtigheden tussen generaties ook weggenomen en vervalt de voornaamste reden voor deze maatregelen. Meer principieel hebben we voorkeur voor collectieve regelingen: er is dan minder individueel risico en door risicodeling zijn de rendementen gemiddeld hoger.</p>
<p>We schrappen de veel te risicovolle eerdere opname van een deel van het pensioen in één keer. Vooruitlopend op de invoering van de nieuwe Pensioenwet, en ter structurele wijziging daarvan wordt binnen een jaar de huidige rekenrente afgeschaft en wordt een meer reële rente toegepast, waarbij de materieel toch al niet geldende welvaartsvaste pensioengarantie vervalt – het pensioen is afhankelijk van het resultaat van premies en rendementen. Wel blijft welvaartsvaste indexering een inspanningsverplichting voor pensioenfondsen. We bezien de nieuwe systematiek opnieuw op zijn gevolgen bij sterk stijgende marktrenten, zoals die nu te zien zijn. Een duurzaam koopkrachtig aanvullend pensioen voor alle werkenden is en blijft daarbij het uitgangspunt, evenals een lagere premie en minder grote onnodige reserves. De pensioenpremie wordt binnen 2 jaar wettelijk verplicht voor tenminste 50% voor werkgevers.</p>
<p>Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler, en daarmee ook goedkoper. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Pensioenfondsen moeten ook breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. We gaan daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds binnen 3 jaar weer reguleren. Producten met een te hoog risicoprofiel worden uitgesloten en verboden. Ook niet duurzame en niet sociale investeringen worden wettelijk uitgesloten en verboden. De Wet Normering Topinkomens publieke sector wordt binnen een jaar van toepassing op pensioenfondsen én hun uitvoeringsorganisaties, incl. externe vermogensbeheerders. Deze maatregelen maken aanvullende pensioenen zekerder, met een grote kans op welvaartsvaste indexering, zonder dat er hoge premies nodig zijn.</p>
<p><u>Vervanging Fraudewet Sociale Verzekeringen, afdwingbaar maken sociale grondrechten, vervanging bestuursrecht en betere rechtsbescherming</u></p>
<p>We schrappen binnen een jaar de Fraudewet Sociale Verzekeringen. Er komt een geheel nieuw regime dat zich alleen richt op opzettelijke, bewezen fraude. De rechtspositie van uitkeringsgerechtigden wordt tegelijkertijd aanzienlijk versterkt. Er komt binnen een jaar veel betere rechtsbescherming en gratis rechtsbijstand voor uitkeringsgerechtigden. We verbieden discriminerende, oncontroleerbare en te ruime (zonder concrete verdenking) opsporing in de sociale zekerheid en aanverwante regelingen met algoritmen, kliklijnen, sociale rechercheurs en sluiten het door gemeenten met SZW opgezette Inlichtingenbureau. In plaats van de nadruk op de zeer beperkte sociale zekerheidsfraude geven we prioriteit aan het bestrijden en bestraffen van de fiscale fraude.</p>
<p>Sancties moeten altijd proportioneel zijn, terugvorderingen nooit hoger dan het teveel ontvangen bedrag en verrekeningen niet hoger dan de te verhogen (zie bij ons voorstel voor een schuldenoffensief) beslagvrije voet. We schaffen per direct algoritmen als opsporingsmethode af (die werkt in de praktijk discriminerend) en heffen het Inlichtingenbureau rechtmatigheidscontrole gemeenten direct op (ook bij de zorg). Door het opheffen van veel verplichtingen is er ook veel minder te controleren. Wat overblijft aan informatieplichten wordt niet meer gecontroleerd met privacy schendende methoden, en de bewijslast wordt niet meer omgedraaid.</p>
<p>We schaffen binnen vier jaar ook het apart bestuursrecht af voor tenminste cliënten van overheidsdiensten en andere publieke diensten. De gewone rechtbank wordt bevoegd in plaats van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, waardoor de rechtspositie van deze cliënten tegen een te vaak onbetrouwbaar gebleken overheid versterkt wordt. Ook vervalt daarmee de omgekeerde bewijslast (de bewijslast bij sancties ligt daardoor bij de uitkeringsverstrekker), moet altijd inhoudelijk en ook op maat gekeken worden door de rechter, kunnen fouten niet meer aangemerkt worden als fraude en moeten sancties altijd proportioneel zijn.</p>
<p>We dienen binnen een jaar een wetsvoorstel in waarin de grondwettelijke toetsing (zie elders, bij onze voorstellen voor versterking van onze democratische rechtsstaat) ook ingevoerd wordt bij de sociale grondrechten. Dat impliceert dat die in wetgeving toetsbaar gemaakt moeten worden, met concrete, liefst meetbare normen. Dat vergroot enorm de mogelijkheden om ook je recht op bestaanszekerheid af te dwingen. Het ‘gevaar’ dat de rechter teveel op de stoel van de politiek gaat zitten met deze toetsing kan de politiek zelf afwenden door goede wetgeving, met concrete, meetbare normen, te realiseren en de uitvoering en handhaving op orde te hebben. Te veel is gebleken dat burgers daar niet op konden en kunnen vertrouwen, zie de schandalen met onder meer toeslagen, de bijstand en de WIA.</p>
<p>Binnen alle overheidsregelingen waarbij beslissingen genomen worden ten aanzien van burgers, bedrijven of andere organisaties, wordt – aanvullend op de voorstellen in ons programma – bezien waar regelingen vereenvoudigd kunnen worden. Daarbij geldt dat waar mogelijk we verfijning van regels vervangen door meer bevoegdheden te geven aan competente professionals in de uitvoering. Dat vraagt uiteraard ook om rechtsbescherming tegen willekeur en misbruik van die uitvoeringsbeslissingen. Binnen een jaar komt er een wet waarin de gezamenlijke uitvoeringsinstellingen van de overheden verplicht worden een hardheidsclausule toe te passen indien beslissingen conform de standaard regels in individuele gevallen onredelijk zijn, en te motiveren waarom ze die eventueel niet toepassen in gevallen waarin daar een beroep op wordt gedaan dan wel de redelijkheid gebiedt dat de beslisser zelfstandig beziet of er geen onredelijke hardheid optreedt.</p>
<p>In dezelfde wet wordt ook een gemeenschappelijke overheidsorganisatie ingesteld, de Kompaan, die de bevoegdheid krijgt om in meervoudige problematiek een definitieve eindbeslissing te nemen in de vorm van een vaststellingsovereenkomst op verzoek van een burger. De Kompaan maakt deel uit van de overheid, maar staat dus ook naast de burger. Deze wet bevat heldere criteria voor de ontvankelijkheid van het verzoek van een burger op het terrein van complexiteit, ernst en urgentie.</p>
<p><em><u>Lagere lasten in plaats van fiscale toeslagen</u></em></p>
<p>We gaan de vaste en dagelijkse lasten voor burgers fors en snel verlagen. Dat maakt onderdeel uit van onze belofte om snel het besteedbaar inkomen van huishoudens tot tenminste anderhalf modaal binnen vier jaar met tenminste 1000 euro te verhogen. Lagere lasten voorkomen dat de (graai)inflatie door blijft stijgen, en dat er steeds kunstgrepen, zoals toeslagen, nodig zijn om huishoudens in koopkracht niet kopje onder te laten gaan. We nemen maatregelen om tenminste de lasten van huur, energie en water. zorg, onderwijs, kinderopvang en openbaar vervoer fors te verlagen. Ook nemen we prijs- en fiscale maatregelen tegen excessieve winsten bij de levering van producten en diensten, met extra aandacht voor duurzame en gezonde producten en diensten. Deze maatregelen maken deel uit van omvangrijke stelselwijzigingen in de volkshuisvesting, de energie- en watervoorziening, de zorg, het onderwijs, de kinderopvang, en het openbaar vervoer, binnen een totale versterking van de publieke sector, zoals die hiervoor ook al is benoemd. Zie ook de aparte plannen voor volkshuisvesting, een groene rechtvaardigheid, de gezondheidszorg, het onderwijs en de kinderopvang.</p>
<p>Alle fiscale toeslagen worden binnen vier jaar geschrapt. De fiscus is niet bedoeld voor uitkeringen, en de cultuur van innen bij de Belastingdienst staat daar haaks op. Als er uitkeringen en subsidies gedaan moeten worden dan hoort dat te gebeuren door de vakdepartementen en hun uitvoeringsorganisaties. Deze andere cultuur en het feit dat de beleidsverantwoordelijkheid van de fiscale toeslagen bij anderen dan Financiën ligt (VWS, Volkshuisvesting, SZW) zijn twee belangrijke verklaringen waarom het zo hard en zo lang misging bij het toeslagenschandaal. Daarom zijn we ook tegen een uit te keren negatieve inkomstenbelasting in welke vorm dan ook. Laat de sociale uitkeringen bij het ministerie van SZW en vermeng dat niet met de fiscaliteit.</p>
<p>Het afschaffen van fiscale toeslagen moet gebeuren in samenhang en tegelijkertijd met de invoering van nieuwe regelingen die voorzien in een structurele oplossing voor de te hoge lasten van huishoudens. Eenmalige loon- en inkomensverbeteringen voorzien niet in zulke structurele oplossingen. Het probleem is dat de lasten voor zorg, kinderopvang, huur (en energie) bij huishoudens veel te hoog zijn en door hen financieringswijze fors blijven stijgen. Die financieringswijze voorziet nu in een steeds groter deel dat individueel en nominaal moet worden opgebracht door burgers, waarbij ook nog eens een ander deel via hogere lasten op arbeid (de inkomensafhankelijke ZVW-premie die door de werkgever wordt ingehouden) wordt geïnd.</p>
<p>De sociaaleconomische en financiële ongelijkheid is in ons land enorm toegenomen door de individualisering van kosten voor (semi-)publieke dienstverlening. Dit betreft de niet de uit belastinginkomsten gefinancierde lasten voor zorg, onderwijs, kinderopvang, openbaar vervoer en ook energie en wonen. Door publieke voorzieningen steeds minder volledig te financieren via eerlijke, solidaire belastingheffing, maar steeds meer uit aparte premies en bijdragen die burgers rechtstreeks, en in toenemende mate ook ongeacht hun inkomen of vermogen, moeten betalen, wordt de solidariteit ondermijnd en de ongelijkheid vergroot. Deze individualisering in de financiering van collectieve voorzieningen (zorg, kinderopvang en onderwijs), waarin tegelijkertijd meer marktwerking, privatisering en liberalisering (energievoorziening, openbaar vervoer, sociale woningverhuur) aan de orde is, is funest voor de bestaanszekerheid.</p>
<p>Decennia lang hebben ‘<em>we’</em> de collectieve financiering ondermijnd en de lasten die lage en middeninkomens per huishouden nu zelf moeten onderbrengen enorm vergroot. Dit maakte bij achterblijvende inkomens reparatie via de inkomensafhankelijke fiscale kortingen en toeslagen nodig en zorgde in combinatie voor de huidige perfecte storm van de lastencrisis. Dat gaan we radicaal veranderen. Het uitgangspunt wordt dat collectieve voorzieningen, zoals de zorg en de kinderopvang, volledig collectief gefinancierd wordt voor iedere burger uit de brede belastingopbrengsten, dus ook die uit belastingen op kapitaal en op consumptie. Het afschaffen van fiscale toeslagen zou zonder ingrepen aan de lasten waarvoor deze toeslagen verstrekt worden voor hen desastreus uitpakken, zeker omdat zonder ingrepen die lasten ook nog eens fors zullen blijven doorstijgen.</p>
<p>Doordat fiscale toeslagen een voorschot zijn en afhankelijk van het inkomen en vermogen van het huishouden (dus ook partner) en van de kosten waarvoor de toeslag bedoeld is, zijn er ook veel terugvorderingen. Een belangrijk gevolg van de navorderingen is dat rechthebbenden onzeker zijn of het aanvragen ervan niet tot meer problemen leidt dan dat het oplost.</p>
<p>            <u>Vervanging zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag door gratis zorg en kinderopvang</u></p>
<p>Ons uitgangspunt dat fiscale toeslagen pas afgeschaft kunnen worden als het probleem van de – al maar stijgende – lasten van huishoudens is opgelost impliceert dat bij de afschaffing van de zorgtoeslag en de afschaffing van de kinderopvangtoeslag de aparte premies in de zorg (ZVW voor wat betreft de basisverzekering en de WLZ) tegelijkertijd worden afgeschaft, en dat eigen bijdragen en het eigen risico tegelijkertijd ook zijn afgeschaft in alle publieke zorg (ZVW voor wat betreft de basisverzekering, WMO, WLZ, Jeugdzorg), en in alle publieke kinderopvang. Dat moet gebeuren in het kader van een totale stelselwijziging, in de zorg en in de kinderopvang. Zie elders in dit programma voor de concrete uitwerking daarvan.</p>
<p>In de zorg gaat marktwerking en winst vervangen worden door slimme bekostiging die samenwerking en efficiëntie bevorderd en overproductie en overmatige bureaucratie enorm beperkt, en veel meer investeert in zorgpreventie. Zorgverzekeraars gaan zich in het nieuwe stelsel beperken tot de vrijwillige, aanvullende verzekeringen. Zie daarvoor ons plan voor de gezondheidszorg.</p>
<p>Bij de kinderopvang gaat het daarbij om integratie in de brede school. Zie daarvoor ons plan voor betere kinderopvang voor iedereen, opgenomen in ons plan voor beter onderwijs voor iedereen.</p>
<p>Zulke veelomvattende stelselwijzigingen vergen uiteraard tijd. En dus kunnen de zorgtoeslag en de kinderopvangtoeslag niet direct worden afgeschaft. Vooruitlopend op die afschaffing gaan we per direct de prijzen bevriezen en verlagen en gaan we de zorg- en kinderopvangtoeslag niet meer baseren op het inkomen in het huidige kalenderjaar, maar op het inkomen in het jaar daarvoor. Alleen als het inkomen substantieel gedaald is kan de burger verzoeken om het huidige jaarinkomen als maatstaf te nemen. Op deze wijze wordt het voorschotkarakter van de huidige toeslagen opgelost, waardoor er fors minder terugvorderingen zullen zijn. Ook hebben we inkomens veel zekerder gemaakt en dus minder fluctuerend door een forse beperking van flexwerk.</p>
<p>            <u>Vervanging huurtoeslag door lagere huren en nieuwe huursubsidie</u></p>
<p>Wat betreft de huurtoeslag zetten we in de eerste plaats in op herstel van een brede volkshuisvestingssector met betaalbare huren. Zie ons aparte plan daarvoor. We lossen snel de nood aan betaalbare huurwoningen op en zorgen voor een snelle, forse prijsdalingen van woningen. Allee huurprijzen worden daarbij gereguleerd (de liberalisatiegrens vervalt). Niet inkomen, maar de kwaliteit van de woning bepaalt de huurprijs. Doordat we een eind maken aan alle subsidiëring van woningbezit (behoudens een gesubsidieerde spaarmogelijkheid in de pensioenregeling voor lage en middeninkomens, én we speculatie met woningbezit of bouwontwikkeling sterk reguleren en belasten, met sterke mogelijkheden voor gemeenten om te onteigenen, én we de bouwontwikkeling weer grotendeels publiek maken met gedemocratiseerde en gesubsidieerde woningcorporaties (die weer verplicht coöperaties worden), gaan de woningprijzen drastisch en snel omlaag. Dat werkt uiteraard door in de huurprijzen. Daarnaast is de puntentelling gemoderniseerd (geen WOZ-punten meer, geen extra punten voor hoger energielabel maar laag label kwalificeren als woongebrek met recht op huurverlaging, etc.) waarbij alleen daardoor al de huren met tenminste 250 euro per maand dalen. De middeninkomens krijgen voorts toegang tot sociale huur zonder aparte normen (we schrappen de categorie middenhuur – die is veel te duur) en voeren voldoende subsidie in aan wooncorporaties in ruil voor lagere huren, verduurzaming, voldoende kwaliteit en kwantiteit in ruil voor prestatie-afspraken en meer zeggenschap en goed bestuur bij de corporaties. Last but not least voeren we linkse grondpolitiek en meer publieke regie en investeringen bij de woningvoorraad en de ontwikkelingen daarin.</p>
<p>Maar dan nog is het onverstandig om het instrument van huursubsidie geheel te laten vervallen, daar we immers niet alle huren volledig collectief gaan financieren (dat zou ook op EU-recht stuiten). De woningmarkt gaan we weliswaar sterk reguleren, maar niet nationaliseren. Daarom gaan we de huurtoeslag vervangen door een huursubsidie vanuit het ministerie van Volkshuisvesting (dat was ook zo voor de huurtoeslag). Deze nieuwe huursubsidie gaat anders dan de huidige huurtoeslag (die gemiddeld maar 35% van de huurlasten vergoed) het bedrag 100% vergoeden dat de huurquote uitgaat boven de 25% (bij inkomens tot modaal) en boven de 30% (bij hogere inkomens tot anderhalf modaal) en tot een maximum huur van 1500 euro per maand. Er komt daardoor een harde bovengrens voor de huurquote, het aandeel van het netto-inkomen dat een huishouden kwijt is aan de huur (inclusief servicekosten) – nu zijn sommige huishoudens daaraan wel meer dan 50% kwijt. Daarbij gaan we ook hier werken met het inkomen uit het voorafgaande jaar als maatstaf, waardoor terugvorderingen veel minder zullen voorkomen, met de mogelijkheid om bij een substantiële inkomensachteruitgang te verzoeken om toch het huidige jaarinkomen als maatstaf te nemen. Voor het bepalen van een inkomen van een huishouden wordt uitgegaan van de inkomens van allen die huurder zijn (zij die dus opgenomen zijn in het huurcontract en dus huurbescherming genieten, dan wel juridisch daaraan zijn gelijkgesteld).</p>
<p>            <u>Integratie kindgebonden budget in de kinderbijslag</u></p>
<p>Tenslotte, wat betreft de fiscale toeslagen, het kindgebonden budget. Dat is de inkomensafhankelijke variant van de kinderbijslag. We schrapen alle inkomensafhankelijke uitkeringen, dus ook deze. Het leidt tot een kluwen van regelingen waarmee de koopkrachttransparantie en -effectiviteit zeer afneemt. Daarenboven erodeert het draagvlak voor regelingen als hogere inkomens er niet meer of tegen hogere prijzen er aan kunnen deelnemen. En dat leidt weer tot kwaliteitsverslechteringen – ‘services for only the poor are mostly poor services’. Dus we integreren het kindgebonden budget in de inkomensonafhankelijke kinderbijslag en financieren dat door meer inkomens- en vermogensafhankelijke belastingen.</p>
<p><em><u>Lagere energielasten</u></em></p>
<p>Er waren ook tijdelijke, niet-fiscale, energietoeslagen voor huishoudens met lage inkomens en hoge energielasten. Ook hier is het veel beter om de energielasten voor huishoudens fors te verlagen. Daartoe nemen we snel een breed pakket aan maatregelen. Bij de huurtoeslag hierboven is al aangegeven dat we de verduurzaming van huurwoningen (koopwoningen zijn er maar heel weinig bij de lage inkomens) gaan regelen met subsidie aan woningcorporaties, prestatieafspraken en een aanpassing van het huurpuntenstelsel binnen een jaar, waarbij een slecht energielabel recht geeft op huurverlaging. Huurders van nog niet voldoende geïsoleerde woningen (label B en slechter) krijgen een wettelijke korting op de feitelijk betaalde huur van een kwart van de huurprijs van 75 euro per maand per slechter label-stap (dus label C 150 euro korting, etc.), zodat verhuurders een prikkel krijgen voor verduurzaming. Woningcorporaties krijgen daarvoor compensatie mits men tijdig verduurzaamt (overigens zijn de meeste huurwoningen met een slecht energielabel in handen van commerciële verhuurders). Er komen bindende afspraken met corporaties, coöperaties en pensioenfondsen voor het energieneutraal maken van 200.000 woningen per jaar, te beginnen bij de woningen met de slechtste energielabels (meestal bij de meest armste huishoudens). Woningcorporaties en -coöperaties krijgen mogelijkheid om de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos te lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties.</p>
<p>We hebben de eisen aan de bebouwde omgeving verscherpt. Er komt per direct een verbod op nieuwe huurcontracten van woningen met de slechtste energielabels (C en hoger), en een verbod op huurverhoging van woningen met een label slechter dan A. Deze maatregelen worden stapsgewijs aangescherpt opdat in 2035 alle huurwoningen tenminste een A+++ label hebben en huurwoningen met de slechtste energielabels moeten in 2028 van de markt verdwijnen. Het energielabel en de verduurzaming van de woning mogen geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. Energielabels voor woningen en andere gebouwen gaan verstrekt worden door een speciaal daartoe op te richten overheidsorganisatie volgens wettelijke normen. Iedere woning en ander gebouw dat nieuw gebouwd of gerenoveerd wordt moet door deze organisatie worden beoordeeld. En iedere bezitter of huurder van woningen of andere gebouwen kan dat ook gratis bij deze organisatie aanvragen. Nieuwbouw en grootschalige renovatie mag alleen nog maar plaatsvinden met het beste energielabel. Er wordt nu veel te veel mee gesjoemeld om hogere woning- en huurprijzen te kunnen vragen. In plaats van duurzaamheidspunten wordt een niet-duurzame woning aangemerkt als een gebrek waarvoor huurkorting geldt.</p>
<p>Er is een nationaal programma voor spoed-isolatie van woningen ingevoerd in wijken waar de huishoudens behoren tot de 25% laagste inkomens én de 50% grootste gasgebruikers. We isoleren slecht geïsoleerde woningen in collectief bezit in hoog tempo, veel sneller dan tot nu toe het geval is. Daarmee worden meteen stappen gezet in energiearmoedebestrijding en innovatie. Als veel woningen tegelijk worden verbeterd, kunnen ondernemingen het aanbod industrialiseren, waarbij kant en klare pakketten op de bouwplaats worden gemaakt. Hierdoor dalen de kosten en zijn ook minder arbeidskrachten nodig.</p>
<p>We versnellen ook het energieneutraal maken van alle woningen. In 2050 moeten alle wijken energieneutraal of zelfs energiepositief. Het toekomstig energiesysteem in de wijken is voornamelijk op elektriciteit gebaseerd, mogelijk gecombineerd met lokale warmtebronnen. Er is opslag van elektriciteit en &#8211; als er warmtenetten zijn – van warmte en koude. In principe is elk gebouw energiearm en uitgerust met een warmtevoorziening en koeling. De gebouwen worden slim aangestuurd op basis van data. Zo wordt alle opgewekte energie zo efficiënt mogelijk ingezet. Elektrische auto&#8217;s, samen met buurtaccu&#8217;s, worden gebruikt om het  elektriciteitsnet te balanceren. Gebouwen spelen ook een rol bij klimaatadaptatie. Groene daken, voedsel verbouwen of recreatie op daken gaan we de norm maken. Gebouwen zien er straks anders uit doordat natuurlijke materialen de norm zijn. Dit geeft ontwerpers nieuwe inspiratie en gebruikers een prettige beleving.</p>
<p>Daarenboven gaan we direct met behulp van de Prijzenwet energieprijzen voor huishoudens bevriezen en verlagen – de Prijzenwet maakt het mogelijk om dat te doen zonder compensatie indien de winsten hoog zijn. Er komt een maximum prijs voor huishoudens gebaseerd op gemiddeld tarief voor woning per soort woning (tussen/hoekwoning, appartement hoek/rijtje/onder dak, vrijstaand) en samenstelling huishouden. Waar energiebedrijven onverhoopt omvallen komt er via een Spoedwet de verplichting om zonder prijsverhoging deze klanten over te nemen bij andere leveranciers, naar keuze van de betreffende consument. We versterken daarin ook de solvabiliteitseisen en de rechtsbescherming voor consumenten bij energieleveranciers.</p>
<p>We gaan na hoe de energieleveranciers weer publiek bezit kunnen worden en zetten daartoe zo spoedig mogelijk de eerste stappen. We verbieden speculatie met inkoop van energie. We nemen stappen om de marktwerking te beperken en het publieke belang beter te beschermen bij de energievoorziening. Per direct mogen er alleen nog maar vaste contracten worden aangeboden die beschermen tegen prijswisselingen. Ook worden eigenaren van gasopslag verplicht die op aanwijzing van de Rijksoverheid te vullen. Energieleveranciers die staatssteun nodig hebben worden verplicht daarbij zeggenschap over te dragen.</p>
<p>Voor 2035 maken we de energieleverantie aan huishoudens een zaak van uitsluitend energiecoöperaties in handen van de huishoudens die deze energie ontvangen (en zoveel mogelijk ook leveren). Daarbij worden wettelijke regels gesteld voor duurzaamheid, leveringszekerheid, prijsstabiliteit en bestemming eventuele winst. Daken van openbare gebouwen worden ter beschikking gesteld aan deze coöperaties voor opwekking duurzame energie. Er wordt hiertoe een op te stellen stappenplan gerealiseerd. We maken de weg vrij voor energiecoöperaties en scheppen mogelijkheden in de wetgeving en fysiek voor sociaal ondernemen in de wijk. Dit heeft ook een positieve impact op de lokale economie, de acceptatie van de energietransitie en het vergroot de sociale cohesie. Hierdoor verandert ook de rol van energiebedrijven, van verkopers van energie naar dienstverleners voor (groepen) burgers.</p>
<p>We ontkoppelen direct de prijs voor warmtenetten van de gasprijs. In een nieuwe warmtewet wordt binnen een jaar het beheer van warmtenetten verplicht publiek (in vorm van non-profit warmtecoöperatie van aangesloten huishoudens binnen regels van nationale en lokale overheden) en de rechtsbescherming van huishoudens versterkt.</p>
<p>We voorkomen een fossiele lock-in door een moment te bepalen, bijvoorbeeld 2040, waarop aardgas niet langer ingezet mag worden voor de energievoorziening in de gebouwde omgeving.</p>
<p><em><u>Lagere kosten voor huishoudens van het volgen van onderwijs</u></em></p>
<p>Ook voor de kosten van onderwijs zijn er (nog?) geen fiscale toeslagen, maar worden de meeste kosten voor het leerplichtig onderwijs volledig collectief gefinancierd. Toch is ook daar een sluipende privatisering gaande. We draaien die terug. Met de onmiskenbare achteruitgang van de kwaliteit van ons onderwijs na jaren bezuinigingen, wat nog eens verergerd wordt door een miljardenbezuiniging door het laatste extreemrechtse kabinet (met tenminste twee partijen die een hekel hebben aan kennis en nepfeiten prefereren), gaan ouders die het zich kunnen veroorloven steeds meer op zaak naar alternatief of aanvullend particulier onderwijs. Inmiddels is er een bloeiende markt van particuliere scholen, examentrainingen, bijles en huiswerkbegeleiding. Dit vergroot enorm de ongelijkheid, en wordt ook door die al enorme en ook zo steeds groeiende ongelijkheid verder versterkt. Daarnaast zijn de kosten voor het mbo en hoger onderwijs voor de deelnemers steeds verder vergroot, al is de basisbeurs nu wel weer, zij het met een lager bedrag, teruggekeerd. Ook het volwassenenonderwijs en de nascholing zijn slecht gefaciliteerd. In het kader van armoedebeleid doen sommige gemeenten en goede doelenorganisaties iets om de ernstigste nood onder leerplichtige kinderen te verzachten, maar het is dweilen met de kraan open. We zorgen binnen twee jaar voor volledige financiering van aanvullend onderwijs en maken binnen drie jaar het mbo en hoger onderwijs gratis, door de les- en collegegelden af te schaffen en dit voor de onderwijsinstellingen geheel collectief te financieren uit eerlijke belastingen. Dit gebeurt mede in het kader van de hiervoor gepresenteerde invoering van een nieuw systeem van leerrechten, die ook de nascholing (leven lang leren) en het volwassenenonderwijs veel beter en toegankelijker maakt. Ook de studiefinanciering wordt vervangen door het inkomensvangnet, het Zekerheidsinkomen, en jongeren krijgen betere huurrechtbescherming en we bouwen veel meer jongeren- en studentenhuisvesting. Maar daarnaast is er ook een grote wijziging en investering nodig om de kwaliteit van het onderwijs weer op orde te krijgen, en de toegankelijkheid voor iedereen te waarborgen. Zie daarvoor ons plan voor beter onderwijs voor iedereen.</p>
<p><em><u>Meer toepassen van de Prijzenwet tegen graaiflatie</u></em></p>
<p>Per direct gaan we met noodwetgeving een maximumprijs vaststellen voor producten en diensten die essentieel zijn voor burgers, zonder compensatie, waar onredelijk hoge winstmarges leiden tot te hoge prijzen. Dat doen we door de Prijzenwet vaker en in meer situaties te kunnen toepassen met deze noodwetgeving. Voor belangrijke levensmiddelen worden zo nodig de prijzen bevroren of zelfs verlaagd – de prijsconcurrentie wordt bevorderd. Ook gaan we de Prijzenwet veel meer gebruiken om te grote winsten en te hoge prijzen in verhouding tot de inkomens te voorkomen.</p>
<p>Nu mag dat alleen maar in economische crises, we willen dat het altijd mogelijk moet zijn om een maximumprijs op te leggen indien de markt zelf er onvoldoende in slaagt om voor belangrijk gevonden producten en diensten de prijzen redelijk te houden in verhouding tot de kosten en de winstmarges.</p>
<p><em><u>Lagere lasten van huishoudens voor mobiliteit</u></em></p>
<p>We zorgen voor een transitie naar groene, betaalbare mobiliteit. We reizen minder. En als we reizen doen we dat vaker met het openbaar vervoer, te voet en met de fiets. We verscherpen de klimaateisen in de mobiliteit. We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), in fietsen en in openbaar vervoer. De ruimtelijke ordening wordt daarop aangepast.</p>
<p>We verlagen de OV-kosten door binnen twee jaar iedere burger voor 50 euro per maand onbeperkt reizen met alle openbaar vervoer te geven, zoals in Duitsland. Kinderen reizen gratis. De OV-bedrijven worden hiervoor gecompenseerd. We maken het openbaar vervoer niet geheel gratis omdat we onnodige mobiliteit willen vermijden. We maken geen aparte regelingen voor lage inkomens omdat we stigmatisering willen vermijden en we door onze plannen voor inkomensverbetering en lastenvermindering bij deze inkomensgrepen dat ook niet meer nodig is. Ook aparte regelingen voor studenten en ouderen zijn daarom niet meer nodig. Het OV is nu veel te duur.</p>
<p>We investeren de komende 15 jaar zo’n 10 miljard per jaar extra in beter en meer openbaar vervoer. Beter openbaar vervoer impliceert ook toegankelijk (voor mensen met een beperking) en veilig (met meer conducteurs/stewards en beveiligers) openbaar vervoer. Al het openbaar vervoer moet uiterlijk in 2030 wettelijk verplicht direct toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, ook voor mensen met visuele beperking. Deze maatregelen worden gefinancierd uit verhoging van de belastingen op vliegen (zie hierna) en komt in de plaats van lagere accijns op benzine en diesel voor auto’s zoal die door Rutte IV is ingevoerd.</p>
<p>En we maken binnen drie jaar een eind aan de marktwerking in het openbaar vervoer. We richten tegelijkertijd een nationaal OV-bedrijf op die alle openbaar vervoer in Nederland gaat verzorgen. Bestaande OV-bedrijven kunnen daarin opgaan. Personeel krijgt aanbieding om te gaan werken bij het nieuwe staatsbedrijf, dat ook het railnet gaat beheren, met garantie van tenminste dezelfde arbeidsvoorwaarden. Aan hun concessies wordt bij verlopen ervan een einde gemaakt. Regionale en stedelijke verbindingen worden verzorgd op basis van provinciale en gemeentelijke plannen, binnen nationale kaders.</p>
<p>Er komen in een meerjarig investeringsprogramma veel extra trein- en andere railverbindingen. We breiden bus- en tramverbindingen uit en verhogen de frequenties. Er komen hoogwaardige minimum bereikbaarheidsnormen, met name ook buiten de Randstad. Deze komen in plaats van rendabiliteitsnormen. Het openbaar vervoer is een publiek goed, geen plek voor rendementsdenken. Dit programma met de bijbehorende geldmiddelen is er binnen een jaar.</p>
<p>In Europees verband moet er een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor Europese hogesnelheidslijnen, internationale treinen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. Het kopen van internationale treinkaartjes, die in prijs goedkoper moeten zijn dan vliegreizen, moet veel eenvoudiger worden, met vaste prijzen (niet meer afhankelijk van data waarop gereserveerd wordt). Wij maken met andere landen daartoe een initiatiefvoorstel en gaan er met zoveel mogelijk landen vooruitlopend op Europese besluitvorming al mee aan de slag.</p>
<p><em><u>Een nieuw belastingstelsel</u></em></p>
<p>Binnen vijf jaar hebben we een nieuw belastingstelsel ingevoerd, voor bijna alle soorten belastingen. Dat doen we in stappen. Het nieuwe stelsel geeft antwoord op de diverse crises waarin het oude stelsel verkeert.</p>
<p>In de eerste plaats is dat een uitvoeringscrisis, die schreeuwt om drastische vereenvoudiging. Ons belastingstelsel verkeert in een existentiële crisis. De steeds maar toenemende complexiteit, gepaard gaande met achterstallig onderhoud en gebrek aan ICT-capaciteit, brengt de belastinginning – en daarmee de financiering van de overheid en de publieke sector (onderwijs, zorg, politie, defensie, rechtspraak, sociale zekerheid, openbaar vervoer, etc.) – in groot gevaar. Drastische vereenvoudiging is van groot belang voor de uitvoering, maar ook voor de transparantie en kenbaarheid voor de belastingbetalers en voor de handhaafbaarheid. De oplossingsrichting die we daarbij kiezen ligt in het beperken van doelstellingen van belastingmaatregelen tot de hieronder genoemde, en het schrappen van regelingen die daar niet tot behoren, het zoveel mogelijk gelijk behandelen van bronnen van belastingheffing (inkomen, vermogen – zoals door het schrappen van het boxenstelsel, etc.), het zoveel als mogelijk werken met tarieven die ook materieel in stand blijven zonder kortingen, aftrekposten en vrijstellingen – en het zoveel mogelijk integreren van regelingen.</p>
<p>In de tweede plaats is er een enorme rechtvaardigheidscrisis in het oude stelsel: het moet eerlijker en zekerder. Materieel worden de zwaarste lasten gedragen door de zwakste schouders. Dit moet echt anders, andersom. Het belastingstelsel moet weer het voornaamste instrument voor een eerlijke (her)verdeling van de welvaart in ons land worden, en de bestaanszekerheid van huishoudens zoveel mogelijk borgen. Gegeven de huidige enorme ongelijkheid vraagt dit om een grote, nivellerende herverdeling van inkomen en vermogen, met onder meer veel sterkere progressiviteit in effectieve tarieven, zonder dat die weer teniet gedaan worden door fiscale faciliteiten. Lage en middeninkomens moeten er per saldo (inkomen, belastingen, noodzakelijke kosten van bestaan) op vooruit gaan ten koste van hoge inkomens en winsten en van grote vermogens bij huishoudens en bedrijven. Het nieuwe belastingstelsel betekent per saldo een forse lastenverzwaring, die neerslaat bij hoge inkomens en grote vermogens, en bij grote vervuilers, zowel bij huishoudens als bij bedrijven. Deze opbrengst gaat naar versterking van de publieke sector, verlaging van lasten en verhoging van inkomen voor lagere en middeninkomens.</p>
<p>Het fiscaal stelsel moet vervolgens beter dienstbaar zijn aan een beter (eerlijker, duurzamer, zekerder) verdienmodel voor ons land, zoals dat hiervoor al is uitgewerkt. In deze nieuwe samenleving is een sterke, activistische, herverdelende overheid die grenzen stelt aan de markt en regie voert over onze ruimtelijke inrichting, met een sterke publieke sector zonder marktwerking en vooral publiek georganiseerde volkshuisvesting. Die overheid beschermt de democratische rechtsstaat en de mensenrechten en organiseert tegenmacht en coöperatieve organisatie van burgers. Daarbij willen we betaald werk (publiek en privaat) bevorderen door de lasten op werk voor werkgevers te verminderen, en die op kapitaal (vermogen(swinst), winst, dividend, erfenis en schenkingen) te verhogen. Voor werknemers moet werken lonend blijven zonder fiscale voordelen en zonder (fiscale) bevoordeling van het ondernemerschap. Dat moet in samenhang met het beleid voor werk, sociale zekerheid en de lasten van zorg, wonen, onderwijs, kinderopvang, vervoer en energie. Als linkse partij(en) kiezen we daarbij voor zoveel mogelijk collectieve regelingen met een eerlijke financiering, waarbij het publieke belang geborgd is en waar private belangen zoveel mogelijk uitgebannen zijn. Werk in de publieke sector gaat daarbij normstellend zijn in plaats van volgend – werk in de publieke sector is economisch net zo relevant als werk in de private sector, maatschappelijk van de grootste betekenis en veel effectiever maak- en stuurbaar. En we moeten werkelijke toegevoegde reële waarde op de langere termijn door bedrijven minder belasten dan speculatieve en alleen financiële waarde op de korte termijn. Fiscale regelingen moeten schulden bij huishoudens en bedrijven niet stimuleren – de omvang van private kredieten is in onze economie veel te groot, dat geeft te grote risico’s op micro- en macroniveau.</p>
<p>In de derde plaats is er een grote ecologische crisis die het huidige fiscale stelsel meer versterkt dan helpt oplossen. Het belastingstelsel moet ook effectiever en eerlijker werken voor echte klimaat- en milieurechtvaardigheid, met een eerlijke verdeling van lusten en lasten, waarbij de grootste vervuilers de zwaarste lasten dragen en de lusten ook eerlijk verdeeld worden. We stoppen met alle fiscale fossiele subsidies. Aparte aandacht vragen de btw-heffingen en accijnzen hierbij. Vervuiling dient ook progressief belast te zijn – prijsmaatregelen zijn veel effectiever en efficiënter dan subsidies om de klimaat- en andere milieutransities tot stand te brengen. Aanvullend, niet-fiscaal beleid en maatregelen moeten daarbij waarborgen dat er klimaat- en milieurechtvaardigheid is, en lage en middeninkomens en het kleinbedrijf per saldo daarbij voordelen ondervinden.</p>
<p>Tenslotte is er een financieringscrisis: het huidige stelsel haalt onvoldoende geld op voor een degelijke overheidsfinanciering. Het nieuwe belastingstelsel moet per saldo genoeg opbrengen om ons beleid ten aanzien van bijv. lonen en uitkeringen, zorg, onderwijs, wonen, klimaat, milieu en natuur, veiligheid, openbaar vervoer, etc., mogelijk te maken. Per saldo zal er sprake zijn van een lastenverzwaring, die vooral neervalt bij (de meest winstgevende) bedrijven en hoge inkomens en vermogens.</p>
<p>Bij de transitie wordt gewaarborgd dat lagere en middeninkomens (tot bijv. anderhalf modaal) er qua koopkracht op vooruitgaan, in samenhang met maatregelen die hun lasten beperken en hun inkomens verhogen.</p>
<p><u>Inkomsten- en loonbelasting</u></p>
<p>Er komt een nieuwe loon- en inkomstenbelasting binnen 4 jaar. In de loon- en inkomstenbelasting wordt daarbij alle inkomen ongeacht hoe dat inkomen verdiend is (uit arbeid, uit kapitaal/bezit of uit bedrijf), gelijk belast – we schrappen het boxenstelsel. In plaats daarvan komen er tegelijkertijd meer (bijvoorbeeld zes), progressief oplopende tariefschijven (bijvoorbeeld voor de laagste inkomens 15%, voor de hoogste 75%). De belastingvrije voet blijft. Deze tarieven worden tegelijkertijd ook effectief, ze worden niet meer verlaagd met kortingen, aftrekposten, vrijstellingen en andere faciliteiten. Deze belastingverminderingen komen nu grotendeels terecht bij hogere inkomens. Het maakt ontduiking en ontwijking ook erg moeilijk als dat allemaal niet meer bestaat – uitvoering en handhaving wordt eenvoudiger, de transparantie wordt groter en belastingadviseurs moeten een wel zinvol beroep gaan kiezen. We schrappen daarmee: de arbeidskorting (werk moet niet op kosten van de belastingbetaler, maar op die van werkgevers lonen!); de ouderenkortingen (de ouderdomsvoorzieningen moeten zelf hoog genoeg zijn); de algemene heffingskorting; de combinatiekorting; en alle aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek.  Deze kortingen en aftrekposten zijn volgens diverse IBO-rapporten vaak niet effectief noch doelmatig. Er worden allerlei hobby’s en lobby’s bedreven. Het belastingstelsel moet zich beperken tot inkomens- en vermogens(her)verdeling en de degelijke financiering van publieke uitgaven. Alle ander beleid moet buiten de fiscus worden gehouden en opgelost worden met subsidies, heffing en/of regulering vanuit de vakdepartementen die dat beleid regarderen.</p>
<p>De subsidies voor woningbezitters worden daarbij geheel geschrapt. Alle (fiscale zoals hypotheekrenteaftrek en andere aan woningbezit verbonden aftrekposten, en vrijstellingen van waardevermeerdering en ander inkomen uit woningbezit, en andere, zoals startersleningen, koopsubsidies en private bouwsubsidies) subsidie op woningbezit zijn voor nieuwe hypotheken en nieuwe aankopen van woningbezit binnen een jaar vervallen, met uitzondering van een subsidie op sparen voor eigen woningbezit voor lagere inkomens in de pensioenregelingen. Voor bestaande hypotheken en woningbezit vervallen deze regelingen uiterlijk binnen 6 jaar. Vermeerdering van woningbezit is belastbaar inkomen, maar wordt pas afgerekend op moment van verkoop of vererving bij de eigen bewoonde eerste woning. Alle overige inkomsten uit woningbezit wordt belast in een nieuw belastingstelsel – zonder boxen, vrijstellingen, kortingen en aftrekposten, maar met meer progressieve tarieven, voor alle inkomen, ongeacht de bron van dat inkomen. Erfenissen worden apart, sterk progressief en met een relatief hoge bijdrage vrije voet en met vrijstelling voor de samenlevende partner, belast, zie bij de kapitaalbelastingen. Met deze maatregelen verkleinen we de woonongelijkheid substantieel. Het percentage van bezit (nu: 90% van alle bezit bij woningbezitters, 10% bij huurders) gaat binnen 10 jaar naar 60% woningbezitters en 40% huurders. De subsidies op woonbezit jagen de prijsopdrijving aan, vergroten de risico’s voor hypotheeknemers en de Nederlandse economie, en vergroot enorm de enorme ongelijkheid. Kopers zijn 90% rijker dan huurders – de woonongelijkheid is enorm en groeiende.</p>
<p>We schrappen met het schrappen van alle aftrekposten, vrijstellingen en kortingen tegelijkertijd ook alle fiscale ondernemers- en ondernemingsfaciliteiten: de ondernemersaftrek op winst en verlies uit onderneming (dit betreft de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, meewerkaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, stakingsaftrek), en de zgn. ondernemingsfaciliteiten (dit betreft de mkb-winstvrijstelling, de landbouwvrijstelling, de milieu-investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving milieu-investeringen, de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, de energie-investeringsaftrek, en de herinvesteringsreserve). Ook schrappen we de mogelijkheid voor zelfstandigen om te lenen van de eigen BV (incl. eigen woningschuld) en schrappen we de doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon bij DGA’s, conform het IBO-rapport over vermogensongelijkheid uit juni 2022.</p>
<p>Bij elkaar leiden deze belastingfaciliteiten voor ondernemers nu tot grotere ongelijkheid en grote verschillen in lasten op arbeid afhankelijk van de vorm waarin deze arbeid wordt verricht. Ook leiden ze tot forse uitholling van de financiering van de sociale zekerheid en van de collectieve voorzieningen. Daarbij gaat het hier om forse bedragen die, mede door de groei van het aantal ondernemers, de laatste jaren duidelijk zijn gegroeid. Ze spelen een grote rol bij het vergroten van de ongelijkheid. We moeten stoppen om gedrag van ondernemers en ondernemingen te beïnvloeden met fiscale of andere subsidies. De fiscale faciliteiten met betrekking tot verduurzaming worden vervangen door prijsmaatregelen en regulering. Prijsprikkels zijn veel effectiever, eenvoudiger uit te voeren en kosten de belastingbetalers niets, maar leveren juist inkomsten op.</p>
<p>Bij inkomen telt voor de heffing van loon- en inkomstenbelasting in het nieuwe stelsel alles mee, ook de waardevermeerdering van bezit, en inkomen in natura, zoals auto’s van de zaak, voor de reële waarde. Er is maar één uitzondering: de waardestijging van de eerste, zelf bewoonde eigen woning tot een bedrag van de gemiddelde koopprijs van een woning wordt pas afgerekend op het moment dat de woning verkocht wordt. Er wordt niet langer gewerkt met fictieve, maar met werkelijke rendementen, net als in het buitenland. De Directeur-Groot Aandeelhouder (DGA) wordt direct belast over de winst van zijn vennootschap in de inkomsten- en loonbelasting &#8211; de huidige mogelijkheden om inkomen en dus belastingheffing (schier eindeloos) uit te stellen vervallen daarmee, en tevens afschaffing van de aftrekmogelijkheden voor leningen aan de DGA. We stoppen ook met alle fiscale subsidiëring van schulden &#8211; we staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd nul euro, en we waarborgen een eerlijke vermogensetikettering (indien het vermogen voor het merendeel voor privé of voor de onderneming wordt aangewend, wordt het vermogen daar volledig in opgenomen voor de belastingheffing).</p>
<p>De huidige premies voor volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) en de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke zorgpremie (ZVW) vervallen binnen drie jaar. Een belangrijk deel van de financiering van de AOW/ANW en de zorg (nu WLZ/ZVW) gaan we ook financieren door verhogingen van belastingen op kapitaal (zie hierna), voor het overige worden ze geïntegreerd in de tarieven voor de inkomsten- en loonbelasting. De vrijstelling van pensioenen in de derde pijler (lijfrentes e.d.) vervalt binnen 3 jaar. Dat zorgt bij elkaar voor een breder en eerlijker financiering, en maakt het stelsel nog een stap eenvoudiger.</p>
<p><u>Eerlijke energiebelastingen en beëindigen fiscale fossiele subsidies</u></p>
<p>De klimaattransitie – fossiele energie vervangen door hernieuwbare groene energie – moet worden gedreven door prijsmaatregelen, met de CO₂-heffing en het ETS-stelsel, waarbij ook import van buiten de EU belast wordt, zodat er een gelijk speelveld is. Prijsmaatregelen werken veel beter dan subsidies. Alle fossiele subsidies worden binnen twee jaar geschrapt, inclusief fiscale vrijstellingen en kortingen en kredietexportverzekeringen. Prijsmaatregelen en regulering zijn veel effectiever én veel goedkopper. De gemiste belastingen op fossiele brandstoffen blijken in sommige jaren op te lopen tot €30 miljard, meer dan 14% van de belastingen die wél geïnd zijn. Doordat de korting toeneemt met het verbruik, missen juist de grootste energieverbruikers een sterke prikkel om zuiniger met energie om te gaan.</p>
<p>De subsidies in het kader van de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) worden in dat kader ook binnen twee jaar geschrapt, die vergroten bovendien de ongelijkheid tussen huishoudens en bevoordelen de grootverbruikers, ook en vooral in het bedrijfsleven. Daarmee vervalt tegelijkertijd ook de oneerlijke Opslag Duurzame Energie (ODE) in de energiebelasting.</p>
<p>We hebben voorts het regressieve energiebelastingstelsel binnen twee jaar vlak gemaakt. Met een vlak belastingtarief op aardgas betalen bedrijven eerlijk mee aan de energietransitie en wordt onnodige energiearmoede voorkomen. Ook de belasting op elektriciteit moeten we vlak en eerlijk maken en we schaffen het regressieve energie belasting stelsel af. Voor gas kan dit 0,10 euro/m3 zijn en voor stroom 0,02 euro/kWh. Bij 0,10 euro/m³ gaan huishoudens en MKB er op vooruit en is voor tuinders geen achteruitgang. Voor huishoudens is er een directe lastenverlichting van circa 600-800 euro per jaar mogelijk.</p>
<p>We maken tegelijkertijd een einde aan alle vrijstellingen van energiebelastingen, zoals de vrijstellingen voor energie-intensieve processen, de zogenoemde inputvrijstellingen energie- en kolenbelasting voor energieopwekking en de inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal gebruik, en aan de kortingen voor energiebelasting (glastuinbouw) en van belasting op kerosine (luchtvaart) en gaan fossiele brandstoffen in lucht- en scheepvaart veel zwaarder belasten.</p>
<p><u>Vermogensbelastingen</u></p>
<p>We verhogen de belastingen op kapitaal. De verhouding tussen de opbrengst van de inkomstenbelasting en die van andere belastingen, met name die op kapitaal, moet fors veranderen – het grootste deel (zo’n 60%) moet binnen twee jaar weer uit andere belastingen komen, zoals dat een aantal decennia terug ook zo was.</p>
<p>Daartoe voeren we binnen in de eerste plaats binnen twee jaar een aparte vermogensbelasting in voor grote vermogens (boven 1 miljoen euro), met een hoger tarief naar mate het vermogen hoger is (bijvoorbeeld oplopend van 1% tot 5% bij miljardairs). Het vermogen exporteren naar een ander land wordt daarbij tegen een hoger tarief belast.</p>
<p>We veranderen voorts binnen twee jaar de vennootschapsbelasting. Nu is het tarief afhankelijk van het aantal werknemers van een bedrijf, wij maken er een progressieve winstbelasting van, oftewel een belasting waarvan het tarief toeneemt naarmate de winst hoger is. Het minimumtarief wordt bijvoorbeeld 30% en het maximumtarief 50%. Daarenboven voeren we een extra heffing in op winst die niet geïnvesteerd wordt, maar bijvoorbeeld wordt opgepot of gebruikt voor het opkopen van eigen aandelen, zoals onlangs in de VS is voorgesteld. Dit heeft veel positieve effecten. Als het maken van steeds hogere winsten minder lucratief wordt, wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om de lonen te verhogen, om te investeren, of zelfs hun prijzen te verlagen. De gasprijs daalde direct toen de EU aankondigde om de winsten van energiebedrijven af te romen.</p>
<p>We schrappen tegelijkertijd ook alle vrijstellingen in de vennootschapsbelasting, zoals de innovatie box (waar multinationals te makkelijk geld tegen maar 5% kunnen laten belasten), de deelnemersvrijstelling en de voordelen met betrekking tot herstructurering van schulden en verliezen, waarmee nu zelfs algehele belastingvrijstelling verkregen kan worden. En we gaan daarbij een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren. De ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen (rente aftrekbaar, winsten belast) in de vennootschaps-belasting leidt tot allerlei fiscale constructies en tot overmatige schuldfinanciering. Een gelijke aftrek voor zowel eigen als vreemd vermogen haalt die perverse prikkel weg. Dit zal een domper zijn voor in Nederland gevestigde financieringsvennootschappen (de ‘brievenbus-bedrijven’), maar juist weer gunstig voor concernfinanciering vanuit Nederland van reële investeringen. Een gelijke vermogensaftrek is bovendien relatief gunstig voor het midden- en kleinbedrijf omdat het MKB verhoudingsgewijs met veel eigen vermogen is gefinancierd.</p>
<p>Ook in de dividendbelasting voeren we binnen twee jaar hogere, progressieve tarieven in, met bijvoorbeeld tarieven tussen 30 en 50%.  We pakken de ontduiking via dividendstrippen (het via buitenlandse constructies vermijden van belasting) hard en effectief aan.</p>
<p>Voor digitale techbedrijven voeren we tegelijkertijd bovendien een Digitaks in, dat een eind maakt aan hun belastingontwijking.</p>
<p>Indien bedrijven vertrekken naar goedkope belastingparadijzen moeten ze een exit belasting betalen conform het initiatief wetsvoorstel daarover van GroenLinks.</p>
<p>We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief. Beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn zeker zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant.</p>
<p>We wijzigen binnen 2 jaar ook de erfenis- en schenkingsbelasting waarbij iedere Nederlander het recht krijgt om gedurende zijn leven bijv. 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen belastingvrij te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast: bijv. de eerste 500.000 euro met 40%, alles daarboven met 60%. Bij de erfenis van een door de erflater en erfontvanger gezamenlijk bewoonde woning blijft deze woning voor deze partner buiten beschouwing. Erfenissen zijn een belangrijke veroorzaker van onrechtvaardige bestendiging en vergroting van ongelijkheid. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers (BOR) wordt tegelijkertijd geschrapt. Teneinde acuut faillissement te voorkomen zijn hierbij betalingsregelingen mogelijk. Eveneens wordt de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR) geschrapt, conform het IBO-rapport over vermogensongelijkheid.</p>
<p><u>BTW en accijnzen</u></p>
<p>Heffingen op consumptie zijn belangrijk in de totale belastingopbrengst. Maar met de huidige hoge inflatie wordt er begrijpelijk extra naar gekeken. De huidige prijsinflatie is vooral te danken aan een prijs-winstspiraal. We gaan dat in de eerste plaats tegen door hogere winst- en andere kapitaalbelastingen, en het nemen van prijsmaatregelen.</p>
<p>Voor vervuilende en ongezonde producten verhogen we soms de BTW en accijnzen. De BTW op gezonde, duurzame en diervriendelijke producten moet omlaag, die op andere producten omhoog. Dan kan best, zoals ook het buitenland laat zien. We voeren binnen 5 jaar een apart laag btw-tarief in voor producten die voldoen aan eisen van ecologische duurzaamheid (circulair gebruik van grond- en afvalstoffen, geen fossiele energie, bescherming van biodiversiteit, dierenwelzijn en gezondheid mensen, geen vervuiling) en van sociale rechtvaardigheid (geen kinderarbeid, eerlijke beloning en arbeidsvoorwaarden, bescherming arbeidsomstandigheden en positie werknemers, eerlijk belasting betalen) met behulp van een nieuw, door de overheid binnen 3 jaar vastgesteld keurmerk voor Duurzaam en Eerlijk Ondernemen.</p>
<p>Ook gezonde producten (onder meer geen of weinig suiker en vet) worden onder het lage btw-tarief geplaatst. Er komt daartoe een speciaal door de overheid vastgesteld Gezond Voedsel keurmerk. Duurzame apparaten, diensten en producten komen zo onder het laagste btw-tarief<strong>, zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc. Vervuilend gedrag moet tegelijkertijd juist zwaarder belast worden, zoals vlees- en zuivelconsumptie, producten van intensieve landbouw e.d. Er</strong> komt per direct een verbod op stunten met vleesprijzen. We scherpen de normen planmatig aan. Zo sturen we de consumptie en maken we transities voor producenten mogelijk.</p>
<p>Accijnzen op ongezonde en/of verslavende producten (alcohol, tabak) gaan ook omhoog, ook die op drugs die niet langer verboden worden, maar streng gereguleerd worden – alleen beschikbaar op specifieke verkooppunten, met kwaliteitscontrole en legale productie en distributiekanalen, en alleen aan meerderjarigen. Reclame hiervoor wordt verboden.</p>
<p>We gaan ook de elektrificering van motorvoertuigen versnellen. Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt binnen een jaar veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu. We vervangen binnen drie jaar de motorrijtuigenbelasting en de aanschafbelasting (bpm) door een systeem van rekeningrijden, gedifferentieerd naar plaats en tijd. Alle nieuwe personenauto&#8217;s die in 2030 op de markt komen, moeten van de EU 100% elektrisch zijn. Deze auto&#8217;s rijden dan op elektriciteit uit een batterij, waterstof-brandstofcel of zonnepanelen. Vanaf 2025 verplichten we daarop vooruitlopend dat alle leaseauto’s elektrisch zijn. De aanschafbelasting voor vervuilende auto’s gaat binnen een jaar omhoog. We zorgen binnen drie jaar voor implementatie van de EU norm voor (snelle) laadpalen langs de snelwegen (iedere 60km). Auto&#8217;s op het belangrijkste Europese wegennet moeten in 2026 minstens iedere 60 kilometer kunnen worden opgeladen. Het gaat om stations met minstens 400 kW-laadvermogen en meerdere laadpunten. Tegen 2028 moet het vermogen per laadstation toenemen tot 600 kW. Vrachtwagens en bussen moeten volgens de EU over vijf jaar om de 120 kilometer zijn op te laden langs de helft van de Europese hoofdwegen. De laadstations voor trucks en bussen krijgen een vermogen van 1400 kW tot 2800 kW. Om de 200 kilometer moet een chauffeur in 2031 waterstof kunnen tanken. Er worden uitzonderingen gemaakt voor afgelegen gebieden, eilanden en wegen met &#8216;zeer weinig verkeer&#8217;. Betalen aan de laadpaal wordt binnen uiterlijk drie jaar ook makkelijker en inzichtelijker.</p>
<p><u>Belastingen van andere overheden</u></p>
<p>We gaan de afhankelijkheid van decentrale heffingen en de autonomie daarbij van deze overheden daarin binnen twee jaar drastisch beperken. Dat impliceert dat we de financiering van deze overheden door het Rijk fors moeten verhogen en wat betreft toereikendheid veel beter moeten waarborgen. Daarbij wordt rekening gehouden met de voorgestelde herschikking van taken van deze overheden elders in dit programma – zoals het beëindigen van taken van gemeenten in de zorg (WMO, Jeugdzorg) en de bijstand, en het onderbrengen van de taken van de waterschappen bij de provincies. De huidige stijging van decentrale heffingen ondermijnt de bestaanszekerheid en een eerlijke verdeling van lasten en vergroot de ongelijkheid.</p>
<p>We gaan de waterschapsbelasting, de afvalstoffen- en reinigingsheffing en de rioolheffing alsmede de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting tegelijkertijd afschaffen.</p>
<p>Daarnaast gaan we tegelijkertijd de onroerende zaakbelasting (OZB) voor eigenaren van woningen en andere onroerende zaken meer reguleren, opdat de verschillen tussen gemeenten kleiner worden en gemotiveerd worden, en er meer naar draagkracht wordt gedifferentieerd.</p>
<p>Leges mogen binnen 2 jaar wettelijk niet meer bedragen dan de werkelijk gemaakte kosten. Dit laatste geldt ook voor het Rijk en haar instellingen.</p>
<p>Andere belastingen blijven wat betreft de regelgeving ongewijzigd, zoals gemeentelijke parkeerheffingen, hondenbelasting, baatbelasting, reclamebelasting, precariobelasting, belasting van roerende woon- en bedrijfsruimten, forensenbelasting en toeristenbelasting en de provinciale grondwaterheffing en de verontreinigingsheffing. Gemeenten en provincies blijven vrij daarin beleid te voeren binnen de wettelijke kaders.</p>
<p>De financiering van decentrale overheden door het Rijk wordt bij deze maatregelen vergroot en de toereikendheid daarvan wordt veel beter wettelijk gewaarborgd.</p>
<p><u>Voorkomen van belastingontwijking en -ontduiking</u></p>
<p>Ons belastingstelsel wordt door bovenstaande wijzigingen ook zeer transparant, eenvoudig uitvoerbaar en handhaafbaar. Internationaal worden we van belastingparadijs voor de rijken een voorbeeld in bestrijding van belastingontwijking en belastingontduiking, en van effectieve, solidaire belastingheffing. We gaan de handhaving daarbij enorm versterken en belastingontduiking zwaar straffen. GroenLinks en de PvdA doen in een recente initiatiefnota meer dan 25 voorstellen om een eind te maken aan de rol van Nederland als facilitator van belastingontwijking. Het is van belang om voor eens en altijd af te rekenen met belastingontwijking en van het juk als belastingparadijs af te komen. Deze maatregelen worden uiterlijk binnen 2 jaar ingevoerd.</p>
<p>We gaan hard inzetten om de criteria van de Europese zwarte en grijze lijsten van belangparadijzen aan te scherpen. Deze definities zijn nu niet scherp genoeg. Het kabinet concludeerde al eerder op basis van de bestaande definitie dat de geldstromen naar dergelijk fiscale gebieden gedaald zijn. Maar op de lijst van belastingparadijzen staan slechts twintig landen. Bovendien ontbreken notoire ontwijkingsoorden als Bermuda en de Kaaimaneilanden. Door meer landen die daadwerkelijk fungeren als belastingparadijs op te nemen in deze lijsten zullen maatregelen die zich richten tegen dergelijke bestemmingen van geldstromen ook echt alle belastingparadijzen raken.</p>
<p>Verder gaan we binnen twee jaar de eisen om een bedrijf te mogen starten en te registreren bij de Kamer van Koophandel (KvK) én de controle daarop behoorlijk verzwaren. Er moet weer een grondige toetsing plaatsvinden van dat er van een bonafide bedrijf sprake is en dat verwacht mag worden dat regelgeving omtrent arbeid, sociale zekerheid, belastingen, etc., netjes zal worden uitgevoerd en dat er geen  criminele activiteiten plaatsvinden.</p>
<p>We gaan ook de informatie-uitwisseling tussen belastingdiensten binnen 2 jaar verbeteren. Door te veel te focussen op brievenbusfirma’s slippen andere bedrijven, die ook gebruik maken van belastingontwijkingsconstructies, door het net.</p>
<p>Je bestrijdt belastingontwijking niet alleen door feitelijke structuren aan te pakken, maar ook door de ‘<em>infrastructuur’</em> die ontwijking mogelijk maakt, in te perken. Daarom gaan we de trustsector, die verder weinig reële waarde toevoegt, binnen 2 jaar verbieden. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s. We scherpen tegelijkertijd vestigingseisen van multinationals aan (o.m. werknemers en kantoor in Nederland). Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.</p>
<p>Ook is het van belang om binnen 2 jaar een eind te maken aan geheime belastingdeals tussen de overheid en het grootbedrijf. Daarnaast willen wij dat het belastingadviseurs binnen 2 jaar onmogelijk gemaakt wordt om agressieve fiscale structuren op te zetten en dat het kabinet niet langer de deur openzet voor commerciële belangen in fiscale adviescommissies. Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.</p>
<p>Er komen binnen 2 jaar veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per drie jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, en ieder jaar bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude).</p>
<p>Belastingverdragen met derdewereldlanden gaan we solidair maken en voorzien van een antimisbruikbepaling. We voeren daartoe binnen 2 jaar een wettelijk toetsingskader in.</p>
<p><em><u>Linkse begrotingspolitiek</u></em></p>
<p>We voeren een linkse begrotingspolitiek, maken een eind aan de schadelijke te grote zuinigheid bij de overheid en hebben in lijn daarmee een plan gereed voor bestrijding van de volgende (inmiddels huidige) crisis. Onze nieuwe sociaaldemocratische, groene en progressieve agenda is prima financierbaar. We halen het geld waar het zit. Zie ons nieuwe belastingstelsel hiervoor. We zijn voor degelijke financiering van overheidsuitgaven, maar dan wel zonder neoliberale dogma’s en gericht op de langere, duurzame termijn. Er is veel meer begrotingsruimte als we de afspraken over staatsschuld en financieringstekort niet meer zo idioot formuleren als nu gebeurt. We hoeven het vermogen van de overheid niet geforceerd op te krikken. Zorgen over de staatsschuld worden zeer overdreven. De Nederlandse overheid heeft altijd een netto-vermogen gehad, geen netto-schuld: de bezittingen zijn groter dan de schulden en gegarandeerde toekomstige inkomsten, m.n. de zekere inkomsten uit belastingen op pensioenen. Zo bezien heeft ons land helemaal geen staatsschuld.</p>
<p>We voeren per direct de volgende wijzigingen in op het begrotingsbeleid. Hervormingen moeten voldoen aan eisen van sociale rechtvaardigheid en aan eisen van ecologische duurzaamheid. We nemen de bezittingen en vorderingen van de overheid in aanmerking bij de herformulering van de staatsschuld. We stappen af van de regel dat meevallers op de begroting alleen gebruikt mogen worden voor de aflossing van de staatsschuld. Het financieringstekort hoeft ook niet per sé maximaal 3 procent op jaarbasis te zijn. Gemiddeld 3 procent voor een langere periode zou de inzet moeten zijn. Er is daarnaast geen enkele noodzaak tot het creëren van een begrotingsoverschot. Begrotingsoverschotten moeten gebruikt worden voor investeringen die ons brede welzijn bevorderen. Begrotingsdoelen moeten we altijd afwegen tegen sociale doelen (werkgelegenheid, ongelijkheid, armoede en uitsluiting) en duurzaamheidsdoelen. Deze doelen zijn nevengeschikt. We hadden ooit de gulden financieringsregel dat overheden konden lenen voor rendabele investeringen. Die gaan we weer hanteren. En die leningen tellen dan niet mee voor het financieringstekort, de kost gaat voor de baat uit. Sommige dingen hiervan moeten we Europees regelen, met een verandering van het stabiliteits- en groeipact, maar laten we daar maar eens assertief in zijn. Worden de Europese begrotingsregels niet aangepast, dan zit er niks anders op dan statelijke ongehoorzaamheid. We moeten niet te benauwd zijn om veranderingen af te dwingen, zolang het vetorecht nog bestaat. De EU zal sociaal zijn, of niet zijn.</p>
<p>Wij gaan per direct veel meer overheidsinvesteringen doen. Investeren in rendabele projecten, uiteraard. Rendabel, in die zin, dat we als samenleving daarin op langere termijn de vruchten van pakken. Rendabele doelen zijn bestemmingen die de economie en samenleving toekomstbestendiger maken. Denk aan de ecologische duurzaamheidstransities (klimaat, circulaire economie, landbouw/biodiversiteit), bescherming tegen gevolgen van klimaatcrisis (zeespiegel, veel regen in korte tijd, droogte, bodemdaling), duurzame infrastructuur (elektriciteitsnetten, warmtenetten, openbaar vervoer), betaalbare woningen (vooral huur), onderwijs en onderzoek/innovatie (dat moet ook de belabberde productiviteitsgroei verbeteren), etc.</p>
<p>Investeringen gaan we zoveel mogelijk doen via een binnen een jaar op te richten Nationale Investeringsbank (NIB) 2.0, dat voor 51% ook gevoed wordt door pensioenfondsen. NIB 2.0 geeft weer obligaties uit, die ook door ECB gekocht kunnen worden. Bij de te financieren projecten moeten steeds ook concrete, meetbare doelen als het versterken van de werkgelegenheid, het beperken van ongelijkheid en het versterken van de bestaanszekerheid betrokken worden. Waar het bedrijfsleven van deze investeringen meeprofiteert, is er van die zijde cofinanciering.</p>
<p>Ons financieel-economisch beleid is per gericht op hogere investeringen, zowel privaat (dat doen we door kapitaal aan te wenden voor speculatieve doeleinden of dood laten staan fiscaal onaantrekkelijk te maken en door anti-speculatie regelgeving) als publiek; minder private besparingen (dat doen we o.m. bij de pensioenen het deel via kapitaaldekking in de aanvullende pensioenen te verminderen en het deel via omslagfinanciering in de AOW te vergroten), de private schulden enorm te verminderen (zie ons schuldenoffensief en de krimp en regulering van de financiële sector), het verdienmodel van onze economie meer richten op grotere binnenlandse bestedingen (dat doen we door hogere inkomens in de breedte te bevorderen en de export en doorvoer te beperken) en duurzame, groene maakindustrie en hoogwaardige kennisbedrijven in plaats van lage lonenarbeid, energie-intensieve bedrijvigheid en klimaatopwarmende en vervuilende bedrijvigheid. Dat zorgt voor een hogere welvaart voor huidige én toekomstige generaties.</p>
<p>In tijden van financieel-economische crisis voeren we (neo-)Keynesiaanse begrotingspolitiek. Dat spreken we vooraf af in een regeerakkoord. We maken ook binnen een jaar een nieuwe Crisis- en herstelwet waarin we het anticyclisch begrotingsbeleid vastleggen. We sluiten daarin uit om in tijden van crisis te bezuinigen op de sociale zekerheid, pensioenen of de werkgelegenheid en inkomens in de publieke sector, en leggen daarin vast dat we de lasten van huishoudens niet verhogen in tijden van crisis ten bate van lagere lasten op kapitaal – zoals na de crisis in 2008 is gedaan. Is er eenmaal weer economische groei, dan nemen de staatsschuld en het begrotingstekort vanzelf snel af.</p>
<p>Hoe slechter de economische situatie, hoe belangrijker een goed vangnet om ervoor te zorgen dat mensen niet helemaal door de bodem zakken. In economische termen is sociale zekerheid een van de ‘automatische stabilisatoren’: de koopkracht blijft enigszins op peil, wat goed is voor bedrijven. Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid. Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken moet het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid worden. Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang te gaan bezuinigen. <em>In de eerste plaats is het dan belangrijk dat je als overheid dan je rol pakt als employer of last resort. Versterk dus juist in crisistijd de publieke sector met meer banen, dat helpt ook nog eens bij het oplossen van maatschappelijke problemen die ook verergeren in tijden van crisis. Ook gesubsidieerde arbeid moet daarbij als sluitstuk helpen. We leggen dat vast in de nieuwe crisis- en herstelwet.</em> Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid als we dat niet doen. We koppelen in de nieuwe crisis- en herstelwet daarom de duur van de WW-uitkering aan de conjunctuur: de maximale WW-duur gaat naar drie jaar bij laagconjunctuur. Eén van de eerste dingen die bij een volgende crisis zou moeten gebeuren is het opnieuw instellen én volhouden van deeltijd-WW. Ook dat nemen we op in de nieuwe crisis- en herstelwet. De regeling moet worden volgehouden tot het einde van de crisis en altijd weer heropenbaar zijn voor een volgende crisis. Er moeten strenge voorwaarden zijn dat niemand – ook geen flexwerkers – worden ontslagen, er geen dividend en bonussen uitgekeerd worden of eigen aandelen worden opgekocht, er geen belastingontwijking plaatsvindt, topbeloningen moeten worden gematigd en het bedrijf moet meewerken aan verduurzaming.</p>
<p>De maximum hypotheek maken we in de crisis- en herstelwet ook conjunctuur afhankelijk (naar Canadees voorbeeld): het maximum (als percentage van het inkomen of van de woningwaarde) wordt lager bij sterk stijgende prijzen en hoger bij dalende prijzen. Dit helpt om de woningmarkt te stabiliseren. Door veel meer te investeren in betaalbare huren en het oplossen van de woningnood, door drastisch schulden van huishoudens te saneren en te investeren in preventie van en hulpverlening bij schulden, zorgen we dat huishoudens er bij een volgende crisis beter voor staan.</p>
<p>En we verhogen de vermogensbelasting voor miljonairs in tijden van crisis, omdat de inkomsten uit de belasting voor vermogensrendementsheffing dan drastisch zullen teruglopen – het rendement op vermogen in economisch is in slechte tijden laag of zelfs negatief. En we verhogen de progressieve vennootschapsbelasting op winst van bedrijven met een solidariteitsheffing op winst die niet geïnvesteerd wordt. Zo kunnen investeringen des te meer blijven plaatsvinden, maar worden dividenduitkeringen en opkopen van eigen aandelen, of het oppotten van winst in overmatige reserves in tijden van crisis extra ontmoedigd. In 2008 werd het tegenovergestelde gedaan: de vennootschapsbelasting werd verlaagd.  Zo blijft het stelsel solidair en zorgen we voor geld voor de publieke zaak.</p>
<p>In een crisis worden bedrijven terughoudend met investeringen en ook burgers houden de hand op de knip. Om te voorkomen dat de economie in een spiraal naar beneden raakt, is het aan de overheid om te blijven investeren. Dat is goed voor de werkgelegenheid, goed voor de koopkracht, en er is veel nuttigs te doen: het energiezuinig maken van woningen, grootschalige duurzame energie, wijken opknappen, infrastructuur up-to-date maken, nieuwe woningen bouwen. Ook dat leggen we vast in de wet die anticyclisch beleid reguleert. De overheid moet in tijden van crisis voorts voor zzp-ers en voor het mkb risicoarme en goedkope investeringskredieten organiseren. Daarbij helpt de hiervoor bepleitte publieke Nationale Investeringsbank 2.0. Deze kan in tijden van crisis bedrijfskrediet blijven leveren. Ook kan de ECB als voorwaarde stellen aan banken om in aanmerking te komen voor overheidssteun dat zij deze kredieten blijven verstrekken.</p>
<p>In tijden van crisis heeft het de voorkeur dat de Europese Centrale Bank geld aan huishoudens uitkeert, in plaats van ongericht in de financiële markten geld te pompen. De 2600 miljard die de Europese Centrale Bank de afgelopen jaren in de financiële markten pompte leidden tot vastgoed- en aandelenbubbels en kwamen niet ten goede van de werkelijke economie. Een van de manieren om ervoor te zorgen dat het geld daadwerkelijk de economie versterkt is wat sommigen <em>green quantitative easing</em> noemen (groene geldverruiming). De ECB verstrekt dan grootschalig geld aan de Europese investeringsbank, die met dat geld de investeringen pleegt die nodig zijn voor de energietransitie. Waarbij de Europese investeringsbank zelf het initiatief neemt en niet afwacht of bedrijven met investeringsplannen komen, want dat valt zelfs tijdens hoogconjunctuur al tegen, laat staan in crisistijd.</p>
<p>We willen ook geen landen als zondebokken meer. Rond 2010 zorgde het conflict tussen de eurogroep en Griekenland voor een enorme omslag in de <em>framing</em> van de crisis. Toen Griekenland het epicentrum van de crisis werd, waren plotseling niet langer de banken en de financialisering van de economie de schuldigen, maar geld verbrassende overheden. En was de oplossing niet langer het aan banden leggen van de financiële industrie, maar moest de oplossing komen van overheidsbezuinigingen. Wie zich laat afleiden door zondebokken, komt niet toe aan het aanpakken van de werkelijke oorzaken.</p>
<p>Voorts moeten we in de EU Eurobonds invoeren: landen lenen geen geld op de ‘gewone’ geldmarkt, maar van de Europese Centrale Bank, waarbij landen in feite garant staan voor elkaar. Als staatsschulden oplopen gooit de private geldmarkt maar al te graag de rente voor staten omhoog. Daardoor loopt de staatsschuld verder op en ontstaat een eindeloze negatieve spiraal. Eurobonds voorkomen dat, want de ECB kan de rente in de hand houden. Ook de ECB zal voor verschillende landen verschillende tarieven rekenen, maar veel gereguleerder dan op de markt. Als je de rentevorming aan de markt overlaat geef je financiële markten de macht om landen af te straffen.</p>
<p>Het enige goede aan een volgende crisis zou kunnen zijn dat er urgentie ontstaat om de oorzaken van de crisis aan te pakken: de schuldgedrevenheid van de economie, de ongebreidelde vrijheid van de financiële sector, aandeelhouders die bedrijven de verkeerde kant op sturen, banken die te weinig buffers hebben. Het aanpakken van de oorzaken betekent, zoals in ons programma wordt voorgesteld:  het omvormen van de banken tot publieke dienstverleners, strenge regels voor de financiële industrie, het inperken van de macht van aandeelhouders, omvorming van de pensioenfondsen tot maatschappelijk verantwoorde investeerders in plaats van handelaren in financiële lucht, en een andere vormgeving van de Europese samenwerking, met meer integratie. Fundamentele aanpassingen waar het de vorige keer niet van gekomen is, onder meer doordat er kort na aanvang van de crisis vrijwel geen aandacht meer was voor deze onderliggende oorzaken. Laat ons programma voorkomen dat een volgende crisis hiervoor nodig is.</p>
<p> </p>
]]></content:encoded>
					
					<wfw:commentRss>https://gerardbosman.com/2025/05/15/alles-moet-anders-en-wel-nu-werk-en-inkomen-beknopte-versie/feed/</wfw:commentRss>
			<slash:comments>0</slash:comments>
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Alles moet anders, en wel nu! &#8211; Inleiding</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2025/04/02/alles-moet-anders-en-wel-nu-inleiding/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 02 Apr 2025 18:47:57 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1664</guid>

					<description><![CDATA[Er is veel discussie binnen PvdA en GroenLinks over de vorm én inhoud van de verdere samenwerking of samengaan van wat onze gezamenlijke politiek leider&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[


<p>Er is veel discussie binnen PvdA en GroenLinks over de vorm én inhoud van de verdere samenwerking of samengaan van wat onze gezamenlijke politiek leider <em>‘Verenigd Links’</em> heeft gedoopt. Het gezamenlijk optrekken heeft in de belangrijkste arena, de Tweede Kamer, weliswaar bij de laatste verkiezingen een substantiële electorale winst opgeleverd, maar een echte doorbraak die ons tot de grootste fractie maakt en die niet vooral ten koste gaat van andere linkse en/of progressieve partijen, is uitgebleven. Sterker nog, de rechtse meerderheid is groter dan ooit na de Tweede Wereldoorlog en voor het eerst is een protofascistische partij, de PVV, de grootste geworden. En de politieke peilingen sindsdien geven in het beste geval alleen maar een stagnatie aan, we zien alleen zetels verschuiven binnen de zeer rechtse meerderheid, naar nog extremer rechts. Binnen de rechtse, conservatieve meerderheid zien we een verschuiving naar steeds extremer rechts beleid. Alleen het CDA lijkt iets aan een tegengestelde beweging te doen, waarbij ze zetels lijken terug te winnen van hun afsplitsing van de zich vooral conservatief en incompetent manifesterende partij van de man die helaas geen functie elders heeft gekregen en die vooral uit rancune zijn nieuwe partij is begonnen.</p>
<p>Niet alleen in ons land, maar overal om ons heen wint het (proto)fascisme terrein – na de inktzwarte overwinning van Trump in de VS dreigt ook Europa in zwaar weer te komen. De AFD is groter dan ooit in Duitsland en Le Pen in Frankrijk, nadat al Nederland, Italië, Hongarije en Slowakije in extreemrechts vaarwater waren gekomen. In Duitsland zijn gewapende groepen fascisten actief die op een staatsgreep uit zijn. De AFD en anderen spreken over remigratie in de zin van gedwongen massale terugkeer van migranten, een racistische geweldsfantasie.<a href="#_ftn1" name="_ftnref1">[1]</a> De overwinning van Trump zal de extreemrechtse groepen in de kern van de EU vleugels geven. Ondertussen is progressief-links in Europa verdeeld en verdwaald. Waar men aan de macht is, zoals in het VK, voert men een derde-weg politiek na – niets geleerd van het drama van Blair – , probeert men nog steeds vluchtelingen vooral tegen te houden ondanks onhoudbare arbeidstekorten en financiert men (terechte) extra defensie uitgaven met bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. Inmiddels blaast Trump de NATO op, verraadt hij Oekraïne en Europa, wil hij de Gazanen deporteren naar Arabische landen en er een privé-strandresort vestigen, en zijn er aanwijzingen dat Trump gerekruteerd werd als KGB-agent 38 jaar geleden in 1987 met als codenaam Krasnov.<a href="#_ftn2" name="_ftnref2">[2]</a> Trump en Putin zijn wapenbroeders.</p>
<p>Wannabee premier Schoof was ten tijde van premier Wilders&#8217; bezoek aan Moskou op kosten van de Russische militaire inlichtingendienst GRU in 2018 het hoofd van de AIVD. Kremlin’s staatspersbureau kopte op 23 november 2023 niet voor niks: &#8220;<em>Poetin heeft gewonnen. Dit keer in Nederland.&#8221;</em> Als je met Wilders in zee gaat, ben je medeplichtig aan het feit dat Kremlinpropaganda nu ook op het Binnenhof weergalmt.</p>
<p>Het was een strategische blunder om bij de laatste Kamerverkiezingen te trachten Omtzigt in ons kamp te trekken in plaats van een progressieve alliantie te vormen, en een frontale aanval aan te gaan met steeds extremer rechts, en de eigen links-progressieve agenda (die in alle doorrekeningen op alle fronten veel beter scoorde dan al onze tegenstanders – waarbij overigens drie van de vier partijen in de huidige extreemrechtse coalitie hun programma niet eens hebben laten doorrekenen) het maatschappelijk en politiek debat te laten bepalen in plaats van de extreemrechtse nepagenda van asielzoekers, de wolf, alles wat links-progressief-groen is, en ‘<em>woke’</em> als zondebokken, de ontkenning van klimaat-, stikstof- en andere milieucrises, illusiepolitiek zoals kernenergie, het afbreken van onze democratische rechtsstaat, en de verergering van de historisch ongekende enorme sociaaleconomische ongelijkheid (inkomen, vermogen, kansen, gezondheid, levensverwachting) die ons land steeds meer tot een plutocratie maakt – een samenleving met een relatief kleine groep superrijken (huishoudens en bedrijven) die in een rentenierseconomie geld met geld verdienen in plaats van door arbeid met werkelijke toegevoegde waarde en brede welzijnsverbetering, in combinatie met een enorme groep mensen (bij elkaar ongeveer de helft van alle huishoudens) die in uitzichtloze armoede leven dan wel enorme financiële bestaansonzekerheid hebben, en die bijvoorbeeld zonder fiscale toeslagen niet kunnen rondkomen.</p>
<p>Willen we als GL-PvdA weer betekenisvol aan de politieke macht deelnemen dan zijn er drie belangrijke veranderingen nodig<a href="#_ftn3" name="_ftnref3">[3]</a>:</p>
<ol>
<li><strong>Versnel het traject van samengaan in Verenigd Links.</strong> De beste optie is die welke onze politiek leider aanhangt, het oprichten van een nieuwe partij waarin tenminste GL en PvdA opgaan, en die openstaat voor anderen (personen en partijen), die ook links, groen en progressief zijn.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="2">
<li><strong>Voer een offensieve, zelfbewuste strategie gericht op een links-progressieve brede maatschappelijke én politieke coalitie. De handschoenen moeten uit.</strong> Voer de aanbevelingen uit voor een andere stijl<a href="#_ftn4" name="_ftnref4">[4]</a>, ook en zeer actief op sociale media. Organiseer een cordon-sanitair tegen het fascisme en hun collaborateurs en praktiseer die ook hard en openlijk zelf. Neem het voortouw in het organiseren van een maatschappelijke coalitie met vakbonden, kerken &amp; andere religieuze organisaties, de milieubeweging, armoede-organisaties, vluchtelingenorganisaties, etc., om hun strijd te verbinden met elkaar en die van ons, met concrete acties en strijdpunten, waarmee we massa en pressie creëren op straat, in bedrijven, in de openbare ruimte, inclusief de (sociale) media. Formeer een schaduwkabinet met andere linkse, groene en progressieve partijen, waarmee je het initiatief terugveroverd en zelf de agenda van het debat bepaalt.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="3">
<li><strong>Zorg voor een gedurfd, aansprekend en geloofwaardig links-progressieve agenda, verhaal en programma.</strong></li>
</ol>
<p>Verenigd Links moet de grootste partij in ons parlement worden, groot genoeg om de leiding te nemen (&gt; 35 zetels) en een echt links-groen-progressief beleid af te dwingen. In een coalitie die genoeg coherent is op inhoudelijk beleid, en zonder de fascisten en hun collaborateurs die in het huidige kabinet de democratische rechtsstaat, ons milieu en de solidariteit ondermijnen. </p>
<p>Ik concentreer me hieronder op het inhoudelijk verhaal van Verenigd Links. Daarbij zijn drie noties volgens mij zeer belangrijk, die ik eerst zal bespreken alvorens een nieuw beleidsprogramma te presenteren voor Verenigd Links. Inhoudelijke analyse gaat vooraf aan goed, effectief nieuw beleid.</p>
<p><strong>De eerste notie is dat we, ook op links, te maken hebben met</strong> <strong>forse onderschattingen van een drietal existentiële bedreigingen.</strong></p>
<p><strong>In de eerste plaats is dat de erkenning dat we niet meer slechts met een normale politieke strijd te maken hebben, maar met een strijd die existentieel is voor het voortbestaan van de vrije, democratische samenleving. Een strijd tegen reële fascistische bedreigingen, in binnen- en buitenland. </strong>Vrede en veiligheid en onze democratische rechtsstaat en de daarmee verbonden vrijheden zijn verre van vanzelfsprekend geworden. Inmiddels hebben we een regering waarin een (proto)fascistische partij het discours bepaalt en racisme de norm is, een beleid gebaseerd op uitsluiting en zondebokken. Met haat tegen migranten, tegen moslims en hun geloof, tegen wetenschap en kennis, tegen natuur en milieu, tegen iedereen die ongelijkheid en renteniers wil aanpakken, tegen alles wat links, ‘<em>woke’</em> en progressief is.</p>
<p>Naïeve verbinders als Kim Putters en de alweer afgetreden Nora Achanbar normaliseren met hun verbinding aan het kabinet-Schoof fascisme en racisme. En inmiddels zijn we in het stadium dat de ophef zich verplaatst van de grenzen dicht naar het deporteren van Nederlanders van Marokkaanse komaf. De ophef als instrument.  Ophefdwang, mede mogelijk gemaakt door het veranderde medialandschap, zowel in de traditionele als de zgn. sociale media. Die ook als wapen gebruikt wordt door imperialistische, agressieve regimes die uit zijn op het vernietigen van vrede, veiligheid en democratische rechtsstaat bij ons – met als voornaamste daders Rusland, China en Iran.</p>
<p>De oorlog in Oekraïne is genocidaal én gericht tegen ons soort van samenleving en zijn zeer nabij en bedreigend. Er dreigen vele verdere aanvallen als Putin zijn gang kan blijven gaan – van Georgië, Moldavië, Baltische staten tot aan Taiwan en Zuid-Korea. En aanvallen op ons land en onze buurlanden zullen dan niet beperkt blijven tot sabotage, infiltratie en beïnvloeding van onze politiek en media, maar ook fysiek kunnen worden met belangrijke strategische doelen als de Rotterdamse haven en de digitale knooppunten binnen onze landsgrenzen.</p>
<p>De oorlog in en rondom Israël/Palestina is mede bedoeld om ons hier te verdelen, waarbij antisemitisme hier en ook daar bestreden wordt met racisme en uitsluiting – een recept waarmee beiden juist versterkt worden. Het bereiken van vrede aan onze buitengrenzen – rondom Rusland, in het Midden-Oosten en in Noord-Afrika &amp; de Sahel – en in andere voor Europa strategisch van belang zijnde regio’s (met name Oost- en Zuidoost-Azië) is van existentieel belang voor ons soort van samenleving, en die vrede kan alleen bereikt en gehandhaafd worden met een combinatie van <em>hard</em> en <em>soft</em> <em>power</em>.</p>
<p>Met name de <em>hard power</em> hebben we in Europa verwaarloosd. Nu de VS opnieuw gevallen is voor de criminele, fascistische fantast Trump, moet Europa op eigen benen staan met een sterke, ook militair sterke Unie. Willen we het fascisme overwinnen, dan moeten we het zowel binnenlands als buitenlands bestrijden. Geen tolerantie voor intolerantie, geen pacifisme voor agressief imperialisme en illiberalisme.</p>
<p><strong>In de tweede plaats is dat de ontkenning van de ernst en de spoedeisendheid van de verschillende milieucrises</strong> – allereerst de klimaatcrisis, veroorzaakt door het door de mensheid uitstoten van enorme hoeveelheden broeikasgassen (CO², methaan, etc.), maar ook de biodiversiteitscrisis (met vernietiging van natuur en levenssoorten, teveel stikstof-uitstoot, etc.), en de vervuiling van ons milieu (bodem, water, atmosfeer) met allerlei gifstoffen (waarvan sommigen rechtstreeks tot gezondheidsschade bij de mens leiden). Daarbij komt een toenemend dreigend tekort aan grond- en hulpstoffen om onze samenleving in stand te houden, welke schaarste ook steeds meer een geopolitieke dreiging wordt, en een respectloze omgang met dierenwelzijn. De combinatie van deze crises, die elkaar versterken, leidt al tot grote rampen met vele slachtoffers en schade, maar dit is nog niets in vergelijking wat ons te wachten staat als we niet heel snel veel meer in actie komen om het tij (ook letterlijk) te keren.</p>
<p><strong>En in de derde plaats gaat het om de onderschatting van armoede en sociaaleconomische ongelijkheid – in het rijke westen, maar ook en vooral tussen dat rijke westen (dat zich tegenwoordig ook deels bevindt in het oosten en zuiden van onze wereldbol) en de arme landen. </strong>Hoewel op het gebied van armoedebestrijding er mondiaal en nationaal zeker ook successen zijn geboekt, verbleken die in het perspectief van de ongekende ongelijkheid en de diepe armoede bij de achterblijvers. Deze ongelijkheid is zeer schadelijk voor onze welvaart en welzijn, ze is enorm onrechtvaardig en ze vormt een angstwekkende bedreiging voor onze democratische rechtsstaat – door een voedingsbodem te creëren voor fascisme en feitenvrije politiek en door een verbinding te creëren tussen een rijke oligarchie en een extreemrechtse politiek, zoals in de VS nu tussen de tech-miljardairs en Trump. Het doet herinneren aan de steun van de grootindustriëlen aan Adolf Hitler in de 1930-er jaren. En zo versterken de drie grote onderschatte crises ook elkaar en dreigt er een zeer donkere periode.</p>
<p><strong>De tweede notie is dat het geloof en vertrouwen in de maakbaarheid van de eigen linkse en progressieve idealen en programma. Niet alleen in politieke zin, maar ook in financiële, juridische, sociologische en uitvoeringstechnische zin.</strong> Niet op basis van louter overtuiging, maar aantoonbaar en bewezen. Als onderdeel van onze strijd tegen de waanideeën en ficties van (extreem)rechts en de strijd voor waarheid en feiten als basis voor het politieke en maatschappelijke debat. Het gebrek aan dat geloof en vertrouwen is de kern van het falen van links om tot een aanspreekbaar alternatief te komen voor het desastreuze extreemrechtse beleid dat ons lijkt te verlammen. De bedreigingen zijn enorm, en links is hard nodig om de hoop op een betere toekomst overeind te houden. Maar hoop kan alleen gebaseerd zijn op goede ideeën en goed tijdig handelen, en dat begint met je eigen idealen serieus te nemen. Linkse, progressieve politiek kan wèl. Daarvoor moeten we niet naar het midden, maar naar links. Het komt op ons aan. En als we zelf onvoldoende in de maakbaarheid van onze idealen geloven, waarom zouden kiezers dat dan wel doen?</p>
<p><strong>De derde notie is dat we snel moeten leveren. We hebben niet voor niets vele crises. Waar nodig nemen we noodmaatregelen. Binnen een jaar moeten de eerste resultaten zichtbaar zijn en de ergste nood verholpen zijn</strong> – dakloosheid, ernstige geldtekorten bij huishoudens, geen zorg bij ernstige problemen, etc. Daarnaast nemen we al in het eerste jaar maatregelen die binnen 4 jaar structureel effect hebben. Met concrete, meetbare actieplannen. Technische en juridische uitvoerbaarheid zijn steeds toetssteen. Daarom krijgt onder meer de arbeidstekorten veel aandacht in dit programma, met realistische maatregelen. Financiële en politieke haalbaarheid mag geen beperking opleveren, wat onverlet laat dat wij wèl zorgen voor financiële houdbaarheid op langere termijn. Wij gaan wèl leveren, waar extreemrechts nu alleen maar woorden en illusies levert.</p>
<p>Het aangrijpingspunt in het inhoudelijk verhaal hieronder is een nieuw belastingstelsel. Dat heb ik gekozen omdat het een knooppunt vormt waarin alle inhoudelijke, ingrijpende voorstellen in elkaar grijpen. Bij de vormgeving van het komende verkiezingsprogramma moet dat natuurlijk anders – zet daar de voordelen voor onze kiezers voorop, beschrijf de plannen vanuit hun perspectief.</p>
<p><a href="#_ftnref1" name="_ftn1">[1]</a> <a href="https://www.nrc.nl/nieuws/2025/01/14/door-het-woord-remigratie-toe-te-voegen-aan-het-verkiezingsprogramma-koerst-de-afd-verder-naar-rechts-a4879450">www.nrc.nl/nieuws/2025/&#8230;</a></p>
<p><a href="#_ftnref2" name="_ftn2">[2]</a> <a href="https://bylinetimes.com/2025/02/21/donald-trump-was-recruited-by-the-kgb-under-codename-krasnov-claims-former-soviet-spy-chief/">https://bylinetimes.com/2025/02/21/donald-trump-was-recruited-by-the-kgb-under-codename-krasnov-claims-former-soviet-spy-chief/</a></p>
<p><a href="#_ftnref3" name="_ftn3">[3]</a> Zie ook: <a href="https://www.nrc.nl/nieuws/2025/02/05/opschuiven-naar-het-midden-werkt-niet-a4882129?utm_term=20250206&amp;utm_content=buffer4859c&amp;utm_medium=social&amp;utm_source=twitter.com&amp;utm_campaign=twitter">Opinie | Opschuiven naar het midden werkt niet &#8211; NRC</a></p>
<p><a href="#_ftnref4" name="_ftn4">[4]</a> <a href="https://www.groene.nl/lijsten/linkse-strategieen?utm_source=De+Groene+Amsterdammer&amp;utm_campaign=5cae217466-Dagelijks-2024-12-09&amp;utm_medium=email&amp;utm_term=0_853cea572a-5cae217466-70580073">https://www.groene.nl/lijsten/linkse-strategieen?utm_source=De+Groene+Amsterdammer&amp;utm_campaign=5cae217466-Dagelijks-2024-12-09&amp;utm_medium=email&amp;utm_term=0_853cea572a-5cae217466-70580073</a></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Alles moet anders, en wel nu! &#8211; Deel 1:  Bestaanszekerheid voor iedereen in een solidaire samenleving</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2025/04/02/alles-moet-anders-en-wel-nu-deel-1-bestaanszekerheid-voor-iedereen-in-een-solidaire-samenleving/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 02 Apr 2025 18:45:54 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1636</guid>

					<description><![CDATA[We garanderen bestaanszekerheid en solidariteit door een pakket met hogere lonen, lagere lasten en een herverdeling voor rechtvaardige inkomens- en bezitsverhoudingen, gebaseerd op een sterke&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[


<p>We garanderen bestaanszekerheid en solidariteit door een pakket met hogere lonen, lagere lasten en een herverdeling voor rechtvaardige inkomens- en bezitsverhoudingen, gebaseerd op een sterke publieke sector en een eerlijk en sociaal en duurzaam verdienmodel van onze economie en degelijke overheidsfinanciering. We zorgen dat wets- en financieringsvoorstellen gereed liggen bij de start van een kabinet, opdat er snel resultaat geboekt kan worden.</p>
<p>Bestaansonzekerheid heeft onder meer te maken met armoede: onvoldoende geld om met ‘normaal’ bestedingspatroon te kunnen rondkomen. Maar ook de complexiteit van alle regelingen rondom inkomen en vaste lasten speelt een grote rol. Naast verhoging van inkomens en verlaging van vaste lasten moeten we dus ook drastisch vereenvoudigen.<a href="#_edn1" name="_ednref1">[i]</a></p>
<p>Grote groepen huishoudens zijn maar net van echte armoede verwijderd. Zo’n 20% van alle huishoudens heeft een inkomen van beneden de € 20.000 per jaar, en 50% van alle huishoudens heeft inkomen van beneden de € 30.000 per jaar. Hoge vaste lasten (m.n. huur en zorg) maken het besteedbaar inkomen van 70% van onze huishoudens (te) laag. Daardoor heeft 40% van alle huishoudens onvoldoende reserves om een financiële tegenvaller te kunnen opvangen, 15% heeft zelfs geen enkele reserve. Dit heeft weer tot gevolg dat 25% van alle huishoudens een betalingsachterstand heeft, en 17% van alle huishoudens heeft risicovolle of problematische schulden (dit dreigt te stijgen naar boven de 25%). <a href="#_edn2" name="_ednref2">[ii]</a></p>
<p>Sociaaldemocratisch beleid is gericht op het garanderen van bestaanszekerheid en het herstellen van solidariteit, mede door solidaire financiering en herverdeling van inkomen en bezit opdat die rechtvaardig verdeeld worden, en met een sterke en grote publieke sector collectieve belangen en financiering garandeert. Zij staat haaks op neoliberaal beleid, dat juist de oorzaak is van de huidige problemen.<a href="#_edn3" name="_ednref3">[iii]</a></p>
<p><em><u>Goed en goed betaald werk</u></em></p>
<p><em>Goed en goed betaald werk is de basis van ons gezamenlijke verdienvermogen en van individuele bestaanszekerheid. Maar werk is veel meer dan inkomen. Betaald werk geeft natuurlijk in de eerste plaats een inkomen, maar werk is veel meer dan een inkomen. Het geeft zin, identiteit, structuur en sociale context aan je leven – het geeft dus binding. Mensen stellen zich vaak voor met hun naam én hun beroep. Zonder werk geen beroep, geen collega’s. Waar praat je over in je vrije tijd? En met wie? Werk is niet een ongemak wat we moeten verduren om inkomsten te kunnen generen, opdat we maar voldoende kunnen consumeren. Werk vormt ons tot wie we zijn – als er geen werk meer is, dan raakt dat ons ‘zijn’. Dat besef je pas goed als je het – onvrijwillig – niet meer hebt. </em></p>
<p><em>Voor een gezonde, evenwichtige samenleving en een bestendige economie, welvaart en welzijn, is het ook collectief van belang dat er balans is tussen de productiefactoren arbeid, kapitaal en natuurlijke hulpbronnen. Die balans is nu volledig zoek. De factor kapitaal buit de arbeid steeds meer uit (zie de werken van Piketty) en ook de natuurlijke hulpbronnen worden levensbedreigend uitgeput en vervuild. De overheid heeft tot taak de factor arbeid en natuurlijke hulpbronnen, die zonder die hulp veel en steeds meer zwakker staan tegenover de factor kapitaal, te versterken. Het is links dat die verantwoordelijkheid bij uitstek moet praktiseren. Het is rechtse kletspraat dat er geen alternatief zou zijn, alsof de overheid met lege handen zou staan – dit programma bewijst dat: yes, we can! </em></p>
<p><em>We relativeren dus beslist niet het belang van betaalde arbeid. Die zal ook altijd nodig zijn, ondanks alle mechanisatie, automatisering, robotisering en kunstmatige intelligentie. De geschiedenis toont aan dat alle voorspellingen over verdwijnende arbeid bij iedere golf van technologische innovatie onwaar bleken. Wij geloven niet in een samenleving waar alles geautomatiseerd is – als dat al technisch mogelijk zou worden, vinden we het op veel plekken niet wenselijk. Menselijk contact is in veel sectoren een kwaliteitskenmerk, zoals in de zorg, maar eigenlijk bij alle publieke sectoren en ook in marktsectoren waar klantcontact echt iets toevoegt. Een samenleving waar alles geautomatiseerd verloopt en alle mensen afhankelijk zijn van een gelijke overheidsuitkering is bepaald niet ons ideaal. </em></p>
<p><em>Wel veranderd steeds de aard van het werk. Vooral voor mensen die gegeven hun competenties en/of beperkingen aangewezen zijn op aangepast of laaggeschoold werk vraagt dat extra inspanningen. Soms kan de innovatie hen juist ook helpen – dat moeten we zeker goed faciliteren en tot een recht maken. </em></p>
<p><em>Doordat de balans tussen de productiefactoren zo doorslaat ten gunste van het kapitaal neemt de ongelijkheid steeds sneller toe<a href="#_edn4" name="_ednref4"><strong>[iv]</strong></a>, stagneert de arbeidsproductiviteit en de groei van de reële economie. </em></p>
<p><em>We pakken de arbeidstekorten aan en creëren tegelijkertijd honderdduizenden nieuwe banen en herstellen de publieke arbeidsbemiddeling. Die wordt van hoge kwaliteit en gebaseerd op eigen regie van de werkzoekende, dus principiële vrijwilligheid. </em></p>
<p><em>Betaalde arbeidskrachten zijn door creatie van banen en door de vergrijzing/ontgroening een schaarser goed geworden, hetgeen een opwaartse druk geeft op de lonen en daarmee van de binnenlandse bestedingen – hetgeen ook weer werkgelegenheid bevorderd. Bij een steeds krapper wordende arbeidsmarkt zullen de lonen ook in de private sector daardoor stijgen (welke deels gecompenseerd worden doordat we de lasten op arbeid zullen verlagen en die op kapitaal verhogen).</em></p>
<p><em>Gelukkig zijn de lonen, mede onder druk van de vakbonden, al gaan stijgen. Maar de inflatie is nog altijd hoger – dus de prijzen stijgen sneller dan de lonen. Maar de winsten stijgen nog sneller en de arbeidsproductiviteit blijft stagneren. Om armoede en geldzorgen te bestrijden moeten we de economie hervormen van een lage lonenland met steeds meer renteniers en met bedrijven die vooral geld met geld verdienen, naar een hoogwaardige, duurzame kenniseconomie met bedrijven die reële toegevoegde waarde leveren, in termen van breed welzijn. </em></p>
<ol>
<li><strong>Hogere lonen en hogere uitkeringen. We verhogen het minimumloon en het sociaal minimum met tenminste 500 euro per maand (tenminste 16 euro per uur). Daarenboven gaan we de lonen in de publieke sector er met een vast bedrag van 250 euro per maand verhogen – een verhoging met een vast bedrag verkleint de ongelijkheid en zorgt dat de verhoging voor een groter deel bij de lagere inkomens terechtkomen. </strong></li>
</ol>
<p><strong>En het minimumloon en de publieke lonen gaan wettelijk de inflatie volgen als deze hoger is dan de gemiddelde loonontwikkeling, waarmee al een koppeling bestaat. Het minimumloon wordt daarbij rechtstreeks (dus zonder rekening te houden met andere regelingen zoals fiscale toeslagen) gekoppeld aan 60% van het mediane loon. </strong></p>
<p><strong>De uitkeringen, inclusief het sociaal minimum en daardoor onder meer de AOW, de bijstand, de Wajong en de WIA, gaan steeds mee omhoog. </strong></p>
<p><strong>Het minimumloon gaat gelden vanaf 18 in plaats van 21 jaar. We verhogen fors het minimumjeugdloon: naar 85% van het WML voor 17-jarigen (nu 39,5%), naar 70% voor 16-jarigen (nu: 34,5%) en naar 55% voor 15-jarigen (nu: 30%). </strong></p>
<p><strong>Al deze maatregelen gaan direct in, zo nodig met noodwetgeving. </strong></p>
<p>Het minimumloon geldt nu voor ongeveer 2,3 miljoen werknemers. Ruim 40% van alle lonen boven het minimumloon, alle lonen tot tenminste 130% van het minimumloon, zullen volgens het CPB door een verhoging van het minimumloon ook fors stijgen (het zogenaamde overloopeffect).</p>
<p>Een vast bedrag als verhoging tikt meer door voor lagere inkomens – <em>centen ipv procenten!</em> De publieke sector is veruit de grootste werkgever in ons land en door ons programma zal dat alleen maar toenemen. Daarmee zetten we de lonen in de marktsector fors onder druk, opdat de opbrengsten van de bedrijven minder naar de winst en aandeelhouders gaan en meer naar de werknemers.</p>
<p>In slecht georganiseerde sectoren – vaak ook met lage lonen – wordt er door de voorgestelde verandering van de indexering van het minimumloon ook daar hierdoor een bodem in de loonontwikkeling gelegd. Zeker nu er sprake is van een winst-prijsspiraal door <em>graaiflatie</em> is dit meer dan terecht, en het voorkomt dat werknemers in slecht betaalde en vaak ook slecht georganiseerde sectoren nog verder op achterstand komen in termen van besteedbaar inkomen. En het prikkelt de overheid om ook de lastenstijging – inflatie – in toom te houden. Verderop in deze paragraaf worden tal van maatregelen en instrumenten genoemd die daarbij heel veel helpen.</p>
<p>In geval van dat er onverhoopt toch weer een loonprijsontwikkeling dreigt, nemen we vooral prijsmaatregelen (zie ook verderop in dit plan).</p>
<p>De verhoging van het minimumjeugdloon is gelijk aan onze voorstellen in ons vorige verkiezingsprogramma.</p>
<p> </p>
<ol start="2">
<li><strong>Eerlijker belonen. </strong>De beloningen bij betaalde arbeid moeten veel eerlijker, ze zijn nu teveel uit balans en de meeste werknemers delen onvoldoende mee in de winst en de welvaart.
<ol>
<li><strong>We gaan bedrijven wettelijk verplichten tot vermogensaanwasdeling, waar mogelijk in de vorm van niet verhandelbare aandelen die zeggenschap geven in de onderneming, bijv. met verplichte kapitaaldeelnamefondsen per onderneming.</strong> Dit sluit aan bij onze agenda voor democratisering van onze economie (zie verderop).</li>
<li><strong>Er komt dwingende wetgeving om oneerlijke en te grote verschillen in beloning te beperken. In ieder bedrijf of instelling komt er een wettelijke maximale verhouding van het laagste tot het hoogste niveau (bijvoorbeeld 1:20 – dus degene met de hoogste beloning kan maximaal 20 maal meer verdienen in dezelfde organisatie, inclusief de bestuurders en toezichthouders; en de werknemers en bestuurders met de hoogste beloningen mogen niet apart in een andere organisatie geplaatst worden om deze maatregel te ontwijken), waarbij alle beloningen worden meegenomen.</strong> Dit geeft een extra druk om de laagste lonen te verhogen en om buitensporige beloningen tegen te gaan.</li>
<li><strong>De werkingssfeer van de wet op maximale beloningen in de publieke sector wordt uitgebreid tot alle volledig publiek bekostigde en/of gereguleerde instellingen</strong>, incl. het Koninklijk Huis, pensioenfondsen en hun uitvoeringsorganisaties, woningcorporaties, alle zorginstellingen, de kinderopvang, en bedrijven die geheel of grotendeels eigendom zijn van overheden. Uitzonderingen worden geschrapt, ontwijkingsconstructies verboden.</li>
<li><strong>Discriminerende beloningsverschillen (zoals op basis van gender, afkomst, e.d.) worden effectiever verboden. Werkgevers krijgen een bewijslast voor beloningsverschillen. </strong></li>
</ol>
</li>
</ol>
<p><em><u>Goed werk betekent naast goed en eerlijk beloond werk ook vooral vast werk. </u></em></p>
<p><em>We zorgen voor veel meer werkzekerheid. Werkonzekerheid is een voorname bron van armoede onder werkenden en uitbuiting. Werkende armen zijn inmiddels de grootste groep mensen die onder de armoedegrens leven.</em></p>
<p><em>Nederland is onder invloed van het neoliberalisme Europees kampioen flexwerken geworden. De afgelopen 15 jaar is het aantal flexwerkers met 75% toegenomen en zij vormen nu ruim 40% van alle werkenden: 2,6 miljoen flexibele arbeidscontracten (uitzendwerk, oproepcontract, payroll, etc.) en 1,1 miljoen zzp-ers. De overheid stimuleerde de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Dat zou ons concurrerender maken – de kenniseconomie met lage lonen. Terwijl men dacht dat dit productiviteit zou vergroten, werd die daardoor juist lager. </em></p>
<p><em>Lage lonen zitten geconcentreerd bij laag opgeleiden, meestal met flexcontracten bij uitzendbureaus of platformbedrijven, of met schijnconstructies van zelfstandig ondernemerschap, waarbij werkgevers de kosten van sociale bescherming uitsparen – geen loondoorbetaling bij ziekte, geen arbeidsongeschiktheidsverzekering, geen minimumloon, geen ontslagbescherming, geen werkloosheidsverzekering, geen opbouw aanvullend pensioen. Bij nulurencontracten is er ook geen enkele zekerheid met betrekking tot werktijden, oproeptermijnen, minimum aantal betaalde uren, etc.</em></p>
<p><em>Het zijn 19<sup>e</sup>-eeuwse arbeidsverhoudingen. Bedrijven in de lage lonen sectoren – glastuinbouw, horeca, slachterijen, groente- en fruitbewerking, distributiecentra, productiebedrijven, callcenters, etc. – hebben soms hun hele personeelsmanagement uitbesteed aan uitzendbureaus en nauwelijks nog een relatie met hun personeel (vaak met uitzondering van hun staffuncties). Maar ook het </em><em>klantencontact van medewerkers van gemeentelijke gezondheidsdiensten en woningcorporaties werken bijv. de eerste 1 á 2 jaar via uitzendbureaus. Woningcorporaties betalen aan uitzendbureaus circa €40 per uur, terwijl de uitzendkrachten maar circa €16 bruto per uur ontvangen, en deze uitzendbureaus nauwelijks toegevoegde waarde leveren. We moeten uitzendwerk echt veel onaantrekkelijker en dus ook duurder maken voor werkgevers.</em></p>
<p><em>De overheid gaf het verkeerde voorbeeld in de publieke sector. Een recente column van Mirjam de Rijk in De Groene gaf precies weer wat er gebeurt: </em></p>
<p><em>“</em><em>Voor ICT’ers en financiële deskundigen gold het al veel langer: nul gewone sollicitanten op een vacature, wel allerlei detacherings- en bemiddelingsbureaus die mensen aanbieden. En ja, wat doe je dan als organisatie? Toch maar iemand inhuren, vaak jarenlang, zelfs al kost dat veertienduizend of achttienduizend euro per maand. Pakweg de helft van dat bedrag is voor de ingehuurde zelf, de andere helft is kassa voor het uitlenende bureau. </em></p>
<p><em>Inmiddels heeft dit fenomeen ook leerkrachten en zorgverleners bereikt. En hoe! Hongerige bemiddelings- en detacheringsbureaus (een sjiek woord voor uitzendbureau) schuimen sociale media af op zoek naar accounts van docenten en verpleegkundigen, ook als overduidelijk is dat ze in vaste dienst zijn bij een school of zorginstelling, en proberen hen daar vervolgens weg te lokken. ‘Graag kom ik met jou in contact om elkaar beter te leren kennen.’ ‘Bij ons kies je zelf de scholen waar je wil werken, en je werktijden. Ook bepaal je zelf de inschaling.’ Was getekend Maandag, Derec, Randstad of een van de vele anderen. Soms gaat het om een detacheringsconstructie, soms om zzp-schap met een bemiddelingsfee en andere opslagen voor het bureau. Op Twitter is inmiddels een trend ontstaan om screenshots van deze brutale invitaties te plaatsen, voorzien van een witheet antwoord (‘aasgieren!’).</em></p>
<p><em>Er zijn vanzelfsprekend ook mensen die op de uitnodigingen ingaan. En neem ze het eens kwalijk. Meer geld, meer grip op je tijd, eindelijk een nette reiskostenvergoeding. Scholen en zorginstellingen gaan, ten einde raad, massaal met de bureaus in zee. Je wil nu eenmaal geen klassen naar huis sturen vanwege personeelsgebrek, en operaties afzeggen ook niet. In de operatiekamers van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis bestaat inmiddels veertig procent van het personeel uit ‘PNIL’, verzamelnaam voor ‘personeel niet in loondienst’.</em></p>
<p><em>Opgeteld betekenen al die op zichzelf begrijpelijke beslissingen dat de vaste krachten het nóg zwaarder krijgen: voor hen blijven de rotklussen en vervelendste diensten over, met alle scheve ogen en vicieuze cirkels van dien. Door het toenemende aantal PNIL’ers worstelen veel scholen en zorginstellingen met hun begroting. Want een ingehuurde kost al gauw anderhalf keer zo veel als een werknemer in loondienst. En mocht een instelling de ingehuurde in de loop van de tijd weten te verleiden om in dienst te komen, dan moet een flinke som geld betaald worden aan de uitzender/bemiddelaar.</em></p>
<p><em>Wat te doen? Dilemma, dilemma, klinkt het alom. Maar het woord dilemma is net iets te populair de laatste tijd. Presenteer iets als een lastig dilemma, en je hoeft geen beslissingen te nemen. Effectieve klimaatmaatregelen? Dilemma! Woekerwinsten aanpakken? Dilemma! Het is verhulde besluiteloosheid. Want reken maar dat er best wat aan te doen is, aan de opmars van PNIL. Het tegengaan van schijn-zzp, bijvoorbeeld, staat al sinds 2016 in de ijskast en blijft daar als het aan het kabinet ligt nog tot 2025 in. Dat maatregelen óók nadelen hebben, betekent niet dat je ze niet moet nemen.</em></p>
<p><em>Minister Helder van Zorg komt voorlopig niet veel verder dan een ‘bewustmakingscampagne’ voor mensen in de zorg die het zzp-schap overwegen: let op, er komt heel wat bij kijken, hoor! Dat is het individualiseren, of misschien moet je zeggen liberaliseren van het probleem.</em></p>
<p><em>Misschien beter om de oorzaken aan te pakken, door zowel in onderwijs als zorg werk te maken van goed werkgeverschap. En hoe hinderlijk ook voor de managers, daar hoort anno nu ook rekening houden met de persoonlijke wensen en omstandigheden van werknemers bij. Een beetje cru als dat pas gebeurt als mensen gedetacheerde of zzp’er worden.</em></p>
<p><em>Beginnen bij de oorzaken betekent ook een rijksoverheid die niet grossiert in incidenteel, tijdelijk geld, want daarmee is het lastig structureel personeel aannemen. En ja, het betekent ook hogere salarissen. Weg dus met de regel dat de salarissen in de publieke sector niet sneller kunnen stijgen dan die in de markt. Dat komt immers neer op ‘als het bedrijfsleven het koopkrachtverlies niet compenseert, dan doen wij dat ook niet’. </em></p>
<p><em>Een proefproces tegen de detacheringsbureaus, hun methodes en hun verdienmodel, kan wellicht ook. Tot die tijd is er voor hen de hashtag #aasgieren.”</em></p>
<p><em>En in de private sector werd zzp-schap door de overheid gestimuleerd met de zelfstandigenaftrek. Zo’n 10% van alle werkenden wordt nu volgens de Inspectie SZW uitgebuit met onderbetaling, te lange werktijden, illegale tewerkstelling, onveilige en ongezonde arbeidsomstandigheden. Deze groep kent hogere instroom in WW, bijstand en WIA. Er is sprake van cumulatie van arbeids- en bestaanszekerheidsrisico’s. Dit vinden we het sterkst bij flexcontracten en schijnconstructies met zzp-ers. </em></p>
<p><em>Zzp-ers met een laag inkomen zijn het putje van de arbeidsmarkt. Ze hebben nauwelijks bescherming en lopen veel risico’s en er heerst veel armoede. Werkgevers wentelen hun risico’s af door schijnconstructies met zzp-ers te construeren. Ondernemers wentelen hun risico’s af op de belastingbetaler met de fiscale zelfstandigenaftrek. Anderzijds zijn er veel zelfstandigen (met en zonder personeel) die fiscaal enorm bevoordeeld worden ten opzichte van werknemers. </em></p>
<p><em>Door onze hieronder genoemde maatregelen wordt flexwerk weer de uitzondering, die bewezen noodzakelijk moet zijn, en wordt vast werk met een normaal arbeidscontract weer de norm. Zo kunnen werkgevers niet langer misbruik maken van de payrolling route om sociale zekerheidskosten te omzeilen. Bovendien zullen werknemers beter beschermd worden, te kampen krijgen met minder ongevallen (zoals nu al het geval is bij werknemers vast in dienst) en niet langer als speelbal worden gebruikt tussen inlener en uitzender. Hiermee volgen we het voorbeeld van Duitsland met de vleessector en Spanje met de bouw. Voor bedrijven die vasthouden aan flex als verdienmodel is geen toekomst meer.</em></p>
<p> </p>
<ol start="3">
<li><strong>Er komt een wettelijke verplichting dat iedere werkgever tenminste 85% van zijn personeel in vaste dienst heeft. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="4">
<li><strong>Tijdelijke reguliere arbeidscontracten mogen niet meer driemaal maar slechts tweemaal voor maximaal 2 jaar verlengd worden, waarna 5 jaar een verbod geldt</strong>, teneinde werkgevers te dwingen tot een vast contract als er sprake is van structureel werk. De huidige onderbrekingsmogelijkheid vervalt.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="5">
<li><strong>Er komen beperkingen aan het beschikbaar moeten zijn bij arbeidscontracten en er komen voorschriften over een minimumtermijn waarbinnen een werkgever of uitzendbureau je niet mag oproepen om te gaan werken als er geen vaste werkdagen zijn.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="6">
<li><strong>Uitzendwerk wordt wettelijk beperkt tot piek en ziek met bewijslast bij opdrachtgever voor een maximumperiode van 6 maanden en uitzendbureaus worden vergunningsplichtig met zware borgsom en zware sancties bij overtredingen</strong>.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="7">
<li><strong>Uitzendwerk wordt ook duurder voor de opdrachtgever door hogere werkgeverspremies en zekerder voor uitzendkrachten. Het doorlenen van uitzendkrachten wordt verboden. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="8">
<li><strong>Ander flexwerk dan uitzendcontracten (zoals 0-urencontracten en payrolling) wordt verboden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="9">
<li><strong>De ontslagbescherming wordt versterkt</strong>, door te borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand. Rechters moeten een hogere, niet-wettelijk beperkte ontslagvergoeding toe kunnen kennen wanneer ze het arbeidscontract ontbinden op basis van wettelijke ontslaggronden. Concurrentiebedingen moeten voorts zwaarder gemotiveerd gaan worden om rechtsgeldig te zijn.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="10">
<li><strong>Flexwerk maken we ook duurder door hogere werkgeverspremies en door invoeren van een aanvullende pensioenplicht voor alle werkenden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="11">
<li><strong>We pakken de vele malafide uitzendbureaus met een vergunnings- en waarborgsomplicht (tenminste 500.000 euro), hoge boetes en strafbaarstelling van bestuurders bij illegale praktijen.</strong> De vergunning moet jaarlijks worden vernieuwd en door een publieke dienst onder SZW verleend worden, met verzwaarde vergunningseisen voor risicosectoren. Op deze manier kan de overheid veel meer controle voeren op wie toegang krijgt tot de uitzendmarkt en actief malafide uitzenders weren. De voornemens van het kabinet voor een certificeringsplicht, waarbij uitzenders een certificaat krijgen door private uitvoerders, gaan lang niet ver genoeg.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="12">
<li><strong>Ook in Europa creëren we normen voor uitzendbureaus, zodat enkel fatsoenlijke uitzendbureaus nog op de interne markt kunnen opereren.</strong> Hiervoor herzien we de Europese uitzendrichtlijn.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="13">
<li><strong>We zorgen voor strikte handhaving van de regels bij uitzendwerk en bij arbeidsmigranten, en van de arbeidsregels bij reguliere arbeidscontracten en bij zzp-ers. De capaciteit van de Inspectie SZW wordt daartoe fors vergroot. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="14">
<li><strong>ZZP-ers krijgen een wettelijk minimumtarief van tweemaal het minimumloon. Er komt een rechtsvermoeden van werknemerschap bij bepaalde functies (omkeren bewijslast)</strong>. Daarmee wordt er ook een inkomensvloer gelegd voor zzp-ers. Zzp-ers met een laag inkomen zijn het putje van de arbeidsmarkt. Zo’n 30% van de ruim 1,2 miljoen zzp-ers heeft een inkomen beneden de 20.000 euro per jaar. Het modale inkomen van zzp-ers is 28.600 euro bruto per jaar. Zzp-ers hebben nu nauwelijks bescherming en lopen veel risico’s en er heerst veel armoede. Werkgevers wentelen hun risico’s af door schijnconstructies met zzp-ers te construeren. Ondernemers wentelen hun risico’s af op de belastingbetaler, en we subsidiëren dat ook nog eens met zelfstandigenaftrek. En ook naast deze aftrek worden veel zelfstandigen (met en zonder personeel) fiscaal enorm bevoordeeld worden ten opzichte van werknemers. Bij de invoering van het minimumtarief vervalt dan ook de huidige fiscale zelfstandigenaftrek (waarom zou de belastingbetaler goedkope tarieven moeten blijven financieren?) en de opdrachtgever wordt verplicht de pensioenpremie te betalen bovenop het tarief (zie hieronder). Dat maakt schijnzelfstandigheid voor opdrachtgevers een stuk minder lucratief en beschermt werkenden tegen schijnconstructies en de daarmee verbonden inkomensonzekerheid (geen minimumloon, geen loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, geen ontslagbescherming).</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="15">
<li><strong>In de publieke sector, inclusief alle gesubsidieerde instellingen, wordt zzp-schap verboden, wordt loondienst verplicht (dus ook bijv. voor medisch specialisten) en winstuitkeringen verboden. Consultancy inhuren in de publieke sector wordt beperkt tot max. 5% budget en behoeft goedkeuring van de Ondernemingsraad.</strong></li>
</ol>
<p>We maken werk van goed werkgeverschap – de publieke sector moet het goede voorbeeld geven. En hoe hinderlijk ook voor de managers, daar hoort anno nu ook rekening houden met de persoonlijke wensen en omstandigheden van werknemers bij. Een beetje cru als dat pas gebeurt als mensen gedetacheerde of zzp’er worden. We willen arbeidsrelaties hechter maken en geven daartoe in de publieke sector het goede voorbeeld. Dat betekent ook dat er afscheid worden genomen van het idee dat het goed is dat werknemers regelmatig van baan wisselen, het soort dynamiek dat veel economen ten onrechte zien als een kenmerk van een goed functionerende arbeidsmarkt. Het is nu juist deze dynamiek die er de afgelopen jaren ervoor heeft gezorgd dat er in enkele sectoren geworsteld wordt met openstaand vacatures. In 2022 zijn maar liefst 1,5 miljoen mensen van baan gewisseld. Omdat het gemiddeld drie maanden duurt voor een vacature wordt vervuld, zorgt alleen al dat wisselen van banen ervoor dat er gemiddeld over het jaar bijna 400.000 openstaan. Een groot deel van dat probleem wordt al opgelost als werknemers vaker op hun plek zouden blijven. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek CBS) blijkt dat ieder kwartaal extreem veel jongeren van onder de 35 die in de zorg werken de sector verlaten. Als gedurende één kwartaal geen jongeren zouden vertrekken, zijn zo ongeveer alle vacatures in de zorg vervuld. Ook in het onderwijs is de uitstroom van startende leraren enorm hoog. Dat tegengaan moet grote prioriteit hebben. Je lost het tekort aan banen dus in elk geval niet op door het ontslagrecht te versoepelen en flexibele arbeid de norm te laten zijn. Je moet voorkomen dat nieuwe werknemers zich uitgesloten voelen en daarom snel weer vertrekken. Zorgen dat je mensen de kans geeft door te groeien binnen het bedrijf of instelling, in plaats van dat ze hun volgende stap bij een andere werkgever maken. Het werk zo aantrekkelijk maken dat een oudere op zijn of haar 67<sup>ste</sup> het liefst doorwerkt en deeltijders worden verleid meer dan vijftien of twintig uur per week te werken. De Huizen van Arbeid gaan werkgevers hierbij helpen.</p>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="16">
<li><strong>We gaan de wettelijke regel invoeren dat voor structureel werk er ook structureel geld beschikbaar moet zijn</strong>. Als je in de publieke sector paal en perk wil stellen aan flexwerk en zzp-schap impliceert dat ook een rijksoverheid die niet grossiert in incidenteel, tijdelijk geld, want daarmee is het lastig structureel personeel aannemen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="17">
<li><strong>ZZP-ers krijgen bij arbeidsongeschiktheid recht op een Zekerheidsinkomen (zie hieronder) en daarenboven een verplichte, solidaire verzekering die aanvult volgens de systematiek van de door ons voorgestelde nieuwe systematiek van de WIA en die in rekening wordt gebracht met een premie bij opdrachtgevers</strong>. Voor ZZP-ers zonder opdrachtgevers, zoals beeldende kunstenaars, wordt de premie betaalt uit een rijksbijdrage.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="18">
<li><strong>Alle werkenden (incl. zelfstandigen en flexwerkers) vanaf 18 jaar gaan wettelijk verplicht een solidair aanvullend pensioen opbouwen. Voor ZZP-ers komt er een apart pensioenfonds.</strong> De premie moet worden doorberekend aan opdrachtgevers. Voor ZZP-ers zonder opdrachtgevers, zoals beeldende kunstenaars, wordt de premie betaalt uit een rijksbijdrage., net als bij de aanvullende regeling bij arbeidsongeschiktheid voor ZZP-ers.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="19">
<li><strong>In het kader van de invoering van een geheel ander belastingstelsel (zie hieronder) verliezen zzp-ers de zelfstandigenaftrek. Alle fiscale bevoordeling van zelfstandigen (met én zonder personeel) boven werknemers wordt geschrapt.</strong> Hierdoor vervallen de ondernemersaftrek op winst en verlies uit onderneming vervalt &#8211; dit betreft:</li>
</ol>
<ul>
<li>de zelfstandigenaftrek,</li>
<li>de startersaftrek,</li>
<li>de meewerkaftrek,</li>
<li>de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, en</li>
<li>de stakingsaftrek.</li>
</ul>
<p>En tevens vervallen hiermee de zgn. ondernemingsfaciliteiten. Dit betreft:</p>
<ul>
<li>de mkb-winstvrijstelling,</li>
<li>de landbouwvrijstelling,</li>
<li>de milieu-investeringsaftrek,</li>
<li>de willekeurige afschrijving milieu-investeringen,</li>
<li>de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek,</li>
<li>de energie-investeringsaftrek, en</li>
<li>de herinvesterings-reserve).</li>
</ul>
<p>Ook schrappen we de mogelijkheid voor zelfstandigen om te lenen van de eigen BV (incl. eigen woningschuld) en schrappen we de doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon bij Directeur-Groot-Aandeelhouders (DGA’s).</p>
<ol start="20">
<li><strong>Zelfstandigen kunnen bij invoering van het Zekerheidsinkomen (zie hieronder; het nieuwe inkomensvangnet dat de bijstand gaat vervangen) daar eenvoudiger dan nu in de bijstand voor in aanmerking komen door het schrappen van allerlei huidige kortingen (zie bij Zekerheidsinkomen). Daarenboven krijgen zzp-ers die arbeidsongeschikt worden hun inkomen aanvullen met de wettelijke invoering van een verplichte aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering, volgens de gelijke systematiek als bij de door ons ingevoerde nieuwe arbeidsongeschiktheidswetten (zie hieronder). De premie daarvoor wordt in rekening gebracht bij de opdrachtgever(s), en als die er niet zijn (zoals bij beeldende kunstenaars of uitvoerende musici) bij de Rijksoverheid. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="21">
<li><strong>Alle werkenden krijgen ook een <em>Eerlijk Werk Ombudsman</em>, een publiek loket waar op een laagdrempelige wijze inzicht in rechten verkregen kan worden en ondersteuning geleverd kan worden bij het effectueren van rechten, en die ook optreedt als door het niet naleven van afspraken een publiek belang wordt getroffen. Daaronder valt ook het bestrijden van de nog altijd omvangrijke discriminatie op de arbeidsmarkt.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="22">
<li><strong>We beperken kinderarbeid, waar te veel risico’s worden gelopen, waar regulier werk verdrongen wordt door kinderarbeid en waar het volgen van onderwijs teveel onder druk komt. De voorwaarden waaronder minderjarigen mogen werken scherpen we aan: we verbieden dat werkgevers meer dan een kwart van bepaalde functies laten vervullen door minderjarigen en we beperken het aantal uren dat een minderjarige per dag en per week mag werken, en verscherpen het verbod op arbeid in de avond/nacht en op gevaarlijk werk. Het zijn van zelfstandig ondernemer wordt eveneens beperkt tot meerderjarigen. </strong></li>
</ol>
<p>Jongere kinderen mogen niet werken, het beëindigen van kinderarbeid was ooit één van de grootste verworvenheden van links. Daar zijn nu wel teveel uitzonderingen op. Uitzonderingen zijn nu: klusjes in en rond het huis (oppassen, auto wassen e.d.), licht niet-industrieel werk (vakkenvullen supermarkt, reclamedrukwerk bezorgen), meehelpen in winkel of landbouwbedrijf van ouders (max. 12 uur per week, max. 2 uur per schooldag), meewerken aan een uitvoering (binnen regels: modeshow, toneel spelen, reclamespot), stage lopen. Er zijn ook duidelijke verboden: werken in een fabriek; werken met of in de omgeving van machines; werken met gevaarlijke en/of giftige stoffen; dingen tillen die zwaarder zijn dan 10 kilo; dingen duwen of trekken van meer dan 20 kilo; achter de kassa werken; vrachtwagens laden of lossen; zelf kranten bezorgen (helpen bij het verspreiden van folders en huis-aan-huisbladen mag wel); werken in de horeca als daar alcohol wordt geserveerd; (sinds kort:) werken als maaltijdbezorger op de fiets of op een e-bike. Voor kinderen jonger dan 13 jaar geldt een bijna compleet werkverbod – alleen bij werkstraffen en onder voorwaarden meewerken aan een uitvoering is toegestaan.</p>
<p>Teveel vindt er nu met kinderarbeid verdringing van arbeid plaats. Het verbod op kinderarbeid is één van de grote resultaten van sociale strijd en we moeten de huidige uitholling daarvan keren.</p>
<p> </p>
<ol start="23">
<li><strong>Geen uitbuiting van arbeidsmigranten. We maken per direct, zo nodig met noodwetgeving, een einde aan de enorme uitbuiting van arbeidsmigranten. We beperken <em>niet</em> de vrije arbeidsmigratie binnen de EU, en we gaan die ook <em>niet</em> reguleren met vergunningen voor buitenlandse werknemers binnen de EU, maar we voorkomen wel dat die misbruikt worden voor uitbuiting. Dat vraagt een geheel andere arbeidsmigratie dan we nu hebben – nu is die teveel gericht op lage-lonenarbeid. Sectoren die afhankelijk zijn van lage lonen en/of laag betaalde arbeidsmigranten faciliteren we niet meer. We moeten veel scherper zijn in wat voor soort bedrijvigheid we hier willen, niet alleen vanuit ecologisch duurzaam perspectief, maar ook vanuit sociale rechtvaardigheid. Ook gaan we sectoren waar in het verleden veel misstanden hebben plaatsgevonden (zoals bij distributiecentra en slachterijen) onder verscherpt toezicht plaatsen. Bij onvoldoende verbetering wordt het werken met uitzendkrachten daar verboden. We moeten dichter op de praktijk staan en eerder inspringen, door de toegang voor vakbonden tot de werkvloer te garanderen en internationaal sterker samen te werken, bijvoorbeeld door signalen te delen en gezamenlijke inspecties uit te voeren. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="24">
<li><strong>Er moet een Europees sociaal zekerheidsnummer worden ingevoerd, zodat direct gecontroleerd kan worden waar iemand sociaal verzekerd is en of de werkgever überhaupt wel premies afdraagt. Je moet sociale premies betalen in het land waar door de werknemer feitelijk gewerkt wordt. Schijnconstructies zoals bijv. nu in de transportsector worden hard aangepakt.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="25">
<li><strong>Er komt een verbod op combinatie werkgever/uitzendbureau en verhuurder, en op inhoudingen loon voor huur en voor transport. Gemeenten moeten grip krijgen op huisvesting. We voeren een aparte vergunningplicht voor verhuur aan arbeidsmigranten, naar het voorbeeld van vergunningen voor verhuur aan studenten. Dit gaan we regelen in de Wet goed verhuurderschap. Hierdoor krijgen gemeenten meer mogelijkheden om eisen te stellen aan huisvesting en om verhuurders te weren. Ook moeten gemeenten meer inzicht krijgen in waar arbeidsmigranten wonen, zodat zij beter kunnen handhaven. Verder moet bij het toelaten van nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding ook wettelijk verplicht worden gekeken naar de impact van huisvesting bij andere gemeenten.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="26">
<li><strong>Werkgevers en uitzendbureaus mogen ook niet meer tussen de zorgverzekeraar en de verzekerde arbeidsmigrant zitte<u>n</u> en de zorgpas moet in bezit zijn van de arbeidsmigrant. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst loopt de verzekering nog door zolang de arbeidsmigrant nog in ons land verblijft. </strong>Dit is nodig zolang ons nieuw zorgstelsel (zonder verzekeraars; zie hierna) nog niet is ingevoerd.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="27">
<li><strong>Werkgevers worden medeverantwoordelijk gemaakt voor de inschrijving van arbeidsmigranten in de Registratie Niet-Ingezetenen (voor korter dan vier maanden verblijf) en de Basisregistratie Personen (BRP). Als de arbeidsmigrant niet staat ingeschreven, volgt er een boete voor de werkgever en wordt er toeristenbelasting geheven. Registratie is op basis van het woonadres in Nederland en verhuizingen moeten gemeld worden, zodat de lokale overheid goed zicht houdt op wie er in hun gemeenten wonen. Bij inschrijving in het BRP dienen gemeenten de arbeidsmigranten te wijzen op hun rechten en plichten in Nederland, waaronder de leerplicht voor kinderen tot 16 jaar. Werkgevers en opdrachtgevers worden aansprakelijk voor goede naleving van alle voorschriften. We gaan op overtredingen van arbeidswetten afschrikwekkende boetes, stilleggingen, dwangsommen en bestuurs- of beroepsverboden opleggen. In navolging van België gaan we arbeidsuitbuiting daarnaast zelfstandig strafbaar maken, waardoor daders ook via het strafrecht kunnen worden berecht. Er wordt streng gehandhaafd op hygiëne en gezondheidsregels op het werk, ook bij het vervoer.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="28">
<li><strong>We zorgen voor een integrale aanpak handhaving van de regels voor het werken met arbeidsmigranten op lokaal niveau<u>,</u> waarbij bevoegdheden van de arbeidsinspectie, belastingdienst, FIOD, gemeente en politie geclusterd worden zodat bij misstanden bij een bedrijf of in een woning ook daadwerkelijk effectief kan worden ingegrepen. Gemeenten krijgen informatie als er verdenkingen zijn van uitbuiting en krijgen de bevoegdheid bedrijven stil te leggen bij ernstige verdenkingen</strong>.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="29">
<li><strong>Er komen zowel landelijke als gemeentelijke informatieloketten voor arbeidsmigranten in hun eigen taal.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="30">
<li><strong>Voor arbeidsmigranten die zich hier langer of zelfs permanent vestigen, geldt dat minimale taalkennis en deelname aan de Nederlandse samenleving essentieel is voor het welzijn van arbeidsmigranten, de veiligheid op de werkvloer en sociale cohesie in Nederland. We willen daarom dat gedegen taalonderwijs ter beschikking wordt gesteld aan arbeidsmigranten die langer blijven. Aangezien werkgevers ook de vruchten plukken van arbeidsmigratie, moeten zij in het kader van goed werkgeverschap worden verplicht om deze taallessen te faciliteren tijdens werktijd. Ook moet er onderwijs zijn voor kinderen van arbeidsmigranten. Zo kan extra aandacht voor de taalontwikkeling op school bijdragen aan het voorkomen van taalachterstanden die kunnen volgen bij het verhuizen naar een ander land. We zetten ons maximaal in om te faciliteren en te motiveren tot taal- en inburgeringsonderwijs, maar we stellen het niet verplicht</strong> – dat is vaak contraproductief en leidt tot teveel controle en verlies aan bestaanszekerheid bij het om moverende redenen niet aan eisen te kunnen voldoen. Wij geloven in hulp en motivering, gaan uit van vertrouwen en niet in repressie, dwang en wantrouwen als succesvol integratiemodel.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="31">
<li><strong>Geen bevoordeling van rijke arbeidsmigranten. We schrappen binnen een jaar de fiscale voordelen voor goed verdiende arbeidsmigranten – bedrijven moeten hun eigen broek ophouden en deze regelingen zijn omgekeerde solidariteit (van arm naar rijk). Dit betreft de expatregeling, de ET-regeling en de partiële buitenlandse belastingplicht. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="32">
<li><strong>Meer mogelijkheden voor gereguleerde arbeidsmigratie: Anderzijds gaan we (tijdelijke, circulaire) gereguleerde arbeidsmigratie veel meer mogelijk maken voor tekortberoepen (bouw, energietransitie, zorg, kinderopvang, etc.) bij ons uit arme landen buiten de EU, waarbij men met opleiding en startgeld terug kan keren naar land van herkomst, zoals Duitsland dat bijvoorbeeld nu met Gambia en de Filippijnen doet. Daartoe gaan we met meer landen overeenkomsten sluiten. De criteria voor werkvisa worden snel versoepeld. Dat gaan we nationaal binnen een jaar invoeren en zetten ons tevens in om Europees veel meer en betere arbeidsmigratie te reguleren.</strong></li>
</ol>
<p><strong>Nationaal komt hiervoor een aparte subsidie en krijgen betrokken gemeenten extra middelen voor de extra vraag naar woningen en publieke voorzieningen.</strong></p>
<p><em><u>Democratisering van onze economie.</u></em></p>
<p><em>Meer zeggenschap van werknemers en hun vakbonden vergroot de bestaanszekerheid en help bij het regelen van goede lonen en andere arbeidsvoorwaarden, en democratiseert onze economie, met meer aandacht voor het algemeen belang en breed welzijn. Het bestuur van ondernemingen gaan we wettelijk zo samenstellen dat werknemers gelijk vertegenwoordigd zijn ten opzichte van aandeelhouders of andere kapitaalinvesteerders. Er wordt gestemd met een gewone meerderheid van stemmen. De enige uitzonderingen zijn ondernemingen die een werknemerscoöperatie zijn en ondernemingen zonder personeel. </em></p>
<ol start="33">
<li><strong>Er komt een wettelijk verplichte Maatschappelijke Raad bij alle ondernemingen met meer dan 100 werknemers met advies- en instemmingsrechten ten aanzien van onderwerpen die van bijzondere relevantie zijn voor de stakeholders die in deze raad vertegenwoordigd zijn. De regering kan die verplichting ook bij kleinere ondernemingen opleggen indien er sprake is van bijzondere maatschappelijke belangen. De Raad wordt samengesteld uit relevante stakeholders buiten kapitaalverschaffers en werknemers. De regeling daarvoor behoeft de goedkeuring van een speciaal agentschap, dat wordt samengesteld vanuit de Sociaal-Economische Raad, de Raad voor Volksgezondheid en de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="34">
<li><strong>We gaan de instemmingsrechten van de Ondernemingsraad verruimen, opdat ze tenminste gelijk zijn aan die van een aandeelhoudersvergadering. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="35">
<li><strong>We stimuleren arbeiderszelfbestuur in werkendencoöperaties. Overdracht van bedrijf aan een werkendencoöperaties wordt vrijgesteld van belasting. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="36">
<li><strong>Er komt binnen een jaar een verbod op nepvakbonden (zgn. ‘gele bonden’). Inzet van enquêtetool bij cao’s wordt verboden en bonden die opgericht en/of voornamelijk worden gefinancierd door werkgevers mogen geen cao’s meer afsluiten. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="37">
<li><strong>Werkgevers gaan verplicht tenminste 50% meebetalen aan de contributie van vakbonden van hun werknemers. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="38">
<li><strong>Er komen meer wettelijke vakbondsfaciliteiten voor actieve vakbondsleden. </strong></li>
</ol>
<p><strong>Jongeren krijgen in het burgerschapsonderwijs veel meer aandacht voor het belang van vakbonden.</strong> De eindtermen daarvoor worden daartoe aangescherpt. Daarin komt voor alle niveaus, ook in het beroeps- en hoger onderwijs, tot uiting dat leerlingen/studenten het belang van collectieve organisatie en actie, zoals stakingen, als werknemers, en de verschillende belangen van werknemers en werkgevers kunnen onderkennen, en in aanraking geweest zijn met vormen van collectieve organisatie en actie/stakingen als werknemers. Ook moeten zij uitgebreid op de hoogte zijn van rechten en plichten als werknemer en werkgever, het belang van een (algemeen verbindende) cao onder woorden kunnen brengen, en de verschillen kunnen benoemen van werknemer met vast en flexcontract en zelfstandige (met en zonder personeel) en wat schijnzelfstandigheid is.</p>
<p> </p>
<ol start="39">
<li><strong>We zorgen dat werkgeverslasten hoger zijn bij werkgevers die geen cao’s afsluiten – ons doel is om het aantal werknemers dat onder een cao valt voor 2030 te verhogen van 70 naar 90%. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="40">
<li><strong>De toegang tot de werkvloer van vakbonden wordt binnen een jaar beter wettelijk gegarandeerd en benadeling en bedreiging en vakbondsleden en hun kader door werkgever wordt met betere rechtsbescherming tegengegaan. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="41">
<li><strong>We gaan het stakingsrecht binnen een jaar wettelijk veel beter waarborgen. Het veroorzaken van schade mag niet meer leiden tot beperkingen van het stakingsrecht en het beperken van het stakingsrecht mag alleen bij maatschappelijk cruciale sectoren in geval daardoor essentiële maatschappelijke functies zeer in het gedrang komen – denk aan acute bedreiging van veiligheid, openbare orde en noodzakelijke zorgverlening, met een zware motiveringsplicht en bewijslast voor de verbiedende overheid. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<p><em><u>Goed werk is ook: Minder werkdruk, meer balans tussen betaald werk, zorgtaken en vrije tijd</u></em></p>
<p><em>We regelen dat er meer balans komt tussen werk, zorgtaken en vrije tijd. Er is meer balans nodig tussen werk, vrije tijd en zorgtaken – voor mannen én vrouwen. Een eerlijker verdeling verminderd de stress bij werk en zorgtaken, en zorgt daarmee voor minder uitval en minder zorgvraag. Paradoxaal genoeg vermindert het aantal uren in een werkweek mede daardoor juist de arbeidstekorten. Dat doen we met behoud van loon, waardoor het ook financieel uit kan voor huishoudens. Feitelijk is het daarmee een verhoging van het uurloon, hetgeen de arbeidsproductiviteit verder zal stimuleren. Naar verwachting zal dat ook helpen bij een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen (meer uren werken), waarbij ook de verlaging van de armoedeval door het afschaffen van veel inkomensafhankelijke regelingen (fiscaal en daarbuiten) helpt. </em></p>
<p><em>Zo’n 49% van alle werknemers werkte in 20222 meer dan 34 uur, 19% tussen de 28 en 35 uur, 8% tussen de 12 en 20 uur, en 9% minder dan 12 uur per week. Gemiddeld werken mannen 39,4 uur en vrouwen 29,2 uur per week (</em><a href="https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2024/arbeidsduur-hoeveel-uren-werken-mensen-in-nederland-?onepage=true"><em>https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2024/arbeidsduur-hoeveel-uren-werken-mensen-in-nederland-?onepage=true</em></a><em>).</em></p>
<p> </p>
<ol start="42">
<li><strong>We voeren stapsgewijs een 32-urige werkweek in met behoud van loon, te beginnen in de publieke sector en bij het minimumloon</strong> <strong>– dat betekent een extra verhoging van het minimumloon bij voltijds werk. De eerste stap is verlaging naar een 34-urige werkweek.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="43">
<li><strong>We breiden het zorgverlof uit naar tien dagen kraamverlof en vier maanden ouderschapsverlof voor beide partners, en wel volledig doorbetaald en volgens het Noorse model: iedere partner heeft een individueel recht en als één van die partners zijn of haar verlof niet opneemt vervallen bij die partners vakantiedagen.</strong> Daarmee verdelen we het zorgverlof eerlijker over de genders.</li>
</ol>
<p>Beter en meer zorgverlof is wenselijk. De arbeidsparticipatie van vrouwen gaat omhoog wanneer zij in eerste instantie langer bij hun baby kunnen blijven. Zorgtaken raken blijvend beter verdeeld tussen vaders en moeders. En discriminatie op de arbeidsmarkt tegen vrouwen zou dalen op het moment dat een werkgever weet dat zowel een man als een vrouw een tijd uit de running zal zijn in het geval van voortplanting. En, door ouderschapsverlof betaald te maken wordt het voor iedereen toegankelijk: dit kan helpen sociale en economische ongelijkheid tegen te gaan. Het is dus goed voor het kind, voor de emancipatie én voor de gelijkwaardigheid binnen relaties en in de maatschappij om ouders allebei de kans te geven (even)veel tijd met hun pasgeboren baby door te brengen. Daar komt bij dat het kostwinnersmodel terecht uit de mode raakt en ook vaders meer en beter betrokken willen zijn bij de opvoeding van hun kinderen. Naast dat dit meer banen voor anderen laat, draagt dit bij aan een meer ontspannen arbeidsbestel, waarin erkend wordt dat kwaliteit van leven niet bestaat uit werk alleen.</p>
<p> </p>
<ol start="44">
<li><strong>In onze vergrijzende samenleving is mantelzorg steeds belangrijker.</strong> <strong>We gaan een wettelijk betaald mantelzorgverlof invoeren. De overheid neemt daarvoor de kosten voor zijn rekening. Het betaald mantelzorgverlof en het respijtverlof wordt geïndiceerd door de keuringsartsen bij de Huizen van Arbeid. Ook de respijtzorg (tijdelijke waarneming van de mantelzorger door professionele of vrijwillige zorgverlener, teneinde mantelzorger te ontlasten met wat extra vrije tijd) wordt uitgebreid, zodat mantelzorgers hun taken beter en langer kunnen uitvoeren. De financiering geschiedt uit de totale belastingopbrengsten – we gaan geen aparte premie invoeren, en al helemaal niet een premie die arbeid duurder zou maken. </strong></li>
</ol>
<p><em><u> </u></em></p>
<p><em><u>Meer banen, vooral in de publieke sector, volkshuisvesting en energietransitie, met speciale aandacht voor de onderkant van de arbeidsmarkt. </u></em></p>
<p><em>We gaan veel extra banen organiseren, en vergroten daarmee de schaarste aan werknemers. Dat vergroot de druk voor hogere lonen. Het forse extra aanbod aan banen vergroot eerst de arbeidstekorten, maar onze aanpak daarvan is realistisch en effectief – de extra vraag draagt paradoxaal genoeg ook bij aan extra aanbod, doordat betaald werk aantrekkelijk wordt met minder werkdruk en betere beloning. Voor werkzoekenden creëert de extra vraag meer en betere kansen op betaald werk, en de betere arbeidsbemiddeling op hogere kans op goede matching. </em></p>
<p><em>Je kan en mag dat je leven ook anders invullen dan met betaald werk, bijv. met vrijwilligerswerk en/of zorgtaken, maar het is onzin om het belang van betaald werk voor de meeste mensen weg te relativeren, zoals sommige mensen die pleiten voor een onvoorwaardelijk basisinkomen doen. De utopische verwachting van sommigen dat robotisering en automatisering in de toekomst betaald werk voor een belangrijk deel overbodig zouden maken is niet alleen onrealistisch maar wat ons betreft ook onwenselijk. </em></p>
<p><em>Onrealistisch, niet alleen omdat zulke voorspellingen ook in het verleden bij de introductie van de eerste machines, de eerste computers en bij de introductie van het internet niet waar blijken en juist een groei lieten zien aan werkgelegenheid. Maar ook omdat nu de feiten wel een verandering, maar niet een vermindering van betaald werk laten zien. Het World Economic Forum schat dat er in 2025 85 miljoen banen verdwijnen, en er 97 miljoen banen bijkomen. Vooral veel administratieve banen verdwijnen. Tesla draaide onlangs een deel van zijn robotisering terug. Nieuwe technologie geeft soms ook juist meer mogelijkheden voor betaald werk voor mensen met een arbeidsbeperking. </em></p>
<p><em>Onwenselijk omdat in de eerste plaats werk (betaalde arbeid) de belangrijkste bron van bestaanszekerheid is. Maar werk is veel meer dan inkomen. Het geeft zin, structuur en sociale context aan je leven. De waarde van werk besef je maar al te goed als je dat onvrijwillig ineens verliest. Werk geeft mensen ook macht in de positie tegenover kapitaal en de overheid. Het maakt je minder afhankelijk. Mits het goed, vast en eerlijk werk is, met een goede beloning en rechtspositie en goede zeggenschap. Het is belangrijk dat we blijven strijden voor goed en zinvol betaald werk, met een goede, zekere rechtspositie en maximale zeggenschap, voor iedereen die dat wil en kan. Betaald werk opgeven als zelfstandige waarde bevrijdt mensen niet, integendeel. Een wereld waarin al het werk gedaan wordt door robots en machines en alle mensen voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van de overheid is Orwelliaans. </em></p>
<p><em>We stappen af van het onterechte idee van een evenwichtswerkloosheid. Onvrijwillige werkloosheid leidt tot hoge, vermijdbare maatschappelijke kosten en persoonlijk drama. We sturen op volledige werkgelegenheid voor iedereen die wil en kan. Dit doel vervangt de sturing op inflatie en begrotingstekort en staatsschuld.</em></p>
<p><em>In tijden van crisis scheppen we anticyclisch extra publiek werk en breiden we de scholingsinspanningen en de inkomensbescherming uit. Publieke banen als schokdempers om de bestedingen op peil te houden en de kosten van werkloosheid te vermijden. Het helpt ook tegen te grote inflatie of deflatie. Daarmee voorkomen we grote maatschappelijke kosten van crises en verkorten we de herstelperiodes. </em></p>
<p><em>We vervangen de plicht in een recht op betaald werk, voor iedereen die betaald werk wil en kan. We kiezen principieel voor de benadering van betaald werk als recht, en niet als plicht. Of je betaald werkt – als werknemer of als zelfstandige – bepaal je zelf, en ook waar, hoeveel, en wat je werkt. Eigen regie is zoveel succesvoller en humaner dan dwang en repressie. Het recht op betaald werk is de andere kant van de medaille van onze ontkoppeling van het inkomensvangnet van de arbeidsbemiddeling (van bijstand naar Zekerheidsinkomen).</em></p>
<p><em>De banen in Nederland zullen aanzienlijk veranderen. Onze economie moet meer gericht worden op (duurzame) binnenlandse bestedingen, in plaats van op de speculatieve financiële industrie (die maar liefst vier maal zo groot als ons nationaal inkomen, en ons dus extra kwetsbaar maakt bij kredietcrises) en de niet-duurzame uitvoer en doorvoer. Die transitie van onze economie maakt onze economie en de positie van bedrijven en huishoudens stabieler en beter weerbaar tegen externe invloeden. Minder export en doorvoer van goederen is ook goed voor ons klimaat en tegen de vervuiling en zorgt dat ons enorme en strijdig met de EU-norm daarvoor schadelijke overschot op de betalingsbalans. Voor binnenlandse bestedingen zijn de inkomens die in de publieke sector verdiend worden net zo relevant als die welke in de private markt verdiend worden. Bovendien zorgt een sterke publieke sector voor goede vestigings- en concurrentievoorwaarden en versterkt goede publieke dienstverlening enorm de bestaanszekerheid. Met de extra structurele banen lossen we in belangrijke mate de wachtlijsten en tekorten op en verhogen we de kwaliteit. </em></p>
<ol start="45">
<li><strong>Er komt een periodiek bijgesteld <em>Plan van de Arbeid</em></strong>, met doelen en maatregelen, ook per sector. Over voldoende banen, over oplossen tekorten aan werknemers, over goede arbeidsbemiddeling, over goed en eerlijk werk, over eerlijk delen van werk, zorgtaken en vrije tijd, over inclusief werk, over preventie van onvrijwillige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, over zeggenschap van werknemers en hun vakbonden, over eerlijke beloningsverhoudingen, etc.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="46">
<li><strong>We investeren fors in een goede publieke sector.</strong> <strong>Betaald werk in de publieke sector en bij aanbestedingen wordt van kostenpost tot doelstelling. Om de tekorten en de wachtlijsten op te lossen en de werkdruk te verlagen komen er ca. 300.000 extra banen in het onderwijs, de zorg, bij de politie, in defensie, in het OV, bij uitvoeringsorganisaties, etc. </strong>De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, hebt veel eigen regel- en budgetruimte, en je verdient ook goed, en je bent als regel in vaste dienst. Aparte aandacht is nodig voor banen bij uitvoeringsorganisaties in voor onderhoudstaken van fysieke en digitale infrastructuur. Er komen extra banen als conciërges, conducteurs, klassenassistenten, huishoudelijke hulp, burger/klantcontacten, buurtwachten, etc.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="47">
<li><strong>We creëren ook veel extra werk in de duurzaamheidstransities en in de bouwopdracht om de woningnood op te lossen.</strong> <strong>Mensen die hun baan verliezen door de transities krijgen een werk- en inkomensgarantie door ze naar nieuw werk te begeleiden met een speciaal transitiefonds.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="48">
<li><strong>We zorgen voor voldoende laaggeschoolde arbeid </strong>– niet iedereen kan helaas toegang krijgen tot hooggeschoolde arbeid. Vuil, zwaar en geestdodend werk beperken we niettemin zoveel mogelijk. Maar robotisering en automatisering (inclusief AI) gebruiken we vooral om beter werk te regelen voor laaggeschoolden, niet om dat werk te vervangen. Vaak zijn met deze technologie ook betere mogelijkheden voor mensen met een arbeidsbeperking te realiseren. Dat gaan we beter faciliteren.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="49">
<li><strong>We gebruiken naar Belgisch model dienstencheques dat laaggeschoold werk legaal wit maakt. Concreet: particulieren kunnen tegen het (verhoogde) WML per uur met een subsidie van 20% voor maximaal het wettelijk minimumloon maal twaalf per kalenderjaar dienstencheques afnemen, voor het inhuren van mensen voor huishoudelijk werk (schoonmaken, wassen, strijken, boodschappen doen, klein verstelwerk, bereiden van maaltijden, hulp bij verplaatsingen e.d.). Doel is werkgelegenheid te creëren voor laaggeschoolden en het terugdringen van zwartwerk. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="50">
<li><strong>Daarnaast investeren we extra in banen in de publieke sector voor lager geschoold werk. Juist zulke banen dreigen door automatisering (administratie, klant/burgercontact) wegbezuinigd te worden als we ze niet als zelfstandige doelstelling kwalificeren. </strong></li>
</ol>
<p><strong>We stellen behoud en uitbreiding van laaggeschoold werk als eigenstandig doel met bijbehorende financiering in de publieke sector, de overheid dient op te treden als ‘<em>employer of last resort</em>’ – arbeid als meer belangrijke waarde dan efficiënte bedrijfsvoering in de publieke sector.</strong> Waar bijv. de administratie en andere ondersteuning nodig en nuttig is, kan baansplitsing plaatsvinden, waarbij deze taken door lager geschoolden worden overgenomen.</p>
<p> </p>
<ol start="51">
<li><strong>Ook sommige privatiseringen, zoals bij het openbaar vervoer, de nutsbedrijven en de post, pakten slecht uit voor laaggeschoolden. We gaan extra eisen stellen aan deze geprivatiseerde, maar nog steeds gereguleerde bedrijven op het punt van goed en voldoende werk voor met name laaggeschoolden.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="52">
<li><strong>Er komt als sluitstuk van het recht op betaald werk een recht op een betaalde basisbaan.</strong> <strong>Iedereen die er niet in slaagt regulier betaald werk te vinden, krijgt het recht op een publieke basisbaan, passend bij iemands mogelijkheden, met een vast contract, tenminste minimumloon, normale rechtspositie en opbouw aanvullend pensioen. Publieke instellingen en non-profitorganisaties kunnen basisbanen van het Rijk bekostigd en vervuld krijgen via de Huizen van Arbeid (zie hierna). De enige toets is of er geen reguliere betaalde arbeid wordt verdrongen.</strong></li>
</ol>
<p>Er is genoeg werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, in sportclubs, in speeltuinen, en noem maar op. Daarmee kan het stelsel van basisbanen een grote vlucht krijgen omdat er geen beperkingen zijn in de financiering, hetgeen nu het grootste probleem is (de gemeenten hebben maar beperkte middelen en vragen daarom vaak private cofinanciering).</p>
<p>Zo nodig helpen de Huizen van Arbeid ook met coaching en werkaanpassingen. Er zijn geen doorstroomdoelstellingen naar regulier werk en geen selectiecriteria om in aanmerking te komen voor een publieke basisbaan.</p>
<p>Deze publieke basisbanen zijn er voor iedereen die daar gebruik van wil maken, dus niet alleen voor mensen die moeilijk bemiddelbaar zijn. Dat voorkomt stigmatisering.</p>
<p>We stellen ze niet beschikbaar aan private werkgevers – dat zou subsidiëring van privaat ondernemerschap zijn, en daar is zeer weinig reden toe.</p>
<p><em><u>Bestrijden van arbeidstekorten</u></em></p>
<p><em>Door de vergrijzing en ontgroening hebben we te maken met grote arbeidstekorten. Als de AOW-leeftijd in de komende halve eeuw 67 jaar blijft, zal de omvang van de potentiële beroepsbevolking (de bevolking van 20-67 jaar) ongeveer gelijk blijven. Tot 2027 groeit zij licht, daarna krimpt zij licht en in 2040 is zij weer ongeveer gelijk aan de potentiële beroepsbevolking in 2023; daarna groeit zij tot 2070 met ruim 100.000 personen. Als de AOW-leeftijd stapsgewijs wordt verhoogd, groeit de beroepsbevolking tot 2031 met bijna 400.000 personen, krimpt daarna tot 2040 licht om vervolgens tot 2070 met ruim een miljoen personen toe te nemen. In de periode 2030-2040 is de kans op personeelstekorten het grootst, omdat de potentiële beroepsbevolking dan licht krimpt. </em></p>
<p><em>Daarbij is er ook nog een mismatch tussen het aanbod en de vraag naar arbeidskrachten. Met name in de publieke sectoren (zorg, onderwijs, kinderopvang, uitvoeringsdiensten, politie, defensie, justitie, openbaar vervoer), banen in de energietransitie, de woningbouw en andere technische beroepen, en ‘kenniswerkers’ (hooggekwalificeerde arbeid) zijn de tekorten groot en groeiend. Dat veroorzaakt steeds grotere problemen, en die worden met onze ambities alleen maar groter. Het realiseren van onze ambities is niet zozeer afhankelijk van de financiële mogelijkheden – er is geld genoeg in ons rijke land, we moeten het alleen wel halen waar het (in overvloed!) zit – maar vooral van voldoende, passend arbeidsaanbod. </em></p>
<p><em>Het aantal niet vervulde vacatures daalde in het derde kwartaal 2024 welswaar licht (met 5000 naar 397.000), er blijft historisch grote spanning op de arbeidsmarkt (3<sup>e</sup> kwartaal 2024 waren er 106 vacatures per 100 werklozen). In 2024 kampt 28% van de werkgevers met een personeelstekort. Daarnaast verwacht nog eens 26% van de werkgevers, die momenteel geen tekort hebben, binnen twee jaar wel een tekort. McKinsey verwacht in 2030 een tekort van 1,4 miljoen arbeidskrachten De RABO bank ziet op langere termijn juist geen structureel arbeidstekort, doordat hogere lonen de productiviteit zal doen stijgen en daardoor innovatie de arbeidsvraag zal doen dalen. Dat neemt niet weg dat er in de tijd en in kwaliteit grote onevenwichtigheden dreigen, en die zullen nog sterker zijn in sectoren waar stijging van productiviteit moeilijker te realiseren is (zoals in de publieke sectoren, waar persoonlijk contact en dus betaalde arbeid een belangrijk kwaliteitscriterium is, en waar we daarom in dit programma 300.000 extra banen creëren, en waar we ook bewust minder productieve arbeid een plek willen geven – employer of last resort – en in sectoren waar tijdelijk een enorme extra inspanning nodig is, zoals in de woningbouw en in de energietransitie). </em></p>
<p><em>De werkloosheid is al geruime tijd zeer laag, dus daar is maar beperkt ruimte voor extra aanbod, al helpen alle kleine beetjes, dus de hiervoor aangekondigde betere arbeidsbemiddeling zal een klein beetje helpen. Daartegenover staat dat we hiervoor maatregelen genomen hebben die op zichzelf de arbeidstekorten doen toenemen, met name de verkorting van de werkweek en de extra banen in de publieke sector.</em></p>
<p><em>Er bestaan geen simpele oplossingen, maar we kunnen deze arbeidstekorten wel degelijk oplossen met een mix van maatregelen. </em></p>
<p><em>Zo staan er teveel mensen aan de kant met ziekte of een arbeidsbeperking. Door onze investeringen in preventie (zowel op het werk, als daarbuiten) en door onze maatregelen voor inclusief werk (zie hierna) komen er meer mensen beschikbaar.</em></p>
<p><em>Verder is nog een substantiële verruiming van het arbeidsaanbod te realiseren door mensen meer uren te laten werken (met name vrouwen werken minder (29,5 uur per week gemiddeld voor niet-schoolgaande vrouwen tussen 15-65 jaar, bij mannen is dat 39,7 uur; volgens het CBS werken 233.000 mensen geheel niet wegens zorgtaken). Maar dit conflicteert met onze ambitie om ook de groeiende zorgtaken (mantelzorg!) mogelijk te maken, zorgtaken eerlijk over beide partners te (kunnen) verdelen en ook een betere balans met vrije tijd te hebben. Minder stress met tijd voor werk en zorg zal ook preventief werken in de groeiende zorgvraag en minder verzuim impliceren. In die dilemma’s kiezen wij, zoals hiervoor aangegeven voor een 32-urige werkweek. Vrouwen zullen dan naar verwachting meer gaan werken en mannen minder, maar er zullen vooral ook meer mensen gaan werken die nu alleen zorgtaken uitvoeren. De inzet op minder uren voor voltijdswerk zal paradoxaal een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen opleveren en door het op deze manier te doen zal de financiële onafhankelijkheid van vrouwen (zeker na scheiding, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of pensioen) enorm verbeteren. Betaald werk wordt in ons programma zowel financieel (door hogere lonen en door afschaffen van alle partner-gerelateerde kortingen en andere inkomensafhankelijke regelingen buiten de progressiever wordende tarieven), als ook in termen van werkzekerheid en werkplezier (met onder meer veel meer eigen regie van professionals en minder bureaucratie), maar ook door betere en gratis kinderopvang (zie hierna) veel aantrekkelijker. </em></p>
<p><em>Ook bij ouderen is extra arbeidsaanbod moeilijk te realiseren. Ondanks de voortdurende krapte op de arbeidsmarkt neemt het aandeel werkenden van 55 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd nog maar weinig toe (In het tweede kwartaal van 2024 was hun netto-arbeidsparticipatie 70,4 procent, tegenover 70,2 procent in het tweede kwartaal van 2023. De geringe toename van de arbeidsdeelname onder deze 55-plussers volgde op een jarenlange relatief sterke stijging. In het tweede kwartaal van 2013 was de arbeidsparticipatie van 55-plussers tot de AOW-leeftijd nog 57,8 procent). Daarbij moeten we ons realiseren dat er grote verschillen zijn in (gezonde) levensverwachting. </em><em>In 2017/2020 was de levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte van de meest welvarende mannen gemiddeld 25 jaar hoger dan van de minst welvarende mannen. Voor vrouwen verschilde dit 23 jaar. De gemiddelde levensverwachting in Nederland stijgt. Maar nog steeds niet voor iedereen en niet voor iedereen evenveel. De afgelopen tien jaar is de levensverwachting voor vrouwen met de allerlaagste inkomens zelfs gedaald, blijkt uit onderzoek van Netspar gepubliceerd op economenwebsite MeJudice (</em><a href="https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/verschil-in-levensverwachting-tussen-lage-en-hoge-inkomens-is-verder-gestegen"><em>https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/verschil-in-levensverwachting-tussen-lage-en-hoge-inkomens-is-verder-gestegen</em></a><em>). </em></p>
<p><em>In 2021 was de levensverwachting bij geboorte voor mannen bijna 80 jaar, voor vrouwen 83 jaar. De levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte was voor mannen en vrouwen ruim 65 jaar. Hoewel vrouwen gemiddeld dus langer leven dan mannen, brengen ze meer jaren door in minder goede gezondheid. De meest welvarenden leven niet alleen langer, ze brengen ook een groter deel van hun leven door in goede gezondheid. De levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte was 49 jaar voor mannen in de laagste welvaartsgroep, tegenover 74 jaar voor de meest welvarende mannen. Voor vrouwen was dit achtereenvolgens 49 jaar en 72 jaar (23 jaar verschil). </em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1637" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-1-290x300.png" alt="" width="290" height="300" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-1-290x300.png 290w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-1.png 600w" sizes="(max-width: 290px) 100vw, 290px" /></p>
<p><em>Daaruit blijkt dat de levensverwachting van een 40-jarige vrouw uit de 10% huishoudens met de laagste inkomens, is afgenomen met zeven maanden. Die is nu circa 80 jaar. Een leeftijdgenote uit een huishouden met een hoog inkomen mag verwachten meer dan 90 jaar oud te worden. Haar levensverwachting is in de onderzochte periode bovendien gestegen met 1,4 jaar. Ook bij mannen is de kloof toegenomen: met 1,8 jaar. Voor de mannen met de laagste inkomens is de levensverwachting wel gestegen, maar minder hard dan die van mannen met hoge inkomens. De levensverwachting van mannen in de onderste 10% is 75,2 jaar. Voor mannen in de bovenste 10% is dat 83,8 jaar. Het verschil in levensverwachting tussen de laagste en de hoogste inkomens is volgens de onderzoekers in Nederland ongeveer even groot als in de Verenigde Staten. </em><em>De stijging van de gemiddelde levensverwachting stagneert nu ook (recent zelfs een kleine daling), waarschijnlijk een effect van de covid-19 pandemie, al wordt ook al gewezen naar de problemen in de zorg. </em></p>
<p><em>We houden de koppeling van de AOW-leeftijd aan de stijging (of daling!) van de gemiddelde leeftijdsverwachting in stand, evenals de onlangs overeengekomen regeling voor vroegpensioen bij zware beroepen. Dat is behulpzaam bij het oplossen van arbeidstekorten en ook wel rechtvaardig – als je langer leeft dan is het ook redelijk dat je langer werkt en bijdraagt aan de financiering van je pensioen en de zorg. </em></p>
<p><em>Deze financiering gaan we wel aanpassen – hieronder wordt in de paragraaf over ouderen en in die over een nieuw belastingstelsel voorgesteld de rekening eerlijker te verdelen en niet alleen de lasten op arbeid hiervoor aan te slaan, maar juist ook (inkomen uit) vermogen en bezit. De premies voor AOW en voor de basis- en langdurige zorg worden daarbij afgeschaft en vervangen door financiering uit de totale belastingopbrengst. </em></p>
<p><em>Door de vergrijzing en ontgroening stijgt ook de zogenoemde grijze druk: de verhouding tussen het aantal gepensioneerden en de bevolking in de werkzame leeftijd (20 jaar tot de pensioenleeftijd). Dit zet de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat onder druk doordat een relatief kleinere groep werkenden de voorzieningen waarvan een groeiende groep ouderen gebruik maakt (zorg, AOW), moet financieren. Uitgaande van de pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar (vanaf 2024) stijgt de grijze druk naar verwachting van 29 procent nu naar 41 procent in 2041 om daarna licht te dalen naar ruim 39 procent in 2055 en vervolgens weer te stijgen naar 43 procent in 2070. De golfbeweging van de grijze druk wordt veroorzaakt door de twee leeftijdsgroepen in de huidige Nederlandse bevolking die het grootst zijn: 50- tot 64-jarigen, die in de periode tot 2040 de leeftijd van 67 jaar bereiken, en de 20- tot 35-jarigen, die vanaf 2055 67 jaar worden. De andere financiering van de AOW en de zorg maakt onze verzorgingsstaat en de bestaanszekerheid veel beter en rechtvaardiger bestand tegen de vergrijzing en ontgroening. </em></p>
<p><em>We stellen daarbij aanvullend voor om de AOW-leeftijd inkomensafhankelijk te maken, dat maakt het wel veel eerlijker, gegeven de enorme verschillen in (gezonde) levensverwachting tussen lage en hoge inkomens. Maar de stijging van de arbeidsparticipatie van ouderen zal daardoor afnemen.  </em></p>
<p><em>In de arbeidsparticipatie van ouderen tot hun AOW-leeftijd nog wel een potentieel aan extra arbeidsaanbod. We zullen daartoe veel meer aan loopbaanbegeleiding moeten doen, en aan betere, ook op ouderen afgestemde arbeidsomstandigheden. In de hiervoor gepresenteerde opzet van de Huizen van Arbeid wordt hier in voorzien.</em></p>
<p><em>Een volgend stukje van de puzzel voor oplossingen van het enorme arbeidstekort is gelegen in het beter matchen van het beroeps- en hoger onderwijs met de onderwijsvraag. In de allereerste plaats is er een grote verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en van de toegankelijkheid (voor mensen met sociaaleconomische en taalachterstanden, en voor mensen met een studiebeperking) nodig met bijbehorende financiering. Zie hiervoor bij een aparte paragraaf in dit programma. </em></p>
<p><em>Ook hebben we hiervoor al financiële beperkingen in de toegankelijkheid van het onderwijs weggenomen door les- en collegegeld te vervangen door een nieuw leerrechtensysteem en we gaan alle studiekosten (leermiddelen e.d.) via de onderwijsinstelling te bekostigen. Dit zal de bemiddelbaarheid van alle jongeren doen toenemen. Ook kondigen we een groot plan aan voor volwasseneneducatie. Maar meer gericht op betere matching nemen we hieronder twee extra maatregelen.</em></p>
<p><em>Er is vervolgens veel discussie over de bijdrage die migratie kan leveren aan de oplossing van arbeidstekorten, de stijging van de grijze druk en de gevolgen voor onze welvaartsgroei in termen van het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking.</em></p>
<p><em>De Adviesraad migratie is in zijn verkenning van 2023 nagegaan wat de gevolgen zijn als er jaarlijks netto 50.000 extra arbeidsmigranten naar Nederland komen (netto betekent het verschil tussen het aantal arbeidsmigranten dat arriveert en het aantal dat vertrekt). Ze richten zich daarbij zowel op de effecten op de korte termijn (de komende jaren) als op de middellange (tot 2040) en lange termijn (tot 2070). Andere studies (zoals die van NIDI/CBS en de Staatscommissie Demografische ontwikkelingen) eindigen bij de middellange termijn. </em></p>
<p><em>Als er jaarlijks 50.000 extra migranten bij komen, heeft dit, zo blijkt uit deze verkenning, hetzelfde effect op de grijze druk als de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd, zoals die nu wordt voorzien, naar 68 jaar in 2039 en 69 jaar in 2052. De grijze druk zal dan in 2040 zo’n 3 procentpunten lager zijn en in 2070 zo’n 7 procentpunten lager dan het geval zou zijn zonder extra arbeidsmigranten of zonder verhoging van de AOW-leeftijd. Niettemin zal ook in dat geval de grijze druk in 2040 zo’n 8 procentpunten hoger zijn dan nu het geval is en in 2070 6 procentpunten. Om de grijze druk te stabiliseren op het huidige niveau, zouden tot en met 2030 jaarlijks netto ruim 150.000 extra arbeidsmigranten nodig zijn en tussen 2030 en 2040 jaarlijks bijna 180.000. Tot 2040 zouden per saldo dan bijna drie miljoen extra arbeidsmigranten naar Nederland moeten komen. </em></p>
<p><em>Cruciaal bij deze berekeningen is de veronderstelling dat het gaat om tijdelijke migranten – circulaire migratie – die in Nederland geen gezin vormen en weer vertrekken, voordat zij de pensioenleeftijd bereiken en zelf gebruik zullen gaan maken van zorg en AOW. Zou de extra arbeidsmigratie bestaan uit permanente arbeidsmigranten die in Nederland een gezin vormen en op een gegeven moment met pensioen gaan, dan zullen hun kinderen naar verwachting vanaf de tweede helft van de jaren 2040 de grijze druk verder verlagen als zij toetreden tot de (potentiële) beroepsbevolking. Vanaf de jaren 2060 zal de grijze druk echter weer sterker oplopen als de arbeidsmigranten met pensioen gaan. Op langere termijn zal de grijze druk hierdoor hoger uitkomen dan bij tijdelijke arbeidsmigranten het geval is. Anders gezegd: bij permanente arbeidsmigratie zullen op de lange termijn steeds meer arbeidsmigranten moeten worden aangetrokken om de grijze druk te verminderen. </em></p>
<p><em>Wat als er per saldo geen arbeidsmigranten meer naar Nederland zouden komen? Stel dat vanaf 2024 de netto arbeidsmigratie nul is, dat wil zeggen dat er evenveel arbeidsmigranten vertrekken als er arriveren. Bij een vaste AOW-leeftijd van 67 jaar zou de grijze druk dan toenemen naar bijna 54 procent in 2070. Zou de AOW-leeftijd wel worden verhoogd, dan blijft de stijging beperkt tot 43 procent.</em></p>
<p><em>Als er jaarlijks netto 50.000 arbeidsmigranten extra naar Nederland komen, groeit de potentiële beroepsbevolking iedere tien jaar met een half miljoen of 5 procent extra. Terwijl de potentiële beroepsbevolking van 20-67 jaar in de middenprognose van het CBS tussen 2023 en 2040 per saldo niet meer groeit, zal deze met 50.000 extra arbeidsmigranten per jaar nog met zo’n 900.000 personen toenemen. Daarmee wordt het risico op structurele personeelstekorten in deze periode sterk verminderd. Na 2040 zal de potentiële beroepsbevolking naar verwachting echter ook zonder extra arbeidsmigratie verder groeien. Bij een half zo groot of anderhalf maal zo groot aantal extra arbeidsmigranten (respectievelijk 25.000 of 75.000 per jaar), zullen de gevolgen voor de potentiële beroepsbevolking ook half of anderhalf maal zo groot zijn. De komst van 50.000 extra arbeidsmigranten per jaar heeft een driemaal zo groot effect op de omvang van de potentiële beroepsbevolking als de voorziene stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd. </em></p>
<p><em>Bij een tekort aan arbeidskrachten gaat het niet alleen om de beroepsbevolking als geheel, maar ook om specifieke personeelstekorten in bepaalde beroepen en sectoren. Deels worden deze veroorzaakt doordat het werk niet voldoende aantrekkelijk is voor ingezetenen. Indien hiervoor arbeidsmigranten (kunnen) worden aangetrokken, neemt dit de prikkel weg om de kwaliteit van het werk (arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden) te verbeteren, aldus de Adviesraad Migratie. Doordat wij via wettelijke maatregelen daar al ruimschoots in voorzien, zal dat bij ons programma niet aan de orde zijn. </em></p>
<p><em>Deels gaat het ook om een tekort aan geschikt personeel, doordat niet voldoende arbeidskrachten in Nederland over de vereiste kwalificaties beschikken. Bij essentiële functies, bijvoorbeeld in zorg en onderwijs, of in de woningbouw en de energietransitie, zet dit het voorzieningenniveau onder druk. Verbetering van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden zal op termijn tot extra gekwalificeerd binnenlands aanbod leiden, doordat meer jongeren voor een opleiding in de betreffende richting kiezen, en de hiervoor al genoemde extra maatregelen om de studiekeuze te beïnvloeden zal daarbij nog extra helpen. Op korte tot middellange termijn kan ook het aantrekken van gekwalificeerde arbeidskrachten uit het buitenland voorzien in deze personeelsbehoefte schrijft de Adviesraad Migratie.</em></p>
<p><em>Arbeidsmigranten dragen per definitie bij aan de economische groei als zij in Nederland productieve arbeid gaan verrichten. Arbeidsmigranten dragen echter ook bij aan groei van de bevolking. Als gevolg daarvan stijgt het welvaartsniveau, gemeten als het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking, door de komst van een arbeidsmigrant veel minder sterk dan de economie hierdoor groeit. Als de productiviteit van arbeidsmigranten gemiddeld overeenkomt met die van de gevestigde werkenden, zullen 50.000 extra arbeidsmigranten per jaar het welvaartsniveau met ongeveer een kwart procentpunt per jaar verhogen. Als arbeidsmigranten echter worden ingezet voor laagproductief werk, kan het gemiddelde welvaartsniveau zelfs dalen, als hun bijdrage aan de groei van het bbp kleiner is dan hun bijdrage aan de bevolkingsgroei. Zo zal een arbeidsmigrant die als pakketbezorger gaat werken, het gemiddelde welvaartsniveau eerder verlagen dan verhogen. Arbeidsmigranten die worden aangetrokken voor hoogproductief werk, zullen juist een grotere bijdrage aan het gemiddelde welvaartsniveau leveren. Arbeidsmigranten leveren ook een positieve bijdrage aan de welvaart als hun talenten en capaciteiten complementair zijn aan die van de gevestigde werkenden, die daardoor ook productiever worden. Dit geldt in het bijzonder voor specialistische functies waaraan in Nederland een tekort is. </em></p>
<p><em>Voor het effect op de welvaart maakt het veel uit in welke levensfase arbeidsmigranten naar Nederland komen, of zij in Nederland een gezin vormen en of en, zo ja, wanneer zij vertrekken. Naarmate de levensloop van arbeidsmigranten in Nederland meer lijkt op die van gevestigde inwoners, zal de bijdrage aan de welvaart op langere termijn kleiner zijn. Arbeidsmigranten zullen dan immers op termijn ook met pensioen gaan en gebruik maken van (zorg)voorzieningen en onderwijs voor hun kinderen. Ten slotte zijn er belangrijke verdelingsvraagstukken. Het grootste profijt van de komst van arbeidsmigranten trekken migranten zelf en de ondernemingen die hen te werk stellen. In veel gevallen profiteren ook hoger opgeleide gevestigde werkenden. Lager of praktisch opgeleiden in Nederland zullen doorgaans het minste profijt trekken.</em></p>
<p><em>Elders in dit programma stellen we voor om meer gerichte circulaire arbeidsmigratie te organiseren, met een systeem van Green Cards. Verderop zullen we ook voorstellen doen voor een snellere en betere integratie van migranten, en om hen sneller aan het werk te krijgen – ook vluchtelingen. </em></p>
<p><em>Meer en snelle erkenning buitenlandse diploma’s helpt daar enorm bij en is daarom een prioriteit. </em></p>
<p><em>Migratie is concluderend niet de oplossing van het tekort aan arbeidskrachten of de grijze druk, maar kan daarbij wel degelijk een belangrijke functie vervullen, mits je het goed (circulair, snel, veilig, met goede integratie) organiseert.</em></p>
<p><em>Een volgend stukje van de oplossing ligt in het organiseren van minder bullshitbanen. We moeten ons richten op banen die werkelijk toegevoegde waarde leveren in termen van breed welzijn. De door ons voorgestelde enorme krimp in de financiële industrie en in energie-intensieve bedrijven zal banen schrappen. Ook in de administratie, verantwoording en controle van veel regelingen zullen arbeidsplaatsen verdwijnen, en professionals zullen meer tijd krijgen in hun banen (met name in de zorg, maar ook elders) doordat veel administratie verdwijnt. Voor zover mensen van banen door deze transities moeten wisselen organiseren we, zoals ook al hiervoor aangegeven, een transitiefonds met werkgaranties, bij voorkeur in zinvolle tekortberoepen.</em></p>
<p><em>In de zorg, waar een enorm arbeidstekort dreigt, kunnen we ook de zorgvraag en daarmee het arbeidstekort, afremmen door veel meer te doen aan preventie. </em></p>
<p><em>Veel gezondheidsproblemen zijn verbonden met sociaaleconomische problemen – ons programma zal veel van die problemen wegnemen, waardoor (de groei van) de zorgvraag substantieel zal dalen. Veel leefstijlproblemen zijn een gevolg en niet de oorzaak van gezondheidsklachten en -risico’s. Leefstijlprogramma’s zijn niet zinloos, maar alleen als supplement van maatregelen die de bestaanszekerheid in de meest breedste zin substantieel verbeteren. Ons programma voorziet daarin, met als aanvullende maatregelen gratis sporten voor jongeren, verplicht zwemles op scholen, sterke regulering van voedings- en genotsmiddelen en hun distributie gecombineerd met prijsmaatregelen, en effectieve aanpak van verslavingen.</em></p>
<p><em>Ook zijn veel zorgproblemen verbonden met stress en geestelijk welbevinden. Onze maatregelen om de werk- en studieprestatiedruk te verminderen, meer ruimte te organiseren voor een goede balans tussen werk, zorgtaken en vrije tijd, ook tussen partners, de social media te reguleren en kinderopvang geheel gratis en beter te organiseren en veel meer te investeren in voorkomen van verzuim en arbeidsongeschiktheid en van werkloosheid, zullen (de groei van) de zorgvraag zowel in de GGZ, de jeugdzorg als de curatieve zorg aanzienlijk verminderen. We maken ook een eind aan de medicalisering van klachten die niet in de zorg thuishoren. Daarbij helpen onze plannen voor inclusief onderwijs en inclusief werk. Meer algemene stress over dreigende crises (bijv. klimaat, oorlog, e.d.) verminderen we doordat we werk maken van de aanpak van die crises.</em></p>
<p><em>Bij preventie van zorgvraag hoort ook een gezonde leefomgeving. Ons programma voorziet in een drastische vermindering van vervuiling van onze bodem, hydrosfeer en atmosfeer, de biodiversiteit bevorderen en geluidsoverlast aanpakken. Onze natuur zal veel meer mogelijkheden voor gezonde ontspanning bieden, ook in stedelijke omgeving. </em></p>
<p><em>Belangrijkste drijvende kracht achter de stijging van de zorgvraag is de vergrijzing en de toegenomen levensverwachting. Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gaat bijna de helft 48%) van de zorguitgaven naar ouderen. De meeste 65-jarigen zijn volgens dit overzicht vitaal en gebruiken nauwelijks meer zorg dan de gemiddelde Nederlander. De meeste ouderen gebruiken weinig zorg; slechts een klein deel heeft juist veel zorg nodig. Zo’n 20 procent van de ouderen gebruikt 80 procent van de zorguitgaven voor ouderen.<strong> </strong>Maar de gemiddelde zorgkosten stijgen wel sterk met de leeftijd. Voor 85-plussers liggen de gemiddelde kosten vier keer hoger dan voor mensen tussen 65 en 75 jaar. De meeste ouderen (94%) wonen thuis. Bij mensen tot 75 jaar is ziekenhuiszorg ongeveer een derde van de kosten. </em></p>
<p><em>Met de leeftijd neemt die ziekenhuiszorg af, maar stijgt wel het beroep op wijkverpleging en langdurige zorg. Alleenwonende ouderen gebruiken relatief vaak (publiek gefinancierde) zorg.  De stijging van het aantal 75-plussers de komende jaren betekent ook dat er steeds meer ouderen zijn met een chronische aandoening. Het gaat dan bijvoorbeeld om ziekten zoals artrose, diabetes of dementie, maar ook om langdurige nek- en rugklachten. </em></p>
<p><em>In 2030 zullen er ook meer ouderen zijn met lichamelijke beperkingen. Hieronder verstaan we beperkingen bij het bewegen, maar ook problemen met zien en horen. Het aantal ouderen met lichamelijke beperkingen stijgt minder hard dan het totaal aantal ouderen. Dit geldt echter vooral voor de jongste groep 75-plussers. Onder 85-plussers nemen de lichamelijke beperkingen juist toe. Het is dus maar de vraag of er in de toekomst inderdaad minder zorg nodig is vanwege verbetering van gezondheid. Verder is de verwachting dat ook het aantal eenzame ouderen zal toenemen. </em></p>
<p><em>Betere ouderenzorg, meer en betere levensbestendige woningen, het organiseren van buurtzorgvoorzieningen en speciale woonvormen voor ouderen, mantelzorg eenvoudiger maken (door kortere werkweek, minder werkdruk, het introduceren van betaald mantelzorgverlof, en het schrappen van alle kortingen voor samenwonen), het afdwingbaar maken van toegankelijkheid van alle openbare en publieke voorzieningen, zoals elders in dit programma wordt uitgewerkt, helpt hierbij enorm. </em></p>
<p><em>Tenslotte kan de (groei van) de zorgvraag ook verminderd worden door betere bescherming tegen, de voorbereiding op en bescherming bij pandemieën. Ook daartoe nemen we in dit programma veel maatregelen. Ook het serieus nemen en beter onderzoeken van long-covid hoort daarbij. De  in dit programma opgenomen grote transitie van de veeteelt zal het risico op zoönoses enorm verminderen. </em></p>
<p><em>De belangrijkste bijdrage aan het structureel oplossen van arbeidstekorten is echter het organiseren van een hogere arbeidsproductiviteit. Deze is in Nederland veel te laag, vooral doordat arbeid zo goedkoop is. Hogere lonen en hogere belastingen op niet=productief bestede winst zijn de sleutels om de arbeidsproductiviteit te verhogen. Dit programma voorziet daarin. Verhoging van de arbeidsproductiviteit wordt een belangrijke, expliciete beleidsdoelstelling. Forse investeringen in de kennisinfrastructuur helpen daarbij ook. In dit programma wordt voorzien in een groot plan voor verbetering van de onderwijskwaliteit en het onderzoek en innovatie.  </em></p>
<p><em>Hieronder volgen nog een aantal specifieke maatregelen, waarnaar hierboven vaak al is verwezen.</em></p>
<ol start="53">
<li><strong>De werkgeverspremies bij bedrijven of bedrijfstakken waar een substantieel hoge uitstroom is naar arbeidsongeschiktheid of een significant verschil is in gezonde levensverwachting gaan we substantieel verhogen</strong>.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="54">
<li><strong>We investeren voorts in goede begeleiding van startende professionals in de publieke sector.</strong> Dit helpt ook tegen grote arbeidstekorten.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="55">
<li><strong>We gaan automatisch leeftijdspensioen volledig afschaffen.</strong> Mensen gaan we vragen wat ze willen. Ook (eerder, of juist later) deeltijdspensioen gaan we aantrekkelijker en makkelijker maken. Nu werkt maar een kleine tien procent van mensen voor een zeer beperkt aantal uren door, terwijl sommigen dat veel meer willen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="56">
<li><strong>We beperken het aantal studieplekken voor studies waaraan wij op de arbeidsmarkt een overschot aan hebben en breiden we die waaraan wij een tekort hebben juist uit.</strong> Bij dat laatste zorgen we ook voor meer mogelijkheden voor zij-instroom en voor werkend leren.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="57">
<li><strong>We introduceren een systeem met bonussen en een werkgarantie voor afgestudeerden bij studies voor tekortberoepen.</strong> We trekken alles uit de kast om mensen te verleiden tot een studie voor erkende tekortberoepen.</li>
</ol>
<p><em><u>Een geheel andere economie</u></em></p>
<p><em>De Amerikaanse econoom en oud-minister (onder Clinton) Robert Reich schreef al in 2008 dat we in de fase van ‘superkapitalisme’ leven in zijn gelijknamige bestseller. Aandeelhouderswaarde is allesoverheersend geworden. De analyse van de Amerikaanse econoom sluit aan bij die van de Britse econome Noreena Hertz. In haar boek ‘De stille overname &#8211; De globalisering en het einde van de democratie’ zette ze aan het begin van deze eeuw uiteen hoe de opkomst van de vrije markt heeft uitgewerkt: de macht van het bedrijfsleven heeft de democratie uitgehold. </em></p>
<p><em>We moeten de macht van het bedrijfsleven, dat volgens Reich per definitie amoreel is, en hun aandeelhouders, beperken, de economie democratiseren en de rijkdom herverdelen. Dat moet de overheid doen, die daartoe democratisch gelegitimeerd is. Via wetgeving en belastingheffing kan dat ook effectief, en we moeten ons daarbij niet laten gijzelen door de open grenzen en globalisering, in een race to the bottom. En dat vraagt dus ook een sociale Europese Unie, andere handelsverdragen en een nieuw Bretton Woods (monetair stelsel). Dat vraagt ook een andere economie, zoveel mogelijk coöperatief georganiseerd, met hoogwaardige arbeid, dat in kader van de brede welzijnsdoelstelling – en dus niet alleen het korte termijn aandeelhoudersbelang – echte toegevoegde waarde biedt. </em></p>
<p><em>Onze economie en verdienmodel moet daartoe enorm veranderen. Minder financiële industrie, minder lage-lonenarbeid, geen energie-intensieve en vervuilende bedrijvigheid meer, veel minder doorvoer en export – waarmee naast vervuiling ook afhankelijkheid van buitenlandse invloeden op onze economie wordt verminderd. Meer gebaseerd op duurzame binnenlandse bestedingen en op innovatieve kenniseconomie, op ecologisch duurzame bedrijvigheid – waaronder een volledig circulaire economie. Daartoe behoort ook een duurzame, groene landbouw en maakindustrie, en een geopolitiek weerbare economie met minder risicovolle afhankelijkheden. Met een sterke publieke sector en een sterk gereguleerde marktsector – niet de wolf in onze natuur is het probleem, maar de wolf van Wall Street en het superkapitalisme, en van de fossiele en vervuilende bedrijvigheid. </em></p>
<p><em>Dat betekent eveneens een einde aan economische groei als doel, en een transitie naar kwalitatieve groei, in termen van brede welzijnsgroei. Het betekent ook een einde aan sectoren als de glastuinbouw, de intensieve veeteelt, kunstmestfabrieken en wellicht ook staalproductie in ons land. We volgen het rapport van CE Delft over duurzame industrie, dat recent in opdracht van Stichting Natuur &amp; Milieu is gemaakt. En aan de rol als doorvoerland, met weinig toegevoegde waarde en veel vervuiling en overlast. De distributieknooppunten als de Rotterdamse haven en Schiphol moeten niet meer inzetten op groei, maar op een kwalitatieve, duurzame transitie, met enkel duurzaam transport en daarin een voorlopersrol spelen. We stoppen met het ruim baan geven aan de distributiecentra, de enorme blokkendozen die nu steeds meer ons landschap ontsieren en alleen kunnen bestaan met op arbeidsmigratie en uitbuiting gebaseerde lage lonenarbeid. </em></p>
<p><em>In plaats daarvan zetten we in op een kenniseconomie, duurzame productie en duurzame bestedingen. De overheid moet veel gerichter sturen welke arbeid we wel willen: duurzaam en sociaal: publieke banen, banen in de duurzaamheidstransities en in de woningbouwopgave en banen in bedrijvigheid die bijdragen aan onze brede welvaart, met maatschappelijk ondernemerschap en coöperatieve werkorganisaties als norm. </em></p>
<p><em>Uiteraard doen we de transitie zorgvuldig: werknemers krijgen een werkgarantie met alle hulp die nodig is voor de overstap.</em></p>
<p><em>Voor de specifieke veranderingen in onze economie die samenhangen met ecologische verduurzaming zie elders in dit programma.</em></p>
<ol start="58">
<li><strong>De economie moet opereren binnen harde ecologische en sociale grenzen.</strong> We dwingen dat nationaal af met wetgeving. Het betekent een einde aan sectoren als de glastuinbouw, de intensieve veeteelt, kunstmestfabrieken en wellicht ook staalproductie in ons land.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="59">
<li><strong>We stoppen met het bevorderen van export en doorvoer uit ons land. We zijn veel te veel doorvoerland, met weinig toegevoegde waarde en veel vervuiling en overlast. De distributieknooppunten als de Rotterdamse haven en Schiphol moeten niet meer inzetten op groei. We stoppen met het ruim baan geven aan de distributiecentra, de enorme blokkendozen die nu steeds meer ons landschap ontsieren en alleen kunnen bestaan met op arbeidsmigratie en uitbuiting gebaseerde lage lonenarbeid. Onze arbeidstekorten komen ook voort uit een te grote economie, die veel teveel op export en doorvoer gericht is. Ons enorme handelsoverschot moet omlaag en de productie moet meer op het binnenland worden gericht. Dit geeft meer welvaart en welzijn, en minder risico door invloeden van buiten.</strong></li>
</ol>
<p>Structurele personeelstekorten gelden alweer geruime tijd als een van de belangrijkste ‘uitdagingen’ voor Nederland op sociaaleconomisch terrein. Aan het regeerprogramma is hieraan zelfs een aparte paragraaf gewijd. Oplossingen worden gezocht aan de aanbodszijde van de arbeidsmarkt, terwijl de krapte juist voortkomt uit een te grote economie door veel export – de vraagkant. Terecht meent Paul de Beer (Henri Polak hoogleraar voor arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan De Burcht (Centrum voor Arbeidsverhoudingen) en het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS)) dat de focus van onze economie zich meer richten op essentiële ‘binnenlandse’ sectoren als de zorg en het onderwijs (<a href="https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/krappe-arbeidsmarkt-is-het-gevolg-van-te-grote-economie">Krappe arbeidsmarkt is het gevolg van te grote economie &#8211; Me Judice</a>).</p>
<p>Bij het zoeken naar oplossingen voor de krappe arbeidsmarkt ligt tot nog toe de nadruk sterk op de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. Het gaat onder meer om het activeren van het onbenutte arbeidspotentieel onder uitkeringsgerechtigden, deeltijders stimuleren om meer uren te gaan werken en ouderen langer laten doorwerken. Personeelstekorten zijn echter de uitkomst van twee factoren: het aanbod van arbeid en de vraag naar arbeid. De <em>vraagzijde van de arbeidsmarkt krijgt tot nu toe weinig aandacht.</em></p>
<p>De belangrijkste reden hiervoor lijkt te zijn dat een kleinere vraag naar arbeid al snel wordt geassocieerd met minder welvaart. Alleen als de arbeidsproductiviteit stijgt zou de vraag naar arbeid kunnen afnemen zonder dat de productie daalt. Maar juist in sectoren waar personeelstekorten de grootste impact hebben, zoals de zorg en het onderwijs, zijn de mogelijkheden voor productiviteitsverhoging vooralsnog beperkt – al verschillen de meningen over de mogelijkheden van bijvoorbeeld AI op langere termijn.</p>
<p>Terwijl essentiële ‘binnenlandse’ sectoren als de zorg en het onderwijs door gebrek aan personeel moeite hebben om hun dienstverlening op peil te houden, zetten we een groeiend deel van onze productiecapaciteit in ten behoeve van het buitenland.</p>
<p>Wat ook nauwelijks aandacht krijgt, is de vraag of we niet met minder productie toekunnen – en dus minder arbeidskrachten nodig hebben – zonder dat dit de welvaart verlaagt. De Beer doelt hier niet op de discussie over degrowth of ‘postgroei’, waarvan de voorstanders stellen dat minder (materiële) productie niet ten koste hoeft te gaan van de kwaliteit van het bestaan. Dat is overigens ook een belangrijke discussie, die zeker meer aandacht verdient. Maar het gaat hier om een meer ‘klassieke’ interpretatie van welvaart, namelijk de consumptie per hoofd van de bevolking.</p>
<p>Minder groei betekent niet automatisch minder welvaart. Vaak wordt aangenomen dat de consumptie zich min of meer parallel aan het bruto binnenlands product (bbp) ontwikkelt. Minder economische groei betekent dan automatisch minder consumptiemogelijkheden en dus minder welvaart. Daarmee wordt echter over het hoofd gezien dat de Nederlandse economie aanzienlijk meer produceert dan nodig is voor de binnenlandse bestedingen. Nederland kent immers al decennialang een omvangrijk overschot op de handelsbalans. In 2023 exporteerde Nederland voor € 119 mld meer dan het importeerde. Anders gezegd, 11% van de totale toegevoegde waarde is niet bedoeld voor binnenlandse bestedingen (consumptie en investeringen), maar voor het buitenland.</p>
<p>In het verleden, toen Nederland nog een relatief jonge bevolking had, was het verstandig om te streven naar een positief handelssaldo. Daarmee werd immers vermogen in het buitenland opgebouwd, dat in de toekomst zou kunnen worden benut om de binnenlandse consumptie te financieren als de bevolking ouder wordt en er minder productieve jonge arbeidskrachten beschikbaar zouden zijn. Je zou dus verwachten dat naarmate de Nederlandse bevolking meer ‘vergrijsde’, het handelsoverschot zou afnemen &#8211; en op den duur zou omslaan in een handelstekort. Het tegendeel was echter het geval. Van 1950 tot 1980, toen Nederland nog een jonge en snelgroeiende bevolking had, schommelde het handelssaldo rond de nul en wisselden jaren met een overschot en jaren met een tekort elkaar af. Daarna is het handelsoverschot echter trendmatig gegroeid: van 0% in 1980 naar 4% in 1990, 7% in 2000, 8,5% in 2010 en ruim 11% in 2023. Een steeds groter deel van het Nederlandse productiepotentieel wordt dus niet gebruikt om voor binnenlands gebruik te produceren, maar voor het buitenland.</p>
<p>Figuur 1. Handelssaldo in % bbp en grijze druk, 1950-2023.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1638" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-2-300x180.png" alt="" width="300" height="180" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-2-300x180.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-2-1024x614.png 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-2-768x460.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-2.png 1041w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Noot: Grijze druk is de bevolking van 65 jaar en ouder in procenten van de bevolking van 20 tot en met 64 jaar. </em></p>
<p><em>Bron: Berekeningen van De Beer op basis van CBS (Statline).</em></p>
<p>Niet alleen in het licht van de vergrijzing van de bevolking, maar ook gezien de huidige personeelstekorten is dit een merkwaardige ontwikkeling. Terwijl essentiële ‘binnenlandse’ sectoren als de zorg en het onderwijs door gebrek aan personeel moeite hebben om hun dienstverlening op peil te houden, zetten we een groeiend deel van onze productiecapaciteit in ten behoeve van het buitenland.</p>
<p>Wat verklaart deze toenemende focus op productie voor de export? De Beer ziet twee verklaringen voor de toenemende focus op productie voor de export. Allereerst lijkt onder beleidsmakers de overtuiging te leven dat onze welvaart vooral gebaat is bij een sterke internationale concurrentiepositie. Zie de preoccupatie met de plaats van Nederland op de ranglijst van meest competitieve landen. Dat Nederland op de IMD ranglijst is gedaald van de vierde naar de negende positie is dan ook gelijk reden voor zorg. Zo staat in het Hoofdlijnenakkoord van de huidige coalitiepartijen dat ‘Nederland moet behoren tot de top 5 van de landen met een goede concurrentiepositie’. We zien het ook in het ‘topsectorenbeleid’, waarin het vrijwel uitsluitend gaat om exportgerichte sectoren.</p>
<p>Dit lijkt mede samen te hangen met de ‘trots’ die we ontlenen aan succesvolle exporterende bedrijven. In het verleden waren bedrijven als Philips, Shell en Unilever onze ‘nationale trots’, tegenwoordig denken we vooral aan hightech bedrijven als ASML. Maar ook het feit dat onze landbouwexport – ondanks de kleine oppervlakte van Nederland – de op een na grootste ter wereld is, vervult velen met trots. Terwijl bedrijven en instellingen die er in de eerste plaats op zijn gericht om de Nederlandse bevolking van goederen en diensten te voorzien – variërend van de horeca en de bouw tot gezondheidszorg en onderwijs – op veel minder bewondering kunnen rekenen. Het lijkt erop dat onze lange traditie als handelsnatie – die ons in het verleden bepaald geen windeieren heeft gelegd – de overtuiging heeft doen postvatten dat buitenlandse handel een doel op zich is.</p>
<p>In het verleden waren bedrijven als Philips, Shell en Unilever onze ‘nationale trots’ [&#8230;] Terwijl bedrijven en instellingen die er in de eerste plaats op zijn gericht om de Nederlandse bevolking van goederen en diensten te voorzien op veel minder bewondering kunnen rekenen.</p>
<p>Een tweede verklaring is gelegen in ons pensioenstelsel. Een handelsoverschot komt immers bij benadering overeen met een spaaroverschot. We kunnen ons dus ook afvragen waarom Nederland zoveel blijft sparen in plaats van te ontsparen, zoals je zou verwachten bij een vergrijzende bevolking. Een belangrijke oorzaak hiervoor is gelegen in ons pensioenstelsel. Nederland behoort tot de landen met de hoogste pensioenbesparingen per hoofd van de bevolking door het grote aandeel van kapitaaldekking in ons pensioenstelsel. Bovendien leidt de berekening van de toekomstige pensioenverplichtingen op basis van de risicovrije rekenrente in plaats van het te verwachten lange-termijnrendement op de beleggingen, ertoe dat relatief veel pensioenpremie moet worden afgedragen om te zorgen dat de dekkingsgraad van de pensioenfondsen aan de eisen van de toezichthouder voldoet. Als gevolg hiervan worden jaarlijks, ondanks de sterke toename van het aantal gepensioneerden, nog altijd meer pensioenpremies afgedragen dan er aan pensioenuitkeringen wordt uitbetaald (zie Dirk Bezemer, <a href="https://esb.nu/wp-content/uploads/2022/12/DEjSSNGmVrFefdI2YTYW8mT0R0A.pdf">DEjSSNGmVrFefdI2YTYW8mT0R0A.pdf</a>, 2022). Hierdoor zijn de betaalde pensioenpremies in verhouding tot het bbp sinds het eind van de jaren ’90 verdubbeld. Onderstaande figuur laat zien dat de groei van het handelssaldo min of meer parallel loopt met de stijging van de pensioenpremies.</p>
<p><em> </em></p>
<p><em>Figuur 2. Handelssaldo en pensioenpremies in % bbp, 1995-2023.</em><em> Bron: Berekeningen De Beer op basis van CBS (Statline) en DNB</em></p>
<p><em> <img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1639" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-3-300x165.png" alt="" width="300" height="165" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-3-300x165.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-3-1024x563.png 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-3-768x422.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-3.png 1102w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></em></p>
<p>De invoering van het nieuwe pensioenstelsel in de komende jaren zal de prikkel om te sparen eerder vergroten dan verkleinen, doordat de solidariteit tussen generaties om tegenvallende beleggingsopbrengsten op te vangen wordt beperkt. Hierdoor zal het aandeel van de pensioenpremies in het bbp waarschijnlijk niet dalen.</p>
<p>De Beer concludeert: “Waar de krapte op de arbeidsmarkt en toenemende personeelstekorten doorgaans worden toegeschreven aan een ‘te kleine beroepsbevolking’, is er meer reden om de oorzaak te zoeken in een ‘te grote economie’. De Nederlandse economie produceert veel meer dan nodig is om de welvaart van de Nederlandse bevolking op peil te houden. Als het saldo van uitvoer en invoer in het komende decennium geleidelijk in balans zou worden gebracht, zou het bbp met 11% kunnen worden verkleind, zonder dat dit ten koste gaat van de ruimte voor binnenlandse bestedingen (consumptie plus investeringen). De vraag naar arbeid vanuit het bedrijfsleven zou daarmee min of meer evenredig kunnen afnemen, waarmee de gevreesde structurele personeelstekorten als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen.</p>
<p>Er is dan ook alle reden om een beleid te gaan voeren dat niet tot doel heeft bedrijvigheid gericht op de uitvoer aan te moedigen en te ondersteunen, maar juist te ontmoedigen en af te remmen. Het economisch beleid zou zich primair moeten richten op het bedrijfsleven dat voor de binnenlandse markt produceert. Daarnaast zou het goed zijn in het pensioenstelsel de verhouding tussen kapitaaldekking en omslagfinanciering te veranderen ten gunste van het laatste.”</p>
<p> </p>
<ol start="60">
<li><strong>Aparte aandacht is nodig voor het weerbaar maken van Europa, ons land en onze bondgenoten – voor het verdedigen van internationale grenzen, de democratische rechtsstaat inclusief het internationale recht, onze vrije samenleving en onze welvaart en welzijn. Dat vraagt ook een andere economie, met veel minder afhankelijkheden van vijandige en onbetrouwbare landen </strong>(grondstoffen, productiefaciliteiten, distributiefaciliteiten) voor essentiële goederen en diensten (medicijnen en medische hulpmiddelen, staal en andere bouwmaterialen, energie, zeldzame grondstoffen die nodig zijn voor bijvoorbeeld groene energie en voor data infrastructuur, wapens en verdedigingsmiddelen, inclusief het kunnen vergaren van inlichtingen, etc.). daarvoor zal de productie en levering van die goederen en diensten in Europa, en ook in ons land, fors moeten groeien, hetgeen langere termijn zekerheid behoeft voor de leveranciers en soms ook subsidiëring bij de transitie. Deze transitie is urgent. We bevorderen een Europees plan en voeren zelf een 4-jarenplan uit.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="61">
<li><strong>We reguleren de marktsector veel uitgebreider en effectiever om de uitwassen van het huidige superkapitalisme tegen te gaan, met onder meer maatregelen ter voorkoming van te grote economische machtsvorming en ter bescherming van publieke en consumentenbelangen. We gaan de macht van het bedrijfsleven en hun aandeelhouders, beknotten, de economie democratiseren en de rijkdom herverdelen. Dat moet de overheid doen, die daartoe democratisch gelegitimeerd is.</strong> Via wetgeving en belastingheffing kan dat ook effectief, en we moeten ons daarbij niet laten gijzelen door de open grenzen en globalisering, in een <em>race to the bottom</em>. En dat vraagt dus ook een andere Europese Unie, andere handelsverdragen en een nieuw Bretton Woods (monetair stelsel).</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="62">
<li><strong>We stoppen met het faciliteren van lage-lonenarbeid</strong>, die vooral gebaseerd is op rechteloze flexarbeid en uitbuiting van arbeidsmigranten, werk dat ongezond is en/of gewoon slecht werk is, en gaan dit soort werk juist sterk reguleren en terugdringen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="63">
<li><strong>We breiden de verplichtingen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) uit en maken deze effectiever.</strong> Bedrijven worden wettelijk verplicht om misstanden zoals alle vormen van kinderarbeid, moderne slavernij, andere mensenrechtenschendingen en alle milieu- en klimaatschade aan te pakken. Bedrijven moeten hun productieketens in kaart brengen en mogelijke misstanden. Mochten er misstanden worden gevonden, dan dient een bedrijf deze aan te pakken en in sommige gevallen ook te herstellen. Een onafhankelijke toezichthouder moet toezien op de naleving van de wet. Bij bewuste ontduiking van deze regels zijn ook bestuurders van ondernemingen aansprakelijk. Ondernemingen moeten in hun publiek jaarverslag verplichte onderdelen opnemen over hun sociaal en duurzaamheidsbeleid.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="64">
<li><strong>Marktwerking wordt uitgesloten in publiek sectoren, waarbij winstdoelstellingen en -uitkeringen verboden zijn, en coöperaties de verplichte organisatievorm, iedereen in loondienst is met in beginsel een vast contract, aanbestedingen uitgesloten en dus verboden zijn (we werken in plaats daarvan met duurzame subsidierelaties) en de publieke belangen en die van cliënten met regelgeving en subsidievoorwaarden worden beschermd. De Autoriteit Consument en Markt is in deze sectoren niet meer bevoegd. Bij disfunctioneren kan de bevoegde overheid aanwijzingen geven en/of onder curatele stellen. We draaien de privatisering van het OV en nutsbedrijven terug en bannen de marktwerking uit in de zorg en uit de arbeidsbemiddeling en de inburgering. In andere sectoren, waarin ook publieke belangen spelen (banken, post, communicatie) zetten we zwaarder in op regulering.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="65">
<li><strong>Waar er wel marktwerking blijft, gaan we het marktmeesterschap van de overheid versterken, vooral uit oogpunt van het algemeen belang en van consumentenbelangen.</strong> Monopolies, kartelvorming, prijsafspraken zijn al verboden maar kennen nog teveel geitenpaadjes, maar ook moet de aansprakelijkheid van ondernemingen en hun bestuurders versterkt worden in geval van onjuiste claims over hun producten of dienstverlening, evenals de positie van consumenten om hun recht te halen bij het in gebreke blijven van bedrijven. We versterken hiertoe de capaciteit en de instrumenten van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en geven tegelijkertijd de opdracht dit veel strenger en intensiever te handhaven. Burgers kunnen klachten gaan deponeren bij de ACM en deze moet in het openbaar rekenschap geven van wat daarmee gebeurt.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="66">
<li><strong>Reclame gaan we aan strenge regels binden en verbannen we volledig in de publieke omroep, in het onderwijs en in het openbaar vervoer. Voor schadelijke producten komt er een reclameverbod. </strong>De Autoriteit Consument en Markt (ACM) krijgt opdracht boetes te geven voor reclames die misleidend zijn en/of hun claims niet kunnen bewijzen. Daarvoor komt ook een meldpunt bij de ACM. In navolging van tabak komt er ook een verbod op reclame voor ongezonde producten, waaronder alcohol, drugs, gokken en producten met teveel suiker. Reclame en productinformatie moet betrouwbaar zijn, met aansprakelijkheid van de producent als dat niet zo is, en productaansprakelijkheid moet veel minder eenvoudig als nu uitgesloten kunnen worden. Dat geldt des te meer voor digitale aanbieders. We zetten ons in om de misstanden die nu wekelijks bij consumentenprogramma’s te zien zijn aan te pakken met extra regelgeving en handhaving. Met scherpe en intensieve inspecties en hoge, effectieve boetes.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="67">
<li><strong>We maken vijandige overnames moeilijker door werknemers een blokkerende stem te geven bij alle overnames en fusies, door een wachttijd in te voeren en door financiering door eigen vermogen te eisen.</strong> Nu worden overnames vaak gefinancierd via schuld, en dat is slecht voor het bedrijf en voor de economie als geheel. De investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn. Dit wordt vooraf getoetst. Excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen wordt wettelijk beperkt.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="68">
<li><strong>We beperken het patentrecht in duur en ook waar het algemeen belang teveel in het geding is, zoals nu bij de farmaceutische industrie en bij internetbedrijven als zoekmachines, sociale media en softwarebedrijven.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="69">
<li><strong>We verbeteren de huurbescherming niet alleen van huishoudens (zie verderop), maar ook van zelfstandige winkeliers en de rechtspositie van franchisenemers, en we passen de mededingingswetgeving aan, zodat de macht van grote inkopers tegenover kleine zelfstandigen wordt ingeperkt. Bij overheidsopdrachten</strong> <strong>garanderen we dat kleine ondernemers dezelfde kansen krijgen als grote bedrijven.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="70">
<li><strong>Handelsverdragen en de Europese Unie worden hervormd opdat vrijhandel effectief beperkt wordt door kaders van onder meer mensen- en arbeidersrechten, eerlijke ontwikkeling van arme landen en ecologische grenzen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="71">
<li><strong>We zetten ook in op een nieuw begrotingspact in de EU, waarbij sociale (mate van ongelijkheid binnen en tussen lidstaten, en van onvrijwillige werkloosheid, gezonde levensverwachting, dakloosheid, sociale bescherming, etc.) en ecologische (uitstoot broeikasgassen, biodiversiteit, vervuiling, dierenwelzijn en preventie tegen andere bedreigingen van gezondheid) doelen nevengeschikt zijn aan begrotingsdoelen en onderwerp zijn van transparante belangenafweging in de politiek. Dit wordt opgenomen in een nieuw EU-verdrag, dat ook eigen belastingheffing mogelijk maakt, ook een sociale pijler kent en geen vetorecht meer kent (zie ook bij linkse begrotingspolitiek). </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="72">
<li><strong>De privacy van burgers moet veel beter worden beschermd en het internet moet meer worden gereguleerd. Overheden en publieke instellingen moeten zelf controle houden over hun databestanden. </strong>
<ol>
<li><strong>Er komt voor gebruikers een wettelijk gegarandeerde zeggenschap en transparantie over de koppeling van databestanden in publieke sectoren. </strong></li>
<li><strong>Het medisch beroepsgeheim wordt niet aangetast mar juist versterkt. </strong></li>
<li><strong>We draaien het mogelijk maken van het verkopen van je data door je bank terug. Banken krijgen geen inzicht in telefoongesprekken. </strong></li>
<li><strong>Burgers krijgen wettelijk zeggenschap en controle over wat er met hun data gebeurt en er komen strenge wettelijke voorwaarden voor het omgaan met deze data. Apps en platforms die zich daar niet aan conformeren worden verboden.</strong></li>
<li><strong>Bij het gebruik van algoritmes en databestanden wordt transparantie wettelijk verplicht. Stigmatiserend gebruik van algoritmes, bijv. bij het bestrijden van fraude, wordt verboden. Algoritmes mogen niet leiden tot uitsluiting op de arbeidsmarkt of verzekeringen. </strong></li>
<li><strong>We ondersteunen en bevorderen de snelle ontwikkeling van een <em>‘publiek internet’</em>, met waardengedreven publieke en non-profit platforms, waardoor informatie en communicatie, en daarmee datastromen, niet langer via commerciële platforms hoeft te gaan.</strong> Zo bevorderen we een divers en pluriform internet met verschillende typen spelers. We verbieden apps en platforms die nepnieuws verspreiden, illegale verkoop toestaan, discriminerende, racistische, bedreigende en gewelddadige uitlatingen toestaan, de democratische rechtsstaat ondermijnen en/of de nationale veiligheid ondermijnen (zoals vanuit autoritaire regimes, terreurorganisaties of criminele organisaties).</li>
<li><strong>We gaan de digitale infrastructuur veel steviger reguleren. Dit geldt des te meer in het geval platformbedrijven nutsfuncties vervullen.</strong> De huidige kaders voor wetgeving en regulering lopen achter bij de alledaagse realiteit van algoritmische lock-ins, ongebreidelde verknopingen van datastromen, vervagende grenzen tussen de private infrastructuur en gebruikersvoorwaarden met een onduidelijke status. Het dwingend en niet transparant goedkeuren van delen van je data en surfgedrag op websites wordt verboden. Zelfregulatie is evident onvoldoende gebleken.</li>
<li><strong>We verbieden de handel in persoonsgegevens (met inbegrip van gepersonaliseerde reclame), biometrische massasurveillance, <em>social scoring </em>en de ongerichte onderschepping van telecommunicatie. </strong></li>
<li><strong>Platformbedrijven moeten voor hun diensten voldoen aan dezelfde eisen als hun concurrenten: cao-naleving (Picnic), verbod op schijnzelfstandigheid (Deliveroo, Uber), beroepsvoorschriften (Uber) en belastingvoorschriften als btw en toeristenbelasting (AirBNB). </strong></li>
<li><strong>We voeren naar Frans voorbeeld een aparte belasting in op digitale diensten (Digitaks) en voeren wetgeving in om monopolyposities (zoals Google bij zoekmachines en Facebook bij sociale media) te breken.</strong> Dat kan o.m. met interoperabiliteit, het verbieden van koppelingen (zoals die nu door de Europese Commissie is verboden tussen het besturingssysteem Windows en de zoekmachine Internet Explorer), en door te verbieden dat toegang tot platforms of data uniek is – zoals nu Facebook bepaalt welk aanbod van andere partijen is toegestaan. Dataportabiliteit maakt het gebruikers mogelijk een alternatief voor Facebook te kiezen zonder gegevens te verliezen en dus zonder virtuele vrienden te verliezen.</li>
<li><strong>We nemen maatregelen om jongeren beter te beschermen tegen potentieel beschadigende content en verslavend internetgedrag, en om burgers te misleiden met ‘<em>fakenews’</em> – dat moet wel zeer transparant en controleerbaar gebeuren, onafhankelijk van de overheid – en bewuste manipulatie van de democratie. </strong></li>
<li><strong>Accounts moeten op de eigenaar/gebruiker verifieerbaar zijn voor de overheid bij strafbare uitingen, waaronder racisme, discriminatie en bedreiging. </strong></li>
</ol>
</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="73">
<li><strong>We gaan de financiële sector fors inkrimpen en reguleren. Onze financiële sector is nu een waterhoofd in onze economie, die ook grote risico’s geeft voor onze totale economie, welvaart en brede welzijn. We gaan scherp ingrijpen met tal van maatregelen. </strong><strong>In plaats van de focus te richten op reductie van overheidsschulden moeten we die richten op reductie van private schulden. </strong>
<ol>
<li><strong>We eisen fors hogere buffers bij banken en de gewogen risico-eisen worden eveneens verhoogd. We voeren voorts een verbod in op te risicovolle producten, verplichten tot een harde scheiding tussen nuts- en zakenbankfuncties (aparte spaarbanken). De huidige bonuswetgeving voor bestuurders en medewerkers van banken wordt verscherpt. </strong></li>
<li><strong>We sturen aan op een stelsel met kleine banken. Banken met nutsfuncties moeten coöperatief zijn opgezet, die niet op winst maar op het publiek belang en dat van hun cliënten gericht zijn. Er komt ook een aparte, veilige staatsbank voor huishoudens. </strong></li>
<li><strong>We stellen het belang van klanten centraal bij banken met regels over minima aan aantallen kantoren, persoonlijk contact en advies, geldautomaten, gebruik van contant geld, eerlijk sparen, etc. </strong>Het moet eenvoudiger worden om van bank over te stappen. Banken moeten bij overstap van een klant onder meer hetzelfde rekeningnummer blijven gebruiken en automatische incasso’s continueren. Betaalgegevens zijn van de klant, niet van de bank. De gedragscode waarin de omgang met betaalgegevens is geregeld wordt aangescherpt, waarbij de bescherming van privacy voorop staat. Er komt een wettelijke acceptatieplicht voor contant geld in al het betaalverkeer. Contant geld blijft beschikbaar.</li>
<li><strong>Banken dragen nog steeds te weinig bij aan de overheidsfinanciën, daarom verhogen we de bankenbelasting, en die voor zakenbanken extra. Daarnaast voeren we in Europees verband een belasting in op speculatieve transacties met aandelen (Financial Transaction Taks – FTT – of ook wel Tobin-tax genaamd). </strong></li>
<li><strong>De bankenunie moet afgemaakt worden door de invoering van een door banken zelf gefinancierd Europees depositogarantiestelsel (DGS), zodat overheden onder druk van spaarders niet in de verleiding komen falende banken alsnog te redden. Hierbij moet er altijd een mogelijkheid moet zijn klanten van die bedrijven te redden in bepaalde omstandigheden. Met de invoering van een Europees DGS zorgen we ervoor dat de Europese bankenunie naast Europees toezicht en een Europees steunfonds stevig op drie pijlers rust. </strong></li>
<li><strong>Ook de verstrengeling tussen banken en overheden moet verder worden doorbroken.</strong> Staatsobligaties moeten een eerlijkere weging krijgen in de Europese en internationale financiële regelgeving. Ook wordt het aandeel staatsobligaties op een bankbalans gemaximeerd.</li>
<li><strong>Als ondanks deze systeemwijzigingen een bank gered moet worden, wentelen we dat niet meer af op huishoudens die belasting betalen.</strong> Allereerst worden aandeelhouders en bestuurders aangesproken. De leiding moet dan plaatsmaken. Bij wanbeleid volgt vervolging, we schikken niet meer. De garantiestelling voor tegoeden bij commerciële banken wordt niet verruimd.</li>
<li><strong>Het is hard nodig de rol van banken en van de overheid bij geldcreatie aan de orde te stellen en het gebruik van cryptomunten als bitcoins te verbieden. Geldschepping moet de samenleving dienen: daarom een goede democratische controle op geldschepping, het voorkomen van financiële zeepbellen en het creëren van ruimte voor publieke bestedingen. We stimuleren dat geld in de productieve economie terechtkomt en ontmoedigen speculatie. </strong></li>
<li><strong>We moeten de uitwassen van het Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme bestrijden: de investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn; excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen moeten onmogelijk worden gemaakt; de invloed van werknemers moet worden vergroot; en de kosten en het verdienmodel van private equity-partijen moeten transparant worden. </strong>We voeren daartoe de voorstellen uit de initiatiefnota van Henk Nijboer uit. We gaan daarenboven private equity geheel verbannen uit de publieke sector, vooruitlopend op de beëindiging van marktwerking daar.</li>
<li><strong>Er mogen geen dividenden meer worden uitgekeerd door verzekeraars als buffers onder druk staan.</strong> De Nederlandsche Bank moet hierop toezicht houden. Er moet een juridische mogelijkheid komen om sneller tot collectieve oplossingen te komen bij faillissementen en woekerpraktijken.</li>
<li><strong>De accountants hebben bewezen zichzelf niet te kunnen reguleren. We voeren regels en verscherpt toezicht in om te waarborgen dat de controle op rechtmatigheid en op een getrouw beeld geven op juiste wijze plaatsvindt. Accountants moeten een ondoorlaatbare muur hebben tussen accountantswerkzaamheden en advieswerkzaamheden. </strong></li>
<li><strong>Fiscalisten, accountants en vermogensbeheerders ontspringen nog te vaak de dans bij belastingontduiking. We moeten de mogelijkheden verruimen om de adviseurs die meewerken aan belastingontduiking en agressieve belastingontwijking te vervolgen en dat ook veel meer daadwerkelijk doen.</strong></li>
</ol>
</li>
</ol>
<p>Aparte aandacht geven we hier aan de noodzakelijke krimp en hervorming van onze financiële industrie. De financiële industrie is nu in ons land veel te groot met grote risico’s. De financiële sector is in ons land vier maal zo groot als ons nationaal inkomen, nergens ter wereld is die verhouding zo uit balans. Dat geeft enorme risico’s – voor huishoudens die gebruik maken van hun diensten; voor de nutsfuncties in het betalingsverkeer die banken uitvoeren; en voor de belastingbetalers die net als in 2008-2012 weer zou moeten bijpassen als het mislukt. Het faciliteert ook op grote schaal belastingontwijking, het zo desastreus uitpakkende superkapitalisme en zelfs criminele organisaties met witwassen en belasting ontduiken.</p>
<p>Ooit kreeg de historicus van ons heden, Adam Tooze, de vraag voorgelegd hoe hij uit de diarree van tekens die het heden produceert de veelzeggende pareltjes wist te halen. Zijn antwoord luidde: let op de radicale uitspraken die komen uit de keurige, welbespraakte monden van leden van het establishment. Als voorbeeld gaf Tooze rapporten van de in en in keurige Bazelse Bank voor Internationale Betalingen die bij monde van huiseconoom Hyun Song Shin na de crisis van 2008 lieten weten dat een financiële sector die meer dan drie procent van het bruto binnenlands product (bbp) beslaat de economische groei van dat land belemmert. Dat komt doordat er dan stomweg te veel parasieten zijn die alleen maar leegzuigen in plaats van bijdragen. Als je dan bedenkt dat voor 2008 de bijdrage van de financiële sector in landen als Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk tussen de zeven en tien procent bedroeg, en in landen als Ierland en Luxemburg een onwaarschijnlijke vijftien tot twintig procent, weet je dat dit terechte opruiende taal is.</p>
<p>In plaats van de focus te richten op reductie van overheidsschulden moeten we die richten op reductie van private schulden, voor een duurzame, stabiele economische groei. De wereld is in wezen een systeem van met elkaar verbonden balansen. Van banken, van burgers, van bedrijven. Het bezit van de een is het krediet van de ander, en zo bestaat een complex systeem van communicerende financiële vaten, groot en klein. Het krediet groeit en is nu wereldwijd 250 procent van het bbp. Van afbouw van leningen en van het verkleinen van de hefboom is sinds Lehman geen enkele sprake. Integendeel. De langdurig lage rentes zorgen ervoor dat er geld wordt geleend voor projecten of activiteiten die bij een hogere rente helemaal niet zouden zijn gestart. Het is dan ook zeer de vraag of het nieuwe bezit dat tegenover al dat extra krediet staat, in dat grote systeem van communicerende balansen, van goede kwaliteit is en van goede kwaliteit blijft. Als wereldwijd de productiviteitsstijging geen gelijke pas houdt met de groei van het krediet, dan gaat dat fout.</p>
<p>Niet alleen  huishoudens, ook de niet-financiële bedrijven hebben met 137% van het bruto binnenlands product (bbp) een forse schuld. Dat hoeft niet ernstig te zijn als die schuld wordt aangewend voor investeringen die op termijn rendabel zijn en daardoor bijdragen aan de reële economische groei. Een probleem is dat steeds meer leningen worden afgesloten waarbij bedrijven min of meer fungeren als financiële instellingen. Ze lenen of geven aandelen uit om andere bedrijven op te kopen en weer van de hand te doen als ze die met winst kunnen worden verkocht. Een bekend verschijnsel is de investeringsmaatschappij die investeert in andere bedrijven door aandelen of certificaten van aandelen op te kopen.</p>
<p>Een extreem voorbeeld daarvan is de private equity, vaak een activistisch beleggingsfonds dat in feite speculeert in het opkopen van bedrijven, deze reorganiseert en onderdelen daarvan met winst doorverkoopt of met een schuldenlast verzelfstandigt. Een nieuw verschijnsel is een spac (special purpose acquisition company), een lege vennootschap die op de effectenbeurs aandelen uitgeeft om bedrijven over te nemen. We zien hier een verschijnsel dat vooral dient om louter door middel van geld meer winst te creëren zonder dat het bijdraagt aan de reële economie; dus niet gericht op het leveren van goederen en diensten. Het handelen in waardepapieren zonder relatie met de reële economie, leidt weliswaar tot een groter bbp, maar kan een groot gevaar opleveren voor de maatschappij omdat ze tot een economische crisis kan leiden, groter dan de recente bankencrisis. We moeten dit soort bedrijven veel strenger reguleren. Het lange termijnperspectief van bedrijven wordt ondermijnd door excessen van private equity-partijen en door activistische aandeelhouders. Die jagen bedrijven op om onderdelen af te stoten of onderdelen te verkopen zonder oog voor de belangen van werknemers of klanten. Gezonde bedrijven gaan daardoor op termijn kapot.</p>
<p>Er dreigt nog steeds een nieuwe bankencrisis. Problemen bij een kleine Amerikaanse bank met nog geen één procent marktaandeel zorgden begin 2023 voor een prompte bezwering van de Amerikaanse president Biden dat het spaargeld van alle Amerikanen veilig is, en door de overheid gegarandeerd zou worden. De Zwitserse regering heeft intussen het failliete Credit Suisse laten overnemen door UBS, waarbij de overheid garant staat voor astronomische bedragen. En voor zover de EU dacht dat zij ontzien zou worden, was daar vlak daarna onrust rond Deutsche Bank. Wie houdt wie voor de gek? De financiële crisis van 2008 ligt toch achter ons? We hadden met nieuwe regelgeving banken toch veiliger gemaakt? Ja, er kwamen heel veel regels, maar wat de insiders al lang wisten: het fundament blijft fragiel. Wat ook nog steeds geldt: (hoge) winsten worden op veel plaatsen privaat geïncasseerd, maar verliezen worden naar de schatkist doorgeschoven. Garanties houden het systeem overeind. Daarmee is de gijzeling van de publieke sector door banken, ondanks plechtige beloften na de financiële crisis van 2008, nog onverminderd van kracht. Toezichthouders en beleidsmakers durven falende instellingen niet failliet te laten gaan uit angst voor de repercussies.</p>
<p>In 2008 hadden we ook geleerd dat het niet verstandig is om voor essentiële publieke infrastructuur, zoals het betalingsverkeer, afhankelijk te zijn van de financiële gezondheid van commerciële partijen. De parlementaire enquête financieel stelsel – de commissie-De Wit – had het nog wel zo mooi opgeschreven. Die les krijgen we weer in maart 2023. Op korte termijn lijken we geen grote bancaire problemen in Nederland te moeten verwachten. Het is aannemelijk dat de EU zaken beter heeft geregeld; toezicht en regelgeving zijn scherp. Maar er is ook geen reden om rustig te gaan slapen. Een simpel voorbeeld: banken worden grotendeels gefinancierd met direct opvraagbaar geld – ons spaargeld, ook wel deposito’s genoemd. Maar in de digitale wereld van vandaag met apps op onze smartphone kan iedereen zonder enige vertraging zijn geld verplaatsen. Een gerucht volstaat om een ‘<em>bankrun</em>’ te veroorzaken, waarbij deposito’s (spaargelden) collectief worden weggehaald en de bank klem komt te zitten. De snelheid waarmee dit kan, en kan uitwaaieren over het gehele bancaire landschap, heeft met de informatietechnologierevolutie ongekende vormen aangenomen. Het in de hand houden hiervan lijkt onmogelijk, ondanks het bestaan van garanties die spaarders rust zouden moeten geven. Dit probleem is niet opgelost met strenger toezicht en bijtende regulering, terwijl die wel direct raakt aan de manoeuvreerruimte voor banken zelf.</p>
<p><em><u>Wij staan voor inclusief werk als norm. We dwingen een inclusieve arbeidsmarkt af voor de 1,7 miljoen mensen waarvoor de arbeidsmarkt een beperking heeft, met scherpere en effectievere regelgeving.`</u></em></p>
<p><em>Te veel mensen met een beperking staan aan de kant. Veel Wajong-eren die kunnen werken, zitten nog steeds met een uitkering bij het UWV. Een aanzienlijk deel van de bijstandspopulatie heeft belemmeringen, maar niet dusdanig dat er sprake is van een volledige arbeidsontheffing. Ook is het uitermate onbevredigend dat in de huidige arbeidsmarkt een groot aantal jongeren vroegtijdig school verlaat, thuis zit en zelf niet de weg naar de werk vindt.</em></p>
<p><em>Veel mensen met een arbeidsbeperking zitten desondanks nu in de bijstand omdat de keuringen voor de WIA en Wajong te streng zijn en vaak ook niet juist worden uitgevoerd. Gemeenten spreken vaak van een granieten bestand van onbemiddelbaarheid van een groot deel van hun bijstandsontvangers door arbeidsbeperkingen van 1/3 tot zelfs de helft van hun populatie. Dat aandeel stijgt doordat door de arbeidstekorten mensen die makkelijker te bemiddelen zijn nauwelijks en vaak maar kort in de bijstand zitten. Gemeenten investeren ook weinig in de bemiddeling van de moeilijkst te bemiddelen mensen. Dat moet in de Huizen van Arbeid precies andersom: de meeste steun naar de groep met de grootste problemen. </em></p>
<p><em>De bekostiging daarvan geschiedt nu op basis van succesvolle bemiddeling, dat is een perverse prikkel. Voor de moeilijkste groep moet juist extra financiering beschikbaar zijn. We moeten een eind maken aan veel schrijnende situaties bij mensen die niet ten onrechte in de bijstand met al zijn problemen zitten, of die door bijvoorbeeld een partnertoets of vermogenstoets helemaal geen uitkering ontvangen. </em></p>
<p><em>De regelingen voor uitkeringen aan mensen die door arbeidsbeperking niet of niet volledig kunnen werken naderen opnieuw bijna de één miljoen. In de Wajong, WIA en de oude WAO zitten gezamenlijk ca. 850.000 mensen. In de oude WAO zitten nog circa 180.000 mensen. Tezamen met mensen die in de bijstand zitten met feitelijke arbeidsongeschiktheid, komen we steeds meer bij de één miljoen, het aantal dat in de jaren 1980 aanleiding was om de WAO te vervangen door de WIA. Er moet veel meer gebeuren aan preventie van uitval door ziekte of beperking met ook verscherpte regelgeving en handhaving van arbeidsomstandigheden waar deze tot uitval leiden.</em></p>
<p><em>Sociale partners spraken af vóór 2026 125.000 extra banen te realiseren voor mensen met een beperking. UWV monitort de extra banengroei en stelde medio 2024 dat 87.000 extra banen zijn gecreëerd. Onderzoeker Robert Capel van Onderzoeksbureau Capeladvies komt tot andere bevindingen, in een onderzoek in opdracht van Cedris, de brancheorganisatie van sociale werkbedrijven. In plaats van de door UWV getelde extra banen, ligt het daadwerkelijke aantal op 12.000 extra werkzame personen, zo’n 80 procent minder (</em><a href="https://www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/minder-banenafspraak-plaatsen-dan-gedacht"><em>https://www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/minder-banenafspraak-plaatsen-dan-gedacht</em></a><em>). Dat komt omdat het ministerie volgens hem veel banen meerekent die voor de banenafspraak ook al bestonden en dus niet als extra werkgelegenheid gelden.</em></p>
<p><em>Omdat wetten en geldstromen gemeenten sturen in wie zij ondersteunen, werken Participatiewet en banenafspraak trechtervormig, waardoor veel mensen met een beperking, arbeidsvermogen én een arbeidswens buiten beeld blijven, volgens zelforganisatie Ieder(in) ongeveer 1,1 miljoen.</em></p>
<p><em>Werkenden met een arbeidsbeperking die door die beperking minder verdienen kunnen hun inkomen aanvullen tot het sociaal minimum, maar hebben dan vaak last van alle verplichtingen, voorwaarden en kortingen (vermogenstoets, partnertoets, etc.) vanuit de Participatiewet.</em></p>
<p><em>‘Beschut werk’ is er voor de groep mensen met een zodanige ernstige arbeidsbeperking, dat regulier werk niet mogelijk is. Het Rijk heeft een doelstelling om in 2048 minimaal 30.000 beschutte werkplekken te realiseren voor de oude WSW-doelgroep. Gemeenten moeten dat uitvoeren. De jaarlijks oplopende doelstellingen worden nog niet voor de helft gehaald. Het UWV beoordeelt of aanvraag van een gemeente of iemand in aanmerking komt voor zo’n werkplek. Gemeenten slagen er ‘in het algemeen’ niet in om voor alle beschut werkers met een positief advies een geschikte plek te vinden. De arbeidsvoorwaarden bij beschut werk zijn slechter dan bij de voormalige WSW. Beschut werk wordt vaak georganiseerd bij sociale werkbedrijven. In de praktijk leidt dit ertoe dat de Participatiewet voor nieuwe instroom van deze doelgroep alleen slechtere arbeidsvoorwaarden opgeleverd heeft.</em></p>
<p><em>Een variant op beschut werk is de ‘arbeidsmatige dagbesteding’. In tegenstelling tot bij beschut werk is er dan geen sprake van een dienstbetrekking. Het schakelen tussen arbeidsmatige dagbesteding, beschut werk en banenafspraak (garantiebanen) verloopt moeizaam. Binnen de WSW-doelgroep zijn de zgn. zware instrumenten – beschut werk, loonkostensubsidie en jobcoaching – fors toegenomen, maar de gebruikers zijn jonger en in lichtere mate beperkt dan degenen die voor 2015 in de WSW instroomden.</em></p>
<p><em>Werkgevers willen voor meer dan de helft liever mensen met een fysieke beperking hebben dan mensen met een geestelijke beperking. Die laatste groep is echter veel groter. Zij maken dus veel minder kans. Een derde van de werkgevers heeft mensen uit de doelgroepen aan het werk. Het zijn bijna altijd dezelfde werkgevers. Ze nemen vooral mensen met de kleinste afstand tot de arbeidsmarkt. De verschillen in beschikbare instrumenten, tussen gemeenten onderling én tussen doelgroepen (P-wet, Wajong, WIA) vinden werkgevers complex, soms onbegrijpelijk en frustrerend. Werkgevers waarderen loonkostensubsidie het meest als instrument. Werkgevers hebben behoefte aan intermediairs en/of regievoerders die hen helpen het werk aan te passen. Een actieve benadering van werkgevers is nodig om hen te ondersteunen bij het creëren van werk en het begeleiden van werknemers uit de doelgroep. Succesvolle bemiddeling (‘matching’) vraagt volgens het SCP duurzame inspanningen van cliënten, werkgevers en bemiddelaars, heldere afspraken en flexibiliteit om indien nodig deze aan te passen. Grootste kritische succesfactor is voldoende inzicht bij werkgever en bemiddelaar in mogelijkheden en beperkingen van de doelgroep. Dat vraagt openheid van de cliënt, die dat echter alleen doet in een veilige context. Dat is nu vaak een probleem, naast dat er een te grote caseload is bij bemiddelaars.</em></p>
<p><em>Voor mensen met een arbeidsbeperking en/of grote afstand tot de arbeidsmarkt moeten er aparte regelingen blijven om hen te ondersteunen, maar die gaan we wel vereenvoudigen en beter organiseren, met als doel het recht op betaald werk (al vastgelegd in het afdwingbaar te maken VN-Verdrag over toegankelijkheid voor mensen met een beperking), zo inclusief mogelijk vorm te geven. </em></p>
<ol start="74">
<li><strong>We voeren een bindend quotum in voor het aantal mensen met een arbeidsbeperking bij alle werkgevers</strong> <strong>(overheid, publieke instellingen en bedrijven) met 25 of meer werknemers. Anders dan bij de huidige quotumwet gaat het quotum niet alleen voor nieuwe banen, maar om het totale werknemersbestand.</strong> Dat maakt de ambitie veel groter en garandeert inclusief werk als norm bij alle middelgrote en grotere werkgevers. Werkgevers van mensen met een arbeidsbeperking ontvangen een bonus hiervoor, ook kleinere werkgevers; werkgevers die niet aan hun quotum voldoen over meerdere jaren krijgen een malus – een extra heffing. Werkgevers worden actief benaderd door de expertcentra voor mensen met een arbeidsbeperking bij de Huizen van Arbeid om aan het quotum te voldoen en hen daarbij te helpen. In hun jaarverslag moeten werkgevers erover rapporteren. Degenen die hiervoor in aanmerking komen en meetellen voor het quotum zijn al erkend gedeeltelijk arbeidsgeschikt of worden daartoe alsnog gekeurd.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="75">
<li><strong>We stellen in aanbestedingen en inkopen door overheden en publiek bekostigde instellingen een norm voor <em>social return on investment</em> </strong>Dat betekent dat de uitvoerder of verkoper verplicht moet voldoen aan een door die overheid of instelling gestelde norm voor het betrekken van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt bij de uitvoering.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="76">
<li><strong>Mensen die minder productiviteit hebben en/of niet voltijds kunnen werken vanwege hun beperking krijgen wettelijk gegarandeerd hun voltijds functieloon – hun werkgever ontvangt daartoe loonsubsidie.</strong> Er komt één duidelijke loonkostensubsidieregeling, zodat alle werkenden met een beperking hetzelfde functieloon verdienen als hun collega’s zonder beperking.</li>
</ol>
<p>Dit komt in plaats van de huidige loonsuppletie aan de werkende met een beperking. Nu ontvangen zij inkomensuppletie vanuit de Participatiewet tot het bijstandsniveau, met alle geldende voorwaarden en kortingen zoals die daarin nu gelden. Voor de werkgevers vervangt de loonsubsidie de huidige loondispensatie. Loondispensatie betekent dat werkgevers een deel van het loon niet hoeven te betalen indien er sprake is van verminderde productiviteit/beschikbaarheid bij een arbeidsbeperking. Voor zover werknemers daardoor onder het sociaal minimum komen ontstaat er voor hen recht op aanvulling uit de bijstand. Maar dat impliceert ook alle voorwaarden uit de huidige Participatiewet (zoals partnertoets, kostendelersnorm, vermogenstoets, etc. Bovendien is de regeling zeer stigmatiserend, betrokkenen worden niet als ‘normale’ werknemers behandeld.</p>
<p>De loonkostensubsidie wordt via de Sociale Ontwikkelingsbedrijven verstrekt (zie hierna).</p>
<p> </p>
<ol start="77">
<li><strong>We gaan de sociale werkvoorziening weer openstellen voor nieuwe instroom, waarbij we ze omvormen tot sociale ontwikkelingsbedrijven.</strong> <strong>Het bestaande beschut werk en ook de arbeidsmatige dagbesteding gaan hier in op.</strong> Deze bedrijven bieden voor mensen met een arbeidsbeperking en mensen die door andere omstandigheden een grote afstand tot de arbeidsmarkt of een verhoogde begeleidingsbehoefte hebben, passend en duurzaam werk én de mogelijkheid om zich te ontwikkelen op een manier die bij hun past. In ons programma sluiten we aan bij de voorstellen van de FNV en van de initiatiefnota van de SP en het CDA over sociale ontwikkelingsbedrijven.</li>
</ol>
<p>Sociale Ontwikkelbedrijven zijn een springplank naar werk in het bedrijfsleven, maar ook een vangnet voor als dat even niet meer lukt. Zo kom je niet thuis te zitten als het werken bij het bedrijf stopt. Die ontwikkeling kan buiten en binnen het ontwikkelbedrijf.</p>
<p>Het Sociale Ontwikkelingsbedrijf bedrijf biedt naast begeleiding, training en scholing, ook werk in een beschermde werkomgeving, gemeentelijke opdrachten, groepsdetachering, individuele detachering en directe plaatsing in een zelfstandige baan bij het bedrijfsleven. Ontwikkeling van mensen staat centraal, maar ook het bieden van een veilige haven. Want als het niet lukt bij een reguliere baan, kunnen mensen altijd terugkeren naar het Sociaal Ontwikkelbedrijf.</p>
<p>Meerdere werksoorten vormen een leerwerkbedrijf waar een certificaat behaald kan worden (zoals een praktijkverklaring). Ook uitkeringsgerechtigden en statushouders kunnen gebruik maken van het leerwerkbedrijf. Het aanbod van werksoorten en certificaten wordt besproken met werkgevers, werknemers en met de ondernemingsraad.</p>
<p>Het Sociaal Ontwikkelbedrijf is tevens een plek waar mensen met een vergrote afstand tot de arbeidsmarkt terecht kunnen voor praktijkopleidingen en begeleiding naar werk. Er wordt een persoonlijke analyse en een plan van aanpak opgesteld. Er is ook hier geen dwang, alleen maar beloning en begeleiding, en eigen regie. Daartoe wordt een recht geformuleerd, waarbij werkzoekenden met een vergrote afstand tot de arbeidsmarkt een aanvraag kunnen indienen voor scholing, bemiddeling en begeleiding naar werk, waaronder jobcoaching en detachering. Er wordt een persoonlijke analyse en een plan van aanpak opgesteld. Wij willen dat het Sociaal Ontwikkelbedrijf een plek is waar deze mensen terecht kunnen voor praktijkscholing en begeleiding naar werk. Ze kunnen er bijvoorbeeld een certificaat lassen behalen, gedetacheerd worden om werkervaring op te doen of een re-integratietraject volgen. Reïntegratietrajecten zijn gericht op het leren van nieuwe vaardigheden.</p>
<p>Om goede dienstverlening van het sociaal ontwikkelbedrijf daadwerkelijk mogelijk te maken, moeten in het bedrijf allerlei zaken goed georganiseerd worden, zoals een integraal arbeidsontwikkelproces, een werkgeversnetwerk in de regio, werkgeverschap voor de doelgroep en een fysieke infrastructuur. Daarbij horen:</p>
<ul>
<li>Professionaliseren van de leerwerklijnen. Veel doelgroepmedewerkers hebben weliswaar een forse afstand tot de arbeidsmarkt, maar toch zien de professionals dat na intensieve training veel mogelijk is. Een succesvolle leerwerklijn inrichten is een vak. Samenwerking met de werkgevers in de regio is hierbij een vereiste.</li>
<li>Werkgeverschap voor de doelgroep. In plaats van gekunstelde constructies met aanverwante stichtingen of inhuur via derden, is het organiseren van goed werkgeverschap een vanzelfsprekende taak. Het sociaal ontwikkelbedrijf heeft sommige mensen zelf in dienst, detacheert waar mogelijk en zorgt er voor dat medewerkers in dienst kunnen komen bij andere (reguliere) werkgevers.</li>
<li>Passende tarieven voor eerlijk werk. Meeropbrengsten door betere tarieven bij intern productiewerk leidt ertoe dat beschut werk beter betaalbaar wordt. Ook bij detacheringen zijn passende tarieven inclusief opslag gewenst. Een detacheringsplek is niet een gunst van de inlener. Het sociaal ontwikkelbedrijf biedt een waardevolle arbeidskracht waarvoor een passende vergoeding moet worden betaald.</li>
</ul>
<p> </p>
<ol start="78">
<li><strong>De rijksoverheid wordt in plaats van gemeenten verantwoordelijk voor adequate financiering van de Sociale Ontwikkelingsbedrijven, waarbij er tenminste één is per arbeidsregio.</strong> Ze worden gekoppeld aan de regionale Huizen van Arbeid (zie hierna), waarbij ze ook een expertisecentrum vormen voor het realiseren en in stand houden van inclusief werk.</li>
</ol>
<p>Voor de groepen die zwaardere ondersteuning behoeven, wordt aanvullende financiering geboden. We investeren extra in deze bedrijven met een fors hoger budget om de begeleiding en inzet van nuttige instrumenten kwalitatief en kwantitatief op orde te krijgen, o.m. met de inzet van arbeidsdeskundigen met een goed regionaal netwerk bij werkgevers.</p>
<p>Gemeenten behouden hun doelstellingsverplichting voor de realisatie van beschut werk bij de Sociale Ontwikkelingsbedrijven, maar krijgen daarbij betere begeleiding en een bonus/malussysteem voor de realisatie van de geldende aantallen hierbij.</p>
<p> </p>
<ol start="79">
<li><strong>De beloning van mensen die werken op de Sociale Ontwikkelingsbedrijven gaat geregeld worden in een aparte cao, met een loon dat tenminste het minimumloon en een opbouw van aanvullend pensioen kent, een vast contract en alle normale arbeidsvoorwaarden.</strong> Voor zowel de banen bij het Sociale Ontwikkelingsbedrijf als de garantiebanen geldt een loondoorbetalingsverplichting bij ziekte die volledig vergoed wordt door het Rijk.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="80">
<li><strong>Verder krijgen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (inclusief mensen met een beperking, en ook in een sociaal ontwikkelingsbedrijf) een recht op initiatief. </strong>Dat betekent dat werkzoekenden zelf een re-integratieplan kunnen indienen bij een Huis van Arbeid (zie hierna), met de daarvoor noodzakelijke loonkostensubsidie, jobcoaching en werkplekaanpassing. Dit leidt tot extra kosten, maar het leidt evengoed tot een besparing op de uitkeringslasten. Het recht op werk en begeleiding naar werk wordt versterkt en mensen kunnen zelf de regie nemen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="81">
<li><strong>De bestaande regelingen voor facilitering van werk aan mensen met een arbeidsbeperking (zoals garantiebanen en beschut werk, jobcoach, no-riskpolis bij ziekte, subsidie voor aanpassing van de werkplek en loonkostensubsidie) worden sterk vereenvoudigd en geïntegreerd in één simpele regeling, met veel uitvoeringsvrijheid en meer budget. De professionals in de expertcentra bij de Huizen van Arbeid krijgen veel vrijheid om op maat de juiste ondersteuning toe te kennen. </strong>Nu kennen deze regelingen ieder zijn eigen voorwaarden, indicaties en geldstromen: beschut werk, garantiebanen (werkplekken bij bedrijven voor arbeidsgehandicapten, toegezegd door het bedrijfsleven), recht op job coaching. Allemaal met de beste bedoelingen georganiseerd.. Dat is veel te complex en bemoeilijkt om mensen aan betaald werk te helpen: als je vastlegt wie in aanmerking komen, sluit je ook mensen uit. Het blijkt alleen maar lastiger te zijn geworden. Beter is: één regeling en dan per individu maatwerk laten organiseren met meer budget- en regelvrijheid voor de uitvoerende, goed opgeleide professional.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="82">
<li><strong>De garantiebanen gaan we effectiever regelen. </strong>Deze banen zijn voor mensen met een arbeidsbeperking, maar die met ondersteuning en begeleiding wel regulier werk kunnen verrichten. De Sociale Ontwikkelingsbedrijven bieden hier ook deze ondersteuning, waaronder jobcoaching en aanpassingen van de werkplek. Ook helpen zij werkgevers bij het realiseren van garantiebanen, zowel in de private als in de publieke sector. Daarbij krijgen ze veel budget- en regelvrijheid om goed maatwerk te kunnen verrichten. Het gaat om mensen die in het doelgroepenregister staan, maar de werking daarvan moet worden verbreedt, zodat ook de vele mensen die nu volgens de organisatie Ieder(In) buiten beeld blijven, daarin ook hun plaats krijgen.</li>
</ol>
<p>De doelstellingen in aantallen blijven, anders dan Rutte III wilde, voor publieke en private sector afzonderlijk in stand. We maken daarbij aparte doelstellingen voor mensen met een niet-fysieke beperking, die nu nauwelijks een plek krijgen.</p>
<p>Er komt een bonus/malusregeling waarin werkgevers die wel voldoende mensen met een arbeidsbeperking aanstellen tenminste netto niet meer gaan betalen, en als men nog beter presteert een beloning krijgen (ongeveer 5000 euro per gerealiseerde extra baan). Anders dan Rutte III in 2022 wil invoeren willen we die bonus alleen bij vaste banen van voldoende omvang (tenminste 26 uur) verstrekken. Werkgevers die ondermaats presteren gaan meer betalen. Daarbij gaan we scherper kijken naar realisaties, opdat het echt nieuwe arbeidsplekken betreft en dat het om duurzame arbeid gaat, en geen draaideurconstructies.</p>
<p>We betrekken ervaringsdeskundigen bij de uitvoering en het beleid.</p>
<p> </p>
<ol start="83">
<li><strong>De dienstverlening voor werkenden met een arbeidsbeperking wordt gericht op individueel maatwerk voor de betrokken werkzoekende of werknemer en de betrokken werkgever, met een ruime regel- en bestedingsvrijheid voor de arbeidsbemiddelende professional, zonder aparte toegangsvoorwaarden voor ieder instrument. De persoon met een arbeidsbeperking en de werkgever hebben steeds maar één contactpersoon, voor alle vragen en ondersteuning.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="84">
<li><strong>We gaan het door Nederland ondertekende VN-Verdrag voor mensen met een beperking wettelijk afdwingbaar maken voor burgers en belangenorganisaties. Een inclusieve arbeidsmarkt vereist een inclusieve samenleving. Met een investeringsplan tot 2030 die dat mogelijk maakt. En met een recht op schadevergoeding bij overtreding. </strong>Alle openbare ruimten en gebouwen, woningen, horeca, winkels, het openbaar vervoer, de informatievoorziening, verkiezingen, etc. moet voor mensen met een beperking wettelijk verplicht maximaal toegankelijk worden gemaakt binnen een in het plan opgenomen termijn. Het investeringsplan vergoedt de kosten hiervan. Het OV en het zorgvervoer heeft daartoe ook een structureel hoger budget nodig.</li>
</ol>
<p> </p>
<p><em><u>Betere arbeidsbemiddeling</u></em></p>
<p><em>De arbeidsbemiddeling moet veel beter, met veel meer persoonlijke aandacht en scholing, principieel vrijwillig en gratis, waarbij deze taken van UWV en gemeenten geïntegreerd worden in tripartite (gemeenten en sociale partners) regionale Huizen van Arbeid. De huidige arbeidsbemiddeling is versnipperd en geprivatiseerd, is ineffectief met slechte resultaten, en gaat niet uit van vertrouwen en eigen regie van werkzoekenden. Dat vraagt om urgente verbetering, voor de werkzoekenden die nu leiden onder bestaansonzekerheid door deze slechte ondersteuning en voor werkgevers en de samenleving, die nu leiden onder groeiende arbeidstekorten. Deze tekorten zorgen voor een neerwaartse spiraal aan bestaansonzekerheid, waar ze ook het goed functioneren van de publieke sector, de volkshuisvesting, onze veiligheid en de tijdige transities voor een ecologisch duurzame samenleving bedreigen.</em></p>
<p><em>De prestaties van de arbeidsbemiddeling zijn nu zeer slecht. Uitstroom naar betaald werk is laag, ondanks de enorme arbeidstekorten. Als er al uitstroom is dan was die er ook geweest zonder bemiddeling, of het is naar slecht werk.</em></p>
<p><em>Arbeidsbemiddeling is in ons land grotendeels geprivatiseerd naar uitzendbureaus, die vooral bemiddelen naar onzeker en slecht betaald, laagwaardig werk, ter meerdere glorie van het verdienmodel van uitzendbureaus. Daarbij wordt vaak een draaideurconcept gebruikt (‘Flextensie’) waarbij tijdelijke werkgevers/uitzendbureaus subsidie ontvangen en bi afloop daarvan de werknemer weer dumpen bij gemeenten in de bijstand, en die gemeenten leveren dan als beloning van dit perverse gedrag weer nieuwe bijstandsklanten aan die dat werk moeten aanvaarden op straffe van verlies van uitkering plus een boete. </em></p>
<p><em>Voor het overige wordt de werkzoekende vooral aangesproken op zijn zogenoemde zelfredzaamheid, ook als die er totaal niet is. Er wordt nauwelijks gewerkt aan het wegnemen van eventuele belemmerende factoren om werk te vinden. Scholing wordt nauwelijks toegepast, en specifieke hulp voor mensen met een beperking of chronische ziekte – ruim de helft van het huidige bijstandsbestand – is er ook maar zelden.</em></p>
<p><em>Alle aandacht gaat nu naar controle, handhaving en sanctionering in plaats van facilitering, motivering en beloning. Respectvolle bejegening is eerder uitzondering dan regel. </em></p>
<p><em>De conclusies over de participatiedoelstellingen van de Participatiewet in de officiële eindevaluatie van de Participatiewet door het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) – opmerkelijk genoeg werd het voorkomen van armoede daarin niet als te evalueren doelstelling onderzocht – waren voor alle doelgroepen vernietigend.</em></p>
<p><em>Om het nog erger te maken zijn de loketten ook nog gesplitst in UWV als je in de WW of WIA zit of gemeente als je bijstand ontvangt. Trajecten worden na beëindiging WW geheel opnieuw opgestart bij de gemeente als je bijstand aanvraagt. </em></p>
<p><em>De regelingen zijn doordesemd van institutioneel wantrouwen naar de werkzoekende en geheel gericht op dwang, vernedering en controle. Men kent de werkzoekende nauwelijks, is daarin ook niet werkelijk in geïnteresseerd, en men vraagt nooit en te nimmer wat hij of zij zou willen. Dat is ook niet relevant, want de uitkeringsgerechtigde is verplicht alle betaald (en soms zelfs onbetaald!) werk te aanvaarden, ongeacht waar of welk soort werk, welk soort contract en voor hoeveel uren. Met de tegenprestatie, maar ook met verplicht vrijwilligerswerk (sowieso een tegenstelling in zichzelf), is er materieel sprake van dwangarbeid. Die ook nog eens regelmatig ongezond en/of vernederend is. Verplicht onbetaald werk zou verboden moeten zijn in een fatsoenlijk land. </em></p>
<p><em>De ‘klantmanager’ managet helemaal niets en de werkzoekende is ook geen klant, en al zeker geen klant die koning is, maar een willoze prooi van overheidsdwang die overgeleverd wordt aan op uitbuiting gericht werk. </em></p>
<p><em>Er is ook geen tot weinig kennis van de regionale arbeidsmarkt, en dus houdt men zich vooral bezig met het afvinken van het nakomen van zinloze verplichtingen van de werkzoekende. Al die verplichtingen, de vernederende bejegeningen en de controles werken zelfs contraproductief – de uitkeringsgerechtigde wordt gestimuleerd om in reactie op zijn behandeling de regels zoveel mogelijk te ontwijken en geen werk te aanvaarden. </em></p>
<p><em>De budgetten voor arbeidsbemiddeling zijn beschamend laag en stimuleren de uitvoerders zich te richten op snelle uitstroom naar betaald werk – vandaar de aandacht vooral naar de best bemiddelbare uitkeringsgerechtigden en de zeer geringe aandacht voor betere arbeidsbemiddeling die duurder is.</em></p>
<ol start="85">
<li><strong>Arbeidsbemiddeling is ten principale een publieke zaak, die we niet meer overlaten aan de markt (uitzendbureaus).</strong> <strong>De arbeidsbemiddeling van UWV en gemeenten wordt organisatorisch, financieel en juridisch geheel ontkoppelt van het krijgen van een uitkering en geïntegreerd op regionaal niveau, in regionale <em>Huizen van Arbeid</em>. Met een persoonlijke intake, veel meer individueel contact, betere bemiddelaars en echte hulp: neem belemmeringen om te werken effectief weg (kinderopvang, scholing, hulp bij schulden of verslaving, ontbrekende zorg regelen, etc.). Daartoe wordt het budget aanzienlijk verhoogd, circa een verdrievoudiging. Met een integrale benadering, zo nodig eerst andere problemen oplossen. Iedereen kan er gratis terecht, ook voor meer of ander werk. </strong>Zeker in een tijd van enorme arbeidstekorten, maar ook vanuit het belang van werk voor mensen, moeten we zorgen dat de arbeidsbemiddeling van hoge kwaliteit is, gratis toegankelijk voor iedereen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="86">
<li><strong>Activerend arbeidsbeleid wordt principieel vrijwillig, zonder dwang of drang, maar met maximale motivering en facilitering. En geheel onder eigen regie van de werkzoekende, zowel wat betreft waar en voor wie men werkt, hoeveel en wanneer men werkt, in welke arbeidsrechtelijke constructie dat is (inclusief startend of herstartend ondernemer) en met welke arbeidsbemiddeling dat is. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="87">
<li><strong>We zorgen dat binnen dat uitgangspunt arbeidsbemiddeling goed en effectief is en dat onvrijwillige werkloosheid zoveel mogelijk voorkomen en zo kort mogelijk is. Iedereen die zich meldt bij de werkwinkel krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact en aandacht is. </strong></li>
</ol>
<p><strong>Mensen in het inkomensvangnet, het Zekerheidsinkomen (zie hierna), in de WW en de WGA krijgen daartoe standaard een aanbod. </strong></p>
<p> </p>
<ol start="88">
<li><strong>We stoppen direct en volledig met draaideurconstructies als Flextensie en werken zonder loon, en met de uitbesteding van arbeidsbemiddeling aan uitzendbureaus. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="89">
<li><strong>Er komt een keurmerk voor de kwaliteit van bemiddeling naar werk, inclusief handhaving van de kwaliteit via een meer onafhankelijke inspectie SZW. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="90">
<li><strong>We gaan uit van een integrale aanpak van problemen bij mensen – vaak moeten eerst andere problemen opgelost worden voordat betaald werk binnen bereik komt.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="91">
<li><strong>Er komt ook een recht van initiatief voor werkzoekenden. </strong><strong>Werkzoekenden kunnen daarmee met ondersteuning vanuit de Huizen van Arbeid een plan maken om weer, meer of anders aan betaald werk te komen. Dat plan wordt getoetst aan redelijke effectiviteitsnormen, en komt vervolgens in aanmerking voor uitvoering en financiering.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="92">
<li><strong>We gaan ook veel meer investeren in voorkomen van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. We gaan de Huizen van Arbeid beter preventief inzetten. Iedere werkende krijgt onder werktijd met behoud van loon periodiek (bijv. iedere 2 jaar) een gratis onafhankelijke gezondheidscheck en een loopbaangesprek over onder meer nuttige of noodzakelijke scholing om langer zijn baan te kunnen houden. Werkgevers worden verplicht deze scholing te organiseren onder werktijd, de Huizen van Arbeid helpen hen daarbij.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="93">
<li><strong>We scherpen ook de Arbeidsomstandighedenwet aan en intensiveren de handhaving. </strong>Werken in ongezonde arbeidsomstandigheden – zoals onder meer op Schiphol bij de bagageafhandelaars, bij flitsbezorgbedrijven, in de transportsector en bij slachterijen – worden direct stilgelegd en verantwoordelijke werkgevers en bestuurders worden strafrechtelijk vervolgd. Dit ketenverantwoordelijkheid ten aanzien van toeleveranciers en andere ketenpartners daarbij versterkt. We vergroten de wettelijke aansprakelijkheid van werkgevers bij het optreden van arbeidsongeschiktheid bij hun werknemers voor zowel private als collectieve (denk aan de uitkeringen die daardoor verstrekt moeten worden) schade. Bij het ingaan van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid wordt in het vervolg standaard deze aansprakelijkheid onderzocht.</li>
</ol>
<p><em><u>Betere en meer scholing voor de toekomstige en huidige beroepsbevolking</u></em></p>
<p><em>Voor betere voorbereiding en het kunnen behouden van betaald werk, als ook voor het voorzien in de arbeidsvraag van werkgevers, is het nodig fors te investeren in scholing, zowel in het initieel onderwijs als in post-initieel onderwijs. </em></p>
<p><em>Allereerst vraagt dit om forse investeringen in het funderend (PO en VO), beroeps- en hoger onderwijs, waarbij het meeste geld moet naar waar de grootste achterstanden zijn, zo vroeg mogelijk en met zo laat mogelijke selectie. En een groot offensief om wat te doen tegen de enorme laaggeletterdheid (daaronder rekenvaardigheid en basis digitale vaardigheden) van schoolverlaters (25%!) en volwassenen (1,5 miljoen!, in meerderheid autochtonen), met als trekkers scholen, bibliotheken en buurtcentra. De noodzakelijke onderwijsverbeteringen wordt elders in dit programma behandeld, maar is wel een basisvoorwaarde om iedereen ook een kans op goed betaald werk te geven en te behouden en om volwaardig zelfstandig te kunnen functioneren in onze complexe samenleving.</em></p>
<p><em>We gaan in de tweede plaats fors structureel meer investeren in beroepsonderwijs. Het aanbod en de inrichting van het initieel beroepsonderwijs moet beter afgestemd worden op de vraag van werkgevers. Praktijkleren, dat in buitenland succesvol is juist voor lager opgeleide werkenden, is in ons land relatief onderontwikkeld. We gaan het werkend leren en stages extra bevorderen met een aparte studiekostenregeling met loonkostensubsidie en ondersteuning van werkgevers. ROC’s (mbo-instellingen) met veel leerlingen uit achterstandsituaties ontvangen gericht extra overheidsgeld om voortijdig schooluitval te voorkomen. Daarnaast komen er zogeheten tweede kans beroepsbegeleidende leerweg (BBL)-trajecten. </em></p>
<p><em>Er komt een gericht actieplan tegen schoolverlaten zonder startkwalificatie, het niet volgen van onderwijs en schoolverzuim.</em></p>
<p><em>We voeren eindelijk een leerrechtensysteem in om voortdurende scholing tot een recht te maken. Goede en voortdurende scholing is een belangrijk instrument om onvrijwillige werkloosheid te voorkomen. </em></p>
<p> </p>
<ol start="94">
<li><strong>Iedereen krijgt bij geboorte of immigratie na verkrijgen Nederlanderschap of status gelijk aan een Nederlander een gelijk aantal leerrechten.</strong> <strong>Bij migratie op latere leeftijd is er correctie op leerrechten, afhankelijk van genoten vooropleiding.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="95">
<li><strong>Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs), basiseducatie voor volwassenen en inburgeringsonderwijs (inclusief dat voor minderjarigen) is gratis en kost geen leerrechten.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="96">
<li><strong>Gebruik van initieel tertiair onderwijs (mbo, hbo, wo) kost leerrechten, waarbij een hoger onderwijsniveau meer leerrechten kost. Beroepsonderwijs in de vorm van werkend leren wordt daarvan vrijgesteld – gedurende zo’n leerweg gebruik je geen leerrechten, heb je recht op minimum(jeugd)loon en ontvangt de werkgever daarvoor loonsubsidie in geval van aangewezen tekortberoepen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="97">
<li><strong>De leerrechten kunnen voorts gebruikt worden voor gecertificeerde bij- en nascholing of voor omscholing.</strong> Deze scholing wordt zoveel mogelijk op maat vormgegeven. Alleen arbeidsrelevante scholing wordt gecertificeerd.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="98">
<li><strong>Dit leerrechtensysteem komt in de plaats van het huidige les- en collegegeld. </strong>Dit vergroot de toegankelijkheid voor ons tertiair onderwijs enorm.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="99">
<li><strong>Volgen van relevante scholing door werknemers wordt verplicht deel van de beloningssystematiek, de werkgever wordt wettelijk verplicht daartoe voldoende gelegenheid te geven onder werktijd.</strong></li>
</ol>
<p>De werkgever wordt daarmee verplicht te zorgen dat werknemers actief brede en waardevolle scholing krijgen die gecertificeerd is.</p>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="100">
<li><strong>Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor gratis scholing richting betaald werk. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="101">
<li><strong>De transitievergoeding bij onvrijwillig ontslag kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor extra leerrechten. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="102">
<li><strong>Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="103">
<li><strong>De financiering van de leerrechten geschiedt tripartite door de overheid en een werkgevers- en werknemerspremie.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="104">
<li><strong>De bestaande sectorale opleidingsfondsen worden geïntegreerd in het nieuwe leerrechtensysteem.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="105">
<li><strong>Met een combinatie van opleiding, uitkering, aanvulling van de oude werkgever en inkomen bij de nieuwe werkgever krijgen mensen de kans om omgeschoold te worden zonder dat zij ineens (een groot deel van) hun inkomen kwijt zijn. Ook komt er voldoende budget voor scholing speciaal gericht op langdurig werklozen. </strong></li>
</ol>
<p><em><u>Betere regelingen bij onvrijwillige werkloosheid</u></em></p>
<p><em>Ook de regelingen bij onvrijwillige werkloosheid moeten beter ter bescherming van de werkloosheid. We gaan daartoe de WW wijzigen en vormen een fonds om mensen van werk naar werk te brengen. </em></p>
<ol start="106">
<li><strong>De WW wordt niet verkort, maar verlengd</strong> – de minimumduur gaat van drie naar zes maanden.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="107">
<li><strong>We versterken de verplichtingen van werkgevers om bij dreigende werkloosheid elders werk te vinden.</strong> De nieuwe Huizen van Arbeid gaan werkgevers hierbij beter – intensiever, en meer op maat – bij helpen. Werkgevers die hierbij onvoldoende resultaat boeken, krijgen hogere WW-premies.</li>
</ol>
<p><em> </em></p>
<ol start="108">
<li><strong>We schrappen de regels over aanvaarden van niet-passende arbeid in de WW. </strong></li>
</ol>
<p>We intensiveren en verbeteren de arbeidsbemiddeling vanuit de WW met de nieuwe Huizen van Arbeid.</p>
<p> </p>
<ol start="109">
<li><strong>Werknemers die werkloos geraken door de grote transities die in onze economie nodig zijn krijgen vanuit een apart fonds tot 2 jaar hun inkomen tot het niveau van tweemaal modaal gegarandeerd en worden zij met hulp van speciale extra arbeidsbemiddeling en scholing aan een nieuwe, passende baan geholpen. </strong></li>
</ol>
<p><em><u>Betere uitkeringen bij niet kunnen werken door ziekte of arbeidsbeperking</u></em></p>
<p><em>De regelingen voor mensen die door ziekte of beperking niet kunnen werken behoeven urgent verbetering. De bestaanszekerheid van deze groep kwetsbare mensen wordt nu ernstig bedreigd en hun mogelijkheden, voor zover aanwezig, om weer goed, betaald werk te vinden zijn veel te beperkt en te complex om effectief inclusief werk, een vereiste voor goed werk, mogelijk te maken. </em></p>
<p><em>Er zijn nu zo’n 400.000 mensen met een WIA-uitkering, dat aantal stijgt hard, zo hard dat er een groeiende wachtlijst is voor de medische keuring in de toegang tot de regeling. De groei zit volgens het UWV vooral in 60-plussers, die hoeven sinds 2023 niet meer medisch gekeurd te worden (alleen administratieve toetsing). Volgens de FNV komt de hoge instroom “doordat flexkrachten als wegwerpwerknemers worden behandeld, niemand bij ziekte meer naar ze omkijkt en de overheid dat gewoon toestaat. Aan het automatisme ‘uitgevallen, uitgerangeerd, WIA’ moet snel een einde komen. De flexverslaving van werkgevers is de bijl aan de wortel van onze sociale zekerheid.” (</em><a href="https://www.fnv.nl/nieuwsbericht/sectornieuws/flex/2024/02/fnv-stijging-arbeidsongeschikten-door-doorgeslagen"><em>https://www.fnv.nl/nieuwsbericht/sectornieuws/flex/2024/02/fnv-stijging-arbeidsongeschikten-door-doorgeslagen</em></a><em>). Flexwerkers hebben ruim twee keer zoveel kans om in de WIA terecht te komen dan werknemers met een vast contract. Van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte flexwerkers is slechts 30% aan het werk, terwijl wel 60% van de mensen werken als ze vanuit een vast contract deels arbeidsongeschikt zijn geworden. Flexwerkers komen dus niet alleen vaker in de WIA, ze zijn daar in de praktijk ook veel vaker volledig van afhankelijk. Voordat een zieke werknemer met een vast contract in de WIA terecht komt, is er vaak veel gedaan om dat te voorkomen. Er zijn talloze re-integratie mogelijkheden en gedurende twee jaar heeft een werknemer loondoorbetaling bij ziekte. Op de re-integratie verplichtingen voor de werkgever wordt bovendien streng getoetst. Er is met een vast contract ook een directe relatie met de werkgever en een transitievergoeding bij ontslag. Hoewel de situatie ook voor mensen met vast contract niet ideaal is, ontbreken al deze zaken bij flexwerkers, waar de ziekmelding in de meeste gevallen gevolgd wordt door een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarmee komt de rol van de werkgever grotendeels te vervallen. Werkgevers wentelen zo de risico’s van arbeidsongeschiktheid af op collectieve regelingen en de flexkrachten zelf. De overheid moet een einde maken aan de situatie waarin flexwerkgevers wél de lusten maar niet de lasten voor hun rekening nemen. Zij maken enorme winsten ten koste van hun hun personeel, collega-ondernemers en de staatskas, daar moet eigenlijk zo snel mogelijk een eind aan gemaakt worden.</em></p>
<p><em>Van de mensen in de WIA heeft 40% een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten; een uitkering op grond van de WIA), die zijn duurzaam volledig (&gt;80%) arbeidsongeschikt verklaard, en de rest heeft een WGA-uitkering (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten; ook een regeling op grond van de WIA), die zijn tijdelijk en/of deels arbeidsongeschikt verklaard. De IVA-uitkering is 75% van je laatst verdiende salaris, tot je met pensioen gaat (Het huidige kabinet wol dit verlagen naar 70%). De WGA-uitkering hangt af van je arbeidsverleden en van hoeveel je nog wel kan werken (‘arbeidsvermogen’). Voor beide uitkeringen geldt een maximum-uitkering (4660 euro per maand). Voor de WGA beoordeeld na de medische keuring voor mate van arbeidsgeschiktheid een arbeidsdeskundige het resterende arbeidsvermogen, die bepaalt wat voor banen je nog wel zou kunnen doen en wat je daarmee kan verdienen. Is dat minder dan 65% van je laatstverdiende salaris, dan krijg je een WGA-uitkering. Dat betekent dat met 35% of minder arbeidsongeschiktheid je dus nu niets ontvangt – velen kunnen echter hun werk niet meer doen. De eerste twee jaar dat je ziek bent is de werkgever verplicht je loon door te betalen, maar dat geldt niet voor flexwerkers. Daarna krijg je of WIA, of bijstand. Afhankelijk van je arbeidsverleden duurt een WGA-uitkering tussen de 3 en 38 maanden. Soms is er dan nog een – lagere – vervolguitkering mogelijk, anders val je nu terug in de bijstand. De gedachte achter de WIA was dat mensen nog zoveel mogelijk gedeeltelijk gaan werken naast hun WGA-uitkering. Dat gebeurt echter nauwelijks. Mensen die in de WAO zaten toen de WIA werd ingevoerd bleven in de oude regeling.</em></p>
<p><em>De regeling blijkt veel te complex. Er worden heel veel fouten gemaakt door het UWV bij het bepalen van het recht en de hoogte van de uitkering. Bijna iedere week blijken er weer meer slachtoffers hiervan te zijn en ook krijgen mensen soms een te hoge uitkering. De minister van SZW geeft op 18 maart 2025 in de Tweede Kamer aan dat de omvang van dit nieuwe uitkeringsschandaal nog steeds niet duidelijk is. Hij wil – net als wij – drastische vereenvoudiging en heeft beloofd om een hersteloperatie te starten, waarbij behoudens opzettelijke fraude geen uitkeringen teruggevorderd zullen worden. Anders dan de huidige NSC-minister van SZW hebben wij wel al een plan.</em></p>
<ol start="110">
<li><strong>Alle werknemers krijgen binnen een jaar wettelijk 100% doorbetaling van hun loon bij ziekte gedurende de eerste 2 jaar</strong> (nu is dat bij cao in sommige sectoren lager. <strong>De subsidieregelingen voor loondoorbetaling bij ziekte voor mensen met arbeidsbeperking worden tegelijkertijd verbeterd en deze komen ook beschikbaar voor 55-plussers en mensen die langdurig werkloos zijn geweest. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="111">
<li><strong>De bepaling van de mate van arbeidsgeschiktheid wegens een arbeidsbeperking ten behoeve van een WIA-uitkering of een garantiebaan al dan niet met loonkostensubsidie wordt onafhankelijk van de uitkeringsinstantie ingericht bij de Huizen van Arbeid. De rechtsbescherming hierbij wordt versterkt. De regeling bij de keuring gaan we drastisch vereenvoudigen met simpele rekenregels. De gemaakte fouten worden met hoge prioriteit opgelost zonder terugvorderingen.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="112">
<li><strong>We verlagen de grens om in aanmerking te komen voor een WIA/WGA-uitkering van 35% naar 15% arbeidsongeschiktheid.</strong> Daarmee komt deze grens in overeenstemming met de ILO-normen. Het is nu een ernstige van bestaanszekerheid dat mensen met 15-35% arbeidsbeperking geen voorziening hebben.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="113">
<li><strong>De resterende verdiencapaciteit in de WGA bepalen we niet langer door uit te gaan van 65% van het laatst verdiende loon, maar van 85% van het modale loon (hierdoor gaan lagere inkomens erop vooruit), en we verruimen de inkomenstoetsgrenzen net zoals bij het Zekerheidsinkomen (zie hierna). Flexwerkers krijgen rondom ziekte en re-integratie dezelfde ondersteuning, begeleiding en bescherming als reguliere werknemers.</strong></li>
</ol>
<p><em><u>Een nieuw inkomensvangnet: het Zekerheidsinkomen, en alle uitkeringen worden individueel</u></em></p>
<p><em>Het bestaande inkomensvangnet (de bijstand uit de Participatiewet) faalt compleet. Het maakt de problemen van mensen die onvrijwillig niet kunnen werken en waar geen andere voorziening voor beschikbaar is zelfs alleen maar groter. Het is vernederend, criminaliseert mensen onterecht en stigmatiserend. Het brengt mensen in uitzichtloze, overerfbare armoede en substantiële groepen hebben geen toegang tot het inkomensvangnet en er vinden onrechtvaardige kortingen plaats die de privacy en de vrijheid om zelf vorm te geven aan al dan niet samenwonen ernstig aantasten, de mogelijkheden voor mantelzorg beperken en de woningnood verergeren. Het is zeer urgent om dit inkomensvangnet te vervangen door een humaan, sociaal en effectief alternatief, het Zekerheidsinkomen. </em></p>
<p><em>De uitkeringen in onze verzorgingsstaat, en met name de bijstand als inkomensvangnet, is vastgelopen in een wantrouwend, contraproductief systeem van uitsluiting en uitzichtloze armoede. We gaan de bijstand geheel vervangen door een Zekerheidsinkomen, geheel ontkoppelt van de arbeidsbemiddeling. Alle uitkeringen worden individueel, zodat partnerschap geen financiële kwestie meer is voor mensen die de overheid nodig hebben. We vereenvoudigen het systeem enorm en versterken de rechtspositie van de ontvangers van uitkeringen. Hiervoor is al aangegeven dat het sociaal minimum fors wordt verhoogd. Ook de WW wordt verbeterd.</em></p>
<p><em>De huidige bijstand is het grootste probleem in de sociale zekerheid. Weliswaar voor een relatief kleine groep (eind 2024 iets meer dan 400.000 mensen; het aantal stijgt licht sinds ruim een jaar, vooral door meer instroom van jongeren met lage opleiding – het CBS speculeert over een covid-effect: door de pandemie waren er meer schoolverlaters zonder diploma en er zijn ook onder jongeren mensen met Long-Covid die niet in de WIA terecht komen) en door dalende uitstroom van niet-gepensioneerden), maar de groep die daarin zit ervaart doorgaans grote problemen. De bijstand is verworden tot een “Streng maar onrechtvaardig” systeem, zie bijv. de bundel ‘Streng maar onrechtvaardig – De bijstand gewogen’ onder redactie van Thomas Kampen, Melissa Sebrechts, Trudie Knijn en Evelien Tonkens, het Jaarboek 2020 van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, Van Gennip) en Zwartboeken van de FNV uit 2013 en 2020 over de bijstandsmisstanden bij gemeenten. </em></p>
<p><strong><em>Zwartboek FNV: gemeenten verdienen aan bijstandsgerechtigden</em></strong></p>
<p><em>Het Zwartboek staat vol met ervaringen van uitkeringsgerechtigden met gemeenten bij het werken met behoud van uitkering zoals dat zo mooi heet.<br />De kille praktijk is dat gemeenten verdienen aan het ´uitlenen´ van bijstandsgerechtigden aan bedrijven. Daarnaast verliezen bijstandsgerechtigden hun rechten, want zij kunnen geen beroep doen op het arbeidsrecht. Zij zijn nog steeds bijstandsgerechtigden die voor hun uitkering moeten presteren waarbij zij gekort kunnen worden op hun uitkering bij de kleinste aanleiding. Om het nog erger te maken kunnen zij ook nog verplicht worden extra scholing te volgen die zij van hun karige uitkering zelf moeten betalen.</em></p>
<p><em>De verhalen zijn geanonimiseerd omdat bij protest tegen het gebrek aan perspectief, over de arbeidsomstandigheden of de bejegening door leidinggevenden, door sociale diensten vaak gedreigd met korten op de uitkering.</em></p>
<p><em>Het FNV trekt de volgende conclusies:<br /><strong>– Gemeenten gebruiken bijstandsgerechtigde om kosten te drukken</strong><br />Gemeenten hebben een nieuwe vorm gevonden om de kosten van bijstandsgerechtigden te drukken: hen met behoud van uitkering werk te laten verrichten met een productieomzet. De inlener, vaak een regulier bedrijf, betaalt de gemeente hiervoor een inleenvergoeding. Op deze manier blijkt de gemeente Sittard-Geleen in een jaar tijd een half miljoen euro verdiend te hebben. De gemeente Montfoort leent goed bemiddelbare werkzoekenden uit en vraagt daarvoor een vergoeding.</em></p>
<p><em>– Er is sprake van <strong>verdringing</strong>:<br />Beter geïllustreerd kan het niet dan met het verhaal van een man die ontslagen wordt uit zijn betaalde baan en via de WW en de sociale dienst op dezelfde functie terug komt met behoud van uitkering.<br />Baliewerkzaamheden, digitalisering van archieven, groenvoorziening en het schoonhouden van de openbare buitenruimte worden steeds vaker uitgevoerd door uitkeringsgerechtigden.</em></p>
<p><em>– Geen kans op <strong>reguliere arbeid</strong><br />Uitkeringsgerechtigden klagen dat ze totaal geen uitzicht hebben op regulier werk. Scholing  moet  in eigen tijd en op eigen kosten.</em></p>
<p><em>– <strong>Negatieve bejegening</strong><br />De overheid roept bewust het beeld op van de bijstandsgerechtigde als profiteur die onder druk gezet moeten worden.<br />Protest daartegen leidt vaak tot dreiging met het intrekken van de uitkering.<br />Als je je maar genoeg inspant, kom je vanzelf wel aan het werk is de algemene opinie. Mensen zijn echter radeloos omdat ze niet uit hun uitzichtloze situatie komen en niets liever doen dan gewoon aan het werk gaan  als werknemer in plaats van als uitkeringstrekker.</em></p>
<p><strong><em> – De mogelijkheid van tegenprestatie wordt misbruikt</em></strong><em><br />Het leveren van een tegenprestatie lijkt belangrijker dan dat mensen aan het werk komen. Langdurig wordt van mensen voor de uitkering een tegenprestatie<br />verlangd. Terwijl wettelijk  een tegenprestatie kortdurend in tijd en omvang<br />moet zijn.  Zo eist Rotterdam bijvoorbeeld dat iemand voor minimaal<br />20 uur per week permanent vrijwilligerswerk zoekt als tegenprestatie,<br />in de gemeente Pijnacker is dat 8 tot 16 uur per week.</em></p>
<p><em>Werk met behoud van uitkering is een zachte uitdrukking voor de misstand die dwangarbeid heet. Dat gemeenten de gore lef hebben om ook nog eens aan het leed van uitkeringsgerechtigden geld te verdienen tart iedere verbeelding.</em></p>
<p><strong><em>Drie centrale problemen in de huidige bijstand</em></strong></p>
<p><em>De bijstand is het laatste vangnet met een uitkering en hulp om aan het werk te komen. Dat is althans de theorie. Het lijkt mooi, maar de praktijk is een stuk harder. Mensen in de bijstand krijgen onvoldoende geld om armoede en problematische schulden te voorkomen, ze worden gecriminaliseerd en vernederd, en maar een zeer klein deel komt succesvol weer duurzaam aan het werk. </em></p>
<p><em>We zullen hieronder deze drie problemen uitdiepen en vervolgens met een radicaal alternatief komen, ter oplossing van deze problemen. Een idee, net zo radicaal als indertijd de bijstand en de AOW waren bij hun invoering. Wat werd weggezet als ‘onrealistisch’ bleek toen wel degelijk maakbaar en inspirerend. Het is tijd voor een nieuw initiatief – een Zekerheidsinkomen, met een inclusief recht op betaald, goed en eerlijk betaald werk. Anderzijds zullen we ook een nog radicaler idee, een onvoorwaardelijk basisinkomen, als een onwenselijk neoliberaal idee ontmaskeren. </em></p>
<p><em>Eerst: over wie gaat het? Er zijn ruim 400.000 mensen in de bijstand, maar veel meer mensen zijn arm. De meeste armen werken zelfs. Zij hebben vaak geen toegang tot de bijstand.  De armoedenormen van CBS, SCP en Nibud zijn vervolgens zo streng dat veel bijstandsgerechtigden er zelfs niet aan voldoen. </em><em>Veel bijstandsgerechtigden kampen naast hun werkloosheid met problemen als schulden, scheiding, huiselijk geweld, dakloosheid en vaak een combinatie daarvan. De helft van de mensen in de bijstand geeft aan ziek te zijn, fysiek maar vooral psychisch, vaak depressief. En iedereen is arm.</em></p>
<p><strong><em>Eerste probleem: Onvoldoende geld</em></strong></p>
<p><em>De bijstandsuitkering geldt als het sociaal minimum om van te kunnen blijven leven. De Nibud-normen om van rond te komen zijn onrealistisch laag. De geraamde noodzakelijke kosten van levensonderhoud zijn in de praktijk vaak veel hoger: huur, zorg, energie, levensmiddelen. Zo gaat het Nibud uit van iets meer dan 2 euro voor een warme maaltijd voor een volwassene – voor kinderen wordt minder gerekend. Bij meerdere personen kort het deze bedragen ook nog eens fors: bij een driepersoonshuishouden met 20% en met een nog groter huishouden zelfs met 30%. Bij een eenpersoonshuishouden doet men een kleine plus van 10%.</em></p>
<p><em>Er is overvloedig bewijs dat de huidige niveaus voor grote groepen te laag zijn om niet in nog grotere armoede en problematische schulden te geraken. En steeds grotere groepen halen niet eens die te lage inkomensniveaus. De bijstand is zo laag dat je er bijna niet meer uit ontsnappen kunt, en dat geldt ook voor een groot deel van de kinderen die in armoede opgroeien. Daardoor nemen de problemen van deze mensen toe, met veel maatschappelijke kosten (werkverzuim, ziekte, arbeidsongeschiktheid, schuldhulpverlening, maatschappelijk werk, overlastbestrijding) tot gevolg. </em></p>
<p><em>Van de mensen met werk hebben zzp&#8217;ers vaker te maken met armoede dan werknemers en zelfstandigen met personeel. In 2018 leefde 6,9 procent van de zzp&#8217;ers onder de armoedegrens, onder werknemers was dat 1,5 procent en onder zelfstandigen met personeel 3,7 procent.</em></p>
<p><em>Ook is er een kleine groep gepensioneerden in schrijnende armoede. Zij hebben soms onvolledige AOW, en/of geen of nauwelijks aanvullend pensioen, en soms wel hoge lasten, bijv. aan zorgkosten.</em></p>
<p><em>Ja, soms vinden we het zielig dat mensen achterblijven. Dan maken we geld vrij voor nog meer hulpverleners, of we komen met nóg een potje, nóg een plannetje, nóg een proefballonnetje. Liever geld voor voedselbanken en sporten voor arme kinderen, in plaats van de armoede oplossen. Ook de € 100 mln. van Klijnsma voor armoede onder kinderen in 2016 zijn symptomatisch. SP, GL en PvdA kwamen deze maand met initiatief voor sporten voor lage inkomens. Elders pleiten partijgenoten om iets te doen tegen menstruatiearmoede. Opnieuw veel goede bedoelingen en nul resultaten. </em></p>
<p><em>Amsterdam heeft 35 (!) armoederegelingen. De meerderheid van Amsterdammers bleek er geen enkele te kennen. Veel geld blijft op de plank liggen en de uitvoering kost veel geld. De Rekenkamer van Enschede rekende uit dat van elke euro armoedegeld er 38 cent naar uitvoerende ambtenaren ging. In plaats van de regelingen simpeler maken richten we formulierenbrigades op. Bewindvoerders nemen steeds meer de financiële zaken over (de meeste bijzondere bijstand gaat naar bewindvoerders inmiddels). </em></p>
<p><em>De Kinderombudsman vroeg arme kinderen wèl wat zij het grootste probleem vonden. Niet schoolreisjes, muziek en sport voor deze kinderen. Deze kinderen bleken vooral ongelukkig te zijn omdat ouders geen tijd voor ze hebben en permanent gestrest zijn. Want dat doet armoede met mensen. </em></p>
<p><em>Rutte III gaf in het kader van de huidige crisis extra hulp aan de Voedselbanken, al blijft men bij de VVD armoede in ons land ontkennen. Er zijn inmiddels meer dan 170 Voedselbanken in ons land. In 2020 hielpen zij 160.500 mensen, een stijging van bijna 10.000 t.o.v. 2019. Het betreft  ruim 37.000 huishoudens en ook bijna 37.000 kinderen. Het zijn stuk voor stuk gedenktekens voor de gevolgen van decennia neoliberaal bezuinigingsbeleid. De vraag neemt tijdens de huidige crisis enorm toe – de organisatie houdt rekening met een stijging van 50%! De stijging is het grootst in de regio’s Rotterdam en Amsterdam. Om in aanmerking te komen voor voedselhulp gelden er strenge criteria. Vaak is er weinig keuze en het gaat ook vaak om producten die over de uiterste verkoopdatum zijn. Hoeveel moestuintjes de armen in ons land onderhouden – de oplossing van armoede van toenmalige staatssecretaris Jetta Klijnsma in Rutte II – is bij ons niet bekend…</em></p>
<p><em>De SER stelde voor een armoederegisseur aan te stellen. Fijn, een armoederegisseur, nog een hulpverlener die kan aanschuiven tijdens het ‘netwerkoverleg’ met de bewindvoerder, veldregisseur, jeugdregisseur, wijkregisseur, gezinsregisseur, participatieregisseur, maatschappelijk werker, consulent jeugd, re-integratieconsulent, verslavingsarts, wijkcoach, gezinscoach, jobcoach en schuldhulpverlener. Dat is een prijzig kopje koffie. Armoede valt ook niet weg te budgetcoachen. Van een Euro uitgegeven aan brood of groente valt ook door een budgetcoach geen twee Euro te maken. Armoede komt niet door luiheid of domheid. Vooroordelen daarentegen&#8230;</em></p>
<p><em>Al die hulpverleners willen mensen blijkbaar ‘zelfredzaam’ maken, zodat hun werk overbodig wordt. Frederik had een simpele vraag: ‘Hoe kan het dat steeds méér mensen bezig zijn zichzelf overbodig te maken?’ </em></p>
<p><em>Het beleid is alleen gericht op symptoombestrijding: voedselhulp, steun voor kinderen om te sporten en te leren en om mee te kunnen op schoolreisjes, een armoederegisseur. Er zijn tal van regelingen, met allemaal weer eigen voorwaarden en procedures. De onbekendheid ervan is enorm groot, de uitvoeringskosten ook. Maar de oorzaak van de problemen, geldgebrek, wordt niet aangepakt. </em></p>
<p><em>De uitkeringen zijn te laag om rond te kunnen komen, zo leerde ook de Tilburgse wethouder Esmah Lahlah, nu prominent lid van de GL-PvdA fractie in de Tweede Kamer en daar onder meer portefeuillehouder ‘armoede en participatie’. Tijdens haar experiment om een maand op bijstandsniveau te leven, ontdekte zij hoe het is om géén geld voor het avondeten te hebben en je honger met chips te stillen. In vijf supermarkten voortdurend op zoek moeten naar de goedkoopste aanbiedingen zoeken, bij de kassa je blikje tomatenpuree terug moeten brengen vanwege dat je net tekort kwam. Dat is de dagelijkse praktijk van armoede. </em></p>
<p><em>Aanvragen voor bijzondere bijstand voor onverwachte, extra uitgaven worden bijna standaard afgewezen. De Tilburgse bijstandsgerechtigde Hanny Heuvelink vertelde bij de talkshow Op1 in tranen over de vernederende behandeling van haar aanvraag voor een nieuwe stofzuiger. Hanny Heuvelink gooit het maar meteen op tafel. Ze had best wel haar aarzelingen bij het experiment van de Tilburgse wethouder Esmah Lahlah. In een maandje kun je toch nooit ervaren hoe het écht is om van een bijstandsuitkering te leven?  </em></p>
<p><em>Heuvelink: ‘Het eerste wat ik in een interview over haar ervaringen las, was dat ze de apk voor haar auto moest betalen en daar geen geld voor had. Ik dacht: hoezo een apk?’ Aan de tafel tegenover de wethouder, om op verzoek van het Brabants Dagblad ervaringen uit te wisselen, zegt Heuvelink het onomwonden: ‘Ik had echt buikpijn toen ik dat las. Een auto in de bijstand kan een vertekend beeld geven. Want je moet eerst je vermogen opmaken. Zelf heb ik geen rijbewijs, maar ik ken genoeg mensen die hun auto moesten verkopen of inruilen voor een goedkopere en de opbrengst moesten opmaken vóór ze een uitkering kregen.’ </em></p>
<p><em>De toen nog partijloze wethouder erkent in het gesprek ruimhartig dat het nooit een echte ervaring is, ook al moest ze in de laatste week overleven op paprikachips. De wethouder heeft een riant inkomen en een hypotheek die gewoon doorbetaald werd. Wakker liggen van de huur, dat hoefde dus niet. En misschien wel het belangrijkste: ‘Ik maakte zelf de keuze om dit een maand te doen. Ik wist dat het daarna weer afgelopen was.’ Voor Hanny Heuvelink (56) is het einde van de bijstand niet in zicht. Al meer dan dertig jaar niet. Met een grap tegen de wethouder: ‘Kun je ook een speldje krijgen als je 40 jaar in de bijstand zit?’ Hanny Heuvelink is geharnast met humor. Daaronder schuilen de kwetsbaarheden. De laatste dagen van de maand moest de wethouder haar maand met 5 cent uitzingen. ‘Dat doet echt iets met je. Bij alles denk je: dit kan dus niet. Hooikoortstabletten van 80 cent kon ik niet kopen. Zelfs als er post kwam, dacht ik: wat heeft het voor zin om die brief open te maken, misschien zit er wel een rekening tussen die ik toch niet kan betalen. Terwijl ik rationeel wéét dat je het toch moet doen. Ik vond dat heel moeilijk.’ </em></p>
<p><em>Hanny Heuvelink leeft al tientallen jaren zo. Een uitje naar pakweg de McDonald&#8217;s zat er voor haar en haar drie kinderen nooit in, vertelt ze bijvoorbeeld. En als ze het toch een keer deed, at ze zelf een boterham. Of niks. Tussen neus en lippen door meldt ze dat de verwarming nooit aan staat als ze alleen thuis is. En dat ze blij is dat alles door corona gesloten is. Nu hoeft ze nooit meer te vertellen waarom ze niet mee kan als iemand uit eten wil. Een relatie acht ze voor zichzelf alleen al om die reden niet haalbaar. ‘Of die ander moet ook in de bijstand zitten.’ Inmiddels zijn de kinderen van Hanny Heuvelink het huis uit. Pakweg 50 uur per week doet ze vrijwilligerswerk, op een plek waar buurtgenoten samen koken en een organisatie die mensen in armoede helpt. </em></p>
<p><em>Overigens bleek dat het college van B&amp;W in Tilburg daarna nog steeds de voorstellen handhaaft om 650.000 euro te bezuinigen op de minimaregelingen, te weten op de zgn. Mee doen regeling, de bijdrage ziektekostenverzekering voor minima en de individuele bijstandstoeslag voor minima die 5 jaar of langer in de bijstand zitten en geen enkele reserve meer hebben. Tijdens een raadsvergadering verschool het college zich achter ‘Den Haag’, maar het betreft hier toch echt een lokale bezuiniging, zoals de PvdA Tilburg terecht opmerkte. </em></p>
<p><strong><em>Tweede probleem: Criminalisering en vernedering</em></strong></p>
<p><em>Mensen in de bijstand worden gecriminaliseerd, vernederd en geïntimideerd met allerlei dwangmaatregelen. Ze worden weggezet als ‘onmaatschappelijken’, ‘labbekakkers’, als mensen die zichzelf onvoldoende inspannen en die ‘geprikkeld’ moeten worden tot goed gedrag, en tot het leveren van een tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering, dwangarbeid zonder loon, vaak vernederend, zelden gericht op perspectief naar betaalde arbeid en soms zelfs in strijd met de arbeidsomstandighedenwetgeving: papierprikken voor hooggeschoolden, dat zal ze leren! – liefst had men daarna het opgeprikte afval weer op de openbare weg gegooid opdat de volgende ploeg weer een uitdaging had. Het doet denken aan het graven van kuilen door werklozen die door een volgende ploeg werklozen weer moesten worden dichtgegooid, zoals in de jaren 1930 werd aanbevolen door de econoom John Maynard Keynes.  De toegangsdrempels om hulp te krijgen zijn voor velen onneembaar hoog geworden – eigen kracht moet eerst gerealiseerd worden om hulp te krijgen, terwijl het ontbreken van die eigen kracht nu natuurlijk vaak het probleem is dat opgelost zou moeten worden.</em></p>
<p><em>Dat ontspoort soms ernstig. In Tilburg dwong de gemeente tussen 2004 en 2011 ruim 800 bijstandsontvangers te werken met het giftige Chroom-6 in een werkplaats van de NS dochter NedTrain als tegenprestatie. Ze moesten verf van oude treinen schuren als onderdeel van hun reïntegratie. De verf bevatte de kankerverwekkende stof chroom-6. Een deel van de werklozen liep ernstige gezondheidsschade op. Een onafhankelijke commissie concludeerde in 2019 dat de gemeente Tilburg en NedTrain verantwoordelijk zijn voor het leed van de deelnemers. De gemeente en de NS boden excuses aan en gaven elke betrokkene 7000 euro. Mensen die ziek zijn geworden, kregen daar nog een bedrag bovenop variërend tussen de 5000 en de 40.000 euro. Naast het onderzoek van de onafhankelijke commissie deed het OM ook nog strafrechtelijk onderzoek. Justitie heeft in maart 2021 besloten over te gaan tot vervolging, hoewel een deel van de zaken is verjaard. Het OM stelt dat de gemeente Tilburg en NS onvoldoende voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers hebben gezorgd. Ze zijn in februari 2023 veroordeeld voor het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet milieubeheer. De gemeente Tilburg en NS-dochter NedTrain moeten ieder een boete van 250.000 euro betalen omdat ze bijstandsgerechtigden hebben blootgesteld aan de gevaarlijke stof chroom-6. De rechtbank spreekt van &#8220;een onaanvaardbaar gezondheidsrisico&#8221;. De rechtbank neemt het de twee partijen kwalijk dat ze nooit onderzoek hebben laten verrichten naar de mogelijke risico&#8217;s van de blootstelling aan de verf, terwijl algemeen bekend was dat in oude verf gevaarlijke stoffen kunnen zitten. De gemeente en NedTrain hebben daarmee een onaanvaardbaar risico genomen, aldus de rechtbank. De gemeente en NedTrain zijn volgens de rechtbank ernstig tekortgeschoten in hun zorgplicht. Zo kregen de deelnemers geen voorlichting en niet de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen om met chroom-6 te werken. &#8220;De werkplaats van NedTrain was niet ingericht om te werken met gevaarlijke stoffen. Bij het schuren kwamen enorme hoeveelheden stof vrij. Deelnemers waren verplicht de werkzaamheden te doen omdat hun uitkering anders zou worden gekort of stopgezet&#8221;, aldus de voorzitter van de rechtbank in Rotterdam. &#8220;Beide hebben deze situatie veel te lang laten voortduren zonder onderzoek te doen naar mogelijke gezondheidsrisico&#8217;s voor de deelnemers.&#8221; De rechtbank heeft gebruikgemaakt van een regel in het wetboek van strafrecht waardoor een hogere boete kan worden opgelegd dan eigenlijk kan. Het maximale bedrag zou eigenlijk 74.000 euro zijn, maar dat is, volgens de rechter, te weinig voor de twee organisaties met enorme begrotingen. Daarom is de maximale boete van 250.000 euro opgelegd aan beide partijen. Over de gemeente Tilburg zegt de rechtbank ook dat die een voorbeeldfunctie heeft als overheidsorganisatie.</em></p>
<p><em>Het recht op bijstand als laatste inkomensvangnet is uitgehold door de wet vol te hangen met verplichtingen en voorwaarden. Er is een inlichtingenplicht, een identificatieplicht, een arbeidsplicht, een budgetteringsplicht, een alimentatieplicht, een schuldhulpverleningsplicht, een medewerkingsplicht, een taaleis en een tegenprestatie. Naast een inkomens- en vermogenstoets (incl. de partner) en een kostendelersnorm, en een wachttijd voor jongeren. Dat handhaven we strikt met een enorm en kostbaar controleapparaat.</em></p>
<p><em>Deze verplichtingen zijn zeer streng en grijpen diep in de privacy. Als je een tijdje blijft slapen bij iemand, moet je dat doorgeven. Blijf je langer dan een dag in het buitenland, moet je dat doorgeven. Voor het uitvoeren van vrijwilligerswerk en mantelzorg moet je vooraf toestemming vragen. Extra inkomen, ook in natura, zoals giften met boodschappen en ergens gratis eten, of een teruggave van je energierekening of verkoop van iets op Marktplaats, moet je melden. Dure uitgaven moet je kunnen verantwoorden. Dat kan aanleiding geven tot kortingen, terugvorderingen en boetes. </em></p>
<p><em>De partnertoets en de kostendelersnorm zijn aanleiding voor de meeste controles, terugvorderingen en sancties. De controle is Orwelliaans: kliklijnen, camera’s, huisdoorzoekingen, volgen van verkeer en sociale media/websites, ook met nepaccounts, controle bankafschriften, belgegevens, nota’s, OV-chipkaarttransacties. Sociale rechercheurs menen te mogen kijken in de keuken- en nachtkastjes, de wasmand doorzoeken, stiekem bij de deur posten en camera’s plaatsen, speuren naar schimmen op de slaapkamer en op tandenborstels tellen, intimiderende en manipulerende verhoren. De lijst van voorbeelden van schandelijke praktijken door gemeenten is eindeloos.</em></p>
<p><em>Kliklijnen geven ruim baan om anoniem bijstandsontvangers te kunnen aangeven wegens veronderstelde bijstandsfraude. Het aantal meldpunten voor bijstandsfraude is sinds 2013 verdrievoudigd (van 44 naar 149 in 2019, naar 196 in 2021 en naar 208 van de 342 gemeenten), daar komen jaarlijks minimaal 9000 tips binnen (</em><a href="https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederlanders-verklikken-elkaar-vaker-bij-de-overheid-aantal-meldpunten-bijstandsfraude-verdrievoudigd~b910f378/"><em>https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederlanders-verklikken-elkaar-vaker-bij-de-overheid-aantal-meldpunten-bijstandsfraude-verdrievoudigd~b910f378/</em></a><em>, </em><a href="https://eenvandaag.avrotros.nl/item/klikken-over-uitkeringsfraude-dat-kan-in-steeds-meer-gemeenten-maar-ook-kritiek-neemt-toe/"><em>https://eenvandaag.avrotros.nl/item/klikken-over-uitkeringsfraude-dat-kan-in-steeds-meer-gemeenten-maar-ook-kritiek-neemt-toe/</em></a><em>).</em></p>
<p><em>Op basis van anonieme tips, vaak gedaan door exen of buren die proberen de persoon een hak te zetten – worden onderzoeken gestart waarbij niet alleen de privacy wordt geschonden maar die vaak ook schade berokkenen aan de betrokken personen. Hoewel de overheid zich niet hoort te bemoeien met je persoonlijke of liefdesrelaties, moeten mensen in de bijstand zich over de gekste dingen verantwoorden. </em></p>
<p><em>Een aantal schrijnende voorbeelden:</em></p>
<p><em>Iemands uitkering was stopgezet, omdat de dienst had geconstateerd dat haar gordijnen altijd dicht waren. ‘Woont u daar nog wel?’ was de verdenking. ‘Terwijl ik in die periode in een zeer zware depressie zat.’ </em></p>
<p><em>Een 45-jarige vrouw werd zo beschuldigd van fraude omdat ze niet zou hebben gemeld dat ze samenwoonde. Als bewijs voerden de rechercheurs aan dat haar vriend haar dochter ’s ochtends met de auto naar school bracht, de indruk wekkend dat deze wederzijdse zorg standaardpraktijk was. Dat haar dochter haar been had gebroken en van haar heup tot aan haar voet in het gips zat werd er gemakshalve niet bij vermeld. </em></p>
<p><em>Sandia, een vrouw die bedreigd werd door haar ex en daardoor vaak een buurman over de vloer had ter bescherming, kreeg door toedoen van die zelfde ex de sociale dienst op haar dak omdat ze met die buurman zou samenwonen. Ze werd uiteindelijk vrijgesproken, maar niet nadat de sociale dienst haar op alle mogelijke manieren probeerde te betrappen op een misstap. Vier rechercheurs bleken haar in zestig dagen tijd 97 keer (!) te hebben bespied, aldus het rechtbankverslag, onder meer met een camera, verborgen in een voor haar flat geparkeerde auto, en met auto-achtervolgingen terwijl ze haar tweelingzoons naar voetbal bracht of boodschappen deed. Een ‘ernstige inbreuk’ op het respect voor het privéleven, vond de rechter. Rechercheurs ondervroegen zelfs haar destijds 9-jarige zoons tijdens het buitenspelen over hoe vaak de buurman bij hun moeder was, vertelde Sandia’s advocaat Nawid Fakiri. </em></p>
<p><em>Een man uit Bunschoten nam zo’n verhoor stiekem op en liet het horen aan de Volkskrant. In de opname is meermaals te horen hoe rechercheurs zijn woorden verdraaien of hem belastende uitspraken in de mond proberen te leggen, en hem continu onderbreken als hij beschuldigingen ontkent of nuanceert. Dat hij de meeste kleren thuis heeft liggen, probeerden de rechercheurs tijdens het verhoor te verdraaien tot ‘terwijl je eigenlijk alles bij hem hebt liggen’. Van twee keer per week thuis de was doen maken ze in het opgemaakte verslag dat zijn vriend vooral de was doet. En van dat hij dikwijls bij zijn geliefde eet, maar ook regelmatig bij zijn ouders of vrienden, blijft in het verslag niets anders over dan ‘We eten samen’. De man barst in tranen uit als een rechercheur hem aanraadt te verhuizen omdat hij homo is. ‘Maar het zou ook goed zijn hè, gezien de situatie, dat jij lekker uit Bunschoten verdwijnt’, zegt de rechercheur na 50 minuten. ‘Want het is nog steeds een issue als je homo bent, snap je? Dat is zo. In Huizen of Soest of in grotere plaatsen, daar is het normaal. Snap je wat ik bedoel?’ </em></p>
<p><em>In een verdenking van niet gemeld samenwonen door een bijstandsontvanger in Hulst bleek bij de rechtbank dat de gemeente Hulst in nog geen vier maanden tijd meer dan 100 ‘observaties’, vooral bij haar huis, door in totaal 5 rechercheurs. Daarnaast volgden zij haar 16 keer met de auto en brachten zij in kaart waar ze haar dochtertje naar school bracht, waar ze boodschappen deed en welke adressen ze bezocht. De rechtbank van Middelburg stelde haar in het gelijk bij haar klacht op grond van ‘stelselmatige observaties in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens’ (</em><a href="https://www.pzc.nl/zeeuws-vlaanderen/jacht-op-bijstandsfraude-gaat-te-ver-je-voelt-je-een-zware-crimineel~a35a83bb/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F"><em>https://www.pzc.nl/zeeuws-vlaanderen/jacht-op-bijstandsfraude-gaat-te-ver-je-voelt-je-een-zware-crimineel~a35a83bb/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F</em></a><em>). Toch gaan deze praktijken bij veel gemeenten nog steeds door.</em></p>
<p><em>Jesse Frederik vertelt in zijn Den Uyl lezing van 2017 over Anna en Germaine. “</em><em>Het begon met een paar anonieme meldingen bij de gemeente Heerhugowaard. ‘Al meer dan zes maanden woont een neger op nummer veertien’, vertelde een buurtbewoner. ‘Het betreft een neger’, bevestigde een tweede. ‘Een onsympathiek figuur met veel praatjes.’ De gemeente besloot onmiddellijk poolshoogte te nemen bij Anna, die op nummer veertien woonde. Er werd een camera opgehangen om te observeren hoe de voordeur van de woning werd geopend en er, ik citeer uit het dossier van de sociale recherche, ‘een donker gekleurde man naar buiten kwam om in een groene Mitsubishi te stappen’. De ambtenaren noteren: ‘Het haar van de man zit strak achterover en hij lijkt een dun staartje te hebben.’ Na een jaar onderzoek weet de gemeente genoeg. Er woont ene Germaine op nummer veertien. Het is tijd voor actie. Anna heeft net haar zoontje naar school gebracht als de politie met loeiende sirenes voorrijdt. Tijdens de inval in haar woning treffen de agenten ‘bewijsstukken’ aan: herenkleding, giroafschriften waaruit blijkt dat Anna en Germaine, ik citeer, ‘samen gebruikmaken van de diensten van een escortdame’, en dagboeken, waarin Anna seksuele dromen met Germaine heeft opgetekend. Dan nu de grote vraag: wat hadden Anna en Germaine eigenlijk misdaan? Ze woonden samen, althans dat vond de sociale dienst. En dit was nooit aangegeven op het ‘rechtmatigheidsonderzoeksformulier’. Het gevolg? Anna’s uitkering werd stopgezet en ze moest drie jaar aan bijstand à 49.362 euro terugbetalen. Op haar schamele bijstandsinkomen betekent dat nog maar 82 jaar aflossen – een fraudeschuld komt namelijk niet in aanmerking voor schuldsanering. Anna en Germaine zijn een schrijnend voorbeeld van de kloof tussen de systeemwereld en het echte leven. Want natuurlijk bestaat er een schemergebied tussen ‘alleenstaand’ en ‘samenwonen’. Anna heeft een soort van vriend, die komt enkele dagen per week over de vloer, maar ja, woon je dan samen? Germaine had in de tussentijd nog een kind verwekt bij een andere vrouw – wil je daar dan mee samenwonen? Wil je daar financieel afhankelijk van zijn? Voor de sociale dienst was ‘samenwonen’ een administratieve handeling, voor Anna was het een emotionele beslissing. Na bezwaar en hoger beroep – we zijn dan een jaar verder – krijgt Anna gelijk. Het leven van haar en haar zoontje is dan al op z’n kop gezet, ambtenaren hebben haar dagboeken gelezen en er zijn honderden uren besteed aan een bizarre heksenjacht.”</em></p>
<p><em>Naast het niet doorgeven van een vermeende partner is het vermeend niet doorgeven van inkomen de grootste oorzaak van sancties in de bijstand. Veel gemeenten hanteren idioot strenge regels voor giften en andere inkomsten en steken veel geld in de handhaving daarvan. Tussen gemeenten bestaat er veel rechtsongelijkheid bij bijstandsgerechtigden.</em></p>
<p><em>Veel aandacht kreeg wat wel genoemd is ‘Boodschappengate. ‘Twee broden. Drie zakken sla. Een doos met acht stukjes vlees.’ Bij het </em><a href="https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:4746&amp;showbutton=true&amp;keyword=Wijdemeren+boodschappen"><em>lezen van het vonnis</em></a><em> is het alsof hij voor je ogen wordt uitgepakt, die boodschappentas die die bijstandsmevrouw uit Wijdemeren drie jaar lang wekelijks van haar moedertje kreeg. ‘Twee dozen eieren. Wc-papier. Koffie.’ Het waren wel dure merkartikelen merkte de controleurs op. Niet bij de Aldi, maar bij de AH. Daar was de bijstand kennelijk niet voor bedoeld. De vrouw schond volgens de gemeente de inlichtingenplicht door dit niet te melden. De waarde van de boodschappen werd daarom in mindering gebracht op de bijstandsnorm. De vrouw was het niet eens met de terugvordering en stapte in oktober 2019 naar de rechter, maar die verklaarde haar beroep ongegrond. De uitspraak leidde tot grote verontwaardiging. </em></p>
<p><em>Nadat de gemeente er daarop nog eens naar keek vond men het nog steeds een ‘rechtvaardig besluit’. </em><em>De inwoonster kreeg vanaf 2015 een uitkering en had ook recht op toeslagen, aldus de gemeente. In 2018 bleek dat zij sinds 2015 geen aantoonbare uitgaven voor levensonderhoud had gedaan, maar wel in het bezit was van een auto en een motor. ‘Uit het duurdere segment’, volgens de gemeente. Mensen die in de bijstand zitten, zijn verplicht om veranderingen in hun vermogen (het bezit van de auto en motor) en hun inkomen (de gratis boodschappen) te melden, maar de Wijdemerense bijstandsmevrouw heeft dat niet gedaan. Ook meldde ze niet dat ze in het buitenland was geweest, zegt de gemeente. ‘Het staat iedereen vrij om zelf te besluiten waar je je geld aan uitgeeft, maar dat kan niet ten koste gaan van uitgaven waarvoor de bijstand is bedoeld, namelijk de kosten van levensonderhoud’, verklaarde de CDA-wethouder. </em></p>
<p><em>Volgens de advocaat van de vrouw waren de auto en de motor bij elkaar hooguit ‘enkele duizenden euro’s’ waard en gaat de gemeente ten onrechte uit van de nieuwbouwwaarde om haar cliënt in een negatief daglicht te stellen en had de vrouw bovendien het bezit daarvan wel degelijk zelf gemeld bij het aanvragen van de uitkering in 2015. Het hoger beroep in deze zaak loopt nog steeds. </em></p>
<p><em>RTL (</em><a href="https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5205756/zo-het-om-de-bijstand-te-leven-ik-moet-alles-verantwoorden"><em>https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5205756/zo-het-om-de-bijstand-te-leven-ik-moet-alles-verantwoorden</em></a><em>) </em><em>berichtte over een jonge man die zijn uitkering gestopt zag omdat hij het inlichtingenformulier over eigen inkomsten niet had ingeleverd, terwijl het hoofd sociale zaken hem had gezegd dat hij dat niet hoefde te doen als hij geen eigen inkomsten had. Een meneer had een gedeeltelijke korting op zijn uitkering. Omdat? ‘Ik had niet doorgegeven dat ik een treinkaartje van mijn vader had gekregen om naar de verjaardag van oma te gaan.’ </em></p>
<p><em>Ook als het geen gift is, maar een terugbetaling, krijg je problemen. ‘Ik had 60 euro uitgeleend aan mijn moeder voor boodschappen, en toen die terugbetaalde, oordeelde de gemeente dat als inkomsten.’ Pas met juridische ondersteuning verdween een dreigende korting van tafel.</em></p>
<p><em>Wie goed doet, goed ontmoet. Maar niet in de Participatiewet. Een cliënt kookte vrijwillig voor een vriendin die zorgde voor twee terminale naaste familieleden. Die vriendin betaalde de boodschappen terug, via de bankrekening. Dat kwam uit: flinke korting en boete! </em></p>
<p><em>Maar zelfs als het niks is, moet je het opgeven… ‘Out of the blue is gestopt met de uitkering omdat ik een spaarrekening had&#8230; met wel 10 hele centen erop&#8230;’ Ook hier hielp alleen een advocaat. </em></p>
<p><em>Iemand werd verhoord, omdat ze minder boodschappen deed dan het Nibud als norm hanteert. Zuinigheid is dus ook verdacht. </em></p>
<p><em>Iemand anders wist ondanks de lage uitkering toch iets te sparen. ‘Ik was na lang sparen op vakantie gegaan.’ De consulent hoonde: ‘Ik wist niet dat je van een uitkering kon sparen.’ Verdacht dus: aantonen hoe je aan dat geld kwam. </em></p>
<p><em>Iets verkopen is ook tricky, ook al is het je eigendom. Iemands uitkering werd gestopt, omdat hij zijn boeken via internet verkocht. Een ander moest als tegenprestatie werken bij een kringloopwinkel. Die weer spullen verkocht op een braderie. ‘Ze hebben me zien verkopen.’ Dat leidde tot grote problemen. </em></p>
<p><em>Een ander voorbeeld speelde bij de hoogste instantie in sociale zekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB). In deze zaak had een  bijstandsgerechtigde beroep aangetekend tegen de inhouding van een bedrag van 360 euro op zijn uitkering. Het betrof hier een lening ter dekking van deurwaarderskosten. De betrokken bijstandsgerechtigde had onmiddellijk nadat de lening was overgemaakt op zijn rekening het openstaande bedrag bij de deurwaarder voldaan. De gemeente stelde in deze zaak dat betrokkene op het moment dat het bedrag op zijn rekening stond, hierover vrij kon beschikken. Om die reden diende de lening aangemerkt te worden als middel in de zin van de Participatiewet. De CRvB ging hier in mee en concludeerde dat de gemeente terecht het bedrag van 360 euro had teruggevorderd. </em></p>
<p><em>Hetzelfde gebeurt vaak bij leningen van familieleden, vooral in gezinnen met niet-westerse afkomst een veel voorkomende praktijk, waarbij weinig wordt vastgelegd. Bij de rechter kan men dan het karakter van een lening niet bewijzen. </em></p>
<p><em>Sociaal advocaat Dick Brouwer vertelt in het eerder genoemde FNV-Zwartboek over de bijstand: ‘Een tijd geleden meldde een cliënt zich, omdat zijn bijstandsuitkering was stopgezet. Op basis van een anonieme tip stelde de gemeente dat hij bij een scootercentrum zou werken. De man kwam daar immers regelmatig, droeg een  werkuniform en at met de medewerkers een boterham mee. Zijn vader was vroeger bevriend met de baas van dat centrum en kende de man van kinds af aan. Eén en één is twee vond de gemeente: de man had de inlichtingenplicht geschonden, fraude gepleegd en onterecht een bijstandsuitkering genoten. Wat was er werkelijk aan de hand? Mijn cliënt had vroeger bij de gemeentelijke groenvoorzienig gewerkt en droeg bij gebrek aan kleding dat uniform nog steeds. Bovendien wist de eigenaar van het scootercentrum dat hij in de schulden zat, nauwelijks kon rondkomen. Hij liet hem mee-lunchen. De gemeente probeerde nog aan te tonen dat een boterham financiële waarde heeft, die had moeten worden opgegeven. Maar in kort geding hebben we de zaak gewonnen.’ </em></p>
<p><em>Een andere casus van hem is nog meer verbijsterend. ‘Een bewindvoerder benaderde me, omdat zijn cliënt geen bijstandsuitkering meer kreeg. Zijn cliënt had geen gehoor gegeven aan het schriftelijke verzoek van de gemeente om langs te komen voor een gesprek. Omdat hij analfabeet is had hij wél met de gemeente gebeld om te vragen wat er in die brieven stond. Telefonisch kreeg hij daar geen antwoord op. Toen zijn uitkering werd stopgezet, informeerde de bewindvoerder bij de gemeente waarom er geen contact met hém was opgenomen. Hij was immers contactpersoon. ‘Dat doen we nooit’, luidde het antwoord. De gemeente weigerde dit ‘misverstand’ samen recht te zetten. ‘Via een kort geding moesten we de stopzetting van de uitkering aanvechten. Tijdens die rechtszaak waren de vooroordelen niet van de lucht. Mijn cliënt vertelde dat hij, los van dat hij niet in staat was die brieven te lezen, niet zomaar elke dag bij de gemeente op gesprek kon komen. Hij werkte namelijk vier dagen per week bij de gemeentelijke groenvoorziening. Waarop de rechter direct concludeerde dat hij dus bijkluste naast zijn uitkering. Fraude! Onjuist vooroordeel. Hij kluste niet bij voor geld maar werkte daar onbetaald als tegenprestatie op last van dezelfde gemeente als vrijwilliger. De rechter vroeg de bewindvoerder of hij al een nieuwe uitkering had aangevraagd voor zijn cliënt. Nee, dat had hij nog niet gedaan. De vraag of de gemeente onzorgvuldig had gehandeld kwam niet eens aan bod. Want zo overwoog de rechter: de bewindvoerder had een nieuwe bijstandsaanvraag kunnen indienen. Dus niet de gemeente maar de bewindvoerder kreeg de schuld. De gemeente komt overal mee weg.’</em></p>
<p><em>Zelfs met vrijwilligerswerk is het oppassen. Bij een cliënt die vrijwilligerswerk niet op tijd had opgegeven, werd de onkostenvergoeding gezien als inkomen en op de uitkering gekort. En ja, wat is vrijwilligerswerk? Niet tijdig opgeven van een incidentele vergoeding van iets meer dan 100 euro voor meewerken aan een eenmalig cultureel evenement, leidde tot ‘terugbetalen’ en drie maanden ‘voorwaardelijke’ strafkorting. Nog geluk gehad? </em></p>
<p><em>Een paar jaar geleden werd de zaak over de schoonmoeder van Lange Frans breed uitgemeten in de media. Het ging hier om een bijstandsgerechtigde die in verband met een nekhernia was vrijgesteld van de arbeidsverplichting. Haar uitkering van bijna 35.000 euro werd teruggevorderd nadat zij de gemeente Amsterdam had verteld regelmatig op haar kleinkinderen te passen. Oma had de Sociale Dienst moeten inlichten over deze ‘op geld waardeerbare arbeid’, zo oordeelde de rechtbank in 2014. </em></p>
<p><em>In 2022 was een advocaat bezig een hoger beroep aan het voorbereiden in een zaak waarin een ernstig geestelijk zieke man ervan wordt beticht te werken in het restaurant van zijn zoons. Bij wijze van dagbesteding kwam hij daar vaak. Thuis worden zijn schizofrenie, wanen en psychoses hem te veel. Maar omdat hij op een werkvloer komt, werkt hij, is de conclusie. Alle psychiatrische rapporten ten spijt. De gemeente concludeerde dat hij zijn psychiaters wel om de tuin zal hebben geleid. Hoe hij dat zou hebben gedaan, vertelde men er niet bij. Omdat hij de inlichtingenplicht zou hebben overtreden, werd 280.000 euro teruggevorderd. Via een acceptgiro. De bijstandsuitkering werd stopgezet. Er zijn in deze zaak al drie procedures gevoerd. De laatste stand was dat als hij en zijn vrouw nooit meer een beroep doen op de bijstand, de gemeente bereid was de terugvordering in te trekken. Dat voorstel is op advies van de advocaat aanvaard. ‘Het is treurig dat bijstandsgerechtigden steeds meer gecriminaliseerd worden. Bij een anonieme tip of een vermoeden, trek je al gauw aan het kortste eind. Er is nauwelijks inlevingsvermogen of mededogen,’ aldus deze advocaat.</em></p>
<p><em>Gemeenten sanctioneren bijstandsfraude op grote schaal (</em><a href="https://www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/nieuws/gemeenten-bestraffen-bijstandsfraude-op-grote.15795815.lynkx"><em>https://www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/nieuws/gemeenten-bestraffen-bijstandsfraude-op-grote.15795815.lynkx</em></a><em>). Burgers die zo’n sanctie aanvechten, krijgen veelal nul op het rekest. Maar in de meeste gevallen komt het niet tot bezwaar en beroep. Gemeenten blijken ook weinig bij te houden over handhaving en sanctionering. In gemeenteraden durft niemand het voor de veronderstelde fraudeurs op te nemen. Voor zover er onderzoek gedaan is blijkt dat er door gemeenten maar weinig wordt onderzocht of er een dringende reden is om van invordering af te zien – de enige wettelijke grond voor gemeenten om niet terug te vorderen. Bij geen enkele rechtelijke uitspraak lijkt deze grond te zijn toegepast. </em></p>
<p><strong><em>Derde probleem: Weinig succesvolle uitstroom naar betaald werk uit een uitkering</em></strong></p>
<p><em>Ongeveer 1 miljoen mensen in ons land willen en kunnen werken maar doen dit nu niet, of willen meer uren werken. Ook hebben 1,6 miljoen mensen een uitkering. </em></p>
<p><em>In de bijstand is 70% van populatie langdurig afhankelijk van die uitkering. Na 2 jaar is de kans op re-integratie gedaald naar 5%. Komen ze toch weer aan het werk, dan is dat vaak tijdelijk, waarna men weer terugvalt in de uitkering. Een relatief kleine groep (70.000) legt het hoofd zelfs definitief in de schoot. Dit betreft ook jongeren. Re-integratie vanuit WIA/Wajong is ook heel laag.</em></p>
<p><em>Het systeem komt nu ook te laat in actie: het komt pas in actie als men een uitkering heeft, niet proactief door ander werk te regelen bij gezondheidsproblemen of bij dreigend verlies van werk. </em></p>
<p><em>En er is te weinig oog voor menselijk kapitaal en de waarden van werk: UWV en gemeenten laten zich primair leiden door de vraag welke ondersteuning de kortste route naar werk oplevert. Scholing is dat vaak niet en wordt dan ook weinig ingezet. De immense bezuinigingen op het budget versterkt deze trend. Wat mensen intrinsiek beweegt en waar ze dus warm voor lopen blijft nu onderbelicht. Dit is funest voor de veerkracht en motivatie van mensen. Uitvoeringsinstanties worden ook niet beoordeeld op de mate waarin zij erin slagen om de waarden van werk duurzaam te waarborgen.</em></p>
<p><em>De huidige financiële prikkels bij gemeenten werken averechts: snelle uitstroom uit bijstand levert gemeenten nu besparing op bijstandsuitgaven op, geld wat ze zelf mogen houden en vrij besteden. Tekorten moeten gemeenten zelf aanvullen. Dit prikkelt gemeenten om een kosten-batenanalyse te maken voordat besloten wordt tot re-integratie. De consequentie hiervan is dat gemeenten zich richten op de meest kansrijke kandidaten. Vooral in grote steden leidt dit ertoe dat mensen ‘met een lage loonwaarde’ met rust worden gelaten, informeel ontheven van de sollicitatieplicht en zo in feite afgeschreven van de arbeidsmarkt. Kansen worden zo verspilt. Bezuinigingen, vaak juist in tijden van crises op de arbeidsmarkt (Rutte I en II!), versterken dit effect. </em></p>
<p><em>Integrale aanpak van problemen bij de werkzoekende komt nauwelijks van de grond. Ieder terrein heeft zijn eigen regelingen en voorwaarden, vaak gemotiveerd om oneigenlijk gebruik en fraude te voorkomen. De schotten belemmeren echter effectieve maatwerkoplossingen. Daar komt bij dat aanvraag- en uitvoeringsprocessen uit oogpunt van efficiëntie zijn gestandaardiseerd en gedigitaliseerd. De dienstverlening is daardoor te weinig persoonlijk en bovendien niet voor iedereen toegankelijk. Het zelfredzaamheidsniveau van burgers wordt structureel teveel overschat.</em></p>
<p><em>De groeiende fragmentatie van wet- en regelgeving maakt het bestaande systeem complex. Bijv. de regelingen voor bijverdienen en verrekening van inkomsten in de bijstand zijn ingewikkeld, hetgeen foutenkans vergroot en daarmee kans op terugvorderingen en sancties. Ook de terugvorderingen bij toeslagen veroorzaken veel problemen. Dit stimuleert mensen om terughoudend te zijn bij het aanvaarden van betaald werk. </em></p>
<p><em>Werkgevers zijn terughoudend om mensen die aan de kant staan weer in dienst te nemen. En hoe langer aan de kant, hoe groter die terughoudendheid. Financiële prikkels om dat toch te bevorderen zijn maar beperkt effectief en bovendien complex vormgegeven. Duurzame plaatsingen van niet-kansrijken zijn zeldzaam. Werkgevers stellen dat er te weinig geschikte vacatures zijn en dat matching van wensen/mogelijkheden van werkgever en werkzoekende ingewikkeld en kostbaar is. Er zijn teveel vluchtpaden om aan afgesproken verplichtingen te ontkomen.</em></p>
<p><em>Een aanname achter de wet is dat (vrijwel) iedereen in de Participatiewet bemiddelbaar is naar betaald werk. Het SCP: “Dit blijkt echter in de praktijk volgens gemeenten en bijstandsgerechtigden voor een deel van de groep niet realistisch, zo liet de evaluatie van de Participatiewet zien. Zo kan van de circa 400.000 bijstandsgerechtigden naar schatting ruim een derde nu nog niet betaald werken, maar op termijn wel, en nog eens een derde kan ook in de toekomst geen betaald werk verrichten, vaak vanwege gezondheidsproblemen. Deze mensen zitten vaak langere tijd in de bijstand en kampen soms met problemen op meerdere levensgebieden, zoals gezondheid, huisvesting, gezinssituatie, en schulden. Dit werpt de vraag op hoe het landelijk beleid en de gemeenten deze groep bijstandsgerechtigden de ondersteuning kunnen bieden die past bij hun mogelijkheden en omstandigheden. Ook is de vraag of het volstaat om de ondersteuning aan bijstandsgerechtigden in te richten rond het begeleiden naar betaald werk, of dat het beleid ook ingezet zou moeten worden op alternatieve uitkomsten die voor mens en maatschappij wenselijk zijn, zoals andere vormen van participatie en kwaliteit van leven.”</em></p>
<p><em>Het SCP deed daarop een vervolgonderzoek (‘Vertrouwen in de bijstand’, </em><a href="https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2024/11/05/vertrouwen-in-de-bijstand"><em>https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2024/11/05/vertrouwen-in-de-bijstand</em></a><em>), waarbij vooral opvalt dat de dwang bij maatschappelijk participeren, al dan niet met betaald werk, in het geheel niet wordt behandeld. Benadrukt wordt alleen dat betaald werk niet voor iedereen, ook niet op termijn, haalbaar is, en dat er daarom soms ook genoegen genomen moet worden met andere vormen van participatie, al dan niet tijdelijk. Daar zou in de nieuwe Participatiewet rekening mee moeten worden gehouden. Geconcludeerd kan worden dat het SCP net als de huidige minister van SZW nog vast zitten in het frame van dwang bij een participatiesamenleving. </em></p>
<p><em>Het SCP concludeert in zijn Eindevaluatie dat de Participatiewet is mislukt:</em></p>
<ul>
<li><em>WSW-doelgroep minder aan het werk (baankans van 55% naar 39%, veelal tijdelijke, kleine banen)</em></li>
<li><em>Baankans klassieke bijstandsontvangers bleef laag (7-8%), veelal tijdelijk werk</em></li>
<li><em>Baankans jonggehandicapten iets gestegen (van 29 naar 38%, veelal tijdelijk deeltijdwerk, financiële situatie verslechterd)</em></li>
</ul>
<p><em>De huidige arbeidsbemiddeling bevorderd flexwerk:</em></p>
<ul>
<li><em>Het begrip passend werk is losgelaten</em></li>
<li><em>Verplichte inschrijving bij uitzendbureaus</em></li>
<li><em>Draaideurconstructies met subsidie van flexwerkgevers (Wmo-vervoer bijv.)</em></li>
<li><em>Flextensie en Schakelkans (rechtszaak FNV tegen gemeente Groningen, in april 2021 geeft gemeente toe)</em></li>
</ul>
<p><em>Dit, terwijl juist de mensen in de bijstand erg kwetsbaar zijn op de flexibele arbeidsmarkt.</em></p>
<p><em>De conclusies van het SCP zijn niet mals:</em></p>
<ul>
<li><strong><em>De doelstelling ‘Iedereen aan het werk’, ‘Sluitende aanpak’ is niet reëel.</em></strong><em> Niet iedereen kan werken, en voor een groot deel geldt dat eerst andere problemen opgelost moeten worden en/of er scholing nodig is. Een derde van de bijstandsgerechtigden verwacht zelf nooit meer aan het werk te komen.</em></li>
<li><strong><em>Activering via verplichtingen en sancties werken averechts.</em></strong><em> Ze ontmoedigen en demotiveren. Bejegening is teveel vanuit wantrouwen en disciplinering i.p.v. motivering, verleiding en beloning. Dit leidt ook tot stigmatisering. Ontbreken van eigen regie bij welk werk je zoekt en hoe dat te bereiken is belemmerend. Werkgevers krijgen slecht gemotiveerde werknemers. </em></li>
<li><strong><em>De kwaliteit van de arbeidsbemiddeling is slecht.</em></strong><em> Het SCP wijt dit aan gebrekkige kennis en professionaliteit bij gemeenten. Er is nauwelijks persoonlijk contact, geen goed netwerk, weinig zicht op wat werkt, vooral budgettair, op korte termijn gerichte aansturing, nauwelijks scholing, weinig ontzorgen werkgevers, slecht matchingproces werkgevers/werkzoekenden. Als iemand niet solliciteert op door gemeente aangeboden baan, leidt dat in de praktijk ook tot sancties en stopzetten uitkering, zelfs als je bezig met een ander traject. </em></li>
</ul>
<p><em>Artikel 18 Participatiewet, met voorschriften en automatische straffen, laat consulenten vrijwel geen ruimte voor maatwerk. Maar dat heeft ook een ontmenselijking tot gevolg. Eén van de voorschriften is: je mag je kans op werk niet belemmeren door uiterlijkheden als kleding of gebrek aan persoonlijke verzorging. Hoe dat ook bedoeld is, dit is hoe het uitwerkt: ‘Er werd mij door de werkcoaches keihard gezegd het is mijn eigen schuld dat ik geen werk had omdat ik te dik was.’ </em></p>
<p><em>Het SCP meent ook dat de aandacht teveel uitgaat naar de verkeerde groep. Bijna een half miljoen mensen die merendeels al jarenlang, dag in dag uit, uitzichtloos zit op de bank. Een klein deel van hen, de ‘kansrijken’, wordt vaak vruchteloos achter de broek gezeten, terwijl het grootste deel juist nauwelijks aandacht krijgt en afgeschreven lijkt voor de samenleving. Ruim twee derde van de mensen in de bijstand zit daar langer dan twee jaar, ruim 40 procent al meer dan vijf jaar. De arbeidsmarkt is niet ingericht om deze groep op te nemen. Ook laagopgeleid werk vraagt veel van mensen, omdat het fysiek zwaar is, hoge eisen stelt aan sociale vaardigheden en emotioneel belastend is.</em></p>
<p><em>De overheid biedt, behalve in de vorm van handhaving, weinig hulp. De middelen voor activering zijn tussen 2004 en 2017 gehalveerd, van ruim 1,2 procent naar 0,6 procent van het bruto binnenlands product (cijfers OECD). Bij het UWV is het budget voor arbeidsbemiddeling gehalveerd, bij gemeenten verdween 2/3 van hun budget. Ondanks het grote aantal bijstandsontvangers zonder startkwalificatie zijn de middelen voor scholing bijna geheel stopgezet.</em></p>
<p><em>De beperkte middelen worden door gemeenten ingezet voor de groep ‘kansrijken’ omdat met hen het meeste succes valt te behalen. Voor de overigen, de &#8216;kansarmen&#8217;, in bijna alle gemeenten de helft of meer van het totaal, zijn nauwelijks middelen en dus geen aandacht. Hoogstens een keer per jaar is er contact, soms zien mensen jarenlang niemand van de Sociale Dienst. Dat zij zo weinig aandacht krijgen is, ook gezien de sociale en fysieke problemen, een gemiste kans om echt bijstand te geven. In grote steden hebben gemeenten 25% van doelgroepen niet in beeld, bij de rest van de gemeenten is dat 12,5%. Kwetsbare groepen worden niet actief opgespoord. Gezondheid blijkt ook voor de klassieke doelgroep in de bijstand de voornaamste belemmerende factor te zijn richting werk. Daar wordt weinig tot niets aan gedaan. </em></p>
<p><em>De regelingen voor mensen met een arbeidsbeperking zijn complex voor deze doelgroep, de werkgevers en de uitvoerders: beschut werk, garantiebanen, loonkostensubsidie, jobcoaches, aanpassingen van werkplek, etc. Ze belemmeren vaak maatwerk, bij gebrek aan beleidsvrijheid. </em></p>
<p><em>De banenkans voor de kwetsbaarste groepen neemt zelfs áf in plaats van toe. Gemeenten en UWV bereiken niet alle werkzoekenden met een arbeidsbeperking en arbeidswens. De Participatiewet sneed de route naar de sociale werkvoorziening (SW) voor nieuwe kandidaten af. Mensen met een arbeidsbeperking moesten bij gewone werkgevers aan de slag. In de praktijk is er een mismatch tussen beleidsinstrumenten als loonkostensubsidie om mensen aan een baan te helpen en de verschillende doelgroepen die ondersteuning nodig hebben. Gemeenten en werkgevers romen de meest kansrijke mensen af, waardoor de beschikbare middelen naar hén gaan en niet naar kwetsbaarder mensen die deze harder nodig hadden. Werkgevers die daadwerkelijk arbeidsgehandicapten in dienst nemen, een te kleine groep, hebben bovendien een voorkeur voor lichamelijk gehandicapten, terwijl de meeste bijstandsgerechtigden en mensen met voorheen een WSW-indicatie een verstandelijke of psychische beperking hebben.</em></p>
<p><em><u>Oplossingen: Een Zekerheidsinkomen en een recht op betaald werk</u></em></p>
<p><em>De conclusies zijn helder, als we iets betekenisvol willen doen tegen de vernedering, criminalisering en intimidatie van mensen in de bijstand, tegen de enorme armoede, ongelijkheid en problematische en risicovolle schulden, en mensen die dat willen en kunnen maar nu onvrijwillig aan de kant staan wél willen helpen aan vast, goed en eerlijk betaald werk, dan kunnen we niet meer volstaan met symptoombestrijding, maar dan moeten we iets doen aan de oorzaken en bereid zijn tot een radicaal andere aanpak.</em></p>
<p><em>De voorstellen in ons vorige verkiezingsprogramma gaan in de goede richting, maar missen het verbindende grote verhaal. Echte nieuwe ideeën durven we kennelijk tot nu toe niet in te brengen. In ieder geval niets dat zo groots, zo meeslepend en zo simpel is als indertijd bij de invoering van de bijstand of de AOW. Radicale ideeën worden vaak afgewezen als ondenkbaar, zonder echte discussie. Vergeten wordt dat de huidige situatie juist radicaal is. Radicaal oneerlijk. We moeten weer het lef hebben om juist wel met heel nieuwe ideeën te komen. Ideeën die de oorzaken van urgente problemen aanpakken. Het Zekerheidsinkomen doet dat door een nieuwe bijstand, geheel ontkoppelt van arbeidsbemiddeling en arbeidsverplichtingen, volledig individueel en met veel hogere uitkeringen en veel hogere vrijstellingen voor extra inkomen en bezit. </em></p>
<p><em><u>Geen Onvoorwaardelijk Basisinkomen (OBI)</u></em></p>
<p><em>We gaan beslist niet over tot een zogenoemd Onvoorwaardelijk Basis Inkomen (OBI), waarbij geen enkele inkomens- en vermogenstoets meer is. De plannen leiden niet tot een verbetering van de laagste inkomens en zelfs tot een verslechtering van veel lagere middeninkomens. Dat terwijl er enorme extra uitgaven mee gemoeid zijn (bruto zo’n 227 miljard per jaar, netto zeker 147 miljard euro per jaar), netto zo’n 50% van alle huidige collectieve uitgaven. Nog afgezien van de (te) optimistische inschatting van voorstanders van het OBI dat de arbeidsdeelname en onze welvaart, en dus de belastinginkomsten, niet zouden dalen bij de invoering van een OBI. Daarbij gaat er in de scenario’s van het OBI altijd uit van een lager sociaal minimum en uitkeringsniveau dan in dit programma, en worden fiscale toeslagen, de WSW en de re-integratie naar werk wegbezuinigd. Dat zal de armoede bij lagere middeninkomens enorm doen toenemen, want er wordt niet voorzien in (financiering van) lagere lasten voor deze huishoudens met zorg, kinderopvang, huur, onderwijs, energie, etc. </em></p>
<p><em>De voorstellen voor een onvoorwaardelijk basisinkomen worden vaak gecombineerd met aanpassingen in de inkomstenbelasting. Dan worden echter de zuivere (negatieve) effecten van dat basisinkomen versluierd, namelijk verstopt achter de positieve effecten van de belastingherziening. Dat maakt het beeld onzuiver en de besluitvorming op basis van zulke berekeningen niet transparant. </em></p>
<p><em>Dit los van het feit dat een herziening van het belastingstelsel op zich belangrijk en noodzakelijk is, maar de opbrengsten daarvan kunnen veel effectiever aangewend worden zoals in dit programma gebeurt, dan door uitkeringen te verstrekken aan zo’n 9 miljoen extra mensen (de beroepsbevolking minus de mensen die in de bijstand of anderszins op of beneden het sociaal minimum zitten), die dat niet nodig hebben. </em></p>
<p><em>Als de ook in ons programma opgenomen forse lastenverzwaring – die vooral bij hoge vermogens (bezittingen), winsten, dividenduitkeringen, erfenissen  en inkomens terecht komt; lagere inkomens en lagere winsten en erfenissen gaan er bij ons (in tegenstelling tot bij de plannen voor een OBI) juist op vooruit – aangewend wordt om miljoenen burgers een uitkering te verstrekken die zij niet nodig hebben, dan is de financiering van ons programma voor brede bestaanszekerheid, inclusief de grote investeringen in volkshuisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, veiligheid, natuur en milieu, etc., niet mogelijk. Daarmee is een OBI in de basis een niet-sociale, niet-rechtvaardige en niet duurzame maatregel, ook als je de denivellerende gevolgen compenseert met belastingmaatregelen.</em></p>
<p><em>Er zijn daarnaast waarschijnlijk ook negatieve gedragseffecten van een OBI. De voorstanders van het onvoorwaardelijke basisinkomen stellen met het OBI de slechte positie van werkenden te kunnen aanpakken. Werk­nemers zouden dan namelijk makkelijk werk kunnen weigeren, wat hun onderhandelingspositie zou verbeteren. Dat zal uiteraard niet gebeuren, omdat het voorgestelde basisinkomen nog aanzienlijk onder het modale inkomen zal liggen. Weinig mensen zullen zich terugtrekken van de arbeidsmarkt en er zal niet meer schaarste aan arbeid ontstaan.</em></p>
<p><em>En, in combinatie met het niet fors verhogen van het minimumloon, het afschaffen van fiscale toeslagen en het niet drastisch verminderen van de lasten van huishoudens zal de armoede, met name onder werkenden, enorm toenemen. Er zal daardoor ook geen druk zijn voor extra loonstijgingen. Sterker nog, het kan juist omgekeerd uitpakken in lagere lonen. Werkgevers kunnen het algemeen basisinkomen als een bodem gaan zien onder het door hen te betalen loon. Zij kunnen met een lager brutoloon volstaan om tot een voldoende besteedbaar inkomen te komen. Het basisinkomen is dan een loonsubsidie aan bedrijven in een tijd waarin het aandeel van de winsten in het nationaal inkomen al heel fors is gestegen ten koste van dat van de lonen. </em></p>
<p><em>Een ander risico van het onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen is dat het de overheid een legitimatie geeft om zich verder terug te trekken van haar maatschap­pelijke taken en deze af te schuiven op mantelzorg en vrijwil­ligerswerk. Het is de legitimatie voor de ultieme neoliberale droom van een kleine overheid en een minimale verzorgingsstaat.</em></p>
<p><em>Het OBI is niet voor niets een neoliberale uitvinding, gericht op denivellering en een minimale wachtwakersstaat in plaats van een sociale verzorgingsstaat. Het staat diametraal tegenover de sociaaldemocratische waarden zoals wij die huldigen. Doelstellingen als armoede bestrijden, de armoedeval beperken, bestaanszekerheid vergroten, de uitvoering drastisch te vereenvoudigen, de inderdaad verschrikkelijke controlestaat en klopjacht op uitkeringsgerechtigden te beëindigen, meer ruimte te geven voor vrijwilligerswerk en zorgtaken, en de uitkeringen te individualiseren en vrouwen een grotere financiële zelfstandigheid te geven – dat alles is veel beter (effectiever en efficiënter) en rechtvaardiger te organiseren dan de neoliberale natte droom van het OBI. </em></p>
<p><em>Het OBI is de illusie van een simpele oplossing voor een veelvoud aan maatschappelijke problemen, die eenvoudig in nog grotere problemen kan omslaan. Veel beter en rechtvaardiger is om een breed scala aan gerichte maatregelen te nemen, zoals in dit programma gebeurt. Hoedt u voor tovenaars met simpele oplossingen, die u het paradijs beloven met halve waarheden, het OBI als magische oplossing van al uw problemen. Zo zijn alle zgn. experimenten met een OBI geen volwaardig OBI geweest, maar een variant van een voorwaardelijk basisinkomen, meestal voor beperkte, niet-aselecte groep burgers. </em></p>
<p><em>Een regeling of een instrument mag nooit een doel in zichzelf zijn, dat is gevaarlijk omdat de echte doelen dan uit beeld kunnen verdwijnen, en contraproductieve effecten dan hun kans krijgen. Juist de discussie over het onvoorwaardelijk basisinkomen bewijst dat. Het instrument voorop stellen in een soms bijna religieus aandoend geloof in een wonderolie die alle problemen oplost, is een miskenning van de complexiteit van de maatschappelijke werkelijkheid. </em></p>
<p><em>Armoede bestrijden is bijvoorbeeld wat anders dan armoedeval bestrijden. En ook wat anders dan onrechtvaardige ongelijkheid bestrijden. Het gaat om andere doelgroepen en om andere instrumenten. Er bestaat geen één simpele oplossing voor alle problemen en de illusie geven dat wel zo is brengt geen enkele oplossing dichterbij – integendeel zelfs. Wel hebben maatregelen in het ene domein effecten op het andere domein. Wil je én armoede, én armoedeval, én onrechtvaardige ongelijkheid bestrijden, dan moet je samenhangend beleid uitvoeren op tal van sectoren: sociale zekerheid, betaald werk, belastingen, volkshuisvesting, zorg, onderwijs, kinderopvang, etc. </em></p>
<p><em>Hetzelfde bezwaar als tegen het OBI hebben we tegen een onvoorwaardelijk basiskapitaal voor jongeren zoals eerder  GL (10.000 euro) en Sander Schimmelpenninck (100.000 euro) hebben voorgesteld. Het is te ongericht, en andere maatregelen zijn effectiever (in dit plan onder meer: eerlijke belastingen, vervanging les- en collegegeld door leerrechten, hogere lonen). </em></p>
<p><em>We kiezen daarom voor een beter inkomensvangnet in de vorm van een Zekerheidsinkomen, individueel, zonder arbeidgerelateerde verplichtingen en met hoge vrijstellingen en een veel hogere uitkering. We nemen principieel afscheid van de participatiesamenleving waarin dwang, repressie en wederkerigheid centraal staat.</em></p>
<p><em><u>Geen ‘Participatiewet in Balans’ maar weg met de Participatiewet en de participatiesamenleving</u></em></p>
<p><em>De kabinetten Rutte IV en Schoof zijn ook bezig met aanpassingen in de Participatiewet. In plaats van die wet bij het grof vuil te zetten, waar die hoort. Net als de participatiesamenleving met zijn nadruk op wederkerigheid en zelfredzaamheid.</em></p>
<p><em>In zijn eerste troonrede, tijdens het kabinet Rutte II op 17 september 2013, stelde koning Willem-Alexander dat de klassieke verzorgingsstaat diende te veranderen in een participatiesamenleving: “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.”</em></p>
<p><em>De eerste politicus die het woord participatiesamenleving gebruikte was de toenmalige vicepremier en minister van Financiën Wim Kok (Jos van der Lans; </em><a href="https://www.canonsociaalwerk.eu/nl_wmo/details.php?cps=19"><em>2013: Participatiesamenleving. Uitweg voor onbetaalbaarheid verzorgingsstaat</em></a><em>, canonsociaalwerk.eu, 3 januari 2014). In 1991 hield de PvdA-leider zijn achterban voor dat de verzorgingsstaat niet meer te betalen was. Hij betoogde dat de &#8216;saamhorigheid&#8217; een andere (niet louter door de overheid gefinancierde) gestalte moest krijgen. Hij repte van een overgangsfase, van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving. Voormalig premier Balkenende bedacht in 2005 de term &#8216;participatiemaatschappij&#8217;. </em></p>
<p><em>In november 2013 werd &#8216;participatiesamenleving&#8217; op het congres van het Genootschap Onze Taal verkozen tot woord van het jaar 2013. Toenmalig SCP-voorzitter Kim Putters noemde de bijbehorende overdracht van taken aan de gemeenten (WMO, Jeugdzorg) een transitie van verzorgingsstaat naar verzorgingsstad. </em></p>
<p><em>Niet snel daarna verdween het aanvankelijke enthousiasme. Als we nu terugkijken was het van begin af aan een krankzinnig asociaal idee. Zorg werd van een recht een gunst, op de uitvoering werd met miljarden bezuinigd en niet-zelfredzame mensen werd hulp onthouden omdat ze eerst maar zelfredzaam moesten worden. Niet alleen in het zorgdomein, maar ook in de bijstand. De bureaucratie nam enorm toe en de prestaties en geleverde kwaliteit namen omgekeerd evenredig – of zelfs meer – af. Vooral consultants verdienden er veel geld aan (die zijn dan ook vaak nog steeds enthousiast).</em><a href="#_edn5" name="_ednref5"><em><strong>[v]</strong></em></a></p>
<p><em><u>Vervanging Wajong, studiefinanciering, doorwerking naar andere uitkeringen, en wat er nog meer nodig is</u></em></p>
<p><em>Het Zekerheidsinkomen vervangt ook de Wajong, het huidige inkomensvangnet voor jonggehandicapten – mensen die al een arbeidsbeperking hebben voordat ze ooit de arbeidsmarkt hebben kunnen betreden. </em></p>
<p><em>En het Zekerheidsinkomen gaat, gefaseerd, ook de studiefinanciering vervangen. Er is geen reden om voltijds studerenden een slechter inkomensvangnet te geven, zeker niet als we erkennen dat we toe willen naar een hoog opgeleide, ook in technische en andere vaardigheden, kennissamenleving. Dat veel van deze studerenden later ook een hoog individueel profijt daarvan trekken moet opgelost worden in een eerlijk belastingstelsel, dat alle sterke schouders zodanig belast dat er voor de hele bevolking bestaanszekerheid is, er rechtvaardige inkomens- en bezitsverhoudingen zijn en we een sterke publieke sector en alle andere noodzakelijke en nuttige overheidsoverheidsuitgaven rechtvaardig en houdbaar kunnen financieren. Zie daarvoor onze belastingvoorstellen.</em></p>
<p><em>Het Zekerheidsinkomen heeft ook doorwerking naar andere uitkeringen, waaronder de AOW, het inkomensvangnet voor gepensioneerden. Daarbij worden ook verdere verbeteringen doorgevoerd in de AOW, om die tot een bestaanszeker basispensioen voor iedereen te maken, met een eerlijker financiering. Er blijft daarbij een fundamenteel verschil tussen het inkomensvangnet voor mensen die we tot beroepsbevolking rekenen en het inkomensvangnet voor gepensioneerden: bij de eerste blijft de uitkering afhankelijk van inkomen en vermogen (al worden de grenzen aanzienlijk verruimd), bij de tweede blijft dat net als nu niet het geval.</em></p>
<p><em>Daarnaast is er urgent een schuldenoffensief nodig, een aanvalsplan ter voorkoming en ter oplossing van de grote, bestaanszekerheid ernstig aantastende schuldenberg bij vaak de meest kwetsbare huishoudens. </em></p>
<p><em>Tenslotte is er een veel betere rechtsbescherming nodig van iedereen die gebruik maakt van uitkeringen of van andere sociale grondrechten. Ook de opsporing en sanctionering van mensen die in het sociaal domein regels overtreden is hard aan verandering toe: deze is nu vaak disproportioneel, onnodig, stigmatiserend, vernederend, contraproductief en gaat gepaard met grove schendingen van rechten van burgers en zelfs vaak van illegaal overheidsoptreden.</em></p>
<ol start="114">
<li><strong>Er komt een nieuw inkomensvangnet. De bijstand en de Participatiewet wordt binnen twee jaar vervangen door een volledig individueel Zekerheidsinkomen dat volledig ontkoppeld is van de arbeidsbemiddeling. Een nieuw inkomensvangnet voor iedereen die minder verdiend dan het sociaal minimum, dat net als nu het inkomen aanvult tot dat sociaal minimum. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="115">
<li><strong>De bijstand wordt (juridisch, financieel en organisatorisch) ontkoppelt van de arbeidsbemiddeling (dus geen verplichtingen en verboden meer gerelateerd aan de uitkering). </strong>Er is daardoor geen sollicitatieplicht, geen plicht beschikbaar te zijn voor betaalde arbeid, geen plicht tot aanvaarden van betaalde arbeid, geen plicht tot inschrijven bij uitzendbureaus, geen tegenprestatie, geen taaleis, geen goedkeuringsplicht voor vrijwilligerswerk, mantelzorg en vakanties, en geen andere plichten die daarvan nu afgeleid zijn. Motivering en facilitering zijn veel effectiever dan repressie, dwang en drang, die zelfs contraproductief zijn. Vertrouwen in mensen en eigen regie staat voorop. We maken veel meer werk van wel effectieve arbeidsbemiddeling – zie daarvoor onze voorstellen over de vorming van Huizen van Arbeid.</li>
</ol>
<p>We laten daarmee het <em>wederkerigheidsdogma</em> principieel los en nemen afscheid van mantra’s als ‘<em>iedereen een traject’</em> en van het <em>‘activerend arbeidsmarktbeleid’</em>. We erkennen daarmee het contraproductieve karakter van de verplichtingen die daarmee nu samenhangen.</p>
<p>Dit geeft in theorie mensen de mogelijkheid om af te zien van werken. Het risico hiervan is dat het de ‘laatst geëmancipeerde’ toetreders tot de arbeidsmarkt kan verleiden die markt weer de rug toe te keren. Denk hierbij aan moeders die na hun bevalling weer aan het werk gaan of aan asielzoekers die beginnen aan een eerste baan. Doordat we tegelijkertijd zo’n enorme push aan hogere lonen geven en de belasting op arbeid en de marginale druk zo substantieel verlagen, dat betaald werken veel meer gaat lonen, anders dan in de leugens die de VVD daarover verspreidt.</p>
<p>Een ander risico is dat bedrijven zich minder verantwoordelijk zullen voelen om werk te bieden aan zwakkere groepen zoals mensen met een arbeidsbeperking en minder productieve werknemers. Deze mensen krijgen immers in ons voorstel toch al een Zekerheidsinkomen. In feite functioneert het Zekerheidsinkomen dan als een afkoopregeling voor kansarmen, die hun maatschappelijke uitsluiting vergroot en passiviteit stimuleert. Doordat we de verplichtingen voor inclusief werk juist verzwaren en de faciliteiten daarvoor enorm vergroten en eenvoudiger maken, zal ook dit effect naar onze verwachting niet optreden.</p>
<p> </p>
<ol start="116">
<li><strong>In plaats van straffen als je iets niet wil, geven we beloningen als je iets wel doet. Bij aanvaarden van betaald werk van tenminste 24 uur per week na 1 jaar aaneensluitend vervulling daarvan voor degenen die daarvoor meer dan half jaar minder uren betaald werkten en een Zekerheidsinkomen ontvingen en daarna niet meer krijgen een eenmalige werkbonus. De hoogte van de werkbonus is gelijk aan een maand minimumloon en alleen beschikbaar voor werknemers die in hun nieuwe baan niet meer dan 130% van het minimumloon verdienen.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="117">
<li><strong>Het Zekerheidsinkomen geeft een veel hoger uitkeringsniveau dan de huidige bijstand, namelijk een verhoging van het sociaal minimum met ca. 40%. Dat is in lijn met de door ons hiervoor bepleite verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) naar </strong><strong>€ 16 per uur. Deze verhoging is urgent en wordt per direct, zo nodig met noodwetgeving, ingevoerd.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="118">
<li><strong>We verlagen ook de leeftijdsgrens voor het sociaal minimum naar 18 jaar in lijn met onze verlaging van de leeftijdsgrens voor het wettelijk minimumloon. We schrappen ook de huidige wachttijd in de bijstand voor jongeren tot 27 jaar van een maand.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="119">
<li><strong>De nieuwe bijstand, het Zekerheidsinkomen, vult net als de bijstand nu, het inkomen aan tot het sociale minimum, en is daarmee een <em>voorwaardelijk</em></strong></li>
</ol>
<p><strong>De huidige bestedingsbeperkingen en controles op de besteding van de uitkering vervallen in het Zekerheidsinkomen</strong>, dat gaat de Staat niets aan. Dus geen standaard verplichte inzage in bankafschriften e.d. meer.</p>
<p> </p>
<ol start="120">
<li><strong>En we verruimen de inkomens- en vermogensvrijstellingen in het Zekerheidsinkomen fors ten opzichte van de huidige bijstand. We stellen vrijwilligersvergoedingen, smartengeld en terugbetalingen bij jaarafrekeningen (bijv. van premies, belastingen, energie, water, e.d.) of fouten bij derden als ook inkomen uit verkoop van roerende goederen (niet zijnde inkomen uit bedrijf), geheel vrij van de inkomenstoets. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="121">
<li><strong>Bij weer betaald gaan werken komt er een tijdelijke vrijstelling (bijvoorbeeld voor 12 maanden 25% van inkomen uit arbeid vrij met een maximum van totaal inkomen tot modaal </strong>– hiermee creëren we een beloning op weer betaald gaan werken in plaats van een sanctie als je daar te weinig voor doet zoals nu).</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="122">
<li><strong>En we laten </strong><strong>€ 2400 (ca. 20% van de uitkering) per jaar aan netto inkomsten uit (onder)huur of uit vergoeding voor inwoning vrij</strong> – daarmee ontvangen samenwoners (of dat nu ouders, kinderen, een geliefde, vriend, kennis of wildvreemde is) een bonus in plaats van een sanctie om mee te helpen de woningcrisis op te lossen én het versterkt zijn bestaanszekerheid.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="123">
<li><strong>Daarenboven stellen we </strong><strong>€ 1800 per jaar aan giften en erfenissen vrij. </strong>Dit voorkomt dat er gecontroleerd moet worden op kleine giften, zoals boodschappen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="124">
<li><strong>Tenslotte verruimen we ook de vermogenstoets aanzienlijk. We stellen </strong><strong>€000 aan roerende goederen plus de eigen, zelf bewoonde, woning geheel vrij, zodat je bijv. auto kan bezitten en belangrijke apparaten kan bezitten en vervangen en je woning niet hoeft te verkopen en de opbrengst ‘op te eten’ alvorens je aanspraak kan maken op het Zekerheidsinkomen. Voor ZZP-ers geven we een vrijstelling voor het bedrijfsvermogen, dat dan wel apart en controleerbaar geadministreerd moet worden. Je hoeft dat dus ook niet meer te verkopen en op te eten voor het recht op een Zekerheidsinkomen.</strong></li>
</ol>
<p>Dat alles beloont het eigen initiatief en verminderd de risico’s daarbij, en zorgt voor veel minder verrekeningen en terugvorderingen, en daarmee voor lagere uitvoerings- en controlelasten.</p>
<p> </p>
<ol start="125">
<li><strong>Het Zekerheidsinkomen gaat uitgevoerd worden door de Sociale Verzekeringsbank (SVB), net als de AOW. De inkomenstoets vindt plaats op basis van het inkomen op de maand voorafgaand aan de maand waarvoor de uitkering verstrekt wordt, en rond de 21<sup>ste</sup> van die maand uitgekeerd wordt. Dat wordt iedere maand door de Belastingdienst doorgegeven aan de SVB, met afschrift aan de betrokkene. Die kan altijd online dat ook zien en zo nodig wijzigen. Rechthebbenden op het Zekerheidsinkomen krijgen proactief informatie over hun rechten op Zekerheidsinkomen en wijzigingen daarin, met een eenvoudig recht op bezwaar en beroep. Inkomens worden getoetst op jaarbasis, en bij sterk wisselende inkomens kunnen personen een wijziging van het peiljaar krijgen. Bij fouten worden geen sancties opgelegd, deze worden gereserveerd voor alleen opzettelijke fraude, met bewijslast voor de rijksoverheid. Ook bij correcties van inkomsten door de Belastingdienst zonder sancties geldt een bewijslast voor deze dienst. </strong>Samen met de individualisering (zie hierna) en de ontkoppeling met de arbeidsbemiddeling wordt de nieuwe bijstand een toonbeeld van vereenvoudiging, met veel lagere uitvoerings- en controlekosten. Sancties en terugvorderingen zullen nog nauwelijks voorkomen.</li>
</ol>
<p>Deze wijze van uitvoering en verruimde inkomens- en vermogenstoets is een nagenoeg even effectieve oplossing voor de huidige terugvorderingen in de bijstand, zonder daarbij enorme bedragen (zonder verhoging van het sociaal minimum en zonder individualisering van de uitkering al tenminste 140 miljard euro per jaar) te hoeven uitgeven welke nodig zouden zijn om de inkomens- en vermogenstoetsen geheel af te schaffen – nog los van de schadelijke effecten die dat mogelijk zouden hebben voor het functioneren van de arbeidsmarkt.</p>
<p> </p>
<ol start="126">
<li><strong>De regels voor het verkrijgen van Zekerheidsinkomen voor niet-Nederlanders blijven hetzelfde als nu in de bijstand. </strong>Arbeidsmigranten, ook van binnen de EU, hebben daar dus in de regel geen recht op, tenzij ze meer dan 5 jaar duurzaam hier verblijven en gewerkt hebben. Zgn. ‘bijstandstoerisme’ zal dan ook onmogelijk blijven.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="127">
<li><strong>Alle uitkeringen, ook die van de AOW, worden principieel en binnen twee jaar individueel. Het hebben van een partner of een andere inwonende heeft dan geen negatieve gevolgen meer voor de uitkering – de huidige kortingen (partnertoets, kostendelersnorm) en aparte normbedragen voor alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens worden afgeschaft. Alle uitkeringen worden individueel op 100% van het sociaal minimum voor beide partners. </strong></li>
</ol>
<p>Samenwonen wordt in het vervolg niet meer bestraft, maar juist beloond met een bonus. Dit bestrijdt de woningnood, vergroot de bestaanszekerheid en financiële zelfstandigheid, en voorkomt dat juist mensen aan de onderkant van de samenleving hun beslissingen over hoe ze hun leven en liefde vorm geven in relaties of juist niet vooral financieel gemotiveerd moeten nemen. En – last but not least – het voorkomt dat er allerlei ernstige privacy schendende controles moeten plaatsvinden over samenwonen, met vaak zeer dubieuze methoden en normen.</p>
<p>Niet of slechts beperkt betaald werkende partners krijgen daarmee een eigen recht op een uitkering ongeacht het inkomen van de andere partner. Dat doet afbreuk aan het uitgangspunt om geen geld te geven aan degenen die dat niet nodig hebben uitgaande van gezamenlijke huishoudens, maar doet recht aan het fundamentele recht voor eigen keuzes, en is in lijn met het uitgangspunt bij huwelijken waarbij niet meer bij voorbaat uitgegaan wordt van gemeenschap van goederen. We willen niet dat samenlevingsvormen afgedwongen worden door gevolgen in de uitkering.</p>
<p>Ook andere inwonenden leiden door het vervallen van de kostendelersnorm niet meer tot gevolgen in de uitkering. Door het vervallen van de partnertoets en de kostendelersnorm wordt de acute woningnood wat verminderd, krijgen huishoudens met een Zekerheidsinkomen de mogelijkheden hun besteedbaar inkomen verder te verhogen met medebewoners en wordt de uitvoering van de regeling en de controle daarop drastisch vereenvoudigd.</p>
<ol start="128">
<li><strong>Het nieuwe Zekerheidsinkomen vervangt ook de Wajong. De huidige Wajong-keuringen kunnen daarmee vervallen.</strong> En daarmee vervalt ook een belangrijke stigmatisering die veel jonggehandicapten nu ervaren – ze krijgen recht op hetzelfde goede inkomensvangnet als iedereen. Overigens heeft 98% van de Wajong-uitkeringsontvangers nu een volledige uitkering.</li>
</ol>
<p>De bezwaren die nu terecht door velen worden genoemd dat sommige jonggehandicapten niet in de Wajong mogen en daardoor ‘gevangen’ zitten in de bijstandsregels van de Participatiewet, vervallen ook, omdat de verplichtingen naar betaald werk in het Zekerheidsinkomen zijn vervallen. Wel is de uitkering van het Zekerheidsinkomen net als nu in de bijstand op 70% van het minimumloon geplaats – het sociaal minimum, terwijl dat in de Wajong nu op 75% staat. Daar staat tegenover dat in euro’s het bedrag veel hoger is door onze forse verhoging van het wettelijk minimumloon met behoud van volledige koppeling daaraan bij het sociaal minimum. En bovendien stellen wij (zie verderop) voor om de zorgkosten voor individuele burgers enorm te verlagen door deze volledig collectief te financieren en de inclusieve samenleving afdwingbaar en effectief te maken, zodat de redenen voor de huidige hogere uitkering komen te vervallen. Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat daardoor ook de reden voor een fiscale aftrekfaciliteit voor deze doelgroep daarmee vervalt, hetgeen meegenomen is in ons nieuwe belastingstelsel.</p>
<p>Op dit moment hebben ca. 250.000 mensen een Wajong-uitkering. Deze heeft in 1998 de AAW vervangen. Recht daarop bestaat voor mensen die voor hun achttiende, vaak vanaf de geboorte, een ziekte of handicap hebben die hun verdienvermogen sterk beperkt. In het begin van deze eeuw begon de jaarlijkse instroom in de Wajong snel te stijgen, waarna de regeling in 2010 werd hervormd en in 2015 de toegang werd beperkt tot duurzaam volledig arbeidsongeschikten in lijn met de WIA.</p>
<p> </p>
<ol start="129">
<li><strong>Het nieuwe Zekerheidsinkomen gaat ook de studiefinanciering vervangen. Dat doen we gefaseerd, met als eerste stap het verhogen van de aanvullende beurs tot het verschil tussen wat je nu maximaal als aanvullende beurs plus lening kan krijgen en de basisbeurs; vervolgens het verhogen van de basisbeurs van thuiswonenden tot die voor uitwonenden (waarmee de basisbeurs ook onafhankelijk wordt van woon- en leefsituatie) en tenslotte met verhoging van deze basisbeurs tot het niveau van het sociaal minimum. De OV-reisvoorziening blijft in stand zolang het nieuwe OV-prijsbeleid (zie elders in dit programma) nog niet (volledig) is ingevoerd. Het volgen van initieel tertiair onderwijs (voltijds mbo inclusief bbl, hbo, wo) wordt geheel gratis met het invoeren van het nieuwe leerrechtensysteem (zie elders in dit programma) – het les- en collegegeld hiervoor vervalt. Ook leermateriaal wordt gratis verstrekt door de onderwijsinstelling (die daarvoor van het Rijk geld ontvangt). Zogenaamde vrijwillige onderwijsbijdragen worden verboden. Stages moeten verplicht beloond worden (zie hierna). Extra activiteiten, zoals excursies, huiswerkbegeleiding, bijlessen en aanvullende trainingen worden in onze nieuwe onderwijsbekostiging (zie elders in dit programma) gefinancierd, zodat de sluipende privatisering van ons onderwijs wordt gekeerd. We vernietigen het verdienmodel van allerlei instituten door gratis, goed collectief aanbod – dat vermindert de ongelijkheid. Leerlingen en studenten moeten niet meer geconfronteerd worden met extra onderwijsbijdragen hiervoor. De nieuwe huurregulering en nieuwe huursubsidie (zie elders in dit programma) gaat ook gelden voor onzelfstandige woonruimtes (kamerverhuur), zodat ook studenten daarvan kunnen profiteren. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="130">
<li><strong>Stages moeten wettelijk verplicht beloond worden door de stage-biedende instantie. Deze kunnen daarvoor subsidie ontvangen onder voorwaarden</strong> <strong>van goede begeleiding e.d. </strong><strong>Stages die betaalde arbeid verdringen worden verboden en dat verbod wordt actief gehandhaafd. Er komt een verplichte minimum stagevergoeding (gelijk aan 75% van het minimum(jeugd)loon per uur) voor verrichte arbeid plus vergoeding van alle onkosten van stagiairs, waarin geen onderscheid gemaakt mag worden tussen niveau van opleiding of sector waarin men werkt. Alleen bij de BBL in het mbo (werkend leren) geldt de volledige minimum(jeugd)loon verplichting. Werkgevers die BBL leerwerkplekken aanbieden krijgen extra loonsubsidie in geval van (opleiding tot) erkende tekortberoepen. Werkgevers die geen of weinig stageplekken en/of BBL-plekken aanbieden gaan hogere werkgeverslasten betalen.</strong> <strong>Bij iedere stage is er een verplichte stageovereenkomst met duidelijke rechten en plichten.</strong></li>
</ol>
<p>Voor veel studenten, maar ook voor het bedrijfsleven, is werkend leren, de zgn. beroepsbegeleidende leerweg (BBL) belangrijk. Wij willen met gerichte (loonkosten)subsidies deelname aan de BBL bevorderen, met name in tekortberoepen.</p>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="131">
<li><strong>Voor ouderen wordt het basispensioen (de AOW) drastisch verbeterd: het wordt veel hoger door het hogere sociale minimum, de uitkering wordt niet meer gekort wegens samenwonen en we schrappen dan ook de opbouweis waar met name veel migranten last van hebben. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="132">
<li><strong>We gaan de AOW (net als alle volksverzekeringen &#8211; Naast de AOW zijn dat de Algemene Nabestaandenwet (ANW) en de Wet Langdurige Zorg (WLZ)) én de basiszorg en de maatschappelijke ondersteuning (WMO)) rechtstreeks uit de belastingopbrengst financieren.</strong> De aparte premies volksverzekeringen verdwijnen daarmee. Deze fiscalisering van onder meer de AOW is geheel anders dan eerdere voorstellen daartoe, omdat we de premie niet rechtstreeks verwerken in de tarieven voor de inkomsten- en loonbelasting, maar de lasten ook financieren uit belastingen op winst, vermogen, en ander inkomen uit vermogen (incl. dividend, erfenissen en schenkingen).</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="133">
<li><strong>De AOW-leeftijd wordt inkomensafhankelijk gegeven de enorme ongelijkheid in levensverwachting.</strong> Voor lagere inkomens (op basis van gemiddeld inkomen per jaar vanaf 18 jaar t/m 60 jaar) gaat de AOW-leeftijd omlaag. Dit wordt door het Rijk gefinancierd. Sectoraal kunnen aanvullende afspraken worden gemaakt voor vervroegde uittreding bij zware beroepen, dat financieren de betrokken werkgevers. Totdat de leeftijdsafhankelijke AOW wordt ingevoerd wordt de AOW-leeftijd bevroren. De kosten voor de overheid van een vroegere pensioenleeftijd voor de lagere inkomens verhalen we door een lagere vrijstelling (franchise) in de werkgeverslasten bij beroepen waarin statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerder arbeidsongeschiktheid is – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="134">
<li><strong>We verbieden wettelijk automatisch leeftijdspensioen. Iedereen</strong> wordt bij het bereiken van zijn AOW-leeftijd ruim van te voren gevraagd of men door wil werken, eventueel ook aangepast en/of in deeltijd. Doorwerken na de AOW-leeftijd blijft uiteraard principieel vrijwillig. In de pensioenregeling moet een bonusbepaling bij langer doorwerken worden opgenomen, te financieren uit de werkgeverspremie. Deeltijdpensioen (voor- en na de pensioenleeftijd) maken we aantrekkelijker en eenvoudiger.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="135">
<li><strong>Zoals hiervoor al aangegeven is gaan alle werkenden vanaf 18 jaar verplicht aanvullend pensioen opbouwen.</strong> Zzp-ers gaan dat doen bij een eigen, apart pensioenfonds.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="136">
<li><strong>Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler, en daarmee ook goedkoper. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Pensioenfondsen moeten ook breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. </strong><strong>We gaan daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren.</strong> Producten met een te hoog risicoprofiel worden uitgesloten en verboden. Ook niet duurzame en niet sociale investeringen worden wettelijk uitgesloten en verboden. De Wet Normering Topinkomens publieke sector wordt van toepassing op pensioenfondsen én hun uitvoeringsorganisaties, incl. externe vermogensbeheerders.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="137">
<li><strong>We gaan de doelstellingen en randvoorwaarden van het Pensioenakkoord en de nieuwe Pensioenwet zorgvuldig monitoren bij de voorbereiding van de invoering ervan.</strong> Het invaren van 1600 miljard euro aan collectief pensioenvermogen in 20 miljoen individuele zit vol risico’s, ook al omdat er ernstige gebreken zijn in de administraties van veel pensioenfondsen. Er dreigen ook enorme aantallen rechtszaken bij dit invaren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="138">
<li><strong>Als het invaren van pensioenrechten in het nieuwe stelsel niet rechtvaardig en zorgvuldig kan gebeuren, zullen we niet aarzelen de invoering uit te stellen of zelfs van de individualisering af te zien. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="139">
<li><strong>De vervanging van de doorsneepremie bezien we eveneens opnieuw – als iedereen pensioen opbouwt, zoals hiervoor bepleit, is dat niet meer nodig. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="140">
<li><strong>Vooruitlopend op de invoering van de nieuwe Pensioenwet dient per direct de huidige rekenrente te worden afgeschaft en wordt een meer reële rente toegepast. We bezien de nieuwe systematiek opnieuw op zijn gevolgen bij sterk stijgende marktrenten, zoals die nu te zien zijn. Een duurzaam koopkrachtig aanvullend pensioen voor alle werkenden is en blijft daarbij het uitgangspunt. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="141">
<li><strong>De pensioenpremie wordt wettelijk verplicht voor 50% voor werkgevers. </strong></li>
</ol>
<p><em><u>Betere rechtsbescherming uitkeringsgerechtigden</u></em></p>
<p><em>De rechtsbescherming van bijstandsgerechtigden is vrijwel nihil en vertoont veel overeenkomsten met de ervaringen van de slachtoffers van het toeslagenschandaal. De wet geeft sinds 2013 aan gemeenten de verplichting in plaats van de bevoegdheid om terug te vorderen. Deze zogenoemde Fraudewet (de wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving) zorgde ervoor dat coulance niet meer wordt toegepast. De uitkomst van de rechtszaken, in eerste aanleg of in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, is in essentie in vrijwel alle gevallen gelijkluidend: In het overgrote deel van zulke zaken blijft de terugvordering in stand. De financiële positie van de belanghebbende speelt daarbij een zeer beperkte rol. De Algemene wet bestuursrecht (artikel 3:4) schrijft weliswaar voor dat de rechter in beginsel moet meewegen of de gevolgen van een besluit voor de belanghebbende niet onevenredig uitpakt in relatie tot de met het besluit te dienen doelen, maar de bepalingen van de Participatiewet schrijven sinds de Fraudewet voor dat de bestuursrechter die evenredigheidstoets nu juist niet mag uitvoeren. </em></p>
<p><em>De Fraudewet sociale zekerheid werd al onder Rutte I aangenomen, met instemming van o.m. GroenLinks. De PvdA stemde overigens als één van de weinige partijen toen nog daartegen. Ondanks een negatief advies van de Raad van State stemden in oktober 2012 CDA, CU, D66, GL, PVV, SGP en VVD voor. Een gesprek van de Nationale Ombudsman met vicepremier Lodewijk Asscher en zijn staatssecretaris Jetta Klijnsma tijdens Rutte II leidde weliswaar tot verlaging van de boetes, maar het systeem en de praktijk bleef hetzelfde. De FNV heeft in januari 2021 bij de ILO een klacht ingediend over de onmenselijk hoge boetes en sancties (</em><a href="https://www.fnv.nl/nieuwsbericht/sectornieuws/uitkeringsgerechtigden/2021/01/uitspraak-internationale-arbeidsorganisatie-over-s"><em>https://www.fnv.nl/nieuwsbericht/sectornieuws/uitkeringsgerechtigden/2021/01/uitspraak-internationale-arbeidsorganisatie-over-s</em></a><em>). </em></p>
<p><em>De ChristenUnie heeft nu een initiatief wetsvoorstel ingediend om de wet op dit punt juist weer te veranderen, opdat de terugvorderingsverplichting weer een bevoegdheid en dus een keuze wordt voor de gemeente. Maar ook dan kunnen gemeenten dus nog steeds doorgaan met het harde sanctiebeleid. Het wetsvoorstel is in consultatie gebracht op internet, de toekomst ervan is nog onduidelijk. </em></p>
<p><em>Bert van den Braak schreef in 2021 er deze column over: &#8220;’Voorzitter. Ik blijf in dit debat met het ongemakkelijke gevoel zitten dat de gehele Kamer en ook de minister al maandenlang weten en zien dat de uitwerking van deze wet in de praktijk tot problemen leidt en tot hele hoge boetes aanleiding geeft in situaties, die niet alleen door betrokkenen onrechtvaardig gevonden worden, maar door iedereen die ernaar kijkt.’ Die woorden sprak toenmalig CDA-woordvoerder Pieter Heerma in een door de SP-Kamerlid Sadet Karabulut geïnitieerd Tweede Kamerdebat op 27 mei 2014 over de gevolgen van de zogenoemde &#8216;Fraudewet&#8217;.</em></p>
<p><em>Die Fraudewet (de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving) was nog door VVD-staatssecretaris De Krom uit het kabinet Rutte I in oktober 2012 door het parlement geloodst. Hoewel het kabinet na het afhaken van de PVV als gedoogpartner niet op parlementaire meerderheid steunde, was het verkrijgen van meerderheid geen probleem. In juli 2012 hadden in de Tweede Kamer alle fracties met uitzondering van PvdA, SP en Partij voor de Dieren, vóór gestemd. In de Eerste Kamer sloten GroenLinks, 50PLUS en OSF zich bij de tegenstemmers aan.</em></p>
<p><em>Bij de behandeling van het wetsvoorstel kwamen D66 en ChristenUnie met een motie, die het kabinet vroeg met aanvullende maatregelen te komen om onbedoelde fraude door &#8216;veronachtzaming&#8217; te voorkomen. Onderzoek had uitgewezen dat daarvan vaak sprake was. De motie werd echter verworpen, nadat De Krom hem krachtig had ontraden. Zonder in te gaan op de mogelijkheid dat mensen &#8216;fouten&#8217; maken, zei hij: ‘We moeten daar zo op reageren dat de mensen snappen dat, als ze dat doen [frauderen, bvdb], ze het moeten terugbetalen met 100% boete en dat, als ze het voor de tweede keer doen, ze 150% boete krijgen, wat wordt verrekend met hun uitkering, en dat het zelfs kan gebeuren dat ze vijf jaar geen uitkering krijgen. Als dat eenmaal tussen de oren komt, dan hebben we bereikt wat we willen.’</em></p>
<p><em>Al in oktober 2013 vond een algemeen overleg plaats met minister Asscher (PvdA) over problemen met de nieuwe wet. Heerma zei toen: niet de echte boeven worden aangepakt, maar &#8216;laaghangend&#8217; fruit, mensen die door slordigheid of onwetendheid de fout waren ingegaan. Centraal stond wat hem betreft de vraag wat onder &#8216;verwijtbaarheid&#8217; moest worden verstaan. Samen met zijn D66-collega Van Weyenberg diende hij een motie in om het boeteregime in de Fraudewet al voor de voorziene evaluatie tegen het licht te houden. Minister Asscher erkende dat het om een strenge wet ging, maar dat hij de evaluatie wilde afwachten, juist in zijn effecten. Hij zei verder de Ombudsman te hebben uitgenodigd om mee te kijken bij de uitvoering van de wet.</em></p>
<p><em>Pas toen gemeenten de noodklok luidden over de negatieve gevolgen van de wet, waarbij goedwillende burgers hoge boetes kregen, kwam er beweging. De Kamer nam toen een motie-Heerma/Van Weyenberg aan die vroeg om de criteria voor verwijtbaarheid uit te breiden en om niet meer standaard de minimumboete op te leggen. Alleen VVD en PVV stemden daar tegen. Het duurde echter tot januari 2016 tot Asscher een wetsvoorstel indiende om het boeteregime aan te passen. Directe aanleiding was een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die allereerst het overgangsrecht in de wet had getoetst aan het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het VN-burgerrechtenverdrag. Dat bleek daarmee strijdig. Met de mate van verwijtbaarheid werd bovendien, anders dan bijvoorbeeld in de fiscale wetgeving, onvoldoende rekening gehouden.</em></p>
<p><em>Asscher hield vast aan een robuust boeteregime, maar boetes zouden meer in verhouding worden gebracht met de ernst van de overtreding en de in de wet opgenomen minimumboete verdween. Het wetsvoorstel kreeg, ondanks twijfels bij de VVD, brede steun. De PVV-fractie stemde als enige tegen. Met de wijziging van de wet en het daaruit volgende Boetebesluit werd tegemoet gekomen aan de kritiek. De &#8216;fout&#8217; uit 2012 was gecorrigeerd, maar de regels als zodanig bleven in tact.</em></p>
<p><em>Het regime van de Fraudewet werd in 2012 opgenomen in de Wet werk en bijstand, die later opging in de Participatiewet. Of iedere &#8216;onterechte&#8217; aanspraak op een uitkering als fraude moet worden gezien en of dat meer of minder verwijtbaar is, kan een punt van discussie zijn, ook bij de rechter. Het strenge regime van de wet werd en wordt echter breed gesteund. Dat de wet &#8216;hard&#8217; wordt toegepast, heeft dan ook nagenoeg niets met een falende rechtsstaat te maken, zoals oud-Ombudsman Brenninkmeijer suggereerde, maar alles met een politieke keuze.”</em></p>
<p><em>Gemeenten gebruiken ook discriminerende algoritmes. Gegevens van bewoners in sociaal-zwakke wijken werden bij het algoritme-model Systeem Risico Indicatie (SyRI) aan elkaar gekoppeld zonder dat de bewoners dat wisten. Een instrument voor risicoprofilering is zo ook een instrument dat etnisch profileert, profileert op je buurt, je beroep, je gezinssamenstelling, je werk of inkomen. SyRI werd op miraculeuze wijze alleen in de armere wijken van onder andere Rotterdam ingezet en niet in Laren of Wassenaar. De mensen in Rotterdam waren bij voorbaat verdacht. Etnisch profileren speelde ook hier een grote rol. Men wilde zelfs gaan experimenteren met het ‘stoplichtsysteem’, waarin je per definitie op ‘oranje’ stond als je bijvoorbeeld stukadoor was. Stukadoors waren zwartklussers, dus potentiële bedriegers. Wat erop neerkwam dat als je als stukadoor ergens een uitkering aanvraagt, je veel moeite moet doen door het aanvraagproces te ­komen. Het is erg vergelijkbaar met de toeslagaffaire, waarbij onschuldige mensen hun toeslag verloren omdat de computer een besluit nam, en ambtenaren dat moesten verdedigen, zonder te weten. (zie: </em><a href="https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/waarom-de-belastingdienst-vecht-tegen-z-n-eigen-burgers~b1c0c884/"><em>https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/waarom-de-belastingdienst-vecht-tegen-z-n-eigen-burgers~b1c0c884/</em></a><em> en: </em><a href="https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/hoe-de-overheid-inbreuk-maakt-op-privacy-is-dubieuzer-dan-facebook-en-google~b200b5fe/"><em>https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/hoe-de-overheid-inbreuk-maakt-op-privacy-is-dubieuzer-dan-facebook-en-google~b200b5fe/</em></a><em>)</em></p>
<p><em>En nadat de rechter begin 2020 eindelijk een streep haalde door de toepassing van SyRI voor opsporing van sociale zekerheidsfraude (de rechter oordeelde dat toepassing van SyRI in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) heeft Rutte III nog voor de zomer van dat jaar een wetsvoorstel ingediend onder de titel Wet Gegevensverzameling door Samenwerkingsverbanden (WGS) waarin nog een veel verderstrekkend monster gecreëerd wordt. De WGS biedt vergeleken met SyRI nog ruimere mogelijkheden om grootschalige datasurveillance toe te passen op burgers, teneinde schaduwadministraties aan te leggen voor uiteenlopende doelen. In de SyRI-wetgeving was dit beperkt tot overheidsdatabases, onder de WGS kunnen alle data die bij publieke en private partijen liggen opgeslagen worden gekoppeld en geanalyseerd. Tijmen Wisman, voorzitter van het Platform Burgerrechten: ‘Werkelijk alle her en der opgeslagen persoonsgegevens worden met dit wetsvoorstel fair game voor massasurveillance. Deze data kan voortaan zonder verdachtmaking of concrete aanleiding tegen burgers worden gebruikt in heimelijke analyses met ingrijpende gevolgen. In onze ogen vormt dit voorstel een gevaar voor het functioneren van de rechtsstaat.’ Zowel de Autoriteit Persoonsgegevens als de Raad van State gaven in niet mis te verstane woorden aan dat de WGS de rechtsbescherming van de burger ernstig ondermijnt. Helaas stemde de PvdA anders dan GL in december 2020 voor het wetsvoorstel in de Tweede Kamer, waarmee het een meerderheid verwierf. Toen het kabinet viel, werd het wetsvoorstel in de Eerste Kamer controversieel verklaard. Helaas werd het in juni 2024 alsnog aangenomen, het treedt per 1 maart 2025 in werking. In de Eerste Kamer stemde PvdA-GL (met uitzondering van Fred Crone), SP, PvdD, Volt en FvD tegen. </em></p>
<p><em>Er wordt door gemeenten in de bijstand voorts gewerkt met een omgekeerde bewijslast, de opsporing wordt uitgevoerd door een met opzet privaat vormgegeven Inlichtingenbureau om lastige aanspraken op de Wet openbaarheid bestuur te voorkomen en die nul verantwoording aflegt, er is geen recht op onafhankelijke rechtsbijstand, vaak wordt er niet gewezen op de rechten, en de terugvorderingen en sancties zijn idioot hoog en disproportioneel. Die sancties zijn veel lager dan bij bijv. fiscale fraude van doorgaans mensen met veel hogere inkomens, terwijl de fraude in de sociale zekerheid maar een fractie is van die fiscale fraude.</em></p>
<p><em>De kosten van fraudebestrijding in de sociale zekerheid zijn hoog in vergelijking met de omvang van de geconstateerde fraude. Bij het UWV werden 240 extra medewerkers aangetrokken hiervoor na de Fraudewet. Dat kost ieder jaar zo’n 12 miljoen euro. Voor gemeenten zijn deze kosten helaas niet vindbaar. Geen raadslid vraagt er kennelijk naar. Wat we wel weten is dat de totale geconstateerde SZW-fraude 120-150 miljoen euro bedraagt. Dat is minder dan 0,2% van de ruim 77 miljard euro aan uitkeringen. Effectief wordt jaarlijks zo’n 6 miljoen euro teruggevorderd. De rest blijkt oninbaar. Het gemiddelde fraudebedrag per uitkering is 17 euro (!). Al deze fraudebedragen zijn al een tijdje dalende. Het zou goed zijn dat de politiek er notie van neemt welk deel van overheidsfraude daadwerkelijk bijstandsfraude is.</em></p>
<p><em> <img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1640" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-5-300x214.jpg" alt="" width="300" height="214" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-5-300x214.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-5-768x549.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-5.jpg 869w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1641" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-6-300x227.jpg" alt="" width="300" height="227" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-6-300x227.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-6.jpg 640w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Bij verminderde verwijtbaarheid, normale verwijtbaarheid, grove schuld en aantoonbare opzet bedraagt de boete bij schending van de inlichtingenverplichting in de bijstand respectievelijk 25 procent, 50 procent 75 procent en 100 procent Ter vergelijking: belastingplichtigen die in box 1 inkomen verzwijgen, kunnen bij grove schuld rekenen op een boete van 25 procent van het verzwegen bedrag en bij opzet 50 procent. Met andere woorden: bij grove schuld en opzet wordt een veel lager percentage (van het verzwegen inkomen in box 1) aangehouden voor de vaststelling van he boetebedrag. Bovendien worden normale en verminderde verwijtbaarheid al helemaal niet beboet.</em></p>
<p><em>Het gemiddelde fraudebedrag per uitkering is maar 17 euro (!). Dat bestrijden kost nu de belastingbetaler een veelvoud. Uit onderzoek blijkt bovendien dat het behandelen van iedere bijstandsgerechtigde als een potentiële fraudeur averechts werkt: het bevorderd calculerend gedrag.</em></p>
<p><em>Onderzoekers Hertogh en De Winter van de Rijksuniversiteit Groningen stellen dat in Nederland op dit moment de gedachte is dat iedereen die een uitkering ontvangt een mogelijke fraudeur is, tenzij je het tegendeel bewijst. Uit hun onderzoek blijkt dat een harde aanpak fraude juist in de hand werkt. Veel mensen vinden dat fraude harder aangepakt moet worden, maar nergens blijkt uit dat dat goed werkt. Eerdere onderzoeken hiernaar werden vooral gedaan door handhavers en beleidsmakers. Aan bijstandsgerechtigden of WW’ers zelf werd tot nu toe nauwelijks iets gevraagd over hun ervaringen. Hertogh en De Winter concluderen dat de aanpak van uitkeringsfraude, waarbij de nadruk ligt op boetes en straffen, in de praktijk averechts werkt. Het leidt volgens hen tot frustraties bij de instanties die het harde beleid moeten uitvoeren. </em></p>
<p><em>Divosa, de koepel van sociale diensten, erkent dat als er al sprake is fraude, dat vaak niet eens bewust gebeurt: ’Wij zien dat veruit de meeste bijstandsgerechtigden zich graag aan de regels houden. Overtredingen zijn meestal het gevolg van complexe regels. Zeker omdat relatief veel mensen in de bijstand kampen met laaggeletterdheid en een lage opleiding is de kans relatief groot dat zij de fout in gaan.’ Niettemin gaat het bijstandsschandaal nog steeds door.</em></p>
<p><em>Uit het onderzoek naar de aanpak van uitkeringsfraude blijkt verder, dat wanneer  uitkeringsgerechtigden voortdurend benaderd worden als mogelijke fraudeurs, het contact tussen instantie en de uitkeringsgerechtigde beschadigd kan raken. Bij sommigen kan er zelfs een omslag komen, waarbij ze zich méér als fraudeur gaan gedragen. Ruim 50 procent van de ondervraagden uit het onderzoek zegt het UWV of de Sociale Dienst te ervaren als ‘politieagent’. Slechts 25 procent ziet hen als ‘begeleider’. Een bijstandsgerechtigde klaagde er bijvoorbeeld over dat hij een brief kreeg van de Sociale Dienst waarin stond dat ‘zelfs het kleinste foutje, per ongeluk gemaakt, zeer zwaar afgestraft zou worden met fikse kortingen op de uitkering’. Die had daar tot op de dag van vandaag stress van. Bij bijna de helft van de ondervraagden was het vertrouwen in de overheid gedaald na hun laatste ervaring met de Sociale Dienst (</em><a href="https://www.socialevraagstukken.nl/interview/hoogleraar-rechtshandhaving-marc-hertogh-het-uitgangspunt-is-misschien-ben-jij-een-fraudeur/"><em>https://www.socialevraagstukken.nl/interview/hoogleraar-rechtshandhaving-marc-hertogh-het-uitgangspunt-is-misschien-ben-jij-een-fraudeur/</em></a><em>).</em></p>
<p><em>Giften moeten worden afgetrokken in de bijstand, maar belastingvrij een huis schenken is geen probleem. Als je kind 21 wordt en nog bij je thuis woont (hoe zou je tegenwoordig trouwens nog een woning als jongere kunnen bemachtigen?) dan gaat de kostendelersnorm gelden in de bijstand, maar de Kroonprinses krijgt een eigen inkomen van ruim € 1 mln. per jaar. Rijke Nederlanders met veel zwart geld op buitenlandse rekeningen of inkomen dat zij niet opgeven, kregen een ‘inkeerregeling’ na deze bewuste fraude. Van de belastingsite: ‘Doet u alsnog vrijwillig aangifte? Dan is de boete vaak lager dan wanneer wij achterhalen dat u inkomen verzweeg. Bij een juiste inkeer, zoals hierboven beschreven, krijgt u zelfs helemaal geen boete.’ Uitkeringsgerechtigden echter krijgen absoluut geen coulance en altijd zonder pardon een wettelijk vastgestelde zware sanctie opgelegd. Hoezo meten met twee maten??</em></p>
<p><em>De staatssecretaris van SZW stelde in een brief aan de Tweede Kamer wel voor om in de wet fraude bij overtredingen van de inlichtingenplicht te definiëren als ‘opzettelijke overtreding of grove nalatigheid’ met als doel ‘wederrechtelijk voordeel te verkrijgen’. Andere overschrijdingen van de inlichtingenplicht zouden dan ‘slechts’ als ‘overtreding’ worden bestraft. De FNV vond dit in zijn zwartboek terecht onvoldoende: ‘Omdat elke schending van de inlichtingenverplichting een overtreding is (naast het terugbetalen van te veel ontvangen uitkering) kom je met betrekking tot verwijtbaarheid in het systeem terecht. Welke situatie/handeling valt precies in welke categorie? (geen/verminderde/ normale verwijtbaarheid etc.). Bij de categorie ‘geen verwijtbaarheid’ staat als voorbeeld ‘als de uitvoering een fout heeft gemaakt’. Maar uit het boetebesluit blijkt dat als het mede door de instantie zelf komt je dan nog steeds tegen ‘verminderde verwijtbaarheid’ aankijkt en dus </em><em>25% boete! Dit moet wat ons betreft worden meegenomen bij het onderzoek. De commissie die zal worden ingesteld om het preventieonderzoek te leiden daarin moeten wat de FNV betreft ook ervaringsdeskundigen die hier natuurlijk een arbeidscontract en bijbehorende betaling voor krijgen!’</em></p>
<p><em>In tegenstelling tot het strafrecht, biedt de participatiewet nauwelijks middelen voor mensen in de bijstand om zich tegen valse beschuldigingen of onjuist gebruik van camera’s en andere middelen te verweren. De Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in de sociale zekerheid, maakt zich dan ook grote zorgen over de rechtsongelijkheid die dit veroorzaakt (</em><a href="https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/rechtsgeleerden-maken-zich-zorgen-bijstandsfraudeurs-slechter-beschermd-dan-verdachten-in-strafzaken~b78fc3f1/"><em>https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/rechtsgeleerden-maken-zich-zorgen-bijstandsfraudeurs-slechter-beschermd-dan-verdachten-in-strafzaken~b78fc3f1/</em></a><em>). Het is hetzelfde beeld als bij het kinderopvangtoeslagschandaal.</em></p>
<ol start="142">
<li><strong>We schrappen binnen een jaar de Fraudewet Sociale Verzekeringen. Er komt een geheel nieuw regime dat zich alleen richt op opzettelijke, bewezen fraude. De rechtspositie van uitkeringsgerechtigden wordt tegelijkertijd aanzienlijk versterkt. Er komt binnen een jaar veel betere rechtsbescherming en gratis rechtsbijstand voor uitkeringsgerechtigden. We verbieden discriminerende, oncontroleerbare en te ruime (zonder concrete verdenking) opsporing in de sociale zekerheid en aanverwante regelingen met algoritmen, kliklijnen, sociale rechercheurs en sluiten het door gemeenten met SZW opgezette Inlichtingenbureau. In plaats van de nadruk op de zeer beperkte sociale zekerheidsfraude geven we prioriteit aan het bestrijden en bestraffen van de fiscale fraude. Sancties moeten altijd proportioneel zijn, terugvorderingen nooit hoger dan het teveel ontvangen bedrag en verrekeningen niet hoger dan de te verhogen (zie bij ons voorstel voor een schuldenoffensief) beslagvrije voet. We schaffen per direct algoritmen als opsporingsmethode af (die werkt in de praktijk discriminerend) en heffen het Inlichtingenbureau rechtmatigheidscontrole gemeenten direct op (ook bij de zorg).</strong> Door het opheffen van veel verplichtingen is er ook veel minder te controleren. Wat overblijft aan informatieplichten wordt niet meer gecontroleerd met privacy schendende methoden, en de bewijslast wordt niet meer omgedraaid.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="143">
<li><strong>We schaffen binnen vier jaar ook het apart bestuursrecht af voor tenminste cliënten van overheidsdiensten en andere publieke diensten. De gewone rechtbank wordt bevoegd in plaats van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, waardoor de rechtspositie van deze cliënten tegen een te vaak onbetrouwbaar gebleken overheid versterkt wordt. Ook vervalt daarmee de omgekeerde bewijslast (de bewijslast bij sancties ligt daardoor bij de uitkeringsverstrekker), moet altijd inhoudelijk en ook op maat gekeken worden door de rechter, kunnen fouten niet meer aangemerkt worden als fraude en moeten sancties altijd proportioneel zijn. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="144">
<li><strong>We voeren de grondwettelijke toetsing (zie bij onze voorstellen voor versterking van onze democratische rechtsstaat) ook in bij de sociale grondrechten. Dat impliceert dat die in wetgeving toetsbaar gemaakt moeten worden, met concrete, liefst meetbare normen. </strong>Dat vergroot enorm de mogelijkheden om ook je recht op bestaanszekerheid af te dwingen. Het gevaar dat de rechter teveel op de stoel van de politiek gaat zitten met deze toetsing kan de politiek zelf afwenden door goede wetgeving, met concrete, meetbare normen, te realiseren en de uitvoering en handhaving op orde te hebben. Te veel is gebleken dat burgers daar niet op konden en kunnen vertrouwen, zie de schandalen met onder meer toeslagen, de bijstand en de WIA.</li>
</ol>
<p><em><u>Bijzondere (aanvullende) bijstand</u></em></p>
<ol start="145">
<li><strong>Gemeenten behouden de mogelijkheid voor aanvullend maatwerk via de bijzondere bijstand. Daartoe krijgen ze meer vrijheden en financiële middelen.</strong> Gemeenten ontvangen van het Rijk een doeluitkering voor de bijzondere bijstand met een progressief stelsel, gebaseerd op de inkomensverdeling in gemeenten. De toekenning geschiedt op basis van een door de gemeenteraad vastgestelde gemeentelijke verordening, waarbij een hardheidsclausule en bezwaar- en beroepsprocedure verplicht zijn.</li>
</ol>
<p><em><u>Betere preventie en bestrijding problematische en risicovolle schulden bij huishoudens</u></em></p>
<p><em>Het aantal huishoudens met risicovolle </em><em>(staan rood + betalingsachterstanden + creditcardschuld) of problematische schulden </em><em>(kunnen op eigen kracht schulden niet meer afbetalen)</em><em> schommelt rond de 1,7 miljoen huishoudens. Liefst 41 procent zou niet op eigen kracht uit de schulden komen, is de voorspelling, vooral mensen die nu al in economisch kwetsbare posities zitten, zoals flexwerkers, zzp’ers en mensen die net van school afkomen. </em><em>In de grote steden geldt zelfs voor een op de drie huishoudens dat</em><em> het lastig is om de rekeningen te betalen.</em></p>
<p><em>Gemiddeld hebben mensen met problematische schulden 13 verschillende schuldeisers; de gemiddelde schuld in deze groep is 43.300 euro. De totale geregistreerde risicovolle schulden van huishoudens bedragen € 3 miljard. Ruim tweederde van de mensen met problematische schulden is niet in beeld bij de schuldhulpverlening. De effectiviteit van die schuldhulpverlening is ook zeer gering, maar een fractie van de geholpen mensen komen van hun schulden af zonder weer opnieuw in de schulden te komen. Schuldeisers ontvangen gemiddeld maar 10-12% van hun vorderingen terug. De directe kosten van schuldhulpverlening zijn ca. 500 miljoen euro per jaar. Maar de extra maatschappelijke kosten van problematische schulden zijn een veelvoud van dat bedrag. Het Nibud schat ze op € 11 miljard per jaar. Schuldsanering is voor de schuldenaar een hel, en geeft schuldeisers in de meeste gevallen hun geld niet (geheel) terug. De enige die echt baat heeft bij deze industrie is de schuldenindustrie zelf, in een veel te geliberaliseerd en geprivatiseerd schuldensysteem. De belastingbetaler betaalt voor deze gigantische verspilling.</em></p>
<p><em>Vanaf 2021 is het aantal en aandeel huishoudens met problematische schulden toegenomen: van 7,7 procent (618 duizend huishoudens) begin 2021 naar 8,8 procent (726 duizend huishoudens) begin 2023. Zie </em><a href="https://dashboards.cbs.nl/v5/SchuldenproblematiekInBeeld/"><em>dashboard Schuldenproblematiek in beeld</em></a><em>. Deze toename komt vooral door het langer open blijven staan van schulden bij de belastingdienst. Het aantal huishoudens met schulden die ontstaan zijn door toeslagen, is de afgelopen jaren fors toegenomen. In 2023 was bij 22 procent van de huishoudens met problematische schulden sprake van toeslagen die terugbetaald moesten worden. In 2021 was dat bij 13 procent.</em></p>
<p><em>De gemeente Rotterdam heeft in 2023, net als in eerdere jaren, met 17 procent het hoogste percentage huishoudens met problematische schulden. Rotterdam wordt gevolgd door Den Haag en Schiedam (beiden 15 procent). Daarnaast zijn in Zuidoost-Limburg en Oost-Groningen relatief hoge percentages huishoudens met problematische schulden. De gemeenten Rozendaal, Veere en Eersel hebben met een aandeel van rond de 3 procent het laagste percentage huishoudens met problematische schulden.</em></p>
<p><em>We zorgen dat problematische en risicovolle schulden bij huishoudens veel beter worden voorkomen en dat ze sneller en effectiever worden opgelost. De onderstaande maatregelen worden binnen een jaar ingevoerd.</em></p>
<ol start="146">
<li><strong>We vergroten de risico’s voor kredietverstrekkers – de risico’s liggen nu te eenzijdig bij de kredietnemers.</strong> <strong>We zorgen dat de hypotheekverstrekker minder risico’s accepteert door de hypotheek te laten vervallen bij inlevering van het onderpand – de woning. De hypotheeknemer heeft daardoor geen risico meer op een restschuld. Ook bij andere kredieten dan hypotheken vergroten we het risico van de kredietverlener, onder meer door bij faillissement van natuurlijke personen geen beslag meer mogelijk te maken op toekomstig inkomen en kan er op meer essentiële goederen geen beslag meer gelegd worden voor verkoop. Kredieten aan personen die al geregistreerd staan (in het publiek te maken) BKR worden wettelijk nietig verklaard, en de zorgplicht van kredietverstrekkers kan niet meer overgaan op incassobureaus. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="147">
<li><strong>We verbieden ook de commerciële handel in schulden, beperken de wettelijke rente en incassokosten fors (de wettelijke maximale rente verlagen we naar de gemiddelde spaarrente plus 2%; incassokosten moeten feitelijk onderbouwd aan kosten zijn gemaakt en worden wettelijk beperkt tot maximaal 100 euro), maken gerechtsdeurwaarders weer publieke instanties zonder winst en nevenactiviteiten, reguleren dat schuldenaren altijd maar één deurwaarder kunnen hebben met regio-gebonden deurwaarders, reguleren incassobureaus met vergunningen en waarborgsommen, alsmede aansprakelijkheid en strafbaarstelling van hun bestuurders bij overtreding. Het Bureau Kredietregistratie (BKR) wordt genationaliseerd – de Rijksoverheid gaat de regels bepalen. Daarbij vervallen de registraties na 6 maanden na succesvolle schuldsanering en geen nieuwe betalingsachterstanden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="148">
<li><strong>We beperken schulden bij overheden (de grootste schuldeisers) door één centraal Rijks incassotraject (incl. het CJIB), met één incassobeleid voor alle overheden, en een maatregel waardoor uitkeringen, toeslagen en andere verstrekkingen worden op een gelijk tijdstip uitbetaald. </strong>Doordat de fiscale toeslagen vervallen (zie hierna), we geen uitkeringen meer als (terugvorderbare) voorschotten verstrekken, de vaste lasten fors beperkt worden met ook afschaffen van zorgpremies en eigen betalingen in de (basis)zorg, en de Fraudewet SV met zijn buiten proportionele boetes en omgekeerde bewijslast vervalt, zullen de vorderingen van de overheid op huishoudens enorm afnemen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="149">
<li><strong>Ter preventie van problematische consumptieve schulden bij huishoudens verhogen we de leeftijdsgrens voor het aangaan van een krediet van 18 naar 21 jaar, komt er structureel meer en betere financiële scholing in onderwijs, organiseren we meer aanbod van financiële coaching bij (opnieuw) gaan werken en zorgen we voor meer regulering en verbod van krediet- en gokreclame en draaien we de legalisering van gokken terug. Ook verbieden we wettelijk achteraf betalen (zoals met Klarna) en in termijnen betalen zonder voorafgaande krediettoetsing. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="150">
<li><strong>In iedere gemeente komt er verplicht een publiek, onafhankelijk Geldloket voor onafhankelijk, gratis financieel advies en formulierenhulp. Gemeenten krijgen daar uiteraard extra budget voor. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="151">
<li><strong>Er komt wettelijk verplichte, uitgebreide gemeentelijke vroegsignalering en hulpaanbod bij betaalachterstanden vaste lasten en bij risicovolle levensevents (arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, scheiding, overlijden partner e.d.) en er komt automatische wettelijke kwijtschelding van lokale lasten bij inkomen op of onder 130% van het sociaal minimum (incl. waterschappen, rioollasten en afvalstoffenheffing) en bij toekenning van schuldhulpverlening.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="152">
<li><strong>We gaan de schuldhulpverlening (incl. bewindvoering) wettelijk verplicht volledig publiek maken: schuldhulpverlening mag niet meer uitbesteed worden aan commerciële partijen (er blijft wel ruimte voor private, niet-commerciële partijen), en bewindvoerders komen verplicht in dienst bij gemeenten. Er komt een kwaliteitssysteem met verplichte certificaten voor bewindvoerders en schuldhulpverleners. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="153">
<li><strong>We integreren de nu opeenvolgende systemen van minnelijke en rechterlijke schuldsanering in één nieuw systeem van gemeentelijke schuldhulpverlening en schuldsanering.</strong> <strong>Dan gaat het sneller en effectiever. Gemeenten krijgen de bevoegdheid om alle maatregelen te nemen die nu ook kunnen bij de rechter, met beroepsmogelijkheid voor schuldenaar en schuldeisers bij de rechter (zonder schorsende werking). Er komt een wettelijk toegangsrecht tot schuldhulpverlening met wettelijke, korte beslistermijnen. Bij toelating schuldhulpverlening komt er direct een schuldenmoratorium (= bevriezing van schuld, dus geen verhoging meer door rente en kosten) en een verbod op huisuitzetting, op stopzetting levering energie en water, op beëindiging zorgverzekering en beëindiging van telefoon/internetlevering. Binnen een korte termijn na de aanmelding moet er door de gemeente een individueel (op maat) gemaakt schuldhulpverleningsplan opgesteld worden, niet alleen zoals nu gericht op het oplossen van de schulden voor schuldeisers maar óók op nieuw perspectief voor een duurzaam schuldenvrij bestaan van de schuldenaar. We investeren fors in dit nieuwe systeem bij gemeenten.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="154">
<li><strong>Er komt ook een recht op onafhankelijke, gratis juridische, financiële en sociale bijstand voor de schuldenaar met wettelijk een goede rechtsbescherming met bezwaar en beroep. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="155">
<li><strong>Een nationaal schuldenfonds maakt het opkopen van schulden mogelijk. De beslagvrije voet wordt verhoogd tot 100% van het sociaal minimum</strong> – dat is niet voor niets gedefinieerd als het sociaal minimum. Inwonende kinderen – ongeacht de leeftijd – hoeven niet meer bij te dragen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="156">
<li><strong>De maximum schuldsaneringstermijn is onlangs gehalveerd naar 1,5 jaar, en we voeren daarenboven ieder half jaar een maand schuldenaflospauze in. De schuldsaneringstermijn kan worden verlengd bij niet nakoming verplichtingen schuldenaar (in plaats van beëindiging, daar schiet niemand wat mee op). Na afloop van de schuldsaneringstermijn vervalt net als nu restschuld en er komt nazorg om herhaling te voorkomen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="157">
<li><strong>Er komt een eenmalig schuldenpardon dat alle problematische schulden die op dat moment al tenminste 5 jaar bestaan, bij wet kwijtscheldt.</strong></li>
</ol>
<h3><em><u>Herstel van de volkshuisvesting met betaalbare huur als norm en geen woningnood</u></em></h3>
<p><em>“Er is een enorme wooncrisis in Nederland. De wachttijden voor een betaalbare woning zijn langer dan ooit. Het aantal dak- of thuisloze Nederlanders is flink toegenomen. Het recht op wonen wordt met voeten getreden. Veel huurders kunnen mede door de hoge huren niet of nauwelijks rondkomen. Wie zo veel kwijt is aan onderdak, kan niet normaal meedoen aan de samenleving. Ook moeten nog veel woningen worden opgeknapt voor een duurzame toekomst.” Zo begint het Plan voor de Volkshuisvesting 2.0. van de Woonbond, de organisatie van huurders, dat in september 2024 gepubliceerd werd, en waarop wij in ons programma mede op voortbouwen. </em></p>
<p><em>De wooncrisis in cijfers: Nederland telt inmiddels 100.000 dak- en thuisloze mensen. Volgens de laatste CBS-cijfers waren er naar schatting 33.000 dakloze mensen in ons land (1-1-2024), een stijging in een jaar tijd van 3000 dakloze mensen, net als het jaar daarvoor. Binnen deze groep neemt het aandeel migranten toe, en daarbinnen het aantal vrouwen en jongeren. 36 procent van de dakloze mensen staat ingeschreven in een van vier grote steden (Rotterdam, Amsterdam, Den Haag of Utrecht). In de vier grote steden (G4) heeft 80 procent van de dakloze mensen een niet-Nederlandse herkomst. In de rest van Nederland is dat 55 procent. Binnen de G4 zijn er relatief veel dakloze mensen die zelf buiten Europa geboren zijn (42 procent), of van wie minstens één ouder buiten Europa is geboren (28 procent). Buiten de G4 is dit 29 en 16 procent. Het overgrote deel van de dakloze mensen was in 2023 man; ruim 80 procent. 20 procent van de dakloze mensen was tussen de 18 en 27 jaar, 61 procent tussen de 27 en 50 jaar en 19 procent tussen de 50 en 65 jaar. </em></p>
<p><em>De werkelijke aantallen dakloze mensen ligt waarschijnlijk veel hoger, volgens UvA-stadsgeograaf Cody Hochstenbach zo rond de 100.000 mensen. In zijn bestseller en veel geroemde Uitgewoond (DasMag uitgeverij, 2022) onderbouwt hij dat cijfer. Het boek is overigens een belangrijke leidraad voor ons woonprogramma. Pas in 2009 startte het CBS met het bijhouden van gegevens over dakloosheid, en Hochstenbach wijst terecht op de grote onderschattingen die het CBS daarbij nog steeds hanteert. </em></p>
<p><em>Allereerst worden jongeren beneden 18 jaar en ouderen vanaf 65 jaar in de cijfers niet meegenomen, terwijl natuurlijk oo in deze leeftijdsgroepen dakloosheid voorkomt – zo waren er in 2019 8500 minderjarigen in de crisisopvang, veel meer dan voorheen. </em></p>
<p><em>Daarnaast stijgt het aantal minderjarigen in de asielnoodopvanglocaties schrikbarend snel: in juli 2024 wan dat er 6244, waarvan 2433 zonder ouders. In augustus 2023 waren dat er 3969, waarvan 1844 zonder ouders. Ook ongedocumenteerden tellen niet mee in de CBS-cijfers. Zoals het CBS zelf meldt is de telling daarnaast behoorlijk incompleet, denk aan mensen die noodgedwongen bij kennissen of in de auto slapen. Zij blijven veelal onopgemerkt en onzichtbaar. De bijtelling die het CBS daarom schat is waarschijnlijk veel te laag voor dit omvangrijke spookcircuit van dakloosheid. </em></p>
<p><em>En in de derde en meest fundamentele plaats hanteert het CBS een definitie van dakloosheid die veel vormen van dakloosheid simpelweg negeert. Zo is de oververtegenwoordiging van mannen in de officiële cijfers voor een deel terug te voeren doordat vrouwen zich niet als dakloos laten registreren (zij proberen vaker de reguliere opvang of het leven op straat te vermijden, dat voor hen extra onveilig is, door bijvoorbeeld bij kennissen op de bank te slapen) en omdat de vrouwenopvang niet meetelt bij het CBS – jaarlijks maken zo’n 12.000 vrouwen hiervan gebruik, plus ruim 4000 kinderen en zo’n 150 mannen. Ook de maatschappelijke opvang wordt niet meegeteld en evenmin mensen die illegaal in een tuinhuisje of vakantiewoning verpozen. Deze mensen zijn naar de letter weliswaar niet dakloos, maar vaak wel thuisloos. Koepelorganisatie Valente hielp in 2019 maar liefst 100.000 dak- en thuisloze mensen, bijna een verdubbeling ten opzichte van 2011. Het gaat dan om mensen die gebruikmaken van de maatschappelijke opvang, begeleid wonen of beschermd wonen. </em></p>
<p><em>Begin 2023 waren er ongeveer 9000 dakloze mensen terug te vinden in registraties. Dit zijn bijvoorbeeld mensen met een postadres bij een opvang, met een bijstandsuitkering voor adresloze personen of dakloze mensen die in aanraking kwamen met de reclassering. Sinds 2020 schommelt het deel dakloze mensen dat is geregistreerd in registers rond de 30 procent van alle dakloze mensen. Van 2011 tot en met 2018 was dit gemiddeld 25 procent. Niet alle dakloze mensen zijn terug te vinden in die registraties, omdat ze niet altijd gebruikmaken van voorzieningen of in aanraking komen met instanties. Van deze minder zichtbare dakloze mensen, zoals degenen die bij vrienden of familie verblijven, maakt het CBS een schatting. Dit bijgeschatte aantal dakloze mensen is relatief wat afgenomen over de jaren. De schattingsmethode is ontwikkeld om (deels) verborgen groepen in kaart te brengen en is alleen toepasbaar op mensen die in administratieve bronnen zouden kúnnen voorkomen. Dit betekent dat bijvoorbeeld mensen zonder geldige verblijfsvergunning of mensen die vanwege hun leeftijd geen bijstandsuitkering ontvangen (jonger dan 18 of ouder dan 65 jaar), niet worden meegerekend in het aantal dakloze mensen. </em></p>
<p><em>Een kwart van de huurders in ons land, zo’n 800.000 zit financieel klem en kunnen de huur niet betalen. Bij de lage inkomens (een derde van alle huishoudens) hebben maar liefst 1,2 miljoen huishoudens een zeer risicovolle woonquote (dat deel van je netto inkomen dat opgaat aan woonlasten – we gaan daar hieronder dieper op in) van meer dan 40%, 75% van alle huishoudens met dit soort hoge woonquota zit bij de groep lage inkomens. </em></p>
<p><em>Steeds meer jongeren blijven noodgedwongen thuis wonen – bijna 15% van de 27-30-jarigen woont nog bij hun ouders omdat ze geen betaalbare woning kunnen vinden. Van de 18-30-jarigen is dat gestegen tot 46% (De invoering van het leenstelsel in de studiefinanciering heeft daarin veel bijgedragen). Zo’n 90% van de jongeren zegt veel moeite te hebben om een eigen woning te vinden. Jongeren voelen zich daardoor genoodzaakt samenwonen en gezinsvorming uit te stellen. Uitstel van zelfstandig wonen gaat ten koste van de ontwikkeling van jongeren en ze ervaren veel stress (</em><a href="https://nos.nl/artikel/2551775-jongeren-die-nog-thuis-wonen-stellen-levensplannen-uit-actieplan-bepleit"><em>https://nos.nl/artikel/2551775-jongeren-die-nog-thuis-wonen-stellen-levensplannen-uit-actieplan-bepleit</em></a><em>). Meer dan de helft van deze jongeren ervaart veel stress hierdoor. </em></p>
<p><em>Koophuizen zijn sinds juli 2020 tot oktober 2024 </em><em>€ 133.500 duurder geworden – De laatste stijging was hoger dan die van de zomer 2022, de vorige piek van koopprijzen. Je betaalde in het vierde kwartaal van 2024 een recordbedrag van gemiddeld </em><em>€ 483.000 voor een koopwoning. De reden van deze voortdurende prijsstijging ligt in dat huishoudens door hogere lonen meer leenruimte hebben, en dat kopers verwachten dat de prijzen nog verder zullen stijgen (daardoor parkeert men niet de koop, en blijft de vraag stijgen) – de grote banken en De Nederlandsche Bank (DNB) verwachten voor 2025 prijsstijgingen van tussen 3,9% (DNB) en 10,7% (RABO). </em></p>
<p><em>De wooncrisis is bij uitstek ook een crisis van steeds sterker groeiende ongelijkheid. Kopers zijn 90% rijker dan huurders – de woonongelijkheid is enorm en groeiende. Nederlanders zonder eigen huis hebben een achterstand die met normaal salaris niet is in te lopen. De toenemende vermogensongelijkheid komt met name door het uiteenlopen van woonvermogens: het vermogen dat iemand wel – of niet – in een koopwoning heeft zitten, zoals Piketty al aantoonde, creëren in toenemende mate een scheiding tussen de ‘insiders’ en de ‘outsiders’: zij die wel, en zij die geen huis kunnen kopen, waarbij de eerste groep steeds kleiner wordt en de tweede groep steeds groter. Eigen vermogen – of vermogen uit de familie – wordt daardoor steeds bepalender; huizenbezit wordt in toenemende mate erfelijk. Ook minder stabiele huizenprijzen, ofwel volatiliteit, speelt een rol – het is nog maar een decennium geleden dat de huizenprijzen plotseling dramatisch kelderden. De welgestelde groep kan die schokken opvangen, de kwetsbare groep niet. Deze groep heeft een huis, maar leeft op het randje, vaak door een te hoge hypotheek. De kwetsbare groep is onlangs nog geschetst in een WRR-rapport over de wankelende middenklasse. Een van de opstellers daarvan, Harald Bennink, hoogleraar Banking en Finance aan de Universiteit Tilburg, sprak in De Groene Amsterdammer over een groep mensen met schulden waar ze nooit meer uitkomen. ‘Niet omdat ze gekke dingen hebben gedaan of geld over de balk hebben gesmeten, maar omdat ze op basis van een vast contract [voor de crisis] een hypotheek zijn aangegaan. (…) Als er een nieuwe crisis komt, zakken al deze mensen door het ijs.’</em></p>
<h3><em><u>Dak- en thuisloosheid</u></em></h3>
<p><em>De meest ernstigste uitingsvorm van de wooncrisis is de enorme en stijgende dak- en thuisloosheid.</em></p>
<p><em>Buiten slapen of in een opvang verblijven, op de bank slapen bij vrienden of kennissen, tijdelijk verblijven in een schuur, auto of in een stacaravan op een vakantiepark: dak- en thuisloosheid ziet er diverser uit dan veel mensen denken. Het stereotype beeld van een alleenstaande man van middelbare leeftijd met psychische en/of verslavingsproblematiek op een bankje in het park, is achterhaald. Dakloosheid is veelal onzichtbaar en dichterbij dan je denkt.</em></p>
<p><em>Je ziet de stijgende dakloosheid ook steeds meer om je heen, vooral in de grote steden en plaatsen met veel (gedumpte) arbeidsmigranten. Ze slapen in tunneltjes, onder bruggen, in portieken van dure winkelketens, in inferieure tentjes in parken en bossen. Kartonnen dozen en met wat geluk een slaapzak moeten hun beschermen tegen de ijzige kou en gure wind. Het is hartverscheurend. Het bedelen en andere ‘overlast’ neemt toe. Ze verbergen zich om niet verjaagd te worden, en mogelijke slaapplekken worden steeds meer onbruikbaar door vijandige architectuur van bankjes, het voorzien van dode hoeken en muurtjes van scherpe punten en randen zodat niemand er meer kan gaan zitten of liggen, het afsluiten van portieken en tuinen en beveiligingscamera’s worden overal geïnstalleerd. Het maakt het leven van dakloze mensen nog moeilijker en lost de problemen uiteraard niet op. De mensen worden alleen nog verder opgejaagd. Ook met schrijnende campagnes van gemeenten, zoals in Almere, om vooral geen geld te geven aan bedelaars. Dakloze mensen krijgen boetes als ze buiten slapen, als zee zich ergens te lang ophouden of als ze wildplassen. Die boetes gelden natuurlijk voor iedereen, maar dakloze mensen hebben geen keus, en die boetes kunnen ze vervolgens niet betalen waardoor ze alleen maar dieper in de problemen raken. Het is het criminaliseren van dakloosheid. </em></p>
<p><em>Dak- en thuisloosheid gooit levens overhoop en maakt ze kapot. De alledaagse realiteit van dakloze mensen is er een van angst, onzekerheid en machteloosheid. Dakloosheid oplossen is niet alleen een morele, politieke verplichting, ook uit oogpunt van onze sociale grondrechten en universele mensenrechten, maar ook financieel verstandig: dakloosheid kost de samenleving handenvol geld – mensen op straat kampen eerder met gezondheidsproblemen, begaan vaker kleine criminele vergrijpen en maken gebruik van bijvoorbeeld opvanglocaties, hulpverlening en andere voorzieningen. De totale kosten kunnen oplopen van € 30.000 tot wel € 100.000 per dakloze persoon per jaar. </em></p>
<p><em>In plaats van repressie, verjagen, stigmatiseren en criminaliseren moeten we dak- en thuisloosheid zelf oplossen. </em><em>Het risico op dak- en thuisloosheid is ongelijk verdeeld, en dat is een belangrijke oorzaak dat degenen met economische, culturele en politieke macht teveel aan urgentie ontbrak om er korte metten mee te maken. Dak- en thuisloosheid uitbannen hoort de politiek en moreel eerste en meest urgente prioriteit van de overheid te zijn. </em></p>
<p><em>En dakloosheid is in de eerste plaats altijd en per definitie een woonprobleem, en, zoals hiervoor gezegd, de meest ernstige uitingsvorm van de wooncrisis. Uiteraard speelt er bij veel dak- en thuisloze mensen meer dan alleen geen woning hebben – schulden, een verslaving of ernstige psychotische problemen. Maar voor een ander groot deel van deze mensen is dat ook helemaal niet zo, of zijn die andere problemen pas later er bij gekomen, mede omdat de dakloosheid niet werd opgelost. Belangrijke levensgebeurtenissen, zoals een echtscheiding of onvrijwillige werkloosheid, kunnen soms in dak- of thuisloosheid eindigen. </em></p>
<p><em>Tot voor kort was het beleid erop gericht om van dak- en thuisloosheid vooral een zorgprobleem te maken. Je moest eerst je verslaving of psychische problemen of je schulden oplossen – ‘zelfredzaam’ worden – voordat je aanspraak kon maken op een woning. Een woonplek als sluitstuk van aanpak van dakloosheid, terwijl er veel bewijzen zijn (met name uit Finland en de VS) dat de omgekeerde aanpak veel effectiever is: begin met een woonplek, of nog beter: voorkom dat iemand dakloos wordt. Een plek om te wonen moet het startpunt zijn van een hersteltraject. Een huis biedt de zekerheid en veiligheid die kwetsbare mensen nodig hebben om van daaruit te kunnen werken aan het oplossen van andere problemen – dit wordt het Housing First beleid genoemd. Het aantal dakloze mensen daalde waar het is toegepast snel en fors, er was nauwelijks opnieuw dakloosheid bij deze mensen, en ook de zorgkosten en criminaliteit daalden. </em></p>
<p><strong><em>Twitter 18 januari 2025:</em></strong></p>
<p><strong><em>Jan Dakloos   </em></strong><em>@JDakloos</em></p>
<p><em>Don&#8217;t try to drive the homeless in to places we find suitable. Help them survive in places they find suitable.</em></p>
<p><em>Huisvesting niet meer mogelijk &#8212;&#8211; </em></p>
<p><em>Als dakloze mens is het bijna onmogelijk geworden om nog aan </em><a href="https://x.com/hashtag/huisvesting?src=hashtag_click"><em>#huisvesting</em></a><em> te komen. </em></p>
<p><em>Ik hoor steeds meer dat dakloze mensen worden afgewezen op grond van hun dakloze verleden en/of financiële situatie. </em></p>
<p><em>Woningbouwcorporaties mijden </em><a href="https://x.com/hashtag/dakloze?src=hashtag_click"><em>#dakloze</em></a><em> mensen en eisen vaak een hulpverleningtraject, waarbij je langere tijd onder toezicht komt te staan van hulpverlening en de </em><a href="https://x.com/hashtag/gemeente?src=hashtag_click"><em>#gemeente</em></a><em> en effectief je huurbescherming kwijt bent. Lees, dat je vrij makkelijk je huis uitgezet kan worden, mocht dat nodig zijn. </em></p>
<p><em>Binnen de particuliere sector geldt hetzelfde. Bovendien zijn de huren hier zo hoog dat veel dakloze mensen dat niet kunnen opbrengen. </em></p>
<p><em>Kortom, we zijn op een punt beland dat er voor dakloze mensen nauwelijks nog mogelijkheden zijn om gehuisvest te raken. </em></p>
<p><em>Hulpverleningstrajecten kennen lange wachtlijsten en de opvangen zitten vol of men moet er lange tijd zitten voordat er eindelijk een doorstroom woning voorhanden is. </em></p>
<p><em>Mijn vraag zoals altijd. </em></p>
<p><em>Kan dit niet anders? </em></p>
<p><a href="https://x.com/hashtag/daklozen?src=hashtag_click"><em>#daklozen</em></a> <a href="https://x.com/hashtag/dakloze?src=hashtag_click"><em>#dakloze</em></a> <a href="https://x.com/hashtag/Arnhem?src=hashtag_click"><em>#Arnhem</em></a></p>
<p><a href="https://x.com/VNGemeenten"><em>@VNGemeenten</em></a> <a href="https://x.com/Aedesnet"><em>@Aedesnet</em></a> <a href="https://x.com/nat_ombudsman"><em>@nat_ombudsman</em></a></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1642" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-7-300x225.jpg" alt="" width="300" height="225" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-7-300x225.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-7-768x576.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-7.jpg 900w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Dakloosheid oplossen vergt een structurele woonoplossing. Het plan van staatssecretaris Blokhuis uit 2019 om 10.000 tijdelijke woningen te bouwen was en is dat niet. Niet alleen is het aantal volstrekt onvoldoende, en gaat een deel ervan naar andere spoedzoekers, maar het gaat ook nog eens een keer om heel sobere, tijdelijke huisvesting, vaak op braakliggende bouwgrond in afwachting van permanente ontwikkeling. Zulke noodwoningen op afgezonderde locaties zijn niet bepaald de beste optie als je kwetsbare groepen een volwaardige plek in de samenleving gunt. De beste manier om de dakloosheid op te lossen is zorgen voor genoeg betaalbare woningen. In de rest van dit woonprogramma staat juist de woonpolitiek centraal. Bij het bestrijden van dakloosheid gaat het niet om de keuzes die dakloze mensen hebben gemaakt, maar om de politieke keuzes die de enorme stijging van dakloosheid veroorzaken. Niet de dakloze mensen behoren zich te schamen, maar de politiek verantwoordelijken die dit hebben laten gebeuren.</em></p>
<p><em>Mensen raken dak- of thuisloos omdat er onvoldoende betaalbare woningen beschikbaar zijn, omdat betaalbare woningen zijn verkocht of gesloopt. Collectieve voorzieningen, zoals de volkshuisvesting, zijn uitgehold. Onverwachte gebeurtenissen, tegenslagen of persoonlijke problemen mogen in onze rijke welvaartsstaat niet leiden tot een leven op straat. Iedereen heeft een rechts op een thuis, ook als je allerlei misstappen in het leven hebt gemaakt. Dak- en thuisloosheid is een maatschappelijk probleem en vergt een collectieve, snelle oplossing. Dat kan ook prima. Wij gaan naast structurele oplossingen voor de wooncrisis ook met een noodplan binnen een jaar voor alle dak- en thuislozen huisvesting regelen, met 200.000 prefab-woningen van goede kwaliteit die met noodprocedures snel geplaatst worden en die een normaal, vast, betaalbaar huurcontract kennen. Met gemeenten en provincies wordt daartoe met bloedspoed een plan opgesteld, die eenmalig de wettelijke bestemmings- en bezwaarprocedures buiten werking stelt en financiën beschikbaar stelt voor grondverwerving (zie hierna ook onze structurele verandering van de grondpolitiek hierbij) en bouw. </em></p>
<p><em>We gaan ook structureel dak- en thuisloosheid beperken door woninguitzetting extreem moeilijk te maken en de rechtsbescherming van huurders fors te versterken.</em></p>
<p><em>Maatregelen die uitkeringen (AOW, bijstand) en toeslagen (fors) korten als je samenwoont (kostendelersnorm, partnertoets, lagere normbedragen bij samenwonen) en ook dat het fiscaal negatieve gevolgen geeft bij samenwonen, staan ook haaks op het voorkomen van dak- en thuisloosheid. Het zet met name de meest kwetsbare mensen klem, zij kunnen het geld absoluut niet missen. Het vergroot het risico op dak- en thuisloosheid. We moeten mensen juist een bonus geven als ze willen samenwonen in plaats van hen te sanctioneren, zeker gelet op de huidige enorme woningnood. Dat gaan we dus veranderen. </em></p>
<h3><em><u>Oorzaken van woningnood: verkeerde politieke keuzes: de marktwerking is het probleem, niet de oplossing</u></em></h3>
<p><em>De woningnood in ons land is louter een gevolg van verkeerde politieke keuzes. Door andere keuzes te maken kunnen we de woningnood dus ook weer ongedaan maken. </em></p>
<p><em>Volgens voormalig minister Stef Blok (VVD) van Wonen tijdens Rutte 2 was er één terrein waar een volgend kabinet zich níet druk over hoeft te maken: wonen. In een nieuw kabinet was geen nieuwe minister voor Wonen nodig, zei hij een paar dagen voor hij dat ministerie inruilde voor Veiligheid en Justitie. Het woonbeleid was af, de markt kon verder haar werk doen.</em></p>
<p><em>Het was ook toen al een bijzondere uitspraak in een tijd waarin de wachttijden voor sociale huurwoningen verder toenemen en de verhalen van mensen die niet kunnen kopen én niet kunnen huren je om de oren vliegen (In een tijd ook dat in de ene helft van Nederland tienduizenden woningen leegstaan en dreigen te verkrotten, terwijl er in de andere helft als de wiedeweerga volgens de ramingen toen 750.000 woningen bij moeten komen – inmiddels zijn de officiële ramingen dat er tot 2030 981.000 extra woningen nodig. Werk aan de winkel, zou je denken). Blok lardeerde zijn uitspraak met de analyse dat de woningmarkt steeds beter functioneert, daarom is een minister niet meer nodig. Met die woningmarkt bedoelt hij dat de huizenprijzen stijgen, de huren stijgen, en er meer verhuisd wordt. Maar in een woningmarkt kun je niet wonen. Met de markt gaat het goed, maar hoe gaat het met het wonen?, zo vroeg publiciste Mirjam de Rijk zich al in maart 2017 in de Groene af (</em><a href="https://www.groene.nl/artikel/te-duur-om-nog-sociaal-te-zijn"><em>https://www.groene.nl/artikel/te-duur-om-nog-sociaal-te-zijn</em></a><em>). </em></p>
<p><em><u>De wooncrisis is een crisis over ongelijkheid</u></em></p>
<p><em>De wooncrisis is een crisis over ongelijkheid. In 1989 kwam het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met een rapport genaamd ‘Ontwerp nota volkshuisvesting in de jaren negentig’. Een omslag in ons woningbeleid, vertelt volkshuisdeskundige professor Marja Elsinga (TUD): “Dit was het begin van de ambitie om de woningmarkt te verbeteren en het startpunt voor allerlei maatregelen voor verzelfstandiging en deregulering.” Het idee hierachter was dat een optimale markt optimale welvaart zou opleveren, maar daar is weinig van terecht gekomen. &#8220;De woningmarkt is namelijk geen perfecte markt. Er is niet een keuze om uit de markt te stappen als deze ongunstig is voor jou. Iedereen heeft een huis nodig,” benadrukt Elsinga.</em></p>
<p><em>Sterker nog, veel van deze maatregelen hebben juist gezorgd voor de huidige problemen. Sociale huurwoningen werden opgekocht en te huur aangeboden in de vrije sector, waar beleggers snel aan konden verdienen. &#8220;In dezelfde jaren dat de minister voor Wonen Stef Blok buitenlandse beleggers naar de Nederlandse woningmarkt trok, was er namelijk ook een mogelijkheid om hogere huren te vragen in het middensegment,&#8221; onderstreept econoom drs. Rens Van Tilburg (UU). Daarnaast werd de concurrentie bij koopwoningen groter wat de prijzen opdreef. Dit is ten koste gegaan van starters en huurders. “Het was een misverstand om de markt open te stellen voor mensen die gericht zijn op hoge winst en korte termijn,” aldus Elsinga. Dat is uiteraard een understatement, het is een kwaadaardige, bewuste aanval op bestaans- en woonzekerheid. </em></p>
<p><em>Het gevolg is een grote mate van ongelijkheid in de samenleving tussen mensen die een koopwoning bezitten en mensen genoodzaakt zijn te huren. “De woningmarkt is een soort motor van ongelijkheid,” onderstreept sociaal geograaf dr. Wouter van Gent (UvA). Als je uit een welgestelde familie komt, kan die je helpen met een huis kopen en bouw je weer vermogen op. Mensen die deze hulp niet hebben en moeten huren, kunnen geen vermogen opbouwen. </em></p>
<p><em>Van Gent voegt toe: “De betaalbaarheidskwestie, zowel binnen de koop als binnen de huur, betekent dat bepaalde mensen zich op bepaalde plekken kunnen inkopen. En dan heb je het over segregatie.” Mensen die het financieel lastiger hebben, worden uit de stad geduwd. Zij moeten dan verder reizen voor school, werk en bijvoorbeeld familie en vrienden, terwijl de rijkeren tijd en geld besparen en hun sociale netwerk kunnen behouden. </em></p>
<p><em>Ongelijkheid tussen kopers en huurders, buitensporige hypotheekverstrekking, speculatie: de overheid gaat een fundamentele aanpak van de woningmarkt uit de weg. Sterker: ze verergert de problemen.</em></p>
<p><em><u>Steeds meer geld voor evenveel huis</u></em></p>
<p><em>Voor de mensen van wie het huis een paar jaar geleden ‘onder water’ stond zijn de stijgende huizenprijzen goed nieuws. Maar voor je het weet ontneemt dit goede nieuws het zicht op zeven kanjers van problemen. Problemen die niet alleen huizenbezitters maar ook de economie en de samenleving als geheel uit het lood kunnen slaan.</em></p>
<p><em>Stijgende woningprijzen zijn geen goed nieuws. Hoge huizenprijzen betekenen hoge woonlasten. Door de lage rente valt het niet meteen op, maar de koopprijs moet uiteindelijk wel betaald worden. De Nederlandse woonkosten behoren tot de hoogste van Europa – niet alleen in euro’s maar ook als percentage van het besteedbare inkomen.</em></p>
<p><em>In 2013 kwam een onderzoekscommissie van de Tweede Kamer met een brisant rapport. De ‘commissie-huizenprijzen’ onderzocht onder leiding van D66-Kamerlid Kees Verhoeven waarom de huizenprijzen in Nederland tussen 1995 en 2008 bijna drie keer zo hoog waren geworden, van gemiddeld 93.000 euro naar 254.000 euro. Namen de inkomens in die dertien jaar zo hard toe? Was de kwaliteit zoveel beter geworden, stegen de bouwkosten? Het antwoord bleek ontluisterend: de prijsstijgingen waren voor het overgrote deel het gevolg van de verruimde leenmogelijkheden. Door het afschaffen van veel regels voor hypotheken konden mensen vanaf begin jaren negentig steeds hogere bedragen lenen en kwamen er allerlei constructies om de hypotheekrenteaftrek maximaal te benutten. De prijzen stegen doordat mensen in staat waren hogere schulden op zich te nemen.</em></p>
<p><em>Dit werd beschreven door Mirjam de Rijk in mei 2017 (</em><a href="https://www.groene.nl/artikel/het-kan-niet-slechter-dan-hoe-nederland-het-doet"><em>https://www.groene.nl/artikel/het-kan-niet-slechter-dan-hoe-nederland-het-doet</em></a><em>). </em><em>Inmiddels (4<sup>e</sup> kwartaal 2024) is de gemiddelde woningprijs geëxplodeerd naar € 483.000, bijna een verdubbeling ten opzichte van 2017. In drie gemeenten ligt de gemiddelde verkoopprijs al boven het miljoen (Blaricum, Bloemendaal en Laren). In het laatste kwartaal van 2024 lagen de verkoopprijzen van huizen 11,5 procent (€ 50.000) hoger dan een jaar eerder, blijkt uit cijfers van de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM). Het aantal verkopen stijgt, er werden ruim 43 duizend woningen verkocht in het vierde kwartaal door NVM-makelaars. In veel regio’s is de grens van 500.000 euro al gepasseerd: in 42 procent van de gemeenten (144 van de 342) wordt gemiddeld een half miljoen euro of meer betaald voor een woning. Daartoe behoren onder meer de gemeenten Amsterdam (610.000 euro) en Utrecht (562.000). Den Haag (460.000) en Rotterdam (437.000) zaten er nog duidelijk onder.</em></p>
<p><em>Bestaande woningen zijn voor het eerst gemiddeld duurder dan nieuwbouw, meldt makelaarsvereniging NVM. Dat komt doordat nieuwbouwappartementen steeds kleiner worden. Van het nieuwbouwaanbod was vorig jaar bijna 60 procent een appartement. In 2020 was dat nog zo’n 30 procent. Bouwbedrijven concentreren zich op woningen die kopers zich nog wel kunnen veroorloven. Die krijgen daardoor wel ‘minder ruimte voor hetzelfde geld’, aldus de makelaarsvereniging NVM. Een gemiddeld appartement ‘kromp’ in twee jaar van 85 naar 76 vierkante meter. De prijs per vierkante meter nieuwbouw ging wel omhoog, van 4.400 euro naar ruim 4.700 euro. Sowieso spelen appartementen een steeds belangrijkere rol in het Nederlandse woningaanbod. Van de ruim 43 duizend verkochte woningen in het vierde kwartaal waren 14 duizend appartementen. Dat is bijna een record. Inmiddels is ongeveer een op de drie verkochte woningen een appartement. In de nieuwbouw was dat dus drie op de vijf.</em></p>
<p><em>Voor iedereen die pleit voor het opnieuw verruimen van de hypotheekmogelijkheden – bijvoorbeeld omdat starters door de huidige prijzen moeilijk aan de bak komen – is het rapport van de commissie huizenprijzen verplichte literatuur. Meer leenmogelijkheden lijken op individueel niveau een oplossing, maar drijven de huizenprijzen alleen maar verder op. Door de stijging van de lonen en de daling van de hypotheekrente, plus de verhoging van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) is er steeds meer leenruimte, wat ook volgens de NVM de prijzen verder doet opdrijven. De commissie pleitte terecht voor het Canadese systeem, waarbij de maximale hoogte van de hypotheek (als percentage van het inkomen of de woningwaarde) daalt als de huizenprijzen sterk stijgen, en stijgt als de huizenprijzen dalen. Dit mechanisme helpt de woningmarkt te stabiliseren. </em></p>
<p><em>De commissie van vier partijen (naast D66 ook PvdA, VVD en CDA) maakte ook korte metten met het beeld dat stijgende huizenprijzen gunstig zijn. ‘Mensen wanen zich rijker, maar uiteindelijk betekent het dat je meer betaalt voor evenveel huis’, zegt Ed Groot, ex-Kamerlid voor de PvdA. ‘Alleen ontwikkelaars, grondeigenaren en de financiële industrie profiteren van de hogere prijzen. De kosten zijn voor de koper.’</em></p>
<p><em>Blijdschap over stijgende prijzen is verklaarbaar vanuit het leed van de ‘onderwaterstaanders’: mensen die door de prijsdalingen na 2008 een hogere hypotheek hebben dan hun huis waard is. Voor hen zijn prijsstijgingen noodzaak, zeker als ze willen verhuizen en dus verkopen.</em></p>
<p><em>Maar ook in de jaren dat nog niemand van ‘onder water staan’ gehoord had, werd het als goed nieuws beschouwd als huizenprijzen stegen. Het is een intrigerend fenomeen: als televisies of auto’s goedkoper worden is iedereen blij, voor huizen geldt dat niet. De verklaring lijkt op het eerste gezicht simpel: huizen zijn weliswaar een gebruiksgoed, maar worden ook als spaar- en beleggingsobject gezien. En zoals je niet wil dat de waarde van je schilderij of zilver daalt, zo wil je ook niet dat de waarde van je huis daalt. Maar schilderijen kunnen in waarde stijgen zonder dat gewone stervelingen daar de prijs voor betalen, bij stijgende woningprijzen betaalt iedere volgende huizenkoper de prijs voor de waardestijging van de vorige.</em></p>
<p><em>Starters krijgen door stijgende huizenprijzen moeilijker een hypotheek en zien hun woonkosten toenemen. Maar ook bestaande huiseigenaren hebben vaak geen baat bij prijsstijgingen. Wie een schilderij verkoopt kan van de opbrengst op vakantie gaan, maar wie een huis verkoopt heeft meestal weer een nieuw huis nodig, dat ook in prijs gestegen is. Spekkoper zijn alleen diegenen die kleiner gaan wonen of naar een goedkopere regio of wijk verhuizen – maar dat laatste is nou net niet de trend. ‘Mensen zien alleen de winst op hun huidige huis, maar realiseren zich niet dat ze door dezelfde prijsstijgingen meer kwijt zijn aan hun volgende woning’, zegt gedragseconoom Henriëtte Prast. Ze geeft het voorbeeld van iemand die in het verleden een huis kocht van een ton en dat nu voor twee ton verkoopt, om vervolgens een groter huis te kopen dat in diezelfde tijd ook in prijs verdubbelde – van 150.000 euro naar 300.000 euro. Prast: ‘Diegene moet 100.000 euro extra bijlenen, in plaats van 50.000 als de prijzen niet gestegen waren.’</em></p>
<p><em>Dat prijzen zich ook heel anders kunnen gedragen, blijkt in Duitsland. In dezelfde periode dat de huizenprijzen in Nederland met honderden procenten stegen, volgden de prijzen in Duitsland slechts de inflatie. En dat heeft alles met het Duitse woningbeleid te maken, stelt Barend Wind, socioloog en promovendus aan de Universiteit van Tilburg. Hij bestudeerde het woonbeleid in een aantal Europese landen en is geïntrigeerd door de grote verschillen. In Duitsland werd de hypotheekmarkt niet gedereguleerd. Kopers moeten een deel van de koopprijs sparen voordat ze kunnen kopen en dat sparen wordt via belastingkorting gestimuleerd. Een meerderheid van de Duitsers huurt. De huren zijn er lager dan in Nederland, dankzij huurprijsregulering en dankzij de lagere huizenprijzen. Dat moeten wij ook gaan doen, evenals de leenruimte te beperken en de spaarruimte te vergroten. </em></p>
<p><em><u>Prijsstijgingen vergroten de ongelijkheid</u></em></p>
<p><em>De PvdA was in de jaren negentig, met PvdA-premier Wim Kok, sterk voorstander van deregulering van hypotheken. Het zou het eigen woningbezit bevorderen en daarmee vermogensvorming van lagere en middeninkomens mogelijk maken. Een grote misrekening, weet Barend Wind. Het heeft de vermogensongelijkheid juist sterk vergroot. Door de stijgende huizenprijzen die het gevolg waren, staken mensen zich in steeds grotere schulden. Bovendien ontstonden door de prijsstijgingen grote verschillen tussen mensen die op een ‘goed’ en op een ‘slecht’ moment een huis kochten. Wie aan het begin van een boom bust-cyclus koopt is spekkoper, wie aan het eind koopt, is verliezer.</em></p>
<p><em>Ook de geografische verschillen nemen toe. De locatie wordt steeds belangrijker voor de woningwaarde en dat drijft de woningprijzen uiteen en vergroot de vermogensverschillen. Wie in de goede regio of de goede wijk kocht, ziet zijn vermogen in korte tijd met tonnen toenemen, terwijl op andere plekken de woningwaarde gelijk blijft of zelfs daalt. Opmerkelijk is dat de daling van de woningwaarden na 2008 gelijkmatig over Nederland verdeeld was, in alle provincies gemiddeld zo’n twintig procent, maar dat de stijging van de afgelopen jaren heel lokaal is. In geliefde steden zijn de woningen al weer meer waard dan vóór 2008, in grote delen van Nederland staan ze nog steeds onder water.</em></p>
<p><em>‘Die mensen zitten misschien voor altijd aan hun onverkoopbare huis vast’, zegt Rodrigo Fernandez, die als sociaal-geograaf aan de Universiteit Leuven de financialisering van de woningmarkt onderzoekt. Het huidige ruimtelijke en economische beleid, dat gericht is op het versterken van wat al sterk is, vergroot die geografische verschillen en daarmee de ongelijkheid. Overigens is Zeeland een opmerkelijk buitenbeentje binnen Nederland, daar gedragen de huizenprijzen zich bijna ‘Duits’. Ze daalden slechts licht na 2008, stegen na 2013 ook nauwelijks en staan, samen met de huizen in Amsterdam, het minst onder water van heel Nederland.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1643" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-8-300x182.png" alt="" width="300" height="182" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-8-300x182.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-8.png 603w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Bron: IBO Vermogensverdeling</em></p>
<p><em>Grote vermogensverschillen geven mensen met geld ook extra snelheid op de huizenmarkt. En die snelheid is in geliefde gebieden steeds vaker doorslaggevend, want verkopers geven de voorkeur aan kopers die niet eerst de hypotheek rond moeten krijgen. In heel Nederland wordt inmiddels twintig procent (één op de vijf!) van de woningen uit het handje gekocht, in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag heeft zelfs een kwart van de kopers geen hypotheek nodig, en in de studentensteden Delft, Groningen en Maastricht ging het zelfs om ongeveer dertig procent. Het Kadaster heeft ook onderzocht wie deze mensen zijn: de grote meerderheid is relatief oud, doorstromer of belegger. Bijna 43 procent van de hypotheekloze kopers bezit meer woningen en 38 procent stroomt door naar een volgende woning. </em></p>
<p><em>Via erfenissen wordt vermogensongelijkheid doorgegeven aan volgende generaties. Dat is van alle tijden, maar de stijgende huizenprijzen versterken dit effect: een erfenis van een huis van een miljoen vergroot de verschillen méér dan een erfenis van een huis van een ton. De Franse econoom Thomas Piketty laat in zijn veelgeprezen Kapitaal in de 21ste eeuw zien dat de grote vermogensverschillen voor het overgrote deel bestaan uit woonvermogen. Die ongelijkheid wordt vaak geduid als generatiekwestie: de babyboomers werden rijk over de ruggen van de jongeren. Inmiddels is echter de vermogensoverdracht van rijke ouders naar hun kinderen in volle gang. De nieuwe mogelijkheid om belastingvrij een ton te schenken aan huizenkopers (niet per se aan kinderen, maar het gebeurt wel meestal met kinderen) versterkt de ongelijkheid in woonvermogens en woonkansen.</em></p>
<p><em>Millennials betreden de woningmarkt onder andere omstandigheden dan hun ouders, en hebben vaak hun hulp nodig. Families zijn zo steeds belangrijker geworden voor het kunnen bezitten van een eigen woning en daarmee de opbouw van vermogen. De mate waarin families hiertoe in staat zijn, verschilt echter sterk. In hun nieuwe boek (Richard Ronald &amp; Rowan Arundel (eds), 2023, Families, Housing and Property Wealth in a Neoliberal World; Routledge) </em><em>werpen sociaal geografen Richard Ronald en Rowan Arundel licht op de relatie tussen families en hun woning en toenemende ongelijkheden. Ronald en Arundel stellen dat de familie een belangrijke rol is gaan spelen voor het kunnen bezitten van een eigen woning. ‘De kinderen van de woningbezitters die in groten getale de woningmarkt betreden, en net als vorige generaties een eigen woning nastreven, want dat is nog steeds de norm, doen dat onder andere omstandigheden dan hun ouders. In huidige economie ligt de nadruk op het individu als op zichzelf staande economische actor. Maar in werkelijkheid zijn we op familieschaal meer afhankelijk van elkaar geworden. Families zijn steeds meer gemobiliseerd rond hun woning als middel om vermogen op te bouwen.’</em></p>
<p><em>Arundel benadrukt hoe deze afhankelijkheid van de familie heeft geleid tot grotere verschillen tussen huishoudens en toegenomen ongelijkheid binnen en tussen generaties. ‘De generaties met een eigen woning hebben de middelen om hun kinderen te helpen, maar oudere generaties zonder kunnen dat niet.’</em></p>
<p><em>‘We zien een kloof tussen huurders en woningbezitters’, vult Ronald aan, ‘en ook binnen woningbezitters. Families die vermogen opbouwen en families die vermogen verliezen. Families die beter af zijn leven in beter vastgoed in betere buurten en bouwen meer vermogen op, waardoor hun kinderen in staat zijn om vastgoed te kopen. Families die zich maar net een woning konden veroorloven in minder goede buurten met minder goede scholen, kunnen dit vermogen niet aanwenden voor hun kinderen.’</em></p>
<p><em>De vermogensverschillen bínnen generaties zijn veelal groter dan die tússen generaties, stelt Barend Wind. De mechanismen van de huidige woningmarkt zorgen ervoor dat wie rijk is nóg rijker kan worden van woningen, en wie arm is steeds hogere hypotheekschulden aangaat. In die omstandigheden zijn lage en middeninkomens meer geholpen met betaalbare huurwoningen dan allerlei kunst- en vliegwerk om het eigen woningbezit te bevorderen. Wind: ‘Als je de fiscale voordelen voor woningbezitters zou afschaffen, benadeel je mensen die géén eigen huis hebben ook niet langer, want sparen via een huis is dan niet voordeliger dan andere spaarvormen.’ Dat sluit ook aan bij de huidige trends, waarbij steeds meer mensen eigenlijk liever zouden huren dan kopen omdat het hun meer flexibiliteit geeft, zo blijkt uit onderzoek van researchbureau ABF.</em></p>
<p><em>Vergroot wonen daarmee de ongelijkheid? Op dit moment wel, zegt Rowan Arundel. Hij promoveerde dit jaar aan de Universiteit van Amsterdam op ongelijkheid in woonvermogen in Europa en maakt nu deel uit van de onderzoeksgroep The Real Estate/Financial Complex aan de Universiteit Leuven. </em></p>
<p><em>Tussen huisvesting en ongelijkheid vindt een belangrijke interactie plaats. Wanneer de ongelijkheid in het verleden afnam, bijvoorbeeld begin vorige eeuw en na de Tweede Wereldoorlog, kwam dat mede door de massale bouw van sociale huurwoningen. Sinds de jaren tachtig neemt de ongelijkheid weer toe. Ook daar speelt huisvesting een belangrijke rol in, zoals Piketty’s Kapitaal in de 21ste eeuw laat zien. De toenemende vermogensongelijkheid komt met name door het uiteenlopen van woonvermogens: het vermogen dat iemand wel – of niet – in een koopwoning heeft zitten. </em></p>
<p><em>Arundel wijst op twee mechanismes die dit veroorzaken. Ten eerste: de stijgende huizenprijzen. Die creëren in toenemende mate een scheiding tussen wat Arundel de ‘insiders’ en de ‘outsiders’ noemt: zij die wel, en zij die geen huis kunnen kopen, waarbij de eerste groep steeds kleiner wordt en de tweede groep steeds groter. Eigen vermogen – of vermogen uit de familie – wordt daardoor steeds bepalender; huizenbezit wordt in toenemende mate erfelijk. Ten tweede: minder stabiele huizenprijzen, ofwel volatiliteit. De welgestelde groep kan die schokken opvangen, de kwetsbare of ‘precaire’ groep – zoals Arundel ze noemt – niet. Deze groep heeft een huis, maar leeft op het randje, vaak door een te hoge hypotheek. De kwetsbare groep is onlangs nog geschetst in een WRR-rapport over de wankelende middenklasse. Een van de opstellers ervan, Harald Benink, hoogleraar Banking en Finance aan de Universiteit Tilburg, sprak in De Groene Amsterdammer over een groep mensen met schulden waar ze nooit meer uitkomen. ‘Niet omdat ze gekke dingen hebben gedaan of geld over de balk hebben gesmeten, maar omdat ze op basis van een vast contract [voor de crisis] een hypotheek zijn aangegaan. (…) Als er een nieuwe crisis komt, zakken al deze mensen door het ijs.’</em></p>
<p><em><u>De mythe van het massale eigenwoningbezit</u></em></p>
<p><em>De ironie is, zegt Arundel, dat stijgende prijzen en volatiliteit beide een gevolg zijn van beleid dat juist als gelijkmakend gold: de belofte van het eigenwoningbezit. In plaats van voor een kleine bovenlaag, zou een eigen woning voor iedereen toegankelijk worden. Elk huishouden zou zo eigen vermogen kunnen opbouwen, een eigen buffer voor slechte tijden.</em></p>
<p><em>Maar veel gezinnen konden geen huis kopen zonder een verruiming van de hypotheekvoorwaarden. De belofte van eigenwoningbezit kon alleen waargemaakt worden door meer schuld. De overheid faciliteerde de toegang daartoe. Al die ruimere financiering heeft maar tot één ding geleid, en dat is tot stijgende huizenprijzen, iedereen kan namelijk meer bieden voor hetzelfde huis. In vijftien jaar vervijfvoudigde de Nederlandse hypotheekschuld, van 140 miljard naar 650 miljard euro in 2008. Inmiddels (eind 2023) bedraagt die hypotheekschuld al 815 miljard euro. In 2012 was deze schuld groter dan het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp), maar door de sterkere groei van ons bbp is dat gedaald tot nu 79%, nog steeds internationaal gezien erg hoog. Ook prijsschommelingen zijn een gevolg van veranderingen op de hoge hypotheekmarkt en in de financiële wereld, zegt Arundel. Hoe dieper vervlochten met internationaal kapitaal, hoe makkelijker de onrust op de kapitaalmarkten op de Nederlandse huishoudens overslaat. Na de kredietcrisis daalden de huizenprijzen met gemiddeld twintig procent, omdat niemand ze nog kon betalen toen de banken niet meer leenden.</em></p>
<p><em>De hypotheekrenteaftrek is een perfect voorbeeld van beleid dat de ongelijkheid vergroot. Het doel daarvan was koopwoningen beter betaalbaar te maken: huishoudens mogen de rente die ze betalen over hun hypotheek, van de belasting aftrekken. In de praktijk werden koopwoningen er inderdaad beter betaalbaar door, waardoor de vraagprijs ervoor omhoog kon, en de bereikbaarheid ervan voor middeninkomens daalde. Nu profiteren vooral de hoogste inkomens ervan, want zij kopen de duurste huizen. Door de hypotheekrenteaftrek loopt de Nederlandse staat jaarlijks zo’n 10 miljard aan belastinginkomsten mis. De helft van dat bedrag gaat naar de 20 procent hoogste inkomens, volgens het CBS. Daarvan zou je jaarlijks 55.000 sociale huurwoningen kunnen neerzetten met een kostprijs van 200.000 euro per stuk: dat is evenveel als er nu per jaar in Nederland in totaal gebouwd wordt.</em></p>
<p><em>Geld dat naar dit soort beleid gaat, kan niet op een andere manier aan volkshuisvesting worden besteed. Als het doel is de ongelijkheid te verkleinen door de democratisering van vermogensopbouw, lijken andere manieren efficiënter. ‘Het probleem zit niet in het idee van eigenwoningbezit,’ zegt Arundel, ‘maar in de enorm marktgerichte manier waarop het is gepromoot.’ </em></p>
<p><em><u>Gevolgen voor huurders en woningzoekenden</u></em></p>
<p><em>Door de stijgende huizenprijzen stijgen ook de huren, zeker na beleid dat de sociale huursector steeds meer ombouwt tot een armenvoorziening. Minister Blok noemde alles onder de 710 euro een ‘lage huur’: geliberaliseerd zouden veel woningen meer opleveren. Voor dat bedrag werk je weken tegen een minimumloon. In arme landen geven mensen het grootste deel van hun geld aan eten uit, in rijke landen, in toenemende mate, aan wonen. </em></p>
<p><em>Het gebrek aan sociale huur en betaalbare koop drijft steeds meer mensen de particuliere huurmarkt op. Dat lijkt de nieuwste groeimarkt in grote steden te zijn, zegt Maartje Martens, onafhankelijk woningmarktdeskundige. Koophuizen op gewilde plekken zijn niet alleen aantrekkelijk voor wie een plek zoekt om te wonen, maar ook voor particuliere investeerders. Die verhuren de woning vervolgens aan de groep die dezelfde woning zou willen kopen, maar overboden wordt door investeerders. De huurprijs die ze betalen is al snel hoger dan de hypotheek die ze voor dezelfde woning afgesloten zouden hebben. </em></p>
<p><em>Er is een parallel met Groot-Brittannië, volgens Arundel een voorbeeld van hoe het niet moet. Daar nam het eigenwoningbezit in de jaren tachtig snel toe, door verkoop van sociale huur. Nu neemt het al jaren af. Prijsopdrijving heeft de huizen onbetaalbaar gemaakt, met name in Londen. Ruim tien procent van de Britten woont in de hoofdstad, waar de helft van alle huizenwaarde in het land geconcentreerd is. Het aantal private verhuurders in Groot-Brittannië is de afgelopen twintig jaar vervijfvoudigd, tot ruim twee miljoen. Londen en de rest van het land groeien steeds verder uit elkaar: in kansen, inkomen, stemgedrag en wereldbeeld.</em></p>
<p><em>De politieke keuze is niet in de eerste plaats tussen koop of huur, maar hoe je beide sectoren organiseert, en hun onderlinge verhouding. Een breed toegankelijke huursector kan wonen betaalbaar houden, terwijl de inkomsten kunnen terugvloeien in bijvoorbeeld woningbouw en buurtverbetering, en huurders geld overhouden om elders te besteden of te sparen voor een koopwoning. Een niet-gereguleerde particuliere huursector kan bij schaarste de ongelijkheid juist vergroten, omdat de winsten privaat zijn en tot nog meer concentratie van huizenbezit leiden. Bij koopwoningen zou beleid de prijzen stabiel moeten houden, zodat de huizenprijzen niet sneller stijgen dan de lonen. Voor zowel koop als huur geldt: wonen is een cruciaal deel van de organisatie van de samenleving. Wie er maximale prijsopdrijving en winsten wil, haalt dat geld elders uit de economie weg en bevoordeelt huiseigenaren. Wie gelijkheid van kansen wil, houdt juist huisvesting stabiel en betaalbaar, zodat mensen hun tijd en geld volop in de samenleving kunnen steken.</em></p>
<p><em>De toenemende ongelijkheid in woonvermogens maakt ideeën om woningen en pensioenen meer met elkaar te verknopen extra onverstandig, vindt Wind: ‘Sociale zekerheid en pensioenen zijn juist bedoeld om de ongelijkheid te verkleinen. Als je pensioenen mede gaat baseren op de eigen woning vertaalt vermogensverschil zich in pensioenverschil.’ Pensioenen zijn bovendien gebouwd op solidariteit tussen wie lang en wie kort leeft, terwijl het vermogen dat in een woning is gestopt niet vrijvalt voor andere gepensioneerden als de eigenaar vroeg sterft. Asset-based welfare, het is in de VS en Engeland populair. Hoe hoger het eigenwoningbezit en de woningprijzen in een land, hoe meer druk er ontstaat om pensioenvoorzieningen te verminderen, blijkt uit internationale vergelijkingen. Huurders zijn de dupe, en voor wie wel een woning bezit wordt het pensioen dan afhankelijk van de grillen van de huizenprijzen, die per regio, per periode en zelfs per wijk sterk kunnen verschillen, waarschuwt Wind. Op collectief niveau kan het wel: pensioenfondsen die hun pensioenvermogen beleggen in huurwoningen of uitlenen aan hypotheken, waarmee zowel de pensioenen als de woningen minder afhankelijk worden van internationale kapitaalmarkten. Ook voor de eigen deelnemers kunnen binnen pensioenen wel spaarvoorzieningen voor de eigen woning worden opgenomen – zie de pensioenvoorstellen in dit programma.</em></p>
<p><em>De toenemende geografische verschillen in woningprijzen vertalen zich ook in de kapitaalkrachtigheid van gemeenten. In Amsterdam stroomt het geld bijvoorbeeld op dit moment binnen. De gemeente is eigenaar van het overgrote deel van de bouwgrond in de stad en bij veel projecten is de helft van de verkoopprijs voor de stad. Schematisch gesteld: een nieuwbouwwoning die verkocht wordt voor vier ton kost twee ton om te bouwen, en er gaat twee ton naar de gemeente. Het is dankzij de gestegen huizenprijzen dat Amsterdam plannen ontwikkelt om nieuwe bruggen over het IJ aan te leggen.</em></p>
<p><em>Als het geld afkomstig is van vermogende woningkopers zullen weinigen er rouwig om zijn dat de stad er een flinke graan van meepikt. Maar het is wrang dat de stad ook rijk wordt doordat haar inwoners zich in steeds hogere schulden steken. Als de gemeente echter minder zou vragen voor de grond is het enige effect dat de ontwikkelaar er met meer winst vandoor gaat.</em></p>
<p><em><u>Kopen om te verhuren nam zeer toe</u></em></p>
<p><em>De lage rente, de toenemende vermogensongelijkheid en het grotendeels vrijgeven van de huurprijzen (zie hierna) zorgen ervoor dat een toenemend aantal huizen gekocht wordt in het kader van buy to let: kopen om te verhuren. De invloed die dat heeft op de huizenprijzen in de geliefde steden en wijken wordt zwaar onderschat, stelt Maartje Martens. Martens was als onderzoeker verbonden aan verschillende universiteiten en is nu zelfstandig woningmarktanalist. Op het eerste gezicht lijkt het niet over grote aantallen te gaan: in heel Nederland komt ongeveer zes procent van de verkochte woningen in handen van een particuliere belegger. Maar in Maastricht is het al bijna twintig procent, en Groningen zit daar niet ver onder.</em></p>
<p><em>Bovendien is het prijs opdrijvende effect veel groter dan deze percentages suggereren, omdat hoge bieders de prijs over de hele linie beïnvloeden. Voor mensen met vermogen is buy to let een uiterst gunstige belegging. Verhuren is met de huidige lage rentes een ideaal alternatief voor sparen. Maar ook met deels geleend geld rendeert buy to let goed.</em></p>
<p><em>Deze nieuwe lichting pandjesbazen biedt hoge prijzen, wie een huis wil kopen om er zelf te wonen heeft al gauw het nakijken. De gemeente Amsterdam zint inmiddels op manieren om deze prijsopdrijving te stoppen, maar wil er nog niets over kwijt omdat het juridisch ingewikkeld ligt. De opties variëren van het herinvoeren van het puntenstelsel om de verhuurprijzen te maximeren tot het verbieden van koop-voor-verhuur. Maar voor veel maatregelen is de landelijke overheid nodig. </em></p>
<p><em>De opmars van buy to let maakt de huizenprijzen extra fragiel, waarschuwt Martens. Als er elders of met andere beleggingen meer te verdienen is, trekken de financiers weer weg, dalen de huizenprijzen, en komen mensen met hypotheken onder water te staan. Dat zien we nu ook, nu de overheid de middenhuur reguleert – de kentering is gelukkig ingezet.</em></p>
<p><em><u>De zeepbel kan weer barsten</u></em></p>
<p><em>Het vervelende van sterke prijsstijgingen is dat ze de kans op grote prijsdalingen vergroten – en daarmee op nieuwe onderwaterstaanders. Hoe groot de kans op prijsdalingen is weet niemand. Want dat is misschien nog wel het grootste probleem van de woningmarkt: het is een black box, ook voor wie zegt er verstand van te hebben. De commissie-huizenprijzen sprak voor haar onderzoek met bijna honderd ingewijden en dat leverde een boeiend inzicht op. ‘De commissie heeft geconstateerd dat zelfs onder ervaren deskundigen de meningen soms ver uiteenlopen over hoe de woningmarkt feitelijk werkt, wat de belangrijkste drijvende krachten zijn en hoe de aanpassingsmechanismen werken.’</em></p>
<p><em>Maar één conclusie durft de commissie wel te trekken. ‘Het moment en de snelheid van een prijsomslag zijn niet te voorspellen. Ervaring en onderzoek leren echter dat langdurige prijsstijgingen die (ver) boven de inflatie gaan, worden gevolgd door (forse) correcties.’ En dat is precies wat mensen zich van nature niet kunnen voorstellen, zegt gedragseconoom Henriëtte Prast: ‘Als woningprijzen stijgen, denken mensen dat dat altijd zo zal zijn, en als ze dalen, denken mensen dat ook dat nooit ophoudt.’ Voor wat het waard is: Amsterdam staat inmiddels (2024) op de zevende plaats in de Global Real Estate Bubble Index van de Zwitserse internationale investeringsbank.</em></p>
<p><em>Arnoud Boot, hoogleraar financiële markten aan de Universiteit van Amsterdam: ‘Mensen denken vaak dat huizenprijzen niet zullen dalen als het economisch goed gaat. Maar kijk naar Londen, Los Angeles en San Francisco: allemaal de afgelopen 25 jaar booming steden, maar toch zijn de huizenprijzen er in die 25 jaar een paar keer plots scherp gedaald.’</em></p>
<p><em><u>Hoge schulden maken de economie kwetsbaar</u></em></p>
<p><em>De fluctuaties in de huizenwaarde en de hoge schulden maken de Nederlandse economie ‘volatiel’, waarschuwde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) al in 2016. De Nederlandse economie is daardoor kwetsbaarder en wispelturiger dan die van andere landen. Dat komt grotendeels door het psychologische effect dat huizenwaarden en schulden hebben. Stijgen de huizenprijzen sterk, dan voelen mensen zich rijk en slaan ze aan het consumeren – waardoor de afzet van bedrijven stijgt. Dalen daarentegen de huizenwaarden, dan gebeurt het omgekeerde. Daardoor kwam de economische crisis in Nederland harder aan en liet het herstel langer op zich wachten dan in landen om ons heen, stelt de WRR terecht.</em></p>
<p><em>De raad onderzocht op verzoek van de regering hoe de samenleving zich kan wapenen tegen volgende financiële crises. Het belangrijkste is dat we minder afhankelijk worden van de financiële industrie, aldus de WRR. En als Nederland érgens afhankelijk is van de financiële industrie, dan is het via de hoge hypotheekschuld. Uitgedrukt in percentage van het bbp nam de schuld van huishoudens (voor het overgrote deel hypotheekschuld) tussen 1993 en 2009 toe van nog geen 50 procent naar zo’n 120 procent. Ook na de crisis is de hypotheekschuld gestegen, van 615 miljard in 2008 naar 664 miljard in 2016 (cijfers CBS). Aangezien een toenemend deel van de kopers koopt zonder hypotheek is de toename van de hypotheekschuld van de overige kopers des te groter. De laatste jaren daalt het percentage van schulden van huishoudens ten opzichte van het bbp tot 95% in 2024. Dat kwam vooral doordat ons bbp veel sneller groeit dan deze schulden. Ook lossen meer mensen hun hypotheek af, mede gestimuleerd doordat de fiscale hypotheekaftrek is beperkt. Aflossingsvrije hypotheken worden ook bijna niet meer verstrekt door aangescherpte regelgeving. </em></p>
<p><em>De overheid stimuleert echter nog steeds dat mensen hoge schulden aangaan, bijvoorbeeld met de hypotheekrenteaftrek en de nationale hypotheekgarantie – die laatste werd onlangs nog weer verhoogd. De WRR waarschuwt dat Nederland een blinde vlek lijkt te hebben voor ‘het verband tussen het belastingregime enerzijds en de verwevenheid tussen financiële sector en samenleving anderzijds’. Arnoud Boot, die het WRR-onderzoek leidde: ‘Het beleid is doordrenkt met het stimuleren van schuld, het kán eigenlijk niet slechter dan hoe Nederland het doet.’</em></p>
<p><em>De maatregelen die Nederland na de crisis van 2008 nam zijn volstrekt onvoldoende, vindt de raad. Nieuwe hypotheken moeten tegenwoordig in dertig jaar worden afgelost en de maximale hypotheekrenteaftrek gaat ieder jaar met een half procent omlaag, net zo lang tot hoge inkomens evenveel kunnen aftrekken als lage inkomens (in 2042 kan iedereen 38 procent van de rente aftrekken). Als het aan de WRR – en aan ons! – ligt wordt de hypotheekrenteaftrek helemaal afgeschaft, althans voor nieuwe hypotheken, en wordt het eigen huis voortaan belastingtechnisch als vermogen behandeld. </em></p>
<p><em>Ook moet het maximale bedrag dat geleend mag worden in verhouding tot de woningwaarde sterk omlaag. Vóór de crisis van 2008 konden mensen 120 procent van de koopprijs lenen. Nu is dat teruggebracht naar 101 procent, maar dat is nog veel te veel, vindt de WRR Boot: ‘Verlaging daarvan is echt de enige manier om te zorgen dat huizen niet onder water komen te staan en hypotheken geen molenstenen worden.’</em></p>
<p><em>Hypotheken zijn voor banken en andere financiële instellingen heerlijke producten: het risico op wanbetaling is uiterst laag en hypotheken zijn makkelijk door te verkopen, waardoor ze van de balans van de bank verdwijnen en de bank weer meer nieuwe leningen kan uitgeven. Én hypotheken zijn een soort perpetuum mobile: door hypotheekverstrekking stijgt de huizenprijs, wat weer zorgt voor hogere hypotheken, die weer zorgen voor hogere huizenprijzen. ‘Geen wonder dat de banken zich met hand en tand verzetten tegen het beperken van de maximale hypotheek’, zegt Leuvens onderzoeker Rodrigo Fernandez. Hij maakt zich zorgen over het doorverkopen van hypotheken, dat ze extra afhankelijk maakt van het reilen en zeilen van de internationale financiële industrie.</em></p>
<p><em>Hoe goed getimed het advies van de WRR ook was, de hypotheekrenteaftrek en de hoge huizenschuld waren tijdens de afgelopen paar verkiezingen geen onderwerp. In fundamentele zin is er sindsdien weinig veranderd.  Eerder al riepen ook de OESO en het IMF Nederland op om juist nu de hypotheekrenteaftrek aan te pakken, nu de rente zo laag is dat het mensen weinig pijn doet. In de verkiezingsprogramma’s voor 2017 kwam het woord hypotheekrente nauwelijks voor. </em></p>
<p><em><u>De fnuikende wisselwerking tussen koop en huur</u></em></p>
<p><em>De stijgende huizenprijzen drijven ook de huren op. Sinds Rutte 2 (oktober 2015) bepaalt de WOZ-waarde in belangrijke mate de huurprijs van sociale huurwoningen. Als de prijzen van koopwoningen stijgen (en dus de WOZ-waarden), stijgen de huren. Bovendien bepaalt de WOZ-waarde ook sterk of een huurwoning ‘geliberaliseerd’ mag worden – de huurprijs is dan niet langer gereguleerd.</em></p>
<p><em>Door de manier waarop huur en koop (of eigenlijk huurbeleid en koopbeleid) op elkaar inwerken ontstaan meerdere vicieuze cirkels. Stijgende WOZ-waarden zorgen voor stijgende huren, waardoor het weer lucratiever wordt om woningen op te kopen voor verhuur (buy to let), wat de woningprijzen weer verder opdrijft, waardoor de WOZ-waarden verder stijgen, waardoor de huren weer verder toenemen, et cetera. De tweede vicieuze cirkel is dat huurders steeds moeilijker een huis kunnen kopen, door stijgende huizenprijzen en hogere huren, waardoor ze minder kunnen sparen voor een koophuis. Daardoor blijven veel huurders afhankelijk van commerciële verhuurders, die daardoor hogere huren kunnen vragen, waardoor sparen nog moeilijker wordt, enzovoort.</em></p>
<p><em>Een derde relatie tussen de stijgende woningprijzen en huurwoningen is meer psychologisch. Door de prijsstijgingen kunnen gemeenten (en andere grondeigenaren) steeds meer geld vragen voor bouwlocaties. Daardoor hebben gemeenten het idee dat ze geld ‘laten liggen’ als ze de grond voor minder van de hand doen, bijvoorbeeld aan woningcorporaties. De stijgende huizenprijzen kunnen gemeentelijke grondbedrijven de financiële ruimte bieden om een deel van de grond extra goedkoop van de hand te doen, maar het effect in sommige gemeenten is eerder omgekeerd: hoe meer ze van commerciële ontwikkelaars kunnen krijgen, hoe vaker de bouw van betaalbare huur in het gedrang komt.</em></p>
<p><em><u>Het marktmechanisme faalt</u></em></p>
<p><em>Volgens de leer van de vrije markt leiden hogere prijzen tot meer aanbod, in dit geval de bouw van woningen. En als er eenmaal genoeg aanbod is, zou de prijs weer moeten dalen, tot ongeveer de kostprijs. Maar in de periode dat de huizenprijzen in Nederland de pan uitrezen, daalde het nieuwe aanbod juist. In 1995 werden er nog 94.000 woningen opgeleverd, in 2003 was dat gedaald tot nog geen 60.000. Dit intrigeerde de commissie-huizenprijzen misschien nog wel meer dan de prijsstijgingen. Bouwers, ontwikkelaars en gemeenten, zo ontdekte de commissie, hebben belang bij hoge woningprijzen en dus bij schaarste. Bewust en onbewust wordt er daardoor te weinig gebouwd. In tijden van stijgende woningprijzen is het voor zowel ontwikkelaars als grondeigenaren (waaronder gemeenten) bovendien financieel gunstig om de bouw van woningen uit te stellen: straks krijg je er nog meer voor. En doordat het rijk zich heeft teruggetrokken uit alles wat met ruimtelijke ordening en woningbouw te maken heeft, liet de landelijke overheid het gebeuren.</em></p>
<p><em>De prijsstijgingen van de afgelopen jaren hebben ook niet tot toenemende nieuwbouw geleid. Er wordt weliswaar meer gebouwd dan op het dieptepunt van 2014 (slechts 43.000 opgeleverde woningen, door de economische crisis en doordat woningcorporaties nauwelijks meer bouwden), maar met 68.000 woningen in 2024 lopen we nog altijd fors achter op de taakstelling van 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1644" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-9-300x194.png" alt="" width="300" height="194" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-9-300x194.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-9.png 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>In de afgelopen 70 jaar is er nooit zo weinig nieuwbouw gebouwd, als in de eerste 5 jaar kabinetten Rutte.</em></p>
<p><em><u>Hoge woon- en huurquotes</u></em></p>
<p><em>Waarom brengen veel media het stijgen van de huizenprijzen als goed nieuws, maar het stijgen van de lonen niet? Barend Wind, socioloog en gepromoveerd op woonongelijkheid, vraagt het zich regelmatig af. ‘De woonlasten moeten wel betaald worden uit de lonen van mensen. Als je die twee loskoppelt, is het logisch dat wonen steeds minder betaalbaar wordt.’</em></p>
<p><em>Dat is precies wat er de afgelopen decennia gebeurd is. Sinds 1970 zijn de kosten van huisvesting dubbel zo hard gestegen als de lonen. Wonen drukt daarmee steeds zwaarder op de huishoudinkomens. Maar die druk is ongelijk verdeeld. De woonquote – het percentage van het inkomen dat iemand aan wonen uitgeeft – is bij kopers het laagst, blijkt uit cijfers van het CBS. Bij huurders – zowel sociaal als particulier – is de gemiddelde woonquote al jaren geleden de dertig procent ontstegen, het percentage dat doorgaat als de grens voor woonarmoede. </em></p>
<p><em>Het Nederlandse woonbeleid heeft er de afgelopen decennia voor gezorgd dat huren steeds duurder wordt. Zowel ten opzichte van het inkomen, als ten opzichte van andere prijsontwikkelingen. Dat steekt af tegen woningeigenaren, die een steeds kleiner deel van het inkomen kwijt zijn aan de eigen woning. Huurders zijn een steeds groter deel van hun inkomen kwijt aan wonen. Kopers zien juist steeds minder inkomen opgaan aan wonen. </em></p>
<p><em>Netto woonquote                                                       2009                           2021</em></p>
<p><em>Woningeigenaren                                                      29,3%                          22,4%</em></p>
<p><em>Huurders                                                                    31,5%                          33,2% </em></p>
<p><em>Bron: woondata.nl/BZK </em></p>
<p><em>De Netto woonquote is dat deel van het inkomen wat huishoudens kwijt zijn aan huur/ hypotheeklasten, energie en gemeentelijke belastingen minus huurtoeslag en hypotheekrenteaftrek. Waar huurders gemiddeld ruim een derde van hun inkomen kwijt zijn aan wonen, zijn kopers minder dan een kwart kwijt aan wonen. Kopers zagen tussen 2009 – 2021 hun woonquote dalen met 6,9 procentpunt terwijl huurders dit zagen stijgen met 1,7 procentpunt.</em></p>
<p><em>Maar deze cijfers van BZK/VRO zijn vertekend. In tegenstelling tot de cijfers van het CBS, laten de cijfers van BZK/VRO inkomens lager dan 90% van het sociaal minimum buiten beschouwing. Dit heeft een aanzienlijke impact op de hoogte van de gemiddelde woonquotes. Omdat de laagste inkomens met name in de huursector te vinden zijn, valt vooral de woonquote in de huursector bij het wel meenemen van deze groep hoger uit. Het CBS komt zo op een woonquote van 36,3% voor huurders en 23,4% voor woningeigenaren. Dit is een verschil van respectievelijk 3,1 procentpunt en 1 procentpunt. Omdat de data van BZK over een langere periode beschikbaar is, hebben we omwille van de vergelijkbaarheid toch de BZK cijfers gehanteerd. De werkelijke woonquotes liggen dus iets hoger.</em></p>
<p><em>Als we kijken naar de huurquote, bieden de beschikbare cijfers een verdere terugblik. De huurquote is de het deel van het inkomen dat huishoudens kwijt zijn aan huur (minus huurtoeslag). In 1990 was de huurquote 19,7%. De netto huurquote ligt in 2021 op 25,6%. </em></p>
<p><em>Als we kijken naar type aanbieder en huurprijssegment, zien we dat de gemiddelde woonquote bij private verhuur altijd hoger ligt dan bij corporatieverhuur. De woonquote is het hoogst in de dure private sector boven de €1000,-.</em></p>
<p><em>Woonquote verschillende huursectoren in 2021</em></p>
<p><em>Huurprijs                     Sociaal                        &lt; €1.000,-                   &gt; €1.000,-</em></p>
<p><em>Corporatie                  31,3%                          33,4%                          34,9% </em></p>
<p><em>Privaat                        32,9%                          38,2%                          43,1%</em></p>
<p><em>Bron: woondata.nl/BZK 4</em></p>
<p><em>De huurprijzen liepen de afgelopen 30 jaar veel harder op dan de prijzen van andere consumptiegoederen. De inflatie lag vaak lager dan de huurprijsstijging. In de jaren nul van deze eeuw tot 2013 zie je dat de procentuele huurstijging net onder of net boven de jaarlijkse inflatie ligt. Dat komt omdat de huurstijging in die jaren gekoppeld was aan de inflatie van het voorgaande jaar. In 2013 is hier van afgestapt en stegen de huren harder. Ook zorgt de groei van de vrije sector voor een hogere huurstijging dan de inflatie. Bovendien stijgt de huur bij bewonerswissel vaan fors.  Door deze jaarlijkse procentuele stijgingen te indexeren wordt inzichtelijk dat de huren in 30 jaar harder stegen dan de algehele inflatie. Uit de indexering blijkt dat de huren vanaf 1992 t/m 2022 maar liefst 22% harder stegen dan de inflatie (</em><a href="https://www.woonbond.nl/wp-content/uploads/2023/11/Analyse_Woonbond_huurders_steeds_meer_kwijt_aan_wonen_13_11_2023.pdf"><em>https://www.woonbond.nl/wp-content/uploads/2023/11/Analyse_Woonbond_huurders_steeds_meer_kwijt_aan_wonen_13_11_2023.pdf</em></a><em>).   </em></p>
<p><em>Waar bij lage inkomens maar liefst 1,2 miljoen huishoudens een zeer risicovolle woonquote hebben van meer dan 40%, hebben maar 300.000 middeninkomens en 100.000 hogere inkomens een dergelijke woonquote. Terwijl de groep met lage inkomens ruim een derde is van alle huishoudens, zit hier 75% van de huishoudens met zeer hoge woonquotes. De kans op betalingsrisico’s in de vorm van een zeer hoge woonquote neemt sterk af bij een toenemend inkomen. Van de lage inkomens heeft 45% een woonquote van meer dan 40%. Van de middeninkomens geldt dit nog voor 17% van de huishoudens en voor de hoge inkomens gaat het nog slechts om 4%.  </em></p>
<p><em>Wanneer we de positie van huishoudens nader bekijken in de verschillende sectoren, dan valt op dat lage inkomens in alle sectoren vaak hoge woonlasten hebben. De vrije huursector spant hier de kroon met bijna 90% van de huishoudens die in de risico-categorie vallen. In de koopsector heeft ruim de helft van de huishoudens met lage inkomens een netto woonquote van meer dan 50%. In de gereguleerde huursector is het aandeel het laagst, maar nog altijd heeft bijna 40% van de huishoudens hier een zeer hoge netto woonquote. Dit ondanks het feit dat huren hier vaak beneden marktconforme niveaus worden gehouden en dat er huurtoeslagen voor lage inkomensgroepen bestaan.  Voor de middeninkomens, waarvoor ook vaak naar problemen met betaalbaarheid wordt gewezen, is het beeld wezenlijk anders. Het aandeel van huishoudens dat tot de risico-categorie behoort ligt veel lager dan die bij de lage inkomens. Over de sectoren bezien is het de vrije huursector die de meeste risicogevallen oplevert. Veertig procent van de middeninkomens heeft hier een zeer hoge woonquote. In de andere sectoren liggen deze aandelen veel lager. In de koopsector gaat het om 20% van de middeninkomens, terwijl er in de gereguleerde huursector bijna geen middeninkomens zijn die een zeer hoge woonquote hebben.  </em></p>
<p><em>Met uitzondering van de jongste categorie huishoudens tot 25 jaar &#8211; waar veel studenten met zeer lage inkomens onderdeel van uitmaken &#8211; is er geen sterke relatie tussen betaalbaarheidsrisico’s en leeftijd. Als gekeken wordt naar de gezinssituatie, dan valt direct op dat van hoge woonquotes veel vaker sprake is bij alleenstaanden dan bij paren. Van de alleenstaanden heeft 40% een hoge woonquote, terwijl dit bij paren voor 12% van de huishoudens geldt. Wel moet worden bedacht dat paren gemiddeld ook een lagere woonquote moeten hebben dan alleenstaanden, omdat meer personen vanuit het inkomen moeten worden bediend na aftrek van vaste lasten. Als men de lat voor paren voor een hoge woonquote zou leggen bij 30% in plaats van bij 40%, dan verschillen de betaalbaarheidsrisico’s voor beide groepen veel minder sterk. Omgekeerd kan ook worden betoogd dat de groep paren &#8211; en dit geldt nog sterker voor paren met kinderen &#8211; die een woonquote hebben boven de 40% als huishoudens mogen worden getypeerd die zeer aanzienlijke betaalbaarheidsrisico’s dragen. Het gaat hierbij om 230.000 huishoudens met kinderen en 310.000 meerpersoonshuishoudens zonder kinderen.</em></p>
<p><em>Vanuit de vastgoedlobby klinkt vaak dat hoe groter de private huurmarkt, hoe goedkoper de woningen er worden. Dat blijkt niet het geval. De private vrije sector is fors gegroeid, maar met name in het dure segment. In zes jaar tijd groeide de private vrije sector van 260.000 naar 509.000 woningen. Bijna een verdubbeling. De groei was het grootst in het segment boven de €1.000,-. De groei was hier 149.000 woningen (van 90.000 naar 239.000 woningen) ofwel een groei van 166%. In het prijssegment tussen de sociale huurprijs en €1.000,- was de groei 100.000 woningen (59% groei).</em></p>
<p><em>Voor de helderheid: de stijgende huren van de afgelopen jaren zijn niet het gevolg van toenemende kosten van het bouwen of onderhouden van woningen. Die kosten namen toen juist sterk af: grond werd goedkoper, de rente daalde, bouwkosten daalden. De stijgende huren komen ook niet doordat huurders eindelijk de werkelijke kosten gingen betalen, terwijl ze daarvóór gematst werden door subsidies. Van subsidie op huurwoningen is al dik twintig jaar geen sprake – waarover straks meer. De stijgende huren zijn louter het gevolg van politieke keuzes, van beleid.</em></p>
<p><em>De precieze argumentatie voor dit beleid verschilt enigszins per politieke partij, maar de hoofdlijn is dat de ‘markt’ – dat wil zeggen vastgoedontwikkelaars en beleggers – het werk van woningcorporaties zo veel mogelijk moet overnemen. En dat doen ze alleen als er meer aan te verdienen is, dus moesten de huren omhoog. Bovendien konden hogere huren ook helpen om de koopwoningmarkt, tijdens de financiële crises van 2008 en 2012 nog in katzwijm, uit het slop te trekken. In de zomer van 2011 zinspeelde toenmalig minister Piet Hein Donner er al op in zijn Woonvisie: hoe hoger de huren, hoe aantrekkelijker een koophuis, hoe eerder de huizenprijzen weer zouden stijgen.</em></p>
<p><em><u>Daling aantal sociale huurwoningen, hogere huren, lagere besteedbare inkomens</u></em></p>
<p><em>Het aantal sociale huurwoningen van woningcorporaties nam sinds 2009 met 260.000 af, van 2,27 miljoen naar 2,01 miljoen in 2015, door verkoop en door ‘liberalisatie’. In 2022 was dat al verder gedaald naar ongeveer 1,8 miljoen sociale huurwoningen. Terwijl het aantal mensen dat op zo’n woning is aangewezen in diezelfde periode met enkele honderdduizenden toenam. Dat laatste heeft te maken met inkomensdaling (gemiddeld daalde het besteedbare inkomen van huishoudens met 6,6 procent sinds 2009), met de zorgpolitiek (langer zelfstandig thuis wonen, minder tehuizen en opvanghuizen voor ouderen, psychiatrisch patiënten, gehandicapten), met de komst van vluchtelingen en vooral arbeidsmigranten, met de strengere huizenkoopregels en de vermindering van vaste arbeidscontracten (waardoor mensen met onzeker werk minder snel een hypotheek krijgen).</em></p>
<p><em>Ook percentueel is het aandeel van de voorraad sociale huurwoningen in de totale woningvoorraad sterk gedaald: van 30% in begin 2012 naar 27% begin 2022. De prognose bij ongewijzigd beleid is dat dit aandeel verder daalt en begin 2031 dreigt uit te komen op 25,7%. Doelstelling van het overheidsbeleid is om dit weer naar 30% te brengen, maar er zijn maar weinig deskundigen die daarin geloven met het huidige beleid. Niet voor niets heeft de Woonbond de afspraken met het huidige kabinet niet ondertekend en blinken de afspraken van de recente Woontop uit in vaagheid – de gemeenten (VNG) en woningcorporaties (Aedes) hebben ook grote kritiek. </em></p>
<p><em>En terwijl het aantal sociale huurwoningen daalde, stegen de huren. Tussen 2012 en 2015 namen de huren van sociale woningen – gecorrigeerd voor inflatie – toe met gemiddeld veertig euro per maand, oftewel 480 euro per jaar. In dezelfde drie jaar daalde het netto jaarinkomen van huurders met 900 euro. Sinds 2009 betalen huurders gemiddeld zelfs bijna 900 euro meer huur, bij 2200 euro minder netto inkomen (Alle bedragen gecorrigeerd voor inflatie, bron: WoON 2015, het driejaarlijkse onderzoek van de rijksoverheid). Wie echt weinig geld heeft krijgt een huurtoeslag om de huurprijs te verzachten, maar die toeslag compenseert voor toeslaggerechtigden gemiddeld slechts 35 procent van de huurprijs. </em></p>
<p><em>De huurprijzen van sociale huurwoningen stijgen intussen zeer hard door. In juli 2024 werd al de hoogste prijsstijging genoteerd in meer dan 30 jaar en 2025 gaat dat nog overtreffen met maximale toegelaten huurstijgingen van 7% per 1 januari en nog eens 5% per 1 juli. De nieuwe wet betaalbare huur heeft weliswaar de zgn. middenhuren ook gereguleerd, maar sociale huurwoningen mogen omhoog met de gemiddelde loonstijging. Met de inhaalslag in de lonen komt dat huurders duur te staan. De Woonbond vreest voor een huurstijging van 6,6% bij de sociale huurwoningen in 2025, hoger dan ooit sinds de Tweede Wereldoorlog. </em></p>
<p><em><u>Beperking toegang tot sociale huur</u></em></p>
<p><em>Huishoudens met een gezamenlijk bruto inkomen van 36.000 euro of meer (netto 2400 per maand) konden sinds begin 2011 niet meer terecht in de sociale huur, en zijn aangewezen op een koopwoning of een huurwoning van een particuliere verhuurder. In veel steden betaal je voor commerciële huurwoningen gauw 1500 euro of meer per maand en koopwoningen zijn onbetaalbaar. De Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge (Rutte IV) heeft de inkomensgrenzen wel weer verhoogd. De inkomensgrens voor een sociale huurwoning is in 2025 € 52.671 (prijspeil 2024) voor meerpersoonshuishoudens; de inkomensgrens voor eenpersoonshuishoudens is € 47.699 (prijspeil 2024). Woningcorporaties mogen elk jaar 7,5% van hun vrijgekomen huurwoningen toewijzen aan huishoudens met een inkomen boven de inkomensgrens; dus bij een inkomen van meer dan € 47.699 (prijspeil 2024) voor eenpersoonshuishoudens en meer dan € 52.671 voor huishoudens van 2 of meer personen (prijspeil 2024). Maar woningbouwverenigingen mogen dat percentage lokaal verhogen, tot maximaal 15%. Dat moet de woningcorporatie dan afspreken met de gemeente en de huurdersorganisatie.</em></p>
<p><em>Maar naast deze inkomensgrenzen kwamen er ook regels die woningcorporaties verplichten tot passend toewijzen. Bij ten minste 95% van de woningen die de corporatie toewijst aan huishoudens met een inkomen onder de grens voor passend toewijzen moet de kale huur onder de zogenoemde aftoppingsgrens liggen. Er is een marge van 5% voor uitzonderingssituaties. Het is mogelijk om deze marge van 5% te compenseren met het volgende jaar. De regels gelden bij nieuwe huurcontracten voor woningen met een huur tot en met € 900,07 (liberalisatiegrens 2025; bij een hogere huur geldt de woning niet als een sociale huurwoning). Daarnaast is er vanaf 2022 een uitzondering voor ouderen met vermogen. Ten minste één bewoner moet in dit geval de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Een corporatie mag ook een woning toewijzen met een huur boven de aftoppingsgrens als het vermogen van een oudere hoger is dan € 140.213 (alleenstaanden, prijspeil 2024) of € 177.301 (meerpersoonshuishoudens, prijspeil 2024). Deze toewijzing telt dan in zijn geheel niet mee voor het passend toewijzen (en dus ook niet als een passende toewijzing voor de 95% passende toewijzingen die je moet halen als corporatie). </em></p>
<p><em>De inkomensgrenzen passend toewijzen voor 2025 zijn als volgt:</em></p>
<p><em>Eenpersoonshuishoudens tot AOW: € 28.375 </em></p>
<p><em>Eenpersoons ouderenhuishouden: € 27.775 </em></p>
<p><em>Meerpersoonshuishouden tot AOW: € 38.500 </em></p>
<p><em>Meerpersoons ouderenhuishouden: € 37.350 </em></p>
<p><em> </em></p>
<p><em>Voor het verkrijgen van huurtoeslag gelden in 2025 weer andere bedragen. Voor alleenstaanden geldt dat je maximaal </em><em>€ 481 huurtoeslag per maand kunt krijgen en dat je geen huurtoeslag krijgt van </em><em>€ 49.669 per jaar aan inkomen en geen vermogen hebt groter dan </em><em>€ 37.395. Voor meerpersoons huishoudens geldt een maximale huurtoeslag van </em><em>€ 389 per maand , een inkomensgrens van </em><em>€ 54.847 en een vermogensgrens van </em><em>€ 74.790. De maximale huurtoeslag krijg je als je inkomen niet hoger is dan </em><em>€ 20.500 voor alleenstaanden en </em><em>€ 27.500 voor meerpersoonshuishoudens. De huurtoeslag varieert daartussen afhankelijk van je inkomen en dat van medebewoners, de kale huur (servicekosten tellen steeds minder mee) en het aantal medebewoners). </em></p>
<p><em>Bij alle genoemde inkomensgegevens hierboven betreft het hier het zgn. verzamelinkomen uit de drie boxen van de inkomstenbelasting. </em></p>
<p><em><u>Drogredenen voor excuus achterblijven bouwproductie</u></em></p>
<p><em>Het komt door de stikstofregels! En doordat er veel te weinig in het groen gebouwd mag worden! Door de minister die de huren maximeert! Door de duurzaamheidseisen! Er valt gewoon niks meer te verdienen!</em></p>
<p><em>De experts en belanghebbenden die afgelopen week mochten analyseren waarom minister Hugo de Jonge zijn nieuwbouwdoelstelling niet haalt, hoefden allemaal niet lang na te denken. De stokkende nieuwbouw is een ideaal podium om te debiteren wat men toch al vond. Aangezien ‘iedereen’ voor meer woningbouw is, zijn de tegenvallende cijfers een handige kapstok om de eigen lobby aan op te hangen. Gemeenschappelijke noemer: de overheid legt te veel regels op.</em></p>
<p><em>Hoog tijd voor enige debunking. Want nee, het zijn niet de stikstofregels. Het AD en televisieprogramma Pointer stelden in 2023 vast dat er in heel Overijssel in de  maanden daarvoor precies één bouwvergunning is afgewezen op grond van de stikstofwetgeving. Woningen, juist ook de duurzame, worden trouwens vaker grotendeels in de fabriek gemaakt − dat scheelt een hoop schaarse arbeidskracht, tijd én stikstofuitstoot.</em></p>
<p><em>Te weinig nieuwbouw omdat er niet in het buitengebied gebouwd zou mogen worden? Nou nee. Gemeenten hebben al locaties aangewezen voor meer dan een miljoen nieuwe huizen. VVD en CDA zouden graag nóg meer plekken willen, maar dat is slechts bedoeld om ontwikkelaars de meest winstgevende locaties te laten kiezen.</em></p>
<p><em>Zijn beleggers huiverig voor nieuwbouw door de aangekondigde maximalisatie van de huurprijzen? Als zij werkelijk vinden dat hun winstmarges te klein, is dat een mooie reden om de woningcorporaties weer meer ruimte te geven. Corporaties hoeven, in tegenstelling tot beleggers, geen winst te maken ten koste van de huurders.</em></p>
<p><em><u>Grondpolitiek</u></em></p>
<p><em>Door alle drogredeneringen blijft de werkelijke oorzaak van de stokkende bouw ondertussen onbenoemd. Grondpolitiek. De grond voor bouwlocaties is de afgelopen decennia in rap tempo in handen gekomen van ontwikkelaars. Ontwikkelaars die, in tegenstelling tot wat hun naam doet vermoeden, niet ontwikkelen. Of in ieder geval veel minder dan ze zouden kunnen. Stijgen de woningprijzen, dan wachten ze, in de hoop straks nóg meer voor de grond te kunnen krijgen. Dalen de woningprijzen, dan wachten ze tot de prijzen weer gaan stijgen. Nu de vraag naar woningen inzakt door de stijgende rente, hebben ze even helemaal geen zin om te bouwen. En de overheid stond erbij en keek ernaar. Want onteigenen kan, maar ligt gevoelig. Bovendien moet dan de ‘marktwaarde’ betaald worden, oftewel de maximale prijs die een ontwikkelaar ooit in theorie zou kunnen krijgen.</em></p>
<p><em>Nog niet zo lang geleden hadden zowel gemeenten als woningcorporaties zelf veel ontwikkellocaties. Maar door een combinatie van ideologie (de markt moet het doen) en de crisis van 2008-2012 werd grondbezit voor hen not done. Corporaties werden zelfs gedwongen hun bouwlocaties af te stoten als het niet lukte om binnen vijf jaar te bouwen − een onmogelijke opgave in crisistijd. Ontwikkelaars daarentegen mogen diezelfde grond tot in de eeuwigheid bezitten zonder er iets mee te doen. Het ‘zelfrealisatierecht’ geeft hun het recht om de locatie te ontwikkelen óf juist niet te ontwikkelen als dat financieel beter uitkomt. Uit onderzoek van het Kadaster bleek dat grond die eigendom is van gemeenten sneller bebouwd wordt dan die van particuliere eigenaren.</em></p>
<p><em>Tot pakweg tien jaar geleden hadden zowel gemeenten als woningcorporaties veel bouwgrond, maar door een combinatie van financiële crisis en veranderde ideologie kwam de grond in handen van commerciële eigenaren. Grond is goed verdienen. Landbouwgrond kost pakweg zeven euro per vierkante meter, maar zodra de bestemming is veranderd in wonen is hetzelfde perceel al gauw honderden euro’s per vierkante meter waard. Zonder dat de eigenaar er iets voor hoeft te doen. En ‘waard’ is hierbij een interessant begrip: de grondprijs wordt in feite bepaald door de verkoopprijs van de woning: hoe hoger de koopprijzen, hoe meer winst voor de grondeigenaar. </em></p>
<p><em>Een nieuwbouwwoning kost in Nederland gemiddeld 493.000 euro in 2024 volgens het cbs. De bouwkosten voor een woning van pakweg honderd vierkante meter zijn echter maar 133.000 euro. Waar blijft de rest? De grond moet ‘bouwrijp’ gemaakt en er zijn soms voorzieningen nodig (bereikbaarheid) waaraan de ontwikkelaars meebetalen, maar het grootste bedrag gaat naar de grondeigenaren. Tussen 2015 en 2023 stegen de bouwkosten met 34 procent en de verkoopprijzen van nieuwbouwwoningen met maar liefst 97 procent – feest voor de grondeigenaren. In 2024 bestond gemiddeld zo’n 60% van de prijs van een nieuwbouwwoning uit winst voor grondeigenaren. </em></p>
<p><em>Grootste particuliere grondeigenaar annex ontwikkelaar is BPD van de Rabobank, Bouwfonds Property Development. BPD heeft grond voor minimaal vijftigduizend nieuwe woningen, en afspraken met boeren voor de koop van nog veel meer grond zodra daar een woonbestemming op komt, blijk uit onderzoek in opdracht van de Autoriteit Consument &amp; Markt. En de ‘grap’ is: Bouwfonds was tot begin jaren nul van de gemeenten, het was hun gezamenlijke grond- en ontwikkelbedrijf. Maar op de golf van ‘minder overheid, meer markt’ werd het verkocht aan ABN Amro, die het weer doorverkocht aan de Rabo. Dik twintig jaar later hebben veel gemeenten spijt als haren op hun hoofd.</em></p>
<p><em>Bouwgrond levert de eigenaar niet alleen geld maar ook invloed op. Weliswaar stelt de gemeente het bestemmingsplan vast, maar daar gaan vaak langdurige onderhandelingen met de grondeigenaren aan vooraf over wat en wanneer en wie wat betaalt. Hoe meer grond in handen is van commerciële grondeigenaren, hoe meer koopwoningen en commerciële huurwoningen gebouwd worden, en hoe minder sociale huur. Bij de koopwoningen gaat het bovendien om de segmenten die het meest opleveren – wat niet hetzelfde is als waar behoefte aan is.</em></p>
<p><em>Het particuliere grondeigendom is er een belangrijke oorzaak van dat er te weinig gebouwd wordt, zegt Erwin van der Krabben, hoogleraar planologie in Nijmegen en gespecialiseerd in grondbeleid. Grondeigenaren hebben veel redenen om de grond níet te bebouwen: stijgen de huizenprijzen en daarmee de waarde van de grond, dan wachten ze op nog meer stijging. Dalen de prijzen, dan wachten ze tot de prijzen weer gaan stijgen. Zo zijn er al voor 335.000 woningen bestemmingsplannen vastgesteld, maar gebouwd wordt er weinig.</em></p>
<p><em>Het is een al vaak vertelde anekdote (</em><a href="https://www.groene.nl/artikel/grip-op-de-grond"><em>https://www.groene.nl/artikel/grip-op-de-grond</em></a><em>)</em><em>: Stef Blok die als minister van Wonen (2012-2017) de wereld rond reisde om buitenlandse beleggers en private-equityfondsen naar Nederland te trekken. En met succes. Het Duitse Patrizia, het Zweedse Heimstaden, het Amerikaanse Blackstone, George Soros, de vermogenstak van de Deutsche Bank: ze kochten duizenden woningen op. Wat Blok en zijn VVD betrof was particuliere verhuur, naast natuurlijk eigen woningbezit, de toekomst. Om het voor die verhuurders aantrekkelijk te maken werden er een paar op het eerste gezicht nogal technische maatregelen ingevoerd, met grote gevolgen. De WOZ-waarde ging voortaan een grote rol spelen bij het bepalen van de ‘punten’ van een woning, waardoor veel woningen in de grote steden voortaan niet meer onder de sociale huurgrens vielen en verhuurders voortaan vrij waren in het bepalen van de huur. En door het ‘scheiden van wonen en zorg’ konden beleggers ook dure huurwoningen voor zorgbehoevende ouderen gaan uitbaten.</em></p>
<p><em>‘Het is een cadeau voor beleggers als er een nieuwe markt bij komt’, zegt Manuel Aalbers, hoogleraar in Leuven en gespecialiseerd in de invloed van kapitaal op wonen. ‘Er is zó veel kapitaal op zoek naar rendement. Als de hoeveelheid obligaties niet erg toeneemt en de bedrijvigheid ook niet, wat doe je er dan mee? Nederlandse woningen! Weinig risico en een goede opbrengst.’</em></p>
<p><em>Institutionele beleggers werken deels met geld van pensioenfondsen. Maar er is een groot verschil, stelt Aalbers, met hoe vroeger het ABP zelf veel woningen in bezit had en deze tegen een redelijke prijs verhuurde. Nu beleggen pensioenfondsen via internationale beleggingsfondsen. ‘Er landt maar weinig geld in Nederland en er is geen enkele directe band met de huurders, waardoor ze zonder scrupules voor de hoogste opbrengst gaan.’</em></p>
<p><em>Ook particulieren met spaargeld gingen, aangemoedigd door de lage rente, huizen kopen om te verhuren: buy to let. Of hielden hun oude huis aan als ze zelf verhuisden: keep to let. Met dank aan de groei van het aantal expats die je zonder blikken of blozen twee- tot vijfduizend euro per maand kunt vragen: de werkgever betaalt de huur.</em></p>
<p><em>Inmiddels wordt een derde van alle huurwoningen in Nederland commercieel verhuurd – 1,3 miljoen woningen. En dat is vaak niet goedkoop: 58 procent van de mensen die huren via een commerciële verhuurder zijn meer dan veertig procent van hun inkomen aan wonen kwijt. Veel meer dan in andere Europese landen, blijkt uit cijfers van Eurostat.</em></p>
<p><em>De opmars van de commerciële huur dreef niet alleen de huren op maar ook de prijzen van koopwoningen, bestaande en nieuwe. Van alle woningen die van 2017 tot en met 2021 werden gebouwd, kwam een derde in handen van commerciële verhuurders. In de zes grootste gemeenten was dit zelfs zestig procent, zo blijkt uit onderzoek van het Kadaster. Starters en woningcorporaties vissen achter het net.</em></p>
<p><em>Sommige beleggers richten zich speciaal op buitenlandse studenten. Zo vestigde de Schot MacGregor met private-equityfonds Carlyle in zeven Nederlandse steden The Student Hotel, vaak in voormalige kantoorgebouwen. De prijzen – een kamer van zestien vierkante meter kost 851 tot 1092 euro – weerhield het bedrijf er niet van zichzelf om te dopen tot The Social Hub (‘</em><em>we needed a name that is inclusive’</em><em>). Door gebruik te maken van een hotelvergunning geldt het puntenstelsel niet, net als allerlei normen rond bijvoorbeeld geluid. De Erasmus Universiteit reserveert jaarlijks op voorhand tweehonderd kamers bij The Social Hub voor haar buitenlandse studenten.</em></p>
<p><em>Ook Holland2Stay, actief in 25 steden, mikt op buitenlandse studenten en expats. In 2019 werden in Rotterdam de Lee Towers opgeleverd in voormalige kantoortorens. Ze zijn inmiddels doorverkocht aan een Zwitserse investeerder. De kleine woningen worden gemeubileerd verhuurd, waardoor ook hier het puntenstelsel niet geldt.</em></p>
<p><em>Terwijl beleggers de ruimte kregen<strong>,</strong> werden woningcorporaties een kopje kleiner gemaakt. Speciaal voor hen voerde Blok de ‘verhuurderheffing’ in, een belasting die corporaties inmiddels bijna veertien miljard euro heeft gekost. Om hun begroting rond te krijgen moesten corporaties woningen verkopen, woningen die massaal werden opgekocht door beleggers. Ook mochten ze voortaan alleen nog grond kopen waar al een woonbestemming op zat (duur!) én als er binnen vijf jaar gebouwd zou worden – extra lastig tijdens de financiële crisis. Voor commerciële grondeigenaren gelden die eisen niet.</em></p>
<p><em>Eerder al had het kabinet-Rutte 1 vastgelegd dat corporaties voortaan alleen mensen met lage inkomens mochten huisvesten: de rest moest voortaan door de markt gebeuren. En het was Wouter Bos die als minister van Financiën in 2007 bepaalde dat corporaties voortaan vennootschapsbelasting moesten betalen. Dat kost ze anderhalf miljard euro per jaar. Het toont de ambiguïteit van de politiek richting corporaties. Ze worden geacht zich socialer te gedragen dan de markt (huren lager dan het puntenstelsel, doelgroepen huisvesten die bekommernis vergen, goed voor de buurt zorgen), maar worden als het om belastingen gaat gezien als marktpartijen. Meer daarover verderop in deze analyse. Dat het op dat moment allemaal tot weinig opstand leidde, had niet alleen te maken met de neoliberale wind maar ook met geldsmijterij van sommige corporaties, die de hele sector een slechte naam bezorgde. Inmiddels is de verhuurderheffing afgeschaft.</em></p>
<p><em>De parlementaire commissie Huizenprijzen stelde het tien jaar geleden al vast en De Nederlandsche Bank deed het in 2020 nog eens dunnetjes over: dat de prijzen van koopwoningen in Nederland zo zijn gestegen komt niet door schaarste aan huizen, maar door een teveel aan geld. Of beter gezegd: schuld. De stijging van de huizenprijzen tussen 1995 en 2020 loopt helemaal gelijk op met de toename van de leenmogelijkheden door de jarenlange daling van de rente en verandering van leenregels. Bijvoorbeeld de mate waarin het tweede inkomen meegeteld mag worden (sinds 2023 voor honderd procent). Een correlatie tussen woningtekort en prijsstijging is niet gevonden.</em></p>
<p><em>‘Zodra het voor mensen moeilijk is om een huis te kopen is de eerste neiging bij politici om de hypotheekmogelijkheden te verruimen, vooral voor starters. Maar het werkt dus averechts, het doet de prijzen alleen maar verder stijgen’, constateert Dirk Bezemer, hoogleraar economie in Groningen (en columnist van De Groene). De hoge schulden zijn goud voor banken en andere financiers. Met een hypotheekschuld van ruim achthonderd miljard euro en een gemiddelde rente van drie procent betalen huishoudens hen op dit moment jaarlijks zo’n 25 miljard euro. Ruim een derde daarvan wordt dankzij de hypotheekrenteaftrek bekostigd uit publieke middelen.</em></p>
<p><em>In 1990 kostte een koopwoning gemiddeld 73.900 euro, bijna vier keer het toenmalige modale inkomen. In 2020 was dat negen keer het modale inkomen, in 2022 was het al elf keer. Dankzij de lage rente waren de maandelijkse kosten een tijdlang nog enigszins draaglijk, maar een schuld blijft een schuld. De schuld van Nederlandse huishoudens, die vooral bestaat uit hypotheekschuld, is op twee landen na het hoogste van alle rijke landen (gemeten in schuld ten opzichte van het beschikbare inkomen). Normaliter zouden, nu de hypotheekrente weer sterk is gestegen, de huizenprijzen fors moeten dalen, maar dat doen ze nog niet; verkopers willen dat zo lang mogelijk vermijden. Met als gevolg stilstand: er wordt weinig meer gekocht en verkocht.</em></p>
<p><em>Koophuizen hebben iets weg van een piramidespel: wie er eenmaal in zit, heeft er baat bij dat volgende kopers nóg hogere huizenprijzen betalen – en zich nog verder in de schulden steken. En beleggers gingen lange tijd met de overwaarde van het ene pandje weer nieuwe leningen aan voor het volgende pandje. ‘Het heeft een tijdlang ook voor de middenklasse wel gewerkt, maar het systeem bijt nu in z’n eigen staart, want uiteindelijk stopt een bouwwerk dat drijft op prijsstijgingen’, zegt Gertjan Wijburg, onderzoeker op het gebied van huisvesting en financiering.</em></p>
<p><em>Grondeigenaren, beleggers, banken en particulieren die met grote overwaarde verkopen: ze verdienen allemaal goed aan de hoge huren en woningprijzen. Ten koste van huurders en kopers, en ook van de staatskas. De overheid stopt nu ruim twintig miljard in ‘de woningmarkt’. Grootste klappers zijn de hypotheekrenteaftrek (in 2023 9,5 miljard, in 2024 10,7 miljard) en de huurtoeslag (4,9 miljard respectievelijk 5,6 miljard). Daarnaast is er zo’n drie miljard aan andere belastingkortingen voor woningeigenaren en één à twee miljard per jaar voor de stimulering van woningbouw. Dit alles nog exclusief de budgetten van gemeenten.</em></p>
<p><em>Van de huurtoeslag kun je zeggen dat deze de sociale huur stut en niet in commerciële winsten verdwijnt. Maar de andere publieke uitgaven, vijftien miljard euro per jaar, komen uiteindelijk altijd bij particulieren of bij commerciële partijen terecht. Ze verhogen de winsten en drijven de prijzen op. Dit geldt ook voor de ‘sociale’ huurwoningen, die beleggers steeds vaker neerzetten. De kleinst mogelijke woningen, van veertig vierkante meter of minder, voor een huur die zo dicht mogelijk tegen de sociale huurgrens van 808 euro aan zit. Zo krijgt de huurder nog net huurtoeslag en de belegger maakt een mooi rendement: de overheid betaalt.</em></p>
<p><em>Frans Schilder, onderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving: ‘Door alle druk om meer te bouwen én wonen betaalbaarder te maken zijn politieke partijen erg geneigd nog meer publiek geld in de woningmarkt te stoppen. Maar voor je het weet vergroot je alleen maar de winsten van grondeigenaren en beleggers.’ Gertjan Wijburg: ‘Veel politici hopen dat je door eisen en waarborgen kunt zorgen dat het publieke geld ook bij commerciële partijen leidt tot betaalbare goede huisvesting. Maar dat werkt hoogstens heel even; investeerders vinden altijd uitwegen.’ Wie wil dat publiek geld werkelijk ten goede komt aan betaalbaar wonen moet grond en sociale huisvesting in publieke handen houden, stelt hij terecht.</em></p>
<p><em><u>Eerste voorzichtig herstel van volkshuisvesting door Rutte IV</u></em></p>
<p><em>Zo ver is het nog niet, maar er is sinds kort wel wat aan het veranderen. In juni 2023 kwam minister De Jonge van Wonen, nog net niet demissionair, met een hele serie voorstellen om weer meer grip te krijgen op de grond. En om, als er winst gemaakt wordt op de waardestijging van de grond, die winst op z’n minst gedeeltelijk naar de samenleving te laten vloeien. ‘Hij is de eerste minister die weer wat durft, na de val van het kabinet-Den Uyl in 1977 over grondpolitiek’, constateert hoogleraar Erwin van der Krabben. Ook is hij er op de valreep in geslaagd meer huren te reguleren, ook die boven de huidige sociale huur.</em></p>
<p><em>Vooral de kleine beleggers roepen moord en brand, maar hun dreigement dat ze zich misschien wel gaan terugtrekken maakt weinig indruk: het zorgt ervoor dat er meer woningen te koop komen voor starters. Wel staan de beleggerssites vol tips over het ‘opplussen’ van woningen met bijvoorbeeld langere aanrechten, waardoor ze alsnog buiten de nieuwe huurregels vallen. Wat de vrees van Wijburg bevestigt: wie in de woningmarkt zit voor het geld, zal altijd zorgen dat hij het krijgt.</em></p>
<p><em>Voor het eerst sinds decennia wordt er ook weer naar corporaties gekeken als deel van de oplossing. Zij spraken met de overheid af de komende jaren driehonderdduizend nieuwe woningen te gaan bouwen. Al kan geld nog wel een probleem worden. Want dat is het gekke met al dat kapitaal waar Aalbers over sprak: naar de corporaties vloeit het dan weer niet.</em></p>
<p><em><u>Teveel nadruk op bouwen, bouwen, bouwen – zonder echte reflectie op oorzaken wooncrisis</u></em></p>
<p><em>Het is een gevleugeld begrip geworden: in de komende jaren is in Nederland ‘een miljoen’ nieuwe woningen nodig. Niet altijd helemaal nieuw, want het is inclusief het ombouwen van bijvoorbeeld kantoren, en het gaat niet om een netto stijging want er worden ook woningen gesloopt, maar veel is het wel. Vrijwel niemand twijfelt eraan dat er méér woningen nodig zijn, maar of het er echt zoveel moeten zijn is de vraag. Neem de berekening van het bestaande woningtekort (390.000 woningen). De rekenaars gaan ervan uit dat iedereen van 25 jaar die met anderen woont zonder dat dit officieel een liefdespartner is, woningzoekende is. Wat het benodigde miljoen ook relativeert: er staan volgens het CBS op dit moment zo’n 340.000 woningen leeg. Het gaat vooral om woningen van beleggers en van mensen met een tweede huis.</em></p>
<p><em>Er staan in Nederland nu ruim 8 miljoen huizen. Het grootste aandeel daarvan zijn de meergezinswoningen: appartementen en boven- of benedenwoningen. Daarvan zijn er bijna 3 miljoen. Daarna volgen de tussenwoning, het vrijstaand huis en de hoekwoning. Hekkensluiter is de 2-onder-1-kap.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1645" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-10-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-10-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-10-768x432.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-10.jpg 1024w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Commerciële partijen hebben er veel belang bij dat het ‘miljoen’ boven de markt hangt, zegt Jasper du Pont van De Starter. De Starter, voortgekomen uit verbazing over hoe de woningmarkt in Nederland werkt, verspreidt via X zo veel mogelijk informatie over alles rond wonen en prikt daarbij graag mythes door. ‘Hoe massiever het getal en hoe groter de haast, hoe meer druk er door commerciële partijen kan worden uitgeoefend op de overheid om mee te betalen, of over waar gebouwd mag worden’, zegt Du Pont. Overigens gaan de meeste beleidsmakers ervan uit dat een woningtekort van twee procent, oftewel 160.000 woningen, gezond is: zonder een dergelijk tekort zouden de prijzen te sterk dalen of zou de doorstroming stilvallen.</em></p>
<p><em>Met het kabinet Schoof dreigt ons land weer terug te vallen in oude reflexen. Hoewel het inmiddels genoegzaam bekend is (tot De Nederlandsche Bank aan toe) dat extra overheidsgeld pompen in ‘de woningmarkt’ slechts leidt tot nóg hogere huizenprijzen – en toch besluit de verantwoordelijke minister, Mona Keijzer, dat er miljarden extra ingepompt moeten worden. Miljarden die niet naar sociale huurwoningen gaan, maar naar het subsidiëren van dure huur en koop. Hoewel je weet dat een woning gemiddeld genomen zo’n 120 jaar meegaat – maar je besluit dat er voortaan bij nieuwbouw bezuinigd mag worden op ‘stedenbouwkundige eisen, het voorzieningenniveau, de grootte van de woning en de bouweisen’ omwille van het rendement van beleggers en ontwikkelaars. Hoewel het CBS heeft vastgesteld dat er in Nederland meer eengezinswoningen zijn dan gezinnen én dat bouwgrond schaars is – en toch belooft de minister dat er zoveel mogelijk ‘grondgebonden’ woningen zullen komen (misschien omdat ze weet dat ontwikkelaars en grondeigenaren daar het meeste aan verdienen). Hoewel je weet dat beleggers oneigenlijk hoge rendementseisen stellen, gaat de verantwoordelijk minister toch het ‘investeringsklimaat’ voor beleggers verbeteren. Hoewel je weet dat de wooncrisis misschien wel de belangrijkste oorzaak is van het chagrijn in Nederland, gebeurt er niks of zelfs precies het verkeerde. Ziehier de treurige samenvatting van het eerste halfjaar van het kabinet, dat claimt van wonen een topprioriteit te maken. Met als voorlopige kers op de taart de Woontop van half december 2024 (</em><a href="https://www.groene.nl/artikel/willens-en-wetens-2024-12-18"><em>https://www.groene.nl/artikel/willens-en-wetens-2024-12-18</em></a><em>). </em></p>
<p><em>De extra overheidsmiljarden voor nieuwbouw zijn overigens een loze belofte, want volgens de minister moeten de gemeenten die ophoesten. En de gemeenten kunnen dat niet, want zij worden gekort (voor wie meer wil weten: zoekterm ravijnjaar). De gemeenten zijn dan ook boos, want straks krijgen zij de schuld als de nieuwbouw stokt. Ook de woningcorporaties zijn boos, of misschien vooral verdrietig (wie eigenlijk boos is maar ook afhankelijk, wordt verdrietig in plaats van boos). Want hoe moeten zij in vredesnaam jaarlijks dertigduizend extra corporatiewoningen bouwen, als de minister hun juist niet tegemoetkomt?</em></p>
<p><em>Maar Nederland is Nederland. Dus tekenden zowel de gemeenten, vertegenwoordigd door de VNG, als de woningcorporaties, vertegenwoordigd door brancheorganisatie Aedes, de afspraken van de Woontop. Nederland polderland in optima forma. Alleen de Woonbond, de koepel van huurders, had de moed om niet te tekenen. </em></p>
<p><em>De Woontop was in werkelijkheid een bouwtop. Dat is misschien wel het grootste misverstand, of eigenlijk mythe: dat de wooncrisis op te lossen is met het bouwen van extra woningen. Voor de goede orde: in 2023 kwamen er 79.000 woningen bij (2024 is nog niet bekend). De doelstelling is 100.000 woningen per jaar. Zou iedereen opeens weer een betaalbaar huis kunnen vinden, huur of koop, als er jaarlijks niet 79.000 maar 100.000 woningen bijkomen?</em></p>
<p><em>Bouwen moet, maar om wonen weer betaalbaar te maken zijn andere maatregelen nodig. Om te beginnen de huizenprijzen niet langer oppompen met overheidssubsidies (de hypotheekrenteaftrek, bouwsubsidies, startersleningen). Ten tweede: woningcorporaties weer het hart van de volkshuisvesting maken. Woningcorporaties kunnen per definitie veel goedkoper bouwen en verhuren dan beleggers, het zijn immers organisaties zonder winstoogmerk. Waarom zouden alleen de laagste inkomens daarvan mogen profiteren? Waarom je als overheid in bochten wringen om – met flinke subsidies – beleggers te bewegen om te bouwen voor ‘middenhuur’ als er nota bene corporaties bestaan? Als een corporatie geld leent om woningen te bouwen of te renoveren kost dat nog geen drie procent rente; als een belegger geld beschikbaar stelt eist hij acht procent. Drie keer raden wat goedkoper is. En in de derde plaats: corporaties kunnen weer echt betaalbaar bouwen en verhuren als ze grondeigenaren niet langer hoeven te spekken. Dus snel fatsoenlijke grondpolitiek invoeren, waar de vorige minister een aardige aanzet voor deed.</em></p>
<p><em>Wie hier geen zin in heeft moet niet verbaasd zijn dat wonen steeds duurder wordt, en de winsten van banken, ontwikkelaars, beleggers en grondbezitters steeds hoger. En Nederland chagrijniger.</em></p>
<p><em>Grond is, zeker in tijden van hoge huizenprijzen, goud waard. Van een nieuwbouwhuis van vier ton gaat gemiddeld twee ton naar de grondeigenaren. Die grond was vaak kort daarvoor nog geen tientje per vierkante meter waard als landbouwgrond. Hoe lager de aankoopprijs die de eigenaar/ontwikkelaar betaalde, hoe hoger de winst als er gebouwd wordt. Vandaar ook de enorme lobby van eigenaren/ontwikkelaars om te bouwen in polders (Rijnenburg, Gnephoek) in plaats van binnenstedelijk.</em></p>
<p><em>Als het dit kabinet menens zou zijn met zijn bouwdoelstelling wordt het tijd dat het de koe bij de horens vat: onteigening vergemakkelijken, het realisatierecht van grondeigenaren beperken, de winsten van grondeigenaren afromen. </em></p>
<p><em>De Nederlandse woonkosten behoren tot de hoogste van Europa. Maar wonen hoeft helemaal niet duur te zijn. Het is vooral een verdienmodel, gecreëerd door beleid. Wie woont, maakt anderen rijk. </em></p>
<p><em><u>De focus moet naar de oorzaken van de wooncrisis, stop met effectbestrijding</u></em></p>
<p><em>Overigens is het ook maar zeer de vraag of het tweede deel van de economische theorie opgaat, namelijk dat prijzen zullen afnemen als het aanbod eenmaal toeneemt. Volgens Maarten van Poelgeest, oud-wethouder in Amsterdam, is in de geliefde steden en wijken zelfs het omgekeerde aan de hand. ‘Hoe meer er gebouwd wordt, hoe aantrekkelijker de stad wordt. Er komen meer voorzieningen, er komt meer reuring. Nieuw aanbod maakt de vraag dus juist weer groter – en de huizenprijzen hoger.’</em></p>
<p><em>Discussies over het woonbeleid kenmerken zich de afgelopen jaren door een focus op effectbestrijding. Is het voor starters moeilijk een koopwoning te bemachtigen? Dan moeten de hypotheekregels maar soepeler. Worden vermogensverschillen door woningbezit steeds groter? Dan moeten ook lage inkomens de kans krijgen met die vermogensopbouw mee te doen. Zijn er te weinig huurwoningen voor middeninkomens? Dan moeten beleggers financieel gestimuleerd worden om huurwoningen aan te bieden. Het is effectbestrijding die nieuwe problemen creëert en bestaande problemen verergert. Een fundamentelere aanpak bestaat uit het opheffen van de belastingvoordelen voor huizenbezitters, het aanpakken van speculanten en het zorgen voor meer betaalbare huurwoningen – door middengroepen toegang te geven tot sociale huur, door meer te bouwen en door particuliere huren te reguleren. Nog één keer de commissie-huizenprijzen, over de situatie vóór 2008: ‘Waarschuwingen voor risico’s en oververhitting kwamen van verschillende kanten: wetenschappers, columnisten, belangenbehartigers, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en De Nederlandsche Bank (DNB). De waarschuwingen kwamen echter laat, waren niet luid genoeg en vonden geen gewillig oor, vanwege het optimisme ingegeven door de constante stijging van de huizenprijzen.’</em></p>
<h3><em>Er is nog steeds meer financiële steun voor koop dan voor huur</em></h3>
<p><em>Als we een sociale huurwoning naast een kast van een huis zien, zullen we vooral bij de eerste denken aan staatssteun. Terwijl de chique buurman via hypotheekrenteaftrek en andere voordeeltjes veel zwaarder wordt gesubsidieerd.</em></p>
<p><em>De Nederlandse overheid steunde in 2023 eigenwoningbezitters met 9,2 miljard euro aan korting op de inkomstenbelasting door de hypotheekrenteaftrek. Het bedrag is relatief laag door de huidige lage rente; een paar jaar geleden was het nog 14 miljard euro. Een ander voordeel voor woningeigenaren is dat ze geen vermogensbelasting hoeven te betalen over het afbetaalde deel van hun woning, terwijl huurders – als ze een identiek bedrag sparen of beleggen – wel vermogensbelasting betalen. Dit gaat jaarlijks om een voordeel van vijf miljard euro. De totale fiscale uitgaven van de overheid ten gunste van woningbezitters bedroeg in 2023 14,8 miljard euro. Daar staat tegenover dat eigenwoningbezitters 2,7 miljard aan ‘eigenwoningforfait’ betalen. Dit brengt de netto steun aan eigenhuisbezitters op 14,8 – 2,7 = 12,1 miljard euro (</em><a href="https://www.rijksfinancien.nl/miljoenennota/2023/bijlage/1485655"><em>https://www.rijksfinancien.nl/miljoenennota/2023/bijlage/1485655</em></a><em>). </em></p>
<p><em>De steun aan huurders valt beduidend lager uit. Verhuurders van sociale woningen betalen sinds kort niet meer een verhuurdersheffing van 1,7 miljard per jaar aan de staat, een heffing die verder opliep naarmate de WOZ-waarden oplopen. Wel betalen de woningcorporaties nog steeds winstbelasting, voor in totaal circa 1,5 miljard euro. En de corporaties zijn beperkt in het mogen aftrekken van posten van die winstbelasting. De overheid staat wel nog steeds borg voor de leningen van woningcorporaties, waardoor die minder rente hoeven te betalen. Dat scheelt corporaties – en daarmee huurders – zo’n 600 miljoen op jaarbasis. Eenzelfde soort regeling is er echter voor kopers: de nationale hypotheekgarantie (voor een hypotheek van maximaal zo’n 250.000 euro). De NHG drukt de rente en dekt financiële risico’s af.</em></p>
<p><em>Bij het vergelijken van de tegemoetkomingen voor huurders en kopers wordt vaak de huurtoeslag meegerekend, 5,7 miljard in 2024, oplopend tot 7,5 miljard in 2029. Deze stĳging zit voor een groot deel in de verwachte huur- en volumeontwikkeling, die (in tegenstelling tot andere budgetten) al in de begroting is verwerkt. Daarnaast is de stĳging ten opzichte van 2024 toe te schrĳven aan (koopkracht)maatregelen van het kabinet. </em></p>
<p><em>Door twee wetsvoorstellen ter vereenvoudiging van de huurtoeslag en ter bestrijding van armoede komen meer mensen in aanmerking voor de huurtoeslag en gaan de meeste ontvangers er iets op vooruit. Vanaf 2026 is er structureel 650 miljoen extra aan uitgaven huurtoeslag gereserveerd. Op dit moment ontvangen circa 1,5 miljoen huishoudens huurtoeslag (</em><a href="https://datawonen.nl/dashboard/dashboard/huurtoeslag"><em>https://datawonen.nl/dashboard/dashboard/huurtoeslag</em></a><em>). </em><em>Daar komen vanaf 2026 circa 170.000 huishoudens bij, die ook recht op huurtoeslag krijgen, voor gemiddeld € 175 per maand. Voor het eerst krijgen huurders die een hogere huur betalen vanaf 2026 recht op huurtoeslag. Deze huurders hebben qua inkomen recht op huurtoeslag, maar kregen dat niet omdat hun huur boven de liberalisatiegrens lag. Na de wetsinvoering kunnen zij, net als huurders van een sociale (gereguleerde) huurwoning, huurtoeslag aanvragen over het huurdeel tot € 879,66 (bedrag 2024). Dat wordt mogelijk door het vervallen van de maximum huurgrenzen als voorwaarde voor het recht op huurtoeslag. </em></p>
<p><em>Voor jongere huurders is er ook goed nieuws. Meer jongere huurders tot 21 jaar krijgen recht op huurtoeslag. Zij kunnen ook huurtoeslag aanvragen als hun huur hoger is dan € 454,47 (bedrag 2024). Nu kan dat alleen als hun huur lager is dan € 454,47. Wel wordt dan enkel het huurdeel tot deze huurgrens vergoed. Jongeren vanaf 21 jaar krijgen recht op volledige huurtoeslag. Dit krijgen ze nu pas vanaf 23 jaar. Deze nieuwe leeftijdsgrens is gelijk aan die van het wettelijk minimumloon. Verder verdwijnt per 2025 het verschil in huurtoeslag tussen ouderen en niet-ouderen. En huishoudens van twee of meer personen onder de AOW-leeftijd krijgen een hogere vergoeding als zij een hogere huur betalen. De andere ontvangers van huurtoeslag kregen deze vergoeding al. </em></p>
<p><em>Als de wetten worden ingevoerd, gaan in 2025 vrijwel alle huidige ontvangers van huurtoeslag erop vooruit; gemiddeld met € 12. In 2026 gaat circa 80% van de huidige ontvangers erop vooruit. Er komt een minder snelle afbouw van de huurtoeslag als het inkomen stijgt. In 2025 zijn de eerste effecten daarvan merkbaar. Huurders houden vanaf dat moment meer huurtoeslag over als hun inkomen stijgt. Vanaf 2026 wordt de berekening verder aangepast door de introductie van de lineaire afbouw. Dit maakt beter begrijpelijk en inzichtelijk wat er verandert in de huurtoeslag als het inkomen stijgt. </em></p>
<p><em>Ongeveer 20% van de huidige ontvangers gaat in 2026 minder huurtoeslag ontvangen, gemiddeld € 9 per maand. Dit zijn huurders die nu nog gemeenschappelijke servicekosten vergoed krijgen, maar straks niet meer. Bewoners van appartementen betalen soms kosten voor gemeenschappelijke diensten in appartementsgebouwen. Bijvoorbeeld voor schoonmaak en energie van gemeenschappelijke ruimtes zoals de lift of een galerij, en de werkzaamheden van een huismeester. Het huidige kabinet wil de (gedeeltelijke) vergoeding voor vier soorten gemeenschappelijke servicekosten afschaffen. Andere gemeenschappelijke servicekosten komen nu al niet in aanmerking voor huurtoeslagvergoeding. Bij het opgeven van servicekosten voor huurtoeslag worden geregeld fouten gemaakt die vervolgens tot terugvordering kunnen leiden. Door de afschaffing van gemeenschappelijke servicekosten als post voor huurtoeslag, hoeven mensen minder gegevens aan te leveren. Ook hoeft er minder gecontroleerd te worden. De huurprijs voor de huurtoeslag wordt na het schrappen van de servicekosten gelijk aan de kale huurprijs. Deze staat standaard in het huurcontract. Je zou natuurlijk ook kunnen verplichten om de servicekosten te reguleren en op te laten nemen in het huurcontract, maar daar is dan weer niet voor gekozen.</em></p>
<p><em>Goed beschouwd is huurtoeslag  geen steun aan huurders in algemene zin, maar aan de allerlaagste inkomens. Tel je de huurtoeslag toch mee, en de eerdergenoemde borgstelling ook, dan kom je op 6,3 miljard aan steun voor huurders versus 12,1 miljard steun aan kopers – bijna tweekeer zoveel. Het Centraal Planbureau (CPB) noemt in zijn rapporten hogere bedragen aan steun voor huurders. Dat komt doordat het CPB het als ‘subsidie’ beschouwt dat de huur van sociale huurwoningen lager is dan ze zou kunnen zijn zonder huurprijsregulering.</em></p>
<p><em>Wat de woonsteun aan lage inkomens betreft: er gaan regelmatig geluiden op om de huurtoeslag ‘eigendomsneutraal’ te maken, door deze ook te geven aan kopers met lage inkomens. Dit is niet verstandig is, want daarmee stimuleert de overheid dat mensen met zeer lage inkomens hoge schulden aangaan. Kopen betekent per definitie grote financiële risico’s nemen. Iedere overheidssteun voor koopwoningen drijft in de huidige markt bovendien de prijzen verder op, waardoor met name lage inkomens slechter af zijn.</em></p>
<h3><em>Woonschaamte</em></h3>
<p><em>Cody Hochstenbach heeft het in zijn boek en in artikelen over de schaamte die hij voelde voor zijn dakloze vader toen hij kind was. Ook toen zijn vader dan eindelijk een woning kreeg, bleef hij zich schamen (</em><a href="https://www.groene.nl/artikel/in-schaamte-kun-je-niet-wonen"><em>https://www.groene.nl/artikel/in-schaamte-kun-je-niet-wonen</em></a><em>). </em><em>“Mijn vaders nieuwe sociale huurwoning was sober maar degelijk. Het was een appartement met twee slaapkamers, ideaal voor een alleenstaande man met een tienerzoon die af en toe een paar dagen bleef slapen. Maar hoewel het een feestelijk moment had moeten zijn, voelde het voor mij niet zo. Net als voor zijn dakloosheid, schaamde ik mij voor zijn nieuwe woonsituatie. Deze voldeed niet aan de norm die ik om mij heen zag. Het voelde nog steeds als een afwijking die ik krampachtig moest zien te verbergen. Vanbinnen straalde de woning armoede uit. (…) In zijn boek ‘Veranderen: Methode ’ beschrijft de Franse schrijver Édouard Louis het huis waar zijn vader kwam te wonen nadat deze door zijn moeder was verlaten. Hij schrijft over ‘de armoede waarvan zijn woonruimte tot de laatste centimeter was doortrokken, de frituurlucht, de enorme tv voor de tafel waaraan hij at, zijn lichaam dat kapotgemaakt was door een leven van geldgebrek en uitsluiting’. Het is alsof ik over mijn eigen vader en zijn sobere, vettige en karige appartement lees. Het gaat hier niet zomaar om individuele ervaringen van uitsluiting, maar om uitingen van systemische klassenongelijkheid. ‘Ik had niet een kindertijd gehad maar de kindertijd van een bepaalde klasse’, schrijft Louis dan ook.</em></p>
<p><em>Destijds snapte ik niet waarom mijn vader niet ‘gewoon’ zorgde voor wat fatsoenlijke meubels, om het appartement op z’n minst wat aangenamer en huiselijker te maken. Natuurlijk had ik ook toen wel door dat hij weinig te besteden had, maar ik had denk ik niet door hoe weinig. Mijn vader had schuldeisers achter zich aan en stond onder financiële bewindvoering. Voor hem bleef er niet meer dan een wekelijks zakcentje over.</em></p>
<p><em>Maar het was niet alleen een gebrek aan geld, het was ook een gebrek aan mentale rust en ruimte. Hij leefde in die jaren een teruggetrokken bestaan, er kwam praktisch nooit iemand over de vloer. Hij stond nog steeds in de overlevingsmodus. Wie bezig is met overleven, plant niet vooruit. De toekomst is een zorg voor later. Hij kon zich er niet toe zetten de slaapkamers ook maar een beetje in te richten, het licht in de badkamer te repareren, de keuken netjes te houden. De stelselmatige uitsluiting en ongelijkheid waren in het lichaam en de geest van mijn vader gekropen.</em></p>
<p><em>Als tiener, maar ook daarna, bleef ik de woonarmoede waarin mijn vader zich bevond verbergen. Ik nodigde bijvoorbeeld nooit vrienden bij hem thuis uit, uit angst voor de vernedering die ik zou moeten doorstaan. Ik vreesde namelijk dat zijn woonsituatie, de armoede die ervan uitging, negatief op mij zou afstralen, alsof het ook mijn persoonlijke tekortkoming was.</em></p>
<p><em>De woonarmoede wakkerde bij mij een diepgewortelde klassenschaamte aan, die pas echt onvermijdelijk werd in vergelijking met anderen. (…) De diepe ongelijkheid in woonomstandigheden voelde confronterend, kleinerend zelfs”. </em></p>
<p><em>Zeker, mensen kunnen zich ook schamen voor hun bevoorrechte woonsituaties. De nooit echt aangeslagen term ‘woonschaamte’ refereert volgens het Instituut voor de Nederlandse Taal zelfs aan deze ‘schaamte die mensen voelen of volgens sommigen zouden moeten voelen omdat ze zeer gunstige woonomstandigheden hebben in vergelijking met anderen die moeilijk aan een woning kunnen komen’. Denk bijvoorbeeld aan jonge starters die enigszins gegeneerd moeten toegeven dat ze hun woning alleen maar dankzij financiële steun van hun ouders konden kopen. Of aan oudere koppels die niet kunnen ontkennen dat hun gezinswoning, na het uitvliegen van hun kinderen, eigenlijk veel te ruim voor ze is geworden. Maar dit soort schaamte is oppervlakkiger, zal zich niet vertalen in onoverkomelijke angst of paniek, zal hun leven niet beheersen, zal hen niet verlammen of tot een pijnlijk stilzwijgen dwingen.</em></p>
<p><em>Hochstenbach: “De afgelopen tijd ben ik steeds meer gaan nadenken over de ervaringen van schaamte onder degenen die zich aan de onderkant van de samenleving bevinden, degenen die de wooncrisis aan den lijve ondervinden. Het gaat hier namelijk om zo veel meer dan een individuele ervaring van de wooncrisis. Deze vorm van woonschaamte is een belangrijke verklaring voor het feit dat de belangen, zorgen en behoeften van de lagere sociale klassen onzichtbaar blijven. Wie zich schaamt, blijft namelijk stil. Voor de hogere klassen maakt dit het des te makkelijker hen te blijven negeren. Zo staat het de collectieve zoektocht naar fundamentele oplossingen en alternatieven in de weg. Het gedroomde recht op een thuis voor iedereen – het recht op een betaalbare, passende, gezonde, duurzame, zekere en veilige plek om te wonen – blijft daardoor een illusie.</em></p>
<p><em>Armoede kent weliswaar veel uiteenlopende verschijningsvormen, maar schaamte is een gemene deler. Dit is een van de conclusies die Robert Walker, hoogleraar Social Policy aan de Universiteit van Oxford, trekt op basis van internationaal onderzoek naar het verband tussen armoede en schaamte. Armoede is namelijk niet alleen een vorm van materiële schaarste, een gebrekkige toegang tot hulpmiddelen, maar bovenal een dagelijkse ervaring. Het is een dagelijkse ervaring van vernedering, vervreemding en verslagenheid.</em></p>
<p><em>Gaat het over klassenschaamte, dan gaat het beslist ook over wonen. Waar en hoe je woont verraadt je sociale klasse. Niet alleen staat kopen hoger in de symbolische rangorde dan huren, maar wonen in bepaalde buurten levert status op terwijl de postcodes van andere buurten een zware last met zich meedragen, en een jarendertigwoning staat hoger dan een naoorlogse galerijflat. Woonpositie en klasse zijn innig met elkaar verweven.</em></p>
<p><em>Schaamte is een pijnlijke en onderdrukkende emotie. Het is de angst voor het stigma van buitenaf, de angst voor het negatieve oordeel dat anderen over jou vormen. Daarmee is schaamte per definitie relationeel. Je schaamt je ten opzichte van anderen, omdat je niet voldoet, of niet denkt te voldoen, aan normen die de dominante samenleving je oplegt.</em></p>
<p><em>Net als de eerder aangehaalde Édouard Louis besteedt ook zijn goede vriend, de Franse socioloog Didier Eribon in zijn werk veel aandacht aan de schaamtegevoelens die hij ervoer vanwege zijn afkomst uit een arm arbeidersmilieu, en de manieren waarop die zijn leven beïnvloedden. In Het vonnis van de samenleving beschrijft hij hoe de schaamte altijd op de loer ligt, hoe het zorgt voor ‘een doffe onrust’ die je ‘dwingt voortdurend waakzaam te blijven’. Zo voelde het precies. Altijd was er het knagende gevoel, omdat je een ongewenste confrontatie nooit helemaal kon uitsluiten. Altijd was er de angst dat de waarheid aan het licht zou komen en je als gevolg daarvan gezichtsverlies zou lijden.</em></p>
<p><em>Die continu aanwezige angst voor gezichtsverlies blijkt wijdverbreid. Zo schrijft ook de Nederlandse socioloog Milio van de Kamp in zijn boek Misschien moet je iets lager mikken over de schaamte voor zijn klassenachtergrond, voor de armoede en schulden waarin hij moest opgroeien: ‘Om de schaamte onder controle te houden moest ik een groot deel van mezelf verbergen en constant op mijn hoede blijven, en dat ging ten koste van het plezier.’ De verhulling en het stilzwijgen kosten energie, ze vragen continu aandacht, met ongedwongenheid en zorgeloosheid als slachtoffers.</em></p>
<p><em>De angst is dat je de controle verliest, dat er een domino-effect plaatsvindt waarbij de ene na de andere ongemakkelijke waarheid aan het licht komt, met een onbeheersbaar gezichtsverlies tot gevolg. In haar boek De schaamte schrijft de Franse auteur Annie Ernaux hierover, puttend uit haar eigen ervaringen met opgroeien in relatieve armoede: ‘Wat bij schaamte hoort is het gevoel dat alles je nu kan overkomen, dat het nooit op zal houden, dat de schaamte automatisch nog meer schaamte oproept.’”</em></p>
<p><em>Toen woonminister Hugo de Jonge begin 2023 het plan ontvouwde om iedere gemeente te verplichten minimaal dertig procent sociale huur in hun nieuwbouwplannen op te nemen, reageerde een Kamerlid van de vvd furieus. Hij vond het ‘een absurd idee om dit in heel Nederland te gaan opleggen’. Bovenal schetste hij een dystopisch toekomstbeeld: ‘De minister wil de achterstandswijken van de toekomst over heel Nederland uitrollen.’ Het VVD-Kamerlid krabbelde na ophef terug en bood zijn excuses aan, maar had zijn morele oordeel toen al geveld.</em></p>
<p><em>De uitspraken van het Kamerlid vertegenwoordigen een wereldbeeld waarin sociale huurders minderwaardig zijn. Zij zouden niet het slachtoffer van structurele achterstelling zijn, maar een bron van ellende en achterstanden. Dit staat nog los van het gegeven dat de voorgestelde plannen helemaal niet zo ambitieus zijn. Zelfs als ze verwezenlijkt worden, wat zeer de vraag is nu de woningbouw stagneert en het kabinet Rutte IV is gevallen, zal het aandeel sociale huur blijven dalen omdat ook de verkoop en sloop van sociale woningen doorgaat.</em></p>
<p><em>De afkeer van lagere klassen is breed gedeeld, vooral onder rechtse politici. Het liefst zouden zij de plekken waar zij wonen en de huizen waar zij leven met de grond gelijkmaken. Zo stelde een VVD-wethouder eind 2021 dat zijn gemeente ‘relatief te veel bijstandsgerechtigden’ telt. Zijn oplossing? ‘Minder goedkope (sociale) huur’ en ‘goedkope sociale en particuliere huurwoningen [slopen] en nieuwe wijken opbouwen met meer middensegment’. In dit perspectief zijn sociale huurders minderwaardige mensen die als speelbal van plek naar plek geschopt mogen worden.</em></p>
<p><em>Een lokale D66-lijsttrekker in een grote stad noemde sociale huur eind 2017 ‘in essentie asociaal’. Zijn punt was dat sociale huur alleen bestemd was voor lage inkomens en daarmee middengroepen uitsloot. Alsof het een natuurlijk gegeven betreft in plaats van een politieke keuze die deze vernauwing heeft doen ontstaan.</em></p>
<p><em>Deze politiek stigmatiseert sociale huurders, en dat is een vorm van klassenwalging. Wonen in een sociale huurwoning wordt gereduceerd tot een problematische afwijking. En waar de politiek deze beelden voedt, is het de samenleving die ze internaliseert en herhaalt.</em></p>
<p><em>De klassenwalging in de politiek gaat met grote regelmaat hand in hand met racisme en vreemdelingenhaat. Zo stelde de Haagse fractie van de PVV in 2019 nog voor om geheel te ‘stoppen met het bouwen van sociale huurwoningen’ in de stad omdat ‘woningen bouwen voor nog meer kansarme allochtonen betekent dat we onze eigen toekomstige armoede financieren en de stad verpaupert’. Een flink deel van de politiek heeft niet zozeer oog voor de problemen van de lagere klassen, maar ziet deze mensen zelf als het probleem. Hun aanwezigheid is voor hen een doorn in het oog.</em></p>
<p><em>Ook het voornemen om een asielzoekerscentrum te openen of statushouders te huisvesten kan regelmatig op hevig verzet vanuit bewoners en de lokale politiek rekenen. En juist in rijke villawijken neemt dat potsierlijke vormen aan. Zo reageerden bewoners van Bloemendaal begin 2023 verontwaardigd dat er mogelijk een azc in hún villawijk zou verrijzen. In het Haarlems Dagblad lieten zij optekenen dat zij vonden dat ‘asielzoekers – getraumatiseerde jonge mensen zonder enig bezit – niet passen in de villawijk’. Eén bewoner gaf daarbij aan bang te zijn voor een mogelijke ‘waardedaling van haar huis’ en extra kosten ‘doordat ze haar woning nu beter moet beveiligen’.</em></p>
<p><em>De schaamte die mensen uit de lagere sociale klassen voelen voor hun woonsituatie komt niet uit de lucht vallen. Ze wordt weliswaar individueel ervaren, maar van bovenaf opgelegd en kan daarom niet los worden gezien van het negatieve oordeel van zowel de politiek als de samenleving. Als je ervaringen en belangen stelselmatig geridiculiseerd worden, is stil blijven omdat je je machteloos voelt volkomen logisch. En dat is ook precies het doel: wie uit schaamte zwijgt, zal niet voor fundamentele politieke verandering pleiten, maar naar binnen gekeerd blijven.</em></p>
<p><em>Het negatieve oordeel van de politiek gaat namelijk samen met keihard beleid, maakt het zelfs mogelijk. De afgelopen decennia, sinds eind jaren tachtig, stond dat beleid namelijk in het teken van het beperken van de sociale huursector. Woningcorporaties werden begin jaren negentig verzelfstandigd en de subsidiekraan werd dichtgedraaid. De sociale huursector moest vooral kleiner om de markt ruim baan te geven. Tot op heden worden sociale huurwoningen op grote schaal verkocht of gesloopt. Tussen 2010 en 2021 zijn ruim tweehonderdduizend sociale woningen verkocht, en nog eens meer dan honderdduizend gesloopt. Tegelijkertijd halveerde de nieuwbouw.</em></p>
<p><em>Waar de sector voorheen nog een breed toegankelijke en breed gedragen voorziening was, werd deze omgevormd tot een laatste redmiddel en een liefst tijdelijk vangnet voor degenen die niet anders kunnen. De landelijke politiek legde strenge maximale inkomensgrenzen op waardoor tegenwoordig het overgrote merendeel van de sociale huurders een laag of zeer laag inkomen heeft.</em></p>
<p><em>Als klap op de vuurpijl werd in 2013, ten tijde van het tweede kabinet-Rutte, de zogenaamde verhuurderheffing ingevoerd. Dit was extra belasting op de verhuur van woningen en hoefde merkwaardig genoeg niet betaald te worden over de verhuur van dure woningen. Deze strafbelasting werd verpakt als een verstandige bezuinigingsoperatie in tijden van crisis, maar was in werkelijkheid een regelrechte aanval op de volkshuisvesting. Het kostte woningcorporaties ieder jaar zo’n twee miljard euro. Eind 2022 werd eindelijk – na lang tegenstribbelen door de vvd – besloten de heffing af te schaffen, maar toen liepen de kosten al in de vele miljarden euro’s. Miljarden euro’s die woningcorporaties daardoor niet meer konden investeren in nieuwbouw, broodnodig onderhoud, of verduurzaming.</em></p>
<p><em>Als politici het bijbouwen van sociale huurwoningen gelijkstellen aan het uitrollen van toekomstige achterstandswijken, dan bekritiseren zij in feite hun eigen beleid. Het gevolg is een giftige vicieuze cirkel. De door de politiek aangejaagde marginalisering van de volkshuisvesting zorgt voor stigmatisering van de sector en zijn bewoners, wat weer aanleiding is tot verdere politieke maatregelen gericht op het terugdringen van de volkshuisvesting.</em></p>
<p><em>Tegelijkertijd speelt het stigmatiseren van sociale huur in op de belangen van ontwikkelaars en andere marktspelers die liever duurdere en winstgevendere woningen bouwen, of sociale huurwijken willen herontwikkelen als lucratief vastgoedproject. Het stigma maakt het makkelijker de inzet op sociale woningbouw tot een minimum te beperken.</em></p>
<p><em>Waar sociale huurders regelmatig als probleem worden weggezet, krijgen dakloze mensen te maken met systematische ontmenselijking. Begin 2023 gaf Hochstenbach een presentatie bij het college van burgemeester en wethouders van een ogenschijnlijk progressieve gemeente. “Ik sprak er onder andere over dakloosheid en de fundamentele betekenis van goede huisvesting. Ook aanwezig waren twee ervaringsdeskundigen: mensen die in het verleden zelf dakloos zijn geweest en die tegenwoordig andere dakloze mensen proberen te helpen. Zij vertelden over het stigma waar ze iedere dag op straat mee te maken kregen, hoe ze als minderwaardig werden gezien door hun medemens en op geen enkel begrip konden rekenen. Ze zagen dit als de belangrijkste verklaring voor het gebrek aan maatschappelijke urgentie rondom dakloosheid.</em></p>
<p><em>De burgemeester reageerde. Ze maakte een onderscheid tussen dakloze mensen uit de eigen gemeente en anderen die vanuit andere gemeenten komen aanwaaien. De buitenstaanders zouden veel overlast veroorzaken, zouden bedelen en dronken op straat rondhangen. Ze sprak over een ‘plaag’. Daarmee vergeleek ze dakloze mensen impliciet met ongedierte. En ongedierte help je niet – ongedierte roei je uit. Het is een bekende vorm van ontmenselijking. Maar wat wellicht het meest schrikbarende was, was dat de burgemeester er geen erg in leek te hebben. Alsof het volkomen vanzelfsprekend was.”</em></p>
<p><em>Édouard Louis spreekt in zijn werk van ‘een retorische en politieke strategie van de heersende klassen om de overheerste klassen in een hoek van schaamte en stilzwijgen te dwingen’. Belangen en behoeften van de lagere klassen worden stelselmatig geridiculiseerd of verdacht gemaakt – zie ook het toeslagenschandaal. Stilzwijgen lijkt dan al gauw de beste reactie. De middenklasse wil vervolgens niet geassocieerd worden met het stigma, is bang om naar dat niveau af te glijden, en kiest daarom de kant van de status quo die vooral de rijken bedient.</em></p>
<p><em>De politieke stigmatisering van sociale huurders hangt nauw samen met het diepgewortelde idee dat het hier gaat om mensen die niet zelfredzaam zijn, maar afhankelijk van de steun en welwillendheid van anderen. Of erger nog, mensen die niet eens zelfredzaam willen zijn. Het speelt in op het stereotiepe beeld van de bijstandstrekker die dankzij allerlei uitkeringen en toeslagen een comfortabel leven kan leiden. De verzorgingsstaat zou voor hen een lekkere hangmat zijn, terwijl hardwerkende Nederlanders zich blauw betalen aan belastingen om dit allemaal te kunnen bekostigen.</em></p>
<p><em>Een centraal onderdeel van die hangmat is natuurlijk de sociale huurwoning, aangevuld met huurtoeslag. Collectieve voorzieningen die een bepaald menselijk minimum garanderen zijn bij voorbaat verdacht. Wie gaat dit allemaal wel niet betalen, is de teneur.</em></p>
<p><em>Waar politiek en media de steun voor gemarginaliseerde groepen onder een vergrootglas leggen, blijft de steun voor bevoorrechte groepen meestal onzichtbaar. Het gaat hier over een groep die zichzelf weliswaar zelfredzaam vindt, maar die in werkelijkheid in grote mate profiteert van handige belastingconstructies en financiële voordelen. Daarnaast is deze klasse in staat zorg en hulp af te kopen, waardoor er meer tijd en mentale rust overblijft. ‘Niemand is zelfredzaam’, betoogt Tim ’S Jongers, tot voor kort directeur van de Wiardi Beckman Stichting, dan ook. Het wezenlijke verschil is dat zij die niets tekortkomen alles kunnen outsourcen. Of het nu gaat om de kinderopvang, de schoonmaker, de flitsbezorger of de belastingadviseur.</em></p>
<p><em>Die afhankelijkheid zien we juist op de woningmarkt, waar rijke huizenbezitters enorme bedragen aan staatssteun ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van hypotheekrenteaftrek. Deze aftrekpost – een ‘chiquere’ vorm van subsidie – bedraagt nu zo’n negen miljard euro per jaar en komt vooral terecht bij de rijkste Nederlanders. Dat is aanzienlijk meer dan de bijna vier miljard euro die de overheid aan huurtoeslag uitgeeft. Het blijft niet bij de miljarden euro’s aan aftrek: ook het vermogen in de eigen woning blijft bijvoorbeeld grotendeels onbelast. Een aantal andere belastingen die huiseigenaren moeten betalen is de afgelopen jaren juist fors verlaagd, waardoor zij er relatief op vooruit zijn gegaan. Deze politieke beslissingen houden de ongelijkheid in stand en versterken haar zelfs. We betalen er allemaal aan mee, maar het zijn vooral de rijksten en machtigsten die ervan profiteren.</em></p>
<p><em>De gigantische subsidiëring van woningbezit wordt wel eens een ‘verborgen verzorgingsstaat’ genoemd. Als we een sociale galerijflat en een luxe koopvilla zien, dan zullen we vooral bij de eerste denken aan staatssteun, zo betoogt de Amerikaanse hoogleraar sociologie Matthew Desmond. Een sobere, enigszins verloederde flat bewoond door arme gezinnen strookt met het stereotiepe vooroordeel. Maar in werkelijkheid ontvangen de villabewoners meer woonsubsidies. Hun hangmat is van een ongekend comfort.</em></p>
<p><em>Juist de politici en hun partijen die zeggen de verzorgingsstaat te willen verkleinen om de belastingen te verlagen, willen de financiële voordelen voor woningbezitters koste wat het kost behouden. Niet een ‘verstandig begrotingsbeleid’, maar het beschermen van gevestigde privileges is het voornaamste doel.</em></p>
<p><em>De vraag is niet of we collectieve voorzieningen zoals hoogwaardige volkshuisvesting kunnen betalen. Het geld is er, maar de politiek kiest er in meerderheid simpelweg voor het anders uit te geven. Het kiest ervoor rijkdom te subsidiëren in plaats van armoede te verlichten. Het kiest voor een woningmarkt als vliegwiel van ongelijkheid, in plaats van goed wonen voor iedereen. Individuele rijkdom in plaats van collectieve welvaart. De bezittende klasse vaart er wel bij.</em></p>
<p><em>Voor de lagere sociale klassen rest precies het tegenovergestelde: individuele schaamte waar collectieve solidariteit had moeten zijn.</em></p>
<p><em><u> </u></em></p>
<p><em><u>Het was bewust beleid om hogere huren af te dwingen</u></em></p>
<p><em>Hogere huren zijn echter niet rechtstreeks af te dwingen. Een van de belangrijkste instrumenten die het kabinet daarom inzette om te zorgen voor ‘meer marktconforme’ huren is de heffing die verhuurders van sociale huurwoningen sinds 2013 aan de staat moeten betalen. Die heffing, van uiteindelijk 1,7 miljard per jaar, komt neer op zo’n zevenhonderd euro per sociale huurwoning per jaar. Te verhalen op de huurders – hetzij door de huren te verhogen, hetzij door woningen te verkopen. De heffing gold alleen voor verhuurders van woningen met een maandhuur van minder dan 710 euro (de grens voor de definitie van sociale woningen), voor duurdere huurwoningen gold de heffing niet. De heffing werd ooit ambtelijk bedacht als tijdelijke belasting voor álle vastgoedeigenaren, als een manier om de staatskas te vullen na het redden van de banken in de financiële crisis. Het werd een permanente heffing voor sociale verhuurders. Vanaf 1 januari 2023 werd de heffing gelukkig weer afgeschaft. </em></p>
<p><em>De verhuurdersheffing leidde afgelopen jaren zo niet alleen tot huurverhoging maar was ook zo vormgegeven dat hij het zwaarst drukte op corporaties die de grootste bouwopgave hebben. De hoogte van de heffing was namelijk afhankelijk van de WOZ-waarde van de woningen van de corporatie, en die WOZ-waarde is het hoogste (en steeg de afgelopen jaren pijlsnel) in de geliefde steden. Dat zijn ook de steden met het grootste woningtekort en daarmee de grootste bouwopgave.</em></p>
<p><em>De tweede belangrijke maatregel van het kabinet-Rutte 2 was het veranderen van het puntenstelsel (officieel ‘woningwaarderingsstelsel’, het WWS), het systeem waarmee de maximale huurhoogte wordt bepaald. Is een woning volgens dit puntenstelsel meer dan 710 euro huur waard, dan kan de woning worden ‘geliberaliseerd’, de eigenaar is vrij om zelf de huurhoogte vast te stellen zodra de huidige huurder eruit gaat. Ongeveer een miljoen van de sociale huurwoningen kon sinds de puntenverandering geliberaliseerd worden. </em></p>
<p><em>Ongeveer 30% van de huishoudens (2,7 miljoen huishoudens) heeft volgens het Nibud moeite om rond te komen. Nog eens een zelfde groep huishoudens zijn financieel kwetsbaar – ze kunnen financiële tegenslagen niet zelf opvangen. Deze 60% huishoudens zijn grotendeels huurders – bijna alle huurders behoren tot deze twee groepen huishoudens. Een kwart van de Nederlandse huurders, zo&#8217;n 800.000 huishoudens, zit volgens het Nibud financieel klem. Deze huurders betalen zulke hoge huren dat ze niet genoeg geld overhouden voor hun levensonderhoud. Voornamelijk mensen met een sociale huurwoning kunnen maar lastig rondkomen. Het gaat dan met name om alleenstaanden, ontvangers van een uitkering en huurders tussen de 25 en 45 jaar. Dat aandeel huurders dat eigenlijk de huur niet kan betalen stijgt snel: in 2002 was het nog maar 5% van de huurders, in 2012 13% en in 2016 was het al 18%, een half miljoen huishoudens. Zou je daarnaast rekening houden met onvermijdelijke uitgaven die voor een deel van de mensen geldt, zoals voor zorg of voor het afbetalen van oude schulden, dan is het percentage nog een stuk hoger, stelt het Nibud.</em></p>
<p><em>Wat zijn nu de motieven geweest voor het desastreuze woonbeleid sinds de start van deze eeuw, met een dieptepunt tijdens het kabinet Rutte-2? Mirjam de Rijk heeft daarover in De Groene zinnige dingen geschreven in 2017 (</em><a href="https://www.groene.nl/artikel/te-duur-om-nog-sociaal-te-zijn"><em>https://www.groene.nl/artikel/te-duur-om-nog-sociaal-te-zijn</em></a><em>). </em><em>Het zou niet eerlijk zijn de huurpolitiek van de laatste jaren louter op het conto te schrijven van de twee partijen die Rutte 2 vormden (VVD en PvdA), zo schrijft ze. Een groot deel van het parlement steunde de maatregelen immers. Bovendien werd de lijn – de sociale huur is er alleen voor de laagste inkomens, meer markt, hogere huren – al eerder ingezet. Hoe kon het gebeuren dat juist in een tijd dat de inkomens van veel huurders door de crisis daalden er massaal steun was om de huren te verhogen en middeninkomens de sociale huur uit te jagen?</em></p>
<p><em>Om te beginnen zijn huurders slachtoffer geworden van de slechte naam en het slechte gedrag van woningcorporaties. Een (rechts) deel van het politieke spectrum heeft al heel lang de pest aan corporaties, maar door de schandalen die tussen 2005 en 2012 aan het licht kwamen – Maserati’s als dienstauto, grondspeculatie, derivatenhandel en megalomane projecten – hielden de corporaties geen vrienden meer over. Het resulteerde in een monsterverbond tussen links en rechts. Rechts omdat het altijd al vond dat deze semi-publieke instellingen eigenlijk de markt van commerciële bedrijven afsnoepen, links omdat het tabak had van de woeste avonturen en de zelfverrijking van sommige corporatiedirecteuren. Met name de verhuurdersheffing kan niet los worden gezien van de verdomhoek waar corporaties dankzij hun eigen gedrag – althans het gedrag van sommigen en het gebrek aan correctie bij anderen – in zaten. Alleen moesten de huurders die heffing grotendeels betalen.</em></p>
<p><em>Een speciale vermelding in dit verband verdient Jacques Monasch, tot september 2015 PvdA-woordvoerder wonen in de Tweede Kamer. Hij had zo’n gruwelijke hekel aan corporaties en aan de toenmalige directeur van corporatie-koepel Aedes (zijn partijgenoot Marc Calon) dat hij van schrik vrijwel alle maatregelen steunde die de corporaties het leven zuur maakten – ook als dat ten koste ging van de huurders. En ook als hij voor de gevolgen ervan scherp gewaarschuwd werd, zoals door de werkgroep huurders van de PvdA. ‘Per saldo is deze regeerperiode een verschrikking geweest voor huurders en ook een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de sociaal-democratie’, schreef Anita Engbers in begin 2017 in Socialisme &amp; Democratie, het blad van het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Engbers, voorzitter van de inmiddels ter ziele gegane werkgroep huurders van de PvdA, liep zich de vijf jaar daarvoor het vuur uit de sloffen om haar partij duidelijk te maken hoe funest al die maatregelen voor huurders zijn. Ze stond bij de verkiezingen van 2017, die voor de PvdA dramatisch zouden verlopen, op de zestigste plaats van de PvdA-Kandidatenlijst – zo ging men om met critici.</em></p>
<p><em>De misstappen van corporaties waren een gevolg van de ‘verzelfstandiging’ in de jaren negentig, daarover laat het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie in 2014 geen misverstand bestaan. Van oudsher werden corporaties in de gaten gehouden door hun huurders en leden (het waren toen grotendeels verenigingen) en bij tijd en wijle door het parlement. Maar in de jaren negentig, op de golven van de ‘derde weg’ in de sociaal-democratie en de ‘deregulering en marktwerking’ van de paarse kabinetten, gebeurde wat in die jaren met veel publieke instellingen gebeurde: ze werden zelf een beetje markt. Woningcorporaties kregen voortaan geen subsidie meer, moesten hun eigen broek ophouden, gingen ‘maatschappelijk ondernemen’. Het gedrag en het beleid van de organisaties werden sterk afhankelijk van de toevallige directeur. Een deel van de 350 corporaties die Nederland rijk is, maakte daar een puinbak van. Sinds de nieuwe woningwet van 2015 zijn de taken van corporaties sterk ingeperkt en is de controle versterkt, in plaats van dat de huurders weer zeggenschap kregen. </em></p>
<p><em>De excessen van corporaties leidden ertoe dat zij geen marktje meer mogen spelen. Maar intrigerend genoeg nam het idee dat huisvesting zoveel mogelijk aan de markt moet worden overgelaten in dezelfde periode eerder toe dan af. Een eeuw lang was er in Nederland weinig discussie over: wonen was gewoon te belangrijk om aan de markt over te laten. ‘Langzamerhand was het bewustzijn levendig geworden dat geen volksbelang meer behartiging verdient dan dat der huisvesting’, zo begint de toelichting op de Woningwet uit 1901. Om te vervolgen met: ‘Dat particulieren in dezen alles zouden kunnen tot stand brengen, daarvan was men reeds geruimen tijd de onmogelijkheid beginnen in te zien.’</em></p>
<p><em>Het was een liberaal kabinet dat de Woningwet instelde en daarmee landelijk de volkshuisvesting initieerde. Geen armenhuisvesting of arbeidershuisvesting, zoals in sommige andere landen, maar volkshuisvesting: voor iedereen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de corporaties en de gemeentelijke woningbedrijven de motor van de wederopbouw: zorgen voor voldoende en betaalbare huurwoningen zonder er winst op te maken. In de jaren zestig laaide de strijd even op, want kon de markt het langzamerhand niet overnemen? Maar de linkse wind in de jaren zeventig en de kostbare stadsvernieuwing in de jaren zeventig en tachtig, waar woningcorporaties een grote bijdrage aan leverden, deden dat geluid snel weer verstommen.</em></p>
<p><em>In de jaren negentig kwam het marktdenken de corporaties binnen, en een decennium later kwamen ook de basiskenmerken van de volkshuisvesting – geen winst maken op huurders, een sociale huursector die er ook voor de middengroepen is – steeds meer ter discussie te staan. Decennialang waren we er met z’n allen juist zo trots op dat we hier nauwelijks huisjesmelkers hadden, trots op onze gemengde wijken. Maar opeens gingen heel veel partijen mee in het idee dat je huisvesting zoveel mogelijk aan de markt moet overlaten. </em></p>
<p><em>De bewoordingen en accenten in de verkiezingsprogramma’s van 2012 verschillen, maar de tendens bij het gros van de partijen is meer markt in het wonen. De markt moet de prijs bepalen, de overheid compenseert hoogstens de laagste inkomens met huurtoeslag. Wonen heet dan ook geen wonen meer, laat staan volkshuisvesting, het gaat om ‘de woningmarkt’.</em></p>
<p><em>Sinds 2015 is de maximaal toegestane huur van een woning voor een belangrijk deel afhankelijk van de WOZ-waarde van vergelijkbare woningen in de buurt. Door die ‘WOZ-punten’ zijn de huren hard gestegen, zeker in buurten waar de huizenprijzen overkoken. En belangrijker misschien nog, woningen komen daardoor ook al gauw uit boven de ‘liberalisatiegrens’. Boven die grens kan de eigenaar de huur zelf bepalen, het wettelijke puntensysteem dat de maximale huur berekent telt dan niet meer. Eerder al ging het energiegebruik van woningen sterk meewegen in de puntentelling. Architectenbureau Sputnik berekende al in 2016 dat het onmogelijk is een gezinswoning te bouwen die én aan de voorschriften van het Bouwbesluit voldoet én onder de liberalisatiegrens blijft. Voor heel kleine woningen van minder dan veertig vierkante meter in Amsterdam en Utrecht tellen de WOZ-punten zelfs dubbel. Daardoor kan een woning van bijvoorbeeld 25 vierkante meter al boven de liberalisatiegrens komen, en wordt de huurprijs ‘wat de gek ervoor geeft’. De Woonbond doopte ze ‘Blokhutten’.</em></p>
<p><em>Naast het slechte imago van corporaties en de liefde voor de markt was er nog iets heel anders wat de maatregelen tegen de sociale huur aanwakkerde. Je zou het polderpolitiek kunnen noemen, of ‘gelijk oversteken’. In de aanloop naar de verkiezingen van 2012 ontstond steeds meer draagvlak om iets aan de hypotheekrenteaftrek te doen. Die aftrek was een deel van het parlement en het Centraal Planbureau (CPB) niet zozeer een doorn in het oog omdat het oneerlijk is (hoge inkomens profiteren veel meer dan lage, zie ook verderop in dit betoog) of veel belastinginkomsten scheelt, maar omdat het ‘marktverstorend’ is. Maar dan is de sociale huur ook ‘marktverstorend’: de huren zijn immers lager dan het geval zou zijn als je het vrije spel van vraag en aanbod zijn gang zou laten gaan.</em></p>
<p><em>Het ei van Columbus was om er een pakketje van te maken: de huren verhogen en de hypotheekrenteaftrek enigszins beperken. Het ‘gelijk oversteken’ werd overigens beslist gelijk oversteken, mede door de sterke rentedaling voor koopwoningen. De ‘koopquote’, het percentage van hun netto inkomen dat mensen met een koopwoning kwijt zijn aan hun huis, daalde tussen 2012 en 2015 van 22,2 naar 20,1 procent. De huurquote steeg in diezelfde periode van 23,8 naar 26,7 procent.</em></p>
<p><em>Naast het gelijk oversteken deed ook een ander politiek mechanisme z’n werk, het mechanisme van ‘het kan altijd nog erger’. Minister Blok wilde de corporaties eigenlijk dwingen een miljoen woningen te verkopen, zo bleek voorjaar 2013 uit een uitgelekt stuk. Wat hem betrof zouden corporaties alleen nog huurwoningen beheren voor de allerlaagste inkomens (grofweg 22.000 bruto voor alleenstaanden, 30.000 voor meerpersoonshuishoudens, de huurtoeslaggerechtigden). Alle overige woningen, en de huurhoogte daarvan, moesten overgelaten worden aan de vrije krachten van vraag en aanbod. Daarbij vergeleken vielen de uiteindelijke maatregelen mee.</em></p>
<p><em>Niet te onderschatten is ook de verandering in de getalsmatige verhouding tussen kopers en huurders. Die verhouding veranderde van veertig procent koop versus zestig procent huur in de jaren tachtig, naar zestig procent koop versus veertig procent huur eind jaren nul. Met alle electorale effecten van dien. Bovendien bestaat de huurderspopulatie steeds meer uit mensen die minder goed voor zichzelf op kunnen komen, dat is anders dan toen “iedereen” nog huurde.</em></p>
<p><em><u>De scheefwoner als zondebok – verdrijf hem met inkomensafhankelijke huurverhogingen</u></em></p>
<p><em>En in de vierde plaats was er de scheefwoner als zondebok. Staatssecretaris Enneüs Heerma (CDA) moest er eind jaren tachtig al niets van hebben: mensen die in een goedkope sociale huurwoning wonen, terwijl ze gezien hun inkomen meer kunnen betalen. De ‘scheefwoners’ werden de afgelopen jaren hét argument om geen sociale huurwoningen bij te bouwen of ze zelfs te verkopen. Scheefwoners kregen de schuld van de wachtlijsten: als zij die woningen niet langer bezet hielden, zouden er goedkope woningen zat zijn. In de tijd van Heerma werden scheefwoners vooral verleid, bijvoorbeeld met forse subsidies voor koopwoningen (premie A, B, C), maar tijdens Rutte 2 kregen huishoudens met een inkomen van meer dan 33.600 euro bruto (2013) een extra huurverhoging (ver beneden het bruto modale inkomen).</em></p>
<p><em>Feiten deden er ook toen al weinig toe. Het gros van de zogenoemde scheefwoners betaalt helemaal niet te weinig huur in relatie tot het inkomen en hun aantal nam daarna snel af, vooral door dalende inkomens. Bovendien hebben ze vaak geen alternatief om naartoe te verhuizen, en een gezamenlijk bruto jaarinkomen van zo’n 35.000 euro is uiteraard bepaald geen vetpot.</em></p>
<p><em>Maar er zit ook een principiëlere kant aan de discussie over scheefwoners. Veel mensen reizen regelmatig scheef. Hun inkomen laat een eersteklas treinkaartje toe, maar toch reizen ze potdomme tweedeklas! Of lezen scheef: een boek lenen in de bibliotheek terwijl ze dat boek gezien hun inkomen ook zouden kunnen kopen. Als scheefheid bestaat uit het gebruikmaken van een gesubsidieerde voorziening terwijl je inkomen dat niet strikt noodzakelijk maakt, dan is bibliotheekgebruik en tweedeklas reizen schever dan scheefwonen: corporaties krijgen al sinds de jaren negentig geen subsidie meer, bibliotheken en de spoorwegen wel.</em></p>
<p><em>Het frame van de scheefwoner gaat uit van de ideologie dat de publieke zaak (zelfs als het geen overheidsgeld kost) er slechts moet zijn voor degenen die het anders echt niet kunnen betalen. In extremo leidt dat tot gescheiden voorzieningen voor arm en rijk, tot minder draagvlak voor belastingheffing, en tot slechtere kwaliteit van publieke voorzieningen – die zijn dan immers toch alleen voor armelui. Publieke voorzieningen beperken tot (zeer) lage inkomens is een vrijbrief voor toekomstige bezuinigingen en leidt tot kwaliteitsverslechtering. Je kunt beter publieke voorzieningen inkomensonafhankelijk maken of in ieder geval ook middeninkomens daarvan laten profiteren, en dat via eerlijke belastingen financieren. </em></p>
<p><em>Ten vijfde werd het argument van ongeoorloofde staatssteun aan corporaties opgevoerd. Want eerlijk is eerlijk, het was niet minister Blok die bepaalde dat de sociale huur er voortaan alleen nog moest zijn voor mensen met een laag inkomen. Die eer komt mede-VVD-er Neelie Kroes toe. Als eurocommissaris Mededinging richtte de voormalig VVD-minister vanaf 2005 haar pijlen op de Nederlandse sociale huursector. De woningcorporaties kregen weliswaar geen subsidie meer (dat werd bijna 25 jaar geleden afgeschaft), maar hun leningen werden nog wel door de staat geborgd, en ze betaalden minder voor de grond dan commerciële bedrijven. Kortom, dit was ‘staatssteun’, concurrentievervalsend richting de commerciële huursector.</em></p>
<p><em>Dat de leningen van corporaties geborgd worden door de overheid, waardoor de rente lager is, scheelde de corporaties op jaarbasis zeshonderd miljoen euro rentekosten. Brussel beschouwde het ook als staatssteun dat veel gemeenten een lagere grondprijs rekenen voor sociale huurwoningen. Het gaat hier echter eerder om een marktmechanisme dan om staatssteun of subsidie. De grondprijs is namelijk afhankelijk van wat er door de toekomstige eigenaar mee te verdienen is, en aangezien er met koopwoningen en commerciële huurwoningen meer te verdienen is dan met sociale huur verschilt de prijs. Commerciële verhuurders die pleiten voor dezelfde lage grondprijzen als corporaties moeten zich realiseren dat ze zich dan ook aan dezelfde voorwaarden moeten houden als corporaties. Dat betekent een woning gemiddeld minstens vijftig jaar verhuren, aanspreekbaar zijn op maatschappelijke taken, afspraken maken over de huurprijzen én het rendement laten terugvloeien in de volkshuisvesting.</em></p>
<p><em>De IVBN, Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, stookte het vuurtje op. In de definitie van de liberalen is alles wat door de (semi-)publieke sector gebeurt maar wat de markt ook zou willen doen concurrentievervalsing. Ook als de markt het tegen heel andere voorwaarden zou doen, bijvoorbeeld hogere huren. Het werd een jarenlang getouwtrek, waarbij toenmalig PvdA-minister Eberhard van der Laan uiteindelijk de overeenkomst met Brussel sloot: corporaties mochten in negentig procent van hun sociale huurwoningen vanaf 1 januari 2011 alleen nog huishoudens toelaten met een inkomen van minder dan 33.000 euro bruto – die groep is voor commerciële verhuurders niet interessant. (Inmiddels is de inkomensgrens voor een klein deel van de sociale huurwoningen tijdelijk verhoogd naar 40.000 euro). Het was pure verraad aan het linkse ideaal van de brede volkshuisvesting.</em></p>
<p><em>De wetenschappelijke literatuurstudie die gemaakt werd ten behoeve van de parlementaire enquête naar de corporatiesector (2014) is weinig verhullend over het gemak, misschien zelfs de gretigheid, waarmee Nederland inging op de pijlen van Kroes. Andere Europese landen stelden geen inkomensgrenzen vast. ‘Het feit dat Nederland direct kiest voor inkrimping van de sector kan worden beschouwd als indicator van het smeulend ongenoegen over het functioneren van de corporatiesector en de behoefte van diverse partijen de sector te verkleinen’, aldus de studie. Het was ook niet ‘Brussel’ dat bepaalde dat de inkomensgrens 33.000 euro moest zijn: dat bepaalde Nederland zelf en Nederland had de grens dus ook veel hoger kunnen leggen. Dat kan dus alsnog, ook al lijkt iedereen dat inmiddels weer vergeten te zijn.</em></p>
<p><em>Met de afspraak tussen kabinet en Brussel kwam in feite een einde aan 110 jaar volkshuisvesting. Peter Boelhouwer, hoogleraar housing systems aan de TU Delft: ‘Er is altijd wel wat politieke discussie geweest over een brede of een smalle sociale huursector, maar 110 jaar lang, vanaf de Woningwet van 1901, zijn er nooit wettelijke eisen gesteld aan wie er in sociale huurwoningen mocht wonen.’ Sommige corporaties hanteerden wel inkomensgrenzen, maar zij konden die aanpassen aan de plaatselijke situatie en aan de mate waarin er alternatieven waren voor hogere inkomensgroepen. Begin jaren tachtig waren de huurders van sociale woningen nog behoorlijk regelmatig verdeeld over de zogeheten inkomens-decielen: twintig procent van de huishoudens in de sociale huur behoorde tot de dertig procent hoogste inkomens.</em></p>
<p><em>Wouter Beekers, gepromoveerd op de geschiedenis van de volkshuisvesting in Nederland en directeur van het wetenschappelijk bureau van de ChristenUnie: ‘Opmerkelijk genoeg kwam die brede toegang ter discussie te staan op een moment dat er juist minder reden was dan ooit om de doelgroep te beperken – er ging immers al nauwelijks subsidie meer naartoe.’</em></p>
<p><em>Eén van de argumenten van degenen die de sociale huursector in Nederland een kopje kleiner willen maken is dat Nederland de grootste sociale huursector ter wereld heeft. Bert Wijbenga van Nieuwenhuizen, in 2017 directeur van corporatie Woonbron in Rotterdam en actief VVD-lid, had daar een doeltreffend antwoord op. ‘Nederland is ook een van de gelukkigste landen ter wereld. Dan gaan we toch ook niet zeggen: het moet minder, want andere landen hebben er minder van? Dat we afwijkend zijn met onze hypotheken, pensioenen en sociale woningen is misschien zelfs wel deel van ons succes.’ Overigens zegt het percentage sociale huurwoningen ook op een andere manier weinig: Duitsland en Zwitserland hebben minder officiële sociale huur, maar wel veel betaalbare private verhuur. En Spanje heeft zojuist besloten het oude brede volkshuisvestingideaal uit Nederland als voorbeeld te nemen voor het aanpakken van de nood aan betaalbaar wonen daar.</em></p>
<p><em>Om de scheefwoner te verjagen werd de inkomensafhankelijke huurverhoging bedacht. Vanaf 2022 geldt een andere methodiek voor de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging. Verhuurders kunnen huurders met een hoog (midden)inkomen in een sociale huurwoning een hogere huurverhoging van maximaal € 50 of € 100 geven. Daarmee kunnen ze aan huishoudens met een hoger (midden)inkomen sneller een hogere huur vragen. De inkomensgrens voor de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging verschilt voor eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens. Ook zijn er twee inkomenscategorieën: hoog middeninkomen en hoog inkomen. De toegestane extra huurverhoging wordt maximaal € 50 voor huurders met een hoog middeninkomen en maximaal € 100 voor huurders met een hoog inkomen. Dat zijn dus bedragen bovenop de reguliere maximale huurverhogingen (zie hieronder). In 2025 gelden daarbij de volgende normbedragen:</em></p>
<p><em> </em></p>
<table width="786">
<thead>
<tr>
<td colspan="3">
<p><strong><em>Tabel inkomenscategorieën voor de inkomensafhankelijke huurverhoging per 1 juli 2025</em></strong></p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="262">
<p><strong><em> </em></strong></p>
</td>
<td width="262">
<p><strong><em>Hoge middeninkomens</em></strong></p>
</td>
<td width="262">
<p><strong><em>Hoge inkomens</em></strong></p>
</td>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td width="262">
<p><strong><em>Eenpersoonshuishoudens</em></strong></p>
</td>
<td width="262">
<p><em>€ 57.143 &#8211; € 67.366</em></p>
</td>
<td width="262">
<p><em>Hoger dan € 67.366</em></p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="262">
<p><strong><em>Meerpersoonshuishoudens</em></strong></p>
</td>
<td width="262">
<p><em>€ 66.126 &#8211; € 89.821</em></p>
</td>
<td width="262">
<p><em>Hoger dan € 89.821</em></p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="262">
<p><strong><em>Huurverhoging</em></strong></p>
</td>
<td width="262">
<p><em>Maximaal € 50*</em></p>
</td>
<td width="262">
<p><em>Maximaal € 100*</em></p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p><em><sup>*) Maar niet verder dan maximaal toegestane huurprijsgrens van de woning</sup></em></p>
<p><em><u>De middenhuur als quasi-oplossing</u></em></p>
<p><em>Het beeld van de scheefwoner als dader heeft, in de zesde plaats, sinds een paar jaar gezelschap van ‘het middensegment’ als slachtoffer: mensen die door hun inkomen niet in de sociale huur terecht kunnen én om wat voor reden dan ook niet kunnen of willen kopen. De afgelopen jaren was de meest gehoorde oplossing daarvoor het verkopen van sociale huurwoningen aan beleggers, zodat zij de woningen aan het middensegment zouden gaan verhuren. Met als goede tweede het ‘liberaliseren’ van sociale huurwoningen door corporaties, oftewel het verhogen van huur zodat ze niet meer tot de sociale huur zouden behoren en dus niet meer onder de regels van Kroes zouden vallen. Beide opties gingen ten koste van sociale huurwoningen. Het middensegment werd steeds meer een alibi om de sociale huursector af te breken.</em></p>
<p><em>Middenhuur in de nieuwe wet betaalbare huur wordt nu ook gereguleerd met aparte normbedragen. Tot en met 143 punten is het sociale huur, tot en met 186 punten is het nu gereguleerde middenhuur met een minimumhuur van € 900,08 en een maximumhuur van € 1184,82. Deze regulering van middenhuur geldt alleen voor contracten afgesloten vanaf 1 juli 2024. Alleen huishoudens met een zogenaamd middeninkomen kunnen aanspraak maken op gereguleerde middenhuur. Voor een meerpersoons huishouden worden daarbij nu onder middeninkomens verstaan een jaarkinkomen van tussen € 52.671 en € 82.921. Voor eenpersoonshuishoudens zijn deze inkomensgrenzen € 47.699 en € 62.191. Verdien je minder dan de hier genoemde minimuminkomens dan kom je in aanmerking voor een sociale huurwoning. Huurprijzen in de vrije sector zijn vrij, maar mogen wettelijk halfjaarlijks met een door de overheid vastgesteld maximaal percentage verhoogd worden. Per 1 januari 2025 was dat maximaal 4,1% (inflatie of cao-loonontwikkeling, het laagste percentage geldt, plus 1%). Voor de middenhuren gingen de huren met maximaal 7,1% omhoog (cao-loonontwikkeling plus 1%) en sociale huur met maximaal 5,8%. Tijdens de Woontop op 11 december 2024 maakten kabinet, corporaties en gemeenten bekend dat de gemiddelde huurstijging per woningcorporatie voor 2025 beperkt wordt tot 4,5%. Per individuele woning geldt dat de huurverhoging 0,5% hoger blijft dan de maximale gemiddelde huurverhoging. Daardoor wordt de maximale huurverhoging voor woningen in de sociale huur (van woningcorporaties en van andere verhuurders) vanaf 1 juli 2025 5%. Vanaf 2026 wordt de maximale jaarlijkse huurstijging gekoppeld aan een driejaarsgemiddelde van de inflatie. Dit zal ook wettelijk worden vastgelegd. Hierdoor varieert de huurstijging minder sterk per jaar. </em></p>
<p><em>Een inkomen van bruto € 55.000 houdt hier in 2025 circa € 41.245 netto aan over, € 3437 per maand. Een kale huur van € 1100 per maand is dan een huurquote van ca. 32%. Dat is behoorlijk hoog en staat in schril contrast met de woonquote van woningeigenaren. Inmiddels staat ‘middenhuur’ behoorlijk centraal in het oplossen van de woningnood, zowel in het bouwprogramma als in de regulering van huurprijzen. Helaas wordt er nog steeds niet voor gekozen om de brede volkshuisvesting voor lage én middeninkomens gelijkelijk toegankelijk te maken en daarvoor te bouwen. Dat kan ook prima binnen de Europese regels, zoals hiervoor is duidelijk gemaakt.</em></p>
<p><em>Er is ondertussen één groep die uitermate content was met het woonbeleid van de kabinetten voor Rutte IV: de beleggers. Een beleggers-adviseur in 2017: ‘Beleggen in huurwoningen is booming. Het levert enorme rendementen op.’ Alleen al dat jaar hadden en institutionele beleggers 5,5 miljard klaarliggen om in woningen te beleggen. De hoop van beleggers was dat corporaties een miljoen woningen gingen verkopen. Niet alleen Nederlandse beleggers hebben belangstelling, ook Chinese en Amerikaanse beleggers komen op de kluif af. Beleggen in bestaande huurwoningen levert rendementen op van acht procent, rekent de adviseur voor. Tenminste, als je het louter met eigen vermogen financiert. Betaal je de woningen deels met geleend geld, dan kan het rendement oplopen tot 20 procent. ‘Vijf jaar geleden was je in de vastgoedsector een watje als je je bezighield met woningen. Nu is het ’t meest sexy onderdeel.’ En nee, dan gaat het niet alleen over Amsterdam en Utrecht, maar ook over Breda, Pijnacker, de stad Groningen, Zwolle. De afgelopen jaren kochten beleggers al vele duizenden woningen van corporaties op. </em></p>
<p><em><u>Omslag naar herstel van volkshuisvesting: de markt is het probleem, niet de oplossing. De oplossing ligt in herstel van een brede sociale huursector.</u></em></p>
<p><em>De toon van de verkiezingsprogramma’s was in 2017 al een geheel andere dan in 2012, en staat daarmee ook haaks op het beleid van de jaren daarvoor. Mooi voorbeeld is D66, in 2012 nog voorstander van het ‘omzetten’ van sociale huurwoningen naar de vrije sector. D66 vindt nu dat er juist honderdduizend sociale huurwoningen bij moeten komen. Zelfs de VVD zegt inmiddels niet meer letterlijk dat het aantal sociale huurwoningen moet verminderen, al zou de door haar in 2017 voorgestelde verhoging van de verhuurdersheffing naar 4,9 miljard euro daar wel toe leiden. Gelukkig bracht Rutte IV in 2022 echt een ander beleid, waarbij die idiote verhuurdersheffing per 1 januari 2023 werd afgeschaft en het ministerie van Volkshuisvesting (en Ruimtelijke Ordening) weer werd ingevoerd en er een Wet betaalbare huur kwam, en veel meer rijksregie. Het is nog steeds behelpen, maar de ingezette omslag moeten we nu veel massiever doorzetten. </em></p>
<p><em>De omslag in het denken over sociale huur, het moet gezegd, is voor een groot deel te danken aan de komst van grote aantallen vluchtelingen in 2014 en 2015. Het gebrek aan sociale huurwoningen stond opeens weer op de agenda. Dat is cynisch voor al die mensen die vóór 2015 al jaren op een wachtlijst voor een sociale huurwoning stonden. De vluchtelingen werden steeds meer de ideale zondebok voor falend beleid en tekorten overal in de verzorgingsstaat, terwijl zij nauwelijks bijdragen aan deze tekorten. Het is ironisch dat nu het aantal vluchtelingen dat naar ons land komt veel lager is en nog steeds verder daalt, zij toch agressief verantwoordelijk worden gehouden voor problemen die rechts Nederland zelf veroorzaakt heeft. Het extreemrechtse kabinet Schoof is het voorlopig dieptepunt in deze benadering. </em></p>
<p><em>Het tekort aan huurwoningen is oplosbaar en huren kunnen weer betaalbaar worden, ook voor de middeninkomens. Maar dan moet Nederland wel af van het idee dat de markt de problemen moet oplossen. De sleutel zit in een brede sociale huursector die er ook voor de middengroepen is, in het reguleren van de huurhoogte, en in bouwen, veel bouwen.</em></p>
<p><em><u>Ook ‘middengroepen’ verdienen een sociale huur</u></em></p>
<p><em>Al jaren wordt in de media, door adviesorganen en politici gediscussieerd over ‘het middensegment’: huishoudens met een inkomen dat te hoog is voor een sociale huurwoning, maar voor wie commerciële huur of een koopwoning eigenlijk niet te betalen is. Voor commerciële huur wordt, zeker in de gewilde steden, al gauw 1200 tot 1500 euro kale huur gevraagd.</em></p>
<p><em>De politiek heeft zelf de inkomensrestricties voor de sociale huur bepaald, en de politiek kan die inkomensgrens van 36.000 euro dus ook weer opheffen. Vaak wordt beweerd dat dit niet zou mogen van Brussel, maar Nederland heeft die grens zelf aan Brussel voorgesteld. Andere Europese landen hanteren dergelijke inkomensgrenzen niet.</em></p>
<p><em>De afgelopen jaren wekten de politieke meerderheid in Den Haag en een hele serie adviesorganen de indruk dat middeninkomens veel belang hebben bij een grotere commerciële huursector. Maar waarom eigenlijk? Wie de adviesrapporten en beleidsnota’s leest, ontdekt dat het hierbij niet over de belangen van de middeninkomens gaat, maar over markt en marktwerking als doel op zich.</em></p>
<p><em>Beleggers zijn op aarde om winst te maken, dat kun je ze niet kwalijk nemen. Maar het betekent én hoge huren én ze vertrekken zodra er ergens anders met kapitaal meer geld te verdienen is dan met huurwoningen. Bovendien zetten beleggers de huurwoningen vaak na pakweg vijftien jaar om in koopwoningen (voordat er groot onderhoud nodig is) waardoor de hoeveelheid huurwoningen er niet fundamenteel door stijgt. Ze vliegen er net zo snel weer uit als ze er bij komen.</em></p>
<p><em>Door de middeninkomens weer toegang te geven tot de gereguleerde huur zijn er niet vanaf morgen méér woningen. Maar het zorgt er wel voor dat corporaties weer mogen gaan bouwen voor de middengroepen én dat middeninkomens aanzienlijk minder huur kwijt zijn, zonder dat dit de samenleving extra geld kost. </em></p>
<p><em><u>Veel meer betaalbare huurwoningen organiseren</u></em></p>
<p><em>In Nederland zijn ongeveer 7,3 miljoen bewoonde woningen, waarvan zestig procent koopwoningen. De veertig procent huurwoningen is voor driekwart eigendom van woningcorporaties, een kwart is in handen van particulieren (individuen en institutionele beleggers). Van de bijna drie miljoen huurwoningen wordt bijna driekwart aangeduid als ‘sociale huur’, dat zijn woningen met een huurprijs van minder dan 900,08 euro per maand. De meeste daarvan, ruim twee miljoen, worden verhuurd door woningcorporaties. Bij bovengenoemde aantallen zijn de leegstaande woningen en de onzelfstandige wooneenheden niet meegeteld.</em></p>
<p><em>De toename van de hoeveelheid huishoudens, en daarmee de vraag naar extra woningen, is mede afhankelijk van politieke beslissingen. Zo heeft het leenstelsel er mede voor gezorgd dat jongeren langer thuis blijven wonen. Ook de regels voor de AOW, bijstand, belastingen, zorgkosten, erfenissen hebben effect op de hoeveelheid huishoudens en daarmee op de vraag naar extra woningbouw. Hetzelfde geldt voor de regelgeving rond sociale huur. Doordat bij de toegang tot sociale huurwoningen gekeken wordt naar het gezamenlijke inkomen gaan mensen minder snel samenwonen: een stel heeft samen al gauw een te hoog inkomen om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning, terwijl ze beiden als alleenwonenden wel recht hebben op een sociale huurwoning. De discussie over de vraag welke huishoudensverdunning voortkomt uit werkelijke woonwensen en welke uit onbedoelde effecten van beleid wordt in Nederland nog nauwelijks gevoerd.</em></p>
<p><em>De voorspelde toename van het aantal huishoudens met zo’n 65.000 per jaar, de komende jaren, is overigens in historisch perspectief niet hoog. Vanaf begin jaren zeventig tot begin jaren negentig van de vorige eeuw kwamen er in Nederland jaarlijks gemiddeld meer dan 100.000 huishoudens bij. Daarna zwakte het wat af, naar zo’n 60.000 per jaar.</em></p>
<p><em>Sociale huurders zijn op dit moment kansloos om een betaalbaar huis te vinden. Bijna de helft (46%) wacht al langer dan drie jaar. De wachtlijsten bij woningcoöperaties zijn enorm, tot wel 16 jaar. Als er voor zowel lage inkomens als middeninkomens een tekort aan huurwoningen is, is de enige echte oplossing bijbouwen. En juist dat gebeurde afgelopen jaren weinig, zowel door de corporaties als door commerciële verhuurders. Het is verleidelijk om dat aan de financiële en economische crisis te wijten, maar dat is te makkelijk.</em></p>
<p><em>Juist corporaties zouden anticyclisch moeten bouwen. De bouwkosten waren de afgelopen jaren ongekend laag door de lage rente en dalende aannemersprijzen, een gouden kans. Maar de corporaties bouwden minder dan ooit. Wat minister Blok van Wonen betreft moesten corporaties juist woningen afstoten, de sociale huursector moest kleiner. En ook de commerciële verhuurders bouwden weinig. Beleggers namen liever bestaande huurwoningen van corporaties over, want het rendement daarop is hoger dan op nieuwbouw. De afgelopen vijf jaar kregen commerciële verhuurders er ruim 140.000 woningen bij, maar het overgrote deel daarvan (ruim 100.000) werd niet bijgebouwd maar overgekocht van corporaties. En, o ironie, juist het feit dat de minister wilde dat corporaties een miljoen woningen zouden verkopen aan commerciële verhuurders (wat ze overigens niet deden) maakte het voor beleggers niet aantrekkelijk om nieuwbouwplannen te ontwikkelen. Wat ook niet helpt, is dat gemeenten en ontwikkelaars meer verdienen aan koop dan aan huur. Ziehier het recept voor de schaarste aan huurwoningen.</em></p>
<p><em>De huurwoningen die afgelopen jaren werden gebouwd, bestonden bovendien voor een groot deel uit studenten-eenheden. Studenten zijn voor zowel commerciële als sociale verhuurders lucratief. Ze stellen weinig eisen aan de woning en aan de woonomgeving, en een “studio” van twintig vierkante meter is al snel lucratief te verhuren. Anders dan de overige huurders hebben studenten bovendien een sterke lobby, ook vanuit bijvoorbeeld universiteiten en gemeenten die zich graag als kennisstad afficheren.</em></p>
<p><em>De oplossing die beleggers graag aandragen voor het tekort aan huurwoningen is dat zij voortaan subsidie krijgen om die te bouwen. Let wel, die subsidie zou ervoor moeten zorgen dat het beleggersrendement stijgt van pakweg zes naar acht procent, waarbij de huur nog steeds rond de duizend euro ligt.</em></p>
<p><em>Er is ook een andere oplossing. Die is dat corporaties als de wiedeweerga gaan bouwen voor zowel lage als middeninkomens. Het geld hebben ze. Sterker nog, corporaties zitten zo goed in de slappe was dat je je kunt afvragen of ze de afgelopen jaren niet iets te enthousiast de huren verhoogd hebben, te weinig geïnvesteerd en te scheutig sociale huurwoningen verkocht, al dan niet door gebrek aan werkelijk inzicht in hun eigen financiën. Of zoals een betrokkene ietwat omfloerst zegt: ‘De corporaties die beter snappen hoe hun financiën in elkaar zitten, zijn eerder geneigd om hun kapitaal maatschappelijk in te zetten.’</em></p>
<p><em>De Autoriteit Woningcorporaties, sinds 1 juli 2015 de nieuwe toezichthouder, stelde in 2017 vast dat corporaties, als de rente laag blijft, de komende jaren met gemak 100.000 méér woningen kunnen bouwen dan ze tot nu toe van plan zijn. Door geld te lenen zou dit aantal bovendien nog verder verhoogd kunnen worden. De Autoriteit zegt het in het ‘Sectorbeeld’ net niet hardop, maar tussen de regels klinkt verbazing over het feit dat de corporaties momenteel schulden aflossen – terwijl de bouwopgave groot is, de rente ongekend laag en de huidige verhouding tussen schuld en vermogen veel meer lenen toelaat. </em></p>
<p><em>De vraag is bovendien of de financiële parameters die de Autoriteit en het WSW (Waarborgfonds Sociale Woningbouw) hanteren niet strikter zijn dan noodzakelijk, wat de ruimte om te bouwen en te (energie)renoveren beperkt. Ze gaan bijvoorbeeld nog uit van hoge rentes. De fouten die corporaties tot pakweg 2012 maakten betroffen megalomane projecten, riskante financiële producten (derivaten) en zelfverrijking. De regels die in reactie daarop werden opgesteld beperken de corporaties ook in activiteiten die niet met die foute praktijken te maken hebben: het bouwen en verhuren van woningen tegen fatsoenlijke prijzen. Al met al kunnen corporaties een fors deel op zich nemen van de extra woningen die nodig zijn. Mits politiek Den Haag hun daarvoor de gelegenheid geeft. Door én te erkennen dat er meer sociale huurwoningen nodig zijn én de corporaties meer ruimte te geven om ook voor middeninkomens te bouwen en te verhuren.</em></p>
<p><em>Gemeenten moeten daarvoor ook hard aan de bak. Voor huurwoningen is immers ook grond nodig (of leegstaande gebouwen) én de keuze van gemeenten om die locaties te bestemmen voor huur in plaats van voor koop. Zoals gezegd zijn koopwoningen voor gemeenten lucratiever dan huur, en dat geldt zeker voor betaalbare huur. Maar een gemeente is geen bv, en de inkomsten van het grondbedrijf behoren niet voorop te staan. Bovendien staan de grondbedrijven juist in de steden waar veel betaalbare huurwoningen nodig zijn er over het algemeen goed voor. Door de sterke prijsstijging van koopwoningen stroomde het geld de afgelopen jaren binnen. Maar al probeert men de trend te keren, ook in Amsterdam daalt vooralsnog het aantal sociale huurwoningen: er worden meer sociale huurwoningen verkocht en ‘geliberaliseerd’ dan er bij komen. Gemeenten belijden met de mond dat ze sociale huur of middensegment willen, maar als het erop aankomt zwichten ze toch vaak voor de euro’s. Bovendien mikken steeds meer gemeenten op een hoogopgeleide, welgestelde bevolking. Iedere gemeente wil tegenwoordig kennisstad worden. Een laagopgeleide bevolking past daar niet bij en kost alleen maar geld. Laagopgeleide armere huurders krijgen daardoor steeds minder woonkansen. Het tekort aan huurwoningen is oplosbaar, maar vergt van zowel rijk als gemeenten een andere inzet.</em></p>
<p><em>De Wet versterking regie volkshuisvesting van Hugo de Jonge probeert het tij te keren door in de wet vast te leggen dat iedere gemeente zijn woningvoorraad zo aanpast dat tenminste 30% ervan uit sociale woningen gaat bestaan. Dat is nu gemiddeld zo’n 27%. De verschillen per gemeente zijn echter groot: vooral grote steden als Amsterdam (40%) en Rotterdam (43%) hebben meer dan 30 procent sociale huur. Kleinere gemeenten zitten er vaak onder. Er zijn echte uitschieters naar beneden, zoals Bloemendaal (18 procent) en het Gelderse Rozendaal (7 procent). In het uiteindelijke wetsvoorstel noemde De Jonge het doel van 30 procent sociale huur daarom niet letterlijk. Wat er wel in staat is dat gemeenten waar het aandeel nu lager is dan het landelijk gemiddelde (27 procent) verplicht worden om in de bouwplannen voor nieuwe woningen minstens 30 procent te reserveren voor sociale huurwoningen. En voor gemeenten met een hoger percentage sociale huur dan het landelijk gemiddelde, zoals Amsterdam, geldt die verplichting niet. Daar moet dan wel minimaal 40 procent van de nieuwbouw uit woningen voor de middeninkomens bestaan. Met de wet wil De Jonge niet het totale percentage sociale huurwoningen laten stijgen, laat zijn woordvoerder weten. Het gaat erom dat de voorraad sociale huurwoningen in absolute zin groeit. Die gewijzigde intentie heeft een reden. Met dit wetsvoorstel komt Nederland namelijk helemaal niet uit op een groter aandeel sociale huurwoningen. Integendeel: dat percentage gaat juist omláág.</em></p>
<p><em>Daar zijn twee redenen voor. De eerste: het is maar de vraag of gemeenten die volgens de nieuwe regels 30 procent sociale huur zouden moeten bouwen, dat de komende jaren al meteen zullen of kunnen doen. Er gaan jaren overheen voordat deze gemeenten allemaal nieuwbouwplannen hebben gemaakt die voor 30 procent uit sociale huur bestaan; en voordat al die plannen zijn goedgekeurd. Ze moeten bouwlocaties vinden, en woningcorporaties die de huizen kunnen bouwen. Met de wet die De Jonge nu voorstelt, is de kans bovendien groot dat gemeenten met een gemiddeld hoger percentage sociale huur, juist minder nieuwe sociale huurwoningen zullen bijbouwen. Ze moeten immers minimaal 40 procent middenhuurwoningen en middeldure koopwoningen gaan bouwen. En dus blijft er binnen bouwprojecten minder ruimte over voor sociale huur. </em></p>
<p><em>Dan het tweede punt. Zelfs al zóúden gemeenten al meteen voldoende plannen voor de bouw van sociale huurwoningen maken, dan nog zou het totale percentage afnemen. Woningcorporaties, die de woningen zouden moeten bouwen, hebben namelijk helemaal niet genoeg geld om zo veel te bouwen. In 2022 beloofden de Nederlandse woningcorporaties  aan de gemeenten en aan het Rijk dat ze 250.000 sociale huurwoningen zouden bouwen tot 2030.  Die huizen maken deel uit van de ongeveer 900.000 woningen die er in totaal bij moeten komen – een groei van zo’n 10 procent. Dat is een pittige opgave voor corporaties. Om de 250.000 sociale huurwoningen te halen, moeten ze zo’n 35.000 huizen per jaar bouwen – het dubbele van wat ze de afgelopen jaren hebben neergezet. Maar zelfs als dat lukt, gaat het aandeel sociale huurwoningen van de totale Nederlandse woningvoorraad omlaag. Dat zit zo: behalve dat ze nieuwe huizen bouwen, zijn woningcorporaties ook van plan 63.000 sociale huurwoningen te verkopen en er 87.000 te slopen.  Het totaal aantal sociale huurwoningen neemt dus volgens de plannen niet met 250.000, maar met 100.000 toe. Omdat Nederland nu zo’n 2,3 miljoen sociale huurwoningen telt, komt dat neer op een toename van ongeveer 4,6 procent.</em></p>
<p><em>Het wetsvoorstel is in maart 2024 ingediend door het demissionaire kabinet Rutte IV. Wanneer het in de Tweede Kamer behandeld gaat worden is nog steeds onduidelijk.</em></p>
<p><em>Minister De Jonge sloot verder 35 woondeals met gemeenten, die de basis leggen voor meer sociale huurwoningen. Bovenop de taakstelling van 250.000 extra sociale huurwoningen kwam er een extra taakstelling van ruim 40.000 nieuwe sociale huurwoningen voor 2030. Corporaties hebben echter in 2023 maar bijna 18.000 woningen gebouwd. Daarmee blijven ze ruim achter bij het doel om ieder jaar zo&#8217;n 30.000 nieuwe huizen te realiseren. Dit komt volgens hun koepelorganisatie, Aedes, door hoge bouwkosten, te weinig geschikte locaties en lange procedures. Lange bestemmingsplanprocedures vormen vaak een obstakel. Ook een gebrek aan bouwgrond zorgt dat de aantallen niet snel oplopen. Daarnaast zijn de kosten voor het bouwen van een huis de laatste jaren de hoogte in geschoten. Dit komt onder meer door hogere lonen en duurdere materialen. &#8220;Het opvoeren van de bouwproductie gaat daardoor langzamer dan nodig is om de woningnood echt terug te dringen&#8221;, zegt Aedes. De corporaties stellen dat ze geld moeten toeleggen op elk van de 2,3 miljoen huizen die ze verhuren. Volgens Aedes gaat het om gemiddeld 11 euro per woning. Dit komt naar eigen zeggen doordat ze investeren in verduurzaming van de panden en doordat ze de huren relatief laag willen houden, al gingen de huurprijzen afgelopen juli gemiddeld met ruim 5 procent omhoog. Het was de grootste verhoging in dertig jaar. </em></p>
<p><em>Willen we én voldoende sociale woningen, ook voor de middeninkomens, bouwen én de huren betaalbaar maken – waar eigenlijk een substantiële huurverlaging voor nodig is en een betere regeling voor compensatie van huurlasten dan de huidige huurtoeslag, dan moeten we de corporaties weer subsidiëren, zoals dat ook vroeger gebruikelijk was. Daarbij moeten natuurlijk wel de corporaties opnieuw heruitgevonden worden. En in de prestatieafspraken met de corporaties moet minder gesloopt worden en moeten er geen sociale huurwoningen worden verkocht – de Rijksoverheid moet door subsidiëring de noodzaak daartoe, voor zover daarvan echt sprake is, ook wegnemen. Daarbij moeten we ook de vennootschapsbelasting voor corporaties afschaffen (dat levert hun ca. 1,5 miljard euro op per jaar) – corporaties moeten geen ondernemingen met winst zijn, maar publieke instellingen met zeggenschap van huurders. </em></p>
<p><em><u>Corporaties moeten zichzelf heruitvinden en de politiek moet dat afdwingen</u></em></p>
<p><em>Wie miljoenen mensen betaalbaar moet huisvesten, ruim twee miljoen woningen beheert en grote invloed heeft op de leefbaarheid van steden en dorpen heeft een gigantische verantwoordelijkheid. Een deel van de 350 corporaties heeft van die verantwoordelijkheid in het recente verleden een potje gemaakt, waarbij ze in hun ‘ondernemersgeest’ vaak aangemoedigd werden door rijk en gemeenten.</em></p>
<p><em>De scheve schaatsen leidden in 2015 uiteindelijk tot de unaniem aangenomen nieuwe woningwet waarin corporaties werden gereduceerd tot verhuurders voor de laagste inkomens. Inmiddels wordt steeds duidelijker dat met het badwater ook een boel kinderen wegspoelden: het bijdragen aan leefbaarheid, het geïntegreerde bouwen ter voorkoming van segregatie, en niet te vergeten: het zorgen voor middeninkomens die op de markt aan de goden zijn overgeleverd. Het kortwieken van de corporaties is tekenend voor het wijdverbreide geloof in het heil van de markt van nog maar een paar jaar geleden, maar laat ook zien hoe weinig vrienden de corporaties op dat moment nog hadden.</em></p>
<p><em>Inmiddels heeft de samenleving de corporaties echter weer hard nodig. Voor betaalbare huren, meer woningen, voor massale energierenovatie en niet te vergeten het intelligent opkopen en slopen van woningen in krimpgebieden. Corporaties moeten dan ook als de donder laten zien dat ze het vertrouwen van de samenleving weer waard zijn. De lakmoesproef voor dat vertrouwen is hoe ze de komende jaren omgaan met hun grote financiële reserves. Er is namelijk een klein probleem met het geld waar volgens de Autoriteit Woningcorporaties minstens 100.000 extra woningen mee gebouwd kunnen worden: het zit veelal bij de verkeerde corporaties. Juist corporaties in regio’s met een grote bouwopgave hebben weinig geld, en andersom. Dit vergt een ‘verevening’ en dat is een mooie test voor de maatschappelijke gezindheid van corporaties. De rijksoverheid moet er wel een handje bij helpen. Al was het maar omdat veel gemeenteraden anders niet accepteren dat ‘hun’ corporatie vrijwillig miljoenen afstaat aan andere corporaties. Een minister met moed en verantwoordelijkheidsgevoel gaat aan de gang met de verevening.  Gemeenten ook veel beter inzicht krijgen in de financiën van corporaties. Dan pas kunnen gemeenten verstandige keuzes maken in de regionale ‘woonvisies’ en in de prestatie-afspraken die ze met corporaties maken. Sinds de nieuwe woningwet hebben de huurders ook meer te zeggen over het corporatiebeleid. Dat moet echter veel fundamenteler worden aangepakt. De zeggenschap van huurders moet terug (in plaats van medezeggenschap) en de schaalgrootte van corporaties moet eveneens terug. De megalomane fusies hebben van corporaties vastgoedreuzen gemaakt. Met de verevening moet dus ook een opsplitsing gerealiseerd worden, die een nieuwe balans zoekt tussen efficiencyvoordelen en het geworteld zijn in de wijk of dorp. In beginsel zou een corporatie daarbij ook niet meer buiten de gemeentegrenzen moeten mogen opereren. </em></p>
<p><em><u>Huren verlagen</u></em></p>
<p><em>Het kan geen kwaad het nog even te herhalen: de huren stegen de afgelopen jaren niet omdat de kosten voor bouw, onderhoud of beheer stegen, maar omdat het een politieke keuze was om ze te laten stijgen. Minister Blok vond dat de huren van sociale huurwoningen omhoog moesten omdat ze te weinig ‘marktconform’ waren, dat wil zeggen het verschil met de huur van commerciële verhuurders te groot was. Om huurverhoging uit te lokken (en de staatskas te vullen) moesten verhuurders van sociale huurwoningen een heffing gaan betalen, van inmiddels 1,7 miljard euro per jaar. Dat is zevenhonderd euro per jaar per sociale huurwoning. Gelukkig is nu die heffing vervallen, nu de vennootschapsbelasting bij corporaties nog.</em></p>
<p><em>In de Tweede Kamer roept links nu om bevriezing van de huren, om de aangekondigde zeer hoge huurverhogingen te vermijden. Maar eigenlijk moeten de huren met tien procent omlaag, stelt De Woonbond. Dat is eigenlijk nog veel te weinig, en doet weinig als je niet ook de huurtoeslag wijzigt (bij bevriezing huren wordt ook de huurtoeslag meestal bevroren). Wij pleiten in dit programma voor een aanzienlijke huurverlaging met een aangepast puntenstelsel. We slopen daarbij de WOZ-punten weer uit het stelsel zodat de huidige idiote, door speculatie en subsidie opgedreven koopprijzen niet meer doorwerken in de gereguleerde huren (de woonomgeving mag best meetellen, maar dan gebaseerd op de werkelijke woonomgeving, niet de grillige ontwikkeling van de huizenprijzen), we maken in de tweede plaats van goede verduurzaamde woningen een norm waardoor verduurzamingsmaatregelen niet een hogere huur opleveren, maar waarbij het niet doorvoeren daarvan aangemerkt wordt als een woninggebrek, dat recht geeft op huurverlaging, én, in de derde plaats, moderniseren we het puntenstelsel zodat normale voorzieningen niet meer extra punten en dus een hogere huur opleveren. We gaan ook de huurbescherming uitbreiden waardoor onder meer direct recht op huurverlaging ontstaat wanneer er sprake is van achterstallig onderhoud, schimmel, etc. We voeren dat ook door in bestaande huurcontracten, waardoor gereguleerde huren circa 250 euro omlaag gaan. We compenseren daarvoor de corporaties met subsidie. Commerciële verhuurders ontvangen die compensatie niet. Ze kunnen wel hun woningen overdoen aan een corporatie, die de kosten daarvan ook gecompenseerd krijgen. Voor de verkoopprijs hierbij stellen we wettelijke maxima. En daarnaast moet wat ons betreft de hele liberalisatiegrens gewoon vervallen, zodat alle huren voortaan afhankelijk zijn van de punten van de woning, en niet van ‘wat de gek ervoor geeft’.</em></p>
<p><em>De compensatie voor de verlaging van de huren zal deels terugverdiend worden door lagere uitgaven aan de huurtoeslag. Anders dan we concluderen bij de zorg- en kinderopvangtoeslag – moeten we de huurtoeslag niet afschaffen, maar vervangen door een individuele inkomens- en huurafhankelijke huursubsidie. Het zou zeer onverstandig zijn om geen mogelijkheden meer te hebben om huurders ook zelf nog subsidie te kunnen geven – de huurlasten kunnen we anders dan bij de zorg en de kinderopvang niet eenvoudig volledig collectief financieren en reguleren. Wel kunnen we het systeem veel eenvoudiger maken en toch beter richten, en veel terugvorderingen voorkomen door het niet meer als voorschot te verstrekken. De nieuwe, door ons voorgestelde huursubsidie gaat, net als vroeger, verstrekt worden door het ministerie van Volkshuisvesting, in lijn met de aanbeveling van de parlementaire enquêtecommissie over het Toeslagenschandaal, om de verantwoordelijkheid voor beleid én uitvoering onder één departement te brengen. De vereenvoudiging en verbetering wordt bereikt door alleen te kijken naar het inkomen van personen die officieel huurder zijn (in huurcontract) en door de huursubsidie het bedrag te laten uitbetalen dat de huur, inclusief servicekosten (die we ook beter moeten reguleren), boven een wettelijke netto huurquote (percentage van het netto inkomen) uitgaat, voor alle inkomens tot anderhalf modaal en tot alle huren tot 1200 euro per maand. Deze huurquote maximeren we daarbij op 25% tot modaal, en 30% tot anderhalf modaal. Daardoor zal straks niemand met een inkomen tot anderhalf modaal meer dan deze percentages van zijn netto-inkomen aan huur kwijt zijn, tenzij hij huurt boven de maximum huurprijs van 1200 euro per maand.  Door de inkomensverbeteringen (lonen, uitkeringen) en de huurverlagingen zullen veel minder huishoudens daarvoor nog huursubsidie nodig hebben.</em></p>
<p><em>Met name de lagere inkomens gaan er hierdoor substantieel op vooruit. Zij hebben nu de hoogste huurquotes, onder meer doordat in de huidige huurtoeslag een vast bedrag is dat je als ‘basishuur’ zelf moet opbrengen – een vast bedrag (in 2025 bijna 200 euro) in een zeer ongelijke verdeling benadeelt uiteraard zeer de laagste inkomens. Deze basishuur verdwijnt in onze nieuwe systematiek. Wat een huurtoeslaggerechtigde zelf moet bekostigen is voorts nu vaak méér dan de basishuur. Dat komt door:</em></p>
<ul>
<li><em>De meeste sociale huurwoningen zijn duurder dan de kwaliteitskortingsgrens (het bedrag waarboven in de huidige huurtoeslag een korting op je huurtoeslag plaatsvindt). Tot de kwaliteitskortingsgrens (2025: </em><em>€ 477,20) ontvangt de huurder mits zijn inkomen niet te hoog is 100% van het verschil van zijn huur met de basishuur. Boven de kwaliteitsgrens tot de aftoppingsgrens (2025: </em><em>€682,96 voor 1- of 2-persoonshuishoudens en </em><em>€ voor 731,93 voor huishoudens van 3 of meer personen) ontvang je 65% van dit deel van de huur aan toeslag. Daardoor betalen huurders 35% van de huurprijs tussen deze grens en de aftoppingsgrens huurders nu zelf. Bij ons verdwijnen deze grenzen, we kijken alleen naar de huurquote.</em></li>
<li><em>Veel sociale huurwoningen zijn duurder dan de aftoppingsgrens. Over 60% van de huurprijs tussen deze grens en de huurtoeslaggrens krijgen huurders geen toeslag. Dat verdwijnt bij ons voorstel dus ook.</em></li>
<li><em>Door de huurverhogingen van de afgelopen jaren zijn er ook steeds meer sociale huurwoningen met een huurprijs boven de huurtoeslaggrens. 100% van de huurprijs boven deze grens is voor rekening van huurders zelf. Deze huurgrens verhogen wij van 900 euro naar 1200 euro per maand, en door de verlaging door regulering van alle huurprijzen zullen maar weinig huren nog daarboven zitten. </em></li>
</ul>
<p><em><u>De rol van pensioenfondsen</u></em></p>
<p><em>Tot nu zijn beleggers weinig happig om nieuwe huurwoningen met betaalbare huren te bouwen. Een deel van de beleggers, namelijk pensioenfondsen, beweert graag dat ze daarmee handelen in het algemeen belang, want dat hoge rendementen goed zijn voor de huidige en toekomstige gepensioneerden. Nog afgezien van de vraag of het niet pervers is om mensen jarenlang hoge huren te laten betalen ‘ten bate van hun pensioen’ valt er nogal wat op de redenering af te dingen. Veel pensioenfondsen beleggen niet rechtstreeks in Nederlandse woningen, maar kopen zich in in een wereldwijd fonds, gevuld met kapitaal van oliesjeiks en Chinese vastgoedhandelaren. Dat fonds belegt vervolgens onder meer in Nederlandse woningen, waarmee slechts een deel van de Nederlandse huuropbrengsten terechtkomt bij de vaderlandse pensioenfondsen.</em></p>
<p><em>Hiervoor is al betoogd dat het vermogensbeheer van pensioenfondsen veel meer gereguleerd zouden moeten worden. Het rendement moet stabieler, duurzamer en socialer. Dat geeft meer zekerheid op een welvaartsvast pensioen, en de rekenrente kan veel lager. Daarmee wordt het ook aantrekkelijker om te investeren in betaalbare huurwoningen. Daarbij zouden ze ook voor hun deelnemers als een soort woningcorporatie kunnen functioneren, waarbij uiteraard als iemand vertrekt als deelnemer, het huurcontract en het daarbij horende huurrecht wel blijft gelden. </em></p>
<p><em><u>Het tekort aan betaalbare huurwoningen is dus oplosbaar</u></em></p>
<p><em>Het tekort aan huurwoningen is oplosbaar en huren kunnen weer betaalbaar worden, ook voor de middeninkomens. Maar dan moet Nederland wel af van het idee dat de markt de problemen op – jawel – de woningmarkt moet oplossen. Woningen zijn net zo onmisbaar als brood, maar marktwerking werkt wel voor brood maar niet voor woningen. Bij brood komen er net zo lang concurrerende bakkers bij tot de prijs van brood tegen de kostprijs aan ligt. Dat is efficiënt, daar vaart de broodeter wel bij. Dat is bij woningen niet het geval. Dat komt doordat de investeringskosten voor woningen veel hoger zijn, waardoor lang niet iedereen woningen kan aanbieden, en doordat het bouwen van woningen aan grotere maatschappelijke restricties gebonden is (bouwen mag gelukkig niet overal). Maar het komt vooral doordat er met kapitaal op allerlei manieren (aandelen, ondoorzichtige financiële producten) veel hogere rendementen te halen zijn dan met betaalbare huurwoningen. Wie per se wil dat dit kapitaal geïnvesteerd wordt in huurwoningen moet óf de kapitaalverschaffers subsidiëren of hoge huren accepteren. Maar waarom zou je?</em></p>
<p><em>Vandaar bovenstaand pleidooi voor het opnieuw uitvinden van de volkshuisvesting. Een volkshuisvesting nieuwe stijl, dat wel. Gebaseerd op betaalbare huur. Met grote zeggenschap van huurders én buurten, met scherpe democratische controle en gevarieerde bouw. Een volkshuisvesting die wakker gehouden wordt door wooncoöperaties, zelfbouwprojecten en alle andere vormen van huisvesting, zodat de corporaties op het puntje van hun stoel blijven zitten. En met deugende corporatiebestuurders. </em></p>
<p><u>Uitbannen van dakloosheid als topprioriteit</u></p>
<ol start="158">
<li><strong>Er moet een spoedwet komen ter voorkoming en oplossing van dakloosheid volgens het principe van Housing First! </strong>De opvang voor dak- en thuisloze mensen gaat 24/7 open en wordt beter en zo laagdrempelig mogelijk. Dat is een minimumnorm voor solidaire beschaving. Er worden binnen een jaar 200.000 prefab/ systeembouw-woningen gebouwd met een normaal vast huurcontract. Iedere gemeente krijgt daartoe een taakstelling. Deze zijn bedoeld voor iedereen die dakloos wordt c.q. dreigt te worden, en/of op urgentielijst staat (incl. statushouders taakstelling). Deze woningen zijn kwalitatief goed en voldoen aan alle normen, en worden op locaties gebouwd binnen de bebouwde kom, met goede voorzieningen en infrastructuur, ook in rijke wijken en dorpen. Een qua inkomen en vermogen gemengde bevolkingssamenstelling is met name daar een noodzakelijke opdracht.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="159">
<li><strong>Oorzaken van dakloosheid worden weggenomen worden: meer GGZ-opvang en -begeleiding; adequaat urgentiebeleid bij toewijzing woningen; vroegsignalering bij ‘life-events’ die risicovol zijn (echtscheiding, werkloosheid, etc.); en een wettelijk verbod op huisuitzetting (zeker bij huishoudens met kinderen) zonder alternatieve beschikbare huisvesting, en wanneer schuldhulpverlening wordt aanvaard.</strong> Ook het afsluiten van energie en water wordt verboden zonder alternatieve oplossing voor betrokkenen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="160">
<li><strong>Vanuit onderdak wordt er passende integrale zorg en begeleiding aangeboden</strong> (zoals GGZ, SHV, verslavingszorg, jeugdzorg, etc.).</li>
</ol>
<p><u>We zorgen voor structureel lagere woonprijzen en huurlasten</u></p>
<ol start="161">
<li><strong>Betaalbare, gereguleerde huur is de hoeksteen van brede volkshuisvesting. De gereguleerde huur, die ook voor de huidige middenhuur gaat gelden, gaat direct met een noodwet tenminste 250 euro per maand omlaag.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="162">
<li><strong>Voor wat betreft de huurtoeslag gaan we een nieuwe regeling voor individuele[1] huursubsidie in het leven roepen die de huurtoeslag vervangt.</strong> Deze wordt verstrekt door ministerie van Volkshuisvesting. De nieuwe huursubsidie beperkt de individueel op te brengen huurlasten tot een wettelijke huurquote – het percentage van je netto-inkomen dat je maximaal zelf betaalt aan huurlasten. Voor inkomens tot modaal stellen we deze huurquote vast op maximaal een kwart en daarboven tot anderhalf modaal op maximaal 30% voor alle huren tot 1200 euro per maand. We geven een harde garantie dat we de huurtoeslag pas afschaffen als deze nieuwe regeling verantwoord is ingevoerd. Daarop vooruitlopend verhogen we de huurtoeslag en verruimen we de inkomensgrenzen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="163">
<li><strong>Alle huur moet gaan vallen onder het systeem van de huurprijsbescherming met toepassing van het zgn. puntensysteem</strong> (WWS: woningwaarderingssysteem). De liberalisatiegrens vervalt dus. Daarmee wordt ook alle huur gemaximaliseerd.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="164">
<li><strong>We moeten tegelijkertijd ook dat puntensysteem moderniseren</strong>, waardoor normale basisvoorzieningen niet meer tot extra punten leiden, en de WOZ-waarde eruit verdwijnt (wordt vervangen door het oude systeem, waarbij extra punten worden toegekend wat betreft locatie e.d.), zodat de veel te hoge huizenprijzen niet langer meer doorwerken in de huurprijs. De woonomgeving mag best meetellen, maar dan gebaseerd op de werkelijke woonomgeving, niet de grillige ontwikkeling van de huizenprijzen van de markt, van speculatie en van fiscale politiek. En <em>last but not </em>least maken we een slecht energielabel tot een woninggebrek, dat recht geeft op huurverlaging, in plaats van – zoals nu het geval is) dat door extra punten er een hogere huur gevraagd kan worden (zie ook bij de paragraaf over lagere energielasten). We gaan ook een direct recht op huurverlaging invoeren bij gebreken in de woning, achterstallig onderhoud en schimmel. Woningcorporaties worden voor deze wijzigingen gecompenseerd.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="165">
<li><strong>Daarnaast schrappen we de inkomensafhankelijke huurverhoging en het concept van <em>‘passend wonen’</em>.</strong> We gaan niet mee in het opjagen en stigmatiseren van huurders. Niet zgn. ‘<em>scheefwoners’</em> zijn het probleem, maar het tekort aan betaalbare woningen. Woningcorporaties worden ook hiervoor gecompenseerd.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="166">
<li><strong>Woningdelen helpt om de woningnood te bestrijden, niet als een plicht maar als een recht: er komt een afdwingbaar recht tot onderhuur en woningdelen.</strong> In de sociale zekerheid en fiscaliteit worden sancties op woningdelen (kostendelersnorm, partnertoets, verzameltoets) afgeschaft, zoals hiervoor al voorgesteld. In het Zekerheidsinkomen, dat de bijstand vervangt, komt een bonus bij samenwonen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="167">
<li><strong>We gaan ook de rechtsbescherming en zeggenschap van huurders versterken</strong> (inclusief van kamers/onzelfstandige woonruimtes), met een beter en beter gefinancierd systeem van onafhankelijk klachtrecht dan de huidige huurcommissies, met betere mogelijkheden om snel de verhuurder te dwingen tot nakoming van zijn verplichtingen en we gaan flexhuurcontracten verbieden, zonder uitzonderingen. Tijdelijke huurcontracten worden omgezet in vaste contracten. Flexcontracten bedreigen de woonzekerheid. We stoppen daarmee door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. De huurovereenkomsten voor bepaalde tijd voor de duur van twee of vijf jaar verdwijnen. Studenten, jongeren en promovendi hebben recht op vervangende huisvesting (en een verhuiskostenvergoeding). Ook de positie van huurders en gebruikers van recreatieparken en campings moet worden versterkt, opdat ze niet meer zomaar weggejaagd kunnen worden bij verkoop door de eigenaar. Hetzelfde geldt bij volkstuintjes. Recreatiewoningen waar al langdurig normale bewoning wordt gedoogd, moet wettelijk voor de huidige bewoners gelegaliseerd worden. We gaan de enorme groei van tweede huizen en recreatiewoningen, die kostbare plek innemen waar we betaalbare woningen nodig hebben, extra zwaar belasten. Voor onderhuurders maken we een aparte regeling voor huurprijsregulering en een passende huurrechtbescherming.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="168">
<li><strong>Corporaties zijn te vaak teveel vastgoedondernemers geworden. Hun maatschappelijke positionering wordt in de wetgeving versterkt. Corporaties moeten weer coöperatieven worden, verenigingen van huurders met een maatschappelijke doelstelling en gebonden aan regelgeving</strong>, die o.m. nondiscriminatoire toegang en respectering van urgentietoewijzingen garandeert.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="169">
<li><strong>De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, met een statutair beperkt werkgebied, zonder gemeentegrensoverschrijding). De markttoets voor corporaties wordt afgeschaft.</strong> Sociale woningbouw behoort principieel geen concurrentietoets te hebben. Niet de woningmarkt, maar het woonrecht staat hier centraal.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="170">
<li><strong>De zeggenschap van huurders in corporaties wordt versterkt met o.m. instemmingsrecht voor huurprijs-, renovatie- en onderhouds- en het financieel beleid. We moeten zorgen voor huurteams in alle steden en de bezuinigingen terugdraaien op de huurcommissies, en zorgen dat huurders daar altijd gehoord worden voordat een beslissing wordt genomen.</strong> De huurder moet daarbij recht op gratis rechtsbijstand hebben. En: we maken het vormen van nieuwe woningcoöperaties makkelijker en faciliteren dat actief.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<p><u>Stoppen met subsidies op (lenen voor) woningbezit, beperk de leenmogelijkheden, vergroot de spaarmogelijkheden</u></p>
<p><strong><em> </em></strong></p>
<ol start="171">
<li><strong>Als je de woonlasten structureel wil verlagen en meer stabiel wil maken moet je stoppen met iedere subsidie aan woningbezit. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="172">
<li><strong>Geen hypotheekrenteaftrek meer voor nieuwe hypotheken en een versnelde afbouw van de aftrek voor bestaande hypotheken<em>.</em></strong> Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="173">
<li><strong>We kunnen woningbezit voor lagere en middeninkomens voorts mogelijk maken met een opdracht aan de pensioenfondsen dat zij investeren in woningen voor hun deelnemers. </strong>Deze deelnemers kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld deel van hun premie te gebruiken voor het sparen voor de koop van hun woning, die tot dan eigendom blijft van het pensioenfonds, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Bij waardeoverdracht tussen pensioenfondsen blijven de opgespaarde rechten in stand. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Om de ongelijkheid te bestrijden worden hogere inkomens van deze regeling uitgesloten. Ook maken we een subsidieregeling voor deze vorm van sparen voor woningbezit voor lagere inkomens.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="174">
<li><strong>We gaan pensioenfondsen ook verplichten tot het oprichten van een gezamenlijke verhuurorganisatie van woningen voor hun gezamenlijke pensioendeelnemers, waarvan zij aandeelhouders worden. Dat blijven ze ook zolang men deelnemer en/of huurder blijft. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. </strong>Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="175">
<li><strong>Naast het schrappen van subsidie op schulden voor woningbezit maken we de hypotheekverstrekker risicodrager in situaties dat de hypotheeknemer zijn hypotheek niet meer kan betalen</strong> – bij inleveren van de woning gaat de schuld wettelijk teniet. Dat zal de verstrekking van risicovolle hypotheken enorm doen beperken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="176">
<li><strong>Ook gaan we de hypotheekregels aanscherpen waardoor je meer eigen geld moet inbrengen (leendeel wordt maximaal 90% en bij stijging van de woningkoopprijzen gaat dat omlaag, zoals in Canada), en de afbetaling binnen redelijke termijn verplicht is, waarbij er zwaardere eisen gesteld worden aan de kredietwaardigheid. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="177">
<li><strong>Daarenboven gaan we waardevermeerdering van woningen en huurinkomsten zwaarder belasten</strong>, om aan de enorme bevoordeling van woningbezitters een einde te maken. In de hiervoor gepresenteerde belastingplannen wordt inkomen in de vorm van waardevermeerdering van bezit gelijk belast met andere vormen van inkomen in een progressief, effectief tarief. Voor de eerste, zelf bewoonde woning tot een bedrag van € 500.000 geldt daarbij dat pas afgerekend wordt op moment van verkoop. Dat vervangt het eigenwoningforfait.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="178">
<li><strong>Daarnaast gaan we maatregelen nemen die de prijsopdrijving door mogelijkheden voor speculatie met woningbezit fors doen beperken.</strong> Wonen moet weer gaan om een goede plek voor jezelf, niet om je vermogen te doen vergroten. Speculatie en huisjesmelkers zijn bronnen van prijsopdrijving bij koop en huur van woningen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="179">
<li><strong>We gaan een actief anti-woningspeculatiebeleid voeren.</strong> Huisjesmelkers pakken we aan met een nationaal vergunningstelsel voor woningverhuurders. We tolereren niet dat rotte appels het systeem ondermijnen, door bv. teveel mensen in een huis, opsplitsing in piepkleine appartementjes of illegale verhuur via bv. AirBNB. Een Inspectie Volkshuisvesting kan dan boetes opleggen aan eigenaren die zich niet aan de regels houden en vergunningen intrekken. Er moeten snel meer mogelijkheden komen voor gemeenten om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen, bijvoorbeeld met beperking van onderverhuur aan toeristen en expats, door bevoordeling van inwoners in de gemeente, door een woonplicht, etc. Ook moeten gemeenten beperkingen kunnen stellen aan het kopen voor dure verhuur, bijv. door een maximum prijs per m² in te stellen of het kopen voor verhuur gericht toe te wijzen of te verbieden.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="180">
<li><strong>Er komt ook een aparte huisjesmelkerstaks: een extra belasting voor iedereen die meer dan twee huizen bezit. En een aparte leegstands- en braakliggingsbelasting voor onroerend goed dat niet gebruikt wordt, als ook een planbatenheffing op waardestijging van de grond als de bestemming veranderd </strong>– de opbrengst is voor gemeenten ten behoeve van meer (sociale) woningbouw.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="181">
<li><strong>Gemeenten moeten gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust kunnen opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten.</strong> Het voorkeursrecht voor aankoop van onroerend goed door gemeenten gaan we daartoe uitbreiden door agrarisch gebied daaraan toe te voegen en de vergoeding te baseren op de gebruikswaarde van de grond in plaats van zoals nu op de marktwaarde in vrij economisch verkeer. Ook de onteigening door overheden van onroerend goed in het algemeen belang wordt eenvoudiger gemaakt, en goedkoper door ook hier bij de vergoeding uit te gaan van de gebruikswaarde van de grond.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="182">
<li><strong>Bij langdurige leegstand moet de gemeente woningen en andere gebouwen kunnen vorderen en voor bewoning geschikt maken en verhuren op basis van de Leegstandswet. We verbieden daarbij gebruiksovereenkomsten (antikraakwonen). Kraken moet weer legaal worden bij langdurige leegstand.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="183">
<li><strong>Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren.</strong> Gemeenten mogen met een wettelijk verbod grond niet meer tegen marktprijzen verkopen aan woningbouwcorporaties, teneinde lage huren mogelijk te maken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="184">
<li><strong>Het recht op passende, betaalbare huurwoning in eigen woon- of werkgemeente wordt versterkt, met concrete, meetbare maximale wachttijden</strong>. De gemeente moet in de woonvisie aangeven hoe zij die omlaag brengen, met prioriteit voor mensen die urgent een dak boven hun hoofd dreigen te verliezen of al verloren hebben. De gemeente houdt de voortgang daarvan bij en rapporteert daarover openbaar. De provincie en ook het rijk krijgen aanwijzingsbevoegdheden als gemeenten in gebreke blijven. En overheden moeten vooral optreden als we iets signaleren. Inwoners krijgen het recht om hun gemeente daarop aan te spreken en zo nodig bij de rechter af te dwingen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="185">
<li><strong>Erfpachtconstructies passen in linkse grondpolitiek. Ze helpen de prijzen van woningen en dus ook de huren laag te houden. </strong>Er komt verplichte erfpacht bij gemeenten. Dat is een solidair instrument om prijzen en dus ook huren betaalbaar te houden.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="186">
<li><strong>We moeten tegelijkertijd de mogelijkheden van gemeenten voor lokaal woonbeleid ten behoeve van betaalbaar wonen verruimen. Gemeenten krijgen meer ruimte om de Onroerend Zaak Belasting (OZB) vorm te geven, met bijvoorbeeld hogere tarieven bij dure huizen.</strong> We willen overigens beslist geen andere verruiming van gemeentelijke belastingen omdat de ongelijkheid tussen gemeenten met veel en weinig armere inwoners nu al te groot is. Gemeenten krijgen de mogelijkheid en meer bevoegdheden om weer zelf te bouwen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="187">
<li><strong>Het wijkbeleid in de grote steden gaan we ook weer optuigen, met een programma waarbij wooncorporaties een natuurlijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. </strong>We gaan hier – net als in apart beleid voor krimpgebieden – fors in investeren, en stellen daarvoor miljarden euro’s per jaar ter beschikking. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- opbouw- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="188">
<li><strong>We trekken per direct de Rotterdamwet en het daaraan verbonden discriminerende beleid in.</strong> <strong>Er komt een Bloemendaalwet in plaats van een Rotterdamwet! </strong>De Rotterdamwet bepaalt dat er in specifieke achtergestelde wijken geen mensen meer bij mogen die geen inkomen uit werk hebben. In plaats van arme mensen te verdrijven uit hun wijken gaan we weer staan voor hulp van mensen in de wijken waarin ze zelf willen wonen, gaan we een nieuwe ronde van roemruchte sociaaldemocratische stadsvernieuwing aan, waarbij – ook in die traditie – nauw samenwerken en optrekken met de bewoners en hun organisaties, herstellen we de Vogelaarswijken en herstellen we het welzijnswerk. We realiseren volwaardige zeggenschap én onafhankelijke ondersteuning voor bewoners bij plannen voor hun woning, buurt en stad. En in plaats van sociale woningen te slopen gaan we die juist bouwen en renoveren voor lage en middeninkomens, ook in de rijkere wijken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="189">
<li><strong>Er komt meer en beter aanbod van betaalbare woningen</strong>, nu er door decennia neoliberaal beleid een enorm woningtekort is.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="190">
<li><strong>We moeten de komende 10 jaar duizenden nieuwe woningen bouwen (inclusief ombouwen kantoren)</strong>, onder regie van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Deze moet daartoe nieuwe bevoegdheden en instrumenten krijgen om dat ook af te dwingen. Procedures om te bouwen moeten sneller verlopen. Tenminste 70% van de woningen moeten betaalbare, gereguleerde huurwoningen van corporaties zijn, waarvan tenminste 40% voor inkomens beneden modaal. Hiermee herstellen we de brede sociale huursector.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="191">
<li><strong>We schrappen de categorie ‘middenhuur’</strong> – die huur is voor middeninkomens onbetaalbaar. Omdat private investeerders dit onvoldoende rendabel zullen vinden, gaan we over tot grotendeels publieke ontwikkeling van deze woningbouw.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="192">
<li><strong>Daartoe krijgen de woningcorporaties weer subsidie in plaats van belastingen (met prestatieafspraken) en krijgen ook gemeenten meer geld en instrumenten om zelf woningen te bouwen, met een gemeentelijk bouwbedrijf. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="193">
<li><strong>De jaarlijkse bouwopgave wordt per regio nader gepreciseerd. Het Rijk neemt dit op in de jaarlijks vast te stellen visie op ruimtelijke ordening, geïntegreerd met andere opgaven die claims geven en beperkingen stellen op de schaarse ruimte</strong> (incl. milieuruimte): natuur, klimaatadaptatie, energietransitie, circulaire economie, duurzame mobiliteit, kringlooplandbouw, etc. (zie elders in deze notitie). De minister krijgt daarbij doordrukmacht, de inspraak wordt efficiënter georganiseerd (opdat vergunningen sneller kunnen worden afgegeven) en het individuele belang (nimby) weegt minder zwaar dan het algemeen belang bij procedures.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="194">
<li><strong>We herstellen hiermee de brede volkshuisvestingstaak voor het Rijk. Landelijke regie met regionale verschillen is nodig.</strong> Er moet snel enorm gebouwd gaan worden. Niet in groene, open ruimte en natuur (zonder dat de dorpen op slot gaan overigens), maar vooral in de stad. Met een divers, aan de woningvraag tegemoetkomend woningaanbod. Gecombineerd met een effectief spreidingsbeleid. Het is bizar dat de politiek spreekt van een wooncrisis en geen idee heeft hoe ze de bouw kan opschroeven¸ maar tegelijkertijd bij de bouw van iedere nieuwe woning in Zuid-Limburg een bijdrage eist voor de sloop van een oude woning. Spreidingsbeleid zorgt voor een efficiëntere verdeling van de woningvoorraad. Met effectief spreidingsbeleid haal je enerzijds wat druk van het ventiel van de Randstad af. Anderzijds help je krimpende regio&#8217;s, waar nu de scholen, bibliotheken en andere belangrijke voorzieningen hun deuren moeten sluiten. Waar de vergrijzingsdubbel zo hard toeslaat omdat juist de jongeren vertrekken en niet meer terugkomen. Efficiënte ruimtelijke herverdeling kan daarom een cruciaal beleidsinstrument zijn. Om de wooncrisis te lijf te gaan en om de leefbaarheid in zowel de grote steden die kraken in hun voegen als de leeglopende krimpgebieden op peil te houden. Pak het alleen niet halfslachtig aan. Je moet niet een enkele dienst overhevelen, maar zorgen voor het hele pakket aan banen, mensen, voorzieningen en duurzame infrastructuur. </li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="195">
<li><strong>We definiëren sociale woningbouw tot alleen woningen verhuurd door woningbouwcorporaties. </strong>Andere woningen (sociale koop; verhuur door private partijen) tellen niet meer mee voor de ambitie om betaalbare huurwoningen te bouwen – deze blijven vaak niet duurzaam beschikbaar voor betaalbare prijzen. Sociale huurwoningen komen beschikbaar voor lagere inkomens (tot anderhalf modaal). Voor verkoop van deze woningen is toestemming nodig van ministerie van Volkshuisvesting. Deze wordt alleen gegeven indien voor elke verkochte sociale huurwoning er aantoonbaar twee van de laagste categorie worden teruggebouwd.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="196">
<li><strong>Er moet ook een spoedwet komen die per direct corporaties verplicht om mensen die kleiner willen wonen een aanbod daartoe te doen met maximaal een gelijke huur.</strong> Dit bevordert de doorstroming. Een verbod op onderhuur moet nietig worden in alle huurcontracten.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="197">
<li><strong>Bij de woningopdracht moet er apart aandacht zijn voor de effecten van de te snel en te extreem en te rigide doorgevoerde extramuralisering van de zorg (langer thuis wonen). </strong>Dat geldt voor de afbouw van zowel verpleeg- en verzorgingshuizen als van psychiatrische ziekenhuizen. We investeren extra in betaalbare, levensloopbestendige woningen, ook voor mensen met een beperking. Ook voor 18+-jongeren met een licht verstandelijke beperking of autisme krijgen de gemeente en de woningbouwcorporatie daarbij een bouwplicht. Gemeenten zijn nu niet altijd bereid tot het betalen van een woningaanpassing voor een cliënt met een beperking. De cliënt wordt dan alternatieve woonruimte met hogere woonlasten aangeboden, waardoor de cliënt in financiële problemen kan komen. Een woningaanpassing moet daarom weer een recht in plaats van een voorziening worden, met objectieve criteria en ruimte voor maatwerk ten gunste van de cliënt. De financiering hiervan blijft bij gemeenten, zodat ze geprikkeld worden om voldoende levensloopbestendige woningen te laten (ver)bouwen, als eis in hun woonvisie. We maken het wettelijk mogelijk om tijdelijke huisvesting op het eigen erf te plaatsen voor kinderen of ouders die zelf geen betaalbare huisvesting kunnen vinden en/of mantelzorg nodig hebben.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="198">
<li><strong>Ook voor jongeren komt er apart aandacht in de woonopdracht.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="199">
<li><strong>Na de verhuurdersheffing moeten we ook de vennootschapsbelasting voor woningcorporaties afschaffen, en deze vervangen door een forse, structurele rijkssubsidie van miljarden euro’s. </strong>Deze krijgen ze met verplichtingen voor voldoende bouw van betaalbare huurwoningen, waarbij inkomens tot anderhalf modaal toegang krijgen tot sociale huurwoningen, voor renovatie, verbetering en verduurzaming van hun woningen (met speciale aandacht voor het ook levensloopbestendig maken), en voor lagere huren. Corporaties mogen hiermee ook weer investeren in woningen voor middeninkomens (<em>‘</em><em>services for only the poor, are mostly poor services’</em>) en in wijkvoorzieningen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="200">
<li><strong>We moeten voorts de regels van de Autoriteit Wonen en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) enigszins versoepelen,</strong> er wordt nu bijv. uitgegaan van te hoge rentes. En we moeten en een verevening uitvoeren tussen woningcorporaties opdat reserves aangewend kunnen worden waar de grootste opgaven bestaan.</li>
</ol>
<p><em><u> </u></em></p>
<p><em><u>Een ander zorgstelsel</u></em></p>
<p><em>Ook in de zorg hoort marktwerking niet thuis. Net als kinderopvang en onderwijs is zorg bij uitstek een publieke taak en goede, toegankelijke zorg een sociaal grondrecht. </em></p>
<p><em>We stoppen met pleisters plakken en vervangen het falende, tot grote ongelijkheid, frustratie van zorgwerkers, en tot groeiende wachtlijsten leidende stelsel door een solidair, effectief en kwalitatief goed zorgstelsel. </em></p>
<p><em>De huidige hoge zorgkosten voor het gemiddelde gezin hebben alles te maken met de individualisering van de zorgkosten én de manier waarop het collectieve deel van de zorgkosten is verdeeld. Individuele zorgkosten drukken per definitie harder op lage dan op hoge inkomens, en het collectieve deel van de zorgkosten wordt vrijwel louter gefinancierd uit de inkomensafhankelijke premies op arbeid, en dan vooral op de middeninkomens. De premies op arbeid zijn een overblijfsel uit het verre verleden, toen het ziekenfonds er vooral was voor ‘loontrekkenden’. De eenvoudigste manier om de zorglasten eerlijker te verdelen is om ze uit de algemene belastingen te betalen, zoals met onderwijs ook gebeurt. Daardoor drukken ze veel minder op arbeid dan in het huidige systeem, want een groot deel van alle belastinginkomsten in Nederland komt uit omzetbelasting, accijnzen, vennootschapsbelasting en allerhande andere niet-arbeid-gerelateerde belastingen. Naarmate een groter deel van het nationaal inkomen wordt verdiend met kapitaal (vermogen, winst), en dat is de huidige trend, wordt het steeds onlogischer om de zorgkosten louter te financieren via premies of belastingen op arbeid.</em></p>
<p><em>De zorg verkeert ondertussen in een crisis. Wachtlijsten groeien, de kwaliteit en toegankelijkheid komt onder druk. Onder druk van marktwerking en arbeidstekorten is er steeds meer concentratie van voorzieningen en verdwijnt de lokale en regionale binding van burgers met hun zorgvoorzieningen. Tegelijkertijd is er sprake van (soms exorbitante) winstneming en concurrentie van marktpartijen, die dure zorg steeds meer laten liggen. De opmars van beleggingsbedrijven zoals private equity als eigenaren in de zorg is meer dan zorgwekkend, en heeft inmiddels geleid tot onder meer een bedreiging van de huisartsenzorg. </em></p>
<p><em><u>Uitbuiting van de zorg door de marktwerking</u></em></p>
<p><em>Mirjam de Rijk, journalist en oud-wethouder in Utrecht voor GroenLinks, doet in haar boek &#8216;Gekaapt door het kapitaal&#8217; verslag van haar onderzoek naar de uitverkoop van de publieke sector in Nederland. &#8216;Huisartsenpraktijken, kinderopvang, woningen, ouderenzorg: ze worden massaal opgekocht door private equity en andere grote kapitaalkrachtige partijen&#8217;, vertelde De Rijk hierover op een debatavond in Wageningen. &#8216;Hetzelfde geldt voor tandartspraktijken, dierenklinieken en arbodiensten&#8217;. Ze noemt maar liefst elf manieren waarop particulieren winst nemen uit de publiek gefinancierde zorg. </em></p>
<p><em>De opkopers van deze diensten zijn niet geïnteresseerd in de dienst of het product dat deze organisaties maken, maar alleen in de winst, legde De Rijk uit. Ze kopen de organisaties op en verkopen die een paar jaar later met winst. De schade is voor de samenleving, zei De Rijk: organisaties gaan failliet, er komt slechtere zorg, of alleen nog maar voor wie het kan betalen. De uitverkoop van Nederland is de laatste jaren hard gegaan, zei ze. In 2022 werd er in ons land voor 2,5 miljard euro aan zorg opgekocht, het jaar daarvoor voor 2,7 miljard euro, volgens een onderzoek van Deloitte. De kopers zijn vaker grote internationale partijen en bij twee derde van de overnames was de koper een private equity-bedrijf. Deloitte houdt alleen de overnames bij van minstens vijf miljoen euro, dus in werkelijkheid zijn de totalen hoger. Veel huisartsenpraktijken, fysiotherapeuten en psychologen gaan namelijk voor minder dan vijf miljoen over de toonbank. Denk aan ketens van fysiotherapeuten, ggz, jeugdzorg of huisartsen. ‘Ook de kinderopvang: er zijn wijken waar alleen nog maar opvang van private equity is. En een derde alle nieuwbouw woningen komen nu in handen van commerciële beleggers.’ </em></p>
<p><em>Dat de belangstelling van private equity-partijen voor de zorg zo toeneemt, komt volgens Matthijs van Thiel de Vries van Deloitte vooral doordat er ‘heel veel geld is bij die partijen’. Bovendien was geld lenen tot voor kort vrijwel gratis. En investeerders hébben niet alleen veel geld, ze lenen vooral ook heel veel geld: overnames zijn vaak voor minstens de helft gefinancierd met leningen. ‘Gezondheidszorg is een aantrekkelijke investering met weinig risico’, concludeert Van Thiel de Vries. ‘De vraag naar zorg neemt alleen maar toe.’ Ook nu de rente stijgt zal het opkopen niet snel verminderen, verwacht hij, want veel kopers hebben hun financiering al vooruit geregeld. Bureaus als Deloitte die deze overnames begeleiden – het bureau noemt zichzelf ‘onbetwist marktleider in transacties in de zorg’ – varen er wel bij. Naast een vast bedrag krijgen zij een percentage van de overnamesom.</em></p>
<p><em>Van oudsher zijn zorgaanbieders in Nederland instellingen zonder winstoogmerk (vaak stichtingen) of zelfstandige zorgverleners (huisartsen, fysiotherapeuten, tandartsen). Die laatsten maken weliswaar winst, maar dat is in feite loon. Dat verandert radicaal met de komst van private equity-partijen en beursgenoteerde bedrijven; zij hebben winst als expliciet doel.</em></p>
<p><em>Private equity-bedrijven kopen met vermogen van kapitaalbezitters – particulieren, verzekeraars, pensioenfondsen – en met leningen. Beursgenoteerde bedrijven financieren overnames vaak via aandelen. Private equity-bedrijven staan ook wel bekend als ‘sprinkhaankapitalisten’, omdat ze snel geld willen verdienen en hun prooi vervolgens weer van de hand doen. Het verschil met beursgenoteerde bedrijven is echter minder groot dan vaak wordt gedacht. Ook die doen aan kopen-en-weer-verkopen, en beide streven ze naar snelle groei en hoge rendementen.</em></p>
<p><em>Hoe deze investeerders geld verdienen aan de Nederlandse gezondheidszorg, verschilt per sector. Mirjam de Rijk legt elf verdienmodellen bloot, waarbij regelmatig langs de randen van de wet gezeild wordt. Ook wordt duidelijk dat er weinig over is van het adagium dat er op de zorg geen winst gemaakt mag worden.</em></p>
<p><em><u>1: De krenten uit de pap</u></em></p>
<p><em>De geestelijke gezondheidszorg is misschien niet de eerste sector waaraan je zou denken als het gaat om winstgevendheid. Hoe valt er nou te verdienen aan de ggz? Toch is juist hier private equity aan een opmars bezig. Eén van Nederlands grootste ggz-ketens, Mentaal Beter, werd twee jaar geleden opgekocht door Apax. Dit private equity-bedrijf heeft een totaal aan wereldwijd geïnvesteerd kapitaal van vier miljard euro en is in Nederland ook eigenaar van Opdidakt, AlleskITs, Vitalmindz, De Gezonde Zaak en de hsk-groep. Deels gaat het hier om ggz en jeugdzorg, deels om arbodiensten.</em></p>
<p><em>Apax betaalde voor Mentaal Beter 190 miljoen euro. De formule waarmee ze deze investering terugverdienen is simpel. De investeerders richten zich op de ‘lichte’ ggz-zorg, en bieden die vaak digitaal aan. Daardoor zijn niet alleen weinig gebouwen nodig, het levert relatief ook hoge vergoedingen op voor relatief goedkope behandelingen die worden bekostigd door zorgverzekeraars en gemeenten. De ggz-aanbieder Mindler van een Zweedse investeringsmaatschappij werkt zelfs alleen maar met digitale psychologen. Het bedrijf betrad in 2019 de Nederlandse markt en deed zeker in coronatijd goede zaken.</em></p>
<p><em>Zo blijft de zwaardere en duurdere ggz-zorg over voor de oorspronkelijke ggz-organisaties, vaak stichtingen zonder winstoogmerk. Dit zogeheten ‘cherry picking’ is een belangrijke veroorzaker van de wachtlijsten in de ggz, constateerde de Rekenkamer in 2020. Investeerders vissen de lucratieve krenten uit de pap en de mensen die de meeste zorg nodig hebben, belanden op eindeloze wachtlijsten.</em></p>
<p><em>Tot voor kort konden exploitanten van ggz-zorg ook veel verdienen met wat in jargon ‘dbc-upcoding’ heet: het aantal behandelingen zó uitkienen dat je in een fors hogere vergoedingsklasse komt, en vervolgens de behandeling stoppen. Daar heeft het ministerie inmiddels een stokje voor gestoken: sinds begin 2022 is er een ander vergoedingensysteem waarin ‘upcoding’ veel minder loont.</em></p>
<p><em><u>2: Hoge huren</u></em></p>
<p><em>Zo’n tien jaar geleden besloot het kabinet-Rutte II om de bejaarden- en verzorgingshuizen zoetjesaan te gaan sluiten, en verpleeghuizen alleen nog te reserveren voor zeer hulpbehoevende ouderen. ‘U vindt dat toch veel fijner, en trouwens: voor ons is het veel goedkoper’, was de kenmerkende boodschap. Ouderen zouden voortaan zo lang mogelijk thuis blijven wonen, met zorg aan huis.</em></p>
<p><em>Daarmee lag het veld open voor commerciële exploitanten. Want lang niet iedereen kan of wil thuis blijven wonen (traplopen, eenzaamheid), en voor zorgverleners is het ook best onhandig om al die aparte woningen af te reizen. Dus verrezen er al gauw overal particuliere ‘woonlandschappen’, ‘zorgsuites’ en andere woon-zorgcomplexen – soms in het gebouw dat voorheen het verzorgingstehuis was. Dat was ook precies de bedoeling van het kabinet: de markt de ruimte geven. Minister Blok van Wonen reisde niet voor niets internationale vastgoedbeurzen af om grote beleggers naar Nederland te lokken.</em></p>
<p><em>Het verdienmodel van de commerciële woon-zorgcomplexen is eenvoudig: hoge huren en servicekosten vragen voor de woningen, en de zorg overlaten aan de plaatselijke huisarts, thuiszorg en andere zorgverleners. Tenzij er ook aan de zorgvergoeding goed te verdienen is (zie verdienmodel 3).</em></p>
<p><em>Niet alleen private equity en grote beleggers sprongen trouwens in het gat, maar ook goedbedoelende kleine zorgondernemers. Gemeenten gaven hun graag korting op het vastgoed, want wie is er niet dol op maatschappelijke ondernemers? Inmiddels zijn veel van die initiatieven opgekocht door grote investeringsmaatschappijen, vooral vanwege het waardevolle vastgoed.</em></p>
<p><em>Winst maken op zorg-met-verblijf (intramuraal) is in Nederland verboden, maar in de woon-zorgcomplexen wonen de mensen officieel ‘thuis’. Dan geldt het winstverbod niet en dus bepaalt de verhuurder de prijs. Een appartement in een particulier woon-zorgcomplex kost per maand al gauw 2000 euro aan huur en servicekosten, oplopend tot 6000 euro of meer. Wie dat niet kan betalen, moet alsnog thuis blijven wonen, hoe ‘zorgongeschikt’ dat huis ook is.</em></p>
<p><em>Gré Wiskerke is directeur-bestuurder van Leyhoeve Zorg BV, met woon-zorgcomplexen in Tilburg en Groningen. Dat alleen de beter bedeelden in de Leyhoeve kunnen wonen, vindt ze ‘wel een punt’. ‘Maar de tweedeling in de maatschappij is er nu eenmaal.’ Leyhoeve Zorg levert de zorg aan de huurders van de appartementen van Leyhoeve Vastgoed BV. Beide bv’s zijn eigendom van de Amerikaanse investeringsmaatschappij Heitman. De opening in 2016, toen de Leyhoeve nog niet was opgekocht door Heitman, werd opgeluisterd door een zeer enthousiaste staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA), die verzekerde dat ‘iedereen’ hier terechtkon.</em></p>
<p><em>Heitman is in Nederland een relatief kleine speler; veel groter zijn Orpea en Korian, twee Franse beursgenoteerde ondernemingen met beide een omzet van zo’n vier miljard euro. Orpea, Europees marktleider in de commerciële ouderenzorg, heeft in Nederland inmiddels zo’n 120 complexen; de meesten zijn bekend onder de naam Dagelijks leven. Korian heeft er zo’n vijftig.</em></p>
<p><em>Voor investeerders is de Nederlandse ouderenzorg een groeimarkt. Er valt hier namelijk nog een wereld te winnen. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld privatiseerde premier Thatcher de ouderenzorg al in de jaren tachtig. Daar is bijna tachtig procent van de ouderenzorg commercieel. In Nederland is dat nog maar vijftien procent.</em></p>
<p><em>Ook de zorgverzekeraars beleggen trouwens in commerciële woon-zorgcentra. Zij hebben miljarden euro’s aan reserves en dat geld moet worden belegd. De vastgoedpoot van Syntrus Achmea kocht vorig jaar 32 woon-zorgcomplexen van Orpea. Begin vorig jaar verscheen in Frankrijk het boek Les fossoyeurs, ‘De doodgravers’, over hoe ouderen in huizen van Orpea worden verwaarloosd. Vanaf dat moment ging het hard. Want Orpea bleek niet alleen ouderen te verwaarlozen, het heeft zich ook onder valse voorwendselen overladen met schuld – 9,5 miljard euro – om alle nieuwe aankopen te betalen. Waaronder de 120 woon-zorgcomplexen in Nederland. Het aandeel, ooit 150 euro waard, kelderde naar bijna nul.</em></p>
<p><em>Jan Willem Goudriaan van de Europese vakbond voor Zorg en Welzijn die Orpea nauwlettend volgt, is verbaasd dat het schandaal in Nederland zo weinig aandacht kreeg. Het zal ermee te maken hebben dat de woon-zorgcomplexen van Orpea hier nauwelijks bekend zijn onder die naam. De onderneming gebruikt hier voor haar huizen de namen Dagelijks Leven en September. Orpea is ook eigenaar van thuiszorgorganisatie Allerzorg.</em></p>
<p><em>In België gaan tien Orpea-complexen dicht, maar de Nederlandse tak van Orpea komt voorlopig met de schrik vrij. Want net als banken die in financiële nood zijn, is het bedrijf too big to fail: de Franse overheid kan het niet laten gebeuren dat 85.000 ouderen op straat komen te staan. CDC, het investeringsbedrijf van de Franse staat, neemt samen met enkele andere investeerders Orpea over. Het nieuwe consortium gaat flink snoeien, maar Nederland wordt als groeiparel gezien: prachtig vastgoed en mooie zorgvergoedingen als je de klanten zorgvuldig selecteert. Orpea heeft inmiddels toestemming van de Autoriteit Consument en Markt om ook de woon-zorgorganisaties Thuismakers en Compartijn over te nemen.</em></p>
<p><em><u>3: Licht dementen</u></em></p>
<p><em>Als je het goed uitkient, valt ook aan de ouderenzorg zelf goed te verdienen. De krenten in de pap zijn hier de licht dementen. Een zorgorganisatie krijgt ruim 7500 euro per maand van de overheid voor iemand met dementie, als diegene thuis woont. Dus ook in het woon-zorgcomplex, want dat is officieel ‘thuis’. ‘Als je alleen de licht dementen toelaat en die mensen wonen ook nog eens efficiënt bij elkaar in hetzelfde gebouw, kun je daar heel goed aan verdienen’, zegt een ingewijde. De exploitant van het woon-zorgcomplex int in dit geval de zorgvergoeding (van de overheid) én de huur-plus-servicekosten (van de bewoner). Ook hier geldt het winstverbod niet, het gaat immers om officieel zelfstandig wonenden. Het traditionele verpleeghuis houdt op deze manier alleen de zwaarste en minst ‘rendabele’ hulpbehoevenden over.</em></p>
<p><em>De commerciële zorgbedrijven trekken ook personeel weg bij de niet-commerciële zorginstellingen, constateert Bert de Haas, FNV-bestuurder Zorg. ‘Op zich zou je als bond blij moeten zijn wanneer mensen beter betaald krijgen en minder zwaar werk hoeven doen, maar het effect is vooral dat het werk in de niet-commerciële zorginstellingen alleen maar zwaarder wordt en de budgetten daar nog meer knellen.’</em></p>
<p><em>Opmerkelijk is dat Argonaut, het bedrijf dat beslist (officieel: adviseert) over het wel of niet afgeven van een indicatie voor de Wet langdurige zorg – en daarmee over de vraag of er recht is op een hogere zorgvergoeding – via een kerstboompje aan bv’s eigendom is van private equity-maatschappij Bain Capital (totaal beheerd vermogen: 160 miljard dollar).</em></p>
<p><em>De opmars van grote, rendement zoekende investeerders in de ouderenzorg is een internationale trend. Caring for profit heet het rapport dat het European Network of Corporate Observatories (ENCO) maakte over de vercommercialisering van de gezondheidszorg in Europa. ‘Commodificatie’ noemt ENCO het: het tot handelswaar maken van de zorg. Investigate Europe, een samenwerkingsverband van onderzoeksjournalisten, inventariseerde in 2021 hoe commerciële partijen in Europa de ouderenzorg overnemen. Vooral in Spanje en Engeland gaat het hard; in beide landen is zo’n tachtig procent commercieel.</em></p>
<p><em>Maar er is ook een tegenbeweging. In Schotland werkte de regering van premier Sturgeon aan de oprichting van een National Care Service, zodat wonen en zorg voor ouderen in publieke handen komt. In Noorwegen werkt een regeringscommissie aan voorstellen voor het decommercialiseren van de ouderenzorg.</em></p>
<p><em>Zo ver is het in Nederland nog niet. Het kabinetsprogramma Wonen en Zorg voor Ouderen dat in 2023 het licht zag, problematiseert op geen enkele manier de hoge huren in de commerciële woon-zorgcomplexen en de rol van private equity en beleggers. De 290.000 ouderenwoningen die er volgens het kabinet vóór 2030 bij moeten komen, zullen vooral door de markt worden gerealiseerd en geëxploiteerd. En of de wetgeving rond maximale huurprijzen van minister De Jonge soelaas biedt voor ouderen is nog maar de vraag, want voor ‘zorgwoningen’ mogen verhuurders veel meer rekenen.</em></p>
<p><em><u>4: Onderbetaling personeel</u></em></p>
<p><em>Ook gezelschap en ondersteuning voor ouderen die daadwerkelijk nog thuis wonen, blijkt een goed verdienmodel voor grote investeerders. Neem het wereldwijd opererende HomeInstead, dat in Nederland 43 vestigingen heeft en thuiswonende ouderen en andere zorgbehoevenden voorziet van ‘caregivers’: voor een praatje, kleine huishoudelijke werkzaamheden, even samen naar buiten. HomeInstead is een van de vele commerciële bedrijven die in dit zorggat zijn gesprongen. Het verdienmodel bestaat vooral uit het onderbetalen van medewerkers. De organisatie krijgt voor een uur zorg een vergoeding van vijftig euro of meer (van de overheid, de zorgverzekeraar of rechtstreeks van de cliënt als deze geen indicatie heeft). De caregivers krijgen daarvan echter slechts 13,34 euro bruto per uur. De winst is voor HomeInstead en voor de franchisenemer (HomeInstead werkt met franchises). Het bedrijf, een van oorsprong Amerikaanse Holding, is officieel gevestigd in Zwitserland en heeft wereldwijd 65.000 caregivers, van China tot Australië.</em></p>
<p><em><u>5: Belastingontwijking en -ontduiking</u></em></p>
<p><em>Opvallend is hoeveel commerciële zorgexploitanten, vaak via een ingenieus netwerk van verschillende identiteiten, gevestigd zijn in landen die bekendstaan als facilitator van belastingontwijking en -ontduiking. Heitman, het Amerikaanse investeringsbedrijf dat de Leyhoeve exploiteert, is bijvoorbeeld gevestigd in Luxemburg. Net als de ietwat obscuur klinkende Central &amp; Eastern Europe Care Services Holding, voor honderd procent dochter van Orpea, die de woon-zorgcomplexen in Nederland exploiteert. Orpea heeft veertig verschillende entiteiten in Luxemburg geregistreerd, en 37 daarvan zijn nooit vermeld in jaarverslagen of andere publicaties. Dat ontdekte Cictar, een Australische onderzoeksgroep gespecialiseerd in belastinggedrag en corruptie van grote bedrijven. ‘Als ergens tien bv’s of meer omheen hangen, weet je als accountant eigenlijk al dat er iets mis is’, waarschuwt Dick de Waard, voormalig accountant en inmiddels hoogleraar accountancy in Groningen.</em></p>
<p><em><u>6: Ik ben slechts onderaannemer</u></em></p>
<p><em>Bergman Clinics, DC-klinieken, Equipe: ‘zelfstandige behandelcentra’ (zbc’s) zijn misschien wel de bekendste vorm van commerciële zorgverleners. Deze zbc’s doen net als de commerciële ggz-instellingen alleen de relatief makkelijke behandelingen, het stukgoed: heupoperaties, staaroperaties, scans. Behandelingen waarvoor geen dure afdelingen als een intensive care nodig zijn en waarvoor de zorgverzekeraars wel een hoge vergoeding betalen. Officieel mogen organisaties die medisch-specialistische zorg leveren geen winst maken, maar daar hebben de zbc’s een eenvoudige oplossing voor: hun specialisten zijn ‘onderaannemers’, en voor onderaannemers geldt het winstverbod niet.</em></p>
<p><em>De Zweedse investeringsmaatschappij Triton betaalde twee jaar geleden honderden miljoenen voor een meerderheidsbelang in Bergman Clinics. De totale waarde van Bergman Clinics werd op dat moment geschat op minstens 750 miljoen euro.</em></p>
<p><em><u>7: Eén huisarts op 10.000 patiënten</u></em></p>
<p><em>Investeerders azen ook op huisartspraktijken. Onder de naam Co-med, Co-dokters en tot voor kort Quin kochten ze huisartspraktijken op. De verdienformule: zo veel mogelijk patiëntenvragen digitaal afhandelen, waardoor je uiteindelijk nog maar één huisarts nodig hebt op tienduizend patiënten, terwijl het normaliter ongeveer één op tweeduizend is. En aangezien je van de zorgverzekeraars een vast bedrag per patiënt krijgt, schiet dat lekker op. ‘Kralen rijgen’ wordt het stuk-voor-stuk opkopen van praktijken genoemd.</em></p>
<p><em>De landelijke huisartsenvereniging (LHV) heeft de ontwikkeling een tijdlang enigszins gelaten over zich heen laten komen, gevoelig voor het argument van investeerders dat het allemaal bedoeld was om het huisartsentekort te helpen oplossen. Inmiddels is de LHV kritischer. ‘We horen steeds vaker dat gewone huisartsen overboden worden door een private equity-maatschappij, dat het helemaal niet om praktijken gaat waarvoor geen huisarts te vinden is’, zegt bestuurslid Hilly ter Veer. Bovendien, het typische van huisartszorg is dat ze kleinschalig en dichtbij is en dat is nou net wat de opkopers onderuithalen. De Inspectie en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben een onderzoek ingesteld naar de kwaliteit, toegankelijkheid en bereikbaarheid van de commerciële huisartsketens.</em></p>
<p><em>Een van de bekendste kralenrijgers, Quin, heeft de praktijken weer verkocht na een storm van negatieve publiciteit over onbereikbaarheid, gebrek aan artsen en slechte zorg. En dat terwijl de vorige minister van sociale zaken, Karien van Gennip, in 2021 (ze was toen directeur van zorgverzekeraar VGZ) nog zo enthousiast was over deze disruptor. Quin. Samen met Quin-oprichter Bart Malenstein trad ze op in een podcast van Business Insider. Malenstein richt zich inmiddels met Quin louter op digitale zorg: het afhandelen van klachten via een app.</em></p>
<p><em>Co-med is inmiddels failliet.  Zorgverzekeraars hadden hun overeenkomsten met Co-Med opgezegd, waardoor er geen geld meer binnenkwam bij de keten. In 2020 startte Co-Med met het opkopen van huisartsenpraktijken. Ruim een jaar erna ontvangt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) veel klachten over de bereikbaarheid en veiligheid van patiënten. Zo draaien de praktijken op waarnemend huisartsen, waardoor patiënten steeds een andere huisarts zien. Ook zijn er overdag geen of weinig huisartsen beschikbaar of wordt de spoedlijn niet opgenomen. De IGJ eist daarop maandelijkse inzage in de bezetting in Co-Med-praktijken. Co-Med spant tegen de eis van de IGJ een kortgeding aan en wint. Daarna wordt het voor Co-Med moeilijker om nieuwe artsen aan te trekken en neemt het personeelstekort verder toe. In het voorjaar van 2024 is er geen duidelijke informatievoorziening meer vanuit Co-Med. Zorg is niet of nauwelijks beschikbaar. In juni 2024 zeggen de zorgverzekeraars de overeenkomst met Co-Med op en in juli 2024 wordt Co-Med failliet verklaard.</em></p>
<p><em>Ruim 50.000 mensen waren patiënt bij een Co-Med-huisartsenpraktijk. </em><em>Nu huisartsenketen Co-Med failliet is, moeten er &#8220;heel harde lessen getrokken worden&#8221;, vindt de Patiëntenfederatie. Volgens de organisatie &#8220;mag het in een welvarend land als Nederland gewoon niet meer gebeuren dat tienduizenden patiënten geen goede toegang hebben tot noodzakelijke, goede huisartsenzorg.&#8221; Volgens de Patiëntenfederatie moet de overheid beter toezicht houden &#8220;op de stabiliteit en toekomstbestendigheid van dit soort aanbieders.&#8221;</em></p>
<p><em>Pas dit voorjaar (2025) lijken de meeste patiënten weer een nieuwe huisarts te hebben, maar voor een deel wordt de huisartsenzorg alleen nog digitaal geleverd. Dat leverde soms grote problemen op, zegt Joey van Aken, wethouder van de gemeente Bergen op Zoom. &#8220;Mensen werden met hun hulpvraag verstoten. Zo liep iemand te lang door met een blaasontsteking, &#8216;moest iemand lang wachten op de uitslag van een mammografie en lukte het iemand met een euthanasiewens niet om die in overleg met een huisarts te bespreken en daar afspraken over te maken.&#8221; De overdracht van de Co Med patiënten heeft de zorgverzekeraars zo’n 1 miljoen euro gekost. </em></p>
<p><em><u>8: Koppelverkoop</u></em></p>
<p><em>Stel dat je de producent bent van orthopedische hulpmiddelen als braces en aangepaste schoenen. Het Duitse Ottobock bijvoorbeeld, met een jaaromzet van meer dan een miljard euro. Wat is er dan mooier dan dat je ook de adviseurs opkoopt die patiënten advies geven over de aanschaf van die hulpmiddelen? Ottobock, deels eigendom van een Zweedse investeringsmaatschappij, kocht vorig jaar het Nederlandse Livit, dat via honderden spreekuurlocaties patiënten adviseert over de aanschaf van hulpmiddelen. Hetzelfde gebeurde met Proreva, een andere Nederlandse organisatie voor advies op het gebied van hulpmiddelen: Proreva werd vorig jaar opgekocht door het beursgenoteerde IJslandse bedrijf Össur, dat medische hulpmiddelen produceert (omzet 666 miljoen per jaar).</em></p>
<p><em>Mark van Houdenhoven, directeur van de Maartenskliniek in Nijmegen, verbaast zich erover dat dit soort ‘verticale integratie’ tot nu toe nauwelijks discussie oproept. Niet bij de politiek, niet bij de zorgverzekeraars, niet bij patiënten. Terwijl de onafhankelijkheid van de adviseurs in gevaar komt én de zorgkosten toenemen als mensen onnodig dure hulpmiddelen aangesmeerd krijgen.</em></p>
<p><em>Over onafhankelijkheid gesproken. Begin 2022 namen zes medisch microbiologen ontslag toen hun lab (PAMM, pathologie en medische microbiologie), dat diagnostiek doet voor Brabantse ziekenhuizen, overgenomen werd door een Luxemburgse multinational Eurofins. De microbiologen vreesden voor hun medische onafhankelijkheid en zegden hun baan op.</em></p>
<p><em><u>9: Personeelsgebrek</u></em></p>
<p><em>De krapte aan personeel in de zorg is een goudmijn voor bemiddelingsbureaus, uitzendbureaus en detacheerders. Zij leveren zorgverleners aan zorgorganisaties. Dergelijke bureaus vragen honderd procent of meer bovenop de beloning van degene die via hen wordt uitgeleend. Een zorgverlener, officieel zzp’er, die via de bemiddelaar bijvoorbeeld 90 euro per uur kost, krijgt daarvan hooguit de helft, de rest gaat naar het bemiddelingsbureau. Op het eerste gezicht lijkt dit op het verdienmodel van HomeInstead, maar anders dan bij de caregivers krijgen de zorgverleners in dit geval normaal betaald. Het is de inhurende zorginstelling die op de blaren zit en veel meer geld kwijt is dan voor vast personeel. Jaarlijks wordt zo’n drie miljard euro aan zorggeld verdeeld via bemiddelings-, detacherings- en uitzendbureaus. En inderdaad, veel daarvan zijn in handen van grote investeerders.</em></p>
<p><em><u>10: ‘Buy, build, sell’</u></em></p>
<p><em>Wie in de tandartsstoel plaatsneemt, zal het zich meestal niet realiseren, maar gerede kans dat de praktijk afgelopen jaren in handen is gekomen van een private equity-firma. Vaak behouden de praktijken hun oorspronkelijke naam, maar ergens op de site is meestal wel te vinden dat ze onderdeel zijn van ketens als TopMondzorg, Dental Clinics, Ivory Ivory of Adent (allemaal eigendom van het Noorse Nordic Capital), van Colosseum Dental (van een Zwitsers private equity-bedrijf) of een van de anderen. ‘Buy, build, sell’ heet het verdienmodel in de mondzorg.</em></p>
<p><em>Het opkopen en weer doorverkopen bestaat grofweg uit twee fases: eerst worden individuele tandartspraktijken opgekocht, soms door een ondernemende tandarts, zodat er een kleine keten ontstaat. De kleine keten wordt vervolgens weer doorverkocht aan een grote keten van een private equityfonds. Hoe groter de keten, hoe meer een ‘tandartsstoel’ bij doorverkoop oplevert (waarbij het vanzelfsprekend niet letterlijk om de stoel gaat).</em></p>
<p><em>Om een idee te geven: een tandartsstoel van een ‘éénpitter’ levert bij verkoop pakweg anderhalf keer de bruto jaarwinst op (de winst vóór aftrek van financieringskosten, belasting en afschrijvingen). Maar maakt de stoel deel uit van een grote keten, dan krijg je voor dezelfde stoel bij doorverkoop acht keer de bruto jaarwinst. Hoe groter de keten, hoe makkelijker het is om voor zo’n overname geld te lenen, vertelt Matthijs Thiel de Vries van Deloitte. Banken hebben nu eenmaal veel vertrouwen in grotere bedrijven. ‘Ik zit al aan m’n derde eigenaar’, lacht implantoloog Jeroen Pepplinkhuizen, die zijn praktijk tien jaar geleden verkocht en er daarna is blijven werken. De praktijk is inmiddels van Colosseum Dental Group, ‘de grootste dentale serviceorganisatie van de wereld’ (aldus de site) met achthonderd tandartspraktijken in twaalf landen, waaronder veel in de VS.</em></p>
<p><em>‘Het is een puur piramidespel’, vindt tandarts Vincent Guicherit uit Gorinchem. De hoge overnamesommen zijn nooit terug te verdienen met behandelingen, maar alleen door weer door te verkopen. ‘En dat houdt een keer op. Het is een soort minen, op het juiste moment in- en uitstappen.’ In de tussentijd voeren de ketens de omzet per patiënt op, en daarmee de zorgkosten. Kleine tandartspraktijken zetten jaarlijks zo’n 250 euro om per patiënt, grote ketens 350 euro per patiënt, blijkt uit cijfers van het CBS. De patiënt, mits aanvullend verzekerd, merkt het niet direct maar de premie stijgt wel. In de mondzorg in Nederland wordt jaarlijks zo’n drie miljard euro omgezet en dat bedrag neemt snel toe.</em></p>
<p><em>De ketens hebben inmiddels een stevige vinger in de pap bij de KNMT, de beroepsvereniging van tandartsen – de voorzitter is een tandarts die zijn praktijk aan een keten verkocht. Als tegenwicht hebben tandartsen inmiddels een brancheorganisatie van ‘onafhankelijke en ketenvrije’ tandartsen opgericht. Ondanks de lobbyinspanningen van de KNMT wordt de Tweede Kamer kritischer over de rol van de grote commerciële ketens. Want de tandarts zou net als de huisarts de ‘poortwachter’ moeten zijn om te zorgen dat alleen wordt doorverwezen als het echt noodzakelijk is, maar dat is een lege huls als de tandarts en de specialistische zorg in dezelfde handen zijn.</em></p>
<p><em><u>11: ICT</u></em></p>
<p><em>Je hoeft niet per se zelf de zorgorganisatie te bezitten om er toch veel aan te verdienen. Een toenemend deel van de zorgkosten wordt besteed aan informatietechnologie en administratieve systemen.</em></p>
<p><em>Neem Zorgdomein, het verwijssysteem waarmee tachtigduizend zorgverleners werken. Zorgdomein kwam vier jaar geleden in handen van een Amerikaanse vermogensbeheerder, die de aandelen vorig jaar weer doorverkocht aan de Rabobank. Voor iedere verwijzing betaalt degene naar wie wordt verwezen een bedrag aan de Rabobank. Ziekenhuizen zijn er veel geld aan kwijt. ‘Het is een soort virtuele tolweg, in private handen’, vindt Mark van Houdenhoven, naast CEO van de Maartenskliniek ook hoogleraar economische bedrijfsvoering van de gezondheidszorg in Nijmegen. Het beheren van dit soort essentiële digitale infrastructuur zou een basistaak van de overheid moeten zijn, vindt hij. ‘Het is immers een soort nutsvoorziening.’</em></p>
<p><em>Het palet aan verdienmodellen levert al met al een even groot palet aan problemen voor de samenleving op. De opmars van commerciële partijen stuwt met extra behandelingen en hoge vergoedingen de kosten van de zorg omhoog. Miljarden aan zorggeld, publiek geld, vloeien naar private equity-bedrijven en beleggers, de winst moet ergens van betaald worden. De niet op winst gerichte instellingen komen in de problemen doordat zij alleen de ingewikkelder behandelingen en de zwaardere patiënten en cliënten overhouden. De commerciëlen trekken personeel weg bij de andere instellingen. Bovendien geldt de ijzeren wetmatigheid dat naarmate er een groter deel van de koek (het totale budget dat er in Nederland is voor de zorg) naar kapitaalverschaffers gaat, er een kleiner stuk van de koek overblijft voor het personeel. De commerciële ouderenzorg en commerciële ouderenhuisvesting versterkt de segregatie tussen rijke en arme ouderen. De zorg wordt met de intrede van grote financiële spelers ook steeds afhankelijker van ontwikkelingen in ‘de financiële markten’: de rente, de aandelenkoersen, of aantrekkelijke rendementen die elders gloren. Durfkapitalisten kunnen hun bezit zomaar weer van de hand doen als de opbrengsten door bijvoorbeeld veranderde regelgeving tegenvallen, of als er elders meer te verdienen valt.</em></p>
<p><em>En dan is er nog de sluipende, subtiele, maar o zo funeste invloed die commercialisering heeft op de mensen die in de zorg werken. ‘Ik heb het bij mezelf gezien’, vertelt iemand die is overgestapt van de reguliere naar de commerciële zorg. ‘Ik was altijd gericht op de beste zorg, maar toen er een aanbod kwam van een commerciële partij waar ik twee of drie keer zoveel kon verdienen, heb ik het toch gedaan. En dan is je belangrijkste doel plots niet meer de beste zorg verlenen, maar zo snel mogelijk groei realiseren. Bij zo’n commercieel bedrijf wordt je brein echt anders.’</em></p>
<p><em>Winst maken is in een groot deel van de Nederlandse zorg verboden. Of eigenlijk winst uitkeren; er mag wel rendement gemaakt worden, maar het geld moet in de organisatie blijven. Zorgverleners die van oudsher zelfstandig ondernemer zijn, zoals huisartsen, zijn hiervan uitgezonderd. Het winstverbod geldt in ieder geval voor instellingen die ‘zorg-met-verblijf’ verlenen en instellingen voor medisch-specialistische zorg. Althans, zo staat het in de wet. Maar voor beide categorieën is winst maken tóch wettelijk mogelijk: bij de medisch specialisten doordat onderaannemerschap niet onder de wet valt en bij de intramurale ouderenzorg doordat mensen officieel ‘thuis’ wonen.</em></p>
<p><em>Zorginstellingen vallen ook onder de Wet normering topinkomens (WNT), maar die wordt massaal omzeild. Dat is kinderlijk eenvoudig, vertelt een ingewijde. ‘Binnen de zorg-bv laat<br />je je keurig uitbetalen volgens de WNT, maar daarbovenop krijg je inkomsten uit de vastgoed- bv en allerlei andere bv’s die eromheen hangen. Dan verdien je in de praktijk zo twee of drie keer zoveel.’</em></p>
<p><em>In 2014 wilde zorgminister Edith Schippers het winstverbod helemaal afschaffen, maar onder maatschappelijke druk werd dat wetsvoorstel vijf jaar later ingetrokken. Inmiddels is de Wet integere bedrijfsvoering zorg (Wibz) in de maak en die maakt het mogelijk om in te grijpen als winst leidt tot ‘risico’s voor kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid’. Maar of de wet er doorkomt is de vraag. Tijdens de internetconsultatie over het concept, eind vorig jaar, klommen de tegenstanders massaal in de pen: de Zelfstandige Klinieken Nederland, de bestuurders in de zorg, de toezichthouders. Hierbij ondersteund door een hele rits advocatenkantoren. De brancheorganisatie van toezichthouders in de zorg pleit er zelfs voor om het hele winstverbod af te schaffen. Verzet op hoge poten, terwijl de nieuwe wet eigenlijk boterzacht is. Want bewijs maar eens dat de winst ten koste gaat van kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid. Verder laat de conceptwet twee van de grootste verdienmodellen ongemoeid; ze geldt niet voor de exploitatie van het vastgoed door gelieerde bv’s en ook de handel in zorgorganisaties, het opkopen en met veel winst doorverkopen, valt niet onder de wet. In januari 2025 werd het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. </em></p>
<p><em>Een nieuwe wet heeft bovendien weinig effect als het toezicht hapert. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is sinds 2022 verantwoordelijk voor het toezicht op het winstverbod. Maar de NZa kijkt naar de zorginstellingen zelf, niet naar alle bv’s die eromheen hangen, waar de meeste winst mee wordt gemaakt. Het trackrecord van de NZa duidt bovendien niet bepaald op een kritische blik. De Autoriteit deed in 2020 een ‘eerste verkenning’ naar de rol van private equity in de zorg en was daar zeer positief over. Private equity, zo stelt de NZa, draagt bij aan innovatie en aan de behoefte aan exclusieve woonzorg. De NZa liet het onderzoek trouwens uitvoeren door Deloitte, de marktleider in het begeleiden van private equity- transacties in de zorg.</em></p>
<p><em>We moeten winstnemingen, die niet geherinvesteerd worden in de zorg verbieden. We halen de commerciële zorgverzekeraars én de commerciële zorgondernemers uit het stelsel. Zorg gaat net als onderwijs gefinancierd worden met langdurige subsidierelaties met publieke zorginstellingen, instellingen zonder winstmotief, waar iedereen in loondienst is, liefst in de vorm van zorgcoöperaties, waarbij het personeel de coöperatie vormt (zie voor vergelijkbaar voorstel ook bij onze voorstellen voor de toekomst van ons onderwijs). Regionale publieke zorgkantoren verdelen het geld op basis van een nationale en daarbinnen regionale zorgvisies, die politiek worden vastgesteld. </em></p>
<p><strong><em>Alles wat niet om mag vallen, moet je in publieke of semi-publieke handen houden of nemen. Denk bijvoorbeeld ook aan onderlinge communicatiesystemen voor scholen of ziekenhuizen. De hoofdlijn zou moeten zijn: als iets publiek gefinancierd wordt, dan mag je er geen winst aan onttrekken. </em></strong><em> We moeten het veel meer met elkaar hebben over wat we willen van publieke organisaties. Publieke instellingen hebben lang te horen gekregen dat ze zich als bedrijven moesten gaan gedragen. Dan krijg je een andere mentaliteit en een andere manier van aansturing. Bovendien is er weinig nagedacht over welke eisen we stellen aan publiek geld. En het luistert nauw, want als publieke organisaties zich misdragen, wordt dat meteen gebruikt om de hele sector de nek om te draaien. Laat de markt het maar doen, wordt er dan gezegd. Terwijl de markt juist het probleem is, niet de oplossing. Wat we wel nodig hebben is een nieuwe moraal voor publieke instellingen, dienstbaar aan de burger, en verantwoordelijk voor rechtvaardigheid boven rechtmatigheid bij de uitvoering, en op een verantwoorde wijze omgaan met publiek geld. </em></p>
<p><em><u>Tekorten in de zorg – de welzijnszorg voor ouderen en mensen met een beperking</u></em></p>
<p><em>Toekomstscenario’s waarschuwen voor honderdduizenden tekorten aan werkers in de zorg en voor onbetaalbare stijging van zorgkosten, vooral door vergrijzing. We moeten de inefficiënties en perfide prikkels verwijderen uit ons zorgstelsel en alle mogelijkheden aangrijpen om meer mensen meer te laten werken in de zorg, onder meer met betere beloning en arbeidsvoorwaarden, meer professionele autonomie en minder bureaucratie. Daar hoort ook extra budget bij – dat is helemaal niet onbetaalbaar, mits je het eerlijk financiert en effectief en efficiënt besteed.</em></p>
<p><em>We moeten daarbij fors extra investeren in de care, in welzijnszorg, waar nu schrijnende tekorten zijn die juist lage inkomens treffen. Op de care, de zorg voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen die niet gericht is op behandeling en genezing maar op verzorging, de afgelopen decennia veel meer is bezuinigd dan op de cure: de ziekenhuizen, specialisten en medicijnen: minder huishoudelijke hulp; minder begeleiding en dagbesteding voor mensen met een beperking, dementerenden en anderen; minder ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking in een tehuis; minder wijkverpleging. Terwijl de maatschappij schreeuwt om meer sociale zorg. Linkse politiek herstelt bij uitstek het welzijnswerk en daaraan gerelateerde zorg weer in ere. </em></p>
<p><em>Alleen wie 24 uur per dag zorg nodig heeft, heeft tegenwoordig nog recht op een plaats in een tehuis of andere verblijfsinstelling. Wie al in een tehuis zat, mag daar blijven. Maar de komende jaren sterft deze populatie langzaam uit en worden nog veel meer tehuizen gesloten. Het bezuinigde bedrag loopt daardoor nog op, en Rutte IV wil er zelfs nog een schep bovenop doen, ondanks het feit dat het aantal mensen boven de tachtig en daarmee het aantal hulpbehoevenden sterk toeneemt. Op zichzelf is het een mooi perspectief: gehandicapten, chronisch zieken, bejaarden of geestelijk zieken die zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen, ondersteund door professionele zorg waar nodig. En even mooi is het idee om alles wat niet per se in dure ziekenhuizen of door dure specialisten gedaan hoeft te worden over te laten aan huisartsen, maatschappelijk werk en andere nabije en goedkopere mensen. Het probleem is alleen dat er op alle zorg die thuis blijven wonen mogelijk maakt ook bezuinigd wordt: van de huishoudelijke hulp tot de hulpmiddelen en van de dagopvang tot het maatschappelijk werk. Bovendien bleek in de afgelopen jaren dat beleidsmakers een iets te rooskleurig beeld hebben van zorgbehoevenden, alsof bijna iedereen zich met een steuntje in de rug prima kan redden. </em></p>
<p><em><u>Contraproductieve decentralisaties in de zorg met vals frame van zelfredzaamheid</u></em></p>
<p><em>De decentralisaties in de zorg gingen gepaard met een neoliberaal verhaal over een participatiesamenleving, als alternatief voor de verzorgingsstaat. Rechten en vangnetten verdwenen, en tegelijkertijd zijn er meer plichten. Daarbij wordt een groter beroep op de zelfredzaamheid van burgers gedaan. Cruciaal daarbij is dat de gemeentelijke zorg, anders dan de vroegere AWBZ-zorg, geen recht van de burger meer is maar een ‘voorziening’. Dat betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen welke zorg ze leveren en voor wie, het budget is voortaan ‘taakstellend’. </em></p>
<p><em>Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen. Maar calculerend gedrag op dat terrein is niet altijd wenselijk vanuit het publieke, algemeen belang. Het stimuleren van individueel kostenbewustzijn heeft een neveneffect. De burger wordt gereduceerd tot een consument. Een consument die vooral zijn eigen belang moet behartigen. Deze mentaliteit is inmiddels dieper in onze samenleving geworteld dan goed voor ons is. Zij is ook zichtbaar bij bestuurders van (semi)publieke instellingen die de geleidelijke aanpassing van hun salaris aan de Balkenende-norm aanvechten bij de rechter onder de titel dat zij ‘ook rechten’ hebben. De nadruk op eigen verantwoordelijkheid van de burger leidt ook tot het aansprakelijk stellen van de burger als die een fout maakt. Er is een bijna maniakale nadruk op rechtmatigheid bij de overheid. </em></p>
<p><em>En hoe werkt dat uit als de overheid tegelijkertijd propageert dat bij een zorgvraag eerst wordt gekeken wat de betrokkene zelf en zijn netwerk (familie, buren, vrienden) nog kunnen en dat de professionele hulp de gaten vult? </em></p>
<p><em>De overheid kan niet het ene moment oproepen om vooral het eigen belang na te streven en het volgende moment oproepen om je toch vooral om je naasten te bekommeren. Het is of het een of het ander. Wat ons betreft zet de overheid in op het laatste. Dat betekent dat de geest van het kortzichtige eigenbelang terug in de fles moet. Van zelfredzaamheid dus naar samenredzaamheid. Emancipatorische concepten als eigen kracht zijn volstrekt ontspoord in neoliberale concepten van eigen verantwoordelijkheid en een plicht tot mantelzorg van familie, buren en vrienden. </em></p>
<p><em>De werkelijkheid is dat veel zorgvragers mensen om zich heen hebben die graag dingen voor ze doen. Maar dan moet de overheid wel daarin zijn nieuwe rol pakken en niet de bezuinigingsopdracht centraal stellen. Er is niets tegen, integendeel, om de omgeving, die vaak toch al hulp verleent, bij de zorg te betrekken. </em></p>
<p><em>Maar je kan geen mantelzorg afdwingen. De vrijwillige solidariteit is in Nederland gelukkig nog altijd groot, maar vrijwillige solidariteit zal altijd ingebed moeten zijn in collectieve solidariteit (wat de VVD afgedwongen solidariteit noemt). Al was het maar omdat niet iedereen een netwerk heeft. Dat is waar onze voorgangers in de sociaaldemocratie de verzorgingsstaat voor hebben opgebouwd. Veel zorgvragen vragen professionele hulp en ondersteuning en kunnen niet worden afgeschoven op de nu sterk overbelaste mantelzorgers. Bovendien zijn veel mantelzorgers zelf ouderen, en kunnen zij in toenemende mate zelf geen beroep doen op mantelzorg, nu de arbeidsparticipatie van vrouwen gelukkig stijgt. Ook moet erkend worden dat veel zorgvragers onvoldoende eigen kracht hebben om het zelf te regelen. </em></p>
<p><em>De decentralisatie van zorg naar de gemeenten is tot dusver in de praktijk vooral een administratieve herordening gebleken in plaats van een inhoudelijke verbetering. Mensen worden van het ene loket naar het andere doorgestuurd, het beleid is versnipperd en veel overheids- en zorginstanties willen de werkelijkheid aan de onderkant van de samenleving niet kennen. </em></p>
<p><em>Een deel van de cliënten is vereenzaamd. Zij beschikken niet over hulpvaardige familie of een bloeiend sociaal netwerk. Kinderen wonen steeds vaker op betrekkelijk grote afstand van hun ouders en kunnen daardoor niet eenvoudig bijspringen. Wanneer kinderen zelf nog een gezin grootbrengen, wordt mantelzorg aan hun ouders verlenen een loodzwaar karwei. </em></p>
<p><em>Het is voor bureaucraten allesbehalve eenvoudig om te bepalen in hoeverre familie en sociaal netwerk ondersteuning kunnen en willen verlenen. We moeten daarmee direct stoppen. Subjectieve inschattingen zijn hierbij onvermijdelijk. In min of meer vergelijkbare gevallen kunnen uitgebrachte adviezen — afhankelijk van de persoon van de voor de beoordeling eindverantwoordelijke gemeenteambtenaar — substantieel verschillen. Mensen die de weg weten en brutalen hebben samen meer dan de halve wereld. Zij zullen vaak meer ondersteuning claimen en ontvangen dan binnen de beperkingen van het beschikbare budget op objectieve gronden noodzakelijk is. Minder assertieve of gezagsgetrouwe cliënten zullen zich sneller voegen naar wat bureaucraten beslissen. Dat was ook al zo via de AWBZ gefinancierde ondersteuning. Maar daar hadden hulpbehoevenden tenminste nog recht op wettelijk omschreven zorg. Dat is nu niet meer zo. </em></p>
<p><em>De verschillen tussen gemeenten zijn groot en hebben niets met het beloofde maatwerk te maken: maatwerk betekende altijd minder zorg. Zorg kwam ook niet dichterbij, het verdween. Gemeenten hebben alleen maar financieel gestuurd en ontberen iedere deskundigheid om op kwaliteit te kunnen sturen. Inmiddels keert de wal het schip en klagen gemeenten over miljoenentekorten. </em></p>
<p><em><u>Mislukte modernisering van woonzorg-voorzieningen </u></em></p>
<p><em>Naast het terugdraaien van de decentralisaties in de zorg moeten we extra aandacht geven aan de thuiszorg en huishoudelijke hulp, waar een enorme verschraling heeft plaatsgevonden. </em></p>
<p><em>Tegelijkertijd zijn de verzorgingshuizen en verpleeghuizen versneld afgebouwd. Dagbesteding is vrijwel vernietigd terwijl iedereen, de minister van volksgezondheid onder Rutte III voorop, steeds meer aandacht vraagt voor eenzaamheidsproblematiek. De klachten over de kwaliteit van de verpleeghuiszorg waren aanleiding tot een extra miljarden investering aan het eind van Rutte II, maar de problemen zijn nog niet opgelost. De jarenlange ondermijning van de arbeidsvoorwaarden, en het ontslag van juist de laagste inkomens in de zorg met o.m. 67.000 ontslagen in de thuiszorg onder Rutte II, zijn debet aan het huidige enorme tekort aan zorgwerkers. We hebben de ouderenzorg grotendeels afgebroken, zonder dat er goede zorg thuis tegenover stond.</em></p>
<p><em>Inmiddels staan meer dan 20.000 mensen op de wachtlijst voor het verpleeghuis, komen de bouwplannen voor seniorenhuisvesting niet van de grond, en wordt het eerder lastiger dan makkelijker om personeel te vinden dat in de ouderenzorg wil werken. En dat terwijl in Nederland sprake is van een dubbele vergrijzing en de vraag naar zorg toeneemt. Het vorige kabinet wilde het aantal verpleeghuisplekken bevriezen op 130.000. Dat betekent dat de toekomstige uitbreiding van verpleeghuiszorg volledig via verpleegzorg thuis moet worden geleverd. Dat is niet realistisch, en geeft enorme risico’s voor grote verschraling van zorg.</em></p>
<p><em><u>Enorme wachtlijsten in de GGZ</u></em></p>
<p><em>Ook d</em><em>e wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) zijn veel te lang, nu staan er 84.000 mensen op. In onze complexe, op concurrentie en individualisme gerichte samenleving verkeren steeds meer mensen in geestelijke nood. Dit vergroot ook de arbeidstekorten – een groot deel van de uitval in betaald werk wordt veroorzaakt door geestelijke gezondheidsproblemen. Door het tekort aan goede GGZ is er daarenboven veel teveel overlast in de wijk of dorp. Doordat snelle interventie te lang uitblijft wordt de aard van de problemen ernstiger en genezing moeilijker en duurder.</em></p>
<p><em>Bij TBS-patiënten geldt het belang van een snelle behandeling des te meer. Door een gebrek aan afdoende capaciteit bij GGZ-instellingen om patiënten die beveiligde zorg nodig hebben op te kunnen nemen worden patiënten zonder strafrechtelijke titel steeds vaker met een zorgmachtiging in een forensisch psychiatrisch kliniek of tbs-kliniek geplaatst, hetgeen de capaciteitsproblemen bij tbs-klinieken weer vergroot. Vanwege het stigma van tbs-klinieken belemmert dit ook de uitstroom en resocialisatie van deze patiënten zonder strafrechtelijke titel. </em></p>
<p><em><u>Jeugdzorg al lange tijd in code zwart</u></em></p>
<p><em>Ook de decentralisatie van de jeugdzorg is rampzalig vastgelopen met desastreuze gevolgen voor jongeren, ook hier vooral bij lagere inkomens. Inmiddels spreekt de sector zelf van Code Zwart. De Jeugdzorg is in acute en diepe crisis. In september 2022 vroegen de Inspectie van Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd “met klem” om maatregelen, &#8220;omdat de overheid faalt bij haar taak om kwetsbare kinderen te beschermen&#8221;. &#8220;De kwaliteit in de jeugdzorg holt achteruit. Problemen worden groter en het zijn er steeds meer.&#8221; Dat meldde Nieuwsuur in mei 2022, maar het had net zo goed een tekst van tientallen jaren geleden kunnen zijn, als een tekst nu – er is bitter weinig verbeterd. </em></p>
<p><em>De problemen in de jeugdzorg waren in de jaren 1980 al groot en de beloftes vanuit de politiek om deze op te lossen zijn sindsdien amper veranderd, blijkt uit onderzoek. Gemeenten en jeugdzorgaanbieders zijn verstrikt geraakt in een woud van contractverhoudingen. De focus ligt niet op zorg, maar op kostenbeheersing en het voorkomen van fouten via contracten en protocollen. Gesprekken tussen zorg- en gemeentebestuurders lopen in toenemende mate via accountants. Een bizarre, perverse ontwikkeling. Bovendien leiden al die regels nergens toe, ze leiden tot financiële schijnzekerheid. </em></p>
<p><em>Jeugdzorginstellingen hebben nu te maken met de tucht van de markt: elk jaar opnieuw moeten ze met elkaar de concurrentiestrijd aangaan om een contract te krijgen met de gemeente. Ze werken met minimale winstmarges en zijn vooral bezig met overleven, terwijl nieuwe commerciële aanbieders, steeds meer in eigendom van private equity sprinkhanen de krenten uit de pap nemen. Tegelijkertijd moeten ze voldoen aan de bureaucratie van de overheid, die probeert grip te houden op de zorguitgaven. De situatie sinds de transitie is het slechtste van twee werelden: Marktwerking zonder vrijheid van de markt; en bureaucratie zonder de zekerheid van een overheid. </em></p>
<p><em>Na 40 jaar ‘hervormen’ zijn de problemen van kinderen, ouders en scholen alleen maar verergerd, en is de uitvoering nog complexer én duurder gemaakt. De echte problemen zijn tot nu toe niet aangepakt. Er is te weinig aandacht voor de context waarin kinderen opgroeien en teveel wordt aangenomen dat de problemen bij de kinderen zelf zitten. En: alle systeemwijzigingen ten spijt, vindt er nauwelijks echte innovatie plaats en is er nauwelijks sprake van nieuwe jeugdzorgverlening – er wordt nog steeds jeugdzorg ingekocht bij dezelfde aanbieders, die ook zijn blijven hangen in hun oude repertoire. Daardoor sluit het jeugdzorgaanbod nog steeds niet aan bij de vraag. De bestuurlijke verantwoordelijkheden zijn nog steeds versnipperd, en de eigen (ook commerciële!) belangen van de zorgaanbieders prevaleren. </em></p>
<p><em>CDA-wethouder Bredemeijer in Den Haag ziet dagelijks hoe het misgaat: &#8220;Kinderen worden bij lichte problemen al doorverwezen naar allerlei vormen van jeugdzorg. Er wordt in onze gemeente geflyerd om reclame te maken voor vormen van jeugdzorg. Het is een verdienmodel geworden.&#8221; De afgelopen jaren is de jeugdzorg enorm gegroeid: bijna 1 op de 7 kinderen krijgt een vorm van jeugdzorg. En er is vooral een explosieve groei in de lichtere vormen. De kosten stegen daardoor explosief, tot 5,6 miljard vorig jaar. De afhandeling kost ook meer tijd omdat de hulpvragen steeds complexer worden. De gemeenten hebben in 2022 zo&#8217;n 60 miljoen euro extra moeten uitgeven aan de jeugdzorg. Alleen al voor dyslexie betalen we als maatschappij honderden miljoenen euro’s per jaar. Deze vorm zou je moeten schrappen omdat het geen zorg is, maar meer iets dat valt onder onderwijs. </em></p>
<p><em>In plaats van de jongeren staat het verdienmodel van commerciële aanbieders van jeugdzorg centraal. En dat terwijl jongeren met zwaardere en specialistische hulpvragen wegkwijnen, omdat ze soms maanden op een wachtlijst staan met levensbedreigende situaties tot gevolg.<u> </u>De positie van de meest kwetsbare kinderen leidt steeds meer tot slachtoffers. En de kosten rijzen de pan uit, waarop Rutte IV met het onzalige plan kwam om te gaan bezuinigen en een eigen bijdrage in te voeren. </em></p>
<p><em>De wachtlijsten blijven groeien, en zijn onaanvaardbaar lang geworden. Een diagnose stellen, zoals autisme of een ontwikkelingsachterstand, kan al een half jaar wachten betekenen, en een adequaat traject kent vaak een nog langere wachttijd – als het kind bijvoorbeeld verstandelijk gehandicapt blijkt, is er nu een wachttijd van twee (!) jaar. De ouders overleven dat nauwelijks, als ze werken hebben ze een groot probleem, want hun kind is niet welkom op de reguliere kinderopvang. Deze kinderen slapen amper, en de ouders hebben daar een dagtaak aan. Ze lopen vast, worden zelf ziek en zijn de wanhoop nabij. Huiselijk geweld is dan heel voorspelbaar. </em><em>Ze zitten thuis en de tijd staat stil én slaat door. Het is een stille ramp die de samenleving op termijn veel kost. Als je niks doet, worden dit later de lastige mensen. De ongemotiveerden, de depressieven, de relschoppers, de onbegrepenen, degenen die in de jeugdzorg belanden. Agressie is tenminste iets dat iedereen begrijpt. Ouders durven niet langs consultatiebureaus te gaan omdat ze bang zijn dat ze hun kind zullen afnemen. Geen denkbeeldige angst, zoals bleek bij het toeslagenschandaal. Inmiddels is duidelijk dat dit echt niet alleen bij die ouders speelt. </em><em>Een medewerker van de crisisopvang in Rotterdam zegt al in 1995 in het programma TweeVandaag: &#8220;We zitten zo ontzettend vaak vol. We krijgen 1500 aanmeldingen voor de crisisopvang per jaar, maar we kunnen er jaarlijks zo&#8217;n 500 opnemen.&#8221;</em></p>
<p><em>In plaats van op de rem van de medicalisering werd er na de decentralisatie stevig op het gaspedaal getrapt. Heel erg verwonderlijk was dat niet. Hoe dichter de verwijzer bij de zorgvrager staat, des te groter de kans dat een zorgvraag wordt ingewilligd. Recent begint eindelijk het besef door te breken dat de doorverwijzing van zorgvragers meer inzet van onafhankelijke experts vergt. </em></p>
<p><em>In 2015 was het idee dat het leggen van de verantwoordelijkheid bij het laagste bestuurlijke overheidsniveau (de gemeente) tot de beste jeugdzorg zou leiden. Met de decentralisatie zou het eindelijk mogelijk worden om de jeugdzorg te ontkokeren, te normaliseren, te demedicaliseren, problemen zo vroeg mogelijk te signaleren en ouders/opvoeders, kinderen en jongeren adequaat te helpen. De decentralisatie heeft deze verwachtingen niet kunnen waarmaken. Veel gemeenten hebben zich losgemaakt van inhoudelijke visie en zijn zich de afgelopen jaren tegenover de jeugdzorg gaan opstellen als manager en inkoper, waarbij ze met bureaucratische controle krampachtig stuurden op kostenbeheersing. Het afknijpen van de professionals werkte ‘</em><em>penny wise, pound foolish’</em><em>. Er zijn sinds de decentralisatie miljoenen weggevloeid naar het visieloze, gigantische aanbestedingscircus, het deprofessionaliseren van de jeugdzorg, de faillissementen van menig jeugdzorgorganisatie en het totaal versnipperde proces van trial and error in de afgelopen jaren. Er zijn bakken met geld besteed aan consultancy, handige en overmatig winstmakende jeugdzorgorganisaties, het ziekteverzuim van personeel in de sector, en last but not least aan kinderen, jongeren en ouders die steeds niet goed geholpen werden en verder in de problemen raakten. Het bereiken van de doelen van de Jeugdwet is veruit de meeste gemeenten tot nu toe nooit gelukt.</em></p>
<p><em> </em></p>
<p><u>Een nieuw zorgstelsel</u></p>
<ol start="201">
<li><strong>We voeren een nieuw zorgstelsel in, waarbij alle nodige en nuttige zorg, wat nu in het basispakket zit plus maatschappelijke ondersteuning, jeugd- en ouderenzorg, in één wet volledig publiek wordt, en volledig gefinancierd wordt uit de belastingen en zonder aparte premies, eigen bijdragen en zonder eigen risico. Zorg wordt van een verzekering veranderd in een publieke voorziening zoals onderwijs. Iedereen die nu recht heeft op toegang tot de basiszorgverzekering krijgt ook recht op zorgverlening in het nieuwe stelsel, waarbij de huidige administratieve eisen van woonadres en inkomensverklaring vervallen. </strong>Door dit laatste krijgen onder meer daklozen en arbeidsmigranten veel eenvoudiger recht op gratis zorgverlening, hetgeen hun bestaanszekerheid enorm vergroot. Het schrappen van de zorgpremies verlaagt ook de lasten op arbeid – renteniers betalen nu bijv. geen inkomensafhankelijke premie.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="202">
<li><strong>Dat betekent afschaffing van de zorgpremies, het eigen risico en eigen bijdragen in de zorg. Ook de zorgtoeslag kan dan verdwijnen. </strong>We geven daarbij een harde garantie dat zorgtoeslag niet eerder afgeschaft wordt dan dat de volledige afschaffing van premies, eigen risico en eigen bijdragen is gerealiseerd. Vooruitlopend daarop gaan we voor het berekenen van de toeslagen uit van het inkomen in het voorafgaande belastingjaar om terugvorderingen te voorkomen, tenzij de aanvrager zelf aangeeft dat zijn inkomen in het lopende jaar daarvoor teveel verlaagd is. Ook gaan we inkomens die volgens gegevens van Belastingdienst recht hebben op toeslagen daar op wijzen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="203">
<li><strong>Het basispakket in de zorg wordt uitgebreid. Tand- en mondzorg en paramedische behandelingen (op basis van doorverwijzing door eerste lijn-zorg) worden volledig door de overheid bekostigd, evenals anticonceptie en bewezen effectieve zorgpreventie.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="204">
<li><strong>De financiering gebeurt op basis van een periodiek vastgestelde nationale en regionale zorgvisies, via publieke regionale zorgkantoren, via één geldstroom op basis van duurzame subsidierelaties (zoals in het onderwijs) – geen inkoop en aanbesteding meer.</strong></li>
</ol>
<p>De bekostiging loopt via regionale zorgkantoren, die ook zorgen voor de financiële planning. Zorgverzekeraars kunnen zich desgewenst geheel of gedeeltelijk omvormen tot zo’n regionaal zorgkantoor. De transitie vindt op gelijke wijze plaats als bij de opheffing van de PBO’s. Er is dus nadrukkelijk geen nationalisatie en dus ook geen schadeloosstelling aan de orde.</p>
<p>Er zijn geen budgetplafonds meer, maar de overheid kan via de zorgkantoren wel voorwaarden stellen aan de uitgaven ter bevordering van efficiëntie en doelmatigheid en van kwaliteit. Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget.</p>
<p><u> </u></p>
<ol start="205">
<li><strong>De zorgvisie beschrijft een effectief en efficiënt, samenhangend en samenwerkend, kwalitatief goed aanbod van zorg</strong>, met lokale basiszorgcentra en woonzorgcentra, goede thuiszorg en verpleegzorgcentra, regionale 2<sup>e</sup> lijnzorg en nationale dure, zeer gespecialiseerde zorg (incl. ggz en jeugdzorg).</li>
</ol>
<p>Overlap en waterbedeffecten worden zo voorkomen. Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) en soms ook nog eens met één of meerdere gemeenten te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget.</p>
<p>Bereikbaarheid en toegankelijkheid wordt met de regionale planning wettelijk met normen gegarandeerd. Waar nodig worden daartoe recente sluiting en concentratie van voorzieningen teruggedraaid (zoals in Heerlen).</p>
<p>Bij de opstelling van de regiovisie worden echt onafhankelijke patiënten- en cliëntenorganisaties (anders dan de huidige Patiëntenfederatie) betrokken, evenals relevante gemeenten en zorgaanbieders.</p>
<p><u> </u></p>
<ol start="206">
<li><strong>In plaats van concurrentie moeten zorgaanbieders samenwerken.</strong> We verplichten in de zorgvisies tot effectieve en efficiënte samenwerking. Er komt zo een regionaal afgestemd aanbod van samenwerkende zorgaanbieders: met dure specialisatie in hoogwaardige centra en een breed aanbod van basiszorg (incl. GGZ); waarin cure en care elkaar effectief en efficiënt aanvullen; waarin ingezet wordt door tijdige interventie dure specialistische hulp te voorkomen; en waarin het langer thuis met zorg kunnen wonen (als recht, niet als plicht!) ook adequaat gefaciliteerd wordt.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="207">
<li><strong>Er is voor deze zorg geen rol meer voor zorgverzekeraars en gemeenten.</strong> Verzekeraars beperken zich tot niet collectief vergoede (aanvullende) zorg en gemeenten beperken zich tot de GGD’s en het leggen van verbindingen met armoede- en schuldenbeleid en met het woonbeleid.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="208">
<li><strong>Evenmin is er nog een rol voor het CAK, het CIZ en de NZa.</strong> Dat ruimt lekker op. Het geld voor deze instituties valt aan de zorg toe. Nu worden teveel mensen van ene loket naar het andere gestuurd. Het zorglandschap is nu ook teveel gespreid over verschillende partijen met ieder eigen (budget)regels: zorgverzekeraars, zorgkantoren, het CAK, de gemeenten. Naast veel kostbare (in tijd en geld) bureaucratie (ook bij de zorgaanbieders, die vaak met meerdere partijen te maken hebben) zorgt dit ook voor strategisch gedrag tussen bijv. gemeenten en zorgverzekeraars over wie de rekening moet betalen.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="209">
<li><strong>Alle gesubsidieerde zorg wordt – buiten de eerste lijn uiteraard alleen met indicatie – weer een recht, in plaats van een voorziening. En hiermee vervallen ook de beruchte keukentafelgesprekken[1] met de gemeente. Eigen kracht en zelfredzaamheid wordt een recht, geen plicht. </strong>Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="210">
<li><strong>Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. </strong>De gemeenten spelen hierbij geen rol meer. De verstrekking verloopt via de regionale zorgkantoren. We versimpelen de procedures rondom het PGB, maar zijn scherp op fraude en uitbuiting van cliënten. Voor PGB zorgverleners gelden de reguliere kwaliteitseisen, het moet niet verward worden met mantelzorg.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="211">
<li><strong>De publieke zorg wordt verzorgd door niet-commerciële aanbieders – zorgcoöperaties zonder winstoogmerk, waarbij iedereen in loondienst is, bij voorkeur in een zorgcoöperatie. Er is geen marktwerking en geen concurrentie, maar verplichte en gereguleerde effectieve samenwerking. </strong></li>
</ol>
<p>Zorg die door de overheid wordt gefinancierd moet volledig gedefinieerd worden als een publieke voorziening, zonder marktwerking. De vrije marktwerking geldt er dan niet meer en de Autoriteit Markt en Consument heeft er dus ook niets meer te zeggen.</p>
<p>Zorgaanbieders mogen geen winstoogmerk hebben en ook geen winstuitkeringen doen – dit geldt ook voor maatschappen aan de eigenaren/zorgaanbieders zelf. De omvorming wordt afgedwongen door dit als subsidievoorwaarde op te nemen.</p>
<p>Iedereen in de publieke zorg komt in loondienst, bij voorkeur in een zorgcoöperatie. Specialisten komen verplicht in loondienst, bij huisartsen schaffen we de goodwill af. Huisartsen, apothekers, tandartsen, paramedici, ambulancediensten en andere zorgaanbieders die nu als ondernemer werken moeten ook in loondienst komen bij hun eigen onderneming, tegen een soort ‘gebruikelijk loon’, zonder aparte private vermogensopbouw. Activiteiten die zij verrichten in niet-publieke zorg, bijv. gefinancierd door zorgverzekeraars en/of patiënten zelf, moeten in een financieel gescheiden entiteit plaatsvinden, en er moet toestemming daarvoor zijn van de zorginspectie en transparant zijn in een openbaar register. Dit opbrengst van deze maatregel wordt teruggeploegd in de zorg, door deze mee te nemen bij de hiervoor genoemde extra investering in de zorg.</p>
<p> </p>
<ol start="212">
<li><strong>We zorgen ook voor meer kleinschaligheid in de zorg.</strong> Er zijn te grote conglomeraten ontstaan die te machtig zijn. Zorg moet regionaal georganiseerd worden, onder meer met een netwerk van kleinere basisziekenhuizen, dichtbij de mensen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="213">
<li><strong>Innovatie in de zorg wordt bevorderd met een landelijk expertisecentrum, dat goede praktijken breder beschikbaar maakt en geld beschikbaar stelt voor innovatieve experimenten en onderzoek. </strong></li>
</ol>
<p>Er is o.m. meer aandacht en geld nodig voor bestrijding van depressies, voor onderzoek naar en begeleiding van dementerenden en voor andere ziekten die nog onvoldoende begrepen worden, zoals kanker, ALS en long-Covid.</p>
<p>We investeren meer in onderzoek naar preventie en genezing van ernstige ziekten en compenseren daarbij meer dan volledig het vervallen van fiscale subsidiëring van giften (zie verderop in dit programma) daarvoor.</p>
<p> </p>
<ol start="214">
<li><strong>De collectieve zorgkosten gaan we veel beter beheersen door veel meer echte zorgpreventie, sturen op efficiëntie en effectiviteit in plaats van op volume en profijt voor de aanbieder (of zijn eigenaren/financiers), samenwerken, vermijden van overbodige bureaucratie, betere poortwachter werking voor dure zorg en gerichte maatregelen voor lagere prijzen voor medicijnen.</strong> Dat de zorgkosten niet ‘<em>onbetaalbaar’</em> of ‘<em>slecht voor de economie’</em> zijn, neemt niet weg dat het van groot belang is om er niet méér miljarden aan te besteden dan nuttig en nodig is. En daar valt nog veel te verbeteren. Niet door bot te bezuinigen, kosten te individualiseren of de toegang tot zorg te beperken op de manier waarop dat de afgelopen jaren gebeurde, maar door heel precies te kijken waar onnodige zorgkosten vandaan komen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="215">
<li><strong>Het grote manco van het huidige Nederlandse systeem is dat zorgaanbieders betaald worden voor volume en niet voor goede zorg. En mensen gaan zich gedragen naar het financieringssysteem. We veranderen de bekostiging in de zorg met het <em>cappuccinomodel</em>. </strong>Het budget van zorgaanbieders wordt daarin vooral gebaseerd op de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast krijgen ze een klein bedrag per ingreep of per consult (de melk) en ook nog een klein bedrag bij uitzonderlijk goede prestaties of bij innovaties (het schuim). Dat is de manier waarop nu bijvoorbeeld huisartsen al betaald worden. Kleine bedragen voor de geleverde productie zijn genoeg om mensen scherp en actief te houden, terwijl grote bedragen overproductie stimuleren. Er kan in ziekenhuizen zeker twintig procent worden bespaard als artsen anders worden betaald én elkaar veel meer aanspreken op hun manier van werken.</li>
</ol>
<p>In de cure heeft volgens onderzoekers zo’n dertig procent van de zorg niet of nauwelijks te maken met het medische nut ervan maar slechts voortkomt uit het aanbod. De vraag om zorg voegt zich naar het beschikbare aanbod. De specialist die tegen de patiënt zegt: “Ik zie u graag over drie maanden even terug” omdat hij dan ruimte heeft in zijn agenda, niet omdat het medisch noodzakelijk is.’ In Scandinavië, waar artsen en specialisten in loondienst zijn, wordt er minder snel geopereerd. Zo blijkt er bijvoorbeeld in veel gevallen een alternatief voor galblaasverwijderingen mogelijk. Door inzicht te krijgen in verschillen tussen regio’s en tussen zorgverleners in hoe ze handelen bij aandoeningen kan er veel meer onderling gesprek ontstaan over wat werkt en wat niet werkt. Het systeem van concurrerende verzekeraars bemoeilijkt de informatie-uitwisseling, verzekeraars geven gewoon de informatie niet vrij, omdat het bedrijfsgeheim is. Bij het pleidooi voor het onderling vergelijken van zorgbehandelingen gaat het trouwens beslist niet over de manier van vergelijken die de laatste tijd in een aantal media populair is, namelijk van de prijzen die ziekenhuizen voor bepaalde behandelingen vragen. Die prijskaartjes zijn nu volstrekt artificieel en als zorginstellingen worden gedwongen om van iedere behandeling de werkelijke kosten te berekenen, betekent dat alleen maar een berg extra bureaucratie.</p>
<p> </p>
<ol start="216">
<li><strong>Een volgende belangrijke rem op de zorgkosten is als nieuwe, duurdere technieken pas worden vergoed als ze aantoonbaar voordeel hebben voor de kwaliteit van leven of de levensverwachting van de patiënt.</strong> Een belangrijke oorzaak van de stijgende collectieve zorgkosten is dure nieuwe medische technologie. Van een groot deel van die technologieën is nooit bewezen dat ze beter werken dan de oude, goedkopere. Zo heeft ieder zichzelf respecterend ziekenhuis inmiddels voor operaties een Da Vinci-robot, zonder dat ooit vast is komen te staan dat de resultaten daarvan beter zijn dan het chirurgische handwerk. Medische technologie is net iets te vaak toys voor de boys. Er wordt gedaan alsof medische technologie een autonome ontwikkeling is, maar het is natuurlijk gewoon een beslissing of je zo’n robot aanschaft.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="217">
<li><strong>Het is voorts meermalen bewezen dat een concentratie van zorgaanbod om complexe behandelingen van ingewikkelde aandoeningen goed uit te voeren onontkoombaar is. </strong>Maar daar is ons systeem momenteel helemaal niet op ingericht. Immers: ziekenhuizen moeten concurreren met elkaar en willen daarom allemaal zoveel mogelijk specialismen in huis: iedereen een 24-uurs spoedeisende hulp, een intensive care en kleine stukjes complexe zorg tussen veel grotere stukken minder complexe zorg. Ze hebben zoveel mogelijk CT-scans en MRI’s en willen bovendien allemaal een PET-scan en een operatierobot voor zichzelf. Vanuit het oogpunt van kwaliteit is dit nauwelijks verantwoord en daarnaast is het extreem kostbaar. Pogingen om bijvoorbeeld hoog-complexe zorg te concentreren in een kleiner aantal, regionaal slim gepositioneerde ziekenhuizen die door de aard van hun activiteiten wel een intensive care, goed geoutilleerde spoedeisende hulp en dure scanapparatuur kunnen hebben, stranden op de beperkte mogelijkheden voor regionale samenwerking binnen een stelsel van marktwerking. Zo wordt nu kartelvorming in verband met een gelijk speelveld in de markt verboden. Door de marktwerking compleet uit te bannen in de zorg en samenwerking te verplichten wordt hieraan tegemoet gekomen. De regiovisie zorgt voor een efficiënte verdeling van voorzieningen, waarbij in iedere regio de toegankelijkheid van zorg is geregeld binnen landelijke normen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="218">
<li><strong>Er moet vervolgens veel meer gebruik gemaakt worden van het vergunningenstelsel volgens de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) om tot een intelligente planning van dure voorzieningen voor complexe medische zorg binnen regio’s te komen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="219">
<li><strong>De regelgeving moet aangepast worden om innovatieve initiatieven voor gedeconcentreerde zorg voor chronische aandoeningen door huisartsen met participatie van specialisten mogelijk te maken.</strong> Voor een adequate aanpak van chronische aandoeningen hebben we een gedeconcentreerde zorgvoorziening nodig die dicht bij de mensen staat en laagdrempelig toegankelijk is. Dat kan door bijvoorbeeld in gemeentes en buurten van steden centra te hebben waar onder regie van de huisarts maar met specialistische inbreng eerstelijnszorg en consultatieve tweedelijnszorg voor chronische ziekten wordt geleverd. Een aantal specialisten kunnen dan bijvoorbeeld op invitatie van de huisarts een dagdeel in de week tegelijkertijd aanwezig zijn om ingewikkelde patiënten multidisciplinair te zien. Ook samenwerking tussen huisartsen onderling en met apotheken en artsen in een ziekenhuis en wijkverpleegkundigen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="220">
<li><strong>We versterken de poortwachterfunctie naar dure zorg bij huisartsen en wijkverpleegkundigen door hen substantieel meer tijd daarvoor te geven.</strong> De toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg krijgt een brede, maar strakkere poortwachter bij huisartsen en wijkverpleegkundigen. Indicaties vinden alleen plaats op basis van tenminste een persoonlijk gesprek met de patiënt door de huisarts of de wijkverpleegkundige. Diagnostisch onderzoek wordt gesubsidieerd. Spoedeisende hulp is alleen beschikbaar als het ook spoedeisend is.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="221">
<li><strong>Ook moet de indicatie passend zijn, dus niet zoals nu vaak gebeurt, aan chronisch zieken en ouderen zeer kortlopende Wmo-indicaties afgeven</strong> – dat is onnodig bureaucratisch en belastend.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="222">
<li><strong>De bureaucratische verantwoording wordt tot een minimum beperkt.</strong> Geen uitgebreide DBC’s en productcodes meer en geen minutenregistraties – die verbieden we. Minimale protocollen en richtlijnen. Geen uitsplitsing van bevoegdheden van verplegers in de regelgeving. Institutioneel wantrouwen naar professionals in de zorg wordt vervangen door vertrouwen en hen een medeverantwoordelijkheid te geven in een efficiënt en doelmatig beheer. Een coöperatieve organisatievorm helpt daarbij om elkaar aan te spreken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="223">
<li><strong>In de thuiszorg gaan we weer terug van taakgerichte zorg naar persoonsgerichte zorg in zelfsturende teams, zonder minutenzorg en afvinklijstjes, maar met meer tijd en aandacht voor een persoonlijke relatie met de cliënt.</strong> Resultaatsbekostiging (‘schoon huis’) wordt weer vervangen door indicatie van het benodigde aantal uren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="224">
<li><strong>Hulpmiddelen kopen we zoveel mogelijk centraal in op indicatie van huisarts of (wijk)verpleegkundige. Er wordt daarbij ook gewerkt met centrale uitleenmagazijnen.</strong> Brillen en gehoorapparaten worden verstrekt door erkende opticiens en audiciens binnen bepaalde vergoedingsregels. We stoppen met steeds opnieuw indiceren als het duidelijk is dat de voorzieningen of hulpmiddelen levenslang nodig zijn.</li>
</ol>
<p><u>Minder, goedkopere en goede medicijnen</u></p>
<ol start="225">
<li><strong>Ook grijpen we in bij de farmaceutische industrie opdat er lagere medicijnprijzen komen en het medicijngebruik zoveel mogelijk wordt beperkt. We beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie. We volgen de voorstellen uit de initiatiefnota van GL, PvdA en SP hierover van eind 2017. We voeren daarenboven ook een aparte belasting in voor de farmaceutische bedrijven om publieke (ontwikkeling en productie van) medicijnen te financieren. We gaan ook medicijngebruik beperken</strong>:</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="226">
<li><strong>We gaan artsen beter voorlichten.</strong> Artsen doen hun best, maar schrijven soms toch een duurder medicijn voor, terwijl er goedkopere varianten beschikbaar zijn met dezelfde werking. Betere voorlichting, leidt tot beter voorschrijven;</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="227">
<li><strong>Het voorschrijven van een medicijn is maatwerk.</strong> Soms kunnen doses naar beneden, of kan een patiënt zelfs helemaal stoppen met het nemen van een medicijn, terwijl de fabrikant de arts dwingt om toch hogere doses voor te blijven schrijven. Onafhankelijk onderzoek naar de effectiviteit en veiligheid van kortdurender gebruik van geneesmiddelen is nodig;</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="228">
<li><strong>Er komt tenminste jaarlijs een check door de huisarts op dosering en continuering of beëindiging medicijngebruik en het innemen en zo mogelijk, veilig hergebruik van geleverde medicijnen</strong>.</li>
</ol>
<p><u>Veel meer preventie om zorgvraag te verminderen</u></p>
<ol start="229">
<li><strong>We investeren fors in zorgpreventie – alle beleid en wetgeving wordt in het vervolg getoetst op implicatie voor de zorg en de gezondheid. We vervangen het beleid van zelfregulering met preventieakkoorden door dwingende regelgeving en overheidsbeleid.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="230">
<li><strong>We investeren fors in meer kennis en bewustwording van de risico’s van luchtinfectie-ziekten en zoönoses. De vogelgriep lijkt nu de voornaamste risicofactor, maar er kan zomaar een andere plaag uitbreken. En op het verminderen van risico’s op vallen en andere gevaren voor minder valide mensen in een vergrijzende samenleving.</strong> De investeringen in dit plan in betere arbeidsomstandigheden en voorkomen van arbeidsongeschiktheid, en het verlagen van werkdruk teneinde burn-out te voorkomen, zijn ook zeer van belang in het kader van bestrijding van onnodige zorgkosten. Een beter leefmilieu en meer bestaanszekerheid dragen enorm bij aan verlaging van de zorggroei.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="231">
<li><strong>We verlagen de norm voor geluidsschade in overeenstemming met de normen van het WHO en de Gezondheidsraad</strong><u>, </u>anders dan Rutte IV en het huidige kabinet.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="232">
<li><strong>We beperken wettelijk het aanbod van ongezond voedsel en drinken en genotsmiddelen in de omgeving van kinderen en jongeren</strong> <strong>(scholen, sportaccommodaties) en in supermarkten en organiseren daar meer betaalbaar, gezond aanbod. We nemen wettelijke maatregelen voor een veel lager percentage van vet, suiker en zout in producten</strong>, in plaats van het veel te slappe akkoord dat daarover nu is afgesproken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="233">
<li><strong>Bewezen effectieve programma’s tegen verslavingen en voor een gezonde leefstijl worden ondergebracht in de publiek bekostigde zorg. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="234">
<li><strong>Gebruik, invoer en verkoop van tabak (nicotine), inclusief vapen, wordt bij het bereiken van 18-jarige leeftijd verboden en streng gehandhaafd. Zo komt er een rookvrije generatie. Alcoholgebruik en drugsgebruik wordt verboden tot 21 jaar. De accijnzen op tabak, alcohol en (de in te voeren) op gelegaliseerde drugs gaan verder omhoog en de distributiepunten worden beperkt. We gaan wel door met legalisering softdrugs, vanaf 21 jaar. Reclame voor deze en andere verslavende producten (waaronder gokken en alcohol) wordt verboden. We draaien de legalisatie van gokken terug. In het onderwijs wordt verplicht voorlichting gegeven over de gevolgen van verslavingen. Het internet gaan we veel veiliger maken – zie de aparte paragraaf daarover. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="235">
<li><strong>Er komt een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten. We proberen daarnaast al deze maatregelen ook Europees of tenminste in buurlanden ook te realiseren. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="236">
<li><strong>We stimuleren sporten, met meer sport, spel en beweging op school, en geven iedere jongere een gratis lidmaatschap van een sportclub. </strong><strong>We investeren in sport met goede sportaccommodaties en door veel meer bewegingsonderwijs.</strong> <strong>Sportbeoefening wordt bevorderd.</strong> De financialisering van de sport wordt tegengegaan. Te grote topbeloningen aan topsporters, bestuurders en sportmakelaars veroorzaken een te grote ongelijkheid, zorgen voor een te grote financiële in plaats van sportieve oriëntatie, met risico’s voor corruptie en matchfixing, dopinggebruik en onsportiviteit, en verbindingen met criminelen, witwassers en oneerlijk verdiend geld. Er wordt met bijv. voetballers gehandeld als handelswaar – moderne, maar niet minder laakbare mensenhandel. We ontwikkelen beleid om deze trend te keren – sport hoort weer om de sport, de sporters en de fans te gaan en die moeten hun sport terugveroveren op het grote geld. Daar hoort dan ook bij dat de overheid zelf wel investeert en faciliteert. Supportersgeweld (ook verbaal) wordt streng aangepakt, met o.m. door de strafrechter uit te spreken stadion- en omgevingsverboden.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="237">
<li><strong>Kinderen die niet gevaccineerd zijn volgens het rijksvaccinatieprogramma worden niet toegelaten tot scholen en de kinderopvang. </strong>Door de combinatie met de leerplicht is er daar dus sprake van verplichte vaccinatie in het algemeen belang. We gaan misleiding met valse zorginformatie krachtig tegen – onder meer met strafbaarstelling daarvan.</li>
</ol>
<p><u>Geen tekorten meer in de zorg</u></p>
<ol start="238">
<li><strong>We gaan de norm voor huisartsen verlagen, bijvoorbeeld van 2300 naar 1800 cliënten, en hun meer assistenten geven, er komen tenminste 70.000 extra professionals in de verpleeghuiszorg, en 100.000 extra (wijk)verplegers, thuiszorgmedewerkers (incl. huishoudelijke hulp), activiteitenbegeleiders en medewerkers in de dagopvang bij. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="239">
<li><strong>En er komen extra banen voor maatschappelijk werkers, behandelaars en begeleiders in de jeugdzorg, de GGZ en in de forensische zorg, meer professionals in de spoedeisende hulp, meer ambulancemedewerkers en andere zorgprofessionals</strong><strong>. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="240">
<li><strong>Tevens investeren we snel in meer opleiding (ook inservice, werkend leren), betere facilitering ter bevordering van de arbeidsparticipatie en in tijdelijke arbeidsmigratie.</strong> Daarmee verlagen we de werkdruk, zorgen we voor meer banen en betere beloning, en verbeteren we de kwaliteit van zorg.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="241">
<li><strong>De tekorten in de dagbesteding, woonvormen en zorgverlening aan cliënten met meervoudige problematiek worden met een actieplan opgelost.</strong> <strong>In de woonopdracht aan gemeenten komt verplichte aandacht voor woonvormen voor ouderen en mensen met een beperking in relatie met een gezond, fijn leven en waar nodig goede dagbesteding en zorgverlening – huishoudelijk hulp, thuiszorg, maaltijdvoorziening, dagbesteding en wijkverpleging. Dat wordt georganiseerd in coöperaties, met veel zeggenschap voor de bewoners. Daarbij is er keus in al dan niet gemengd wonen met mensen buiten de doelgroep. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="242">
<li><strong>We moeten daarnaast investeren in betere verpleeghuizen met voldoende capaciteit en meer verpleegbedden voor kortdurende opnames. We moeten het manifest van Hugo Borst en Carin Gaemers <em>Scherp op Ouderenzorg</em> en het daarop gebaseerde plan voor liefdevolle verpleeghuiszorg onderschrijven en uitvoeren</strong>, <strong>met als criterium twee professionele zorgverleners per groep van 6 tot 8 bewoners in alle verpleeghuizen.</strong> De al toegezegde investering van ruim 2 miljard wordt alleen verstrekt als men ook voldoet aan de kwaliteitseisen. De bedrijfsvoering moet veel efficiënter, de kwaliteit van leven moet omhoog.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="243">
<li><strong>We pakken ook de wachtlijsten aan in de GGZ.</strong> Teneinde de stijging in de doorgeleiding naar gespecialiseerde GGZ tot staan te brengen is moeten we in de geestelijke gezondheidszorg alles richten op de zogeheten ‘<em>vroegsignalering’</em> en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="244">
<li><strong>We gaan de oude regeling dat veroordeelden met een vrijheidsstraf en TBS met dwangverpleging in beginsel na een derde van hun vrijheidsstraf geplaatst moeten worden in een forensisch psychiatrisch centrum herinvoeren (de zgn. Fokkensregeling).</strong></li>
</ol>
<p><u>Verbetering jeugdzorg als prioriteit</u></p>
<ol start="245">
<li><strong>Het eerste wat er per direct in de jeugdzorg moet gebeuren is dat de <em>caseload</em> omlaag gaat bij jeugdzorghulpverleners</strong> – dat is het aantal gezinnen of jongeren die een jeugdbeschermer onder zich heeft. Nu is dat aantal tweemaal hoger dan haalbaar is om het werk adequaat te doen, zo blijkt uit onderzoek.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="246">
<li><strong>Dat we de financiering van de jeugdzorg, net als de rest van de publieke zorg via één loket gaan regelen, helpt ook veel om van de huidige bureaucratie af te komen en jeugdzorgprofessionals meer tijd voor de zorg zelf te geven. Daarbij zorgen we voor één cao voor de gehele jeugdzorg.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="247">
<li><strong>Vervolgens moeten jeugdzorghulpverleners zelf veel meer bevoegdheden krijgen om te zorgen dat wat zij nodig achten ook echt gaat gebeuren. Dat kan in een niet-commerciële omgeving, zonder aanbestedingen en inkopen</strong> (nu gaat ook veel kostbare tijd verloren doordat jeugdzorghulpverleners offertes moeten aanvragen die dan weer beoordeeld moeten worden door een gemeentelijke accountmanager). Daarom moeten ook de jeugdzorgaanbieders publieke instellingen worden, zonder winstmotief.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="248">
<li><strong>En we moeten jeugdzorg veel kleinschaliger organiseren, midden in de samenleving, zo open mogelijk en zo thuis mogelijk. Want demedicaliseren, normaliseren, preventiever werken én de focus op zelfredzaamheid vraagt in de eerste plaats om te investeren in de professionals die dit moeten bereiken. Het geld moet naar de vakmensen en niet naar de managers, en het moet met duidelijke kaders als richtlijnen en een beroepscode moeten duidelijk maken wat de verschillende hulpvormen zijn en wat de resultaten daarvan horen te zijn.</strong> Er bestaat in de jeugdzorg geen snelle oplossing en er komt alleen goede jeugdzorg wanneer de focus op kostenbesparing vermindert. Sturen op kosten betekent minder kwaliteit, maar sturen op kwaliteit verlaagt kosten!</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="249">
<li><strong>De overtuiging van de maakbaarheid van opvoeden en opgroeien, die achter veel gedrag en beleid zit moet daarbij worden tegengegaan</strong>. Ieder verschil met de statistische (en niet erg realistische) standaard wordt nu gezien als potentieel probleem dat vroegtijdig moet worden ‘<em>gesignaleerd’</em> en gemedicaliseerd. Het kind is te licht, te zwaar, te kort, te lang, te druk (ADHD) of te stil (spectrum). Dit misverstand leidt niet alleen tot een verhoogde instroom van cliënten naar de jeugdzorg, maar ook tot totaal overspannen verwachtingen van diezelfde jeugdzorg.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="250">
<li><strong>We moeten ook veel meer investeren in die kennis – er bestaat maar weinig empirisch bewijs van de resultaten van behandelingen in de jeugdzorg. </strong>We faciliteren dat professionals kunnen werken volgens bestaande beroepscodes en richtlijnen. Denk aan evidenced based en practice based werken in combinatie met praktische wijsheid. Hierbij mogen kosten en inkoop de professionele afwegingen en het handelen niet belemmeren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="251">
<li><strong>Degenen die de verantwoordelijkheid dagelijks nemen, moeten ook het recht hebben aan te geven wat zij daarvoor nodig hebben. Dit vraagt om de zeggenschap van ouders, opvoeders, kinderen en jongeren zelf</strong>: wat hebben zij nodig en wat kunnen en willen zij daarvan zelf en met hun informele sociale omgeving organiseren. Daarvoor hebben zij erkenning, steun, ruimte, vrijheid, tijd en keuzemogelijkheden nodig. En professionals en ervaringsdeskundigen moeten daarbij goed gepositioneerd worden. In het manifest <em>‘Jeugdsprong’</em> van FNV Zorg en Welzijn en de Stichting Beroepseer uit september 2021 wordt daarom terecht gepleit dat jeugdzorg hulp op maat moet bieden door professionals die samen met het gezin veel mandaat en zeggenschap hebben. We investeren in mogelijkheden waarmee professionals zoveel mogelijk aan kunnen sluiten bij de motivatie en de doelen van jeugdige en gezin. We organiseren en investeren ook in structurele ervaringsdeskundigheid in de uitvoering.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="252">
<li><strong>Eerder diagnosticeren mét eerder een passend traject voorkomt later veel problemen. Daarin moeten we veel meer investeren. We voeren een eerstelijns functie in bij de jeugdzorg met lokale Jeugd- &amp; Gezinsteams. </strong>Problemen bij kinderen beginnen vaak al eerder dan wanneer ze bij jeugdzorg terechtkomen. Bij kinderen tussen nul en vijf. Elke gemeente krijgt nu subsidie voor de eerste duizend dagen van een kind. <em>Een Kansrijke Start</em>, heet dat programma. Maar een kansrijk vervolg is er onvoldoende.</li>
</ol>
<p>In de ‘<em>gewone’</em> zorg zijn we vertrouwd met de functie van de huisarts in de eerste lijn: deze luistert, diagnosticeert, behandelt lichte klachten zelf en verwijst zo nodig door. In de jeugd- en gezinshulp bestaat zo’n vertrouwde eerste lijn nog steeds niet. Die moet er eindelijk komen en deze rol moet vervuld gaan worden door lokale Jeugd- &amp; Gezinsteams.</p>
<p>In zo’n Jeugd- en Gezinsteam vindt de triage, de basiszorg en de ‘<em>toegang’</em> naar alle vormen van leeftijd,-en problematiek-overstijgende hulp en ondersteuning voor kind en gezin plaats. Hier worden beslissingen genomen of hulp en steun nodig is en in welke vorm. Ook bij eventuele verwijzingen blijft dit het casemanagement en het aanspreekpunt voor het gezin, de kinderen en jongeren.</p>
<p>Vanwege deze belangrijke functie van eerstelijns organisaties moeten aan deze Jeugd- en Gezinsteams (JGT) hoge kwalitatieve eisen gesteld worden die landelijk worden bepaald en voorgeschreven. Lokaal dienen de betrokken zorgaanbieders hoogwaardige professionele eerstelijns Jeugd- en Gezinsteams in te richten. In deze lokale, laagdrempelige, multidisciplinaire teams werken professionals met tenminste de volgende expertises samen: de Jeugd Ggz, Jeugd Gehandicapten, Jeugdzorg en opvoedhulp, Jongerenwerk en Veiligheid. Hier worden alle vragen en zorgen over opgroeien en opvoeden gecentraliseerd, worden adviezen en lichte kortdurende hulp gegeven en wordt indicatie en doorverwijzing geregeld, ook naar (hoog)specialistische hulp.</p>
<p>Het Jeugd- en Gezinsteam is zichtbaar aanwezig in de wijk. Het team werkt zoals de huisarts: gezinnen en jongeren die vragen hebben of problemen ervaren kunnen er terecht. Professionals in het team geven bij simpele vragen een advies. Bij problemen onderzoeken zij wat er speelt, bieden zelf hulp, of zorgen voor een verwijzing naar anderen of gespecialiseerde hulp. Het gezin/de jongere krijgt een vaste professional uit het team op wie ze altijd terug kunnen vallen en die betrokken blijft, ook bij verwijzing.</p>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="253">
<li><strong>Dit eerstelijns Jeugd- en Gezinsteam wordt een door het Rijk opgelegde verplichte decentrale private non-profit basisvoorziening, die lokaal conform landelijke basisnormen wordt ingericht.</strong> Met multidisciplinaire triage, uitvoering en verwijzing. Ook acute, ernstige (gewelds)problematiek kan voor intake en indicatiestelling terecht bij dit team. De lokale Jeugd- en Gezinsteams kunnen onafhankelijk werken, vanuit richtlijnen en evidence based methodieken, met ruimte voor praktische wijsheid. Ze hebben geen ambtelijke aanstelling, omdat ze in dat geval arbeidsrechtelijk zouden vallen onder het instructierecht van de gemeente. Dat staat haaks op hun beroepsgeheim, hun gebondenheid aan het kwaliteitsregister, hun aansprakelijkheid via het tuchtrecht en hun autonome vrijheid om vanuit praktische wijsheid voor het gezin of de jongere het beste te kiezen en te doen. De financiering gaat ook niet via de gemeenten, maar vanuit de regionale zorgkantoren. De eerstelijns jeugdzorgprofessionals kunnen -waar nodig- doorverwijzen naar (hoog) specialistische hulp. Ze doen dat onafhankelijk en zijn daarom nooit in dienst van of gedetacheerd door organisaties van de (hoog)specialistische lijn.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="254">
<li><strong>De ‘<em>casemanager’</em> van het Jeugd- en Gezinsteam is het vaste gezicht voor het gezin. Deze geeft zowel advies als begeleiding en adviseert over verwijzing naar hulp die het team zelf niet kan geven. Na verwijzing volgt de casemanager het gezin en het verloop van de hulp, en grijpt in als hulp te lang duurt of onvoldoende is.</strong> Deze bevoegdheid helpt met het afschalen en beëindigen van zorg en het op tijd terugschakelen naar de eerstelijn of civil society.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="255">
<li><strong>We handhaven daarbij in de wet de huisartsen, jeugdartsen en specialisten als verwijzer en schrappen de zogenaamde medische route dus niet. We versterken de Praktijk Ondersteuners Huisarts. </strong>Het is goed dat huisartsen standaard een POH Jeugd en POH GGZ hebben, die vroeg signaleren, laagdrempelig zijn en op tijd hulp kunnen inroepen. Hiermee vormen huisartsenzorg en sociaal domein een belangrijke verwijzingsfunctie naar het Jeugd- en Gezinsteam. Jeugd- &amp; Gezinsteams moeten daarom goed samenwerken met de huisartsen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="256">
<li><strong>Het Jeugd- en Gezinsteam vormt een spin in het web van alle lokale instellingen en organisaties waar ouders, opvoeders, kinderen en jongeren mee te maken hebben.</strong> Denk aan scholen (Zorg Advies Teams), huisartsen, GGD en Jeugdgezondheidszorg en politie, maar ook aan sociaal werk, kinderdagverblijven en naschoolse opvang. Al deze instellingen weten het team te vinden en kunnen er makkelijk een beroep op doen. Dit vraagt om een langjarige benadering in de organisatie van dit team en de bijbehorende professionals. Deze inrichting gaat uit van stabiliteit en continuïteit. Niet met een systeem van aanbesteden, maar met een duurzame subsidierelatie.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="257">
<li><strong>De reikwijdte van de jeugdzorg(plicht) is nu te onduidelijk en vraagt om precieze afbakening. Er moet duidelijk zijn wat van het team Jeugd- &amp; Gezin verwacht mag worden en wat van anderen als ouders/opvoeders, het onderwijs, de volwassenen-GGZ, zorgverzekeraars en andere gemeentelijke frontlijnprofessionals. </strong>De richtlijnen voor deze afbakeningen kunnen jeugdzorgprofessionals het best zelf ontwikkelen. Het is belangrijk dat zij meer duidelijkheid verschaffen in de vorm van minimumnormen (de jeugdzorg die altijd geleverd wordt) en standaarden. De Jeugd- en Gezinsteams zijn betrokken bij de keuzes rond het aanbod van (hoog)specialistische hulp in de eigen regio.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="258">
<li><strong>De Jeugd- en Gezinsteams leggen inhoudelijk en op gelijke wijze verantwoording af aan de zorgkantoren</strong>.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="259">
<li><strong>De (hoog)specialistische zorg moet aansluiten op de vraag van de eerstelijns jeugdzorg-professionals en hun cliënten.</strong> Net als alle nodige en nuttige publieke zorg gaat de financiering via de regionale zorgkantoren, die daartoe extra expertise krijgen en gebonden zijn aan de indicering door de jeugd- en gezinsteams van professionals. De inkoop van (hoog)specialistische jeugdzorg is nu nog een taak van gemeenten. Dit werkt niet: de benodigde vakkennis ontbreekt, de schaal is te klein en de kosten zijn onvoorspelbaar. Gemeenten menen zich soms zelfs te moeten bemoeien met besluiten om (hoog) specialistische zorg bij een cliënt bij te schakelen, omdat dat nu eenmaal, op korte termijn (!), duurder is. Hiermee gaat de financier op de stoel van de zorgprofessional zitten en dat moet absoluut vermeden worden. Net als andere zorg wordt ook (hoog)specialistische jeugdzorg niet meer ingekocht maar gefinancierd met duurzame subsidierelaties met publieke, niet-commerciële instellingen in de vorm van zorgcoöperaties. De zorgkantoren stimuleren de ontwikkeling van onafhankelijke kwaliteitskeurmerken en -eisen en innovatie.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="260">
<li><strong>De (hoog)specialistische zorgaanbieders zijn dienstbaar aan de eerstelijn en zijn beschikbaar met expertise en advies op maat. De eerstelijn blijft casemanager, ook na doorverwijzing. De aanbieders moeten hulp zoveel mogelijk decentraal en kleinschalig uitvoeren, zo dicht mogelijk bij het kind en zoveel mogelijk thuis.</strong> Daarom is het van belang dat de (hoog)specialistische aanbieders investeren in het ontwikkelen van alternatieven, inclusief tijdige en passende (om)scholing van personeel.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="261">
<li><strong>Jeugdbescherming is aan de orde als er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de jeugdige en wanneer deze ontwikkelingsbedreiging onvoldoende afgewend kan worden met hulpverlening in het vrijwillig kader. De ontwikkel belangen van het kind worden daarbij als uitgangspunt genomen, waarbij bij voorkeur vanuit de bestaande gezinssituatie gewerkt wordt.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="262">
<li><strong>Veiligheidsexpertise dient onderdeel te zijn van het eerstelijns Jeugd en Gezinsteam.</strong> Dit team moet in staat zijn tijdig te herkennen als de veiligheid van kinderen in gevaar komt, kennis hebben van de meeste passende interventies en kunnen afwegen wanneer het gedwongen kader van een Onder Toezicht Stelling (OTS) van meerwaarde/noodzakelijk is.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="263">
<li><strong>De optie ‘<em>drang’</em> verdwijnt als onwettige tussenvorm tussen vrijwillige hulpverlening en wettelijk opgelegde jeugdbeschermingsmaatregelen.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="264">
<li><strong>Het melden van ernstige bedreigingen moet duidelijker, en langs minder schijven dan nu het geval is. </strong><strong><em>Veilig Thuis </em></strong><strong>wordt samengevoegd met de Raad voor de Kinderbescherming. Deze instantie krijgt de functie van instantie waar gemeld moet worden, naast de functie die hij al vervult: het beoordelen en onderzoeken van meldingen en advisering van de kinderrechter over maatregelen (rekest en onderzoeksfunctie). Deze Raad vervult een onafhankelijke functie: meldingen registreren, onderzoeken, beoordelen en &#8211; waar noodzakelijk &#8211; op basis daarvan een advies over de te nemen maatregelen voor te leggen aan de kinderrechter. Het is beslist niet de bedoeling dat de Raad maatregelen mee uitvoert. </strong>Wel is zij overlegpartner om juridische kinderbeschermingsmaatregelen te helpen voorkomen. Het is van belang dat de Raad aan waarheidsvinding doet (zoals beschreven in <em>“Actieplan verbetering feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen”</em>). De Raad moet daarbij in staat zijn (en de middelen hebben) om multidisciplinaire teams samen te stellen. Hierbij valt te denken aan klinische, gedragsdeskundige, medische, forensische en juridische expertise. Het is aan te bevelen grootschalige audits te doen naar de kwaliteit van rapportages en waarheidsvinding. De Raad voor de Kinderbescherming, gezinsvoogdijinstellingen en ketenpartners nemen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het tijdig signaleren en monitoren van benodigde hulpverlening voor groepen die nu een verhoogd risico lopen op hulpverlening binnen het gedwongen kader van jeugdbeschermingsmaatregelen en uithuisplaatsingen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="265">
<li><strong>Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wil terecht een eerlijke balans tussen de betrokken partijen in een rechtszaak waarborgen. Ouder(s) en kind(eren) krijgen daarom </strong><strong><em>ieder </em>kosteloze juridische bijstand door een gespecialiseerd familie/jeugdrechtadvocaat zodra er sprake is van contacten met de jeugdbeschermingsketen.</strong> In kinderbeschermingszaken is de verzoekende instantie namelijk een professionele (overheids-)instantie die de kennis en middelen tot haar beschikking heeft om deskundig onderzoek te (laten) verrichten, juristen in huis heeft en ook over de middelen beschikt om een advocaat in te schakelen. Het gezin dat te maken krijgt met een verzoek tot een kinderbeschermingsmaatregel, heeft deze middelen niet vanzelfsprekend tot zijn beschikking.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="266">
<li><strong>De kinderrechter moet zelf inhoudelijk oordelen en niet bij voorbaat uitgaan van de beoordeling door de aanvragende instantie. Er komt een overzichtelijk algemeen toegankelijke richtlijn, die zowel geldt voor de verzoekende instantie als de kinderrechter en toeziet op het besluitvormingsproces in kinderbeschermingszaken.</strong> Daar gaat nu teveel mis. Zo blijken zgn. vrijwillige uithuisplaatsingen onder druk plaats te vinden en worden financiële omstandigheden te vaak opgevoerd zonder dat bezien wordt of die omstandigheden ook verbeterd kunnen worden. De kinderrechter kan daartoe in de toekomst ook maatregelen voor opleggen, bijv. in kader van schuldsanering en aanvullende bijstand. De ouder(s) en kind(eren) moeten kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces en moeten zelfstandig in de gelegenheid worden gesteld om zijn of haar standpunten naar voren te brengen. Door hen verstrekte informatie en bewijsmiddelen moeten worden meegenomen in de besluitvorming. De ouder(s) en kind(eren) moeten, als er een maatregel wordt opgelegd, een rechtsmiddel hiertegen kunnen aanwenden. Dat geldt ook wanneer zij spijt hebben van vrijwillige uithuisplaatsing.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="267">
<li><strong>Uitgangspunt is dat uithuisplaatsing zoveel mogelijk moet worden voorkomen, en dat aangetoond moet worden dat andere oplossingen onvoldoende veiligheid bieden. De bewijslast ligt bij degene die uithuisplaatsing vraagt, en niet meer bij ouders en/of het kind da nu vaak moet aantonen dat het thuis wel veilig is.</strong> Uit onderzoek blijkt dat in de laatste jaren minder vaak onafhankelijke diagnostiek wordt verricht. Met als belangrijkste reden dat de financiering van een dergelijk onderzoek niet van de grond komt. Een besluit moet zijn gebaseerd op een voldoende feitelijke grondslag. Daarom mag het recht op diagnostiek en/of contra-expertise geen lege huls zijn vanwege financiële problemen. Er dient te worden geïnvesteerd in de instanties die het deskundigenonderzoek financieren en instanties die het deskundigenonderzoek uitvoeren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="268">
<li><strong>De door de rechter opgelegde maatregel (een Ondertoezichtstelling of een voogdij) moet worden uitgevoerd door een publieke beschermingsorganisatie; de gecertificeerde instelling.</strong> Die organisatie wordt door het Rijk gefinancierd, is regionaal georganiseerd, en wordt lokaal uitgevoerd. Deze organisatie voert van rechtswege de regie en dus ook het casemanagement. Om de lijn met de eerste lijn te houden, stellen we voor dat de veiligheidsprofessional uit het eerstelijnsteam, in deze situatie, bij uitzondering, wèl in dienst kan zijn van de gecertificeerde veiligheidsorganisatie als vooruitgeschoven post. Zo kan deze zowel voor als na de maatregel betrokken zijn en blijven bij het gezin. Dit voorkomt verschillende gezichten, maar ook het ongerechtvaardigd doorschuiven van gezinnen met zware casuïstiek van vrijwillig naar gedwongen kader. Er kan voor niemand onduidelijkheid bestaan over de status van de hulp: voor de maatregel werkt de veiligheidsprofessional in vrijwillig kader met het gezin, na de maatregel is de vrijwilligheid eraf.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="269">
<li><strong>We stoppen de woekering van (digitale) informatie over ouders, kinderen, jongeren die zonder hun medeweten en zeggenschap online wordt verzameld en gedeeld en die niet zorgvuldig bijgehouden en gecorrigeerd kan worden.</strong> We schaffen daarom in ieder geval zo spoedig mogelijk de Verwijsindex risicojongeren (VIR) af, en de overheid formuleert strenge eisen over het woekeren van digitale informatie over ouders, jongeren en kinderen. Gecorrigeerde (concept) rapporten moet met zich meebrengen dat oudere versies vernietigd worden en dat de client inzage heeft in zijn eigen digitale dossier.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="270">
<li><strong>Voor de jeugdreclassering (ook onderdeel van de gecertificeerde instelling) is een andere weg af te leggen: via politie of leerplicht wordt een kind middels een proces-verbaal aangemeld voor een straf-/of leerplichtzitting. De Raad voor de Kinderbescherming doet een onafhankelijk onderzoek doet over de gewenste afdoening. Een jeugdreclasseringmaatregel wordt door de rechter toegewezen aan de gecertificeerde instelling. De jeugdreclassering werkt in opdracht van de rechtbank en heeft van rechtswege de regie. </strong>Ook hier is sprake van rechtstreekse bekostiging van het Rijk, regionaal werkgeverschap, lokale uitvoering, en platte organisaties.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="271">
<li><strong>We investeren fors in de wijkpolitie en jeugdwelzijnswerk om ook hier preventief te zijn. Het onderwijs wordt hier nauw in betrokken. Er komt een actieplan voor de kwetsbare wijken waar jongeren de grootste risico’s lopen te vervallen in criminaliteit,</strong> met speciale aandacht voor de drugshandel en wapengebruik (waaronder messen en illegaal vuurwerk).</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="272">
<li><strong>We beëindigen de gesloten jeugdzorg (de zgn. JeugdzorgPlus) voor kinderen die een gevaar vormen voor zichzelf of hun omgeving.</strong> De kinderrechter kan die nu opleggen aan kinderen die suïcidaal zijn, zichzelf beschadigen, een ernstige drugsverslaving hebben of bijvoorbeeld erg agressief zijn. In 2020 zaten ruim 1800 kinderen voor korte of langere tijd in de gesloten jeugdzorg. Uit onderzoek blijkt dat de meeste kinderen meer beschadigd raken in deze gesloten inrichtingen dan dat ze er geholpen worden. Ze maken veel geweld en repressie mee in deze 16 gesloten jeugdzorginstellingen, waaronder isolatie, houden daar traumatische herinneringen aan over en doen nieuwe angsten op. Het blijkt een onveilige plek te zijn die herstel en ontwikkeling in de weg staat, zeker als het verblijf langer duurt, wat vaak voorkomt. De kinderen wisselen vaak van groep terwijl het kinderen zijn die al lastig mensen vertrouwen en moeilijk contact aangaan. En het onderwijs is er beperkt. Daardoor beginnen ze na de gesloten jeugdzorg vaak met een achterstand in de samenleving. Het is hard nodig dat er snel alternatieve behandelingen worden gerealiseerd, in kleinere, meer huiselijker woongroepen (nu zijn JeugdzorgPlus instellingen vaak gehuisvest in voormalige jeugdgevangenissen). Een goed voorbeeld is Amsterdam (‘de Koppeling’): Sinds 2018 vormen politie, gemeente en onderwijs met de jeugdhulpinstellingen daar samen de beweging <em>‘Radicaal stoppen met dwang en drang’</em>. Als iemand zich grote zorgen maakt over een jongere die onder een brug slaapt en nergens een plek vindt, zoekt men oplossingen zonder hem gesloten te plaatsen. Iedereen heeft zich gecommitteerd aan de opdracht. Werken met kinderen en gezinnen met complexe en meervoudige problemen is topsport en topsporters verdienen optimale ondersteuning. Het vraagt specifieke training. Het relationele werken moet centraal staan. Medewerkers moeten leren om achter het gedrag van kinderen te kijken en vanuit de relatie af te stemmen op wat een kind nodig heeft. Zoals meisjes die te maken hebben met seksespecifieke problematiek en mensenhandel. Kinderen waar je nog geen relatie mee hebt opgebouwd lopen weg, worden weer verkracht in kelderboxen, onttrekken zich aan traumabehandeling, gaan weer zwerven en dingen doen die niet goed zijn voor henzelf of anderen. Daarvoor kan tijdelijk een deur op slot moeten. Maar als iemand een suïcidepoging doet, dan is dat nooit een reden voor afzondering. Professionals moeten juist dan erbij blijven ze niet alleen laten. Onderwijs gaat zoveel mogelijk door, al zal dat niet voor iedereen meteen lukken. Sommige hebben nog bescherming, rust of behandeling nodig. Maar zodra het kan gaan ze naar de school van herkomst of naar de school van de toekomst. Als het nodig is gaat er iemand mee of worden ze gehaald of gebracht. Onderwijs is de beste vorm van zorg voor kinderen. Je moet zorgen dat ze hun talent ontdekken en kunnen blijven leren. Isolatie is nooit goed.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="273">
<li><strong>We organiseren een dialoog tussen burger, professional en beleidsmakers over de optimale ontwikkeling en opvoeding van kinderen en over de gewenste ondersteuning daarbij. We zien elke klacht als een kans om de zorg beter te maken. We organiseren intervisie en reflectie op alle niveaus en betrekken hier ervaringsdeskundigen bij.</strong> We maken één voorportaal voor alle klachtroutes in de jeugdzorg, waarin zorgvuldig gekeken wordt waar de klacht thuishoort, en we verplichten klachtinstanties onderling naar elkaar te verwijzen en samen te werken. Klagers krijgen het recht op onafhankelijke cliëntondersteuning waarbij ervaringsdeskundigen de lead krijgen. We passen de individuele aansprakelijkheid van de professional (het huidige tuchtrecht) aan door ook de organisatiecontext mee te nemen in het oordeel over aansprakelijkheid. Bestuurders en managers moeten ook aansprakelijk kunnen worden gesteld als zij het professionals onmogelijk maken om hun werk te doen, conform de professionele standaarden. We brengen structureel de klachten in kaart. Ook in de informele klachtenprocedure. We organiseren een platform waar jeugdprofessionals ervaringen kunnen delen. En klager en beklaagde moeten gebruik kunnen maken van juridische bijstand, zoals sociale advocatuur en juridische bijstand. Gratis voor de klager en gefaciliteerd door werkgevers voor de beklaagde.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="274">
<li><strong>Het is erg belangrijk te kijken naar de context waarin kinderen opgroeien en die hun problemen verergert. </strong>Daarbij wordt terecht veel gewezen op de prestatiedruk en competitie in het onderwijs. Dat is veel te veel een hindernisloop, waarin ouders volop <em>second opinions</em> eisen bij een niet perfect genomen hindernis, en waarin vermogende ouders makkelijk 500 euro per vak neertellen voor commerciële bijlesprogramma’s en zo de kinderen van niet vermogende ouders op nooit meer in te halen achterstand zetten. De onderwijsmaatregelen in dit programma zijn er mede op gericht de prestatiedruk en competitie in het onderwijs te verminderen. Overigens is armoede zelf geen veroorzaker van de groei van de jeugdzorg. Gedragsproblemen bij jongeren uit arme gezinnen komen niet vaker bij jeugdzorg – sterker nog, de groei van de jeugdzorg blijkt vooral plaats te vinden in de wijken waar de inkomens het hoogst zijn. Er is geen enkel empirisch bewijs dat armoede vaker tot gedragsproblemen leidt. Armoede wordt vaak in verband gebracht met criminaliteit, maar dat verband is vervuild door etnische profilering.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="275">
<li><strong>Een andere belangrijke context zijn de onrustbarende stijgende aantallen vechtscheidingen.</strong> In 60 tot 70 procent van de gezinnen die jeugdbeschermers begeleiden, is er sprake van een complexe scheiding, aldus het ministerie van Justitie. De jeugdbeschermers schakelen voor de gezinnen hulp in, maken afspraken over de omgang met de kinderen en proberen ouders aan die afspraken te houden. Een vaak schier onmogelijke opdracht. Jaarlijks gaan in Nederland de ouders van ongeveer 70.000 minderjarige kinderen uit elkaar. Ruim 7000 scheidingen worden gezien als een complexe scheiding of vechtscheiding. Ouders hebben dan aanhoudende, ernstige conflicten en verliezen het belang en welzijn van hun kinderen uit het oog. Naar schatting hebben jaarlijks tussen de 10.000 en 14.000 kinderen ernstige hinder van de scheiding van hun ouders. Uit onderzoek blijkt dat de rechter deze kinderen vaker onder toezicht plaatst. Ze krijgen dan een jeugdbeschermer toegewezen. Op dat moment zitten ouders vaak al in wat de <em>“we gaan samen ten onder-fase”</em>, waarin de voormalige geliefden elkaar het licht in de ogen niet meer gunnen. De jeugdbeschermers schakelen voor de gezinnen hulp in, maken afspraken over de omgang met de kinderen en proberen ouders aan die afspraken te houden. Een vaak schier onmogelijke opdracht. Beide ouders doen in de praktijk vaak hun uiterste best om de hulpverlener een kant te laten kiezen. Ook de minister voor Rechtsbescherming ziet de toename van complexe scheidingen die bij de jeugdbescherming belanden als een probleem. Hij vindt hun hulp vaak niet passend en zoekt nu alternatieven om gezinnen te helpen. De minister wil een route waarbij specialistische expertise eerder beschikbaar is om ouders te helpen en hen te bewegen hun ernstige conflicten op te lossen. Het gaat ook om het wegnemen van onzekerheid over onderdak, het aanpakken van schulden en persoonlijke problemen die tot een verharding van het conflict kunnen leiden. Dat is een goede route, maar het duurt – alweer – veel te lang door oneindig te polderen. De voorstellen in dit programma over een verbod op huisuitzetting en voor een schuldenoffensief zullen al veel helpen. Daarnaast moet er een casemanager komen met doordrukmacht om tijdig escalatie te voorkomen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="276">
<li><strong>We zorgen we voor een structurele oplossing van de 18-plus overgangsproblematiek, door het mogelijk te maken jeugdzorg ook na meerderjarigheid te verlengen.</strong> We maken een verlengde jeugdzorg tot 27 jaar mogelijk. De jeugdzorg laat daarin een jongere pas los als aan de volgende vijf voorwaarden is voldaan:</li>
</ol>
<ul>
<li><em>Support: </em>er is minimaal één volwassene duurzaam beschikbaar op wie de jongere kan terugvallen en die een stabiel en steunend netwerk biedt;</li>
<li><em>Wonen: </em>de jongere heeft een passende, betaalbare en stabiele woonplek;</li>
<li><em>School &amp; Werk: </em>de jongere gaat naar school en/of heeft een baan die voldoende basis biedt voor een toekomstige loopbaan;</li>
<li><em>Inkomen: </em>de jongere heeft voldoende inkomen en een plan op het voorkomen en/of oplossen van schulden;</li>
<li><em>Welzijn: </em>de jongere is fysiek en mentaal in balans en heeft een plan op signaleren van disbalans. Er is (indien nodig) zorg beschikbaar tot 27 jaar.</li>
</ul>
<p>Een apart probleem hier is dat het meestal niet mogelijk is om een indicatie met de grondslag verstandelijke beperking te krijgen indien deze beperking niet voor het 18<sup>e</sup> jaar is vastgesteld. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet is gebeurd. Zo is een deel van deze cliënten opgegroeid en opgevangen door ouders of binnen het eigen netwerk. Op het moment dat ouders en het netwerk dat niet meer aan kunnen, wordt een indicatie aangevraagd. Migranten behoren tot een andere groep cliënten, waarbij vaak niet voor het 18<sup>e</sup> levensjaar een verstandelijke beperking is vastgesteld of daarover geen gegevens beschikbaar zijn. We maken in deze gevallen alsnog indicatie mogelijk voor jeugdzorg voor 18-plussers.</p>
<p> </p>
<ol start="277">
<li><strong>Er is ook een tekort aan pleegzorgouders. We moeten pleegzorgouders goed subsidiëren en faciliteren</strong>, opdat dit veel aantrekkelijker wordt. <strong>Pleegkinderen krijgen een wettelijk recht op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="278">
<li><strong>We zorgen voor jongeren voor een duurzame, landelijk dekkende, preventie-infrastructuur buiten de jeugdzorg.</strong> In zo’n structuur zijn doeltreffende preventieve hulp en steun beschikbaar via de voorzieningen waar jongeren en hun gezin in hun dagelijks leven mee te maken hebben: bij de jeugdgezondheidszorg, de kinderopvang, in het onderwijs, bij de (huis)arts en op de sportclub. Dit betekent lange termijn organiseren en faciliteren. En in de tussentijd moeten we niet de kinderen en gezinnen die jeugdzorg nodig hebben uit het oog verliezen.</li>
</ol>
<p>Meer specifiek zetten we een preventieve infrastructuur op door de programma’s <em>‘Kansrijke Start’</em> en <em>‘De Gezonde School’</em> duurzaam te verankeren en het bereik ervan te verhogen. We vullen beide programma’s met interventies die zijn gericht op jeugdzorg en interventies uit de database <em>‘effectieve jeugdinterventies’</em>, waardoor de druk op jeugdzorg vermindert. We verplichten dat gemeenten scholen faciliteren om mee te doen aan het programma <em>‘Gezonde school’</em>.</p>
<p>Het onderwijs moet onderdeel zijn of worden van het sociaal weefsel in de wijk. Werken aan het welbevinden is essentieel in primair én voortgezet onderwijs. Rijk en gemeenten moeten de bevindingen van het programma <em>‘Met andere ogen’</em> overnemen. Het ministerie van VWS dient de Gezondheidsraad te vragen om -in aansluiting op zijn advies <em>De ouder-kindrelatie en jeugdtrauma’s</em>– periodiek te adviseren welke preventieve interventies moeten worden opgenomen in de landelijke preventie-infrastructuur.</p>
<p> </p>
<ol start="279">
<li><strong>We ontwikkelen zorgstructuren en opvoedondersteuning door kraamzorg, verloskundigen, jongrenwerk, kinderopvang, naschoolse opvang, voorschool, leerplicht en de schoolarts.</strong> Er komt een actieplan voor bevordering van de mentale gezondheid van jongeren.</li>
</ol>
<p><em><u>Een ander stelsel van kinderopvang</u></em></p>
<p><em>Kinderopvang is bij uitstek een sociaal grondrecht en een publieke taak. Marktwerking hoort daarin niet thuis.</em></p>
<p><em>De kosten van kinderopvang worden nu door ouders, werkgevers en de rijksoverheid samen betaald. Werkgevers betalen hun deel via de premies sociale verzekeringen, ouders de inkomensafhankelijke eigen bijdrage en de overheid de kinderopvangtoeslag. Ouders betalen afhankelijk van hun inkomen. De overheid vult aan met de kinderopvangtoeslag, die door de belastingdienst wordt uitgekeerd aan de ouders. Peuterspeelzalen worden gesubsidieerd door gemeenten. Ouders betalen daarvoor een ouderbijdrage. Sinds 2013 kunnen werkende ouders ook voor betaling aan de peuterspeelzaal een toeslag aanvragen. </em></p>
<p><em>Om de hoogte van de kinderopvangtoeslag vast te stellen hanteert de overheid maximum uurtarieven voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang. Daarvan krijgen ouders tussen de 33 en 96 procent vergoed, afhankelijk van hun inkomen. Daar zijn weer zeventig (!) inkomensschalen voor. Als ouders meer gaan verdienen, komen ze in een hogere schaal en raken ze toeslag kwijt. Dat moedigt niet aan om meer te gaan werken. Als ouders toch een salarisverhoging of betere baan accepteren, maar hun inkomensstijging niet op tijd doorgeven, werden ze in het verleden al gauw aangemerkt als ‘fraudeur’.</em></p>
<p><em>Het overgrote deel van de kinderopvang hanteert een hoger tarief dan de overheid vergoedt. Dit heeft grote consequenties voor de betaalbaarheid, vooral voor de lage inkomens. Omdat de werkelijke tarieven al jaren boven de maximum uurtarieven die de overheid hanteert liggen – zeker bij de buitenschoolse opvang (BSO) – vallen de kosten voor ouders vaak hoger uit. Het overheidstarief is bovendien niet toegesneden op de praktijk waarin de personeelskosten substantieel hoger zijn naarmate het kind jonger is. </em></p>
<p><em>Door het toeslagenschandaal, dat begon met de kinderopvangtoeslag (maar nu ook de huur-</em><em> en zorgtoeslag heeft bereikt), heeft Rutte IV en ook het nieuwe kabinet Schoof in het regeerakkoord opgenomen dat de kinderopvang bijna gratis wordt voor ouders die werken. Zij gaan 4% van een maximum uurbedrag betalen, ongeacht hun inkomen, vanaf 2025 zo was de bedoeling, maar dat wordt inmiddels zeker 2027. De overheid betaalt 96% van dat maximum uurtarief aan de kinderopvangorganisatie. De kinderopvangtoeslag vervalt daarbij. Alles bovenop het maximum uurtarief – dat dus niet een hard maximum is – moet door ouders zelf worden betaald.</em></p>
<p><em>Vooral rijke gezinnen gaan er van profiteren. Werkende ouders met lagere inkomens krijgen de kosten voor kinderopvang nu al grotendeels vergoed. In het nieuwe plan gaat dat ook gelden voor hogere inkomens. Het Sociaal en Cultureel Planbureau concludeert dat de bijna gratis kinderopvang weinig oplevert. De </em><em>Brancheorganisatie Kinderopvang is er bang voor dat de kwaliteit verslechtert als de kinderopvang straks gratis is. De vrees is dat er te veel sprake is van vrijblijvendheid, terwijl goede kinderopvang juist structuur en regelmaat nodig heeft. De verwachting is dat de vraag naar kinderopvang explosief stijgt, waardoor er nóg langere wachtlijsten ontstaan. Volgens het ministerie van SZW dreigt het tekort aan gekwalificeerde medewerkers in de kinderopvang in 2031 door het bijna gratis maken te stijgen van 7000 naar 29.000 medewerkers. Gevolg: minder medewerkers per kind, kortere openingstijden en waarschijnlijk langere wachtlijsten.</em></p>
<p><em>Omdat kinderopvangorganisaties een hogere prijs mogen blijven rekenen, lopen met name ouders met lagere inkomens (die nu 96% van hun kosten vergoed krijgen via de kinderopvangtoeslag) het risico dat zij straks juist veel meer zelf moeten gaan betalen, zo waarschuwde het SCP. </em><em>Doordat ouders met hoge- en middeninkomens straks meer geld overhouden, vrezen experts dat kinderopvangaanbieders hun tarieven nog verder boven de maximum-uurprijs laten uitstijgen. Dat zou ouders met een laag inkomen relatief hard treffen. Terwijl kinderopvang vooral kan bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uit lagere sociaaleconomische milieus. Juist de kinderen die opvang het meeste nodig hebben, dreigen via deze maatregel uit het systeem gedrukt te worden. Bij voorjaarsnota 2023 liet Rutte IV weten te bezuinigen door de hele maatregel uit te stellen tot 2027…</em></p>
<ol start="280">
<li><strong>We maken een eind aan de marktwerking in de kinderopvang. Beter is het om de kinderopvang net als onderwijs een basisvoorziening wordt voor alle ouders, en dat het niet meer gekoppeld is aan de arbeid van ouders.</strong> Kinderen worden nu een of twee dagen per week gebracht, wat betekent dat zij steeds in wisselende groepen zitten. Kinderen zijn gebaat bij continuïteit en dat wordt nu bedreigd. De verwachting is dat als kinderopvang een publieke basisvoorziening wordt, er meer ouders gebruik van zullen maken. Het allerbelangrijkste voor ouders is dat ze weten dat ze een goede kwaliteit hebben en als het een basisvoorziening is, wordt de kwaliteit beter door meer continuïteit, meer status, betere salariëring, net zoals een voorziening als het onderwijs. Als je kinderopvang ziet als een middel om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen en achterstanden te bestrijden, dan moet je die opvang voor álle kinderen toegankelijk maken, ook voor kinderen van niet-werkende ouders.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="281">
<li><strong>We moeten voorts de kinderopvang organisatorisch, financieel en inhoudelijk verbinden met de school, inclusief de buitenschoolse opvang en de voorschool, en met de <em>‘rijke schooldag’</em>.</strong> De schooldag met lessen wordt dan verrijkt met spel en sport en cultuurbeoefening, en met (gratis en gezonde) maaltijden, maar ook met gratis huiswerkbegeleiding en bijspijkerlessen. Alle basisscholen zijn dan geïntegreerd met goede kinderopvang, waaronder gratis voorschool en peuterspeelzalen. En alle scholen in het voortgezet onderwijs zijn dan goed geïntegreerd met buitenschoolse opvang.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="282">
<li><strong>Dat vraagt om het volledig publiek maken van de kinderopvang – we moeten stoppen met het financieren van commerciële kinderopvang. Kinderopvang mag geen winst meer uitkeren en het moet volledig ingebed zijn op school in een goede pedagogische omgeving met hoge kwaliteitsstandaarden.</strong></li>
</ol>
<p>Voor de invoering moet een verantwoord tijdpad worden genomen, waarbij ook de tekorten worden weggewerkt. Andere opvang wordt niet meer door de overheid gefinancierd. Alleen dan kan de kinderopvangtoeslag ook verantwoord worden afgeschaft.</p>
<p> </p>
<ol start="283">
<li><strong>Met de invoering van het nieuwe publieke stelsel voor gratis kinderopvang voor alle ouders, zonder werkentoets, wordt de kinderopvangtoeslag afgeschaft. Vooruitlopend daarop wordt de toeslag niet meer als voorschot, maar uitgekeerd op basis van het inkomen in het jaar daarvoor. Alleen bij grote inkomensterugval kan worden verzocht om het huidige inkomen als peiljaar te nemen.</strong></li>
</ol>
<p>Ook gaan we inkomens die volgens gegevens van Belastingdienst recht hebben op toeslagen daar op wijzen. Verder gaan we vooruitlopend op het nieuwe stelsel winstuitkeringen verbieden en zo nodig de tarieven reguleren, opdat die niet hoger zijn dan de vergoeding in de kinderopvangtoeslag.</p>
<p><em><u> </u></em></p>
<p><em><u>Onderwijscrisis en gelijke kansen</u></em></p>
<p><em>Ook in het onderwijs is er sprake van een grote crisis. De resultaten van ons onderwijs laten een groot verlies aan kwaliteit zien. Eén op de drie 15-jarigen is functioneel analfabeet, het gebrek aan zelfredzaamheid in onze complexe samenleving is mede daardoor enorm aan het groeien, terwijl de overheid dat tegelijkertijd steeds meer vraagt en zichzelf terugtrekt. Ook op andere terreinen van kennis en vaardigheden is er een ontstellend tekort te zien. Dit bedreigt enorm de hoogwaardige kennissamenleving die wij willen zijn. Daarenboven is er sprake van een groeiende ongelijkheid en tweedeling in het onderwijs, met schier onoverbrugbare achterstanden. We moeten inzetten betere, maar ook veel meer gelijke resultaten. Gelijke kansen is daarbij onvoldoende en versterkt de ongelijkheid, als de startsituatie al zo ongelijk is. We gaan daarom grote veranderingen in ons onderwijsstelsel realiseren, behorend bij onze bredere strijd om de enorme maatschappelijke ongelijkheid te keren.</em></p>
<p><em><u>De meritocratische illusie</u></em></p>
<p><em>Wij zetten ons af tegen de meritocratische illusie dat als je maar gelijke toegang tot het onderwijs garandeert, iedereen die zijn best doet goed terecht komt in de maatschappij. de maatschappij. Een te beperkte focus op alleen maar gelijkheid van kansen, terwijl de ongelijkheid in inkomen en vermogen/bezit buiten beschouwing wordt gelaten, versterkt alleen maar de ongelijkheid: meer kansen zal – zeker zonder substantiële positieve discriminatie – alleen maar leiden dat de meest kansrijken daar het meest van profiteren. Pleiten voor gelijke uitkomsten is voor (neo)liberalen geen optie, want dat zou mensen maar lui maken. Ook voor sociaaldemocraten was het lang not done, want ‘we zijn immers geen communisten’. Maar ongelijke uitkomsten zorgen voor machtsverschillen, waarmee startposities gemanipuleerd kunnen worden. Ook sociaaldemocraten gingen geloven dat de winnaars dat ook verdiend hadden, zij waren immers de besten gebleken, en dus gingen we te pas en vooral te onpas steeds meer ‘excellentie’ benoemen, ook in het onderwijs.</em></p>
<p><em>Het is heel makkelijk om in ‘gelijke kansen’ iets vooruitstrevends te zien, maar als de dagelijkse omstandigheden zo uiteenlopen dat voor écht gelijke kansen radicale veranderingen nodig zijn en als politici ‘weinig of niets te zeggen hebben over de concrete politieke voorwaarden die daarvoor nodig zijn’, dan is praten over gelijke kansen in de woorden van filosofe Lorna Finlayson een ‘geruststellend maar ronduit belachelijk idee’. In een competitieve neoliberale marktsamenleving zijn gelijke kansen vooral een excuus om een groeiende sociaaleconomische kloof te legitimeren. Daar worden gelijke kansen een stok om ‘achterblijvers’ mee te slaan, denken winnaars dat ze hun succes volledig aan zichzelf te danken hebben en voelen verliezers zich steeds minder thuis bij die zelf-feliciterende kaste van winnaars, zoals filosoof Michael Sandel in zijn boek ‘Tyranny of Merit’ laat zien. Zelfs het miljonairsblad Quote roept links Nederland op om de bestrijding van ongelijkheid tot speerpunt te maken. Het is niet dat we het ons niet kunnen veroorloven om armoede uit ons land te verbannen, het is de hebzucht van degenen die enorme hoeveelheden kapitaal verzamelen en de onwilligheid van onze overheid om tot correctie en dus tot fiscale herverdeling over te gaan, die veroorzaakt dat deze schandalige misstand blijft bestaan.</em></p>
<p><em>Ook het SCP rapport Eigentijdse Ongelijkheid van 7 maart 2023 (</em><a href="https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/03/07/eigentijdse-ongelijkheid"><em>https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/03/07/eigentijdse-ongelijkheid</em></a><em>) trapt in de val van de meritocratische leugen door klasse primair te definiëren in termen van kansen en mogelijkheden, </em><em>waardoor automatisch veel nadruk op de toekomst komt te liggen. Klasse speelt zich echter ook in het heden af: het bepaalt of mensen nú genoeg geld hebben om naar de supermarkt te gaan en daar eten te kopen. Of dat ze financieel sterk genoeg staan om belangrijke levensbeslissingen te nemen, zoals het kopen van een huis of het krijgen van kinderen. Of dat ze die besluiten juist voor onbepaalde tijd moeten uitstellen wegens gebrek aan financiële mogelijkheden. Leeftijd is daarbij belangrijk: wat heeft iemand van 65 die financieel uitstekend af is aan alle kansen die een uitgebreid sociaal netwerk of kennis van de laatste digitale ontwikkelingen hem zouden bieden? Hij heeft een koophuis, hij heeft vermogen, meer heeft hij niet nodig. Volgens het rapport zou een fysiek aantrekkelijke en hoogopgeleide twintiger met een studieschuld die de helft van zijn inkomen aan huur kwijt is tot een iets hogere klasse behoren dan een gepensioneerde babyboomer met een afbetaald huis en een paar miljoen op de bank. De twintiger is namelijk kansrijk; en kansen en potentie, dat is waar alles om draait bij de methode die het SCP hanteert. Bovenstaand voorbeeld is een effectieve illustratie van de aanpak van de onderzoekers, die drijft op de huidige mode om werkelijk alles te definiëren in termen van kansen. Het SCP is dermate geobsedeerd door kansen en groeimogelijkheden, dat ze de positie van de rijkste en meest vermogende groep definiëren als achtergesteld. Als je het zo bekijkt, gaat het rapport helemaal niet over ‘eigentijdse ongelijkheid’; het handelt vooral over de (mogelijke) toekomst. </em></p>
<p><em>Het SCP gebruikt in haar rapportages over klassenongelijkheid een methode waarbij niet alleen verschil in economische positie bepalend is voor de klassenindeling in de samenleving, maar ook de ongelijke verdeling van hulpbronnen. Die hulpbronnen worden met een beroep op de Franse socioloog Pierre Bourdieu aangeduid als ‘kapitaal’. Zo spreekt het SCP van cultureel kapitaal als ze het hebben over de mate waarin iemand bekend is met bepaalde maatschappelijke codes en normen die toegang geven tot de betere banen, en over sociaal kapitaal als het gaat om toegang tot sociale netwerken. Zelfs als het gaat over ‘economisch kapitaal’ schaart het SCP daar niet alleen inkomen en vermogen onder, maar bijvoorbeeld ook onderwijsniveau. </em></p>
<p><em>Zoals Dylan van Rijsbergen schreef op Jacobin.nl op 20 maart 2023 in een terechte kritische recensie van het SCP-rapport (</em><a href="https://jacobin.nl/scp-rapport-kapitaal-klasse/"><em>https://jacobin.nl/scp-rapport-kapitaal-klasse/</em></a><em>) </em><em>is d</em><em>e selectie van deze methode een politieke keuze. Het SCP verantwoordt deze keuze echter enkel door te verwijzen naar ander wetenschappelijk onderzoek. Instituten als het Planbureau zijn gehecht aan een imago van politiek neutraal expertisecentrum, terwijl er geen wetenschap met een grotere politieke lading bestaat dan de sociologie. Dat het begrip ‘economisch kapitaal’ volgens het SCP ook onderwijsniveau omvat, verantwoorden de onderzoekers bijvoorbeeld met een verwijzing naar de ‘human capital-theorie’ van de Amerikaanse econoom Gary Becker. Zijn werk veronderstelt een direct verband tussen opleidingsniveau, inkomen en productiviteit: hoe hoger het opleidingsniveau hoe productiever. Volgens Becker bevat dit mechanisme de voornaamste verklaring voor het feit dat hoopgeleiden doorgaans meer geld verdienen. Die conclusie lijkt op het eerste gezicht de bestaande inkomensverschillen effectief te legitimeren. In de praktijk zijn de correlaties tussen die variabelen echter zwak, om van causatie maar te zwijgen. </em></p>
<p><em>Het SCP weegt ‘zacht kapitaal’, zoals sociaal en cultureel kapitaal en bijvoorbeeld ook opleidingsniveau, relatief zwaar ten opzichte van ‘hard kapitaal’ zoals vermogen en inkomen. Deze keuze heeft een aantal wonderlijke gevolgen: zo menen de onderzoekers dat drie van de zeven sociaal-economische klassen uit hun systeem een vergelijkbare positie innemen: de jonge kansrijken, de rentenierende bovenlaag en de werkende middengroep. In het visuele overzicht en de tabellen die als bijlage bij het rapport zijn gevoegd, staan de jonge kansrijken vanuit een klein procentueel verschil zelfs bóven de rentenierende bovenlaag. Hier komen we terug bij het eerder besproken voorbeeld van de fysiek aantrekkelijke en hoogopgeleide twintiger die in een klasse boven (of vergelijkbaar met) de rijke pensionaris terecht is gekomen. Omdat de pensionaris over minder sociaal en cultureel kapitaal beschikt, komt deze in de hiërarchie die het rapport hanteert netto ongeveer op dezelfde positie – zelfs iets onder – de jonge kansrijke terecht.</em></p>
<p><em>Het bezit van zacht kapitaal is vanouds het onderscheidend kenmerk van de middenklasse. De Amerikaanse journalist en activist Barbara Ehrenreich definieerde in haar klassieke boek Fear of Falling (1987) de professional middle class als een werkende groep die een eigen, redelijk welvarende niche had ingenomen door opleidingskwalificaties te verzamelen. In tegenstelling tot de bovenklasse waren zij niet in het bezit van een significante hoeveelheid financieel vermogen. Vermogen gaat via het erfrecht over van generatie op generatie, waardoor klasse en status automatisch voor de familie behouden blijven. De juiste diploma’s moet elke generatie echter steeds opnieuw behalen. De middenklasse loopt om die reden continu het risico op neergang van sociale status. Via zacht kapitaal (bijvoorbeeld door kinderen te helpen bij hun studie) kunnen hoogopgeleide ouders de risico’s op sociale neergang voor hun kinderen verkleinen. Zacht kapitaal is echter altijd kwetsbaar: er kunnen dingen gebeuren – ziekte, ongelukken, psychische problematiek of gewoon ongeschiktheid voor cognitief leren – die de kracht ervan tenietdoen. Zacht kapitaal levert ook alleen maar wat op als het omgezet kan worden in hard kapitaal, en dat kan alleen maar door betaalde arbeid te verrichten: het is geen passief inkomen. </em></p>
<p><em>Hoewel het SCP spreekt van de ‘accumulatie’ van dit soort zacht kapitaal, staat die niet in enige verhouding tot de accumulatie van vermogen. Goed belegd inkomen groeit gemiddeld altijd harder dan inkomen dat via arbeid verdiend kan worden; zoals de hiervoor genoemde Franse econoom Thomas Piketty in een langjarige studie onweerlegbaar heeft aangetoond. De wereld van de bovenklasse is die van het harde, financiële kapitaal, in die van de middenklasse is zacht kapitaal veel belangrijker, omdat ‘echt’ vermogen meestal buiten hun bereik ligt. Het SCP kijkt naar de Nederlandse samenleving door de bril van die middenklasse. Die bril vertekent echter.</em></p>
<p><em>Hoewel het SCP in haar rapport wel melding maakt van het bestaan van de vermogende bovenlaag, de allerrijkste 1% van Nederland, verdwijnt deze uit hun klasse-schema. Dit is een groep wier inkomen bijna volledig bestaat uit inkomsten uit aanmerkelijk belang, zoals dividend op aandelen. Passief inkomen dus. Deze groep bezit dan ook maar liefst driekwart van het aanmerkelijk belang van heel Nederland. Het gaat hier om een buitengewoon machtige klasse van grootbezitters, maar het SCP keurt haar geen plek waardig. Door de hierboven beschreven middenklasseblik, volledig beheerst door een wereld die van zacht kapitaal aan elkaar hangt en geobsedeerd door levenskansen en potentie, vindt het SCP de 1% simpelweg niet relevant. Dat is een keuze die belangrijke politieke consequenties heeft. Het komt de bovenklasse goed uit om onzichtbaar te zijn. Het komt haar ook bijzonder goed uit dat de discussie over ‘de kloof’ vooral gevoerd wordt als die tussen hoog- en laagopgeleiden.</em></p>
<p><em>In zijn boek Understanding Class uit 2015 verdeelde de marxistische socioloog Erik Olin Wright theoretici over klasse onder in drie groepen: de eerste groep ziet klasse vooral als het resultaat van de cumulatieve uitkomsten van verschillende achtergronden, zoals het SCP dat doet. De tweede groep is iets radicaler, want deze ziet klasse als het resultaat van in- en uitsluiting van mensen: sociale sluiting of opportunity hoarding. Max Weber is hier belangrijk, maar ook Bourdieu. Deze denkers zien klasse als een relationeel proces: de ene klasse heeft het beter omdát de andere het slechter heeft. De reden is dat de eerste schaarse zaken naar zich toe trekt (bijvoorbeeld opleidingskwalificaties, maar ook sociaal en cultureel kapitaal). De laatste groep theoretici die Wright onderscheidt gaat uit van macht en exploitatie. Hier vinden we onder andere Karl Marx en Wright zelf terug. Mensen worden rijker omdat ze anderen uitbuiten, omdat ze zich de meerwaarde van het werk van anderen toe-eigenen. Ook hier is het proces weer relationeel, maar er is ook een onderlinge afhankelijkheid: de uitbuiter heeft de uitgebuite nodig. </em></p>
<p><em>Ondanks de verwijzingen naar Weber en Bourdieu handelt de studie van het SCP in de kern toch vooral over individuele achtergronden van mensen. Bij Bourdieu bijvoorbeeld heeft cultureel kapitaal een uitsluitende functie, waarbij het doel van de dominante groep is om mensen buiten de welvarende groep te houden. Voor Becker bestaat menselijk kapitaal nu eenmaal; het maakt deel uit van het geraamte van de sociale wereld, hetgeen betekent dat mensen het zullen moeten verwerven. Het SCP trekt zo de radicale angel uit het denken van Bourdieu, die zich bewust was van de mate waarin de middenklasse haar eigen mogelijkheden bewaakt en daartoe barrières opwerpt voor nieuwkomers. Over Marx en exploitatie spreekt het SCP al helemaal niet. Erik Olin Wright meent dat de ontwikkeling van sociologische theorie gekenmerkt wordt door voortdurende verrechtsing: waar in de jaren zeventig nog veel aandacht was voor marxisme en exploitatie, legden sociologen vanaf de jaren tachtig steeds meer de nadruk op weberiaanse concepten. Zo kwamen we uiteindelijk terecht bij de moderne studies naar achtergronden, kansen en ‘rugzakjes’. ‘Eigentijds’ is een codewoord voor een hippe liberale visie van een wereld die enkel zou bestaan uit kansarmen en kansrijken.</em></p>
<p><em>Waarom besteedt het SCP eigenlijk opeens weer aandacht aan klasse? Met de economische crisis, de opkomst van de Occupy-beweging met de slagzin ‘Wij zijn de 99%’, en de publicatie van het beroemde boek Kapitaal in de 21<sup>ste</sup> eeuw van Thomas Piketty, ontstond aan het begin van het vorige decennium plotseling weer veel aandacht voor ongelijkheid, specifiek vermogensongelijkheid. In de jaren daarvoor stelden instituten zoals het SCP Nederland juist voor als een land met een relatief grote sociaal-economische gelijkheid; hierbij werd voornamelijk naar inkomen gekeken. Piketty’s nadruk op financieel vermogen bracht de rijke bovenlaag echter in verlegenheid. Dit had er vooral mee te maken dat Piketty uit enorme hoeveelheden data tot een systemische conclusie over het kapitalisme kwam. Hij vatte deze samen met de formule R &gt; G, waarbij R stond voor de totale groei van rente op vermogen (winst, dividend, rente enzovoorts) en de G voor de totale groei van de economie. Wanneer het kapitalisme gewoon zijn gang zou blijven gaan, dan zou dit mechanisme volgens Piketty automatisch leiden tot gigantische vermogensverschillen, vergelijkbaar met de situatie aan het einde van de negentiende eeuw. Werk loont simpelweg niet zoveel als rente op vermogen. De Franse econoom pleitte daarom voor een wereldwijde verhoging van de vermogensbelastingen. Een radicale, systeemkritische boodschap die het kapitaalkrachtige deel van Nederland niet goed uitkwam, en die bovendien inging tegen de neoliberale consensus die in de decennia daarvoor was gesmeed. Piketty’s boodschap ging daarnaast in tegen het beeld van Nederland als middenklasse-samenleving: een samenleving waar opwaartse mobiliteit mogelijk was als mensen maar toegang kregen tot de juiste (zachte) hulpbronnen.</em></p>
<p><em>Het was geen toeval dat het SCP in 2014 voor het eerst in lange tijd weer een rapport (</em><a href="https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2014/12/12/verschil-in-nederland-2014"><em>https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2014/12/12/verschil-in-nederland-2014</em></a><em>) </em><em>uitbracht waarin het begrip klasse een belangrijke rol speelde. De discussie over Piketty’s conclusies werd in die tijd volop gevoerd: GroenLinks-lijsttrekker Jesse Klaver had de econoom zelfs uitgenodigd om zijn verhaal in de Tweede Kamer te komen vertellen. Het rapport leek in te haken op diezelfde discussie over klasse; in werkelijkheid introduceerde het SCP in dit rapport de hierboven beschreven methode, met haar grote nadruk op de verschillende vormen van zacht kapitaal. Een keuze die haaks op de bevindingen van Piketty stond: al dit zachte kapitaal zou in zijn formule immers op zijn best ‘G’ kunnen versterken, de groei van de economie. Laat die nu net historisch gezien altijd achterlopen op de ‘R’. De ingreep van het SCP was evident ideologisch van aard. Het rapport neutraliseerde de kritiek van Piketty, door zijn potentieel explosieve verhaal over klasse en kapitalisme te vertalen naar een verhaal over kansenongelijkheid.</em></p>
<p><em>Het is dus geen verrassing dat het SCP in haar laatste rapport expliciet verwijst naar ‘levelling up’ als een strategie om de problematiek van de onderste klasse te verlichten. ‘Levelling Up’ was de slogan waarmee Boris Johnson als leider van de Britse conservatieven campagne voerde in 2019. De Tory’s wilden door specifieke beleidsingrepen de onderste klassen vooruit helpen, zodat ze meer toegang kregen tot hulpbronnen. Ze zetten dat begrip expliciet af tegen ‘levelling down’ (het aanpakken van de bezitters van grote hoeveelheden kapitaal), een strategie waar de Labour Party toen campagne voor voerde. Het rapport Eigentijdse Ongelijkheid levert dus een ideologisch gekleurd beeld van de klassenstructuur in Nederland op. Met het SCP-rapport in de hand kunnen de allerrijksten opgelucht ademhalen, want het gesprek gaat niet langer over hen. Als er al sprake is van klassenstrijd, dan zijn zij niet de klassenvijand, want zij zijn onzichtbaar. In plaats daarvan worden nu zelfs arme studenten tot een kansrijke elite omgetoverd. De ‘klassenstrijd’ zal voornamelijk plaatsvinden tussen hoog- en laagopgeleiden, geheel volgens het schema dat rechtse partijen doorgaans goed uitkomt en dat helemaal past in de cultuurstrijd die zij reeds voeren. Eigentijdser kan het niet.</em></p>
<p><em>Het SCP heeft de meeste zorgen over ‘de onzekere werkenden’ en ‘het precariaat‘. Een op de zes Nederlanders behoort tot een van deze groepen. Zij hebben het financieel het slechtst, zijn het ongezondst en hebben de meeste mentale problemen. Maar zij hebben óók het minste vertrouwen in hun medemens en de politiek. Zij blijven relatief vaak thuis bij verkiezingen. Een op de drie onzekere werkenden zei vooraf ‘niet’ of ‘misschien’ te gaan stemmen voor de Tweede Kamer, in 2021. In het precariaat was dat aandeel nog groter: 43 procent. En wie wel stemt, neigt vaker naar flankpartijen als de PVV en SP. </em><em>De belangrijkste boodschap van het planbureau: erken dat ongelijkheid een complex probleem is dat je niet alleen bestrijdt met economische maatregelen. Want dan ga je eraan voorbij, zegt auteur Cok Vrooman, „dat mensen minder kansen krijgen vanwege hun gezondheid, of omdat ze anders zijn of bepaalde contacten niet hebben”. Dat is de ultieme ontkenning van dat gezondheidsverschillen en andere niet-economische verschillen te maken hebben met economische machtsverschillen, in enorme verschillen in uitkomsten wat betreft extreme rijkdom én armoede. In plaats van daar echt wat aan te doen (volgens het SCP moet je wel erg optimistisch zijn als je alleen de uitkeringen verhoogt!) adviseert het SCP anoniem solliciteren. Vrooman denkt dat de overheid misschien wel een slechte antenne heeft voor waar deze groepen tegen aan lopen – of ontbreekt het de SCP-onderzoekers aan een goede antenne om de werkelijkheid te begrijpen?</em></p>
<p><em>Het CBS is naast het SCP ook een uitstekende propagandist van de meritocratische leugen. </em><em>Wie als dubbeltje is geboren, heeft in Nederland een flinke kans om later een kwartje te worden. Ruim negen van de tien kinderen die in 1995 opgroeiden in een relatief arm gezin, wisten zich in de 25 jaar daarna aan die armoede te ontworstelen, blijkt uit cijfers die het CBS bijna gelijktijdig publiceerde. Slechts 9,6 procent van hen leefde rond 2020 nog in een huishouden onder de lage-inkomensgrens. Hoe deden zij dat? </em><em>Dat zou vooral de verdienste van het onderwijs zijn. De afgelopen decennia werd het hoger onderwijs steeds toegankelijker. Werd de universiteit enkele tientallen jaren geleden nog vooral bevolkt door jongelui die zelf uit de elite kwamen, inmiddels is het doodnormaal dat ook jongeren uit lagere sociaaleconomische klassen gaan studeren. Dat zie je terug in het aantal hoogopgeleiden dat Nederland telt. Dat groeide van 11 procent in het begin van de jaren tachtig tot zo’n 42 procent nu. En die trend is in de hele onderwijsketen zichtbaar: van de studenten met een diploma op mbo-4-niveau stroomt bijvoorbeeld al jarenlang zo’n veertig procent door naar het hbo. Ook zij mogen zich een paar jaar later hoogopgeleid noemen. Die hoger-opgeleiden vinden (uitzonderingen daargelaten) vrij gemakkelijk een goedbetaalde baan, omdat Nederland in de afgelopen decennia steeds meer een kenniseconomie is geworden. Bedrijven staan te springen om mensen met specialistische kennis en zijn bereid daarvoor te betalen. Een hoger opleidingsniveau leidt meestal tot meer inkomen. Tel daar de vrouwenemancipatie bij op, en het verhaal is compleet. Niet alleen werken dochters meer dan hun moeders in 1995, dat blijven ze ook steeds vaker doen als ze in een relatie zitten. De man is minder vaak de enige kostwinner, blijkt namelijk uit andere CBS-cijfers. Bij zo’n 60 procent van de paren werken beide partners, met een hoger gezinsinkomen tot gevolg.</em></p>
<p><em>Maakt dat Nederland een waanzinnig gaaf land, de ultieme meritocratie waar je altijd kunt opklimmen als je maar hard genoeg werkt? De ‘Dutch dream’ van het CBS en het SCP is maar de helft van het verhaal. Doordat andere mensen juist dalen op de economische ladder, blijft het percentage armen al jaren vrij stabiel: tussen de 5,5 en 7 procent van de bevolking. En het heeft wel degelijk invloed waar je wieg stond. Zo klimt slechts 15 procent van de jongeren uit een arm gezin later op naar de hoogste inkomensgroep. Onder kinderen uit rijke gezinnen is dat bijna 40 procent. Dat komt onder meer doordat het CBS enkel de inkomens vergeleek. Zou je daar de vermogens bij optellen, dan krijg je een heel ander plaatje. Bezit is namelijk veel schever verdeeld, en wordt vaak van generatie op generatie overgedragen. En bezit accumuleert sneller en wordt door de belastingen ook nog eens extra bevoordeeld, zoals we hiervoor uitvoerig hebben aangetoond. Dat geeft het rijkere deel van het land een flinke voorsprong en hun kroost een grotere kans op financieel succes in de toekomst. </em></p>
<p><em>Arme gezinnen ervaren juist extra drempels: hun kinderen krijgen vaker een te laag schooladvies. De bijlesgeneratie behoudt een voorsprong. Ook bedenkt de elite steeds nieuwe manieren om zich te onderscheiden van de rest. Wie de middelen heeft, brengt zijn kinderen naar een betere school of koopt studiebegeleiding in. En op de universiteiten wonnen de laatste jaren bijvoorbeeld de university colleges aan populariteit, relatief dure studierichtingen waarmee met name jongeren uit welvarende gezinnen hun diploma’s verder opplussen. Zo behoudt de ‘bijlesgeneratie’ een voorsprong, juist nu de massa oprukt.</em></p>
<p><em>Ons onderwijssysteem werkt als een meedogenloze sorteermachine, waarbij kinderen van hoopopgeleide ouders in het voordeel zijn. In het huidige onderwijs worden de kaarten voor je toekomst al geschud op je twaalfde levensjaar. Dat is idioot vroeg, sociaal wreed en internationaal ook volstrekt ongebruikelijk. Daar helpt geen Cito-toets aan (</em><a href="https://www.nrc.nl/nieuws/2025/02/03/welke-toets-het-ook-is-groep-8-is-te-vroeg-voor-een-schoolselectie-a4881845?utm_term=20250204&amp;utm_content=buffer2cdab&amp;utm_medium=social&amp;utm_source=twitter.com&amp;utm_campaign=twitter"><em>Opinie | Welke toets het ook is, groep 8 is te vroeg voor een schoolselectie &#8211; NRC</em></a><em>); al hebben objectieve toetsen geen vooroordelen en mensen wel, hetgeen ook uit alle onderzoek blijkt.</em></p>
<p><em>De kloof tussen vmbo-scholen en havo-vwo-scholen is symbolisch voor de rigide tweedeling in ons onderwijs. Zelden zit een vmbo en een havo in hetzelfde gebouw, of zelfs maar in dezelfde wijk. Op havo-vwo-scholen zitten in meerderheid kinderen van hoogopgeleide, witte ouders, op vmbo-scholen voornamelijk kinderen van lager (praktisch) opgeleiden, van allerlei herkomst. Stapelen van opleidingen wordt tegelijkertijd steeds moeilijker gemaakt (bijv. door de eis dat vmbo-ers een extra vak moeten volgen om door te kunnen stromen naar het havo, in plaats van al op het vmbo examineren in een extra vak mogelijk te maken), of door het leenstelsel ontmoedigd. We laten zo een hoop talent liggen, en veel leerlingen laten we zitten met frustraties en verloren illusies over gelijke kansen. Zo klonen de ouders zichzelf in hun kinderen en houden we de sociale ongelijkheid keurig in stand.</em></p>
<p><em><u>Privatisering en commercialisering van ons onderwijs</u></em></p>
<p><em>De privatisering en commercialisering in ons onderwijs versterkt de ongelijkheid. Mirjam de Rijk schreef erover in De Groene Amsterdammer (</em><a href="https://www.groene.nl/artikel/slim-verdienen"><em>https://www.groene.nl/artikel/slim-verdienen</em></a><em>). “Het onderwijs vercommercialiseert sluipenderwijs door onder meer bijlesbureaus en lesmateriaalaanbieders. In totaal zeven grote insluipers vergaren miljarden aan het publiek gefinancierde onderwijs.”</em></p>
<p><em>Nee, er ontstaan in Nederland niet massaal privéscholen en particuliere universiteiten. Toch commercialiseert het onderwijs in hoog tempo. Want sluipenderwijs krijgen bedrijven een steeds grotere rol bínnen het publiek gefinancierde onderwijs. En souperen ze een steeds groter deel van het publieke onderwijsbudget op. Het lesmateriaal, het onderwijsbeleid, de leerkrachten, het onderzoek, de hoogleraren: commerciële bedrijven, al dan niet in handen van private equity, hebben er een steeds grotere vinger in de pap. ‘De kerntaak van het verzorgen van algemeen toegankelijk en kwalitatief goed onderwijs raakt steeds meer uit handen van de publiek bekostigde school’, waarschuwt de Onderwijsraad.</em></p>
<p><em>‘Hidden privatisation’, verborgen privatisering, noemden de sociologen Stephen Ball en Deborah Youdell het al in 2008, in een studie waarin ze de privatisering en commercialisering van het onderwijs op een rij zetten. Verborgen is precies het goede woord: niet geheim, ook niet verboden, maar wel aan het oog onttrokken, en zonder discussie of besluitvorming. Mirjam de Rijk bespreekt zeven grote insluipers op een rij. </em></p>
<ol>
<li><strong><em> Het lesmateriaal</em></strong></li>
</ol>
<p><em>Ze hebben nog steeds de oude vertrouwde namen – Malmberg, Noordhoff – maar inmiddels zijn vrijwel alle educatieve uitgeverijen óf van een groot internationaal beursgenoteerd bedrijf, óf van private equity. Lesmaterialen voor het primair en voortgezet onderwijs zijn uiterst lucratief en risicoloos, zeker sinds de Wet gratis schoolboeken: de overheid betaalt.</em></p>
<p><em>Noordhoff is in handen van private-equitybedrijf NPM Capital. Uitgeverij Malmberg is van het Finse beursgenoteerde bedrijf Sanoma, dat in heel Europa een miljoen leerkrachten en dertien miljoen leerlingen bedient. Met lesmateriaal, maar ook met digitale infrastructuur en diensten, zoals het registratiesysteem Magister. Magister, welke leerling of ouder kent het niet? Het huiswerk staat erin, de cijfers, het rooster. Ouders worden geacht hun kroost via Magister in de gaten te houden. Zeventig procent van de scholen in het voortgezet onderwijs werkt ermee. Het is voor scholen cruciale infrastructuur, dus de inkomstenstroom voor Sanoma is verzekerd.</em></p>
<p><em>Het levert het bedrijf bovendien een schat aan data op over docenten, leerlingen en het onderwijs als geheel. Data die niet alleen helpen om de eigen afzet te verhogen, maar die ook weer verkocht kunnen worden aan andere bedrijven.</em></p>
<p><em>De derde grote educatieve uitgeverij, ThiemeMeulenhoff, is in handen van de Duitse Klett Group, een multinational met dochterondernemingen in negentien landen en een omzet van een miljard euro. Naast uitgeverijen exploiteert de Klett Group ook particuliere scholen en kinderdagverblijven. Afgelopen zomer verkocht Stichting Weekbladpers haar educatieve uitgeverij Zwijsen, een van de laatste uitgeverijen die niet in handen was van een grote op rendement gerichte eigenaar, ook aan de Klett Group. Noordhoff, Malmberg en ThiemeMeulenhoff hebben samen bijna tachtig procent van de leermiddelenmarkt in handen.</em></p>
<p><em>Renske Valk, hoofdredacteur van het magazine Van12tot18 (voor leerkrachten en schoolleiders in het voortgezet onderwijs) is verbaasd hoe weinig discussie dit tot nu toe opriep. ‘Wat vinden we ervan dat publiek geld de basis is geworden voor private verdienmodellen? Dat belastinggeld in de portemonnee van grootinvesteerders belandt?’ Uitgeverijen zijn weliswaar van oudsher private bedrijven, ‘maar het is een groot verschil of je vooral zorgt dat je volgend jaar de salarissen van medewerkers nog steeds kunt betalen, of dat alles gericht is op een zo hoog mogelijk rendement’. De schaalvergroting leidt tot machtsmisbruik, constateert ook Jelmer Evers van onderwijsbond AOb. ‘Scholen moeten bijvoorbeeld door koppelverkoop ook allerlei producten afnemen die ze niet gebruiken.’</em></p>
<p><em>Universiteiten zijn al langer afhankelijk van machtige grote commerciële uitgevers. Eerst was dat doordat wetenschappelijke artikelen achter hoge betaalmuren zaten, maar sinds de afspraken over ‘open access’ hebben wetenschappelijke uitgeverijen hun verdienmodel veranderd: nu moeten wetenschappers betalen om gelezen te worden. Wie bijvoorbeeld in een uitgave van Elsevier (The Lancet, Cell of een van de 2700 andere titels) wil publiceren, is daarvoor duizenden euro’s kwijt, soms tienduizend euro per publicatie. Ook universiteitsbibliotheken moeten betalen om toegang te krijgen tot de tijdschriften. Zo strijken Elsevier en de andere grote uitgevers de revenuen op van kennis die tot stand kwam met publieke middelen. Relx, eigenaar van Elsevier, maakte in 2022 1,6 miljard pond netto winst, op een omzet van 8,5 miljard pond. Sarah Lamdan, hoogleraar rechten aan de City University of New York, berekent in haar boek Data Cartels dat Elsevier in 2019 naar schatting honderd miljoen uur gratis arbeid van wetenschappers vermarktte.</em></p>
<p><em>Anders dan in het basis- en voortgezet onderwijs, is er in het hoger onderwijs steeds meer kritiek op het machtsmisbruik en de winstmaximalisatie. Regelmatig pikt een redactie of een groep wetenschappers het niet meer, en richt een alternatief tijdschrift op, soms zeer succesvol. Zoals Glossa voor taalwetenschappen, dat inmiddels een groter bereik heeft dan de uitgave van Elsevier. De Europese Raad van regeringsleiders adviseerde in 2023 de nationale regeringen (dus eigenlijk zichzelf) om paal en perk te stellen aan het verdienen aan publieke kennis.</em></p>
<ol start="2">
<li><strong><em> De distributie</em></strong></li>
</ol>
<p><em>Aan het begin van het schooljaar hebben leerlingen een compleet ‘boekenpakket’ (wat inmiddels al lang niet meer alleen bestaat uit boeken) nodig, en scholen besteden het aanleveren daarvan uit aan gespecialiseerde distributiebedrijven. Die zijn, net als de uitgeverijen, in handen van investeerders. Daar is op het eerste gezicht weinig mis mee, het is immers een praktische klus met weinig onderwijsinhoudelijke effecten. Maar investeerders nemen wel beslissingen met grote gevolgen.</em></p>
<p><em>Dat merkte begin dit jaar het mbo-onderwijs, toen The Learning Network, de belangrijkste distributeur van schoolboeken voor het mbo, besloot om zich voortaan alleen nog op het voortgezet onderwijs te richten. Daar valt meer te verdienen dan met het mbo, want de Wet gratis leermiddelen geldt niet voor het mbo en het aantal leerlingen (dus lesmiddelen) per vak is er kleiner. De scholen moesten als een haas op zoek naar alternatieven.</em></p>
<p><em>De distributiebedrijven zelf zijn op hun beurt ook handel. Van Dijk’s Boekhuis, een familiebedrijf, kwam in de jaren negentig in handen van investeerder Hans van der Wind en een compagnon. In 2016 verkocht Van der Wind Van Dijk (goed voor de schoolboeken van een miljoen Nederlandse leerlingen) voor driehonderd miljoen euro aan het Amerikaans-Britse TowerBrook. Toen het bedrijf, inmiddels omgedoopt tot The Learning Network (TLN), zes jaar later bijna failliet was, kocht Van der Wind het voor een habbekrats weer terug. Het bijna-faillissement van TLN had alles te maken met de driehonderd miljoen die Van der Wind er eerder aan verdiende: TowerBrook zette het aankoopbedrag namelijk als schuld neer bij TNL. Van der Wind laat zich ook politiek niet onbetuigd. In de aanloop naar de vorige verkiezingen, in 2021, doneerde hij bijna anderhalf miljoen euro aan het CDA.</em></p>
<ol start="3">
<li><strong><em> Het schaduwonderwijs</em></strong></li>
</ol>
<p><em>De aanbieders noemen het graag ‘aanvullend onderwijs’, de critici liever ‘schaduwonderwijs’: bijles, huiswerkbegeleiding en examentraining. Meer dan een kwart van de leerlingen van het primair en voortgezet onderwijs in Nederland maakt er inmiddels gebruik van. De aanbieders zijn vrijwel altijd commerciële bureaus, en de groteren zijn in handen van private equity of andere investeerders. Een aantal middagen per week bijles kost al gauw vierhonderd euro per maand per kind.</em></p>
<p><em>Onderwijs is in snel tempo een ‘positioneel goed’ geworden, stelt Edith Hooge, voorzitter van de Onderwijsraad en hoogleraar onderwijsbestuur. ‘De waarde die het voor iemand heeft, hangt af van hoe hoog je komt ten opzichte van ánderen. Daarmee wordt onderwijs een soort race, een race tegen je medeleerlingen.’ En daar spelen de aanbieders van bijles en huiswerkbegeleiding slim op in.</em></p>
<p><em>Het zijn vaak de scholen zelf die de rode loper uitleggen voor dergelijke bureaus. Door gratis ruimte aan te bieden, folders neer te leggen, kinderen te stimuleren. Edith Hooge: ‘De school als reclamezuil. Je krijgt een hele rare vermenging van publiek en privaat, en het legt een druk op ouders: de boodschap is al gauw dat het inkopen van extra onderwijs erbij hoort, want de school zegt het.’ Op school reclame maken voor iets wat extra geld kost zou verboden moeten worden, vindt de Onderwijsraad. Alles wat op of via de school wordt aangeboden of aanbevolen, zou voor iedereen gratis toegankelijk moet zijn, stelt de raad in het advies ‘Publiek karakter voorop’.</em></p>
<p><em>Het aantal bijles- en huiswerkbedrijven in Nederland groeit razendsnel. Waren het er in 2017 nog 3396, in 2022 was dit al toegenomen tot 5462, aldus cijfers van de Kamer van Koophandel. Grootste bijlesbedrijf in Nederland is Lyceo, van het Belgische private-equityfonds Ergon Capital. Voor de ouders en kinderen is dat over het algemeen niet zichtbaar, want veel bijlesbedrijven hebben hun oude naam behouden – ‘juffrouw julia’, ‘Schoolkitchen’ – maar ze zijn van Lyceo. Zoals gebruikelijk bij private equity groeit Lyceo vooral door het overnemen van andere bedrijven. Vier jaar geleden nam Lyceo ook Studiekring over, lang de belangrijkste concurrent.</em></p>
<p><em>Niet alleen ouders, ook scholen kopen diensten in bij de private huiswerkbegeleidings- en bijlesbureaus. Volgens een schatting van het FD komt de helft van de omzet van Lyceo van scholen. Scholen betalen de commerciële bureaus met geld uit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), de 8,5 miljard euro die het ministerie beschikbaar stelde om de corona-achterstanden weg te werken. Het NPO is onbedoeld een belangrijke aanjager voor de vercommercialisering van het onderwijs.</em></p>
<p><em>Net als de rest van het onderwijs wordt ook het aanvullende onderwijs in snel tempo digitaal, en komen er steeds minder docenten en leerkrachten aan te pas. ‘Hoi, wat is het voltooid deelwoord van “fly”?’ vraagt de leerling aan de app. ‘Goede vraag! Ik ga je helpen’, antwoordt ‘Anna’. ‘Anna’ is een van de ‘coaches’ van Mr. Chadd, een soort digitale vraagbaak annex huiswerkhulp. De app, van een bedrijf uit Groningen, beantwoordt zo veel mogelijk vragen zonder dat er mensen aan te pas komen, met behulp van Artificial Intelligence. Komt AI er niet uit, dan heeft het bedrijf ‘mensen met een vwo-diploma’ om de leerlingen verder te helpen. Zowel scholen als individuen kunnen een abonnement nemen op Mr. Chadd.</em></p>
<p><em>Ook bij Mr. Chadd zijn publiek en privaat flink vermengd. De app werd ontwikkeld met Europese subsidie uit de via-pot, de ‘Versneller Innovatieve Ambities’, en met hulp van de Universiteit Groningen. De winst gaat naar de eigenaren van Mr. Chadd.</em></p>
<ol start="4">
<li><strong><em> De leraren</em></strong></li>
</ol>
<p><em>De personeelstekorten in het onderwijs zijn een goudmijn voor uitzendbureaus en detacheerders. Roler, Maandag, Randstad, Derec; ze varen er wel bij. En ze jagen op hun beurt de personeelstekorten aan, door leerkrachten met een vast contract weg te lokken van de plek waar ze zitten en te stimuleren om zzp’er te worden. Net als in de zorg verdienen de bemiddelaars er goed aan: een provisie van tweehonderd procent is geen uitzondering. Een uitzendbureau vraagt bijvoorbeeld veertienduizend euro per maand voor een leerkracht voor vier dagen, waar deze in vaste dienst 4500 euro zou kosten.</em></p>
<p><em>‘Cowboybureaus’ noemt de AOb de bemiddelaars. Thijs Roovers van de onderwijsbond: ‘Ik snap dat scholen soms geen andere mogelijkheid zien, maar voor de toekomst van het onderwijs zou het beter zijn om dan maar de klas naar huis te sturen. Omdat er een vicieuze cirkel ontstaat: voor de vaste krachten wordt het steeds minder aantrekkelijk om zich aan de school te blijven verbinden.’</em></p>
<p><em>De overheid droeg de afgelopen jaren overigens flink bij aan de opmars van PNIL, ‘Personeel niet in loondienst’. Een toenemend deel van het budget dat scholen krijgen bestaat uit tijdelijk geld, waar je moeilijk vast personeel voor kunt aannemen. Met als hoogtepunt de al genoemde 8,5 miljard van het Nationaal Programma Onderwijs. Dat geld moest in ruim twee jaar op (inmiddels overigens met twee jaar verlengd).</em></p>
<p><em>In een paar regio’s maken schoolbesturen inmiddels afspraken om niet meer met de commerciële bureaus in zee te gaan en personeelstekorten samen op te lossen. Maar uiteindelijk werkt alleen een landelijk verbod, denkt Thijs Roovers. ‘Toen Amsterdam afspraken maakte, ging Maandag gewoon in Zaandam haar diensten aanbieden.’ </em></p>
<p><em>Het kabinet werkt aan wettelijke regels om paal en perk te stellen aan de externe inhuur van leraren en ander personeel. Uit nieuwe cijfers blijkt dat veel schoolbesturen in 2023 weer meer onderwijsgeld eraan uitgaven. </em></p>
<p><em>Naast de schaarste op de personeelsmarkt leiden ook de toegenomen, tijdelijke geldstromen in het onderwijs tot meer externe inhuur. Een recent rapport van de Algemene Rekenkamer (</em><a href="https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2024/04/24/focus-op-inhuur-van-docenten"><em>‘Focus op inhuur van docenten’</em></a><em>) noemt onder meer het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), de miljardenpot voor aanpak van de corona-impact die over een periode van vier jaar mag worden besteed. Ook met de subsidie verbetering basisvaardigheden zijn flinke bedragen gemoeid. Met steeds meer gerichte geldpotjes probeert de landelijke politiek een hand aan het stuur te krijgen. </em></p>
<p><em>Tegelijkertijd maakt politiek Den Haag zich zorgen over de stijgende uitgaven aan extern ingehuurd personeel. Landelijk ging het in 2022 om een kleine 900 miljoen euro, oftewel zo’n 4,4 procent van de totale personeelslasten in het primair en voortgezet onderwijs. Twee jaar ervoor was dat nog zo’n 630 miljoen, oftewel een aandeel van 3,7 procent. </em></p>
<p><em>Waar het vooral schuurt, is dat een deel van dat publieke onderwijsgeld in de zakken verdwijnt van commerciële bureaus. In 2022 gaven onderwijsinstellingen alleen al voor het inhuren van leerkrachten ruim 200 miljoen uit aan commerciële bedrijven als Maandag, Derec of Randstad, zo bleek in 2023 uit de trendrapportage arbeidsmarkt leraren. Ook die uitgaven zitten in de lift. In een harde concurrentie op de personeelsmarkt hengelen deze bureaus leerkrachten binnen. Niet zozeer met een leaseauto, maar met een vaste baan die al direct wordt aangeboden, zo signaleert de Rekenkamer. Iets waar docenten bij een schoolbestuur vaak een jaar of langer op moeten wachten. ‘Wij constateren dat externe bureaus sneller dan scholen geneigd zijn om startende docenten een vast contract voor onbepaalde tijd te geven.’</em></p>
<p><em>Aangespoord door een bezorgde Tweede Kamer werkte toenmalig onderwijsminister Dennis Wiersma en daarna Mariëlle Paul aan een wetsvoorstel ‘Strategisch Personeelsbeleid’. Die legt vergaande regels op aan schoolbesturen in het funderend onderwijs die onder meer moeten zorgen voor meer vaste contracten en minder kleine deeltijdbaantjes. Eén van de voorstellen is om de externe inhuur aan banden te leggen met een norm, waarbij schoolbesturen niet meer dan 5 procent van hun personeelsuitgaven mogen besteden aan externe inhuur. Daarmee houden instellingen nog voldoende ruimte om hulp van buiten in te schakelen, zo is de gedachte.</em></p>
<p><em>De Onderwijsraad was dit voorjaar zo kritisch over het conceptwetsvoorstel, dat ze het ministerie adviseerde om de plannen te ‘heroverwegen’. Toch is staatssecretaris Paul van zins om door te zetten, zo blijkt uit een reactie die ze in september 2024 aan de Tweede Kamer stuurde. Ook zij noemt te veel externe inhuur ‘onwenselijk’. Volgens een woordvoerder van het ministerie gaan de voorstellen dan ‘hoogstwaarschijnlijk begin 2025’ naar de Tweede Kamer. Waar de werkgeversverenigingen fel gekant zijn tegen wettelijke regels voor het personeelsbeleid, juicht de AOb ze toe.</em></p>
<p><em>De meeste schoolbesturen hebben weinig te vrezen van de voorgenomen, toekomstige PNIL-norm. Driekwart geeft minder dan vijf procent van de personeelslasten uit aan externe inhuur. </em></p>
<p><em>Een kwart van de onderwijsinstellingen in het primair en voortgezet onderwijs zat in 2022 boven de vijf procentnorm. De verschillen tussen besturen onderling is groot, blijkt uit de jaarcijfers die uitvoeringsorganisatie DUO heeft gepubliceerd. De ‘PNIL-percentages’ lopen uiteen van nul tot zo’n veertig procent. Met als uitschieter de Utrechtse basisschool Happy Kids, waar bijna de helft van het personeel extern wordt ingehuurd. Een bewuste keuze, aldus het jaarverslag: ‘50% van de middelen voor personeel gaat naar mensen in loondienst en 50% van de middelen voor personeel gaat naar mensen die worden ingehuurd. Door gebruik te maken van ZZP’ers zijn we flexibel als groeischool om te kunnen krimpen of te kunnen groeien wanneer nodig.’</em></p>
<p><em>‘Personeel niet in loondienst’ (PNIL) is een vergaarbak van allerlei verschillende uitgaven. Uit de </em><a href="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/12/15/bijlage-3-1-trendrapportage-arbeidsmarkt-leraren-2023"><em>Trendrapportage Arbeidsmarkt Leraren 2023</em></a><em>, een jaarlijks onderzoek door het ministerie van OCW, blijkt dat ongeveer de helft besteed wordt aan ingehuurde leerkrachten. Het primair en voortgezet onderwijs ontlopen elkaar hierin niet veel. Een kwart van de PNIL-uitgaven gaat naar de inhuur van ondersteuners. Een aanzienlijk deel van het externe personeel wordt ingehuurd via commerciële (uitzend- en detacherings-) bureaus. Zzp’ers vormen een vijfde (po) tot een achtste (vo) van deze uitgaven. Redenen voor om personeel van buiten in te huren zijn onder andere tijdelijke vervanging, aantrekken van specifieke deskundigheid, moeilijk vervulbare vacatures of tijdelijke uitbreiding.</em></p>
<p><em>Veel instellingen zagen de uitgaven aan externe inhuur vorig jaar verder toenemen, zo blijkt uit jaarverslagen die het Onderwijsblad doornam. In 2023 gaven het primair en voortgezet onderwijs samen een recordbedrag van ruim 1 miljard euro uit aan extern ingehuurd personeel.</em></p>
<p><em>Het Rotterdamse schoolbestuur BOOR, verantwoordelijk voor zo’n 75 scholen met dertigduizend leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs, gaf vorig jaar 32 miljoen euro uit aan personeel dat van buiten wordt ingehuurd. Dat is 7,5 miljoen euro meer dan het jaar ervoor. Het aandeel van deze externe inhuur op de totale personeelsuitgaven groeide van 8,3 procent naar bijna tien procent. Die stijging kan grotendeels worden toegeschreven ‘aan het oplopende tekort aan leraren en schoolleiders en verder oplopende tarieven als gevolg van marktwerking’, zo laat het bestuur weten in een schriftelijke reactie. &#8216;Waar eerst het tekort vooral opliep in het basis- en het speciaal onderwijs, zijn de tekorten de afgelopen jaren ook in het voortgezet onderwijs op steeds meer plekken merkbaar.&#8217;</em></p>
<p><em>Het lerarentekort is hardnekkiger in de G5 &#8211; Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere. Daar staan scholen wat dat betreft eerder met de rug tegen de muur. ‘Omdat de tekorten nog steeds zo groot zijn dat er vacatures onvervuld blijven, kiezen we ervoor om tijdelijk extern personeel in te huren. Dat verkiezen we boven het naar huis sturen van klassen of het invoeren van een 4 daagse schoolweek.’ De verwachtingen voor de langere termijn zijn &#8216;ronduit zorgelijk&#8217;. Daarom zegt het schoolbestuur zicht genoodzaakte zien om &#8216;ook de komende jaren genoodzaakt gebruik te blijven maken van de inhuur van tijdelijk personeel om de continuïteit van het onderwijs te kunnen borgen&#8217;.</em></p>
<ol start="5">
<li><strong><em> Het onderwijsbeleid</em></strong></li>
</ol>
<p><em>De ruim 8,5 miljard aan snel tijdelijk geld was niet alleen een cadeautje voor het schaduwonderwijs en de handelaren en de bureaus voor tijdelijk personeel, maar ook voor de commerciële onderwijsadviesbureaus. Die waren vóór corona ook al in opmars, maar het geld van het Nationaal Programma Onderwijs was een belangrijke extra katalysator. Scholen moesten immers, om het geld te krijgen, zo snel mogelijk een plan indienen en hadden daar zelf geen tijd voor. Dus huurden ze massaal bureaus in, die hun overigens door het ministerie werden aangereikt.</em></p>
<p><em>Voor de commerciële bureaus bood het schrijven van die plannen een fantastische entree tot de scholen, om daarna voor veel meer klussen gevraagd te worden. Het eerdergenoemde TLN verdient, naast de distributie aan het voortgezet onderwijs, vooral aan Academy4Learning, dat onder andere ‘professionaliseringsplannen’ voor scholen maakt, betaald uit het Nationaal Programma Onderwijs.</em></p>
<p><em>‘Er is weinig niet-commerciële infrastructuur als het gaat om scholing, ondersteuning en advies voor scholen’, zegt Jelmer Evers, ‘daarvoor leunen onderwijsinstellingen helemaal op commerciële bureaus.’ Voorheen waren er nog gemeentelijke en regionale onderwijsadviesbureaus, maar die zijn opgeheven. Ook het ministerie, stelt hij, is steeds meer ‘één grote aanbestedingsmachine’ geworden, doordat het weinig deskundigheid in huis heeft en alles uit- en aanbesteedt. Al is sinds kort, constateert hij, het denken op het ministerie wel aan het veranderen; het neemt weer meer de regie in handen.</em></p>
<ol start="6">
<li><strong><em> Het academisch onderzoek</em></strong></li>
</ol>
<p><em>Financiering door Shell, door de Zuidas of door de Chinese overheid, een chemisch bedrijf dat betaalt om te bewijzen dat bijen níet doodgaan door bestrijdingsmiddelen – de universiteiten liggen de laatste tijd flink onder vuur vanwege de financiering van het wetenschappelijke onderzoek. De Universiteit Utrecht, de VU en de UvA besloten, na uitgebreide interne discussies, onlangs de banden met Shell en andere grote fossiele bedrijven te laten verslappen of helemaal te verbreken.</em></p>
<p><em>De Nederlandse universiteiten zijn voor een kwart van hun geld, ruim twee miljard euro per jaar, afhankelijk van extern geld en bijna een vijfde daarvan komt van bedrijven (de rest van kennisorganisaties, overheden en non-profitorganisaties). Bij sommige universiteiten, met Delft aan kop, ligt de financiering door bedrijven nog een stuk hoger. Dat leidt er niet alleen toe dat bedrijven ongeoorloofde invloed kunnen hebben op een specifiek onderzoek, het zorgt er ook voor dat universiteiten aan sommige onderwerpen veel meer tijd besteden dan aan andere, stelt De Jonge Akademie, onderdeel van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Voorzitter Marie-José van Tol: ‘Voor sommige vakgebieden is veel makkelijker extern geld te krijgen dan voor andere: landbouw- en voedingsonderzoek worden betaald door de voedingsmiddelenindustrie, geneesmiddelenonderzoek betaald door farmabedrijven. Voor maatschappijkritisch onderzoek is dat veel moeilijker.’ Meer transparantie en aanscherping van de integriteitsregels is daarom niet genoeg, vindt De Jonge Akademie. Universiteiten moeten ook dit soort ‘systemische risico’s’ van externe financiering onder ogen zien.</em></p>
<p><em>Barend van der Meulen, hoogleraar Institutionele aspecten van het hoger onderwijs aan de Universiteit Twente, gaat nog een stap verder. Hij vindt dat universiteiten überhaupt geen onderzoek zouden moeten doen dat gefinancierd wordt door derden – niet door bedrijven, maar ook niet door anderen. ‘Het gaat per definitie ten koste van je academische onafhankelijkheid. Natuurlijk moet de samenleving invloed hebben op welk onderzoek plaatsvindt, maar niet via de geldbuidel. Dat vertroebelt altijd de keuze in waar je wel en niet onderzoek naar doet.’</em></p>
<p><em>Overigens is het lang niet altijd de keuze van universiteiten zelf om met commerciële bedrijven in zee te gaan. In de subsidievoorwaarden van grote geldschieter NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, staat vaak als voorwaarde dat er samengewerkt moet worden met het bedrijfsleven. En dat geldt ook voor de EU, een andere belangrijke onderzoeksfinancierder.</em></p>
<ol start="7">
<li><strong><em> De hoogleraren</em></strong></li>
</ol>
<p><em>Bedrijven financieren niet alleen onderzoek, maar ook het salaris van bijna tweehonderd hoogleraren. Aan kop staat Philips met twaalf leerstoelen (een aanstelling voor een hoogleraar) en Shell met acht. Ook ASML en NXP betalen meerdere leerstoelen. Het Financieel Dagblad zocht begin dit jaar de geldschieters uit van alle bijzondere hoogleraren: hoogleraren die extern gefinancierd worden. In totaal worden 1178 leerstoelen betaald door bijna zevenhonderd externe partijen, maar dat zijn ook kennisinstituten en stichtingen.</em></p>
<p><em>Naast de tweehonderd hoogleraren van wie het universiteitssalaris door bedrijven wordt betaald, zijn er ook hoogleraren die weliswaar een gewone aanstelling hebben bij een universiteit, maar daarnaast ook een eigen bedrijf hebben of een paar dagen per week in dienst zijn bij een bedrijf. Waardoor ze bijvoorbeeld via de universiteit lucratieve opdrachten binnen kunnen halen voor hun andere baan. De universiteiten hebben zelf vaak helemaal geen zicht op hoeveel hoogleraren extern betaald worden, en in welke vakgebieden dat vooral gebeurt.</em></p>
<p><em>‘Naïef’ vindt Barend van der Meulen dat. Want net als bij het onderzoek zijn er ook hier risico’s die de hele universiteit aangaan. In sommige vakgebieden zijn er nauwelijks hoogleraren zónder dubbele petten. Zo is maar veertien procent van alle hoogleraren belastingrecht níet ook verbonden aan een andere werkgever, twee derde van de belastinghoogleraren werkt tegelijkertijd voor een commercieel belastingadviesbedrijf. Van der Meulen: ‘Dat doet iets met het vakgebied, en met je onafhankelijkheid als wetenschap.’</em></p>
<p><em>Bedrijven hebben niet alleen invloed op onderzoek en onderwijs, ze zetten de hoogleraren ook in voor politieke en maatschappelijke beïnvloeding. Een hoogleraar die iets zegt, weegt zwaar. Marc Bonten, hoogleraar medische microbiologie, was lid van het OMT rond corona, maar werkt ook voor farmaceutische bedrijven. De door Zuidas-kantoren betaalde hoogleraren belastingrecht zijn ook belangrijke vraagbaken voor het ministerie en voor Kamerleden.</em></p>
<p><em>Waar in de zorg hele zorginstellingen worden opgekocht door private equity en andere kapitaalkrachtige partijen, vindt de commercialisering van het onderwijs vooral plaats door te ‘infiltreren’ in de bestaande onderwijsinstellingen. Het aantal particuliere scholen is nog vrij beperkt: er zijn in Nederland 101 particuliere basisscholen, op een totaal van ruim 6000, en 39 particuliere middelbare scholen op een totaal van zo’n 1450.</em></p>
<p><em>Dat de commercialisering in het onderwijs anders gebeurt dan in de zorg, heeft alles te maken met het verschil in financiering. Particuliere zorgorganisaties zijn niet uitgesloten van publieke financiering: behandelingen in particuliere klinieken worden vergoed door de zorgverzekeraars, en in zorgcomplexen die in handen zijn van private equity wordt de zorg vergoed via de Wet langdurige zorg.</em></p>
<p><em>In het onderwijs krijgen alleen stichtingen, die geen winst maken, rechtstreeks publieke financiering. Bij particuliere scholen moeten de ‘klanten’ dus alles zelf betalen, en dat is voor een jaar basisschool al gauw vijftienduizend euro en voor het voortgezet onderwijs twintig- tot veertigduizend euro per jaar. Maurice de Hond heeft even geprobeerd publieke financiering te krijgen voor zijn ‘Scholen voor Persoonlijk Onderwijs’, maar daar heeft het ministerie een stokje voor gestoken toen deze wel degelijk gericht bleken op winst.</em></p>
<p><em>Wie uit de publieke onderwijsruif wil eten, moet dat dus via het publieke onderwijs doen. En dat lukt commerciële bedrijven wonderwel, constateert onderwijssocioloog Sjoerd Karsten enigszins cynisch. ‘De vraag is hoeveel er nog over is van het publieke karakter van een school als het beleid van die school grotendeels wordt ontwikkeld door een commercieel adviesbureau, het onderwijsgevend personeel bestaat uit zelfstandigen, de onderwijsmethodes gedicteerd worden door Google en de kinderen ’s middags les krijgen van het commerciële huiswerkbedrijf.’</em></p>
<p><em>Techbedrijven verdringen elkaar om ‘leeromgevingen’ te leveren. En een school die eenmaal op die manier draait, kan daar niet zomaar mee stoppen. ‘Er wordt iets doorgevoerd waarvan niemand weet of het verstandig is.’ </em></p>
<p><em>‘Als dit doorzet, is het einde van het publieke onderwijsstelsel in zicht.’ Bert van der Zwaan, voormalig rector van de Universiteit Utrecht, schuwt de grote woorden niet. Hij heeft het over de grote techbedrijven, Google en Microsoft voorop, die in hoog tempo hun greep op het onderwijs versterken. Of het zelfs overnemen. Want de techbedrijven leveren lang niet alleen de infrastructuur, ze bepalen ook steeds meer de inhoud én de aard van het onderwijs. Ze beslissen over studie- en toetsmateriaal en bepalen hóe studenten leren.</em></p>
<p><em>‘Edutech’ heet het in jargon, educational technology: alles wat te maken heeft met online ‘leeromgevingen’ en digitaal onderwijs. Het is de afgelopen jaren pijlsnel gegaan, de digitalisering en ‘platformisering’. Met dat laatste wordt bedoeld dat onderwijs via een techplatform wordt aangeboden. Inmiddels is Edutech voor investeerders een van de meest renderende sectoren om geld op in te zetten, vertellen de kenners. Van der Zwaan: ‘Geld zoekt rendement en IT heeft een hoog rendement, zeker in het onderwijs.’</em></p>
<p><em>Met dank aan corona, want de pandemie was de grote versneller: het was op dat moment voor scholen de enige manier om onderwijs te geven en de opensource-alternatieven (zoals Moodle of Big Blue Button) verloren het al snel van de commerciële aanbieders. Voor discussie was geen tijd. Of zoals de site van de Rabobank het samenvat: ‘Vóór de coronapandemie stond de hele onderwijssector minder open voor technologische vernieuwing. De pandemie heeft een enorme boost gegeven aan de bereidheid technologie te omarmen.’ De Rabo financiert graag venture capitalists en andere investeerders in Edutech.</em></p>
<p><em>De grote jongens hebben het speelveld in Nederland enigszins verdeeld. In het hoger onderwijs is Microsoft leidend, in het basisonderwijs en deels het voortgezet onderwijs regeert Google. ‘Begrijp me niet verkeerd’, zegt Van der Zwaan. Hij pleit niet voor het terugdraaien van de digitalisering, als dat überhaupt al mogelijk zou zijn. Studenten willen graag plaats- en tijdonafhankelijk leren. Maar zorg als overheid en onderwijsinstellingen zo snel mogelijk dat er een publieke, niet-commerciële infrastructuur voor komt, zegt hij. En met hem inmiddels veel anderen. Want niet alleen stroomt nu publiek geld naar de aandeelhouders van de techbedrijven, ook is de onafhankelijkheid van het onderwijs in het geding. Van der Zwaan: ‘Kennis, ook de kennis die is vergaard met publiek geld, wordt privébezit. Voor je het weet, gaan de techbedrijven veel geld vragen voor publieke kennis die ze op hun platforms aanbieden.’</em></p>
<p><em>Dat is ook het verschil met veel andere sectoren waar de grote techplatforms zich onmisbaar hebben gemaakt. Een app voor het openbaar vervoer verandert niet het wezen van het OV, terwijl edutech wel het onderwijs zelf verandert. ‘Het gaat hier echt over het hart, over het wezen van het onderwijs’, stelt José van Dijck, universiteitshoogleraar digitale media en samenleving aan de Universiteit Utrecht. Aan de gebruikte software zitten learning analytics (LA) en learning management systems (lms) gekoppeld: het algoritme analyseert iedere interactie tussen systeem en leerling/student en past het les- en toetsmateriaal daarop aan – het zogeheten personaliseren. Van Dijck: ‘Maar wát er wordt aangepast en waarom, daarop heb je als docent dus geen enkel zicht.’</em></p>
<p><em>Hiermee verliezen de onderwijsinstellingen en docenten niet alleen hun greep op de inhoud, maar ook op de onderwijsmethodes en de kennis over hoe mensen leren: die informatie is eigendom van het techbedrijf. Van Dijck maakt zich ook zorgen over de effecten op de kansenongelijkheid. ‘We weten uit onderzoek dat die personalisering, die terugkoppelsystemen, vooral in het voordeel zijn van leerlingen en studenten die toch al goed kunnen leren.’</em></p>
<p><em>Niet alleen de leerplatforms, ook de andere cloudbased diensten waarmee universiteiten werken (mail, videovergaderen et cetera) zijn voor het overgrote deel in handen van Big Tech: Amazon, Google en Microsoft. De techbedrijven vergaren zo veel waardevolle kennis en data. Weliswaar krijgen ze niet de mailinhoud zelf, maar ze krijgen wel alle ‘meta’-gegevens van wat er aan de universiteiten gebeurt: wie met wie mailt, wie met wie vergadert en hoe vaak, en welke onderzoekers veel informatie met elkaar uitwisselen. Deze metadata zijn daarmee ook beschikbaar voor de Amerikaanse overheid, want de Amerikaanse wet bepaalt dat die alle metadata van Amerikaanse cloudaanbieders mag opvragen. Ook de gegevens van Nederlandse studenten zitten in Amerikaanse clouds, omdat de meeste universiteiten hun ‘digitale leeromgeving’ (Canvas, Brightspace) hebben gekocht bij bijvoorbeeld Microsoft.</em></p>
<p><em>Tot een jaar of tien geleden werkten universiteiten en hogescholen nog veel met eigen, gezamenlijk ontwikkelde programma’s voor bijvoorbeeld mailverkeer, opslag en informatie-uitwisseling. Ze hebben voor hun ict-ontwikkeling een onderlinge coöperatie, Surf, die al sinds 1987 bestaat. Maar inmiddels stappen hogescholen en universiteiten voor steeds meer diensten over naar Big Tech.</em></p>
<p><em>En zit je daar eenmaal, dan kom je er niet snel meer van af. Het verdienmodel van de platformbedrijven zit in ‘aas’, ‘as a service’. Binnenkomen kost vrijwel niets, maar daarna moet je voor alles betalen. De drempel om weer weg te gaan is hoog: het is technisch erg lastig, en het kost ‘exitgeld’.</em></p>
<p><em>‘Het is klassieke marktmacht’, zegt voormalig Europarlementariër Paul Tang, die zich in de techbedrijven heeft vastgebeten. ‘Ze gebruiken hun kapitaal om marktdominantie te kopen.’ Met ongeëvenaarde budgetten voor marketing en voor de ontwikkeling van nieuwe producten, maar ook met ‘oorlogskassen’ om succesvolle potentiële concurrenten op te kopen. En wie marktmacht heeft, kan klanten de regels voorschrijven. Tenminste, zolang overheden er niets tegen doen.</em></p>
<p><em>Dat het onderwijs zich vrijwel zonder discussie heeft uitgeleverd aan Big Tech, heeft veel te maken met hoe de top van die instellingen tegen het fenomeen ict aankijkt, zegt Van Dijck. ‘Het wordt gezien als iets facilitairs, het is weinig sexy, de beslissingen worden aan de betreffende afdeling overgelaten. Maar ict is natuurlijk al lang geen ondersteunende activiteit meer.’ </em></p>
<p><em>‘ICT wordt beschouwd als potloden, maar dan wat duurder’, zegt ook Barend van der Meulen, hoogleraar institutionele aspecten van het hoger onderwijs aan de Universiteit Twente. ‘Terwijl het om iets heel fundamenteels gaat. Een verschuiving van publiek naar privaat.’</em></p>
<p><em>De grote techbedrijven hebben bij de ICT-afdelingen vaak een zeer positief imago. José van Dijck kreeg van de helpdesk van haar universiteit te horen dat ze naar Microsoft OneDrive moest migreren, omdat dat veiliger zou zijn dan de Surf-drive, de gezamenlijke software van de universiteiten.</em></p>
<p><em>Sinds kort is er wel iets aan het veranderen; Surf organiseerde voor alle chief information officers (CIO’s) en andere universitaire directeuren een cursus digitalisering en publieke waarden. Op initiatief van Ronald Stolk, CIO van de Universiteit Groningen, die in zijn eigen universiteit meer met opensourcesoftware wil gaan werken. Stolk: ‘Maar het kost zeker vier jaar voordat dat gerealiseerd is. Er moet eerst geïnvesteerd worden in het opbouwen van opensource-expertise. En de leeromgeving is net opnieuw aanbesteed, aan een commerciële partij.’ Big Tech is een soort Hotel California, zegt hij, verwijzend naar het bekende nummer van de Eagles: ‘You can check out any time you like, but you can never leave.’</em></p>
<p><em>Basisschool Eigenwijs in Oirlo is als een pauw zo trots. Ze zijn ‘Google Reference School’. ‘Met behulp van Chromebooks en Google-apps geven we invulling aan nieuwe vaardigheden en leren wij de kinderen samenwerken en delen in een online netwerk’, vermeldt de website. Er zijn in Nederland enkele tientallen Google Reference Schools, zowel basisscholen als middelbare scholen. Het zijn een soort etalages van Google, modelscholen die fungeren als ambassadeurs voor het techbedrijf. Stichting Primair Onderwijs Venray, waar Eigenwijs en nog dertien andere scholen onder vallen, ondertekent haar mails naast het eigen logo ook met vier logo’s van Google-certificaten.</em></p>
<p><em>Jelmer Evers van onderwijsvakbond AOb ziet het met lede ogen aan. ‘Er wordt zo onder publieke auspiciën een markt gecreëerd. Het publieke en private raakt helemaal vermengd.’ Ook zeventien katholieke basisscholen in het Westland zijn Google Reference School. Op iedere school is een ‘gecertificeerde Google Educator’ werkzaam. Met ‘Google Skills for kids’ leren kinderen via YouTube-tutorials hoe ze Google Drive, Docs, Presentaties, Classroom en de zoekmachine kunnen gebruiken. Op de website probeert de scholenkoepel de eventuele gevoeligheden rond digitaal onderwijs meteen te tackelen; het klopt echt niet dat het zou leiden tot individualisering of ieder voor zich. ‘Door de Google-apps te gebruiken, delen we meer en maken we meer gebruik van elkaars kwaliteiten.’</em></p>
<p><em>Driekwart van de basisscholen in Nederland is inmiddels afhankelijk van Google. Het bedrijf geeft ze hoge kortingen op de aanschaf van Google Chromebooks en daarna gaat de rest vanzelf. De Chromebooks zijn standaard uitgerust met een Google-account, Google-mailprogramma en alle andere applicaties, en alle bestanden van de leerlingen staan in de cloud van Google. Daar verdient het bedrijf goed aan. Maar nog belangrijker voor het platformbedrijf is iets anders, denkt Remco Pijpers van Kennisnet: ‘Kinderen worden zo heel subtiel grootgebracht tot Google-consumenten. Via het publiek betaalde onderwijs.’</em></p>
<p><em>Kennisnet helpt basisscholen, het voortgezet onderwijs en het mbo bij het verantwoord gebruik van ICT. Er is in het basis- en voortgezet onderwijs misschien nog wel minder discussie over de digitalisering en platformisering dan in het hoger onderwijs, denkt Pijpers. ‘Scholen kochten de lesmethodes altijd al op de markt. In eerste instantie voelt dit niet meteen anders.’ En zeker met het lerarentekort is het best handig als de computer werk overneemt. ‘Maar daarmee bepalen bedrijven hoe er lesgegeven wordt. Is dat wat we als publieke sector willen? Wie gaat erover, wie is de eigenaar?’</em></p>
<p><em>Het is inmiddels zo gewoon als wat: kinderen die hardop lezen en van de computer te horen krijgen of ze het goed doen. Maar de ‘Leerversnellers’ van Microsoft gaan nog wat verder. Scholen kunnen – vooralsnog gratis – bijvoorbeeld ‘Reflect’ downloaden: een programma dat ‘leerlingen in staat stelt hun gevoelens op een veilige en leuke manier te identificeren’. Via een soort schattige monstertjes vertrouwen leerlingen hun gevoelens toe aan de computer. En daarmee aan het algoritme en aan de leerkracht, want die heeft een dashboard waarin de antwoorden worden bijgehouden. De leerkracht kan leerlingen ook laten weten wanneer ze uiterlijk hun gevoelens moeten hebben ingevuld. Een andere ‘leerversneller’ laat de computer meekijken terwijl de leerling een presentatie geeft. Het algoritme geeft vervolgens tips voor betere presentatietechnieken.</em></p>
<p><em>Dat ‘gratis’ is trouwens altijd tijdelijk, weet José van Dijck: ‘In feite gebruiken de techbedrijven mensen om hun algoritmes te trainen, de leerlingen leveren eigenlijk gratis arbeid. Dat gebeurt nu ook met het “gratis” ChatGPT. Als het algoritme eenmaal goed genoeg is, moet je voor het programma betalen. Voor een programma dat je zelf hebt helpen trainen.’</em></p>
<p><em>Leerkrachten dreigen door de digitalisering een nogal eendimensionaal beeld van leerlingen te krijgen, ziet Remco Pijpers van Kennisnet. ‘Voor je het weet, kijkt een leerkracht vooral naar de grafiek van Snappet en is dat het beeld dat hij van een leerling heeft.’ Snappet is een online leerplatform dat sinds tien jaar op de Nederlandse markt is en ook actief is in de VS, Spanje en België. Inmiddels geeft veertig procent van alle basisscholen het reken- en taalonderwijs van Snappet.</em></p>
<p><em>Op de hielen gezeten door dergelijke bedrijven veranderen ook de educatieve uitgeverijen steeds meer in edutech-bedrijven, met online leerplatforms, digitaal lesmateriaal en algoritmes die de opdrachten personaliseren. De uitgeverijen zijn ook steeds sterker verbonden met de grote Amerikaanse techplatforms. Het ‘adaptieve leerplatform’ Bingel bijvoorbeeld, van uitgeverij Malmberg, draait in een cloud van Amazon. En aangezien het overgrote deel van de scholen werkt met Google Classroom, passen uitgeverijen hun lesmateriaal aan de wensen van Google aan.</em></p>
<p><em>De ‘cloudklas’, noemt Niels Kerssens het hele systeem van apps, leerplatformen en andere software waar een gemiddelde klas tegenwoordig mee werkt. Kerssens, die als postdoc aan de universiteit Utrecht onderzoek doet naar de platformisering van het onderwijs: ‘Het gekke is dat dit gebeurt terwijl nog nergens is aangetoond dat het beter is. Er is ook nog niet bewezen dat het slechter is, maar er wordt heel massief iets doorgevoerd waarvan niemand weet of het verstandig is.’</em></p>
<p><em>Het mensbeeld van de techbedrijven is uitermate individualistisch, stelt Van Dijck. Zij legt een verband met de unschooling-beweging in de VS. Daar willen met name techno-libertijnen het liefst dat kinderen überhaupt niet meer naar school gaan. Het is het wereldbeeld waarin grote bedrijven voor vrijheid staan, en alles wat riekt naar publiek of gezamenlijk het stempel ‘overheid’ krijgt en fout is. ‘De techno-libertijnen brengen het als het toppunt van vrijheid, maar in werkelijkheid zitten er grote financiële belangen achter’, zegt ze.</em></p>
<p><em>Aan de digitalisering van het onderwijs ging een jarenlange intensieve lobby vooraf. Het afgelopen decennium reisden kleine en grote techbedrijven alle conferenties van de OESO en de Europese Unie af om te pleiten voor meer digitalisering, onder het motto ‘twenty-first century skills’. De Nederlandse regering was er niet ongevoelig voor en richtte samen met private partijen de Dutch Ed Tech-coalition op, inmiddels gevestigd op het hippe Marineterrein in Amsterdam. Volgens Dutch Ed Tech zijn er in Nederland ruim vierhonderd edutech-start-ups, met een gezamenlijke waarde van bijna een miljard euro.</em></p>
<p><em>De start-ups en de grote techbedrijven zijn op allerlei manieren met elkaar verstrengeld. Pijpers: ‘De start-ups effenen het pad voor Big Tech. Zij enthousiasmeren scholen en beleidsmakers. Start-ups worden altijd met open armen ontvangen. Via hen komen Google en Microsoft vanzelf binnen, want de applicaties van de kleinere techbedrijven draaien allemaal in de cloud van de grote.’</em></p>
<p><em>Start-ups zijn hip, ze hebben het imago van duurzaamheid en innovatie, en daar lift Big Tech graag op mee. Vraag dat maar aan oud-eurocommissaris Neelie Kroes of prins Constantijn. Kroes en prins Constantijn regelden bijvoorbeeld in 2016 dat de topmannen van Apple en Alphabet (het moederbedrijf van onder meer Google) hoofdsprekers waren op het StartUpFest in Amsterdam. Waardevolle start-ups worden opgekocht door de grote techbedrijven. Het is win-win, want opgekocht worden betekent cashen.</em></p>
<p><em>Ook in Europa vond de edutech-lobby een zeer gewillig oor. Het Digital Education Action Plan (2021-2027) van de Europese Commissie heeft als doel het onderwijs in Europa zo snel mogelijk zo digitaal mogelijk te maken. En hoewel Europa op andere terreinen steeds kritischer wordt op de macht van Big Tech, ontbreekt daarvan rond de digitalisering van het onderwijs ieder spoor.</em></p>
<p><em>De enige kritische noot in het Action Plan gaat over privacy. En daarmee heb je meteen het probleem te pakken, zegt filosofe Tamar Sharon. Want de aandacht voor privacy werkt langzamerhand als een soort greenwashing van de techbedrijven. Sharon leidt aan de Radboud Universiteit in Nijmegen het instituut iHub, dat zich buigt over digitalisering en de greep van grote techbedrijven op de samenleving. De gevaren zitten in veel meer dan alleen de privacy, stelt zij. Het gaat over expansionisme, over het tot eigendom maken van wat aan de samenleving behoort, over het veranderen van hele sectoren zonder dat daar ooit bewust voor gekozen is.</em></p>
<p><em>Want of het nou gaat om de zorg, het onderwijs of het openbaar bestuur, steeds is de digitale infrastructuur – in tegenstelling tot fysieke, zoals wegen of spoorlijnen – eigendom van bedrijven. Sharon: ‘Daarmee komen beslissingen die eigenlijk door de samenleving genomen moeten worden, in handen van bedrijven.’ De blik van bijvoorbeeld de Autoriteit Consument &amp; Markt is veel te beperkt als ze bij techbedrijven louter kijkt naar ‘eerlijke concurrentie’ of ‘een echte markt’. Zouden er twintig aanbieders zijn in plaats van drie of vier, dan nog is sprake van een ongewenste greep van techbedrijven op het onderwijs.</em></p>
<p><em>Bij het nadenken over de digitalisering probeert Sharon te ontrafelen welke nadelen samenhangen met wat ze voor het gemak aanduidt als de rol van het grootkapitaal – de rol van de techbedrijven – en welke inherent zijn aan de digitalisering zelf. ‘We moeten dat in discussies uit elkaar trekken’, zegt ze. ‘Digitalisering kan immers ook publiek georganiseerd worden, als we dat zouden willen. Tegelijkertijd heeft digitalisering misschien nadelen die zich ook voordoen als het grootkapitaal geen rol speelt, die moet je ook onder ogen zien.’</em></p>
<p><em>Leren is niet louter lesstof tot je nemen, stelt Sharon. ‘Het is ook het leren als groep, in een groep. Dat zijn vaak waarden waarvan je je niet eens echt bewust bent, tot ze opeens verdwenen zijn, dan realiseer je het je.’</em></p>
<p><em><u>Achteruithollende kwaliteit van het onderwijs</u></em></p>
<p><em>Ondertussen holt de kwaliteit van ons onderwijs achteruit en neemt de kansenongelijkheid toe. Iedereen is het er wel over eens dat onderwijs belangrijk is. Toch daalt de kwaliteit ervan. Het Programme for International Student Assessment (Pisa) houdt bij hoe het ervoor staat met de vaardigheden van 15-jarigen in Europa op het gebied wiskunde, (begrijpend) lezen en natuurwetenschappen. Ze onderzoeken de EU14: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden. Het </em><a href="https://www.pisa-nederland.nl/resultaten2022/"><em>Pisa rapport</em></a><em> van 2022 is alarmerend: voor alle drie de onderzochte onderwerpen zijn de Europese gemiddelde scores gedurende de afgelopen  jaren gedaald. Onder Nederlandse jongeren was de daling extremer dan gemiddeld. Wat betreft leesvaardigheid scoort Nederland zelfs slechter dan bijna alle andere Europese landen.</em></p>
<p><em>Ook de onderwijsinspectie is kritisch; de onderwijskwaliteit en passend onderwijs staan onder druk, vooral kwetsbare leerlingen worden geraakt. Er zijn dan ook wat uitdagingen waar het Nederlandse onderwijssysteem mee te kampen heeft. </em></p>
<p><em>Onderwijsinspectie noemt kwaliteit van scholen ‘zeer zorgwekkend’ en eiste in 2024 actie van de toen nog formerende partijen. In plaats daarvan kwam het huidige kabinet met een miljardenbezuiniging op het onderwijs, een verhoging van BTW op schoolboeken en met een aanval op de deelname van buitenlandse studenten aan het hoger onderwijs. De Onderwijsinspectie luidt al jaren de noodklok over de kwaliteit van het onderwijs, maar van deze resultaten schrikken zelfs de inspecteurs. De formerende partijen lijken er geen oog voor te hebben. ,,De urgentie mag echt wel een stukje hoger.” Uit een recente steekproef bleek dat ruim 20 procent van Nederlandse scholen als ‘onvoldoende’ of ‘zeer zwak’ beoordeeld wordt. Nu holt de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs al jaren achteruit, maar van deze uitslag schrokken zelfs de inspecteurs van de Inspectie van het Onderwijs. Dat is nog zónder de nieuwe manier van beoordelen. Vanaf volgend jaar wegen Nederlands, rekenen en burgerschap extra zwaar mee. Met deze zogeheten basisvaardigheden gaat het in ons land al zeker twee decennia slecht, blijkt uit opeenvolgende onderzoeken. Hoeveel scholen zouden ondermaats presteren als ze langs de nieuwe meetlat zouden worden gelegd? Waarnemend Inspecteur-Generaal Ria Westendorp heeft er wel naar gekeken, maar wil geen exact percentage noemen. ,,Echt wel meer dan 20 procent.”</em></p>
<p><em>In de jaarlijkse Staat van het Onderwijs luidt de Onderwijsinspectie al sinds 2018 de noodklok  over de lessen op basis- en middelbare scholen. “Op dit moment gaat ongeveer 13 procent van de leerlingen van school af, terwijl ze onvoldoende geletterd en gecijferd zijn.” Dat betekent dat ze niet goed begrijpen wat ze lezen en slecht kunnen rekenen. Zo haalt meer dan de helft van de leerlingen in het basisonderwijs het streefniveau (2F) bij rekenen niet. En de leesvaardigheid gaat bij Nederlandse leerlingen nog harder achteruit dan bij scholieren in andere landen. Met burgerschap gaat het net zo. De prestaties van de leerlingen in Nederland zijn vergeleken met hun leeftijdgenoten in het buitenland. Zij doen het juist steeds beter. De stagnatie en daling zitten bij basisschoolleerlingen in taal, lezen, rekenen, cultuureducatie, natuur en techniek, burgerschaps- en bewegingsonderwijs. </em></p>
<p><em>Het is dus hoog tijd voor actie, vindt de inspectie. Intussen levert het &#8216;passend&#8217; onderwijs, waarbij leerlingen ondersteuning moeten krijgen waar ze die nodig hebben, te weinig op. De ondersteuning is niet goed genoeg. Verder is het aantal scholen met een zeer hoog tekort aan leerkrachten gestegen. Dat is vooral terug te zien op scholen met kinderen die al een onderwijsachterstand hebben. Volgens de onderwijsinspectie glijdt het onderwijsniveau af en zijn de prestaties van leerlingen de afgelopen 20 jaar geleidelijk gedaald: &#8220;Dat is uniek en reden tot zorg.&#8221; </em></p>
<p><em>Daarnaast dreigt het gevaar van ongelijke kansen doordat de kwaliteitsverschillen tussen scholen steeds meer toenemen. De etnische segregatie neemt af, maar de tweedeling op basis van opleiding en inkomen van de ouders neemt toe. De inspectie maakt zich grote zorgen over de tweedeling in het onderwijs. De kansen voor leerlingen zijn sterk afhankelijk geworden van het opleidingsniveau en het inkomensniveau van de ouders en de kwaliteit van de school. De onderwijsinspectie ziet daarnaast dat de tweedeling grote gevolgen heeft voor de kansen van minder bevoorrechte leerlingen, doordat scholen in armere buurten meer last hebben van een tekort aan leraren.</em></p>
<p><em>Vooral academisch opgeleide ouders scheiden zich af. Dit komt voor een deel door de wijk waarin ze wonen en hun kinderen naar school sturen. Ze kiezen ook vaker voor scholen met duidelijke onderwijsconcepten, scholen waar leerlingen met een vergelijkbare achtergrond zitten of voor privaat onderwijs. In vergelijking met andere landen is het Nederlandse onderwijs sterk gesegregeerd, concludeert de inspectie.</em></p>
<p><em>Ook zijn er ouders die kiezen voor kleine religieuze scholen, waardoor etnische segregatie ontstaat, schrijft de inspectie. Die signaleert dat er in Nederland &#8220;bubbels van gelijkgestemden&#8221; ontstaan, waar leerlingen nauwelijks uitkomen. Die eilandvorming zou vooral negatieve gevolgen hebben voor de onderwijskansen van kinderen met laagopgeleide ouders.</em></p>
<p><em>De inspectie is verder kritisch over de manier waarop het onderwijs zelf en de overheden proberen het tij te keren; scholen benutten niet genoeg de eigen mogelijkheden om de kwaliteit te verbeteren en de overheid stuurt niet voldoende.</em></p>
<p><em>De inspectie roept de overheid op zich weer meer met het onderwijs te bemoeien. Gemeenten en de landelijke overheid moeten duidelijk maken wat hun verwachtingen zijn van de scholen, omdat de maatschappelijke opdracht onder druk staat. De toezichthouder vindt de betrokkenheid van de overheden nu te vrijblijvend.</em></p>
<p><em>Alle leerlingen en studenten moeten de beste basis voor hun toekomst krijgen, is de inzet van de onderwijsinspectie. De toezichthouder roept daarom alle betrokkenen op meer en beter samen te werken om het tij te keren.</em></p>
<p><em>Leraren en andere medewerkers uit het primair en voortgezet onderwijs zijn ongerust over de kwaliteit van het onderwijs in hun sector: 9 op de 10 medewerkers geeft dit aan. Volgens 65 procent is de kwaliteit de afgelopen 10 jaar afgenomen. “Onderwijspersoneel maakt zich zorgen, maar iedereen zou zich hier zorgen over moeten maken”, zegt Aob-voorzitter Tamar van Gelder bij de presentatie van een peiling onder deze leraren door Aob in samenwerking met Een Vandaag in maart 2024. </em></p>
<p><em>De helft (51 procent) van de geënquêteerden heeft ‘redelijk wat’ zorgen over de onderwijskwaliteit; 39 procent zegt zich er veel zorgen over te maken. ‘Het houdt me dag en nacht bezig. De kwaliteit, de uitholling van onderwijs en het achteloos inzetten van personeel is mij een doorn in het oog’, aldus een hartenkreet van een medewerker uit het VO. Een basisschoolleraar wijst op het overvragen. ‘Roosters zitten propvol, net als de groepen, met meer zorg erin, veel eisen aan het onderwijs. Weinig rust tussendoor door het continurooster en veel meer administratie en gesprekken. De voorbereidingstijd voor de lessen is minder.’</em></p>
<p><em>Ook het niveau van de leerlingen baart het onderwijspersoneel zorgen. Een VO-docent: ‘Ik geef Nederlands, dus ik kan wel iets zeggen over het leesonderwijs: schrikbarend.’ Een collega van het vak economie sluit zich daarbij aan en ziet dat havo-5 leerlingen opgaven voor havo 4 zeer moeilijk vinden.</em></p>
<p><em>Wat niet helpt is de hoge werkdruk. Bijna iedereen (91 procent) heeft daarmee te maken. Eén op de tien docenten durft in de vragenlijst eerlijk toe te geven dat ze niet in staat zijn om goed les te geven. Van deze groep wijt het merendeel dat aan de werkdruk op hun school, het aantal zorgleerlingen in de klas en de klassengrootte. Ook in hun oordeel over collega’s die in hun ogen onderwijs geven dat kwalitatief onvoldoende is, staan deze drie oorzaken in de top 3. Overwerken is aan het orde van de dag. Slechts 9 procent werkt het aantal uren zoals in het contract is afgesproken. 15 procent werkt meer dan 8 uur per week over. Iets meer dan een kwart van het onderwijspersoneel doet dat 3 tot 4 uur per week. ‘Er is te weinig tijd om echt goed voor te bereiden’, schrijft een VO-docent. ‘Ik zit soms tijdens het zelf werken van leerlingen een andere les voor te bereiden of na te kijken. En dan nog kom ik altijd tijd te kort en moet ik in de weekenden doorwerken.’</em></p>
<p><em>Bijna 6 op de 10 leraren vindt dat ze te weinig tijd hebben voor het lesgeven zelf en dat een goede verdeling zoek is. ‘Ik zou graag willen dat lesgeven en voor- en nabereiding de hoofdmoot van het werk zouden zijn en dat de overige taken: e-mails beantwoorden, vergaderen, alle administratieve rompslomp van de leerlingvolgsystemen etc. af zouden nemen.’ Veel collega’s sluiten zich daarbij aan. ‘Te veel onzinnige taken kosten te veel tijd’, aldus een docent uit het VO.</em></p>
<p><em>Naast de werkdruk zien geënquêteerden dat lang niet alle collega’s van het complete lerarenteam voldoende onderlegd zijn. In het VO zijn ze hierover kritischer dan in het PO. Zo geeft 20 procent van de 784 ondervraagde VO-docenten aan dat het niveau van de pedagogische vaardigheden in het team onvoldoende is. Specifiek voor leesvaardigheid (27 procent) en rekenen (een kwart) is dit aspect volgens docenten onder de maat. Bijna 1 op de 3 van de ondervraagde werknemers uit het PO en VO kwalificeert de kwaliteit van hun eigen lerarenteam als ‘goed’, 57 procent kiest voor ‘redelijk goed’.</em></p>
<p><em>Docenten uit het voortgezet onderwijs valt verder op dat het niveau van basisschoolleerlingen bij hun entree op de middelbare school soms extreem laag is. ‘Dat gat is nauwelijks weg te werken’, schrijft een geënquêteerde. ‘Ze kunnen niet of nauwelijks begrijpend lezen en schrijven met een pen kunnen ze ook niet.’ De mentaliteit van de leerlingen bekritiseren ze in de open vragen. Zo schrijft een vo-docent: ‘Ik denk dat de mentaliteit en inzet van leerlingen is veranderd en ook dat de ouders vaak minder betrokken zijn en veel bij de docent neerleggen in plaats van zelf een goede basis voor hun kind te verzorgen.’</em></p>
<p><em>Als het onderwijspersoneel het voor het zeggen had, dan zou snel worden vastgelegd hoeveel leerlingen er maximaal in een klas mogen zitten en hoeveel zorgleerlingen daarbij mogen. Het Onderwijsblad publiceerde eerder al over passend onderwijs en de obstakels waar leraren mee te maken krijgen. Dat komt wederom in deze peiling naar voren. ‘Te veel zorgleerlingen waardoor de rest van de klas de aandacht niet krijgt.’</em></p>
<p><em>De administratielast is een ander probleem waaraan ze paal en perk willen stellen. Verder is er veel behoefte om vast te leggen wat er onder het voor-en nawerk wordt verstaan. In de jongste CAO primair onderwijs heeft AOb-bestuurder Thijs Roovers dit specifiek laten opschrijven. Een leraar in het voortgezet onderwijs schrijft: ‘Als op mijn school alle overige taken -decanaat, zorg, management, schoolreisjes, surveillance, coaching, schoolfeesten enz.- door niet-docenten worden gedaan en elke gediplomeerde docent weer doet waarom hij docent is geworden, is er geen lerarentekort. Doordat klassen zo vol zijn proberen mensen middels taken meer rust te vinden.’</em></p>
<p><em>“Dit onderzoek is helaas een bevestiging van het beeld dat we al kennen”, zegt AOb-voorzitter Tamar van Gelder. “En dat is al heel zorgelijk. We waren al door het ijs heen gezakt.” De AOb-voorzitter zegt dat iedereen weet wat er moet gebeuren. “Onderwijspersoneel geeft dat wederom aan: tijd voor lesgeven, kleinere klassen, minder bijzaken, tijd en aandacht voor zorgleerlingen en ook de professionalisering zodat je weet wat je zulke leerlingen kunt bieden.”</em></p>
<p><em>De ondervraagde AOb-leden zijn het hiermee eens. Ze noemen een combinatie van factoren om het vak aantrekkelijker te maken en zo nieuwe collega’s te trekken. Allereerst willen ze kleinere klassen. Deze optie werd het meest aangevinkt, gevolgd door minder taken buiten het lesgeven om én wederom minder zorgleerlingen. Pas daarna komt een beter salaris. Meer</em><a href="https://www.aob.nl/hulp-en-advies/autonomie/"><strong><em> </em></strong></a><em>autonomie scoort ook goed net als meer tijd voor het voor- en nawerk.</em></p>
<p><em><u>Verantwoordelijkheidscrisis</u></em></p>
<p><em>Volgens Johannes Visser, onderwijs correspondent bij De Correspondent  ligt het probleem van de kwaliteitsdaling van ons onderwijs dieper dan te weinig geld, te hoge werkdruk, het lerarentekort of het achterblijvende salaris (</em><a href="https://decorrespondent.nl/12563/het-grootste-onderwijsprobleem-is-niet-het-lerarentekort/2815ab53-da47-0c0c-1930-cb590879fdbf"><em>https://decorrespondent.nl/12563/het-grootste-onderwijsprobleem-is-niet-het-lerarentekort/2815ab53-da47-0c0c-1930-cb590879fdbf</em></a><em>). </em></p>
<p><em>“Het zijn symptomen. Het werkelijke probleem ligt dieper. De overheid kreeg de afgelopen dertig jaar steeds minder te zeggen over het onderwijs. Daardoor raakte het maatschappelijk belang van onderwijs uit het zicht, en werd het meer en meer een product dat aan de wensen van ouders en kinderen moest voldoen. Leraren veranderden van onderwijzers in lopende-band-medewerkers. In 2018 maakte ik iets mee waardoor ik ineens begreep hoe dat komt. In een overvolle evenementenhal keek ik naar de presentatie van De Staat van het Onderwijs – een rapport dat de Onderwijsinspectie jaarlijks uitbrengt. Een belangrijke conclusie van het rapport: de kwaliteit van het onderwijs daalt al twintig jaar. </em></p>
<p><em>Zodra dat bekend was gemaakt, stroomden de persberichten m’n mailbox binnen. Wie was er toch verantwoordelijk voor die dalende kwaliteit? Volgens de ministers van Onderwijs, Arie Slob (ChristenUnie) en Ingrid van Engelshoven (D66) liet het rapport van de Onderwijsinspectie zien dat scholen niet genoeg ambitie hadden. In een Kamerbrief reageerden de ministers: ‘Veel scholen lijken (&#8230;) tevreden te zijn. Voor de verbetering van de prestaties van onze leerlingen is meer ambitie nodig.’ </em></p>
<p><em>Ook die scholen, ondergebracht in schoolbesturen, voelden zich niet verantwoordelijk voor de dalende resultaten.  De voorzitter van de PO-Raad, die de besturen in het basisonderwijs vertegenwoordigt, noemde de conclusie van de inspectie ‘zorgelijk, maar niet verrassend’ en zei dat ze hier ‘al jaren voor waarschuwde’. De PO-Raad had daar zelfs al ‘een voorschot op genomen’, want de Raad had ‘vorig jaar met haar leden afgesproken de regie op onderwijs te pakken’.</em></p>
<p><em>Visser vroeg zich af: als het ministerie de kwaliteit van het onderwijs afdoet als een kwestie van ‘ambitie’ van schoolbesturen, en die besturen pas vorig jaar eens besloten ‘de regie op onderwijs te pakken’ – whatever that may be – wie zorgde er de afgelopen twintig jaar dan voor goed onderwijs? Voor een antwoord moeten we terug naar de jaren negentig.</em></p>
<p><em>Vanaf die jaren negentig werden allerlei publieke diensten geprivatiseerd of semi-geprivatiseerd. Het spoor, de telefonie, de post en de Postbank. De overheid besteedde een deel van haar taken uit aan het bedrijfsleven. Er bestonden grote, nieuwe ideeën  over hoe de economie, de overheid en de samenleving zich tot elkaar zouden moeten verhouden. Concurrentie tussen bedrijven zou tot betere resultaten leiden dan de overheid kon leveren. Burgers zouden meer te kiezen hebben en die keuzevrijheid zou ervoor zorgen dat ziekenhuizen, postdiensten en energiemaatschappijen beter aan de wensen van de klant konden voldoen. </em></p>
<p><em>Het onderwijs werd niet geprivatiseerd, maar die marktwerkingsgedachte kreeg er wel vat op. Zo vond onderwijsminister Wim Deetman (CDA) halverwege de jaren tachtig bijvoorbeeld dat scholen – basis en middelbaar – meer vrijheid moesten krijgen om zelf hun onderwijs in te richten. Later schreef hij daarover:  ‘Op deze wijze kan (maar ook: moet) elke school, gebruikmakend van zijn eigen kenmerkende punten, “concurreren” met andere scholen op basis van het meest wezenlijke criterium: de kwaliteit van het onderwijs.’ De belangrijkste verandering was de ‘lumpsumfinanciering’ – in het voortgezet onderwijs in 1995 ingevoerd en in het basisonderwijs in 2006. Schoolbesturen, die steeds groter werden, kregen voortaan een zak geld gebaseerd op het aantal leerlingen en konden zelf bepalen hoe ze dat uitgaven.</em></p>
<p><em>Niet het ministerie, maar het schoolbestuur bepaalde voortaan welke leraar in welke loonschaal thuishoorde. Geld werd niet meer door de overheid geoormerkt voor specifieke doelen. Besturen werden vrijer dat geld naar eigen inzicht te besteden, zelf beleid te maken. Dat is tot op de dag van vandaag zo, en als in het nieuws is dat de minister van Onderwijs zoveel honderd miljoen uitgeeft aan onderwijsachterstanden, het lerarentekort of salarissen dan weet je al dat een journalist een paar jaar later kan concluderen: we weten eigenlijk niet of al die miljoenen daar wel aan besteed zijn. </em></p>
<p><em>Het ministerie kreeg dus minder te zeggen over het onderwijs, en ging in plaats daarvan sterker sturen op de resultaten. Het maakte van onderwijsministers in wezen leraren zonder lesboek. Leraren die geen les geven maar wel de toets afnemen, en de klas gebrek aan ambitie verwijten als de toetscijfers tegenvallen. Wel controle, geen verantwoordelijkheid. </em></p>
<p><em>Hoewel het onderwijs niet geprivatiseerd werd, begon het idee dat concurrentie tot kwaliteit leidt er wel te leven. Minder overheid, meer markt.</em></p>
<p><em>Of die grotere rol van besturen ook tot meer kwaliteit leidde? Dat weten we niet. Onderzoek uit 2017 concludeert:  ‘Er is weinig empirisch bewijs gevonden voor het huidige beleid dat veronderstelt dat goed bestuur leidt tot goed onderwijs.’</em></p>
<p><em>Wat we dus wel weten is dat het onderwijs steeds slechtere cijfers haalt. Dat onderwijs de sector is met de meeste burn-outs. Dat er te weinig leraren zijn. En dat dat al heel lang aan de gang is. Dat hoeft niet te verbazen als je weet dat het ministerie schoolbesturen daarvan de schuld geeft en die besturen op hun beurt in 2017 besloten dan maar eens ‘de regie te pakken’.</em></p>
<p><em>Het gevolg van al die onderwijsproblemen is wederom meer marktwerking. Steeds meer bedrijven zijn zich de afgelopen tien jaar in het onderwijs gaan mengen. Het van belastinggeld betaalde onderwijs kon altijd goed concurreren met bedrijven die onderwijs aanboden, waardoor het particulier onderwijs in Nederland niet zo groot was.</em></p>
<p><em>Maar dat is aan het veranderen. Steeds meer leerlingen krijgen bijles, huiswerkbegeleiding of examentraining via een particulier instituut – inmiddels één op de drie. Stonden er in 2007 nog 25.685 onderwijsbedrijven geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, in 2015 waren dat er ruim 61.000 en begin 2021 maar liefst 106.830. Ook het geld dat bedoeld was om corona-achterstanden weg te werken werd door scholen gebruikt om private partijen in te schakelen,  terwijl de Tweede Kamer een motie aannam om dat juist te voorkomen.</em></p>
<p><em>Nog wat cijfers over privatisering. Telde het basisonderwijs in 2015 nog 35 privéscholen, in 2018 waren dat er al 60. In het voortgezet onderwijs groeide het aantal privéscholen in die jaren van 45 naar 50. Het gaat nog steeds om heel weinig leerlingen – 6.000 op een totaal van 2,4 miljoen –  maar de groei is wel groot.</em></p>
<p><em>Leraren in het basis- en voortgezet onderwijs zoeken ook naar particuliere alternatieven. Ze geven vaker les als zzp’er of laten zich op een school detacheren. In 2015 stonden er 199 docenten bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als zelfstandige, in 2019 al 448.  Ook het aantal bureautjes dat leraren als uitzendkracht of gedetacheerde aan scholen aanbiedt, is in een paar jaar explosief gegroeid.</em></p>
<p><em>Visser: “En die bedrijven vinden ook steeds meer hun weg ín scholen. Als leraar maakte ik in zes jaar mee hoe snel dat ging. Toen ik begon met lesgeven, tien jaar terug, volgden een paar leerlingen examentraining. In de jaren daarna gingen ze steeds vaker in groepjes naar bijlesinstituut Lyceo. In het laatste jaar dat ik lesgaf mailde de schoolleiding rond dat leerlingen zich weer konden opgeven voor de Lyceo-examentrainingen – en dat die gewoon op school gegeven zouden worden. Op LinkedIn werd ik steeds vaker benaderd door uitzendbureaus voor leraren. Toen ik overspannen raakte, werd ik vervangen door zo’n gedetacheerde docent.”</em></p>
<p><em>Je kunt het zien als hét bewijs dat marktwerking werkt. De kwaliteit daalt, dus ontstaan er nieuwe, concurrerende, particuliere initiatieven. Het is het logische gevolg van onderwijs dat is georganiseerd volgens vraag en aanbod, waarin onderwijs als voornaamste doel heeft aan de wensen van ouders en kinderen te voldoen. Als scholen meer op bedrijven moeten lijken die een product leveren, kun je het onderwijs net zo goed aan die bedrijven overlaten. Onderwijs zou ongelijkheid en segregatie tegen moeten gaan, maar door de autonomie die scholen kregen, zijn die juist toegenomen.</em></p>
<p><em>Maar publiek onderwijs is meer dan dat. Of in ieder geval: dat zou het moeten zijn. Het dient ook een collectief belang, een maatschappelijk doel. Het zou ongelijkheid en segregatie tegen moeten gaan, maar door de autonomie die scholen kregen, zijn die juist toegenomen.  De inspecteur-generaal van het Onderwijs, de baas van de Onderwijsinspectie, maakte zich daar in die evenementenhal in 2018 terecht zorgen over. Het bewaken van dat maatschappelijke doel, het collectieve belang van onderwijs, noemde ze ‘misschien wel de grootste opgave’.  ‘De oplopende ongelijkheid, de grote schoolverschillen en de sterke segregatie tonen aan dat het maatschappelijk belang gemakkelijk ondergeschikt raakt aan individuele belangen.’ ‘Kortom’, schreef ze in de inleiding van het rapport, ‘wie neemt verantwoordelijkheid voor het collectieve belang?’</em></p>
<p><em>Het ministerie van Onderwijs en schoolbesturen in ieder geval niet, bleek uit het vingerwijzen na de presentatie van het rapport. En doordat onderwijs meer en meer een product is geworden dat aan de wensen van ouders en kinderen moet voldoen en waar niemand verantwoordelijkheid voor draagt, is het onderwijs nu in crisis.</em></p>
<p><em>Want leraren nemen die verantwoordelijkheid wél, dag in dag uit in hun klas. Ze staan niet alleen voor de klas om zo goed mogelijk aan de wensen van ouders en leerlingen te voldoen, ze zien dat ze ook een maatschappelijke taak hebben. Dat ze leerlingen met allerlei achtergronden met elkaar om moeten leren gaan. Dat kinderen die het moeilijk hebben thuis soms wat extra aandacht nodig hebben, en dat dat ook weleens ten koste gaat van leerlingen die tussen de hockey en de pianoles door nog naar hun bijles moeten.</em></p>
<p><em>Maar in een wereld waarin scholen moeten concurreren, een wereld van vraag en aanbod, wordt die maatschappelijke rol niet gewaardeerd. Daarin is de leraar een resultatenmachine, een lopende-band-medewerker, of in de woorden van (oud-)leraren René Kneyber en Jelmer Evers: ‘een gedresseerde aap die dan weer uit angst voor de stok en dan weer voor een handje nootjes dansjes doet voor het orgel’. </em></p>
<p><em>Als de kwaliteit van het onderwijs al zo lang daalt, de sector al zo lang overwerkt is en het al in 2007 voorspelde lerarentekort niet op tijd kon worden tegengegaan, is het niet genoeg om het werk neer te leggen voor meer geld en nieuw beleid. Het is tijd dat leraren ook de ideeën achter het beleid dat dertig jaar terug werd ingezet bevragen.</em></p>
<p><em>Het idee dat concurrentie tot kwaliteit leidt bijvoorbeeld – zorgt dat niet voor werkdruk en burn-outs? Het idee dat ouders meer te kiezen zouden moeten hebben – leidt dat niet tot veeleisende ouders die vinden dat hun kind alle aandacht verdient, en dus tot overwerkte leraren en ontevreden vaders en moeders? Dat de minister geen verantwoordelijkheid neemt voor het collectief belang en dus scholen een gebrek aan ambitie verwijt – wat doet dat met de status van de leraar?</em></p>
<p><em>Als problemen in het onderwijs veroorzaakt worden door slechte ideeën, los je die niet op met alleen extra geld. Dan los je die op met betere ideeën.</em></p>
<p><em><u>Een nieuw onderwijsstelsel is hard nodig</u></em></p>
<p><em>De VVD sloopte in het rampzalige kabinet Van Agt-Wiegel de plannen om een grote, emancipatorische en inhoudelijke vernieuwing in te voeren in ons voortgezet onderwijs – de middenschool. Ondanks goede resultaten bij de experimenten op scholen werd het door de liberalen en de christendemocraten weggezet als onderwijs met een socialistisch spuitje. Tegenwoordig zouden ze het te ‘woke’ noemen, waarschijnlijk. En dus zitten we nog met een idioot vroege selectieleeftijd, die veel talenten niet tot wasdom laat komen, en met de maar zeer beperkt aangepaste structuur van de Mammoetwet uit 1968, die de verschillende VO-schooltypen introduceerde zoals we die nu kunnen (de voornaamste aanpassing sindsdien was de samenvoeging van het LBO en MAVO tot VMBO. </em></p>
<p><em>In de periode voor de Mammoetwet hadden we de Hogere Burger School (HBS), waaraan sommigen nog steeds met nostalgie terugdenken (lees bijvoorbeeld: Wij van de HBS – Terug naar de beste school van Nederland van Roelof Bouman en Henk Steenhuis (2017, Meulenhoff). Kennis is een fantastisch wapen om onzin en leugens op afstand te houden. Maar er is ook meer dan alleen cognitieve kennis. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen, met muziek, theater, beeldende vorming en bewegingsonderwijs, in een verrijkte schooldag. Het succes van de oude HBS staat model voor de eis van een groot en breed vakkenpakket. Dat paste bij het verheffingsideaal van Thorbecke, die in 1863 de HBS oprichtte, en dat past nog steeds bij ons verheffingsideaal. In de drie- of vijfjarige opleiding was veel aandacht voor exacte vakken, de moderne talen (Nederlands, Frans, Engels en Duits) waren verplicht, de HBS voerde economie-onderwijs in (staatshuishoudkunde en handelsrekenen). Sommige leerlingen kregen wel les in 35 vakken, zoals plant- en dierkunde, mechanica en kosmografie. </em></p>
<p><em>We willen dit ideaal herstellen, in moderne vorm, met medeneming van de inzichten vanuit de Middenschool en alle andere kennis die we inmiddels hebben over leren en onderwijs. </em></p>
<p><em>Voor meer onderwijstaken (meer bewegingsonderwijs, meer cultureel onderwijs, meer burgerschapsvorming, meer onderwijs in gezonde leefstijl, meer digitale vaardigheden, meer taal- en rekenonderwijs, een breder vakkenpakket, etc.) moet er uiteraard ook meer (uiteraard bekostigde) onderwijstijd, en extra specialistische onderwijsprofessionals komen. Dat lijkt nu onmogelijk, met alle problemen rond lerarentekorten en werkdruk. Het is een typische Catch-22 situatie, die je alleen met een brede, consequente aanpak kan doorbreken. In onze plannen voor het aanpakken van arbeidstekorten worden hiertoe veel instrumenten gegeven. </em></p>
<p><u>Een ander onderwijsstelsel, meer publiek geld naar een geheel publiek te maken stelsel en beter, emancipatoir onderwijsbeleid</u></p>
<ol start="284">
<li><strong>Selectie in het onderwijs moeten we niet eerder plaats laten vinden dan 15/16 jaar. In een middenschool wordt dan niveaugedifferentieerd onderwijs gegeven. Na je 15<sup>e</sup>/16<sup>e</sup> levensjaar volgt er selectie naar meerdere vervolgsporen, ook met beroepsonderwijs en werkend leren.</strong> We erkennen dat het niet realistisch is dat iedereen een vwo-opleiding kan volgen, hoeveel ondersteuning hij of zij ook krijgt. De samenleving is divers en dus zal ook het onderwijs dat moeten zijn. Daar ligt echter wel meteen een nieuwe uitdaging. Diversiteit mag niet ontaarden in hoogwaardig onderwijs voor degene die het kan betalen, en inadequaat onderwijs voor de rest<u>. </u></li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="285">
<li><strong>We investeren fors extra in het onderwijs. Scholen moeten voldoende, goede leraren en financiën en goede leermiddelen en schoolgebouwen hebben, zonder wachtlijsten. Tekorten van leraren moeten worden aangepakt met minder werkdruk, meer autonomie en meer collega’s, met een forse verhoging van de aantrekkelijkheid van het beroep en het voorkomen van de huidige hoge uitstroom van startende leraren.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="286">
<li><strong>In het onderwijs verminderen we de werkdruk en realiseren meer aandacht per leerling.</strong> Met kleinere klassen (bijvoorbeeld: gemiddeld 23 leerlingen, in achterstandswijken gemiddeld 12 leerlingen). En met meer onderwijsassistenten (per klas tenminste één), meer vakleerkrachten (bijv. voor bewegings- en voor cultuuronderwijs) en iedere school krijgt tenminste een schoolconciërge. En er komt meer specialistische begeleiding in kader van passend onderwijs.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="287">
<li><strong>We weten dat kleinschalig en intensief onderwijs resultaat oplevert. We weten ook dat het duur is. Daarom zorgen we dat het meeste geld en de beste leraren naar juist deze leerlingen gaat. Het meeste geld en de beste leraren gaan naar de scholen waar de pedagogische leeromgeving het grootst is. Het bieden van kansen wordt beloond, het rendementsdenken is aan banden gelegd.</strong> Nu wordt ook juist de gymnasiumleraar in plaats van de vmbo leraar het best beloond. We moeten daarentegen het meeste geld en de beste betaalde leraren plaatsen bij scholen met de grootste pedagogische uitdaging. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die dan ook. Nu zijn juist op de scholen met de laagste opleidingsniveaus vaak, behoudens een enkele idealist, de leraren werkzaam die overbleven op de arbeidsmarkt. Op deze scholen is het percentage onbevoegd gegeven lessen en het ziekteverzuim onder leraren veel hoger, en met lagere salarissen. Leerlingen op het vmbo hebben net zoveel of zelfs meer recht op universitair geschoolde leraren en leraren die zo goed zijn dat ze de scholen voor het uitkiezen hebben als hun leeftijdgenoten op het havo en vwo.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="288">
<li><strong>In plaats van premies op zo snel mogelijk doorstromen willen we een premie op het bieden van kansen.</strong> Bij scholen met een extra pedagogische uitdaging ontvangt men een toeslag en een kleinere lestaak, zodat er meer individuele begeleiding gegeven kan worden. De bekostiging moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien, en dit moet niet zoals nu juist risico’s voor een school opleveren. Concurrentie tussen scholen wordt zoveel mogelijk vervangen door samenwerking.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="289">
<li><strong>Onderwijs moet weer om onderwijs draaien, zodat leraren niet zich druk hoeven te maken over statistieken en financiering.</strong> Het rendementsdenken in het onderwijs leidt nu tot uitwassen waarin resultaatgerichtheid gemengd met student- of leerling-vriendelijkheid leidt tot een situatie waarin zoveel mogelijk leerlingen zo snel mogelijk aan een diploma geholpen wordt om de financiering rond te krijgen. Daarom worden resultaten opgepoetst, zelfs met fraude zoals in 2017 (wederom) bleek op een onderdeel van het ROC Zadkine. Wat veel meer gebeurd is dat bewust het niveau verlaagd wordt. Het gaat niet om kwaliteitsverbetering, maar om resultaatsverbetering. Daardoor wordt het onderwijs ook geteisterd door een managementcultuur, met managers en bestuurders die weinig met onderwijs hebben. Het grootste probleem is dat het in de scholen niet meer om het onderwijs gaat, dat is bijzaak geworden, schrijft docent Lucas Zandberg in zijn onderwijsroman <em>De Rendementsdenker</em> (2017). Centraal staan rendement, enquêtes, prestigeprojecten, slagingspercentages. Experts op het gebied van window dressing.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="290">
<li><strong>We formuleren een andere definitie van rendement.</strong> Op dit moment bestaat het rendement van een school uit het aantal leerlingen dat zonder vertraging slaagt voor het eindexamen. De zogenaamde doorstroom en uitstroom. Daar worden scholen op beoordeeld en afgerekend. Nog altijd lopen scholen een financieel risico als ze leerlingen de mogelijkheid geven het te proberen op een hoger niveau. Scholen worden afgerekend op rendement en examencijfers, dus twijfelgevallen, omlopers en laatbloeiers zijn een risico. Het leidt er soms toe dat een leerling naar een lager schooltype wordt verwezen, terwijl hij met wat extra tijd en begeleiding het hogere schooltype misschien wel had kunnen halen. Dat is nu gunstig voor het rendement. Om stapelen tot een succes te maken moet er juist een premie komen op het bieden van kansen, niet op rendement. In plaats van de ambitie van de leerling is nu het (voor)oordeel van de leraar over kans op succes teveel leidend, en bij dat oordeel wordt de school geprikkeld geen risico te nemen. Dat mechanisme houdt de tweedeling in ons onderwijs in stand. Een definitie van rendement moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="291">
<li><strong>Kwaliteit van onderwijs begint bij kwaliteit van leraren. We investeren in de kwaliteit van de lerarenopleidingen en hun nascholing en versterken de kwaliteit van zijinstromers, zowel vakinhoudelijk als pedagogisch-didactisch. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="292">
<li><strong>De leraar moet veel meer eigenaar van het onderwijsleerproces worden en dus ook daarover veel meer zeggenschap hebben. We willen de vorming van onderwijscoöperaties tot norm maken</strong>, een publieke soort maatschap, van leraren die zelf de school besturen binnen wettelijke kaders en doelen, en met volwassen medezeggenschap van onderwijsdeelnemers en hun ouders. Leraren en ondersteunend personeel komen verplicht bij de school in dienst met vaste contracten. Met een goede rechtspositie zorgen we voor goed werkgeverschap en maken we uitzendbureaus en zzp-ers, die nu veel geld kosten dat niet naar het personeel zelf gaat, terug. Overmatige financiële reserves en tijdelijke contracten worden tegengegaan door tijdelijke financieringsstromen in beginsel niet meer toe te passen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="293">
<li><strong>We passen de lump sum financiering van scholen aan door onder meer de cao weer af te laten sluiten door de minister van OCW en de scholen (tenminste PO, VO, MBO, volwassenenonderwijs en inburgeringsonderwijs) daar rechtstreeks voor te subsidiëren, de noodzaak voor reserves voor huisvesting en onderhoud te schrappen door ze een garantstelling vanuit de overheid te geven en door het personeel collectief zeggenschap te geven over de begroting van de onderwijsinstelling.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="294">
<li><strong>Scholen kunnen eigen pedagogisch-didactisch verschillende profielen hebben binnen de wettelijke kaders</strong> (ze moeten wel voldoen aan wetenschappelijke inzichten over leren en ontwikkelingspsychologie, en brede vorming bieden), <strong>zijn plat georganiseerd, en met veel regel- en budgetruimte.</strong> De overheid stuurt wel op kwaliteit, toegankelijkheid en meer gelijke kansen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="295">
<li><strong>We streven naar scholen met menselijke maat.</strong> Geen grote scholen, maar voor schaalvoordelen kunnen voor bepaalde dienstverlening, zoals HRM, corporaties tussen scholen worden opgericht. Bekostiging gaat rechtstreeks naar afzonderlijke scholen. Kleinere scholen krijgen meer bekostiging, zodat ze met behoud van kwaliteit overeind kunnen blijven. Scholen kunnen zich in ook coöperatief verband organiseren om bijv. uitwisseling van personeel en andere samenwerking te organiseren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="296">
<li><strong>We willen minder prestatiedruk in het onderwijs.</strong> Natuurlijk moet er getoetst worden, maar dat kan veel minder, en vooral ook minder bij jonge kinderen. Huiswerk zoveel mogelijk afschaffen. Plezier in leren moet een prioriteit zijn.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="297">
<li><strong>Scholen moeten ondersteund worden bij het creëren van een volwassen schoolcultuur.</strong> Scholen moeten veilig zijn, met fatsoenlijk gedrag (geen discriminatie, pesten, agressie; wel respect en tolerantie), aanwezigheid als norm, waar leraren en leerlingen zich prettig voelen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="298">
<li><strong>De leerling krijgt de gelegenheid om zelfstandigheid en veerkracht te ontwikkelen.</strong> We erkennen anderzijds dat veel jongeren soms de behoefte hebben bij de hand genomen te worden en investeren dus veel meer in begeleiding. Als het goed is kennen scholen het cognitieve niveau van hun leerlingen. Dat beeld zou gecomplementeerd moeten worden: welke bijkomende ondersteuning heeft deze leerling nodig om de opleiding met succes te voltooien?</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="299">
<li><strong>De verschillen in kwaliteit tussen scholen moeten veel minder groot worden. Zwakke scholen moeten eerder onder toezicht worden geplaatst.</strong> Kinderen zijn anders de dupe. Uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs (<em>De Staat van het Onderwijs</em>, april 2017) blijkt dat basisscholen twee schooltypen in schooladvies kunnen uitmaken. De te grote autonomie van scholen vergroot de kansenongelijkheid enorm. In landen waar dit beter gaat is er een nationaal curriculum en zit de overheid boven op het onderwijs. Scholen moeten niet als bedrijf functioneren. Teveel willen ze tegen lage kosten veel diploma’s uitdelen. Ze hebben nu geen baat bij dure, academisch opgeleide leerkrachten. Doubleren kost geld en staat slecht op vergelijkingssites. Liever laten ze leerlingen glansrijk een lager schooltype doorlopen. Dat verkleint de kansen van kinderen. De overheid moet niet langer naar de schoolbesturen kunnen verwijzen – goed onderwijs is in de allereerste plaats een verantwoordelijkheid van de overheid. Een minister kan ook niet Albert Heijn de schuld geven van verslechterde volksgezondheid. De lat moet hoger voor de scholen. Met beter opgeleide en beter betaalde leraren met minder werkdruk, minder grote groepen leerlingen en minder administratieve last moet dat ook kunnen. Zwakke scholen moeten sneller gesloten worden. Kinderen zijn anders de dupe.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="300">
<li><strong>In het publiek bekostigde basis en voortgezet onderwijs komt er op iedere school een toelatingsrecht.</strong> Scholen mogen leerlingen niet meer afwijzen, ook niet vanwege de religieuze identiteit van de school. Bij capaciteitsproblemen kan er tijdelijk een stop worden toegestaan, maar de school moet dat met extra publieke middelen zo snel mogelijk oplossen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="301">
<li><strong>Gemengde scholen wat betreft ouders met diverse achtergrond (opleiding/inkomen, culturele/etnische afkomst, religie/levensbeschouwing, etc.) verdienen de voorkeur om jonge mensen te leren met diversiteit om te gaan. Scholen moeten religieus neutraal zijn. Denominatie (religieuze identiteit) wordt geschrapt als aparte bekostigings- en oprichtingsgrond.</strong> Scholen hebben niet de vrijheid om vanwege religieuze of andere redenen verplichte lesstof, zoals evolutiewetenschap, geschiedenis van de Holocaust en seksuele voorlichting, achterwege te laten. Godsdienstonderwijs en godsdienstactiviteiten zijn altijd vrijwillig en worden niet bekostigd. Godsdienst, afkomst, gender, seksuele geaardheid en gedrag, etc. mag nooit een reden zijn om leerlingen of leraren niet toe te laten/aan te nemen, uit te sluiten, te schorsen, uitschrijven of ontslaan. Integendeel, scholen hebben een expliciete opdracht discriminatie in welke vorm dan ooit tegen te gaan.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="302">
<li><strong>De taal- en rekenvaardigheid, maar ook de kennis in andere vakken in het basis, voortgezet en beroepsonderwijs moet substantieel omhoog. Teveel leerlingen ontberen nu basale, noodzakelijke kennis en vaardigheden.</strong> Er komt daartoe een actieplan met investeringen en hogere normen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="303">
<li><strong>Kennis is een fantastisch wapen om onzin en leugens op afstand te houden. Maar er is ook meer dan alleen cognitieve kennis. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen, met muziek, theater, beeldende vorming en bewegingsonderwijs, in een verrijkte schooldag.</strong> <strong>Het succes van de oude HBS staat model voor de eis van een groot en breed vakkenpakket. Dat paste bij het verheffingsideaal van Thorbecke, die in 1863 de HBS oprichtte, en dat past nog steeds bij ons verheffingsideaal. </strong>In de drie- of vijfjarige opleiding was veel aandacht voor exacte vakken, de moderne talen (Nederlands, Frans, Engels en Duits) waren verplicht, de HBS voerde economie-onderwijs in (staatshuishoudkunde en handelsrekenen). Sommige leerlingen kregen wel les in 35 vakken, zoals plant- en dierkunde, mechanica en kosmografie. Voor meer onderwijstaken (meer bewegingsonderwijs, meer cultureel onderwijs, meer burgerschapsvorming, meer onderwijs in gezonde leefstijl, meer digitale vaardigheden, meer taal- en rekenonderwijs, een breder vakkenpakket, etc.) komt uiteraard ook meer (uiteraard bekostigde) onderwijstijd, en extra specialistische onderwijsprofessionals.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="304">
<li><strong>Meer onderwijstijd betekent niet dat kinderen langer moeten leren door te luisteren. Het leren op school moet leren van de nieuwste inzichten over ontwikkelingspsychologie</strong>, zoals mooi beschreven in <em>Het tienerbrein</em>, van hoogleraar in de neuropsychologie aan de VU, Jelle Jolles (november 2016). Kinderen leren weinig van passief luisteren, maar veel door te ervaren. Klassieke kennisoverdracht is ontzettend belangrijk, maar dat gebeurt het effectiefst door andere werkvormen. Brede vorming, met ook veel aandacht voor sport en beweging, voor muziek, drama en andere vormen van cultuur stimuleert het leren enorm – niet alleen voor gymnasiasten, maar voor alle kinderen, dus ook op wat nu havo, vmbo en mbo is. Kinderen worden nu te vaak en op veel te jonge leeftijd afgescheept met de mededeling: leren is niets voor jou, ga maar naar het vmbo. Mbo-ers hebben veel moeite om door te stromen naar het hbo, omdat het onderwijs dat hun wordt geboden te schraal en te smal is. Dat heeft niets te maken met slimheid, maar met een gebrek aan kennis en ervaringen, vaak door een andere sociale achtergrond. Als je in een galerijflat opgroeit met ouders met weinig opleiding, is een schoolcarrière niet vanzelfsprekend. Hoe ver je komt op school ligt niet zomaar vast in de genen, het is vooral de omgeving die bepalend is. Als er meer in je geloofd wordt en je gestimuleerd en geïnspireerd wordt, kom je verder. Dat is juist bij vmbo-leerlingen van belang. Daar hebben de ouders vaak niet de middelen en moet de school het dus doen. Groepswerk is belangrijk en geef leerlingen de ruimte om oude kennis aan nieuwe problemen te koppelen, door creatief te denken, risico’s te nemen, met elkaar te discussiëren.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="305">
<li><strong>Daarbij helpt het als er veel meer contact is tussen ouder, kind en leraar, ook voor tieners ouder dan 15 jaar. Geen 7 minuten op een ouderavond, maar uren. Liefst met het kind erbij. </strong>En dat er mensen worden ingevlogen voor lezingen over hoe je omgaat met leermotivatie of met angst, of over pesten of drugs. Leraren krijgen voor dit soort taken meer tijd in hun aanstelling. Meer contact betekent overigens niet dat ouders kunnen vragen en leraren vervolgens moeten draaien. Leraren en de school hebben een eigen verantwoordelijkheid. Leerlingen en ouders zijn geen consumenten, ze zijn partners in de opvoeding en ontwikkeling, ieder met zijn eigen rol. Meer contact kweekt meer begrip en zorgt voor betere communicatie en samenwerking.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="306">
<li><strong>We investeren in moderne, duurzame schoolgebouwen, gezonde schoolkantines en innovatieve goede leermiddelen, die bij voorkeur zelf door leraren collectief mede worden ontwikkeld. </strong>Er is nu een grote achterstand bij het onderhoud. Veel schoolgebouwen zijn 40 jaar oud of ouder. De luchtkwaliteit is slecht, wat</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="307">
<li><strong>We zorgen dat scholen een veilige plek zijn.</strong> Bij sommige scholen wordt er door criminelen geprobeerd jongeren bij hun criminaliteit te betrekken. Dit tegengaan moet een prioriteit van de politie zijn. Scholen en jeugdzorg werken daarmee goed samen. Er komt meer toezicht op en om de schoolterreinen met de hiervoor genoemde extra conciërges.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="308">
<li><strong>Alle schoolgebouwen en al het onderwijs moeten toegankelijk zijn voor studenten met een fysieke beperking. </strong>Mensen met een verstandelijke of andere geestelijke beperking moeten ook na het voortgezet onderwijs zoveel mogelijk toegang hebben tot beroepsonderwijs.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="309">
<li><strong>We willen inclusief onderwijs.</strong> <strong>We brengen daarom de aanbevelingen uit het advies van de Onderwijsraad </strong><strong><em>‘Steeds inclusiever’ </em>(2020) alsnog in praktijk </strong>(<a href="https://www.onderwijsraad.nl/publicaties/adviezen/2020/06/23/steeds-inclusiever">https://www.onderwijsraad.nl/publicaties/adviezen/2020/06/23/steeds-inclusiever</a>) Bij inclusiever onderwijs gaat het om een combinatie van drie elementen:</li>
</ol>
<ul>
<li>leerlingen met een beperking krijgen de benodigde ondersteuning en toerusting om naar school te kunnen,</li>
<li>hun school is dichtbij huis, en</li>
<li>leerlingen volgen onderwijs samen met leerlingen zonder een beperking.</li>
</ul>
<p>De Wet passend onderwijs voor kinderen die extra of speciale aandacht nodig hebben, werkt niet: 20.000 kinderen zitten inmiddels al thuis. Ze zijn uitgevallen op school en kunnen nergens anders terecht. Het aantal thuiszitters groeit al jaren. Een zorgelijke ontwikkeling. De beloftes zijn niet nagekomen. Terwijl de wet passend onderwijs, ingevoerd in 2014, moest zorgen voor een ommezwaai. Het aantal thuiszitters moest naar nul. Dat is niet gelukt. Sterker: de wet werkt al jaren niet naar behoren.</p>
<p>Dat bleek begin april 2023 tijdens een Kamerdebat met de onderwijswoordvoerders opnieuw. Ze zijn zeer kritisch op de wet. Zij niet alleen. Belangenorganisatie Ouders en Onderwijs waarschuwde de afgelopen jaren in verschillende rapporten dat het passende onderwijs minder maatwerk biedt dan ooit beloofd werd. Het passende onderwijs moet ervoor zorgen dat kinderen met leer- en gedragsproblemen zo lang mogelijk in het reguliere onderwijs blijven. Idee daarachter: het speciaal onderwijs ontlasten en de bureaucratie en het aantal thuiszitters verminderen. Bovendien zou het voor de meeste kinderen zelf beter zijn om in ‘<em>gewone’</em> klassen onderwijs te krijgen dan in klassen met veel leerlingen met problemen. Geen van die doelstellingen is behaald.</p>
<p>De zogenoemde zorgplicht zorgt voor problemen. Die komt erop neer dat scholen zelf met een oplossing moeten komen voor kinderen die extra ondersteuning nodig hebben. Maar in de praktijk blijkt dat lastig omdat de juiste plek of ondersteuning niet gevonden wordt. Bovendien kampen veel scholen met een lerarentekort waardoor het aantrekken van extra personeel – belangrijk voor zorgleerlingen – zo goed als onmogelijk is. Belangenorganisatie Ouders en Onderwijs vraagt de minister om meer personeel beschikbaar te stellen en de klassen kleiner te maken, maar in de huidige aanpak van het lerarentekort zit onvoldoende perspectief.</p>
<p>Ook het speciaal onderwijs is sinds de invoering van de wet niet ontlast. Het aantal aanvragen neemt al jaren toe. Met alle gevolgen van dien, want de problemen van de leerlingen zijn vaak complexer omdat ze te lang in het reguliere onderwijs blijven hangen.</p>
<p>Te veel kinderen zitten thuis en leerkrachten ervaren in klassen met kinderen met functiebeperking nog enorm veel werkdruk. Kinderen vallen daardoor tussen wal en schip en krijgen niet het onderwijs dat ze nodig hebben. Begeleiding op school is voor mensen met een beperking soms lastig te regelen. De scholen hebben te weinig kennis en expertise in huis om kinderen passend onderwijs te bieden en hen goed te begeleiden. Scholen moeten nog een cultuuromslag doormaken, de transformatie heeft op veel scholen niet plaatsgevonden. Veel leerlingen krijgen hierdoor geen passende ondersteuning. Scholen geven aan onvoldoende middelen te hebben om leerlingen extra te ondersteunen. Dat heeft ook te maken met een funeste herschikking van middelen. Bij de verdeling van het geld over de regio’s wordt niet meer gekeken naar het aantal zorgindicaties, maar het aantal leerlingen in de regio is nu leidend. Het leidt in sommige regio’s tot een bezuiniging van 34%.</p>
<p>De samenwerkingsverbanden in het passend onderwijs zijn te stroperig en leveren leerlingen die extra voorzieningen of aandacht nodig hebben om te kunnen meedoen aan het onderwijs onvoldoende op. De weg naar een samenwerkingsverband of gemeentelijke jeugdteams blijkt complex. Niemand voelt zich eindverantwoordelijk voor een leerling. Er is te weinig structuur, samenwerkingsverbanden werken zeer lokaal en iedere regio heeft haar eigen uitdagingen. Er is niemand met doorzettingsmacht. Regels en geldstromen zijn wel veranderd, maar niemand lijkt de weg te kennen naar de juiste loketten. Scholen hebben bijvoorbeeld geen middelen om kinderen te testen, waardoor kinderen vaak (te) lang zonder juiste ondersteuning op school blijven zitten.</p>
<p> </p>
<ol start="310">
<li><strong>De doelgroep wordt afgebakend tot leerlingen met een beperking, zodat er gericht beleid gevoerd kan worden.</strong> Daarbij is het uitgangspunt de ondersteuning en toerusting die een leerling nodig heeft, en niet de medische classificatie. De medicalisering van leerproblemen moet worden teruggedrongen. Teveel kinderen krijgen medicijnen zonder goede diagnostiek. Zo’n diagnose is moeilijk, daar moet minimaal een kinderpsychiater of kinderneuroloog aan te pas komen. Vaak is meer structuur geven een betere oplossing dan medicijnen. Een op de tien kinderen, vooral jongens, krijgen tegenwoordig de diagnose adhd, terwijl uit onderzoek aan de VU blijkt dat maximaal 2 à 3% van alle kinderen adhd heeft (bron: <em>Het tienerbrein</em>, van hoogleraar in de neuropsychologie aan de VU Jelle Jolles, november 2016).</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="311">
<li><strong>Om te borgen dat álle scholen klaarstaan voor leerlingen met een beperking, komt er een landelijke norm voor de lichte ondersteuning en toerusting voor het primair en voortgezet onderwijs, een minimumondersteuning die iedere school moet bieden. </strong>Deze wordt ontwikkeld door professionals uit de praktijk samen met wetenschappelijke experts.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="312">
<li><strong>Voor een betere borging wordt daarnaast de huidige zorgplicht in het primair en voortgezet onderwijs verbreedt, zodat die ook ondersteuning en toerusting omvat bij overgangen in loopbaan en leefwerelden. Ook voor het middelbaar beroepsonderwijs komt er een zorgplicht. </strong>Bij inschrijving komt er bij speciale leerbehoeftes een landelijk aanmeldpunt, dat de inspectie onderwijs ondersteunt bij de handhaving van de zorgplicht – scholen mogen niet aanmelding van deze kinderen proberen te voorkomen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="313">
<li><strong>Er komt een wettelijk hoorrecht voor de betrokken leerlingen opdat zij kunnen meepraten en meebepalen over welke ondersteuning zij nodig hebben.</strong> Er komt een vast aanspreekpunt en vertrouwenspersoon voor leerlingen in het VO. Dit omdat een leerling vele leraren heeft en elke leraar vele leerlingen. Het is nog niet overal goed geregeld. Het vaste aanspreekpunt wordt onderdeel van het programma van eisen aan schoolbesturen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="314">
<li><strong>We gaan meer maatwerk mogelijk maken voor leerlingen met zeer complexe ondersteuningsbehoefte</strong>, zoals hoogbegaafden en ernstig meervoudig beperkte leerlingen (EMB; een combinatie van grote verstandelijke beperking – IQ&lt;35 –, een lichamelijke beperking en bijkomende stoornissen). We gaan daarbij onder meer flexibiliteit geven met de onderwijstijd en faciliteren afstandsonderwijs voor thuiszitters met als doel weer zoveel mogelijk aan onderwijs deel te nemen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="315">
<li><strong>Wanneer onderwijs en jeugdzorg niet tot een passend aanbod komen moet er een instantie zijn die dat kan opleggen. Leerplichtambtenaren krijgen doorzettingsmacht om kinderen met een beperking op scholen te plaatsen.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="316">
<li><strong>Het speciaal en regulier onderwijs moet dichter bij elkaar worden gebracht. Door beide schoolsoorten op een locatie onder te brengen</strong> kunnen mengvormen ontstaan en wordt thuisnabij en gezamenlijk onderwijs ook mogelijk voor leerlingen die zwaardere ondersteuning en toerusting nodig hebben. Bovendien kunnen faciliteiten en expertise worden gedeeld. Om de expertise op scholen verder te vergroten geven we inclusiever onderwijs, inclusief speciaal onderwijs, nadrukkelijk een plaats in het curriculum van initiële lerarenopleidingen en in nascholingsprogramma’s.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="317">
<li><strong>De overheid heeft de taak om regelgeving, bekostiging en toezicht in lijn te brengen met de doelen van inclusiever onderwijs. Dat betekent onder andere dat scholen in het primair en voortgezet onderwijs rechtstreeks worden bekostigd voor alle lichte onderwijsondersteuning en -toerusting.</strong> Samenwerkingsverbanden blijven bekostiging ontvangen om scholen te helpen bij zwaardere ondersteuning en zorg-onderwijscombinaties. Daarbij vindt een verevening plaats omdat er nu te vaak veel te grote reserves worden aangehouden.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="318">
<li><strong>Het (voortgezet) speciaal onderwijs blijft mogelijk voor leerlingen voor wie inclusief, passend onderwijs ondanks al het bovenstaande niet mogelijk is. Het aantal thuiszitters moet drastisch omlaag. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="319">
<li><strong>We laten het recht op passend onderwijs ook gelden voor kinderen in gesloten jeugdzorginstellingen, zolang dat nog bestaat. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="320">
<li><strong>Binnen veel gemeenten of regio’s bestaat geen goede structuur voor het volgen van schoolverlaters ZML (zeer moeilijk lerend)/ VSO (Voortgezet jeugdzorg). Hierdoor raken deze jongeren uit beeld. Ook ‘<em>thuiszitters’</em> raken uit beeld. We gaan hiervoor een landelijke, verplichte structuur voor opzetten.</strong></li>
</ol>
<p>Dit gaat vooral om jongeren met autisme die een vrijstelling hebben gekregen van de leerplicht, maar vervolgens thuisblijven en waarvoor geen enkele instantie zich meer verantwoordelijk voelt. De overgang van VSO-PRO (Praktijkonderwijs)-Entree (niveau 1) –of MBO 1 naar werk loopt ook niet goed voor veel jongeren. Voor de transitie van school naar werk is voor mensen met een beperking vaak veel ondersteuning nodig, niet in alle gemeenten is dit goed geregeld. Veel jongeren vallen uit op school of vlak na het verlaten van school. Na een eerste stage of baan raken deze jongeren vaak ook nog uit beeld. Hierdoor komen er steeds meer <em>NUG-ers</em> (niet-uitkeringsgerechtigden die niet studeren en niet werken).</p>
<p> </p>
<ol start="321">
<li><strong>We maken een actieplan met investeringen in de capaciteit en kwaliteit voor het leerlingenvervoer voor het speciaal onderwijs.</strong> Daar gaat nu teveel mis, omdat er louter op prijs wordt aanbesteed. Dit leerlingenvervoer gaan we publiek organiseren. De medewerkers komen ook in publieke, vaste dienst, en moeten voldoen aan hoge kwaliteitsnormen om met deze leerlingen goed om te gaan. Gemeenten worden verantwoordelijk en aansprakelijk voor de kwaliteit.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="322">
<li><strong>We zorgen voor gratis gezond eten en drinken op school, inclusief ontbijt en lunch. Voor iedereen, teneinde stigmatisering te voorkomen.</strong> Volgens gegevens van de GGD neemt obesitas en diabetes alarmerend toe onder kinderen, met name bij kinderen uit gezinnen met lagere inkomens. Er zijn grote, vooral sociaaleconomisch gedreven verschillen in de gezondheid, reeds waarneembaar op jonge leeftijd. Kinderen eten te weinig groente, teveel fast food en bewegen te weinig. Naast voedsel- en bewegingslessen (incl. zwemles tot en met behalen zwemdiploma’s A, B en C), regels in school over wat er te koop is en tegen roken, alcohol en drugs, is het belangrijk ouders erbij te betrekken. Hun kennis, vaardigheden en achtergronden spelen een grote rol bij of hun kinderen echt gezonder gaan eten en leven. Ons beleid om armoede uit te bannen maakt hen dat ook mogelijk. Daarbij horen ook schoolactiviteiten om zelf gezond voedsel te kweken en onderwijs in gezond en ecologisch duurzaam leven.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="323">
<li><strong>We investeren fors in het beroepsonderwijs, en moderniseren en faciliteren het lerend werken veel beter.</strong> Goed praktijkonderwijs met de modernste machines is duur. Maar we moeten ons realiseren dat 60% van onze leerlingen nu naar het vmbo gaat. Goed opgeleide vakmensen leveren de samenleving bovendien veel op, terwijl voortijdige schooluitval met alle gevolgen van dien de samenleving handenvol geld kost.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="324">
<li><strong>Stages die betaalde arbeid verdringen worden verboden en dat verbod wordt actief gehandhaafd. Er komt een verplichte minimum stagevergoeding (gelijk aan 75% van het minimum(jeugd)loon per uur) voor verrichte arbeid en alle onkosten van stagiairs, waarin geen onderscheid gemaakt mag worden tussen niveau van opleiding of sector waarin men werkt.</strong> Bij iedere stage is er een verplichte stageovereenkomst met duidelijke rechten en plichten.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="325">
<li><strong>Het beroepsonderwijs (t/m het hoger onderwijs) zal adequater moeten reageren op de snel veranderende eisen van de arbeidsmarkt. Wij willen dat het mbo-aanbod per regio afgestemd wordt op de regionale economie en de dynamiek van de arbeidsmarkt. </strong><strong>We werken daarmee aan een herstructurering van het aanbod van het beroepsonderwijs opdat niet tot werkloosheid, maar juist voor banen waar tekorten zijn of dreigen wordt opgeleid. Dat gebeurt in overleg met sociale partners in de regio en met medezeggenschap van de mbo-studenten.</strong> Werkgevers die medezeggenschap krijgen in het beroepsonderwijs moeten ook stageplekken realiseren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="326">
<li><strong>Voor veel studenten, maar ook voor het bedrijfsleven, is werkend leren, de zgn. beroepsbegeleidende leerweg (BBL) belangrijk. Wij willen met gerichte (loonkosten)subsidies deelname aan de BBL bevorderen.</strong> Scholen en bedrijven zijn samen verantwoordelijk voor beschikbaarheid van leerwerkplekken. Wij willen met gerichte (loonkosten)subsidies deelname aan de BBL bevorderen, met name in tekortberoepen. Werkgevers die geen of weinig stageplekken en/of BBL-plekken aanbieden gaan hogere werkgeverslasten betalen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="327">
<li><strong>Mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties krijgen gericht extra overheidsgeld om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="328">
<li><strong>Stapelen van diploma’s is een belangrijk principe voor sociale mobiliteit. Jongeren krijgen een doorstroomrecht</strong>: een diploma geeft zonder extra voorwaarden recht op vervolgonderwijs. De aansluiting wordt verbeterd, extra toegangseisen vervallen en er komen goede schakelprogramma’s. Er komt extra geld voor extra begeleiding, bijlessen en coaching van studenten die doorstromen van mbo naar hbo, in het laatste jaar mbo en het eerste jaar hbo, en voor meer professionele studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="329">
<li><strong>We gaan in het hoger onderwijs de begeleiding intensiveren. We schaffen het bindend studieadvies af en de studiefinanciering wordt niet meer afhankelijk van de studieprestaties.</strong> In het onderwijs zelf moeten de universiteiten en hogescholen zorgen voor voldoende studievoortgang, waarbij maatwerk nodig is.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="330">
<li><strong>We gaan de toegang tot de masteropleidingen in het hoger onderwijs selectiever maken. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="331">
<li><strong>We beperken de invloed van de private financiering van het wetenschappelijk en hbo onderzoek. De onafhankelijkheid van dat onderzoek moet beter geborgd worden.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="332">
<li><strong>De rechtspositie en medezeggenschap van studerenden wordt versterkt.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="333">
<li><strong>We investeren extra in cultuur. Het budget wordt verdubbeld. De huidige manier om subsidies te verdelen wordt herzien</strong>: we schaffen de grote nadruk op de eigen inkomstennormen af. Ook pakken we de onnatuurlijke scheiding tussen de rechtstreekse financiering van de Rijksoverheid en de cultuurfondsen van het ministerie aan. We stemmen het versnipperde beleid van rijk, gemeenten en provincies beter op elkaar af. Kopers van werk van beeldende kunstenaars worden gesubsidieerd. Voor hen geldt niet het minimum-ZZP-tarief. Door de koopsubsidie worden ze gelijkgesteld, mits men voldoende werk verkoopt. Voor experimenteel werk en innovaties komt een aparte subsidieregeling. De beoordeling is onafhankelijk van de overheid en de grote galeries.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="334">
<li><strong>Kinderen hebben recht op cultuur. Voor cultuur- en muziekonderwijs en beeldende vorming komt structureel meer geld beschikbaar</strong> zodat kinderen en jongeren kennis kunnen maken met kunst door zowel zelf creatief bezig te zijn als door kunstuitingen te bezoeken. Zij moeten daar al vroeg kennis mee kunnen maken via kunst-, cultuur en muziekonderwijs, beeldende vorming en media-educatie. Kinderen leren informatie te zoeken, te filteren en kritisch te bekijken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="335">
<li><strong>Iedereen die 18 jaar wordt, krijgt een cultuurvoucher.</strong> Zo geven we jonge mensen de mogelijkheid om hun eigen smaak en visie te ontwikkelen en krijgen kunst- en cultuurorganisaties (inclusief musea) een breed en divers publiek voor de toekomst.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="336">
<li><strong>Basis- en voortgezet onderwijs moeten echt gratis worden, evenals het mbo, hbo en wo.</strong> We nemen schoolmaterialen, boeken en hulpmiddelen op in de onderwijsbekostiging van de instellingen, zodat ouders, leerlingen en studenten die niet zelf hoeven aan te schaffen. Het verbod op de zgn. vrijwillige eigen schoolbijdrage wordt versterkt en de controle geïntensiveerd. Alle activiteiten georganiseerd door deze scholen moeten gratis voor iedereen zijn, dus ook excursies, schoolreizen, schoolzwemmen, sportdagen, huiswerkbegeleiding en examentraining, etc. We zorgen dat de bekostiging dit goed dekt, zodat commerciële concurrentie geen kans meer krijgt en de sluipende privatisering van ons onderwijs wordt tegengegaan. Scholen krijgen budget om bijspijkerlessen op school aan te bieden, zodat elke leerling die dat nodig heeft er gebruik van kan maken. Ook kunnen scholen de mogelijkheid bieden aan leerlingen met een achterstand om een weekend- of zomerschool te volgen, en een verlengde schooldag met een veilig en actief verblijf op school ook in het voortgezet onderwijs, in samenwerking met het jongerenwerk in de wijk. Zo zorgen we dat elk kind, ongeacht de portemonnee van de ouders, gelijke kansen in het onderwijs heeft. Hiervoor komt apart budget in het kader van het opnieuw in te voeren wijkbeleid voor kansarme wijken. De vervanging van het huidige les- en cursusgeld voor het mbo, hbo en wo voor 18-plussers door leerrechten is bij de invoering van leerrechten al voorgesteld.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="337">
<li><strong>We gaan de commercialisering en privatisering van ons onderwijs tegen. De ontwikkeling en beheer van leermiddelen moet gaan plaatsvinden in niet-commerciële coöperaties van leraren en ontwikkelaars. We gaan daar een structuur en een aparte publieke geldstroom voor organiseren, die kan concurreren met private structuren. We voeren extra wettelijke maatregelen in om monopolies en kartels te voorkomen in privaat aanbod van leermiddelen, en ook van digitale leeromgevingen en andere digitale diensten aan publieke onderwijsinstellingen. We bouwen en financieren een publieke digitale structuur voor onderwijsinstellingen die tenminste net zo goed is als het private aanbod. We scherpen de voorwaarden aan voor onderwijsinstellingen om privaat aanbod te gebruiken, onder meer om te grote afhankelijkheid, onvoldoende zeggenschap over wat er met data en systemen gebeurt, te grote afdracht van publiek geld aan commerciële partijen en risico’s op het terrein van privacy te voorkomen. We gaan een aparte toezichthouder oprichten om dit in de hele publieke sector ook te handhaven. We gaan ook weer de advisering en begeleiding van scholen publiek maken. Geen private partijen meer, maar weer publieke schoolbegeleiding en leerontwikkeling. Er komt ook een Nationaal Onderwijs Planbureau (NOP) dat inhoudelijk aan de minister van OCW en de onderwijsinstellingen en hun sectorale organisaties adviseert. Dat moet ook de commerciële advisering terugdringen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="338">
<li><strong>Er komt ook een publiek gefinancierd, voor burgers gratis landelijk aanbod van basiseducatie voor laaggeletterden, gericht op basisvaardigheden op het terrein van in ieder geval taal, rekenen en digitale vaardigheden</strong>, waaronder het kunnen beoordelen van informatie op betrouwbaarheid:</li>
</ol>
<ul>
<li>Met speciale, gratis, laagdrempelige en aantrekkelijke scholen voor basiseducatie in alle gemeenten met een extra inzet op de wijken waar dit probleem het grootst is;</li>
<li>Met een open digitaal interactief ondersteuningskanaal en een landelijk kwaliteitskader;</li>
<li>Bij de opzet wordt samengewerkt met volwassenenonderwijs, bibliotheken en buurtwerk/wijkcentra, en met scholen in het PO en VO: scholen bemiddelen actief voor taalonderwijs voor ouders van hun leerlingen wanneer zij constateren dat die inzet nuttig kan zijn;</li>
<li>Er komen aparte diploma’s voor de verschillende taalniveaus met een bescheiden bonus/beloning bij het behalen daarvan;</li>
<li>Ook gaan we veel meer werk van toegankelijk volwassenenonderwijs maken. We organiseren een landelijk netwerk met volwassenenonderwijs: van tweede kans voortgezet onderwijs, van specifieke cursussen tot hoger onderwijs voor volwassenen – ondersteund door een ruim aanbod van digitaal afstandsonderwijs. Voor lage inkomens wordt dit gratis toegankelijk.</li>
<li>Bibliotheken worden gratis en worden gepromoot met taal- en leescafés, quizzen, publieke dictees e.d. We investeren in moderne bibliotheken, met moderne media en digitale toegang, die nauw samenwerken met scholen en het taalonderwijs. Bibliotheken worden leesbevorderingscentra. Iedere wijk en ieder dorp moet verplicht een fysieke, goed toegankelijke bibliotheekvoorziening hebben. Ook daarvoor krijgen gemeenten extra geld.</li>
<li>Jongeren tot 25 jaar en inkomens tot 130% van het sociaal minimum krijgen een gratis abonnement op een onafhankelijk dagblad (al dan niet digitaal) naar keuze.</li>
</ul>
<p><em><u>Een nieuw belastingstelsel</u></em></p>
<p><em>Uitvoeringscrisis: Vereenvoudiging</em></p>
<p><em>Ons belastingstelsel verkeert in een existentiële crisis. De steeds maar toenemende complexiteit, gepaard gaande met achterstallig onderhoud en gebrek aan ICT-capaciteit, brengt de belastinginning – en daarmee de financiering van de overheid en de publieke sector (onderwijs, zorg, politie, defensie, rechtspraak, sociale zekerheid, openbaar vervoer, etc.) – in groot gevaar. Drastische vereenvoudiging is van groot belang voor de uitvoering, maar ook voor de transparantie en kenbaarheid voor de belastingbetalers en voor de handhaafbaarheid. </em></p>
<p><em>De oplossingsrichting die we daarbij kiezen ligt in het beperken van doelstellingen van belastingmaatregelen tot de hieronder genoemde, en het schrappen van regelingen die daar niet tot behoren, het zoveel mogelijk gelijk behandelen van bronnen van belastingheffing (inkomen, vermogen – zoals door het schrappen van het boxenstelsel, etc.), het zoveel als mogelijk werken met tarieven die ook materieel in stand blijven zonder kortingen, aftrekposten en vrijstellingen – en het zoveel mogelijk integreren van regelingen. </em></p>
<p><em>Daarenboven moeten – zoals het rapport van de enquêtecommissie naar het Toeslagenschandaal aanbeval – er geen uitkeringen (toeslagen; verzilverbare kortingen, negatieve belastingen) verstrekt meer worden door de fiscus, maar moet deze zich concentreren op heffingen vanuit fiscaal beleid. Fiscaal beleid en uitvoering moeten weer geconcentreerd zijn op Ministerie van Financiën (niet zoals nu, waar bijv. SZW beleidsverantwoordelijk is voor kinderopvangtoeslag, BZK voor huurtoeslag en VWS voor zorgtoeslag). Toeslagen en andere fiscale voordelen zouden zoveel mogelijk vervangen moeten worden door de financiering van de betreffende voorzieningen niet meer via de consument te laten lopen, en waar dat niet kan of niet wenselijk is, door een niet-fiscale subsidie. </em></p>
<p><em>Rechtvaardigheidscrisis: het moet eerlijker, duurzamer, zekerder</em></p>
<p><em>Ons belastingstelsel verkeert ook in een rechtvaardigheidscrisis. Materieel worden de zwaarste lasten gedragen door de zwakste schouders. Dit moet echt anders, eerlijker. Het belastingstelsel moet weer het voornaamste instrument voor een eerlijke (her)verdeling van de welvaart in ons land worden, en de bestaanszekerheid van huishoudens zoveel mogelijk borgen. </em></p>
<p><em>Gegeven de huidige enorme ongelijkheid vraagt dit om een grote, nivellerende herverdeling van inkomen en vermogen, met onder meer veel sterkere progressiviteit in effectieve tarieven, zonder dat die weer teniet gedaan worden door fiscale faciliteiten. Lage en middeninkomens moeten er per saldo (inkomen, belastingen, noodzakelijke kosten van bestaan) op vooruit gaan ten koste van hoge inkomens en winsten en van grote vermogens bij huishoudens en bedrijven. </em></p>
<p><em>De enorme vermogens- én inkomensongelijkheid in Nederland is een structurele veroorzaker van enerzijds grote armoede en anderzijds exorbitante, schadelijke en gevaarlijke rijkdom, en maakt dat gemiddelde cijfers weinig meer zeggen, zoals dat we op basis van gemiddelde cijfers een rijk land zijn. Ons belastingstelsel vergroot die ongelijkheid verder. </em></p>
<p><em>Ons doel is een samenleving waarin grenzen gesteld worden aan ongelijkheid in inkomen en bezit, uit oogpunt van rechtvaardigheid – de meeste ongelijkheid is geen gevolg van eigen verdienste of falen – en om schadelijke effecten op de economie en de democratische rechtsstaat – door een te grote concentratie van bezit en daarmee verbonden invloed en zeggenschap – tegen te gaan. Door de herverdeling van rijk naar arm maken we ook een land zonder armoede mogelijk, en ook onze ambities voor betere publieke dienstverlening, oplossing van de woningnood en de transitie naar een ecologisch duurzame, groene samenleving. Dat vraagt maatregelen die de lasten op arbeid verlagen en de lasten op kapitaal en vervuiling verhogen. Wat betreft ongelijkheid spelen daarbij erfenissen een grote rol.<a href="#_edn6" name="_ednref6"><strong>[vi]</strong></a></em></p>
<p><em>Het nieuwe belastingstelsel betekent per saldo een forse lastenverzwaring, die neerslaat bij hoge inkomens en grote vermogens, en bij grote vervuilers, zowel bij huishoudens als bij bedrijven. Deze opbrengst gaat naar versterking van de publieke sector, verlaging van lasten en verhoging van inkomen voor lagere en middeninkomens.</em></p>
<p><em>Het fiscaal stelsel moet vervolgens beter dienstbaar zijn aan een beter (eerlijker, duurzamer, zekerder) verdienmodel voor ons land. Aan de basis van een roodgroene betere samenleving staat een beter, roodgroen verdienmodel. Dat nieuwe verdienmodel vervangt: </em></p>
<ul>
<li><em>de lage loneneconomie die alleen mogelijk is met uitbuiting van arbeidsmigranten door een hoogwaardige kenniseconomie, </em></li>
<li><em>‘Nederland Distributieland’ en het waterhoofd van de financiële industrie door een economie gebaseerd op duurzame, circulaire binnenlandse bestedingen die niet overmatig meer gebaseerd zijn op krediet, en </em></li>
<li><em>Nederland als topland van agrarische productie en energieintensieve bedrijvigheid door Nederland als topland voor klimaatneutrale en niet-vervuilende en voor mens en dier gezonde landbouw en industrie. </em></li>
</ul>
<p><em>In deze nieuwe samenleving is een sterke, activistische, herverdelende overheid die grenzen stelt aan de markt en regie voert over onze ruimtelijke inrichting, met een sterke publieke sector, inclusief volkshuisvesting, zonder marktwerking. Die overheid beschermt de democratische rechtsstaat en de mensenrechten en organiseert tegenmacht en coöperatieve organisatie van burgers. Dat vraagt een concreet actieplan om de democratische rechtsstaat tegen de fascistische bedreigingen uit binnen- en buitenland te beschermen. En daarin hoort ook opgestaan te worden tegen het aanwijzen van (vooral niet-westerse) migranten en hun nakomelingen als zondebokken, met een links verhaal over migratie. </em></p>
<p><em>Daarbij willen we betaald werk (publiek en privaat) bevorderen door de lasten op werk voor werkgevers te verminderen, en die op kapitaal (vermogen(swinst), winst, dividend, erfenis en schenkingen) te verhogen. Voor werknemers moet werken lonend blijven zonder fiscale voordelen en zonder (fiscale) bevoordeling van het ondernemerschap. Dat moet in samenhang met het beleid voor werk, sociale zekerheid en de lasten van zorg, wonen, onderwijs, kinderopvang, vervoer en energie. </em></p>
<p><em>Als linkse partij(en) kiezen we daarbij voor zoveel mogelijk collectieve regelingen met een eerlijke financiering, waarbij het publieke belang geborgd is en waar private belangen zoveel mogelijk uitgebannen zijn. Werk in de publieke sector gaat daarbij normstellend zijn in plaats van volgend – werk in de publieke sector is economisch net zo relevant als werk in de private sector, maatschappelijk van de grootste betekenis en veel effectiever maak- en stuurbaar. En we moeten werkelijke toegevoegde reële waarde op de langere termijn door bedrijven minder belasten dan speculatieve en alleen financiële waarde op de korte termijn. Fiscale regelingen moeten schulden bij huishoudens en bedrijven niet stimuleren – de omvang van private kredieten is in onze economie veel te groot, dat geeft te grote risico’s op micro- en macroniveau. </em></p>
<p><em>Ecologische crisis: vergroening</em></p>
<p><em>Het belastingstelsel moet ook effectiever en eerlijker werken voor echte klimaat- en milieurechtvaardigheid, met een eerlijke verdeling van lusten en lasten, waarbij de grootste vervuilers de zwaarste lasten dragen en de lusten ook eerlijk verdeeld worden. We stoppen dus met fiscale fossiele subsidies. Aparte aandacht vragen de btw-heffingen en accijnzen hierbij. Vervuiling dient ook progressief belast te zijn – prijsmaatregelen zijn veel effectiever en efficiënter dan subsidies om de klimaat- en andere milieutransities tot stand te brengen. Aanvullend, niet-fiscaal beleid en maatregelen moeten daarbij waarborgen dat er klimaat- en milieurechtvaardigheid is, en lage en middeninkomens en het kleinbedrijf per saldo daarbij voordelen ondervinden. </em></p>
<p><em>Financieringscrisis: degelijke overheidsfinanciering</em></p>
<p><em>Tenslotte moet het nieuwe belastingstelsel per saldo genoeg opbrengen om het beleid van Verenigd Links ten aanzien van bijv. lonen en uitkeringen, zorg, onderwijs, wonen, klimaat, milieu en natuur, veiligheid, openbaar vervoer, etc., mogelijk te maken. Per saldo zal er sprake zijn van een lastenverzwaring, die vooral neervalt bij (de meest winstgevende) bedrijven en hoge inkomens en vermogens. In de weging tussen de tariefstelling en hogere opbrengsten moeten richtinggevende keuzes gemaakt worden.</em></p>
<p><u>Inkomsten- en loonbelasting</u></p>
<ol start="339">
<li><strong>In de loon- en inkomstenbelasting gaan we alle inkomen ongeacht hoe dat inkomen verdiend is (uit arbeid, uit kapitaal/bezit of uit bedrijf), gelijk behandelen – we schrappen het boxenstelsel. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="340">
<li><strong>In plaats daarvan komen er meer (bijvoorbeeld zes), progressief oplopende tariefschijven (bijvoorbeeld voor de laagste inkomens 15%, voor de hoogste 75%). De belastingvrije voet blijft. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="341">
<li><strong>Deze tarieven worden ook effectief, ze worden niet meer verlaagd met kortingen, aftrekposten, vrijstellingen en andere faciliteiten.</strong> Deze belastingverminderingen komen nu grotendeels terecht bij hogere inkomens. Het maakt ontduiking en ontwijking ook erg moeilijk als dat allemaal niet meer bestaat – uitvoering en handhaving wordt eenvoudiger, de transparantie wordt groter en belastingadviseurs moeten een wel zinvol beroep gaan kiezen.</li>
</ol>
<p>We schrappen daarmee:</p>
<ul>
<li>de arbeidskorting (werk moet niet op kosten van de belastingbetaler, maar op die van werkgevers lonen!)</li>
<li>de ouderenkortingen (de ouderdomsvoorzieningen moeten zelf hoog genoeg zijn),</li>
<li>de algemene heffingskorting,</li>
<li>de combinatiekorting,</li>
<li>alle aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek.</li>
</ul>
<p>Deze kortingen en aftrekposten zijn volgens diverse IBO-rapporten vaak niet effectief noch doelmatig. Er worden allerlei hobby’s en lobby’s bedreven. Het belastingstelsel moet zich beperken tot inkomens- en vermogens(her)verdeling en de degelijke financiering van publieke uitgaven. Alle ander beleid moet buiten de fiscus worden gehouden en opgelost worden met subsidies, heffing en/of regulering vanuit de vakdepartementen die dat beleid regarderen.</p>
<p> </p>
<ol start="342">
<li><strong>De subsidies voor woningbezitters worden geheel geschrapt. </strong>Dit is helemaal verkeerd: het jaagt de prijsopdrijving aan, vergroot de risico’s voor hypotheeknemers en de Nederlandse economie, en vergroot enorm de enorme ongelijkheid.</li>
</ol>
<p>Kopers zijn 90% rijker dan huurders – de woonongelijkheid is enorm en groeiende. De toenemende vermogensongelijkheid komt met name door het uiteenlopen van woonvermogens: het vermogen dat iemand wel – of niet – in een koopwoning heeft zitten, zoals Piketty al aantoonde. creëren in toenemende mate een scheiding tussen de ‘insiders’ en de ‘outsiders’: zij die wel, en zij die geen huis kunnen kopen, waarbij de eerste groep steeds kleiner wordt en de tweede groep steeds groter. Eigen vermogen – of vermogen uit de familie – wordt daardoor steeds bepalender; huizenbezit wordt in toenemende mate erfelijk. Ool minder stabiele huizenprijzen, ofwel volatiliteit, speelt een rol – het is nog maar een decennium geleden dat de huizenprijzen plotseling dramatisch kelderden. De welgestelde groep kan die schokken opvangen, de kwetsbare groep niet. Deze groep heeft een huis, maar leeft op het randje, vaak door een te hoge hypotheek. De kwetsbare groep is onlangs nog geschetst in een WRR-rapport over de wankelende middenklasse. Een van de opstellers ervan, Harald Bennink, hoogleraar Banking en Finance aan de Universiteit Tilburg, sprak in <em>De Groene Amsterdammer</em> over een groep mensen met schulden waar ze nooit meer uitkomen. <em>‘Niet omdat ze gekke dingen hebben gedaan of geld over de balk hebben gesmeten, maar omdat ze op basis van een vast contract [voor de crisis] een hypotheek zijn aangegaan. (…) Als er een nieuwe crisis komt, zakken al deze mensen door het ijs.’</em> Elders in dit programma creëren we wel een gunstige spaarfaciliteit voor een eigen woning voor lagere en lagere middeninkomens.</p>
<p> </p>
<ol start="343">
<li><strong>We schrappen met het bovenstaande ook alle fiscale ondernemers- en ondernemingsfaciliteiten</strong>:
<ul>
<li>de ondernemersaftrek op winst en verlies uit onderneming (dit betreft de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, meewerkaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, stakingsaftrek), en</li>
<li>de zgn. ondernemingsfaciliteiten (dit betreft de mkb-winstvrijstelling, de landbouwvrijstelling, de milieu-investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving milieu-investeringen, de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, de energie-investeringsaftrek, en de herinvesteringsreserve).</li>
<li>Ook schrappen we de mogelijkheid voor zelfstandigen om te lenen van de eigen BV (incl. eigen woningschuld) en schrappen we de doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon bij DGA’s, conform het IBO-rapport over vermogensongelijkheid uit juni 2022.</li>
</ul>
</li>
</ol>
<p>Bij elkaar leiden deze belastingfaciliteiten voor ondernemers nu tot grotere ongelijkheid en grote verschillen in lasten op arbeid afhankelijk van de vorm waarin deze arbeid wordt verricht. Ook leiden ze tot forse uitholling van de financiering van de sociale zekerheid en van de collectieve voorzieningen. Daarbij gaat het hier om forse bedragen die, mede door de groei van het aantal ondernemers, de laatste jaren duidelijk zijn gegroeid. Ze spelen een grote rol bij het vergroten van de ongelijkheid. We moeten stoppen om gedrag van ondernemers en ondernemingen te beïnvloeden met fiscale of andere subsidies. De fiscale faciliteiten met betrekking tot verduurzaming (alleen al ca. 40 miljard per jaar!) worden vervangen door prijsmaatregelen en regulering. Prijsprikkels zijn veel effectiever, eenvoudiger uit te voeren en kosten de belastingbetalers niets, maar leveren juist inkomsten op.</p>
<p> </p>
<ol start="344">
<li><strong>Bij inkomen telt voor de belastingheffing alles mee, ook de waardevermeerdering van bezit, en inkomen in natura, zoals auto’s van de zaak, voor de reële waarde. Er is maar één uitzondering: de waardestijging van de eerste, zelf bewoonde eigen woning tot een bedrag van de gemiddelde koopprijs van een woning wordt pas afgerekend op het moment dat de woning verkocht wordt. Er wordt niet langer gewerkt met fictieve, maar met werkelijke rendementen, net als in het buitenland. De Directeur-Groot Aandeelhouder (DGA) wordt direct belast over de winst van zijn vennootschap in de inkomsten- en loonbelasting &#8211; de huidige mogelijkheden om inkomen en dus belastingheffing (schier eindeloos) uit te stellen vervallen daarmee, en tevens afschaffing van de aftrekmogelijkheden voor leningen aan de DGA. We stoppen ook met alle fiscale subsidiëring van schulden &#8211; we staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd nul euro, en we waarborgen een eerlijke vermogensetikettering (indien het vermogen voor het merendeel voor privé of voor de onderneming wordt aangewend, wordt het vermogen daar volledig in opgenomen voor de belastingheffing).</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="345">
<li><strong>Bij de nieuwe tarieven worden de huidige premies voor volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) en de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke zorgpremie (ZVW) geïntegreerd. Een deel van de financiering van de AOW/ANW en de zorg (nu WLZ/ZVW) gaan we ook financieren door verhogingen van belastingen op kapitaal (zie hierna). De vrijstelling van pensioenen in de derde pijler (lijfrentes e.d.) vervalt. </strong>Dat zorgt bij elkaar voor een breder en eerlijker financiering, en maakt het stelsel nog een stap eenvoudiger.</li>
</ol>
<p> </p>
<p><u>Fiscale toeslagen<a href="#_edn7" name="_ednref7">[vii]</a></u></p>
<ol start="346">
<li><strong>Alle fiscale toeslagen worden geschrapt. </strong>De fiscus is niet bedoeld voor uitkeringen, en de cultuur van innen bij de Belastingdienst staat daar haaks op. Als er uitkeringen en subsidies gedaan moeten worden dan hoort dat te gebeuren door de vakdepartementen en hun uitvoeringsorganisaties. Deze andere cultuur en het feit dat de beleidsverantwoordelijkheid van de fiscale toeslagen bij anderen dan Financiën ligt (VWS, Volkshuisvesting, SZW) zijn twee belangrijke verklaringen waarom het zo hard en zo lang misging bij het toeslagenschandaal. Daarom zijn we ook tegen een uit te keren negatieve inkomstenbelasting in welke vorm dan ook. Laat de sociale uitkeringen bij het ministerie van SZW en vermeng dat niet met de fiscaliteit.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="347">
<li><strong>Het afschaffen van fiscale toeslagen moet gebeuren in samenhang en tegelijkertijd met de invoering van nieuwe regelingen die voorzien in een structurele oplossing voor de te hoge lasten van huishoudens. Eenmalige loon- en inkomensverbeteringen voorzien niet in zulke structurele oplossingen. Het probleem is dat de lasten voor zorg, kinderopvang, huur (en energie) bij huishoudens veel te hoog zijn en door hen financieringswijze fors blijven stijgen. </strong></li>
</ol>
<p>Die financieringswijze voorziet nu in een steeds groter deel dat individueel en nominaal moet worden opgebracht door burgers, waarbij ook nog eens een ander deel via hogere lasten op arbeid (de inkomensafhankelijke ZVW-premie die door de werkgever wordt ingehouden) wordt geïnd.</p>
<p>De sociaaleconomische en financiële ongelijkheid is in ons land enorm toegenomen door de individualisering van kosten voor (semi-)publieke dienstverlening. Dit betreft de niet de uit belastinginkomsten gefinancierde lasten voor zorg, onderwijs, kinderopvang, openbaar vervoer en ook energie en wonen.</p>
<p>Voor veel (zorg, kinderopvang en huur) van deze lasten kunnen burgers sinds 2002 fiscale toeslagen ontvangen die een deel van deze kosten opvangt. Voor de rest is afhankelijk van het lokale beleid soms bijzondere bijstand mogelijk. Zonder deze toeslagen en bijzondere bijstand zouden lage en lagere middeninkomens niet kunnen rondkomen. Het afschaffen van fiscale toeslagen zou zonder ingrepen aan de lasten waarvoor deze toeslagen verstrekt worden voor hen desastreus uitpakken, zeker omdat zonder ingrepen die lasten ook nog eens fors zullen blijven doorstijgen.</p>
<p>De achtergrond van deze individualisering van de financiering van publieke diensten is neoliberale ideologie. Door publieke voorzieningen steeds minder volledig te financieren via eerlijke, solidaire belastingheffing, maar steeds meer uit aparte premies en bijdragen die burgers rechtstreeks, en in toenemende mate ook ongeacht hun inkomen of vermogen, moeten betalen, wordt de solidariteit ondermijnd en de ongelijkheid vergroot. Deze individualisering in de financiering van collectieve voorzieningen (zorg, kinderopvang en onderwijs), waarin tegelijkertijd meer marktwerking, privatisering en liberalisering (energievoorziening, openbaar vervoer, sociale woningverhuur) aan de orde is, is funest voor de bestaanszekerheid.</p>
<p>Decennia lang hebben ‘<em>we’</em> de collectieve financiering ondermijnd en de lasten die lage en middeninkomens per huishouden nu zelf moeten onderbrengen enorm vergroot. Dit maakte bij achterblijvende inkomens reparatie via de inkomensafhankelijke fiscale kortingen en toeslagen nodig en zorgde in combinatie voor de huidige perfecte storm van de lastencrisis.</p>
<p>Dat gaan we radicaal veranderen. Het uitgangspunt wordt dat collectieve voorzieningen, zoals de zorg en de kinderopvang, volledig collectief gefinancierd wordt voor iedere burger uit de brede belastingopbrengsten, dus ook die uit belastingen op kapitaal en op consumptie.</p>
<p> </p>
<ol start="348">
<li><strong>Dat impliceert dat bij de afschaffing van de zorgtoeslag en de afschaffing van de kinderopvangtoeslag de aparte premies in de zorg (ZVW voor wat betreft de basisverzekering en de WLZ) verdwijnen en dat eigen bijdragen en het eigen risico verdwijnt in alle publieke zorg (ZVW voor wat betreft de basisverzekering, WMO, WLZ, Jeugdzorg) en in alle publieke kinderopvang. </strong></li>
</ol>
<p><strong>Dat moet gebeuren in het kader van een totale stelselwijziging, in de zorg en in de kinderopvang. </strong>Zie elders in dit programma voor de concrete uitwerking daarvan.</p>
<p>In de zorg gaat marktwerking en winst vervangen worden door slimme bekostiging die samenwerking en efficiëntie bevorderd en overproductie en overmatige bureaucratie enorm beperkt, en veel meer investeert in zorgpreventie. Zorgverzekeraars gaan zich in het nieuwe stelsel beperken tot de vrijwillige, aanvullende verzekeringen.</p>
<p>Bij de kinderopvang gaat het daarbij om integratie in de brede school.</p>
<p>Zulke veelomvattende stelselwijzigingen vergen uiteraard tijd. En dus kunnen de zorgtoeslag en de kinderopvangtoeslag niet direct worden afgeschaft. Vooruitlopend op die afschaffing gaan we de prijzen bevriezen en verlagen en gaan we de zorg- en kinderopvangtoeslag niet meer baseren op het inkomen in het huidige kalenderjaar, maar op het inkomen in het jaar daarvoor. Alleen als het inkomen substantieel gedaald is kan de burger verzoeken om het huidige jaarinkomen als maatstaf te nemen. Op deze wijze wordt het voorschotkarakter van de huidige toeslagen opgelost, waardoor er fors minder terugvorderingen zullen zijn. Ook gaan we inkomens veel zekerder maken door een forse beperking van flexwerk.</p>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="349">
<li><strong>Wat betreft de huurtoeslag zetten we in de eerste plaats in op herstel van een brede volkshuisvestingssector met betaalbare huren: </strong></li>
</ol>
<ul>
<li><strong>alle huurprijzen gaan we reguleren (liberalisatiegrens vervalt), </strong></li>
<li><strong>de puntentelling wordt gemoderniseerd (geen WOZ-punten meer, geen extra punten voor hoger energielabel maar laag label kwalificeren als woongebrek met recht op huurverlaging, etc.) waarbij gemiddeld de huren met 250 euro per maand dalen, </strong></li>
<li><strong>middeninkomens krijgen toegang tot sociale huur zonder aparte normen, </strong></li>
<li><strong>herinvoeren van voldoende subsidie aan wooncorporaties voor lagere huren, verduurzaming, voldoende kwaliteit en kwantiteit in ruil voor prestatie-afspraken en meer zeggenschap en goed bestuur bij de corporaties, </strong></li>
<li><strong>linkse grondpolitiek en meer publieke regie en investeringen bij de woningvoorraad en de ontwikkelingen daarin. </strong></li>
</ul>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="350">
<li><strong>Maar dan nog is het onverstandig om het instrument van huursubsidie geheel te laten vervallen, daar we immers niet alle huren volledig collectief gaan financieren (dat zou ook op EU-recht stuiten). De woningmarkt gaan we weliswaar sterk reguleren, maar niet nationaliseren. </strong></li>
</ol>
<p><strong>Daarom gaan we de huurtoeslag vervangen door een huursubsidie vanuit het ministerie van Volkshuisvesting (dat was ook zo voor de huurtoeslag). Deze nieuwe huursubsidie gaat anders dan de huidige huurtoeslag (die gemiddeld maar 35% van de huurlasten vergoed) het bedrag 100% vergoeden dat de huurquote uitgaat boven de 25% (bij inkomens tot modaal) en boven de 30% (bij hogere inkomens tot anderhalf modaal) en tot een maximum huur van 1500 euro per maand. </strong></p>
<p><strong>Er komt daardoor een harde bovengrens voor de huurquote, het aandeel van het netto-inkomen dat een huishouden kwijt is aan de huur (inclusief servicekosten) – nu zijn sommige huishoudens daaraan wel meer dan 50% kwijt. </strong></p>
<p><strong>Daarbij gaan we ook hier werken met het inkomen uit het voorafgaande jaar als maatstaf, waardoor terugvorderingen veel minder zullen voorkomen, met de mogelijkheid om bij een substantiële inkomensachteruitgang te verzoeken om toch het huidige jaarinkomen als maatstaf te nemen</strong>.</p>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="351">
<li><strong>Tenslotte, wat betreft de huidige fiscale toeslagen, het kindgebonden budget. Dat is de inkomensafhankelijke variant van de kinderbijslag. We moeten alle inkomensafhankelijke regelingen buiten de fiscale wetten schrappen. Het leidt tot een kluwen van regelingen waarmee de koopkrachttransparantie en -effectiviteit zeer afneemt. Daarenboven erodeert het draagvlak voor regelingen als hogere inkomens er niet meer of tegen hogere prijzen er aan kunnen deelnemen. En dat leidt weer tot kwaliteitsverslechteringen – ‘services for only the poor are mostly poor services’. Dus we integreren het kindgebonden budget in de inkomensonafhankelijke kinderbijslag en financieren dat door meer inkomens- en vermogensafhankelijke belastingen. </strong></li>
</ol>
<p><u>Eerlijke energiebelastingen en beëindigen fiscale fossiele subsidies<a href="#_edn8" name="_ednref8">[viii]</a></u></p>
<ol start="352">
<li><strong>Tot voor kort waren er ook tijdelijke energietoeslagen voor huishoudens met lage inkomens en hoge energielasten. Ook hier is het veel beter om de energielasten voor huishoudens fors te verlagen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="353">
<li><strong>Bij de huurtoeslag hierboven is al aangegeven dat we de verduurzaming van huurwoningen (koopwoningen zijn er maar heel weinig bij de lage inkomens) gaan regelen met subsidie aan woningcorporaties, prestatieafspraken en een aanpassing van het huurpuntenstelsel, waarbij een slecht energielabel recht geeft op huurverlaging. Daarenboven gaan we direct met behulp van de Prijzenwet energieprijzen voor huishoudens bevriezen en verlagen – de Prijzenwet maakt het mogelijk om dat te doen zonder compensatie indien de winsten hoog zijn. Er komt een maximum prijs voor huishoudens gebaseerd op gemiddeld tarief voor woning per soort woning (tussen/hoekwoning, appartement hoek/rijtje/onder dak, vrijstaand) en samenstelling huishouden. Waar energiebedrijven onverhoopt omvallen komt er via een Spoedwet de verplichting om zonder prijsverhoging deze klanten over te nemen bij andere leveranciers, naar keuze van de betreffende consument. We versterken daarin ook de solvabiliteitseisen en de rechtsbescherming voor consumenten bij energieleveranciers. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="354">
<li><strong>We ontkoppelen de prijs voor warmtenetten van de gasprijs. In een nieuwe warmtewet wordt het beheer verplicht publiek (in vorm van non-profit warmtecoöperatie van aangesloten huishoudens binnen regels van nationale en lokale overheden) en de rechtsbescherming van huishoudens versterkt. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="355">
<li><strong>We gaan na hoe de energieleveranciers weer publiek bezit kunnen worden en zetten daartoe zo spoedig mogelijk de eerste stappen. We verbieden speculatie met inkoop van energie. We nemen stappen om de marktwerking te beperken en het publieke belang beter te beschermen bij de energievoorziening. Per direct mogen er alleen nog maar vaste contracten worden aangeboden die beschermen tegen prijswisselingen. Ook worden eigenaren van gasopslag verplicht die op aanwijzing van de Rijksoverheid te vullen. Energieleveranciers die staatssteun nodig hebben worden verplicht daarbij zeggenschap over te dragen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="356">
<li><strong>We versnellen het energieneutraal maken van woningen. </strong><strong>In 2050 moeten alle wijken energieneutraal of zelfs energiepositief, de andere wijken gebruiken (netto) nog maar weinig energie. Het uitgangspunt is dat de totale energiebehoefte van de wijk zo laag mogelijk is (warmte, elektriciteit, koeling en lokale mobiliteit). Op die manier kunnen met elkaar samenhangende lokale energiesystemen worden opgezet. Voor groene rechtvaardigheid is het belangrijk om prioriteit te geven aan het verbeteren van slecht geïsoleerde woningen in collectief bezit. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="357">
<li><strong>Waar mogelijk worden de verbeteringen op het gebied van energie gekoppeld aan andere opgaven in de wijk, zoals de ruimtelijke en sociale wensen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="358">
<li><strong>Het toekomstig energiesysteem in de wijken is voornamelijk op elektriciteit gebaseerd, mogelijk gecombineerd met lokale warmtebronnen. Er is opslag van elektriciteit en &#8211; als er warmtenetten zijn – van warmte en koude. Gebouwen verbruiken in 2050 veel minder energie. In principe is elk gebouw energiearm en uitgerust met een warmtevoorziening en koeling. De gebouwen worden slim aangestuurd op basis van data. Zo wordt alle opgewekte energie zo efficiënt mogelijk ingezet. Elektrische auto&#8217;s, samen met buurtaccu&#8217;s, worden gebruikt om het elektriciteitsnet te balanceren. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="359">
<li><strong>Gebouwen spelen ook een rol bij klimaatadaptatie. Groene daken, voedsel verbouwen of recreatie op daken gaan we de norm maken. Gebouwen zien er straks anders uit doordat natuurlijke materialen de norm zijn. Dit geeft ontwerpers nieuwe inspiratie en gebruikers een prettige beleving. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="360">
<li><strong>Er komt nationaal programma voor spoed-isolatie van woningen in wijken waar de huishoudens behoren tot de 25% laagste inkomens én de 50% grootste gasgebruikers. We i</strong><strong>soleren slecht geïsoleerde woningen in collectief bezit in hoog tempo, veel sneller dan tot nu toe het geval is. Daarmee worden meteen stappen gezet in energiearmoedebestrijding en innovatie. Als veel woningen tegelijk worden verbeterd, kunnen ondernemingen het aanbod industrialiseren, waarbij kant en klare pakketten op de bouwplaats worden gemaakt. Hierdoor dalen de kosten en zijn ook minder arbeidskrachten nodig. Op dit moment is er vaak een apart beleid voor verschillende aspecten van de gebouwde omgeving. Isolatie, anders verwarmen, koelen of mobiliteit: ieder onderdeel wordt apart beoordeeld. We vervangen deze versnipperde aanpak door een aanpak waarbij al deze elementen in hun onderlinge samenhang ontwikkeld worden tot een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050. Koude, warmte, isolatie en elektriciteit voor gebouwen, openbare ruimte en mobiliteit krijgen gebiedsgericht integraal vorm. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="361">
<li><strong>Alle plannen en investeringsbeslissingen in wijken moeten worden getoetst aan een energieneutrale toekomst in 2050. We zetten de gehele energievoorziening centraal: mobiliteit, elektriciteit, koude, en warmte (incl. isolatie). Deelaspecten zoals isolatie, aardgasvrij of een warmtenet zijn geen doel op zichzelf. Het gaat om een geheel, waarbij netto zo min mogelijk energie wordt gebruikt. Ingrepen op het gebied van energie worden steeds direct gekoppeld aan de ruimtelijke en sociale aspecten. Daarbij nemen we de klimaatneutrale situatie in 2050 als uitgangspunt en werken daarnaartoe. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="362">
<li><strong>We voorkomen een fossiele lock-in door een moment te bepalen, bijvoorbeeld 2040, waarop aardgas niet langer ingezet mag worden voor de energievoorziening in de gebouwde omgeving. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="363">
<li><strong>We verlagen de energievraag vooral via informeren, normering en verplichting en tijdelijke subsidies. Ook het beoogde EU-eindbeeld 2050 schrijft voor dat gebouwen in 2050 nog maar weinig energie verbruiken. We laten het einddoel en het tijdpad tot 2050 zien, inclusief de steeds strengere normen. Belanghebbenden worden gestimuleerd om zo veel mogelijk in één stap naar de maximale energiezuinigheid voor het hele gebouw (bij collectief bezit) of het aan te pakken gebouw of delen daarvan (bij individueel bezit). We maken het aantrekkelijk (regelgeving/instrumenten) voor bewoners, bedrijven en corporaties, om daar direct naartoe te werken. Dit levert een technisch haalbare reductie op van 70% voor ruimteverwarming en warm tapwater. Volgens de <em>“Paris proof energierantsoen</em>”-methode is er in Nederland 360 PJ beschikbaar3 aan energie voor de gebouwde omgeving. Ten opzichte van het huidige energieverbruik betekent dit een besparing van 60-70% aan energieverbruik. We focussen op verwarmingssystemen die met lage temperatuur (LT) werken. Deze systemen zijn toekomstbestendiger dan hoge temperatuursystemen. LT-systemen beschikken over meer bronnen en maken een efficiëntere toepassing van een warmtepomp mogelijk.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="364">
<li><strong>De energievoorziening voor huishoudens op langere termijn moet bestaan uit lokale systemen, </strong><strong><em>loosely coupled</em></strong><a href="#_ftn1" name="_ftnref1"><strong>[1]</strong></a><strong> met het nationale energiesysteem. Aardgas is uitgefaseerd. Voor 2035 maken we de energieleverantie aan huishoudens daarom een zaak van uitsluitend energiecoöperaties in handen van de huishoudens die deze energie ontvangen (en zoveel mogelijk ook leveren). Daarbij worden wettelijke regels gesteld voor duurzaamheid, leveringszekerheid, prijsstabiliteit en bestemming eventuele winst. Daken van openbare gebouwen worden ter beschikking gesteld aan deze coöperaties voor opwekking duurzame energie. Er wordt hiertoe een op te stellen stappenplan gerealiseerd. </strong><strong>We stimuleren, zoals Europa ook eist, lokale productie van energie. We stimuleren ook voldoende opslagcapaciteit voor de korte termijn en seizoensopslag van elektriciteit en warmte. We zorgen dat burgers zo snel mogelijk een volwaardige partij (zowel als consumenten als producenten, de zgn. <em>”handelende prosumenten”</em>) kunnen zijn op de energiemarkten, waarbij zij flexibiliteit kunnen leveren, kunnen handelen in energie, bijvoorbeeld met de buren, en ook samen kunnen opslaan. Flexibele prijzen per uur kunnen hierbij helpen. We maken de weg vrij voor energiecoöperaties en scheppen mogelijkheden in de wetgeving en fysiek voor sociaal ondernemen in de wijk. Dit heeft ook een positieve impact op de lokale economie, de acceptatie van de energietransitie en het vergroot de sociale cohesie. Hierdoor verandert ook de rol van energiebedrijven, van verkopers van energie naar dienstverleners voor (groepen) burgers. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="365">
<li><strong>De klimaattransitie – fossiele energie vervangen door hernieuwbare groene energie – moet worden gedreven door prijsmaatregelen, met de CO</strong><strong>₂-heffing en het ETS-stelsel, waarbij ook import van buiten de EU belast wordt, zodat er een gelijk speelveld is. Prijsmaatregelen werken veel beter dan subsidies. De subsidies in het kader van de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) moeten daarom worden geschrapt, die vergroten bovendien de ongelijkheid tussen huishoudens en bevoordelen de grootverbruikers, ook en vooral in het bedrijfsleven. Daarmee kan ook de oneerlijke Opslag Duurzame Energie (ODE) in de energiebelasting vervallen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="366">
<li><strong>We moeten voorts het regressieve energiebelastingstelsel vlakmaken. </strong>Nederland verbruikt jaarlijks 35-40 miljard m3 aan aardgas, en dit levert ongeveer 3,5 &#8211; 4 miljard euro jaarlijks op aan gasbelasting. Met een vlak belastingtarief van 0,10 euro/m3 levert dat hetzelfde op en betaalt de industrie ook eerlijk mee aan de energietransitie. Omgerekend is dit 50 euro/tn aan CO₂ heffing, dus ook in lijn met de huidige ETS koers. Met een vlak belastingtarief op aardgas betalen bedrijven eerlijk mee aan de energietransitie, wordt onnodige energiearmoede voorkomen en krijgen bedrijven ook een terugverdienmodel met een basisprijs van 50 euro/tn CO₂, mocht de gasprijs weer gaan dalen. Ook de belasting op elektriciteit moeten we vlak en eerlijk maken. Nog steeds staan alle supermarkten te koelen met open koelkasten, hebben winkels de deur open staan en worden terrassen verwarmd, pure verspilling van elektriciteit en warmte. Omdat stroom koolstofvrij is, kan volstaan worden met een lage belasting van 0,02 euro/kWh. Met een jaarlijks stroomverbruik van Nederland van 125 TWh per jaar levert 0,02 euro/kWh een bedrag op van 2,5 miljard euro, waarin bedrijven ook netjes meebetalen. Momenteel betalen grote bedrijven maar 0,001 euro/kWh aan stroombelasting (som van stroom + ODE belasting) en kleine verbruikers 0,07 euro/kWh. Zonder hervorming van dit oneerlijke stelsel zal de energietransitie onvoldoende snel plaatsvinden en worden burgers in huurwoningen de energiearmoede in gedrongen. Samenvattend schaffen we het regressieve energie belasting stelsel af en voeren een vlak en eerlijk tarief in. Voor gas kan dit 0,10 euro/m3 zijn en voor stroom 0,02 euro/kWh. Bij 0,10 euro/m³ gaan huishoudens en MKB er op vooruit en is voor tuinders geen achteruitgang. Voor huishoudens is er een directe lastenverlichting van circa 600-800 euro per jaar mogelijk. Dit klinkt wellicht marginaal, maar voor huurders met een laag inkomen is dit het verschil tussen wel of geen eten op dit moment. Samen met een prijsplafond voor gas, snellere isolatie van (bij voorrang de sociale) huurwoningen en nationalisering van de energiesector kunnen de laagste inkomens beschermd veel beter beschermd worden tegen een absurde energieprijsstijging.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="367">
<li><strong>We moeten tegelijkertijd een einde maken aan vrijstellingen van energiebelastingen, zoals de vrijstellingen voor energie-intensieve processen, de zogenoemde inputvrijstellingen energie- en kolenbelasting voor energieopwekking en de inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal gebruik, en aan de kortingen voor energiebelasting (glastuinbouw) en van belasting op kerosine (luchtvaart) en gaan fossiele brandstoffen in lucht- en scheepvaart veel zwaarder belasten. Alle fossiele subsidies worden geschrapt, inclusief fiscale vrijstellingen en kortingen en kredietexportverzekeringen.</strong></li>
</ol>
<p><u>Individualisering van financiering van onderwijs stoppen en terugdraaien</u></p>
<ol start="368">
<li><strong>Voor de kosten van onderwijs zijn er (nog?) geen fiscale toeslagen, maar worden de meeste kosten voor het leerplichtig onderwijs volledig collectief gefinancierd. Toch is ook daar een sluipende privatisering gaande. We gaan die ontwikkelingen stoppen en terugdraaien.</strong> Met de onmiskenbare achteruitgang van de kwaliteit van ons onderwijs na jaren bezuinigingen, wat nog eens verergerd wordt door een miljardenbezuiniging door het huidige extreemrechtse kabinet (met tenminste twee partijen die een hekel hebben aan kennis en nepfeiten prefereren), gaan ouders die het zich kunnen veroorloven steeds meer op zaak naar alternatief of aanvullend particulier onderwijs. Inmiddels is er een bloeiende markt van particuliere scholen, examentrainingen, bijles en huiswerkbegeleiding. Dit vergroot enorm de ongelijkheid, en wordt ook door die al enorme en ook zo steeds groeiende ongelijkheid verder versterkt. Daarnaast zijn de kosten voor het mbo en hoger onderwijs voor de deelnemers steeds verder vergroot, al is de basisbeurs nu wel weer, zij het met een lager bedrag, teruggekeerd. Ook het volwassenenonderwijs en de nascholing zijn slecht gefaciliteerd. In het kader van armoedebeleid doen sommige gemeenten en goede doelenorganisaties iets om de ernstigste nood onder leerplichtige kinderen te verzachten, maar het is dweilen met de kraan open. Elders in onze plannen zorgen we voor volledige financiering van aanvullend onderwijs en maken we het mbo en hoger onderwijs gratis, door de les- en collegegelden af te schaffen en dit voor de onderwijsinstellingen geheel collectief te financieren uit eerlijke belastingen. Dit gebeurt mede in het kader van de invoering van een nieuw systeem van leerrechten, die ook de nascholing (leven lang leren) en het volwassenenonderwijs veel beter en toegankelijker maakt. Ook de studiefinanciering wordt vervangen door het inkomensvangnet, het Zekerheidsinkomen, en jongeren krijgen betere huurrechtbescherming en we bouwen veel meer jongeren- en studentenhuisvesting. Maar daarnaast is er ook een grote wijziging en investering nodig om de kwaliteit van het onderwijs weer op orde te krijgen, en de toegankelijkheid voor iedereen te waarborgen.</li>
</ol>
<p><u>Vermogensbelastingen</u></p>
<ol start="369">
<li><strong>We verhogen de belastingen op kapitaal. Er komt een aparte belasting voor zeer grote vermogens en zijn er sterk progressieve belastingentarieven voor winst, dividend en grote ontvangen erfenissen en schenkingen. Ook daar zijn er geen vrijstellingen, kortingen of aftrekposten meer.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="370">
<li><strong>De verhouding tussen de opbrengst van de inkomstenbelasting en die van andere belastingen, met name die op kapitaal, moet fors veranderen – het grootste deel (zo’n 60%) moet weer uit andere belastingen komen, zoals dat een aantal decennia terug ook zo was.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="371">
<li><strong>Daartoe voeren we in de eerste plaats een aparte vermogensbelasting in voor grote vermogens (boven 1 miljoen euro), met een hoger tarief naar mate het vermogen hoger is (bijvoorbeeld oplopend van 1% tot 5% bij miljardairs). Het vermogen exporteren naar een ander land wordt daarbij tegen een hoger tarief belast. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="372">
<li><strong>We veranderen voorts de vennootschapsbelasting. Nu is het tarief afhankelijk van het aantal werknemers van een bedrijf, wij maken er een progressieve winstbelasting van, oftewel een belasting waarvan het tarief toeneemt naarmate de winst hoger is. Het minimumtarief wordt bijvoorbeeld 30% en het maximumtarief 50%. Daarenboven voeren we een extra heffing in op winst die niet geïnvesteerd wordt, maar bijvoorbeeld wordt opgepot of gebruikt voor het opkopen van eigen aandelen, zoals onlangs in de VS is voorgesteld.</strong> Dit heeft veel positieve effecten. Als het maken van steeds hogere winsten minder lucratief wordt, wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om de lonen te verhogen, om te investeren, of zelfs hun prijzen te verlagen. De gasprijs daalde direct toen de EU aankondigde om de winsten van energiebedrijven af te romen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="373">
<li><strong>We schrappen tegelijkertijd ook alle vrijstellingen in de vennootschapsbelasting, zoals de innovatie box (waar multinationals te makkelijk geld tegen maar 5% kunnen laten belasten), de deelnemersvrijstelling en de voordelen met betrekking tot herstructurering van schulden en verliezen, waarmee nu zelfs algehele belastingvrijstelling verkregen kan worden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="374">
<li><strong>En we gaan een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren. </strong>De ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen (rente aftrekbaar, winsten belast) in de vennootschaps-belasting leidt tot allerlei fiscale constructies en tot overmatige schuldfinanciering. Een gelijke aftrek voor zowel eigen als vreemd vermogen haalt die perverse prikkel weg. Dit zal een domper zijn voor in Nederland gevestigde financieringsvennootschappen (de ‘brievenbus-bedrijven’), maar juist weer gunstig voor concernfinanciering vanuit Nederland van reële investeringen. Een gelijke vermogensaftrek is bovendien relatief gunstig voor het midden- en kleinbedrijf omdat het MKB verhoudingsgewijs met veel eigen vermogen is gefinancierd.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="375">
<li><strong>Ook in de dividendbelasting voeren we hogere, progressieve tarieven in, met bijvoorbeeld tarieven tussen 30 en 50%. We pakken de ontduiking via dividendstrippen (het via buitenlandse constructies vermijden van belasting) hard en effectief aan.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="376">
<li><strong>Voor digitale techbedrijven voeren we bovendien een Digitaks in, dat een eind maakt aan hun belastingontwijking. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="377">
<li><strong>Indien bedrijven vertrekken naar goedkope belastingparadijzen moeten ze een exit belasting betalen conform het initiatief wetsvoorstel daarover van GroenLinks. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="378">
<li><strong>We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen.</strong> Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief. Beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn zeker zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="379">
<li><strong>We wijzigen ook de erfenis- en schenkingsbelasting waarbij iedere Nederlander het recht krijgt om gedurende zijn leven bijv. 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen belastingvrij te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast: bijv. de eerste 500.000 euro met 40%, alles daarboven met 60%. Bij de erfenis van een door de erflater en erfontvanger gezamenlijk bewoonde woning blijft de partner deze woning buiten beschouwing.</strong> Erfenissen zijn een belangrijke veroorzaker van onrechtvaardige bestendiging en vergroting van ongelijkheid. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers (BOR) wordt eveneens geschrapt. Teneinde acuut faillissement te voorkomen zijn hierbij betalingsregelingen mogelijk. Eveneens wordt de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR) geschrapt, conform het IBO-rapport over vermogensongelijkheid.</li>
</ol>
<p><u>BTW en accijnzen</u></p>
<ol start="380">
<li><strong>Heffingen op consumptie zijn belangrijk in de totale belastingopbrengst. Maar met de huidige hoge inflatie wordt er extra naar gekeken. De huidige prijsinflatie is vooral te danken aan een prijs-winstspiraal. We gaan dat tegen door hogere winst- en andere kapitaalbelastingen, en het nemen van prijsmaatregelen – een maximumprijs vaststellen zonder compensatie waar onredelijk hoge marges leiden tot hoge prijzen van producten en diensten die essentieel zijn voor burgers. Daartoe krijgt de overheid meer instrumenten, onder meer door de Prijzenwet vaker en in meer situaties te kunnen toepassen.</strong> <strong>Voor belangrijke levensmiddelen worden zo nodig de prijzen bevroren of zelfs verlaagd – de prijsconcurrentie wordt bevorderd. Ook gaan we de Prijzenwet veel meer gebruiken om te grote winsten en te hoge prijzen in verhouding tot de inkomens te voorkomen. </strong></li>
</ol>
<p>Nu mag dat alleen maar in economische crises, we willen dat het altijd mogelijk moet zijn om een maximumprijs op te leggen indien de markt zelf er onvoldoende in slaagt om voor belangrijk gevonden producten en diensten de prijzen redelijk te houden in verhouding tot de kosten en de winstmarges. Ook verlagen we selectief de BTW.</p>
<p> </p>
<ol start="381">
<li><strong>Voor vervuilende en ongezonde producten verhogen we soms de BTW en accijnzen. De BTW op gezonde, duurzame en diervriendelijke producten moet omlaag, die op andere producten omhoog.</strong> Dan kan best, zoals ook het buitenland laat zien. We voeren een apart laag btw-tarief in voor producten die voldoen aan eisen van ecologische duurzaamheid (circulair gebruik van grond- en afvalstoffen, geen fossiele energie, bescherming van biodiversiteit, dierenwelzijn en gezondheid mensen, geen vervuiling) en van sociale rechtvaardigheid (geen kinderarbeid, eerlijke beloning en arbeidsvoorwaarden, bescherming arbeidsomstandigheden en positie werknemers, eerlijk belasting betalen) met behulp van een nieuw, door de overheid vastgesteld keurmerk voor Duurzaam en Eerlijk Ondernemen.</li>
</ol>
<p>Ook gezonde producten (onder meer geen of weinig suiker en vet) worden onder het lage btw-tarief geplaatst. Er komt daartoe een speciaal door de overheid vastgesteld Gezond Voedsel keurmerk. Duurzame apparaten, diensten en producten komen zo onder het laagste btw-tarief<strong>, </strong><strong>zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc. Vervuilend gedrag moet juist zwaarder belast worden, zoals vlees- en zuivelconsumptie, producten van intensieve landbouw e.d. Er</strong> komt een verbod op stunten met vleesprijzen. We scherpen de normen planmatig aan. Deze keurmerken worden geïntegreerd in de hiervoor genoemde door de overheid vastgestelde keurmerken. Zo sturen we de consumptie en maken we transities voor producenten mogelijk.</p>
<p> </p>
<ol start="382">
<li><strong>Accijnzen op ongezonde en/of verslavende producten (alcohol, tabak) gaan ook omhoog, ook die op drugs die niet langer verboden worden, maar streng gereguleerd worden – alleen beschikbaar op specifieke verkooppunten, met kwaliteitscontrole en legale productie en distributiekanalen, en alleen aan meerderjarigen. Reclame hiervoor wordt verboden.</strong></li>
</ol>
<p><u>Transportheffingen en openbaar vervoer</u></p>
<ol start="383">
<li><strong>We zorgen voor een transitie naar groene mobiliteit. We reizen minder. En als we reizen doen we dat vaker met het openbaar vervoer, te voet en met de fiets. We verscherpen de klimaateisen in de mobiliteit. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="384">
<li><strong>We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), in fietsen en in openbaar vervoer. De ruimtelijke ordening wordt daarop aangepast. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="385">
<li><strong>We verlagen de OV-kosten door iedere burger voor 49 euro per maand onbeperkt reizen met alle openbaar vervoer te geven, net als in Duitsland. Kinderen reizen gratis. De OV-bedrijven worden hiervoor gecompenseerd.</strong> We maken het openbaar vervoer niet geheel gratis omdat we onnodige mobiliteit willen vermijden. We maken geen aparte regelingen voor lage inkomens omdat we stigmatisering willen vermijden en we door onze plannen voor inkomensverbetering en lastenvermindering bij deze inkomensgrepen dat ook niet meer nodig is. Ook aparte regelingen voor studenten en ouderen zijn daarom niet meer nodig. Het OV is nu veel te duur.<a href="#_ftn2" name="_ftnref2">[2]</a></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="386">
<li><strong>We investeren de komende 15 jaar zo’n 10 miljard per jaar extra in beter en meer openbaar vervoer. Beter openbaar vervoer impliceert ook toegankelijk (voor mensen met een beperking) en veilig (met meer conducteurs/stewards en beveiligers) openbaar vervoer. Al het openbaar vervoer moet uiterlijk in 2030 wettelijk verplicht direct toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, ook voor mensen met visuele beperking.</strong> Deze maatregelen worden gefinancierd uit verhoging van de belastingen op vliegen (zie hierna) en komt in de plaats van lagere accijns op benzine en diesel voor auto’s zoal die door Rutte IV is ingevoerd.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="387">
<li><strong>En we maken een eind aan de marktwerking in het openbaar vervoer. We richten een nationaal OV-bedrijf op die alle openbaar vervoer in Nederland gaat verzorgen. Bestaande OV-bedrijven kunnen daarin opgaan. Personeel krijgt aanbieding om te gaan werken bij het nieuwe staatsbedrijf, dat ook het railnet gaat beheren, met garantie van tenminste dezelfde arbeidsvoorwaarden. Aan hun concessies wordt bij verlopen ervan een einde gemaakt. Regionale en stedelijke verbindingen worden verzorgd op basis van provinciale en gemeentelijke plannen, binnen nationale kaders. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="388">
<li><strong>Er komen extra trein- en andere railverbindingen. We breiden bus- en tramverbindingen uit en verhogen de frequenties. Er komen hoogwaardige minimum bereikbaarheidsnormen, met name ook buiten de Randstad. Deze komen in plaats van rendabiliteitsnormen.</strong> Het openbaar vervoer is een publiek goed, geen plek voor rendementsdenken.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="389">
<li><strong>In Europees verband moet er een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor Europese hogesnelheidslijnen, internationale treinen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. Het kopen van internationale treinkaartjes, die in prijs goedkoper moeten zijn dan vliegreizen, moet veel eenvoudiger worden, met vaste prijzen (niet meer afhankelijk van data waarop gereserveerd wordt).</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="390">
<li><strong>We zorgen voor een forse krimp in de luchtvaart.</strong> De sprookjes over duurzaam vliegen zijn vooralsnog voor de komende decennia luchtkastelen. Deze krimp maakt vliegen wel weer haalbaar binnen de grenzen van natuurvergunning en gezondheidsnormen. Luchtvaart is grote uitstoter van stikstof, CO₂ en fijnstof en veroorzaakt veel geluidsoverlast.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="391">
<li><strong>We maken continentale vluchten fors duurder, verbieden vluchten waar goede railalternatieven bestaan (alle binnenlandse vluchten plus Londen, Parijs, Keulen, Brussel, Frankfurt; dit scheelt al 100.000 vluchten!) en zetten een stop op de groei van luchthavens: Lelystad Airport gaat definitief niet open, Schiphol moet terug naar maximaal 250.000 vluchtbewegingen</strong><a href="#_ftn3" name="_ftnref3"><strong>[3]</strong></a><strong>, en regionale luchthavens mogen niet groeien, maar moeten dicht. Privévliegtuigen worden in beginsel niet meer toegelaten. Nachtvluchten worden verboden.</strong> Al het luchtverkeer boven 250.000 vluchten is bestemd voor 10 miljoen overbodige overstappers via Schiphol en korte vluchten die niet door de snelle trein vervangen kunnen worden. Zo’n 70% van de passagiers op Schiphol bestaat uit overstappers, die economisch niets toevoegen en ons milieu wel zwaar belasten. Terwijl de bereikbaarheid er niet op vooruitgaat. De krimp is mogelijk met behoud van een goede bereikbaarheid van alle voor Nederland belangrijke bestemmingen. Er zijn veel minder overstappers nodig. Schiphol blijft een kleinere hub met een groot netwerk. Het internationaal vervoer van Nederland komt niet in de knel. Economisch is er nauwelijks nadeel.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="392">
<li><strong>Er moet een aparte ticketbelasting komen voor veel-kilometer-vliegers. En een kerosinebelasting op alle vliegbewegingen, die zwaarder is voor privé- en zakenvliegtuigen. </strong>Zo maken we de luchtvaartkrimp ook eerlijker.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="393">
<li><strong>Scheepvaart maken we uiterlijk in 2120 een van de duurzaamste vormen van transport. Schepen varen met ondersteuning van wind op batterijen en produceren nauwelijks meer onderwatergeluid.</strong> De internationale scheepvaart stoot enorm veel CO₂-emissies uit. En terwijl het wagenpark steeds sneller elektrificeert blijft de scheepvaart achter. Sterker nog, de meeste internationale schepen gebruiken stookolie, een extreem vervuilende brandstof. Bij de verbranding komt veel CO₂ vrij, maar ook schadelijke stoffen als zwart roet, fijnstof, zwavel- en stikstofverbindingen. We zetten vol in op elektrificatie van de scheepvaart met groene stroom – op het water en aan de wal. We investeren in havenfaciliteiten daarvoor. Voor nieuwe schepen gaan we verbieden dat er een hoofdmotor in komt. De eis wordt direct tenminste hybride diesel-elektrisch gaan varen. En dan gaan de accu’s het vanzelf steeds meer overnemen als die goedkoper en kleiner worden. De scheepvaart wordt onder de werking van het ETS gebracht en krijgt ook een CO₂-heffing. Ook privéjachten met fossiele brandstoffen gaan we zwaarder belasten. Er komen strenge normen voor geluid van schepen onder water. We gaan op de Noordzee streng handhaven op verbod van lozen van giftige stoffen, o.m. na scrubben. Niet-duurzame cruiseschepen worden per direct geweerd. Binnenvaart, slepers, baggerschepen en veerboten moeten voor 2030 elektrisch zijn.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="394">
<li><strong>We gaan ook de elektrificering van motorvoertuigen versnellen: </strong></li>
</ol>
<ul>
<li><strong>Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu. </strong></li>
<li><strong>We vervangen de motorrijtuigenbelasting en de aanschafbelasting (bpm) door een systeem van rekeningrijden, gedifferentieerd naar plaats en tijd. </strong></li>
<li><strong>Alle nieuwe personenauto&#8217;s die in 2030 op de markt komen, moeten van de EU 100% elektrisch zijn. Deze auto&#8217;s rijden dan op elektriciteit uit een batterij, waterstof-brandstofcel of zonnepanelen. Vanaf 2025 verplichten we daarop vooruitlopend dat alle leaseauto’s elektrisch zijn. </strong></li>
<li><strong>De aanschafbelasting voor vervuilende auto’s gaat snel omhoog. </strong></li>
<li><strong>We zorgen snel voor implementatie van de EU norm voor (snelle) laadpalen langs de snelwegen (iedere 60km). Auto&#8217;s op het belangrijkste Europese wegennet moeten in 2026 minstens iedere 60 kilometer kunnen worden opgeladen. Het gaat om stations met minstens 400 kW-laadvermogen en meerdere laadpunten. Tegen 2028 moet het vermogen per laadstation toenemen tot 600 kW. </strong></li>
<li><strong>Vrachtwagens en bussen moeten volgens de EU over vijf jaar om de 120 kilometer zijn op te laden langs de helft van de Europese hoofdwegen. De laadstations voor trucks en bussen krijgen een vermogen van 1400 kW tot 2800 kW. Om de 200 kilometer moet een chauffeur in 2031 waterstof kunnen tanken. Er worden uitzonderingen gemaakt voor afgelegen gebieden, eilanden en wegen met &#8216;zeer weinig verkeer&#8217;. </strong></li>
<li><strong>Betalen aan de laadpaal moet ook makkelijker en inzichtelijker worden.</strong></li>
</ul>
<p><u>Belastingen van andere overheden</u></p>
<p>De huidige stijging van decentrale heffingen ondermijnt de bestaanszekerheid en een eerlijke verdeling van lasten en vergroot de ongelijkheid. We gaan de afhankelijkheid van decentrale heffingen en de autonomie daarbij van deze overheden daarin drastisch beperken. Dat impliceert dat we de financiering van deze overheden door het Rijk fors moeten verhogen en wat betreft toereikendheid veel beter moeten waarborgen. Daarbij wordt rekening gehouden met de voorgestelde herschikking van taken van deze overheden elders in dit programma – zoals het beëindigen van taken van gemeenten in de zorg (WMO, Jeugdzorg) en de bijstand, en het onderbrengen van de taken van de waterschappen bij de provincies.</p>
<ol start="395">
<li><strong>We gaan de waterschapsbelasting, de afvalstoffen- en reinigingsheffing en de rioolheffing alsmede de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting afschaffen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="396">
<li><strong>Daarnaast gaan we de onroerende zaakbelasting (OZB) voor eigenaren van woningen en andere onroerende zaken meer reguleren, opdat de verschillen tussen gemeenten kleiner worden en gemotiveerd worden, en er meer naar draagkracht wordt gedifferentieerd. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="397">
<li><strong>Leges mogen in de toekomst wettelijk niet meer bedragen dan de werkelijk gemaakte kosten. Dit laatste geldt ook voor het Rijk en haar instellingen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="398">
<li><strong>Andere belastingen blijven wat betreft de regelgeving ongewijzigd, zoals gemeentelijke parkeerheffingen, hondenbelasting, baatbelasting, reclamebelasting, precariobelasting, belasting van roerende woon- en bedrijfsruimten, forensenbelasting en toeristenbelasting en de provinciale grondwaterheffing en de verontreinigingsheffing. Gemeenten en provincies blijven vrij daarin beleid te voeren binnen de wettelijke kaders. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="399">
<li><strong>De financiering van decentrale overheden door het Rijk wordt daarbij vergroot en de toereikendheid daarvan wordt veel beter wettelijk gewaarborgd. </strong></li>
</ol>
<p><u>Voorkomen van belastingontwijking en -ontduiking</u></p>
<ol start="400">
<li><strong>Ons belastingstelsel wordt door bovenstaande wijzigingen ook zeer transparant, eenvoudig uitvoerbaar en handhaafbaar. Internationaal worden we van belastingparadijs voor de rijken een voorbeeld in bestrijding van belastingontwijking en belastingontduiking, en van effectieve, solidaire belastingheffing. We gaan de handhaving daarbij enorm versterken en belastingontduiking zwaar straffen. </strong><strong>GroenLinks en de PvdA doen in een recente initiatiefnota meer dan 25 voorstellen om een eind te maken aan de rol van Nederland als facilitator van belastingontwijking.</strong> Het is van belang om voor eens en altijd af te rekenen met belastingontwijking en van het juk als belastingparadijs af te komen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="401">
<li><strong>We pleiten ervoor om de criteria van de Europese zwarte en grijze lijsten van belangparadijzen aan te scherpen. </strong>Deze definities zijn nu niet scherp genoeg. Het kabinet concludeert op basis van de bestaande definitie dat de geldstromen naar dergelijk fiscale gebieden gedaald zijn. Maar op de lijst van belastingparadijzen staan slechts twintig landen. Bovendien ontbreken notoire ontwijkingsoorden als Bermuda en de Kaaimaneilanden. Door meer landen die daadwerkelijk fungeren als belastingparadijs op te nemen in deze lijsten zullen maatregelen die zich richten tegen dergelijke bestemmingen van geldstromen ook echt alle belastingparadijzen raken.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="402">
<li><strong>Verder gaan we de eisen om een bedrijf te mogen starten en te registreren bij de Kamer van Koophandel (KvK) én de controle daarop behoorlijk verzwaren.</strong> De KvK heeft gemiddeld 75 keer per week bij een inschrijving het gevoel dat het niet pluis is – maar weigeren kan nu niet. Ook de notarissen, waar oprichters van een bv langs moeten voor hun statuten, doen nauwelijks aan controle, stellen de burgemeesters van vijf grote steden in een brandbrief aan de Tweede Kamer in februari 2025. Een bedrijf moet een adres hebben, maar ook dat is vaak een fluitje van een cent. Bij een onderzoek van het expertisecentrum voor criminaliteitsbestrijding RIEC bleken er bijvoorbeeld liefst negenhonderd ‘bedrijven’ gevestigd te zijn in een bedrijfsverzamelgebouw van driehonderd vierkante meter in het Amsterdamse havengebied. Het is in Nederland veel te gemakkelijk geworden om een bedrijf op te richten, stellen de burgemeesters terecht onomwonden. Er moet weer een grondige toetsing plaatsvinden van dat er van een bonafide bedrijf sprake is en dat verwacht mag worden dat regelgeving omtrent arbeid, sociale zekerheid, belastingen, etc., netjes zal worden uitgevoerd en dat er geen criminele activiteiten plaatsvinden.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="403">
<li><strong>We gaan ook de informatie-uitwisseling tussen belastingdiensten verbeteren. </strong>Door te veel te focussen op brievenbusfirma’s slippen andere bedrijven, die ook gebruik maken van belastingontwijkingsconstructies, door het net. Een goed voorbeeld is farmagigant Pfizer. Dat heeft een keurig kantoor met medewerkers in Capelle a/d IJssel. Het geldt daarom niet als brievenbusfirma omdat er werkelijk werkzaamheden worden verricht. Toch zien we dat het kantoor intussen ook ingezet wordt als vehikel om belasting mee te ontwijken. Daarom stellen wij voor om informatie-uitwisseling tussen belastingdiensten en het tegengaan van belastingontwijking via investeringsverdragen veel breder te zien dan enkel een focus op brievenbusfirma’s.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="404">
<li><strong>Je bestrijdt belastingontwijking niet alleen door feitelijke structuren aan te pakken, maar ook door de ‘<em>infrastructuur’</em> die ontwijking mogelijk maakt, in te perken. Daarom gaan we de trustsector, die verder weinig reële waarde toevoegt, verbieden.</strong> <strong>Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s. We scherpen vestigingseisen van multinationals aan (o.m. werknemers en kantoor in Nederland). Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="405">
<li><strong>Ook is het van belang om een eind te maken aan geheime belastingdeals tussen de overheid en het grootbedrijf — zodat we niet langer afhankelijk zijn van goede onderzoeksjournalistiek voor gevallen als die van Pfizer. Daarnaast willen wij dat het belastingadviseurs onmogelijk gemaakt wordt om agressieve fiscale structuren op te zetten en dat het kabinet niet langer de deur openzet voor commerciële belangen in fiscale adviescommissies. </strong>Het kabinet Rutte IV liet de mogelijkheid om ontwijking verder aan te pakken, bewust liggen. Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="406">
<li><strong>Er komen veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per drie jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, en ieder jaar bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude). </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="407">
<li><strong>Belastingverdragen met derdewereldlanden gaan we solidair maken en voorzien van een antimisbruikbepaling. </strong></li>
</ol>
<p><u>Koopkracht </u></p>
<ol start="408">
<li><strong>Bij de transitie wordt gewaarborgd dat lagere en middeninkomens (tot bijv. anderhalf modaal) er qua koopkracht op vooruitgaan, in samenhang met maatregelen die hun lasten beperken en hun inkomens verhogen. </strong></li>
</ol>
<p><a name="_Toc27766522"></a><em><u>Linkse begrotingspolitiek</u></em></p>
<p><em>We voeren een linkse begrotingspolitiek, maken een eind aan de schadelijke te grote zuinigheid bij de overheid en hebben in lijn daarmee een plan gereed voor bestrijding van de volgende crisis. Onze</em><em> nieuwe sociaaldemocratische agenda is prima financierbaar. We halen het geld waar het zit – zie ons nieuwe belastingstelsel. We zijn voor degelijke financiering van overheidsuitgaven, maar dan wel zonder neoliberale dogma’s en gericht op de langere, duurzame termijn. We stoppen met de overdreven spaarzaamheid. </em></p>
<p><em>Hervormingen moeten voldoen aan eisen van sociale rechtvaardigheid en aan eisen van ecologische duurzaamheid. Er is veel meer begrotingsruimte als we de afspraken over staatsschuld en financieringstekort niet meer zo idioot formuleren als nu gebeurt. We hoeven het vermogen van de overheid niet geforceerd op te krikken. </em><em>Zorgen over de staatsschuld worden zeer overdreven. De Nederlandse overheid heeft altijd een netto-vermogen gehad, geen netto-schuld: de bezittingen zijn groter dan de schulden en gegarandeerde toekomstige inkomsten, m.n. de zekere inkomsten uit belastingen op pensioenen. </em><em>Zo bezien heeft ons land helemaal geen staatsschuld. </em></p>
<p><em>Het enige goede aan een volgende crisis zou kunnen zijn dat er urgentie ontstaat om de oorzaken van de crisis aan te pakken: de schuldgedrevenheid van de economie, de ongebreidelde vrijheid van de financiële sector, aandeelhouders die bedrijven de verkeerde kant op sturen, banken die te weinig buffers hebben. Het aanpakken van de oorzaken betekent, zoals in ons programma wordt voorgesteld:  </em></p>
<ul>
<li><em>het omvormen van de banken tot publieke dienstverleners, </em></li>
<li><em>strenge regels voor de financiële industrie, </em></li>
<li><em>het inperken van de macht van aandeelhouders, </em></li>
<li><em>omvorming van de pensioenfondsen tot maatschappelijk verantwoorde investeerders in plaats van handelaren in financiële lucht, en </em></li>
<li><em>een andere vormgeving van de Europese samenwerking, met meer integratie.</em></li>
</ul>
<p><em> </em></p>
<p><em>Fundamentele aanpassingen waar het de vorige keer niet van gekomen is, onder meer doordat er kort na aanvang van de crisis vrijwel geen aandacht meer was voor deze onderliggende oorzaken. Laat ons programma voorkomen dat een volgende crisis hiervoor nodig is.</em></p>
<p><em> </em></p>
<ol start="409">
<li><strong>We voeren een linkse begrotingspolitiek, maken een eind aan de schadelijke te grote zuinigheid bij de overheid en hebben in lijn daarmee een plan gereed voor bestrijding van de volgende (inmiddels huidige) crisis.</strong></li>
</ol>
<p><em> </em></p>
<ol start="410">
<li><strong>Onze</strong><strong> nieuwe sociaaldemocratische, groene en progressieve agenda is prima financierbaar. We halen het geld waar het zit. </strong><strong>We zijn voor degelijke financiering van overheidsuitgaven, maar dan wel zonder neoliberale dogma’s en gericht op de langere, duurzame termijn. We voeren de volgende wijzigingen in op het begrotingsbeleid: </strong></li>
<li><strong>Hervormingen moeten voldoen aan eisen van sociale rechtvaardigheid en aan eisen van ecologische duurzaamheid. </strong></li>
<li><strong>We nemen de bezittingen en vorderingen van de overheid in aanmerking bij de herformulering van de staatsschuld. </strong></li>
<li><strong>We stappen af van de regel dat meevallers op de begroting alleen gebruikt mogen worden voor de aflossing van de staatsschuld.</strong></li>
<li><strong>Het financieringstekort hoeft ook niet per sé maximaal 3 procent op jaarbasis te zijn. Gemiddeld 3 procent voor een langere periode zou de inzet moeten zijn. </strong></li>
<li><strong>Er is daarnaast geen enkele noodzaak tot het creëren van een begrotingsoverschot. Begrotingsoverschotten moeten gebruikt worden voor investeringen. </strong></li>
<li><strong>Begrotingsdoelen moeten we afwegen tegen sociale doelen (werkgelegenheid, ongelijkheid, armoede en uitsluiting) en duurzaamheidsdoelen. </strong></li>
</ol>
<p><em> </em></p>
<ol start="411">
<li><strong>En ja, dat moeten we Europees regelen, met een verandering van het stabiliteits- en groeipact, maar laten we daar maar eens assertief in zijn.</strong> Worden de Europese begrotingsregels niet aangepast, dan zit er niks anders op dan statelijke ongehoorzaamheid. We moeten niet te benauwd zijn om veranderingen af te dwingen, zolang het vetorecht nog bestaat. De EU zal sociaal zijn, of niet zijn.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="412">
<li><strong>We willen ook geen landen als zondebokken meer.</strong> Rond 2010 zorgde het conflict tussen de eurogroep en Griekenland voor een enorme omslag in de <em>framing</em>van de crisis. Toen Griekenland het epicentrum van de crisis werd, waren plotseling niet langer de banken en de financialisering van de economie de schuldigen, maar geld verbrassende overheden. En was de oplossing niet langer het aan banden leggen van de financiële industrie, maar moest de oplossing komen van overheidsbezuinigingen. Wie zich laat afleiden door zondebokken, komt niet toe aan het aanpakken van de werkelijke oorzaken.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="413">
<li><strong>Voorts moeten we in de EU Eurobonds invoeren: landen lenen geen geld op de ‘gewone’ geldmarkt, maar van de Europese Centrale Bank, waarbij landen in feite garant staan voor elkaar. </strong>Als staatsschulden oplopen gooit de private geldmarkt maar al te graag de rente voor staten omhoog. Daardoor loopt de staatsschuld verder op en ontstaat een eindeloze negatieve spiraal. Eurobonds voorkomen dat, want de ECB kan de rente in de hand houden. Ook de ECBzal voor verschillende landen verschillende tarieven rekenen, maar veel gereguleerder dan op de markt. Als je de rentevorming aan de markt overlaat geef je financiële markten de macht om landen af te straffen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="414">
<li><strong>We hadden ooit de gulden financieringsregel dat overheden konden lenen voor rendabele investeringen. Die moeten we weer hanteren. En die leningen tellen dan niet mee voor het financieringstekort</strong>, de kost gaat voor de baat uit.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="415">
<li><strong>Investeringen gaan we zoveel mogelijk doen via een Nationale Investeringsbank (NIB) 2.0, dat voor 51% ook gevoed wordt door pensioenfondsen. NIB 2.0 geeft weer obligaties uit, die ook door ECB gekocht kunnen worden.</strong> Bij de te financieren projecten moeten steeds ook concrete, meetbare doelen als het versterken van de werkgelegenheid, het beperken van ongelijkheid en het versterken van de bestaanszekerheid betrokken worden. Waar het bedrijfsleven van deze investeringen meeprofiteert, is er van die zijde cofinanciering.</li>
</ol>
<p><em> </em></p>
<ol start="416">
<li><strong>Wij pleiten voor veel meer overheidsinvesteringen. Investeren in rendabele projecten, uiteraard. Rendabel, in die zin, dat we als samenleving daarin op langere termijn de vruchten van pakken. Rendabele doelen zijn bestemmingen die de economie en samenleving toekomstbestendiger maken.</strong> Denk aan de ecologische duurzaamheidstransities (klimaat, circulaire economie, landbouw/biodiversiteit), bescherming tegen gevolgen van klimaatcrisis (zeespiegel, veel regen in korte tijd, droogte, bodemdaling), duurzame infrastructuur (elektriciteitsnetten, warmtenetten, openbaar vervoer), betaalbare woningen (vooral huur), onderwijs en onderzoek/innovatie (dat moet ook de belabberde productiviteitsgroei verbeteren), etc.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="417">
<li><strong>Wat economisch nodig is, zijn: </strong></li>
</ol>
<ul>
<li><strong>minder besparingen (dat doen we o.m. door de AOW te verhogen en daarmee de aanvullende pensioenen te verlagen (bij de pensioenen is het wenselijk om het deel via kapitaaldekking in de aanvullende pensioenen te verminderen en het deel via omslagfinanciering in de AOW te vergroten)</strong><strong>, </strong></li>
<li><strong>grotere binnenlandse bestedingen (dat doen we door hogere inkomens in de breedte te bevorderen en de export en doorvoer te beperken), en </strong></li>
<li><strong>hogere investeringen, zowel privaat (dat doen we door kapitaal aan te wenden voor speculatieve doeleinden of dood laten staan fiscaal onaantrekkelijk te maken en door anti-speculatie regelgeving) als publiek (dat doen we o.m. met onze investeringen in duurzaamheid en de oplossing van de woningnood. </strong></li>
</ul>
<p><strong>Dat zorgt voor een hogere welvaart voor huidige én toekomstige generaties. </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="418">
<li><strong>In tijden van financieel-economische crisis voeren we (neo-)Keynesiaanse begrotingspolitiek. We bezuinigen niet op de sociale zekerheid, pensioenen of de werkgelegenheid en inkomens in de publieke sector, en we verhogen niet de lasten van huishoudens ten bate van lagere lasten op kapitaal </strong>– zoals na de crisis in 2008 is gedaan. Na 2008 sloegen de opeenvolgende kabinetten hard aan het bezuinigen om het begrotingsgat te dichten en de staatsschuld te verkleinen. Dat heeft Nederland zeker 5% aan economische groei gekost, berekende het Centraal Planbureau in 2016. Zonder die bezuinigingen was het bbp nu 35 miljard hoger geweest. In sommige terugblikken ter ere van tien jaar crisis werd gesuggereerd dat de bezuinigingen een keuze waren van het rechtse kabinet dat in 2010 aantrad (VVD/CDA, met gedoogsteun van de PVV). Echter, al in de herfst van 2009 kondigde het kabinet-Balkenende/Bos (CDA/PVDA/CU) aan flink te gaan bezuinigen om het begrotingstekort weg te werken, en ook het kabinet-Rutte/Asscher (VVD/PvdA) dat in 2012 aantrad kortte hard. Door opeenvolgende kabinetten werd zo’n vijftig miljard euro structureel bezuinigd. De pijnlijke conclusie van de Rekenkamer in 2016: de bezuinigingen waren bedoeld om de overheidsfinanciën op orde te brengen, maar de kans is groot dat de bezuinigingen daar geen positief effect op hebben gehad. In de woorden van de Rekenkamer: het is niet te zeggen of het begrotingstekort <em>dankzij</em>of <em>ondanks</em> de bezuinigingen gedaald is. Want minder economische groei betekent ook minder overheidsinkomsten. Bovendien leiden bezuinigingen tot een waterbedeffect: elders nemen de kosten toe. Van de vijftig miljard aan bezuinigingen kwam overigens slechts zeven miljard ten laste van het bedrijfsleven. De Rekenkamer raadde het kabinet aan om alsnog de bezuinigingen goed te evalueren om ‘te weten wat wijs beleid is in moeilijke tijden’. Toenmalig minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem liet echter weten een dergelijke evaluatie niet nodig te vinden. Nog steeds roepen de politici van Paars II dat zij niet anders konden dan bezuinigen op de portemonnee van burgers, terwijl zelfs het IMF, de Wereldbank en bijv. ook de ING erkennen dat door dit beleid de crisis juist verdiept en verlengd werd, en het herstel dus vertraagd, met een schade van honderdduizenden extra werklozen en een verlies aan nationaal inkomen van 16,5%, een verlies dat grotendeels structureel geworden is. Inmiddels zijn de meeste economen het erover eens dat je in tijden van crisis juist niet moet bezuinigen. Zie o.m. de analyse van Bas Jacobs, hoogleraar economie aan de Erasmus School of Economics, op zijn weblog: <a href="https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/19/de-rekening-van-rutte/">https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/19/de-rekening-van-rutte/</a> , <a href="https://esb.nu/de-rekening-van-rutte/">https://esb.nu/de-rekening-van-rutte/</a> en <a href="https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/17/ing-heeft-gelijk-overheidsbeleid-in-de-periode-2011-2017-kostte-volgens-het-cpb-ongeveer-365-000-banen/">https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/17/ing-heeft-gelijk-overheidsbeleid-in-de-periode-2011-2017-kostte-volgens-het-cpb-ongeveer-365-000-banen/</a></li>
</ol>
<p>Is er eenmaal weer economische groei, dan nemen de staatsschuld en het begrotingstekort vanzelf snel af.  <strong> </strong></p>
<p>Zie voor een historisch overzicht ook: <a href="https://www.groene.nl/artikel/tussen-spaardwang-en-spilzucht">https://www.groene.nl/artikel/tussen-spaardwang-en-spilzucht</a>. </p>
<ol start="419">
<li><strong>In een crisis worden bedrijven terughoudend met investeringen en ook burgers houden de hand op de knip. Om te voorkomen dat de economie in een spiraal naar beneden raakt, is het aan de overheid om te blijven investeren. </strong>Dat is goed voor de werkgelegenheid, goed voor de koopkracht, en er is veel nuttigs te doen: het energiezuinig maken van woningen, grootschalige duurzame energie, wijken opknappen, infrastructuur up-to-date maken, nieuwe woningen bouwen.</li>
</ol>
<p>Dan moeten er op het moment van crisis wel concrete plannen klaar liggen die direct uitvoerbaar zijn.</p>
<p> </p>
<ol start="420">
<li><strong>En die investeringen moeten dan niet afhankelijk gesteld worden van private cofinanciering, zoals in het verleden vaak werd gedaan.</strong> Dat werkt niet in tijden van crisis, de overheid zal zelf verantwoordelijkheid moeten nemen. Een deel van de investeringen kan prima door semipublieke instellingen zoals de woningcorporaties gedaan worden, mits zij er de ruimte voor krijgen. Tijdens de vorige crisis gebeurde echter precies het omgekeerde. De corporaties werden aan banden gelegd door hun taken sterk te verminderen en door het invoeren van een verhuurdersheffing. Dat zorgde ervoor dat in een tijd dat de particuliere bouw stilviel ook de bouw door corporaties vrijwel stopte. Waardoor al met al 70.000 mensen in de bouw hun baan verloren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="421">
<li><strong>En bij de investeringen moeten ook niet ineens allerlei wettelijke procedures buiten werking gesteld worden.</strong> Regeringen grijpen een crisis graag aan om te doen wat ze al lang wilden maar waar voordien geen draagvlak voor was. Partijen die zich al heel lang ergerden aan de uitgebreide inspraakmogelijkheden bij infrastructurele plannen grepen de vorige crisis aan om daar in één klap van af te komen. De Crisis- en herstelwet werd in de markt gezet als grote aanjager van werkgelegenheid in crisistijd en kleedde de inspraak van bewoners en milieuorganisaties grotendeels uit. Snelwegen, vliegvelden (Lelystad), grote mestvergistingsinstallaties: het moest allemaal snel aangelegd kunnen worden om de crisis te bestrijden. Het verzet van milieuorganisaties werd beperkt door hun voor te houden dat ook windmolens eerder gebouwd zouden kunnen worden. De Crisis- en herstelwet van 2010 was eerst tijdelijk maar werd drie jaar later permanent. Want ook dat is een les van de crisis: tijdelijke maatregelen zijn vaak een opmaat voor permanente maatregelen. Bij een volgende crisis is het zaak ervoor te zorgen dat de crisis niet opnieuw misbruikt wordt.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="422">
<li><strong>De overheid moet in tijden van crisis voor zzp-ers en voor het mkb risicoarme en goedkope investeringskredieten organiseren</strong>. Een van de grote problemen tijdens de vorige crisis was dat banken van schrik geen geld meer uitleenden. Doordat bedrijven gewend zijn om veel met leningen te financieren, ook hun ‘gewone’ uitgaven, had het opdrogen van de kredietverlening enorme gevolgen. Gemiddeld genomen zijn bedrijven tegenwoordig nog afhankelijker van leningen dan in 2008: de totale schuld van bedrijven is inmiddels hoger dan kort voor de vorige crisis. Een plotselinge opdroging van de kredietverlening is funest. De overheid moet blijven zorgen voor de beschikbaarheid van bedrijfskredieten in tijden van crisis. Daarbij helpt de hiervoor bepleitte publieke Nationale Investeringsbank 2.0. Deze kan in tijden van crisis bedrijfskrediet blijven leveren. Ook kan de ECB als voorwaarde stellen aan banken om in aanmerking te komen voor overheidssteun dat zij deze kredieten blijven verstrekken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="423">
<li><strong>Hoe slechter de economische situatie, hoe belangrijker een goed vangnet om ervoor te zorgen dat mensen niet helemaal door de bodem zakken. In economische termen is sociale zekerheid een van de ‘automatische stabilisatoren’: de koopkracht blijft enigszins op peil, wat goed is voor bedrijven. </strong>De huidige sociale zekerheid is echter een stuk uitgekleed in vergelijking met 2008. De maximale duur van de werkloosheidsuitkering is verminderd (van maximaal 38 naar 24 maanden, soms per CAOwel uitgebreid), mensen tot 27 jaar hebben minder snel recht op bijstand en ouderen moeten tegenwoordig eerst hun huis ‘opeten’ voordat ze recht hebben op bijstand. Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid. Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken zou het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid moeten worden. Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang te gaan bezuinigen.</li>
</ol>
<p><em><strong> </strong></em></p>
<ol start="424">
<li><em><strong>In de eerste plaats is het dan belangrijk dat je als overheid dan je rol pakt als employer of last resort.</strong></em><em> Versterk dus juist in crisistijd de publieke sector met meer banen, dat helpt ook nog eens bij het oplossen van maatschappelijke problemen die ook verergeren in tijden van crisis. Ook gesubsidieerde arbeid moet daarbij als sluitstuk helpen. </em>Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid.</li>
<li><strong>Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken zou het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid moeten worden.</strong> Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang te gaan bezuinigen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="426">
<li><strong>We koppelen de duur van de WW-uitkering aan conjunctuur. Wij vervangen de verkorting van de WW van 3 naar 2 jaar door een alternatief dat het CPB eerder heeft geschetst, namelijk om deze anticyclisch toe te passen: de maximale WW-duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur. </strong>Werknemers worden zo beter beschermd als het risico op werkloosheid hoger is. En een regeling voor deeltijd-WW kan ervoor zorgen dat mensen toch hun baan behouden: ze blijven in dienst maar werken minder uren en krijgen voor de niet gewerkte uren een uitkering. Duitsland kent een permanente regeling voor deeltijd-WW: bedrijven waar het tijdelijk slecht mee gaat, kunnen er gebruik van maken mits de ondernemingsraad akkoord is. Eén van de eerste dingen die bij een volgende crisis zou moeten gebeuren is het opnieuw instellen én volhouden van deeltijd-WW.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="427">
<li><strong>En we voeren dan een regeling voor deeltijd-WW in –die zorgt ervoor dat mensen toch hun baan behouden: ze blijven in dienst maar werken minder uren en krijgen voor de niet gewerkte uren een uitkering. De regeling moet worden volgehouden tot het einde van de crisis en altijd weer heropenbaar zijn voor een volgende crisis. Er moeten strenge voorwaarden zijn dat niemand – ook geen flexwerkers – worden ontslagen, er geen dividend en bonussen uitgekeerd worden of eigen aandelen worden opgekocht, er geen belastingontwijking plaatsvindt, topbeloningen moeten worden gematigd en het bedrijf moet meewerken aan verduurzaming. </strong></li>
</ol>
<p>In ‘normale’ economische tijden duurt die deeltijd-WW maximaal een half jaar, maar bij de crisis van 2008 konden mensen twee jaar deeltijd-WW krijgen. In mei 2009 zaten er in Duitsland meer dan een miljoen mensen in de regeling. Een groot voordeel voor werkgevers is dat ze hun goede mensen niet kwijtraken. In Nederland werd eind 2008 tijdelijk een vorm van deeltijd-WW ingesteld, maar het budget was na een half jaar al op, waarna er nog twee jaar lang een regeling in uitgeklede vorm kwam. Toen de werkloosheid in 2012 hard opliep bestond de deeltijd-WW al niet meer. Een politieke keuze: het kabinet van VVD/CDA was duidelijk minder enthousiast over de regeling dan het kabinet-Balkenende/Bos. In totaal hebben in Nederland slechts 77.000 mensen een deeltijd-WW-uitkering gehad. Terwijl de regeling volgens werkgevers en vakbonden van groot belang was. In de evaluatie ervan zei een derde van de werkgevers dat ze zonder deeltijd-WW de crisis niet overleefd zouden hebben. Driekwart van de deelnemende werkgevers meldt in de evaluatie dat ze anders meer mensen zouden hebben ontslagen.</p>
<p> </p>
<ol start="428">
<li><strong>Het in ons programma voorgestelde gegarandeerd Zekerheidsinkomen helpt ook om mensen te behoeden voor armoede in tijden van crisis, net als het bepleitte minimumtarief voor zzp-ers</strong>.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="429">
<li><strong>De overmatige flexibilisering zal in tijden van crisis niettemin een groot risico blijven vormen, veel zzp-ers zullen onvoldoende hebben gespaard om te kunnen blijven investeren. De voorstellen in ons programma over het paal en perk stellen aan de overmatige flexibilisering heeft daarom grote urgentie. </strong></li>
</ol>
<p>Het aantal zzp’ers is flink toegenomen na de crisis van 2008-2012. Zij hebben geen recht op WW of geld bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Broodfondsen, waarbij zzp’ers elkaar financieel ondersteunen, helpen in geval van crisis niet want dan zit iedereen in zwaar weer. Bij een volgende crisis zullen daarom veel meer mensen in armoede vervallen. Het in ons programma bepleitte gegarandeerd Zekerheidsinkomen helpt ook om mensen te behoeden voor armoede in tijden van crisis, net als het bepleitte minimumtarief voor zzp-ers en verplichte collectieve verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid en voor aanvullend pensioen. De overmatige flexibilisering zal in tijden van crisis niettemin een groot risico blijven vormen, veel zzp-ers zullen onvoldoende hebben gespaard om te kunnen blijven investeren. Ons programma beperkt het onzeker flexwerk, waaronder zzp-ers, enorm. De overheid moet daarnaast in tijden van crisis voor zzp-ers en voor het mkb risicoarme en goedkope investeringskredieten organiseren. En we moeten de gratis scholingsmogelijkheden voor mensen in de WW en de bijstand (te vervangen door het gegarandeerde zekerheidsinkomen) drastisch verruimen, zeker in tijden van crisis. In plaats van de werklozen op te jagen naar werk dat er in tijden van crisis onvoldoende is, kunnen we beter zorgen dat mensen zich verder en beter scholen. Op termijn is dat veel beter voor de economie.</p>
<p> </p>
<ol start="430">
<li><strong>En we moeten de gratis scholingsmogelijkheden voor mensen in de WW en de bijstand drastisch verruimen, zeker in tijden van crisis. </strong>In plaats van de werklozen op te jagen naar werk dat er in tijden van crisis onvoldoende is, kunnen we beter zorgen dat mensen zich verder en beter scholen. Op termijn is dat veel beter voor de economie. Zie daarvoor onze voorstellen voor een nieuw leerrechtensysteem.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="431">
<li><strong>De maximum hypotheek maken we ook conjunctuur afhankelijk (naar Canadees voorbeeld</strong>): het maximum (als percentage van het inkomen of van de woningwaarde) wordt lager bij sterk stijgende prijzen en hoger bij dalende prijzen. Dit helpt om de woningmarkt te stabiliseren. Door veel meer te investeren in betaalbare huren en het oplossen van de woningnood, door drastisch schulden van huishoudens te saneren en te investeren in preventie van en hulpverlening bij schulden, zorgen we dat huishoudens er bij een volgende crisis beter voor staan.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="432">
<li><strong>En we verhogen de vermogensbelasting voor miljonairs in tijden van crisis</strong>, omdat de inkomsten uit de belasting voor vermogensrendementsheffing dan drastisch zullen teruglopen – het rendement op vermogen in economisch is in slechte tijden laag of zelfs negatief. En we verhogen de progressieve vennootschapsbelasting op winst van bedrijven met een solidariteitsheffing op winst die niet geïnvesteerd wordt. Zo kunnen investeringen des te meer blijven plaatsvinden, maar worden dividenduitkeringen en opkopen van eigen aandelen, of het oppotten van winst in overmatige reserves in tijden van crisis extra ontmoedigd. In 2008 werd het tegenovergestelde gedaan: de vennootschapsbelasting werd verlaagd. Zo blijft het stelsel solidair en zorgen we voor geld voor de publieke zaak.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="433">
<li><strong>In tijden van crisis heeft het de voorkeur dat de Europese Centrale Bank geld aan huishoudens uitkeert, in plaats van ongericht in de financiële markten geld te pompen. </strong>De 2600 miljard die de Europese Centrale Bank de afgelopen jaren in de financiële markten pompte leidden tot vastgoed- en aandelenbubbels en kwamen niet ten goede van de werkelijke economie. Bij een volgende crisis zou het helpen als de discussie niet gaat over wel of niet stimuleren door de ECB, maar over de <em>vorm</em>waarin de ECB Een van de manieren om ervoor te zorgen dat het geld daadwerkelijk de economie versterkt is wat sommigen <em>green quantitative easing</em> noemen (groene geldverruiming). De ECB verstrekt dan grootschalig geld aan de Europese investeringsbank, die met dat geld de investeringen pleegt die nodig zijn voor de energietransitie. Waarbij de Europese investeringsbank zelf het initiatief neemt en niet afwacht of bedrijven met investeringsplannen komen, want dat valt zelfs tijdens hoogconjunctuur al tegen, laat staan in crisistijd. De afgelopen jaren werd als alternatief voor de Draghi-methode ook ‘helikoptergeld’ geopperd, oftewel het rechtstreeks uitdelen van geld aan mensen. Het voordeel van groene geldverruiming ten opzichte van helikoptergeld is echter dat je zeker weet dat het geld daadwerkelijk wordt uitgegeven en dat je er een groenere energie-infrastructuur voor terug krijgt.</li>
</ol>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Eindnoten</strong></p>
<p><a href="#_ftnref1" name="_ftn1">[1]</a> Met ‘Loosely coupled’ wordt de notie aangemerkt die het innovatief vermogen van een systeem koppelt aan de mogelijkheid onderdelen te vervangen of toe te voegen zonder dat het hele systeem instabiel wordt. Ook te operationaliseren in termen van regelgeving die burgers en bedrijven duidelijkheid geeft hoe ze zelf creatief kunnen zijn, minder dan dat de regelgeving het gebruiken van specifieke technologische toepassingen voorschrijft. Dus geen beleid gericht op stimulering van ‘warmtepompen’ maar liever sturen op optimalisatie van het achterliggende doel (radicale CO₂ reductie).</p>
<p><a href="#_ftnref2" name="_ftn2">[2]</a> <a href="https://www.bnr.nl/nieuws/mobiliteit/10563147/vervoer-voor-steeds-meer-mensen-te-duur-mensen-komen-tot-900-euro-tekort?utm_term=Autofeed&amp;utm_campaign=Owned&amp;utm_medium=Social&amp;utm_source=Twitter#Echobox=1734414197">Vervoer voor steeds meer mensen te duur, ‘mensen komen tot 900 euro tekort’ | BNR Nieuwsradio</a></p>
<p><a href="#_ftnref3" name="_ftn3">[3]</a> <a href="https://www.eerlijkovervliegen.nl/schiphol-kan-naar-250-000-vluchten-krimpen-zonder-verlies-van-bereikbaarheid/">https://www.eerlijkovervliegen.nl/schiphol-kan-naar-250-000-vluchten-krimpen-zonder-verlies-van-bereikbaarheid/</a></p>
<p><a href="#_ednref1" name="_edn1">[i]</a> <strong>Ontstellende, beschamende en boosmakende complexiteit</strong></p>
<p>Deze complexiteit speelt in het gehele sociale domein. Uit de Conferentiebundel “Expertconferentie ‘Renovatie in het sociaal domein, 27 september 2024: <em>“Ontsteld, beschaamd en boos maakten wij kennis met de onbedoelde, massale opeenhoping van onrecht, veroorzaakt door onze overheid, die binnen het sociaal domein de minst toegeruste burgers in onze eigen samenleving trof en treft.</em></p>
<p><em>We concluderen dat de voornaamste oorzaak van latere chaos is gelegen in de samenhang, dan wel het gebrek daaraan, tussen verschillende regelingen en dat een tweede oorzaak verwarring betreft over waardenprioritering, zodat het oogmerk van de regelgeving verschuift van rechtvaardigheid naar rechtmatigheid, en dan vooral in de vorm van gelijkheid voor de wet in plaats van wezenlijke rechtsgelijkheid.” </em></p>
<p>In een interview in het UWV-blad vertelt emeritus hoogleraar Roel in ’t Veld over het tweejarige onderzoek dat zij voor deze expertconferentie hebben gedaan: “<em>De kortst mogelijke bevinding van ons onderzoek is: Het sociale stelsel is rot. Maar het is ook indrukwekkend groot. Als je het bombardeert, dan maak je heel veel slachtoffers.            </em></p>
<p><em>De verkoop gaat tijdens de verbouwing gewoon door. Dus zijn er niet zoveel mensen beschikbaar om te werken aan fundamentele verandering. En het is de vraag of de politiek het wel eens wordt over de richting van de herziening.”</em></p>
<p>Het onderzoek werd uitgevoerd met 5 experts uit verschillende hoeken, verenigd door verontwaardiging en schaamte. Die studie is besproken met de top van departementen en uitvoeringsorganisaties, waaronder UWV. Naar aanleiding daarvan zijn 15 papers geschreven over onderdelen van de studie en daarover is een conferentie gehouden om te komen tot dialoog. Er is ook een boekbundel met aanscherping van alle documenten. De groep is onafhankelijk, zelfstandig, bestaat uitvrijwilligers met een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor elke dag dat dit nog langer voordoet.</p>
<p>De grenzen van het onderwerp van studie zijn gekozen op basis van het criterium intensiteit van samenhang. Als twee regelingen met elkaar samenhangen in het oog van de burger en als ze betreffen sociale aspecten, dan horen ze erbij (voorbeeld toeslagenstelsel kan verbonden zijn met volksverzekeringen of de jeugdzorg).</p>
<p>Er is een groot aantal regelingen in het geding. Rijksregelingen,  gemeentelijke regelingen. Die zijn na elkaar tot stand gekomen. En elke nieuwe regeling is gepresenteerd als een nieuwe oplossing voor een bestaand probleem. En zonder voldoende te kijken naar samenhang met alles wat er al was. Spaghetti: de samenhang is ingewikkeld, niet van tevoren gekend, door die samenhang ontstaat grote complexiteit. Niet voor de ambtenaar die één enkele regeling beheert, maar wel voor de burger, doordat de burger en met name de intense gebruiker van het sociaal domein als enige het geheel ervaart.</p>
<p>​Steeds zijn in de regelingen strenge informatieverplichtingen voor  burgers opgenomen. De zwakste schouders moeten de zwaarste verplichtingen nakomen. Het is voor deze burger niet duidelijk welke regeling en welke gedragsimpuls die daaruit  voortkomt hij nu moet volgen. En dat geheel is onoverzienbaar. Niemand kent ook het geheel. Zelfs de experts niet (voorbeeld WIA).</p>
<p>Roel in ’t Veld geeft een aantal voorbeelden. Als u schulden hebt en komt in een regime met een  bewindvoerder, dan zegt de wet die daarover gaat dat diegene geen nieuwe schulden mag maken. Voorbeeld dat dit toch tegen wil/bedoeling van de betrokkenen uitwerkt: ZZP’er met variabel inkomen slaagt er in om in de loop van het jaar meer te gaan verdienen, dan betekent dat dat de oorspronkelijke inkomensraming waarop de bevoorschotting was gebaseerd niet meer klopt. Stel dat dit 1 juli zijn beslag krijgt en die burger rent naar alle kantoren waar hij dat moet melden. Dan worden de toeslagen in benedenwaartse richting bijgesteld als voorschot. En de betrokken burger heeft nieuwe schulden. Omdat dan over het eerste half jaar te veel voorschot is ontvangen: &#8212;&#8211;&gt;spaghetti.</p>
<p>Tweede voorbeeld: iemand slecht opgeleid, in schuldhulpverlening, mag geen nieuwe schulden maken. Mevrouw had haar moeder een tijd in huis, energierekening loopt op &#8212;&gt; nieuwe schulden. Die mevrouw is verwijderd uit het regime op aanvraag van de bewindvoerder omdat ze had nagelaten om te vertellen dat haar moeder een tijdje bij haar woonde.         </p>
<p>Dit zijn voorbeelden van individuele gevallen, maar gaat soms ook over hele groepen die in de kou worden gelaten.</p>
<p>Er zijn wel oplossingen, bijvoorbeeld via een hardheidsclausule. Die verstrekt aan de uitvoerder ruimte om in bijzondere gevallen redelijk te handelen. Maar veel recente wetgeving kent geen hardheidsclausule.</p>
<p>In ’t Veld kritiseert de gemakzucht waarmee die regelingen gemaakt zijn. Zonder verbeelding of zorgvuldigheid (voorbeeld kinderopvang zonder vergunning)</p>
<p>In Sociaal Bestek schrijft hij ook over hun onderzoek: “<em>De overheden in ons land bedoelen het goed. Of het nu gaat over sociaal domein of zorg: wat is geregeld heeft tot doel burgers in hun streven naar een behoorlijk bestaan te ondersteunen. Waar te nemen is echter, dat diezelfde burgers verdwaald raken in het woud van goede bedoelingen van overheden, en zelfs angst, verdriet, dreiging en schade  ervaren, terwijl niemand, ook geen overheid,  dit laatste had bedoeld. Een tragedie, getypeerd als samenballing van onbedoelde negatieve effecten van publiek handelen en regelen. Onze speurtocht naar het ontstaan van deze tragedie levert een aantal inzichten op:</em></p>
<p><em>&#8211; in de loop van de tijd ontaarden regelingen, omdat burgers leren en er daardoor steeds beter in slagen om voor hen nadelige gevolgen van regelingen te ontwijken; bovendien staat de wereld niet stil, zodat regelingen eigenlijk met die beweging zouden moeten meebewegen; dit laatste stuit echter vaak op de bedoelde stabiliteit van de </em></p>
<p><em>regeling, zodat aanpassing niet soepel en snel verloopt;</em></p>
<p><em>&#8211; diezelfde voortdurende beweging veroorzaakt, dat de rekenregels die aanspraken en plichten van burgers definiëren steeds minder overeenkomen met de bedoelingen van politieke organen in termen van rechtvaardigheid; rechtvaardigheid en rechtmatigheid gaan daardoor van elkaar afwijken; de controle is gericht op rechtmatigheid; bovendien ontaarden daardoor ook de relaties tussen regelingen;</em></p>
<p><em>&#8211; het is gebruikelijk om dergelijke afwijkingen die soms ook leiden tot crises en schandalen te duiden als uitvoeringsproblemen; ons inzicht is, dat in bijna alle gevallen de oorzaken zijn gelegen in ontwerpfouten bij de vormgeving van de regeling;</em></p>
<p><em>&#8211; de enige die het geheel van regelingen ervaart is de burger zelf; voor iedere overheid geldt dat die slechts met een deel van de operationele regelingen heeft te maken; geen overheid voelt zich verantwoordelijk voor het geheel; het stelsel is veel te complex geraakt;</em></p>
<p><em>&#8211; het vermogen van overheden om tijdig passend op te treden is sterk beperkt, doordat een aantal relatief autonome beroepspraktijken strikte randvoorwaarden formuleert voor inhoudelijke beslissingen; dat zijn het recht, de financieel-economische comptabiliteit en sedert enige tijd ook ict; deze randvoorwaarden verstikken het vermogen om inhoudelijk passend op te treden; dit drietal beroepspraktijken heeft bovendien onderling een niet-aanvalspact gesloten;</em></p>
<p><em>&#8211; pogingen om tot herstel van onrecht te komen leiden dikwijls tot verfijning of geheel nieuwe regelingen die de complexiteit van het stelsel nog verder vergroten; ze falen vaak, omdat zich daar weer de zelfde kenmerken openbaren die eerder de crisis veroorzaakten;</em></p>
<p><em>&#8211; een therapie ligt niet voor het oprapen; vanwege het crisisachtige karakter van de huidige situatie zijn ingrepen op afzienbare termijn noodzakelijk om rechtvaardigheid voor burgers te herstellen, maar daarnaast is een fundamentele herziening van het stelsel noodzakelijk, die veel voorbereidingstijd vergt voor uitdenken en overtuigen tot op het hoogste politieke niveau.”</em></p>
<p>De groep onderzoekers heeft de volgende waarnemingen gekozen als vertrekpunt voor hun analyse:</p>
<ol>
<li>Het lijkt erop dat in de uitvoering van veel regelingen in het sociaal domein kloven ontstaan tussen rechtmatigheid en de beoogde rechtvaardigheid, die zich in de loop van de tijd verbreden en verdiepen.</li>
<li>Ook lijkt het erop dat in de loop van de tijd een overwicht ontstaat van onbedoelde effecten van regelingen boven bedoelde.</li>
<li>De waarneming van bovengenoemde verschijnselen leidt tot hersteloperaties, die op hun beurt weer dezelfde manco&#8217;s vertonen en op die manier tot nieuwe rampen leiden.</li>
<li>Iedere regeling maakt deel uit van een verzameling, een stelsel, met zeer veel onderlinge afhankelijkheden, die als geheel een zo grote complexiteit vertoont dat niemand meer de consequenties van een interventie in enig onderdeel van het stelsel kan overzien.</li>
<li>Geen enkele overheid voelt zich verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel als geheel.</li>
<li>De individuele burger is de enige, die het functioneren van het gehele stelsel ervaart, en daarmee ook de gehele complexiteit.</li>
</ol>
<p>Zij hanteren de volgende vijf uitgangspunten:</p>
<p><em>Uitgangspunt 1</em></p>
<p>Regelingen en andere arrangementen in het openbaar bestuur zijn sterfelijk. Dus zijn ze behept met een beperkte levensduur. Regelingen mogen zijn vormgegeven in een vastgestelde tekst, maar tijdens het functioneren is dynamiek ​dominant. Deze dynamiek is zowel endogeen als exogeen van aard. Enerzijds treden binnen  de regeling allerlei leerprocessen op aan de zijde van burgers en uitvoerders. Anderzijds is sprake van tal van veranderingen in de samenleving als geheel, waarvan sommige van invloed zijn op de werking van de regeling. Beide dynamieken leiden in het algemeen tot verminderende effectiviteit van de regeling. De reactie van beleidsmakers op deze dynamiek is veelal aanpassing en verfijning van de regeling in de richting van differentiatie, ook wel beleidsaccumulatie genoemd, waarna dezelfde dynamiek wederom in werking treedt. Daarbij geldt dat de regeling via processen van wetgeving een gestolde gedaante heeft, omdat dat aanpassingen met veel vertraging en moeite tot stand komen.</p>
<p><em>Uitgangspunt 2</em></p>
<p>Kijk vooral naar de gebruikte besturingstechnologie zoals we die kunnen waarnemen in het ontwerp van de regeling, in de praktijk van de uitvoering en in hersteloperaties, en hun onderlinge verbinding. Tot de besturingstechnologie wordt tenminste gerekend:</p>
<ul>
<li>De verhoudingen tussen overheden en de betrokken burgers vastgelegd in regelingen;</li>
<li>De organisatie van de procesfasen die deel uitmaken van voorbereiding, uitvoering en evaluatie van regelingen;</li>
<li>De organisatie van de informatiehuishouding;</li>
<li>De bekostiging;</li>
<li>Het sanctie-instrumentarium dat eveneens deel uitmaakt van de verhouding tussen overheid en burger.</li>
</ul>
<p><em>Uitgangspunt 3</em></p>
<p>Laat steeds een meervoudige beoordeling van effecten plaatsvinden, opdat deze gestalte krijgt vanuit verschillende perspectieven: dat van politici, dat van burgers en betrokkenen, dat van professionals, als ambtelijke en andere, en dat van de samenleving als geheel. “<em>Daarbij onthouden we ons in deze studie uitdrukkelijk van het aanwijzen van schuldigen, schurken en wat dies meer zij.”</em></p>
<p><em>Uitgangspunt 4</em></p>
<p>Aan een regeling ligt in het algemeen ten grondslag een uitdrukking van de politieke wil om bepaalde waarden gestalte te geven, veelal gegoten in de gedaante van een algoritme. Deze gedaante kenmerkt zich doordat een recht of plicht van een burger afhankelijk is gesteld van een reeks van kenmerken, genoemd de onafhankelijke variabelen. In de ontwerpfase van de regeling wordt al duidelijk, dat het algoritme door de bepaling en beperking van onafhankelijke variabelen per definitie een variëteit kent die kleiner is dan de variatie van de groep burgers, die in de politieke wilsuitdrukking was begrepen. Het gevolg hiervan is dat per definitie een groep burgers formeel buiten de regeling zal vallen, terwijl de politieke waardenuitdrukking wel op hen van toepassing was. En ook dat een groep waarvoor de regeling niet bedoeld was er wel door wordt geraakt. Dit schept een probleem, dat is op te lossen door een functie tot stand te brengen, die binnen de uitvoering gemachtigd is om deze discrepantie te elimineren door beslissingen te nemen overeenkomstig de bedoeling van de regeling, maar niet overeenkomstig de tekst. Een voorbeeld van een dergelijke functie is de hardheidsclausule mits deze ruimhartig kan worden toegepast.</p>
<p><em>Uitgangspunt 5</em></p>
<p>De interne samenhang van het stelsel is bepaald, doordat afhankelijke variabelen (ofwel uitkomsten) van de ene regeling deel uitmaken van de onafhankelijke variabelen in een of meer andere regelingen. Verandert iets binnen een regeling, dan heeft deze verandering daardoor ook op veel andere regelingen effecten. Hetzelfde geldt op het microniveau van de burger: verandert er iets aan diens situatie, waardoor de uitkomst van een regeling verandert, dan kan dat effect hebben op de uitkomst van een andere regeling.</p>
<p>De groep doet ook een historische analyse. Roel in ‘t Veld: <em>“Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich de verzorgingsstaat op basis van de gedachtegang dat niemand aan zijn lot mocht worden overgelaten. Degene die aanspraak mocht maken op voorzieningen, een volksverzekering, of een uitkering was achtenswaardig en hoefde zich niet te schamen. Aan het begin van de jaren 80 kantelde dit perspectief op de uitkeringsgerechtigde, die nadien in toenemende mate werd beschouwd als een potentiële fraudeur of tenminste profiteur. Na de volksverzekeringen, de algemene bijstandswet en tal van voorzieningen was de voorlopig laatste loot aan het gebouw van het sociaal domein de komst van een omvangrijk toeslagenstelsel, dat op een meerderheid van de bevolking toepassing vond. Met betrekking tot de bevoegdhedenverdeling vond voor een aantal voorzieningen partiële decentralisatie plaats naar de gemeente met overheveling van intussen gekorte budgetten, zoals de jeugdzorg. Maar de gemeenten werden niet in staat gesteld de toegankelijkheid te beperken, zodat blijvende spanningen ontstonden. De huidige situatie is gekenmerkt door:</em></p>
<p><em>​· Omvangrijke zichtbare crisis in het toeslagenstelsel, maar ook in de arbeidsongeschiktheidsregeling</em></p>
<ul>
<li><em> Een deels ontspoord controlebeleid</em></li>
<li><em> Chaos en onrecht voor veel burgers, met grote gevolgen voor bestaanszekerheid, welzijn en gezondheid</em></li>
<li><em> Omvangrijke effectiviteitsgebreken in tal van voorzieningen, waaronder de jeugdzorg.</em></li>
</ul>
<p><em>Onze analyse heeft plaatsgevonden met behulp van de inzichten uit een aantal wetenschappelijke disciplines. Allereerst de rechtsgeleerdheid:</em></p>
<p><em>Het recht borgt waarden en stelt in staat tot sturen. Recent is de waarborgfunctie van het recht hier en daar op de achtergrond geraakt ten opzichte van een meer instrumentele functie waarbij het recht vooral overheidssturing mogelijk maakt en ondersteunt. Het recht is een voorbeeld van een zelfreferentieel systeem: recht kan alleen veranderen door nieuw recht. Zelfreferentialiteit brengt met zich dat het juridische systeem op zichzelf bestaat, dus autonoom is ten opzichte van andere systemen. In de praktijk van het openbaar bestuur leidt dit tot een autonome juridische beroepspraktijk. De ontstane kloof in het sociaal domein tussen rechtmatigheid en rechtvaardigheid kon alleen ontstaan door de dominantie van de instrumentele functie van het recht. Het is alleen het recht zelf, dat de juiste zwaarte van de waarborgfunctie kan herstellen.</em></p>
<p><em>Vervolgens de bestuurskunde:</em></p>
<p><em>In de bestuurskunde is het inzicht vrij algemeen aanvaard, dat stuurarrangementen een beperkte levensduur hebben, omdat sociale systemen, samenlevingsverbanden, onderhevig zijn aan de dynamiek die het gevolg is van menselijke reflexiviteit. Reflexiviteit is het menselijk vermogen om zich te weer te stellen tegen onaangename invloed van buiten door leren en van daaruit komen tot gedragsverandering. Kort samengevat leidt dit inzicht tot de wet van de afnemende effectiviteit van regelingen die berust op de waarneming dat reflexiviteit leidt tot leerprocessen aan de zijde van de bestuurden die zich aan de stuurdrang of -dwang trachten te onttrekken. Bestuurders reageren in het algemeen op de constatering van afnemende effectiviteit met een poging tot herstel daarvan door normdetaillering en/of meer controle, samengevat als de wet van de beleidsaccumulatie. De wisselwerking van deze twee wetmatigheden leidt vroeger of later tot een crisis. Deze wetmatigheden zijn tamelijk algemeen van toepassing op regelingen in het sociaal domein en andere stuurarrangementen waarbij financiële relaties tussen overheden en burgers ontstaan.</em></p>
<p><em>Daarnaast is voor de huidige analyse van belang dat de complexe verhoudingen tussen bestuurslagen onder meer worden bepaald door wederzijds wantrouwen. Voor zover het Rijk voorzieningen bekostigt of financiële bijdragen aan lagere bestuurslagen verstrekt, wantrouwen deze laatste het Rijk omdat voortdurend naar hun waarneming bezuinigingsdrang zich in hun richting manifesteert. Op zijn beurt is het Rijk gebiologeerd door de ideeën, dat gemeenten en provincies onverantwoordelijk handelen of een slaatje proberen te slaan uit de rijks bekostiging. Dit wederzijdse wantrouwen is een factor van belang bij waarneming en analyse van de werking van regelingen in het sociaal domein.</em></p>
<p><em>En ook de organisatiekunde:</em></p>
<p><em>In de door ons aangehangen variant van de organisatiewetenschap bestaat het centrale inzicht, dat organiseren een proces is dat bestaat uit communicatie en argumentatie met als voornaamste resultaat het ontstaan intern van een gemeenschappelijke werkelijkheidsbeleving. Tegelijkertijd met het ontstaan daarvan intern voltrekt zich het ontstaan van buitenmuren, de overgang naar gebieden, waar een andere werkelijkheidsbeleving bestaat. Wij noemen het resultaat van dit organiseren een configuratie, een menselijk verband gekenmerkt door een eigen identiteit, de gemeenschappelijke werkelijkheidsbeleving, en buitenmuren. Het proces van vormgeving komt geleidelijk tot stilstand, dat wil zeggen dat de gevormde  identiteit wel onomstotelijk vaststaat, en dat de buitenmuren onbetwist zijn. Dat tot stilstand komen, in deze theorie fixatie genoemd, heeft betrekking op twee dimensies van de configuratie, de sociale en de cognitieve. De sociale dimensie behelst de aanvaarding van de interne rolverdeling en de cognitieve de gemeenschappelijke overtuigingen over de werkelijkheid. Op deze wijze beschreven zal een configuratie maar hoogst zelden samenvallen met een formele organisatie. Dus binnen een organisatie is een aantal configuraties waar te nemen en te onderscheiden. Een configuratie kan zich ook voorbij de grenzen van een formele organisatie uitstrekken. Voor iedere individuele mens of professional geldt, dat zij/ hij in meer dan één configuratie vertoeft, dat wil zeggen dat hij/zij “multipel geïncludeerd” is. De hiervoor al beschreven autonome juridische beroepspraktijk is dus een voorbeeld van een dergelijke configuratie. De zojuist beschreven fixatie leidt ertoe, dat de buitenmuren ervoor zorgen, dat configuraties niet eenvoudig van buitenaf te beïnvloeden zijn.  Met toenemende fixatie worden ze ook steeds zelfreferentieler. </em></p>
<p><em>En tenslotte de psychologie: </em></p>
<p><em>In de psychologie is algemeen erkend dat menselijk gedrag wordt beïnvloed door zowel persoonlijke kenmerken als de context waarin een persoon zich bevindt. Deze twee factoren interacteren met elkaar. De belangrijkste persoonlijke kenmerken omvatten capaciteiten en motivatie. Of iemand in staat is om het gewenste gedrag te vertonen, hangt af van factoren zoals kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen. Motivatie omvat diverse mentale processen die gedrag aansturen, en gaat verder dan enkel doelen en bewuste besluitvorming. Verschillende behoeften, zoals het behouden van een positief zelfbeeld, autonomie en sociale acceptatie, spelen hierbij een rol. Bij het verklaren van gedrag van anderen hebben we vaak de neiging om dit vooral toe te schrijven aan persoonlijke kenmerken, terwijl de invloed van de omgeving vaak onderschat wordt (de zogenaamde fundamentele attributiefout). De context kan talloze factoren bevatten die gedrag beïnvloeden, met de sociale omgeving als een belangrijke factor. Dit omvat onder andere het sociale netwerk van een persoon, groepsdruk en sociale normen. </em></p>
<p><em>Maar ook de middelen die iemand tot zijn of haar beschikking heeft kunnen gewenst gedrag bevorderen of in de weg staan. In het sociaal domein worden hoge eisen gesteld aan het gedrag van burgers, waarbij van hen wordt verwacht dat ze zelf initiatief nemen om gebruik te maken van sociale voorzieningen. Dit legt druk op zowel de cognitieve als niet-cognitieve vaardigheden van burgers, en deze eisen worden nog hoger naarmate mensen zich in een kwetsbare positie bevinden. Bij de meest kwetsbare burgers treedt vaak financiële stress op, een psychologisch concept dat bestaat uit geldgebrek en een gebrek aan controle over de financiële situatie. Hoewel financiële stress functioneel kan zijn door mensen alert te maken op hun financiën, gaat het vaak gepaard met negatieve emotionele gevolgen, zoals eenzaamheid en een verminderd gevoel van eigenwaarde. Daarnaast kan financiële stress van invloed zijn op cognitieve processen, zoals aandacht, zelfbeheersing, zelfmonitoring, planning en initiatief, wat cruciaal is om gebruik te maken van voorzieningen en uit de financiële stress te geraken. Het ontstaan van financiële kwetsbaarheid kan een vicieuze cirkel in gang zetten, waarbij mensen door verschillende redenen afhankelijk worden van overheidssteun om financiële zekerheid te bereiken. Het systeem dat de overheid hiervoor heeft opgezet, stelt echter hoge eisen aan de capaciteiten van kwetsbare burgers, terwijl deze capaciteiten juist onder druk staan door hun kwetsbare positie. Een deel van deze groep slaagt er niet in om toegang te krijgen tot het systeem en de beschikbare regelingen, wat hun situatie verder bemoeilijkt. Dit kan leiden tot frustratie en wantrouwen jegens de overheid, wat de kloof tussen het overheidsstelsel en de leefwereld van kwetsbare burgers vergroot.”</em></p>
<p>De groep beschrijft eerst de tekortkomingen in de huidige situatie die leiden tot onrecht. Daarna duiden zij de aard van het onrecht kort aan:</p>
<p>CHAOS: De burger ervaart veronderstelde tegenstrijdigheid van regelingen als chaos, omdat hij van het kastje naar de muur wordt gestuurd, en niet adequaat geholpen. Ook komt voor, dat de uitvoering zo gebrekkig is dat de burger tegenstrijdige gedragsimpulsen ervaart. </p>
<p>VERNIETIGENDE TRAAGHEID: na invoering van een regeling is de aanspraak van de burger op een toeslag vaak nog voorlopig, omdat aan nadere voorwaarden moet zijn voldaan. Uitkeringen hebben het karakter van een voorschot. Soms duurt het zeer lang, voordat de voorwaarden zijn vervuld. Indien definitief niet aan een voorwaarde is voldaan, volgt dikwijls een terugbetalingsplicht, die in de regeling is gedefinieerd. De dan ontstane schuld is soms desastreus hoog. Dit geldt in het bijzonder, indien de burger het voldoen aan een voorwaarde niet kan beïnvloeden, zoals de- voor omzetting van een voorschot in een definitieve uitkering noodzakelijke- erkenning van een dienstverlenende instelling.</p>
<p>​ONTPLOFFING: door de koppelingen tussen de verschillende regelingen kan een incident in  de ene regeling tot onvoorziene incidenten in andere leiden, met grote gevolgen voor de burger.</p>
<p>UITZICHTLOOSHEID: zelfs als onrecht is erkend door de overheid, en herstel is aangekondigd, verslechtert intussen de situatie van de getroffen burger verder met mogelijk ernstige ontwrichting als gevolg, zoals verplichte verkoop van eigen woning met grote restschuld, en onvoldoende middelen om te huren. Of intree in de ggz als gevolg van overmatige stress met inkomensdaling als verder gevolg. Een desastreuze spiraal.</p>
<p><em>Perspectieven voor analyse</em></p>
<p>Perspectieven voor analyse verhelderen zij door nadere beschouwing van een aspect van het stelsel en de afzonderlijke regelingen:</p>
<p>Ten eerste zijn overheden in menig opzicht tevens dienstverleners. Voor private dienstverleners is in onze samenleving een aantal wetten van toepassing, waardoor plichten ontstaan voor de dienstverlener om zich behoorlijk te gedragen. Een dergelijke gebiedende normatiek ontbreekt voor publieke dienstverleners. Daardoor is de burger als ontvanger van de dienst minder goed beschermd dan bij private diensten. Bij nadere beschouwing van overheden als producerende organisaties is met behulp van de hiervoor beschreven configuratie theorie waar te nemen, dat zich daarbinnen vier van elkaar te onderscheiden configuraties oftewel beroepspraktijken bevinden, die tot op zekere hoogte zelfreferentieel zijn. Dit geldt voor de juridische praxis, maar ook voor de financieel-economische of comptabele praxis, en als derde voor de ICT praxis. De vierde is de inhoudelijke beroepspraktijk voor de desbetreffende regeling, die waarschijnlijk noodgedwongen minder zelfreferentieel is. Bij ontwerp en totstandkoming van een regeling is steeds aan de orde, dat een zodanig resultaat ontstaat dat de eerste drie beroepspraktijken zijn gerespecteerd. Dit werkt door In de uitvoering. Ook daar domineren de zelfde praktijken. Het gevolg van dit compromis vormende proces is dat slechts die inhoud is getolereerd die geen afbreuk doet aan de autonomie van de eerste drie beroepspraktijken.</p>
<p>Ten tweede zijn de regelingen in het sociaal domein verregaand gedigitaliseerd, zodat toepassing van de desbetreffende algoritmes mogelijk is met een beperkte capaciteit aan uitvoerende professionals. De uitvoeringspraktijk is dus letterlijk ontmenselijkt. De digitalisering heeft geleid tot algoritmes die zeer veel informatie vragen van burgers en andere overheidssystemen, en deze complexiteit maakt het onmogelijk om met de beschikbare capaciteit de wens naar maatwerk te vervullen.</p>
<p>Ten derde: hierboven is al vaak het burgerperspectief ter sprake gebracht. Het gedrag van burgers is een functie van hun motivatie en vaardigheden enerzijds, en hun situatie anderzijds. De burger is de enige die de werking van het hele stel stelsel ervaart. De zwaarste informatieplichten rusten op de schouders van die burgers die daartoe het minst zijn toegerust. De burger ervaart In het algemeen een geheel andere werkelijkheid dan de algoritmische. De burger ervaart een afstand tot de overheid, die kan leiden tot maatschappelijk ongenoegen en wantrouwen. Deze processen versterken zichzelf en kunnen leiden tot een vicieuze cirkel. Burgers die kwetsbaar zijn ervaren stress. Deze stress zorgt ervoor dat zij minder goed in staat zijn om aan de toch al zware informatieplichten te voldoen. Zij maken daardoor geen gebruik van de voorzieningen die in het leven geroepen zijn om hun situatie te verbeteren. Ze keren zich af van de overheid en kloppen niet aan voor hulp. Dit zorgt voor een verdere verslechtering van hun situatie.</p>
<p><em>Resultaat analyse: diagnose</em></p>
<p>De voornaamste bevindingen in de analyse van de groep experts zijn de volgende:</p>
<p>&#8211; In ontwerp en uitvoering van het stelsel is systemisch onvoldoende rekening gehouden met exogene en endogene dynamiek.</p>
<p>&#8211; Het stelsel is complex, doordat de afzonderlijke regelingen complex zijn, en doordat de  samenhang ertussen complex is.</p>
<p>&#8211; Een regeling die gebruik maakt van een algoritme heeft per definitie betrekking op een groep burgers die niet geheel overeenkomt met de bedoelingen van de bestuurders, omdat de variëteit van de samenleving is onderschat. Reparatie van dit zielsgebrek is mogelijk met behulp van hardheidsclausules die een ruime toepassing krijgen.</p>
<p>&#8211; De juridische honorering van de door toepassing van hardheidsclausules verruimde praktijk zorgt ook voor additionele complexiteit.</p>
<p>&#8211; Een gedeelte van de wetgeving in het sociaal domein kent geen hardheidsclausules.</p>
<p>&#8211; Het proces van ontwerp en totstandkoming is gebrekkig, voor zover de zelfreferentialiteit</p>
<p>van de drie beroepspraktijken juridisch, financieel economisch en ICT, volledig zijn gerespecteerd. Het resultaat zal dan een compromis zijn, waarin de burger sluitpost is.</p>
<p>&#8211; De noodzakelijke hersteloperaties die de aan het licht getreden gebreken van regelingen moeten compenseren krijgen per definitie een opzet die gelijk is aan die welke de gebreken veroorzaakte, omdat zij volgens hetzelfde patroon tot stand komen, en zorgen dus voor nieuw onrecht.</p>
<p>&#8211; Door de verstrengeling van variabelen in een groot aantal betrokken regelingen ontstaat onbeheersbare en onoverzienbare complexiteit.</p>
<p>&#8211; Vereenvoudiging is mede daardoor extreem moeilijk en levert (te) grote spanning met politiek op.</p>
<p>&#8211; Geen overheidsorganisatie voelt zich verantwoordelijk voor het stelsel als geheel.</p>
<p><em>Therapie</em></p>
<p>De hoofdlijn die de groep aanbeveelt is:</p>
<ul>
<li>Voortaan geen gedetailleerde wettelijke regelingen maken voor vraagstukken die niet goed zijn te vangen in rekenregels, maar daar maatwerk gunnen aan competente beslissers.</li>
</ul>
<p> </p>
<ul>
<li>Voortaan iedere regeling beschouwen als onderdeel van het stelsel, dus nooit meer uitsluitend op zichzelf.</li>
</ul>
<p> </p>
<ul>
<li>De rechten en daardoor ontstane aanspraken van burgers mogen nooit meer afhankelijk zijn van factoren waarop burger geen invloed kan uitoefenen.</li>
</ul>
<p> </p>
<ul>
<li>Sanctie-instrumentarium gaat voldoen aan proportionaliteitseisen.</li>
</ul>
<p> </p>
<ul>
<li>Overheden gaan zich gedragen als fatsoenlijke dienstverleners.</li>
</ul>
<p>Maar vooral:</p>
<ul>
<li>Vereenvoudigen van stelsel, zodat complexiteit afneemt</li>
</ul>
<p> </p>
<ul>
<li>Daarbij aanvaardbare relaties aanbrengen in onderling verwante stelsels zoals fiscaliteit, heffingen en inkomensvoorzieningen als jeugdzorg en persoonlijke zorgbudgetten</li>
</ul>
<p> </p>
<ul>
<li>Aanzienlijk reduceren van de zelfreferentialiteit van de beschreven beroepspraktijken</li>
</ul>
<p><em> </em></p>
<p><em>Aanpak</em></p>
<p>De groep adviseert vooral geen grandioze snelle eenmalige operatie uit te voeren, want de verkoop gaat door tijdens de verbouwing. Dus de capaciteit voor allebei ontbreekt. Het is noodzakelijk onderscheid te maken tussen een aanpak, die op korte en middellange termijn verbeteringen tot stand brengt, en een lange termijn aanpak, die is gericht op fundamentele wijziging van het stelsel.</p>
<p>De aanbevolen langetermijnaanpak bestaat “<em>mogelijk</em>” uit de inrichting van en taskforce onder leiding van de minister-president, die tot taak krijgt om in de komende tien jaar gedachten te ontwikkelen over een beter stelsel, deze ter goedkeuring aan het parlement voor te leggen, en op basis daarvan wetgeving voor te bereiden. De taakstelling omvat fiscaliteit, toeslagen en alle verbonden regelingen. In de taskforce zijn wetenschap, planbureaus en WRR alsmede alle betroken departementen aanwezig.</p>
<p>De korteretermijnaanpak bestaat allereerst uit het opvolgen van deze aanbevelingen. Voor het terugbrengen van onrecht komt op korte termijn een eenvoudige wet tot stand, waarin de gezamenlijke uitvoeringsinstellingen van de overheden een gemeenschappelijke functie instellen, de KOMPAAN, die de bevoegdheid krijgt om in meervoudige problematiek een definitieve eindbeslissing te nemen in de vorm van een vaststellingsovereenkomst op verzoek van een burger. De KOMPAAN maakt deel uit van de overheid, maar staat dus ook naast de burger. Deze wet bevat heldere criteria voor de ontvankelijkheid van het verzoek van een burger op het terrein van complexiteit, ernst en urgentie.</p>
<p>De hiervoor weergegeven analyse en aanbevelingen zijn zeer waardevol en belangrijk. Wat betreft de aanbevelingen nemen we die ook in belangrijke mate over, al zien we in ons programma wel mogelijkheden om sneller betekenisvolle maatregelen en stelsel-doorbrekende aanzienlijke vereenvoudigingen te realiseren, deels zelfs al binnen een jaar en voor een groot deel ook al binnen 4 jaar. Dat programma dient ook de kern van een toekomstig regeerakkoord te vormen. De aanbevolen taskforce moet gewoon het hele kabinet zijn, daarmee is ook direct de coördinerende rol van de premier gewaarborgd.</p>
<p>Het is uiteraard voorts een wetenschappelijke analyse, en hoewel er zeker geen sprake is van een complot zijn er wel schuldigen, en wat ontbreekt is een politieke analyse. En die is wel van belang.</p>
<p> </p>
<p><a href="#_ednref2" name="_edn2">[ii]</a> <strong>Armoede gedaald?</strong></p>
<p>Het SCP, het Nibud en het CBS kwamen in oktober 2024 met een nieuwe armoededefinitie. Het leverde het nieuws op dat de armoede in ons land fors gedaald zou zijn Het CBS jubelde: <em>“In 2023 waren 540 duizend mensen in Nederland arm. Dat komt neer op 3,1 procent van de bevolking. In 2018 was dat nog meer dan het dubbele. Ruim 115 duizend minderjarige kinderen groeiden in 2023 op in armoede, 3,6 procent van alle minderjarige kinderen. Deze cijfers zijn berekend volgens de nieuwe methode voor het meten van armoede, die CBS, SCP en Nibud hebben ontwikkeld. De nieuwe armoedegrens vervangt eerdere grenzen die tot nu toe werden gebruikt om armoede te meten. Niet alleen het inkomen, maar ook spaargeld of ander meteen inzetbaar bezit telt mee bij de bepaling van armoede.</em></p>
<p><em>In 2018 leefde nog 7,1 procent van de bevolking in armoede. De armoede daalde in 2019 mede door loonstijgingen en in 2020 ook door het pakket aan coronasteunmaatregelen. Ook in 2022 en 2023 nam de armoede af. Dat was vooral het gevolg van de energiemaatregelen en in 2023 ook van koopkrachtverhogende maatregelen, zoals de verhoging van het minimumloon. Bijna 175 duizend mensen waren in 2023 al minstens drie jaar op rij arm. Dat betekent dat 1 op de 3 armen langdurig arm was.”</em></p>
<p>Het CBS relativeerde de gepresenteerde vermindering van armoede ook: <em>“Meer mensen zaten net boven de armoedegrens dan eronder. Bijna 1,2 miljoen hadden een inkomen tot 25 procent boven de armoedegrens en onvoldoende tot geen vermogensbuffer. Ruim de helft van deze groep had een inkomen tot 15 procent boven de grens.” </em>En: “<em>Het doorsnee inkomenstekort van de arme bevolking ten opzichte van de armoedegrens was 16 procent in 2023. In 2018 was de armoede minder ernstig: het doorsnee tekort was toen 10 procent. Hoewel het aantal armen dus verder daalde in 2023, nam de ernst van de armoede toe. Het opgelopen tekort heeft te maken met de veranderde samenstelling van de groep armen. In vergelijking met 2018 zijn in 2023 relatief minder bijstandsontvangers en relatief meer werkenden arm. Zij komen doorgaans meer inkomen te kort dan arme bijstandsontvangers (23 tegen 6 procent in 2023).”</em></p>
<p>De nieuwe amoededefinitie bouwt voor een belangrijk deel op becijferingen van het Nibud over wat je in ons land als huishouden minimaal nodig hebt om rond te komen. Uiteraard gaat men daarbij uit van gemiddelden. Die heeft men opnieuw geijkt, en bovendien heeft men nu ook het bezit van huishoudens meegenomen – alleen het bezit dat direct te besteden is (dus bijv. niet de eigen woning). Verder kijkt het Nibud ook altijd naar de samenstelling van het huishouden voor de bepaling van wat men minimaal nodig heeft. Net als het advies van de Commissie Sociaal Minimum wordt zo op de millimeter bepaalt wat iemand nodig heeft. Het heeft niets met de werkelijkheid te maken, want in werkelijkheid zijn mensen geen gemiddelden. Als je een tientje lagere huur hebt, dan tel je zo niet meer mee als ‘arm’. En erger, als je een tientje hogere huur hebt, dan houdt je sociaal minimum daar geen rekening mee. We bouwen schijnwerelden om armen vooral niet te snel arm te noemen en om ze vooral toch niet iets extra te gunnen. Daarenboven leidt deze benadering ertoe dat we de regelingen zo gaan differentiëren dat het systeem zeer complex wordt, er een heel – duur! – controlesysteem met zware sancties opgetuigd moet worden om alle variabelen vast te kunnen stellen, én we verliezen het grote plaatje uit het zicht.</p>
<p>Dat grote plaatje is:</p>
<ul>
<li>dat de meesten niet rond komen met het sociaal minimum – ik daag u uit om het eens te proberen! &#8211; ;</li>
<li>de helft (!) van het aantal huishoudens in bestaansonzekerheid verkeren;</li>
<li>dat twee derde (!) van alle huishoudens zonder fiscale toeslagen niet kan rondkomen;</li>
<li>dat 1 op de 7 huishoudens onvoldoende inkomen heeft om rond te komen;</li>
<li>dat er ruim 1 miljoen huishoudens problematische of risicovolle schulden heeft;</li>
<li>dat … huishoudens geen of nauwelijks een financiële reserve heeft;</li>
<li>dat werkenden steeds meer armoede ondervinden en inmiddels de grootste groep onder de armen vormen;</li>
<li>dat werken veel minder en steeds minder loont dan geld met geld verdienen;</li>
<li>dat financiële onzekerheid zich concentreert bij huurders en ongelijkheid zich toespitst tussen huurders en woningbezitters, waarbij de woningnood dit verschil vergroot en maar 7% van alle huurders financieel gezond is;</li>
<li>dat rijkdom steeds meer geconcentreerd is bij een relatief kleine groep huishoudens en bedrijven;</li>
<li>dat de kloof tussen deze rijke ‘happy few’ en de rest (‘the many’) steeds groter wordt en dat de sociale mobiliteit – de kans dat een dubbeltje een kwartje wordt, of zelfs meer – steeds kleiner wordt doordat rijkdom steeds meer overerfbaar wordt;</li>
<li>en dat we die enorme, groeiende, onrechtvaardige (want grotendeels onverdiende), schadelijke en gevaarlijke ongelijkheid ook nog eens enorm fiscaal bevorderen met een belastingstelsel dat vooral de schouders van de sterksten nog verder ondersteunt.</li>
</ul>
<p><strong>Meer dan helft van alle huishoudens verkeren in bestaansonzekerheid</strong></p>
<p>Uit een jaarlijks onderzoek van Deloitte, Nibud en de Universiteit Leiden bleek op 6 maart 2023 dat maar liefst 53% van alle huishoudens financieel kwetsbaar of financieel ongezond is:[ii] “<em>Bestaanszekerheid, een thema dat als rode draad door het nieuws en de politieke discussie van 2023 liep. Financiële gezondheid is een belangrijk onderdeel van bestaanszekerheid. In 2023 was meer dan de helft van de Nederlandse huishoudens financieel Kwetsbaar (26%) of financieel Ongezond (27%). Huishoudens die vallen binnen het financiële gezondheidsniveau Ongezond hebben het zeer zwaar om hun financiële gezondheid in balans te houden. Zo had 96% van de financieel Ongezonde huishoudens in meer of mindere mate moeite om de rekeningen te betalen of slaagde zij hier überhaupt niet in. Handelingsperspectief lijkt daarmee voor deze huishoudens niet altijd aanwezig. Het contrast met financieel Kwetsbare huishoudens is groot. Zij zijn weliswaar vaak in staat om maandelijks precies rond te komen of houden een beetje geld over, maar het ontbreekt hen vaak aan mogelijkheden om toereikende financiële buffers op te bouwen. Dit maakt hen vatbaar voor eventuele tegenslagen. Tegelijkertijd blijven deze financieel Kwetsbare huishoudens vaak uit beeld voor organisaties en instanties totdat ze daadwerkelijk in de financiële problemen komen. Dit terwijl juist ook deze huishoudens gebaat zijn bij hulp.”</em></p>
<p>Bijna een op de vier huishoudens is (zeer) onzeker over de haalbaarheid van grotere uitgaven, zoals een vakantie, schilderwerk aan het huis of de aanschaf van een auto. In 2021 was dit nog een op de zes huishoudens. Ook als het gaat om de zekerheid van Nederlandse huishoudens dat zij hun hypotheek op tijd af kunnen lossen, zien we een daling van 22 procent in 2022 naar  66 procent.</p>
<p>Er bestaat een forse kloof tussen huurders en huiseigenaren als het gaat om hun financiële gezondheid. Maar liefst de helft van de huurders is financieel ongezond. Weliswaar worden huurders niet financieel ongezond doordat ze huren, maar het onderzoek bevestigt dat mensen die huren vaker kenmerken hebben die hen kwetsbaar maken. Hoewel het feit dat zij huren niet de oorzaak is, lijkt het ook geen bijdrage te leveren aan het verbeteren van financiële gezondheid. Slechts 7% van de huurders is financieel gezond. In algemene zin wordt geconcludeerd dat de groep huurders voor een aanzienlijk deel bestaat uit mensen die relatief kwetsbaar zijn voor financiële problemen.</p>
<p>Het aandeel huishoudens dat moeite heeft met het betalen van de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud is maar liefst 18 procent. Qua inkomen blijken er steeds grotere verschillen te komen tussen huishoudens. Zo zagen meer huishoudens hun inkomen toenemen (van 20% naar 23%), en tegelijk groeide de groep huishoudens die (veel) minder inkomen binnenkreeg van 18% naar 20%. Zo gaven financieel kwetsbare en ongezonde huishoudens significant vaker aan dat zij een (veel) lager inkomen ontvangen dan in de twaalf maanden daarvoor. Dit gold voor 26% (2022: 23%) van deze huishoudens. Financieel gezonde en financieel toereikende huishoudens geven in 2023 juist vaker aan een (veel) hoger inkomen te hebben dan in de twaalf maanden ervoor. Dit gold voor 28% (2022: 23%) van deze huishoudens. Een op de zeven Nederlandse huishoudens kan financieel niet rondkomen. Zo’n 3% van de huishoudens geeft aan schulden te moeten maken om rond te komen en nog eens 9% geeft aan spaargeld te moeten aanwenden om rond te kunnen komen, dus 12% kan dat niet van hun inkomen.</p>
<p>Zekerheid over toekomstige inkomsten kan bijdragen aan het algemene financiële welzijn. Hoewel meer huishoudens (53%) aangaven hun inkomen voor de komende twaalf maanden te kunnen voorspellen (2022: 50%), laat het onderzoek op dit vlak geen positieve ontwikkeling bij de financieel ongezonde huishoudens. Nog steeds kan bijna een kwart (2022: 23%) van deze groep het toekomstige inkomen helemaal niet voorspellen. Dit maakt duidelijk dat relatief veel huishoudens die financieel ongezond zijn zich nog altijd vaak in een onzekere positie bevinden wat betreft inkomen.</p>
<p>Voor bijna één op de vijf huishoudens (18%) geldt dat zij meer uitgeven dan hun inkomen toelaat (in 2021 was dat nog 12%). De onderzoekers opperen dat dit mogelijk een gevolg is van de aanhoudende (zij het lagere) inflatie en bijbehorende prijsstijgingen. De groep financieel ongezonde huishoudens lijkt hier het meeste last van te hebben. Ruim een derde (37%) van deze groep gaf net als in 2022 (36%) meer uit dan er binnenkwam. Als het gaat om die prijsstijgingen dan zien we dat de prijzen van consumentengoederen- en diensten in 2023 gemiddeld 3,8% hoger waren dan in 2022. Voedingsmiddelen waren (weer) 12% duurder dan het jaar ervoor, terwijl de energieprijs, die in 2022 fors was gestegen, met bijna een kwart daalde. De kosten werden over het algemeen in 2023 dus niet lager. Nog steeds had ruim een vijfde van de Nederlandse huishoudens (heel) veel last van gestegen prijzen. Dit is nagenoeg gelijk aan 2022. De financieel ongezonde groep werd in 2023 ook hier sterker geraakt: 53% van deze huishoudens hadden (heel) veel last van de prijsstijgingen, ten opzichte van 48% in het voorgaande jaar. De grote boosdoener, zo gaf 48% (in 2022 was dit nog 41%) van de respondenten aan, was in 2023 wederom de kostenstijging van dagelijkse boodschappen. Waarschijnlijk heeft die prijsstijging van boodschappen extra impact gehad op de meest kwetsbare huishoudens. Voor huishoudens met een lager inkomen gaat een groter deel van het besteedbaar inkomen op aan levensonderhoud. Mensen gaven in 2023 wel aan minder last te hebben gehad van gestegen benzineprijzen en energiekosten dan het jaar ervoor. Eén manier om met stijgende kosten om te gaan is andere keuzes te maken, zoals minder kopen of de verwarming lager zetten. De meeste huishoudens deden dit dan ook: 81% paste in 2023 het gedrag aan. Wel is dit percentage een daling ten opzichte van 2022 (82%) – de mogelijkheden voor nog verdere andere keuzes raken natuurlijk ook een keer op.</p>
<p>Jongeren zijn bovengemiddeld hard geraakt. Met name de jongste groep Nederlanders (18-24 jaar) springt er in negatieve zin uit. Maar liefst 45 procent van deze groep is financieel ongezond. Ook van de 25- tot 34-jarigen is een groot deel financieel ongezond (38 procent).  </p>
<p>Nog steeds zijn er ook grote verschillen tussen mannen en vrouwen. Maar liefst 65 procent van de vrouwen valt in het gezondheidsniveau kwetsbaar of ongezond, versus 55 procent van de mannen.</p>
<p>Het Nibud publiceerde ook eigen cijfers.[ii] Het concludeert dat een derde van de mensen (32%) moeite heeft met rondkomen. Het gaat vooral om huurders, huishoudens met lagere en/of wisselende inkomens en jongvolwassenen (tot 30 jaar). Huishoudens geven de meeste prioriteit aan het betalen van de vaste lasten. Daardoor hebben zij vaker moeite met het betalen van huishoudelijke uitgaven en reserveringsuitgaven. Tachtig procent van de mensen die moeilijk rondkomen heeft moeite heeft met het betalen van de boodschappen, en 42% geeft aan wel eens rekeningen niet te kunnen betalen.</p>
<p>Het Nibud: “<em>Net zoals in 2022 wordt het vaakst aangegeven dat er een betalingsherinnering is ontvangen. Het ontvangen van een betalingsherinnering hoeft niet direct een weerspiegeling te zijn van financiële problemen. Het kan immers een rekening betreffen die simpelweg vergeten is en na de herinnering zonder problemen wordt betaald. Meerdere betalingsherinneringen kunnen wel een indicatie zijn van onderliggende financiële problemen, en kunnen door bijvoorbeeld incassokosten oplopen tot grotere betalingsachterstanden. 7 procent geeft aan regelmatig betalingsherinneringen te ontvangen, 22 procent een enkele keer. Een optelling van de onafgeronde percentages komt uit op 28 procent. Daarnaast zien we dat ruim een op de vier mensen afgelopen jaar rood heeft gestaan op de betaalrekening en bijna een op de vijf afbetalingsregelingen heeft getroffen. Concrete problemen zien we ook terug in het niet kunnen betalen van rekeningen (17 procent), geen geld meer kunnen opnemen (17 procent) en de boodschappen niet kunnen betalen (14 procent). Betalingsproblemen komen vaker voor onder bepaalde groepen. Van de mensen die moeite hebben met rondkomen, heeft 47 procent afgelopen jaar weleens rood gestaan. Zij kunnen ook vaker rekeningen niet betalen (42 procent), hebben wel eens meegemaakt niet te kunnen betalen bij het boodschappen (33 procent) en kunnen wel eens geen geld meer opnemen of pinnen (40 procent). Ook huishoudens met een wisselend inkomen ervaren vaker betalingsproblemen. 29 procent van hen kan wel eens rekeningen niet betalen en 35 procent staat wel eens rood op de betaalrekening. Hetzelfde beeld zien we terug bij de jongvolwassenen en de huurders: 33 procent van de jongvolwassenen staat wel eens rood en 38 procent kan rekeningen wel eens niet betalen. Van de huurders staat 29 procent wel eens rood en kan ook 29 procent de rekeningen wel eens niet betalen.”</em></p>
<p>Ruim een vierde heeft het gevoel beperkte tot geen grip op de energiekosten te hebben. Daarbij dreigen huurders en huishoudens met beperkte financiële middelen achterop te raken in de verduurzaming van onze woningen. Een meerderheid is niet van plan om in de komende vijf jaar grotere verduurzamende maatregelen te treffen, zoals isolatie, zonnepanelen of een warmtepomp. Voor veel mensen is dit omdat het huis al duurzaam genoeg is. Bijna een op de tien geeft aan wel te willen verduurzamen, maar het niet te kunnen betalen. Ongeveer een vijfde kan simpelweg niet verduurzamen omdat ze afhankelijk zijn van de verhuurder of de VvE, of omdat de woning het niet toelaat. Een derde van de huishoudens verwacht problemen als er geen energiebesparende maatregelen worden getroffen. Dit kunnen problemen met het betalen van de energierekening zijn, maar ook verminderd wooncomfort en waardevermindering van de woning.</p>
<p>Het kunnen sparen en dat ook doen verschilt enorm bij huishoudens. Het Nibud: “<em>Regelmatig wat geld opzijzetten voorkomt geldproblemen en geeft rust. Met een spaarbedrag achter de hand kunnen financiële tegenvallers worden opgevangen. Bovendien kan er gespaard worden voor uitgaven in de toekomst zoals een studie, vakantie of (eerder met) pensioen. Veel Nederlanders sparen dan ook. Zelfs in tijden van hoge inflatie bleven de spaartegoeden van Nederlandse huishoudens stijgen. In dit onderzoek zien we ook dat de meeste mensen sparen, al lukt het niet iedereen dit regelmatig te doen en zijn de verschillen in spaartegoeden tussen huishoudens groot. Het Nibud adviseert om 10 procent van je inkomsten opzij te zetten. Dat is voor veel mensen een behoorlijke opgave, waar zij niet toe in staat blijken. </em></p>
<p><em>Ruim een op de tien huishoudens spaart niet (12 procent). Dit betekent dus dat de meeste huishoudens (88 procent) wel sparen. Van deze laatste groep spaart 21 procent niet consequent iedere maand, maar alleen als er geld overblijft en/of er meer inkomsten dan normaal binnenkomen. Het grootste deel van de respondenten (66 procent) zet iedere maand geld opzij. Ook hebben we gevraagd hoeveel men ongeveer spaart. Opvallend is dat hoewel de meerderheid over het algemeen spaart, een aanzienlijk deel (28 procent) wel spaart, maar minder dan 10 procent van het inkomen. Wanneer we deze groep samennemen met de huishoudens die helemaal niet sparen, komt het erop neer dat 41 procent van de respondenten minder dan 10 procent van hun inkomen opzijzet. Daarnaast spaart 24 procent ongeveer een tiende van het inkomen en 29 procent meer dan dat.</em></p>
<p><em>Dit beeld zien we ook terug in de hoogte van het spaartegoed op de spaarrekeningen van Nederlandse huishoudens. Meer dan een kwart (26 procent) van de huishoudens heeft minder dan €2.500 op de spaarrekening staan. 20 procent heeft zelfs minder dan €1.000 op de spaarrekening staan. Daarnaast heeft 26 procent tussen de €10.000 en €50.000 op de spaarrekening en 18 procent meer dan €50.000. Huishoudens sparen weer evenveel als voor corona. Ook hebben we gekeken of er groepen zijn die relatief meer of minder spaargeld hebben. Niet geheel verrassend hebben huishoudens die moeite hebben om rond te komen fors minder spaargeld. Meer dan de helft (54 procent) van hen heeft minder dan €2.500 (45 procent heeft minder dan €1.000). Naast het feit dat deze groep dus maandelijks moeite heeft om rond te komen, hebben zij ook een erg kleine of zelfs geen financiële buffer om onverwachte uitgaven op de vangen of om te sparen voor bijvoorbeeld reserveringsuitgaven. Ook jongvolwassenen hebben vaker minder dan €2.500 aan spaargeld (36 procent). Datzelfde geldt voor huishoudens met een wisselend inkomen (30 procent), huishoudens met lagere inkomens (46 procent) en huurders (45 procent). (…)</em></p>
<p><em>Geld op de spaarrekening is niet de enige manier waarop Nederlandse huishoudens vermogen kunnen opbouwen. 37 procent heeft vermogen in de vorm van een (deels) afbetaalde koopwoning. Daarnaast heeft ruim een op de vier (28 procent) beleggingen en investeert 10 procent in cryptovaluta. Combineren we spaargeld met andere vormen van vermogen, dan heeft 6,5 procent geen enkele vorm van vermogen. Deze huishoudens bezitten dus geen spaargeld en hebben ook geen andere vorm van vermogen.</em></p>
<p>Het Nibud heeft opmerkelijk genoeg niet gevraagd naar schulden (negatieve vermogens). Het CBS heeft daarover wel gegevens[ii] en concludeert dat het aandeel huishoudens met problematische schulden stijgt: “<em>Na een redelijke stabiele periode is vanaf 1 januari 2021 een toename van het aandeel huishouden met geregistreerde problematische schulden te zien: van 7,7 procent (618 090 huishoudens) op 1 januari 2021 naar 8,8 procent (726 210 huishoudens) op 1 januari 2023. Deze toename is toe te wijzen aan het feit dat schulden bij de Belastingdienst in deze periode langer open zijn blijven staan. Dit, in combinatie met het feit dat de afbakening voor wanneer een belastingschuld als problematisch wordt gezien binnen dit onderzoek ongewijzigd is, zorgt voor een toename van het aantal schulden dat het CBS als problematisch definieert. Waren de gegevens over schulden bij de Belastingdienst niet meegenomen in dit onderzoek, dan zou het aandeel problematische schuldenaren waarschijnlijk licht zijn afgenomen in de laatste drie jaar. De toename van langdurig openstaande schulden bij de Belastingdienst kan ook de toename van instromers in de problematische schulden tussen 2021 en 2023 verklaren.</em></p>
<p><em>Een vermoedelijke verklaring voor het langer openstaan van Belastingschulden is dat de Belastingdienst in 2020 en 2021 (in verband met de coronacrisis) de invordering van toeslagen en overige aanslagen tijdelijk heeft stopgezet. Daarnaast zijn verschillende regelingen voor ondernemers ingezet waardoor zij uitstel van betaling konden krijgen. Schuldenaren hoefden in deze periode hun belastingschulden tijdelijk niet terug te betalen wat tot een toename leidde van het aantal personen met een schuld die al voor langere tijd openstond. In de loop van 2022 zijn de terugbetalingen weer opgestart. Toch was op 1 januari 2023 het aantal personen met een openstaande schuld bij de Belastingdienst weer toegenomen ten opzichte van een jaar eerder.”</em></p>
<p>Het aandeel huishoudens dat problematische schulden heeft (schulden die te groot zijn in relatie tot inkomen om zelfstandig te kunnen oplossen) schommelt volgens het cbs al sinds 2015 rond de 8% van alle huishoudens. All beleid ten spijt is er dus niets verbeterd, maar anderzijds is ondanks de coronacrisis en de hoge inflatie de situatie ook niet verslechterd.</p>
<p>De Nederlandsche Bank (DNB) wijst erop dat Nederland weliswaar een rijk land is, maar dat er een stapeling is van problemen bij een specifieke groep huishoudens die niet delen in deze welvaart: “<em>Nederland is een rijk land, met weinig werklozen en een hoge levensstandaard. Toch gaat het niet alle huishoudens voor de wind. Zo hebben stijgende energiekosten een sluimerende armoede aan het licht gebracht, blijken alleenstaanden en starters nauwelijks toegang te hebben tot de woningmarkt en lukt het velen niet een vast arbeidscontract te krijgen. Een aanzienlijke groep heeft te maken met een stapeling van zulke problemen. Onze economen hebben onderzocht om welke groepen en om welke problemen het gaat. Ze kijken met name naar de situatie van huishoudens op het gebied van wonen, werken, vermogen en schuld, energie en klimaat. Daaruit komt de conclusie dat problemen vooral samenkomen bij mensen zonder werk, jongeren, laagopgeleiden, alleenstaanden en huishoudens met een migratieachtergrond. Zij combineren vaak een laag inkomen en weinig financiële reserves met andere problemen. Het vergroten van de weerbaarheid van deze groep op het ene terrein, kan bijdragen aan een grotere weerbaarheid op een ander terrein.”</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1646" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-11-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-11-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-11-1024x576.jpg 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-11-768x432.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-11.jpg 1386w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Uit cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)[ii] blijkt dat van alle Europese nationaliteiten de Zwitsers de meeste schulden hebben, namelijk 255 procent van het beschikbare inkomen. De Noren en Denen staan daar nog boven. Maar recente data van de Bank voor Internationale Betalingen (de centrale bank van de centrale banken) tonen dat veel van hen de afgelopen tijd hun hypotheek gedeeltelijk of helemaal hebben afgelost vanwege de opgelopen rente. Dat zou betekenen dat inwoners van die beide landen nu een stuk minder schulden hebben én dat Nederland tweede achter Zwitserland staat. De conclusie is dus dat wij volgens deze maatstaf, van totale schulden ten opzichte van het beschikbare inkomen, behoorlijk grote schuldenaren zijn. Ook in internationaal perspectief.</p>
<p>Als maatschappij hebben we veel meer vermogen dan schulden, en we zouden bij wijze van spreken morgen alles kunnen aflossen. Maar dat geldt niet voor individuele Nederlanders. Kijken we naar de schulden van de mediane Nederlander (degene met de middelste schuld wanneer alle schulden van Nederlanders van laag naar hoog worden gesorteerd), dan staan we als Nederland in de Europese middenmoot. Dat geeft wel aan dat de schulden die we in Nederland hebben bij een relatief kleine groep zitten, en dan gaat het vooral om hypotheekschulden. Haal je die eruit, dan heeft 61 procent van de Nederlanders helemaal geen schuld. Tegelijkertijd heeft 60 procent van de Nederlanders een hypotheek, het hoogste percentage van Europa. Dat is vooral een gevolg van de fiscale bevoordeling van huizenbezitters. Veel lenen voor een duur huis hoeft geen probleem te zijn, totdat het huis ineens 20 procent minder waard wordt en ‘onder water staat’. De Nederlandsche Bank zegt daarom al heel lang dat de leennormen moeten worden aangescherpt en de hypotheekrente en de fiscale aftrek daarvan moet worden afgebouwd. Dit soort maatregelen zullen ertoe leiden dat de schuld in Nederland minder wordt. Niemand kan het zich nu weer meer voorstellen, maar als de huidige door speculatie en teveel geld bij de rijken opgeblazen huizenprijzen door een externe factor net als in 2008/2012 weer hard onderuitgaan, dan zijn ineens heel veel huishoudens kwetsbaar. Huizenbezit is nergens in de wereld zoveel op basis van schulden in plaats van op basis van sparen gebaseerd als in Nederland. Mede daardoor zitten we opgescheept met een enorm waterhoofd aan financiële industrie, die vele malen groter is dan ons nationaal inkomen. Dat maakt ons enorm kwetsbaar in tijden van mondiale crises. Weliswaar zijn de buffereisen bij banken sinds de vorige financiële crisis verzwaard, maar als het echt mis gaat moet de overheid opnieuw bijspringen met enorme steunpakketten. In de structuur van de financiële industrie is volstrekt onvoldoende ingegrepen.</p>
<p>Uit de cijfers van DNB bleek al dat maar liefst 14% van de huishoudens meer schulden heeft dan bezittingen, en dat 31% onvoldoende buffers heeft om financiële tegenslagen op te vangen.</p>
<p><a href="#_ednref3" name="_edn3">[iii]</a> <a name="_Toc134451985"></a><strong>Oorzaak van huidige crises is neoliberaal beleid</strong></p>
<p>Het neoliberalisme is de oorzaak van de enorme ongelijkheid, armoede en het vastlopen van de overheid en de publieke sector. Van het onvermogen om de vele crises op te lossen, waardoor de problemen alleen nog maar toenemen. Zelfs de Belastingdienst dreigt geheel vast te lopen. Hoe heeft het zover kunnen komen?</p>
<p>Het Akkoord van Wassenaar in ons land was een keerpunt met loonmatiging in ruil voor werkgelegenheid. Sander Heijne en Hendrik Noten (‘<em>Fantoomgroei: Waarom we steeds harder werken voor steeds minder’</em>) laten zien dat het door Rabobank nog steeds bejubelde loonakkoord beter gezien kan worden als het Waterloo van de vakbeweging: <em>‘Het maakte de vakbeweging mede verantwoordelijk voor het in gang zetten van een periode van veertig jaar waarin het reële inkomen van de werkenden niet steeg, terwijl de economie tientallen procenten groeide en bij bedrijven ‘de winst tegen de plinten klotste’.</em></p>
<p>Bij de PvdA kwam het sleutelmoment in de omslag naar het neoliberalisme volgens Duco Hellema en Margriet van Lith in <em>‘Dat hadden we nooit moeten doen: de PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig’</em> met de WAO-crisis in 1991: <em>“Uit protest gaven de laatste twee ‘working-classparlementariërs’ hun zetel op, en zegden tussen 1989 en 1994 zo’n 30% van de leden, vooral ‘kritisch georiënteerde vakbondsleden’, hun lidmaatschap op. Dat maakte dat vanuit de leden steeds minder tegenwicht werd geboden aan de neoliberale hervormingen en dat de traditionele achterban en het kader van de PvdA, bestaand uit overwegend mensen uit de hogere middenklasse, verder van elkaar verwijderd raakten.”</em> In de Paarse periode en in de daaropvolgende periode onder Bos en Samsom deze eeuw werd het marktgeloof in de PvdA dominant en werd de PvdA voorstander van privatiseringen, marktwerking in de publieke sector en gingen we patiënten als zorgconsumenten zien. Ook GroenLinks ging daar met o.m. het Kunduz-akkoord, en later met o.m. steun aan de criminaliserende wet Fraude Sociale Zekerheid en aan de vervanging van de basisbeurs door rentedragende studieleningen op het hoogtepunt van de schuldencrisis in mee, en Halsema kreeg een prijs van de JOVD als beste liberaal.</p>
<p>Het sociaaleconomisch debat werd gedepolitiseerd, en daarmee neoliberaal. Politieke economie verdween en daarmee ook de linkse economen. Het CPB ging de verkiezingsprogramma’s langs de neoliberale maatstaf leggen, een maatlat die bijv. iedere stijging van uitkeringen en van het minimumloon vertaalde in onvermijdelijke hogere werkloosheid, want minder prikkel om te gaan werken of meer te gaan verdienen. Het dieptepunt van de gevolgen van het neoliberaal geloof was de verlaging van de Wajong-uitkering door Rutte III om jonggehandicapten te prikkelen tot werk.</p>
<p><em><u>Maar wat is neoliberalisme nu eigenlijk?</u></em></p>
<p>Maar wat is dat neoliberalisme nu eigenlijk?[iii] Internationaal is er, vooral in de afgelopen twee decennia, door wetenschappers al veel gezegd en geschreven over deze glibberige, bijna verborgen, maar heersende ideologie. In Nederland ontbrak zo’n studie. Tot voor kort. <em>Neoliberalisme, een Nederlandse geschiedenis </em>(Boom, 2022) van Bram Mellink en Merijn Oudenampsen, met een bijdrage van Naomi Woltring, traceert de oorsprong en ontwikkeling van het neoliberalisme in Nederland van 1929 tot 2002.</p>
<p>Die data zijn niet toevallig gekozen. Het jaar 2002 markeert de overgang van de ‘<em>paarse’</em> kabinetten-Kok naar de ‘<em>centrumrechtse’</em> kabinetten-Balkenende. En 1929 is natuurlijk het jaar van de rampzalige beurskrach die ervoor zorgde dat vriend en vijand het erover eens werden dat de vrije kapitalistische markt, mits onbewaakt, kon ontaarden in geconcentreerde marktmacht, hyperinflatie en massawerkloosheid. Het <em>‘laissez-faire’</em>-liberalisme raakte daarmee uit de mode. Liberalen en marktdenkers op het Europese continent zochten in de jaren dertig en veertig naar manieren om hun ideologie opnieuw vorm te geven en vonden die in het zogeheten neoliberalisme. De ideologische kern van dat nieuwe liberalisme, zoals de auteurs helder uitleggen, was dat de staat zich niet terug moest trekken, maar juist een actieve rol moest spelen in het beschermen, onderhouden en aanjagen van een competitieve marktsamenleving. De markt was geen organische natuurkracht maar een programmeerbare machine. Economen, juristen en bestuurders zaten achter de knoppen.</p>
<p>Na de oorlog werd de centrale vraag hoe de economische groei kon worden aangejaagd en werkloosheid kon worden voorkomen. Waar de Keynesianen wilden inzetten op vraagstimulering via overheidsinvesteringen en hoge lonen voor private consumptie, daar zagen neoliberalen liever een ‘<em>aanbodbeleid’</em> dat bedrijven via belastingverlaging en loonmatiging een stevige concurrentiepositie zou verzekeren. Banen zouden dan wel komen.</p>
<p>De strijd tussen deze benaderingen verliep niet zozeer <em>tussen </em>politieke partijen, maar vond juist ook plaats <em>binnen </em>die partijen. De confessionele meerderheid was bijvoorbeeld gespleten in werkgevers- en werknemersflanken. Uiteindelijk lukte het Albert Winsemius, voorzitter van het sociaal overlegorgaan Hoofdcommissie voor de Industrialisatie, eind jaren veertig om de vakbonden, nog angstig voor massawerkloosheid, te overtuigen van een neoliberale aanbodstrategie. Nederland werd een prijsvechter.</p>
<p>Het leidt tot een van de meest opmerkelijke conclusies van <em>Neoliberalisme</em>: Nederland is welbeschouwd nooit Keynesiaans geweest. Dat druist in tegen de wetenschappelijke gemeenplaats dat Europese leiders de naoorlogse ‘<em>Golden Age of Capitalism’</em> vormgaven met Keynes’ <em>General Theory</em> in de hand. De verzorgingsstaat is volgens de auteurs dan ook niet opgebouwd door sociaaldemocraat Willem Drees in de jaren 1948-1958, maar werd in z’n volle omvang pas in de jaren zestig door confessioneel-liberale kabinetten gerealiseerd.</p>
<p>Hoe was dit mogelijk? Juist het succes van Nederland als goedkoop exportland, vertellen de auteurs, zette in de jaren vijftig en zestig door de lage werkloosheid opwaartse druk op de lonen. Bedrijven, hongerig om arbeid, ondermijnden de ‘<em>geleide loonpolitiek’</em> met extra zwart loon. Toen de confessionele premier Jan de Quay de loonmatiging begin jaren zestig losliet, stegen de lonen daarom met zo’n 10 procent per jaar. Voor Nederlanders betekende dit een ongekende welvaart, maar op het Binnenhof brak het angstzweet uit: de aanbodgeleide grond onder de welvaart was weggeslagen. Hogere lonen zouden bovendien hogere prijzen betekenen, waar weer nieuwe looneisen op zouden volgen. De bonden kwamen met een compromis: ze zouden loonmatiging accepteren in ruil voor een uitbreiding van de sociale zekerheid en de publieke sector. De neoliberalen zaten klem. Schoorvoetend bouwden zij de Nederlandse verzorgingsstaat uit.</p>
<p>Dat ‘<em>compromis’</em> kan volgens Mellink en Oudenampsen worden gezien als een zeldzame sociaaldemocratische zege. Politici als Joop den Uyl, geïnspireerd door de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith, hadden al de wens om een meer collectieve vorm van weelde tegenover de kapitalistische consumptiemaatschappij te zetten. De neoliberalen hadden daarentegen veel liever ‘<em>particuliere bezitsvorming’</em> gezien, hoe moeilijk die ook samenging met magere lonen. Zij putten daarvoor uit het werk van de katholieke ‘<em>ordoliberaal’</em> Wilhelm Röpke. Die bracht een synthese tussen christendemocratische en neoliberale denkbeelden tot stand en bleek cruciaal om het neoliberalisme in het overwegend confessionele Nederland te laten aarden. De arbeider moest volgens Röpke ‘<em>ontproletariseren’</em> door zich de deugd van de ‘<em>verantwoordelijkheid’</em> eigen te maken. Een afhankelijkheidsrelatie met de overheid stond dat enkel in de weg. De arbeider moest <em>zelf </em>kapitaal in zijn bezit hebben. Volkshuisvesting moest daarom plaatsmaken voor het koophuis. De verzorgingsstaat werd bovendien over de jaren steeds meer een ‘<em>participatiesamenleving’</em>. De ‘<em>responsibilisering’</em> van de bevolking werd op deze manier door de jaren heen een strijdkreet voor het ontmantelen van de sociale zekerheid en de flexibilisering van de arbeidsmarkt.</p>
<p>Terecht doet dit betoog twijfelen aan het Nederlandse zelfbeeld als voorbeeldige verzorgingsstaat. Sinds de jaren tachtig is die namelijk op internationaal recordtempo teruggeschroefd. Bovendien werd de arbeidsmarkt ten bate van de marktcompetitie steeds verder geflexibiliseerd. Ironisch genoeg heeft Röpkes visie van ‘<em>ontproletarisering’</em> daarom een groeiend deel van de bevolking in een precaire positie gestort, terwijl die onzekerheid nu juist besloten lag in Karl Marx’ begrip van <em>‘het proletariaat’</em>.</p>
<p>Het uithollen van de concurrentiepositie van werkenden, het matigen van hun lonen en het stimuleren van huizenbezit vallen daarnaast ook niet los van elkaar te zien. De loonexplosies uit de vroege jaren zestig herkennen we vandaag de dag vooral van de prijsexplosies op de huizenmarkt. Terwijl de reële lonen de afgelopen veertig jaar stagneerden, werd de economische groei vooral via stijgende huizenprijzen aan de bevolking uitgekeerd. Het is een sociaal contract dat met de wooncrisis van de afgelopen jaren definitief onhoudbaar is geworden omdat jongere generaties ervan zijn uitgesloten.</p>
<p><em><u>Sluipende overname door neoliberale topambtenaren</u></em></p>
<p>In de jaren tachtig van de vorige eeuw, het decennium van premier Ruud Lubbers, was het ideaal evenwel nog springlevend. De loonmatiging werd in deze magere jaren voortgezet, maar nu geflankeerd door bezuinigingen op sociale voorzieningen. Aanbodstimulering, nu <em>‘supply-side economics’</em> geheten, was terug van nooit weggeweest. Winstherstel werd prioriteit, banen zouden wel volgen. In de Angelsaksische landen werden deze beleidsleerstukken openlijk in de politiek beleden. Voor de Nederlandse casus volgt <em>Neoliberalisme </em>hun opkomst naar de meer verscholen ministeries Economische Zaken en Financiën. Dat is een fijne methodologische keuze, weg van <em>‘Great Man Theory’</em> die zich oriënteert op de handelingen van grote staatsmensen als Reagan en Thatcher naar de subtielere onderstromen die de geschiedenis voortstuwen. Op de ministeries groeide onder leiding van topambtenaren als thesaurier-generaal van Financiën Pieter Korteweg en secretaris-generaal van Economische Zaken Frans Rutten een obsessie met <em>‘het staatshuishoudboekje’</em>, dat we als kinderen van de crisis maar al te goed kennen. De overheid moest haar schuld binnen de perken houden en de begroting moest zo veel mogelijk rond. Het zogenaamde ‘<em>monetarisme’</em> van Chicago-econoom Milton Friedman speelde daarin een theoretische glansrol. Bankiers en staatsmensen zouden zich louter moeten toeleggen op het bestrijden van inflatie in plaats van op werkgelegenheid. Hier toont zich de typisch neoliberale instelling: overheden en centrale banken moeten prijsstabiliteit garanderen zodat de markt soepeltjes kan draaien.</p>
<p>Naast het monetarisme graven Mellink en Oudenampsen ook de <em>public choice</em>-theorie op als een centraal referentiekader voor neoliberale ambtenaren. De in universitair Virginia en Chicago populaire doctrine kreeg in Nederland door econoom en later topambtenaar Willem Drees jr. – <em>de zoon van</em> – een binnenlandse twist. Achter marktfalen zagen deze theoretici staatsfalen. Ambtenaren zouden net zulke egoïstische nutsmaximalisatoren zijn als de gemiddelde marktpartij. Zij werden niet geleid door wollige noties als het publieke belang, maar wedijverden om macht. Dat vertaalde zich in immer groeiende departementen en vooral in groeiende begrotingen. Hun spendeerdrift moest daarom worden bedwongen door financiële prikkels en door <em>output-targets</em> te introduceren, naar het recept van ‘<em>New Public Management’.</em> Als ambtenaren zich als marktpartijen gedroegen, dan moest de overheid ook meer als een markt worden ingericht.</p>
<p>De formulieren, <em>targets </em>en competitie die <em>New Public Management</em> heeft gebracht zijn voor iedereen die nu in de publieke sector werkt nog steeds herkenbaar. <em>Neoliberalisme – een Nederlandse geschiedenis</em> maakt heel duidelijk hoe de bureaucratie in de publieke sector niet het tegendeel van marktwerking is, maar juist haar voorwaarde. Zo gaan aan Nederlandse universiteiten visitatiecommissies gepaard met kokette merchandise. Ook de wedijverende ministers zien we vandaag de dag terug, bijvoorbeeld in de vorm van portefeuillehouders die tijdens diepe coronagolven elk bij de minister van Volksgezondheid pleitten voor de opening van hun eigen sector. Het publieke belang van een overheidsgeleide pandemiebestrijding verdwijnt zo naar de achtergrond. De minister van Volksgezondheid bewaakt de ziekenhuiscijfers als ware het een staatskas en besteedt de regie liever zo veel mogelijk uit aan de maatschappelijke sectoren. Zou het kunnen dat het idee van egoïstisch knokkende ministers zo’n gemeenplaats is geworden dat bestuurders zich op voorhand alvast naar die rol voegen? Zoals sociologen weten volgt de werkelijkheid soms de theorie in plaats van andersom.</p>
<p><em><u>De kern van het neoliberalisme is om de markt op afstand te zetten van democratische inmenging: het onmogelijk maken van Keynesiaanse begrotingspolitiek met de Zalmnorm en de deregulering en liberaliseringen van de financiële sector</u></em></p>
<p>Om de ministers en ambtenaren in toom te houden moest het ministerie van Financiën volgens de neoliberalen naast het toedienen van wat prikkels vooral harde grenzen stellen. De <em>‘schatkistbewaarders’</em> bewapenden zich met de Zijlstranorm, de Rommenorm en uiteindelijk met de Zalmnorm, die de overheidsuitgaven begrensde op de verwachte economische groei. Keynesiaans conjunctuurbeleid werd almaar meer een de facto onmogelijkheid. Die onmogelijkheid werd overigens voorgoed verzegeld in het Europese Groei- en Stabiliteitspact van 1997, waarin de notoire begrotingsnormen zijn vastgelegd dat de staatsschuld niet meer dan 60 procent en het begrotingstekort niet meer dan 3 procent van het BBP mag bedragen. Na 2008 werd het verzekeren van prijsstabiliteit via monetaire expansie en fiscale soberheid daarom het devies. De PvdA hielp met de bezuinigingen. De les, waar de auteurs slechts naar hinten, die we hier mogen trekken is dat de kern van het neoliberalisme altijd is geweest om de markt op afstand te zetten van democratische inmenging. Dat laatste vormde immers, zoals de titel van Hayeks bestseller waarschuwde, <em>‘de weg naar slavernij’</em>. Anders dan we vaak geloven is Thatchers <em>‘There is no alternative!’</em> veeleer gevolg dan oorzaak van het neoliberalisme.</p>
<p>Een belangrijke rol speelde ook de deregulering en liberaliseringen van de financiële sector. Tot begin jaren negentig van de vorige eeuw konden geld en andere waardepapieren moeilijk de landsgrenzen over. Het besluit van de Europese Unie uit 1993 om vrij verkeer van kapitaal toe te staan zorgde voor een enorme versterking van de onderhandelingsmacht van alles en iedereen met kapitaal. Sindsdien is het: <em>Pas maar op met wat je eist, want we kunnen ons kapitaal zo verhuizen</em>’. De enorme mobiliteit van kapitaal werd mede mogelijk gemaakt door nieuwe informatietechnologie, maar het waren politieke besluiten die ervoor zorgden dat kapitaal niet alleen de wereld over kón flitsen, maar ook mócht flitsen, op zoek naar de plek waar het kapitaal het meest rendeert.</p>
<p>Daarnaast werden ook tal van andere financiële restricties in de jaren tachtig en negentig opgeheven. Banken hoefden zich voortaan niet langer te beperken tot het bewaren van spaargeld en het verschaffen van krediet, maar mochten voortaan allerlei financiële ‘<em>producten’</em> ontwikkelen. Het bracht een stroom van ondoorzichtige financiële instrumenten en advisering op gang, die voor banken lucratiever zijn dan saaie kredietverlening. Ook het opkopen en weer verkopen van andere bedrijven en bedrijfsonderdelen werd gemakkelijker gemaakt. Een andere vorm van financiële deregulering, met grote gevolgen voor de verhouding tussen bedrijven en werknemers, was het opheffen van de restricties voor ‘<em>Bijzondere Financiële Instellingen’</em>, oftewel brievenbusfirma’s, begin jaren tachtig. De vrijheid voor BFI’s gaf een boost aan belastingontwijking, en daarmee aan de verschuiving van belasting op winst naar belasting op arbeid. Want het geld voor publieke voorzieningen moet ergens vandaan komen, en de BFI’s zorgen ervoor dat bedrijven daar steeds minder aan bijdragen. Het aantal BFI’s groeide van zevenhonderd eind jaren zeventig naar vijftienduizend in 2012. Het gekke is dat de vele instituten die pleiten voor hogere lonen, van de ECB tot het IMF en de OESO, niet de relatie leggen met de deregulering van het kapitaal en de arbeidsmarkt als belangrijke oorzaak daarvan.</p>
<p>Pensioenfondsen kregen veel minder regels over het vermogensbeheer, waarna de risico’s en de kosten enorm toenamen. Op het eerste gezicht lijken pensioenen dé manier om werkenden een graantje mee te laten pikken van de hoge winsten en beleggingsrendementen. Toch is het eerder omgekeerd. Pensioenfondsen zijn zich de afgelopen decennia steeds meer gaan richten op snelle hoge rendementen, en daarmee dragen ook zij bij aan de financialisering van de economie, stelt de eerdergenoemde WRR-studie. De fondsen zijn beleggers in waardepapieren geworden in plaats van investeerders gericht op echte economische productie. Dat pensioenfondsen zich gedragen zoals ze zich gedragen heeft alles te maken met de Nederlandse regels rond pensioenen. Het systeem van dekkingsgraden en rekenrente zorgt ervoor dat de fondsen zich richten op een schijnwerkelijkheid. Langetermijninvesteringen zijn moeilijker meetbaar dan snel stijgende aandelenkoersen. Natuurlijk hebben we allemaal belang bij een goed pensioenrendement, maar niet bij lucht. Werd er twintig, dertig jaar geleden nog vooral in Nederland belegd in langjarige investeringen in bijvoorbeeld woningen, inmiddels zit bijna alle vermogen in buitenlandse waardepapieren. En de les uit het verleden is dat je een deel van dat geld altijd kwijtraakt.</p>
<p><em><u>Aandeelhouders aan de macht, en de financialisering van de samenleving</u></em></p>
<p>Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw hadden aandeelhouders in Nederland weinig te zeggen. Er waren veel minder bedrijven beursgenoteerd – ondernemingen die investeringskapitaal nodig hadden leenden van banken. De aandeelhouders die er waren, hadden wettelijk veel minder in de melk te brokkelen – de leiding van het bedrijf was de baas. Dat veranderde toen in de jaren negentig het zogeheten structuurregime voor bedrijven werd gewijzigd. Ook de code-Tabaksblat van 2004, voorbereid door een commissie onder leiding van Unilever-topman Morris Tabaksblat, gaf aandeelhouders meer macht. Vanuit Europa kwam daar de Europese overnamerichtlijn bij, op initiatief van EU-commissaris en oud-VVD-leider Frits Bolkestein. Fusies, overnames en verandering van de structuur van een bedrijf waren voortaan het domein van aandeelhouders. Met als gevolg dat veel geld van bedrijven gaat naar het overnemen van (delen van) andere bedrijven in plaats van naar lonen of investeringen in toename van de productie. ‘<em>Kwartetten’</em>, noemt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat in haar onderzoek naar de financialisering van Nederland (2016).</p>
<p>Het hiervoor genoemde vrij maken van het kapitaalverkeer heeft ook grote effecten op het gedrag van aandeelhouders. Investeerden zij voorheen geduldig in bedrijven in eigen land, nu zijn ze weg zodra ze elders hogere rendementen kunnen krijgen. Het kapitaal van bedrijven wordt sindsdien meer en meer ingezet voor snelle koersstijgingen in plaats van voor lonen en investeringen. De huidige beurs is een enorme prikkel tégen het belang van werknemers. Als een bedrijf een loonsverhoging aankondigt betekent dat vrijwel altijd het kelderen van de koers, terwijl het aankondigen van ontslagen meteen leidt tot koersstijgingen.</p>
<p>Aandeelhouders hoeven hun macht overigens meestal niet letterlijk aan te wenden. Het management van bedrijven anticipeert ook zonder directe druk op de behoeften van de aandeelhouders. Dat is niet zo vreemd, want bij veel bedrijven is de beloning van de top afhankelijk van de aandelenkoers, een rechtstreekse prikkel voor het sturen op aandeelhouderswaarde in plaats van op de toekomstbestendige strategie van het bedrijf.</p>
<p>Ook ‘<em>gewone’</em> bedrijven, bedrijven die geen deel uitmaken van de financiële sector, zijn de afgelopen dertig jaar geld gaan verdienen met handel in financiële producten: derivaten en andere vormen van financial engineering die ontstonden dankzij financiële deregulering. Want waarom zou je nog kopjes of auto’s maken als je met financiële beleggingen meer kunt verdienen? Om welk deel van de omzet of de winst het gaat weet niemand, want het wordt nergens geregistreerd. Het is de omgekeerde wereld: In plaats van banken die geld verschaffen aan bedrijven verschaffen bedrijven nu het geld aan de financiële industrie. Winst van bedrijven vertaalt zich niet in loon of productieve investeringen, maar vloeit naar financiële instrumenten. Werknemers raken buiten beeld, want die heb je voor die financiële handel niet nodig.</p>
<p>Belangrijker echter is een andere vorm van financialisering: Bedrijven zijn alles wat ze doen in financiële maatstaven gaan vertalen. Dat zorgt niet alleen voor een enorme focus op de korte termijn, maar ook voor armoedig beleid. En datgene wat mensen toevoegen, namelijk samenwerken, is niet meetbaar en wordt daardoor ook niet erkend. Het is een vorm van financialisering die niet alleen in het bedrijfsleven hoogtij viert, maar evengoed bij de overheid en in de publieke sector. Volgens Brits onderzoek in opdracht van de internationale arbeidsorganisatie ILO is financiële deregulering en de financialisering die daar het gevolg van is de belangrijkste oorzaak van het achterblijven van de lonen (<em>Why Have Wage Shares Fallen,</em> 2013).</p>
<p>Volgens de gangbare economische theorie komen exorbitante winsten in een vrije markt niet voor, want er zijn altijd concurrenten die het product voor een lagere prijs gaan aanbieden. De mededingingswetgeving moet er bovendien voor zorgen dat bedrijven nooit te groot worden. Die faalt echter hopeloos, ondanks de neoliberale ideologie die stelt dat de staat goede marktwerking moet afdwingen. Want hoewel geen enkel bedrijf de hele markt in handen heeft, is er toch sprake van monopolieachtige praktijken. Met als gevolg onverdiende winstgevendheid. Grote bedrijven doen er alles aan om concurrentie uit te bannen en overheden helpen hen daarbij. Schaalvergroting van bedrijven gaat al lang niet meer over kostenvoordeel, maar over het uitbannen van concurrentie, bijvoorbeeld door concurrenten op te kopen. Nationale overheden zullen hier nooit tegen optreden – soms omdat ze maar wat trots zijn dat ‘<em>hun’</em> bedrijf groeit, soms uit angst dat het bedrijf anders vertrekt. De Europese mededingingsautoriteit probeert het soms wel, maar het is verrekte lastig. We hebben een veel te optimistisch beeld van de markteconomie. Albert Heijn heeft een derde van de markt in handen. Dat is officieel geen monopolie, maar in de praktijk is het dat wel. De supermarktketen zet met haar grote marktaandeel toeleveranciers onder druk, waarop die toeleveranciers aan het bezuinigen slaan op hun werknemers.</p>
<p>Ook de gevoeligheid van consumenten voor merken versterkt de winstgevendheid van bedrijven. Neem spijkerbroekenmerk Diesel. Diesel maakt die broeken niet, ze kopen de kant-en-klare producten in Azië voor een paar euro en zijn zelf alleen maar verhandelaar. Maar omdat er Diesel op staat kunnen ze er honderd euro per stuk voor vragen. Een hoge prijs vergroot zelfs de status van het merk, dus tel uit je winst. En de concurrent doet precies hetzelfde. De combinatie van merkmacht en het uitbesteden van de productie zorgt voor lage lonen en hoge winsten.</p>
<p><em><u>Vrije markt voor alles, maar niet als de lonen daardoor omhoog zouden gaan</u></em></p>
<p>Inflatiebestrijding, privatiseringen, <em>output-</em>targets, belastingvoordelen voor bedrijven, begrotingsnormen, flexibilisering en marktwerking – het zijn typische wapens uit het neoliberale beleidsarsenaal. Steeds verzekert een sterke staat een ‘<em>vrije’</em> markt. Alleen de loonmatiging die volgens de auteurs de ruggengraat van de Nederlandse politieke economie vormt is geen eenduidig voorbeeld. Neoliberalen zien vakbonden die om hogere lonen strijden als een vorm van concurrentievervalsing door ‘<em>pressiegroepen’</em>. De lonen drukken vinden ze evenwel geen probleem. Sturen op prijsstabiliteit vergt nu eenmaal stagnerende lonen om loonprijsspiralen te voorkomen.</p>
<p>De overheid gaat, afgezien van de ambtenarensalarissen en die in de publieke sector (onderwijs, zorg, kinderopvang, etc.; samen de grootste werkgever in ons land!), officieel niet over de lonen, maar achtereenvolgende kabinetten hebben met tal van maatregelen sterk bijgedragen aan loonmatiging. Door te dreigen dat ze anders de Cao-afspraken niet algemeen bindend zou verklaren (die zorgt ervoor dat de Cao voor de hele sector geldt, ook bij bedrijven die niet mee-onderhandelden), door het wettelijk minimumloon te bevriezen of te verlagen, en door het psychologisch effect dat uitgaat van het korten van de ambtenarensalarissen. Het Centraal Planbureau, belangrijk adviesorgaan voor het kabinet, schatte tot 2008 de loonruimte bovendien stelselmatig te laag in: de werkelijke loonruimte (bestaande uit toename van de arbeidsproductiviteit plus inflatie) bleek jarenlang achteraf hoger te zijn dan wat het CPB inschatte.</p>
<p>De hoogte van het minimumloon is sterk bepalend voor de lonen aan de onderkant. Het minimumloon werd in de jaren tachtig verlaagd en groeide ook daarna niet mee met de gemiddelde welvaartsstijging. In 1976 was het minimumloon nog 68 procent van het gemiddelde loon, inmiddels is dat 48 procent. Tegelijkertijd werden juist meer mensen afhankelijk van de hoogte van het minimumloon, omdat er met name in de jaren negentig steeds meer loonschalen bij kwamen die nauwelijks boven het minimumloon zitten.</p>
<p>Toen het wettelijk minimumloon eind jaren zestig werd ingevoerd, was het criterium dat een gezin met twee kinderen, wonend in de stad, ervan kon leven. Dat behoeftecriterium is losgelaten. Impliciet of expliciet wordt ervan uitgegaan dat gezinnen minstens anderhalf-verdiener zijn. Maar dat betekent dus wel een lager loon per uur. Het verlagen van het minimumloon is gunstig voor de overheidsfinanciën, omdat de hoogte van de bijstand, de Wajong, de AOW en een paar andere uitkeringen afhankelijk is van de hoogte van het minimumloon.</p>
<p>Je zou het met de huidige eensgezindheid over de noodzaak van loonstijgingen bijna vergeten, maar een kleine veertig jaar lang zweerden werkgevers, werknemers en overheid bij loonmatiging. Het beteugelen van de lonen zou zorgen voor meer werkgelegenheid, voor extra investeringen en voor toenemende export. Veertig jaar geleden was daar ook best iets voor te zeggen, de lonen stegen in de jaren zeventig sterker dan de arbeidsproductiviteit en dat gaat niet heel lang goed. Maar loonmatiging bleef ook de heilige graal toen er economisch helemaal geen reden meer toe was, sterker nog, toen er economisch veel voor te zeggen was de lonen flink te laten stijgen. Zonder loon immers geen koopkracht, en de Nederlandse economie is voor zeventig procent afhankelijk van de binnenlandse vraag naar producten en diensten.</p>
<p>En zelfs nu kost het de FNV soms moeite de eigen mensen te overtuigen. Het idee dat een minder hoge looneis goed is voor de werkgelegenheid en de concurrentiepositie zit diep. Op zichzelf hoeft de extra beloning van werkenden niet in directe loonstijging te zitten, er kan ook gekozen worden voor betere secundaire arbeidsvoorwaarden. Maar niet alleen de lonen zelf stagneren, ook het totale deel van het nationale inkomen dat naar werkenden gaat, daalt.</p>
<p>Een belangrijk argument voor loonmatiging was decennialang dat loonstijgingen zorgen voor prijsstijgingen, dus inflatie, en dat er zo een eindeloze vicieuze cirkel van loon- en prijsstijgingen zou ontstaan. Prijsstijgingen leiden immers weer tot nieuwe looneisen. Opmerkelijk is dat de redenering ‘<em>loonstijgingen zorgen voor inflatie’</em> geen reden was om de lonen te verhogen toen er afgelopen jaren juist gebrek aan inflatie was. Maar het hele idee dat looneisen als vanzelf tot inflatie leiden is een misverstand. Dat gebeurt immers alleen als bedrijven de prijzen vanwege die loonstijgingen moeten verhogen. Maar met de huidige winsten kan de loonstijging makkelijk uit de winst betaald worden, de prijzen hoeven helemaal niet toe te nemen als de lonen omhoog gaan. De huidige hogere prijzen leiden alleen tot hogere winsten, een loon-winst-spiraal, in plaats van loon-prijsspiraal.</p>
<p><em><u>Het neoliberalisme is niet dood, het heeft de rijken weer terug aan de macht gebracht en de staatsinstituties zijn afgebroken, we leven daardoor in een ‘holle staat’</u></em></p>
<p>Onbedoeld bijeffect van de inflatiebestrijding van het afgelopen decennium was bovendien dat kapitaalbezitters hun portfolio’s zagen exploderen met vers gedrukt geld. Wellicht kunnen we de interne consistentie van het neoliberalisme niet zozeer begrijpen aan de hand van z’n intellectuele capriolen als wel via z’n praktische commitments. Zoals historicus Adam Tooze schrijft: <em>‘As a practice of power, neoliberalism had always been radically pragmatic. Its real history was that of a series of state interventions in the interests of capital accumulation, including the forceful deployment of state violence to bulldoze opposition.</em>’ Iets vergelijkbaars is te lezen in David Harveys <em>A Brief History of Neoliberalism</em> (2005): <em>‘If the project was to restore class power to the top elites, then neoliberalism was clearly the answer</em>.’</p>
<p>Gezien de vurigheid waarmee menig politicus het neoliberalisme vandaag de dag afzweert is het tijd voor een project dat de klassenmacht weer kan verleggen. Het neoliberalisme is echter allerminst dood. Niet alleen is er een gebrek aan nieuwe machtige ideeën, het neoliberalisme heeft een <em>‘holle staat’</em> gebaard die voor weinig andere politieke doeleinden dan marktfanatisme kan worden ingezet.</p>
<p>Tweeënhalf miljoen Nederlanders dreigen nu hun rekeningen niet meer te kunnen betalen en hen wacht armoede en honger. Volgens de regering vraagt deze sociale ramp vooral een technische reactie, een ‘<em>koopkrachtreparatie’</em>. Verder helaas weinig aan te doen, de gereedschapskist van de staat is leeg, zei minister Kaag van Financiën met zoveel woorden. In plaats van beleid volgde er daarom een loze oproep aan werkgevers om de lonen te verhogen, na een storm van verontwaardiging alsnog gevolgd door een prijsplafond voor kleinverbruikers, waarbij de overheid (de belastingbetaler dus) bijpast maar de energiebedrijven vooralsnog niet. Staatssecretaris van Financiën, Marnix van Rij, knikte instemmend. Een <em>windfall taks,</em> die de recordwinsten van energieproducenten afroomt, zou de markt verstoren: moeten we ze in slechte tijden dan ook subsidie geven?</p>
<p>Het is een typisch neoliberaal schouwspel. Het is hoog tijd om de focus te verleggen van grote politici en grote ideeën naar de wederopbouw van, zoals de auteurs van <em>Neoliberalisme</em> het noemen, ’s lands ‘<em>institutionele capaciteiten’</em>, zoals de Volkshuisvesting, de Nutsbedrijven, de Arbeidsvoorziening, en de Ruimtelijke Ordening. Dat vereist op bijna ieder terrein van de overheid systeemwijziging, en dan niet als excuus om zaken op de lange baan te schuiven, maar met een voortvarende aanpak, die de urgentie om de enorme problemen (‘<em>crises’</em>) op te lossen weerspiegelt.</p>
<p> </p>
<p><a href="#_ednref4" name="_edn4"><em><strong>[iv]</strong></em></a>  <strong>Enorme onrechtvaardige ongelijkheid</strong></p>
<p>De uitzichtloze armoede aan de onderkant van onze samenleving en het gebrek aan perspectief op een beter leven van een groot deel van de middenklasse, met gebrek aan zicht op eigen huisvesting en gebrek aan voldoende goede zorg voor zieken, mensen met een beperking en ouderen, met een enorme collectieve armoede in de publieke sector en de volkshuisvesting in een steeds meer uitgeholde verzorgings- en rechtsstaat, is maar één kant van de medaille in ons zeer rijke land – we behoren anderzijds tot de absolute top van rijke landen.</p>
<p>Die rijkdom zit echter extreem geconcentreerd bij een relatief klein aantal bedrijven en particulieren, de <em>happy few</em>, die steeds rijker wordt door geld met geld te verdienen en die de reële economie met echte toegevoegde waarde uitholt. Het vermogen van Nederlanders is ongelooflijk scheef verdeeld. Alleen in de VS is de vermogensongelijkheid binnen de OESO groter, de club rijkste landen ter wereld.</p>
<p>Die enorme geconcentreerde, exhibitionistische rijkdom is enorm onrechtvaardig, schadelijk voor onze welvaart en welzijn, én een bedreiging voor onze democratie, door de enorme concentratie van economische en financiële macht.</p>
<p>De huidige enorme ongelijkheid is onrechtvaardig omdat ze voor het grootste deel niet gebaseerd is op eigen verdienste. De (klein)kinderen van multimiljonairs, neem bijv. topvoetballers, hoeven als ze dat willen nooit meer te werken dankzij de groei van hun erfdeel – kapitaal rendeert veel meer dan arbeid. Er is wel uitgerekend dat 50% van je inkomen afhankelijk is van het land waar je geboren bent, 20% door het inkomen van je ouders en nog eens elk ruim 10% door je geslacht en etniciteit. Ruim 80% is dus niet afhankelijk van je eigen verdienste. En die kleine 20% ruimte voor eigen talent en ambitie, zijn dat ook niet in ieder geval deels erfelijke eigenschappen? Alle retoriek over ‘<em>verheffing’</em> en ‘<em>emancipatie’</em> ten spijt: onze sociale status is nog steeds en zelfs weer meer dan ooit minstens zo erfelijk als onze lichaamslengte. De meeste rijkdom ontstaat uit niet zelf verdiend inkomen, maar uit erfenissen, uit grondbezit en vast goed, uit patenten en uit speculatie.</p>
<p>Te grote ongelijkheid is niet alleen onrechtvaardig, maar ook economisch schadelijk: rijken hebben geen belang meer bij publieke uitgaven. Zij kunnen hun zorg, onderwijs, kinderopvang, mobiliteit, huisvesting, pensioen, etc. zelf financieren. Bovendien zijn er steeds meer aanwijzingen dat ongelijkheid gepaard gaat met allerlei maatschappelijk onheil: meer kindersterfte, geestesziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, misdaad &#8211; en minder sociaal vertrouwen, minder sociale mobiliteit en een lagere levensverwachting).</p>
<p>En te grote ongelijkheid leidt <em>last but not least</em> ook tot een bedreiging van de democratie door een te grote concentratie van macht bij een kleine elite. De extreem rijken hebben ruim de middelen om de staat niet meer nodig te hebben én deze zo nodig over te nemen. De overwinning van de BBB bij de laatste verkiezingen is ook te zien als een geslaagde poging van de extreemrijke <em>agrobusiness</em> – goed vertegenwoordigd in de Quote 500 – met succesvolle manipulatie en propaganda het openbaar bestuur voor hun private belangen in te zetten.</p>
<p>De werkelijkheid is dat we in dit land al decennia door neoliberale politiek geregeerd worden, met een zeer rechtse politiek van bezuinigingen op overheid en publieke sector, en subsidie aan de ‘happy few’ vermogenden en de grote bedrijven. Nederland is op de VS na daardoor het land geworden met de grootste vermogens- én inkomensongelijkheid (als je wèl alle inkomen uit vermogen meeneemt).</p>
<p>Zonder ingrijpen en herverdelen door de overheid wordt deze ongelijkheid steeds groter, in steeds overtreffender trappen. De laatste decennia heeft de overheid precies het omgekeerde gedaan. Door lonen te laten achterlopen op winsten. Door sociale zekerheid af te bouwen en het paradigma van zelfredzaamheid centraal te stellen. Door mensen met lage inkomens op te jagen, te criminaliseren en hen hun stad uit te jagen. Door een economie op te bouwen die ons land liet afglijden naar een lagelonenland. Door een enorme afbraak van werknemersrechten als Europees kampioen flexibilisering van werk. Door individualisering van collectieve lasten. Door onze publieke sector te verkrachten met steeds meer marktwerking, privatiseringen en liberaliseringen. En door een herverdeling via belastingen van arm naar rijk, met feitelijk regressieve belastingen en enorme facilitering van kapitaal dat niet reële welvaart en brede welzijn bevorderd maar het oppotten van kapitaal, het snel wist maken en wegsluizen, het vervuilen van onze leefomgeving én ontwijking van belastingen faciliteert.</p>
<p>Gevolg is onder aan de ene kant meer enorme, ongekende en sterk geconcentreerde rijkdom bij een kleine groep, en aan de andere kant een enorme, schrijnende armoede en problematische schuldenberg bij een steeds grotere groep huishoudens, waartoe steeds meer ook middeninkomens toe behoren, en waarvoor steeds meer kunst-en-vliegwerk nodig is om hun het hoofd net boven water te laten houden.</p>
<p>De bestaande systemen van de overheid lopen mede daardoor vast in hun complexiteit en intern strijdige fundamenten, met een groeiend gebrek aan vertrouwen in overheid en politiek als gevolg. Neofascistische, extreemrechtse zondebokken-en-bizarre-complotten-populisten varen er wel bij. En het gevolg is ook een economie die draait op vervuiling, onrecht en uitbuiting.</p>
<p><u>Ongelijkheid in bezit en vermogen – hoe erg is het?</u></p>
<p>Heel erg. De rijkste één procent van de Nederlandse huishoudens bezit 26 procent van het totale vermogen. Daartegenover staat een kwart van de huishoudens die juist schulden heeft. De tien procent rijkste Nederlanders heeft 61 procent van het totale vermogen in handen. De rijkste drie Nederlanders zijn zelfs rijker dan de armste helft van ons land. Het vermogen van Nederlandse miljonairs (2% van alle huishoudens) is 25 maal zo groot is als het vermogen van de onderste helft van de huishoudens. Drie jaar geleden was dat nog 13 maal zo groot.</p>
<p>Nederland telde in 2021 voor het zevende jaar op rij meer miljonairs dan het voorgaande jaar: 317.000 huishoudens hadden een vermogen van meer dan een miljoen euro, dat zijn er 32.000 meer dan in 2020. In 2021 kon een op de vijfentwintig huishoudens zich tot de miljonairshuishoudens rekenen. Dat blijkt uit de jaarlijkse miljonairsmeting van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die  24 april 2023 werd gepubliceerd. </p>
<p>In 2021 waren vier op de tien zelfstandige landbouwondernemers miljonair. Met name melkveehouders, die veel van de stikstof- en CO₂-uitstoot in de landbouw veroorzaken, en boeren die granen of groenten telen waren vaak miljonair.</p>
<p>Niet alleen zelfstandigen in de landbouw doen het goed; ondernemers zijn sowieso oververtegenwoordigd in de vermogende groep huishoudens. In de financiële dienstverlening is 44 procent van de zelfstandigen miljonair, in de verhuur en handel van onroerend goed is dat 38 procent. Ook advocaten en organisatieadviesbureaus doen het goed.</p>
<p>Het doorsnee miljonairshuishouden had in 2021 een vermogen van 1,6 miljoen euro, 21 keer zo veel als het gemiddelde niet-miljonairshuishouden. Maar binnen de miljonairsgroep zijn de verschillen nog fiks. Twee derde had een vermogen tussen de een en twee miljoen euro en een kwart een vermogen tussen de twee en de vijf miljoen euro. De echte uitschieters, multimiljonairs die meer dan tien miljoen vermogen hadden, besloegen 3 procent van de totale groep.</p>
<p>In de provincies Noord-Holland en Utrecht wonen relatief de meeste miljonairs; 5,3 procent van de huishoudens heeft een vermogen van boven de een miljoen euro. De Noord-Hollandse gemeenten Bloemendaal en Laren staan met kop en schouders boven het landelijk gemiddelde; daar is een op de drie huishoudens miljonair. Groningen en Limburg staan onderaan de ranglijst met minder dan 3 procent miljonairshuishoudens.</p>
<p>Bij deze cijfers is het vermogen dat de rijken zonder dat zij dat opgeven in belastingparadijzen hebben gestald nog niet meegerekend:</p>
<p> </p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1647" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-12-300x288.jpg" alt="" width="300" height="288" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-12-300x288.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-12-768x737.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-12.jpg 1000w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p> </p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="208">
<p>DE RIJKSTE 1% VAN NEDERLAND</p>
</td>
<td width="189">
<p>DE RIJKSTE 0,1% VAN NEDERLAND</p>
</td>
<td width="208">
<p>VERSUS</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p>Bestaat uit 80.000 huishoudens</p>
</td>
<td width="189">
<p>Bestaat uit 8000 huishoudens</p>
</td>
<td width="208">
<p>49% van de huishoudens is financieel kwetsbaar</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p> </p>
<p>Bezit samen € 481.000.000.000 (26% van het totale vermogen)</p>
</td>
<td width="189">
<p> </p>
<p>Bezit samen € 190.000.000.000</p>
</td>
<td width="208">
<p> </p>
<p>24% van de huishoudens is financieel ongezond (dit was vóór de huidige inflatiecrisis</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p> </p>
<p>Bezit gemiddeld per huishouden € 6.100.000</p>
</td>
<td width="189">
<p> </p>
<p>Bezit gemiddeld per huishouden € 24.000.000</p>
</td>
<td width="208">
<p> </p>
<p>1,3 miljoen mensen leven in armoede</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p> </p>
<p>Drempel om bij deze 1% rijksten te horen is € 2.300.000</p>
</td>
<td width="189">
<p> </p>
<p>Drempel om bij deze 0,1% rijksten te horen is € 10.000.000</p>
</td>
<td width="208">
<p> </p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p> </p>
<p>Zij betalen gemiddeld effectief slechts 28% belasting</p>
</td>
<td width="189">
<p> </p>
<p>Zij betalen gemiddeld effectief slechts 22% belasting</p>
</td>
<td width="208">
<p> </p>
<p>De 50% laagste inkomens betalen gemiddeld effectief 55% belasting</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Volgens econoom Simon Toussaint is de vermogenskloof in Nederland nog groter: 30 procent in handen van de rijkste 1%. Deze tachtigduizend huishoudens hebben gemiddeld zo’n tien miljoen euro per huishouden. Het totale vermogen bij deze groep blijkt 70 miljard euro hoger. Promovendus Toussaint keek recent naar de werkelijke marktwaarde van bv’s met een directeur-grootaandeelhouder (DGA). Die is twee keer hoger dan bij het CBS, waar ze alleen naar de boekhoudkundige waarde kijken.</p>
<p>Het blijft opmerkelijk dat er in ons land, waar alles minutieus gemeten wordt, nog steeds weinig zicht is op het vermogen van de rijksten. Vooral het bezit dat in bv’s zit (bv’s zijn niet-beursgenoteerde bedrijven) blijkt steeds weer een black box. Al drie keer eerder moest het CBS het bedrag flink naar boven bijstellen.</p>
<p>Bedrijven zijn niet alleen een vehikel om mooie producten voor de samenleving te maken – het officiële doel – maar te vaak ook een fantastisch middel om verstoppertje te spelen. Om de Belastingdienst om de tuin te leiden bijvoorbeeld – en dat geldt zeker niet alleen voor de brievenbusfirma’s waar het vaak over gaat. Wie als directeur-grootaandeelhouder van een bv heel veel verdient maar deze inkomsten officieel in het bedrijf laat zitten (of zelfs een speciale bv opricht voor het stallen van inkomsten), hoeft geen inkomstenbelasting te betalen. Vervolgens kan er van het bedrijf ‘geleend’ worden om lekker van te leven. Bij overlijden hoeven de erfgenamen ook nauwelijks erfbelasting te betalen, de erfenis zit immers ‘in het bedrijf’. Nederland kent maar liefst 265.000 directeuren-grootaandeelhouder van bv’s.</p>
<p>Een ander voorbeeld van verstoppertje is het oprichten van een bedrijf om arbeidswetgeving te ontlopen. Of eigenlijk het laten oprichten van een bedrijf. Bemiddelaars en werkgevers rijden busjes vol arbeidsmigranten naar de Kamer van Koophandel om hen ter plekke een ‘onderneming’ op te laten richten. Er zijn in Nederland inmiddels 400.000 in het buitenland geboren ondernemers, onder wie bijvoorbeeld 35.000 Polen, zo schreef de minister van Sociale Zaken in 2024 aan de Tweede Kamer. Wie zo’n ‘ondernemer’ tomaten laat plukken, in een slachterij laat werken of bij een bouwplaats afzet, hoeft zich niet aan de cao of wat dan ook te houden.</p>
<p>Over bedrijven als verstopplek gesproken. Vorige week stuurden de burgermeesters van vijf grote steden een brandbrief aan de Tweede Kamer. Schrikbarend vaak worden bedrijven als dekmantel gebruikt voor allerlei criminele activiteiten, zo schrijven zij. Voor witwassen van crimineel geld, valse dienstverbanden of handel in verdovende middelen.</p>
<p>Iedereen kan in Nederland in een paar minuten en vrijwel zonder toetsing een bedrijf oprichten. Dat zit de Kamers van Koophandel zelf ook dwars, bleek vorig jaar. De KvK heeft gemiddeld 75 keer per week bij een inschrijving het gevoel dat het niet pluis is – maar weigeren kan niet. Ook de notarissen, waar oprichters van een bv langs moeten voor hun statuten, doen nauwelijks aan controle, stellen de burgemeesters. Een bedrijf moet een adres hebben, maar ook dat is vaak een fluitje van een cent. Bij een onderzoek van het expertisecentrum voor criminaliteitsbestrijding RIEC bleken er bijvoorbeeld liefst negenhonderd ‘bedrijven’ gevestigd te zijn in een bedrijfsverzamelgebouw van driehonderd vierkante meter in het Amsterdamse havengebied. Het is in Nederland veel te gemakkelijk geworden om een bedrijf op te richten, stellen de burgemeesters onomwonden.</p>
<p>Dat gemak is een bewuste politieke en ideologische keuze. Leve het ondernemerschap, weg met alle drempels! zo klonk het afgelopen decennia in Nederland. Zo werden ongeveer alle eisen en controlemechanismen afgeschaft die lange tijd prima gewerkt hadden.</p>
<p>De burgemeesters, de Belastingdienst, de arbeidsinspectie en ook steeds meer burgers ervaren inmiddels de gevolgen. Het wordt weer tijd voor een <em>‘license to operate’</em>: alleen als er voldaan wordt aan basale eisen mag de boel van start. Zodat bedrijven weer worden waar ze voor bedoeld zijn: mooie dingen maken.</p>
<p>Schrijnend is wat betreft vermogensongelijkheid ook de verhouding tussen huurders en woningbezitters. Want terwijl huurders 5% van alle bezit in Nederland hebben, bezitten woningbezitters de overige 95%. Die 95% was in 2020 een onvoorstelbare € 2.562 miljard groot. Het vrijwel ontbreken van bezit bij huurders is op zichzelf natuurlijk al een probleem. Bezit is immers de ultieme buffer voor tijden van tegenslag, zoals de coronacrisis en de huidige energiekosten-explosie.</p>
<p><u>Volgens het CBS valt de inkomensongelijkheid reuze mee </u><strong>(</strong><a href="https://longreads.cbs.nl/materiele-welvaart-in-nederland-2024/ongelijkheid-in-financiele-welvaart/"><strong>https://longreads.cbs.nl/materiele-welvaart-in-nederland-2024/ongelijkheid-in-financiele-welvaart/</strong></a><strong>) </strong></p>
<p>Als huishoudens gerangschikt worden naar hoogte van hun vermogen en in tien even grote groepen worden ingedeeld, blijkt dat de eerste vermogensgroep vooral bestaat uit werknemersgezinnen (69 procent) met een eigen woning waarvan de hypotheekschuld hoger is dan de waarde van de woning. Tevens omvat deze groep betrekkelijk veel zelfstandigen met een negatief vermogen. In de tweede en derde vermogensgroep zijn uitkeringsontvangers sterker vertegenwoordigd. Van de tweede tot en met de zesde vermogensgroep neemt het aandeel werknemers toe tot ruim 70 procent. Daarna neemt het aandeel werknemers af en het aandeel gepensioneerden en zelfstandigen toe.</p>
<p>Bij de 10 procent hoogste vermogens is 1 op de 4 zelfstandige, terwijl de rest werknemer (33 procent) of gepensioneerd (40 procent) is. In deze vermogensgroep bedraagt iemands vermogen minimaal 670.000 euro in 2022. Zelfstandigen hebben met een doorsnee vermogen van meer dan 1,2 miljoen euro het hoogste vermogen in deze groep.</p>
<table width="627">
<thead>
<tr>
<td colspan="13">
<p>Samenstelling vermogensgroepen<sup>1)</sup>, 1 januari 2022 (%)</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3"> </td>
<td colspan="2">
<p><strong>Inkomen als werknemer</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>Inkomen als zelfstandige</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>Pensioenuitkering</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>Andere uitkering</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>Studiefinanciering</strong></p>
</td>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td colspan="3">
<p>Totaal (135 100 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>53,7</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>9,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>27,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>8,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0,2</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>1e (-16 100 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>69,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>9,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>4,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>15,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1,2</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>2e (500 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>43,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>3,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>18,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>34,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0,7</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>3e (5 400 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>46,7</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>4,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>30,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>17,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0,3</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>4e (25 300 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>48,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>7</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>38</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>6,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0,1</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>5e (92 400 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>68,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>8,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>19,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>3,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>6e (176 400 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>71,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>8,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>17,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>3,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>7e (263 300 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>61</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>8,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>27,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>8e (367 500 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>50,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>9,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>37,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>9e (525 400 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>44,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>12,7</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>41,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="3">
<p>10e (1 001 800 euro)</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>32,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>26,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>39,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>0</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td colspan="13">
<p><sup>1)</sup><em>Tussen haakjes staat het mediaan vermogen per vermogensgroep.</em></p>
</td>
</tr>
</tbody>
<thead>
<tr>
<td colspan="14">
<p>Huishoudens naar grootte van het vermogen, 1 januari (x 1 000)</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td> </td>
<td>
<p><strong>negatief</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>0 tot 5 000 euro</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>5 000 tot 20 000 euro</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>20 000 tot 100 000 euro</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>100 000 tot 500 000 euro</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>500 000 tot 1 miljoen euro</strong></p>
</td>
<td colspan="2">
<p><strong>1 miljoen euro of meer</strong></p>
</td>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>
<p>&#8217;11</p>
</td>
<td>
<p>1482,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1046,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>779,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1316,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2199,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>353,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>170,2</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;12</p>
</td>
<td>
<p>1743,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>999,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>777,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1304,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2093,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>327,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>166,1</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;13</p>
</td>
<td>
<p>2027,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1079,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>719,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1252,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1930</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>290,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>168,5</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;14</p>
</td>
<td>
<p>2062,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1058,7</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>717,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1255,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1940,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>293,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>168,1</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;15</p>
</td>
<td>
<p>1932,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1018,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>798,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1321,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2010</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>307,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>179,5</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;16</p>
</td>
<td>
<p>1826</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1031,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>828,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1347,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2073,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>328,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>188,1</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;17</p>
</td>
<td>
<p>1603,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1056</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>855,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1426,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2182,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>363,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>206,9</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;18</p>
</td>
<td>
<p>1421,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1060</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>829,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1488,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2319</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>410,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>231,3</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;19</p>
</td>
<td>
<p>1287,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1048,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>778,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1498,3</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2493,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>467,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>253,4</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;20</p>
</td>
<td>
<p>1190,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1048,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>747,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1447,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2648,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>526,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>285,2</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;21</p>
</td>
<td>
<p>1046,8</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1000</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>746,2</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1330,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>2874,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>637,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>316,2</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>&#8217;22</p>
</td>
<td>
<p>988,9</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>985,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>700,4</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>1012,1</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>3046,5</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>900,6</p>
</td>
<td colspan="2">
<p>403,1</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="59"> </td>
<td width="101"> </td>
<td width="2"> </td>
<td width="65"> </td>
<td width="37"> </td>
<td width="38"> </td>
<td width="38"> </td>
<td width="51"> </td>
<td width="51"> </td>
<td width="31"> </td>
<td width="31"> </td>
<td width="51"> </td>
<td width="70"> </td>
<td width="3"> </td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Op 1 januari 2022 had 5 procent van de huishoudens in Nederland een vermogen van 1 miljoen euro of meer. Dat zijn 403 duizend huishoudens, ruim 87 duizend meer dan in 2021. Al sinds 2014 komen er jaarlijks miljonairs bij. In de jaren daarvoor bleef het aantal ongeveer gelijk.</p>
<p>Een miljoen euro heeft in 2022 wel een andere waarde dan in eerdere jaren. Gecorrigeerd voor inflatie was het aantal miljonairs in 2022 bijna twee keer zo groot als in 2014.</p>
<p>Miljonairshuishoudens hadden in 2022 een doorsnee vermogen van 1,5 miljoen euro, dat is bijna 50.000 euro minder dan een jaar eerder. Niet-miljonairs zagen een toename in het vermogen. Zij hadden in doorsnee 114.000 euro vermogen in 2022, 38.000 euro meer dan een jaar eerder.</p>
<p>De meeste miljonairs danken dat aan het bezit van een huis, dat flink in waarde steeg. Er is een groot aantal huishoudens dat hierdoor de grens van net geen miljonair naar net wel miljonair heeft overschreden. Van de miljonairs had twee derde een vermogen tussen de 1 en 2 miljoen euro. Een kwart van de miljonairs had een vermogen tussen de 2 en 5 miljoen euro. Een klein deel van de miljonairs, 2 procent, had een vermogen van 10 miljoen euro of meer.</p>
<p>Het doorsnee vermogen loopt op met het stijgen van het inkomen: van 1000 euro in de eerste inkomensgroep naar 498.000 euro in de tiende en hoogste inkomensgroep. Van het totale vermogen van Nederlandse huishoudens was 4 procent in handen van de laagste inkomensgroep, terwijl de hoogste inkomensgroep over 33 procent beschikte.</p>
<p><u>Maar in werkelijkheid is ook de inkomensongelijkheid is enorm </u></p>
<p>Als we op de officiële cijfers afgaan, dan is de bezitsongelijkheid in Nederland extreem. Maar de inkomensongelijkheid zou reuze meevallen. Dat kan niet waar zijn, want sinds Piketty weet iedereen dat in onze tijd het meeste inkomen verdiend wordt met bezit, en niet met arbeid, zoals ook uit de verdeling van ons nationaal inkomen blijkt. Kort gezegd: geld hébben is de beste manier om meer geld te verdienen. De meeste Nederlanders halen hun inkomen uit arbeid, in de vorm van salaris, maar de rijkste één procent haalt een groot deel van haar inkomen uit vermogen, zoals bedrijfswinsten en beleggingen. Wie wat dieper in de cijfers duikt, ziet dat er een simpele verklaring is voor deze verrassende paradox: het inkomen uit bezit wordt zeer onvolledig meegenomen.</p>
<p>Hoeveel we van inkomen uit bezit meerekenen als inkomen geeft een enorm verschil voor het beeld van de inkomensongelijkheid. In de laatste vijf jaar is steeds meer van het inkomen uit bezit bij het CBS gaan meetellen als inkomen. Vóór 2017 was volgens CBS dit inkomen uit bezit in Nederland zelfs negatief. Dat kwam vooral doordat het inkomen van woningbezitters met een fictieve post afschrijvingen verminderd werd, alsof woningen jaarlijks minder waard zouden worden in plaats van meer. Toen CBS In 2017 deze fictie opgaf, nam de inkomensongelijkheid ineens flink toe.</p>
<p>Vervolgens  kwamen onderzoekers van het Centraal Planbureau met een nieuwe benadering van het begrip inkomen. Zij beschouwen alles wat we in Nederland met elkaar verdienen (ons <em>nationaal inkomen</em>) als inkomen van huishoudens, ook als het die huishoudens indirect ten goede komt, zoals via overheidsuitgaven voor onderwijs of gezondheidszorg. Vervolgens rekenen zij dit totale inkomen van Nederland toe aan de huishoudens die het incasseren of er gebruik van maken. Dat doen zij ook met de ingehouden winsten van bedrijven. Dit laatste maakt een flink verschil in ongelijkheid, omdat de rijkste 10% huishoudens zelfs 93% van de aandelen in bedrijven bezit. Het resultaat is opnieuw grotere inkomensongelijkheid. Voor de rijkste gezinnen is hun bezit vaak de belangrijkste bron van inkomen. Zo leverde aandelenbezit op de beurs het afgelopen decennium 100 procent koerswinst naast 70 procent dividend op.</p>
<p>Maar zelfs dit inkomensbegrip is nog te beperkt, doordat alleen <em>inkomen uit productie</em> meetelt  in het nationaal inkomen. Zo is ons nationaal inkomen namelijk gedefinieerd. Waardestijging van aandelen of huizen vallen daarbuiten. En dat gaat om grote bedragen, die in ons nationaal inkomen niet meegerekend worden, maar die wel inkomen en nieuwe koopkracht voor de bezitters ervan betekenen.</p>
<p>Het meest volledige inkomensbegrip, met alle inkomen uit bezit, telt ook de waardevermeerdering van bezit als inkomen mee. Als we dit complete inkomensbegrip niet alleen op bezit in box 3, maar op alle bezit toepassen, dan blijkt de niet in ons nationaal inkomen meegetelde waardetoename een bedrag van €107,5 miljard te omvatten. Dit bedrag, evenveel als 15,5% van dat nationale inkomen, moet ook over de Nederlandse huishoudens verdeeld worden, en het meeste gaat naar degenen die het meeste bezit hebben en dus het rijkst zijn. Dit maakt dat we ook een enorme ongelijkheid in inkomen hebben.</p>
<p>Daar komt nog bij dat de maatstaf voor inkomensongelijkheid (de zgn. gini-coëfficiënt)  uitgaat van gemiddelde cijfers. Als de inkomens echter deels zeer hoog zijn en voor een ander deel juist zeer laag, dan zeggen gemiddelden niet zoveel. De topinkomens stegen  afgelopen twee decennia 40%, terwijl de gemiddelde loonontwikkeling met ca. 3% ver achterblijft bij de exploderende prijsinflatie. De winsten van het grootbedrijf stijgen ook enorm, met name bij de fossiele industrie en de financiële industrie. In de periode 2000-2018 groeide het netto beschikbaar nationaal inkomen 3 procent per jaar, de winst steeg 1,6 procent per jaar, de loonsom steeg 1 procent per jaar, het reëel cao-loon steeg 0,5 procent per jaar, het reëel besteedbaar inkomen per persoon steeg 0 procent per jaar en het reëel arbeidsinkomen <em>per uur</em> daalde 1,5 procent per jaar <em>(</em>uit: <em>WRR 2017: ‘hollen om stil te staan’). </em></p>
<p><u>Ongelijke verdeling nationaal inkomen: de lonen blijven achter</u></p>
<p>De verdeling van ons bruto binnenlands product (bbp; de totale toegevoegde waarde van alle in ons land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode) over de periode 1995-2018 resulteert in een verlies aan loon van 4,7% per persoon en een stijging van de winst van 1,2% per persoon. De winst van Nederlandse bedrijven bedroeg volgens het CBS in het eerste kwartaal van 2022 maar liefst 81,5 miljard euro, 13,7 miljard euro.</p>
<p>In de verdeling van de economische groei tussen huishoudens en bedrijven gaat het al decennia flink mis: het reëel  besteedbaar inkomen van huishoudens is sinds 1977 nauwelijks toegenomen. De hogere winstgevendheid van bedrijven blijkt nauwelijks te zijn doorgegeven als extra inkomen aan huishoudens. Van het totale netto nationaal inkomen van 680 miljard euro (in 2019) komt slechts 358 miljard bij huishoudens terecht volgens een onderzoek van de Universiteit Leiden en het CBS (<em>Inkomen verdeeld)</em>. Maar let op, in die 358 miljard zit ook het inkomen uit vermogen: aandeelhouders en renteniers behoren immers ook tot een huishouden. Dat is namelijk wat de onderzoekers deden: álles wat huishoudens ontvangen bij elkaar optellen (loon, zzp-inkomen, uitkeringen, toeslagen, pensioenen, inkomen uit vermogen zoals dividend) en daarvan dan alle belastingen en premies weer aftrekken.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1648" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-13-300x226.png" alt="" width="300" height="226" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-13-300x226.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-13-768x579.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-13.png 1002w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Een steeds kleiner deel van ons nationaal inkomen gaat naar arbeid. De koopkracht van huishoudens is al 20 jaar niet gestegen. In 1992 ging nog ruim 54% van het bbp naar huishoudens, in 2012 was dat nog maar krap 45%. Als het aandeel sinds 1992 niet zou zijn afgenomen, dan was het beschikbare inkomen van huishoudens in 2012 EUR 60 miljard hoger geweest. Het besteedbaar inkomen van huishoudens blijft structureel achter bij onze economische groei.</p>
<p>Dit heeft vooral de middeninkomens hard geraakt: er is sprake van een groeiende ongelijkheid van lonen. De lagere en middelste decielen in de inkomensverdeling blijken er sinds 2000 allemaal sterk op achteruit te zijn gegaan en alleen de hoogste inkomensgroepen hebben een reële  inkomensgroei gezien.</p>
<p>De verdeling van de reële groei van het besteedbaar inkomen over de periode 2011-2018 was:</p>
<ul>
<li>Topsalarissen: +32 procent (2010-2016)</li>
<li>De top 40%: +1procent</li>
<li>De bodem 10%: +2 procent</li>
<li>Het 5<sup>e</sup>-9<sup>e</sup> deciel: +0,4 procent</li>
</ul>
<p>De salarissen van bestuursvoorzitters van ondernemingen is inmiddels gemiddeld 40 keer hoger dan het gemiddelde loon binnen een onderneming.</p>
<p>De hogere winstgevendheid van bedrijven hangt nauw samen met de daling van de arbeidsinkomensquote (AIQ), dat deel van het nationale inkomen dat via lonen naar werknemers gaat. Geld dat in de marktsector verdiend wordt, komt de laatste decennia dus meer bij bedrijven dan bij werkenden terecht. Van elke euro die in de periode 2015–2020 in de marktsector werd verdiend, ging 76 cent naar werknemers en zelfstandigen als arbeidsinkomen. De overige 24 cent vormen de operationele winst (exploitatieoverschot) van bedrijven. In de periode 2009–2014 was het aandeel van het arbeidsinkomen nog 78 procent, het winstaandeel was 22 procent. In 2019 was de AIQ al gedaald naar 73,9% en het CPB verwacht voor 2022 een verdere daling naar 70,7. Op het oog misschien een kleine verschuiving, maar het scheelt maar liefst dertien miljard euro: als de verhouding tussen de beloning van arbeid en de beloning van kapitaal nu nog gelijk was aan die in 2019, dan kregen werkenden dit jaar dertien miljard méér. Veel geld, zeker in een tijd van exploderende energierekeningen en hevige inflatie.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1649" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-14-300x226.jpg" alt="" width="300" height="226" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-14-300x226.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-14-768x577.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-14.jpg 995w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Maar de arbeidsinkomensquote zegt weinig over de werkelijke verdeling van de welvaart tussen ‘arbeid’ (werkenden) en ‘kapitaal’ (aandeelhouders). Er is met die AIQ namelijk iets geks aan de hand: de inkomsten uit financiële activiteiten van bedrijven tellen niet mee. Dat geldt voor zowel de financiële activiteiten van de financiële bedrijven (banken, verzekeraars, pensioenfondsen, beleggingsbedrijven) als voor de financiële activiteiten van ‘gewone’ bedrijven. Die activiteiten leverden bedrijven in 2019 maar liefst 356 miljard euro aan inkomsten op – 253 miljard voor de financiële bedrijven en 103 miljard voor de ‘gewone’ bedrijven. Die 356 miljard aan inkomsten van bedrijven zitten niet in de AIQ. En daarmee telt het overgrote deel van de beloning van kapitaalbezitters (eigenaren en financiers van bedrijven) niet mee. Zou je wel rekening houden met die inkomsten, dan zou de verhouding tussen de verdiensten voor werkenden versus de verdiensten voor bedrijven volkomen anders uitpakken dan uit de AIQ blijkt. Om een idee te geven: de AIQ gaat ervan uit dat de beloning voor ‘kapitaal’ in 2019 slechts 137 miljard was (en 390 miljard voor arbeid). Dit verklaart dat de winsten veel en veel harder stijgen dan de lonen en de AIQ toch ongeveer gelijk bleef.</p>
<p>Dat de inkomsten uit financiële activiteiten niet meetellen in de AIQ komt doordat het een maat is die gebaseerd is op de ‘<em>toegevoegde waarde’</em> die in dat jaar geproduceerd wordt. En, zo is de redenering, financiële producten voegen geen waarde toe aan de economie. Daar valt veel voor te zeggen, maar deze activiteiten (geld verdienen met geld) leveren wel een grote hoeveelheid inkomsten voor kapitaalbezitters op. En zeker als het gaat over de verdeling van welvaart zijn juist die inkomsten uit kapitaal cruciaal. Hoewel verschillende landen de AIQ <em>(</em><em>labour share)</em> vaak net wat verschillend berekenen, is het een gezamenlijke internationale keuze om hierbij steeds uit te gaan van de toegevoegde waarde en de inkomsten uit geld-met-geld-maken buiten beschouwing te laten. Het is niet de eigen keuze van het Centraal Planbureau of het Centraal Bureau voor de Statistiek om het zo aan te pakken. Een deel van het inkomen uit kapitaal is ‘<em>doorsluisgeld’</em> van brievenbusfirma’s die via Nederland belasting ontlopen. Niet iedereen zal vinden dat dit moet meetellen als het gaat over de verdeling tussen arbeid en kapitaal, Nederland is immers slechts tussenhalte. Maar ook als je de brievenbusactiviteiten buiten beschouwing laat, blijven er jaarlijks nog zo’n tweehonderd miljard euro aan inkomsten van bedrijven over uit financiële activiteiten.</p>
<p>Een AIQ die geen rekening houdt met deze inkomsten was misschien veertig jaar geleden niet zo’n probleem: de financiële sector was veel kleiner dan nu en ‘gewone’ bedrijven deden nog nauwelijks aan geld-met-geld-maken. Terwijl dit inmiddels een belangrijk deel van hun winst vormt, zoals blijkt uit de meer dan honderd miljard euro die ‘gewone’ bedrijven in 2019 verdienden met financiële activiteiten. Om de verhouding tussen de financiële activiteiten en de rest van de economie weer te geven: in 2019 verdienden Nederlandse bedrijven zo’n 356 miljard met financiële activiteiten, terwijl het totale bruto binnenlands product (bbp) in dat jaar 813 miljard groot was. Een verhouding van 1 staat tot 2,2. In 1995 verdienden bedrijven 92,3 miljard met financiële activiteiten en was het bbp 329,5 miljard, een verhouding van 1 op 3,6. Overigens, de inkomsten uit financiële activiteiten zijn geen onderdeel van het bbp, de maat voor de totale Nederlandse productie, want voor het bbp geldt hetzelfde als voor de AIQ: het is gebaseerd op de toegevoegde waarde. Ook de pensioenfondsen zijn deel van de financiële sector en de inkomsten uit financiële activiteiten zijn dus deels inkomsten van pensioenfondsen. Als het goed is komt dat geld op termijn toe aan werkenden, dus aan ‘arbeid’, zou je kunnen beweren. Maar dat verandert de verhouding niet wezenlijk, want pensioenfondsen zijn slechts goed voor zo’n tien procent van de inkomsten uit financiële activiteiten.</p>
<p>Een realistischer weergave van de verhouding tussen de beloning van arbeid ten opzichte van kapitaal is om eenvoudigweg te vergelijken wat bedrijven werkelijk aan beide besteden, met aftrek van de rentekosten. Een alternatieve arbeidsinkomensquote, op bovenstaande manier berekend, zou voor 2019 uitkomen op iets minder dan vijftig: bijna de helft van de koek ging naar arbeid en iets meer dan de helft viel ten deel aan bedrijven en aandeelhouders. Op dezelfde manier berekend was die alternatieve AIQ in 1995 nog 72, wat niet veel verschilt van de officiële AIQ van dat jaar. Er zijn vast nog betere en preciezere manieren van berekenen, maar deze eerste vingeroefening maakt in ieder geval duidelijk dat de verdeling tussen arbeid en kapitaal in een paar decennia fors veranderd is.</p>
<p>De bovengenoemde inkomsten voor aandeelhouders en bedrijven staan bovendien nog los van vermogenswinsten in de vorm van een stijgende <em>waarde</em> van vermogen, bijvoorbeeld van aandelen. Want alleen het uitgekeerde dividend, de rente en bijvoorbeeld de huurinkomsten worden als ‘inkomen uit vermogen’ gerekend, niet de waardestijging van een bedrijf of de waardestijging van aandelen. Zou je die wel meerekenen bij de vraag wat er naar kapitaal of arbeid gaat, dan kom je nog op heel andere sommen. Bedrijven zullen hier waarschijnlijk tegenin brengen dat hun inkomen uit vermogen voor een deel bestaat uit de winst van buitenlandse dochters – en die dochters hebben hun werknemers al betaald, dus hoeft de winst van buitenlandse dochters niet mee te tellen bij het bepalen of de verdeling tussen arbeid en kapitaal eerlijk is. Maar die vlieger gaat niet op, want er gaat vanuit Nederlandse dochters ook heel veel winst naar ‘<em>moeders’</em> in het buitenland – en ook dat geld wordt in die buitenlanden nu niet meegerekend in hun labour share.</p>
<p><u>Achterblijvende reële investeringen, geld laten staan is lonender geworden</u></p>
<p>De winsten van bedrijven worden nauwelijks geïnvesteerd in de reële economie, maar uitgekeerd als dividend, opgepot (ook door aankoop van eigen aandelen) of gebruikt voor speculatie. Van de rest (322 miljard euro) ging 150 miljard naar de overheid. Buitenlandse aandeelhouders ontvangen weliswaar zeer veel dividend – in 2019 ontvingen zij 141 miljard euro (!) – maar dit bedrag blijft buiten het nationaal inkomen, dus maakt het ook geen onderdeel uit van de resterende 322 miljard.</p>
<p><em>Hoe wordt inkomen van bedrijven gebruikt:</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1650" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-15-300x142.png" alt="" width="300" height="142" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-15-300x142.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-15-768x364.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-15.png 777w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Mirjam de Rijk beschreef in <em>De Groene</em> in 2021 waar de resterende (322-150) 172 miljard naar toe gaat. Het korte antwoord is: eerst bij bedrijven, en vervolgens toch bij aandeelhouders, zowel binnen als buiten Nederland. Maar met een omweg. Op zo’n manier dat het niet als inkomen telt en er dus ook geen inkomstenbelasting over wordt betaald. En het ook niet meetelt in onderzoek naar inkomensverschillen. In 2019 ging het om zo’n 130 miljard euro, in de jaren ervóór om soortgelijke bedragen. Die 130 miljard komt dus boven op het geld dat als dividend naar aandeelhouders gaat, in totaal 210 miljard euro.</p>
<p>De route richting aandeelhouders is als volgt. In eerste instantie komt het geld in de spaarpot van de bedrijven. Vervolgens wordt het gebruikt voor het opkopen van eigen aandelen, het opkopen van andere bedrijven, of het wordt eenvoudig toegevoegd aan de reserves van het bedrijf. Zo komt het alsnog bij de aandeelhouders terecht, maar in de vorm van (onbelaste) waardestijging van het vermogen, niet als (belast) inkomen. Er is in dit land een heel leger aan fiscalisten getraind om te zorgen dat het allemaal niet als inkomen meetelt of op een manier dat er veel minder belasting over wordt betaald. Iedereen voelt natuurlijk aan dat mensen er wel degelijk rijker van worden, maar meetellen als wettelijk inkomen doet het niet.</p>
<p>Achtereenvolgende belastingherzieningen vormen van dat overheidsbeleid in zekere zin de kern. De internationale ontwikkelingen zijn vergelijkbaar, maar toch heeft Nederland een belastingstelsel dat zijn gelijke in de wereld niet kent. Het begint er al mee dat het voor leken volstrekt ondoorzichtig is. Het is een labyrintisch geheel van schijven en tarieven, regelingen en regels, speciale privileges en aparte voorrechten, en ter compensatie van al te draconische consequenties is er een apart substelsel: de toeslagen. Belangstellende burgers die willen weten hoe het stelsel werkt en uitpakt voor verschillende groepen kunnen hiervoor niet terecht bij handzame overzichtsstudies. Ondanks het florerende belastingadvieswezen bestaat zo’n studie voor Nederland niet. Ondanks? Of is het <em>dankzij</em> de bloeiende adviesbranche dat zo’n studie er niet is? Universiteiten leiden jaarlijks honderden accountants, economen en fiscalisten op, die hun weg vinden naar belastingfirma’s die hun geld verdienen met belastingontwijking. Ontduiken is voor de armen, ontwijken voor de rijken, zoals Amerikaanse belastingadviseurs zeggen. Bij de kantoren voor <em>‘fiscale optimalisatie’</em> treffen net afgestudeerden hun hoogleraren opnieuw, alleen met een ander petje op. De Leidse fiscalist Jan Vleggeert stelde dat er in Nederland nauwelijks hoogleraren belastingrecht zijn die niet tegelijkertijd verbonden zijn aan commerciële belasting- en accountancykantoren. Het ene deel van de week adviseren ze bedrijven en vermogende particulieren over belastingontwijking, de resterende tijd worden ze geacht belastingstelsels op wetenschappelijke wijze te onderzoeken te onderwijzen. Dat is een schoolvoorbeeld van conflicterende belangen. Het leidt tot lucratief wegkijken onder deskundigen en tot kennistekorten onder burgers.</p>
<p>Maar, klinkt het dan af en toe, die aandeelhouders, dat zijn toch de pensioenfondsen, dus in feite gaat het dan toch om ‘<em>wij met z’n allen’</em>? Die vlieger gaat niet op. Want pensioenfondsen vormen maar een klein deel van de aandeelhouders, zowel in Nederland als daarbuiten. Een deel van het nationaal inkomen komt wel terecht bij pensioenfondsen, want ook zij voegen winst toe aan hun reserves, maar dat bedrag (in 2019 ging het om zo’n 27 miljard) is er bij die 130 miljard al af. Het eerste deel van de zoektocht is daarmee volbracht. 130 miljard euro, een vijfde van het nationaal inkomen, blijft steken in bedrijven. En dat ieder jaar weer, of in ieder geval in die orde van grootte. </p>
<p>Maar daarmee is de zoektocht nog niet af. Want wat gebeurt er met dit geld? En waarom? Volgens de economieboekjes bestaat zoiets eigenlijk niet eens, want winst wordt óf gebruikt voor investeringen óf rechtstreeks uitgekeerd aan de aandeelhouders of de eigenaren. Waarom sparen bedrijven het geld toch op in plaats van dat het wordt geïnvesteerd of uitgekeerd? Het antwoord op deze vraag is te vinden op de website van de Vereniging voor Effectenbezitters (VEB). <em>‘De inkoop van eigen aandelen is een manier om met weinig risico geld terug te geven aan aandeelhouders. Investeren in onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe producten of diensten brengen meer risico met zich mee voor beleggers. Het is immers altijd maar afwachten of er voldoende rendement op de investeringen kan worden behaald.’ </em>Helder. Het is gelijk het antwoord op de vraag waarom bedrijven zo weinig investeren in innovatie: investeren is risicovoller dan opkopen.</p>
<p>Bedrijven gebruiken hun opgepotte miljarden ook voor het overnemen van andere bedrijven. In 2021 werd hier in Nederland 110 miljard aan besteed, becijferde KPMG. Bij overnames wordt vaak veel meer betaald dan het opgekochte bedrijf eigenlijk waard is: kassa voor de aandeelhouders/eigenaren van het opgekochte bedrijf. De aandeelhouders van het opkopende bedrijf laten zich lekker maken door voorgespiegelde voordelen in de toekomst. Door de bank genomen onterecht. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de meeste overnames mislukken: het bedrijf is minder waard dan zonder de overname het geval zou zijn geweest. Slechts bij vijftien procent van de overnames levert het een meerwaarde op. Zo gaat er voor de economie en voor de samenleving als geheel veel waarde verloren. Dat het desondanks zo veel gebeurt, heeft vooral te maken met kuddegedrag in combinatie met grote reserves. Bovendien willen bedrijven, of in ieder geval de managers van bedrijven, nu eenmaal altijd groeien, en het is een stuk makkelijker om te groeien door opkopen dan door beter te presteren als onderneming. Dat aandeelhouders ermee akkoord gaan en banken het helpen financieren heeft volgens hem te maken met ‘<em>old boys consensus’</em>. We kennen elkaar en vertrouwen erop dat jullie de juiste beslissingen nemen.</p>
<p>En dan is er, als derde bestemming van de 130 miljard, ook nog het eenvoudige oppotten bij bedrijven. Een paar jaar geleden onderzocht De Nederlandse Bank (DNB) het ‘<em>spaaroverschot’</em> van Nederlandse bedrijven, dat ook in vergelijking tot de rest van Europa opvallend hoog is. Belangrijke reden van dat oppotten, zeker bij het MKB, is ‘<em>belastingplanning’</em>, zoals DNB het noemt: het zo lang mogelijk, liefst voor eeuwig, uitstellen van het betalen van belasting. Grote oppotters zijn de bv’s van directeuren- grootaandeelhouders (DGA’s): de directeur is ook eigenaar van het bedrijf. Zij laten het grootste deel van hun winst administratief in de bv zitten, en kunnen intussen wel over het geld beschikken door het te ‘<em>lenen’</em> van hun eigen bedrijf. Zo hoeven ze geen inkomstenbelasting te betalen.</p>
<p>Ook veel mensen met een ‘<em>aanmerkelijk belang’</em>, die minimaal vijf procent van de aandelen van een bedrijf in handen hebben, potten de winst graag op in het bedrijf om inkomstenbelasting te ontwijken. Dit leidt niet alleen tot minder geld voor publieke voorzieningen, maar ook tot ‘<em>economische onevenwichtigheden’</em>, constateert DNB. Het CBS schat dat in 2019 zo’n 28 miljard aan winst werd opgepot door directeuren-grootaandeelhouders en door mensen met een aanmerkelijk belang. De spaarpot die zo binnen dergelijke bedrijven is aangelegd, bedraagt volgens een ruwe schatting van het CBS inmiddels 400 miljard euro. Wordt het bedrijf overgedragen aan erfgenamen, dan hoeft over het opgepotte geld geen erfbelasting betaald te worden. Het is de blinde vlek van de inkomensstatistieken en daarmee ook van veel ongelijkheidsonderzoek: de waardestijging van vermogen. Waardestijging van bezit telt niet als inkomen.</p>
<p>Wie nu opmerkt dat al deze bedragen – voor aandeleninkoop, bedrijfsovernames en oppotten – al gauw optellen tot veel meer dan 130 miljard: dat klopt! Want bedrijven lénen ook geld voor overnames en zelfs voor de inkoop van eigen aandelen. Dit leidt tot een cynische constatering: een groot deel van het nationaal inkomen komt niet bij de huishoudens of bij de overheid terecht, maar blijft achter bij bedrijven, mede om belasting te ontwijken. Niet om investeringen mee te doen, maar om op te potten of bedrijven en aandelen mee te kopen. Zo wordt een belangrijk deel van het nationaal inkomen omgezet in vermogen van bedrijven en aandeelhouders. Bovenop het uitgekeerde dividend. In economische termen wordt 130 miljard van het nationaal inkomen jaarlijks omgezet van een ‘<em>stroom’</em> in een ‘<em>voorraad’</em>: in kapitaal van bedrijven en van aandeelhouders. En juist voor die voorraad van ophopend vermogen, is in Nederland heel lang heel weinig aandacht geweest.</p>
<p>De economie en de samenleving schieten hier niets mee op. En het gekke is, ook voor aandeelhouders is al dat oppotten en opkopen lang niet altijd gunstig. Het scheelt hun weliswaar belasting, maar uiteindelijk moet geld economisch geïnvesteerd worden om het echt te laten renderen. Dat er op het moment zo veel geld bij bedrijven blijft zitten, zegt vooral iets over de enorme winsten die bedrijven maken. Er is heel veel cash, er is de afgelopen tien jaar gewoon heel veel geld verdiend. Aandeelhouders hoeven helemaal niet kritisch te zijn op wat er precies met het geld gebeurt, ze krijgen toch wel genoeg.</p>
<p>Opmerkelijk genoeg worden juist deze grote geldstromen – de opkoop van eigen aandelen, de bedragen die besteed worden aan overnames, de toevoegingen aan bedrijfsreserves – niet bijgehouden door de instituten die (toe)zicht houden op hoe het met economie en financiën gaat, of daarover adviseren: het CBS, DNB, de Autoriteit Financiële Markten, het CPB. Een van de obstakels is dat eigenlijk niet bekend is wie wat bezit. Daar zou binnenkort verandering in moeten komen, want in het kader van het Europese anti- witwasbeleid zijn bedrijven verplicht om de hele keten van eigenaren in kaart te brengen en te melden. Maar de Kamer van Koophandel, die dit zogeheten UBO-register op orde moet brengen, heeft van het kabinet al een paar keer uitstel gekregen.</p>
<p><u>Kiezers onderschatten ongelijkheid</u></p>
<p>Kiezers onderschatten de ongelijkheid enorm. De FNV liet daar in augustus 2022 door I&amp;O Research onderzoek naar doen:</p>
<p><em>Hoe denkt u dat vermogen in Nederland verdeeld is over deze vijf groepen? En wat vindt u hoe de verdeling van vermogen in Nederland er zou moeten uitzien in de ideale situatie?</em></p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="198">
<p><strong> </strong></p>
</td>
<td width="104">
<p><strong>Ideaal</strong></p>
</td>
<td width="151">
<p><strong>Perceptie</strong></p>
</td>
<td width="151">
<p><strong>werkelijkheid</strong></p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% rijksten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>25%</p>
</td>
<td width="151">
<p>46%</p>
</td>
<td width="151">
<p>78%</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% op een na  Rijksten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>21%</p>
</td>
<td width="151">
<p>20%</p>
</td>
<td width="151">
<p>18%</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% middelsten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>29%</p>
</td>
<td width="151">
<p>18%</p>
</td>
<td width="151">
<p>  6%</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% op een na armsten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>15%</p>
</td>
<td width="151">
<p>10%</p>
</td>
<td width="151">
<p>  1%</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% Armsten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>11%</p>
</td>
<td width="151">
<p>  7%</p>
</td>
<td width="151">
<p>&#8211; 2% </p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong> </strong></p>
</td>
<td width="104">
<p> </p>
</td>
<td width="151">
<p> </p>
</td>
<td width="151">
<p> </p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p>Als we Nederlanders vragen in welk kwintiel zij zelf denken te zitten zeggen zeven op tien (69%) tot de middelste vermogensgroep te behoren. Op het eerste gezicht is deze uitkomst paradoxaal in combinatie met de uitkomst dat 29% aangeeft dat hun vermogen gemiddeld is. Veertig procent schatten hun vermogen ‘iets’ hoger of lager in. Als die groepen bij elkaar worden opgeteld komen we opnieuw uit op 69 procent. Met andere woorden: als mensen zeggen ‘iets’ vermogender of minder vermogend te zijn dan anderen betekent dat dat zij zichzelf alsnog inschatten in het middelste kwintiel.</p>
<p>Behalve de allerrijksten en de allerarmsten denkt iedereen tot middenklasse te behoren. Als we de vraag verder uitsplitsen naar vermogensgrootte zien we dat bijna elke groep aangeeft tot de 20 procent middelsten te behoren. Zo geven twee op drie (65%) Nederlanders met een vermogen van tussen de 500.000 en 1 miljoen euro aan tot de middelste groep te behoren. Datzelfde geldt voor 64 procent van de Nederlanders met een vermogen tot 20.000 euro. Het is van groot belang om kiezers hierover veel beter te informeren.</p>
<p><u>Ons belastingstelsel vergroot de ongelijkheid nog eens</u></p>
<p>Het zorgt ervoor dat de sterkste schouders de lichtste lasten hebben, en de zwakste schouders de zwaarste. Het denivelleert, het verdeelt dus rijkdom van arm naar rijk. Dat is absurd en schandalig.</p>
<p>In de zomer van 2022 werd eindelijk ook door een IBO rapport van hoge ambtenaren erkend dat ons belastingstelsel de enorme ongelijkheid in inkomen (als men inkomen uit bezit, incl. de waardevermeerdering van dat bezit) én vermogen enorm vergroot. Zelfs binnen de inkomstenbelasting is dit al het geval, maar helemaal als we alle belastingen in de beschouwing betrekken. De conclusies van een groep ambtenaren die de vermogensongelijkheid in Nederland bestudeerden, zijn niet mals. Niet alleen zagen de rijkste Nederlanders hun vermogen de afgelopen jaren steeds verder groeien, het overheidsbeleid zorgt ervoor dat de verdeling alleen maar schever wordt.</p>
<p>Inkomen uit arbeid loont niet alleen veel slechter dan arbeid, arbeid wordt ook veel zwaarder belast dan vermogen. Wie geld verdient aan het verhuren van een tweede of derde huis, betaalt bijvoorbeeld veel minder belasting dan wat iemand over zijn of haar salaris aan de Belastingdienst afstaat. Dat geldt ook voor winst uit een onderneming. Het is voor rijke Nederlanders met zulke inkomsten bovendien makkelijker om belastingadviseurs in te huren en strategisch te schuiven met hun inkomsten en hun vermogen. Ook de erf- en schenkbelasting dragen bij aan de vermogensongelijkheid, voornamelijk door de zogeheten <em>&#8216;bedrijfsopvolgingsregeling&#8217;</em> (BOR). Via die regeling, bedoeld om ondernemingen voort te kunnen zetten, betaalt men veel minder belasting dan bij erf- of schenkbelasting zonder BOR. Verder kunnen vermogenden meer gebruik maken van gunstige belastingconstructies en hebben zij vaker de middelen om zich daarover te laten adviseren.</p>
<p>Erfenissen zijn sowieso een grote versneller van vermogensongelijkheid. De groep 65-plussers zag haar vermogen in de afgelopen vijftien jaar verdubbelen, doordat deze groep groter werd maar ook doordat ouderen steeds rijker worden. Omdat zij hun vermogen tegen een zeer gunstig fiscaal tarief kunnen doorgeven aan hun kinderen, komt een grote golf van geërfd geld in zicht. Maar niet alle babyboomers hebben (veel) vermogen. Wie geluk heeft, krijgt veel startkapitaal mee. Wie pech heeft, krijgt niets. Voor de jongere generaties wordt het in de komende decennia daardoor steeds bepalender hoe rijk hun ouders zijn. Piketty toonde reeds eerder aan dat we weer terug zijn in de 19<sup>e</sup> eeuw: waar je wieg staat bepaalt grotendeels je kansen op welvaart en welzijn. Een groot eigen vermogen is de beste garantie voor bestaanszekerheid.</p>
<p>In februari 2025 schreef het Financieel Onderzoek over een onderzoek van het ministerie van Financiën waaruit bleek dat vermogende families – vaak eigenaren van familiebedrijven – hun vermogen voor de fiscus verstoppen in ‘familiestichtingen’ – voor in totaal 31,5 miljard euro (!). Het ministerie waarschuwt dat binnen deze stichtingen het familiebelang vaak boven het maatschappelijk belang gaat. Het is hoog tijd de valse romantiek over familiebedrijven te doorbreken.</p>
<p>Door dit alles betaalt de rijkste top 1% relatief minder belasting dan Nederlanders met minder vermogen, concludeert het onderzoek. Ons belastingstelsel vermindert niet, maar versterkt de inkomensongelijkheid, zelfs zonder rekening te houden met inkomen uit waardestijging van bezit. Alleen de overheidsuitgaven, zoals toeslagen en bijstand zijn nog progressief. Ons belastingstelsel is in de praktijk niet progressief (de sterkste schouders dragen dan de zwaarste lasten) maar regressief: de zwakste schouders dragen de zwaarste lasten.</p>
<p><em>Tabel Belastingtarieven in Nederland</em>                                   <em>1970                2020</em></p>
<p>Btw laag                                                                                4%                   9%</p>
<p>        hoog                                                                               12%                 21%</p>
<p>Inkomstenbelasting minima                                                 36%                 36,5%</p>
<p>                                      modaal                                            48%                 41%</p>
<p>                                      rijk                                                   80%                 49,5%</p>
<p>Winstbelasting           (vennootschapsbelasting)                 48%                 17,5-21%</p>
<p>Dividendbelasting                                                                 25%                 15%</p>
<p> </p>
<p>Vanaf de jaren 1970 is ook het topbelastingtarief in de inkomstenbelasting structureel omlaaggegaan – van 80% (Den Uyl), naar 72% (Oort), naar 60% (Vermeend), naar 49,5% (Rutte III). Het toptarief wordt al snel bereikt (bij een inkomen van ruim anderhalf modaal) en is daarmee niet gericht op de echte topinkomens. Er zijn nu maar twee tariefschijven over.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1651" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-17-300x239.jpg" alt="" width="300" height="239" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-17-300x239.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-17.jpg 763w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p> </p>
<p>Nederland is niet alleen een belastingparadijs voor multinationals. Hoewel de uitbundige veelheid aan regels en regelingen het fiscale stelstel ondoorgrondelijk maakt, is de structuur ervan zonneklaar. Kapitaal en arbeid worden sinds de invoering van aparte ‘<em>boxen’</em> door het kabinet-Kok II (1998-2002) onder leiding van de PvdA bewindslieden Willem Vermeend en Rick van der Ploeg verschillend belast. En arbeid wordt – ondanks de vaste verkiezingsretoriek over hardwerkende Nederlanders – beduidend meer belast dan kapitaal.</p>
<p>Het boxenstelsel is wat dit aangaat glashelder. Inkomsten uit werk en woning worden belast in box 1. Vrijwel iedere Nederlander betaalt langs die weg belasting. In belastingbox 2 ontvangen ‘<em>aanmerkelijkbelanghouders’</em> (personen met meer dan 5 procent van de aandelen in een bv of nv) inkomsten uit dividend en winst, die veel lager worden belast dan inkomsten uit arbeid. Van deze constructie met box 2 profiteren – zo is pas onlangs gebleken – zo’n vierhonderdduizend mensen. Vaak hebben ze een klein salaris waarover inkomstenbelasting wordt afgedragen (in box 1), maar ontvangen hun overige inkomsten als winst of dividend in box 2. Een flink deel van de rijkste Nederlanders betaalt op deze manier veel minder belasting dan al hun minder verdienende medeburgers van wie de inkomsten in box 1 worden belast. Box 2, ook wel bekend als de ‘<em>pretbox’</em>, heeft daarnaast nog een keur aan andere voordelen zoals uitstelmogelijkheden, vrijstellingen en aftrekposten.</p>
<p>Internationaal bezien heeft Nederland bovendien de laagste belastingdruk op kapitaalinkomen van alle EU-landen. Sinds het boxenstelsel eendrachtig door minister Zalm (VVD) en staatssecretaris Vermeend (PvdA) in 2001 werd ingevoerd, moet de vermogensongelijkheid dus substantieel zijn toegenomen, zowel binnen Nederland als tussen Nederland en de overige EU-landen. Recente studies van de OESO en de Utrechtse onderzoekers Toussaint en Van Bavel bevestigen dit: Nederland behoort tot de landen met de meest ongelijke vermogensverhoudingen in de wereld. Op een opvallend terloopse manier liet het ministerie van Financiën mei 2020 weten dat het totale vermogen van de groep <em>‘aanmerkelijkbelanghouders’</em> 400 miljard bedraagt. Dat is, zo werd eraan toegevoegd, tweemaal meer dan werd aangenomen. Terwijl de Belastingdienst rechthebbende burgers willens en wetens toeslagen heeft onthouden, moeten we dus wel aannemen dat dezelfde dienst jarenlang nalatig is geweest bij de vermogensregistratie en belastingheffing van de rijkste landgenoten.</p>
<p>Bij de pret van box 2 komt dan nog het plezier van box 3, waarin vermogen in de vorm van spaargeld, beleggingen of een tweede huis worden belast. De fiscale behandeling van vastgoed is daarvan het meest schrijnende voorbeeld. Inkomsten uit verhuur worden veel minder belast dan inkomsten uit arbeid. Ook hier doet het boxenstelsel zijn werk: huurinkomsten vallen in box 2 als de verhuurders een bedrijf vormen, in box 3 als het particulier vermogen betreft. Terwijl woningbouwcorporaties door het kabinet Rutte II hoge extra belastingen is opgelegd (2 miljard aan ‘<em>verhuurderheffing’</em>), die onder Rutte III zijn gecontinueerd, worden beleggers op diverse manieren bevoorrecht. Sinds de financiële crisis van 2008 zijn investeringsfirma’s grootscheeps huizen gaan opkopen. Blackstone, het grootste Amerikaanse <em>private equity</em>-bedrijf, is uitgegroeid tot een van de machtigste vastgoedimperia in de wereld. Van de tien miljoen Amerikanen die door de fraude met hypotheken hun huis verloren, zijn de woningen goeddeels terecht gekomen bij een klein aantal van deze financiële firma’s. Woningbezit ging <em>en masse</em> over van bewoners naar beleggers. San Francisco is sindsdien de stad met de hoogste huren van de VS en het laagste percentage eigenwoningbezit. Niet zelden hebben mensen die buiten hun schuld hun huis moesten verkopen, het moeten terughuren van de ‘<em>aasgieren</em>,’ de <em>vulture capitalists</em>, die het in bezit kregen. Blackstone was de grootste profiteur, en bestuursvoorzitter Schwarzman klom naar de 24ste plaats op de miljardairslijst van <em>Forbes</em>. Voor grootbeleggers als Blackstone stellen tot voor kort ook Nederlandse makelaars pakketten samen van woningen, huizenblokken en wooncomplexen. De vastgoedafdelingen daarvan maximaliseren de huren, proberen onderhoudskosten af te wentelen op huurders en bouwen niks bij, want schaarste loont. Naast parasitaire beleggingsfirma’s zijn ook vermogende particulieren ‘<em>pandjes’</em> gaan kopen. De huurinkomsten daarvan vallen in box 3, wat betekent dat hierover in de praktijk niet of nauwelijks belasting wordt betaald. Hoe leuk kun je het maken voor de huisjesmelkende medemens? Tijdens de coronacrisis stegen de huizenprijzen dan ook gewoon door. In 2020 kwam al veertig procent (!) van de woningtransacties in de grote steden in Nederland voor rekening van particuliere beleggers. Ook zij drijven de huizenprijzen op, verhogen de huren (marktconformisme is de hoogste deugd), bouwen niets bij en betalen over de ontvangen huurinkomsten geen of maar een schijntje van de belasting die ze verschuldigd zouden zijn als hierover gewoon inkomstenbelasting zou worden geheven.</p>
<p>Het boxenstelsel waarop de Nederlandse belastingheffing berust is een wangedrocht. De inkomsten van het overgrote deel van de bevolking vallen in box 1 en worden progressief belast: hoe hoger je loon, hoe hoger het belastingtarief. Worden de andere boxen in de beschouwing betrokken, dan blijkt het stelsel als geheel regressief te zijn. Dat zet een van de principes van belastingheffing, het draagkrachtbeginsel, op zijn kop: <em>de sterkste schouders worden het minst belast.</em> Net als in de VS leidt dat tot een opwaartse herverdeling van inkomsten en bezit, houdt het de groeiende ongelijkheid gaande en heeft het perverse gevolgen. Het stimuleert een <em>rentenierseconomie</em> waarin bezit en speculatie lucratiever zijn dan produceren, remt nuttige bestedingen en productieve investeringen en verdrijft lagere en middeninkomens uit de steden, waar ze hard nodig zijn. Op onderdelen circuleren voorstellen tot hervorming. Hoe verstandig en vernuftig die ook zijn, ze lopen het risico de onoverzichtelijkheid van de belastingheffing te bestendigen. Alleen een radicale en samenhangende hervorming kan het fiscale bestel werkelijk duurzamer en socialer maken.</p>
<p>Van de fiscale herzieningen van de afgelopen decennia hebben allereerst ondernemingen geprofiteerd. Het officiële tarief van de vennootschapsbelasting is gehalveerd en er is een internationaal systeem van belastingontwijking ontstaan dat grote bedrijven volop benutten. Ook om speciale <em>tax rulings</em> in Nederland af te dwingen, speciale afspraken met de Belastingdienst die vastleggen hoeveel belasting er betaald moet worden en welke fiscale constructies toegestaan zijn. De overheid wil ermee bereiken dat grote bedrijven zich in Nederland vestigen, die bedrijven proberen er zo laag mogelijke belastingen mee te krijgen. Vroeg in de coronacrisis kwam aan het licht dat Booking.com 2 miljard euro aan fiscaal voordeel had gekregen vanwege een ‘<em>innovatieregeling’</em>. En zo zijn er meer regelingen, véél meer. De belastingdruk voor grote ondernemingen is hierdoor in Nederland bijzonder laag, gemiddeld zo’n 9 procent, beduidend minder dan het officiële tarief van de vennootschapsbelasting. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) publiceerde in 2020 voor het eerst een vergelijkende studie over de winst- en vennootschapsbelasting van multinationale ondernemingen. En? Met de Britse Maagdeneilanden, Bermuda en de Kaaimaneilanden behoort Nederland tot de categorie belastingparadijzen.</p>
<p>De laatste jaren zijn er een flink aantal maatregelen genomen om af te komen van de reputatie van Nederland als belastingparadijs. Toch mogen we als land de vlag nog niet uithangen. Zo heeft Nederland onlangs nog de Spaanse woede op zijn hals gehaald door een verhuizing van het bedrijf <em>Ferrovial</em> naar Amsterdam. Hoewel ze claimen dat het voornamelijk gaat om betere regelgeving voor een dubbele notering op de beurs, verdenken de Spanjaarden de voordelige fiscale behandeling van bedrijven als echte reden voor de verhuizing. Zelfs nu klassiekers in de belastingontwijking, zoals de <em>Double Dutch with an Irish Sandwich</em>, niet langer bestaan en Nederland niet altijd meer zelf de eindbestemming van ontwijking is, zijn we nog altijd spin in het web. Nederland telt meer dan twaalfduizend brievenbusfirma’s, die tezamen een omvang hebben van meer dan vijf keer de Nederlandse economie. Nederland trekt in de statistieken nog altijd meer “<em>investeringen</em>” aan dan Duitsland en China samen, omdat een groot deel daarvan spookinvesteringen zijn. En er stroomde in absolute zin ook afgelopen jaar meer geld door Nederland dan door welk ander land ter wereld dan ook. Dat moet anders.</p>
<p><u>Het systeem loopt vast</u></p>
<p>De bestaande systemen van de overheid lopen mede daardoor vast in hun complexiteit en intern strijdige fundamenten, met een groeiend gebrek aan vertrouwen in overheid en politiek als gevolg. Neofascistische, extreemrechtse zondebokken-en-bizarre-complotten-populisten varen er wel bij.</p>
<p>En het gevolg is ook een economie die draait op vervuiling, onrecht en uitbuiting. In dit gave land zijn 40.000 gezinnen, zo’n 150.000 mensen, afhankelijk van Voedselbanken. Bij ongewijzigd beleid voorspelt het CPB weer meer mensen in armoede, bijna 1 miljoen.</p>
<p>De enorme ongelijkheid accelereert bovendien exponentieel – zo werden de vijf rijkste mensen ter wereld sinds 2020 14 miljoen dollar <em>per uur</em> rijker, terwijl tegelijkertijd 800 miljoen werknemers een maandsalaris aan besteedbaar inkomen verloren. Nederland behoort tot de selecte kopgroep van rijkste landen ter wereld met een record bbp van 1000 miljard euro, maar deze rijkdom komt maar bij een zeer selecte groep burgers en bedrijven terecht. Dit wordt onder meer geïllustreerd doordat de enorme groei van het nationaal inkomen voor zo’n 75% veroorzaakt wordt door prijsstijgingen, graaiflatie (door winstneming gedreven prijsstijgingen), en niet door reële groei van onze economie. De achterblijvende productiviteitsstijging is daar ook een illustratie van.</p>
<p>Nederland dreigt net als de VS te vervallen tot een plutocratie, een samenleving waar de rijke happy few zoveel economische macht concentreren, dat het de verzorgingsstaat én de democratische rechtsstaat uitholt. Dat is niet alleen een acute dreiging voor welvaart en welzijn voor de samenleving als geheel, maar creëert ook een ideale voedingsbodem voor het fascisme. Sterker nog, de VS laat zien hoe de superrijken actief hun machtspositie beschermen en vergroten door een coalitie te smeden met Amerikanen uit de midden- en arbeidersklasse, in een strijd tegen progressieve, inclusieve waarden en klimaatpolitiek. Mensen worden tegen elkaar opgezet langs nationalistische, cultureel-conservatieve en racistische lijnen. Het is een plutocratische variant op identiteitspolitiek – een cultuuroorlog als opium voor het volk, die afleidt van de financieel-economische machtsconcentratie.</p>
<p>En – last but not least – zijn er nog enorme bedreigingen en risico’s doordat rechts, daarbij opgestookt door de werkelijke, rechtse elite, die daar grote private belangen heeft, nalaat werkelijk een einde te maken aan de klimaatopwarming en natuur- en milieuvernietiging. Voor zover dat wel gebeurt, wordt de door uitstel steeds stijgende rekening gepresenteerd aan gewone huishoudens, en worden de vervuilers juist zwaar gesubsidieerd. Juist Nederland, met grote bevolkings- en veedichtheid, zeer lage ligging in een grote rivierrendelta, is uiterst kwetsbaar, maar we steken nog steeds ons hoofd in de grond. Dat aanpakken vraagt ook een heel ander verdienmodel voor ons land.</p>
<p> </p>
<p><a href="#_ednref5" name="_edn5">[v]</a> <strong>Geen Participatiewet ‘in balans brengen’ maar deze verschrikkelijke wet afschaffen</strong></p>
<p>Buiten de consultancy is ook politiek rechts nog steeds enthousiast. Al vinden ze vooral bij gematigd rechts dat het wel wat te ver doorgeschoten is. De Participatiewet moest ook van CU-minister Carola Schouten, nu burgemeester van Rotterdam, worden aangepast. Er kwam in december 2023 een heel <em>‘Programmaplan Participatie in Balans’</em> (<a href="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2023/12/21/programmaplan-participatiewet-in-balans">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2023/12/21/programmaplan-participatiewet-in-balans</a>).</p>
<p><em>“We hebben de afgelopen jaren gezien dat de Participatiewet niet voor iedereen werkt zoals dit zou moeten. Mensen in de bijstand ervaren de wet soms als hard en ingewikkeld. Zij voelen zich benaderd vanuit wantrouwen in plaats van vertrouwen. En ook gemeenten ervaren weinig ruimte om te doen wat nodig is. Duidelijk is dat een herziening van de Participatiewet nodig is waardoor er ruimte is voor de menselijke maat en waardoor we kunnen zorgen voor bestaanszekerheid voor iedereen. Om dit te bereiken is een cultuuromslag én een ander mensbeeld nodig: van denken in systemen naar denken vanuit wat mensen nodig hebben. Daar gaan we mee aan de slag.“</em></p>
<p>Het Programmaplan werkt met ‘<em>drie spore</em>n’. Belangrijk doel is ‘<em>dingen simpeler</em>’ maken. Het eerste spoor “<em>is een pakket van ruim twintig wetswijzigingen dat al op korte termijn verandering gaat brengen: mensen krijgen meer rechtszekerheid en inkomenszekerheid. Met deze wetswijziging laten we de regels en ondersteuning binnen de Participatiewet beter aansluiten op de mogelijkheden en omstandigheden van de mensen voor wie ze bedoeld zijn. De uitvoering krijgt meer ruimte om te kunnen doen wat  in het individuele geval nodig is</em>.” Dat is het wetsvoorstel Participatie in Balans geworden. Zo komt er bijvoorbeeld een vrijlating voor giften tot € 1.200 en krijgen gemeenten de mogelijkheid om een bufferbudget toe te kennen aan bijstandsgerechtigden die in deeltijd gaan werken. Ook wordt de afstemming van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen geschrapt (maar elders weer in andere vorm heringevoerd). Het wetsvoorstel werd in juni 2024 bij de Tweede Kamer ingediend en is nog in de fase van schriftelijke voorbereiding (in december 2024 was er de laatste activiteit, met een Nota naar aanleiding van het verslag en een Nota van Wijziging).</p>
<p>In het Verslag vanuit de Tweede Kamer bij dit wetsvoorstel stelt de fractie van GL-PvdA onder meer “<em>dat het fundament waarop de Participatiewet is gebouwd volstrekt ongeschikt is voor hetgeen een sociaal vangnet zou moeten doen, namelijk het bieden van bestaanszekerheid? Acht de regering net als deze leden het risico aanzienlijk dat wanneer de systematiek van de Participatiewet in stand wordt gelaten, de problemen niet fundamenteel worden opgelost? Op welke termijn gaat de regering aan de slag met de fundamentele herziening van de Participatiewet?”</em></p>
<p>De huidige minister van SZW, van Hijum (NSC) antwoordt dat er inderdaad een fundamentele herziening nodig is. “<em>Uit verschillende onderzoeken en uit signalen van gemeenten en ervaringsdeskundigen blijkt dat de Participatiewet uit balans is. De Participatiewet wordt ervaren als een (te) complexe wet. Dit zorgt voor onzekerheid over rechten en plichten, met onbedoelde fouten tot gevolg. Ook leidt het ertoe dat mensen de stap naar werk niet zetten. De Participatiewet moet begrijpelijk en voorspelbaar zijn. Op basis van de wet moet rekening gehouden kunnen worden met individuele mogelijkheden en omstandigheden. Het fundament is dus inderdaad toe aan een herziening. Dat is volgens het kabinet de noodzakelijke vervolgstap bij het in balans brengen van de wet.”</em></p>
<p>Van Hijum verwijst naar het tweede spoor uit het Programmaplan van zijn voorgangster. Spoor twee behelst “<em>een meer fundamentele herziening van de Participatiewet nodig waarbij de menselijke maat, vertrouwen en eenvoud centraal staan. Dit is een lange termijn opgave en wordt opgepakt in spoor 2. We kijken naar de uitgangspunten van de wet en leggen een nieuwe basis. We willen een voorspelbaar en begrijpelijk vangnet met ruimte voor individuele ondersteuningsbehoeften.”</em></p>
<p>Van Hijum stelt dat de voorbereidingen daarvan onder Rutte IV al van start zijn gegaan. “<em>Hierbij wordt onder andere in kaart gebracht hoe mensen beter ondersteund kunnen worden naar participatie Specifiek wordt nagedacht over opties om mensen zonder of met beperkt arbeidsvermogen die nu bijstand ontvangen, beter te ondersteunen, zoals de onafhankelijke commissie voor de toekomst van het arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) adviseerde</em>.”</p>
<p>“<em>Het uitgangspunt van de herziening is de met gemeenten en andere partijen opgestelde probleemanalyse, die dit najaar met uw Kamer wordt gedeeld. De planning is erop gericht om de nieuwe beleidstheorie en de beleidsopties in het eerste kwartaal van 2025 met uw Kamer te delen. Daarbij geldt dat de budgettaire kaders in acht worden genomen. Hierover ga ik graag in debat met de Kamer. De uitkomst daarvan leidt tot het verder uitwerken van opties en het schrijven van een wetsvoorstel voor een nieuwe Participatiewet.”</em></p>
<p>En dan is er nog een derde spoor. “<em>In spoor 3 werken we aan een cultuuromslag, want alleen met het wijzigen van de wet zijn we er nog niet. Het verschil wordt uiteindelijk écht gemaakt in het contact met mensen. De contacten tussen de professionals en burgers. We werken daarom ook aan een derde spoor gericht op het versterken van de vakkundigheid bij professionals uit verschillende lagen bij gemeenten. Met als doel dat zij de ruimte ervaren om náást de bijstandsgerechtigden te staan</em>.”</p>
<p>Bemoedigend is het dat onze GL-PvdA fracties in hun vragen in het Verslag pleiten voor afschaffing van de sollicitatieplicht, van de participatieplicht (die de tegenprestatie moet gaan vervangen in de visie van minister Van Hijum) en van de taaleis. Zorgelijk is het dat bijna alle andere fracties – voor zover ze zich ermee bemoeien, de PVV schitter ook hier door afwezigheid) juist vragen stellen waarin ze zich zorgen maken over de versoepelingen en mogelijk misbruik ervan. Het uitgangspunt van meer vertrouwen in de uitkeringsgerechtigden lijkt nog maar weinig doorleefd te zijn. En de regering is zeer terughoudend in nog meer versoepelingen, verwijzend vooral naar de kosten daarvan.</p>
<p>Een overzicht van de 20 maatregelen in het wetsvoorstel Participatiewet in Balans:  </p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td>
<p><strong>Onderwerp </strong></p>
</td>
<td>
<p><strong>Kern</strong></p>
</td>
<td>
<p><strong>Burgerperspectief</strong></p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Harmonisatie aanvullende bijstand jongerennorm</p>
</td>
<td>
<p>De aanvulling op de jongmeerderjarigen-norm (18–21 jaar) wordt in beginsel gelijk voor alle gemeenten. Dit betekent dat gemeenten aanvullend 634 euro aan jongeren kunnen geven wanneer ze redelijkerwijs geen steun van hun ouders krijgen. Wanneer blijkt dat dit bedrag niet voldoende is, kan de gemeente het bedrag verhogen. Als blijkt dat het bedrag te hoog is, kan de gemeente het verlagen.</p>
</td>
<td>
<p>De jongmeerderjarigen krijgen meer zekerheid dat de bijstand die zij ontvangen voldoende is om noodzakelijke kosten te kunnen betalen De grote verschillen tussen gemeenten worden hiermee zoveel mogelijk verkleind.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Giften</p>
</td>
<td>
<p>Introductie van een standaard giftenvrijlating van € 1.200 per jaar.</p>
</td>
<td>
<p>Niet iedere gift moet meer worden gemeld bij de gemeenten. Melding is alleen nodig, als het totaal aantal giften boven de € 1.200 per jaar uitkomt. De giften die worden ontvangen, moeten worden bijgehouden door de bijstandsgerechtigde zelf.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Vermogen</p>
</td>
<td>
<p>Wanneer een burger een bijstandsuitkering aanvraagt, wordt gekeken naar het totale vermogen. Dit blijft ook gedurende de loop van de bijstand het uitgangspunt. Dus vermogen = totale vermogen– schulden.</p>
</td>
<td>
<p>Voortaan wordt er rekening gehouden met zowel het huidige vermogen en de huidige schulden. Melding (in het kader van de inlichtingenplicht) is alleen nodig wanneer toenamen in bezit leiden tot een vermogen boven de geldende vermogensgrens en moeten dus door de bijstandsgerechtigde zelf worden bijgehouden.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Vierwekenzoektermijn jongeren tot 27 jaar</p>
</td>
<td>
<p>De vierwekenzoektermijn blijft van kracht. De gemeente krijgt wel de mogelijkheid om in knellende situaties geen gebruik te maken van de vierwekenzoektermijn.</p>
</td>
<td>
<p>Als er een uitzondering wordt gemaakt op de vierwekenzoektermijn, kan de jongere meteen een bijstandsuitkering krijgen.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Bijstand met terugwerkende kracht</p>
</td>
<td>
<p>De gemeente krijgt de mogelijkheid om een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht te verstrekken. Dit kan de gemeente doen als de individuele omstandigheden daarom vragen. De maximale lengte is tot en met 3 maanden terug.</p>
</td>
<td>
<p>Indien nodig, kan de bijstand worden verleend voor de periode direct voorafgaand aan het moment waarop een burger bijstand heeft aangevraagd. Dit kan schulden voorkomen / financiële problemen verkleinen.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Gezamenlijke huishouding</p>
</td>
<td>
<p>Uit jurisprudentie volgt dat artikel 3, vierde lid, onderdeel a, Pw op onderdelen in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Die strijdigheid wordt weggenomen.</p>
</td>
<td>
<p>Dit heeft geen gevolgen voor de bijstandsgerechtigden, omdat gemeenten de jurisprudentie van de CRvB al volgen.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Bijstandsnorm voor hen met niet-rechthebbende partner</p>
</td>
<td>
<p>De bijstandsuitkering voor een bijstandsgerechtigde met een partner die geen recht heeft op bijstand wordt verhoogd. Als de partner inkomsten heeft, worden deze verrekenend.</p>
</td>
<td>
<p>Deze groep krijgt standaard hetzelfde bedrag aan bijstand als alleenstaanden.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Bijstandsnorm alleenstaande ouder zonder ALO-kop</p>
</td>
<td>
<p>Een bijstandsgerechtigde met een niet-rechthebbende partner (bijvoorbeeld omdat deze in het buitenland of in de gevangenis verblijft) en met in Nederland wonende kinderen, heeft geen recht op extra kindgebonden budget. Dit komt door verschillende partnerbegrippen in verschillende wetten. In jurisprudentie is bepaald dat het bedrag van de bijstandsuitkering in deze situaties wordt verhoogd. Dit wordt nu ook vastgelegd in de wet. Als de niet-rechthebbende partner inkomsten heeft, kunnen deze verrekend worden met de bijstand van de bijstandsgerechtigde.</p>
</td>
<td>
<p>De bijstandsgerechtigde met een niet-rechthebbende partner die wel kinderen heeft in Nederland, kan recht hebben op een hogere bijstandsuitkering.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Onmiddellijk indienen aanvraag</p>
</td>
<td>
<p>Vaak kunnen burgers meteen een bijstandsaanvraag indienen als hier een melding voor wordt gemaakt bij de uitvoeringsorganisatie of gemeente. Voor de enkele situaties waar dat nog niet zo is, wordt geregeld dat zodra er een melding wordt gedaan, het meteen mogelijk moet zijn om een uitkering aan te vragen.</p>
</td>
<td>
<p>Burgers hoeven niet langer te wachten voor het aanvragen van een bijstandsuitkering. Dit wordt mogelijk zodra een melding is gedaan.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Gelijkstelling diverse aanvragen</p>
</td>
<td>
<p>Voorgesteld wordt om de aanvraagdatum van de eerst aangevraagde uitkering (bijstand, Bbz, IOA, IOAZ) bij een gemeente als meldingsdatum voor een bijstandsaanvraag te hanteren.</p>
</td>
<td>
<p>Als een burger per ongeluk de verkeerde uitkering aanvraagt in plaats van een bijstandsuitkering, wordt de datum van de eerste (verkeerde) aanvraag gebruikt. Hierdoor loopt de burger geen uitkering mis in de tijd tussen de verschillende aanvragen.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Verruiming van de bijverdiengrenzen</p>
</td>
<td>
<p>De verschillende vrijlatingsregelingen worden hetzelfde gemaakt in één vrijlating. De vrijlating bedraagt 15% voor de periode van 1 jaar. De gemeente kan besluiten de vrijlating te verlengen als men niet meer uren kan werken wegens individuele omstandigheden. De structurele vrijlating voor mensen met een medische uren beperking blijft behouden.</p>
</td>
<td>
<p>Er komt één bijverdienregeling, waardoor duidelijker wordt welk deel van de bijverdiensten een bijstandsgerechtigden mogen houden. Het doel is om werken vanuit de bijstand of in combinatie met een bijstandsuitkering aantrekkelijker te maken door de overgang tussen uitkering en werk makkelijker te maken en het hebben van werk én uitkering te versoepelen.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Versoepelen aanvraagprocedure</p>
</td>
<td>
<p>De aanvraagprocedure wordt vereenvoudigd: 1) Het wordt mogelijk om bijstand toe te kennen op basis van DigiD. Hierdoor kan de hele aanvraag digitaal plaatsvinden. 2) Identificatie mag voortaan ook op basis van een rijbewijs 3) Bijstandsgerechtigden die uit de bijstand zijn gestroomd en binnen 12 maanden weer instromen kunnen gebruik maken van een verkorte aanvraagprocedure, waarbij gegevens van eerdere aanvragen gebruikt mogen worden.</p>
</td>
<td>
<p>De aanvraagprocedure wordt vereenvoudigd: 1) Het wordt mogelijk om bijstand toe te kennen op basis van DigiD. Hierdoor kan de hele aanvraag digitaal plaatsvinden. 2) Identificatie mag voortaan ook op basis van een rijbewijs 3) Bijstandsgerechtigden die uit de bijstand zijn gestroomd en binnen 12 maanden weer instromen kunnen gebruik maken van een verkorte aanvraagprocedure, waarbij gegevens van eerdere aanvragen gebruikt mogen worden. Het aanvraagproces voor een bijstandsuitkering wordt vereenvoudigd.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>(Automatisch) verrekenen op uniforme wijze</p>
</td>
<td>
<p>Door een uniforme wijze van het berekenen van het netto-inkomen voor te schrijven, wordt (automatisch) verrekenen op basis van de gegevens uit de polisadministratie mogelijk gemaakt. Ook wordt het transactiestelsel verduidelijkt.</p>
</td>
<td>
<p>Het loonstrookje hoeft niet meer in alle gevallen maandelijks te worden aangeleverd. Dit vermindert de lastendruk en kan het proces in veel gevallen bespoedigen. Door deze maatregel wordt de inkomensonzekerheid verkleind.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Vereenvoudiging verrekenen</p>
</td>
<td>
<p>Er komt regelgeving waarin de standaardwijze voor het verrekenen van de eindejaarsuitkering, vakantiebijslag en keuzebudget wordt opgenomen. Dit maakt het verrekenproces eenduidiger. Ook wordt voorkomen dat bijstandsgerechtigden met inkomen naast de bijstand door het verrekenen van dit inkomen op maandbasis onder de bijstandsnorm terechtkomen.</p>
</td>
<td>
<p>Door het verreken van vakantiegeld, eindejaarsuitkering en keuzebudget op een standaardwijze wordt zoveel mogelijk uniformiteit geborgd en is het makkelijker uit te leggen. Ook wordt de inkomenszekerheid hierdoor bevorderd.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Bufferbudget</p>
</td>
<td>
<p>Met het bufferbudget wordt een nieuw maatwerkinstrument geïntroduceerd om de financiële problemen – die ontstaan door het verreken van inkomsten – op te vangen en het bijstandsniveau te kunnen garanderen. Het bufferbudget bedraagt maximaal € 1.000 per jaar en wordt toegekend en beheerd door de gemeenten. Het college krijgt de mogelijkheid om een bufferbudget toe te kennen in een individueel geval als andere instrumenten zijn uitgeput of niet kunnen worden toegepast.</p>
</td>
<td>
<p>Er komt een budget dat schommelingen door het verrekenen van inkomen kan opvangen. Dit leidt tot meer financiële zekerheid op het moment dat een bijstandsgerechtigde naast de uitkering werkt en stimuleert daarmee de arbeidsinschakeling.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Generieke participatieplicht</p>
</td>
<td>
<p>De gemeenten krijgen de mogelijkheid om de participatieplicht per persoon verder aan te vullen met specifieke verplichtingen die gepast zijn gelet om de omstandigheden en mogelijkheden van het individu. De specifieke verplichtingen die nu in de wet zijn opgenomen worden geschrapt.</p>
</td>
<td>
<p>De bijstandsgerechtigde heeft een participatieplicht. Dit houdt in dat iemand naar vermogen algemeen geaccepteerd arbeid moet verkrijgen, accepteren, behouden en gebruik te maken van een door de gemeente aangeboden (reïntegratie) voorziening. Indien arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, is de persoon verplicht naar vermogen maatschappelijk te participeren Zo nodig kan de gemeente extra verplichtingen opleggen. Dit wordt aan de bijstandsgerechtigde duidelijk gemaakt. Standaard specifieke verplichtingen, zoals het bereid moeten zijn om drie uur te reizen voor werk, komen te vervallen.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Maatschappelijke participatie</p>
</td>
<td>
<p>Maatschappelijke participatie is onderdeel van de generieke participatieplicht. Een bijstandsgerechtigde krijgt het recht om maatschappelijke participatie zelf vorm te geven. Daarnaast kunnen zij ondersteuning krijgen bij deze vormgeving. Gemeenten ontwikkelen beleid met betrekking tot maatschappelijke participatie.</p>
</td>
<td>
<p>Bijstandsgerechtigden die niet (direct) kunnen werken, krijgen meer ruimte om hun maatschappelijke participatie zelf vorm te geven. Tegelijkertijd kunnen zij ook een aanspraak maken op ondersteuning, conform het gemeentelijk beleid.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Maatregelenbeleid</p>
</td>
<td>
<p>Er komt een maatregelenbesluit waarin gemeenten meer ruimte krijgen om bij het opleggen van maatregelen rekening te houden met de individuele omstandigheden. De standaard-verlagingen die op dit moment in de wet zijn opgenomen komen te vervallen.</p>
</td>
<td>
<p>Als een bijstandsgerechtigde niet aan de verplichtingen voldoet, kan een meer passende maatregelen opgelegd worden. De automatisch «harde» maatregelen komen te vervallen.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Ruimte voor mantelzorg</p>
</td>
<td>
<p>Er wordt in de wet opgenomen dat mantelzorg geen op loon te waarderen arbeid is en dat – als men samenwoont vanwege de intensieve mantelzorg die wordt verleend – dit niet als gemeenschappelijk huishouden kan worden gezien.</p>
</td>
<td>
<p>Mantelzorgers kunnen mantelzorg verlenen zonder te hoeven vrezen voor de gevolgen voor de uitkering.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Verbreden experimenteerartikel</p>
</td>
<td>
<p>Experimenten mogen in het vervolg ook gericht zijn op maatschappelijke participatie, loonkostensubsidie en permanente ontheffingen. Daarnaast wordt de totale looptijd van experimenten verruimd naar 5 jaar.</p>
</td>
<td>
<p>Dit heeft niet direct gevolgen. Als een gemeente een experiment wil uitvoeren, krijgt zij hier meer ruimte voor. Als dit de gemeente is waar de bijstandsgerechtigde woont, kunnen zij mogelijk deelnemen aan het experiment.</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Aanpassing toegangseis IOAZ</p>
</td>
<td>
<p>Zelfstandigen van 55 jaar en ouder die tot drie maanden voor de aanvraag van IOAZ hun bedrijf of beroep beëindigd hebben, kunnen alsnog toegang krijgen tot de IOAZ als zij ook aan de andere vereisten voldoen.</p>
</td>
<td>
<p>Oudere gewezen zelfstandigen die zich eerst hebben gericht op het beëindigen van het bedrijf of beroep en daarna pas een aanvraag doen voor IOAZ, krijgen alsnog de gelegenheid om IOAZ aan te vragen.</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Daarnaast is er nog een oerwoud aan wetsvoorstellen in voorbereiding:</p>
<p><em>Wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid</em></p>
<p>Dit wetsvoorstel regelt dat er een overkoepelend stelsel komt voor handhaving in de sociale zekerheid. Het huidige boetestelsel gaat hiermee flink op de schop. Gemeenten krijgen bijvoorbeeld meer mogelijkheden om af te zien van het opleggen van een sanctie. Ook moet een vergissing bij het aanvragen van sociale regelingen niet direct leiden tot een boete. Het huidige regime is te streng. Het wetsvoorstel is na een internetconsultatie, met vele zeer kritische reacties, onder meer van de Raad voor de Rechtspraak (<a href="https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Heroverweeg-wetsvoorstel-handhaving-sociale-zekerheid.aspx">https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Heroverweeg-wetsvoorstel-handhaving-sociale-zekerheid.aspx</a>), op 17 februari 2025 voor advies naar de Raad van State gestuurd. Het persbericht schrijft onder meer: “<em>Ook wil de minister bij terugvorderingen meer aandacht voor fouten door de overheid. Het wetsvoorstel richt zich verder veel meer op preventie: het voorkomen van overtredingen is zinvoller dan streng bestraffen wanneer het misgaat. Het wetsvoorstel gaat uit van meer vertrouwen in mensen en begrip voor hun situatie.”</em></p>
<p><em>Wetsvoorstel Maatwerk bij terugvordering</em></p>
<p>Vreemd genoeg maakt terugvordering van bijstand, ook een belangrijk onderdeel van handhaving binnen de Participatiewet, geen onderdeel uit van het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid. Hiervoor is weer een apart wetsvoorstel, namelijk het wetsvoorstel Maatwerk bij terugvordering. Gemeenten, het UWV en de SVB krijgen met dit voorstel meer beslissingsruimte bij terugvordering. Zo komen er nieuwe uitzonderingen op de verplichte terugvordering bij overtreding van de inlichtingenplicht. Van terugvordering kan worden afgezien bij verminderde verwijtbaarheid. Ook is dit mogelijk als terugvorderen tot onaanvaardbare resultaten zou leiden. Daarnaast wordt de bevoegdheid tot herziening en intrekking beperkt tot vijf jaar voorafgaand aan het herzienings- of intrekkingsbesluit. Dit wetsvoorstel ligt nog in de internetconsultatie, waar het net als het hierboven genoemde wetsvoorstel, veel kritiek kreeg.</p>
<p><em>Wetsvoorstel Versterking waarborgfunctie Awb</em></p>
<p>Via dit wetsvoorstel wordt de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) op een aantal punten gewijzigd. Het doel van de voorstellen is de dienstverlening door de overheid te verbeteren. Ook moet het maatwerk en de menselijke maat in het bestuursrecht worden versterkt. Daarnaast wordt gekeken naar een aanpassing in de Awb, waardoor de mogelijkheid wordt toegevoegd om af te wijken van de wet als de toepassing ervan leidt tot een onevenredige uitkomst. Het wetsvoorstel is in belangrijke mate geïnspireerd door het Toeslagenschandaal. Ook dit wetsvoorstel ligt nog in de internetconsultatie.</p>
<p><em>Wetsvoorstel Proactieve dienstverlening SZW</em></p>
<p>Het UWV, de SVB en gemeenten krijgen met dit wetsvoorstel de bevoegdheid burgers actief te wijzen op uitkeringen en voorzieningen waar zij mogelijk recht op hebben. Hieronder valt ook de Participatiewet. Hierdoor mogen deze dienstverleners in contact treden met mensen die mogelijk recht hebben op een uitkering of voorziening. Het doel daarvan is om het gebruik van regelingen te bevorderen en de bestaanszekerheid vergroten. De beoogde datum voor inwerkingtreding is 1 juli 2025. Dat gaat niet gehaald worden, het is pas op 14 februari 2025 voor advies naar de Raad van State gestuurd.</p>
<p> </p>
<p><a href="#_ednref6" name="_edn6">[vi]</a> <strong>Erfenissen zijn een grote doorgever van daardoor steeds groter wordende onrechtvaardige en schadelijke ongelijkheid</strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p>We staan aan de vooravond van een historisch grote overdracht van rijkdom. De komende decennia overlijdt (helaas) een generatie mensen die niet alleen groot is maar ook welvarend: de babyboomers, grofweg geboren tussen 1946 en 1960. Zij laten zoveel geld na dat er al superlatieven voor worden bedacht: een erfenistsunami (<a href="https://fd.nl/samenleving/1535762/hoogleraar-erfrecht-bernard-schols-er-komt-een-tsunami-aan-erfenissen-aan">Hoogleraar erfrecht Bernard Schols: ‘Er komt een tsunami aan erfenissen aan’</a>), een erfenislawine, de Grote Vermogensoverdracht.</p>
<p>Er worden schattingen gemaakt om hoeveel geld het gaat: wereldwijd zou het om 105.000 miljard dollar tot 2050 gaan. Het is nattevingerwerk, berekend door vermogensadviseurs die klaar staan om alle nieuwe rijken hulp te bieden.</p>
<p>Hoe groot het te erven bedrag in Nederland is, is niet precies te zeggen. Het hangt af van hoe oud babyboomers worden, of ze al voor hun overlijden veel aan hun kinderen schenken, maar ook van huizenprijzen en aandelenkoersen. In 2022 was er in Nederland 2.490 miljard euro aan vermogen volgens het CBS (<a href="https://longreads.cbs.nl/materiele-welvaart-in-nederland-2024/vermogen-van-huishoudens/">Vermogen van huishoudens &#8211; Materiële welvaart in Nederland 2024 | CBS</a>), het vermogen in pensioenfondsen niet meegerekend.</p>
<p>Een groot deel daarvan zit in huizen. In 2020 was het vermogen van 65-plussers meer dan 700 miljard euro, berekende een groep ambtenaren (<a href="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/07/08/ibo-vermogensverdeling-5-juli-2022">IBO Vermogensverdeling &#8211; Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling | Rapport | Rijksoverheid.nl</a>). Door de gestegen huizenprijzen is dat bedrag de afgelopen vier jaar gegroeid. Bijna 6 op de 10 huishoudens hadden een eigen woning in 2022. De eigen woning vormde met 62 procent van de bezittingen het grootste vermogensbestanddeel. In 2021 was dit 58 procent. Het grotere aandeel van de eigen woning houdt verband met de verder gestegen prijzen van bestaande koopwoningen in 2022, zie CBS (2024). Na de eigen woning volgen het aanmerkelijk belang (13 procent) en bank- en spaartegoeden (11 procent). Het aandeel van het ondernemingsvermogen in de bezittingen was met 3 procent relatief klein.</p>
<p>Op 1 januari 2022 waren er 4,5 miljoen huishoudens met een eigen woning. Bij 100 duizend huishoudens was de waarde van deze woning lager dan de hypotheekschuld. Dit komt neer op 2 procent van de huiseigenaren. Het aandeel huishoudens met een woning onderwater is door de daling van de huizenprijzen tijdens de vorige economische crisis sterk gestegen, van 13 procent in 2008 tot 33 procent in 2014. Doordat de huizenprijzen daarna weer aantrokken, is dit aandeel in de afgelopen jaren gedaald tot 2 procent in 2022. Bij 8 op de 10 huishoudens was de waarde van de woning hoger dan de hypotheekschuld. In 2014 had nog iets meer dan de helft een woning met overwaarde. De toename kwam vooral door de stijgende huizenprijzen. Daarnaast is het vanaf 2012 verplicht om af te lossen, waardoor de hypotheekschuld wordt afgebouwd. Van de huishoudens met een eigen woning hadden er 780 duizend (17 procent) geen hypotheekschuld. Zij hebben hun huis gekocht met eigen geld of hun hele schuld al afgelost.</p>
<p> </p>
<table width="0">
<thead>
<tr>
<td colspan="2">
<p>Opbouw totale bezittingen van 3 421 miljard euro, 1 januari 2022</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td> </td>
<td>
<p><strong>Aandeel in totale bezittingen</strong></p>
</td>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>
<p>Eigen woning</p>
</td>
<td>
<p>61,6</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Aanmerkelijk belang</p>
</td>
<td>
<p>12,6</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Bank- en spaartegoeden</p>
</td>
<td>
<p>11,4</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Overig onroerend goed</p>
</td>
<td>
<p>5,2</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Effecten</p>
</td>
<td>
<p>4,8</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Ondernemingsvermogen</p>
</td>
<td>
<p>2,6</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p>Overige bezittingen</p>
</td>
<td>
<p>1,8</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Er wordt geschat dat babyboomers een kleine €240 miljard aan kapitaal gaan nalaten. Die erfenissen komen terecht bij een groep die al relatief welvarend is.</p>
<p>Bovenkant formulier</p>
<p>Onderkant formulier</p>
<p>Erfenisregen is een betere term voor wat ons te wachten staat dan erfenisgolf. Want het geld zal gedurende decennia geleidelijk neerdwarrelen op erfgenamen. De generaties vlak voor en na de babyboomers zijn waarschijnlijk ook welvarend bij overlijden, ze zijn alleen met minder.</p>
<p>De massaliteit van erfenissen is een nieuw fenomeen, zegt hoogleraar Arjan Lejour. <em>„Vroeger waren erfenissen voorbehouden aan de echt rijken. Nu heeft de middenklasse ook vermogen opgebouwd.”</em> Dat vermogen is wel ongelijk verdeeld. Het doorsnee vermogen van 65-plussers was in 2022 246.000 euro. Een kwart heeft meer dan een half miljoen euro, aldus het CBS (<a href="https://longreads.cbs.nl/materiele-welvaart-in-nederland-2024/vermogen-van-huishoudens/">Vermogen van huishoudens &#8211; Materiële welvaart in Nederland 2024 | CBS</a>).</p>
<p>Er was een tijd dat vermogenden erfbelasting ‘diefstal’ vonden. Hoogleraar fiscaal erfrecht Bernard Schols merkt hoe het maatschappelijk klimaat verandert. De kloof tussen hen die erven en hen die niet erven neemt toe. <em>‘Ik zie mensen die van gekkigheid niet meer weten wat ze met al dat geld moeten doen. Nog een vakantiehuis? In een bepaalde sociale laag trouwen mensen ook nog met elkaar, waardoor dat effect versterkt wordt. Ik ben zeker geen communist, maar ik ben het wel erg eens met mensen die zich zorgen maken over de kloof tussen mensen die erven en mensen die niet erven. Het is aan de politiek om dit op te lossen. Dat kan en dat is rechtvaardig.’</em></p>
<p><strong>Veertigers en vijftigers</strong></p>
<p>Wordt Nederland ongelijker door deze erfenisregen? Eenduidig is het antwoord niet. De kans bestaat dat in eerste instantie de vermogensongelijkheid afneemt: een rijke oude generatie laat immers geld na aan een minder rijke generatie. Vaak aan meer dan één kind. De vermogensongelijkheid tussen generaties wordt kleiner. Maar binnen de generatie die erft kan de ongelijkheid toenemen. Grofweg kan je zeggen dat tachtigers geld nalaten aan vijftigers. <em>„Vijftigers hebben de hoogste inkomens en velen ook al behoorlijk wat vermogen”</em>, zegt hoogleraar Paul de Beer. <em>„Die erfenissen komen terecht bij een groep die al relatief welvarend is.”</em></p>
<p>Lejour denkt dat de erfenisregen zeker in Nederland de ongelijkheid vergroot. Dat komt door de overspannen huizenmarkt. <em>„Ik ben bang dat veel erfenissen terechtkomen bij veertigers en vijftigers die al een huis hebben. Dan wordt de ongelijkheid tussen huizenbezitters en huurders nóg groter. Als huizenbezitters hun erfenis gebruiken om een groter huis te kopen, jaagt dat de prijzen verder op.”</em> De huizenmarkt is al moeilijk toegankelijk voor wie geen eigen geld meeneemt. <em>„Dit zou een eigen huis nog onbereikbaarder kunnen maken.”</em></p>
<p>Bovendien wordt het in Nederland steeds bepalender hoe rijk je ouders zijn, constateerde (<a href="https://www.cpb.nl/een-steuntje-de-rug-vermogensmobiliteit-van-ouder-op-kind">Een steuntje in de rug: vermogensmobiliteit van ouder op kind | CPB.nl</a>) Lejour onlangs samen met collega’s van het Centraal Planbureau. Al op 40-jarige leeftijd, dus vóór de erfenis, zijn kinderen van rijke ouders vaak rijker dan hun leeftijdsgenoten. Dat verschil nam tussen 1992 en 2022 toe. Rijkere ouders kunnen hun kinderen helpen bij het kopen van een huis. Die kinderen bouwen daardoor zelf sneller vermogen op dan leeftijdsgenoten zonder <em>‘de bank van papa en mama’</em>.</p>
<p>Er zit mogelijk één gelijkmaker in de erfenisregen. Er is een groep ouderen die verre van rijk is, maar wél een eigen huis heeft − gekocht toen de huizenmarkt nog toegankelijk was voor mensen met een bescheiden inkomen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau noemt deze groep de <a href="https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/03/07/eigentijdse-ongelijkheid">‘</a>laagopgeleide gepensioneerden’ (<a href="https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/03/07/eigentijdse-ongelijkheid">Eigentijdse ongelijkheid | Publicatie | Sociaal en Cultureel Planbureau</a>). Het gaat om 2,5 miljoen mensen. Ze hebben een laag inkomen, maar bijna 70 procent heeft een eigen huis. Wellicht dempen die erfenissen de ongelijkheid.</p>
<p><strong>Fragiele belasting</strong></p>
<p>Wat te doen met die erfenisregen? Voor De Beer en Lejour is het antwoord helder. De Beer: <em>„Als Nederland niet ongelijker wil worden, moet de erfbelasting omhoog. Dankzij de huizenmarkt verdienen mensen enorme vermogens, maar is dat terecht?</em>” Lejour: <em>„Als je de verschillen kleiner wil maken tussen mensen met en zonder eigen huis, als je de huizenmarkt beter wil laten werken, zal je die vermogensoverdrachten meer moeten belasten. Het alternatief is meer huizen bouwen, maar we zien hoe moeilijk dat is.”</em></p>
<p>Dat zou betekenen dat de erfbelasting, een van de oudste én meest gehate belastingen, omhoog moet. Natuurlijk op een redelijke manier. Met een vrijwaring voor echtgenoten zodat die niet hun huis uit moeten. En een belastingvrije voet voor kinderen. Volgens veel economen is het één van de minst verstorende manieren om belasting te heffen: je ontmoedigt er geen werk- of ondernemerslust mee. Tegelijk is het ook een belasting die veel weerstand oproept.</p>
<p>Een hogere erfbelasting kan geen kwaad, maar het is niet dé oplossing voor wie ongelijkheid wil verminderen, zegt econoom Wouter Leenders die promoveert op het effect van erfenissen en belastingen op ongelijkheid. <em>„Het is een fragiele belasting omdat je maar op één moment belast. Mensen hoeven maar één maas in de wet te vinden en ze ontwijken deze belasting volledig.”</em> Met een bescheiden belasting op het rendement of de waardevermeerdering van vermogen haalt de overheid al gauw meer op dan bij een erfbelasting. Leenders: <em>„De belastingdruk is relatief laag voor de allerrijksten en relatief hoog voor minder welvarende mensen. Dat belemmert de opbouw van vermogen aan de onderkant, maar jaagt vermogens aan de bovenkant juist aan.”</em></p>
<p>Maar wie vermogen wil belasten, komt al gauw uit bij het belasten van de waarde van het eigen huis. Een belasting die zo mogelijk nóg meer weerstand oproept dan de erfbelasting. Maar het is essentieel dat beide aanpassingen – hogere erfenisbelasting én hogere vermogensbelastingen – er beide komen.</p>
<p>Schols: “<em>Wanneer is genoeg, genoeg? We halen nog steeds veel weg bij de kleine man. De grote jongens kennen de weg wel in het erfrecht. Hogere erfbelasting wordt ook steeds meer gezien als een manier om andere belastingen, denk aan inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, laag te houden. Als je er zo naar kijkt, is het de meest sociale heffing die er eigenlijk bestaat. Dat is dus iets heel anders dan dat oude verhaal van “erfbelasting is diefstal”.”</em></p>
<p>Toenemende ongelijkheid of niet: veel ouders willen hun kinderen nog steeds helpen met de aanschaf van een huis. Tot vorig jaar konden ze daarvoor nog een beroep doen op de “jubelton”, de eenmalige vrijstelling in de schenkbelasting van aanvankelijk € 100.000. Die is afgeschaft, ook vanwege zorgen over ongelijkheid. Dat wil volgens Schols niet zeggen dat er helemaal niets meer kan. Er is nog altijd een eenmalige verhoogde vrijstelling van ongeveer € 32.000 die kinderen óók voor hun eerste huis mogen gebruiken. Verder kunnen ouders hun kind elk jaar zo’n € 6600 belastingvrij schenken – al is dat met de huidige huizenprijzen misschien een druppel op een gloeiende plaat. <em>‘Vele kleine beetjes helpen’, </em>zegt Schols. Wie goed in de slappe was zit, neemt volgens hem de schenkbelasting voor lief. Over de eerste anderhalve ton die je je kind cadeau doet, betaal je 10%. <em>‘Bij overlijden kom je met grotere vermogens al snel in het hogere tarief van 20% erfbelasting. Dus je bespaart geld door nu die 10% te betalen.’</em></p>
<p>De Hoge Raad legde volgens Schols in februari 2024 een bom onder de erfbelasting van grote vermogens. De hoogste rechter bepaalde dat een miljonair het recht had om de verdeling van het bezit binnen de gemeenschap van goederen met zijn partner fors aan te passen zonder dat sprake is van een belaste schenking. Standaard is de verdeling 50-50; hij maakte er op zijn sterfbed 10-90 ten gunste van zijn vrouw van. De fiscus accepteerde dat niet. Bij 50-50 had de vrouw € 1,2 mln erfbelasting moeten betalen. Door de aanpassing ten gunste van de vrouw resteerde een rekening van ruim € 125.000. Vijf weken na de aanpassing overleed de man. Maar volgens de Hoge Raad was er geen sprake van misbruik van recht (fraus legis) omdat op het moment van de aanpassing niet ‘zo goed als zeker’ was dat de man ook vóór zijn vrouw zou overlijden. Schols vindt het een <em>‘magische formulering’</em>. Hij zegt: <em>‘Een mens kan de regels dus aanpassen zolang hij nog niet zo goed als zeker dood is.’</em></p>
<p>De gevolgen van die magie kunnen volgens u groot zijn. De politiek heeft dit nog niet gerepareerd? <em>‘Iedereen dacht: laten we dit maar niet gaan proberen, want dat gat wordt natuurlijk meteen dichtgemetseld. Maar het kabinet ziet er geen aanleiding toe. Als de politiek dit ongemoeid laat, wordt de erfbelasting voor grote vermogens compleet weggevaagd.’</em> Het kabinet verwacht dat dit de schatkist hooguit een paar miljoen kost. ‘<em>Dat lijkt me een verkeerde inschatting. Ik ben geen actuaris, maar dit zal veel meer gevolgen krijgen, ook voor zaken als overdrachtsbelasting, aanmerkelijk belang en het onterven van kinderen.’ </em>Hij benadrukt: ‘<em>Zo’n aanpassing is geen belastingontduiking. Het zijn natuurlijk wel trucjes voor de bovenlaag. Als jij zo €90 mln van je €100 mln onbelast kan wegzetten, heb je wel reden voor een feestje. Natuurlijk kun je zeggen: dit moet niet kunnen. Je kunt ook zeggen: overheid, als je dit niet repareert, vraag je er ook om.’</em></p>
<p>Als de erfbelasting op een dag genoeg geld moet opbrengen om de inkomstenbelasting te kunnen verlagen, is er werk aan de winkel. Een melkkoe voor de overheid is het niet. De opbrengst daalde van € 1,7 miljard in 2007 tot € 1,6 miljard in 2021, schreef economenblad ESB. Opmerkelijk, omdat het nagelaten vermogen in die jaren met 85% steeg. De auteurs vermoeden een toename van belastingontwijking.</p>
<p>U ziet ook een toename van het aantal erfrechtadvocaten. Heeft dat te maken met de toegenomen financiële belangen die op het spel staan? <em>‘Inderdaad, de belangen zijn met die tsunami aan miljarden een stuk groter geworden. Maar we leven ook in de meest mondige maatschappij die ooit bestaan heeft. En we gunnen elkaar niets meer, helaas vaak ook ons broertje of zusje niet. Zeker als de ouders overleden zijn. Toen “de mam” nog leefde, haalde je het niet in je hoofd om ruzie te maken. Toen moeder er niet meer was, zag je opeens weer hoe je broertje werd voorgetrokken. Je zag die jaloersmakende glimmende Nikes weer voor je. En je dacht misschien: dit is de laatste kans om los te gaan. En als de één een advocaat pakt, ja, dan pakt die ander er ook een. Dat is een hele business geworden.’</em></p>
<p> </p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1652" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-18-300x192.png" alt="" width="300" height="192" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-18-300x192.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-18-1024x655.png 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-18-768x491.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-18.png 1047w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Hoe hoger het inkomen, des te groter de erfenis die mensen ontvangen: bijna een kwart van het totaalbedrag aan erfenissen komt terecht bij de 10 procent hoogste inkomens</p>
<p>Waarom de marketing van de VVD hondsbrutaal is? In haar ‘nieuwe’ agenda verwijst ze 3x naar de CPB-studie Ongelijkheid &amp; herverdeling, maar vermeldt niet dat de rijkste 1% veel minder belasting betaalt dan de middenklasse. VVD = hoe rijker je bent, hoe lager je belastingdruk!</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1653" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-19-300x149.jpg" alt="" width="300" height="149" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-19-300x149.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-19-768x382.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-19.jpg 900w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p> </p>
<p><a href="#_ednref7" name="_edn7">[vii]</a> <strong>Fiscale toeslagen zijn noodzakelijk geworden voor twee derde van alle huishoudens, maar kennen hun eigen, grote problemen</strong></p>
<p>Er waren volgens de Dienst Toeslagen in 2023 5,9 miljoen huishoudens (zo’n twee derde van alle huishoudens!) en 9 miljoen mensen betrokken bij fiscale toeslagen. Er werden 7,8 miljoen toeslagen uitgekeerd voor in totaal € 19 miljard (<a href="https://www.overtoeslagen.nl/over-ons-werk/feiten-en-cijfers/toeslagen-in-aantallen-en-bedragen#:~:text=Dienst%20Toeslagen%20betaalt%20in%202023,mensen%20betrokken%20bij%20een%20toeslag">https://www.overtoeslagen.nl/over-ons-werk/feiten-en-cijfers/toeslagen-in-aantallen-en-bedragen#:~:text=Dienst%20Toeslagen%20betaalt%20in%202023,mensen%20betrokken%20bij%20een%20toeslag</a>). Doordat de fiscale toeslagen zijn gebruikt of misbruikt om koopkrachtgevolgen bij lagere inkomens en lagere middeninkomens te repareren, kunnen veel van deze huishoudens niet meer rondkomen zonder deze fiscale toeslagen. In de laagste inkomensgroep (&lt;108% WML) zit 20% van de huishoudens. In deze inkomensgroep gaat 93% er meer dan 5% op achteruit bij afschaffing van de fiscale toeslagen zonder alternatief, 2% gaat er 2 tot 5% op achteruit, dus dit betekent dat in totaal 95% van deze inkomensgroep erop achteruitgaat als de toeslagen worden afgeschaft zonder alternatief. De mediaan van de achteruitgang is maar liefst 18% inkomensachteruitgang! (<a href="http://www.eerstekamer.nl/behandeling/20230630/brief_van_de_staatssecretaris_van">www.eerstekamer.nl/behandeling/20230630/brief_van_de_staatssecretaris_van</a>)</p>
<p>Doordat fiscale toeslagen een voorschot zijn en afhankelijk van het inkomen en vermogen van het huishouden (dus ook partner) en van de kosten waarvoor de toeslag bedoeld is, zijn er ook veel terugvorderingen: volgens het jaarplan 2024 van de Dienst Toeslagen waren dat er in 2021 maar liefst 537.000. Bij de zorgtoeslag waren dat er in absolute aantallen het meest (257.000), en bij de huurtoeslag relatief het meest (10,4%). Ruim een kwart (26%) van die terugvorderingen zijn grote bedragen, meer dan € 500.</p>
<p>Hoge terugvorderingen van fiscale toeslagen kennen grosso modo vier oorzaken:</p>
<ol>
<li>ander inkomen dan ingeschat;</li>
<li>bij kinderopvangtoeslag: aantal opvanguren blijken anders dan ingeschat;</li>
<li>wijziging in partnerschappen; en</li>
<li>te hoog vermogen.</li>
</ol>
<p>Daarnaast zijn er nog vele andere redenen, ook die kunnen soms schrijnende consequenties hebben, maar voor het vervolg van deze analyse laten we die voor nu achterwege, omdat de aantallen relatief klein zijn.</p>
<p>Per toeslagsoort is het beeld verschillend; met name de kinderopvangtoeslag wijkt af van de andere toeslagsoorten. De kinderopvangtoeslag kent met de opvanglasten een sterk fluctuerende grondslag. Dit wordt dan ook zichtbaar als de belangrijkste oorzaak van hoge terugvorderingen. Een te hoge schatting van 2 à 3 uur per week kan op jaarbasis leiden tot een terugvordering van meer dan 1000 euro. Daarbij speelt ook een rol dat de kinderopvangtoeslag relatief minder gevoelig is voor veranderend inkomen.</p>
<p>De andere toeslagsoorten zijn juist gevoeliger voor veranderend inkomen: dat is voor deze toeslagsoorten dan ook de belangrijkste oorzaak. Dit speelt met name voor de huurtoeslag, omdat daarbij het recht op basis van het inkomen relatief snel afbouwt. Bij de huurtoeslag kan al een hoge terugvordering ontstaan als het inkomen op jaarbasis 1.500 euro te laag is geschat. Terugvorderingen op basis van inkomen komen vooral veel voor bij flexwerkers en zzp-ers.</p>
<p>Terugvorderingen op basis van grondslagen die als alles-of-niets-criterium werken, komen relatief minder voor, maar zijn in de regel vaak veel hoger, omdat het gehele toeslagvoorschot over een bepaalde periode moet worden terugbetaald. Als bijvoorbeeld blijkt dat een aanvrager op 1 januari te veel vermogen had, dan moet alles worden terugbetaald. Ook het toeslagpartnerschap is zo’n categorie. Bijvoorbeeld wanneer pas achteraf blijkt dat een alleenstaande ouder toch een toeslagpartner had, dan moet het volledige bedrag aan alleenstaande ouderkop als aanvulling van het kindgebonden budget worden terugbetaald. Dergelijke terugvorderingen kunnen oplopen tot duizenden euro’s per jaar, en dat kan (maximaal 5) jaren teruggaan. Niet alleen definitieve toekenningen leiden tot hoge terugvorderingen. Ook in de voorschotfase kan al sprake zijn van terugvorderingen van meer dan 500 euro. Voor veel van terugvorderingen is de oorzaak gelegen in veranderende omstandigheden, waarvan het doorgeven ervan als verantwoordelijkheid bij de aanvragende burger is gelegd.</p>
<p>In totaal was bij 48% van de toeslagontvangers in 2020 het voorschot gelijk aan de definitieve toekenning, 29% van de toeslagontvangers ontving een nabetaling en 23% van de toeslagontvangers een terugvordering. Bij meer dan de helft van de rechthebbenden moest dus achteraf gecorrigeerd worden. Gebleken is dat voor ongeveer 130.000 huishoudens per jaar het terugbetalen van te veel ontvangen bedragen financiële problemen opleverde.</p>
<p>Uit CBS-gegevens (<a href="https://nos.nl/artikel/2501460-aantal-huishoudens-met-schulden-door-toeslagen-in-vijf-jaar-verdubbeld">https://nos.nl/artikel/2501460-aantal-huishoudens-met-schulden-door-toeslagen-in-vijf-jaar-verdubbeld</a>) bleek dat terugvorderingen van fiscale toeslagen een steeds belangrijke bron van problematische schulden zijn geworden. In de laatste 5 jaar is het aantal huishoudens met schulden door deze terugvorderingen fors toegenomen. Begin 2023 bedroegen schulden door deze terugvorderingen bijna een vijfde van de 726.000 huishoudens met problematische schulden. In 2018 was dat nog maar een op de tien van deze huishoudens. Als een huishouden de schuld na 27 maanden niet heeft terugbetaald, wordt de schuld als problematisch bestempeld door de statistici van het CBS.</p>
<p>De Dienst Toeslagen ziet twee verklaringen voor de toename. De eerste is de coronacrisis. In die tijd werd de invordering van toeslagen tijdelijk stopgezet, vanwege de financiële onzekerheid bij veel mensen. Daardoor nam het aantal huishoudens met een langdurige schuld toe. Het ging in totaal om ruim 1 miljoen burgers die voor in totaal circa 1 miljard euro aan betalingsachterstanden hebben. Vorig jaar april is de invordering weer stap voor stap gestart. Toch liep het aantal huishoudens met problematische toeslagschuld ook vorig jaar op. Dat heeft mogelijk te maken met de onverwacht hoge loonstijgingen in 2022. Dat heeft gezorgd voor een toename van terugvorderingen, met name bij de huurtoeslag. Er is vrees dat achterstanden verder kunnen gaan oplopen. De verhoging van de toeslagen in 2023 en ook 2024 van bijvoorbeeld de huurtoeslag en het kindgebonden budget, kan helaas ook betekenen dat terugvorderingen weer hoger worden, als er iets niet op tijd doorgegeven wordt.</p>
<p>Een belangrijk gevolg van de navorderingen is dat rechthebbenden onzeker zijn of het aanvragen ervan niet tot meer problemen leidt dan dat het oplost. Dat blijkt vooral te gelden bij burgers die eerder al negatieve ervaringen hebben bij de Dienst Toeslagen. Zo’n 8% aan het bedrag van rechthebbenden van fiscale toeslagen wordt niet aangevraagd. Bij de huurtoeslag gaat het maar liefst om 10% van de rechthebbenden, bij de zorgtoeslag om 11% en bij het kindgebonden budget zelfs om 15%. Bij de kinderopvangtoeslag (waar de terugvorderingen in absolute zin per rechthebbende vaak hoog zijn (doordat de toeslag hier ook het hoogst is), is het niet-gebruik opmerkelijk genoeg slechts 4 tot 5%.</p>
<p>Naast de angst voor terugvorderingen speelt bij het niet-aanvragen van rechthebbenden ook de complexiteit van de regelingen. Iedere regelingen kent eigen normen en definities, die soms geheel niet aansluiten bij de beleving van de betrokkenen (bijv. bij de definitie van partner, of bij het eerste jaar AOW).</p>
<p>Het Nibud schrijft over onzekerheid met betrekking tot rechthebbendheid: “<em>Ongeveer 20 procent van de respondenten heeft nog nooit gecheckt of zij recht hebben op toeslagen en/of tegemoetkomingen. Hiervan weet bijna een derde niet goed waar ze hier informatie over kunnen vinden. Huishoudens met een wisselend inkomen checken vaker of ze in aanmerking komen voor toeslagen, maar ze weten minder goed waar ze recht op hebben. Dit beeld zien we ook bij jongvolwassenen. Ook weten zij niet goed waar ze informatie kunnen vinden over de toeslagen. Voor deze groepen met een onzeker(der) inkomen lijkt het toeslagensysteem niet voldoende zekerheid te bieden.”</em></p>
<p>Naast betalingsproblemen en schulden bij terugvorderingen, de complexe uitvoering en het niet-gebruik van rechthebbenden worden fiscale toeslagen ook genoemd als veroorzaker van een te grote marginale druk, als derde probleem. Marginale druk gaat over hoeveel (extra) belasting je betaalt als je meer gaat verdienen. Als iemand bijvoorbeeld meer gaat werken of salarisverhoging krijgt, stijgt het bruto-inkomen. Maar het uiteindelijke<strong> </strong><strong>besteedbare</strong> <strong>inkomen</strong> stijgt minder, omdat een deel wordt ingehouden voor belastingen en premies. Ook kunnen toeslagen en kortingen dalen of zelfs vervallen bij een hoger inkomen. De marginale druk laat zien <strong>hoeveel van die inkomensstijging</strong> een werknemer uiteindelijk echt overhoudt na belastingen en andere regelingen. Hoe hoger de marginale druk, hoe minder extra geld iemand zelf overhoudt van een hoger inkomen. We noemen dat ook wel de armoedeval: je blijft gevangen in armoede, omdat meer werken en/of hoger inkomen niet leidt tot substantieel hoger inkomen. Niet alleen blijkt dat dus behoorlijk gerelativeerd te moeten worden, ook is het belangrijk te onderkennen dat armoedeval iets anders is dan armoede, en dat het een andere groep betreft – niet de laagste inkomens, maar juist de groep net daarboven.</p>
<p>En het werkt ook omgekeerd – hoe hoger het inkomen is, hoe minder er in verhouding belasting betaald wordt in ons land. In Nederland hebben we de merkwaardige situatie dat we steeds minder inkomensafhankelijke (progressieve) belastingtarieven hebben – liberalen als VVD en D66 streven zelfs naar een vlaktaks, dus een gelijk tarief ongeacht hoogte inkomen, waarbij de zwaarste lasten dus niet meer gedragen worden door de sterkste schouders – maar steeds meer inkomensafhankelijke regelingen buiten deze tarieven.</p>
<p>Fiscale toeslagen zijn maar één cluster van inkomensafhankelijke regelingen, een andere zeer belangrijke zijn de inkomensafhankelijke belastingkortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de combinatiekorting, en de heffingskorting voor AOW-gerechtigden), en voorts de premies voor volks- en werknemersverzekeringen, en de door de werkgever ingehouden premie voor de zorgverzekeringswet. Verder zijn er nog inkomensafhankelijke eigen bijdragen in de langdurige zorg (die men ook wil invoeren in de WMO en in de jeugdzorg) en de van het inkomen van ouders afhankelijke hoogte van aanvullende studiefinanciering. Ook vervallen kwijtscheldingen (bijv. van lokale lasten) bij een hoger inkomen.</p>
<p>Sommigen stellen dat de marginale druk in ons totale bestel zo hoog is dat méér bruto-inkomen, bijv. door meer uren te gaan werken, ondanks nauwelijks progressieve belastingtarieven, nauwelijks tot extra besteedbaar inkomen leidt. (Meer) werken loont te weinig in die visie. In een campagnefilmpje beweerde Mona Keizer, nu de BBB-minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, dat de middenklasse 80% betaalt over elke extra verdiende euro. Maar dit blijkt in werkelijkheid maar in een zeer beperkte groep het geval, bijvoorbeeld de alleenverdieners met twee kleine kinderen én een huurhuis. Deze groep wordt nou net vaak uitgelicht in de media, en nu dus ook door Mona Keijzer. Maar deze extreme marginale druk geldt voor <strong>slechts 2 procent</strong> van de werkenden, blijkt uit cijfers van het ministerie van SZW (<a href="https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8a4474fc8a196acd493d5912dfdbf3c8454f99e9/pdf">https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8a4474fc8a196acd493d5912dfdbf3c8454f99e9/pdf</a>). Het gaat vooral om alleenstaanden en alleenverdieners, en vrijwel niet om deeltijdwerkers. Deze groep bevindt zich in een uitzonderlijke situatie en ontvangt (veel) toeslagen: bijvoorbeeld kindgebonden budget, huurtoeslag en belastingkortingen. Als zij meer gaan verdienen, gaan deze bedragen omlaag.</p>
<p>Maar deze groep is niet representatief voor de hele middenklasse. Voor de meeste werkenden is deze druk lager dan vaak wordt gedacht, blijkt uit <a href="https://esb.nu/deeltijdwerkers-hebben-meestal-al-een-lage-marginale-druk/">een artikel in ESB</a>, namelijk tussen de 40 en 60 procent (<a href="https://esb.nu/deeltijdwerkers-hebben-meestal-al-een-lage-marginale-druk/">https://esb.nu/deeltijdwerkers-hebben-meestal-al-een-lage-marginale-druk/</a>). Voor werkenden die minder dan 20 uur per week werken is de marginale druk doorgaans zeer laag: het grootste deel heeft een marginale druk van minder dan 25 procent. Dat betekent dat ze van het brutoloon uit de extra gewerkte uren ten minste 75 procent overhouden. Bij de groep die tussen de 20 en 28 uur per week werkt (‘drie dagen per week’) is de marginale druk wat hoger, maar minder dan één op de vijf ondergaat een marginale druk van meer dan 55 procent. Voor de groep tussen de 28 en 35 uur (‘vier dagen per week’) is dat meer dan één op de vier. Met name voltijders ondervinden relatief vaak een hoge marginale druk, meer dan één op de drie van hen heeft te maken met een marginale druk van meer dan 55 procent.</p>
<p>Voor huishoudens die ook formele (dus niet informele, zoals bij je grootouders) kinderopvang gebruiken, ligt deze druk wel hoger. De extra kosten van de kinderopvang verhogen de marginale druk, in combinatie met de inkomensafhankelijke kinderopvangtoeslag. Ruim veertig procent van de ouders die tussen de 20 en 28 uur per week werken, kent – inclusief kinderopvanggebruik – een marginale druk van meer dan 55 procent, aanzienlijk meer dan het gemiddelde voor alle personen in dit ureninterval. Voor ouders die tussen de 28 en 35 uur werken is dit aandeel al ruim zeventig procent, en voor ouders die voltijds werken gaat dit aandeel naar de 85 procent.</p>
<p>Het financiële plaatje verschilt dus per persoon, bijvoorbeeld: heeft iemand een huur- of koophuis, of kinderen – en gaan die kinderen naar de opvang, is ze alleenverdiener? Voor tweeverdieners, mensen zonder kinderen of mensen in een koophuis pakt contractuitbreiding financieel meestal gunstiger uit per extra verdiende euro, en loont het dus wel degelijk om (meer) te gaan werken.</p>
<p>Bij dit alles is nog niet eens rekening gehouden met dat er ook veel regelingen zijn in ons belastingstelsel die je besteedbaar inkomen verbeteren bij een hoger inkomen. Doordat veel fiscale aftrekposten, vrijstellingen en uitzonderingen alleen maar materieel of zelfs formeel beschikbaar zijn voor hogere inkomens, is ons belastingstelsel feitelijk regressief – de zwakste schouders dragen de zwaarste lasten. Denk bijvoorbeeld aan de hypotheekrenteaftrek en de vrijstelling van inkomen uit woningbezit, fiscale faciliteiten die een veelvoud zijn van de bedragen die men aan huurtoeslag kan ontvangen. Woningbezitters komen nauwelijks voor bij de lagere inkomens – woningbezit en de daarbij beschikbare fiscale faciliteiten komen meer in bereik bij hogere huishoudinkomens. Dit alles vergroot enorm de inkomensongelijkheid, waarover straks meer.</p>
<p>Onze stelling is dat niet zozeer de omvang van de marginale druk, maar de complexiteit van hoe dit werkt, veeleer het probleem is. Deze complexiteit draagt bij aan de onvoorspelbaarheid en de angst voor terugvorderingen, en daarmee aan inkomensonzekerheid.</p>
<p> </p>
<p><a href="#_ednref8" name="_edn8">[viii]</a> <strong>Eerlijke energiebelastingen</strong></p>
<p>De Nederlandse gas- en stroombelasting zijn nu regressief opgezet om uitsluitend huishoudens, gebouwen en kleine bedrijven te belasten en grote bedrijven te ontzien. Terwijl de industrie verantwoordelijk is voor bijna de helft van de CO₂-uitstoot van Nederland, betaalt deze minder dan 10 procent van de energiebelasting. Het zijn voornamelijk burgers die de portemonnee moeten trekken. Zij hoesten meer dan de helft van die energiebelasting op, ook al zijn zij door gasverbruik, elektriciteitsverbruik en benzine voor de auto slechts voor een kwart van de uitstoot verantwoordelijk. Uit een onderzoek uit 2017 van de TU Delft en de Universiteit van Amsterdam kwam zelfs een ontluisterend feit naar voren: mensen met een lager inkomen betaalden meer aan klimaatbeleid dan de rijkste tien procent. De gasbelasting was in 2022 0,45 euro/m³ voor huishoudens en 0,04 – 0,06 euro/m³ voor ETS bedrijven. Omgerekend naar CO₂ prijs is deze 0,45 euro/m³, gelijk aan 225 euro per ton CO₂, de ETS-prijs voor CO₂ schommelt tussen de 60 en 70 euro/tn, dus een factor 4 verschil. Een jaar geleden was de ETS prijs nog onder de 20 euro/tn zelfs en de ETS heffing wordt alleen betaald boven het plafond, dat langzaam naar beneden komt en pas in 2050 iedere ton CO₂ zal belasten. Onder dit plafond wordt geen CO₂ heffing betaald, dus de gemiddelde prijs voor grote bedrijven is momenteel nog steeds 10-20 euro/tn CO₂.</p>
<p> </p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="198">
<p>Gas</p>
</td>
<td width="123">
<p>Verbruik</p>
<p>[m3/jaar]</p>
</td>
<td width="151">
<p>Belasting (incl. ODE)</p>
<p>[€/m3]</p>
</td>
<td width="113">
<p>CO₂ prijs</p>
<p>[€/tn]</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Huishoudens</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 170.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,45</p>
</td>
<td width="113">
<p>225</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>MKB</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 1000.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,15 &#8211; 0,45</p>
</td>
<td width="113">
<p>75 &#8211; 225</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Tuinders (verlaagd tarief)</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 1000.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,10</p>
</td>
<td width="113">
<p>50</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Industrie (&gt;10 MW thermisch)</p>
</td>
<td width="123">
<p>&gt; 10.000.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,037 &#8211; 0,06</p>
</td>
<td width="113">
<p>&#8211; 30</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Huishoudens betalen dus voor hun warmte momenteel ruim 10x zo veel belasting per kg uitstoot als industrie en MKB een factor 5 tot 10! Samen betalen huishoudens en MKB ongeveer 90% van het totaal aan energiebelasting en industrie minder dan 10%. En dat terwijl de industrie verantwoordelijk is voor 50% van de Nederlandse CO₂ uitstoot. Warmte is een primaire levensbehoefte en met een hoge gasprijs (&gt; 2 euro/m³) en een hoge gasbelasting is het wachten op de eerste bejaarde die gestorven is doordat hij/zij de gasrekening niet meer kon betalen (in andere landen is dit al gebeurd).</p>
<p>Voor de elektriciteitsbelasting geldt hetzelfde verhaal. Huishoudens en MKB betalen gemiddeld 5-10x zo veel als de industrie. De grootverbruikers betalen nagenoeg niks aan elektriciteitsbelasting op dit moment. De jaarlijkse opbrengst aan energiebelasting is rond 6,5 miljard per jaar, afhankelijk van het verbruik.</p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="198">
<p>Elektriciteit</p>
</td>
<td width="123">
<p>Verbruik</p>
<p>[MWh/jaar]</p>
</td>
<td width="151">
<p>Belasting (incl. ODE)</p>
<p>[€/kWh]</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Huishoudens</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 50</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,08</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>MKB</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 10.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,035 – 0,08</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Industrie (&gt;1 MW elektrisch)</p>
</td>
<td width="123">
<p>&gt; 10.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,0011 – 0,035</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Vanaf 2023 geldt:</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1654" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-20-300x158.png" alt="" width="300" height="158" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-20-300x158.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-20.png 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>De gasbelasting is bedacht om de prijs van aardgas (voor de oorlog ongeveer 0,30 euro/m³) kunstmatig hoog te maken, zodat mensen hun huizen zouden gaan isoleren door middel van een terugverdienmodel. Met een kale prijs van boven de 2 euro/m³ is er dus eigenlijk geen noodzaak meer voor gasbelasting bij huishoudens. Het creëert alleen maar energiearmoede voor huurders, die geen mogelijkheden hebben om hun woning te isoleren. Huurders betalen gemiddeld 800-1200 euro per jaar aan energiebelasting (gas en elektriciteit) en krijgen er niks voor terug behalve een eenmalige box van 70 euro. Mensen in een koopwoning kunnen nog goedkope leningen en subsidie krijgen, maar huurders staan machteloos. Zij wonen ook nog eens veel vaker in slecht geïsoleerde woningen, en de huurprijs stijgt door het woningwaarderingsstelsel (‘puntenstelsel’) vaak ook nog eens met meer dan de energiekostenbesparing als de verhuurder wel isoleert. Die subsidies en goedkope leningen aan woningbezitters worden bovendien ook nog eens voor een groot deel opgebracht door huurders, middels de Opslag Duurzame Energie (ODE) in de elektriciteitsbelasting. Het merendeel van die opbrengst gaat via subsidies (Stimulering Duurzame Energie, SDE) naar bedrijven die nu nog veel vervuilen in termen van uitstoot van broeikasgassen.</p>
<p><u>Fiscale fossiele subsidies</u></p>
<p>Een bedrag van €17,3 miljard aan fossiele subsidies in 2019. Het door Alman Metten in 2021 berekende getal leek onwaarschijnlijk groot en deed veel stof opwaaien. Met nieuwe gegevens blijkt het zelfs een forse onderschatting te zijn geweest.[viii] De gemiste belastingen op fossiele brandstoffen blijken in sommige jaren op te lopen tot €30 miljard, meer dan 14% van de belastingen die wél geïnd zijn. Doordat de korting toeneemt met het verbruik, missen juist de grootste energieverbruikers een sterke prikkel om zuiniger met energie om te gaan.</p>
<p>In een rapport voor de Tweede Kamer[viii] heeft de regering zelf aangegeven dat voor 2019 de belastingkorting op fossiele brandstoffen minstens €4,3 miljard per jaar zou bedragen. Eerder onderzoek van Alman Metten uit 2021[viii] toonde aan dat de lacunes in de regeringsopgave met behulp van openbare gegevens gedicht konden worden. Dit onderzoek kwam voor 2019 uit op een bedrag aan gemiste overheidsinkomsten door belastingsubsidies van €17,3 miljard. Omdat de regeringsopgave geen rekening houdt met de BTW die op de gemiste energiebelasting betaald had moeten worden, zijn deze bedragen overigens niet helemaal vergelijkbaar. Inclusief BTW komt de regeringsopgave hoger uit. De bedrijven die goed zijn voor 40% van het totale elektriciteitsverbruik, betalen minder dan 1% van de totale belasting op elektra. Dat is één van de echte problemen. Met de CBS-gegevens die nu beschikbaar zijn, kan een nauwkeuriger berekening van de belastingsubsidies op fossiele brandstoffen worden gemaakt voor 2019, met een even nauwkeurige berekening voor 2020, en vrij nauwkeurige schattingen voor de belastingsubsidies voor 2021 en 2022.</p>
<p>Op het eerdere onderzoek naar de omvang van de fossiele belastingsubsidies kwam een fundamentele vraag en vier punten van kritiek. De fundamentele vraag was: zijn belastingsubsidies wel echte subsidies? Niet iedereen kan zich een voorstelling maken van belastingsubsidies. <em>Gewone</em> subsidies staan in de rijksbegroting, en die ziet elke ontvanger terug op zijn rekening. Belastingsubsidies zijn tamelijk onzichtbaar, het zijn geen bedragen die je ontvangt, maar die je niet hoeft te betalen. Dat kan de indruk wekken dat ze voor de overheid gratis zijn. Niets is minder waar: <em>Het effect is hetzelfde. </em>Er zijn echter twee belangrijke bezwaren tegen subsidiëren op deze manier. Doordat ze zo weinig zichtbaar zijn, zijn ze een makkelijker lobbyobject voor ondernemingen. Het leidt bijna nooit tot publiciteit en voor kritische parlementariërs is er nauwelijks eer aan te behalen. Juist door dit weinig transparante karakter is de omvang van deze vorm van subsidies vele malen groter dan van de meer openlijke subsidies in de Miljoenennota. Bovendien moet de belasting die door belastingsubsidies niet geheven wordt alsnog door andere belastingplichtigen worden opgebracht.</p>
<p>Dan het eerste kritiekpunt. De <em>benchmark</em>, het referentietarief dat hieronder het <em>normale tarief </em>genoemd<em> </em>zal worden, en waartegen alle kortingen berekend worden, zou willekeurig zijn. Het gaat hier dan specifiek over degressieve tarieven en het dieselvoordeel in de accijns. Voor energieproducten waarvoor maar één tarief geldt, zoals voor kolen, speelt dit probleem niet. Daar is een product wel of niet belast. In het advies dat de regering aan de OESO/IAE heeft gevraagd over hoe zij belastingsubsidies nu moest berekenen, zeggen dezen echter dat “<em>a potential benchmark that would allow the Netherlands to track the impacts would be measuring all tax rates against the full rate that is levied on households</em>”. Het zorgvuldig opvolgen van dat advies bij de degressieve tarieven en vrijstellingen heeft in het onderzoek van 2021 tot het bedrag van €17,3 miljard geleid. Een doorslaggevend argument om bij degressieve tarieven het hoogste tarief van schijf 1 als normaal tarief te nemen, is niet alleen dat alle huishoudens dat tarief betalen, maar ook 57,2% van de bedrijven bij elektriciteit, en zelfs een ongelooflijke 99,2% van de bedrijven bij aardgas. <em>In die context een ander tarief als normaal proberen te bestempelen is niet geloofwaardig.</em> Ook de regering heeft natuurlijk een bepaald tarief gebruikt om tot de door haar vastgestelde belastingsubsidies te komen. Helaas is zij echter niet transparant over welk dat dan is.</p>
<p>Een tweede kritiekpunt was dat niet alle elektriciteit fossiel wordt opgewekt, en daarom zijn niet alle belastingsubsidies fossiele subsidies. Metten vindt dat terechte kritiek en corrigeert dit in zijn nieuwe publicatie.</p>
<p>Een derde kritiekpunt betrof dat gootverbruikers in Europees verband CO2-belasting (ETS) betalen. Daarmee zouden hun subsidies moeten worden verminderd. Ook dit erkent Metten. Daarom zijn de Europese CO2-belasting en ook de nationale CO2-heffing in de nieuwe berekening mee genomen.</p>
<p>Het vierde en laatste kritiekpunt betrof dat het eerste onderzoek maar partieel zou zijn, omdat de hoge opbrengsten van belastingen op fossiele energie veronachtzaamd worden. Dit onderzoek gaat inderdaad om <em>wat er niet aan belastingen binnenkomt</em>, en niet om wat er wel binnenkomt. Het gaat er ook om dat een kleine minderheid van bedrijven extreem bevoordeeld wordt, en dat de grootste afnemers en vervuilers de geringste lasten voor dat verbruik en die vervuiling dragen. Zoals de OESO/IEA ook opmerkt, de(ze) degressieve structuur resulteert in een <em>subsidiëring door huishoudens</em> (en door bedrijven die kleinverbruikers zijn, voegt Metten daaraan toe) <em>van industriële afnemers</em>. Daardoor betalen huishoudens en ondernemingen in schijf 1 bijvoorbeeld 83% van de energiebelasting op aardgas, terwijl ze er slechts 13% van afnemen (in 2020). Bij elektriciteit is de belastingbevoordeling nog duidelijker. De bedrijven in schijf 4 die meer dan 10 miljoen KWh per jaar afnemen, zijn goed voor 40% van het totale verbruik, maar betalen minder dan 1% van de totale belasting op elektra. Dat is één van de echte problemen.</p>
<p>Voor 2019 en 2020 is nu een nauwkeuriger berekening mogelijk, omdat CBS op verzoek van de ministers van Financiën en EZK de verbruiksgegevens voor gas en elektra per belastingschijf heeft verzameld en gepubliceerd, met voor aardgas ook de vrijstellingen (voor elektra zijn de vrijstellingen uiteindelijk met behoorlijke zekerheid zelf berekend). De tabellen zijn zeer inzichtelijk, en het is de moeite waard deze te bekijken. Inmiddels heeft ook de regering voor de hier besproken jaren haar inschatting van de verleende belastingsubsidies gepubliceerd, o.a. in de Miljoenennota 2022-2023. De bevindingen van dit onderzoek zullen daarmee worden vergeleken, evenals de mogelijke oorzaken van de verschillen.</p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td>
<p><strong>Box 1: Een toelichting op de meest gebruikte begrippen.</strong></p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p><em>Vrijstelling</em> betekent dat er helemaal geen belasting wordt geheven. Dit geldt voor de lucht- en scheepvaart, voor raffinaderijverbruik, voor energie-intensieve processen en voor de productie en een deel van de consumptie van elektriciteit.</p>
<p><em>Tariefkortingen</em> bestaan voor het verbruik van aardgas, elektriciteit en diesel. Zowel aardgas als elektriciteit kennen een getrapte tariefstructuur van de energiebelasting. Het verbruik tot 170.000 m3 respectievelijk tot 10.000 kWh (kilowattuur) wordt belast in schijf 1, de volgende 830.000 m3 respectievelijk 40.000 kWh in schijf 2, de daaropvolgende 9 miljoen m3 respectievelijk 9.950.000 kWh in schijf 3, en het verbruik dat dan nog rest in schijf 4. De tarieven nemen per belastingschijf sterk af, zodanig dat in 2019 voor 1 m3 aardgas 22x zoveel betaald werd als in schijf 4, en voor 1 kWh in schijf 1 zelfs 131x zoveel als in schijf 4. In 2022 zijn deze verschillen teruggelopen, maar de energiebelasting is in schijf 1 nog steeds bij aardgas 12x hoger dan in schijf 4 en bij elektriciteit 61x hoger. In 2023 blijft de verhouding bij aardgas hetzelfde, maar neemt hij bij elektra weer toe, tot 110x.</p>
<p><em>Aansluitingskorting </em>is de belastingkorting met een vast bedrag waar de totale belastingrekening op elektriciteit wordt verminderd van elke afnemer met een ‘verblijfsfunctie’. In de praktijk zijn dat alle huishoudens en bedrijven.</p>
<p><em>Bedrijven</em> wordt in de tabellen van CBS (en in navolging daarvan hier) in brede zin gebruikt, inclusief sectoren als zorg en onderwijs. In de praktijk behoren alleen universiteiten en academische ziekenhuizen tot de grotere energieafnemers.</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Deel A, presenteert hieronder eerst de belastingsubsidies waarover geen verschil van mening is tussen het laatste onderzoek van Metten en de recentste opgaves van de regering. Daarna laat deel B de subsidies in de energiebelasting zien waarvan alleen de omvang omstreden is, en in deel C volgt de totale gemiste energiebelasting, nog zonder de gemiste BTW. Voor de vergelijkbaarheid van de cijfers tussen dit onderzoek en de regeringscijfers wordt de BTW apart gepresenteerd, aangezien alle regeringscijfers exclusief BTW zijn. Deel D laat de gemiste BTW op de gemiste energiebelasting zien, en deel E het totaal aan gemiste belastingen op fossiele brandstoffen, ofwel de totale fossiele subsidies. Tenslotte geeft deel F de verschillen en de oorzaken daarvan tussen de regeringsopgaves en de resultaten van Metten zijn laatste onderzoek, en volgen in deel G de conclusies.</p>
<p><em>Deel A. Fossiele subsidies: niet-omstreden deel.</em> Tabel 1 laat de niet-omstreden fossiele subsidies zien, waarbij ook de SDE++ subsidies en de Europese en nationale CO2-heffingen betrokken zijn. De Europese heffing leidt tot een vermindering, de nationale tot een toename in 2021, omdat er toen meer uitstootrechten zijn uitgedeeld dan gebruikt. Alle cijfers zijn nog zonder BTW.</p>
<p><em>Tabel 1. Niet-omstreden fossiele (belasting)subsidies (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1655" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-21-300x156.png" alt="" width="300" height="156" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-21-300x156.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-21.png 642w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><sup>*</sup>Schatting op basis van de ontwikkeling van het aantal vliegbewegingen ten opzichte van 2020.<br /><sup>**</sup>Slechts met de afgegeven beschikkingen tot en met SDE<sup>++</sup>2020. Het werkelijke bedrag in met name 2022 zal dus veel (waarschijnlijk meer dan €500 mln) hoger zijn.<br /><sup>***</sup>Dit is de waarde van het overschot aan uitstootrechten dat in 2021 aan bedrijven is uitgedeeld. Verwacht wordt dat de waarde van de gratis uitgedeelde rechten in 2022 de ontvangen heffingen wederom zullen overtreffen.</p>
<p><em>Deel B. De omvang van de gemiste overheidsinkomsten op aardgas en elektriciteit.</em> Als er geen vrijstellingen en degressieve tarieven zouden bestaan, zou al het verbruik van gas en elektra belast worden tegen het tarief van Schijf 1. Het verschil tussen de opbrengst als alle verbruik in schijf 1 valt, en de werkelijke belastingopbrengst, is de belastingsubsidie. Tabel 2 laat de omvang van de belastingsubsidie zien voor gas en elektra, en hoe die berekend is.</p>
<p><em>Tabel 2. Gemiste energiebelasting (EB) op aardgas en fossiel opgewekte elektriciteit.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1656" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-22-300x127.png" alt="" width="300" height="127" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-22-300x127.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-22-768x326.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-22.png 911w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>*gecorrigeerd voor<strong> </strong>transmissieverliezen </p>
<p>**gecorrigeerd voor aansluitingskorting. </p>
<p>***aandeel fossiel in totaal. Bron: CBS, Belastingdienst, eigen berekening</p>
<p> </p>
<p>De gemiste energiebelasting op aardgas en fossiel opgewekte elektriciteit ligt dus van 2019 tot 2021 ruim boven de €20 miljard, en zakt alleen in 2022 naar €12 miljard. Dit laatste heeft echter te maken met de wijze waarop dit onderzoek de aansluitkorting op elektriciteit behandelt. Anders dan de Miljoenennota, die de aansluitkorting als zelfstandige belastingsubsidie opvoert, heeft deze studie, in lijn met de voorafgaande, de belastingtarieven met de aansluitingskorting verminderd. Dat gebeurde door het hoogste tarief in een schijf te vermenigvuldigen met het maximumverbruik in die schijf, daar de aansluitkorting van af te trekken, en zo vervolgens het tarief per kWh te bepalen. Deze methode verlaagt vooral het tarief van schijf 1 en 2, en heeft als consequentie dat de berekende subsidie afneemt. In deze methode vermindert de aansluitkorting dus het totaal van de belastingsubsidies, terwijl hij in de Miljoenennota deze juist verhoogt. Hoewel ook bedrijven ervan profiteren, is de verhoging van de aansluitkorting in 2022 toch vooral een sociale maatregel, doordat hij in euro’s wordt uitgekeerd. Daardoor profiteren lage inkomens hier het sterkst van.</p>
<p><em>Deel C. Totaal van gemiste energiebelasting.</em> Om het totaal van gemiste energiebelasting te krijgen, moeten de niet-omstreden fossiele subsidies, het accijnsvoordeel op diesel en de gemiste energiebelasting op gas en elektra worden opgeteld. Tabel 3 geeft de resultaten.</p>
<p><em>Tabel 3. Gemiste energiebelasting op fossiele brandstoffen (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1657" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-23-300x59.png" alt="" width="300" height="59" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-23-300x59.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-23.png 633w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>*De tabel accijnsvoordeel diesel is weggelaten. Hij is berekend door het dieselverbruik in miljoen liters te vermenigvuldigen met het accijnsvoordeel van diesel (zonder BTW), en van het resultaat het aantal dieselauto’s vermenigvuldigd met het dieselnadeel in de motorrijtuigenbelasting af te trekken.</p>
<p><strong><em>Betekenis</em></strong><em>:</em> als al het verbruik van aardgas en elektra tegen het energiebelastingtarief van schijf 1 wordt belast, dan lopen de totale fossiele subsidies in de jaren 2019 tot 2021 op tot ruim €25 miljard. Het jaar 2022 laat een veel lager bedrag zien, door het aanzienlijk lagere aardgasverbruik, en door de hogere compensaties die aan huishoudens en bedrijven zijn verleend, die hier niet als fossiele subsidies worden beschouwd. Bedacht dient te worden dat alle huishoudens, en het overgrote deel van de bedrijven, al belasting betalen volgens schijf 1. Het subsidiebedrag van tabel 3 komt dus vrijwel uitsluitend ten goede aan de bedrijven die belasting betalen in de schijven 2, 3 en 4 (een verwaarloosbaar deel van vrijstellingen valt nog bij bedrijven in schijf 1).</p>
<p><strong><em>Deel </em></strong><em>D. Regering loopt ook veel BTW mis door energiebelasting niet of tegen lager tarief te heffen. </em>De regering geeft bij de gemiste belastinginkomsten niet apart de gemiste inkomsten uit BTW op, die het resultaat zijn van het niet- of minder belasten van fossiele brandstoffen. Toch gaat het hier om zeer substantiële bedragen. BTW wordt immers ook geheven over energiebelasting, dus als energiebelasting niet of beperkt geheven wordt bij grote verbruikers, dan vallen er BTW-inkomsten weg die er bij heffing tegen het normale tarief wel zouden zijn. De omvang van de niet geheven BTW op energiebelasting is eenvoudig vast te stellen. Het is 21% van de gemiste energiebelasting in de jaren 2019-2021, en 15% van de gemiste energiebelasting in 2022 (vanwege de heffing tegen het lage tarief van 9% in de tweede helft van 2022).</p>
<p>Bedacht dient echter te worden dat in de praktijk het voornamelijk de huishoudens zijn als uiteindelijke consumenten die deze gemiste BTW betalen. Bedrijven kunnen namelijk de BTW die zij op hun aankopen betalen verrekenen met de BTW die zij op hun verkopen moeten heffen, en wat zij eventueel daarop tekortkomen kunnen zij van de belastingdienst terugkrijgen. Uitzondering zijn de van BTW-heffing vrijgesteld bedrijven, zoals banken maar ook sportverenigingen, die omdat zij geen BTW hoeven te heffen, deze ook niet kunnen verrekenen. Zij betalen dus BTW alsof ze ook eindverbruiker zijn. Zij zijn goed voor 5% van het gasverbruik en 10% van het elektriciteitsverbruik van bedrijven.</p>
<p>Het einde aan de belastingbevoordeling van grote energieverbruikers zou dus niet alleen tot een enorme verhoging van de belastinginkomsten van de overheid leiden, maar ook een aanzienlijk deel van de hogere lasten bij de huishoudens/consumenten leggen. Aangezien de BTW het zwaarst drukt op de lagere inkomens die hun totale inkomen uitgeven, in tegenstelling tot de hogere inkomens, zijn er maatregelen nodig die deze ongelijkheid-vergrotende effecten neutraliseren. In de conclusie zal daar meer aandacht aan besteed worden.</p>
<p>Op welke gemiste energiebelasting wordt nu ook BTW gemist? Behalve op gas en elektra gaat het ook om BTW over de accijns op kerosine, en op BTW over het accijnsvoordeel op diesel.</p>
<p><em>Tabel 4. Gemiste BTW op gemiste energiebelasting (€ mln).  </em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1658" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-24-300x64.png" alt="" width="300" height="64" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-24-300x64.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-24.png 695w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><sup>*</sup>1<sup>e</sup> helft jaar 21%, 2<sup>e</sup> helft 9%. Gerekend is met 15% voor het jaar.</p>
<p><em>Deel E. Totaal aan gemiste energiebelasting en gemiste BTW. </em>Het totaal aan gemiste belastinginkomsten uit fossiele brandstoffen wordt getoond in Tabel 5. Dit zijn de bedragen die de overheid zou ontvangen als ze alle fossiele brandstoffen voor al het verbruik hetzelfde, zonder onderscheid, zou belasten. Dit zijn dus ook de kosten voor de overheid van alle privileges die zij verleend heeft, ofwel van de fossiele subsidies.</p>
<p><em>Tabel 5. Totaal aan gemiste energiebelasting en BTW (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1659" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-25-300x44.png" alt="" width="300" height="44" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-25-300x44.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-25.png 669w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Deel F. Verschillen met de regeringscijfers uit de recentste Miljoenennota. </em>De verschillen tussen de meest recente regeringsopgaves en het recente onderzoek van Metten concentreren zich op de vrijstellingen en degressieve tarieven voor het aardgas- en elektraverbruik, en op het accijnsvoordeel voor diesel. Over de andere posten is geen verschil van mening. Het subsidie-element daarvoor is meestal simpel vast te stellen, omdat er maar één tarief is, dat wel of niet geheven wordt. In het laatste geval is de subsidie gelijk aan het niet-geheven bedrag.</p>
<p>Over de dieselsubsidie is niet zozeer een verschil van mening, maar de regering vindt het ingewikkeld om te berekenen. De hier gehanteerde oplossing, het dieselverbruik in het wegverkeer te vermenigvuldigen met het dieselvoordeel in de accijns, en het resulterende bedrag verminderen met door dieselrijders meer betaalde motorrijtuigenbelasting, lijkt eenvoudig genoeg. De regeringsopgave is nu (inclusief de brandstofvrijstellingen voor lucht -en zeevaart, die in de laatste Miljoenennota niet expliciet genoemd worden):</p>
<p><em>Tabel 6. Regeringsopgave belastingsubsidies (€ mln).*</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1660" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-26-300x114.png" alt="" width="300" height="114" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-26-300x114.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-26.png 642w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>*Alleen voor de in dit artikel genoemde posten, en gecorrigeerd voor het aandeel niet-fossiel </p>
<p>**De regering heeft inderdaad geen vrijstelling elektra opgenomen, alhoewel er een duidelijk vermeldde outputvrijstelling voor de elektriciteitsopwekking met wkk voor eigen gebruik is. Zowel input als output is hier dus vrijgesteld.<br /><sup>#</sup>Om cijfers vergelijkbaar te maken, gecorrigeerd voor het aandeel niet-fossiele brandstof.<sup> </sup></p>
<p><sup>## </sup>Totaal van tabel 1.</p>
<p> </p>
<p>Ten opzichte van de eerste publicatie van de regering in 2020 en van Metten in 2021 zijn de gevonden belastingsubsidies in de opgaven flink gestegen, maar de uitkomsten verschillen nog steeds aanzienlijk. Tabel 7 vergelijkt de totalen en het belang van vrijstellingen en degressieve tarieven.</p>
<p><em>Tabel 7. Vergelijking fossiele subsidies volgens regeringsopgave en dit onderzoek (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1661" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-27-300x94.png" alt="" width="300" height="94" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-27-300x94.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-27.png 541w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Deze tabel laat zien dat de verschillen tussen regering en dit onderzoek vooral in de vrijstellingen zitten. Meer dan de helft van het verschil is hierdoor te verklaren. Een deel hiervan wordt verklaard, doordat de regering geen vrijstellingen voor elektra vermeld. Uit de toelichting op de tabel van het elektriciteitsverbruik en uit gegevens van de Belastingdienst blijkt echter duidelijk dat door warmtekrachtkoppeling (wkk) opgewekte elektriciteit voor eigen gebruik is vrijgesteld. De omvang van die vrijstelling is ruim 18 miljard kWh. Met behulp van de daar bekende verdeling van de vrijstelling over de belastingschijven bij de grootste begunstigde, de glastuinbouw, is berekend hoeveel belast verbruik in de schijven overblijft om de kosten van de degressieve tarieven juist te kunnen bepalen.</p>
<p>De belangrijkste andere categorie die verantwoordelijk is voor het verschil is de BTW, die de regering niet meegerekend heeft. Het effect van de degressieve tarieven wordt in dit onderzoek zelfs lager ingeschat dan de regering doet.</p>
<p><em>Tabel 8. Belangrijkste bronnen van verschillen tussen opgave regering en dit onderzoek (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1662" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-28-300x76.png" alt="" width="300" height="76" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-28-300x76.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/bestaanszekerheid-28.png 566w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>De verschillen tussen de opgave van de regering in de Miljoenennota 2023 en de methode van dit onderzoek hebben de volgende oorzaken:</p>
<p><em>De regering neemt niet alle vrijstellingen mee.</em> Over hoe dat mogelijk is, licht de regering een tip op. In de toelichting waarom zij de omvang van het verbruik van raffinaderijen niet kan weergeven, meldt ze dat ze het simpelweg niet weet, omdat het niet geregistreerd wordt (en dus ook niet gecontroleerd). De belastingdienst, bron van de meeste cijfers, houdt alleen bij wat belast wordt. Dit betekent dat bedrijven als Shell niet alleen genieten van belastingvrijdom op de olie- en aardgasinput, maar ook niet worden lastiggevallen met registratie en controle op oneigenlijk gebruik. Zij hebben dus niet alleen een vrijstelling op het aardgasgebruik voor de elektriciteitsproductie, maar ook op de resulterende elektriciteit en warmte. Officieel is dat om dubbele belasting te voorkomen, maar wat resulteert is dubbele niet-belasting. Zo meldt de regering de outputsubsidie op met warmtekrachtkoppeling (wkk) geproduceerde (warmte en) elektriciteit niet. Blijkens gegevens van de Belastingdienst en de toelichting bij de CBS tabellen is er een vrijstelling op met wkk geproduceerde elektriciteit voor eigen gebruik. Hier maken met name glastuinders en de chemische industrie gebruik van. Zij hebben dus niet alleen een vrijstelling op het aardgasgebruik voor de elektriciteitsproductie, maar ook op de resulterende elektriciteit en warmte. Officieel is dat om dubbele belasting te voorkomen, maar wat resulteert is dubbele niet-belasting. Een opmerkelijk en belangrijk hiaat in de verslaggeving over vrijstellingen.</p>
<p><em>De vrijstellingen die de regering wel meeneemt berekent ze niet tegen het normale tarief</em> maar, blijkens een schriftelijke mededeling van het Ministerie van EZK, tegen tarieven met korting. Aangezien het merendeel van de vrijstellingen in schijf 4 met bijna symbolisch lage tarieven vallen, lijken de kosten van de vrijstellingen bescheiden. Dat is echter volledig het gevolg van de keuze van het (lage)vergelijkingstarief.</p>
<p><em>De accijnskorting op diesel vult de regering nog niet in</em>.</p>
<p><em>Zij negeert de gemiste BTW die op de gemiste energiesubsidie betaald had moeten worden.</em></p>
<p>Daar staat tegenover dat <em>de aansluitkortingen op de elektriciteitsrekening bij de regering het totaalbedrag van de subsidie verhogen, terwijl ze het in dit onderzoek verlagen.</em></p>
<p><em>Deel G. Conclusies:</em></p>
<p><strong><em>Er is een misverstand in de politiek en in de publieke opinie over het karakter van belastingsubsidies</em></strong><strong><em>.</em></strong> Belastingsubsidies zijn niet gratis. De niet-geheven belasting moet elders, door anderen worden opgebracht. De €30 miljard aan energie- en omzetbelasting die de regering niet heft bij energie-intensieve bedrijven is gelijkwaardig aan €30 miljard aan uitgedeelde subsidie, nadat eerst alle gebruikers hetzelfde tarief (van schijf 1) hebben betaald. Belastingsubsidies zijn met andere woorden vooral een minder zichtbare vorm van subsidie.</p>
<p><strong><em>De regering zegt ook zelf van de degressieve tarieven af te willen</em></strong>. Zij is daar echter nog niet aan begonnen. Zij zou kunnen beginnen de schijven 3 en 4 af te schaffen, waar slechts een klein aantal bedrijven van profiteren, die goed zijn voor een groot deel van het totale verbruik. Deze bedrijven vallen dan met hun totale verbruik in schijf 2, wat nog steeds korting oplevert op het tarief dat alle huishoudens en een grote meerderheid van bedrijven betaalt. Omdat bij aardgas een groot deel van het verbruik in schijf 3 en 4 is vrijgesteld, zou de opbrengst van alleen energiebelasting daar een bescheiden €375 miljoen zijn. Bij elektra neemt de opbrengst echter met een forse €3.782 miljoen toe (cijfers 2019). Als er geen compensatie wordt verleend aan de huishoudens en de bedrijven in schijf 1, kunnen niet alleen de overheidsinkomsten sterk toenemen, maar wordt de koopkracht van huishoudens en de bedrijven in schijf 1 aangetast. zolang energie-intensieve bedrijven niet voldoende bespaard hebben op hun verbruik van fossiele brandstoffen, leiden hogere tarieven voor energiegrootverbruikers tot hogere prijzen voor eindproducten. Dat is een argument voor een stevige belastingprikkel, om de uitfasering van fossiele brandstoffen zoveel mogelijk te versnellen. Met de verschuiving naar niet-fossiele brandstoffen vallen immers ook de kostprijsverhogende belastingen weg. Tot het zover is, moet echter wel het tarief van schijf 1 verlaagd worden, om de hogere kosten voor huishoudens en weinig energie verbruikende bedrijven op te vangen. Dat kan ook, omdat huishoudens en bedrijven in schijf 1 meer betalen dan de externe kosten (vervuiling) die zij veroorzaken. Omdat bedrijven in schijf 2 ook in schijf 1 al belast zijn voor het maximum verbruik van die schijf, profiteren zij mee van zo’n tariefsverlaging. Een verlaging van het tarief van schijf 1 zou minder dan € 1 miljard per jaar kosten.</p>
<p><strong><em>Energiecrisis laat zien dat bedrijven kunnen overleven door te besparen.</em></strong><strong><em><br /></em></strong>Belastingsubsidies op energie drastisch verlagen of afschaffen, om door middel van een prijsprikkel tot grote energiebesparing en vermindering van de aantasting van milieu en gezondheid te komen, zou de energie intensieve bedrijven wegjagen naar andere landen of continenten, zo beweren lobbyisten. Er bestaat echter zoiets als een <em>“natuurlijke experiment”</em>, en we maken daar nu een belangrijke van mee. Een natuurlijk experiment speelt zich niet in een laboratorium af maar in de werkelijkheid, en is daar uniek door. Door de energiecrisis zijn de gas- en elektraprijzen ook voor grootverbruikers drie tot vier keer zo hoog worden, hoger dan ze met een normale energiebelasting zouden worden, en toch verdwijnt geen enkel bedrijf naar de VS, waar de gasprijzen een vijfde zijn van hier. Slechts één energie-intensief bedrijf is failliet gegaan, maar dat verkeerde ook voor de huidige energiecrisis al in de problemen. In plaats van verhuizen, onvermijdelijk volgens lobbyisten, blijken bedrijven met de huidige prijsprikkel ineens ook drastisch op energie te kunnen besparen, en dat zonder instorting. Er is dus nog een alternatief voor verplaatsen, namelijk blijven &#8211; en besparen op energieverbruik. Wie naar de bedrijven kijkt die het betreft kan ook niet verbaasd zijn. Niet alleen zijn ze energie-intensief, maar ook kapitaalintensief. Ze hebben relatief weinig personeel, maar wel specialistisch of hooggeschoold. Verplaatsing betekent kapitaalvernietiging, en waar vind je elders een plek die even goed gesitueerd is, met voldoende gekwalificeerd personeel, en met de zekerheid dat de hogere tarieven die je in Nederland ontvlucht jou daar niet vervolgens inhalen? Kortom, om in sprookjes te geloven moet je goedgelovig zijn. Lobbyisten worden ingehuurd om ze te vertellen, maar niemand is gedwongen te luisteren.</p>
<p>Dat <strong><em>ook de overheid belastingsubsidies als gratis beschouwt</em></strong>, wordt het best geïllustreerd door de wijze waarop vrijstellingen geregistreerd worden: namelijk niet. Hier worden miljarden in wel erg goed vertrouwen uitgedeeld. De tegenstelling met hoe huishoudens met toeslagen of bijstand behandeld worden kan niet groter. Belastingvrijstellingen moeten niet alleen geregistreerd worden, maar waar de Europese energiebelastingrichtlijn lidstaten de optie laat om toch te belasten, moet Nederland dat ook doen.</p>
<p>Met één vorm van compensatie voor hogere lasten is afgelopen jaar geëxperimenteerd, namelijk een flink <strong><em>hogere aansluitingskorting</em></strong> voor elektra. Ook dat kan als een natuurlijk experiment beschouwd worden. Hoewel ook bedrijven recht op deze korting hebben, heeft hij het meeste betekenis voor huishoudens met lage inkomens, omdat het om een vast bedrag in euro’s gaat. Voor dit jaar is de verhoging weer teruggedraaid, maar het is een eenvoudig en doeltreffend instrument gebleken.</p>
<p>De structuur van de belasting op energiedragers ademt een tijd waarin alles was toegestaan om bedrijven aan te trekken, en waarin milieu en gezondheid een ondergeschikte rol speelde. Het gevolg is dat elke prijsprikkel om energie te besparen ontbreekt. Maar daarnaast zijn ook de belastingen lager naarmate het energieproduct vervuilender is. Verbazingwekkend dat nu milieu en gezondheid een steeds grotere rol spelen, die belastingstructuur nog onaangetast is. De Europese Commissie heeft in 2021 het voorstel voor herziening van de volstrekt achterhaalde energiebelastingrichtlijn uit 2004 uitgebracht, die onder andere belasting naar energie-inhoud bevat. Het herzieningsvoorstel is veelbelovend, maar wat de minimumtarieven betreft nog veel te bescheiden. Hoewel de Nederlandse regering het initiatief steunt, is er in de Raad en het Parlement geen enkele voortgang in de behandeling ervan. De regering zou daarom met gelijkgestemde landen wellicht zelf al stappen kunnen zetten. Een belangrijke oorzaak van de onveranderlijkheid van de structuur van de belasting op energie is de lobby van de grootverbruikers van energie. Hun lobby-argumenten zijn weinig origineel: voor de noodzaak van de belastingsubsidies wordt altijd met het werkgelegenheidsargument geschermd. Nu werkeloosheid is omgeslagen in arbeidsschaarste, is daar het argument bijgekomen van onafhankelijkheid van andere landen of continenten. Lobbyisten weten altijd weer iets nieuws te bedenken, daar worden ze immers voor betaald. Het is aan politici en de media om door hun strategieën van tegenhouden, vertragen en twijfel zaaien heen te prikken.</p>
<p> </p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Alles moet anders, en wel nu! &#8211; deel 2 Versterking van onze democratische rechtsstaat, veiligheid en de emancipatie van alle burgers en een humaan gereguleerde migratie en integratie</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2025/04/02/alles-moet-anders-en-wel-nu-deel-2-versterking-van-onze-democratische-rechtsstaat-veiligheid-en-de-emancipatie-van-alle-burgers-en-een-humaan-gereguleerde-migratie-en-integratie/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 02 Apr 2025 16:00:17 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1605</guid>

					<description><![CDATA[Bescherm onze democratische rechtsstaat tegen de fascistische bedreigingen Nog te veel mensen onderschatten hoe gevaarlijk het extreemrechtse riool is: het is een gewelddadig allegaartje dat&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[


<p><em><u>Bescherm onze democratische rechtsstaat tegen de fascistische bedreigingen</u></em></p>
<p><em>Nog te veel mensen onderschatten hoe gevaarlijk het extreemrechtse riool is: het is een gewelddadig allegaartje dat de samenleving ondermijnt en zijn genoegdoening haalt uit de vernedering van progressieve vrouwen, vluchtelingen, biculturele Nederlanders, LHBTI’ers. Op X domineren ze, en ze beheersen de tactiek van uitsluiting als geen ander: door progressieve tegenstanders maar vaak en massaal genoeg aan te vallen, haken bange omstanders vanzelf af om zich in veiligheid te brengen. Het is een manier om individuen sociaal te isoleren en tot stilte te intimideren. De dynamiek die daarbij ontstaat is fascinerend en verontrustend tegelijk: wildvreemden projecteren ideeën en plakken zelfgeschreven etiketten op je waardoor er in hun hoofd een monsterlijke karikatuur ontstaat waar ze blind in gaan geloven. </em></p>
<p><em>De afgelopen jaren zijn deze intimidatietechnieken van extreem-rechts en andere boze burgers goeddeels genegeerd. Dit begon jaren geleden al in de krochten van het internet, op sites als het inmiddels opgeheven Het Vrije Volk – waar gefantaseerd werd over de executie van linkse politici, ‘nazislamitische hoeren’, als Jolande Sap en Ineke van Gent – en verspreidde zich naar andere podia en het parlement waar ze zich inmiddels vertegenwoordigd weten door partijen als de PVV, FvD, JA21, BVNL en BBB. </em></p>
<p><em>Verwend door dat gedoogbeleid, vinden ze nu dat de regels niet voor hen gelden. Of het nu gaat om terreurboeren die asbest dumpen, Staphorsters die anti-Zwarte Piet-demonstranten belagen, Sylvanahaters die lynchfilmpjes maken, ‘moederharten’ die schrijvers voor pedo uitmaken of fakkeldragers die in heksen geloven. Zíj voelen zich miskend en dus hebben ze het recht om je verrot te schelden en te belagen. Maar jíj hebt geen recht op weerwoord, want dat is een beknotting van hun vrijheid en ‘polarisatie’. Eigen vrijheid en veiligheid eerst. Het is alsof je een bokswedstrijd met geboeide handen ingaat. Op zo’n manier wordt de stap naar eigenrichting en brandende fakkels wel erg klein. Het is puur misbruik maken van de vrijheid van meningsuiting, die we niet langer meer tolereren. We stoppen met tolerantie voor intolerantie. </em></p>
<p><em>Het fascistische gedachtegoed verspreidt zich opnieuw als gif door ons land en in Europa en Amerika. Er werden antisemitische teksten geprojecteerd op onder meer het Anne Frankhuis, waarin de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank in twijfel werd getrokken. En dit is geen incident. David Icke werd net op tijd door Femke Halsema geweerd uit de stad, maar zijn aanhangers liepen dezelfde dag met prinsenvlaggen en andere neonazistische symbolen in een colonne de veerpont op. </em></p>
<p><em>Al jaren waarschuwt de AIVD voor extreemrechts gevaar, maar het is niet alleen te lezen in hun jaarboeken. Waar enkele antifascisten zichzelf tegen doxing en bedreigingen moeten beschermen bij tegendemonstraties door hun gezicht te verbergen, lopen de neonazi’s van Voorpost vol trots op de Dam. Daar waar elk jaar de Dodenherdenking plaatsvindt. Het is een pijnlijk gegeven dat neonazi’s zich meer thuis voelen in de hoofdstad dan de tientallen mensen die vreedzaam in verzet komen tegen de normalisatie ervan. Tijdens de coronapandemie was duidelijk dat de groep Samen Voor Nederland fascisten graag verwelkomt bij hun demonstraties op het Museumplein. Het antisemitistische FvD vond zijn oorsprong in Amsterdam en hun vlag wappert fier naast NSB-symbolen. Maar ook in de Amsterdamse gemeenteraad maakte Annabel Nanninga van JA21 furore, terwijl ze herhaaldelijk misselijkmakende grappen over de Holocaust tweette. </em></p>
<p><em>Mensen in de lhbtq+-gemeenschap-gemeenschap, vluchtelingen, moslims en mensen van kleur worden steevast ontmenselijkt en weggezet. De omvolkingstheorie wordt besproken bij de NPO, terwijl de VVD-minister Dilan Yeşilgöz van Justitie en Veiligheid zich drukker lijkt te maken over ‘het wokeisme’ dan extreemrechts. Ondertussen houdt ons politieapparaat vreedzame antifascisten aan, terwijl neonazi’s op steenworp afstand kunnen blijven demonstreren in Amsterdam. De wereld op zijn kop.</em></p>
<p><em>Extreemrechts organiseert zich en steekt overal de kop op. Journalisten, wetenschappers en politici worden verdacht gemaakt, bedreigd en in de hoek gezet. Complottheorieën waarin de Holocaust ontkend wordt, worden verspreid in de Tweede Kamer. Het wordt tijd dat we daar een vuist tegen maken. </em></p>
<p><em>Na de verbijstering over de verkiezingsoverwinning van de PVV met 2,5 miljoen kiezers hebben we nu een extreemrechts kabinet, en de contouren van een gruwelijk beleid worden steeds meer zichtbaar. Het kabinet wordt verenigd door rancune – tegen vluchtelingen, tegen links, tegen progressieve politiek, tegen klimaatbeleid, tegen wetenschap, tegen kunst, tegen de journalistiek. Een huwelijk tussen proto-fascisme en de rijke, vermogende en de planeet vernietigende elite. Een absurdistisch van krankzinnige wanvertoningen en feitenvrije wartaal. In de jaren 1930 leidde zo’n huwelijk tot de Holocaust en WWII. Het hoeft niet per se weer zo af te lopen als dit kabinet nog een tijdje krijgt, maar de signalen staan steeds meer op rood, met als eerste slachtoffers vluchtelingen en moslims. </em></p>
<p><em>Het afschaffen van burgerrechten in de Grondwet werd gelijkgesteld aan het afschaffen van het Koningshuis, het parlement moest buitenspel worden gezet om illegaal beleid door te voeren, bestaanszekerheid en effectief klimaatbeleid gaat de prullenbak in, en de grenzen moeten dicht. De lijsttrekkers van de beoogde coalitiepartners vormen een gevaarlijke mix van dreefveren: Die van Omtzigt is rancune, van Wilders blinde haat, van Yeşilgöz foute ambitie en van nep-boerin Van der Plas door de agro-industrie geregisseerd opportunistische belangenpolitiek.</em></p>
<p><em>Er dienst scherp gewaarschuwd te worden tegen de onderschatting van een combinatie van zaken die door de verkiezingsuitslag van 22 november 2023 op scherp zijn komen te staan. Ik waarschuw voor een gruwelijke periode, met het fascisme in het hart van de macht in ons land, de EU en de VS, waarbij de grondrechten van burgers en de democratische rechtsstaat op korte termijn worden aangevallen. Dit tegen de achtergrond van een geopolitieke situatie vol spanningen en oorlogen, waarbij er gerede kans is dat ook ons land rechtstreeks én indirect aangevallen wordt in een militair én hybride, wereldwijd conflict met autoritaire, agressieve regimes, die erop zijn onze vrije samenleving te vernietigen, en die het fascisme in Europa en Amerika sponsoren en ondersteunen. </em></p>
<p><em>Niets is veilig bij de huidige extreemrechtse coalitie. Mensenrechten niet, met name die van mensen met een niet-Nederlandse afkomst en moslims. Ook die van lhbti-ers zijn niet veilig. De arme kant van Nederland krijgt het zwaar, de renteniers volledig vrij spel. Het klimaat en de natuur krijgen zware klappen. En we gaan steeds een isolationistische koers varen, zonder solidariteit met de slachtoffers van oorlog en geweld, en met solidariteit met andere extreemrechtse en autoritaire regimes. Trump wordt hierover bejubeld door Wilders.</em></p>
<p><em><u>Waarom FvD en PVV (proto)fascistisch zijn</u></em></p>
<p><em>De huidige onderschatting van al deze problemen, ook op links, is extreem gevaarlijk. Het fascisme wordt niet benoemd. De strategie is teveel gericht op in gesprek blijven en de schade te beperken, en niet op een offensief aanvalsplan dat werkelijk de bakens weet te verzetten. </em></p>
<p><em>Sinds de verkiezingsuitslag is er een bijzonder en tegelijkertijd gevaarlijk frame gaande dat elke kritiek, protest of demonstratie richting de PVV, ‘de partij alleen maar meer winst oplevert en groter maakt’. Het is een valse en gevaarlijke manier van mensen en media de mond te snoeren en tegengeluid te ontmoedigen. Laat je niet beïnvloeden of weerhouden door dit frame. De PVV is extreemrechts en protofascistisch en tegengeluid bieden is niet alleen een grondrecht, het is ook zeer noodzakelijk. </em></p>
<p><em>De PVV vindt zijn oorsprong in het opstappen van Wilders uit de VVD, en wordt gedreven om zich te revancheren voor zijn toen verloren strijd om de macht met Rutte, waarbij hij steeds een nog extremer standpunt inneemt, met name gedreven door islamofobie en zich steeds meer kwalificeert als fascist. </em><em>Geen enkel medium en geen enkele politicus, ook niet van ons Verenigd Links, heb ik tot nu toe de PVV fascistisch zien of horen noemen. Op basis van de relevante wetenschappelijke literatuur kan worden vastgesteld dat de PVV aan vrijwel alle kenmerken van het fascisme voldoet. Van de 10 kenmerken van fascisme scoort de PVV er echter zeker acht:</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1606" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-1-300x169.png" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-1-300x169.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-1.png 605w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Van: Dr. Jo Horn (@drJHAmsterdam op X), oud-Tweede kamerlid voor PvdA en auteur met Els Sira van ‘Het Italiaans fascisme’ (1980). Veel van onderstaande teksten en afbeeldingen zijn van hem afkomstig.</em></p>
<p><em> </em></p>
<p><em>De begrippen Radicaalrechts, Extreemrechts Fascistisch liggen in elkaars verlengde, maar zijn niet identiek. Er is sprake van een glijdende schaal.  Partijen die als uiterst rechts gekenmerkt worden hebben een aantal kenmerken gemeen. Ze onderscheiden zich van radicaal, extreem- en fascistisch rechts doordat ze de basiswaarden van de democratie erkennen, maar zijn in het algemeen conservatief, traditioneel of nationalistisch. Uiterst rechtse partijen zijn veelal gekant tegen migratie, ontkennen de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, ontkennen bijvoorbeeld de feiten over corona of klimaat en creëren hun eigen werkelijkheid. Op ethisch terrein zijn ze daarenboven behoudend (tegen abortus, euthanasie) en hun standpunten zijn veelal strijdig met de rechtsstaat.</em></p>
<p><em>Populistisch radicaal rechts hebben een aantal kenmerken gemeen, waaronder:</em></p>
<ul>
<li><em>Verzet tegen globalisering en immigratie</em></li>
<li><em>Kritiek op multiculturalisme</em></li>
<li><em>Het vasthouden aan traditionele waarden</em></li>
<li><em>Bezwaar tegen de Europese Unie</em></li>
<li><em>Verzet tegen modernisering van de samenleving.</em></li>
</ul>
<p><em>In principe zijn ze niet tegen de parlementaire democratie, zeker zover dat hun eigen doelen dient. Over het aspect rechtsstatelijkheid scoren ze in veel opzichten negatief. Radicaal rechts staat in beginsel afwijzend tegenover het gebruik van geweld. Ze veroordelen echter zelden geweld van extreme rechtse groeperingen. </em></p>
<p><em>Wat is extreem rechts? Extreemrechts gaat een stap verder dan radicaalrechts en omvat groeperingen en individuen die ideeën en acties ondersteunen die vaak als racistisch, xenofobisch of discriminerend worden beschouwd. Extreemrechtse groeperingen kunnen bijvoorbeeld streven naar rassenzuiverheid, etnische suprematie of beperking van rechten van minderheidsgroepen. Extreemrechtse groeperingen zijn in principe niet tegen het gebruik van geweld, maar passen het niet altijd zelf toe. </em></p>
<p><em>Fascistisch recht is het eindstadium, de meest extreme variant. Fascisme kent vier fasen:</em></p>
<ul>
<li><em>Het pre-fascisme</em></li>
<li><em>Het vroeg-fascisme</em></li>
<li><em>Het ‘normale’ fascisme</em></li>
<li><em>Het radicale fascisme</em></li>
</ul>
<p><em>Elke eerdere fase tendeert naar een latere. Veel fascistische bewegingen ontberen in aanvang de kenmerken van de radicale variant, maar hebben in hun kiem wel de radicale elementen die later manifest (kunnen) worden. Het nazisme is de meest radicale en virulente variant van het fascisme. </em></p>
<p><em>Het fascistisch minimum volgens de historicus Roger Griffin (The Nature of Fascism, Robert Griffin, 1993): </em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1607" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-2-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-2-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-2-768x432.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-2.jpg 900w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Robert Paxton (The Anatomy of Facism, Robert Paxton, 2004 (Nederlandse vertaling: De anatomie van het fascisme, Bert Bakker 2005) </em><em>is van mening dat het fascisme het beste begrepen kan worden als een vorm van politiek gedrag of actie dan als een vaste ideologie. De ideologie van veel fascisten is in deze visie, die ik deel, slechts opsmuk. Kijk naar wat ze doen. Paxton definieert de verschillende kenmerken van het fascisme, waaronder een cultus van geweld, autoritarisme, ultranationalisme, racisme, anti-liberalisme, anti-communisme en de roep om een sterke leider.  Anti-communisme was een belangrijk kenmerk van het historisch fascisme. Het is nu vervangen door agitatie tegen links, ook gematigd links.</em></p>
<p><em>Antonio Scurati (Fascisme en populisme, Antonio Scurati, Podium, januari 2024) </em><em>onderzocht in zijn boek Fascisme en populisme de paralellen tussen historische fascistische bewegingen en moderne populistische trends. Scurati schreef een aantal briljante boeken over Mussolini. Hij noemt de volgende kenmerken van fascisme:</em></p>
<ol>
<li><em>Politieke verleiding en agitatie. Scurati benadrukt hoe Mussolini als populist meesterlijk begreep hoe hij het volk kon verleiden en mobiliseren door middel van propaganda en retoriek. </em></li>
<li><em> Een ander kenmerk dat Scurati aanstipt, is de neiging van fascistische regimes om een sterke leiderschapscultus te ontwikkelen waarin de leider zichzelf vereenzelvigt met het volk.</em></li>
<li><em>Manipulatie van de democratie. Scurati waarschuwt dat democratie kwetsbaar is en dat fascistische en populistische bewegingen deze kwetsbaarheid uitbuiten door democratische processen en instituties te manipuleren voor hun eigen gewin.</em></li>
<li><em>Anti-rechtstatelijk, autoritair en anti-liberaal.</em></li>
</ol>
<p><em>Veel van wat radicaalrechts en extreemrechts vandaag de dag poneert zagen we ook al terug bij de historische voorgangers voor de Tweede Wereldoorlog. Willem Hubers schreef een boeiende studie over het Nederlandse fascisme 1923-1945 (In de ban van  een beter verleden – Het Nederlands fascisme 1923-1945, Willem Hubers, Vantilt, 2017)</em><em>. “De ‘natuurlijke orde’ van de natie kan volgens het fascisme worden ondergraven door zaken als immigratie van vreemdelingen, gebrek aan patriottisme, individualisme, internationaal georiënteerd socialisme, verval van morele waarden, gelijkheidsstreven (zoals het feminisme) en het op individuele basis  georiënteerd consumentisme. Het geldt ook voor veel radicaal rechtse groeperingen en partijen.”</em></p>
<p><em>Een andere relevante studie is die Jason Stanley over hoe het fascisme (lees ook radicaal- en extreemrechts) te werk gaat (How Facism Works, Jason Stanley, Penguin Random House, 2018): </em></p>
<ul>
<li><em>Wij-zij-mentaliteit: fascistische ideologieën zijn vaak gebaseerd op het creëren van een scherp onderscheid tussen ‘wij’ (het volk) en ‘zij’ (de vijanden). Dit kan gebaseerd zijn op factoren zoals ras, religie, nationaliteit, etc.</em></li>
<li><em>Propaganda en manipulatie van taal: het verspreiden van simplistische slogans om de massa te beïnvloeden.</em></li>
<li><em>Het aanvallen van intellectuele instituten, waarbij kritisch denken en intellectuele instellingen worden aangevallen.</em></li>
<li><em>Zondebok: zondebokken identificeren en de schuld leggen voor maatschappelijke problemen bij specifieke groepen, wat kan leiden tot discriminatie en vervolging.</em></li>
<li><em>De rol van de leider en verheerlijking van macht.</em></li>
<li><em>Het ondermijnen van democratische instellingen. </em></li>
</ul>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1608" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-3-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-3-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-3-1024x576.jpg 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-3-768x432.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-3.jpg 1280w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Kenmerkend voor zowel radicaal rechts, extreemrechts en fascisme is dat deze bewegingen erin slagen om brede steun te verwerven door het aanspreken van de angsten en frustraties van de bevolking. Daarbij worden de feiten ontkend en/of verdraaid. Klimaat. Asielzoekers. Europa. </em></p>
<p><em>Het ontkennen van de realiteit is een kenmerk van radicaal/extreemrechts.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1609" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-4-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-4-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-4.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Velen sluiten nog steeds hun ogen voor de gevaren van radicaal/extreemrechts</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1610" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-5-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-5-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-5-1024x576.jpg 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-5-768x432.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-5.jpg 1280w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Nogmaals:</em></p>
<p> </p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1611" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-6-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-6-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-6.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Veel, doch weliswaar niet alle, kenmerken, van het hedendaags fascisme komen terug bij uiterst rechts in Nederland. Forum voor Democratie kan als volledig fascistisch worden beschouwd, PVV als proto fascistisch (de meeste, maar niet alle kenmerken) kan worden aangemerkt.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1614" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-6b-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-6b-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-6b-1024x576.jpg 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-6b-768x432.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-6b.jpg 1280w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1613" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-7-1-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-7-1-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-7-1.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1615" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-8-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-8-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-8.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1616" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-9-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-9-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-9.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1617" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-10-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-10-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-10.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1618" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-11-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-11-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-11.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1619" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-12-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-12-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-12.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1620" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-13-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-13-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-13.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1621" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-14-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-14-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-14.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1622" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-15-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-15-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-15.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1623" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-16-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-16-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-16.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Waakzaamheid is geboden. Laten we de ogen niet sluiten voor de gevaren die de democratie en de rechtsstaat bedreigen. Le Pen in Frankrijk, Trump in de VS. Wilders in Nederland. </em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1624" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-17-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-17-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-17.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>In dit verband is ook een boek van o.a. Adorno: Studien zum authoritären Charakter aanbevelenswaardig. Uiterst wetenschappelijk maakt de onderzoekersgroep rond Adorno duidelijk, hoe deze &#8220;Schweinerei&#8221; ontstaat (Zie ook: <a href="https://www.feinschwarz.net/der-autoritaere-charakter/">Der Hass auf das Andere. Zur Persistenz des „autoritären Charakters“ &#8211; feinschwarz.net</a></em><em>). </em></p>
<p><em>Wilders heeft alle kenmerken van een autoritaire persoonlijkheid. Rigide denken, onzekerheid, trappen naar beneden.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1625" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-18-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-18-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-18.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Wilders is geen Milders: Ook als je water bij een gifbeker doet, is het een slecht idee om hem leeg te drinken. Iedere keer opnieuw, zowel in de Kamer als op sociale media, blijkt dat de ijskast wagenwijd open staat, en het stinkt inmiddels enorm van het bederf van onze samenleving, rechtsstaat, bestaanszekerheid en natuur &amp; milieu. </em></p>
<p><em>Het begint altijd met woorden. “Minder Marokkanen” is hetzelfde als “Joden niet gewenst”. Inmiddels wil het PVV-kabinet op asiel het parlement buiten spel zetten met een noodwet en borden plaatsen bij AZC’s dat daar gewerkt wordt aan het terugsturen van vluchtelingen naar het land waar ze vandaan vluchtten. </em></p>
<p><em>Dat ontwerp voor de borden bij de azc’s is er al. Alleen het woordje Joden vervangen door vluchtelingen. Volgen hierna maatregelen zoals het uitsluiten van asielzoekers van openbare gelegenheden, parken, cafés, en zwembaden? Ook die voorbeelden kennen we.</em></p>
<p><em>De Weimar-republiek in het Duitsland van een eeuw geleden ging niet ten onder omdat er al vroeg teveel Nazi’s waren, maar omdat er te lang te weinig democraten waren. Velen willen het ook nu niet weten en kijken weg. Ook journalisten en politici, vooral van  VVD en NSC. Elke dag worden we bestookt met de extreemrechtse propagandatechnieken van Wilders en Faber c.s. Het is nu niet anders dan toen. Het fatsoen moet terug in de politiek en samenleving. </em></p>
<p><em>Dat begint met te (h)erkennen dat de PVV fascistisch is. Zoals zij wel goed begrepen hebben win je de strijd niet als je het kwaad niet benoemt. </em></p>
<p><em><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1626" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-19-300x211.jpg" alt="" width="300" height="211" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-19-300x211.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-19.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></em></p>
<p><em> </em><em>Ook nu sponsort het grootbedrijf en de superrijken het fascisme. Niet alleen Musk in de VS, maar bijvoorbeeld NRC onthulde ook de sponsoring van Amerikaanse congresleden die de verkiezingsnederlaag van Trump niet erkenden door Ahold en Philips (<a href="https://www.nrc.nl/nieuws/2024/09/29/philips-en-ahold-doneerden-geld-aan-omstreden-amerikaanse-politici-a4867435">Philips en Ahold doneerden geld aan antidemocratische politici in de VS &#8211; NRC</a>). De positie van de NSDAP van Hitler werd in de jaren 30 versterkt toen bankiers en industriëlen voor eigen gewin hem begonnen te steunen. Het kapitalisme zonder moraal. </em></p>
<p><em> <img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1627" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-20-300x225.png" alt="" width="300" height="225" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-20-300x225.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-20.png 640w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></em></p>
<p><em>Faber zet een onmenselijke traditie voort. In 1938 werden Joodse vluchtelingen uit Nazi-Duitsland met onvoldoende bestaansmiddelen met terugwerkende kracht ongewenst verklaard. &#8220;Hier werken wij aan uw terugkeer&#8221; Naar de concentratiekampen. </em></p>
<p><em><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1628" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-21-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-21-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-21.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" />J</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1629" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-22-300x300.jpg" alt="" width="300" height="300" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-22-300x300.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-22-150x150.jpg 150w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-22.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1630" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-23-106x300.png" alt="" width="106" height="300" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-23-106x300.png 106w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Fascisme-23.png 304w" sizes="(max-width: 106px) 100vw, 106px" /></p>
<p><em>Journalisten uit Polen en Hongarije waarschuwen: extreemrechtse partijen matigen hun toon niet zo snel. Het is een tijdelijk masker. Het marchanderen met de rechtsstaat gaat geleidelijk, maar gestaag, en heeft gevolgen. In Polen trachtte de extreemrechtse president via een veto op de begroting de nieuwe coalitie alweer te laten vallen, in Hongarije lijkt de onafhankelijke pers en media uitgeschakeld en regeert Orban al jaren per decreet zonder parlement (noodwet!). En in Italië met een neofascistische premier worden de lhbti-rechten teruggedraaid en vluchtelingen worden gedeporteerd naar Albanië. Bij de recente verkiezingen voor het Europees Parlement is extreemrechts een gevaarlijk grote macht geworden. In Oostenrijk is de partij  de grootste geworden die zijn overwinning vierde met het zingen van Nazi-liederen. In Duitsland werd een extreemrechtse partij de grote overwinnaar bij recente deelstaatverkiezingen en in de VS is er nu een overwinning van een veroordeelde aanrander van vrouwen, een corrupte ondernemer en een man die de democratie en de vrije samenleving aanvalt met openlijke oproepen tot geweld en ondermijning van de democratie en de rechtsstaat. </em><em>Terecht wordt Trump genoemd als grootste bedreiging voor 2025 – ik vrees dat we ons nog niet kunnen voorstellen wat die herverkiezing voor dramatische gevolgen zal hebben. De lichten gaan uit in de vrije wereld, we gaan een inktzwarte periode van geweld en autocratie in. Inmiddels gaan de gebeurtenissen zelfs mijn pessimistische verwachtingen te boven. Trump heeft inmiddels Oekraïne verraden, bedreigd Canada, Groenland, Mexico en Panama, omarmt de oorlogsmisdadigers Putin en Netanyahu, dreigt de bijstandsverplichtingen in het NATO-verdrag niet na te komen, bedreigt zo’n beetje de halve wereld met invoerheffingen en handelsoorlogen, heeft zich eenzijdig teruggetrokken uit het Klimaatverdrag en de Wereld Gezondheidsorganisatie, investeert in fossiele industrie, zegt bescherming van natuur op, en steunt de fascisten in Europa. En dat is nog maar een kleine selectie van zijn eerste weken als president. </em></p>
<p><em>Denk dus niet dat het wel zal meevallen: het zal nog meer tegenvallen. In november 2023 stemde 56% van de Argentijnse stemmers voor een extreemrechtse populist als president. Het gevolg ruim een maand later: consumentenbescherming, prijscontroles en huurbescherming worden afgeschaft. Subsidieprogramma’s voor midden- en kleinbedrijf worden ongedaan gemaakt. Beperking op hoeveelheid grond die multinationals in bezit mogen hebben, wordt opgeheven. Vanuit juridische hoek zijn al 13 bezwaren tegen Milei’s decreet ingediend bij het hooggerechtshof omdat het ongrondwettelijk zou zijn. Ordediensten krijgen vergaande bevoegdheden om mensen te arresteren, te vervolgen en boetes op te leggen wegens deelname aan protesten (Bron: artikel Jelle Baars, Trouw, 29 december 2023).</em><em> Op X jubelen Nederlandse PVV-stemmers over deze maatregelen. </em></p>
<p><em>Onlangs omarmde ook VVD-leider Yeşilgöz de politiek van Milei. “Begin dit jaar gaf Dilan Yeşilgöz al een voorschot op de nieuwe koers, door de aanval in te zetten op de overheidsbureaucratie. Als inspiratie noemde ze de Argentijnse vrijemarktradicaal Javier Milei, bekend van zijn campagneoptredens met hardrock en kettingzaag. President Milei, die per decreet hele ministeries heeft afgeschaft en de begroting op orde heeft gebracht door de helft van de Argentijnse bevolking onder de armoedegrens te drukken, zou een ‘goed voorbeeld’ zijn voor de VVD. In de wat militante toon deed de interventie terugdenken aan Mark Rutte. Bij aanvang van zijn eerste kabinet stelde Rutte dat ‘Nederland lijdt aan bestuursobesitas’. Onder zijn leiding werd het ministerie van VROM afgeschaft.” (<a href="https://www.groene.nl/artikel/eerlijker-2025-02-05">https://www.groene.nl/artikel/eerlijker-2025-02-05</a></em><em>) </em></p>
<p><em>De grootste fout die links kan maken is om te doen alsof de winst van uiterst rechts alleen maar een verloren wedstrijd is. Dit zijn mensen die nu het hele stadion willen slopen. Extreemrechts </em><em>pakt de macht en het wordt gruwelijk – bereid je voor in plaats van het te relativeren. Er is nu </em><em>een regering van politici die naar buiten toe poeslief doen maar ondertussen in achterkamertjes de gruwelijkste plannen smeden. </em></p>
<p><em>De PVV slaagt er steeds meer in om mensen te laten geloven dat de democratie zelf het probleem is, en dat we een ‘sterke man’ nodig hebben om de orde te herstellen – de geschiedenis van de Griekse antieke democratie laat zien waar deze dictatorschappen toe leidden (Lees: Ilja Leonard Pfeijffer, Alkibiades, De Arbeiderspers, 2023). </em></p>
<p><em>De historicus, Yale-hoogleraar schrijft in The Strongman Fantasy: </em><em>“Strongman rule is a fantasy. Essential to it is the idea that a strongman will be your strongman. He won’t. in a democracy, elected representatives listen to constituents. We take this for granted, and imagine that a dictator would owe us something. But the vote you cast for him affirms your irrelevance. The whole point is that the strongman owes us nothing.” </em></p>
<p><em><u>Omtzigt en zijn partij zijn collaborateurs van het (proto)fascisme</u></em></p>
<p><em>Het is ook een groot misverstand dat de andere partijen de wil en de potentie hebben om Wilders en zijn discipelen in te tomen. Geen van beide is het geval. De strategie van Verenigd Links om Omtzigt te paaien en met hem een alliantie aan te gaan was wellicht wel de grootste fout in de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen. </em></p>
<p><em>Bij GL-PvdA dacht men Omtzigt (NSC) te kunnen paaien met een uitruil tussen steun aan zijn bestuurlijke hervormingen en zijn steun aan linkse plannen voor eerlijke en groene bestaanszekerheid. Al snel bleek Omtzigt nog steeds een conservatief-rechtse politicus, dat had geen verrassing behoeven te zijn, zie ook zijn verkiezingsprogramma. En, niet onbelangrijk en ook niet onbegrijpelijk, stond hij ambivalent tegen het nu al als kwetsbare nieuwe partij deel te nemen in een kabinet. De bezweringsformule van de onthutsend naïeve Kim Putters voor een ‘extraparlementair programkabinet’ heeft dat bezwaar bij NSC weliswaar even weggenomen, maar vooral zijn fractie lijkt zeer verdeeld hierover, zo was althans de hoop van de PvdA-GL fractie. De peilingen zijn inmiddels dramatisch voor het NSC en Omtzigt zit al maanden overspannen thuis, en alleen de angst voor een nieuwe stembusgang lijken NSC, BBB en VVD nog bij de PVV te houden – die dat grondig beseft en hun met tweets het bloed onder de nagels bij zijn coalitiegenoten  haalt.</em></p>
<p><em>Verenigd Links behaalde wel behoorlijke zetelwinst, maar volstrekt onvoldoende om, zeker met de ruk naar extreemrechts, een betekenisvolle rol te kunnen spelen. De campagne was flets, en men was voortdurend in het defensief in plaats van dat men offensief het eigen programma en de eigen agenda wist te laten domineren. Men mistte compleet dat de fascisten er met de winst vandoor gingen en liet zich verrassen in een belangrijk lijsttrekkersdebat bij RTL door een opzetje van de PVV in samenwerking met de voorman van Otto Force, de bekende uitbuiter van migranten en hoofdsponsor van de VVD. </em></p>
<p><em>Omtzigt wordt gedreven uit rancune door hoe hij door zijn voormalige partij, het CDA, samen met D66 en Rutte en de zijnen buitenspel werd gezet (‘functie elders’) en voorgelogen werd en die uit daaruit voortkomend wantrouwen gedreven wordt door een maniakaal streven naar het verzamelen van steeds nog meer detailinformatie – die uiteraard steeds weer nieuwe vragen en informatiebehoeften oproept en waarbij door alle bomen het zicht op het bos steeds meer verloren gaat. </em></p>
<p><em>Francisco van Jole schreef reeds in zijn blog (<a href="https://www.bnnvara.nl/joop/artikelen/de-cruella-coalitie-pakt-de-macht-en-het-wordt-gruwelijk">https://www.bnnvara.nl/joop/artikelen/de-cruella-coalitie-pakt-de-macht-en-het-wordt-gruwelijk</a>) </em><em>dat Omtzigt ook in 2010 al voor de gedoogcoalitie van Rutte I met Wilders stemde. Van Jole memoreerde dat Omtzigt in zijn boek schreef dat  hij toendertijd weliswaar voor de rechtsstatelijkheid van Wilders vreesde, maar uiteindelijk eieren voor zijn geld koos, want bij CDA-deelname aan de coalitie zou hij alsnog terugkeren als Kamerlid. </em></p>
<p><em>Van Jole: “Hij kon daardoor een van de Kamerzetels bemachtigen die vrijkwamen omdat het CDA-bewindslieden moest leveren. Het staat er echt en het is Omtzigt ten voeten uit: naar buiten toe zeer principieel maar achter het gordijn een rasopportunist die alleen aan zichzelf denkt. (…). Het doet denken aan 2010. Een kabinet met de PVV leek toen nog onmogelijk, alleen al omdat de koningin dat via diplomatieke manoeuvres zou voorkomen. De majesteit werd vervolgens door de rechtse partijen pardoes en voorgoed aan de kant geschoven in het formatieproces. Dat was al zo&#8217;n onverwachte zet van rechts, toch in woord de trouwste supporters van de monarchie. Op het moment dat het instituut hen in de weg staat, slopen ze het zonder pardon. Zoals ze dat met alles doen. Rutte-I trad aan met de gedoogkracht van de PVV. Het kabinet viel op door een enorme daadkracht. Binnen de kortste keren werd de maximumsnelheid opgevoerd naar 130 km per uur, het Natura 2000 plan dat maatregelen nam voor de terugkeer van onder meer de wolf verdween in de prullenbak, net als de stikstofaanpak. De rücksichtslose fraudebestrijding werd ingevoerd die later zou resulteren in &#8216;ongekend onrecht&#8217;, de cultuursector werd zwaar getroffen. De enige linkse omroep, de VARA, moest ophouden te bestaan en werd gedwongen te fuseren. De NPO moest rechts worden, ‘rode neuzen afhakken’ noemde Martin Bosma dat, er ging naar verluidt een lijstje rond met mensen die ontslagen moesten worden. Het werkt allemaal nog na, van stikstofcrisis tot toeslagenschandaal. Er is nu zelfs een extreemrechtse omroep. De balans is volkomen zoek.”</em></p>
<p><em>Omtzigt speelde overigens persoonlijk een hoofdrol in het veroorzaken van het Toeslagenschandaal, met het voortdurend (en nu opnieuw bij de falende hersteloperatie!) groot maken van vermeende fraude en de regering een te slappe aanpak daarvan te verwijten, zoals bij de Bulgarenaffaire bij de kinderopvangtoeslag. Het is waar dat hij met het steeds blijven doorvragen als lid van de toenmalige coalitie veel schandelijke, illegale praktijken bij de Dienst Toeslagen boven water heeft gekregen, maar veel zelfreflectie bij het veroorzaken daarvan heeft hij niet getoond.</em></p>
<p><em>Het is onbegrijpelijk dat Verenigd Links op een alliantie met Omtzigt inzette. Inmiddels zit de man weer overspannen thuis en staat zijn partij op 3 tot 5 zetels in de peilingen. Zijn fractie heeft naar verluidt verdeeld gestemd over deelname aan dit kabinet, en een scheuring lijkt niet onmogelijk. Het amateurisme is pijnlijk om aan te zien. Steeds meer mensen begrijpen inmiddels waarom er naar een andere functie voor Omtzigt werd gezocht. </em></p>
<p><em><u>De BBB: een neppartij</u></em></p>
<p><em>De BBB is de partij van de mensen die lachende varkentjes zetten op de vleeswarenverpakkingen, opgericht en gesponsord door een reclamebureau annex lobbygroep van de agrobusiness van veevoeders en andere grootverdieners die rijk worden van de intensieve veeteelt. Leugenachtiger en corrupter kan het niet worden (<a href="https://pietlekkerkerk.blogspot.com/2024/06/waarom-bbb-geen-normale-politieke.html">Waarom BBB geen normale politieke partij is (pietlekkerkerk.blogspot.com)</a></em><em>. Het optreden van deze fractie en hun bewindspersonen is ontluisterend.</em></p>
<p><em><u>De VVD is radicaal-rechts geworden</u></em></p>
<p><em>De VVD doet mee uit haat tegen Verenigd Links en zijn leider Frans Timmermans, en de wil om een rechtse coalitie mogelijk te maken. De VVD liet het kabinet vallen om een absurde kwestie, nareizigers van asielzoekers, waarvan de pers pas ruim na de verkiezingen uitzocht dat het hier om slechts enkele tientallen mensen gaat. Yeşilgöz probeerde in de campagne de migrantenhaters te paaien met de meest absurde belofte: ik zal samenwerken met Geert Wilders. Yeşilgöz is de klassieke vluchteling die na haar komst als dochter van vervolgde mensenrechtenactivisten hier eerst (in de SP, nota bene) actievoerde voor meer open grenzen en humanitaire behandeling van vluchtelingen, eenmaal in de macht de deur achter haar wil dichtslaan in het gezicht van huidige vluchtelingen, en hen als zondebokken gebruikt voor de desastreuze gevolgen van decennia neoliberale politiek, de laatste ruim 12 jaar onder leiding van haar huidige partij.</em></p>
<p><em>De VVD is gekaapt door een conservatief netwerk die zich ‘Klassiek Liberaal’ noemt, maar vergeten is dat het liberalisme ooit streed tegen onrechtvaardig verkregen rijkdom door de aristocratie bij geboorte. Tom-Jan Meeus schreef onlangs hoe deze groep de VVD in hun houdgreep kreeg (<a href="https://campagne.nrcmedia.nl/optiext/optiextension.dll?ID=KLvdTsfkr2wJ5DEGdW0i%2BxVGFqwmk1hkCf1UGeHOqe_Pw6ujT0Qe7cmDuctPKNbXK6oYTm5GHLdFDOzeNCOv2CD5KM">https://campagne.nrcmedia.nl/optiext/optiextension.dll?ID=KLvdTsfkr2wJ5DEGdW0i%2BxVGFqwmk1hkCf1UGeHOqe_Pw6ujT0Qe7cmDuctPKNbXK6oYTm5GHLdFDOzeNCOv2CD5KM</a>):</em><em> “Rutte overwoog (in de zomer van 2021, GB) een coalitie te vormen met GroenLinks. Het VVD-netwerk Klassiek Liberaal, overwegend behoudende VVD’ers die zich binnenskamers al sinds 2019 roerden, wilde zo’n kabinet hoe dan ook beletten. Voor ons is GroenLinks een no-go”, zei Ad Lagas namens Klassiek Liberaal juni 2021 in Nieuwsuur. Op de website van Klassiek Liberaal wat is dat? Stond wat er anders dreigde: „We zetten daarmee de deur wijd open naar nieuwe conservatief populistische partijen rechts van de VVD. Dat is dan het einde van de VVD als brede volkspartij.” Het kwam volledig uit. Alleen: niet door samenwerking met GroenLinks. (…) </em></p>
<p><em>In eerste instantie luisterde Rutte in 2021: geen coalitie met GroenLinks, door met de CU. Het betekende wel dat hij extra concessies aan D66 moest doen. De onvrede in Klassiek Liberaal groeide; men roerde zich op partijvergaderingen. Ik sprak vier betrokkenen bij Klassiek Liberaal: mensen van buiten de randstad die onvrede over de partij op het platteland zagen – over asiel, veiligheid, regionale energie, windmolens, landbouw, etc. – en bezorgd waren dat het VVD-profiel verwaterde door een linksere koers. Het gevolgen waren niet gering. Klassiek Liberaal bracht in beeld dat de partij in 2022 en 2023 botste met de eigen bewindslieden over stikstof, asiel en migratie. De interne spanning liep op. Zomer 2023 viel het kabinet over migratie, Rutte vertrok, Dilan Yeşilgöz werd de opvolger, en sloot de PVV niet meer uit. De uitkomst: de PVV werd groter dan de VVD. </em></p>
<p><em>Nog steeds zijn mensen in Klassiek Liberaal tevreden dat de VVD onder Dilan Yeşilgöz kiest voor een rechtse correctie op Rutte. In het netwerk hopen ze ook vurig op een kabinet met de PVV. Maar in de Peilingwijzer is Wilders tweeëneenhalve keer zo groot als de VVD. Zo dreigt voor de partij, dertien jaar de machtigste, een rol als kleinduimpje tegenover een reus: het zou een wonder zijn als dit geen onvrede losmaakt. Want heeft de VVD veel electorale groeikansen in een rechts kabinet met twee partijen (PVV, BBB) die zich op gevoelige beleidsdossiers (migratie, asiel, stikstof, klimaat) rechts van haar positioneren, en een derde coalitiepartner, NSC, die graag beleid van eerdere kabinetten-Rutte onderzoekt? Zelfs sommigen uit Klassiek Liberaal vertelden me dat het betwijfelen. Het zijn alles bij elkaar vrij veel miscalculaties. (…) Maar wat vooral opvalt: hoe eenvoudig de grootste partij van het land zich op sleeptouw heeft laten nemen door mensen met op zich herkenbare inhoudelijke bezwaren die ze alleen niet koppelden aan enig tactisch of electoraal inzicht.”</em></p>
<p><em><u>Kabinet Schoof: een rancunecoalitie met fascistische politiek</u></em></p>
<p><em>De fascisten en hun gedogers en collaborateurs zijn erin geslaagd om de kiezer te verleiden tot fascistische politiek, in plaats van democratisch-groene socialistische politiek. Sander Schimmelpennick: “</em><em>Wilders verklaarde ooit dat hij de eerste helft van de 19<sup>e</sup> eeuw de mooiste tijd ooit vindt. Je weet wel, toen het volk niks te vertellen had, de rechtse elite regeerde, slavernij nog legaal was en armen afhankelijk waren van liefdadigheid. Deze lieden gaan een ultrarechts kabinet vormen waar rechts Nederland zogezegd de vingers bij kan aflikken, dat van ongelijkheid weer gewoon een natuurrecht maakt. Het zal wellicht niet lang bestaan maar kan in korte tijd verwoestingen aanrichten die jaren doorwerken of gewoon onherstelbaar zijn. Het gaat daarbij niet om alleen om de  ’rechtsstatelijkheid’ waar iedereen nu zo druk mee is. De vernielingen worden over de hele linie aangericht, van natuur tot cultuur. Als je de Nachtwacht verkoopt, krijg je hem nooit meer terug. Dat geldt voor veel meer. Terwijl je in de huiskamer druk aan het discussiëren bent over de Grondwet, worden in het schuurtje de puppy&#8217;s gevild.”</em></p>
<p><em>De partijen die nu een ‘programmakabinet’ hebben gevormd worden verenigd door rancune. Omtzigt door hoe hij door zijn voormalige partij, het CDA, samen met D66 en Rutte en de zijnen buitenspel werd gezet (‘functie elders’) en voorgelogen werd en die uit daaruit voortkomend wantrouwen gedreven wordt door een maniakaal streven naar het verzamelen van steeds nog meer detailinformatie – die uiteraard steeds weer nieuwe vragen en informatiebehoeften oproept en waarbij door alle bomen het zicht op het bos steeds meer verloren gaat. De BBB is de partij van de mensen die wraak willen nemen om hun vermeende, doch leugenachtige beschuldigingen tegen beleid dat zij zelf veroorzaakt hebben door de ontkenning van de gevolgen van desastreuze landbouwpolitiek. De PVV vindt zijn oorsprong in het opstappen van Wilders uit de VVD, en wordt gedreven om zich te revancheren voor zijn toen verloren strijd om de macht met Rutte, waarbij Wilders steeds een nog extremer standpunt inneemt, met name gedreven door islamofobie en zich steeds meer kwalificeert als fascist, zoals hierboven uitgebreid is aangetoond.</em></p>
<p><em><u>Polderfascisme</u></em></p>
<p><em>Lang dachten politieke wetenschappers dat het Nederlandse poldermodel een ‘matigend effect’ zou hebben op de opkomst van extreemrechts. Maar nu blijkt dat het de normalisering ervan juist heeft versneld, zegt socioloog Jacob Boersema (<a href="https://www.oneworld.nl/mensenrechten/fascisme-nieuw-kabinet-schoof-extreemrechts-essay/">‘Júist in Nederland kon fascisme zo snel normaal worden’ &#8211; OneWorld</a>). Volgens hem kunnen we die normalisering alleen stoppen door kabinet-Schoof 1 te noemen wat het is: </em></p>
<p><em>Meerdere PVV-ministers in het nieuwe kabinet zijn aanhangers van de extreemrechtse, racistische omvolkingstheorie, evenals hun partijleider Geert Wilders en Kamervoorzitter en partij-ideoloog Martin Bosma. Zo beschuldigt Marjolein Faber (PVV), de nieuwe minister van Asiel en Migratie, de Verenigde Naties (VN) er bijvoorbeeld van een agenda van ‘antisemitisme, terrorisme en omvolking’ uit te rollen. Als VVD-Leider Dilan Yeşilgöz bij het samenstellen van de nieuwe regeringsploeg zegt dat Faber ‘niet onomstreden’ is, verwachten  kenners in Den Haag dat dit meningsverschil consequenties heeft voor haar benoeming. Maar na crisisoverleg van de regeringspartijen laat informateur Richard van Zwol weten dat ze ‘een gepaste kandidaat’ is die niet anders moet worden behandeld dan andere ministerkandidaten en dat ze nu eenmaal dingen zegt ‘met scherpte maar met overtuiging’. NSC-leider Pieter Omtzigt zegt in Nieuwsuur dat hij zich ‘niet zo bezighoudt’ met de vraag of dat een naziterm is.</em></p>
<p><em>Nederland is niet erg vatbaar voor extreemrechts, dachten politiek wetenschappers lange tijd, want wij bedrijven ‘coalitiepolitiek’. Politicoloog Tom van der Meer schrijft in zijn boek Waardenloze politiek dat een kiesstelsel waarin naar coalities wordt gezocht, ‘de eerste verdedigingslinie’ van de democratie is. Daarom stelde Geert ‘Milders’ zich tijdens de verkiezingen ook minder radicaal op: het vergrootte zijn verkiesbaarheid. En aan de formatietafel beloofde Wilders compromissen te sluiten en zijn standpunten over de islam aan te passen. De extreme voorstellen van de PVV gaan in de ijskast, schreef de parlementaire pers vervolgens. Maar daardoor gebeurde juist het omgekeerde van wat de wetenschappers voorspelden: de Nederlandse coalitiepolitiek heeft de normalisering van extreemrechts versneld.</em></p>
<p><em>Die versnelling heeft veel oorzaken. Zoals het gebrek aan verzet tegen Martin Bosma als Kamervoorzitter terwijl hij de Tweede Kamer zelf ooit een ‘nepparlement’ noemde. Maar ook de woorden van verkenner en PvdA’er Kim Putters die zei ‘zeer vereerd’ te zijn en ‘ontzettend zijn best’ te zullen doen om deze extreemrechtse coalitie in elkaar te zetten. Putters kwam daarbij ook nog met de toverformule van het ‘programkabinet’ op de proppen, om zo de samenwerking met Wilders niet op een normaal meerderheidskabinet te laten lijken.</em></p>
<p><em>Ook informateur Richard van Zwol wilde graag de kabinetsformatie een normaal karakter geven. Op de vraag of het nieuwe kabinet een ‘extreemrechts’ kabinet is, zei hij liever geen ‘woordspelletjes’ te spelen, alsof de vraag over het antidemocratische gehalte van het hoofdlijnenakkoord slechts een woordspelletje is. Zelfs D66 lijkt het akkoord te normaliseren door de nieuwe coalitie gebrek aan ‘daadkracht’ te verwijten, en niet een gebrek aan moraal.</em></p>
<p><em>De nieuwe coalitiegenoten zijn intussen druk bezig het extreemrechtse gedachtegoed en de kwalijke praktijken van Wilders te verdedigen en goed te praten. BBB-leider Caroline van der Plas veranderde tijdens de formatie haast in de woordvoerder van Wilders. Toen de PVV-leider staatsecretaris Eric van der Burg (VVD) op X een ‘eng mannetje’ noemde, verdedigde ze hem met verve: ‘Het is niet mijn wijze van twitteren, maar wat Geert Wilders doet moet Geert Wilders zelf weten.’ In plaats van tegengas te geven, laten coalitiegenoten zien hoe je Wilders normaliseert.</em></p>
<p><em>Hoewel het fascisme nu definitief aan de macht is in de polder zien veel Nederlanders de normalisatie van extreemrechts met groeiend ongemak aan. Wilders is populair maar wordt evengoed verafschuwd om zijn zondebok- en haatpolitiek. Toch zien we nog opvallend weinig verzet. Integendeel, in de Tweede Kamer waarschuwt Kamervoorzitter Martin Bosma dat Kamerleden het nieuwe PVV-kabinet niet ‘extreemrechts’ mogen noemen, omdat dat ‘een nazi-vergelijking’ zou zijn. Dat maakt de normalisering van de PVV compleet.</em></p>
<p><em>Wetenschappers en journalisten zijn het er niet eens over eens of ze de PVV nou wel of niet extreemrechts moeten noemen, ondanks de lange geschiedenis van racisme binnen de partij en de veroordeling van de voorman voor groepsbelediging. Sommigen zien Forum van Democratie (FvD), met zijn ‘openlijke racisme en antisemitisme’, wél als extreemrechts, maar zien die elementen níet bij de PVV. Anderen noemen de PVV niet extreemrechts omdat de partij ‘het principe van de parlementaire democratie onderschrijft’. Dat is ook de lijn van NRC, die zowel de PVV als FvD niet ‘extreemrechts’ maar ‘radicaal-rechts’ noemt. Een partij met verwerpelijke standpunten, schrijft de krant al in 2009, moet ‘niet door middel van etikettering worden bestreden, maar met argumenten’.</em></p>
<p><em>Die terughoudendheid is eerder een symptoom van normalisering dan van goede analyse. We moeten ons afvragen of de PVV het principe van de parlementaire democratie überhaupt wel onderschrijft, gezien het antirechtsstatelijke karakter van de politieke standpunten, zoals het verbieden van de islam en het inperken van het stemrecht van mensen met meer dan één paspoort.  De jarenlange extreme islamofobie van Geert Wilders en het antisemitische en racistische omvolkingsdenken van partijideoloog Martin Bosma zijn minstens even reëel als het racisme en antisemitisme van de FvD. Als godsdienstvrijheid en stemrecht de basisprincipes van de parlementaire democratie zijn, dan respecteert de PVV die principes niet, en dat maakt de partij extreemrechts. Bovendien ondermijnt Wilders steevast democratische instituties zoals rechters, die hij knettergek, laf en nep noemt, en de journalistiek, die hij uitmaakt voor tuig van de richel.</em></p>
<p><em>De coalitiepolitiek maakt het moeilijker om de PVV neer te zetten als extreemrechts en tot verzet op te roepen. Een veelgehoord argument tegen verzet is dat ‘dit nu eenmaal democratie is’. Met andere woorden: wie de uitslag van de verkiezingen niet accepteert is een slechte democraat en heeft geen respect voor de democratische spelregels. Journalist Thijs van de Brink schrijft op zijn blog bijvoorbeeld dat de kiezers een ‘duidelijke keus’ zouden hebben gemaakt (‘Wij willen in meerderheid rechtsaf’) en dat het voor de democratie goed zou zijn ‘als dat ook een tijdje wordt geprobeerd’. Een soortgelijk argument is dat Wilders en de coalitie ‘het maar eens samen moet proberen.’ Dat schrijft bijvoorbeeld de chef van de politieke redactie van de Volkskrant, Raoul du Pré, in februari 2024. Het achterliggende idee lijkt dat de coalitiepolitiek dit experiment aanvaardbaar maakt, omdat het hoofdlijnenakkoord de rechtstaat ‘intact’ laat en het akkoord niet ‘zwaar asociaal’ is. Journalisten normaliseren zo de extreemrechtse PVV door te wijzen op de matigende invloed van coalitiepolitiek.</em></p>
<p><em>Maar door de PVV en dit kabinet juist wél systematisch extreemrechts te noemen, kan aan de kiezer duidelijk worden gemaakt wat er op het spel staat. Kiezersonderzoek in de VS laat zien dat stemmers zich veel zorgen maken over de democratie en over extremisme in de politiek. Bij de Amerikaanse tussentijdse verkiezingen in 2022 verloren veel Republikeinse kandidaten hun voorverkiezing omdat hun Democratische tegenstanders ze systematisch extreem noemden en kiezers ze ook te extreem vonden. Nederlands onderzoek toont aan dat zelfs (extreem)rechtse kiezers het belangrijk vinden dat Nederland een democratisch land is. We kunnen Nederland als democratie alleen verdedigen door de PVV en haar retoriek systematisch te blijven benoemen voor wat ze zijn: antidemocratisch, antirechtstatelijk en extreemrechts</em></p>
<p><em>Het omvolkingsdenken is namelijk het nieuwe fascisme. Net als bij fascistische leiders in het verleden, ligt de politieke kracht van omvolkingsdenkers als Bosma, Faber en Klever bij het bevragen van de realiteit, wensdenken, woede en paranoïde ideeën, en het promoten van leugens. Daarom is polderfascisme een feitelijke omschrijving voor de extreme politieke ideologie van de nieuwe regering.</em></p>
<p><em>Omdat liberale politiek gebaseerd op politiek debat geen vat krijgt op dit soort denkbeelden, net zomin als ‘moraliserende’ politiek overigens, zijn er andere stappen nodig. Constateren dat er ‘geen einde komt aan het normaliseren van walgelijke denkbeelden’, zoals GroenLinks-PvdA deed, is slechts een eerste stap. Een belangrijke tweede stap is sussende wetenschappers te negeren en partijgenoten die met extreemrechts samenwerken te royeren. Maar het is de hoogste tijd voor de derde stap. Nu de polder zich niet heeft verzet, maar een kabinet met omvolkingsdenkers mogelijk heeft gemaakt, nu coalitiepolitiek geen matigend effect had, maar extreemrechts denken juist heeft genormaliseerd, nu is het tijd voor links om niet langer samen te werken, maar te bedenken hoe werkelijk verzet eruit moet zien. In de tussentijd moeten we dit extreemrechtse kabinet noemen wat het is: polderfascisme.</em></p>
<p><em><u>Duiding van de verkiezingsuitslag van november 2023: zijn PVV kiezers ook fascisten?</u></em></p>
<p><em>De analyses van de verkiezingsuitslag van november 2023 laten het falen van de strategie van de VVD én die van Verenigd Links (GL-PvdA) zien. De VVD verloor een groot deel van zijn kiezers aan de PVV, die de VVD genormaliseerd had in de campagne. Als de PVV een normale partij zou zijn waarmee je best samen kon regeren, waarom zou je als racist en/of islamofoob dan niet voor het origineel kiezen? </em></p>
<p><em>Een belangrijke kwestie is geworden hoe de kiezers op de PVV te duiden. Velen waarschuwen tegen het ‘wegzetten’ van PVV-kiezers als racisten en fascisten. Gesteld wordt dat het eigenlijk ‘afgehaakten’ zijn, die anders denken. De andersdenkende, dat is jankrechts voor degene die gemengde stellen ziet als misdaad tegen de menselijkheid en die een vluchteling die in een bed slaapt ziet als een oorlogsverklaring. Tegen die &#8216;andersdenkenden&#8217; moet je lief zijn. Bak een taart voor ze. ‘Als er een nazi aan tafel zit en er zitten tien andere mensen met hem te praten, dan heb je een tafel met elf nazi’s’ &#8211; een oud Duits gezegde. Je verliest je vrienden niet door de politiek. Je raakt ze kwijt vanwege ethiek en integriteit. De PVV-kiezer niet racistisch of fascistisch noemen is hem niet serieus nemen. Uit onderzoek naar de motieven van de recente PVV-kiezers blijkt overduidelijk dat islamofobie, afkeer van buitenlanders en met name vluchtelingen, en  de voornaamste motieven waren.</em></p>
<p><em>Sheila Sitalsing scheef in de Volkskrant (<a href="https://www.volkskrant.nl/columns-van-de-dag/thuis-zeggen-we-vreemdelingenhaat-maar-dat-woord-gebruiken-onderzoekers-niet~b80c0682/">https://www.volkskrant.nl/columns-van-de-dag/thuis-zeggen-we-vreemdelingenhaat-maar-dat-woord-gebruiken-onderzoekers-niet~b80c0682/</a>): “Wanneer mensen stemmen op een partij die zich hard maakt voor dierenrechten, is de algemene aanname dat deze kiezers heel erg voor dierenrechten zijn. Wanneer mensen stemmen op een partij die nogal een punt maken van lagere belastingen, wordt algemeen verondersteld: die mensen willen lagere belastingen. Wanneer mensen stemmen op een partij die van paranoïde xenofobie een totempaal heeft gebouwd waarnaast de partijleider al negentien jaar op volle sterkte staat te loeien, komen nijvere duiders na intensief duiden tot de conclusie: komt doordat de streekbus niet meer rijdt. En door regenboogzebrapaden. Want PVV-kiezers moet je serieus nemen, als duider, maar je moet ze wel uitleggen dat ze iets anders bedoelden dan dat ze bedoelden. Dit fenomeen heet duidersplaining. </em></p>
<p><em>Als je het niet aan de duiders vraagt, maar gewoon aan de mensen die op de PVV stemden zelf, dan zeggen ze opvallend weinig over streekbus en regenboogzebrapad. Het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO), het grote langlopende onderzoek naar drijfveren van kiezers, stelde PVV-kiezers wèl serieuze vragen. De even serieuze antwoorden vatte het NKO als volgt samen: zowel de trouwe PVV-kiezer als de ongebreidelde nieuwe instroom koos voor Geert Wilders omdat ze met hem ‘een restrictieve houding tegenover immigratie’ delen, alsmede ‘een voorkeur voor culturele assimilatie van migranten’. Thuis korten we dit af tot vreemdelingenhaat en zeiden we ‘Goh’ tegen elkaar, maar zulke woorden gebruiken kiezersonderzoekers niet. </em></p>
<p><em>De voorkeur voor ‘culturele assimilatie’ intrigeert, meer nog dan de ‘restrictieve houding ten aanzien van immigratie’. Bij dat laatste zijn redeneringen te verzinnen waar de schijn van redelijkheid omheen hangt: de huizen zijn op, de bedden verdeeld, er is geen plek meer aan de eettafel en een langere gaat niet, want er is een schreeuwend tekort aan timmermannen, o, u bènt timmerman, dat zou goed uitkomen, ware het niet dat de herberg volgeboekt is, helaas, maar het is niet anders, probeer het verder op, ik zal een goed woordje voor u doen. </em></p>
<p><em>Bij dat eerste – culturele assimilatie – houdt iedere schijn van redelijkheid op. Vooropgesteld: de wens tot culturele assimilatie is oud en diepgeworteld, en niet voorbehouden aan radicaal-rechts. Er is een staande ruttiaanse uitdrukking voor: ‘Normaal doen of oppleuren’. Waarbij het antwoord op de vraag ‘wat is normaal?’ een hilarisch inkijkje oplevert in het zelfbeeld van de Nederlander (nooit asociaal, heel goed in lezen en rekenen, en als hij per ongeluk een keer lomp is, is dat de schuld van iemand die niet normaal is. En o wee als je assimileert tot Frans Timmermans, die is niet normaal). </em></p>
<p><em>We hebben een tijdje een VVD-minister van Buitenlandse Zaken gehad, een doodgewone mainstreampoliticus van een doodgewone mainstreampartij, die eens in een filosofische bui stelde: ‘Noem mij een voorbeeld van een multi-etnische of multiculturele samenleving waar de oorspronkelijke bevolking nog woont en waar een vreedzaam samenlevingsverband is; ik ken hem niet.’ Het filosofietje veroorzaakte ophef omdat hij een van de antwoorden (‘Suriname’) afdeed met de woorden: ‘Suriname is een failed state’ – daar moest hij later excuses voor aanbieden. </em></p>
<p><em>Maar het waarlijk schokkende zat hem in zijn opvatting dat ongeassimileerd multi-etnisch samenleven onmogelijk is, zonder ‘de oorspronkelijke bevolking’ geweld aan te doen. In het idee dat er een bodemclaim is die bedreigd wordt dat wat ‘de instroom’ is gaan heten – en dat in het hart van een mainstreampartij. Het verschil met de theorie over een dreigende omvolking die Thierry Baudet verspreidt, en die door PVV-ers als Martin Bosma wordt verdedigd, is minimaal. De angst voor de ander is overal, en die ander is niet-wit en niet-normaal. Nativisme, het idee dat de homogene natiestaat wordt bedreigd door factoren van buiten, is de bodem waarop kiezersgedrag bloeit – en dat gaat niet meer weg, zegt de sociale wetenschapper Marcel Lubbers daags na de verkiezingen in de krant. Thuis korten we dit af tot: ‘Wees voorzichtig op straat, kijk uit voor nativisten’.”</em></p>
<p><em>Politicoloog Kristof Jacobs, verbonden aan de Radboud Universiteit, is één van de wetenschappers die het Nationaal Kiezers Onderzoek (NKO) coördineert (<a href="https://stukroodvlees.nl/ook-de-nieuwe-pvv-stemmer-stemde-vooral-tegen-migratie-en-uit-politiek-protest/">https://stukroodvlees.nl/ook-de-nieuwe-pvv-stemmer-stemde-vooral-tegen-migratie-en-uit-politiek-protest/</a>). Deelnemers aan dat onderzoek konden in hun eigen woorden aangeven waarom ze stemden wat ze stemden, legt hij uit in NRC (<a href="https://www.nrc.nl/nieuws/2023/12/29/2023-werd-gedomineerd-door-onvrede-van-kiezers-a4185615">https://www.nrc.nl/nieuws/2023/12/29/2023-werd-gedomineerd-door-onvrede-van-kiezers-a4185615</a>): “We hebben bij de antwoorden van PVV-kiezers niet alleen gekeken naar ‘bestaanszekerheid’, maar ook naar andere termen die daarop kunnen wijzen, zoals ‘armoede’ of ‘geldzorgen’. Ook die kwamen bijna niet voor. Wat wel bleek: In onderzoek naar beleidsprioriteiten blijkt dat een strenger migratiebeleid voor PVV’ers de hoogste prioriteit heeft. En niet bijvoorbeeld méér huizen. Dat is bij andere kiezers wel zo.” </em></p>
<p><em>Onderzoeksjournalist Siem Eikelenboom zei het op X zo: “Er is een frame ontstaan waarin PVV-stemmers worden neergezet als in de politiek teleurgestelde en door de politiek vergeten mensen die uit protest op de PVV stemden. We moeten naar die ‘slachtoffers’ luisteren, ook omdat de meesten geen racistische opvattingen zouden hebben. Stel dat dit allemaal waar is. Waarom wordt het dan als een soort fait accompli gezien dat die mensen PVV stemmen? Die partij heeft al 20 jaar een leider die schoffeert, scheldt, haat zaait en gruwelijke teksten debiteert. Alsof er buiten de PVV geen andere partijen zouden zijn die een geheel andere politiek willen. Dus waarom stemmen op een eenmanspartij die al 20 jaar niets voor elkaar krijgt? Daar komt nog bij dat radicaal rechts nooit en te nimmer ook maar iets heeft gedaan voor de ‘gewone man’. Radicaal rechts is goed voor vriendjes en vermogenden. Zie Polen, zie Hongarije, zie de VS onder Trump, etc., etc. Wie de vele interviews met PVV-stemmers leest, ziet dat een deel wel degelijk racistische denkbeelden heeft (Trouw sprak met PVV-stemmers in Zwartsluis die ‘geen zwarten’ willen) en daar openlijk voor uitkomt.”</em></p>
<p><em>Ook Jesse Frederik benadrukt dit in zijn essay in De Correspondent (<a href="https://decorrespondent.nl/15115/waarom-de-pvv-zo-groot-werd-en-nee-niet-door-geschrapte-buslijnen-guur-neoliberalisme-of-groeiende-ongelijkheid/68680baa-cb98-0253-00ec-d735b26e730b">Waarom de PVV zo groot werd (en nee, niet door geschrapte buslijnen, guur neoliberalisme of groeiende ongelijkheid) &#8211; De Correspondent</a>)</em><em>: “</em><em>Uiteindelijk stemmen kiezers niet op de partij die het dichtst bij hen staat op alle onderwerpen, maar op de partij die het dichtst bij hen staat op de onderwerpen die het belangrijkst voor hen zijn. En wanneer je het de PVV-kiezer vraagt noemen zij niet de kloof tussen arm en rijk, maar veel vaker het migratie- en minderhedenbeleid als belangrijkste thema. De PVV ontleent veruit de meeste steun aan kiezers die niet zijn te spreken over de bijdragen van migranten aan ons land. Veel PVV-sympathisanten geloven dat migranten slecht zijn voor de economie, een bedreiging vormen voor de eigen cultuur en criminaliteit veroorzaken. Onder de 40 procent van Nederland met de minste sympathie voor de PVV vindt slechts zo’n 20 procent dat er ‘te veel’ buitenlanders in ons land wonen. Onder de 20 procent Nederlanders met de grootste PVV-sympathie is dat maar liefst 80 procent. </em></p>
<p><em>Nederlanders vinden het in meerderheid prima om asielzoekers op te vangen. Twee derde wil ‘als dat nodig is’ asielzoekers opvangen in de eigen gemeente. Onder PVV-sympathisanten is deze bereidheid echter drie keer zo laag. Meer dan 85 procent van de sterkste PVV-sympathisanten vindt dat de overheid moet voorkomen dat nieuwe moskeeën worden gebouwd. (Een ongrondwettelijk standpunt dat overigens door een meerderheid van de Nederlanders wordt gedeeld.) De PVV-sympathisant neemt ook een duidelijke positie in over een groot aantal culturele twistpunten. Zo moet Zwarte Piet blijven (bijna 90 procent van de PVV-sympathisanten is daar voor), zijn slavernijexcuses onzin (83 procent is tegen), en moet de Michiel de Ruyterlaan de Michiel de Ruyterlaan kunnen zijn (86 procent is tegen het veranderen van koloniale straatnaamborden). </em></p>
<p><em>Er is, tot slot, zelfs nog aardig wat steun te vinden voor extreme standpunten onder PVV-sympathisanten, zoals het inperken van de sociale zekerheid voor legaal verblijvende migranten (30 procent is voor), het invoeren van de doodstraf voor bepaalde misdrijven (51 procent), en autochtone Nederlanders voortrekken bij het toewijzen van woningen (54 procent). </em><em>Als je de cijfers bekijkt, is het lastig om PVV-sympathisanten te zien als kiezers die uit algemene onvrede een proteststem uitbrengen. Integendeel: de PVV-kiezer heeft een specifieke onvrede over met name de komst en aanwezigheid van migranten in Nederland en over de eigen cultuur die bedreigd wordt door vreemde invloeden. Een onvrede die hij bovendien zwaar laat meewegen in zijn stemkeuze. Linkse opiniemakers geloven graag dat de PVV’er vooral ergens tegen stemt en niet ergens vóór.”</em></p>
<p><em>‘Jarenlang neoliberaal afbraakbeleid zette de deur naar Wilders’ zondebokpolitiek wagenwijd open’, aldus schrijver Lieke Marsman in NRC. ‘Na de verkiezingen hoorde ik mensen zeggen: één op de vier Nederlanders is een racist geworden. Daar verzet ik me hevig tegen’, analyseerde columnist Maxim Februari. ‘Een hele grote groep [is] verwaarloosd geraakt.’ Ewald Engelen wees in De Groene Amsterdammer ‘de puinhopen van het neoliberalisme waar de werkende klasse zoveel last van heeft’ als oorzaak aan. Het is voor deze opiniemakers misschien een troostrijke gedachte dat de grieven van rechtse kiezers zijn te wijten aan de voorkeursproblemen van linkse intellectuelen. Het is ook prettig te geloven dat achter het dunne vernislaagje xenofobie van de PVV-kiezer die voor de PowNews-camera’s verklaart ‘ik moet dat volk niet’ en ‘alles eruit, weg ermee’ eigenlijk een hele doorwrochte kritiek op het neoliberalisme schuilgaat. Maar uit kiezersonderzoek blijkt allerminst dat PVV-kiezers gemotiveerd worden door bezorgdheid over de scheve inkomensverdeling (laat staan neoliberale privatiseringen in de jaren negentig).</em></p>
<p><em>Frederiks: “Het is nogal merkwaardig dat opiniemakers die zich opwerpen als bozeburgerfluisteraars die de ware intenties van de PVV-kiezer doorgronden, dat vooral doen door de stemverklaringen van PVV-kiezers uit te gummen en hun eigen politieke voorkeuren op hen te projecteren. Draai het eens om. Wat als PVV-ideoloog Martin Bosma opeens de PvdA-stem gaat verklaren als vals klassenbewustzijn: een PvdA-kiezer die zegt ‘armoedebestrijding’ bedoelt eigenlijk ‘asielstop’! Tamelijk potsierlijk. </em></p>
<p><em>Onderzoekers Meindert Fennema en Wouter van der Brug merkten vijftien jaar geleden dan ook eens op dat de meest voor de hand liggende verklaring voor een stem op een anti-immigratiepartij (namelijk: dat mensen tegen immigratie zijn) onder politicologen ‘niet erg populair is, omdat veel onderzoekers het moeilijk te geloven vinden dat kiezers rationeel zouden stemmen op wat zijzelf racistische of neofascistische partijen vinden’.</em><em> </em><em>Het is blijkbaar een onverteerbare gedachte dat de PVV-stemmer volledig toerekeningsvatbaar is en simpelweg stemt op standpunten die hem of haar bevallen. En dus krijgen we duizend-en-één variaties op het thema ‘maatschappelijk verval’, die de plotselinge opmars van de rechtspopulistische stem zouden moeten verklaren. (….) </em></p>
<p><em>Uiteindelijk is het niet zo vreemd dat de PVV bijna een kwart van de kiezers voor zich weet te winnen. Rechtspopulistische opvattingen zijn namelijk ruim vertegenwoordigd binnen het Nederlandse electoraat. Om maar wat te noemen: zo’n 38 procent van Nederland vindt dat er te veel buitenlanders in ons land wonen, 38 procent wil de migratie uit moslimlanden stopzetten, en 51 procent wil dat de overheid de bouw van nieuwe moskeeën verbiedt. Bijna alle stemmen op de PVV kwamen van kiezers met dit soort nativistische opvattingen; </em><em>kiezers die het gevoel hebben dat de autochtone bevolking wordt bedreigd door invloeden van buiten (kernachtig gevat in de verkiezingsslogan: ‘Nederlanders weer op één zetten’). </em></p>
<p><em>Tegelijkertijd – en dit is cruciaal – stemden lang niet alle nativistische kiezers voor rechtspopulistische partijen. Van het kwart van de kiezers met de negatiefste standpunten over asielzoekers, koos bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 slechts 28 procent voor de PVV en in totaal 45 procent voor een van de drie rechtspopulistische partijen (PVV, JA21 of FvD). Het goede nieuws is dus dat mensen met nativistische opvattingen niet altijd rechtspopulistisch stemmen – een meerderheid deed dat bij vorige verkiezingen niet. Kiezers kunnen weliswaar vinden dat er te veel buitenlanders in ons land wonen, maar ze vinden wel meer, en meestal gaan verkiezingen ook over meer. </em></p>
<p><em>Maar dat is ook meteen het slechte nieuws: er waren altijd al méér mensen met rechtspopulistische opvattingen dan mensen die rechtspopulistisch stemden, zodat er veel ruimte was voor zetelwinst. Het is niet voor niets dat Geert Wilders van alle verkiezingen een referendum over migratie wil maken. Bij de verkiezingen van november 2023 werd Wilders daarin nadrukkelijk geholpen door de VVD, die het kabinet liet vallen op migratie en de PVV regeringsfähig verklaarde. Kiezers die toch al bang waren voor de komst van vreemdelingen werden zo voortdurend aangesproken op dit deel van hun identiteit. ‘Het kabinet is gevallen op een onderwerp waar [de VVD] niet voor is opgericht en wij wel,’ analyseerde PVV-Kamerlid Fleur Agema vlak na de verkiezingen. De voorlopige resultaten van het Nationaal Kiezersonderzoek 2023 bevestigen de lezing van Agema: nieuwe PVV-kiezers bleken, net als oude PVV-kiezers, vooral bezorgd over migratie. De PVV won kiezers bij de VVD (15 procent van de stemmen), andere rechtspopulistische partijen (14 procent), onder niet-stemmers (13 procent) en van alle linkse partijen (12 procent). Ondertussen wist de PVV dik 80 procent van haar oude kiezers te behouden. </em></p>
<p><em>Nu is het belangrijk om de bijzonderheden van deze verkiezingen (het electorale weer) te onderscheiden van de politieke verschuivingen op de lange termijn (het electorale klimaat). Het electorale weer zat dit keer ongekend mee voor de PVV. Tegelijkertijd staat buiten kijf dat er ook in het electorale klimaat iets aan het veranderen is. Het succes is wisselvallig, maar op de langere termijn winnen rechtspopulisten steeds meer stemaandeel in Europa. Aan het begin van de jaren negentig stemde nog geen 5 procent van het Europese electoraat op een rechtspopulistische partij; dat is nu gestegen naar bijna 18 procent. Voor Nederland is de groei van het rechtspopulisme nog veel sterker. </em></p>
<p><em>De vraag is dan ook: wát is er veranderd? Het is verleidelijk om verkiezingsuitslagen te duiden als massale verschuivingen in de volkswil. Maar terwijl het rechtspopulisme succesvoller is dan ooit, neemt het antimigratiesentiment juist af! Aan het begin van de jaren negentig vond bijvoorbeeld nog meer dan de helft van de Nederlanders dat er ‘te veel’ mensen met een migratieachtergrond in ons land woonden. Dat is nu zo’n 12 procentpunt minder. De bijdragen van migranten aan onze economie, onze cultuur en ons land beoordelen Nederlanders ook positiever dan twintig jaar terug.”</em></p>
<p><em>Jesse Frederiks concludeert dat ‘we’ weliswaar niet meer anti-migrant zijn geworden in de afgelopen decennia, maar dat extreemrechtse stemmen langzaamaan klaarlagen in een vruchtbare voedingsbodem. </em><em>“De publieke opinie is dus lang niet zo veranderlijk als onze verkiezingsuitslagen doen vermoeden. Dat geldt niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. ‘De zogenaamde ‘golf’ van rechtspopulistisch sentiment [in Europa] is eerder een reservoir’, stelt politicoloog Larry Bartels vast op basis van uitgebreid Europees opinieonderzoek. </em></p>
<p><em>Nederland heeft in vergelijking met andere Europese landen een relatief klein rechtspopulistisch reservoir, laat Bartels zien. De publieke opinie is in Nederland misschien niet zo progressief als in Noorwegen of IJsland, maar wel minder rechtspopulistisch dan in landen als Spanje en Portugal, laat staan Polen en Hongarije. Tegelijkertijd zijn Nederlandse rechtspopulisten aanzienlijk succesvoller dan hun Spaanse en Portugese collegae! De omvang van het reservoir aan rechtspopulistisch sentiment zegt dan ook niet zo veel over de mate waarin rechtspopulisten succesvol zijn. In Nederland is het reservoir klein en slinkend bovendien, maar het reservoir is diep genoeg om, zelfs als je maar een klein deel weet af te tappen, een enorme verkiezingszege te boeken. </em></p>
<p><em>Dit is goed te zien in de gegevens van het LISS-panel: het reservoir zelf is in de afgelopen vijftien jaar niet of nauwelijks veranderd; wat wel is veranderd, is de mate waarin partijen antimigratiestandpunten weten te converteren in rechtspopulistische stemmen. De echte vraag is dus niet hoe het mogelijk is dat een rechtspopulistische partij kan winnen. De echte vraag is waarom rechtspopulisten nu pas winnen, gezien de vruchtbare voedingsbodem die er altijd al was.”</em></p>
<p><em>Frederiks vervolgt: “Dus nogmaals de vraag: als de publieke opinie niet of nauwelijks is veranderd, wat is er dan wél veranderd? Politiek wetenschappers Oren Danieli en Noam Gidron hebben met nog twee collega’s in een vernuftig onderzoek gepoogd de bronnen van de toegenomen steun voor rechtspopulistische partijen in Europa tussen 2002 en 2020 te ontleden. Twee factoren blijken in hun analyse doorslaggevend. De eerste: dat er überhaupt rechtspopulistische partijen meedoen aan verkiezingen. De tweede: dat kiezers meer gewicht toekennen aan hun culturele in plaats van hun economische voorkeuren. </em></p>
<p><em>Wie nog eens gaat grasduinen in oude peilingen ziet dat in de jaren zeventig, de hoogtijdagen van het linkse levensgevoel, Nederlanders ook niet enthousiast waren voor de komst van vreemdelingen. In een NIPO-peiling uit maart 1972 zei maar liefst driekwart van de Nederlanders dat er een visumplicht voor Surinamers moest komen (hartstikke ongrondwettelijk). En op de vraag of gastarbeiders in Nederland weg moesten of mochten blijven, antwoordde in datzelfde jaar 51 procent van de Nederlanders dat ze weg moesten. Maar: kiezers waren in die tijd vooral gesorteerd in partijen op basis van hun economische standpunten en hun levensbeschouwing, niet op grond van hun mening over migranten. </em></p>
<p><em>Het was dus niet zo dat PvdA-kiezers (71 procent voor een visumplicht) in 1972 wel enthousiast waren over de komst van Surinamers, en VVD-stemmers niet (75 procent voor een visumplicht). Nee, zowel linkse als rechtse kiezers waren in meerderheid tegen de komst van Surinamers. Dat was tien jaar later nauwelijks veranderd. In 1982 meende 40 procent van de PvdA-kiezers dat autochtone Nederlanders ‘minder hulp en rechten kregen dan Surinamers, Turken en Marokkanen’. Dat was iets meer dan binnen het CDA (35 procent) en iets minder dan bij de VVD (41 procent).”</em></p>
<p><em>Frederiks ziet hierin een verklaring voor het feit dat in die tijd migratie geen groot politiek thema was: “Antimigratiekiezers waren, kortom, over alle grote middenpartijen verspreid. Dit had ook belangrijke gevolgen voor de stellingnames van politieke partijen. Het ideologische pakket dat een partij aanbiedt is vaak een afgeleide van het onderwerp dat kiezers het zwaarst meewegen in hun stemkeuze (indertijd was dat vooral de economie). Als kiezers die meer herverdeling willen, bijvoorbeeld ook meestal tegen de Vietnamoorlog zijn, dan is het voor een linkse partij opportuun om ook tegen de oorlog in Vietnam te zijn. Maar als kiezers die meer herverdeling willen, even vaak gastarbeiders willen toelaten als terugsturen, dan is het voor een linkse partij niet aantrekkelijk om een standpunt over gastarbeiders in te nemen. Daarmee zou je immers de eigen achterban in tweeën splijten. Je kunt dan beter je mond houden over migratieproblematiek. </em></p>
<p><em>Op eenzelfde manier heeft de PVV vandaag de dag een vaag economisch profiel en een duidelijk migratiestandpunt. </em><em>Haar achterban denkt namelijk eensgezinder over migratie, dan over economie. Omdat nativistische standpunten matig overlappen met economische standpunten, was het voor geen van de grote middenpartijen in de jaren zeventig voordelig migratie te ‘politiseren’ (lees: om verschillen tussen partijen uit te vergroten). Beleidsvorming werd – in de beste Nederlandse traditie – uitbesteed aan ambtelijke overlegorganen en wetenschappelijke adviesraden. In de praktijk ontstonden daardoor tegenstellingen tussen de met de mond beleden stellingnames (‘Nederland is geen immigratieland’) en het in de praktijk gevoerde beleid: een geleidelijke verruiming van de gezinshereniging, een generaal pardon voor gastarbeiders, geen restricties op de komst van Surinamers. Het maakte daarbij weinig uit of de regering nu links (Den Uyl) of rechts (Lubbers) was. Dus: waar moest een Nederlander met rechtspopulistische standpunten heen? Helaas werden vragen over migratie pas vanaf begin jaren negentig gesteld in het Kiezersonderzoek. Maar uit dit onderzoek blijkt in ieder geval dat een groot deel van de Nederlanders met antimigratiestandpunten simpelweg niet kwam opdagen bij verkiezingen. Hun onvrede had geen electorale uitlaatklep. </em></p>
<p><em>Frederiks geeft toe dat er wel één partij was die van migratie een thema maakte, maar die vakkundig buiten spel werd gezet door de andere partijen. Opvallend is dat Frederiks daaruit geen lessen trekt. “Of nou ja, er was natuurlijk wel de Centrumpartij (CP, 1980-1986) en de Centrumdemocraten (CD, 1984-1998) van de rechtspopulist Hans Janmaat. Verder dan drie zetels in 1994 zou die partij echter nooit komen (hoewel ze in november 1993 eventjes op negen zetels peilde). Dat is wel verwonderlijk, aangezien de voedingsbodem voor rechtspopulisme er toen ook al was. </em></p>
<p><em>Dus wat verklaart dat Janmaat nooit succesvol werd? In de eerste plaats: de persoon Hans Janmaat zelf. Janmaat was een paranoïde querulant, die verkiezingsnederlagen weet aan fraude met stemcomputers (wat dat betreft zijn tijd ver vooruit) en die voortdurend in de clinch lag met de mensen om hem heen (een affaire met de vrouw van een bestuurslid: nooit handig). Tegelijkertijd werd Janmaat ook vakkundig door politieke en culturele elites afgesloten van politieke zuurstof. ‘De vaak felle bestrijding [van Hans Janmaat] heeft waarschijnlijk een flinke bijdrage geleverd aan het ontbreken van enig succes voor de CP en CD’, constateert historicus Jan de Vetten in zijn proefschrift over de op vele fronten gevoerde strijd tegen Janmaat. </em></p>
<p><em>Janmaat stond bij herhaling in de rechtszaal vanwege opiniedelicten, en werd verschillende keren veroordeeld tot flinke geldboetes vanwege discriminerende uitingen (hij had bijvoorbeeld gezegd de multiculturele samenleving af te willen schaffen). Eind jaren negentig dreigde zelfs uitsluiting van subsidies en gratis zendtijd voor partijen met een veroordeling voor discriminatie. Janmaat besloot hierop de slogan van zijn partij te veranderen: ‘De CD, u weet wel waarom.’ Bijeenkomsten houden was voor de Centrumdemocraten nogal een opgave: burgemeesters verboden beraadslagingen en demonstranten verstoorden ze. Zijn latere vrouw verloor bij een gewelddadige demonstratie van antifascisten in 1986 zelfs een been, nadat ze uit een raam sprong omdat er brand was ontstaan door een rookbom. Deze politieke aanslag werd met apathie begroet door collega-politici. Alleen de links-pacifistische PPR stelde Kamervragen: of de demonstranten wel netjes werden behandeld. Persoonlijke beveiliging zou Janmaat nooit krijgen. Janmaat werd ook nooit uitgenodigd in praatprogramma’s of verkiezingsdebatten. ‘Hij heeft geen faire kans gekregen’, zei voormalig VARA-presentator Paul Witteman daar later over. ‘Want we waren helemaal niet van plan om hem een faire kans te geven. We vonden namelijk dat elke stem op de CD er één te veel was.’ </em></p>
<p><em>De gedachte dat Hans Janmaat zoals Geert Wilders in het Jeugdjournaal zou mogen vertellen over zijn katten Snoetje en Pluisje was volstrekt ondenkbaar. Wie zich bij Janmaat aansloot, pleegde maatschappelijke harakiri. Partijleden werden ontslagen door werkgevers, gemeden door familieleden, buitengesloten door vrienden. Het partijkader van de Centrumdemocraten stroomde vol met ongure types die een voorliefde koesterden voor de meer vintage varianten van extreemrechtse politiek. Zoals de Kerk van Satan wat moeite heeft gelovigen te vinden vanwege haar associatie met het kwaad zelve, is het ook geen recept voor electoraal succes wanneer kandidaat-raadsleden in hun vrije tijd naziparafernalia verzamelen en gastarbeiderpensions in brand steken. Telkens wanneer weer bleek dat er een fascistoïde malloot op de kandidatenlijst stond, leidde dat tot opzeggingen van meer ‘gematigde’ partijleden. Gevraagd waarom zijn partij zo veel criminele types aantrok, zei Janmaat eens: ‘Anderen kun je niet vinden. Want mensen met onbesproken gedrag willen graag onbesproken blijven.’</em></p>
<p><em>Economen spreken in dit verband wel van entreebarrières: hoe moeilijk is het voor nieuwkomers om een markt te betreden (in dit geval: de politieke markt)? Entreebarrières zijn er natuurlijk voor alle nieuwe politieke bewegingen. Het is nu eenmaal lastig een partij te organiseren, geld te werven, personeel te vinden, en, bovenal, aandacht te krijgen. In het vijandige maatschappelijke klimaat van de jaren tachtig en negentig waren de entreebarrières voor rechtspopulisten echter nog een stuk hoger dan voor andere partijen. Vruchtbare electorale grond bleef zo dus braak liggen: het was te moeilijk om een functionerend rechtspopulistisch politiek bedrijf van de grond te krijgen.</em></p>
<p><em>Frederiks laat zien dat het de VVD was die deze entreebelemmeringen sloopte. “Voor Nederlanders met antimigratiestandpunten die op een enigszins respectabele partij wilden stemmen, was alleen de VVD van Frits Bolkestein over. Bolkestein was begin jaren negentig als eerste mainstream-politicus kritiek gaan leveren op de consensus over migratie, door – naar huidige maatstaven – milde kritiek te uiten op het integratie- en immigratiebeleid. In de jaren negentig wist de VVD verkiezingswinsten te boeken door met name antimigratiekiezers te mobiliseren. In 1994 noemde maar liefst de helft van de kiezers ‘minderhedenproblematiek’ als een van de grote verkiezingsthema’s. De omstandigheden hielpen daar ook mee: de economische malaise van de jaren tachtig was gaan liggen, zodat er ruimte kwam voor andere politieke onderwerpen dan ‘werkgelegenheid’ en ‘economie’. Bovendien vroegen gedurende de jaren negentig aanzienlijk meer mensen asiel aan dan in voorgaande jaren. Bolkestein muntte zijn verkiezingswinst ook in strengere migratiewetgeving: voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog maakte het asielbeleid een restrictieve wending.” </em></p>
<p><em>Hier gaat Frederiks in de fout. Het was het kabinet Den Uyl op aandrang van de PvdA dat voor het eerst na WWII weer restrictief migratiebeleid invoerde door de werving van gastarbeiders, juist onder rechtse kabinetten ingevoerd, te staken. Hetgeen overigens contraproductief uitwerkte – massaal besloten deze gastarbeiders hier definitief te blijven en hun gezinnen te laten overkomen nu bleek dat je bij terugkeer een groot risico liep niet nogmaals tot Nederland te worden toegelaten). Later, in november 1991 was het toenmalig staatssecretaris Aad Kosto die vanwege zijn restrictieve asielbeleid  een bomaanslag op zijn huis van de actiegroep RaRa trof, en het was Job Cohen die als staatssecretaris in het tweede Paarse kabinet de nieuwe Vreemdelingenwet invoerde die de toelating van vluchtelingen moest beperken tot de ‘echte gevallen’. Maar in de retoriek wist Bolkestein een ander beeld te scheppen, waarin juist de VVD dit afdwong. Frederiks laat zien dat de anti-immigratie stem naar de VVD ging in de jaren 1990.</em></p>
<p><em>Frederiks vervolgt: “De VVD zou bij de volgende verkiezingen voor deze beleidsinspanningen echter niet beloond worden door de antimigratiekiezer. Het is sowieso merkwaardig dat de antimigratiekiezer eigenlijk nauwelijks reageert op beleidsveranderingen. Politiek wetenschapper Alexander Kustov laat zien dat er geen verband is tussen de ruimhartigheid of restrictiviteit van het migratiebeleid en het rechtspopulistische stemaandeel.”</em></p>
<p><em><u>De rol van het mediabestel</u></em></p>
<p><em>Frederiks ziet terecht de entree van Marokkanen-liefhebber (althans in de Dark Room) Pim Fortuyn als een bepalend moment voor het slopen van de entreenormen voor partijen die openlijk vreemdelingenhaat, vooral tegen moslims, propageren, waarbij de terroristische aanslagen van Al Qaida van 9/11/2001 in de VS en de daaropvolgende reacties en vervolgaanslagen een belangrijk keerpunt waren in de publieke opinie. Alle moslims werden verdacht gemaakt, en zij voelden dat ook zo. </em></p>
<p><em>Frederiks gaat daar niet op in, maar constateert dat de VVD zijn issue-eigenaarschap voor anti-immigratie verloor: “Toen Pim Fortuyn rond de eeuwwisseling het politieke speelveld betrad, verloor de VVD vrij snel haar status als dé anti-immigratiepartij. Fortuyn had een duidelijker antimigratieverhaal dan de VVD, die nooit volledig op de ‘vol-is-vol’-tour kon gaan, omdat ze daarmee een aanzienlijk deel van haar achterban van zich zou vervreemden. Fortuyn vond de formule voor een salonfähiger rechtspopulisme. Hij maakte geen onderscheid op ras (zoals Janmaat soms deed door bijvoorbeeld te klagen over de hoeveelheid gekleurde spelers in het Nederlands elftal), maar op cultuur (waarbij vooral de islam het moest ontgelden). Dat maakte zijn standpunten ook moeilijker weg te zetten als onwelriekend racisme. Het was namelijk vooral een radicalisering van wat Bolkestein al voor hem zei en deed. Belangrijker nog: Fortuyn werd niet als een melaatse behandeld door de media, integendeel. ‘Prime time was Pim time’, constateerde historicus Hans Kuné een jaar na Fortuyns dood. Deels lag dit aan het charisma van Fortuyn, maar deels ook aan veranderingen in het mediabestel.</em></p>
<p><em>Ook gaat Frederiks er niet op in dat ‘links’ de schuld kreeg van de te ruime migratie en het ‘knuffelen met migranten’. Dat juist de PvdA de migratie had beperkt, en rechts juist de gastarbeidercontracten had georganiseerd bleef onbenoemd, ook niet door de PvdA zelf. Dominant in de beeldvorming was de omarming van multiculturalisme door links, waarbij assimilatie werd afgewezen en de problemen in de arme volkswijken eerst genegeerd werden. Fortuijn viel dat hard aan. </em></p>
<p><em>Frederiks ziet de veranderingen in het mediabestel als grote verklarende factor waarom het Fortuijn wel lukte om een podium te krijgen voor zijn antimigratiestandpunten: “Waar de media in de decennia na de oorlog nog werden gedomineerd door politiek gekleurde omroepverenigingen en kranten, was de sector in de jaren voor de eeuwwisseling steeds verder gecommercialiseerd. Zo werd in 1989 de eerste commerciële omroep – RTL – toegelaten tot het bestel; enkele jaren later volgde SBS. (‘Professor Pim’ zou in de jaren negentig veelvuldig optreden in het RTL-programma Business Class.) De commerciële omroepen bleken een aantrekkelijk product te leveren: het marktaandeel van de publieke omroep liep al snel terug van 100 procent in de jaren tachtig naar zo’n 40 procent in 1998. Door de toegenomen concurrentie veranderen media steeds meer van aanbodgedreven (journalisten maken de verhalen die zij graag lezen, kijken en luisteren), naar vraaggedreven ondernemingen (lezers, kijkers, luisteraars krijgen de verhalen die zij willen lezen, kijken en luisteren). Wat dat betreft is sociale media ook geen radicale breuk met het verleden, maar een stap in een trend die al langer neigt naar een meer vraaggedreven informatievoorziening. Het publiek krijgt meer van wat zij blijkens haar vertoonde gedrag graag wil (en dat is niet politiek die meer op een academische seminar gaat lijken). </em></p>
<p><em>Pim Fortuyn en vele rechtspopulisten na hem gedijen uitstekend in zo’n vraaggedreven mediasysteem. Fortuyn was een pionier in de grensoverschrijdende esthetiek waarmee rechtspopulisten nog steeds de aandacht op zich weten te vestigen (en daarmee de grens steeds verder verleggen). Journalisten en opiniemakers koesteren soms de ijdele illusie dat zij de publieke opinie kunnen bijsturen door luidkeels te markeren wanneer een grens wordt overschreden. Maar de publieke opinie is betrekkelijk onkantelbaar. Media hebben nauwelijks invloed op wat mensen denken, wel waarover zij denken. De toon van de berichtgeving over rechtspopulisten (over het algemeen: kritisch) doet er dan ook minder toe dan het volume (over het algemeen: veel). Pim Fortuyn zou postuum maar liefst 26 zetels scoren bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2002. Van het kwart van de kiezers met de grootste voorkeur voor het terugzenden van asielzoekers won de LPF 44 procent van de stemmen. LPF-stemmers waren vooral afkomstig van de VVD (38,1 procent), linkse partijen (32,1 procent), en niet-kiezers (21,6 procent). Bijna alle overgestapte kiezers behoorden tot de antimigratievleugel van hun vorige partijen. Net als nu, was het ook toen modieus om het succes van de LPF te wijten aan het neoliberalisme van de Paarse kabinetten. Voor de stem op Fortuyn is dat al helemaal potsierlijk, omdat het economisch programma van zijn partij juist uitgesproken neoliberaal was (en zijn kiezers ook economisch rechtser dan die van de PVV). Niet voor niets was een van de eerste wapenfeiten van Fortuyns gemeentelijke partij Leefbaar Rotterdam het voor bodemprijzen overdragen van gemeentelijk grondbezit aan steenrijke vastgoedeigenaren.”</em></p>
<p><em>In werkelijkheid viel op de titel van ‘professor’ van Fortuijn veel af te dingen. De flamboyante man was alleen tijdelijk benoemd als bijzonder hoogleraar op de Albeda-leerstoel aan de Erasmus Universiteit, nadat hij daarvoor ambtelijk secretaris was van het door Albeda geleide polderinstituut over ambtenarenzaken. Ook toen Fortuyn geen bijzonder hoogleraar meer was aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, bleef hij de titel &#8216;professor&#8217; met veel genoegen &#8211; ten onrechte &#8211; gebruiken en sprak hij ook graag zo over zichzelf. Hij voelde zich (volstrekt ten onrechte overigens) als een miskent genie, met een enorm ego. Zijn charisma werkte overigens niet bij iedereen  zo werd er door mensen in zijn omgeving die niet vielen voor zijn Messias-gedrag gesproken over de ‘Wet van Pim’: Waar Pim komt, komt ruzie. </em></p>
<p><em>Frederiks concludeert: “Politieke verandering komt vaak niet doordat mensen overtuigd raken van nieuwe standpunten (‘goed verhaal van die Fortuyn, migranten zijn eigenlijk helemaal niet oké!’), maar doordat latente opvattingen worden geactiveerd (‘eindelijk iemand die de waarheid durft te zeggen over die buitenlanders!’). De doorbraak van Fortuyn, en Wilders na hem, heeft ervoor gezorgd dat antimigratiestandpunten nu mee worden genomen naar het stemhokje. Hierdoor zijn kiezers zich in toenemende mate gaan hersorteren op grond van hun migratiestandpunt. De linkse kiezer met antimigratiestandpunten is vrijwel verdwenen. Van het kwart van de kiezers met de sterkste voorkeur voor het terugzenden van asielzoekers, wisten linkse partijen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 nog ongeveer 42 procent voor zich te winnen. Bij de verkiezingen van 2021 was daar nog maar 14 procent van over.</em><em> De economische standpunten van links zijn nog steeds populair (niet voor niets noemde Mark Rutte Nederland ‘in de kern diep socialistisch’), maar ze zijn niet meer doorslaggevend in de stemkeuze. Voor met name praktisch opgeleide kiezers weegt de ideologische kloof met links op culturele thema’s zwaarder dan de overeenkomsten op economisch gebied. Uit voorlopige resultaten van de laatste verkiezingen van 2023 blijkt dat links alleen de stem van academisch geschoolden behield en opnieuw terrein verloor bij praktisch opgeleiden. De laatste keer dat linkse partijen zo weinig zetels behaalden, was bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1925.”</em></p>
<p><em>Het is hard nodig dat we kritische, onafhankelijke (onderzoeks- en andere) journalistiek drastisch versterken. De media worden steeds meer gemonopoliseerd in kartels, die verbonden zijn met het grootkapitaal – zie de beslissing van de New York Times, in handen van Amazon oprichter Bezos om geen aanbeveling te geven aan een presidentskandidaat voor een krant die al heel lang de nominatie van de Democraten ondersteund was geen incident – en met extreemrechts (zie ook de massieve ondersteuning van de eigenaar van X, Musk, aan Trump). Deze kartelvorming en afhankelijkheid moeten we wettelijk afbreken en tevens is het hard nodig het internet en (a-)sociale media te reguleren en te voorzien van een publiek alternatief. Ook in Nederland is het medialandschap hard toe aan een grondige hervorming om de pluriformiteit, betrouwnaarheid en kritische capaciteit fors te herstellen.</em></p>
<p><em>Als je leeft op leugens, is kennis de vijand. De nieuwe vicepresident van de VS, Vance, sprak op 11 november de woorden: ‘The professors are the enemy.” De PVV en BBB stellen zich ook vijandig op tegen de wetenschap. </em></p>
<p><em><u>Het is óók de bestaanszekerheid</u></em></p>
<p><em>Naar mijn smaak is het veranderend medialandschap toch onvoldoende verklaring voor het aanboren van het racistisch potentieel bij de kiezers. De PVV doet het met name goed onder mensen met een praktische opleiding en de arbeidersklasse. Dit zijn kloven waar politicologen al bijzonder lange tijd naar wijzen als tekort van en probleem voor de democratie. Zie in Nederland bijvoorbeeld het werk van Mark Bovens en Anchrit Wille (Diplomademocratie; <a href="https://www.denederlandsegrondwet.nl/id/vkb8nqem2auu/staatscommissie_parlementair_stelsel">https://www.denederlandsegrondwet.nl/id/vkb8nqem2auu/staatscommissie_parlementair_stelsel</a>) of Armèn Hakhverdian en Wouter Schakel (Nepparlement; <a href="https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2023/11/30/grip">https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2023/11/30/grip</a>). Of het rapport van de Staatscommissie parlementair stelsel (<a href="https://www.denederlandsegrondwet.nl/id/vkb8nqem2auu/staatscommissie_parlementair_stelsel">https://www.denederlandsegrondwet.nl/id/vkb8nqem2auu/staatscommissie_parlementair_stelsel</a>; voelen niet alleen minder vertegenwoordigd maar zijn dat ook). </em></p>
<p><em>Ook de WRR wijst erop in haar recente rapport (<a href="https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2023/11/30/grip">https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2023/11/30/grip</a>) over het belang van reële omstandigheden, in het bijzonder grip op het leven, als voedingsbodem voor gevaarlijke opvattingen. “In dit rapport laten we zien dat onzekerheid en een gebrek aan grip voor veel mensen een realiteit zijn. Deze beperkt zich niet tot werk en inkomen maar doet zich ook voor op andere belangrijke gebieden van het leven, zoals gezondheid, wonen en de leefomgeving. Onzekerheden hebben bovendien de neiging zich te stapelen: onzekerheid op het ene terrein, bijvoorbeeld inkomen, leidt tot onzekerheid op een ander domein, bijvoorbeeld wonen. Hierdoor gaan mensen belangrijke levenskeuzes uitstellen, zoals een relatie aangaan, samenwonen of kinderen krijgen. Dergelijke stapelingen doen zich vooral voor bij jongeren, huishoudens met lage inkomens en de lage middeninkomens. Maar ook andere groepen worden geconfronteerd met onzekerheid. (…) Iemands gevoel van controle hangt ook samen met maatschappelijk onbehagen, met een algemeen en onbepaald gevoel dat het niet goed gaat met ‘de samenle­ving’. We vonden dat wie laag scoort op gevoel van controle in zijn eigen leven, ook eerder meent dat het slecht gaat met de samenleving als geheel – zélfs als rekening wordt gehouden met verschillen in onzekerheid.”</em></p>
<p><em>De WRR vervolgt: “Dat betekent natuurlijk niet dat we hiermee alle vormen van maatschappelijk onbehagen kunnen verklaren. Daarvoor is het verschijnsel te complex. Wel richt het de blik op een verklaring die nog weinig is onderzocht. Voor beleidsmakers ligt hier een belangrijke boodschap: maatschappelijke zorgen zijn soms verhulde persoonlijke zorgen. Gevoelens van maatschappelijk onbehagen zeggen niet alleen iets over hoe het gaat met de samenleving als geheel, maar soms ook iets over hoe het mensen vergaat in hun eigen leven. Minder grip in het persoonlijk leven is een van de bronnen van maatschappelijk onbehagen. </em></p>
<p><em>Minder grip hangt samen met meer vertekende beelden en overtuigingen. Gebrek aan gevoel van controle hangt ook samen met beelden en houdingen die niet per se bijdragen aan een gezonde en goed functionerende democratie. Zo hebben diverse onderzoeken laten zien dat een gevoel van gebrek aan persoon­lijke controle kan leiden tot een sterker denken in termen van ‘zij’ tegenover ‘wij’ en tot een grotere voorkeur voor ‘sterke leiders’. Ook kunnen mensen in reactie op een controlebedreiging meer macht toeschrijven aan vijanden of op zoek gaan naar zondebokken, en een sterkere voorkeur hebben voor eenvoudige interpretaties van de wereld, met duidelijke oorzaak-gevolgrelaties. Het is dan ook niet vreemd dat sommige studies een verband hebben gevonden tussen gebrek aan eigen controle en geloof in complotten. (…) </em></p>
<p><em>Dat leidt naar het volgende voorbeeld. Dat betreft een verzameling van fenome­nen waarover velen zich vandaag de dag zorgen maken: zaken als maatschap­pelijk onbehagen, wij-zij denken, polarisatie, zondebok-denken en geloof in complotten. Vanuit het perspectief van grip wordt duidelijk dat deze fenomenen niet alleen maar het gevolg zijn van de beelden en verhalen die rondgaan in de media en op internet. Voor een deel kunnen ze ook een reactie zijn op het erva­ren gebrek aan grip in het eigen leven. Onderzoek suggereert namelijk dat wie zich bedreigd voelt in de eigen persoonlijke controle, eerder geneigd is mee te gaan in zulke beelden en verhalen, om zo toch te kunnen blijven geloven in een overzichtelijke wereld en de mogelijkheid van controle. </em></p>
<p><em>Wat is hiervan de beleidsimplicatie? Het is zeker niet zo dat alle genoemde verschijnselen volledig herleid kunnen worden tot een gebrek aan grip in het eigen leven, maar het kan wel één van de factoren zijn. Wie deze fenomenen wil tegengaan, kan zich dus beter niet beperken tot een ‘beter uitleggen’ van ‘de feiten’. Het is óók van belang om te kijken in hoeverre dit soort gevoelens, beelden en verhalen samenhangen met machteloosheid in het eigen leven, en wat daaraan te doen valt.”</em></p>
<p><em>Dit ondersteund de gedachte dat zowel de stelling dat veel PVV-kiezers gemotiveerd werden door vreemdelingenhaat als de stelling dat hun kiezersgedrag tenminste ook voorkomt uit maatschappelijke omstandigheden, waaronder minder grip op het eigen leven, beiden waar zijn. Sjoerd de Jong schreef terecht in NRC (<a href="https://www.nrc.nl/nieuws/2024/03/21/ook-rechtse-haat-heeft-een-voedingsbodem-a4193720?utm_source=twitter&amp;utm_medium=social&amp;utm_campaign=twitter&amp;utm_term=20240321">Column | Ook rechtse haat heeft een voedingsbodem &#8211; NRC</a>)</em><em>: “In de Volkskrant wees Kustow Bessems erop dat die verheugde reactie – ‘ze zeggen het zelf!’ – het spiegelbeeld is van eerdere progressieve pogingen om bij islamitisch radicalisme juist te wijzen op de voedingsbodem ervan, op diepere achtergronden. Toen waren het radicaal-rechtse ophitsers die om het hardst riepen dat die sociologische complicaties misplaatst waren en we beter gewoon konden afgaan op wat jihadisten zelf over hun motieven zeiden. Waar is die linkse voedingsbodem nu opeens gebleven? Zulk ‘ze zeggen het zelf’-reductionisme lijkt me in beide gevallen een misverstand. Wat mensen over hun keuzes zeggen moet je serieus nemen maar staat bredere verklaringen helemaal niet in de weg. Het is niet of-of, maar en-en. Geen nood, je kunt Nederland gerust een racistisch land vinden en toch ‘achterliggende’ factoren zoeken. Zeker als het gaat om migratie, dat een soort containerbegrip is geworden voor allerhande onvrede. Onveiligheid op straat? Migratie. Woningtekort? Migratie. Sigrid Kaag? Migratie. Heimwee naar hoe het nooit geweest is? Migratie.”  </em></p>
<p><em>De Jong wees op een recent interview in </em><em>Die Zeit</em><em> van Thomas Piketty. Daarin gaat deze uitgebreid in op de achtergronden van het oprukkende rechts-populisme in Europa: ”Alles komt langs: de ontwrichtende effecten van globalisering en liberalisering, culturele ontheemding, marginalisering, de groeiende kloof tussen metropool en provincie, en zelfs – o jee &#8211; het gevoel niet gehoord te worden.” Kennelijk leest Piketty geen Nederlandse columns schrijft De Jong: “</em><em>Piketty, die dus helaas geen Nederlandse columns leest, wijst er in dat interview gelukkig ook op dat autoritaire protestpartijen op den duur geen „politiek thuis” bieden. Je mag erop stemmen, maar dat is het dan wel. Dat geldt bij uitstek voor de PVV, waar alleen dat ene lid uit Venlo iets in te brengen heeft. Ja, want hij houdt zo van ons land. Op zó’n voedingsbodem groeit uiteindelijk niets, in elk geval niets wat democratisch is – of zelfs maar beschaafd.”</em></p>
<p><em>In het eerder geciteerde essay van Frederiks gaat deze uitvoerig in op het feit dat er ook geen economische voedingsbodem zou zijn voor de onvrede van PVV-stemmers. Kennelijk heeft hij ook het interview met Piketty niet gelezen. Frederiks: “Het is vloeken in de kerk, maar misschien is het ook niet helemaal verwonderlijk dat het moeilijker is geworden om economische thema’s bovenaan de agenda te krijgen. De werkloosheid staat inmiddels op het laagste niveau sinds begin jaren zeventig. En dat bestaanszekerheid als thema meer beklijft in 1985 – toen 22,4 procent van de Nederlanders onder de armoedegrens leefde – dan in 2023, toen nog maar 3,8 procent arm was, is misschien ook niet helemaal verwonderlijk. Nederland is in de afgelopen decennia een véél rijker land geworden. Het toegenomen gewicht dat wordt toegekend aan culturele thema’s is misschien dan ook niet zozeer het gevolg van economische malaise, als wel van economische voorspoed. </em><em>Politiek econoom Benjamin Enke opperde in een recente paper een theorie van politieke verandering, waarin stemmen op je waarden een luxegoed is.</em><em>  </em><em>Eerst komt het vreten, dan volgen de vibes: hoe rijker mensen worden, hoe meer gewicht ze toekennen aan hun ‘waarden’ in plaats van hun materiële eigenbelang. Toegenomen welvaart veroorzaakt politieke klimaatverandering. Het materiële eigenbelang speelt nog steeds een rol in het stemgedrag: wanneer mensen armer zijn, neigen ze naar links, wanneer ze rijker worden naar rechts. Maar tegelijkertijd kunnen mensen met meer inkomen – en dat zijn dus steeds meer Nederlanders – het zich ‘veroorloven’ te stemmen op hun waarden in plaats van hun portemonnee.”</em></p>
<p><em>Frederiks concludeert vervolgens: “Zie het zo: de achterban van links bestond vroeger uit academisch geschoolden met kosmopolitische waarden én uit praktisch geschoolden met nativistische opvattingen. De academische kosmopolieten stemden links, omdat ze rijk genoeg waren om op hun waarden te stemmen (maar weer niet zo rijk dat ze economisch rechts werden). En de praktisch geschoolden waren te arm om op hun nativistische waarden te stemmen, en stemden dan ook – bij gratie van hun economische klasse – links. Maar naarmate Nederland welvarender werd, ontstond bij praktisch opgeleiden de wens om te stemmen op een partij die hun culturele voorkeuren deelt (lees: anti-immigratievibes), en bij academisch geschoolden de hang naar steeds verfijndere postmateriële behoeftebevrediging (bijvoorbeeld: ‘pro-Europa!’ en ‘meer natuur!’). </em></p>
<p><em>Aangezien de entreebarrières zijn afgenomen, zijn er steeds meer politiek ondernemers die de electorale markt betreden om in de politieke vraag te voorzien. U wilt milieu? GroenLinks. Dierenrechten? Partij voor de Dieren. Minder discriminatie? BIJ1. Europa? D66. Meer Europa? Volt. Een onverdund antimigratiegeluid? PVV. Met een vleugje complot en een bruin sausje? Forum voor Democratie. Zonder complot, maar mét belastingverlaging? JA21. Mét complot en mét belastingverlaging? BVNL. In het verleden konden de grote middenpartijen polariserende onderwerpen zoals migratie smoren in achterkamertjes. Maar inmiddels wemelt het van de politieke partijen die een gevestigd belang hebben bij de politisering van de culturele as. De PVV wil nativistische kiezers mobiliseren door elk onderwerp te verbinden aan migratie. D66 en GroenLinks activeren kosmopolitische kiezers door zulke abjecte meningen ‘niet onweersproken te laten’ en te hameren op de naderende klimaatkladderadatsch.”</em></p>
<p><em>De bewijsvoering van Frederiks voor de stelling dat er in ons land zodanig sprake is van toegenomen welvaart dat dit ruimte biedt voor culturele kloven zoals migratie is echter nogal mager, om het mild te zeggen. Frederiks volstaat met te wijzen op de lage werkloosheid en een substantiële daling van het aandeel huishoudens dat onder de armoedegrens valt (daarbij hanteert hij het voor koopkracht gecorrigeerde bijstandsniveau van 1979, niet de huidige door SCP of CPB gehanteerde armoedegrenzen). Een onzeker bestaan kan je echter niet afmeten aan deze cijfers. Het is selectief winkelen waarbij je een enorme bewijslast van sociaaleconomische problemen van lagere én middeninkomens terzijde schuift. Er is een enorme woningnood, met stijgende en onvolledige cijfers over dakloosheid. Een miljoen huishoudens heeft problematische of risicovolle schulden. Ruim 40% van de werkenden hebben geen vast, normaal arbeidscontract, meer dan waar ook in Europa. De bestaansonzekerheid van grote groepen huishoudens is enorm. </em></p>
<p><em><u>Woke als beeld van bedreigde samenleving</u></em></p>
<p><em>De fascisten en extreemrechts hebben ook aan ‘woke’ de oorlog verklaart – en links werd er van beschuldigd dat de strijd tegen armoede ingeruild zou zijn voor de strijd voor ‘woke’.</em></p>
<p><em>Woke (Afro-Amerikaans-Engelse variant van woken; wakker geworden) is een term die verwijst naar het bewust zijn van racismeproblematiek en sociaal onrecht jegens minderheden in de samenleving. </em></p>
<p><em>Is er eigenlijk nog wel iemand die </em><em>zichzelf</em><em> woke noemt? Het woord zoemt rond, maar altijd als beschuldiging. Wie ertegen ten strijde trekt, krijgt aandacht. Het is heerlijk scoren met voorbeelden van doorgeslagen progressiviteit, het ene nog dwazer dan het andere.</em></p>
<p><em>Begin mei 2023 ging NRC-redacteur Bas Heijne met de Amerikaans-Duitse filosoof Susan Neiman in het Rotterdamse debatcentrum Arminius in debat over haar boek </em><em>Links is niet woke</em><em>. “Neiman beschouwt zichzelf als links, socialist zelfs. Haar pamflet is een oproep aan links zich af te keren van zelfbetrokken identiteitspolitiek – tribalisme, zoals zij het noemt. Zijzelf beroept zich op het universalisme. Mensen moeten zich niet enkel gaan zien in het licht van kenmerken die ze toevallig hebben meegekregen, geslacht, geaardheid, kleur. En ook niet alleen betekenis vinden in hun slachtofferschap. Dat de werkelijkheid vaak achterblijft bij die verheven idealen van gelijkheid en solidariteit, mag geen reden zijn om ze daarom maar op de vuilnishoop van geschiedenis te gooien.</em></p>
<p><em>Integendeel. Niet opgeven, luidt haar boodschap. Niet terugvallen in identiteitspolitiek. Gewoon nóg feller opkomen voor de idealen van de Verlichting!</em></p>
<p><em>Het essay van Neiman raakt een snaar, het wordt in Nederland goed verkocht. Heijne is minder enthousiast. Waar de Verlichting voor staat, dat kan Neiman uitleggen als geen ander. Dat heeft ze dan ook al vaak gedaan. Terecht hekelt ze het luie oordelen over grote figuren uit het verleden, zoals Abraham Lincoln, met de morele maatstaven van nu. Het gaat er niet om dat zij nog niet zover waren als wij, het gaat erom dat ze ons verder hebben gebracht.</em></p>
<p><em>Maar waar dat woke nou precies vandaan komt, daar verdiept ze zich nauwelijks in. Het blijft een schimmige tegenstander. Wie haar boek leest krijgt de indruk dat men op de universiteiten gewoon de verkeerde denkers heeft gelezen, op een dwaalspoor is gebracht door Michel Foucault en de nazi-aanhanger Carl Schmitt. Zij zijn het die het universalisme als een vorm van hypocrisie ontmaskerden, en in ieder streven naar rechtvaardigheid een verborgen machtsmotief ontdekten.</em></p>
<p><em>Er zit iets van teleurstelling in Neimans kritiek op misleide jongeren die ze vaagjes met „woke” aanduidt – waarom hebben ze haar klassiek linkse wereldbeeld verraden, waarbij iedereen voor iedereen geacht werd op te komen? Waarom houden ze zich bezig met identiteitsdingetjes en haarkloverijen over het juiste taalgebruik, ophef over culturele toe-eigening, terwijl er zo veel grotere problemen zijn? Neiman geeft er geen antwoord op, in ons gesprek kwam ze vooral met de overbekende voorbeelden van zelotengedrag op de universiteit en in de culturele sector. Ook hekelde ze de blinde meegaandheid van de gevestigde instituties, die niet aan de verkeerde kant van de geschiedenis willen staan en daarom „diversiteit” nog als enig criterium hebben. Ja hoor, absurde voorbeelden genoeg. Maar is dat de kern van wat er gaande is?” (<a href="https://www.nrc.nl/nieuws/2023/05/05/ja-absurde-voorbeelden-van-woke-genoeg-maar-is-dat-de-kern-van-wat-er-gaande-is-a4163862?t=1723918531">https://www.nrc.nl/nieuws/2023/05/05/ja-absurde-voorbeelden-van-woke-genoeg-maar-is-dat-de-kern-van-wat-er-gaande-is-a4163862?t=1723918531</a>).</em></p>
<p><em>Heijne heeft eerder betoogd dat wat tegenwoordig ‘woke’ wordt genoemd, “in wezen gewoon een voortzetting is van de grote emancipatiebewegingen van de vorige eeuw. Dat was de eeuw waarin Susan Neiman opgroeide. Er werd gestreden voor reële doelen, voor rechten, voor gelijkheid voor de wet, gelijke betaling, betere arbeidsomstandigheden, openstelling van het huwelijk voor iedereen. In onze eeuw ontstond een gevoel van deceptie. Wettelijk was enorme vooruitgang geboekt, maar in werkelijkheid waren veel beloften nog niet ingelost. Daarbij heb je niet alleen wetten en regels nodig, maar ook gedragsverandering, bewustwording, andere manieren van kijken. Het ging nu, kortom, niet langer om concrete doelen, maar om mentaliteiten, structuren, de manier waarop er gekeken en gehandeld wordt, hoe je gezien wordt of juist helemaal niet gezien wordt. Dat besef is diep in de samenleving doorgedrongen, de bewegingen Black Lives Matter en #MeToo gaan juist hierover. Dat er vooruitgang is geboekt, moest ook Neiman toegeven.</em></p>
<p><em>Dat bijvoorbeeld „taal ertoe doet” in de omgang tussen mensen, en dat je dus op je woorden moet letten. Dat is niet exclusief een progressieve obsessie. Kijk naar wat er in het verkiezingsprogramma van de BBB staat: „We praten niet meer over hoogopgeleiden of laagopgeleiden. We praten alleen nog over theoretisch opgeleiden en praktisch opgeleiden.” Dit is gewoon heel erg woke, Caroline. </em></p>
<p><em>Een belangrijk aspect dat door Neiman volledig over het hoofd gezien wordt in haar oproep tot universalisme: individualisering. Het ‘ik’ is de afgelopen decennia veel belangrijker geworden – en daarmee ook identiteit. Dat primaat van het ‘ik’ is door de haar zo innig gekoesterde Verlichting in gang gezet. Voor een zaal vraag ik de aanwezigen tegenwoordig weleens wie van hen zich </em><em>vrijer</em><em> voelt dan zijn ouders of grootouders. Er gaat altijd een ruime meerderheid aan handen omhoog. Wie kan dat niet als een zegen zien?</em></p>
<p><em>Maar als het ‘ik’ steeds belangrijker wordt, verandert de relatie tussen jou en de maatschappij. De wereld wordt steeds subjectiever bekeken. Dat is wat er aan de hand is. Hoe de samenleving zich tegenover jou gedraagt, wordt maatgevend. Kleur en geaardheid zijn weliswaar, zoals Neiman beweert, volkomen toevallig, maar wanneer een samenleving wel degelijk onderscheid maakt op juist die kenmerken, is het wel heel gemakkelijk om ze als betekenisloos af te doen. Wat je persoonlijk aangaat, gaat ook de wereld aan – en andersom.</em></p>
<p><em>Daarom is het ook nogal zelfgenoegzaam het contact dat een individu zoekt met mensen die aspecten van zijn leefwereld en gevoelsleven delen af te doen als tribalisme. Bovendien is die neiging niet specifiek voor minderheden, ze is algemeen. Ook „boeren” zijn een identitaire magneet. We </em><em>zijn allemaal tribaal geworden.</em></p>
<p><em>Je kunt het verpersoonlijken van alles vreselijk vinden, betreuren omdat grote structurele kwesties uit zicht verdwijnen, maar het is gewoon een uitloper van ons individualisme. Het is ook de steen waarover iedere oproep tot nieuwe gemeenschap en solidariteit struikelt. Als je wilt genezen, moet je eerst de kwaal begrijpen.</em></p>
<p><em>Neiman wil iets terugdraaien wat niet terug te draaien is. Haar oproep klinkt bevlogen, Heijne zet er zo zijn handtekening onder, maar door dat vage woke als tegenstander te kiezen, maakt ze het haar medestanders wel heel gemakkelijk. Het zijn weer de anderen die verdwaald zijn, niet jijzelf. Het zijn anderen die moeten veranderen, niet jijzelf.</em></p>
<p><em>In de VS werd een peiling gepubliceerd waarin Republikeinen mochten aangeven wat ze van hun volgende presidentskandidaat verwachten. 85 procent verlangt van hun kandidaat dat hij afrekent met „</em><em>woke ideas</em><em>”.” </em></p>
<p><em>Van een linkse partij mag een principieel andere keuze verwacht worden. Wij moeten afrekenen met degenen die ‘woke’ als grootste bedreiging zien, en juist staan voor de verbinding tussen sociaaleconomische en sociaalculturele emancipatie en rechtvaardigheid.</em></p>
<p><u>Versterking en bescherming van de democratische rechtsstaat.</u></p>
<p> </p>
<ol>
<li><strong>We bestrijden actief het hedendaags fascisme. De wetgeving tegen fascistische, racistische, discriminatoire en antisemitische uitlatingen wordt verscherpt en de handhaving versterkt. Ook in de politieke arena’s zijn die uitlatingen niet toelaatbaar. Het parlement stelt een eigen onafhankelijke waakhond daarvoor in, die openbaar rapporteert. Er behoort geen tolerantie te zijn tegen antitolerantie. </strong></li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="2">
<li><strong>We verbieden de (neo-)fascistische politieke partijen en media die deze praktijken tot hun handelsmerk maken en stellen bij wet regels aan de interne democratie, transparantie over financiën en respect in woord en gedrag voor de democratische rechtsstaat en de universele mensenrechten. In een Wet op de Politieke Partijen worden hiervoor strikte normen gesteld, evenals in de Mediawet. Dit leidt ertoe dat partijen als FvD en PVV en een omroep als ON niet meer op de huidige manier kunnen blijven bestaan. </strong></li>
</ol>
<p><strong><u> </u></strong></p>
<ol start="3">
<li><strong>Daarenboven verscherpen we de regels voor bestuurlijke integriteit in de politiek, de handhaving én de sancties bij overtreding daarvan, ook in de lokale en provinciale politiek. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="4">
<li><strong>We maken veel meer werk van strijd tegen discriminatie (incl. racisme, homofobie, islamofobie en antisemitisme, achterstelling van mensen met een beperking), huishoudelijk geweld, besnijdenis van vrouwen, gedwongen huwelijken, kindhuwelijken, eerwraak, mensenhandel, femicide (vrouwenmoord) en seksuele intimidatie, waaronder intimidatie op straat.</strong> Daartoe investeren we in onderwijs en bewustwordingscampagnes, voeren we een strak handhavingsbeleid in scholen, sport, sociale media en de openbare fysieke ruimte. Ontgroeningen worden verboden, evenals ‘therapieën’ tegen homoseksualiteit. Godsdienst, afkomst, gender, seksuele geaardheid en gedrag, etc. mag nooit een reden zijn om leerlingen of leraren niet toe te laten/aan te nemen, uit te sluiten, te schorsen, uitschrijven of ontslaan. Integendeel, scholen hebben een expliciete opdracht discriminatie in welke vorm dan ooit tegen te gaan. We investeren ook in meer en betere opsporing, gemakkelijke melding en aangifte en slachtofferhulp. We straffen snel en effectief. Ook bij discriminatie en aanzetten tot haat op internet en bij voetbalwedstrijden en andere evenementen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="5">
<li><strong>En we investeren fors in het ontmoeten en de dialoog tussen verschillende groepen in onze samenleving, om vooroordelen te voorkomen, mensen weer als mensen te zien in plaats van alleen behorend tot een bepaalde groep, elkaar en elkaars pijn beter te begrijpen, en elkaar aan te spreken bij grensoverschrijdend gedrag en bejegening tussen deelgroepen in onze samenleving. Daarvoor komt er een nationaal programma en gemeenten, scholen, sportorganisaties en de publieke media krijgen de opdracht om daar een betekenisvol programma voor te maken met rijksfinanciering. Alle vormen van discriminatie en normoverschrijdend gedrag komen daarbij aan de orde. In het geschiedenis- en burgerschapsonderwijs wordt speciaal aandacht hieraan gegeven, ook om te leren van ons verleden hierover. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="6">
<li><strong>De vrijheid van godsdienst, meningsuiting en vereniging worden (grond)wettelijk beperkt door het verbod op discriminatie, het recht op menselijke integriteit en het verbod tot oproepen tot geweld. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="7">
<li><strong>Institutionele vormen van discriminatie worden met wortel en tak uitgeroeid. Algoritmes moeten daartoe transparant zijn en mensen in publieke dienst, waaronder de politie, worden op staande voet ontslagen bij discriminerende uitlatingen of gedragingen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="8">
<li><strong>Een hoofdoek mag geen reden meer zijn om mensen uit te sluiten van beroepen, ook niet bij de politie – het VK bewijst dat dit prima kan zonder de neutraliteit van de politie te schaden. Anderzijds moet drang en dwang voor het dragen van kleding sterk worden bestreden – we dragen dit sterk uit, ook op scholen, en bieden laagdrempelige en veilige hulp aan slachtoffers. Het uitoefenen van die drang of dwang wordt strafbaar. Hoe je je kleedt, bepaal je alleen zelf. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="9">
<li><strong>Etnisch profileren wordt hard bestreden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="10">
<li><strong>Ieder bedrijf en organisatie moet verplicht vertrouwenspersonen aanstellen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="11">
<li><strong>We bestrijden actief bemoeienis van landen van herkomst met migranten en mensen van buitenlandse afkomst in ons land</strong> (zoals nu vooral uit Turkije, Marokko, Rusland, Eritrea), inclusief bemoeienis (waaronder financiering van) met religieuze instellingen en organisaties alhier.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="12">
<li><strong>We bestrijden actief de intimidatie van andersdenkenden, het giftig seksisme en racisme op social en andere media en in de openbare ruimte, en maken dat strafbaar – óók in de politieke arena. Social media bedrijven worden aansprakelijk voor de uitingen op hun platforms. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="13">
<li><strong>We zijn verbonden in diversiteit, lerend van onze geschiedenis, actief tegen iedere discriminatie. We maken ruimhartig excuses voor misstanden uit het verleden zoals de politionele acties in Indonesië, de behandeling van de Zuid-Molukkers daarna in Nederland en de slavernij.</strong> <strong>Bij de eerste twee horen een ruimhartige financiële tegemoetkoming aan slachtoffers en hun nabestaanden, net als die van Srebrenica. We investeren extra in de bestrijding van hedendaagse slavernij en in aandacht voor de verschrikkingen van slavernij, racisme, fascisme, de Holocaust en andere genocides in het onderwijs. We richten een apart Slavernijmuseum op, net als een Mondiaal Geschiedenismuseum. In het onderwijs wordt ook aandacht gegeven aan mondiale geschiedenis (met daarbinnen aandacht voor de Europese en nationale geschiedenis). We investeren extra in kennis en bewustzijn van de verschrikkingen van de Holocaust, fascisme en de slavernij bij alle burgers, inclusief nieuwkomers.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="14">
<li><strong>Keti Koti, de Surinaamse viering van de bevrijding van de slavernij op 1 juli, wordt net als 1 mei, Dag van de Arbeid, en 5 mei, Bevrijdingsdag, een Nationale feestdag met betaald verlof. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="15">
<li><strong>We versterken het recht op demonstratie door wettelijk veel zwaardere eisen te stellen aan een verbod of inperkingen. Deze mogen alleen maar ingesteld worden in geval van een reëel risico voor ernstige verstoring van de openbare orde, voor bedreiging van onze democratische rechtsstaat en voor onze nationale veiligheid of die van personen of organisaties en bedrijven. Verkeersoverlast is dus geen grond voor beperkingen of een verbod. Geweld, bedreiging en vernieling blijft verboden, maar kan alleen achteraf geconstateerd worden. Er wordt geen legitimatieplicht gehandhaafd in demonstraties, tenzij er een redelijk vermoeden is dat er strafbare feiten zijn gepleegd. Er komt ook geen algemeen verbod op het dragen van kleding die beoogd legitimatie te voorkomen. In beginsel moeten demonstraties worden toegestaan en goed gefaciliteerd worden. Het verwijderen van vreedzame demonstranten moet verplicht vreedzaam gebeuren, en kan alleen plaatsvinden als er een groot maatschappelijk belang of een groot belang van derden mee gemoeid is. Dat wordt door de onafhankelijke rechter getoetst. We zorgen dat er een eind komt aan de ongelijke behandeling van demonstranten</strong>, zoals nu waar klimaatdemonstranten, natuurbeschermers, maar ook bijvoorbeeld <em>Black Lives Matter</em>, veel zwaarder aangepakt worden dan bijv. demonstrerende boeren. Het is een groot probleem dat te grote delen van de politie en justitie nu het demonstratierecht selectief teveel beperkt en lijkt te sympathiseren met autoritaire, rechtsextremistische en/of ‘autonome’ groeperingen. We gaan dat actief opsporen en vervolgen. Elders versterken we ook het stakingsrecht.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="16">
<li><strong>Het bedreigen en aanvallen van politici, journalisten en hulpdiensten wordt zwaar bestraft. Demonstraties en protesten bij deze mensen thuis worden verboden, evenals hen hinderen bij hun werk. Het gebruik van zwaar materieel bij demonstraties, zoals tractoren en vrachtwagens, wordt verboden en met directe inbeslagname gehandhaafd. Het lastigvallen van bezoekers en cliënten bij abortusklinieken wordt ook verboden. Abortus wordt geschrapt uit het Wetboek voor Strafrecht. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="17">
<li><strong>We versterken de rechten van homoparen en lhbti-ers. We maken een goede regeling voor meerouderschap. We maken het veranderen van geslacht eenvoudiger.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="18">
<li><strong>Institutionele vormen van discriminatie worden met wortel en tak uitgeroeid. Algoritmes moeten daartoe transparant zijn, we screenen alle algoritmes bij de overheid, de publieke sector en bij bedrijven op het verbod tot feitelijke discriminatie. Uitvoering van algoritmes bij de overheid mag niet uitbesteed worden met als doel openbaarheid en controle te voorkomen.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="19">
<li><strong>We versterken de publieke controle door extra middelen voor onafhankelijke, journalistiek, met als speerpunten voor versterking de lokale, regionale en Europese politiek en onderzoeksjournalistiek. De publieke omroep wordt versterkt met meer digitale mogelijkheden. Reclame op de publieke omroep wordt vervangen door extra bekostiging. De overheid moet scherp gehouden worden door kritische journalistiek. Niet alleen landelijk, maar ook lokaal. We stellen meer subsidies beschikbaar voor (onderzoeks-)journalistiek, we introduceren een beschikbaarheidsbijdrage voor regionale nieuwsvoorzieningen en we verlagen de btw op kranten.</strong></li>
</ol>
<p><u>Staatsrechtelijke hervormingen</u></p>
<ol start="20">
<li><strong>We voeren geen referendum in, ook niet correctief of adviserend, behalve op lokaal niveau voor kwesties die alleen dat lokale niveau betreffen. Daarvoor komen hoge drempels: de aanvraag voor zo’n lokaal referendum moet gesteund worden door tenminste 40% van kiesgerechtigde inwoners, en de uitslag is pas geldig bij een deelname van tenminste 50% van de stemgerechtigden.</strong> Directe democratie verdraagt zich slecht met vertegenwoordigende democratie. Ze dreigt gauw te ontaarden in een dictatuur van de meerderheid, waarbij de belangen en argumenten van de minderheid er niet toe doen. Directe democratie is zeer gevoelig gebleken voor eenzijdige informatie en opinievorming. Zie de ervaringen met recente referenda over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne en over de Europese Grondwet. Vertegenwoordigende democratie met evenredige vertegenwoordiging, een lage kiesdrempel en bescherming van rechten van politieke minderheden geeft meer kans op een betere weging van het publieke belang.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="21">
<li><strong>Wel voeren we een uitgebreider burgerinitiatiefregeling in. En <em>we</em></strong><em><strong> faciliteren via loting samengestelde burgerraden op lokaal niveau. Deze krijgen een adviesrecht aan gemeenteraden. </strong></em><strong>Burgerparticipatie bij totstandkoming van beleid wordt verder bevorderd. Daarvoor komt een speciaal ondersteunings- en innovatieprogramma en -budget. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="22">
<li><strong>We versterken de representatieve, gekozen democratie</strong> met:</li>
</ol>
<ul>
<li><strong>meer geld voor onderzoek en ondersteuning van volksvertegenwoordigers in ieder gekozen orgaan. </strong></li>
<li><strong>een veel betere vergoeding van hun werkzaamheden op lokaal en provinciaal niveau. </strong></li>
<li><strong>versterking van de positie van politieke partijen, met wettelijke eisen aan democratische organisatie en financiële transparantie. Private financiering van politieke partijen mag slechts zeer beperkt en moet volledig transparant plaatsvinden. Dat moet ook voor lokale partijen gelden. Partijen moeten leden hebben, die ook volledige zeggenschap hebben conform de regels voor een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid.</strong></li>
</ul>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="23">
<li><strong>De Tweede Kamer gaat in het bijzonder meer tijd besteden aan wetgevingsoverleg, teneinde de kwaliteit van wetgeving te verbeteren, en aan de verantwoording van de uitvoering. Grote wetgevingsprojecten krijgen rapporteurs en aparte wetgevingsoverleggen, verplicht in het Reglement van Orde. Over de uitvoering komen er tenminste per departement en bij grote, nieuwe projecten verplicht aparte uitvoeringsoverleggen, met onderzoek en hoorzittingen van cliënten en uitvoerders, en rapporteurs. En we voeren ook een adviesplicht en uitvoeringstoetsplicht in bij de (implementatie van) Europese richtlijnen, evenals rapporteurs in het parlementair proces.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="24">
<li><strong>We maken een einde aan de praktijk dat (delen van) door het parlement aanvaarde wetgeving geheel niet worden ingevoerd, door invoering van een uiterste termijn waarbinnen aangenomen wetgeving moet worden ingevoerd, met een periodieke meldingsplicht van nog niet ingevoerde regelingen aan het parlement. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="25">
<li><strong>Te vaak wordt nu begrotingsgeld uitgegeven terwijl er (nog) geen parlementaire goedkeuring en een wettelijke basis voor is. Dat wordt verboden en zelfs strafbaar gesteld. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="26">
<li><strong>De belangen van de minderheid in het parlement behoeven speciale aandacht van de Kamervoorzitter. Een derde van de Kamer kan de voorzitter overrulen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="27">
<li><strong>Er komt geen verzwaring van de kiesdrempel. Dat beperkt teveel een goede representatie. Er komt ook geen ander kiesstelsel. De evenredige vertegenwoordiging moet behouden blijven en binnen het bestaande kiesstelsel zijn er voldoende mogelijkheden voor regionale en andere diversiteit. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="28">
<li><strong>Er komt een scherp lobbyregister. Het nevenwerkzaamheden en neveninkomstenregister wordt veel sterker gehandhaafd, met boetes en bekendmaking bij overtredingen. We verscherpen het lobbyverbod voor oud-politici en maken overtredingen daarvan strafbaar. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="29">
<li><strong>De informatiepositie van volksvertegenwoordigers wordt versterkt, ambtelijke notities en verslagen mogen niet meer worden achtergehouden. De Rutte-doctrine wordt ingetrokken. Ambtenaren – ook van uitvoeringsorganisaties moeten rechtstreeks door Kamerleden benaderd en gehoord kunnen worden. Bij niet tijdig leveren van door het parlement gevraagde informatie door het parlement, krijgt het parlement bij beslissing van tenminste een derde van de leden van de betreffende Kamer het recht om de informatie in te laten vorderen door justitie.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="30">
<li><strong>De voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer treden op tegen seksuele en andere intimidatie in de Tweede Kamer, ook ten aanzien van personeel in de fracties. De positie van klagers wordt versterkt. De initiatiefwet voor verplichte vertrouwenspersonen van GL en PvdA moet ook gaan werken voor fracties in het parlement en de beide Kamers.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="31">
<li><strong>We voeren Grondwettelijke toetsing van wetten in, inclusief de sociale grondrechten. Dat vraagt nadere precisering van deze sociale grondrechten in de Grondwet. De gewone rechtbank, en in laatste instantie, de Hoge Raad, wordt bevoegd tot constitutionele toetsing. Er komt geen apart hof daarvoor.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="32">
<li><strong>We schrappen de aparte bestuursrechters en brengen dit onder bij de gewone rechter, met in laatste instantie de Hoge Raad als hoogste rechter</strong>, zoals dat nu ook al geldt bij fiscale zaken. Dat vergroot enorm de rechtsbescherming van de burger tegenover de overheid. De gewone rechter toetst ook het overheidshandelen inhoudelijk op de toe te passen rechtsbeginselen – geen omgekeerde bewijslast meer, zoals nu de praktijk is in het procesrecht bij het aparte bestuursrecht.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="33">
<li><strong>We maken het niet moeilijker voor burgers om wetten te toetsen door representativiteitseisen te stellen aan hun organisaties. We gaan nog een stap verder: we willen de eis van representativiteit helemaal wettelijk uitsluiten.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="34">
<li><strong>Om de Bermudadriehoek van onaantastbaarheid voor strafrechtelijke vervolging van overheden, hun bestuurders en ambtenaren af te schaffen, gaan we naast het invoeren van een toetsingsmogelijkheid van wetten aan de Grondwet, ook de procedure voor ambtsmisdrijven effectief maken en de zgn. Pikmeerarresten, op grond waarvan overheden niet vervolgd kunnen worden, gaan we via een wetswijziging gedeeltelijk ongedaan maken. </strong>Pas het forceren van een rechterlijke beslissing dat het Openbaar Ministerie moet onderzoeken of de NAM strafrechtelijk kan worden vervolgd bleek een echte gamechanger in het gasschandaal. In het Groningse gasgebouw gaat het om private gasbedrijven, weliswaar met stilzwijgende instemming van een afstandelijke overheid. In het kinderopvangtoeslagschandaal heeft de regering jarenlang tenminste 13 wetten overtreden. Daar is helemaal niemand voor vervolgd. Sommige mensen die het slachtoffer waren in het kinderopvangtoeslagschandaal, dat mede kon ontstaan door die langjarige overtreding van wetten, zijn wél veroordeeld. Het is de onrechtvaardigheid ten top, die enorm het cynisme en het wantrouwen tegen de overheid en de politiek voedt.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="35">
<li><strong>Kabinetsleden moeten voor hun benoeming ondervraagd gaan worden door de gezamenlijke Staten-Generaal op onder meer deskundigheid en integriteit. Zij behoeven ieder individueel een vertrouwensmeerderheid in de gezamenlijke Staten-Generaal.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="36">
<li><strong>De Eerste Kamer blijft bestaan, maar krijgt een terugzendrecht. De Eerste Kamer wordt in de toekomst iedere twee jaar voor de helft opnieuw gekozen door de leden van de Provinciale Staten. Daarmee worden regeringen gedwongen altijd een actuele, ruime meerderheid te vinden in het parlement. </strong>De Eerste Kamer is daarbij een politiek orgaan, dat zelf bepaalt hoe men besluit. Er is dus geen beperking tot de kwaliteit van wetgeving en uitvoerbaarheid. Wel kan de dialoog tussen regering en beide Kamers, en de wisselwerking daarbij tussen de Kamers, een kwaliteitsverhogende en draagvlak verbredende effect bevorderen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="37">
<li><strong>Gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen tussentijds door hen zelf of hun bestuur ontbonden worden voor tussentijdse verkiezingen. We voegen de taken en bevoegdheden van de waterschappen bij de provincies.</strong> Waterschappen zijn een vreemd element van functioneel bestuur, waardoor integrale beleidsafweging bemoeilijkt wordt, en nog steeds ondemocratisch, door de zgn. geborgde zetels voor onder meer boeren. De goede uitvoering van de taken die nu bij de waterschappen liggen wordt gebord door dit dwingend op te nemen in de Provinciewet en daar een periodieke nationale toetsing op te laten plaatsvinden, met aanwijzingsbevoegdheden van het Rijk.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="38">
<li><strong>De aparte waterschapsbelasting wordt daarbij afgeschaft. </strong>Zeker nu de tarieven sterk moeten stijgen worden die voor veel huishoudens een (te) zware last, waarbij vaak ook onvoldoende naar draagkracht wordt geheven en kwijtschelding te vaak niet mogelijk is voor de allerlaagste inkomens. Dit ondermijnt een eerlijke inkomens-en lastenverdeling. De waterschapstaken worden in het vervolg wettelijk via de provincies gefinancierd uit de totale Rijksbelastingen, ook die op kapitaal. Daarbij wordt wettelijk een toereikende financiering geborgd, met een aparte, geoormerkte financieringsstroom.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="39">
<li><strong>De bestuurskracht van kleine gemeenten wordt versterkt met meer geld en met het kunnen aantrekken van hoog genoeg geschoold personeel.</strong> Gemeentelijke fusies zijn veel te ver doorgeschoten – efficiency en bestuurskracht wogen zwaarder dan verbondenheid en gevoelde representatie. Initiatieven van onderop voor verkleining van gemeenten moeten we in beginsel gaan steunen, met betere facilitering.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="40">
<li><strong>Gemeenschappelijke regelingen tussen lagere overheden worden voorzien van een verplichte dualistische structuur zoals in gemeenteraden. De bestuurders en volksvertegenwoordigers in de organen van een gemeenschappelijke regeling worden gekozen door en uit de bestuursorganen die zij vertegenwoordigen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="41">
<li><strong>De burgemeester en de Commissaris van de Koning gaan openbaar gekozen worden door de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten. De kabinets(in)formateur wordt door de Tweede Kamer benoemd en ontslagen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="42">
<li><strong>De staatsrechtelijke rol van de Koning wordt ook in formele zin beperkt tot representatieve en extern vertegenwoordigende functies. De Grondwet wordt ontdaan van de suggestie dat wetten bij de gratie van een God verkondigd worden. Leden van Koninklijk Huis betalen gewoon belasting en hun inkomen wordt gebracht onder de maximum norm voor topbeloningen in de publieke sector. Van staatsvoorzieningen kan geen gebruik gemaakt worden voor privédoeleinden en paleizen en landgoederen zijn publiek bezit en worden zoveel mogelijk ook voor publiek toegankelijk (en niet beperkt voor privé jacht of wildbeheer).</strong> Dat is gewoon normaal en fatsoenlijk. De huidige regelingen zijn bizar onrechtvaardig en suggereert meer macht dan er feitelijk is en/of geoorloofd is bij een erfelijk ambt. Op termijn streven we naar afschaffing van de monarchie, bijv. bij het einde van de ambtstermijn van de huidige Koning.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="43">
<li><strong>We zetten in op verdere democratisering van de Europese Unie: </strong></li>
</ol>
<ul>
<li><strong>Er komt een aparte Europese Senaat met leden gekozen door en uit de leden van de nationale parlementen van de lidstaten. Deze zetelt in Straatsburg. </strong></li>
<li><strong>Het Europees Parlement wordt dan niet langer meer gekozen per lidstaat, maar op Europese lijsten van Europese partijen, en zetelt alleen in Brussel. </strong></li>
<li><strong>Het Europees Parlement kiest de voorzitter van de Europese Commissie, en moet akkoord gaan met de benoeming van de andere leden ervan, waarin niet langer iedere lidstaat vertegenwoordigd is. </strong></li>
<li><strong>De voorzitter van de Europese Raad van ministers moet met instemming van de Europese Senaat gekozen worden. </strong></li>
<li><strong>Het vetorecht wordt drastisch beperkt, meerderheidsbesluitvorming wordt de norm. </strong></li>
<li><strong>De bevoegdheden van Europees Parlement worden uitgebreid. </strong></li>
<li><strong>De controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering wordt versterkt met meer bevoegdheden van de Europese Rekenkamer. </strong></li>
<li><strong>De rechtspositie van de Europarlementariërs wordt gelijk ongeacht de lidstaat waar zij vandaan komen en substantieel versoberd. </strong></li>
<li><strong>Lidstaten die zich niet houden aan de handhaving van mensenrechten en/of de waarden en principes van de democratische rechtsstaat (zoals onafhankelijke rechtspraak en pers, vrijheid van vergadering, meningsuiting en demonstratie, onafhankelijke wetenschap) worden gekort op hun subsidies en, als dat niet helpt, hun stemrecht en vervolgens hun lidmaatschap ontnomen. Dat kunnen zij niet zelf vetoën. </strong></li>
</ul>
<p><u>Een menselijke, goede en deugdelijke overheid</u></p>
<ol start="44">
<li><strong>We bevorderen de beginselen van goed en deugdelijk bestuur. In 2009 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninklijkheidsrelaties (BZK) de beginselen van goed en deugdelijk bestuur vastgesteld: openheid en integriteit, participatie, behoorlijke contacten met burgers, doelgericht en doelmatig, legitimiteit, zelfreinigend en lerend vermogen, verantwoording, menselijke maat en proportionaliteit.</strong> In de praktijk blijkt dat bestuurders en ambtenaren die nauwelijks of niet toepassen in de dagelijkse praktijk. Het resultaat is een afnemend vertrouwen in de overheid. We zorgen voor een betere uitwerking, verankering en handhaving van deze beginselen overal in het openbaar bestuur, waarbij we leren van de recente ervaringen met en onderzoeken naar onder meer het toeslagenschandaal, fraudebeleid en dienstverlening, en het gasschandaal in Groningen en Drenthe.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="45">
<li><strong>Iedere regeling krijgt via de Algemene Bestuurswet automatisch, ook zonder expliciet beroep daarop, een hardheidsclausule, en de beslissende overheidsorganisatie moet altijd afwegen of een individuele beslissing niet onredelijk hard uitwerkt. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="46">
<li><strong>Voor het terugbrengen van onrecht komt op korte termijn een eenvoudige wet tot stand, waarin de gezamenlijke uitvoeringsinstellingen van de overheden een gemeenschappelijke functie instellen, de Kompaan, die de bevoegdheid krijgt om in meervoudige problematiek een definitieve eindbeslissing te nemen in de vorm van een vaststellingsovereenkomst op verzoek van een burger. De Kompaan maakt deel uit van de overheid, maar staat dus ook naast de burger. Deze wet bevat heldere criteria voor de ontvankelijkheid van het verzoek van een burger op het terrein van complexiteit, ernst en urgentie.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="47">
<li><strong>Uitgangspunt van beleid wordt om voortaan geen gedetailleerde wettelijke regelingen meer te maken voor vraagstukken die niet goed zijn te vangen in rekenregels, maar daar maatwerk gunnen aan competente beslissers. We gaan voortaan iedere regeling beschouwen als onderdeel van het stelsel, dus nooit meer uitsluitend op zichzelf. De rechten en daardoor ontstane aanspraken van burgers mogen nooit meer afhankelijk zijn van factoren waarop burger geen invloed kan uitoefenen. Sanctie-instrumentarium moeten voldoen aan proportionaliteitseisen. Overheden moeten zich gedragen als fatsoenlijke dienstverleners. Er komt een totaalprogramma voor vereenvoudigen van stelsels, zodat de complexiteit afneemt. Daarbij worden aanvaardbare relaties aangebracht in onderling verwante stelsels zoals fiscaliteit, heffingen en inkomensvoorzieningen als jeugdzorg en persoonlijke zorgbudgetten. We gaan de zelfreferentialiteit van de beroepspraktijken (juridisch, financieel economisch en ICT),</strong> <strong>aanzienlijk reduceren – niet de autonome regels vanuit de beroepspraktijk, maar de beoogde uitwerking op de burger staat centraal. Alle wetsvoorstellen worden voortaan hierop getoetst. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="48">
<li><strong>Communicatie van overheden naar burgers mag niet meer complexer zijn dan taalniveau B1.</strong> <strong>Op iedere brief of mail van de overheid aan burgers moet een telefoonnummer staan, loketfuncties met fysiek, persoonlijk contact worden fors uitgebreid en hersteld (met verplichte bereikbaarheidsnormen naar afstand en openingstijden en voor mensen met een beperking), en iedere overheidsbeslissing moet een duidelijke en simpele bezwaar- en beroepsprocedure vermelden. Die procedures moeten redelijke termijnen hebben voor de beslissing op bezwaar en beroep, en die termijnen moeten ook gehandhaafd worden. Iedere burger heeft daarbij recht op onafhankelijke bijstand en moet online zijn dossiers real time in kunnen zien. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="49">
<li><strong>Er komt een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="50">
<li><strong>We maken een betere regeling voor klokkenluiders – de definitie van een maatschappelijke misstand moet breder, de drempel om te melden moet omlaag en er moet een ruim fonds zijn om klokkenluiders schadeloos te stellen, waarbij het geld verhaald kan worden op de verantwoordelijken van de misstanden. Ook zzp-ers, stagiairs en vrijwilligers moeten beschermd worden, ook als zij geen vergoeding meer krijgen, en ook getuigen en onderzoekers.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="51">
<li><strong>We versterken het recht op openbaarheid, beter dan nu in de Wet op de openbare overheid. We maken het niet tijdig reageren op informatieverzoeken strafbaar, ook voor (politiek) bestuurders. De afwijzingsgronden voor openbaarheid moeten verder worden beperkt, evenals de geheimhoudingstermijnen. Alle rechterlijke uitspraken in kader van de WOO moeten direct gepubliceerd gaan worden. We moeten het niet verstrekken van informatie aan een lid van het parlement beperken tot die gevallen waarin de staatsveiligheid in het geding is, of waarin private belangen van personen of niet-natuurlijke rechtspersonen zo ernstig geschaad worden, dat de publieke belangen bij openbaarmaking aan een volksvertegenwoordiger en dus het recht op democratische controle daar onvermijdelijk voor moet wijken. Daarbij geldt een bewijs- en motiveringsplicht van de regering, die getoetst wordt door een Autoriteit Openbaarheid Bestuur. Deze nieuwe toezichthouder gaat ook toetsen bij beroepen op de WOO, en ook bij lagere overheden.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="52">
<li><strong>De positie van de Nationale Ombudsman en van de Kinderombudsman worden ook versterkt. Gemeenten en provincies sluiten zich aan bij een regionale onafhankelijke, bij wet ingestelde Regionale Ombudsman. Burgers krijgen meer rechtsbescherming tegen besluiten van gemeenten, maar procedures worden verkort en er wordt een eind gemaakt aan het eindeloos kunnen doorprocederen. Alle ombudsmannen krijgen het recht de Tweede Kamer te adresseren, waarna die daarover een debat moet houden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="53">
<li><strong>We hervormen de Algemene Bestuursdienst. We zetten zwaarder in op vakinhoudelijke deskundigheid. We dringen de circulatie op ambtelijke topfuncties terug. En we stellen dwingende beperkingen aan de inzet van consultants bij de overheden, die leiden tot ondermijning van de deskundigheid bij de overheden zelf en tot onnodig hoge beleidskosten. Bij beleids- en uitvoeringsambtenaren wordt ervaringskennis een belangrijk criterium. Zij moeten regelmatig zijn waar hun doelgroep verblijft en daarmee in gesprek zijn. Mensen met zgn. ‘<em>spreidstand’</em>-ervaring (ervaring in de wereld van hoger opgeleiden én in de wereld van de doelgroep krijgen voorkeur.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="54">
<li><strong>De plan- en onderzoeksbureaus van de overheid en het CBS worden wat betreft de wetenschappelijke pluriformiteit en onafhankelijkheid versterkt. Er komt een aparte onafhankelijke Uitvoeringskamer, die vooraf toetst of voorstellen voldoende uitvoerbaar zijn. De Algemene Rekenkamer krijgt de bevoegdheid om geen goedkeurende verklaring te geven. Deze kan worden overruled door een besluit van de gezamenlijke Eerste en Tweede Kamer. Er komen verplicht rekenkamers voor lagere overheden.</strong></li>
</ol>
<p><u>Betere bescherming tegen misdrijven en overtredingen en betere toegang tot het recht</u></p>
<p><em>De veiligheidssector zit verstopt. De rechtsstaat en de toegang tot het recht komen steeds meer in het geding. De hele rechtsketen dreigt door tekorten verstopt te raken. Extra banen en structuurverbeteringen moeten deze tekorten opheffen. </em></p>
<ol start="55">
<li><strong>We verbeteren de veiligheid, de toegang tot het recht en de werking van de rechtsketen. </strong><strong>We zorgen onder meer voor duizenden extra wijkagenten, extra rechercheurs, specialisten op bijv. bestrijding van cybercriminaliteit, meer rechtshulp en rechters, militairen, marechaussees, douaniers, cipiers, maar ook voor conducteurs, toezichthouders, wijkconciërges, en inspecteurs van toezichthouders (denk aan de Belastingdienst, de Arbeidsinspectie, de Privacy-waakhond, de Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspectie voor milieu en van landbouw, Omgevingsdiensten, etc.).</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="56">
<li><strong>En we verleggen de focus. Veel criminaliteit is nu drugsgerelateerd. In plaats van steeds meer inzet op repressie, dat aantoonbaar niet werkt, zetten we in op legalisering en regulering van in Nederland gecontroleerd geteelde en geproduceerde drugs.</strong> Die zijn alleen voor meerderjarige ingezetenen van ons land verkrijgbaar. Import- en export wordt bestreden, wat makkelijker is als er een legaal, betaalbaar en veilig alternatief is. Met informatie en voorlichting, vooral gericht op jongeren, en betaalde hulp bij afkicken wordt verslaving tegengegaan. Verkoop mag niet dichtbij scholen, kinderopvang, sportaccommodaties, jeugd- en buurtcentra en jeugdzorginstellingen plaatsvinden en alleen in gecertificeerde, gecontroleerde speciaalwinkels.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="57">
<li><strong>Maar ook meer in het algemeen zetten we minder eenzijdig in op strafrecht, en meer op preventie en reclassering. Harder (langer, zwaarder) straffen leidt zelden tot grotere veiligheid. We vergemakkelijken de mogelijkheid tot aangifte en staan slachtoffers beter bij. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="58">
<li><strong>We investeren fors in de wijkpolitie. Deze politie moet volop aanwezig en benaderbaar zijn in de wijken, met extra inzet in de wijken waar de onveiligheid en risico’s het grootst zijn. We stoppen met de concentratie van politiebureaus, en willen een politiebureau waar mensen terecht kunnen dichterbij waar mensen wonen, ook op het platteland. We investeren ook extra in de brandweer en de ambulancezorg opdat ze goed voorbereid zijn en snel kunnen arriveren. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="59">
<li><strong>We geven prioriteit aan aanpak van veelplegers, zeden- en levensdelicten, zware, georganiseerde criminaliteit, wapenbezit, milieucriminaliteit en grootschalige fraude/witwassen, de zgn. witte boorden-criminaliteit. Er komen speciale eenheden voor bestrijding van georganiseerde criminaliteit met speciale bevoegdheden. </strong>De toenemende, zeer zorgelijke verbinding van en infiltratie door de georganiseerde criminaliteit met de legale werelden van bedrijven, organisaties en overheden wordt als topprioriteit bestreden.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="60">
<li><strong>We bannen wapens, ook messen, veel meer uit, onder meer met meer verboden en meer en betere handhaving, waarbij wijkgericht en locatiegericht maatregelen en controles kunnen plaatsvinden.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="61">
<li><strong>We maken een speciaal actieprogramma gericht op voorkomen en bestrijden van de inzet van jongeren in georganiseerde criminaliteit.</strong> De inzet van steeds meer en steeds jongere minderjarigen bij steeds zwaarder geweld is zeer zorgwekkend en vraagt een geconcentreerde inzet van wijkpolitie, jongerenwerkers, jeugdzorg en onderwijs.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="62">
<li><strong>Daklozen, verslaafden, ‘verwarde personen’, mensen zonder verblijfsvergunning, worden niet meer achtervolgd met boetes en opsluitingen, maar begeleid, gericht op oplossing van hun problemen. Uiteraard moet daarbij de openbare veiligheid gegarandeerd worden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="63">
<li><strong>We investeren ook in de organisaties van veiligheid en justitie, scheidden justitie weer van de politie, en decentraliseren een deel van de aansturing van de nationale politie. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="64">
<li><strong>We dringen de inzet van boa’s (bijzondere opsporingsambtenaren) in plaats van volwaardige politie terug. Het geweldsmonopolie ligt bij de politie, nergens anders. </strong>De inzet van burgers die de veiligheid zelf helpen te bewaken in hun eigen wijk of dorp wordt strenger gereguleerd.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="65">
<li><strong>Racisme en discriminatie binnen de politie worden niet getolereerd. De politie moet, anders dan nu, een voorbeeld zijn van diversiteit en inclusiviteit, en geen broeinest zijn van extreemrechtse opvattingen – daar wordt op gescreend en gehandhaafd. We verbieden geen religieuze uitingen zoals hoofddoekjes. We bestrijden actief klassenjustitie, en verbieden van discriminerende opsporingsmethoden. Het stakings- en demonstratierecht wordt versterkt en gehandhaafd. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="66">
<li><strong>We ontlasten de rechtspraak door veel procedures niet meer in eerste instantie door de rechter te laten afdoen, zoals bij echtscheiding en schuldhulpverlening. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="67">
<li><strong>Inzet van politie voor openbare orde en veiligheid bij commerciële evenementen, waaronder commerciële sportevenementen, moet voortaan betaald worden. </strong>Vaak worden grote winsten en/of salarissen verdiend, en het gaat niet aan om de vaak problematische veiligheid daarbij af te wentelen op de belastingbetaler.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="68">
<li><strong>Supportersgeweld, inclusief discriminatie en racisme, gaan we veel strakker aanpakken, ook met veel hogere straffen. Gemaakte kosten, ook van inzet van politie en justitie, verhalen we op daders.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="69">
<li><strong>Bij de versterking van defensie zorgen we voor meer inzet op personeel, met een betere uitrusting, beloning en rechtspositie. De investeringen in defensie moeten fors worden verhoogd om aan de actuele bedreigingen en Europese ambities te voldoen. We streven naar veel meer Europese defensiesamenwerking en willen de afhankelijkheid van de VS aanzienlijk verminderen. Zie hiervoor de aparte paragraaf in dit programma. </strong></li>
</ol>
<p><u>Oplossen recente schandalen en betere preventie daarvan</u></p>
<ol start="70">
<li><strong>We gaan de slachtoffers van de schandalen van de kabinetten onder leiding van voormalig VVD-premier Rutte (toeslagen, Gronings gas, bijstand, IND/COA, Q-koorts, etc.) ruimschoots en snel compenseren. We schrappen alle bureaucratie en nemen daarbij voor lief dat er hier en daar teveel wordt uitgekeerd. </strong></li>
</ol>
<p><strong><u> </u></strong></p>
<ol start="71">
<li><strong>Voor de slachtoffers van het Toeslagenschandaal gaan we </strong><strong>de beoordeling in één dag te regelen, waarbij gedupeerden door een soort wasstraat gaan, en alle stappen in één dag doorlopen (voorstel Renske Leijten van de SP). Daarbij dient er een harde deadline gesteld te worden die bijv. stelt dat alle claims gehonoreerd worden die niet voor 2026 afgehandeld zijn</strong> – het kabinet koerst nu op 2030, of nog later, en dat is na het misdadig vernietigen van de levens van deze mensen echt onaanvaardbaar te lang. Voorts moet deze afhandeling geheel onafhankelijk van de Belastingdienst en het ministerie van Financiën plaatsvinden, door een aparte, publieke, onafhankelijke organisatie.</li>
</ol>
<p>Ieder slachtoffer dat zich gemeld heeft, en niet akkoord is met het standaard bedrag krijgt een gesprek met volledige inzage in zijn dossier, gratis goede rechtsbijstand en op de dag van het gesprek een besluit. We draaien de bewijslast om: de overheid moet bewijzen dat de schade niet gerelateerd was aan haar onrechtmatig en/of discriminerend handelen en/of haar handelen niet-onproportioneel was.</p>
<p>En de aangenomen motie van Marijnissen en Omtzigt uit mei 2022 moet alsnog worden uitgevoerd: een speciale procedure met een speciale rechtbank moet binnen 6 maanden – liefst sneller – duidelijkheid geven over herziening van een besluit tot uithuisplaatsing (of dat nu vrijwillig of gedwongen plaatsvindt maakt daarbij niet uit). Er komt een apart traject dat maximaal inzet op herstel van verhoudingen en ondersteuning van ouders en kinderen. Daarbij wordt wettelijk een uitzondering gemaakt op de reguliere termijnen die dat nu soms onmogelijk maken.</p>
<p><u> </u></p>
<ol start="72">
<li><strong>De Groningse regio dient ruimhartig compensatie te krijgen voor de economische schade en het gebruik als wingewest, conform de eisen van Groningen en Noord-Drenthe. Er komt een</strong><strong> Wet herstel Gronings cultuurlandschap naar analogie van voorheen de Wet Stedelijke Vernieuwing. De gaswinning wordt in deze regio op alle velden definitief en per direct beëindigd. </strong>De afhandeling van de schade moet veel sneller, waarbij strak gemonitord wordt of er snelle en goede afhandeling plaatsvindt, ook voor de grotere schades. Er worden extra maatregelen genomen om dit te borgen.</li>
</ol>
<p><u> </u></p>
<ol start="73">
<li><strong>We voeren snel het plan uit van Mariëtte Patijn ter oplossing van de schade van slachtoffers van fouten bij de uitvoering van de WIA bij het UWV. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="74">
<li><strong>Er komen parlementaire enquêtes naar het bijstandsschandaal en het asielopvangschandaal, en aparte voorstellen voor de slachtoffers van deze schandalen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="75">
<li><strong>Er komt aanvullend onderzoek naar de gevolgen van het niet optreden om de risico’s van Q-koorts en onvoldoende bescherming tegen Covid-19, met ook hier aparte procedures voor compensatie. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="76">
<li><strong>Waar mogelijk worden private partijen (zoals de NAM, geitenboeren, individuele de wet overtredende ambtenaren en bestuurders) aansprakelijk gesteld en strafrechtelijk vervolgd. Er moeten harde lessen geleerd worden, met publieke diepgravende onderzoeken. Met de slachtoffers stellen we ervaringspanels in, zowel ten behoeve van goede en snelle uitvoering, als voor toekomstige verbeteringen. Deze panels kunnen gevraagd en ongevraagd advies geven, ook aan het parlement.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="77">
<li><strong>De speciale wetgeving voor uitbraken zoals de covid-19 pandemie dient niet langer te duren dan nodig. In plaats van te sturen op belasting van de zorg en iedere keer dan snel de maatregelen weer te versoepelen, moet er gestuurd worden op zo min mogelijk besmettingen. </strong>Ook lichte besmettingen kunnen grote, langdurige gezondheidsproblemen veroorzaken (long-covid-19). Iedereen moet beschermd kunnen meedoen, juist ook degenen met de meeste risico’s (ouderen, chronisch zieken, etc.). Het is schandelijk dat sommigen hen als <em>‘dor hout’</em> kwalificeren wat opgeofferd mag worden vanwege economie en vrijheid voor anderen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="78">
<li><strong>Gelukkig is de vaccinatiebereidheid in ons land hoog. Doel moet zijn tenminste 95% van alle inwoners van 12 jaar en ouder gevaccineerd te krijgen, zo nodig met verleiding en zachte drang. Verplichting tot vaccinatie gaat te ver, maar toegang in onderwijs en kinderopvang kan wel geweigerd worden. Ook het verstrekken van voordelen aan gevaccineerden en ruimere, makkelijke toegang – bij horeca, evenementen, maar ook bij onderwijsinstellingen en kinderopvang, bij bezoek aan verpleeghuizen, etc. – zijn aanvaardbaar. Ruimere toegang kan controle impliceren op vaccinatie of een betrouwbare test en bij het ontbreken daarvan geen fysieke toegang (onderwijs dan op afstand). Als zou blijken dat gevaccineerden toch te besmettelijk zijn, dan moeten zij ook getest worden. Vaccinatie moet gratis blijven en laagdrempelig, en dat laatste vraagt extra inzet – ook meertalig – in wijken en groepen die minder vertrouwen hebben in de vaccins. Waar grote risico’s worden gelopen, bijv. in zorg of onderwijs, kunnen extra beschermingsmaatregelen gelden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="79">
<li><strong>Goed beschermingsmateriaal (FFP-maskers) wordt in Nederland gefabriceerd, met voldoende voorraad en gratis verstrekt. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="80">
<li><strong>Het testen moeten we bij toekomstige uitbraken publiek organiseren, niet meer privaat uitbesteden. De GGD’s krijgen daartoe meer financiële armslag. Ook de callcenters bij het vaccineren en contact- en brononderzoek moeten niet meer uitbesteed worden. Kwaliteit, bescherming privacy, effectiviteit staan voorop. De privatisering van het centraal laboratorium, waar vroeger door de overheid vaccins gemaakt konden worden en testen gecontroleerd konden worden, draaien we terug. Ook het contactonderzoek na besmetting organiseren we veel beter en publiek. </strong></li>
</ol>
<p><strong>De vrijblijvendheid moet er vanaf, evenals bij de quarantaineregels en de controle bij grensoverschrijding (luchthavens, havens, internationale treinen; bij autoverkeer vooral EU-buitengrenzen plus uit rode gebieden). Bij regionale uitbraak volgen er direct strenge maatregelen in die regio om verdere verspreiding te voorkomen. </strong></p>
<p><strong>We investeren in voldoende apparatuur, beschermingsmateriaal voor zorgverleners en IC-bedden, als ook in long-stayvoorzieningen. </strong></p>
<p> </p>
<ol start="81">
<li><strong>We vervangen de OMT adviesstructuur door een bredere advisering, met het Red-team als voorbeeld. Deze advisering is openbaar. We maken een einde aan informele besluitcircuits, zoals de Catshuisberaden. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="82">
<li><strong>We investeren in onderzoek naar Long-Covid, en naar behandelingen daartegen. Long-Covid wordt erkend als ziekte die toegang geeft tot inkomensregelingen bij arbeidsongeschiktheid. Werkenden die Long-Covid hebben opgelopen mede ten gevolge van onvoldoende bescherming op de werkplek krijgen een veel ruimere compensatie.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="83">
<li><strong>Bij regionale uitbraken en beperkingen kunnen economische steunmaatregelen ook regionaal verstrekt worden. Belastinguitstel leidt niet tot vrijstelling, maar er worden zo nodig wel ruime afbetalingsregelingen vastgesteld. Er wordt niet meer steun verstrekt aan bedrijven die flexwerkers ontslaan, die bonussen en dividend uitkeren en/of eigen aandelen opkopen (ook niet aan multinationals), die buitensporig hoge topbeloningen blijven verstrekken, en die niet aan duurzaamheidseisen voldoen. Bij grote steun, zoals aan KLM, verkrijgt de Staat meer bezit en zeggenschap. </strong></li>
</ol>
<p><u>Duurzame vrede en veiligheid door krachtig optreden tegen bedreigers daarvan</u></p>
<ol start="84">
<li><strong>We moeten ook internationaal de verbinding aangaan tegen fascistische en autoritair-agressieve regimes en organisaties, binnen én buiten de EU, in het bijzonder de coalitie van Rusland, China, Iran en Noord-Korea. Materieel zijn we nagenoeg in oorlog met Rusland, die onze democratische, vrije wereld rechtstreeks en onverholen bedreigd en met infiltratie, propaganda en sabotage actief in Europa opereert. Er is veel bewijs dat Rusland ook bewust fascistische organisaties en partijen financieel en anderszins ondersteunt. Rusland is verworden tot een Orwelliaanse fascistische dictatuur. De enige manier om de imperialistische ambities van Putin te beteugelen is hem beslissend te verslaan. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="85">
<li><strong>Daarbij kunnen we ons geen taboes veroorloven. Dat vraagt tenminste om een snelle opbouw van de Europese wapenindustrie en een soort oorlogseconomie, en een snelle versterking en integratie van de Europese defensie, voorbij de 3% bbp-norm. Die norm stellen we Europees; per lidstaat kan die gedifferentieerd worden.</strong> De EU moet ook <em>hard power</em> hebben, om juist ook onafhankelijk van de VS te kunnen opereren indien deze de vrede en veiligheid in Europa onvoldoende kan of wil beschermen, en onze eigen rol in de wereld te kunnen spelen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="86">
<li><strong>Het is tijd geworden om onze bakens te verzetten. We kunnen de VS niet meer vertrouwen als bondgenoot. Integendeel, ze verbinden zich met onze interne en externe vijanden. We zullen onze eigen kracht moeten versterken, en met ‘ons’ bedoelen we Europa. We moeten de EU versterken in een effectieve Verenigde Staten van Europa. Zonder veto’s, met een echte Europese regering zonder veto’s, economisch sterk en zelfstandig zonder strategisch belangrijke afhankelijkheden van grondstoffen, inlichtingen en militaire middelen, en <em>last but not least</em> met een Europees leger, eigen satellieten en inlichtingendienst en een eigen wapenindustrie, inclusief een eigen atoomparaplu zolang er nucleaire vijanden zijn. Onze technologie moet ook onafhankelijk zijn van niet-EU landen en veel beter beschermd worden tegen sabotage of chantage – denk aan opslagclouds en andere digitale verbindingen, kabels, pijpleidingen, etc. We maken daarnaast een EU-plus met Canada, Groenland en Mexico. Die komt ook ter beschikking van Noord-Afrikaanse landen, mits ze de democratische rechtsstaat in woord en daad praktiseren.</strong></li>
</ol>
<p>De herverkiezing van Trump en zijn optreden leert ons dat we ons niet meer blijvend kunnen vertrouwen op Amerikaanse steun en bescherming. Integendeel, de VS worden steeds meer een bedreiging voor ons en de vrije wereld: Groenland, Panama, Europa als geheel, Taiwan en anderen, en ook ons land als gastland van het Internationaal Strafhof worden rechtstreeks door Trump bedreigd, in strijd met de internationale rechtsorde.</p>
<p> </p>
<ol start="87">
<li><strong>We kopen wapens zoveel mogelijk in Europa, en laten de VS voelen dat zij zelf schade ondervinden als ze zich niet langer verbinden met Europa. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="88">
<li><strong>We zetten daarnaast in op een nieuwe, mondiale militaire verdragsorganisatie, waarin we ons verbinden met wel betrouwbare partners, met name ook in het mondiale Oosten en Zuiden bij de verdediging van onze inwoners, onze vrijheid en onze democratische rechtsorde. </strong>Die alliantie bestaat uit de NATO, zonder de VS als ze niet willen voldoen aan de criteria, en landen zoals Japan, Zuid-Korea, Taiwan, Australië, Nieuw-Zeeland, Uruguay en Chili, eventueel ook landen als India, Mexico en Brazilië, Zuid-Afrika en Senegal, en staat open voor landen die in woord en daad behoren tot de gemeenschap van democratische rechtsstaten. Lidstaten moeten het internationaal recht, de universele mensenrechten en het Internationaal Strafhof erkennen en de democratische rechtsstaat praktiseren – niet alleen democratische verkiezingen, maar ook bescherming van minderheden en klassieke grondrechten, onafhankelijke rechtspraak, media en wetenschap). We treden assertief op tegen maatregelen die tegen de EU gericht zijn, zonder daarbij onnodig de spanning te laten oplopen. De nieuwe alliantie heeft ook een atoomparaplu ter afschrikking, een eigen satellietnetwerk en (militaire) inlichtingennetwerk en handhaaft de onderlinge bijstandsverplichting bij een aanval van buiten op een lidstaat, ook als die aanval hybride oorlog is (infiltratie, sabotage, terrorisme, vijandige beïnvloeding, etc.). De inroeping van bijstand wordt zoveel mogelijk onafhankelijk van een politieke beslissing.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="89">
<li><strong>Tegelijkertijd leggen we de wapenexport aan strenge, wettelijke en gecontroleerde banden om te voorkomen dat wapens in verkeerde handen komen. Er wordt niet geleverd, ook niet via of als tussenperso(o)n(en), aan landen die in gewapende conflicten verwikkeld zijn of dreigen te worden in strijd met de internationale rechtsorde, of die met geweld de universele mensenrechten in het eigen land (dreigen) en/of de democratische rechtsstaat onderdrukken. We kopen ook geen wapens van landen of handelaars die hiermee te maken hebben. Dus ook niet van Israël. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="90">
<li><strong>We steunen onvoorwaardelijk de uitbreiding van de bewapening en bevoorrading van het Oekraïense leger, ook voor doelen in Rusland buiten de door Rusland bezette gebieden (zoals op bases waarvandaan aanvallen plaatsvinden en gecoördineerd worden en op voor Ruslands’ offensief cruciale infrastructuur). </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="91">
<li><strong>We bevorderen een uitbreiding van de sancties met een totaalverbod van handel en geldverkeer met Rusland en een betere handhaving, de overdracht aan Oekraïne van bevroren Russische tegoeden en bezittingen, en we steunen de inzet van militair personeel van NATO-landen achter de linies in Oekraïne en het instellen van no-fly-zones en niet-vaarzones in de hele Noordzee, Oostzee en Middellandse Zee voor Rusland en zijn bondgenoten. Zo nodig blokkeren we ook de Russische enclave Kaliningrad over land, zee en lucht. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="92">
<li><strong>We proberen de coalitie van landen die Oekraïne steunen verder uit te breiden en we sanctioneren landen die Rusland steunen en/of de sancties tegen Rusland en zijn bondgenoten ontwijken of ontduiken, ook als dat de VS is. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="93">
<li><strong>De enige manier om duurzame vrede in Oekraïne te verkrijgen is door Poetin’s Rusland te verslaan. Poetin moet begrijpen dat hij deze oorlog niet kan winnen. Alleen Oekraïne kan bepalen wat acceptabele vredesvoorwaarden zijn en stappen daar naartoe, wij scharen ons daar achter. Een rechtvaardige, duurzame vrede zou wat ons betreft in ieder geval de teruggave van alle bezette gebieden moeten bevatten, inclusief de Krim; uitwisseling van alle gevangen genomen inwoners, inclusief de tienduizenden door Rusland ontvoerde kinderen; berechting van oorlogsmisdadigers; een snel ingaand lidmaatschap van Oekraïne van de EU en de NATO (of de hiervoor bepleitte nieuwe alliantie), een afschrikkingsmacht aan de grens met Rusland en Belarus die voldoende middelen en mandaat heeft om de vrede te handhaven op de grond, in de lucht en op het water (waaraan ook wij bereid moeten zijn om een bijdrage te leveren); en een Marshall plan om Oekraïne te herstellen en verder te ontwikkelen als integraal deel van de Europese Unie, inclusief een Europees leger. Rusland moet zijn imperialistische ambities afzweren en zich committeren aan de internationale rechtsorde, inclusief het Internationaal Strafhof, en zich ontwikkelen tot een democratische rechtsstaat, met respect voor de universele rechten van de mens, inclusief die van nationale minderheden. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="94">
<li><strong>Het vrije, democratische westen moet zelf rode lijnen formuleren voor verdere agressie tegen Oekraïne en andere slachtoffers van het Russisch imperialisme, met het aangeven en zo nodig, uitvoeren van tegenmaatregelen bij het overschrijden daarvan. Niet Putin, maar wij moeten de grenzen stellen en handhaven. We stellen Rusland een ultimatum: indien Rusland niet stopt met het aanvallen van civiele doelen in Oekraïne en niet een wapenstilstand wil sluiten, en oorlogsmisdaden blijft plegen (onder meer door het ontvoeren en niet terugsturen van Oekraïense kinderen, het vermoorden, martelen en verkrachten van krijgsgevangenissen, dan moeten we een veilig luchtruim boven Oekraïne garanderen met inzet van tenminste Europese luchtmacht en luchtverdediging, inclusief troepen die dat bedienen, alle bevroren Russische tegoeden direct aanwenden voor steun aan Oekraïne, en alle financiële en andere transacties, handel en contact (ook sport en cultuur – met uitzondering van Russische dissidenten die zich uitspreken of strijden tegen de door Rusland gevoerde oorlog) verbieden. Schendingen daarvan door derden worden bestraft door sancties. Nederland zal deelname aan sport- en andere evenementen waaraan Russen mogen deelnemen strafbaar maken. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="95">
<li><strong>Vluchtelingen uit Oekraïne moeten hun huidige status in de EU behouden tenminste zolang de oorlog voortduurt. We verbeteren en vergroten de opvangfaciliteiten voor hen. Na afloop van de oorlog helpen we ze indien ze willen remigreren. Ze krijgen de mogelijkheid om ook hier te blijven door te naturaliseren zonder minimumtermijn van verblijf. Humanitaire hulp, hulp bij wederopbouw en hulp bij vervolging van oorlogsmisdaden moet ook voortgaan en uitgebreid worden. Bij een vrede moet Rusland herstelbetalingen financieren, in het bijzonder door de leden van het regime en de oligarchen die dat financieren; alle kinderen die uit Oekraïne ontvoerd zijn moeten terugkeren; de oorlogsmisdadigers waaronder Poetin zelf moeten vervolgd worden; en de grenzen van Oekraïne van voor 2014 (dus incl. de Krim en de Donbass) moeten hersteld worden.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="96">
<li><strong>We moeten ook het bewustzijn van de dreiging en de weerbaarheid daartegen bij onze bevolking vergroten. Er komt een speciaal programma voor meer reservisten, burgers krijgen allemaal gratis een overlevingspakket, er komt een voorlichtingscampagne en een wekelijks aparte persconferentie over de dreiging. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="97">
<li><strong>Aparte aandacht moet daarnaast gegeven worden aan het conflict in Israël en de Palestijnse gebieden, dat internationaal gemeenschappen intern verdeeld en zowel antisemitisme als islamofobie voedt – gesponsord door de alliantie van autoritaire regimes, met name Iran en Rusland. Beiden zijn uiteraard even onacceptabel en Verenigd Links moet het voortouw nemen in een coalitie die beiden bestrijdt en hun strijd verbindt, en dus zowel Hamas als de extreemrechtse coalitie in Israël bestrijdt, een einde maakt aan de bezetting van Gaza en de Westbank inclusief de illegale kolonies daar én aan de bedreiging van Israël en haar bevolking en aan de gijzeling van Joodse inwoners door Hamas en aan de bedreigingen vanuit Iran, Hezbollah, Hamas en de Houthi’s. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="98">
<li><strong>Ook in Israël en Palestina moeten we het initiatief nemen, en strijden voor een internationale vredesmacht , met deelname van Europa, die de vrede en veiligheid voor iedereen afdwingt en de menselijkheid en de mensenrechten laat terugkeren, en voor een duurzame tweestatenoplossing, ieder met zijn eigen, niet uitsluitende identiteit, wellicht in een verbindende confederatie – de enige vorm van een gebied dat strekt van de rivier de Jordaan tot de Middellandse Zee die acceptabel is. Het uithongeren van de bevolking in Gaza, het vernietigen van woningen, ziekenhuizen en scholen in Gaza en op de Westbank, het verjagen en uitmoorden van ongewapende Palestijnen en het vestigen van illegale nederzetting door Israëlische kolonisten op bezet gebied in Gaza en de Westbank moet direct worden gestaakt, evenals terroristische aanslagen van Palestijnse terreurorganisaties en hun bondgenoten in Israël. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="99">
<li><strong>Het extreemrechtse kabinet in Israël moet daarbij veel meer onder druk worden gezet, met sancties, het opschorten van het EU-associatieverdrag en uiteraard het stoppen van wapenleveranties. De wraak van Israël op de pogrom van Hamas is buiten iedere proportie en er worden ontelbare oorlogsmisdaden gepleegd. De zelfverdediging van Israël is legitiem maar niet proportioneel, en waarschijnlijk genocidaal. Het aanhoudingsbevel van Netanyahu en zijn berechting door het Internationaal Strafhof moet worden uitgevoerd. Het is hoog tijd om dit niet meer te accepteren en het geweld te laten staken met dwingende maatregelen. In eigen land moeten we de verbinding in de strijd tegen antisemitisme en islamofobie organiseren. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="100">
<li><strong>En, niet minder belangrijk, onze internationale politiek moet veel meer bijdragen aan preventie van conflicten en bevordering, of beter, het afdwingen van mondiale democratische rechtsstaat en duurzame ontwikkeling. Handelsverdragen moeten eerlijker, schending van mensenrechten moeten consequent gesanctioneerd, wapenhandel moet veiliger, duurzaam ontwikkelingsbeleid intensiever. Dat werkt het best in een EU die effectiever en democratischer is, zonder veto’s, als gidsregio en als relevante geopolitieke machtsfactor – economisch, diplomatiek en militair. Europa moet de eigen toekomst en veiligheid weer zelf in eigen handen nemen, en zelfbewust interveniëren waar dat nodig is. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="101">
<li><strong>We moeten als Nederland en EU veel meer actief zijn in de wereld, zeker in aangrenzende regio’s, om oorlog en vervolging tegen te gaan – met hard en soft power. Armoede, honger, uitbuiting, oorlog, onveiligheid, discriminatie, klimaat- en andere natuurrampen moeten we zoveel mogelijk uitbannen en voorkomen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="102">
<li><strong>We verdubbelen wettelijk het budget voor ontwikkelingssamenwerking naar tenminste 1,4% van het bbp en ontdoen het van vervuilende bestedingen (zoals migratie). We ontkoppelen ontwikkelingssamenwerking van eigen (handels-)belang en zorgen dat de middelen effectief besteed worden, door vooral samen te werken met lokale ngo’s. Handelsverdragen, nieuwe en bestaande, leggen we onder een Eerlijke Handel toets, evenals het industrie- en landbouwbeleid. De huidige CETA- en Mercosur-verdragen kunnen die toets der kritiek niet doorstaan. De mogelijkheden en kansen van arme landen zijn doorslaggevend voor het nieuwe beleid. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="103">
<li><strong>Corruptie en mensenrechtenschendingen accepteren we niet – er komt een nieuwe, assertieve diplomatie en buitenlands beleid. Illiberale en autoritaire regimes in Afrika, het Midden-Oosten en elders (buiten de eerder genoemde agressieve staten Rusland, China, Iran en Noord-Korea, onder meer Myanmar, Rwanda, Oeganda, Soedan, Eritrea en Venezuela) zullen we niet meer met fluwelen handschoenen behandelen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="104">
<li><strong>Lidstaten van de EU die niet de democratische rechtsstaat en universele mensenrechten garanderen (zoals nu met name Hongarije en Slowakije), worden uit deze organisaties gezet – desnoods door een nieuw verdrag zonder hen te organiseren. Daarvoor ontvangen ze geen subsidie meer en verliezen ze stemrecht. Op de lange termijn helpt geloofwaardigheid het beste om de universele mensenrechten en het internationaal recht te kunnen blijven handhaven. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="105">
<li><strong>Anderzijds zijn alle landen op het Europese subcontinent welkom bij de Europese Unie die de democratische rechtsstaat en alle regels van de Unie onderschrijven en implementeren. Daarbij hoort ruimhartige, maar wel gecontroleerde hulp om hieraan te voldoen. De toetredingsgesprekken en -programma’s met Turkije worden getopt zolang de democratische rechtsstaat niet hersteld wordt. Uiteindelijk moeten alle lidstaten ook de euro invoeren en de Schengen bepalingen implementeren. </strong>Dit zorgt voor eenduidig bestuur en normering en helpt bij democratische controle op Europees niveau door het Europees Parlement en het Europees Hof van Justitie.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="106">
<li><strong>Ook in de andere handelsrelaties scherpen we het beleid aan: democratische rechtsstaat en mensenrechten gaan boven de koopman. De onderdrukking van rechten van vrouwen en lhbti+ -ers, en van etnische of andere minderheden in een land wordt niet geaccepteerd. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="107">
<li><strong>We maken niet weer dezelfde fout als we deden met de Russische Federatie bij China. Zolang de onderdrukking van vrijheid en democratie daar doorgaat, en de dreiging voor agressie – nu vooral naar Taiwan en in de Zuid-Chinese Zee – doorgaat, beperken we de toegang van China tot de Europese markten, in het bijzonder bij gevoelige infrastructuur, waaronder universiteiten. We maken ons in de EU zoveel en zo snel mogelijk onafhankelijk van Chinese grondstoffen en goederen. We bevorderen dat de EU gezamenlijk Taiwan als een onafhankelijke natie erkent.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="108">
<li><strong>We financieren vanuit het rijke westen de aanpak van de klimaattransitie en klimaatadaptatie in het zuiden – wij hebben het grootste aandeel in de veroorzaking van de problemen, terwijl de rampzalige gevolgen vooral daar plaatsvinden. Ook zonder VN-verdrag daarover nemen we onze verantwoordelijkheid. We geven daarbij prioriteit aan de armste en meest bedreigde landen (Afrika, Bangla Desh, eilandstaten, etc.). </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="109">
<li><strong>Met zoveel mogelijk landen in Afrika en de Afrikaanse Unie sluiten we een speciaal ontwikkelingspact, waarbij ook de versterking van de democratische rechtsstaat &amp; respect voor de mensenrechten, vrede &amp; veiligheid en bestrijding van corruptie speerpunten zijn. Ook met landen in Zuid- en West-Azië maken we zo’n pact. Daarbij geven we ons ook rekenschap van onze koloniale ereschuld. Maar we maken onze hulp ook afhankelijk van het respecteren van genoemde speerpunten. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="110">
<li><strong>We treden militair assertiever op om conflicten en ernstige schendingen van mensenrechten en internationaal recht te beëindigen en te voorkomen, met name in de regio’s rondom Europa, waaronder Afrika en West- en Centraal Azië. We nemen geen eenzijdige stappen voor ontwapening, maar dwingen die tweezijdig af vanuit een positie van kracht.</strong></li>
</ol>
<p><u>Over migratie en integratie</u></p>
<p><em>Het (proto)fascistische kabinet ziet migratie als grootste probleem, en doelt dan vooral op asiel – vluchtelingen. Zij zijn de ideale zondebok, vaak met een andere cultuur, huidskleur en/of religie – vooral moslims zijn bij Wilders de kwaaie pier. Cynisch genoeg gebruikt hij vooral de Joden, de grootste slachtoffergroep van de fascisten in de vorige eeuw, om de bevolking tegen moslims op te zetten. Verontwaardigd beschuldigt hij, voluit gesteund door Yeşilgöz van de VVD en Van der Plas van de BBB, de moslims van gewelddadig antisemitisme en van ‘Jodenjacht’ en ‘pogroms’. </em></p>
<p><em>Dat zijn eigen achterban, zoals het tuig in de voetbalhooligans in bijvoorbeeld Den Haag, al decennia exact hetzelfde gedrag vertonen, laat hij onbenoemd. De hypocrisie wordt nog verder duidelijk als we de voor groepsbelediging en aanzetten tot discriminatie veroordeelde Wilders zien staan op het internationale podium met zijn extreemrechtse, antisemitische vrienden – van de antisemitische Orban, de tot deportatie van migranten oproepende Trump, de Oostenrijkse FPÖ met hen SS-liederen, de aanstichter van het geweld tegen migranten in Engeland, Tommy Robinson, de AFD die in Duitsland steeds meer gerelateerd wordt aan gewelddadige voorbereidingen van staatsgrepen om de democratische rechtsstaat af te schaffen, Marie Le Pen in Frankrijk, die pas veroordeeld is voor misbruik van EU-gelden, het al in 2004 voor racisme veroordeelde Vlaams Blok, en de door het Internationaal Gerechtshof gezochte Russische oorlogsmisdadiger Putin van wie Wilders een speldje kreeg als “Vriend van Rusland’ tot aan het misdadig bewind van Israël, die de Palestijnen uitmoordt in de door hen bezette gebieden. </em></p>
<p><em>Migratie gebeurt om verschillende motieven: werk, studie, liefde, vluchten voor gevaar bij geweld, rampen, onderdrukking of honger en gebrek. Naar een ander land verhuizen is een ingrijpende beslissing, die mensen niet licht nemen. Met zulke sterke motieven heeft het weinig zin en is het vaak schrijnend om mensen niet toe te laten. Het steeds moeilijker maken van de toegang tot ons land werkt daarom niet – de misstanden bij pogingen om toch binnen te komen worden alleen groter en er vallen steeds meer slachtoffers. </em></p>
<p><em>Met onze vergrijzing hebben we steeds grotere arbeidstekorten – migratie geeft daarbij een deel van de oplossing, en is daarom niet bedreigend, maar juist een kans. Onze geschiedenis laat bij uitstek zien dat de impuls van nieuwe migranten ons vooral steeds verder gebracht heeft in onze ontwikkeling. Mits we het goed organiseren, kunnen we dat prima aan. Met goede scholing en arbeidservaring, en niet het risico lopen van gesloten grenzen na remigratie, kan migratie ook een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van de landen van herkomst, na terugkeer van een deel van de migranten. </em></p>
<p><em>Dat neemt niet weg dat er wel degelijk problemen zijn met hoe we nu migratie en integratie organiseren. De arbeidsmigratie binnen de EU heeft een aantal andere problemen blootgelegd. Niet alleen dat een deel van de werkgevers en uitzendbedrijven hen stelselmatig uitbuiten, maar ook dat het heeft gezorgd voor een type werk dat wordt gekenmerkt door slechte betaling, extreme flexibiliteit en beroerde arbeidsvoorwaarden. Dat geldt bovendien voor economische bedrijvigheid waarvan we ons kunnen afvragen of we die nog wel moeten willen (glastuinbouw, bezorgdiensten), maar ook voor werk dat wordt gedaan door wat SP’er Ron Meijer de ‘onmisbaren’ noemt. Goede voorbeelden zijn de zorg, de schoonmaakbranche en de bevrachters op Schiphol. Dit is dan ook het moment om werkgevers meer onder druk te zetten. Laat ze werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt beter betalen en arbeidsvoorwaarden verbeteren, zodat mensen die nu nog aan de kant staan een fatsoenlijke baan kunnen krijgen. </em></p>
<p><em>Bedrijvigheid die alleen kan bestaan dankzij te lage lonen, onzekere arbeidscontracten en uitbuiting van migranten, kunnen we missen als kiespijn. Het Nederlandse verdienmodel is gebaseerd op lage lonenarbeid, flexwerk, uitbuiting en vervuiling, in plaats van op een hoogwaardige kenniseconomie met werkelijk toegevoegde waarde en breed maatschappelijk welzijn. Daar grip op krijgen is de enige effectieve manier om grip te krijgen op migratie, zoals erkende deskundigen als Leo Lucassen<strong>[1]</strong> en Hein de Haas<strong>[1]</strong> niet moe worden te herhalen. </em></p>
<p><em><u>Mythen over migratie</u></em></p>
<p><em>Hein de Haas is hoogleraar sociologie, en geograaf, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, en buitengewoon hoogleraar migratie en ontwikkeling aan de Universiteit Maastricht, en deed 30 jaar onderzoek naar migratie, en dat in verschillende landen. Tussen 2006 en 2015 was hij bovendien onderzoeker aan en mededirecteur van het International Migration Institute aan de universiteit van Oxford. De Haas is scherp: het beleid is een deel van het probleem, contraproductief. Omdat trends, oorzaken en gevolgen van immigratie telkens weer domweg genegeerd worden. Zelfs meestal bewust. De burger wordt voorgelogen, aldus De Haas. Maar niet alleen door politici. Ook bedrijfslobby’s, vakbonden, internationale hulporganisaties durven nogal eens de aandacht afleiden van de echte oorzaken, elk heeft zo zijn eigen beweegredenen. De auteur is voor correct taalgebruik, daarom viseert hij het onmiskenbaar misplaatst woordgebruik, zoals ‘gelukszoekers’, ‘overspoelen’ en ‘tsunami’. De Haas wil het debat aanzwengelen met zijn bestseller, ‘Hoe migratie echt werkt’, een correct debat welteverstaan. In 520 pagina’s gaat De Haas 22 hardnekkige mythen over migratie, vluchtelingenstromen en asielzoekers te lijf, en laat zo zien dat op simplistische argumenten voor of tegen migratie veel valt af te dingen. De mythes heeft hij verdeeld over drie delen: het eerste deel gaat over de trends in mondiale migratiepatronen, het tweede behandelt de impact die migratie heeft op de landen van herkomst en aankomst. Het laatste deel verheldert de doelbewuste strategieën die door politici, belangengroepen en organisaties gebruikt worden om de waarheid over immigratie te vervormen.</em></p>
<p><em>Sinds het boek in september 2023 verscheen, voert het ondanks zijn ruim vijfhonderd pagina’s menig top 10-lijstje van bestverkochte boeken aan. Onlangs kwam in Nederland de twaalfde druk uit. Ook in het buitenland is de interesse groot. Het werd oorspronkelijk in het Engels uitgegeven. Inmiddels is het vertaald in het Nederlands, het Duits, er is een Amerikaanse editie, en er zijn vertalingen in het Italiaans, Frans, Portugees, Grieks, Spaans en Koreaans. Hij reist nu met zijn boodschap stad en land af – hij sprak op een VN-migratieconferentie, schuift aan bij talkshows, geeft lezingen, media-interviews, gastcolleges en praat achter de schermen met zowel linkse als rechtse politici.</em></p>
<p><em>‘Een substantieel deel van de politiek is vastgedraaid in haar eigen migratieleugens’, zegt De Haas. ‘En komt daar ook niet meer uit.’ Hij beschrijft in zijn inleiding hoe beleidsmakers regelmatig na afloop van een lezing enthousiast naar hem toekomen, maar dan daarna zeggen dat ze zijn advies nooit in praktijk zullen brengen omdat dat politieke zelfmoord zou zijn. Daarom besloot hij een boek te schrijven dat toegankelijk is voor niet-academici, om burgers de informatie en kennis te verschaffen zodat ze zelf ‘de misinformatie van politici en de propaganda rond dit onderwerp door kunnen prikken’.</em></p>
<p><em>Ook tijdens de laatste verkiezingen speelden die migratiemythen een grote rol. ‘De VVD heeft in haar eigen voet geschoten door de campagne in te zetten op asiel en vervolgens de deur open te zetten naar de PVV’, zegt De Haas. ‘Dat ze daar niet voor zijn beloond, is het enige positieve nieuws van die avond.’ Depressief werd hij niet, eerder strijdvaardiger. Volgens de hoogleraar is het moment gekomen voor een omslag. ‘Ik denk dat het migratiedebat zoals het gevoerd is in sommige media al een stap vooruit heeft gezet. Dat is natuurlijk wat anders dan wat er aan de informatietafel gebeurt. Ik vrees dat het intellectuele niveau daar niet erg hoog is. Maar verandering begint met een bewustwording onder een breder publiek.’ Veel retoriek wordt ondertussen voor waar aangenomen. ‘Het woord massa-immigratie hoor ik journalisten regelmatig onkritisch in de mond nemen. In debatten wordt vaak uitgegaan van de veronderstelling dat immigratie uit de hand loopt. In die zin is het frame overgenomen. En dat praat mensen onterechte angst aan. Ze maken zich ongerust, hebben het gevoel dat ze worden bedreigd door vluchtelingen. Dus die kloof tussen de invasieretoriek en de werkelijkheid wordt alsmaar groter. Mijn vrees is dat we de rechtsstaat gaan afbreken met het excuus dat we migranten gaan tegenhouden. Daar zit het uiteindelijke gevaar voor de democratie. Dat migratie het voorwendsel wordt.’</em></p>
<p><em>De Haas noemt dit het migratietrilemma: ‘Je kunt niet én een democratische rechtsstaat, die basisrechten van migranten verdedigt, hebben, én een open welvarende economie, die arbeidskrachten nodig heeft, zijn, én veel minder immigratie willen. Eén van de drie moet gaan.’ In andere Europese landen wordt al aan die rechtsstaat getornd, met Hongarije onder leiding van premier Viktor Orbán voorop. ‘Het is totaal hypocriet. Als je kijkt naar de realiteit in Hongarije, waar Orbán steeds meer arbeidsimmigranten van buiten de EU aantrekt, alleen doet hij dat stilletjes, terwijl hij voor de bühne roept dat hij geen migranten wil.’ Wat dat betreft schrikt De Haas wel van de bereidheid te onderhandelen met de PVV. ‘In het verkiezingsprogramma worden basale rechtstatelijke beginselen over de schutting gegooid, dat moet je heel serieus nemen.’</em></p>
<p><em>Mensen worden voor de gek gehouden. ‘En dat is niet meer vol te houden, want de ergernis over dingen die niet goed gaan, is volkomen terecht. Gezondheidszorg, ouderenzorg, bestaanszekerheid, fatsoenlijk werk, betaalbare huisvesting en een overheid die vaak geen oog heeft voor de problemen van gewone mensen. Dat zijn fundamentele bestaanskwesties.’ Deze problemen los je niet op met een migratiestop, is de overtuiging van De Haas. ‘Politici gebruiken migranten en vluchtelingen als zondebok. Dat is een succesvolle politieke strategie gebleken. Het leidt de aandacht af van economische of politieke oorzaken van ongenoegen en het verhult dat die problemen zijn veroorzaakt door hun beleid of nalatigheid. Zoals de overlast en ergernis in buurten waar arbeidsmigranten in overbevolkte huurwoningen worden gestopt, uitgebuit door huisjesmelkers en werkgevers.’</em></p>
<p><em>‘Rallying around the flag’, noemt De Haas het. ‘Als de legitimiteit in gevaar komt, gaan machthebbers vaak oorlog voeren óf er wordt een migratiedreiging of -invasie verzonnen. Zo creëer je een gemeenschappelijke vijand. Extreem-rechts voegt daaraan toe dat de maatschappij niet alleen van buitenaf wordt bedreigd, maar ook van binnenuit door migranten wordt ondermijnd, waarmee vooral op moslims gedoeld wordt. Het is een variant op de oude theorie van de wereldsamenzwering van joden. De grote vervangingstheorie of omvolkingstheorie komt dicht bij dat soort ideeën. Ik hoop en ik geloof uiteindelijk ook niet, dat in Nederland middenpartijen daarin mee zullen gaan. Maar je moet wel waakzaam zijn. Je moet niet denken: o, dat zeggen ze alleen maar. Want het is vaak gebleken dat extreemrechtse politici proberen uit te voeren wat ze willen.’</em></p>
<p><em>Angst voor migranten, of wantrouwens jegens hen, heeft altijd bestaan. ‘In het Parijs van de negentiende eeuw was men bang voor mensen uit Bretagne omdat ze geen Frans spraken. Max Weber waarschuwde dat Poolse migranten een “lager staand ras” waren. Een collega van mij, Saskia Bonjour, heeft laten zien hoe in beleidskringen in Nederland in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw werd gepraat over Italiaanse en Spaanse gastarbeiders, die niet goed in de Nederlandse cultuur zouden passen. Je kunt er vergif op innemen dat we het over twintig jaar niet meer over Turken en Marokkanen hebben. Je ziet dat eigenlijk al minder worden. Dan hebben we het over andere groepen. Dat is aan de ene kant een reden voor pessimisme, maar ook voor relativering.’</em></p>
<p><em>De urgentie is voor hem sinds de verkiezingen alleen maar groter geworden. ‘De enige oplossing is een overtuigend tegen-narratief. Dat is mijn motivatie geweest om dit boek te schrijven. Niet dat ik het definitieve antwoord heb, maar ik heb wel heel veel feiten. Daarom is het boek ook zo dik.’ De Haas had dit gewicht aan data, inclusief een heel notenapparaat, voor zijn gevoel nodig om tegen het dominante narratief in te kunnen gaan. ‘Ik wil duidelijk maken dat ik dit niet gisteren heb verzonnen, dat het geen mening is. Het vat een eeuw migratiewetenschap samen. Ik laat aan de hand van data aan politici zien: jullie migratiebeleid werkt niet. Het werkt zelfs contraproductief. Het stopt migratie niet, het lokt permanente vestiging uit, het lokt smokkel uit, het lokt mensenhandel uit, het lokt exploitatie van arbeidsmigranten uit, het lokt problemen in arme wijken uit. Het beleid is niet de oplossing maar de oorzaak van veel problemen. En dat moet duidelijk worden.’ Hij besefte bovendien dat het niet alleen om de feiten ging, maar ook om de framing, dat hij als onderzoeker de taak had de feiten in te bedden in een breder verhaal. Het debat is, vindt hij, vaak verengd tot wie is vóór en wie is tegen immigratie. ‘Dat is net zoiets als voor of tegen de economie zijn’, schrijft hij. ‘Migratie is van alle tijden, het is een normaal proces, een intrinsiek onderdeel van onze samenlevingen.’</em></p>
<p><em>Opvallend is dat er geen empirische link is tussen het succes van het extreemrechtse vertoog en het niveau van migratie. ‘Wilders vierde zijn eerste verkiezingswinst in een tijd dat Nederland een negatief migratiesaldo had. Het ligt niet primair aan de aantallen, maar aan de beleefde problematiek. En die beleefde problematiek wordt heel erg opgeklopt. Dat in Ter Apel mensen buiten moeten slapen, wordt veralgemeniseerd voor het hele land en geframed als vluchtelingencrisis. Terwijl we alleen een opvangcrisis hebben.’</em></p>
<p><em>Met zijn boek wil de auteur vooreerst door middel van de feiten logenstraffen dat mondiale migratie toeneemt. Zo’n 84% woont in zijn geboorteplaats, 13% migreert in het binnenland. Slechts 3 procent van de wereldbevolking migreert naar het buitenland, 0,3 procent zijn vluchtelingen. Er is dus geen wereldwijde migratiecrisis, concludeert de Haas. Politieke &#8211; de waarheid versluierende &#8211; retoriek en uitvoerige, sensatiebeluste mediaberichtgeving blaast de ware omvang van illegale migratie op. Immigratie overkomt ons niet, het is grotendeels een gevolg van het actieve streven en de bewuste keuze van overheden en bedrijven om arbeidsmigranten te werven. Ondertussen profileren politici zich als sterke leiders door illegale migratie als een enorme bedreiging te schetsen.</em></p>
<p><em>‘Eigenlijk zijn de meeste hedendaagse migratiedebatten helemaal geen debatten,’ schrijft hij in zijn boek. ‘Wat je erin terughoort, zijn vrijwel uitsluitend meningen of staaltjes wensdenken en bijna nooit een op feiten gestoelde redenering.’ PVV-leider Geert Wilders voert al jaren het hoogste woord. ‘Ze vreten ons land kaal en pakken onze huizen, onze zorg en ons geld. Nog meer islam. Nog meer ellende. Omdat het kabinet onze grenzen voor gelukszoekers weigert te sluiten.’  Die uitspraak, op oudejaarsdag 2022 op Twitter, het huidige X, ging vergezeld van een artikel in De Telegraaf, over de piek in asielaanvragen in dat jaar. Die was voor het grootste deel te danken aan Oekraïners die ons land na het begin van de oorlog binnenstroomden, niet aan vluchtelingen met een islamitische achtergrond van wie er enkelen zichtbaar waren op de foto bij het krantenartikel. Dat migranten banen inpikken, lonen drukken en de verzorgingsstaat ondermijnen, zijn mythen waarmee De Haas resoluut afrekent. Van een ‘asieltsunami’, waar Wilders al jaren over spreekt, is geheel geen sprake. Het is de eerste mythe die hij in zijn boek fileert. Los van de pieken die de Syrische crisis en de oorlog in Oekraïne veroorzaakten, is het aandeel asiel in de totale migratie al decennia constant, vertelt De Haas. In de jaren ’90 vormde asiel 30 tot 50 procent van de immigratie naar Nederland. De aantallen zijn sinds die tijd niet echt toegenomen. Als je de pieken en dalen eruit haalt en een trendlijn zou tekenen, zie je dat die tamelijk vlak loopt. Het aantal asielzoekers in de totale immigratie is inmiddels afgenomen naar zo’n 10 procent. De asielinstroom gaat in Nederland sinds de jaren ’90 als een pingpongballetje op en neer, maar er is geen structurele toename. Er is geen stijgende trend. Toch is er geen journalist die een politicus hierop corrigeert. Politici corrigeren elkaar ook niet meer. Dat doen politici sowieso al niet op het migratiethema. Vrijwel iedereen zit in hetzelfde frame.</em></p>
<p><em>‘De huidige aantallen zijn ongeveer vergelijkbaar met die van de jaren negentig, ten tijde van de Joegoslavië-oorlog. Het is geen stijgende trend, het gaat met pieken en dalen, en die realiteit moet eindelijk eens erkend worden. Want je kunt er alleen maar mee omgaan als je het asielsysteem zo inricht dat je een buffercapaciteit hebt. Dan voorkom je ook kapitaalvernietiging als je asielzoekerscentra sluit, die later weer opgezet moeten worden. En menselijke expertise die je kwijtraakt. De politiek struikelt “van asielcrisis naar asielcrisis”. Politici dragen keer op keer dezelfde oplossingen aan, die niet gewerkt hebben de afgelopen dertig jaar. En daarvan zeg ik: waarom denk je dat het nu dan wel werkt?’ </em></p>
<p><em>Ondertussen zorgen de lange wachttijden ‘voor heel veel leed’, gaat De Haas verder. ‘Ik denk dat je heel kritisch kunt zijn op de grootschalige opvang van het COA [Centraal Orgaan opvang asielzoekers]. Die leidt vaak tot verzet. Kleinschalige opvang is iets duurder maar leidt tot een veel hogere sociale acceptatie. Als kleine groepen vluchtelingen zich vestigen in kleine gemeenschappen, gaat dat vaak juist opvallend goed.’ </em></p>
<p><em>Daarmee komt hij meteen op een van de mythes in zijn boek: het is niet zo dat de publieke opinie zich tegen migratie heeft gekeerd. ‘De meeste mensen hebben gemengde opinies over migratie. De grote meerderheid vindt dat echte vluchtelingen opvang verdienen. Tegelijkertijd maken ze zich zorgen over de toestanden aan de Europese buitengrenzen en problemen in wijken waar veel arbeidsmigranten en asielzoekers wonen.’  </em></p>
<p><em>Nog een mythe: immigratie doet de criminaliteit stijgen. Nee, zegt De Haas. ‘Gewelddadige criminaliteit neemt af in bijna de hele westerse wereld. Daarnaast laten onderzoeken zien dat migranten gemiddeld gezien juist minder crimineel zijn. Dat komt doordat eerstegeneratiemigranten vaak mensen zijn die een nieuwe toekomst willen opbouwen. Er is zeker sprake van overrepresentatie van bepaalde groepen in criminaliteitsstatistieken, maar dit is naast etnische profilering vooral een verhaal van sommige leden van de tweede generatie die geen toekomstperspectieven hebben.’</em></p>
<p><em>En dan hebben we de hardnekkigste mythe nog niet eens gehad: we leven in tijden van ongekende massamigratie. ‘Dat klopt niet’, zegt De Haas. ‘Ja, er zijn meer migranten, maar de bevolking is ook gegroeid. Ongeveer 3 procent van de wereldbevolking is internationaal migrant, en slechts 0,3 procent vluchteling of asielzoeker. Die cijfers zijn al decennialang redelijk stabiel. We zien dus géén explosieve toename van migratie.’</em></p>
<p><em>De hoogleraar ziet dat ngo’s en internationale organisaties vaak niet zuiver omgaan met cijfers, waardoor het lijkt alsof de toename van vluchtelingen veel groter is dan die in werkelijkheid is. Zo publiceerde VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR cijfers over een toename van het aantal vluchtelingen tot wel 100 miljoen mensen in 2022. ‘Uit mijn onderzoek bleek dat de UNHCR de laatste jaren rond de 62 miljoen binnenlands ontheemden bij de 25 tot 30 miljoen vluchtelingen is gaan optellen en steeds meer landen meerekent. Maar dat is natuurlijk appels met peren vergelijken.’  Daar komt bij dat er tegenwoordig stemmen opgaan om het VN-Vluchtelingenverdrag aan te passen of zelfs helemaal op te heffen. ‘Dat vind ik heel gevaarlijk. Het argument is dan dat er zo veel vluchtelingen zijn tegenwoordig, dat we het niet meer aankunnen. Terwijl dat evident niet waar is. In de directe nasleep van de Tweede Wereldoorlog waren er naar schatting zo’n 175 miljoen ontheemden. In absolute aantallen waren dat er dus veel meer dan nu. Niet eens relatief!’ </em></p>
<p><em>De echte, structurele toename zit ’m in de arbeidsmigratie. En ja, daar zit het pijnpunt ook, want we hebben nu eenmaal een ontzettend flexibele arbeidsmarkt gecreëerd, die per definitie heel veel vraag naar buitenlandse arbeidskrachten genereert. Het zijn zomaar een paar feiten die in de debatten voor de verkiezingen niet aan de orde werden gesteld. Ook de gezinsmigratie, die de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen in haar in januari 2024 gepubliceerde aanmerkt als grootste factor in de immigratie, ‘is vaak een indirect gevolg of een bijproduct van arbeidsmigratie, waarbij partners en kinderen arbeidskrachten volgen,’ schrijft De Haas in zijn boek.</em></p>
<p><em>Het eerlijke verhaal gaat volgens De Haas over de arbeidsvraag in Europa. ‘Dat is een soort olifant in de kamer, een publiek geheim’, zegt hij. ‘De voornaamste reden dat Nederland, net als andere West-Europese landen, substantieel toenemende immigratie kent de laatste decennia, is de toenemende arbeidsvraag.’  De meeste migranten zijn namelijk arbeidsmigranten. Verder komen er onder anderen studenten en familieleden die zich bij hun partner voegen. ‘Het gaat echt niet alleen maar om zielige mensen op bootjes. Negen van de tien Afrikanen komen legaal naar Europa.’ </em></p>
<p><em>‘De beste manier om migratie te stoppen’, zegt hij regelmatig in interviews, ‘is de economie om zeep brengen. Want als er één ding is dat migranten aantrekt, zo blijkt uit tal van onderzoeken, dan zijn het banen. Dat is de enige echte pull-factor. Nederland heeft, net als andere Europese landen, arbeidsmigranten nodig voor de economie.’ Het aantal arbeidsmigranten in Nederland is de afgelopen vijftien jaar dan ook verviervoudigd. ‘Dat zie je in heel Europa.’</em></p>
<p><em>Volgens De Haas zijn het vaak dezelfde politici die oproepen tot het tegenhouden van asielzoekers, die vervolgens de deuren openzetten voor arbeidsmigranten. Hij geeft een voorbeeld. ‘Ongeveer twee derde van de arbeidsmigranten komt van binnen de EU. In het Verenigd Koninkrijk hebben ze daarom gezegd: we gaan uit de Unie. Maar het VK heeft recordimmigratie gekend de laatste jaren. Waarom? Omdat de Brexit wel vrije mobiliteit vanuit Europa afschafte, maar niet de arbeidsvraag.’ Ná de Brexit begonnen werkgevers moord en brand te schreeuwen, legt hij uit. De schappen waren leeg, er waren geen vrachtwagenchauffeurs meer, geen tomatenplukkers. ‘Men is als de wiedeweerga Oost-Europeanen gaan invliegen. En mensen die eerst heen en weer reisden, gingen nu niet meer weg.’ </em></p>
<p><em>Volgens De Haas was de val van het kabinet-Rutte IV ‘een klassieke afleidingsmanoeuvre’. ‘Je weet natuurlijk nooit zeker wat de ware motieven van politici zijn, maar het is buitengewoon plausibel. Toen het kabinet viel, werd bij de instroomcijfers van het voorgaande jaar gelijk dat getal genoemd: 400.000. Dat was heel gelukkig getimed omdat we juist in 2022 een exceptioneel hoge immigratie hadden met al die Oekraïense vluchtelingen. En er werd niet bij vermeld dat in datzelfde jaar 179.000 mensen Nederland verlieten. Dat levert nog steeds een uitzonderlijk hoog migratiesaldo op, maar op die manier werden de cijfers bewust aangedikt. Daarnaast werd ook de al veel langer spelende crisis in de opvang van asielzoekers zichtbaarder. Dit is een grotendeels zelfgecreëerd probleem, omdat we na de Syrië-crisis de opvangcapaciteit veel te veel hebben afgebouwd.&#8217; </em></p>
<p><em>‘Migratie als afleidingsmanoeuvre, als zondebok, om de aandacht af te wenden van beleidsfalen op allerlei andere terreinen, zoals woningbouw, het toeslagenschandaal, bestaanszekerheid en groeiende ongelijkheid. Als ik er vanaf een afstand naar kijk, doen politici dat heel bewust. Migratie kan natuurlijk een probleem zijn, maar het is dan vooral een dankbaar onderwerp: politici kunnen zich met ferme statements opwerpen als sterke leiders: we gaan er echt iets aan doen.’ </em></p>
<p><em>‘Er is een enorme angst in de politiek geslopen om als soft te worden gezien. Er zijn, denk ik, genoeg politici die het echte verhaal van migratie wel kennen, weten dat het ingewikkelder in elkaar zit, maar ze durven dat niet meer te zeggen. En het frame is nu zo dat migratie de oorzaak is van heel veel problemen. Het is compleet onlogisch om er zo tegenaan te kijken. Er wordt regelmatig gevraagd of ik voor of tegen migratie ben. Dat is een onzinnige manier om over dit onderwerp te praten. Net alsof je voor of tegen markten bent: “Ik ga het marktprobleem oplossen.” Waar heb je het dan over? Ik hoorde Rutte laatst nog zeggen: “Ik heb het migratieprobleem niet op kunnen lossen.” Er wordt een soort illusie gecreëerd.’</em></p>
<p><em>‘En links is daar ook heel ver in meegegaan. PvdA en GroenLinks, die ideeën over migratiedeals onderschrijven. Het is een lichtere versie van wat je op de rechterflank hoort, maar de overall framing luidt: “Het is een probleem dat we moeten oplossen.”. De standaardoplossingen die vervolgens worden voorgespiegeld, verschillen wel een beetje. De rechterkant legt de nadruk op nog meer grensbewaking, nog strenger. Op de linkerkant hoor je vaker humanitaire narratieven: “We moeten ontwikkelingshulp bieden, dan komen die mensen niet meer hier.” Beiden zijn volgens De Haan een mythe. Ontwikkeling van arme landen leidt doorgaans tot meer migratie, omdat meer mensen zich kunnen veroorloven de kosten van migratie te financieren.</em></p>
<p><em>De Haas toont aan dat het beeld dat Europa overspoeld wordt met laag opgeleide migranten uit Afrika die met bootjes hier naar toe komt niet klopt. „Die bootjes zijn onbelangrijk. Ik weet uit mijn interviews in Marokko dat zo’n oversteek de minst populaire methode is. Als je niet met een visum kunt binnenkomen, probeert men zich te verstoppen in het busje van een ander, op een vrachtwagen of een groot containerschip. We zien de dramatische gevallen. Uit onderzoek blijkt dat er jaarlijks enige tienduizenden met die bootjes gaan, ongeveer 1 tot 2 procent van de totale migratie naar de EU.” Loopt Afrika leeg richting EU? „Dat is totaal bezijden de waarheid. De migratie is de laatste jaren niet enorm toegenomen. Er is al dertig, veertig jaar een structurele migratie van Noord-Afrika naar Europa. Het was voor Marokkanen tot 1991 trouwens doodgewoon om een paar maanden per jaar als oogstarbeider in Spanje te werken en daarna weer terug te keren. Pas toen het Schengenvisum werd ingevoerd, ontstond het probleem. Toen konden ze geen ferry meer nemen, maar moesten ze illegaal met vissersbootjes. Het migratiebeleid is deel van het probleem.”</em></p>
<p><em>‘Door de invoering van het Schengen-visum werd de enige manier om de Middellandse Zee over te komen, een smokkelaar inhuren’, vertelt De Haas. ‘We hebben die smokkelindustrie dus zelf in het leven geroepen. Maar de politiek gebruikt mensensmokkelaars nu als zondebok. Natuurlijk gaan er dingen fout, maar echt niet alle mensensmokkelaars zijn criminelen. Voor sommige vluchtelingen zijn het helden.’ </em></p>
<p><em>De Haas toont ook aan dat de migratiedeals met derde landen niet werken. “We proberen al dertig jaar migratiedeals met landen buiten de EU te sluiten, maar die zijn – nog los van de ethische bezwaren – niet echt effectief gebleken, vertelt De Haas. Toch wordt met name de Turkijedeal (2016) vaak wel gezien als een goede oplossing. Maar waarom pakt niemand er eens een grafiekje bij? ‘De asielinstroom was al heel sterk afgenomen vóór de Turkijedeal en het afsluiten van de zogeheten Balkanroute.’ </em></p>
<p><em>De Haas verduidelijkt enkele paradoxen waardoor hij laat zien dat migratie onderdeel is van processen van economische ontwikkeling, verstedelijking en modernisering. De conventionele denkwijzen daarover moeten radicaal veranderen. Immers, de belangrijkste oorzaak is de vraag naar arbeid in geïndustrialiseerde landen. We hebben arbeiders nodig, en niet in het minst door de vergrijzing, dat is de olifant in de kamer. ‘Arbeidsmigranten zijn de smeerolie van rijke economieën’.</em></p>
<p><em>‘De waarheid is dat onze welvarende, vergrijzende en hoogopgeleide samenlevingen een ingebouwde en dus structurele vraag naar arbeidsmigranten hebben ontwikkeld. Zolang onze economieën hard blijven groeien zal die trend niet worden teruggedraaid. Zo bezien is de effectiefste manier om immigratie de kop in te drukken de economie ten gronde te richten’, aldus de Haas. In het hoofdstuk mythe vijftien: ‘Immigratie is een oplossing voor de vergrijzing’, wijst de auteur erop dat het mondiale aanbod van goedkope arbeid zal slinken en dat we er dus niet vanzelfsprekend vanuit kunnen gaan dat we simpelweg met een vingerknip beroep zullen kunnen blijven doen op migranten die bijvoorbeeld onze ouderen zullen komen verzorgen.</em></p>
<p><em>„Migratie hangt voornamelijk samen met economische groei. Tweederde van de fluctuatie in immigratie naar Nederland sinds 1976 is daarmee te verklaren. Dat is statistisch buitengewoon hoog. Dat toont aan hoe beperkt migratie te sturen is. Rijke landen trekken migranten aan. Zolang we welvarend blijven is het onvermijdelijk. Leg je erbij neer.”</em></p>
<p><em>Hallucinant is ook om te lezen dat, als logisch gevolg van het arbeidsaanbod, migratie voorheen soepel verliep. Migranten kwamen arbeiden en keerden buiten de werkseizoenen terug naar huis. Vanaf het moment dat er een visum nodig was, durfden ze niet meer tijdelijk naar hun land van herkomst terugkeren uit schrik niet meer te kunnen terugkeren naar het land waar ze werk vonden. Een paradox die kan tellen, grensbeperkingen leiden dus tot meer immigratie. Toen migranten dan ook nog via gevaarlijke wegen toch de geïndustrialiseerde landen probeerden te bereiken, werden muren en hekkens gebouwd en werden organisaties zoals Frontex opgericht. Met veel menselijk leed tot gevolg voor de migranten én torenhoge kosten voor de westerse belastingbetaler. Met andere woorden het boek maakt duidelijk hoe een inhumaan en ineffectief migratiebeleid heeft gefaald.</em></p>
<p><em>Huidige beleidsmakers denken en stellen dat migranten de arbeidsmarkt verstoren. Het zijn ‘gelukzoekers’ die hier ook voor onveiligheid zorgen. Daar moet een hek voor. „Politici willen de illusie creëren dat ze het in de hand hebben. Maar het is symboolpolitiek. Ik begrijp ook wel dat het politieke zelfmoord is als je roept: gooi de grenzen maar open voor laaggeschoolde migranten. Maar illegale migratie bestaat en wordt in Europa in hoge mate getolereerd. Het is smeerolie voor de economie.” Dus vreemdelingenbeleid heeft geen effect? „Het heeft zeker effect, maar dan wel averechts. De kosten en de risico’s voor de migranten nemen enorm toe. De neiging om zich ook permanent in Europa te vestigen is er sterk door gegroeid. Ook werden de routes steeds diverser. Eerst probeerde men het alleen bij de Straat van Gibraltar. Nu moeten er duizenden kilometers kust bewaakt worden. Onmogelijk! Het menselijk lijden is erger geworden. Het aantal legale migratiekanalen is afgenomen, dus gaat men meer illegaal.” Een streng toelatingsbeleid maakt het probleem groter? „Feitelijk maken we het lager opgeleide migranten ook moeilijker om terug te keren. Eenmaal binnen, wil men niet meer terug. Beleidsmakers hebben best in de gaten dat er een enorme kloof gaapt tussen papier en de werkelijkheid. Maar het gaat ze in eerste instantie om het wekken van de indruk dat alles onder controle is. Acties met patrouilleboten van de EU zijn gericht op de media. Laten zien dat mensen worden teruggestuurd. Electoraal begrijp ik dat. De publieke opinie verzet zich.” De Haas stelt terecht dat die opinie echter onzin is. „Als je naar langere termijntrends kijkt, economisch en demografisch, dan kun je er niet omheen dat er aan de onderkant van de arbeidsmarkt een vraag is die migranten opvullen. Dan zal je als politicus de moed moeten hebben om dat over het voetlicht te brengen. Aan die moed is nu gebrek. Er is een patstelling.”</em></p>
<p><em>De Haan stelt terecht dat staten geen grote bevolkingsgroepen willen waar ze geen zicht op hebben. Dus neigt men uiteindelijk toch naar regulering. “Als je wat wilt doen aan de doden, aan het lijden, aan de enorme kosten, dan moet je meer legale kanalen scheppen voor laaggeschoolde arbeid.” Daarvoor zal op termijn ook de arbeidsmigratie uit Oost-Europa geen voldoende aanbod leveren voor laaggeschoolde arbeid. „Ook dát is een illusie. De demografie van Oost-Europese landen implodeert nog harder dan bij ons. Het arbeidsoverschot daar is hoogstens tijdelijk. Je ziet nu al dat de Polen terugkeren omdat hun economie hard is gegroeid. De voorspelling dat de arbeidsmigratie van buiten de Unie zou inzakken door de uitbreiding van de EU is ook niet uitgekomen.” </em></p>
<p><em>De Haan stelt dat grip op migratie maar zeer beperkt mogelijk is, en hij heeft gelijk. „Je moet het niet ontkennen en je moet niet denken dat migranten teruggaan. Dat hebben we in de jaren 70, 80 wel gedaan. Migratie gaat gewoon door. Dus moet je een beleid maken dat migratie aan de onderkant van de arbeidsmarkt reguleert. Daardoor zal je vermogen om als staat te bepalen wie binnenkomt, groeien. Wat je nu doet, is officieel ontkennen dat die vraag bestaat. Dan verlies je juist de greep. We hebben de afgelopen decennia de arbeidsmarkt gedereguleerd, grensverkeer vrijgemaakt, handelsverkeer geliberaliseerd. Dat staat haaks op de wens naar meer regulering van migratie.”</em></p>
<p><em>Als je meer ongeschoolde arbeid toelaat, verdring je niet de autochtonen. “In alle westerse landen is er werk dat autochtonen bijna per definitie niet willen doen. Dat heeft met status te maken, met sociale zekerheid, met minimumloon. We kennen allemaal het zwarte werk in de landbouw en de huizenbouw – de groei zit in de huishoudelijke arbeid. Ook in Nederland is dat ‘verzwart’. Steeds vaker zijn dat illegale migranten. Dat komt ook doordat steeds meer vrouwen en jongeren werken. Zij vormden traditioneel de huishoudelijke hulpen en de oogstarbeiders. Migratie is hiermee vervlochten. Zonder dit soort hulp kunnen economieën eigenlijk niet meer draaien. Migranten komen alleen als er een vraag is naar arbeid. Dat beeld van een enorme toevloed aan doodarme gelukzoekers vertekent. Alsof de oorzaak de misère van armoede, verdroging of oorlog zou zijn. De armsten kunnen het zich sowieso niet permitteren te migreren. Afrikanen komen af op arbeid, niet op de verzorgingsstaat. Want daar hebben ze geen toegang toe. Willen we hier een agrarische sector? Dan houd je een vraag naar oogstarbeid. Migratiebeleid heeft weinig invloed op de vraag óf mensen komen, maar wel hóe ze komen: via de Canarische eilanden of via Italië. Of je het wilt of niet, migratie komt toch. Alle rijke, hoogontwikkelde democratieën hebben het.”</em></p>
<p><em>Het valt De Haas op dat in West-Europa, ook in Nederland, vaak wordt gezegd: we hebben alleen maar hoogopgeleide migranten nodig. ‘Maar kijk even om je heen. Wie wast er af? Wie maakt er schoon? Of werkt er in de tuinbouw? Dat zijn vaak migranten. Vaak met, maar ook vaak zonder papieren. Ze hebben banen die veel Nederlanders niet willen.’ Kortom, het idee dat we geen arbeidsmigranten nodig hebben – ook een mythe. </em></p>
<p><em>De Haas heeft geen kant en klare oplossingen, die bestaan niet. Het gaat ook om politieke en economische keuzes. ‘Ik zou een debat willen over vragen als: willen we echt toe naar een samenleving waar een nieuwe dienarenklasse, die bestaat uit migranten die werken als schoonmakers, nanny’s, pakjesbezorgers en restaurantwerkers, het vuile werk opknapt? Hebben we dat echt nodig?’ Hij vraagt weleens aan studenten: wie denken jullie dat deze collegezaal schoonmaakt? Jullie eten bezorgt? Jullie tomaten plukt? Jullie online aankopen in distributiecentra sorteert? Dat zijn de onzichtbaren, jullie dienaren. ‘Dan zitten ze me vaak een beetje glazig aan te kijken, want ze vinden zichzelf heel links. Het is niet alleen een kwestie van grootkapitaal dat migranten uitbuit. Het zit in de haarvaten van onze samenleving. We willen eigenlijk niet accepteren dat het mensen zijn.’</em></p>
<p><em>Zelfs de staat omvormen tot een politiestaat, waarmee het nieuwe fascistische kabinet dreigt door een ‘asielcrisis’ uit te roepen, zal de illegale migratie niet doen stoppen. “Saoedi-Arabië wordt weleens genoemd als een land dat migratie onder controle heeft. Dat land heeft zich inderdaad niet verbonden aan mensenrechtenverdragen. Maar zelfs in Saoedi-Arabië vestigen zich Nigeriaanse migranten illegaal. Die blijven dan in Mekka hangen na de Hadj.”</em></p>
<p><em>Aan regelingen die illegalen legaliseren valt ook bij restrictief beleid niet te ontkomen, aldus de Haan. „Als je dat weigert, ontstaat er een nieuwe onderklasse. Dat gevaar is reëel in Europa. In Nederland zijn naar schatting tussen de 60.000 en 120.000 illegalen. Niet ieder van hen zal zich hier vestigen. Maar je ziet wel dat er door de koppelingswet steeds meer uitsluiting plaatsvindt. Migranten krijgen ook kinderen. Als je ze lang uitsluit, creëer je een nieuw integratieprobleem. Je doet er verstandig aan om de facto-vestigers te legaliseren. Van gastarbeiders is ook te lang volgehouden dat ze wel terug zouden gaan. Illegale migranten zou je een gefaseerde toegang tot vestigingsrechten kunnen bieden. Die kun je voorwaardelijk maken: dat mensen bijvoorbeeld moeten participeren. Fouten uit het verleden hoef je niet te herhalen. Zorg ervoor dat deze mensen integreren.”</em></p>
<p><em>Legalisatie creëert ook geen aanzuigende werking. „Nee. Migratie wordt gestuurd door de vraag naar arbeid. Als je kapper bent of loodgieter, laat Australië je graag toe. Daar wordt vrij rationeel gekeken naar wat er nodig is. Je krijgt punten voor je leeftijd, opleiding, beroep. Dat is veel beter dan onze manier. De mensen aan wie behoefte is, geef je middelen om te integreren. Die koppelingswet is één van de domste dingen die we ooit gedaan hebben. Op termijn creëren we een groot probleem van sociale cohesie.”</em></p>
<p><em>De beste manier om migratie te controleren is volgens De Haan: „Uit de EU treden, onze handelsakkoorden opzeggen, uit de Raad van Europa stappen en alle mensenrechtenverdragen opzeggen. En daarna proberen om ons nationaal inkomen flink omlaag te brengen.” En een hek om Europa, net als tussen de VS en Mexico? „Dat is symboolpolitiek. Zolang er vraag naar arbeid is, vinden migranten altijd een andere weg om binnen te komen. En zo’n hek zullen die migranten dan eerst wel zelf moeten helpen bouwen.”</em></p>
<p><em>Volgens De Haas is de wens tot minder immigratie, hoe dan ook niet te verenigen met sterke economische groei plus een liberale arbeidsmarkt. ‘Wil je echt grip op migratie krijgen, dan moet je denken aan een fundamenteel ander economisch beleid. Ik zeg niet dat dat wenselijk is, ik constateer het alleen. We hebben de knoppen van de migratiecontrole de laatste decennia uit handen gegeven aan de private sector. Er zijn duizenden wervingsbureaus in Nederland en het is een sector die niet gereguleerd is.’ Hier zou meer controle op moeten komen, vindt hij. ‘Want er is ook sprake van uitbuiting.’ </em></p>
<p><em>De Haas: ‘Je hoort politici tijdens de campagne zeggen: we gaan de instroom stevig aanpakken, met asielquota et cetera. Om hardheid uit te stralen.’ Zo wil de BBB een quotum van 15 duizend asielzoekers, fors minder dan de 46 duizend asielzoekers die vorig jaar naar Nederland kwamen. NSC van Pieter Omtzigt wil het totale migratiesaldo (werk, asiel, studie) terugdringen naar 50 duizend per jaar, terwijl de PVV pleit voor een totale asielstop, de VVD de mogelijkheid wil hebben voor een tijdelijke asielstop en de SP pleit voor een tijdelijke stop op ‘economische migratie’.  ‘Je ziet dat politici van links tot rechts altijd heel erg op asiel focussen, terwijl we weten dat internationaal gezien maar ongeveer 10 procent van alle migranten vluchteling is. In Nederland misschien 10 tot 12 procent. Een asielquotum is helemaal niet uitvoerbaar, want we hebben ons te houden aan internationale verdragen. Bovendien hebben we 44 duizend kilometer Mediterraanse kustlijn. Het is een illusie om te denken dat je iedereen kunt tegenhouden als er een oorlog in of buiten Europa uitbreekt. Dat is nog nooit gelukt. Als je nu sterker gaat patrouilleren bij Lampedusa, zullen daar minder mensen de Middellandse Zee oversteken. Maar de route blijft verschuiven en het is onmogelijk om een muur om heel Europa te bouwen.’  </em></p>
<p><em>‘Als je als overheid asiel en migratie drastisch wil beperken, dan zal dat ten koste gaan van de rechtsstaat of van de economie’, zegt de Haas. ‘Het is een van de twee.’</em></p>
<p><em>Een opvallende en m.i. terechte stelling van de Haas is ook dat het enorm klimaatprobleem, ‘een van de meest urgente problemen waarmee de mensheid zich geconfronteerd ziet’, niet zal leiden tot massamigratie (mythe 22), alweer om de eenvoudige reden dat het grootste deel van de migranten in hun land blijven, dat ze eenvoudigweg het geld niet hebben om te migreren. Het zijn precies de meest kwetsbare bevolkingsgroepen die het meest te lijden hebben onder de klimaatverandering, het zijn precies zij die de middelen ontberen om te vertrekken. Hoofstuk mythe 22 is één van de meest interessante delen uit het boek, vooral omdat uitgelegd wordt hoe het nu precies echt zit met desertificatie en met stijgende zeespiegels.</em></p>
<p><em>De Haas stelt in zijn eindbeschouwing, ‘De weg voorwaarts’, dat beter beleid niet eenvoudig is. Er zal vooral goeie ‘politieke wil’ voor nodig zijn. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de reeds welvarende leden van bestemmingssamenlevingen de lusten van migratie te beurt vallen, terwijl de sociale lasten die migratie met zich meebrengen ‘in onevenredig hoge mate terechtkomen op de schouders van gewone burgers’. Burgers die in de afgelopen decennia te maken kregen met afkalvende baanzekerheid of dalende levensstandaard.</em></p>
<p><em>De Haas stelt terecht ook enkele fundamenteel ethische vragen. De debatten over migratie mogen niet los staan van de bredere debatten over ongelijkheid, arbeid en sociale rechtvaardigheid. ‘De manier waarop regeringen omgaan met immigranten is immers ook vrijwel automatisch de manier waarop ze arbeiders in het algemeen behandelen’. De auteur wijst er ook op dat de waardigheid van handarbeid in ere hersteld moet worden. Dat geldt in het bijzonder voor de sectoren die niet kunnen geoutsourcet of geautomatiseerd worden. Daar zullen we de arbeiders in de toekomst hard nodig hebben. De Haas: ‘Elke oprechte discussie over migratie [is] onvermijdelijk ook een discussie over het soort samenleving waarin we willen leven.’</em></p>
<p><em><u>Het is de vraag naar goedkope arbeid die migratie naar ons land doet toenemen, niet de zgn. beleefde goede voorzieningen hier</u></em></p>
<p><em>Migranten komen niet naar Nederland voor een uitkering, maar om te werken of om samen te kunnen zijn met hun gezin. Voor asielzoekers speelt het vinden van bescherming een rol. Voor veel migranten zijn het &#8216;vinden van betere arbeidsperspectieven’ maar ook de ‘aanwezigheid van sociale netwerken’ in Nederland van invloed op hun migratie keuze. Het is een mythe dat migranten vertrekken om goede sociale voorzieningen elders te krijgen. Voor ‘bijstandstoerisme’ of ‘een aanzuigende werking’ van onze verzorgingsstaat bestaan weinig aanwijzingen. Migranten gaan niet massaal naar landen met de meest ontwikkelde verzorgingsstaat of met de meest gunstige sociale zekerheid zoals bijvoorbeeld de Scandinavische landen die kennen. Integendeel: velen reizen af naar Spanje (zoals de Roemenen) of het Verenigd Koninkrijk (bijvoorbeeld de Polen). Dat zijn juist landen met betrekkelijk beperkte verzorgingsstaat voorzieningen en een relatief laag bijstandsniveau. Veel migranten, veelal jong en vaak ook in de gezinsvormende fase van hun leven, hebben meestal helemaal geen gedetailleerde kennis over onze verzorgingsstaat. Net als de meeste mensen oriënteren zij zich hier pas op wanneer het aan de orde is in een bepaalde levensfase. En wie alleen naar Nederland zou komen voor een uitkering komt bedrogen uit. Je kán helemaal geen bijstandsuitkering aanvragen als je de grens passeert. Asielzoekers krijgen onderdak en leefgeld van 59 euro per week. Europese migranten kunnen hun verblijfsrecht verliezen als ze zich melden bij de sociale dienst. En ook een WW-uitkering wacht niet op je aan de grens. Daarvoor moet je als migrant &#8211; net als iedereen &#8211; een arbeidsverleden hebben opgebouwd. Ook is het grote onzin dat de tekorten in onze verzorgingsstaat komen door een te hoge instroom van migranten – die tekorten zijn veroorzaakt door slecht, neoliberaal beleid. Het is de typische zondebokkenstrategie van extreemrechts om migranten als oorzaak van problemen aan te merken.</em></p>
<p><em>Het aantal Oost-Europese migranten &#8211; de grootste groep migranten op dit moment in Nederland &#8211; met een bijstandsuitkering is betrekkelijk gering. Het gaat om 1,8 procent in vergelijking tot 2,3 procent onder burgers van Nederlandse origine, al is er wel een lichte stijging. Oost-Europese arbeidsmigranten maken wel vaker gebruik van een WW-uitkering. Dit heeft te maken met hun kwetsbare positie op de arbeidsmarkt: ze werken veelal in de laaggeschoolde en flexibele sectoren van de arbeidsmarkt. Ook voor Nederlanders met dezelfde kenmerken geldt dat zij vaker een WW-uitkering hebben. Veel migranten die werkloos worden vertrekken echter ook weer uit Nederland en doen geen beroep op WW.</em></p>
<p><em>Voor hoger opgeleide arbeidsmigranten kunnen bepaalde voorzieningen die de verzorgingsstaat biedt wel cruciaal zijn voor de keuze van het bestemmingsland. Omdat het vaak (jonge) gezinnen zijn, gaat dat dan vooral om goede gezondheidszorg, kinderopvang en onderwijs voor de kinderen, verlofregelingen etc. Maar juist op deze elementen van de verzorgingsstaat scoort ons land helemaal niet zo goed. Kennismigranten met kinderen voelen zich daarom sneller aangetrokken tot de Scandinavische landen waar de voorzieningen betaalbaarder en professioneler zijn. Ook Duitsland streeft Nederland op dit punt inmiddels voorbij. </em></p>
<p><em>In het verleden kwamen migranten evenmin naar Nederland om van de verzorgingsstaat te genieten. Eind jaren zestig werden ongeschoolde werknemers geworven, en stortte de economische sector waarin zij werkten kort daarna in. De toen nog royalere verzorgingsstaat keerde relatief veel uitkeringen uit, voornamelijk voor arbeidsongeschiktheid. Maar vergeleken met toen én met de ons omringende landen, is het Nederlandse sociale zekerheidstelsel inmiddels behoorlijk versoberd. Asielstatushouders, de kleinste groep migranten, vragen wel relatief vaker een bijstandsuitkering aan. Dit is veelal terug te voeren op de gevolgen van hun vluchtervaringen en de gebrekkige aansluiting met de arbeidsmarkt, en de zeer gebrekkige hulp daarbij.</em></p>
<p><em><u>Inburgering voor alle migranten</u></em></p>
<p><em>De integratie van statushouders in Europa moet veel meer prioriteit krijgen, zodat zij hun capaciteiten veel sneller kunnen benutten. Maar daarmee zijn we er niet. Gezien de demografische ontwikkelingen in de EU, met een krimpende en sterk vergrijzende bevolking, is arbeidsmigratie – of we dat leuk vinden of niet – in alle lagen van de arbeidsmarkt onvermijdelijk. Het beleid zal alleen succesvol zijn als het onderdeel is van een veel breder pakket van sociale maatregelen dat niet alleen de belangen van het kapitaal dient, maar ook die van arbeid. Al was het alleen maar omdat het politieke draagvlak voor migratie in de houdgreep van het rechts-populisme zit.</em></p>
<p><em>Voor negen van de tien migranten is er geen plicht tot inburgeren. Van meet af aan gold de inburgeringsplicht niet voor nieuwkomers uit andere EU-lidstaten. Dit is de grootste groep die vorig jaar bijvoorbeeld 106.000 personen telde. Ook arbeidsmigranten en studenten van buiten de EU en hun gezinsleden zijn vanwege het tijdelijk karakter van hun verblijf niet inburgeringsplichtig. In 2021 deed men vanuit die groep 46.660 aanvragen. Daarnaast zijn minderjarigen (leerplicht) en 67-plussers op grond van hun leeftijd vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Uit de jaarrapportage arbeidsmigranten blijkt dat er momenteel in totaal zo&#8217;n 611.000 Europese arbeidsmigranten in Nederland zijn, van wie ruim 375.000 uit Oost-Europa. De grootste groep arbeidsmigranten komt uit Polen. Het werk dat de Polen hier verrichten wordt door hen veelal met volle overgave gedaan en dat weten de Nederlandse werkgevers. Niet zelden gaat het om fysiek zwaar werk dat ook nog eens gekoppeld is aan flexibele arbeidscontracten. Denk aan het seizoenswerk, het werken in de vleessector of in de bouw. De Polen maken lange dagen en hebben daarom geen tijd om de Nederlandse taal te leren. Maar ook de werkgevers zijn vaak &#8211; gelet op het tijdelijke karakter van het werk &#8211; niet geneigd om in deze werknemers te investeren qua inburgering. Dat wordt al snel als te kostbaar gezien. Een deel van deze migranten keert inderdaad na het gedane werk terug naar het herkomstland. Gemiddeld één op de twee EU-migranten en één op de drie migranten van buiten de EU vertrekken binnen drie jaar (CBS). Maar zoals het SCP-rapport uit 2018 aantoonde wil een ruime meerderheid van de Polen langer in Nederland verblijven en hier bouwen aan een toekomst. Vooral de groep van 25-35-jarigen wil zich verder ontwikkelen wat werk en opleiding betreft en ook hun gezinsleven opbouwen. Maar krijgen ze wel kansen geboden? Als je de Nederlandse taal niet machtig bent is het lastig om ander werk te vinden en bemoeilijkt het je om je weg te vinden in de maatschappij. Maar ook vice versa is er een probleem. De maatschappij kan moeilijk met de migrant communiceren met alle gevolgen van dien. Denk maar aan het gesprek dat je als ouder hebt met de school waar je kinderen zitten. Dat is niet alleen voor de migranten maar ook voor de school lastig en levert problemen op. Maar ook als het gaat om de rechten en plichten die je als migrant hier in Nederland hebt, is het van belang dat je de taal machtig bent. De consequenties van die onkunde vullen de kranten regelmatig. Kijk maar naar de gebrekkige en zelfs mensonterende huisvesting en onderbetaling van arbeidsmigranten. De arbeidsmigranten mogen dan wel werk hebben maar ze hebben moeite met integreren en verworden dan tot een soort tweederangsburgers. </em></p>
<p><em>Het is volgens de adviesraad migratie een gemiste kans dat de Wet inburgering geen aandacht besteedt aan deze migranten. Er zijn zeker goede redenen, zowel juridische (EU-burgers) als maatschappelijke (tijdelijke seizoenarbeiders) om niet iedere nieuwkomer tot inburgering te verplichten, maar waarom zouden we EU- en arbeidsmigranten geen gedifferentieerde integratievoorzieningen aanbieden? In plaats van verplichting, zouden meer verleid moeten worden om op vrijwillige basis een integratiecursus te volgen. Dan volstaat niet het huidige leenstelsel waarbij kosten voor een inburgeringscursus tot boven de € 10.000 oplopen. Dat vergt een andere koers, waarbij inburgering aansluit op de rest van de samenleving en nadrukkelijk wordt gezien als maatschappelijke investering die rendement gaat opleveren. </em></p>
<p><em>In Duitsland is deze koerswijziging al ingezet. Niet alleen krijgt iedere migrant die zich in  Duitsland vestigt een integratiecursus aangeboden, maar ook worden volgens de afspraken in het recente Duitse coalitieakkoord bijvoorbeeld alle beperkingen weggenomen voor toegang tot de arbeidsmarkt voor iedereen die rechtmatig in Duitsland verblijft, waaronder dus ook asielzoekers in procedure. Het beleid in ons buurland dankt zijn succes mede aan de vrijheid die lokale autoriteiten hebben om federaal beleid te interpreteren en uit te voeren. Niet alleen gemeenten, maar ook arbeidsbureaus en maatschappelijke organisaties kunnen hun beleid daardoor afstemmen op de lokale behoefte. Wat de inburgering van migranten ook ten goede komt, is dat buitenlandse kwalificaties snel worden erkend. Bovendien betaalt de Duitse overheid het gros van de kosten van de inburgering. De eigen bijdrage voor een les is meestal € 2,20, terwijl een gezinsmigrant in Nederland gemiddeld € 13,50 per les kwijt is. Hoewel er in Duitsland geen slaagplicht is voor inburgering, haalt meer dan de helft van de cursisten in Duitsland het B1-niveau (gevorderd), terwijl dit aantal in Nederland niet meer dan enkele procenten bedraagt. Duitsland behaalt dus betere resultaten. Met Duitsland als voorbeeld moet Nederland daarom komen tot nieuwe keuzes.</em></p>
<p><em><u>Opvang in de regio</u></em></p>
<p><em>Voor de regio’s waar nu het grootste deel van de vluchtelingen worden opgevangen – vaak zelf arme landen met veel eigen problemen – betekent een veel ruimhartiger opvang hier een verlichting, ook voor de daar verblijvende vluchtelingen. Migratie goed en ruimhartig organiseren is een vorm van internationale solidariteit.</em></p>
<p><em>‘Opvang in de regio’ is al decennia het mantra van vele westerse regeringen en politieke partijen om vluchtelingen niet in het eigen land te willen opvangen. Het wordt gepresenteerd als een oplossing, die het al net zolang niet biedt. De motieven variëren: v</em><em>anuit solidariteit met vluchtelingen en eerste opvanglanden, om de komst van vluchtelingen naar Europa (en Nederland) te voorkomen en/of om vluchtelingen direct terug te sturen naar waar ze vandaan komen. Opvang in de regio is geen nieuw idee. Politieke aantrekkingskracht hiervoor bestaat al decennia. Denemarken stelde het in de jaren tachtig voor. Nederland volgde begin jaren negentig met plannen van staatssecretaris Kosto (PvdA). In 2003 presenteerde de Britse premier Blair zijn New Vision on Refugees en in het jaar daarna kwam Duitsland met het plan van Schilly met de beruchte Turkije-deal. Naar aanleiding van het grote aantal vluchtelingen in 2015 stelde het Nederlandse kabinet de ‘stip-aan=de-horizon’-brief op, met enthousiaste steun van toenmalig PvdA-leider Samsom.</em></p>
<p><em>Wereldwijd zijn er meer dan 100 miljoen mensen op de vlucht, 1 op de 100 wereldburgers. </em><em>Tien jaar geleden was dit nog 1 op 167 mensen. </em><em>Door oorlog, geweld, vervolging en mensenrechtenschendingen waren er eind 2021 zo&#8217;n 89 miljoen mensen op drift. Vooral de Russische invasie van Oekraïne maar ook de andere noodsituaties zoals in Afrika en Afghanistan hebben het cijfer begin 2022 over de dramatische mijlpaal van 100 miljoen geduwd.</em><em> Ongeveer 85% (!) wordt opgevangen in minder ontwikkelde landen in de regio van de herkomstlanden. Dit hoge percentage is al jarenlang stabiel en drukt zwaar op betrokken landen. </em><em>Kinderen zijn goed voor 30% van de wereldbevolking, maar 41% van alle mensen op de vlucht is kind. </em><em>Veruit de meeste mensen zijn op de vlucht binnen de eigen landsgrenzen (53 miljoen), zoals in DR Congo, Jemen of Colombia. Daarnaast staken iets meer dan 27 miljoen mensen de grens over op zoek naar veiligheid. Het aantal vluchtelingen steeg o.m. in Oeganda, Tsjaad en Soedan. Tot slot hadden 4,6 miljoen mensen een asielaanvraag lopen en verlieten 4,4 miljoen Venezolanen hun land.</em> <em>De meeste vluchtelingen komen al jaren uit vijf landen: Syrië (6,7 miljoen), Venezuela (4,6 miljoen), Afghanistan (2,7 miljoen), Zuid-Soedan (2,4 miljoen) en Myanmar (1,2 miljoen). In absolute aantallen ving Turkije de meeste vluchtelingen op (3,8 miljoen), gevolgd door Colombia (1,8 miljoen), Oeganda (1,5 miljoen), Pakistan (1,5 miljoen) en Duitsland (1,3 miljoen). </em><em>In Libanon is een op de vier inwoners een Syrische vluchteling. Ter vergelijking: in Europa verblijft zo’n 8% van het totaal aantal mensen dat wereldwijd op de vlucht is. Nederland ontving in 2020 ruim 19.000 asielaanvragen. Kortom, opvang in de regio is sinds jaar en dag een realiteit. </em></p>
<p><em>Eén van de gedachten achter het opvangen van vluchtelingen in de regio is dat dit terugkeer naar het land van herkomst makkelijker maakt. Maar veilige en snelle terugkeer is vaak geen reële optie. De crises in de landen van herkomst zijn veelal langdurig en complex van aard en fragiele post-conflictsituaties maken grootschalige terugkeer van vluchtelingen dan ook vaak onmogelijk. Ongeveer 15,7 miljoen vluchtelingen verblijven bijvoorbeeld langer dan vijf jaar in zogenoemde ‘protected refugee situations’ in de regio. Daarvan keerden in 2019 slechts 317.200 mensen terug. Sommigen zien kans om verder te vluchten naar Europa, en nemen daartoe veel risico’s. Hervestiging via de UNHCR is slechts beperkt tot een ‘lucky few’. Meer dan 10% van de vluchtelingen is niet veilig in de regio en zou eigenlijk direct elders bescherming moeten krijgen. Maar in 2019 worden slechts 63.696 van de 1.4 miljoen kwetsbare vluchtelingen via de UNHCR hervestigd in Europa en landen als Canada en Australië. Overigens wordt ‘opvang in de regio’ in het politieke debat ook wel eens uitgelegd als ‘externalisatie of ‘external processing’. Maar dan gaat het om het terugsturen van asielzoekers naar locaties buiten de EU zoals bijvoorbeeld naar Noord-Afrikaanse landen. Daar wordt dan de asielprocedure uitgevoerd door de EU lidstaten. </em></p>
<p><em>Van Heuven Goedhart, de eerste Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, zei in 1955 al: </em><em>‘refugee camps should burn holes in the conscience of those who are privileged to live in better conditions</em><em>’</em><em>. Inmiddels verblijft 60% van de vluchtelingen in stedelijke gebieden in plaats van in opvangkampen. Velen van hen verkeren in nijpende omstandigheden. Niet iedereen is geregistreerd of heeft papieren. Verblijfsomstandigheden zijn slecht en de hygiëne bedroevend. Vaak is er een beperkte toegang tot voorzieningen zoals zorg, onderwijs en werk en heerst er een grote mate van onveiligheid zoals risico’s op verkrachting, uitbuiting en detentie. Vluchtelingen zitten gevangen in compleet uitzichtloze situaties. Soms al vele generaties, zoals Palestijnen, Afghanen, Somaliërs, Soedanezen en Congolezen. En toch proberen zij het beste te maken van hun leven. Daarbij kunnen zij, en de landen die hen opvangen, zeker nog meer ondersteuning gebruiken. </em></p>
<p><em>Volgens het Vluchtelingenverdrag is bescherming meer dan alleen het bieden van eerste humanitaire crisisopvang in de vorm van onderdak, water en voedsel. Het betekent ook het creëren van een toekomstperspectief: zowel duurzame veiligheid als economische zelfstandigheid. De landen die de meeste vluchtelingen opvangen hebben het vaak al zwaar en kunnen deze lasten niet alleen dragen. Het belang van meer samenwerking en betere verantwoordelijkheidsverdeling tussen landen van eerste opvang, landen van herkomst en asiellanden is erkend in het Global Compact for Refugees.</em></p>
<p><em>Nederland speelt binnen de EU al langere tijd een voortrekkersrol als het gaat om betere bescherming in de regio. Jaarlijks investeert Nederland</em><em> 128 miljoen euro in de rechtspositie van, het onderwijs en de werkgelegenheid voor vluchtelingen en ontheemden. Deze ontwikkelingsgerichte inzet is een goede stap. Maar er is veel meer (EU) geld nodig. Zo is bijvoorbeeld maar voor 57% procent voldaan aan de financieringsbehoefte van regionale bescherming voor Syriërs. En geld alleen is niet voldoende: ook het hervestigingsquotum zal drastisch ophoog moeten. Dat geldt ook voor Nederland, waar het kabinet in 2019 het aantal te hervestigen vluchtelingen uit de kampen op voordracht van het UNCHR juist verlaagde van 750 naar 500. Het huidige kabinet wil dat nog verder verlagen naar 300. Met hervestiging ontlast je daadwerkelijk de regio en bescherm je de meest kwetsbare vluchtelingen, maar deze kabinetten willen alleen maar de lasten van vluchtelingen op anderen afwentelen.</em></p>
<p><em>Het is niet realistisch, en vanuit solidair oogpunt ook niet wenselijk om te verwachten dat verbetering van de beschermingscapaciteit in de regio tot gevolg heeft dat het aantal asielaanvragen in Europa of Nederland tot een nulpunt daalt. Zelfs als de situatie voor vluchtelingen in de regio verbetert, zullen er altijd vluchtelingen zijn die ook in de buurlanden vervolgd worden. Dat kan zijn vanwege hun politieke activiteiten of hun geloof. Ook zullen er altijd  andere redenen zijn om door te reizen en hier asiel aan te vragen. Afschaffen van de nationale asielprocedures is dan ook geen optie. Het vluchtelingenrecht bepaalt dat altijd individueel moet worden beoordeeld of terugkeer veilig genoeg is, en de geboden bescherming voldoende perspectief biedt voor een menswaardig bestaan. Dat is de kern van vluchtelingenbescherming, waar ook ter wereld.</em></p>
<p><em><u>Fort Europa en asieldeals met derde landen </u></em></p>
<p><em>‘Bulgaarse politie vindt achttien overleden migranten in een achtergelaten vrachtwagen’. Een bericht uit februari 2023. Het Openbaar Ministerie heeft 191 personen verhoord in een onderzoek naar marteling en afpersing van honderden Eritrese asielzoekers. En dit: “Voor de kust van Calabrië spoelen de lichamen van honderden Iraniërs, Pakistanen en Afghanen aan, onder wie veertien kinderen. Ze leden begin 2023 schipbreuk voor de Italiaanse kust.” In 2022 vroegen bijna een miljoen ontheemden om toegang tot de Europese Unie. Dat de druk aan de buitengrenzen verder zal toenemen ligt voor de hand. De vluchtelingen uit Oekraïne of de aardbevingsslachtoffers in Turkije en Syrië uit dat jaar nog daargelaten. </em></p>
<p><em>Wat zich aan de EU-grenzen aan tragedies afspeelt, tart iedere verbeelding. Fort Europa als dystopie – een magneet voor mensensmokkelaars, met afpersing als bijeffect en verdrinking op zee of stikken in smokkelauto’s tot gevolg. Op dezelfde stranden waar de toerist z’n tenen in de branding steekt, spoelen de lijken aan van mensen die een veilig heenkomen zochten. Dat valt niet meer te verdragen, noch met elkaar te rijmen. Volgens de UNHCR werden in 2021 op zee zo’n 3.231 migranten als dood of vermist geregistreerd. De meesten verdwijnen anoniem in de golven. Een enkele uitzondering daargelaten: in 2015 spoelde een driejarig jongetje aan op een Turks strand. Hij werd geïdentificeerd als de Koerdische Aylan Kurdi. Toen was dát het beeld dat de ‘wereld wakker schudde’. Alleen niet al te lang. De tragedies aan de grenzen herhalen zich sindsdien met ijzeren regelmaat. Aylan Kurdi leefde wel voort als naamgever van een reddingsschip van Sea-Eye, dat vluchtelingen uit de Middellandse Zee oppikt. Uitgerekend die schepen worden de laatste jaren tegengewerkt. Ze worden door autoriteiten buitengaats gehouden als er vluchtelingen aan boord zijn genomen. De kapitein wordt vervolgd voor medeplichtigheid aan illegale migratie.</em></p>
<p><em>De crisis escaleert. De laatste EU-top over migratie leverde niet meer op dan extra geld voor grensbewaking. Voorwaarts op de ingeslagen weg dus, van hogere muren en harder optreden, van clandestiene pushbacks en schemerige detentiecentra. Het debat over échte hervorming zit nu al acht jaar vast. Het enige effect van het huidige beleid, zo weten migratie-experts, is dat pogingen om Europa te bereiken er nog dodelijker door zullen worden. Landen die migratie écht onder controle hebben zijn op de vingers van één hand te tellen – en geen hand die je graag schudt. Denk aan Noord-Korea of Saoedi-Arabië. Migratiebeleid gaat in beginsel allang niet meer over de vraag óf mensen komen, maar hoe. En of ze ook de vrijheid voelen om te vertrekken – de paradox van fort Europa is dat het mensen die binnen wisten te raken ook voor altijd insluit. Ook de meest gemotiveerde migrant vermijdt de rubberboot liever. </em></p>
<p><em>Politici krijgen wel vaker het verwijt dat ze hun beloftes niet nakomen. Op het gebied van migratie is de kloof tussen wat de politiek wil en de realiteit bijzonder groot. Den Haag wordt teruggefloten door de rechter. Brussel komt pas in actie wanneer er een crisis is, maar zoekt al acht jaar naar een duurzaam migratiebeleid. En op de situatie aan de buitengrenzen van Europa krijgen politici evenmin vat. Nu eens is er een oorlog waar mensen vandaan vluchten, dan weer een aardbeving. Nederland kreeg vorig jaar (2022) 47.991 asielaanvragen te verwerken, het hoogste aantal sinds 2016. Afgelopen zomer was dit zichtbaar bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, dat overvol raakte – al is dit vooral een capaciteitsprobleem. In een noodgreep, om de crisis het hoofd te kunnen bieden, schortte het kabinet vorig jaar de mogelijkheid op voor gezinsleden van statushouders om naar Nederland te komen. Kan niet en mag niet, zeiden alle juristen toen al, maar het kabinet zette door. In februari 2023 werd de maatregel alsnog afgeschoten door de Raad van State. Cynisch gezegd: het kabinet heeft die nareizende gezinsleden met een juridisch kansloze maatregel wel een half jaar langer buiten Nederland weten te houden. </em></p>
<p><em>Ook buiten Nederland bemoeit premier Mark Rutte zich met het migratiebeleid. Zo riep hij, samen met de Oostenrijkse bondskanselier Karl Nehammer, de EU-top van februari 2023 in het leven. Daar ging het ook over door de Europese Unie gefinancierde grensbarrières, een onderwerp dat al jaren tot opgewonden debat leidt. Voorstanders als Hongarije vinden een muur onmisbaar, tegenstanders als Portugal wijzen er terecht op dat muren nooit werken. De grenskwestie werd voorlopig met Brusselse taalacrobatiek beslecht. In de conclusies van de top roepen de regeringsleiders de Commissie op „onmiddellijk aanmerkelijke EU-middelen vrij te maken” om landen te helpen hun „grensbewaking en infrastructuur te versterken.” Volgens Nehammer kunnen landen die een grensmuur willen bouwen vanaf nu in Brussel geld krijgen voor grensbewakers en patrouillewagens. Hier wordt 2,7 miljard euro voor uitgetrokken, zei Rutte. Het grenshek moeten landen uit eigen zak betalen. Waar sommige landen hartstochtelijk pleitten voor EU-gelden voor hekwerken, legden andere de nadruk op het terugsturen van uitgeprocedeerde asielzoekers. De conclusies van het overleg bevatten een hele catalogus aan maatregelen gericht op vermindering van de toestroom van asielzoekers die geen kans maken op een verblijfsvergunning. Ook bevatten ze toenaderingspogingen tussen de grenslanden en de landen, zoals Nederland, die een probleem hebben met secundaire immigratie. Zo wordt migratie uitdrukkelijk als Europese zaak omschreven. Premier Rutte was na afloop tevreden. „We hebben goede resultaten geboekt en wat ik nog veel mooier vond, is dat het wantrouwen in het debat [tussen grenslanden en de rest] zowel in gesprekken achter de schermen als in de conclusies is geadresseerd. Dat is ontzettend belangrijk, daarmee heb je een nieuw momentum te pakken. Dat is in twaalf jaar niet gebeurd.” Maar Rutte waarschuwde ook dat het er nu om gaat de maatregelen daadwerkelijk uit te voeren. De leiders spraken af dat migratie op de agenda blijft. Vlak voor de verkiezingen kwam het de VVD-premier goed van pas dat hij zich met migratie kan profileren – al mag hij van de coalitie niet zover gaan als zijn eigen partij zou willen, en het bleek niet echt te helpen. </em></p>
<p><em>Er zullen meer grenshekken komen, maar dat zal vrijwel zeker niet helpen om de migratie te dempen. Tot nu toe lijkt het erop dat hekken de migranten vooral tijdelijk of plaatselijk tegenhouden. Maar na vaak meerdere pogingen zijn migranten uiteindelijk bijna allemaal succesvol. Het zwaarbewaakte, vier meter hoge dubbele hek waarmee de Hongaarse premier Viktor Orbán zijn land en de EU zegt te beschermen is met ladders, connecties en voldoende geld uiteindelijk te trotseren, berichtte NRC vanuit Servië. En de gewelddadige pushbacks waar de Kroatische en Griekse grensbewaking zich schuldig aan maakt houden die linie evenmin dicht. Wat de beperkende maatregelen wel doen, is de pogingen Europa te bereiken dodelijker maken. Meer dan 30.000 migranten zijn sinds 2014 omgekomen op hun reis naar en door Europa. </em></p>
<p><em>In Italië wilde de nieuwe, neofascistische premier Giorgia Meloni optreden tegen reddingsboten van ngo’s, die migranten zouden lokken – maar het aantal aankomsten over zee neemt sinds haar aantreden toe. En wat de Britten ook aan maatregelen verzinnen, ook daar stijgt het aantal bootmigranten. „Niets wat de regering tot nu toe heeft geprobeerd, heeft gewerkt”, concludeerde The Economist. Nederland lijkt erop aan te sturen dat de EU zo snel mogelijk migratie-afspraken maakt met Tunesië, naar het voorbeeld van de Turkijedeal uit 2016. Tunis moet ervan worden overtuigd dat het migranten die naar Europa willen reizen, moet tegenhouden. Het Noord-Afrikaanse land, in 2011 nog kort de hoop van de Arabische Lente, glijdt in versneld tempo af naar een autocratie. President Kais Saied kent zichzelf steeds meer bevoegdheden toe. In april 2023 is oppositieleider Rached Ghannouchi gearresteerd. Over sub-Saharaanse migranten verkondigt Saied de ‘omvolkingstheorie’ en zegt hij dat er een plan zou zijn om de demografische samenstelling van Tunesië te veranderen – ook bij uiterst-rechts in Europa is dit een populaire samenzweringstheorie. De Italiaanse premier Giorgia Meloni deed in het recente verleden gelijkaardige uitspraken. Ook de Italiaanse regering staat met migratie voor een grote uitdaging. Al 27.500 bootvluchtelingen bereikten tijdens de eerste drie maanden van 2023 de Zuid-Europese kusten, tegen 16.000 in dezelfde periode vorig jaar. En in de zomermaanden zal het aantal bootvluchtelingen alleen maar stijgen. </em></p>
<p><em>In 2016 sloten EU-landen een deal met Turkije om vluchtelingen buiten Europa te houden. Mensenrechtenorganisaties proberen nu terecht te voorkomen dat er meer van dat soort deals worden gesloten. Vier mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, stellen Nederland aansprakelijk voor de volgens hen mensonterende gevolgen van de Turkije-deal uit 2016, in maart 2023. Die deal hield in dat Turkije vluchtelingen die naar Europa reisden tegenhield in ruil voor geld. Vluchtelingen die toch kwamen konden worden teruggestuurd. Het leidde tot overvolle kampen en schrijnende toestanden op bijvoorbeeld het Griekse eiland Lesbos. De afspraak dat iedere teruggestuurde vluchteling naar Turkije door de EU vervangen zou worden door een andere vluchteling in Turkije te hervestigen in de EU werd ook niet nagekomen. </em></p>
<p><em>De mensenrechtenclubs willen met hun stap vergelijkbare deals voorkomen. Die zijn niet denkbeeldig. Recent reisde minister-president Rutte naar de Italiaanse premier Giorgia Meloni om te overleggen over mogelijke deals met landen als Tunesië en Libië. Want steeds meer migranten en vluchtelingen steken de zee over. Velen verdrinken daarbij. Dit soort deals zijn schandalig. Volgens het Vluchtelingenverdrag heeft ieder mens recht om asiel aan te vragen. Maar daarvoor moet je een land wel kunnen bereiken. Precies dat moest die Turkije-deal onmogelijk maken. Dat zullen ook eventuele toekomstige deals met landen als Libië of Tunesië doen: mensen tegenhouden nog vóór ze voet op onze bodem zetten. Het doel van dergelijke deals is dus eigenlijk: mensen buiten ons juridische territorium houden. En dus onze eigen wetten voor de omgang met vluchtelingen omzeilen. Dat is pervers. Je kunt dan niet langer beweren dat je de rechtsorde beschermt. Het doel is niet: mensen redden van mensensmokkelaars of de verdrinkingsdood – dat wordt vaak gezegd, maar dat is misleidend. Want er komen steeds meer mensen op gammele bootjes, omdat er geen alternatief is. Dan helpt het niet om onze grenzen nog geslotener te maken.</em></p>
<p><em>Met steeds meer grenshekken, bijvoorbeeld in Hongarije en Griekenland, maken we het steeds moeilijker Europa via land binnen te komen. Dan nemen migranten en vluchtelingen hachelijker routes en kunnen mensensmokkelaars nog meer geld vragen. Eind februari 2023 nog stierven 59 mensen die op een boot vanuit Turkije naar Italië probeerden te komen. Ondertussen schuiven Europese politici de schuld op mensensmokkelaars en vervolgt Italië burgers die migranten redden. </em></p>
<p><em>Mensen buiten ons rechtssysteem houden, dat doen we ook met zogeheten pushbacks. Migranten en vluchtelingen bij de grens met geweld terugduwen voor ze asiel hebben kunnen aanvragen. Zodat ze niet in onze procedures terechtkomen en wij ze fatsoenlijk moeten behandelen. Die Turkije-deal was in feite één grote pushback-operatie, op structureel niveau. En dan willen we nog meer van dit soort deals, met landen als Libië? Wij weten dat die tot grove misstanden gaan leiden. Libië is geen land waar orde heerst, allerlei partijen gaan hiervan profiteren. De UNHCR en Amnesty International hebben al vaak gerapporteerd dat migranten daar in een soort concentratiekampen worden gemarteld, verkracht en afgeperst. Ook de situatie in Tunesië verslechterd snel, reden waarom daar nu zoveel vluchtelingen het risico van een hachelijke overtocht nemen. </em></p>
<p><em>Áls je al zulke deals sluit, moet je er wel bij blijven staan en echt willen weten wat er daarna gebeurt. Je moet daar verantwoordelijkheid voor nemen. En de afspraken ook echt nakomen. Bij de Turkije-deal deden we dat niet. In Griekenland liep het enorm uit de hand. Maar wij wendden onze blik af. Nederland wast haar handen in onschuld zoals Pilatus wanneer hij doet wat het volk wil: het offeren van een onschuldig slachtoffer. We hielden ons niet bezig met hoe het de vluchtelingen en migranten verder verging. Bij de herverdeling van vluchtelingen over Europa gaven de Europese landen, waaronder Nederland, niet thuis. We schoven het probleem en de verantwoordelijkheid van ons af, naar Turkije en Griekenland. En lieten deze landen in de kou staan. In de discussies blijft trouwens nog een groep onbenoemd op wie we de verantwoordelijkheid ook afschuiven: grenswachters, militairen, politieagenten. Wij dragen als Nederlandse burgers verantwoordelijkheid voor het werk dat onze Koninklijke Marechaussee uitvoert in het kader van Frontex. Staan we stil bij de vraag of wij de grensbewakers misschien niet óók ‘ontmenselijken’ als uitvoerders van kil beleid? Iemand moet vuile handen maken als we willen dat de grenzen dicht blijven. In onze naam.</em></p>
<p><em>In filosofische discussies wordt voor de politiek die we met die dichte grenzen, pushbacks en Turkije-deals bedrijven de term ‘biopolitiek’ gebruikt, de ‘politiek van het naakte leven’. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben heeft daar veel over geschreven. Hij bedoelt: als mensen niet toegelaten worden tot het rechtssysteem, hebben ze niets meer dan hun naakte lijf. Ze worden gereduceerd tot hun naakte bestaan, een lichaam. Ze zijn geen burger of rechtspersoon meer. “De eigenlijke vraag is daarom bij de huidige vreemdelingenpolitiek niet: hoe krijg vluchtelingen hun recht? Maar: hoe komen vluchtelingen überhaupt aan rechten?” Ook voor de Duits-Joodse filosofe Hannah Arendt was dit een kritiek punt. Rechten zijn pas rechten als je ze kunt claimen, zei ze. Ze had het niet zo op het discours van ‘onvervreemdbare mensenrechten’. Dat klinkt mooi, maar daar heb je in de praktijk niks aan, zei ze. Het komt aan op de vraag of je je rechten ook kunt opeisen. De vraag is dus: hoe krijgen migranten en vluchtelingen toegang tot ons recht? Met het huidige vreemdelingenbeleid creëren wij vogelvrijen: mensen met wie je kunt doen wat je wilt omdat ze geen rechten kunnen claimen. Dat is een grof schandaal. Na de Tweede Wereldoorlog wilden we juist dat ook stateloze mensen rechten hadden. Dat niemand rechteloos was. Met zulke Turkije-deals ondergraaft Europa zijn ideologische grondslag. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (Rome, 1942) werd bekend door zijn boek Homo sacer. De soevereine macht en het naakte leven uit 1995. Het is een eerste deel uit wat een reeks van negen boeken zou worden. ‘Homo sacer’ is een begrip uit het oude Romeinse recht. Het stond voor de mens die vogelvrij was verklaard, of ‘heilig’ (sacer), en niet onder het menselijke of goddelijke recht viel. De homo sacer mocht daarom door iedereen straffeloos worden gedood; hij genoot geen rechten. Volgens Agamben is de vluchteling tegenwoordig ook zo’n homo sacer. Vluchtelingen leven in een soort grensgebied van het recht, een juridisch niemandsland, genieten geen volledige bescherming van de mensenrechten die ze juist zo nodig hebben, want ze gelden niet als burgers. Ze worden gereduceerd tot naakt leven, tot zoe, een Grieks begrip waarmee Agamben doelt op het louter natuurlijke leven. Ze worden verbannen uit de bios, een andere Griekse term waarmee hij duidt op het politieke leven waarin je rechten kunt claimen. Vluchtelingen zijn veroordeeld tot een leven op de drempel tussen die twee levensvormen in, het burgerrechtelijke en het naakte, onbeschermde. Voor zijn ideeën over het naakte leven laat Agamben zich inspireren door de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984), die veel heeft geschreven over ‘biopolitiek’. Dat gaat over de manier waarop machthebbers of politieke systemen het biologische, naakte leven van mensen beschermen, controleren en beïnvloeden, en soms zelfs vernietigen. Ook Auschwitz ziet Agamben als een vorm van biopolitiek.</em></p>
<p><em>De conjunctuur van asielzoekers in de EU wordt vooral bepaald door crises in landen van herkomst (bv. Joegoslavië, Syrië, Afghanistan). Het strenge visum en grensbeleid sinds c. 2000, schrikt niet af maar leidt vooral tot een forse toename van grensdoden (rechteras).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1631" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-1-300x176.png" alt="" width="300" height="176" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-1-300x176.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-1-768x452.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-1.png 835w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Uiteindelijk worden de aantallen asielzoekers niet bepaald door de pogingen ze tegen te houden. Veel doorslaggevender is wat er in de herkomstlanden gebeurt. Heel Europa merkt de gevolgen van wereldwijde conflicten, onzekerheid, inflatie en klimaatverandering, waardoor mensen naar dit relatief rijke continent willen komen. En hun aantal zal de komende jaren naar verwachting hoog blijven of zelfs verder stijgen. De afgelopen jaren ondervond Europa al de gevolgen van enkele conflicten aan de buitengrenzen. De Syrische Burgeroorlog en de Russische invasie van Oekraïne leverden miljoenen vluchtelingen op. Op de EU-top werd de verwoestende aardbeving in Turkije niet met het migratiedossier in verband gebracht; alle aandacht gaat uit naar hulpverlening aan de getroffenen. Maar de natuurramp maakt de buitengrenzen niet stabieler. Honderdduizenden mensen zijn ontheemd geraakt en er is heel weinig vooruitzicht op snel herstel. Een deel van de vluchtelingen zal op zoek gaan naar betere omstandigheden in Europa, bewakingsdrones of niet. Zoals de Portugese premier António Costa tijdens de EU-top zei: als de Middellandse Zee migranten niet kan tegenhouden, hoe groot is dan de kans dat een hek dat wel kan?</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1632" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-2-206x300.jpg" alt="" width="206" height="300" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-2-206x300.jpg 206w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-2.jpg 658w" sizes="(max-width: 206px) 100vw, 206px" /></p>
<p><em>Om uit die dodelijke patstelling te komen, sloot Duitsland onlangs een interessante deal met Gambia. In ruil voor toegang tot de Duitse arbeidsmarkt voor Gambianen, belooft Banjul illegale Gambianen uit Duitsland terug te nemen. Het is een experiment, met een niet al te groot Afrikaans land. Maar het is binnen Europa ook een </em><em>out-of-the-box</em><em> oplossing, die uitzicht kan bieden. Zowel op gereguleerde toegang als op ordelijke terugkeer. Het kan een lichtpuntje zijn. </em></p>
<p><em>Het probleem is niet dat migranten die geen kans maken op een vluchtelingenstatus Europa bereiken, maar dat ze – eenmaal aangespoeld – er vaak niet over peinzen terug te gaan. Voor de illegale overtocht hebben ze doodsangsten uitgestaan en duizenden euro’s geleend die terugbetaald moeten worden, veelal aan familie. Ook als het Europese bestaan tegenvalt, is terugkeer geen optie, dan liever nog een bestaan in de marge. Vergelijk het met de gemilitariseerde zuidgrens van de VS: hekken houden migranten daar evenmin tegen. Maar eenmaal de horde genomen, gaan weinigen meer terug, ondanks werkloosheid of heimwee. Zo bezien is het niet zo’n gek idee om de veerboten tussen Marokko en Spanje gewoon weer voor iedereen, ongeacht paspoort, open te stellen. Zo snijd je smokkelaars de pas af. Eerdere ervaringen met massale migraties leren dat open grenzen sowieso beter werken. Tussen 1840 en 1914 vertrokken meer dan vijftig miljoen Europeanen naar de Amerika’s, in de hoop op een beter bestaan. Nauwelijks grenscontroles destijds. En zelfs toen die werden ingesteld, met de ingebruikneming in 1892 van Ellis Island, in de baai van New York, werd hooguit één procent geweigerd. Toch besloot een derde na verloop van tijd weer terug te keren: omdat de straten niet met goud geplaveid bleken, ze hun draai niet konden vinden of omdat ze voldoende verdiend hadden voor hun oude dag.</em></p>
<p><em>Natuurlijk, deze vergelijking gaat deels mank. De VS, Argentinië en Brazilië waren destijds geen verzorgingsstaten. Migranten moesten hun eigen broek ophouden. Maar het is niet zo dat sociale voorzieningen automatisch een aanzuigende werking hebben. Hoewel velen in 2013, PvdA-minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher voorop, in 2013 nog waarschuwden dat ‘de dijken breken’ als de arbeidsmarkt voor Roemenen en Bulgaren open zou gaan, heeft het recht op vrije migratie binnen de EU niet tot ontwrichting geleid. Weliswaar is er sprake van verdringing op de arbeidsmarkt, maar de vrees dat Oost-Europa leeg zou lopen is niet bewaarheid.</em></p>
<p><em>Niet zo vreemd als we bedenken dat als je geen werk hebt, de toegang tot sociale zekerheid beperkt is en bijgevolg West-Europa erg duur is. Juist de arbeidsmarkt blijkt de migratie dus aardig te reguleren. Dat zagen we al eerder in de jaren zestig met ‘gastarbeiders’ uit Marokko, Tunesië en Turkije. Velen werden door het bedrijfsleven geworven, maar de meesten kwamen spontaan. Tuk op avontuur en verzekerd van een baan in de toenmalige hoogconjunctuur. Toen de economie in 1967 even inzakte, keerden velen prompt terug. Dat sterkte toenmalige politici en ambtenaren in hun overtuiging dat ‘tijdelijke gastarbeid’ werkt.</em></p>
<p><em>Hun gelijk hield stand totdat het kersverse kabinet Den Uyl in 1975, na het uitbreken van de oliecrisis, de werving stopte en aankondigde de grenzen voor arbeidsmigranten te sluiten. Net als nu werkte dat restrictieve vreemdelingenbeleid averechts. Turken en Marokkanen realiseerden zich opeens dat bij terugkeer de deur weleens voorgoed dicht zou kunnen vallen. Hun opgebouwde sociale en juridische rechten zouden ze dan kwijtraken. Logisch dus dat ze bleven. In plaats van terug te keren, maakten ze gebruik van hun recht om gezinsleden naar Nederland te halen. Niet toen onze economie hoogtijd vierde, maar gedurende een van de langste recessies die Nederland in de twintigste eeuw heeft gekend. Met alle sociale problemen van dien. Alle reden om die fout niet weer te maken en een systeem van open grenzen te overwegen, geflankeerd met een graduele entree tot sociale zekerheid.</em></p>
<p><em>Hoogleraar geschiedenis van migratie en integratie aan de Universiteit Leiden, lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen (KNAW) en directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam, Leo Lucassen, schrijft het al jaren: Immigranten worden gezien als probleem, maar zie ze eens als oplossing. Zet ze in waar ze nodig zijn. Maar dan moet onze mindset wel om. Zijn de vluchtelingen nu zeehondjes of wolven? De meeste voor- en tegenstanders van een ruimhartiger opvang zitten nog altijd opgesloten in het ‘zielig of bedreigend’- denkraam volgens Lucassen. Maar vluchtelingen zijn meer zijn dan het etiket dat ontvangende landen of hulporganisaties hen opplakken &#8211; hoe goedbedoeld soms ook. Zoals een Syrische vluchteling laatst een journalist toebeet: „Ik wil niet worden gereduceerd tot een hulpbehoevend slachtoffer, ik ben veel meer”. Daar had hij groot gelijk in. De Syriërs zijn in de kracht van hun leven. Zij zijn vaak goed opgeleid en hebben lef en initiatief getoond door een lange en gevaarlijke reis te ondernemen teneinde de ellende thuis te ontvluchten, maar ook om in Europa hun leven weer op te bouwen. Want gezien de uitzichtloze situatie in Somalië, Irak en Afghanistan zullen de meesten zich hier hoogstwaarschijnlijk permanent vestigen. Ook al zal een aantal de hoop op remigratie koesteren, de geschiedenis leert dat de werkelijkheid die verlangens vaak inhaalt. Het is van belang om, nu zij toch hier zijn en hier zullen blijven, zoveel mogelijk te profiteren van hun menselijk kapitaal. Dat is in het belang van de nieuwkomers en in ons welbegrepen eigenbelang. Dat betekent dat we niet alleen opvangplekken moeten zoeken, maar dat we hen ook onmiddellijk moeten screenen op wat ze kunnen en willen. Welke opleiding hebben ze afgerond en met welke diploma’s? Welke talen spreken ze? Welke bijscholing is er nodig en hoe kunnen we ervoor zorgen dat ze aan het werk komen in sectoren waar nu tekorten zijn? Dat scheelt uitkeringen, bevordert de integratie en versterkt de (vergrijzende) Europese economie.</em></p>
<p><em>Natuurlijk geldt dat niet voor iedereen. Mensen uit Somalië en Eritrea, landen waar onderwijs en normaal bestuur al decennia geleden zijn weggevaagd, kampen met grote integratieproblemen. Het zal minstens een generatie duren voordat zij zich een betere positie hebben verworven. Maar van veel anderen kan het menselijk kapitaal sneller worden benut. Deze visie lijkt langzaam maar zeker meer gehoor te krijgen, nu de arbeidstekorten structureel toenemen. Zo verklaarde de baas van Daimler al zeer geïnteresseerd te zijn in goed opgeleide vluchtelingen. En ook werkgeversvereniging VNO-NCW liet al in 2015 weten met het kabinet te willen overleggen om te bekijken hoe vluchtelingen uit Syrië snel aan werk kunnen worden geholpen.</em></p>
<p><em>Veel landen, Nederland voorop, hebben echter geen goed </em><em>trackrecord</em><em> in dit opzicht. In de jaren negentig van de vorige eeuw, toen de aantallen vluchtelingen bijna twee keer zo hoog waren als nu, duurde het jaren voordat beslissingen werden genomen op asielverzoeken. En ook daarna was er weinig oog voor wat de ex-vluchtelingen in huis hadden. Met als gevolg dat Iraanse chirurgen uit arren moede maar taxichauffeur werden of, erger, thuis op de bank verpieterden. Gelukkig doen hun kinderen het nu vaak bovengemiddeld goed op school, gestimuleerd door ouders die de waarde van onderwijs kennen. Maar intussen hebben we wel een hele generatie verloren laten gaan. Een proactief arbeidsmarkt beleid zou een ‘aanzuigende werking’ hebben en werd dus niet gevoerd. Deze mantra vormt samen met ‘precedentwerking’ een constante in het naoorlogs Nederlandse vreemdelingenbeleid. </em></p>
<p><em>Een land dat na de oorlog een efficiënt integratiesysteem heeft opgezet, is Israël. Dat zag zich namelijk geconfronteerd met een cultureel en taalkundig zeer gevarieerde immigrantenpopulatie (van Marokko tot Jemen tot Rusland). Wat je ook moge vinden van de staat Israël en de politieke en demografische gevolgen van de Aliyah (de terugkeer van Joden naar het land Israël) voor de oorspronkelijke Arabische en Palestijnse bevolking aldaar, de bijna twee miljoen immigranten die zich daar tussen 1948 en 1990 vestigden, hebben in hoge mate geprofiteerd van de centraal geregelde opvang. Een optimale integratie en allocatie van menselijk kapitaal stonden daarbij centraal. Met name hoger opgeleiden kregen onmiddellijk een intensieve cursus Hebreeuws in de zogenoemde Ulpan scholen. Tegelijkertijd werden hun vaardigheden in kaart gebracht. Aanvankelijk opgevangen in ‘absorptie’ kampen en golfplaten huisjes, kregen de immigranten een bescheiden financiële ondersteuning met als tegenprestatie een actieve participatie in door de overheid aangeboden taalcursussen en bijscholing. Vervolgens werden ze verspreid over het land en daar geplaatst waar ze, mede gelet op hun beroepservaring, het meest nodig waren.</em></p>
<p><em>Dichter bij huis is er het voorbeeld van de 300.000 repatrianten uit Nederlands-Indië die na de oorlog massaal de wijk naar Nederland namen (drie procent van de toenmalige bevolking). Hoewel het eenzijdige assimilatiebeleid later veel kritiek heeft gekregen, was ook hier alles erop gericht hen zo snel mogelijk in huizen en aan het werk te krijgen. De regering, onder leiding van Willem Drees, stond bepaald niet te wachten op deze vluchtelingen uit de voormalige kolonie. Het land (destijds 10 miljoen inwoners) was namelijk ‘overvol’ en Nederlanders werden actief aangespoord hun geluk overzee te zoeken. Achter de schermen deden bureaucraten er alles aan het aantal vluchtelingen, met name zij die te veel ‘Indisch bloed’ hadden, zo klein mogelijk te houden. Maar ‘</em><em>frontstage</em><em>’ benadrukte Drees dat het Nederlanders waren die terugkeerden naar het vaderland, vandaar de term ‘repatrianten’, ook al waren de meesten hier nog nooit geweest. Die positieve ‘spin’ van de overheid was hard nodig, want de woningnood was torenhoog en het land was bijna aan de bedelstaf na de aftocht van de Duitse troepen. De beslissing om vijf procent van de woningwetwoningen voor de Indische groep te reserveren, na de aanvankelijke opvang in contractpensions en kampen, leidde dan ook tot gemor onder de Nederlandse bevolking. Aangezien de werkloosheid na de oorlog aanvankelijk steeg, tot vijf procent in 1952, spanden gemeentelijke arbeidsbureaus zich zeer in om de repatrianten zo snel mogelijk aan het werk te krijgen. Met speciale Indische adviseurs om de integratie op de arbeidsmarkt te bevorderen.</em></p>
<p><em>Natuurlijk zijn er grote politieke en culturele verschillen tussen deze twee voorbeelden en de huidige vluchtelingen. Ze hebben echter met elkaar gemeen dat het in ieders belang is (inclusief dat van de vluchteling zelf) om nieuwkomers zo snel mogelijk aan het werk te helpen en optimaal van hun kwaliteiten te profiteren. Of we nu staan te juichen bij de huidige komst van vluchtelingen of er fel tegen zijn, als ze er eenmaal zijn, profiteer er dan ook van. Want het mes snijdt hier aan twee kanten.</em></p>
<p><em>Een essentiële voorwaarde is wel dat we onze mindset drastisch moeten veranderen. Niet langer moeten we vluchtelingen primair als een probleem, bedreiging of object van naastenliefde beschouwen, maar allereerst moeten we hen zien als een bron van menselijk kapitaal. In het geval van de Syriërs, maar hetzelfde geldt voor veel Iraniërs en Irakezen, gaat het om overwegend hoogopgeleiden uit de rijkere bovenlaag wier woonwijken door Assad systematisch werden gebombardeerd, omdat hij hen als een bedreiging voor zijn dictatoriale regime beschouwt.</em></p>
<p><em>Het vergrijzende en demografisch krimpende Europa kan deze mensen goed gebruiken. Zo daalde de bevolking van Duitsland tussen 2010 en 2014 met 1,5 miljoen. De </em><em>braindrain</em><em> voor Syrië kan, hoe cynisch wellicht ook, een </em><em>braingain</em><em> voor Europa betekenen. Dan moet het mentale roer wel om. Zelfs indien dit jaar (2023) het aantal vluchtelingen van buiten Europa zou, dan maken ze over een paar jaar hooguit één procent van de Europese bevolking uit, inclusief de vluchtelingen die er al zijn. </em></p>
<p><em>Rest de vraag wat te doen met degenen die niet worden erkend als vluchteling. Een oplossing die duizenden doden scheelt en mensmokkelaars het brood uit de mond stoot, is hen gewoon toelaten, maar het sociale verzekeringsstelsel afschermen. De grens dus niet aan de buiten-, maar aan de binnenkant. Als ze een baan vinden en premies betalen, bouwen ze vanzelf geleidelijk sociale rechten op. De honderden miljoenen die we nu uitgeven aan de bewaking van de buitengrenzen door Frontex en aan symbolische hekken, kunnen we dan inzetten voor een goede controle van de arbeidsmarkt &#8211; teneinde te voorkomen dat de nieuwe arbeidsmigranten door werkgevers worden uitgebuit en autochtonen oneerlijke concurrentie wordt aangedaan.</em></p>
<p><em>Is het juist openstellen van de grenzen luchtfietserij? Het is in wezen niet anders dan de vrijheid van beweging en toegang tot de arbeidsmarkt die we binnen de EU al kennen. En dat werkt heel redelijk. Zo hebben sinds 1 januari 2014 Roemenen en Bulgaren geen werkvergunning meer nodig, maar het door Lodewijk Asscher in september 2013 in een paginagrote ingezonden brief voorspelde ‘breken van de dijken’ is uitgebleven. Dat is niet zo vreemd, want zij die hier geen werk vinden, hebben niet zomaar recht op een uitkering en merken dat het leven in West-Europa erg duur is. Dit leidt tot veel pendelen; alleen degenen die succesvol zijn op de arbeidsmarkt kunnen het zich veroorloven zich permanent te vestigen. De houdbaarheid van het sociale stelsel komt niet in gevaar. Sterker nog, per saldo blijken Oost-Europeanen netto bij te dragen aan het sociale stelsel.</em></p>
<p><em>Is een uitbreiding van dit interne EU-principe politiek onhaalbaar is, dan valt wat betreft arbeidsmigranten te denken aan het (Canadese) puntensysteem of aan een green card-stelsel. Duidelijk is in ieder geval dat het huidige beleid vooral onbedoelde effecten heeft. Het houdt arbeidsmigranten niet tegen, maar voorkomt vooral dat ze niet meer weggaan &#8211; ook als ze niet aan de bak komen. Daarvoor hebben ze te veel betaald aan mensensmokkelaars en te grote risico’s genomen. In plaats van door te gaan op de weg van afschrikking, is de huidige vluchtelingencrisis een uitgelezen kans het Europese migratiebeleid fundamenteel te herijken.</em></p>
<p><em>Het is onbegrijpelijk dat de Deense sociaaldemocraten niet uit de Europese fractie zijn gegooid. Ze criminaliseren vluchtelingen en handelen in strijd met het Vluchtelingenverdrag. Al in 2016 werd in Denemarken een wet aangenomen die het mogelijk maakte om juwelen, geld en andere waardevolle voorwerpen van asielzoekers bij de grens in beslag te nemen, met als argument dat daarmee hun opvang betaald kon worden. En ze wil Syrische statushouders terug wil gaan sturen naar de regio Damascus, omdat het daar inmiddels rustig en veilig genoeg zou zijn ondanks bewijzen dat terugkeerders gemarteld en vermoord worden. En als klap op de vuurpijl wil men, net als de rechtse regering in het VK, vluchtelingen, bijv. uit Syrië en Afghanistan afvoeren naar Rwanda (dat eerder 4000 asielzoekers accepteerde uit Israël tegen betaling). </em></p>
<p><em>Het is beschamend dat Lodewijk Asscher serieus overwoog het Deense asielbeleid tot voorbeeld te nemen, nadat de man uit zijn fractie die de volkshuisvesting had helpen slopen, Jacques Monasch, al eerder tot rechts migratiebeleid had opgeroepen. Al deze maatregelen zijn erop gericht om het streven van de zich sociaaldemocratische noemende minister-president Mette Frederiksen naar ‘</em><em>zero</em><em>’ asielzoekers te verwezenlijken. Door de afschrikkende werking hoopt de regering dat asielzoekers wel twee keer nadenken voordat ze naar Denemarken komen. Als we naar de cijfers kijken, dan lijkt dat beleid succesvol. Na een piek van 21.000 in 2015 is het aantal meer dan gedecimeerd tot iets meer dan 1.500 in 2020. Daarmee gaan de sociaal-democraten verder dan eerdere voorstellen van de radicaal-rechtse Dansk Folkeparti (een soort PVV). Dit radicale beleid, dat inmiddels fel is bekritiseerd door de UNHCR en waarbij de Europese Commissie ook zegt fundamentele vragen te hebben, staat haaks op de principes van het Vluchtelingenverdrag van 1951. Het basisidee daarvan is namelijk dat mensen wier asielverzoek wordt goedgekeurd daarmee worden toegelaten tot de nieuwe samenleving om daar een nieuw leven op te bouwen als nieuwe burgers. Dat bevordert het integratieproces en maakt het mogelijk toekomstplannen te maken voor henzelf en hun kinderen.</em></p>
<p><em>Met de wet die het mogelijk maakt Syriërs terug te sturen, kunnen statushouders die minder dan tien jaar in het land verblijven, hoe goed ze ook zijn geïntegreerd, alsnog de deur worden gewezen. Het gevolg laat zich raden: tweederangs-burgerschap, permanente onzekerheid en marginalisering. Ook het Rwanda-plan druist in tegen de grondregels van het internationale vluchtelingenverdrag, omdat het asielzoekers deels overlevert aan regimes van landen, die – zacht gezegd – weinig op hebben met mensenrechten, en omdat het plan vluchtelingen zelfs na erkenning van het asielverzoek in feite aan hun lot overlaat. Denemarken gaat hier overigens maar één stap verder dan de Europese Unie. De Turkijedeal en daaropvolgende afspraken met Afrikaanse landen als Tsjaad en Mali om migranten tegen te houden die via de Sahara naar Noord-Afrika willen reizen, zijn evenzeer vormen van externalisering van het migratie- en vluchtelingenbeleid. Met de bedoeling het hun zo moeilijk mogelijk te maken om in Europa asiel aan te vragen. Ondanks de internationale kritiek is de kans dat het Deense voorbeeld door andere EU-lidstaten zal worden gevolgd dan ook helemaal niet denkbeeldig. Het idee dat het aantal asielzoekers zoveel mogelijk moet worden beperkt en dat afschrikking daarbij helpt, beperkt zich immers niet tot Kopenhagen. Dat nota bene een sociaaldemocratische regering dergelijke radicale xenofobe maatregelen neemt, wordt vaak vooral gezien als een strategische keuze om radicaal-rechts de wind uit de zeilen te nemen. Los van de vraag of dat ook echt werkt (de partij van Frederiksen won in 2019 slechts één zetel, terwijl de radicale socialisten en sociaalliberalen er respectievelijk zeven en acht wonnen), gaat dat idee voorbij aan een specifieke Scandinavische sociaaldemocratische visie op burgerschap. Zo steunen de sociaal-democraten ook de ‘ghetto deal’ van de vorige (rechtse) regering om bewoners van als ‘ghetto’ aangemerkte wijken – met meer dan 50 procent immigranten – strenger te straffen, inclusief familieleden van criminelen. Verder is het plan om een deel van de goedkope woningen af te breken en bewoners te dwingen zich elders te vestigen. Dat de regering vooral geobsedeerd is door het – maar zeer ten dele door feiten ondersteunde – beeld van islamisering en parallelle samenlevingen verklaart waarom arme autochtone wijken met rust worden gelaten.</em></p>
<p><em>Deze mix van afschrikking en gedwongen eenzijdige assimilatie wortelt in sociaaldemocratische idealen die zich in de jaren dertig in landen als Noorwegen, Zweden en Denemarken ontwikkelden. Centraal stond het idee van de ‘</em><em>folkhemmet’</em><em>, de staat als het huis van het volk. Deze vorm van socialisme legde meer nadruk op de etnische en sociale overeenkomsten tussen burgers dan op klassentegenstellingen. De staat werd gezien als heropvoeder en burgers die zich daaraan onttrokken (de ‘asocialen’) werden geconfronteerd met eugenetische maatregelen, inclusief gedwongen sterilisatie. Dat lot trof ook culturele minderheden als de Sami. Inmiddels heeft zich een tweede ‘sociale kwestie’ aangediend en zijn de vermeende ‘onaangepaste’ autochtonen van weleer vervangen door immigranten, die opnieuw met een extreem repressief beleid worden aangepakt.</em></p>
<p><em>Overigens is de totale migratie naar Denemarken per hoofd van de bevolking veel hoger (bijna vier maal zoveel!) dan in Nederland, wat het ‘succes’ van alle bizarre beperkingen behoorlijk relativeert:</em></p>
<p><em><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1633" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-3-300x280.jpg" alt="" width="300" height="280" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-3-300x280.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-3-768x717.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-3.jpg 900w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /> </em></p>
<p><em>Bij de zoektocht naar oplossingen voor de vluchtelingenproblematiek en het ervaren gebrek aan grip op asielmigratie, weerklinkt in Nederland met enige regelmaat de roep om het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties (VN) op te zeggen of aan te passen. Omdat dit verdrag uit 1951 niet meer van deze tijd zou zijn. Omdat het nooit bedoeld zou zijn geweest voor de huidige aantallen vluchtelingen en omdat het Nederland zou beperken om eigen keuzes te maken in het asielbeleid. In het regeerakkoord van Kabinet-Rutte III was afgesproken om een studie te laten uitvoeren naar de vraag of het Vluchtelingenverdrag nog wel ‘bij de tijd zou zijn’ om ‘een duurzaam juridisch kader te vormen voor het internationale asielbeleid van de toekomst.’ Op basis van een door Donner en Den Heijer uitgevoerde verkenning, concludeerde het kabinet dat opzegging of wijziging van het verdrag weinig toegevoegde waarde heeft. Inzet op verbetering van de Europese asielsamenwerking is nuttiger. Is daarmee de kous af? Nee, toch niet, het voorstel tot opzeggen of wijzigen komt namelijk steeds weer terug. </em></p>
<p><em>Waarom heeft het dan zo weinig zin om het verdrag op te zeggen of aan te passen? Het Vluchtelingenverdrag zelf kent geen herzieningsprocedure om het verdrag aan te passen. Nederland zou daarom via de Algemene Vergadering van de VN om een aanpassing van het verdrag moeten verzoeken. Alle betrokken verdragspartijen moeten het vervolgens eens zijn met die aanpassingen. In het verdrag en ook in het Protocol van 1967 – waarin de werkingssfeer van het verdrag werd uitgebreid – is wel geregeld dat een land zelf uit het verdrag kan stappen. Maar omdat het verdrag (en het protocol) onderdeel uitmaken van de verdragen van de Europese Unie, moeten die verdragen ook gewijzigd worden, of het moet komen tot een Nexit.</em></p>
<p><em>Opzegging of wijziging van het Vluchtelingenverdrag betekent dat Nederland diplomatieke schade op het wereldtoneel lijdt en zich op politiek en economisch vlak isoleert in Europa. Inhoudelijk levert het daarbij ook nog eens niets op. In het Unierecht, en via het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens is het asielrecht namelijk veel meer uitgewerkt en gaan de afspraken ook verder dan de rechten en verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag. De definities zijn bijvoorbeeld breder: ook mensen die vluchten voor grootschalig willekeurig geweld krijgen bescherming. Het Unierecht bepaalt hoe de asielprocedure moet worden ingericht en welke waarborgen daarbij gelden. Die waarborgen staan niet expliciet in het Vluchtelingenverdrag. Ook zonder Vluchtelingenverdrag is Nederland hoe dan ook aan deze Europese afspraken gebonden.</em></p>
<p><em>Het is belangrijk dat Nederland partij is en blijft bij het Vluchtelingenverdrag. Multilaterale verdragen vormen een belangrijk onderdeel van de internationale rechtsorde. Na de Tweede Wereldoorlog en de oprichting van de VN is er een aantal mensenrechtenverdragen opgesteld. Het Vluchtelingenverdrag is een van die fundamentele verdragen. Het heeft als kernwaarde dat als een land een burger niet langer bescherming kan of wil bieden, een ander land deze bescherming ‘overneemt’ en dat die persoon niet wordt teruggestuurd naar een land waar hij of zij gevaar loopt.</em></p>
<p><em>De bescherming van vluchtelingen is niet enkel een Europees maar juist een mondiaal vraagstuk. Het merendeel van de vluchtelingen &#8211; zo’n 85 procent &#8211; zoekt toevlucht in de vaak armere regio&#8217;s rondom het land van herkomst. Het is dan ook van belang dat deze landen hun grenzen openhouden, bescherming blijven bieden en zich hierbij gesteund weten door de rest van de wereld. Het Vluchtelingenverdrag vormt de (enige) breed gedeelde normatieve grondslag voor het gezamenlijk realiseren van vluchtelingenbescherming op basis van internationale solidariteit. Internationale verdragen maken fatsoenlijke, beheersbare afspraken mogelijk tussen landen met heel verschillende belangen: die van eerste opvang, bestemmings- en asielverlenende landen, landen van herkomst. Het belang van het Vluchtelingenverdrag als uitgangspunt voor deze afspraken is bij het opstellen van het Global Compact on Refugees in 2018 nogmaals bevestigd.</em></p>
<p><em>Nederland is sinds 1956 aangesloten bij het Vluchtelingenverdrag, dat samen met andere normatieve multilaterale verdragen het fundament vormt van de internationale rechtsorde. Artikel 90 van de Grondwet geeft de regering zelfs expliciet de taak om de internationale rechtsorde te bevorderen. Hieronder valt ook het waarborgen van mensenrechten en het bevorderen van de naleving van internationale regels. De werking van het Vluchtelingenverdrag verzwakken of opzeggen gaat daarmee in tegen de geest van de Nederlandse Grondwet. En die Grondwet dient bij uitstek het nationaal belang.</em></p>
<p><em>Het opzeggen van het Vluchtelingenverdrag is daarmee een &#8211; op het oog stoere – maatregel, die vooral diegenen treft die echt bescherming nodig hebben gezien de realiteit van de opvang in de regio, die wederkerige afspraken op de tocht zet (‘als jij niet meer meedoet, waarom zou ik dan nog meedoen?’) en die afbreuk doet aan de werking van de internationale rechtsorde.</em></p>
<p><em>Geen term die je zo vaak hoort in het migratiedebat als ‘draagvlak’, veelal op bezorgde toon uitgesproken. Dit draagvlak-pessimisme is echter onterecht: er is namelijk ook steun voor migratie, en die is zelfs redelijk stabiel. Wel is onderhoud van het draagvlak permanent nodig. En dat kan, door migranten niet steeds af te schilderen als een bedreiging en door in te zetten op het verminderen van het bredere maatschappelijk ongenoegen. </em></p>
<p><em>Het maatschappelijk draagvlak voor immigratie in Nederland is al jarenlang behoorlijk stabiel, met een kleine meerderheid vóór en een forse minderheid tegen, blijkt uit studies (SCP, Universiteit Groningen). Ook Europees onderzoek laat stabiliteit zien: tussen 2012 en 2016  is het negatieve sentiment ten aanzien van migratie niet toegenomen, zeker niet in de West-Europese en Zuidelijke landen. Deze maatschappelijke steun verschilt wel per type migrant. Het Sociaal Cultureel Planbureau stelt in de sociale staat van Nederland dat voor personen die vanwege de politieke situatie hun land verlaten, de deur bijna altijd openstaat. Dat vindt 87% in 2017/2018.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1634" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-4-300x242.jpg" alt="" width="300" height="242" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-4-300x242.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-4-768x619.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Asiel-4.jpg 830w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Het </em><em>aantal </em><em>migranten op zichzelf blijkt niet bepalend voor het draagvlak. Vaak gaat het over het ‘absorptievermogen’. Maar de samenleving is geen keukendoekje of spons; wat een samenleving aan kan is geen vaststaand, statisch gegeven. Mensen wennen naar verloop van tijd aan elkaar; er ontstaat een vorm van ‘alledaagse diversiteit’. </em></p>
<p><em>Cruciaal is hoe migranten vervolgens worden ingebed in de samenleving. Als zij een baan en inkomen hebben, vinden mensen de aanwezigheid van migranten vaker prima, omdat ze een waardevolle bijdrage aan de samenleving leveren. Dat verklaart waarom in Canada bijvoorbeeld &#8211; waar meer migranten werken &#8211;  er een minder geprikkeld gesprek is over migratie. En wederzijds contact pakt ook positief uit &#8211; zelfs bij mensen die aanvankelijk negatief zijn ten aanzien van migranten. Veel van de buurten waar tijdens de ‘vluchtelingencrisis’ azc’s zijn gekomen, staan helemaal niet negatiever ten aanzien van migranten, ook waarschijnlijk omdat er veel aandacht is voor het samenleven in de buurt. </em></p>
<p><em>Hoewel het maatschappelijk draagvlak behoorlijk stabiel is, zijn de verschillen qua opvattingen wel toegenomen: sinds de ‘vluchtelingencrisis’ zijn mensen die politiek rechts van het spectrum staan negatiever geworden ten opzichte van immigratie en zij die links van het spectrum staan positiever. Ook zijn er grote en groeiende verschillen als het gaat om opleidingsniveau van mensen en hun visie op het brede thema migratie. Hoger opgeleiden, en dan vooral de academici, en lager opgeleiden staan hier behoorlijk tegenover elkaar, terwijl de middelbaar opgeleiden steeds meer op de lager opgeleiden gaan lijken. Hoger opgeleiden zien in processen van globalisering vooral kansen, lager opgeleiden vooral onzekerheid.</em></p>
<p><em>Polarisatie ontstaat ook door hoe politici en media migratie ‘framen’. Als migranten worden afgeschilderd als een potentiële bedreiging &#8211; ‘profiteurs’ of ‘gelukszoekers’ &#8211; in plaats van als een waardevolle bijdrage of als ‘mensen die hulp nodig hebben’, ontstaat er een voorkeur voor een restrictiever beleid. Hetzelfde geldt voor het schetsen van beelden als  ‘overspoeld door vluchtelingen’, ‘vluchtelingenstromen’ of ‘massamigratie’ &#8211;  alsof er sprake is van een oncontroleerbare natuurramp. Politici worden zo niet de vertolker van de stem van het volk maar de aanjager van onvrede. Die framing verklaart waarschijnlijk ook waarom mensen het aantal migranten, het aantal asielaanvragen en het aantal moslims enorm overschatten. Nee, er zijn in Nederland geen 19% moslims maar 6%. Nee, we hebben hier niet 20% migranten maar 11%. </em></p>
<p><em>Negatieve gevoelens ten aanzien van migratie komen niet altijd door migratie; ze zijn ook een spiegel van maatschappelijk ongenoegen. Minder steun voor migratie in een land betekent vaak dat er weinig sociaal vertrouwen is in de samenleving. Mensen zijn bang om hun baan of maatschappelijke positie kwijt te raken, of vrezen dat voor hun kinderen. Ze denken of ervaren dat ze met migranten in competitie zijn om schaarse middelen, zoals banen en huisvesting. Wie dus denkt dat het draagvlak voor migratie enkel met migranten te maken heeft schiet mis: het gaat net zo goed over het totaal aan onvrede dat zich uitstrekt van gebrek aan maatschappelijke erkenning tot wantrouwen ten aanzien van de overheid. Of zoals de sociaal-psycholoog Postmes concludeert: ‘De kern van hun zorg op migratiegebied ligt dus niet bij migranten als groep, maar bij hoe de overheid ‘ons’ behandelt’. </em></p>
<p><em>Draagvlak, kortom, heeft minder te maken met ‘aantallen migranten’ maar meer met de behoefte aan controle, de wijze van politieke framing, de maatschappelijke inbedding van migranten én met de bredere ontwikkelingen in de samenleving, zoals toenemende ongelijkheid. Wie bezorgd is over het mogelijk tanende draagvlak voor migratie moet al die thema’s aanpakken. Dat is bij uitstek een taak voor linkse politiek. Draagvlak voor solidaire politiek is nooit een gegeven, maar een opdracht voor linkse politici.</em></p>
<p><em><u>Grip op migratie kan maar beperkt</u></em></p>
<p><em>‘Grip op migratie’, waartoe velen oproepen, is in belangrijke mate een illusie. Zeker als dat gaat om asielmigratie. Betekent dat, dat we dan maar de bevolking ongeremd met migratie moeten laten groeien? Nee, dat is het andere uiterste. Maar allereerst past de feitelijke constatering dat migratie niet de oorzaak is van de schaarste aan woningen, aan zorg, aan bestaanszekerheid. Integendeel zelfs, voor een deel kan migratie zelfs de oplossing bieden, mits je het goed (circulair, snel, veilig, met goede integratie) organiseert. In de tweede plaats is het, naast uit economische ook uit rechtvaardigheidsoverwegingen, van belang dat we afscheid nemen van de op uitbuiting gebaseerde lage loneneconomie en van een kenniseconomie die gebaseerd is op gesubsidieerde expats, en de arbeidsmigratie vooral circulair organiseren rondom tekortberoepen en dat gepaard laten gaan met veel betere, effectievere integratie. Dat zal ook een betekenisvolle afname impliceren van de gezinsmigratie.  Asielmigratie moet juist ruimer en veiliger worden, met veel betere en snellere integratie, waarbij veilige en effectieve legale vormen van arbeidsmigratie in belangrijke mate de prikkel wegneemt voor kansloze asielzoekers uit veilige landen. Studiemigratie heeft een te grote omvang gekregen, maar we moeten de internationale oriëntatie van ons hoger onderwijs niet ondermijnen en instellingen in grensregio’s niet in gevaar brengen – het is prima om kritisch te kijken welke studies (ook) in het Nederlands moeten worden aangeboden, maar waak hier voor te grote verwachtingen en veranderingen. </em></p>
<p><em><u>Een nieuwe koers voor migratiepolitiek </u></em></p>
<p><em>In plaats van het verdienmodel van mensensmokkelaars te bevorderen en ons te laten chanteren door dubieuze regimes in transitlanden kiezen we voor regulering van veel meer legale migratie. Eenmaal hier organiseren we snelle en effectieve integratie, met vertrouwen en dus niet met dwang. Met veel gratis publiek georganiseerde facilitering van (taal)onderwijs en zo snel mogelijk werk, en met goed georganiseerde opvang en huisvesting. </em></p>
<p><em>Met onze vergrijzing hebben we steeds grotere arbeidstekorten – migratie geeft daarbij een deel van de oplossing, en is daarom niet bedreigend, maar juist een kans. Onze geschiedenis laat bij uitstek zien dat de impuls van nieuwe migranten ons vooral steeds verder gebracht heeft in onze ontwikkeling. Mits we het goed organiseren, kunnen we dat prima aan. Met goede scholing en arbeidservaring, en niet het risico lopen van gesloten grenzen na remigratie, kan migratie ook een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van de landen van herkomst, na terugkeer van een deel van de migranten. </em></p>
<p><em>De arbeidsmigratie binnen de EU heeft een aantal andere problemen blootgelegd. Niet alleen dat een deel van de werkgevers en uitzendbedrijven hen stelselmatig uitbuiten, maar ook dat het heeft gezorgd voor een type werk dat wordt gekenmerkt door slechte betaling, extreme flexibiliteit en beroerde arbeidsvoorwaarden. Dat geldt bovendien voor economische bedrijvigheid waarvan we ons kunnen afvragen of we die nog wel moeten willen (glastuinbouw, bezorgdiensten), maar ook voor werk dat wordt gedaan door wat SP’er Ron Meijer de ‘onmisbaren’ noemt. Goede voorbeelden zijn de zorg, de schoonmaakbranche en de bevrachters op Schiphol. Dit is dan ook het moment om werkgevers meer onder druk te zetten. Laat ze werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt beter betalen en arbeidsvoorwaarden verbeteren, zodat mensen die nu nog aan de kant staan een fatsoenlijke baan kunnen krijgen. </em></p>
<p><em>Migranten komen niet naar Nederland voor een uitkering, maar om te werken of om samen te kunnen zijn met hun gezin. Voor asielzoekers speelt het vinden van bescherming een rol. Voor veel migranten zijn het &#8216;vinden van betere arbeidsperspectieven’ maar ook de ‘aanwezigheid van sociale netwerken’ in Nederland van invloed op hun migratie keuze. Het is een mythe dat migranten vertrekken om goede sociale voorzieningen elders te krijgen. Voor ‘bijstandstoerisme’ of ‘een aanzuigende werking’ van onze verzorgingsstaat bestaan weinig aanwijzingen. Migranten gaan niet massaal naar landen met de meest ontwikkelde verzorgingsstaat of met de meest gunstige sociale zekerheid zoals bijvoorbeeld de Scandinavische landen die kennen. Integendeel: velen reizen af naar Spanje (zoals de Roemenen) of het Verenigd Koninkrijk (bijvoorbeeld de Polen). Dat zijn juist landen met betrekkelijk beperkte verzorgingsstaat voorzieningen en een relatief laag bijstandsniveau. Veel migranten, veelal jong en vaak ook in de gezinsvormende fase van hun leven, hebben meestal helemaal geen gedetailleerde kennis over onze verzorgingsstaat. Net als de meeste mensen oriënteren zij zich hier pas op wanneer het aan de orde is in een bepaalde levensfase. En wie alleen naar Nederland zou komen voor een uitkering komt bedrogen uit. Je kán helemaal geen bijstandsuitkering aanvragen als je de grens passeert. Asielzoekers krijgen onderdak en leefgeld van 59 euro per week. Europese migranten kunnen hun verblijfsrecht verliezen als ze zich melden bij de sociale dienst. En ook een WW-uitkering wacht niet op je aan de grens. Daarvoor moet je als migrant &#8211; net als iedereen &#8211; een arbeidsverleden hebben opgebouwd. Ook is het grote onzin dat de tekorten in onze verzorgingsstaat komen door een te hoge instroom van migranten – die tekorten zijn veroorzaakt door slecht, neoliberaal beleid. Het is de typische zondebokkenstrategie van extreemrechts om migranten als oorzaak van problemen aan te merken.</em></p>
<p><em>Het aantal Oost-Europese migranten &#8211; de grootste groep migranten op dit moment in Nederland &#8211; met een bijstandsuitkering is betrekkelijk gering. Het gaat om 1,8 procent in vergelijking tot 2,3 procent onder burgers van Nederlandse origine, al is er wel een lichte stijging. Oost-Europese arbeidsmigranten maken wel vaker gebruik van een WW-uitkering. Dit heeft te maken met hun kwetsbare positie op de arbeidsmarkt: ze werken veelal in de laaggeschoolde en flexibele sectoren van de arbeidsmarkt. Ook voor Nederlanders met dezelfde kenmerken geldt dat zij vaker een WW-uitkering hebben. Veel migranten die werkloos worden vertrekken echter ook weer uit Nederland en doen geen beroep op WW.</em></p>
<p><em>Voor hoger opgeleide arbeidsmigranten kunnen bepaalde voorzieningen die de verzorgingsstaat biedt wel cruciaal zijn voor de keuze van het bestemmingsland. Omdat het vaak (jonge) gezinnen zijn, gaat dat dan vooral om goede gezondheidszorg, kinderopvang en onderwijs voor de kinderen, verlofregelingen etc. Maar juist op deze elementen van de verzorgingsstaat scoort ons land helemaal niet zo goed. Kennismigranten met kinderen voelen zich daarom sneller aangetrokken tot de Scandinavische landen waar de voorzieningen betaalbaarder en professioneler zijn. Ook Duitsland streeft Nederland op dit punt inmiddels voorbij. </em></p>
<p><em>In het verleden kwamen migranten evenmin naar Nederland om van de verzorgingsstaat te genieten. Eind jaren zestig werden ongeschoolde werknemers geworven, en stortte de economische sector waarin zij werkten kort daarna in. De toen nog royalere verzorgingsstaat keerde relatief veel uitkeringen uit, voornamelijk voor arbeidsongeschiktheid. Maar vergeleken met toen én met de ons omringende landen, is het Nederlandse sociale zekerheidstelsel inmiddels behoorlijk versoberd. Asielstatushouders, de kleinste groep migranten, vragen wel relatief vaker een bijstandsuitkering aan. Dit is veelal terug te voeren op de gevolgen van hun vluchtervaringen en de gebrekkige aansluiting met de arbeidsmarkt, en de zeer gebrekkige hulp daarbij.</em></p>
<p><em>De integratie van statushouders in Europa moet veel meer prioriteit krijgen, zodat zij hun capaciteiten veel sneller kunnen benutten. Maar daarmee zijn we er niet. Gezien de demografische ontwikkelingen in de EU, met een krimpende en sterk vergrijzende bevolking, is arbeidsmigratie – of we dat leuk vinden of niet – in alle lagen van de arbeidsmarkt onvermijdelijk. Het beleid zal alleen succesvol zijn als het onderdeel is van een veel breder pakket van sociale maatregelen dat niet alleen de belangen van het kapitaal dient, maar ook die van arbeid. Al was het alleen maar omdat het politieke draagvlak voor migratie in de houdgreep van het rechts-populisme zit.</em></p>
<p><em>Voor negen van de tien migranten is er geen plicht tot inburgeren. Van meet af aan gold de inburgeringsplicht niet voor nieuwkomers uit andere EU-lidstaten. Dit is de grootste groep die vorig jaar bijvoorbeeld 106.000 personen telde. Ook arbeidsmigranten en studenten van buiten de EU en hun gezinsleden zijn vanwege het tijdelijk karakter van hun verblijf niet inburgeringsplichtig. In 2021 deed men vanuit die groep 46.660 aanvragen. Daarnaast zijn minderjarigen (leerplicht) en 67-plussers op grond van hun leeftijd vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Uit de jaarrapportage arbeidsmigranten blijkt dat er momenteel in totaal zo&#8217;n 611.000 Europese arbeidsmigranten in Nederland zijn, van wie ruim 375.000 uit Oost-Europa. De grootste groep arbeidsmigranten komt uit Polen. Het werk dat de Polen hier verrichten wordt door hen veelal met volle overgave gedaan en dat weten de Nederlandse werkgevers. Niet zelden gaat het om fysiek zwaar werk dat ook nog eens gekoppeld is aan flexibele arbeidscontracten. Denk aan het seizoenswerk, het werken in de vleessector of in de bouw. De Polen maken lange dagen en hebben daarom geen tijd om de Nederlandse taal te leren. Maar ook de werkgevers zijn vaak &#8211; gelet op het tijdelijke karakter van het werk &#8211; niet geneigd om in deze werknemers te investeren qua inburgering. Dat wordt al snel als te kostbaar gezien. Een deel van deze migranten keert inderdaad na het gedane werk terug naar het herkomstland. Gemiddeld één op de twee EU-migranten en één op de drie migranten van buiten de EU vertrekken binnen drie jaar (CBS). Maar zoals het SCP-rapport uit 2018 aantoonde wil een ruime meerderheid van de Polen langer in Nederland verblijven en hier bouwen aan een toekomst. Vooral de groep van 25-35-jarigen wil zich verder ontwikkelen wat werk en opleiding betreft en ook hun gezinsleven opbouwen. Maar krijgen ze wel kansen geboden? Als je de Nederlandse taal niet machtig bent is het lastig om ander werk te vinden en bemoeilijkt het je om je weg te vinden in de maatschappij. Maar ook vice versa is er een probleem. De maatschappij kan moeilijk met de migrant communiceren met alle gevolgen van dien. Denk maar aan het gesprek dat je als ouder hebt met de school waar je kinderen zitten. Dat is niet alleen voor de migranten maar ook voor de school lastig en levert problemen op. Maar ook als het gaat om de rechten en plichten die je als migrant hier in Nederland hebt, is het van belang dat je de taal machtig bent. De consequenties van die onkunde vullen de kranten regelmatig. Kijk maar naar de gebrekkige en zelfs mensonterende huisvesting en onderbetaling van arbeidsmigranten. De arbeidsmigranten mogen dan wel werk hebben maar ze hebben moeite met integreren en verworden dan tot een soort tweederangsburgers. </em></p>
<p><em>Het is volgens de adviesraad migratie een gemiste kans dat de Wet inburgering geen aandacht besteedt aan deze migranten. Er zijn zeker goede redenen, zowel juridische (EU-burgers) als maatschappelijke (tijdelijke seizoenarbeiders) om niet iedere nieuwkomer tot inburgering te verplichten, maar waarom zouden we EU- en arbeidsmigranten geen gedifferentieerde integratievoorzieningen aanbieden? In plaats van verplichting, zouden meer verleid moeten worden om op vrijwillige basis een integratiecursus te volgen. Dan volstaat niet het huidige leenstelsel waarbij kosten voor een inburgeringscursus tot boven de € 10.000 oplopen. Dat vergt een andere koers, waarbij inburgering aansluit op de rest van de samenleving en nadrukkelijk wordt gezien als maatschappelijke investering die rendement gaat opleveren. </em></p>
<p><em>In Duitsland is deze koerswijziging al ingezet. Niet alleen krijgt iedere migrant die zich in  Duitsland vestigt een integratiecursus aangeboden, maar ook worden volgens de afspraken in het recente Duitse coalitieakkoord bijvoorbeeld alle beperkingen weggenomen voor toegang tot de arbeidsmarkt voor iedereen die rechtmatig in Duitsland verblijft, waaronder dus ook asielzoekers in procedure. Het beleid in ons buurland dankt zijn succes mede aan de vrijheid die lokale autoriteiten hebben om federaal beleid te interpreteren en uit te voeren. Niet alleen gemeenten, maar ook arbeidsbureaus en maatschappelijke organisaties kunnen hun beleid daardoor afstemmen op de lokale behoefte. Wat de inburgering van migranten ook ten goede komt, is dat buitenlandse kwalificaties snel worden erkend. Bovendien betaalt de Duitse overheid het gros van de kosten van de inburgering. De eigen bijdrage voor een les is meestal € 2,20, terwijl een gezinsmigrant in Nederland gemiddeld € 13,50 per les kwijt is. Hoewel er in Duitsland geen slaagplicht is voor inburgering, haalt meer dan de helft van de cursisten in Duitsland het B1-niveau (gevorderd), terwijl dit aantal in Nederland niet meer dan enkele procenten bedraagt. Duitsland behaalt dus betere resultaten. Met Duitsland als voorbeeld moet Nederland daarom komen tot nieuwe keuzes.</em></p>
<p><em>Voor de regio’s waar nu het grootste deel van de vluchtelingen worden opgevangen – vaak zelf arme landen met veel eigen problemen – betekent een veel ruimhartiger opvang hier een verlichting, ook voor de daar verblijvende vluchtelingen. Migratie goed en ruimhartig organiseren is een vorm van internationale solidariteit.</em></p>
<ol start="111">
<li><strong>Er moeten betere EU-richtlijnen over arbeid in een andere EU-lidstaat en betere nationale uitvoering daarvan komen. Nu worden te vaak sociale premies en sociale regelgeving ontweken. De werkgever moet verplicht gaan aantonen dat hij voor al zijn werknemers dezelfde loonkosten en sociale en pensioenpremies betaalt en dus geen kosten bespaart door die voor een deel van zijn werknemers in een ander land te betalen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="112">
<li><strong>We beperken <em>niet</em> de vrije arbeidsmigratie binnen de EU, maar voorkomen wel dat die misbruikt worden voor uitbuiting, en we bevorderen (tijdelijke) gereguleerde arbeidsmigratie voor tekortberoepen bij ons uit arme landen buiten de EU, waarbij men met opleiding en startgeld terug kan keren naar land van herkomst. Dat komt in de plaats van de huidige volstrekt overbodige expatsubsidie. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="113">
<li><strong>Migratie zien we als kans in de strijd tegen nationale arbeidstekorten en voor eerlijke ontwikkeling. Ook asielzoekers kunnen daar een bijdrage aan leveren. We stoppen met het opbouwen van Fort Europa, met een Berlijnse Muur rondom. We breken de muren en hekken af. We treden hard op tegen mensenrechtenschendingen bij de grensbewaking aan de buitengrenzen van de EU en van de Schengenlanden</strong>, zoals met de pushbacks in Griekenland, de martelkampen in Libië, het geweld tegen vluchtelingen in Bulgarije, Hongarije en Kroatië en aan de grens met Marokko, en het niet toelaten van schepen met vluchtelingen in havens van Italië en Malta.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="114">
<li><strong>We sluiten geen overeenkomsten met landen van herkomst voor het terugsturen van afgewezen vluchtelingen indien daar voorwaarden aan gesteld worden waarbij kritiek op mensenrechten in dat land minder mogelijk wordt en/of de controle op mensen uit dat land in Nederland groter kan worden. En we sluiten evenmin overeenkomsten met landen om migranten daar, net buiten de EU, te houden.</strong> Dit leidt tot zeer bedreigende situaties voor migranten en tot afhankelijkheid van dubieuze regimes, zoals in Libië, Marokko, Tunesië en Turkije. We nemen afstand van het afschrikkingsbeleid zoals in Denemarken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="115">
<li><strong>We vervangen het restrictieve en ontmoedigende asielbeleid door gereguleerde, veilige asielmogelijkheden, met loketten in de regio van herkomst en veel betere, gratis ondersteuning bij integratie voor alle vreemdelingen die hier komen. </strong><strong>Zo kunnen mensen bij EU-kantoren ter plekke geregistreerd en gescreend worden. Vluchtelingen die aan de criteria voldoen, kunnen dan legaal en veilig komen. Daar komt geen smokkelaar aan te pas. Zo worden de kampen in de regio ontlast. Het aantal te hervestigen vluchtelingen op voordracht van het UNCHR uit kampen <em>‘in de regio’ </em>verhogen we van 500 naar 5000 per jaar. We blijven uiteraard lid van alle internationale verdragen over vluchtelingen, juist nu, nu de wereld zo onveilig is.</strong> Met investeringen in de publieke sector, inclusief de sociale woningbouw, kunnen we dat als één van de rijkste landen ter wereld makkelijk aan. Ruimere asielregels en betere asielmogelijkheden zorgen voor minder druk op de buitengrenzen en maken benodigde capaciteit beter planbaar. Het ondermijnd ook het verdienmodel van mensensmokkelaars en uitbuiters van migranten, en zorgt voor veilige reizen. Het is de plicht van linkse partijen om draagvlak voor meer, gecontroleerde migratie te organiseren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="116">
<li><strong>Asiel en migratie gaan net als inburgering vallen onder ministerie SZW (in plaats van Justitie). We investeren fors in aanmeldcentra (in regio’s van herkomst, en in ons land op meerdere, centraal gelegen en goed bereikbare plaatsen), asielopvang (met voldoende buffercapaciteit) en de COA-organisatie, in betere en snellere beoordeling door IND, in dagbesteding met onderwijs en werk voor asielaanvragers, en in huisvesting, werk en onderwijs voor statushouders. Gemeenten worden verplicht daarin mee te werken. We gaan de spreidingswet snel invoeren.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="117">
<li><strong>Door vluchtelingen niet meer als last, maar als een kans te zien, is een beroep op het oneerlijke en onuitvoerbare Dublin-verdrag over verdeling van statushouders en het terugsturen van afgewezen asielzoekers c.q. het illegaal hier verblijven niet meer nodig. Procedures worden korter en humaner. De lijst van veilige landen moet onafhankelijker worden vastgesteld. Procedures moeten niet moedwillig vertraagd worden om vluchtelingen en hun gezinsherenigers te ontmoedigen.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="118">
<li><strong>Als je niet terug kan omdat je land van oorsprong je niet toelaat, moet je een aparte tijdelijke vergunning krijgen. We beëindigen gevangenneming van mensen zonder verblijfsvergunning, zeker als daar kinderen bij betrokken zijn. Voor hen komt een humane opvang. Door de ruimere mogelijkheden voor arbeidsmigratie zal het probleem van mensen zonder vergunning overigens veel kleiner worden. Kinderen die hier geboren zijn of al hier geworteld zijn, moeten als regel met hun verzorgende ouder(s) een verblijfsvergunning krijgen. De verantwoordelijk bewindspersoon voor migratie herkrijgt zijn discretionaire bevoegdheid om mensen in afwijking van de regels toch toe te laten. Gezinshereniging maken we eenvoudiger.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="119">
<li><strong>We gaan de ontvangst van alle nieuwkomers meer integraal benaderen, met Duitse en Canadese elementen. Met Duitsland als voorbeeld krijgt in ons plan iedere migrant die zich hier vestigt (dus ook arbeidsmigranten) een integratiecursus (tenminste taalonderwijs en verkorte, anders dan nu wél zinnige inburgeringscursus) aangeboden, en alle beperkingen worden weggenomen voor toegang tot de arbeidsmarkt voor iedereen die rechtmatig hier verblijft, waaronder dus ook asielzoekers in procedure. Daarbij geven we veel ruimte voor maatwerk. Buitenlandse kwalificaties gaan we veel sneller erkennen. We gaan welkomstcentra naar Canadees model, taalcafés en een algemeen welkomstpunt in de gemeente (RNI-loket) oprichten, waar gezins- en arbeidsmigranten met vragen beter op weg geholpen kunnen worden. In ieder geval zal Nederland de ontvangst van nieuwkomers meer integraal moeten gaan benaderen. </strong>De WRR en het aanjaagteam van Roemer adviseerden eerder al om met ontvangst- en inburgeringsvoorzieningen te komen voor alle migranten, inclusief kennis-, arbeids- en EU-migranten. Gemeenten spelen daarbij een sleutelrol en hebben daarvoor ondersteuning nodig. Een nieuw model inburgering zal zeker meer gaan kosten dan het huidige inburgeringsbeleid. Maar een goede integratie levert op de langere termijn veel voordelen op. Dat betaalt zich niet alleen terug in hogere arbeidsparticipatie en lagere uitkeringsafhankelijkheid, maar ook in betere maatschappelijke betrokkenheid en integratie. Werkgevers van kennis- en arbeidsmigranten moeten hier zeker ook  bijdragen. Een Nederlands inburgeringsmodel met Duitse en Canadese elementen waarbij duidelijke kansen en mogelijkheden in plaats van onmogelijkheden worden geboden zal zeker een win-win situatie voor het individu én voor de samenleving betekenen. Dat daarbij de kosten voor de baten uit gaan, spreekt voor zich.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="120">
<li><strong>Werk wordt direct voor asielzoekers mogelijk. De werkwinkels helpen hier actief bij. Er moet ook een extra inzet voor statushouders komen &#8211; huisvesting waar ook werk is, gratis en publiek georganiseerd taalonderwijs, inburgering en beroepsmatige scholing, vooral voor tekortberoepen van goede kwaliteit, arbeidsbemiddeling op maat, allemaal te beginnen in de kleinschalig te organiseren asielopvang die zoveel mogelijk georganiseerd wordt in gemeenten waar zij later ook kunnen werken en wonen, met zoveel mogelijk betrokkenheid van andere burgers uit die gemeenten. Het inburgeringsonderwijs wordt ook opengesteld voor immigranten uit de EU en de deelname daarin is gratis en wordt aangemoedigd.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="121">
<li><strong>We maken korte metten met het aanwijzen van vreemdelingen, soms zelfs tot in de derde generatie, als zondebokken van in werkelijkheid door falend beleid veroorzaakte tekorten aan voorzieningen. We bestrijden racisme en discriminatie krachtig met wetgeving en handhaving. Illegaliteit wordt niet meer strafbaar. Uitbuiting wel. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="122">
<li><strong>Na inburgering krijgt men per direct alle rechten gelijk aan Nederlander. Inburgering gaan we weer volledig publiek en gratis organiseren. Het Rijk betaalt de kosten van de inburgering, zonder eigen bijdrage. We schaffen de potsierlijke participatieverklaring af. </strong>We breken met de verplichtende vormen van participatie en gedwongen vormen van <em>‘verheffing’</em>. We schaffen de slaagplicht af.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="123">
<li><strong>Dubbele nationaliteiten zijn geen probleem maar een kans om het overmatig nationalisme te keren, en we maken dat weer volop mogelijk. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="124">
<li><strong>Eenmaal hier organiseren we snelle en effectieve integratie, met vertrouwen en dus niet met dwang. We breken met de verplichtende vormen van participatie en gedwongen vormen van <em>‘verheffing’</em>. En daarmee met het integratiebeleid zoals PvdA minister Asscher dat in 2013 formuleerde. In plaats van verplichting, gaan we migranten verleiden om op vrijwillige basis een integratiecursus te volgen. Met veel gratis publiek georganiseerde facilitering van (taal)onderwijs en zo snel mogelijk werk, en met goed georganiseerde opvang en huisvesting. </strong>Een goede integratie levert op de langere termijn veel voordelen op. Dat betaalt zich niet alleen terug in hogere arbeidsparticipatie en lagere uitkeringsafhankelijkheid, maar ook in betere maatschappelijke betrokkenheid en integratie. De kosten gaan voor de baten uit.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="125">
<li><strong>We maken illegaliteit niet meer strafbaar. </strong>Geen enkel land, ook Nederland niet, weet een sluitend migratiebeleid te realiseren. Voor sommige migranten is terugkeer geen optie uit angst of schaamte. Sommigen verkiezen goedkope arbeid in het irreguliere circuit boven het gebrek aan perspectief in eigen land. Schattingen uit 2017-2018 geven aan dat er tussen de 23.000 en 58.000 migranten zonder geldige verblijfstitel in Nederland zijn. Een forse afname vergeleken met het in 1997 geschatte aantal van 194.000. Een mogelijke verklaring voor die afname is dat het leven hier voor deze personen alleen maar lastiger is geworden. Ook wordt een deel van het werk dat ze toen deden, na de EU uitbreiding nu door (reguliere) EU-arbeidsmigranten gedaan. Het strafbaar maken van irregulier verblijf voegt in de praktijk weinig toe aan het bestaande instrumentarium van regels. De voorwaarden voor vreemdelingenbewaring bijvoorbeeld, zijn al zo ruim geformuleerd dat in het belang van de openbare orde iedere migrant zonder geldige verblijfstitel kan worden vastgezet met het oog op uitzetting. Daarnaast is het een feit dat (gedwongen) terugkeer in de praktijk behoorlijk weerbarstig is, want terugkeer hangt vooral af van medewerking van landen van herkomst. Dat probleem wordt dus niet zo maar door het strafrecht opgelost. Daar komt nog bij dat de irreguliere migrant die de openbare orde verstoort of een strafbaar feit pleegt, al onder het strafrecht valt. De Europese Terugkeerrichtlijn bepaalt bovendien dat vertrek zwaarder weegt dan het opleggen van een straf voor irregulier verblijf. Dit betekent dat als je kan terugkeren naar je herkomstland, de uitvoering van een vrijheidsstraf moet stoppen. Met andere woorden het effect van iemand opsluiten is relatief beperkt. Irreguliere migranten blijven bovendien veelal buiten het zicht van de overheid en hebben vaak geen vaste woon- of verblijfplaats. Daardoor zijn ze niet vindbaar. De overheid kan hen dan ook geen bericht sturen over bijvoorbeeld een strafbeschikking en moet de zaak seponeren of de persoon dagvaarden. Dat betekent weer extra werk voor het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht, werk dat uiteindelijk weinig effect heeft. Personen worden bij verstek veroordeeld maar horen hier nooit van, doordat ze niet te vinden zijn. Daardoor heeft het strafrecht, per saldo, nauwelijks een afschrikwekkende werking. Strafbaarstelling van irregulier verblijf kan voorts alleen als het aan de migrant ligt dat deze niet vertrekt: zonder schuld geen straf. Zowel ‘<em>ontoerekenbaarheid’</em> als ‘<em>overmacht’</em> kunnen bijvoorbeeld een reden zijn dat je geen straf krijgt opgelegd. Het buiten schuld niet kunnen verkrijgen van reisdocumenten, medische omstandigheden of een dreigende schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bij uitzetting, kan leiden tot ‘<em>overmacht’</em> zoals het strafrecht dit kent. En dat betekent dat er dan geen straf wordt opgelegd. Behalve de geringe meerwaarde en de beperkende factoren zijn er ook nog (onbedoelde) negatieve neveneffecten van strafbaarstelling. Sinds 1998 regelt in Nederland de Koppelingswet dat migranten zonder geldige verblijfstitel geen aanspraak kunnen maken op publieke voorzieningen. Internationale verdragen geven hen wel recht op medisch noodzakelijke zorg en rechtsbijstand. Minderjarige kinderen hebben ook recht op onderwijs. Als er dan gedreigd wordt met strafrechtelijke vervolging is de kans groot dat deze migranten nog meer onder de radar willen blijven en bijvoorbeeld geen medisch noodzakelijke zorg willen. Dat brengt weer risico’s mee voor de volksgezondheid. Ook wil je niet dat er kinderen in Nederland leven die niet naar school gaan uit angst om ontdekt te worden door de overheid. Strafbaarstelling kan met andere woorden leiden tot verdere marginalisering van een al kwetsbare groep. De rechter is tenslotte tegenwoordig behoorlijk overbelast met werk. Grote andere zaken zoals cybercrime, georganiseerde misdaad, uitbuiting en mensenhandel vragen terecht aandacht. Het heeft dan weinig zin om de rechter extra te belasten met een strafrechtelijke aanpak van migranten zonder geldige verblijfstitel, een aanpak die geen toegevoegde waarde blijkt te hebben.</li>
</ol>
<p> </p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Alles moet anders, en wel nu! &#8211; deel 3: Naar een Groen Nederland</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2025/04/02/alles-moet-anders-en-wel-nu-deel-3-naar-een-groen-nederland/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 02 Apr 2025 13:56:19 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1601</guid>

					<description><![CDATA[“Alles moet anders, en wel nu!” Deel 3: Naar een groen Nederland De grote ecologische crises (klimaatverandering, krimp van biodiversiteit, uitputting van grondstoffen, vervuiling van&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p><strong><u>“Alles moet anders, en wel nu!”</u></strong></p>
<p><strong><u>Deel 3: Naar een groen Nederland</u></strong></p>
<p><em>De grote ecologische crises (klimaatverandering, krimp van biodiversiteit, uitputting van grondstoffen, vervuiling van bodem, water en lucht) vragen een enorme, urgente transitie van onze economie en manier van leven. Zie ook het ‘Plan voor een Groen Nederland’ hieronder. Dit plan kan alleen slagen als de lusten en lasten van die transitie eerlijk en rechtvaardig verdeeld worden. </em></p>
<p><em>Voor de bestaanszekerheid van huishoudens gaat dat steeds belangrijker worden. De geopolitieke dreigingen in Europa en elders maken de urgentie van dit alles alleen nog maar groter. En last but not least willen we verdere schade door aardbevingen in verband met winning van aardgas direct stoppen, en ook dat verhoogt de urgentie verder. </em></p>
<p><em>Eigenlijk zou een hamburger fors duurder moeten zijn. Een vliegticket is veel te goedkoop. En kijk, pas nu de gasprijs tot alarmerende hoogte is geklommen maken we serieus werk van energiebesparing. Voor economen is het evident: de prijsprikkel is een krachtig instrument om het gedrag van consumenten bij te sturen. Willen we de duurzaamheidsdoelen behalen, dan zullen we onze schadelijke gewoonten moeten beprijzen terwijl we groene alternatieven subsidiëren. Vandaar dat zoveel economen voorstander zijn van een CO₂-belasting. </em></p>
<p><em>Maar economen hoeven geen verkiezingen te winnen. Er is een reden waarom ieder voorstel voor een vleestaks sneuvelt in politiek Den Haag: vooral de populistische partijen die zeggen op te komen voor de minderbedeelden, de SP en PVV voorop, zijn faliekant tegen. En welke lijsttrekker durft een verkiezingscampagne in te gaan met de belofte dat een retourvlucht naar Barcelona straks twee keer zo duur is? Moeten biefstuk en vliegvakanties soms weer elitair worden? Kunnen de rijken gewoon doorgaan met hun vervuilende praktijken, terwijl de hardwerkende Nederlander gedwongen wordt om soberder te leven? Dat voelt oneerlijk. </em></p>
<p><em>Voor menige politicus vormen de gele hesjes nog altijd een potent schrikbeeld. De moraal van dat Franse verhaal is dat er maatschappelijke onvrede ontstaat wanneer duurzaamheidsmaatregelen (in dit geval een verhoging van de benzineprijs) zonder overleg worden uitgestort op de bevolking. De Fransen op het platteland, die zijn aangewezen op de auto omdat er simpelweg geen fatsoenlijk openbaar vervoer beschikbaar is, werden de dupe van de groene agenda die was bedacht door de bestuurders in Parijs. </em></p>
<p><em>De onderzoekers van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) noemen de gilet jaunes meermaals in het rapport Rechtvaardigheid in het klimaatbeleid dat in februari 2023 verscheen. Die protesten illustreren namelijk dat het voor het draagvlak funest is wanneer klimaatbeleid als onrechtvaardig wordt gezien. We willen allemaal dat de vervuiler betaalt, maar terwijl huishoudens de energierekening zien oplopen, boeken oliemaatschappijen recordwinsten. Ook dat voelt oneerlijk. </em></p>
<p><em>Het duurzaamheidsdebat gaat een nieuwe fase in, signaleert de WRR. Het gesteggel over de ernst van de klimaatcrisis is voorbij. De gevolgen van de stijgende temperatuur zijn elk jaar voelbaar en afgezien van een paar verstokte pseudo-sceptici en klimaatontkenners (In de Kamer vertegenwoordigt door het extreemrechtse smaldeel) is iedereen het erover eens dat er iets moet gebeuren. Nu is de uitdaging om handen en voeten te geven aan de ambitie om binnen 25 jaar klimaatneutraal te zijn. </em></p>
<p><em>Daar zijn natuurlijk kosten mee gemoeid. Niet alleen zijn investeringen nodig om de CO₂-uitstoot terug te dringen, het kost ook geld om de dijken te verstevigen en steden te vergroenen – om ons, kortom, aan te passen aan het leven op een warmere planeet. Daarbij komt nog de economische schade als gevolg van de stormen, hittegolven en droogtes die alleen maar extremer zullen worden. De kernboodschap van de adviesraad, ‘dat er in klimaatbeleid stelselmatige aandacht moet zijn voor rechtvaardigheid bij het verdelen van klimaatkosten’, voelt een beetje als een open deur. </em></p>
<p><em>Milieuactivisten en vakbondsleiders hameren er al jaren op dat het klimaatvraagstuk onlosmakelijk verbonden is met het verdelingsvraagstuk. In de Europese Green Deal zijn miljarden ingeruimd voor een just transition fund, bedoeld om worstelende lidstaten of regio’s een steuntje in de rug te geven. Bij klimaatmarsen scanderen demonstranten dat ze climate justice willen – en wel nu. En op internationale conferenties eisen arme landen die nu al geraakt worden door klimaatrampen genoegdoening van de rijke staten die hun rijkdom hebben te danken aan het verbranden van olie, kolen en gas. Het verdelingsvraagstuk is altijd al de inzet van politieke strijd geweest. Het verschil bij klimaatbeleid is dat het niet alleen gaat over de verdeling van welvaart maar ook over de verdeling van de pijn. </em></p>
<p><em>Willen we de planetaire grenzen respecteren, dan ontkomen we er niet aan te tornen aan sommige naoorlogse verworvenheden. Of zoals de Franse president Emmanuel Macron het na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne verwoordde: ‘Misschien komt het tijdperk van de overvloed en onbezorgdheid ten einde.’ Eric Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat in het vorige kabinet, formuleerde zijn missie een stuk praktischer. Hij was op ‘tonnenjacht’. Het klimaatakkoord moest dan ook in kaart brengen waar zo veel mogelijk megatonnen CO₂ gereduceerd konden worden, het liefst tegen zo laag mogelijke kosten. Het resultaat was dat de elektriciteitssector de grootste reductieopgave kreeg, terwijl de landbouw werd ontzien, omdat het voor boeren ingewikkelder en duurder is om de vervuiling te bestrijden. Hier werd geredeneerd volgens het principe van het ‘grootste nut’, aldus de WRR, waarbij ‘het behalen van maximaal effect’ de graadmeter is. Hoe meer de tijd begint te dringen, hoe groter de verleiding wordt om, onder het mom van ‘lange halen, gauw thuis’, te grijpen naar generieke maatregelen. Het gevaar laat zich raden: door de nauwe focus op broeikasgassen raakt het verdelingsvraagstuk ondergesneeuwd. Dat is precies waar het nu vaak schuurt, constateert de WRR: de discussie over rechtvaardigheid komt pas achteraf op tafel.</em></p>
<p><em>Het gaat niet alleen om de boekhoudkundige rekensom, maar ook om de perceptie van burgers. Zoals het een wetenschappelijke adviesraad betaamt, is het rapport voorzichtig met het voorschrijven van beleid. In plaats daarvan onderscheiden de onderzoekers vier verschillende perspectieven op rechtvaardigheid. Naast het ‘grootste nut’ is er bijvoorbeeld het principe van ‘gelijke monniken, gelijke kappen’. Dat was de logica achter het proefballonnetje waarmee Barbara Baarsma in de zomer van 2022 ophef veroorzaakte. Wat nou, opperde de hoogleraar toegepaste economie, als we iedere burger een persoonlijk CO₂-budget geven? Iedereen krijgt evenveel uitstootrechten en wanneer iemand rechten over heeft kan die ze verkopen aan iemand die tekortkomt, waardoor CO₂-handel volgens Baarsma een nivellerend effect kan hebben. </em></p>
<p><em>Waar zo’n soort benadering aan voorbij gaat, zo waarschuwt de WRR, is dat de monniken in werkelijkheid helemaal niet zo gelijk zijn. Het zal een miljonair waarschijnlijk weinig pijn doen om wat extra CO₂-rechten te kopen om zijn overdadige consumptie in stand te houden, terwijl een bijstandsouder zich genoodzaakt ziet om koolstofkredieten in de verkoop te doen om de maandlasten te kunnen betalen. </em></p>
<p><em>Eerlijker zou het zijn als er rekening wordt gehouden met draagkracht en solidariteit – het derde perspectief. Dat is bijvoorbeeld de gedachte achter het voorstel van GroenLinks en de PvdA om te experimenteren met gratis openbaar vervoer voor lagere inkomens. Door de gestegen prijzen van trein- en buskaartjes zouden meer mensen kampen met ‘vervoersarmoede’. De vierhonderd miljoen die het zou kosten om dat te bestrijden, willen de linkse partijen ophalen door rijke burgers en bedrijven extra te belasten. Het is een maatregel die zowel ongelijkheid tegengaat als de klimaatdoelen dichterbij moet brengen. </em></p>
<p><em>Het gevaar van zulke ‘solidaire’ maatregelen, aldus de WRR, is dat die op gespannen voet kunnen staan met het ‘grootste nut’-principe. Anders gezegd: de eerlijke optie is vaak niet de meest efficiënte manier om de CO₂-uitstoot terug te dringen. </em></p>
<p><em>Ten slotte is er nog het klassieke principe van ‘de vervuiler betaalt’, dat appelleert aan een basaal gevoel van rechtvaardigheid: wie troep maakt, moet dat zelf opruimen. Het vormt het idee achter allerlei vormen van milieuheffingen, of het nu gaat om een CO₂-belasting of een vliegtaks. De andere kant van de medaille is dat ‘de verduurzamer verdient’. Zo worden de aanschaf van elektrische auto’s en zonnepanelen gestimuleerd met allerlei subsidies en belastingvoordelen. Op die manier krijgen we de homo economicus op het groene pad, is de gedachte. </em></p>
<p><em>Ook hier ontwaart de WRR een valkuil: zelfs dit ogenschijnlijk eerlijke principe leidt niet automatisch tot rechtvaardige uitkomsten. Want terwijl de toch al welgestelde Tesla-rijder profiteert van subsidies op elektrische auto’s zien huishoudens in slecht geïsoleerde huurwoningen een extra CO₂-heffing direct terug op hun energierekening. Of neem de discussie rondom de salderingsregeling voor zonnepanelen. Die regeling heeft ervoor gezorgd dat Nederland kampioen zon-op-dak is geworden. Een neveneffect is alleen dat de stroomprijs voor mensen die zich geen zonnepanelen kunnen veroorloven extra hoog is geworden. Oftewel: indirect betalen de armen mee aan de zonnepanelen van de rijken.</em></p>
<p><em>Nog los van de hoofdpijn die sommige voorstellen ongetwijfeld veroorzaken bij de Belastingdienst is het de vraag of het verstandig is om voor iedere duurzaamheidsmaatregel een aparte compensatieregeling te bedenken. Misschien verraden de zorgen over ‘energiearmoede’ en ‘verkeersarmoede’ een dieperliggend probleem: dat de welvaart in Nederland sowieso schrijnend oneerlijk verdeeld is. Of zoals Tim ’S Jongers, de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, schreef in een column voor De Correspondent: ‘Als we niet willen dat er bij elke transitie een nieuwe armoede bij komt, dan is het zaak dat armoede als een breed probleem wordt gedefinieerd en aangepakt, en de samenleving financieel veerkrachtiger wordt, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen.’</em></p>
<p><em>Wat minstens zo belangrijk is om te blijven benadrukken is dat de mensen in sociale huurwoningen die regelmatig een gehaktbal eten en eens per jaar met het vliegtuig op vakantie gaan, niet de voornaamste veroorzakers zijn van de klimaatcrisis. Een heffing op vlees voelen zij weliswaar direct in hun portemonnee, omdat een relatief groot deel van hun budget op gaat aan boodschappen, maar het is het consumptiepatroon van de mensen die niet wakker liggen van stijgende inflatie dat een veel grotere aanslag vormt op het milieu. Iemand die behoort tot de rijkste één procent van de Nederlanders stoot gemiddeld 39 keer zo veel uit als iemand die behoort de laagste inkomensgroep, zo becijferde onderzoeksbureau Ecorys eind 2022. Zo bezien is het klimaat misschien nog wel het meest gebaat bij een stevige miljonairstaks. </em></p>
<p><em>We zetten in op normeringen, belastingen en een leidende rol van de energie-infrastructuur om tot structurele (gedrags-)verandering te komen en investeerders zekerheid te bieden. We gebruiken subsidies en geven informatie om de transitie voor burgers en bedrijven praktisch mogelijk te maken op een rechtvaardige manier, waarbij iedereen mee kan doen. Het binnenlands gebruik van (fossiele) energie kan via normering en beprijzing sterk dalen. Samen met onze buurlanden kan de overheid de energiebelastingen afstemmen om gebruik in chemische industrie en bunkerbrandstoffen te verlagen. Heldere normen zorgen ervoor dat burgers en bedrijven beter weten welke gedragsveranderingen van hen in 2050 en de weg daarnaartoe worden verwacht. Beprijzen geeft transparantie over de prijs die burgers en bedrijven moeten betalen en zorgt voor een prikkel om vervuilend gedrag te verminderen. Voor huishoudens met lage en middeninkomens is daarbij compensatie nodig vanuit het principe van rechtvaardigheid.</em></p>
<ol>
<li><strong>We gaan zorgen voor eerlijke energieprijzen en -belastingen en lokale energieopwekking met minder marktwerking. </strong>Na de recente explosie van de energieprijzen is er ook een tijdelijke energietoeslag via gemeenten en een tijdelijk prijsplafond met subsidies via private energiebedrijven in het leven geroepen, waarbij er groot risico bestaat dat er met deze subsidies fossiele vervuilers en hu winsten met publiek geld gefinancierd worden, en ook veel huishoudens niet bereikt worden terwijl andere huishoudens teveel dan nodig ontvangen. Rutte IV wil zelf ook deze regelingen vervangen door meer gerichte subsidies die ook meer in lijn zijn met de klimaattransitie, dus met energiebesparing en vervanging van fossiele door duurzame energiebronnen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="2">
<li><strong>In plaats van de huidige regelingen gaan we met toepassing van de Prijzenwet per direct de gasprijzen voor huishoudens bevriezen. Er komt een maximum prijs voor huishoudens gebaseerd op gemiddeld tarief voor woning per soort woning (tussen/hoekwoning, appartement hoek/rijtje/onder dak, vrijstaand) en samenstelling huishouden.</strong> Er is met de huidige winstniveaus geen compensatie nodig van de energiebedrijven en die is bij de Prijzenwet ook niet vereist.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="3">
<li><strong>Gemeenten krijgen daarnaast extra middelen voor bijzondere bijstand ten behoeve van huishoudens die hun energielasten nu zien stijgen boven de 10% van hun netto inkomen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="4">
<li><strong>Waar energiebedrijven onverhoopt omvallen komt er via een Spoedwet de verplichting om zonder prijsverhoging deze klanten over te nemen bij andere leveranciers, naar keuze van de betreffende consument.</strong> <strong>We versterken daarin ook de solvabiliteitseisen en de rechtsbescherming voor consumenten bij energieleveranciers. Eventuele compensatie voor de energieleveranciers wordt gefinancierd door een extra belasting op de winst en reserves van energieleveranciers en andere partijen in de energiemarkt. We gaan na hoe de energieleveranciers weer publiek bezit kunnen worden en zetten daartoe zo spoedig mogelijk de eerste stappen. We verbieden speculatie met inkoop van energie. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="5">
<li><strong>We nemen stappen om de marktwerking te beperken en het publieke belang beter te beschermen bij de energievoorziening. Per direct mogen er alleen nog maar vaste contracten worden aangeboden die beschermen tegen prijswisselingen. Ook worden eigenaren van gasopslag verplicht die op aanwijzing van de Rijksoverheid te vullen. Energieleveranciers die staatssteun nodig hebben worden verplicht daarbij zeggenschap over te dragen.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="6">
<li><strong>De energievoorziening bestaat uit lokale systemen, </strong><strong><em>loosely coupled</em></strong><strong> met het nationale energiesysteem. Aardgas is uitgefaseerd. </strong><strong>Voor 2035 maken we de energieleverantie aan huishoudens daarom een zaak van uitsluitend energiecoöperaties in handen van de huishoudens die deze energie ontvangen (en zoveel mogelijk ook leveren).</strong> Daarbij worden wettelijke regels gesteld voor duurzaamheid, leveringszekerheid, prijsstabiliteit en bestemming eventuele winst. Daken van openbare gebouwen worden ter beschikking gesteld aan deze coöperaties voor opwekking duurzame energie. Er wordt hiertoe een op te stellen stappenplan gerealiseerd.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="7">
<li><strong>We stimuleren, zoals Europa ook eist, lokale productie van energie. We stimuleren ook voldoende opslagcapaciteit voor de korte termijn en seizoensopslag van elektriciteit en warmte.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="8">
<li><strong>We zorgen dat burgers zo snel mogelijk een volwaardige partij (zowel als consumenten als producenten, de zgn. <em>”handelende prosumenten”</em>) kunnen zijn op de energiemarkten, waarbij zij flexibiliteit kunnen leveren, kunnen handelen in energie, bijvoorbeeld met de buren, en ook samen kunnen opslaan.</strong> Flexibele prijzen per uur kunnen hierbij helpen. We maken de weg vrij voor energiecoöperaties en scheppen mogelijkheden in de wetgeving en fysiek voor sociaal ondernemen in de wijk. Dit heeft ook een positieve impact op de lokale economie, de acceptatie van de energietransitie en het vergroot de sociale cohesie. Hierdoor verandert ook de rol van energiebedrijven, van verkopers van energie naar dienstverleners voor (groepen) burgers.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="9">
<li><strong>We geven prioriteit aan het versneld uitvoeren van het vergroten van de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk in ons land. Er komt een Autoriteit Elektrificering die hiertoe doordrukmacht krijgt. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="10">
<li><strong>Grootschalige zonneweides en windturbinelocaties op land worden alleen daar gebouwd waar het net dat aankan, waar er geen alternatieven zijn (energiebesparing, wind en zon op zee, zonnepanelen op daken) en waar andere duurzaamheidsdoelen en gezondheid van mensen geen te groot risico lopen. Voorwaarde is ook dat functies gecombineerd worden in zonneweiden, bijv. met natuurontwikkeling, watersopslag en/of recreatie. We investeren in grootschalige toepassingen van zonnepanelen – verplicht op daken waar dit kan, op bermen van autosnelwegen, zo mogelijk ook geïntegreerd op dakpannen, wegdekken, rails (zoals nu al gebeurt in Zwitserland), en tussen en rond windparken op zee.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="11">
<li><strong>We ontkoppelen de prijs voor warmtenetten van de gasprijs. In een nieuwe warmtewet wordt het beheer verplicht publiek (in vorm van non-profit warmtecoöperatie van aangesloten huishoudens binnen regels van nationale en lokale overheden) en de rechtsbescherming van huishoudens versterkt. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="12">
<li><strong>De klimaattransitie – fossiele energie vervangen door hernieuwbare groene energie – moet worden gedreven door prijsmaatregelen, met de CO</strong><strong>₂</strong><strong>-heffing en het ETS-stelsel, waarbij ook import van buiten de EU belast wordt, zodat er een gelijk speelveld is.</strong> Prijsmaatregelen werken veel beter dan subsidies.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="13">
<li><strong>De subsidies in het kader van de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) moeten daarom worden geschrapt, die vergroten bovendien de ongelijkheid tussen huishoudens en bevoordelen de grootverbruikers, ook en vooral in het bedrijfsleven. Daarmee kan ook de oneerlijke Opslag Duurzame Energie (ODE) in de energiebelasting vervallen. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="14">
<li><strong>We moeten voorts het regressieve energiebelastingstelsel vlakmaken</strong>. Nederland verbruikt jaarlijks 35-40 miljard m3 aan aardgas, en dit levert ongeveer 3,5 &#8211; 4 miljard euro jaarlijks op aan gasbelasting. Met een vlak belastingtarief van 0,10 euro/m3 levert dat hetzelfde op en betaalt de industrie ook eerlijk mee aan de energietransitie. Omgerekend is dit 50 euro/tn aan CO₂ heffing, dus ook in lijn met de huidige ETS koers. Met een vlak belastingtarief op aardgas betalen bedrijven eerlijk mee aan de energietransitie, wordt onnodige energiearmoede voorkomen en krijgen bedrijven ook een terugverdienmodel met een basisprijs van 50 euro/tn CO₂, mocht de gasprijs weer gaan dalen. Ook de belasting op elektriciteit moeten we vlak en eerlijk maken. Nog steeds staan alle supermarkten te koelen met open koelkasten, hebben winkels de deur open staan en worden terrassen verwarmd, pure verspilling van elektriciteit en warmte. Omdat stroom koolstofvrij is, kan volstaan worden met een lage belasting van 0,02 euro/kWh. Met een jaarlijks stroomverbruik van Nederland van 125 TWh per jaar levert 0,02 euro/kWh een bedrag op van 2,5 miljard euro, waarin bedrijven ook netjes meebetalen. Momenteel betalen grote bedrijven maar 0,001 euro/kWh aan stroombelasting (som van stroom + ODE belasting) en kleine verbruikers 0,07 euro/kWh. Zonder hervorming van dit oneerlijke stelsel zal de energietransitie onvoldoende snel plaatsvinden en worden burgers in huurwoningen de energiearmoede in gedrongen. Samenvattend schaffen we het regressieve energie belasting stelsel af en voeren een vlak en eerlijk tarief in. Voor gas kan dit 0,10 euro/m3 zijn en voor stroom 0,02 euro/kWh. Bij 0,10 euro/m³ gaan huishoudens en MKB er op vooruit en is voor tuinders geen achteruitgang. Voor huishoudens is er een directe lastenverlichting van circa 600-800 euro per jaar mogelijk. Dit klinkt wellicht marginaal, maar voor huurders met een laag inkomen is dit het verschil tussen wel of geen eten op dit moment. Samen met een prijsplafond voor gas, snellere isolatie van (bij voorrang de sociale) huurwoningen en nationalisering van de energiesector kunnen de laagste inkomens beschermd veel beter beschermd worden tegen te hoge energieprijzen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="15">
<li><strong>We moeten tegelijkertijd een einde maken aan vrijstellingen van energiebelastingen, zoals de vrijstellingen voor energie-intensieve processen, de zogenoemde inputvrijstellingen energie- en kolenbelasting voor energieopwekking en de inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal gebruik, en aan de kortingen voor energiebelasting (glastuinbouw) en van belasting op kerosine (luchtvaart) en gaan fossiele brandstoffen in lucht- en scheepvaart veel zwaarder belasten. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="16">
<li><strong>Alle fossiele subsidies worden geschrapt, inclusief fiscale vrijstellingen en kortingen en </strong></li>
</ol>
<p><strong>kredietexportverzekeringen</strong>.</p>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="17">
<li><strong>We verbieden reclame voor fossiele energie. Pensioenfondsen mogen wettelijk niet meer investeren in fossiele bedrijven. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="18">
<li><strong>We versnellen het energieneutraal maken van woningen. </strong><strong>In 2050 moeten alle wijken energieneutraal of zelfs energiepositief, de andere wijken gebruiken (netto) nog maar weinig energie.</strong> Het uitgangspunt is dat de totale energiebehoefte van de wijk zo laag mogelijk is (warmte, elektriciteit, koeling en lokale mobiliteit). Op die manier kunnen met elkaar samenhangende lokale energiesystemen worden opgezet. Voor rechtvaardigheid is het belangrijk om prioriteit te geven aan het verbeteren van slecht geïsoleerde woningen in collectief bezit. Waar mogelijk worden de verbeteringen op het gebied van energie gekoppeld aan andere opgaven in de wijk, zoals de ruimtelijke en sociale wensen. Het toekomstig energiesysteem in de wijken is voornamelijk op elektriciteit gebaseerd, mogelijk gecombineerd met lokale warmtebronnen. Er is opslag van elektriciteit en &#8211; als er warmtenetten zijn – van warmte en koude.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="19">
<li><strong>Gebouwen verbruiken in 2050 veel minder energie. In principe is elk gebouw energiearm en uitgerust met een warmtevoorziening en koeling. De gebouwen worden slim aangestuurd op basis van data.</strong> Zo wordt alle opgewekte energie zo efficiënt mogelijk ingezet. Elektrische auto&#8217;s, samen met buurtaccu&#8217;s, worden gebruikt om het elektriciteitsnet te balanceren. Gebouwen spelen ook een rol bij klimaatadaptatie. Groene daken, voedsel verbouwen of recreatie op daken is normaal. Gebouwen zien er anders uit doordat natuurlijke materialen de norm zijn. Dit geeft ontwerpers nieuwe inspiratie en gebruikers een prettige beleving.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="20">
<li><strong>Er komt een nationaal programma voor spoed-isolatie van woningen in wijken waar de huishoudens behoren tot de 25% laagste inkomens én de 50% grootste gasgebruikers. </strong>We isoleren slecht geïsoleerde woningen in collectief bezit in hoog tempo, veel sneller dan tot nu toe het geval is. Daarmee worden meteen stappen gezet in energiearmoedebestrijding en innovatie. Als veel woningen tegelijk worden verbeterd, kunnen ondernemingen het aanbod industrialiseren, waarbij kant en klare pakketten op de bouwplaats worden gemaakt. Hierdoor dalen de kosten en zijn ook minder arbeidskrachten nodig.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="21">
<li><strong>Op dit moment is er vaak een apart beleid voor verschillende aspecten van de gebouwde omgeving. Isolatie, anders verwarmen, koelen of mobiliteit: ieder onderdeel wordt apart beoordeeld. We vervangen deze versnipperde aanpak door een aanpak waarbij al deze elementen in hun onderlinge samenhang ontwikkeld worden tot een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050. Koude, warmte, isolatie en elektriciteit voor gebouwen, openbare ruimte en mobiliteit krijgen gebiedsgericht integraal vorm. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="22">
<li><strong>Alle plannen en investeringsbeslissingen in wijken moeten worden getoetst aan een energieneutrale toekomst in 2050. We zetten de gehele energievoorziening centraal: mobiliteit, elektriciteit, koude, en warmte (incl. isolatie).</strong> Deelaspecten zoals isolatie, aardgasvrij of een warmtenet zijn geen doel op zichzelf. Het gaat om een geheel, waarbij netto zo min mogelijk energie wordt gebruikt. Ingrepen op het gebied van energie worden steeds direct gekoppeld aan de ruimtelijke en sociale aspecten. Daarbij nemen we de klimaatneutrale situatie in 2050 als uitgangspunt en werken daarnaartoe. We voorkomen een fossiele lock-in door een moment te bepalen, bijvoorbeeld 2040, waarop aardgas niet langer ingezet mag worden voor de energievoorziening in de gebouwde omgeving.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="23">
<li><strong>We verlagen de energievraag via subsidies, informeren, normering en verplichting. Ook het beoogde EU-eindbeeld 2050 schrijft voor dat gebouwen in 2050 nog maar weinig energie verbruiken. We laten het einddoel en het tijdpad tot 2050 zien, inclusief de steeds strengere normen.</strong> Belanghebbenden worden gestimuleerd om zo veel mogelijk in één stap naar de maximale energiezuinigheid voor het hele gebouw (bij collectief bezit) of het aan te pakken gebouw of delen daarvan (bij individueel bezit). We maken het aantrekkelijk (regelgeving/instrumenten) voor bewoners, bedrijven en corporaties, om daar direct naartoe te werken. Dit levert een technisch haalbare reductie op van 70% voor ruimteverwarming en warm tapwater. Volgens de <em>“Paris proof energierantsoen</em>”-methode is er in Nederland 360 PJ beschikbaar3 aan energie voor de gebouwde omgeving. Ten opzichte van het huidige energieverbruik betekent dit een besparing van 60-70% aan energieverbruik.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="24">
<li><strong>We focussen op verwarmingssystemen die met lage temperatuur (LT) werken.</strong> Deze systemen zijn toekomstbestendiger dan hoge temperatuursystemen. LT-systemen beschikken over meer bronnen en maken een efficiëntere toepassing van een warmtepomp mogelijk.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="25">
<li><strong>We maken de voordelen van energietransitie zichtbaar.</strong> Dat kan met voorbeeldwoningen in de wijk die inzichtelijk maken hoe comfortabel een woning na renovatie is. Ter inspiratie delen we beelden en ervaringen over goede projecten, zoals de wijk Lombok in Utrecht en de Weense wijk Sonnwendviertel.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="26">
<li><strong>We zorgen dat iedereen mee kan komen met de energietransitie en dat bewoners een stem hebben in de keuzes op lokaal niveau. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="27">
<li><strong>Het terugbrengen van de energievraag van gebouwen gaat gepaard met een sterke toename van materiaalgebruik. We stimuleren daarom natuurlijke materialen en circulaire toepassingen op dit gebied en treden op als <em>launching customer </em>voor innovaties.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="28">
<li><strong>We verscherpen de eisen aan de bebouwde omgeving. Er komt per direct een verbod op nieuwe huurcontracten van woningen met de slechtste energielabels (C en hoger), en een verbod op huurverhoging van woningen met een label slechter dan A. Deze maatregelen worden stapsgewijs aangescherpt opdat in 2035 alle huurwoningen tenminste een A+++ label hebben en huurwoningen met de slechtste energielabels moeten in 2028 van de markt verdwijnen.</strong> Het energielabel en de verduurzaming van de woning mogen geen verdienmodel voor de verhuurder zijn.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="29">
<li><strong>Energielabels voor woningen en andere gebouwen gaan verstrekt worden door een speciaal daartoe op te richten overheidsorganisatie volgens wettelijke normen. Iedere woning en ander gebouw dat nieuw gebouwd of gerenoveerd wordt moet door deze organisatie worden beoordeeld. En iedere bezitter of huurder van woningen of andere gebouwen kan dat ook gratis bij deze organisatie aanvragen. Nieuwbouw en grootschalige renovatie mag alleen nog maar plaatsvinden met het beste energielabel. </strong>Er wordt nu veel te veel mee gesjoemeld om hogere woning- en huurprijzen te kunnen vragen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="30">
<li><strong>In plaats van duurzaamheidspunten wordt een niet-duurzame woning aangemerkt als een gebrek waarvoor huurkorting geldt.</strong> Huurders van nog niet voldoende geïsoleerde woningen (label B en slechter) krijgen een wettelijke korting op de feitelijk betaalde huur van een kwart van de huurprijs van 75 euro per maand per slechter label-stap (dus label C 150 euro korting, etc.), zodat verhuurders een prikkel krijgen voor verduurzaming. Woningcorporaties krijgen daarvoor compensatie mits men tijdig verduurzaamt (overigens zijn de meeste huurwoningen met een slecht energielabel in handen van commerciële verhuurders).</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="31">
<li><strong>Er komen bindende afspraken met corporaties, coöperaties en pensioenfondsen voor het energieneutraal maken van 200.000 woningen per jaar, te beginnen bij de woningen met de slechtste energielabels (meestal bij de meest armste huishoudens).</strong> Woningcorporaties en -coöperaties krijgen mogelijkheid om de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos te lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="32">
<li><strong>Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun WOZ-belastingtarieven lager vast te stellen bij een groener energielabel. We gaan de vaststelling en handhaving van de energielabels van woningen onafhankelijk en kwalitatief beter maken. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="33">
<li><strong>Ook voor woningbezitters moeten er versneld strengere eisen aan energielabels voor deze woningen komen. </strong><strong>Vanaf 2025 moet elke koopwoning geïsoleerd zijn, Huizenkopers moeten verplicht hun woning binnen 2 jaar isoleren; de isolatie-eisen voor woningen moeten worden aangescherpt – een woning moet in 2030 minimaal energielabel B hebben.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="34">
<li><strong>Woningeigenaren worden tegelijkertijd door een ‘<em>ontzorgloket’</em> ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning. Middeninkomens met een eigen woning krijgen de mogelijkheid om hiervoor renteloze leningen af te sluiten bij een speciaal fonds.</strong> Anders dan Rutte III voorstelde, maar in overeenstemming met het voorstel van Milieudefensie, komt er daarbij geen maximum bedrag (zo wordt financiering ook voor oude of grote woningen mogelijk, met hoge isolatiekosten), is de looptijd 30 in plaats van 25 jaar, is de lening renteloos, is er geen toetsing van kredietwaardigheid en geldt een brede kwijtscheldingsmogelijkheid voor lage inkomens als de besparing op de energierekening lager zijn dan de terugbetaling van de lening (onrendabele top). Jaarlijks wordt de terugbetaling in dat jaar vastgesteld, gebaseerd op het inkomen van de bewoner van de woning. Iedere bewoner betaalt dus naar draagkracht: Voor de laagste 40% van inkomens in Nederland (tot ca. 95% modaal) behoeft er alleen terugbetaald worden bij reductie van de energierekening, uitgaande van de ‘kale’ gasprijs en de energiebelasting zoals die nu in 2022 geldt. De hoogste 20% inkomens (boven 1,5 modaal) moeten de hele lening terugbetalen. De groep inkomens daartussen betaalt het bedrag van de energiereductie terug plus 50% van het resterende bedrag. De renteloze lening is gebouwgebonden, dus het gaat om een lening op de woning, in de vorm van een voucher, ter waarde van de isolatie- en verduurzamingskosten voor die specifieke woning. De voucher kan enkel bij isolatiebedrijven verzilverd worden. Deze lening is alleen beschikbaar voor woningeigenaren die in hun woning wonen, inclusief VVE’s.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="35">
<li><strong>Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="36">
<li><strong>We gaan niet een stikstofmarkt invoeren en veel belastinggeld besteden aan uitkoop van intensieve veeboeren en andere stikstof-uitstotende bedrijven, maar uitstoot van stikstof belasten en hen helpen – ook financieel – om zich om te vormen naar wel duurzame bedrijvigheid, met een duurzaam verdienmodel. In de industrie en mobiliteit gaan we stikstofuitstoot ook belasten.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="37">
<li><strong>We belasten vervuiling. Zo gaan we stikstofuitstoot belasten en voeren we een verpakkingsbelasting in (samen met een uitbreiding van de statiegeldregeling) en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor alle verpakkingen worden verplicht gesteld. Ieder product moet een productlabel krijgen waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is. Alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics. We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval.</strong> <strong>Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken termijndoelen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="38">
<li><strong>We zullen economische prikkels moeten gaan regelen tegen watervervuiling en waterverspilling. Zo moeten ook boeren verontreinigingsheffing gaan betalen (ze zijn nu vrijgesteld daarvan) voor de uitstoot van meststoffen en pesticiden. En er komt een juridisch bindende toets op water en klimaat voor bouw- en andere ontwikkelprojecten. Het waterpeil in veenweidegebieden moet omhoog teneinde verdere inklinking van de bodem met onder meer funderingsschade te voorkomen.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="39">
<li><strong>Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit.</strong> Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Bedrijven mogen niet meer nanoplastics lozen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. De normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen (zoals PFAS) door bedrijven in bodem, water en atmosfeer worden veel strikter gereguleerd, gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, vervolgd.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="40">
<li><strong>Grootgebruikers van schoon drinkwater gaan daarvoor meer betalen</strong> <strong>– nu hoeven ze boven de 300 kuub niets meer te betalen, dat maximum verdwijnt en wordt vervangen door een progressief tarief. Boven de 300 kuub ga je naarmate je meer gebruikt juist meer betalen. Dat bevorderd hergebruik en niet inzetten van drinkwater waar ook ongezuiverd water gebruikt zou kunnen worden bij bedrijven. Woningen krijgen verplicht een voorziening voor ongezuiverd water voor gebruik van toilet, tuin, etc. door opvang en hergebruik van afvalwater en op te vangen regenwater. We investeren in snelle aanleg van meer wateropvang en drinkwatervoorzieningen. </strong>Per dag verbruiken we ruim 128 liter aan water per persoon in huis. Bijna een kwart daarvan om de wc mee door te trekken. Een glas koemelk kost ook 120 liter water. Dus terugdringen van zuivelgebruik levert veel op. En vleesgebruik ook: 1 kilo rundvlees kost 15.000 (!) liter water. Per dag brengen we in ons land 1,7 miljoen dieren naar de slachtbank.</li>
</ol>
<p><em><u>Een Plan voor een Groen Nederland</u></em></p>
<p><em>De leefbaarheid van onze planeet is in het geding, althans in ieder geval voor ons mensen. </em><em>We moeten onze parasitaire levenswijze zien te veranderen in een symbiotische levenswijze met onze planeet. Anders staan ons veel rampen te wachten. De Aarde overleeft het wel, sommige levensvormen ook, maar wij mensen mogelijk niet. We moeten de arrogantie, waarin we ons als goudvissen in een kom de meester van de oceaan wanen, laten varen in onze omgang met onze aarde, de enige blauwe levensbel in een onmetelijk zwart, dood, koud universum.</em></p>
<p><em>We stevenen af op de eerste door de mens veroorzaakte grote uitstervingscrisis van het leven. Klimaatverandering wordt voor het eerst vooral door menselijk ingrijpen veroorzaakt. De Aarde warmt sinds de industriële revolutie steeds sneller op. Het is geen probleem voor de verre toekomst, de effecten zijn nu al steeds meer merkbaar: extreme warmte, en zowel meer extreme droogte als extreme neerslag, meer verwoestende bosbranden, meer orkanen, een stijgende zeespiegel, stervende koraalriffen, voedselcrises en heviger smog. Deze natuurrampen veroorzaken hongersnood en watertekort en daardoor worden conflicten veroorzaakt en verergert, en dit alles veroorzaakt weer ongekende migratiestromen. Denk aan de oorlog in Syrië, die begon met een opstand toen arme boeren naar de steden trokken toen hun land niet meer genoeg opbracht om te overleven. </em></p>
<p><em>Sven Jense, secretaris-generaal van de Nationale Energiecommissie: “Het ecosysteem aarde, waar wij als mensen onderdeel van zijn, reageert op warmte zoals ons lichaam reageert op koorts. Eén graad en je wordt onrustig. Twee graden betekent zweten, spierpijn, bibberen, geen zin meer in eten. Met drie graden, of een lichaamstemperatuur van 40˚C krijg je hallucinaties, ijlende koortsdromen. Vier graden wordt gevaarlijk. Heb je vijf of zes graden koorts dan gaan de eiwitten in je hersenen stuk of stopt je hart. De koorts van de aarde bedraagt nu 1,2 graden, en het ziektebeeld is zeer verontrustend. Want als de koorts eenmaal boven de twee a drie graden komt is vanwege kantelpunten &#8211; zoals methaan-emissies uit ontdooiend permafrost &#8211; genezing vrijwel onmogelijk. De broeikasgassen die nu al in de lucht zitten in combinatie met ongewijzigde uitstoot leiden tot een stijging van zo&#8217;n vijf graden over zo’n 80 jaar. Leven op aarde voor mensen is dan nog maar zeer beperkt mogelijk.” </em></p>
<p><em>Dit decennium is volgens het recente 2023 IPCC rapport (<a href="https://www.ipcc.ch/report/sixth-assessment-report-cycle/">https://www.ipcc.ch/report/sixth-assessment-report-cycle/</a></em><em>) </em><em>bepalend of de opwarming nog beperkt kan worden tot gemiddeld 1,5 of 2 graden. Maar CO₂-uitstoot van de huidige fossiele infrastructuur brengen ons al voorbij de 1,5 graden. Bij ongewijzigd beleid zal de stijging van de temperatuur in 2100 zo’n 3 graden zijn. De huidige opwarming is al 1,2 graad. Dit leidt nu al tot meer weersextremen (hitte, droogte, of juist veel neerslag). Het zijn vooral de kwetsbaarste mensen in arme landen die de dupe zijn van meer natuurgeweld. </em><em>Pas in 2015, in het Klimaatakkoord van Parijs, kreeg de 1,5 graad een belangrijker status – geholpen door een wetenschappelijk VN-rapport, vlak daarvoor uitgekomen. Conclusie: opwarming van 2 graden is echt niet ‘veilig’ te noemen, nu al zijn de gevolgen van klimaatverandering zeer ingrijpend in sommige delen van de wereld. Het leidde tot het meest markante resultaat in mondiale klimaatonderhandelingen: de opwarming moet ruim onder de 2 graden blijven en liefst worden beperkt tot 1,5 graad, vergeleken met de temperatuur voor de industriële revolutie. </em></p>
<p><em>Op de laatste klimaattoppen, in Glasgow en Egypte, is die inzet bevestigd. De premier van Barbados sprak in Glasgow van een ‘doodvonnis’ voor eilandstaten als dat niet lukt. Wat voor de eilandstaten al duidelijk was, werd in een IPCC-rapport in 2018 van harder bewijs voorzien. Zo verdwijnt bij 2 graden opwarming meer dan 99 procent van de koraalriffen, bij 1,5 heeft meer dan 10 procent nog de kans te overleven. Bij 1,5 graad is het aantal mensen in de wereld dat met waterproblemen te maken heeft de helft lager dan bij 2 graden. Honderden miljoenen mensen minder krijgen te maken met voedselschaarste. De kans op zeer hete dagen in koelere streken en extreme regenval door cyclonen neemt toe. De grote ijskappen op Antarctica en Groenland kunnen instabiel worden bij een opwarming tussen 1,5 en 2 graden. Dat kan leiden tot meerdere meters zeespiegelstijging. Daar komt bij dat afname van biodiversiteit en verslechtering van ecosystemen een stuk harder gaat bij 2 graden dan bij 1,5. Het IPCC rapport uit 2023 geeft veel aandacht aan deze klimaatschade in kwetsbare landen. Zo is de mortaliteit door weersextremen in kwetsbare gebieden vijftien keer groter dan in rijke landen. Voor Nederland is de zeespiegelstijging misschien nog het meest relevant. En die stijging is wereldwijd sinds 1900 gemiddeld toegenomen. Van 1,3 millimeter per jaar tot ongeveer 3,7 millimeter per jaar nu. Een deel van de zeespiegelstijging is al onafwendbaar. Ook na een afbouw van de uitstoot van broeikasgassen zal de zeespiegel nog duizenden jaren verhoogd blijven. </em></p>
<p><em>Een snelle en scherpe uitstootreductie van CO₂ en methaan is nodig en gelukkig ook nog mogelijk. Hoe langer we wachten, hoe moeilijker en duurder het wordt. Reeds nu zijn er slachtoffers te betreuren, en die zullen bij ongewijzigd beleid steeds meer vallen, en vooral bij de kansarmen in de wereld.</em></p>
<p><em>Er gaat nog steeds meer geld naar fossiel dan naar hernieuwbare energie. Er is tot op heden dus nog veel te weinig gedaan om de uitstoot écht naar beneden te brengen. En dat geldt volgens het IPCC voor haast alle vlakken. Het beleid, technologie, financiën, overal is versnelling nodig. Op het gebied van financiën wordt vooral de mate waarin fossiel nog altijd voorrang krijgt op hernieuwbare bronnen als belemmering genoemd. Dat is nog vaak het geval. Het rapport maakt duidelijk dat de voordelen van klimaatbeleid ruimschoots opwegen tegen de kosten. En vergeet ook niet de bijkomstige voordelen van bijvoorbeeld schonere lucht door over te stappen op schonere energiebronnen. De economische waarde daarvan wordt ingeschat op eenzelfde orde van grootte als de kosten van het klimaatbeleid. Al is er veel focus op de klimaatdoelen van 1,5 en 2 graden, het rapport maakt duidelijk dat elke fractie van een graad telt. De risico’s nemen daarboven steeds sneller toe, dus juist bij het uit het zicht raken van de doelstellingen moeten we extra hard aan de bak. Het IPCC is een toonaangevende instantie als het gaat om klimaatrapporten.</em></p>
<p><em>Maar er is meer aan de hand dan alleen een klimaatcrisis. Ook de biodiversiteit staat door de mens ernstig onder druk. Grondstoffen worden steeds schaarser, en afval (met name plastics, maar ook pesticiden, fijnstof, PFAS en andere gifstoffen) wordt een steeds groter probleem. Vervuiling van lucht, water en bodem bedreigt ons leven. Effectieve, snelle vergroening en verduurzaming van (industrie-, landbouw- en diensten-) productie en distributie is nodig. Met klimaatbeleid, energietransitie, circulaire economie, biodiversiteit en natuurherstel. Hiervoor zijn urgente, ambitieuze programma’s nodig. “Een duurzaam Nederland &#8211; in lijn met de comparatieve voordelen van een nieuwe wereld die klimaatneutraal opereert &#8211; zal er radicaal anders uitzien. De Nederlandse voetafdruk is te groot, of het nu de productie of de consumptie betreft. Redenen te over om te veranderen, van de solidariteit van een rijke samenleving tot het welbegrepen eigenbelang van een economie die niet langer kan profiteren van fossiele brandstoffen of de overlevingsdrang van land in een laaggelegen delta. Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Bij Elsschot voorkwam het onheil, bij het klimaat zorgt het juist voor onheil. Aan de politiek de uitdaging draagvlak te creëren en een weg te banen.” (Laura van Geest in het voorwoord van het IBO-rapport Klimaat, 13 maart 2023). </em><em>De klimaattransitie moet worden versneld teneinde onze planeet leefbaar te houden. </em></p>
<p><em>Een studiegroep ambtenaren van verschillende ministeries (<a href="https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8a1597dba8caf5a78d9d3f61081602200722b66f/pdf">https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8a1597dba8caf5a78d9d3f61081602200722b66f/pdf</a></em><em>) hadden vlak voor de publicatie van dit laatste IPCC-rapport een advies gepubliceerd waarin werd geconcludeerd dat de nationale klimaatdoelstellingen voor 2030 (60% reductie van CO</em><em>₂</em><em>-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990) ver uit beeld zijn en dat er veel meer, en snel ook, nodig is, en dat d</em><em>e huidige beleidsmix is sterk gericht op subsidies en vrijwillige aanpassingen. Om het tempo van de transitie te versnellen is daarom aanvullend normerend en beprijzend beleid nodig. </em></p>
<p><em>Ook Kees Vendrik, voorzitter van het door het kabinet ingestelde Nationaal Klimaat Platform (NKP) dat in plaats gekomen is van de klimaattafels, schrijft dit in zijn eerste advies (april 2023): “</em><em>Het gestelde klimaatdoel voor Nederland in 2030 (-55/-60%) is nog niet binnen bereik. En de kans om de mondiaal afgesproken 1,5oC doel te realiseren, wordt snel kleiner. Tijd is kostbaar en uitstel is niet verantwoord. De stikstofcrisis maakt duidelijk dat uitstel leidt tot extra kosten en maatschappelijke polarisatie en de ruimte verkleint voor politiek handelen later. De klimaatcrisis vraagt van het kabinet een concreet toekomstperspectief met duidelijke doelen en een samenhangend instrumentarium, ook voorbij 2030. Met langjarig consistent beleid biedt het kabinet burgers en ondernemers duidelijkheid over de normen waaraan ze moeten gaan voldoen en de prijzen waarmee ze kunnen rekenen. Dat hebben ze nodig om zelf in actie te komen.” En: “</em><em>De klimaat- en energietransitie vraagt om stevig en consistent beleid dat de systeemverandering in gang zet die de beoogde emissiereducties in 2030 en 2050 kan realiseren. Maar ingrijpende (systeem)verandering confronteert individuele ondernemers en burgers met veel onzekerheid. Voor de uitvoering van stevig beleid is het belangrijk dat burgers en ondernemers snappen dat ingrijpende maatregelen perspectief bieden op een duurzamer, mooier en toekomstbestendig Nederland. De proteststem van burgers lijkt in de kern (ook) een roep om mee te doen. Er is behoefte aan een samenhangend verhaal dat de doelen tastbaar maakt en beleidsinstrumenten – zoals beprijzing, normering en subsidies &#8211; plaatst in een breder sociaal-maatschappelijk perspectief. De overheid kiest nu nog vaak voor een faciliterende rol in de klimaat- en energietransitie, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde. Voor het vormgeven van ingrijpende, systemische verandering is dit niet voldoende. De klimaatcrisis vraagt van het kabinet een langjarig consistent beleid met scherpe doelen en een helder tijdpad. Stevig beleid dat in samenspraak met burgers en ondernemers vorm krijgt. Daarmee geeft het kabinet richting aan de transformatie van maatschappelijke systemen en biedt het een kader waarbinnen bedrijven, investeerders en financiële instellingen hun koers kunnen kiezen. Dit geldt zowel de opbouw van duurzame bedrijven die vaak nog opereren in markten met oude spelregels die hen benadelen, als de uitfasering van industriële activiteiten die niet passen in een duurzaam toekomstperspectief.”</em></p>
<p><em>Dat vraagt veel aanvullend beleid. Ons energiesysteem moet in 2035 uitstootneutraal zijn. Dat kan alleen met een forse daling in de energievraag. Een klimaatneutraal Nederland in 2050 is alleen haalbaar als we het huidige transitietempo fors opvoeren. Lastige keuzes, zoals beleid gericht op vermindering van energievraag, zijn de afgelopen decennia vaak vermeden. Dat zal niet meer kunnen. Er is een langetermijnvisie voor 2050 nodig die leidend is voor een integraal overheidsbeleid. Omdat de levensduur van veel investeringen tot na 2050 strekt, gaat deze langetermijnvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling verder, richting 2100. </em></p>
<p><em>Het uittreden van de VS uit het Klimaatakkoord is een ernstige bedreiging voor de veiligheid, de welvaart en het welzijn van de wereldbevolking. We zullen daar gepast op moeten reageren. Het grootste deel van de export van de VS naar Europa bestaat uit fossiele brandstoffen. Trump wil vooral ook meer vloeibaar gas naar de EU exporteren, nu die uit Rusland is weggevallen. Daar moeten we beslist niet in meegaan. We moeten onze vergroening versnellen, en door onze economie ook te vergroenen, juist concurrentievoordeel ten opzichte van de VS realiseren. En we verzwaren de invoertarieven voor fossiele producten uit de VS. Dat is ook de Chinese strategie. En ook om China voor te blijven is versnelling van vergroening noodzakelijk. </em></p>
<ol start="41">
<li><strong>Voor alleen al het realiseren van de door Rutte IV gestelde doelstelling van 60% CO</strong><strong>₂</strong><strong> reductie in 2030 is veel aanvullend beleid nodig. Fossiele energiebronnen moeten volledig vervangen worden door hernieuwbare energiebronnen. We beëindigen het gebruik van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="42">
<li><strong>De in de Klimaatwet gestelde doelen daarvoor worden bindend en vatbaar voor rechterlijke toetsing. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="43">
<li><strong>De aardgaswinning wordt direct gestaakt, ook in velden buiten Groningen. Er komt geen winning van schaliegas. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="44">
<li><strong>Met een grote financiële sector en de ligging in een delta is Nederland zowel financieel kwetsbaar voor klimaatverandering als in de positie om een verandering van het financiële systeem mede in gang te zetten. De overheid kan en moet die verandering stimuleren door eisen te stellen aan het kennisniveau van financiers over duurzaamheid, transitieplannen verplicht te stellen en in het toezicht tegenover klimaat gerelateerde risico’s hogere kapitaalseisen te zetten. Ook betere economische prikkels verhogen de aantrekkelijkheid van duurzame investeringen. Daarbij kan de overheid ook meer zelf mee investeren.</strong></li>
</ol>
<p><u>Scherpere keuzes nodig </u></p>
<p><em>Een succesvolle energietransitie vereist ook keuzen. De energietransitie zal plaatsvinden in een omgeving en een periode van aanzienlijke schaarste. Er is weinig ruimte in de boven- en de ondergrond, de arbeidsmarkt is zeer krap en er is schaarste aan materialen. Dit vereist een scherpe prioritering. Niet alles kan, dus prioritering is nodig naar wat het meeste bijdraagt aan de integrale visie. Inzet van alle beschikbare kennis en ruimte geven aan innovaties kan bijdragen aan het minder beknellend maken van de schaarste-elementen.</em></p>
<p><u>We verscherpen de klimaateisen in de landbouw</u></p>
<p><em>In de landbouw moet alleen al voor de reductiedoelstelling van broeikasgassen </em><em>de veestapel voor 2030 met 30% verminderen met een maximum van 1,7 dier per hectare; er moet een hogere belasting komen op vlees en zuivel; voedsel moet meer gebaseerd zijn op plantaardige eiwitten; voedselverspilling moet worden tegengegaan; ook de agrarische sector moet emissiebelasting gaan betalen; veevoer moet genormeerd worden; glastuinbouw moet extra beprijst worden; oppervlaktewaterstanden in veenweidegebieden moeten genormeerd worden.</em></p>
<p><em>Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het is absurd dat in een dichtbevolkt land dat drijft op diensten bijna 60 procent van het grondgebied in beslag wordt genomen door een uitermate vervuilende activiteit: de intensieve landbouw. Deze heeft grote nadelige maatschappelijke en milieueffecten. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid.  Dat moet minder, duurzamer, natuurlijker. </em></p>
<p><em>Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector, daarvoor lenen de productieomstandigheden in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. De gangbare, industriële landbouw kan de wereld op den duur niet voeden. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Burgers maken zich zorgen over klimaatverandering, maken zich zorgen over gezondheidsrisico’s en ergeren zich aan de landschapsvervuiling en schendingen van dierenwelzijn, natuurbeschermers zien dat er zich een &#8216;ecologische ramp&#8217; voltrekt in het agrarische gebied. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren. </em></p>
<p><em>Het stikstofprobleem dat heel Nederland nu zo bezighoudt, komt niet zomaar uit de lucht vallen. Het is het gevolg van politieke keuzes die door opeenvolgende kabinetten consequent jaar in jaar uit gemaakt zijn. De belangrijkste keuze was, om het agrarische bedrijfsleven zo veel mogelijk de vrije hand te geven, om zo goed mogelijk in te spelen op het spel van vraag en aanbod. </em><em>In de landbouwsector werd het idee van de vrije markt omarmd. Er moest toch vooral met een concurrerende kostprijs voor de wereldmarkt worden geproduceerd. Randvoorwaarden, gesteld door de Europese Unie, zoals melkcontingentering, mestwetgeving en fosfaatnormen werden in de Nederlandse politiek en door de boerenvoormannen eerder als lastig, dan als constructief ervaren. Ondertussen kon deze doelstelling alleen maar in stand worden gehouden, door de boeren enorme subsidies te geven, betaald door Europa, dus uiteindelijk betaald door de Europese en dus de Nederlands burgers. </em></p>
<p><em>In de vrijemarkteconomie heerst het recht van de sterkste. Het gevolg is, dat grote bedrijven steeds groter worden en de kleine bedrijven verdwijnen. Zo ook in de landbouw. In 1985 waren er nog 96.000 melkveehouders in Nederland. In 2022 waren dat er afgerond 15.000. In een kleine veertig jaar is dus 85 procent van de melkveehouders verdwenen. De 15 procent overgebleven bedrijven zijn stuk voor stuk grote bedrijven, die met een klein aantal mensen eenzelfde productie realiseren, als alle bedrijven samen veertig jaar geleden, toen de melkcontingentering werd ingevoerd. In Duitsland hebben ze daar een woord voor : das Bauernsterben. Het verschijnsel dat boeren in een hoog tempo al dan niet gedwongen moeten stoppen met hun bedrijf is dus niet iets dat nu in één keer ontstaat, om de stikstofproblemen op te lossen. Nee, het is een proces dat al jarenlang gaande is als gevolg van het tot op heden gangbare beleid. Bij onveranderd beleid, zal het Bauernsterben onverminderd doorgaan. De groei van de 15 procent succesvolle bedrijven is mogelijk gemaakt door overname van kleine, minder succesvolle bedrijven, de bouw van grote stallen en van dure melkinstallaties. </em></p>
<p><em>In deze reeks van groei, gestuurd door de wetten van de vrije economie hebben een aantal partijen veel geld verdiend. Dat zijn de banken en hun aandeelhouders, die het kapitaal aan de boeren hebben verschaft, zodat zij konden investeren in groei. Verder de voerleveranciers en hun aandeelhouders, die het krachtvoer hebben verkocht, om hoge producties mogelijk te maken. En ook de leveranciers van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, waardoor het gras nog sneller ging groeien. Dan zijn er de mechanisatiebedrijven, die door de verkoop van steeds grotere trekkers het bewerken van steeds grotere oppervlakten land mogelijk maakten. En de leveranciers van melkinstallaties en melkrobots, die het mogelijk maakten met steeds minder mensen, steeds meer koeien te melken. Vergeet ook niet de gespecialiseerde bouwbedrijven, die door de bouw van steeds grotere en modernere stallen het houden van meer koeien op één bedrijf mogelijk maakten. En de zuivelindustrie, die de geproduceerde melk van toegevoegde waarde voorziet en over de hele wereld distribueert. En ten slotte de dierenartspraktijken, die middels bedrijfsbegeleidingsabonnementen en vaccinatieschema’s, alsook de verkoop van medicijnen en bestrijdingsmiddelen het houden van veel dieren op een kleine oppervlakte mogelijk maakten. </em></p>
<p><em>In deze rij noemen we niet de boer. Is dat verrassend? Hij zal in veel gevallen zijn bedrijfsvermogen hebben zien toenemen. Maar zijn beschikbaar inkomen en de hoeveelheid vrije tijd zeker niet. Daar komt bij dat door de enorme schaalvergroting en de waardestijging van zijn bedrijf de bedrijfsovername door de volgende generatie ernstig wordt bemoeilijkt. In veel gevallen is daardoor de overnemende partij de bank, of een belegger in onroerend goed, waarvan een van de kinderen de landerijen vervolgens pacht. Op zichzelf is dit verschijnsel, dat het gevolg is van vrije markt en de daarop volgende schaalvergroting niet bijzonder en heeft zich de afgelopen decennia ook in allerlei andere bedrijfstakken voltrokken. </em></p>
<p><em>Het bijzondere in het verhaal over de boeren is, dat de Nederlandse samenleving op onevenredige wijze de prijs betaalt voor de moderne productiemethoden en de schaalvergroting van de boeren. Die prijs bestaat uit de afname van de levenskwaliteit van de burgers, die wordt veroorzaakt door de verschraling van het platteland. De afname van de biodiversiteit, waardoor de belevingswaarde is verminderd. De afname van de leefbaarheid van de dorpen, door het stoppen en/of vertrekken van boerenbedrijven en daarmee de boerenfamilies. De afname van de waterkwaliteit door vermesting van de sloten en uiteindelijk het drinkwater. De afname van de kwaliteit van de ademlucht door ammoniak en fijnstof. En niet in de laatste plaats door de afname van de biodiversiteit in de laatste stukjes natuur die ons nog resten.</em></p>
<p><em>Het is opmerkelijk dat dit laatste, de afname van de soortenrijkdom in de natuurgebieden, uiteindelijk het argument is, om het roer om te gooien, terwijl de andere eerder genoemde zaken, waarbij het gaat om de gezondheid en de levenskwaliteit van de mensen, de burgers, in het verleden nooit de aanleiding zijn geweest tot ingrijpen over te gaan. Daarnaast is het evenzo opmerkelijk, dat juist Europese regelgeving onze overheid moet dwingen maatregelen ter bescherming van mens en natuur te treffen. Het heeft er alle schijn van dat onze eigen politici en bestuurders de afgelopen jaren niet waren opgewassen tegen de krachten van de grote spelers in het veld, de agrobusiness, de sponsors van de BBB, zodat de hiervoor geschilderde ontwikkelingen veel te lang door konden gaan, ten koste van grote maatschappelijke offers: de leefbaarheid van ons mooie land en de gezondheid van de eigen bevolking.</em></p>
<p><em>De vraag die dus nu heel terecht gesteld mag worden is deze: Voor wie en waarvoor demonstreren de boeren nu eigenlijk? Is het om de stikstofmaatregelen van tafel te gooien en om op bestaande voet door te gaan? Of demonstreren de boeren voor een betere toekomst voor zichzelf, waarbij ook de komende generaties boeren een kans hebben op een zelfstandig en gezond boerenbedrijf in een gezonde omgeving voor boer en burger? Maar in het laatste geval moet het roer dus echt om en ontkomen we niet aan ingrijpende maatregelen. Een van de maatregelen, zal noodgedwongen de reductie van schadelijke stikstofverbindingen door de agrarische sector moeten behelzen. </em></p>
<p><em>De intensieve veehouderij kent steeds meer structurele misstanden: megastallen, langeafstandstransporten (tegenwoordig ook om strenge regelgeving te ontlopen), stalbranden, dierziekten, mestoverschotten en risico’s voor de volksgezondheid en voor de klimaatverandering. </em></p>
<p><em>Doordat het dier wordt aangepast aan de houderij in plaats van andersom, wordt ook het dierenwelzijn ernstig aangetast. Dieren worden te krap gehouden, met te weinig uitdaging of afleiding, kalf en koe worden bij de geboorte gescheiden, kalveren en lammetjes onthoornd, zeugen in kraamkooien gestald, staarten bij biggen geamputeerd en snavels bij kippen gekapt. Varkens worden in het slachthuis met heftig prikkend koolstofdioxidegas bedwelmd, met een afschuwelijke en verstikkende doodsstrijd tot gevolg. Kippen bereiken het slachthuis vaak met blaren op borst en poten doordat ze zo snel mogelijk en dus hardhandig in kratten worden gepropt. Hanen, bokken en stieren worden massaal jong gedood omdat ze niet gewild zijn bij de productie. Bij de meeste biggen worden staarten gecoupeerd, zonder pijnstilling. </em></p>
<p><em>De fractievoorzitter van de Partij van de Dieren, Esther Ouwehand,  verwoordde het indringend bij het debat in de Tweede Kamer over de instelling van een ‘landbouwtransitiefonds’ (in de media ‘stikstoffonds’ genoemd) van 25 miljard (!) euro: </em><em>“Een van de elementen die steeds terugkomen in deze discussie, is dat het zo lastig zou zijn om draagvlak te vinden en dat er zo veel protest zou zijn van de burgers, de bevolking en de boeren. Ja, dat heeft het kabinet ook zelf laten voortbestaan. Het gaat erom dat we in Nederland 500 tot 600 miljoen dieren per jaar fokken, exploiteren en door het slachthuis jagen. Wat had je dan gedacht? Dat de mest die al die dieren produceren geen schade zou aanrichten aan onze natuur, aan ons grondwater, aan het klimaat? </em></p>
<p><em>Vertel gewoon waar het begint. Het begint ermee dat we hier toestaan, accepteren en gedogen dat we weerloze dieren ieder jaar zwanger laten worden, een kalf laten dragen en dat vervolgens laten baren, om dat kalf vervolgens bij haar weg te halen. Dat is om te beginnen al een moreel probleem. Die kalfjes belanden in de kalvermesterijen. Veel van die dieren zijn zo ziek dat ze de eindstreep niet eens halen. Vertel wat er met de dieren gebeurt en wat er ten grondslag ligt aan de grote problemen voor het klimaat en voor omwonenden, zoals stankoverlast. Dit zijn morele problemen die we niet durven te adresseren. Kijk naar de varkens en vertel over de varkens. De helft van de dieren in de Nederlandse veehouderij heeft longontsteking of, nog veel pijnlijker, borstvliesontsteking. Vertel mensen dat dit een moreel probleem is en dan hebben we draagvlak voor het fors inkrimpen van de veestapel. Vertel dat 90% van de varkens in de Nederlandse veehouderij die worden vetgemest, leeft in volautomatische systemen. Dat betekent dat er geen mens aan te pas komt. De lucht wordt gefilterd, het voer gaat automatisch en volgens de wet moet er één keer per dag iemand langskomen om te kijken of die systemen nog werken. Als alleen al het luchtsysteem uitvalt, dan stikken alle dieren. </em></p>
<p><em>We vinden dat niet acceptabel. We weten dat de meerderheid van Nederland dat niet acceptabel vindt. Kijk naar de kippen. Iedere ochtend moet de kippenboer door zijn stal lopen om de dode dieren op te rapen. Die dieren waren dus ziek, hebben zichzelf om allerlei redenen niet in leven kunnen houden en daar is geen verzorging aan te pas gekomen; die mochten daar gewoon creperen. 30 miljoen dieren per jaar komen niet eens levend de stal uit. </em></p>
<p><em>Dit ligt ten grondslag aan het stikstofprobleem: de manier waarop wij met dieren denken om te kunnen gaan in dit land. Vertel dat gewoon. Vertel gewoon dat al die problemen waar we voor staan één gemeenschappelijke deler hebben, namelijk dat we zo veel dieren in stallen proppen in Nederland. Dierenwelzijn, stankoverlast, vervuiling van ons grondwater, vervuiling van ons drinkwater, verlies van onze vruchtbare bodems, verlies van de biodiversiteit die we nodig hebben voor een gezonde landbouw in de toekomst, gezondheidsschade voor omwonenden — je hebt gewoon direct een verhoogd risico op longontstekingen als je in de buurt woont van geitenhouderijen — en dan hebben we het nog niet eens gehad over de dreiging van zoönoses; Nederland zit op een tikkende tijdbom met deze veehouderij. Er ligt een rapport van de commissie-Bekedam. We zijn allemaal geschrokken van wat er kan gebeuren als een dierziekte overspringt op de mens, en dat was nog maar corona. Dat was nog maar een voorproefje van wat ons te wachten staat als we die risico&#8217;s niet fors inperken. </em></p>
<p><em>Dat alles heeft één gemene deler: de dieren in de veehouderij. Het probleem is dus niet technocratisch, wat ik het CDA heel vaak heb horen zeggen. Het probleem is dat we niet durven in te grijpen, niet omdat de boeren zelf dit zo graag willen — dat is de tragiek van het verhaal — maar omdat de agro-industrie hier belang bij heeft. Ik hoorde mevrouw Van der Plas al spreken over de kritische massa boeren die we zouden kwijtraken. Dat is precies wat de agro-industrie zegt. Boeren zouden heel graag met een gezond verdienmodel door willen. </em></p>
<p><em>De enige die belang hebben bij deze belachelijke aantallen dieren in Nederland zijn de slachthuizen, de veevoerbedrijven, de stallenbouwers en de Rabobank. Die hebben het over een kritische massa boeren die zou moeten blijven bestaan, de boeren zelf niet. Die gaan ten onder in dit systeem. (…) </em><em>We weten van vleeskuikens bijvoorbeeld dat ze ergens uit een ei komen en in een stal worden gestort. Zes, zeven of acht weken later worden ze eruit gehaald. Al die tijd leven ze op strooisel en hun eigen uitwerpselen. We weten dat ze zo zijn doorgefokt dat veel van die dieren op zeker moment niet eens meer goed kunnen staan en niet goed bij het water en het voer kunnen komen. Veel van die dieren creperen daar gewoon. Dat geldt ook voor legkippen.”</em></p>
<ol start="45">
<li><strong>Landbouw moet in 2040 geheel klimaatneutraal zijn. De uitstoot van CO</strong><strong>₂</strong><strong>, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="46">
<li><strong>We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij.</strong> Deze vormen van landbouw leveren meerwaarde voor boer, dier, maatschappij, natuur en milieu. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030. De toekomst ligt in gemengd boerenbedrijf met natuurinclusieve akkerbouw, voedselbossen en extensieve veeteelt, gecombineerd met betaald natuur- en landschapsbeheer en andere, niet-vervuilende bedrijvigheid (zoals zorgboerderijen).</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="47">
<li><strong>Er moet een einde komen aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt.</strong> Intensieve veehouderij draagt bij aan de klimaatcrisis, de crisis in de biodiversiteit en vormt een ernstige bedreiging van onze gezondheid. Om nog maar niet te spreken over dierenwelzijn.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="48">
<li><strong>Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – met een krimp van tweederde ten opzichte van 2020 uiterlijk in 2030, dus tot eenderde van de huidige omvang.</strong> Dat is noodzakelijk voor het realiseren van de klimaattransitie, de stikstofreductie ter herstel van de biodiversiteit, de circulaire economie, bedreigingen van onze volksgezondheid en de vermindering van het zoetwatergebruik. Nederlanders moeten in 2120 minder vlees eten en/of regulier vlees vervangen door kweekvlees. Daar investeren we in. Met BTW- en prijsmaatregelen ondersteunen we die transitie.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="49">
<li><strong>Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid.</strong> We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="50">
<li><strong>Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="51">
<li><strong>Veevoer gaat genormeerd worden naar uiteindelijk zonder ingevoerde soja en kunstmest. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="52">
<li><strong>Daarbij is een hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) per 2020 met hogere kwaliteitsnormen nodig. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. </strong>Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="53">
<li><strong>Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="54">
<li><strong>Wij willen naar een volledige transitie naar kringlooplandbouw, met niet minder boeren maar met veel minder dieren, en overheidsbetaling voor natuur- en landschapsbeheer. Wij willen dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="55">
<li><strong>De stikstofarresten van de Raad van State en uitspraken van andere rechters worden direct en strikt uitgevoerd – niet </strong><strong>door ontwijktrucs. We gaan versnellen in plaats van vertragen: 50% procent minder stikstofuitstoot en driekwart van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op een gezond niveau in 2025 in plaats van 2030, conform de eis van natuurorganisaties. </strong><strong>Natuurvergunningen worden bij te hoge stikstofuitstoot ingetrokken (ook buiten de landbouw), uitbreiding van het aantal dieren verboden, uitrijden van mest sterk beperkt. De betrokken boeren krijgen financiële en andere hulp om de transitie naar kringlooplandbouw en/of andere duurzame bedrijvigheid te kunnen meemaken, eventueel op een andere plek, of hun bedrijf te beëindigen. </strong>Als we dat niet doen zal heel Nederland op slot gaan met een geraamde schade van 100 miljard euro. De grootste uitstoters buiten de landbouw gaan ook dicht of moeten fors krimpen (kunstmestfabrieken, hoogovens, Schiphol, etc.).</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="56">
<li><strong>We bevorderen duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw wordt de norm.</strong> Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="57">
<li><strong>Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). </strong>Met deze vernatting van veenweidegebieden zijn ze niet meer geschikt voor melkveehouderij, maar wel voor ‘<em>natte’</em> teelten zoals cranberry’s en riet. Nu wordt in deze gebieden de waterstand kunstmatig laag gehouden voor de landbouw. Daardoor oxideert het veen, wat leidt tot extra uitstoot van CO<sub>2</sub>. Voor boeren is nog steeds ruimte in het Nederland van 2120, maar wel met passende landbouw op de goede plek. Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="58">
<li><strong>De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op zo kort mogelijke termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja en de toepassing van kunstmest. We gaan vegetarische vleesvervangers, kweekvlees en het gebruik van insecten en zeewier in de voedselvoorziening bevorderen.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="59">
<li><strong>De vruchtbare kleigronden in Zeeland, de polders, Noord-Holland, Friesland en Groningen behouden hun bestemming als akkerbouwgrond. Hier zullen vooral gewassen worden geteeld voor menselijke consumptie.</strong> Het is zonde om op vruchtbaar land gras te laten groeien voor koeien.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="60">
<li><strong>Het areaal landbouwgrond (nu 54 procent van het landoppervlak) wordt gehalveerd. Dat wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de uitbreiding van de voedselproductie op zee. Boeren gaan minder produceren, maar ze krijgen wel een betere prijs voor hun producten.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="61">
<li><strong>De normen voor dierenwelzijn moeten fors worden verhoogd en strak gehandhaafd.</strong> De Nederlandse intensieve veehouderij wordt vaak genoemd als voorbeeld voor de rest van de wereld. Onze productiemethoden zijn geperfectioneerd op efficiëntie en het dierenwelzijn is ondanks bovenstaande misstanden beter dan in veel andere landen. Maar dat het elders nog slechter is, kan geen excuus zijn om weg te kijken. Als gidsland en als een van de grootste producenten ter wereld van vlees en zuivel, moet Nederland streven naar een voorbeeldfunctie wat betreft duurzaamheid, volksgezondheid en dierenwelzijn. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen. Weidegang voor koeien en voldoende buitenruimte voor varkens en pluimvee worden wettelijk verankerd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen mishandeling op slachterijen en verplicht pijnloos slachten (en geen uitzondering voor religieus slachten); geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden, en zeker niet bij temperaturen boven 22 graden Celsius.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="62">
<li><strong>Er komt een verbod op het houden en fokken van (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht.</strong> Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="63">
<li><strong>Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt.</strong> Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="64">
<li><strong>Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector </strong>(als onderdeel van een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid), opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Slachthuizen worden permanent gevolgd met camera’s. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="65">
<li><strong>Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau. </strong>De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="66">
<li><strong>Er moet verder onderzoek plaatsvinden naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. In een toekomstige zoönose-uitbraak (ziekte die overdraagbaar is van dier op mens, zoals Q-koorts en covid), stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, hierom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken. Er komen strengere gezondheidsnormen voor het houden van geiten. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="67">
<li><strong>We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Verkoop van gewassen, planten en bloemen die met pesticiden gekweekt zijn wordt in Europa eveneens verboden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd.</strong> Pesticiden veroorzaken ernstige ziektes bij mensen op en rondom de boerderijen en bijv. de bloembollenvelden, zoals Parkinson en leukemie. Een progressieve belasting op pesticiden (zolang er nog geen Europees verbod is) en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="68">
<li><strong>Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren.</strong> Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid. We zijn tegen het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven. We blijven het voorzorgprincipe hanteren tegen genetische modificatie van gewassen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="69">
<li><strong>Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren en verzet tegen verscherping staken. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. Zo belonen we de innovatieve vissers.</strong> Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis. Bodemberoering voor visserij (zoals bij platvis en garnalen) wordt verboden.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="70">
<li><strong>Plezierjacht wordt verboden. Beheersjacht wordt alleen onder strenge voorwaarden toegestaan bij ernstige schade of bedreiging van de volksgezondheid of veiligheid, wanneer alternatieven hebben gefaald.</strong> Stroperij is niet alleen internationaal, maar ook in Nederland een probleem. We willen een harde aanpak van de stroperij, met hoge boetes en een goede pakkans door voldoende groene buitengewone opsporingsambtenaren. Nederland zet zich in tegen de stroperij van en handel in wilde dieren en planten.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="71">
<li><strong>Er worden steeds meer innovatieve alternatieven ontwikkelt voor dierproeven. Wij staan achter de ambitie om Nederland in 2025 wereldleider in proefdiervrije innovatie te maken.</strong> Daartoe wordt een actieplan opgesteld.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="72">
<li><strong>We gaan wettelijk vastleggen welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. Die zogenaamde positieflijst bestaat al voor zoogdieren, maar voor ander categorieën zoals vogels, vissen en reptielen gaan we dit ook vastleggen. </strong></li>
</ol>
<p><u>Groen industriebeleid</u></p>
<p><em>De industrie in Nederland (en in de rest van West-Europa) gaat veel ingrijpender veranderen dan nu veelal wordt gedacht. De relatief grote omvang van de zeer energie-intensieve industrie werd mede mogelijk door de relatief grote hoeveelheid fossiele brandstoffen uit eigen bron. Dit specifieke voordeel kan niet vervangen worden door eigen opwekking van duurzame energie, omdat andere Europese landen eveneens veel duurzame energie kunnen opwekken. Het oude industriemodel is niet meer bruikbaar, ook al blijven andere relatieve voordelen van Nederland bestaan, zoals de ligging en de immateriële infrastructuur. </em></p>
<p><em>De Nederlandse industrie is goed voor ruim 40% van het Nederlandse energiegebruik. Van die energie wordt 82% nog steeds opgewekt met fossiele brandstoffen en slechts 12% met hernieuwbare bronnen. Een groot deel hiervan wordt gebruikt in de procestechnologie, waaronder de petrochemische, farmaceutische en voedselindustrie. Door het grote aandeel van de procesindustrie binnen de Nederlandse economie behoort Nederland tot de landen met het hoogste energieverbruik per inwoner. Het echt grote energiegebruik zit in de basisindustrie. Niet alleen voor verhitting in processen, maar ook voor de productie van materialen: kunststoffen uit olieproducten, reductie van ijzererts tot ruw ijzer, productie van aluminium en chloor door elektrolyse van zouten en omzetting van aardgas in ammoniak. Ongeveer een kwart van het Nederlandse energiegebruik wordt gebruikt voor het produceren van materialen. Dat is hoog vergeleken met andere landen, omdat Nederland veel basisindustrie heeft. </em></p>
<p><em>De toekomst van de Nederlandse industrie </em><em>moet richting 2050 bezien worden vanuit </em><em>Europees perspectief</em><em>. De vestigingsplaatsfactoren veranderen door de overgang van fossiel naar hernieuwbaar. Het is van belang hier tijdig op voorbereid te zijn. </em><em>Toekomstige schaarste in koolstof </em><em>en andere materialen vraagt voor een energiesysteem volgens de ontwerpprincipes om </em><em>een sterkere inzet op circulariteit </em><em>(van zowel plastics als CO₂). In 2050 zal de Nederlandse industrie er, hoe dan ook, anders uitzien dan nu. Het is waarschijnlijk dat het gebruik van fossiele brandstoffen beperkt of zelfs geheel uitgefaseerd is, door autonome mondiale ontwikkelingen en klimaat- en circulariteitsbeleid. De vraag naar koolstof zal voor een breed scala aan producten echter niet verdwenen zijn. Omdat de koolstof van fossiele bronnen grotendeels wegvalt, is het noodzakelijk dat de koolstof ergens anders vandaan komt. Dat kan uit hergebruikt materiaal (gerecycled plastic), biomassa, of de lucht. Dit heeft invloed op de energievraag en de import en duurzaamheid van grondstoffen. Het expertteam Klimaat heeft de bestaande scenario’s doorgenomen voor de vier energie-intensieve industriesectoren die momenteel grotendeels op fossiele brandstoffen draaien en alle een grote uitstoot hebben. De industriesectoren zijn ijzer en staal, raffinage, chemie en kunstmest. Samen vertegenwoordigen deze sectoren ongeveer 80 procent van de huidige industriële energie- en grondstoffenvraag. Het expertteam constateert dat de bandbreedte tussen de bestaande scenario’s erg groot is. Om de gevolgen van verschillende scenario’s voor het energiesysteem te kunnen onderzoeken schetst het expertteam twee ontwikkelpaden. Huidige stand van zaken, marktvooruitzichten en transitiebeelden vormen de basis voor deze ontwikkelpaden. Eén ontwikkelpad is gebaseerd op plannen en ontwikkelingen die zich lijken af te tekenen. De ander leidt tot een significant lager energie- en grondstoffengebruik, maar behoudt (eind)productie voor Nederland. Voor dit ontwikkelpad is mede gebruik gemaakt van beleidsinterventies in beleidskaders die nog volop in ontwikkeling zijn. De varianten zijn gekozen om de dilemma’s zichtbaar te maken, en vertegenwoordigen niet een bandbreedte. </em></p>
<p><em>Deze ontwikkelpaden leveren een aantal knelpunten en conclusies op. De energievraag loopt sterk uiteen – bijna een factor twee. De grote variatie is ook het geval bij scenario’s in andere studies en reflecteert de grote onzekerheid. Toch zijn er conclusies te trekken door het verkennen van ontwikkelpaden. De relaties tussen sectoren leveren dilemma’s op en competitie tussen schaarse hulpbronnen. Bij raffinage kunnen biomassa en plastic afvalstromen die koolstof leveren voor synthetische brandstoffen schaars worden, en hun duurzaamheid kan onder druk komen te staan. Bovendien loopt de energievraag sterk op, hetgeen aan de grenzen van de benodigde capaciteit van hernieuwbare elektriciteit (voor groene waterstofproductie) raakt. Een lagere vraag naar brandstoffen vermindert deze spanning.</em></p>
<p><em>De sleutel ligt in circulariteit en vermindering van laagwaardig gebruik. De vraag naar fossiele brandstoffen zal sterk gaan dalen door elektrificatie in de industrie, in wegtransport en door toenemend gebruik van hernieuwbare brandstoffen in lucht- en scheepvaart.</em><a href="#_edn1" name="_ednref1"><em><strong>[i]</strong></em></a><em> De koolstof- en energiebehoefte bij transformatie van de bestaande fossiele bunkerbrandstofproductie naar grootschalige productie van synthetische brandstoffen maakt import van waterstof noodzakelijk.</em></p>
<p><em>Als fossiele import helemaal moet verdwijnen met behoud van de chemie, dan zijn er grote stappen op circulariteit en/of biomassa-import nodig. De integratie tussen raffinage en chemie (met name plastics) blijft, maar verandert substantieel. Als de vraag naar producten uit de chemische industrie groeit en de fossiele raffinagecapaciteit daalt, stijgt de vraag naar koolstof uit andere bronnen. Sturing op vraag naar plastics beperkt de uitdaging, terwijl sturing op productontwerp (circular by design) bij kan dragen aan hogere aandelen recyclage. Circulariteit, deels energie-intensief, is een noodzakelijke deeloplossing. Via meer recycling, gebruik van biomassa, en op termijn CO₂ uit de lucht kan mogelijk lokaal koolstof gewonnen worden. Dit levert mogelijk een duurzamere sector en een kleinschaligere chemische productie.</em></p>
<p><em>Voor kunstmest en staal zijn er opties om halffabricaten te importeren, maar daardoor verplaatst de energie-intensieve productie. De duurzaamheid hiervan hangt af van de vraag waarnaar toe dit verplaatst. Is dit naar gebieden met goede mogelijkheden voor hernieuwbare energie- en groene waterstofproductie, of niet. Voor kunstmest gaat er volgens het expertteam waarschijnlijk ammoniak ingevoerd worden, vooral voor de Europese markt. Voor ijzer en staal gaat meer schroot verwerkt worden. Voor de vraag naar nieuw staal zijn er meerdere opties. Bij een gelijkblijvende of grotere Nederlandse productie is er een duidelijk hogere waterstof- en daarmee elektriciteitsvraag. Dit kan leiden tot spanningen met andere sectoren binnen en buiten de industrie die ook gaan elektrificeren. Productie van staal in Europa voorkomt afhankelijkheid van landen buiten Europa. </em></p>
<p><em>Het maakt veel uit welk ontwikkelpad wordt ingezet. Het eerste pad leidt tot een industriële energievraag van rond de 1300 Petajoule (PJ), het tweede pad leidt tot een vraag van ca. 600 PJ. De analyses laten zien dat een systeemtransformatie in de industrie nodig is. Vanwege de energievraag van de huidige industrie, de consequenties voor duurzaamheid en de schaarse ruimte, is vanuit de ontwerpprincipes moeilijk voor te stellen dat de huidige omvang van de industrie in Nederland in stand blijft. Een aantal recente ontwikkelingen laat dit ook al zien. Maatregelen om de broeikasgasuitstoot naar nul te krijgen vragen om een inzet op meerdere ‘enabling conditions’. Om daar te komen doet het expertteam de volgende aanbevelingen. Net als bij ontwikkelpad Elektriciteit en Waterstof is de inzet op elektrificatie waar mogelijk en het voeren van beleid op infrastructuur ook toepasbaar op de industrie. Daarnaast zijn er een aantal specifieke aanbevelingen.</em></p>
<p><em>Vraag naar materialen verminderen lijkt haalbaar en maakt de dilemma’s rondom de ontwerpprincipes minder prangend. Dit vergt gericht beleid op vraagreductie,  normering om circulariteit te stimuleren en productontwerp voor circulariteit te bevorderen. Een sterke overheidsregie is daarbij noodzakelijk;</em></p>
<p><em>Zonder sterke en sturende inzet op circulariteit, wordt de transitie naar een klimaatneutrale koolstof-intensieve industrie in Nederland moeilijk om te realiseren. Het beleid op circulariteit zou moeten worden gekoppeld aan klimaatbeleid zodat perverse prikkels, bijvoorbeeld voor emissies in de keten, worden voorkomen. En het is urgent om werk te maken van circulariteitsbeleid.</em></p>
<p><em>Handelsstromen gaan veranderen, waarmee ontwerpprincipes onder druk kunnen komen te staan. Borg duurzaamheid en rechtvaardigheid in ketens, alsmede in wat je importeert. Dit geldt al voor biomassa, maar zal ook voor waterstof, ammoniak, en andere grondstoffen en halffabricaten moeten gaan gelden. Normering voor meer gebruik van natuurlijke en circulaire materialen is onderdeel hiervan.</em></p>
<p><em>Voer industriebeleid. Dit vraagt van de overheid niet om maatwerk op basis van de industrie van nu, maar om maatwerk op basis van een industrievisie voor de periode 2040-2045. </em></p>
<p><em>Stem deze industrievisie, en de inzet van instrumenten in Nederland, af op het beleid van de Europese Unie en de ons omringende landen.</em></p>
<p><em>‘De Grote Twaalf’ worden ze</em><em> op het ministerie van Economische Zaken en Klimaat genoemd: de twaalf industriereuzen die samen driekwart van de broeikasgasuitstoot van de hele vaderlandse industrie voor hun rekening nemen. In volgorde van klimaatimpact: Shell Nederland, Tata Steel, Dow Benelux (chemie), Yara Sluiskil (kunstmest), ExxonMobil, OCI Nitrogen (kunstmest), BP, Zeeland Refinery, Air Liquide (industriële gassen), Air Products (idem), Sabic (plastics) en Nobian Chemicals (vroeger Akzo). Sinds de onderhandelingen over het Klimaatakkoord (2018) worden ze nauw bij de Haagse klimaatplannen betrokken. Het kabinet noemt het vergroenen van de industrie de ‘hoeksteen van het klimaatbeleid’. De industriereuzen zelf geven echter weinig blijk van hun enorme verantwoordelijkheid. Acht van de Grote Twaalf stoten nog net zo veel of zelfs meer CO₂ uit als voor het Klimaatverdrag van Parijs in 2015, zo blijkt uit onderzoek door De Groene Amsterdammer (</em><a href="https://www.groene.nl/artikel/de-danse-macabre-van-industrie-en-overheid"><em>De danse macabre van industrie en overheid – De Groene Amsterdammer</em></a><em>, Luuk Sengers en Evert de Vos, 12 april 2023). </em><em>De oliebedrijven Shell, BP en ExxonMobil, bijvoorbeeld, zijn alle drie sinds 2017 gemiddeld per jaar meer gaan uitstoten. De grootste positieve inspanningen zijn geleverd door Tata en Yara, die allebei hun emissies met gemiddeld vier procent hebben verminderd. </em></p>
<p><em>De hele industriesector kwam in de afgelopen tien jaar niet verder dan een daling van twee procent (aldus de nationale emissieregistratie van het RIVM). Ter vergelijking: in diezelfde periode werd de voetafdruk van Nederlandse burgers 25 procent kleiner. We werden Europees kampioen zonnepanelen (een groei van achttienhonderd procent sinds 2013), vervingen gasketels door warmtepompen (groei: 450 procent), ruilden brandstofauto’s in voor elektrische (groei: 475 procent), isoleerden onze woningen en sloten massaal (75 procent van de huishoudens) een groen energiecontract af. Wij burgers zijn er ook nog niet, maar door onze massale investeringsbereidheid liggen we nu wel al een straatlengte voor op de industrie.</em></p>
<p><em>Voor het bereiken van de reductiedoelstellingen voor CO₂ hangt veel af van de industrie. Deze zit nu op min zeventien procent en heeft de grootste opgave dus nog voor zich, terwijl de meeste tijd (33 jaar) inmiddels is verstreken. Die urgentie signaleert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ook. ‘De industriële emissies worden gedomineerd door een beperkt aantal bedrijven’, schrijft het in zijn recentste ‘Klimaat- en Energieverkenning’. ‘De aard en het tijdstip van de realisatie van emissiereductieprojecten bij deze bedrijven hebben grote invloed op de precieze emissies in 2030, en juist de afzonderlijke projecten zijn met grote onzekerheden omgeven.’ Anders gezegd: het lot van de Nederlandse klimaatpolitiek ligt in handen van een paar grote bedrijven. En die gaven tot nu toe niet thuis.</em></p>
<p><em>Op papier ligt de klimaatneutrale</em><em> economie van Nederland bijna voor het grijpen: vrijwel alle ovens en krakers van de industrie kunnen met elektriciteit worden verhit, in plaats van met aardgas zoals nu. Onder andere daarvoor bouwen we windmolenparken op zee. Om ook op windstille en bewolkte dagen groene stroom te kunnen leveren aan installaties die 24 uur per dag moeten aanblijven, slaan we de overtollige elektriciteit van gunstiger dagen op in waterstof. Omdat de bouw van zowel nieuwe hoogspanningsmasten en verdeelcentra als waterstoffabrieken en -leidingen nog jaren in beslag zal nemen, mag de industrie voorlopig haar overtollige CO₂ opslaan in lege aardgasvelden onder de Noordzee. Het enige wat nodig is, zijn investeringen. In werkelijkheid houden industrie en overheid elkaar gegijzeld en voeren ze, vijf minuten voor twaalf, een danse macabre uit. De overheid zegt dat ze het hoogspanningsnet en de waterstofinfrastructuur wel wil uitbouwen, maar pas zodra ze weet hoe groot de behoefte is. Hoeveel terawatt had u graag willen hebben? vraagt netwerkbeheerder Tennet aan de industrie. Kunnen we nog niet zeggen, reageert de industrie, want we gaan pas investeringsplannen maken als we zeker weten dat uw infrastructuur op tijd klaar is. Er is vorig jaar haastig een ambtelijk orgaan opgericht met het doel het verdwaasde danspaar uit elkaar te trekken en op de klok te wijzen.</em></p>
<p><em>Het was Milieudefensie die de industrie in 2022 dwong om eindelijk haar kaarten op tafel te leggen. Milieudefensie vroeg tien grote uitstoters om hun duurzaamheidsplannen. ‘In vrijwel alle bedrijven werden we vervolgens ontvangen op directieniveau’, vertelt campagneleider Peer de Rijk. Sinds haar Goliath-overwinning op Shell, twee jaar geleden (de rechter vonniste dat het olieconcern zijn uitstoot in 2030 met bijna de helft moet hebben verminderd), heeft de milieuorganisatie een stok achter de deur. ‘Daarna heeft het Duitse New Climate Institute op ons verzoek alle openbare bronnen verzameld die licht konden werpen op de duurzame investeringsplannen van de ondernemingen, van persberichten tot jaarverslagen en toespraken van de CEO’s. Tot slot hebben we onze bevindingen nog eens aan de bedrijven voorgelegd. Die hadden geen kritiek op onze methode. De meeste waren zelfs heel toeschietelijk, gek genoeg omdat ze zelf het gevoel hebben dat ze goed bezig zijn.’ </em></p>
<p><em>De gedegen inventarisatie vertelt echter een ander verhaal. De onderzochte bedrijven hebben nog geen elektrische ovens en ketels besteld, waardoor de noodzakelijke technische doorontwikkeling van deze apparaten geen sprongen maakt, maar stilstaat. En ook hun waterstoffabrieken lijken voorlopig op luchtkastelen. De Britse oliegigant BP zegt dit jaar een beslissing te zullen nemen over de bouw van een groene waterstoffabriek in de Rotterdamse haven, maar deze bespaart slechts zestien procent van de CO₂-uitstoot. Dow kondigde ook aan zo’n fabriek te willen bouwen, maar deze gaat waterstof maken uit methaan, waarbij alsnog CO₂ vrijkomt.</em></p>
<p><em>Waterstof is, technisch gezien, dé oplossing voor de zware industrie. Als Tata in IJmuiden overschakelt op het ‘direct gereduceerd ijzer’-procedé om staal te maken, dan kan het zijn ovens verhitten met waterstof. En kunstmestproducent Yara in Zeeland kan zijn uitstoot met negentig procent reduceren, zegt het bedrijf zelf, als het aardgas vervangt door groene waterstof. Maar de hoeveelheden die beide bedrijven zullen opeisen, zijn gigantisch. Bovendien moet vanaf 2030 alle waterstof die in de EU wordt geproduceerd ‘groen’ zijn, dat wil zeggen: gemaakt met duurzame elektriciteit en niet met aardgas. Het PBL becijfert dat de elektriciteitshonger van de industrie tussen nu en 2030 waarschijnlijk verdrievoudigt en dat bijna de helft van die toename nodig zal zijn om groene waterstof te maken. Waterstof stelt ons dus vooral voor een praktische uitdaging: is er in 2030 wel voldoende groene stroom? En kunnen alle fabrieken wel tijdig worden aangesloten op het elektriciteitsnet, dat in elk geval op dit moment zwaar overbelast is?</em></p>
<p><em>‘Behalve Shell heeft nog geen enkel bedrijf een investeringsbeslissing genomen op het gebied van waterstof’, zegt Martien Visser, lector energietransitie aan de Hanzehogeschool in Groningen. ‘Er zullen voor 2030 vast wel meer investeringen worden aangekondigd, maar het bouwen van fabrieken en opslagfaciliteiten kost jaren. Er moet eigenlijk een projectorganisatie voor komen, zoals voor aardgas. Tot nu toe wordt het aan de markt overgelaten. Dat duurt langer en zorgt voor afstemmingsproblemen: alle commerciële partijen moeten het gevoel hebben dat het hun winst gaat opleveren – is er één die daarover twijfelt, dan kan de keten niet worden gesloten.’</em></p>
<p><em>Behoedzaamheid wisselt in de plannen echter af met lichtvaardigheid. Zoals bij FrieslandCampina, dat zich klimaatneutraal rekent met de onbewezen veronderstelling dat het grasland van zijn melkveehouders voldoende koolstof zal opnemen. En bij Yara, dat koolstof wil opslaan in koolzuurhoudende frisdranken – wat gebeurt er als die flesjes of blikjes worden opengemaakt? En bij de oliesector en de chemie die deels gokken op het verstoken van biomassa – onmogelijk aan te slepen uit de eigen Nederlandse natuur. De terloopse verwijzingen, door bijna alle bedrijven, naar compensatie van hun CO₂-uitstoot door het planten van bomen, is bovendien in een dubieus licht komen te staan door het recente demasqué van Verra, de grootste aanbieder van CO2-compensatie ter wereld, die voor negentig procent van zijn regenwoud-compensatiekredieten geen werkelijke emissiereducties kon laten zien.</em></p>
<p><em>Waterstof is een opslagmogelijkheid voor energie, waarbij echter veel energie verloren gaat. Terecht pleit het Expertteam Klimaat in april 2023 om volop in te zetten op elektrificatie, en kritisch te zijn over de grote waterstofambities. “Duurzame (groene) waterstof is een onmisbaar onderdeel van het energiesysteem, maar op energiegebied niet erg efficiënt. Het aandeel waterstof in de toekomstige Nederlandse energievoorziening is onzeker en zal waarschijnlijk beperkt zijn. Waterstof speelt vooral een rol in flexibiliteit om het wisselende aanbod van zon en wind op te vangen. De waterstofketen die hiervoor ontwikkeld wordt is een no-regret optie die de flexibiliteit levert om het grote Nederlandse potentieel aan goedkope hernieuwbare elektriciteitsproductie te kunnen ontsluiten. Waterstof kan ook ingezet worden voor de energievoorziening van moeilijk te elektrificeren sectoren. De inzet van waterstof in de energie- en vooral grondstoffenbehoefte van de op koolstof gebaseerde industrie en de vraag naar brandstoffen voor de scheep- en luchtvaart is onzeker. Het is ook afhankelijk van de industriële activiteit in 2050, de Nederlandse en Europese kaders en het industriebeleid in omliggende lidstaten.”</em></p>
<p><em>Een overzicht van alle aangekondigde waterstofprojecten in Nederland, samengesteld door de Topsector Energie, telt maar liefst 150 pagina’s. Met namen als GreenH2UB, H2-Fifty, SeaH2Land en NortH2 hebben grote multinationals als Shell, BP, Orsted, Nouryon en Vattenfall, maar ook kleine partijen als de Hydrogen Mill in Sint Philipsland projecten in de pijplijn. De huidige totale waterstofvraag in Nederland zo&#8217;n 1,5 miljoen ton. Als je dat uit windstroom zou willen maken, heb je ongeveer 15 gigawatt aan opgesteld windvermogen op zee nodig. Hoe groot de vraag uiteindelijk precies wordt, weet niemand. Dat hangt van heel veel factoren af. Er is bijvoorbeeld veel onzekerheid over het gebruik van waterstof door zwaar transport en in synthetische brandstoffen voor de scheep- en luchtvaart. Onderzoeksbureau CE Delft verwacht dat voor de waterstofplannen in 2050 zo’n 400 à 450 terrawattuur aan groene stroom nodig zal zijn. Dat is vier keer zoveel als het totale elektriciteitsverbruik in Nederland op dit moment. Dan kom je op 100 gigawatt aan windenergie die je nodig hebt. Groene waterstof is nu nog drie keer zo duur als grijze waterstof. </em></p>
<p><em>De duizelingwekkende hoeveelheden wind- en zonnestroom die nodig zijn, gaan vele tientallen miljarden kosten. Aan de aanleg van 100 gigawatt aan windturbines in de Noordzee alleen al hangt een kostenplaatje van €100 miljard. De aansluiting op het elektriciteitsnet zou nog eens vele miljarden kosten, net als de bouw van de elektrolysers. De kans dat waterstof vanaf de Noordzee het goedkoopst zal zijn, is niet zo groot. Als de industrie overgaat op groene waterstof gaan velen er daarom van uit dat de waterstof uiteindelijk geïmporteerd moet worden. Maar ook import is niet goedkoop. Waterstofproductie op zee in Nederland kost nu best veel geld, omdat de stroom nog relatief duur is in vergelijking met stroom uit zonne-energie uit het Midden-Oosten of Afrika. Maar tegelijkertijd zijn de transportkosten van waterstof ook best hoog. Als het gas in Rotterdam aankomt, is het ongeveer even duur als produceren op de Noordzee. nergens in Europa zijn op dit moment bedrijven die op grote schaal elektrolysers bouwen. </em></p>
<p><em>Om de kosten en de kansen te spreiden, en de ontwikkeltijd naar massaproductie van groene waterstof te verkorten, is een krachtige Europese innovatie- en uitrolstrategie rond waterstofproductie nodig. Daarin kan Nederland best één van de actieve spelers zijn. De Europese Commissie lijkt vast van plan een dergelijke strategie te ontwikkelen gezien het Fit for 55 pakket. Het zou voor de EU al van een forse ambitie getuigen om in het komende decennium een programma op te starten om verspreid over Europa met primair Europese technologie 10-20 elektrolyse­­systemen te bouwen van enkele tientallen MW, snel gevolgd door een ronde met grotere systemen, ordegrootte 100 MW. De Commissie lijkt echter een nog veel hogere ambitie te hebben, waardoor de capaciteit in Nederland van 3 tot 4 GW misschien toch mogelijk wordt. </em></p>
<p><em>Afgezien van de elektrolysecapaciteit is bij zuiver groene waterstof de permanente beschikbaarheid van duurzame stroom een groot probleem. Het zal niet moeilijk zijn om in 2030 af en toe bij veel zonneschijn of harde wind enige uren een duurzaam vermogen van 3 tot 4 GW beschikbaar te stellen. Het probleem is echter dat de investeringskosten van elektrolysers zeer hoog zijn en dat ze daarom liefst continue moeten draaien. Als de benodigde elektriciteit op andere uren met aardgas wordt opgewekt, verkleurt het groen van de waterstof al snel naar grijs. </em></p>
<p><em>Het Expertteam Klimaat adviseert het beleid en de uitvoering te baseren op een visie over de eindbeelden van de samenhangende onderdelen van het energiesysteem, met als aandelen van 70% directe elektriciteit, minimaal 10-15% waterstof en 10-15% warmte en biomassa en deze visie regelmatig her te beoordelen en bij te sturen waar ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. Dit vereist stimulering van elektrificatie, waarbij waterstof als een noodzakelijke energiedrager beschouwd kan worden die alleen ingezet wordt waar direct gebruik van elektriciteit onmogelijk is. De uitbreiding van elektriciteitsnetten moet daarbij benaderd worden vanuit de gewenste situatie in 2040-2045: een nul-emissiesysteem. Netbeheerders moeten daarbij de ruimte te krijgen om planmatig te werken vanuit de verwachte vraag in de visie. Daarmee kan infrastructuurontwikkeling tijdens de energietransitie worden versneld en wordt het risico op vertragende netcongestie beperkt. Dit kan plaatselijk tot overdimensionering leiden. Als de infrastructuur tekort schiet, zijn de kosten echter veel hoger dan de kosten van de plaatselijke overdimensionering. De noodzaak van een omslag van een vraag- naar een aanbodgestuurd elektriciteitssysteem moet erkend worden en daarop moet het beleid gericht worden. De flexibele elektriciteitsvraag moet daarbij gestimuleerd worden. </em></p>
<p><em>De belangrijkste plannen</em><em> waar schot in lijkt te zitten, zijn die voor het afvangen en ondergronds opslaan van CO₂ (CCS). Wat niet vreemd is, omdat bedrijven hiervoor hun bedrijfsvoering niet dramatisch hoeven aan te passen. Alleen gaat hun kooldioxide nu niet de lucht maar de bodem in. Het milieurisico is dat de koolstof uit de bodem gaat lekken. Voorstanders zeggen dat dit nooit veel zal zijn en dat het aardgas dat oorspronkelijk uit die velden kwam, veel desastreuzer was. Een ander reëel gevaar is een ‘lock-in’: volgens tegenstanders houdt Carbon Capture and Storage (CCS) de fossiele economie in stand. Want waarom zou de industrie in andere, schonere technieken investeren zolang de opslagcapaciteit nog niet vol is?</em></p>
<p><em>De Drie Musketiers waren de inspiratiebron voor de namen van de eerste CCS-projecten in Nederland, waarbij CO2 in lege gasvelden in de Noordzee wordt opgeslagen. De namen symboliseren hun sterke verbondenheid: Porthos moet gaan afrekenen met de koolstof van Air Liquide, Air Products, ExxonMobil en Shell in het Rotterdamse havengebied, Aramis (een initiatief van Shell en Total) moet zorgen voor de transportleidingen en Athos moet het noordelijker gelegen Tata Steel erbij trekken. Over Porthos en Aramis valt in de loop van dit jaar een beslissing, maar de toekomst van Athos is onzeker sinds Tata zijn plannen heeft omgegooid: in tegenstelling tot de andere grote uitstoters wil de staalfabriek direct overgaan op een schonere productietechniek, zonder de tussenstap van CCS.</em></p>
<p><em>CCS</em><em> is ook de enige grootschalige ontwikkeling waarbij de overheid en de industrie wél al eensgezind optrekken – een andere, waarschijnlijk onbedoelde, parallel met de Drie Musketiers, die feitelijk ook met z’n vieren waren (de vierde was D’Artagnan). Het rijk heeft een maximale subsidie van 2,1 miljard euro in het vooruitzicht gesteld, uit te keren vanaf het moment dat de projecten daadwerkelijk CO₂ uit de lucht halen.</em></p>
<p><em>Kwalijk vindt Milieudefensie</em><em> dat de grootste vervuilers blijkbaar niet of nauwelijks hebben nagedacht over de CO₂-uitstoot die ze indirect veroorzaken. Al hun plannen zijn gericht op het verminderen van broeikasgassen uit hun eigen schoorstenen. Dat er bij de winning van hun grondstoffen en bij de distributie en het gebruik van hun producten ook CO₂ vrijkomt, krijgt geen aandacht.</em></p>
<p><em>Wat de industrie zelf uitstoot, maakt eigenlijk maar een kwart uit van haar totale bijdrage aan de klimaatcrisis. De andere driekwart van haar carbon footprint wordt veroorzaakt door onder andere mijnbouw, de productie van componenten, het transport van haar producten en de verwerking van haar afval (de grootste bron van methaan). De directe emissies zijn alleen de afdruk van haar tenen, niet van haar hele voet. Bij chemiebedrijven als Lyondell, Dow en Akzo zijn het de ingekochte grondstoffen die de meeste schade veroorzaken. Bij FrieslandCampina zijn het de koeien die de melk leveren. Bij Yara is dit het lachgas dat uit de uitgestrooide mest opstijgt. Bij de oliemaatschappijen is de indirecte vervuiling het grootst van allemaal, door het gebruik van hun producten in auto’s en vliegtuigen. De megatonnen CO₂ die de Grote Twaalf rapporteren (zie de grafiek), zouden eigenlijk met een factor vier moeten worden vermenigvuldigd om een eerlijk beeld te geven van de werkelijke impact die de industrie heeft op het klimaat.</em></p>
<p><em>Waarom is dit van belang? Omdat de grootste producenten niet alleen invloed hebben op de atmosfeer, maar ook op de economie. Zij bepalen immers ook het gedrag van hun toeleveranciers en van hun afnemers. Als ze overschakelen op een schonere productiemethode kan de rest niks anders doen dan volgen. Dat is de reden waarom het Europese klimaatbeleid zich op de eerste plaats richt tot de grootste veroorzakers: het is gemakkelijker om het gedrag van een handvol grote ondernemingen te beïnvloeden dan dat van een half miljard consumenten.</em></p>
<p><em>Bovendien is het verduurzamen van de hele keten een voorwaarde voor een circulaire economie. In 2050 wordt er nauwelijks nog afval geproduceerd en worden grondstoffen op grote schaal hergebruikt, zo luidt de officiële kabinetsdoelstelling die tot nu toe in de schaduw leefde van het klimaatbeleid. Minister Jetten wil nu, zo blijkt uit een aantal stukken, de twee doelen met elkaar verzoenen.</em></p>
<p><em>De industrie heeft twee gezichten.</em><em> Een ernstig gezicht naar buiten, als ze zegt dat ze in 2050 helemaal klimaatneutraal wil zijn. En een stoïcijns gezicht achter de schermen, als ze de politiek onder druk zet om niet te hard van stapel te lopen. In een kritisch rapport, door Follow the Money onder de aandacht gebracht, evalueerde TNO de gesprekken in 2018 over een klimaatakkoord. Grote bedrijven waren daar in het voordeel, door de agendasetting, door de geformuleerde doelen en door hun numerieke overmacht. Het kabinet had het evenwicht kunnen herstellen als het een handtekening van alle partijen onder het akkoord had geëist, maar in plaats daarvan negeerde het de protesten van de milieubeweging en de vakbeweging, die weigerden hun fiat te geven.</em></p>
<p><em>Nog voor de zomer van 2023 stuurt klimaatminister Rob Jetten een uitgewerkt plan naar de Kamer voor de besteding van de miljarden uit het nieuwe klimaatfonds – wéér een geldpot. ‘Hij zal echter heel kritisch naar de aanvragen kijken’, wil zijn woordvoerder er wel alvast over zeggen. ‘Hij gaat geen gemeenschapsgeld verkwisten. Als een emissiereductie ook op een andere manier kan worden bereikt, dan heeft dat zijn voorkeur. En hij zal er speciaal over waken dat het zoet en het zuur met elkaar in evenwicht zijn.’ Dat klinkt als een koerswijziging, na jaren van wortels voeren zonder dreiging van een stok. De verwachting stijgt verder doordat de minister zich gaat laten adviseren door een nieuwe denktank, de klimaatraad, met louter wetenschappers, dus zonder vertegenwoordigers van de industrie. Ook het toezicht op de uitvoering van de afspraken uit het Klimaatakkoord – tot nu toe vooral overgelaten aan de industrie zelf – gaat als het aan Jetten ligt grondig op de schop.</em></p>
<p><em>‘De boodschap van jullie grafiek over de uitstoot van de Grote Twaalf’, zegt Reyer Gerlagh, hoogleraar klimaateconomie in Tilburg, ‘is dat alleen maar praten met de industrie niet heeft geholpen. Ze leek wel een stel kinderen: zeurend om vergoedingen zonder zelf verantwoordelijkheid te nemen.’ Inmiddels is de situatie dramatisch veranderd, zegt hij. ‘Dachten de bedrijven voorheen: laat maar praten, nu denken ze: o help!’ Allereerst door de hoge koolstofprijs. De Europese Green New Deal joeg de prijs van een ton CO₂ in het emissiehandelssysteem ETS omhoog van 25 naar 80 euro, een prijs waarbij steenkool duurder werd dan aardgas. Maar door de oorlog in Oekraïne is aardgas ook duurder geworden en dreigt de transitie al weer te stagneren. ‘De overheid moet nú haar waterstofplannen versneld gaan uitvoeren, in plaats van bedrijven te compenseren voor de gestegen aardgasprijs. Dan wordt waterstof goedkoper dan aardgas en zullen de Yara’s en Tata’s vanzelf volgen.’</em></p>
<p><em>De plannen voor een grote groene waterstoffabriek worden naar voren gehaald, meldde minister Rob Jetten maart 2023. De fabriek, die in 2031 operationeel moet zijn, wordt de eerste van deze omvang in de wereld. Als de opschaling van waterstof niet snel genoeg gaat ‘knalt’ de koolstofprijs misschien wel naar tweehonderd euro, denkt Gerlagh. ‘Bedrijven die dit niet meer kunnen opbrengen, zullen dan hun fabrieken in Europa moeten sluiten. Ze kunnen natuurlijk ergens anders verder gaan met vervuilen, maar dan stuiten ze op een tariefmuur als ze hun producten in de EU willen verkopen.’</em></p>
<p><em>Op Economische Zaken en Klimaat wordt intussen genuanceerder gedacht over het vertrek van bedrijven uit Nederland dan een paar jaar geleden. In beginsel wil het ministerie alle grote industrieclusters graag behouden, maar niet meer tegen elke prijs. Onlangs kondigden Jetten en zijn collega Micky Adriaansens, die het bedrijfsleven in haar portefeuille heeft, een ‘Nationaal Programma Verduurzaming Industrie’ aan, dat een duurzame infrastructuur belooft, maar ook groene voorwaarden dicteert aan bedrijven die daarvan willen profiteren. </em></p>
<p><em>Een andere ommezwaai is het toepassen van dwang als verleiden niet helpt. Als de minister daadwerkelijk ‘zoet en zuur met elkaar in evenwicht’ gaat brengen, vindt hij economen en de milieubeweging aan zijn zijde. Econoom Bas Jacobs, bijvoorbeeld, was een groot voorvechter van de invoering van een koolstofbelasting. Die is er gekomen. Gevraagd naar wat de volgende fase zou kunnen zijn, zegt hij: ‘Geboden en verboden: je móet deze grondstoffen gebruiken, je mág geen afval meer produceren. Dwingende regelgeving bestaat al op allerlei milieugebieden.’ ‘Je merkt bij economen een omslag’, licht zijn collega Reyer Gerlagh toe. ‘Ze zien dat het vaak sneller en goedkoper is om normen op te leggen dan om financiële prikkels te organiseren. Puur economisch geredeneerd: aan geboden kleven minder uitvoeringskosten dan aan subsidies en belastingen.’ ‘Normeren is een no-brainer’, vindt ook Faiza Oulahsen, hoofd klimaat bij Greenpeace Nederland. ‘En het is bepaald geen nieuw concept. De overheid deed het met koelkasten, waardoor het gat in de ozonlaag is verdwenen, en ze doet het met auto’s, die straks niet meer op fossiele brandstoffen mogen rijden. Een fabriek is ook gewoon een apparaat waaraan je eisen kunt stellen.’</em></p>
<ol start="73">
<li><strong>We verscherpen de klimaateisen in de industrie. D</strong><strong>e grote industrie, waaronder afvalverbrandingsinstallaties, moet meer gaan betalen voor CO</strong><strong>₂</strong><strong>-uitstoot; verplichten aandeel gerecyclede en duurzame plastics. </strong><strong>Tijdige realisatie van energieinfrastructuur en vlotte vergunningverlening zijn hiervoor randvoorwaardelijk</strong>.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="74">
<li><strong>We gaan, anders dan waar de industrie nu van uitgaat, grote waterstofprojecten niet subsidiëren</strong>. We moeten NortH2 niet subsidiëren, ook niet wat betreft het aanleggen van het leidingen – de sector moet dat zelf financieren. Hiervoor zou een megawindpark in de Noordzee boven Groningen gebouwd moeten worden. Dit park levert de stroom voor de productie van de waterstof. Deze waterstof is vooral bedoeld als goedkope chemische grondstof en voor de chemische- en kunstmestindustrie. Groene waterstof kan wel goed dienen als bufferbrandstof, om tijdelijke tekorten bij productie met zon en wind op te vangen. Een waterstofcentrale kan zo’n dip opvangen, als een soort chemische accu voor zon- en windenergie.</li>
</ol>
<p><u>Elektrificering van energiegebruik</u></p>
<p><em>Elektriciteit moet het belangrijkste element van het energiegebruik worden</em><em>. Verdere verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening en -infrastructuur is randvoorwaardelijk voor de daling van de uitstoot in de andere klimaatsectoren. De emissies in de elektriciteitssector dalen de komende jaren stevig door het verbod op kolen bij stroomopwekking en het sterk uitrollen van hernieuwbare elektriciteit. De verdere verduurzaming van de elektriciteitssector loopt echter tegen knelpunten aan in de productie en het transport van elektriciteit. Het internationale karakter van de elektriciteitsmarkt en het belang van leveringszekerheid maken de precieze emissies moeilijk te ramen. Sturen op deze emissies is dus ingewikkeld. Daarom moeten we </em><em>normeren richting een klimaatneutrale elektriciteitssector in 2035; en stimuleren opslag batterijen bij zonneparken en normeren zon op dak. </em><em>Investeringen in adequate elektriciteitsnetten zijn cruciaal. Andere energiedragers, zoals waterstof, spelen een beperkte rol. Het is nodig om te sturen op maximale elektrificatie, de energievraag af te stemmen op het aanbod, en op een klein maar noodzakelijk deel andere CO₂-neutrale energiedragers. De transitie wordt gemakkelijker als de totale energievraag wordt beperkt. We moeten rekening houden met schaarste in mensen, middelen, ruimte en materiaal.</em></p>
<p><em>Er zijn terecht ambitieuze doelen gesteld voor de duurzame elektriciteitsproductie, vooral windenergie op zee. In toenemende mate zal het aanbod op bepaalde momenten groter zijn dan de vraag naar elektriciteit, of andersom. Nu nog zijn gascentrales beschikbaar om bij te springen als de vraag naar elektriciteit groter is dan het beschikbare aanbod van wind- en zonne-energie. Dit regelbaar vermogen moet uiterlijk in 2035 klimaatneutraal zijn. Flexibiliteit van de vraag naar elektriciteit en goede verbindingen met omringende landen verminderen de noodzaak van dit regelbaar vermogen. Toch blijft regelbaar vermogen noodzakelijk, maar omdat het steeds minder wordt ingezet neemt de winstgevendheid af. </em></p>
<p><em>Bij tekorten aan gas gedurende de transitie gaan we energie-intensieve productie zoals ammoniak (kunstmest), aluminium, staal en chemie bij noodwet beperken of zelfs stilleggen. Dit geldt ook voor de glastuinbouw (incl. sierteelt).</em></p>
<p><em>In Nederland wordt steeds vaker energie opgewekt door het verbranden van biomassa. Dat is niet altijd even duurzaam. Afvalhout wordt massaal verbrand voor de productie van elektriciteit, terwijl dat voorheen werd gebruikt voor de productie van spaanplaat, compost en andere producten. Dat blijkt uit een rapport in opdracht van Greenpeace, Natuur &amp; Milieu, WNF en IUCN (</em><a href="https://www.greenpeace.org/static/planet4-netherlands-stateless/2018/06/Biomassa-als-grondstof-of-als_brandstof.pdf"><em>https://www.greenpeace.org/static/planet4-netherlands-stateless/2018/06/Biomassa-als-grondstof-of-als_brandstof.pdf</em></a><em>). Het is duurzaam om zoveel mogelijk afval te hergebruiken, maar bio-energie zorgt er juist voor dat dit in Nederland steeds minder gebeurt. Bio-energiecentrales kopen al het hout op. Dat leidt niet tot minder CO₂, want er wordt hout verbrand dat anders als spaanplaat in een huis of keukenblok zou verdwijnen. Snoeihout werd vroeger gebruikt voor compost maar eindigt nu ook in de verbrandingsoven. Eén van de negatieve effecten is dat de import van veen toeneemt. Dat is schadelijk voor de natuur en zorgt voor veel CO₂-uitstoot. </em></p>
<p><em>Biomassa is een term voor materiaal van plantaardige of dierlijke herkomst, zoals hout, mais en andere landbouwgewassen, mest, wol, voedselresten (gft-afval) of plantaardige olie. Het kan worden gebruikt als grondstof, voor bijvoorbeeld bouwmateriaal, kleding, papier, meubels en voedsel. Het kan ook ingezet worden als energiebron, door verbranding, vergassing of vergisting van bijvoorbeeld afval, mest of hout. Wanneer biomassa als energiebron wordt gebruikt, wordt dat gerekend tot hernieuwbare energie. De biomassa groeit namelijk weer terug. Bij verbranding van biomassa komt CO₂ vrij, maar groeiende planten en bomen nemen tijdens de groei deze CO₂ weer op. Dit gaat echter veel langzamer dan nodig is. In Nederland is biomassa nu de meest gebruikte hernieuwbare energiebron, en dat wordt niet bijgehouden door de groei van nieuwe planten en bomen. </em></p>
<p><em>Energie uit biomassa is er in vele soorten: </em></p>
<ol>
<li><em>verbranding in speciale biomassacentrales. Dit zijn </em><em>installaties specifiek ingericht op het opwekken van energie uit biomassa. In deze centrales wordt biomassa verbrand, meestal voor warmtelevering aan een warmtenet. Deze centrales draaien vaak op houtige biomassa: houtsnippers of –pellets. Een aantal centrales levert naast warmte ook elektriciteit. Door subsidies en een grote beoogde rol voor biomassa in de energietransitie is het aantal biomassacentrales in Nederland de laatste jaren toegenomen</em><em>;</em></li>
<li><em>stoken van biomassa(-afval) bij bedrijven. </em><em>Sommige <strong>bedrijven</strong>wekken met behulp van biomassa warmte of elektriciteit op. Als het gaat om kleinschalige installaties worden hiervoor vaak afvalstromen gebruikt, zoals afvalhout, slachtafval of papierslib. Het bedrijf gebruikt de opwekte warmte of elektriciteit vaak zelf voor verwarming of productieprocessen. Sectoren waar dit gebruikt wordt zijn veehouderijen en de glas- en tuinbouw. Door subsidies komen er bij bedrijven steeds vaker grotere biomassa-ketels. Een deel van de warmte van bedrijven wordt gebruikt in warmtenetten voor woningen</em><em>; </em></li>
<li><em>inzet van biomassa in aangepaste kolencentrales. </em><em>In <strong>aangepaste kolencentrales</strong>kan biomassa (mee) gestookt worden. Een grote kolencentrale heeft erg veel biomassa nodig om een bepaalde hoeveelheid energie op te wekken</em><em>; </em></li>
<li><em>verbranding in afvalinstallaties. </em><em>Ongeveer de helft van de energie die bij <strong>afvalverbranding</strong>wordt opgewekt, telt als hernieuwbare energie. Dit wordt zo gerekend omdat min of meer de helft van ons afval van biologische oorsprong is. De energie wordt gebruikt als warmte of als elektriciteit</em><em>; </em></li>
<li><em>in woningen, bijvoorbeeld in een open haard en hout- of pelletkachel; en door vergisting of vergassing van biomassa tot biogas. </em><em>Ongeveer een miljoen huishoudens in Nederland maken gebruik van biomassa voor (een deel) van hun warmte. Ze hebben bijvoorbeeld een open haard of pelletkachel in huis. Vaak is dit niet de belangrijkste warmtebron, maar is de open haard, houtkachel of pelletkachel vooral een gezellige toevoeging aan een woonkamer. Die haarden en houtkachels zorgen voor een aanzienlijke uitstoot en luchtvervuiling – In Nederland is 23% van alle fijnstof afkomstig uit sfeerverwarming. We gaan de uitstoot reguleren. Het is mogelijk om je huis hoofdzakelijk met biomassa te verwarmen, met een biomassaketel. Deze kan de gasketel in je huis vervangen. Dit kan een oplossing zijn om moeilijk te isoleren huizen in het buitengebied, toch van het gas af halen. Andere duurzame opties of warmtenetten zijn dan vaak geen optie. </em></li>
</ol>
<p><em>Uit biomassa kunnen vloeibare en gasvormige brandstoffen worden gemaakt. Uit onder andere koolzaad-, zonnebloem-, palmolie en zelfs gebruikte frituurvetten uit keukens kan biodiesel worden gemaakt. Dit kan probleemloos vermengd worden met diesel, maar er zijn auto’s die volledig op biodiesel kunnen rijden. Het is ook mogelijk om bio-ethanol te maken. Hiervoor wordt bijvoorbeeld suikerriet of –biet gebruikt. Bio-ethanol wordt vaak met benzine gemengd. De meeste auto’s kunnen op die mix probleemloos rijden. Biogas kan worden gemaakt door natte biomassa te vergisten. Dit gebeurt met afval- en reststromen: afval, slib en mest. Deze (natte) biomassa wordt onder zuurstofloze omstandigheden door bacteriën omgezet, waarbij biogas ontstaat. Vaak gebeurt dit bij bedrijven op het terrein, zoals bij boerderijen. Een andere methode is vergassing, maar deze technieken zijn nog in ontwikkeling. Voor biogas wordt geen houtige biomassa gebruikt. Als het biogas eenmaal is gemaakt, zijn er verschillende manieren om het in te zetten. Het kan in een ketel worden verbrand, om warmte te winnen. In warmtekrachtkoppeling-installaties (WKK-installaties) kan uit biogas warmte én elektriciteit worden gewonnen. Door het biogas aan te passen en te verbeteren, is er nog meer mogelijk met het gas. Het kan bijvoorbeeld CO</em><em>₂</em><em> leveren aan kassen. Een belangrijke toepassing van verbeterd biogas is groen gas. Groen gas kan in ons gasnetwerk als vervanging voor aardgas worden gebruikt, maar het kan ook als basis dienen voor autobrandstof. </em></p>
<p><em>Bij het verbanden van biomassa komt CO</em><em>₂</em><em> vrij. De vraag is hoe biomassa dan toch als CO</em><em>₂</em><em>-neutrale energiebron beschouwd kan worden. De gedachtegang hierachter is dat het gebruik van biomassa voor energie een gesloten cirkel vormt: bij verbranding van biomassa komt CO</em><em>₂</em><em> vrij, maar deze wordt weer opgeslagen door groeiende bomen en planten. Het vastleggen van de vrijgekomen CO</em><em>₂</em><em> bij verbranding in nieuwe planten en bomen, kost tijd. In de tussentijd verblijft de vrijgekomen CO</em><em>₂</em><em> in de lucht en kan het toch een klimaateffect hebben. Dit wordt de koolstofschuld genoemd. Een flink deel van de (wetenschappelijke) discussie rond biomassa draait om deze kwestie. Verder kan biomassa een klimaateffect hebben wanneer er door oogst van biomassa ontbossing optreedt, wat ook tot CO</em><em>₂</em><em>-uitstoot leidt. Naast de CO</em><em>₂</em><em> na verbranding, is er ook sprake van CO</em><em>₂</em><em>-uitstoot tijdens de productie en winning van biomassa. Dit worden ketenemissies genoemd. Er komt bijvoorbeeld CO</em><em>₂</em><em> vrij door gebruik van (vaak fossiele) energiebronnen; vrachtwagens moeten rijden voor de vervoer, machines zijn nodig voor landbouw of houtoogst, enzovoorts. Deze uitstoot tijdens de productieketen moet worden meegeteld.</em></p>
<p><em>Sommige vormen van biomassa hebben negatieve invloed op de natuur en de biodiversiteit. Denk bijvoorbeeld aan palmolie en soja, waarvoor grote stukken oerwoud worden gekapt. Ook houtoogst dichter bij Nederland kan negatieve gevolgen hebben. Er is vrees dat houtoogst voor energie uit biomassa zou kunnen leiden tot verlies van gebieden met hoge biodiversiteit zoals oerbos. Ook op grote schaal oogsten van resthout uit productiebossen of snoeihout uit natuurlijke bossen of stro uit landbouw kan voor problemen zorgen, bijvoorbeeld met de bodemkwaliteit.</em></p>
<p><em>Nederland heeft strenge duurzaamheidsregels voor biomassa die wordt gebruikt voor energieproductie. De strengste ter wereld, die gelden voor hout uit Nederland én geïmporteerd hout. Ze schrijven onder andere voor dat:</em></p>
<ol>
<li><em>Alleen hout uit onvermijdelijke reststromen wordt gebruikt en er altijd meer hout bijgroeit dan wordt geoogst, zodat koolstofvoorraden niet worden aangetast en geen langdurige koolstofschuld ontstaat.</em></li>
<li><em>De bodemkwaliteit in stand wordt gehouden</em></li>
<li><em>Geen natuurlijk bos wordt gekapt of wordt omgevormd tot bosplantage</em></li>
<li><em>De CO₂-ketenemissies (oogst, drogen, transport) veel lager zijn dan wanneer fossiele energiebronnen worden gebruikt.</em></li>
<li><em>Het bos duurzaam wordt beheerd.</em></li>
</ol>
<p><em>Wat volgens deze eisen in de praktijk voor energie mag worden gebruikt is het gedeelte van de houtoogst uit productiebos dat niet bruikbaar is als zaaghout. Bijvoorbeeld het deel van boomstammen dat te dun is (‘toppen’). Het kan zelfs om hele bomen gaan, wanneer het bomen zijn die bijvoorbeeld te krom, te dun of rot zijn om als zaaghout te worden gebruikt. Ondanks de strenge regels, zijn er zorgen over deze duurzaamheidseisen: zijn ze streng genoeg? Worden ze goed gecontroleerd en nageleefd? De meeste twijfel bestaat rond houtpellets die uit de Baltische Staten (Estland, Letland, Litouwen) en de Verenigde Staten worden geïmporteerd voor bij- en meestook in kolencentrales. Er zijn aanwijzingen van organisaties en journalisten, waarin wordt gesteld dat er wel degelijk natuurbos sneuvelt voor biomassa en dat hout wat als grondstof ingezet kan worden toch als pellets in energiecentrales belandt. Zie bijvoorbeeld het rapport van SOMO (</em><a href="https://www.somo.nl/nl/wood-pellet-damage/"><em>https://www.somo.nl/nl/wood-pellet-damage/</em></a><em>). Dit zou niet alleen in strijd zijn met de Nederlandse regels, maar ook met de Europese wet. Volgens het PBL is het niet duidelijk of dit structureel plaatsvindt en zou dit beter onderzocht moeten worden.</em></p>
<p><em>Hebben we biomassa voor energie echt nodig? In het Klimaatakkoord is een belangrijke rol weggelegd voor biomassa in de verduurzaming van de Nederlandse energievoorziening. Biomassa wordt in het energiebeleid vooral gezien als tussenoplossing, tot het moment dat andere duurzame opties goedkoper en verder ontwikkeld zijn. Zo kunnen in het zware wegtransport en de scheepvaart biobrandstoffen de tijd overbruggen totdat er omgeschakeld kan worden naar aandrijving door elektriciteit of groene waterstof. Biomassa wordt ook gezien als een belangrijke tussenoplossing voor warmtenetten, tot alternatieven zoals geothermie (aardwarmte) goedkoper en voldoende beschikbaar zijn (dat is overigens verre van zeker – aardwarmte winnen heeft soms ook bevingsrisico’s en is soms duur). Niet iedereen is ervan overtuigd dat biomassa zo&#8217;n grote rol zou moeten spelen. Tegenstanders van biomassa als energiebron, zoals sommige natuurorganisaties, vinden dat de subsidies voor biomassa direct gestopt moeten worden. De SER heeft in 2020 geadviseerd om biomassa meer in te zetten als grondstof. De inzet als energiebron moet waar dat kan af worden gebouwd, mits de klimaatdoelen daardoor niet in gevaar komen. Uit een advies van het PBL uit 2020 blijkt dat het te snel afbouwen van biomassa voor warmte ertoe kan leiden dat de klimaatdoelen niet worden gehaald. </em></p>
<p><em>Er is veel discussie over biomassa, maar er zijn een aantal punten waar voor- en tegenstanders het in grote lijnen over eens zijn: </em></p>
<ul>
<li><em>Liever biomassa gebruiken als grondstof, dan als energiebron. De belangrijkste rol is weggelegd voor biomassa als grondstof voor meubels, papier of bouwmaterialen. Ook in de chemie kan het een belangrijke rol spelen. Biomassa gebruiken voor energie moet vooral gebeuren daar waar weinige alternatieven zijn. </em></li>
<li><em>Veel partijen zijn het ook eens dat de subsidies voor biomassa teveel gericht zijn op energie-inzet en te weinig op inzet op gebruik als grondstof en in de chemie, waar de rol van biomassa op de lange termijn groter is. Daarom schrappen we deze subsidies. </em></li>
<li><em>Niemand wil hele bomen die geschikt zijn voor bouwmaterialen opbranden in energiecentrales. Gebruik van houtige biomassa blijkt te moeilijk te controleren te zijn – daar stoppen we mee. </em><em>Bovendien is de energiewinning uit het verbranden van hout veel onrendabeler dan stoken op kolen of gas. De directe CO₂-uitstoot is bij biomassa ongeveer twee tot drie keer zo groot als bij de opwekking van dezelfde hoeveelheid stroom door gas en een derde tot de helft groter dan bij kolen. Ondanks dat biomassa afkomstig is vanuit de natuur, levert houtige biomassa een bijdrage aan het broeikaseffect. </em><em>Gebruik van reststromen voor energieopwekking is een goed idee, als het fossiele bronnen vervangt en er geen betere toepassingen voor zijn. Denk aan dun hout, krom hout of zaagsel dat niet anders gebruikt kan worden. </em></li>
</ul>
<p><em>Kernsplitsing is geen fossielvrij proces (bij de winning van uranium komt wel degelijk CO₂ vrij) en heeft een fors, gevaarlijk afvalprobleem, nog los van de risico’s bij de opwekking, met name in oorlogstijd en bij terroristische aanslagen, en is zeer duur. Het is niet verstandig daar nu fors op in te zetten. </em><em>Het kabinet moet ook volgens het Expertteam Klimaat „nog maar eens goed nadenken” over zijn voorgenomen besluit om twee kerncentrales in Zeeland neer te zetten. Het team vindt kernenergie terecht duur en overbodig voor het energiesysteem van de toekomst. Volgens voorzitter Bernard ter Haar van dit Expertteam Energiesysteem 2050 is de discussie over kernenergie erg ideologisch geworden. „Wij willen daar afstand van houden. Wij hebben geprobeerd een niet-ideologisch verhaal te houden, op basis van gezond verstand en feiten”, zei de voormalige topambtenaar bij de presentatie van hun rapport. </em></p>
<p><em>Volgens Ter Haar is het nooit duidelijk wanneer nieuwe kerncentrales uiteindelijk kunnen draaien. „Het valt altijd weer tegen en wij vinden dat er in 2035 een energieneutraal elektriciteitssysteem moet zijn. Dan is de kans groot dat we die centrales daarna moeten gaan inpassen.” Rond 2035 zal Nederland beschikken over veel windparken op zee, waardoor slechts op een beperkt aantal momenten extra stroom nodig is. </em><em>Bij een overvloedig aanbod van wind- en zonne-energie zullen kerncentrales niet zonder meer volcontinu kunnen draaien, waardoor ze duur zullen zijn. </em><em> „Als de kerncentrales vol moeten gaan draaien [om rendabel te zijn], dan is dat vermoedelijk niet voor de Nederlandse markt.” </em></p>
<p><em>De experts vinden ook de voorgenomen locatie, het Zeeuwse Borsele, ongelukkig gekozen, omdat het stroomnet er toch al zwaar wordt belast. „Daar centrales vestigen is onhandig, omdat op die plaats veel opgewekte stroom van windparken op zee binnenkomt.” Kernenergie is kortom overbodig en duur,  want in 2030 zal er voldoende zon- en windenergie kunnen zijn (wind en zon vullen elkaar aan – is er geen wind, dan wel vaak zon, en vice versa, en zonneparken bij windparken op zee zijn een goedkoper, sneller realiseerbaar en groener en veiliger alternatief) en is er bovendien voldoende grootschalige batterijopslag – er is nu al een enorm aanbod aan plannen daarvoor zonder een cent subsidie!). En dan hebben we het nog niet over de potentie van bi-directione elektrische (accu) systemen, die tegen 2030 naar verwachting 40 dagen windstilte en geen zonneschijn kunnen opvangen. En perovskite zonnepanelen kunnen nu al zelfs bij kunst/daglicht 5 tot 10% rendement bereiken. Kernenergie is een dure, onnodige, gevaarlijke rechtse hobby.</em></p>
<p><em>Kernfusie is al decennia een technische illusie gebleken. Het is goed om daar naar onderzoek te blijven verrichten, maar voor onze huidige urgente problemen is daar ook niet de oplossing van te verwachten. </em></p>
<ol start="75">
<li><strong>De kolencentrales moeten snel dicht. Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="76">
<li><strong>Alleen echte duurzame biomassa kan gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd worden</strong>.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="77">
<li><strong>We investeren niet in kernenergie, dat is niet duurzaam.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="78">
<li><strong>CO₂-opslag is uiteindelijk geen oplossing, maar kan wel tijdelijk soelaas bieden, maar we moeten onze focus en subsidie vooral richten op CO₂-hergebruik.</strong> Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar is, en – anders dan het expertteam Klimaat adviseert – alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="79">
<li><strong>De energie-infrastructuur van Nederland moet leidend worden voor de ruimtelijke, sociale en economische ontwikkeling, en niet meer volgend zoals nu. Infrastructuur heeft een sturende werking op gedrag van burgers en bedrijven. Met de aanleg van nieuwe en verzwaring van bestaande energienetwerken worden nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor burgers en bedrijven. Daarvoor moeten netbeheerders ook investeringsruimte en (wettelijke) ruimte krijgen. Ook voor burgers, corporaties en gemeentes is juridische ruimte nodig zodat ze zelf met lokale duurzame energiesystemen aan de slag kunnen gaan en lokaal maatwerk mogelijk wordt. De energie-infrastructuur geeft ook het verdienvermogen van Nederland vorm. </strong>Het elektriciteitsverbruik zal volgens het Expertteam Klimaat in 2050 ten minste twee- tot driemaal zo hoog zijn als nu. Het tijdig en op de juiste plaats realiseren van adequate elektriciteitsnetten is de hoofdopgave van de vernieuwing van het energiesysteem. Energie-infrastructuur wordt een vestigingsplaatsfactor in een breder ruimtelijk perspectief voor Nederland.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="80">
<li><strong>We moeten veel meer inzetten op energiebesparing. Het potentieel daarvoor wordt veel te weinig benut. Alle nieuwe bedrijvigheid die veel extra energie nodig heeft wordt in beginsel niet meer toegelaten. </strong><strong>We verhogen het energiebesparingsdoel voor 2030 van 32,5% naar 45%. </strong>De schoonste energie is de energie die we niet hoeven op te wekken. En we kunnen niet zonder, willen we de doelstelling van maximaal 1,5 graad opwarming halen en nog ergere klimaatrampen voorkomen. De transitie is alleen haalbaar bij forse energiekrimp.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="81">
<li><strong>Dat vraagt om een economisch structuurbeleid dat gericht is op onder meer extensivering (vermindering) van energiegebruik, met name in de industrie. De huidige verplichting voor energiebesparing bij industrie wordt niet gehandhaafd. Dat gaan we direct veranderen en hard handhaven. </strong><strong>Er moet een Noodwet voor verplichte energiebesparing bij bedrijven komen opdat huishoudens niet verstoken worden van energie. Daarbij gaan o.m. de meest energie-intensieve bedrijven verplicht dicht, worden er maxima gesteld aan verwarming en airconditioning, moeten winkels hun deuren sluiten, wordt terrasverwarming verboden, wordt verlichting in lege gebouwen verboden, etc. Alles wordt uit de kast gehaald om energie te besparen. We stoppen met het faciliteren van veel energie en water slurpende datacenters in ons land.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="82">
<li><strong>Met procesintensificatie, een verzamelnaam voor radicaal andere, veel meer duurzame en efficiënte processen en apparaten, kan fors op energie worden bespaard.</strong> Onderzoek uit 2020 van adviesbureau Royal Haskoning-DHV liet zien dat de grote industrie de uitstoot van CO₂ met meer dan 3 miljoen ton kan verminderen door energiebesparing. Dat komt overeen met de uitstoot van 400.000 huishoudens (auto, verwarming, elektriciteit), ­ofwel meer dan alle inwoners van Amsterdam. Voor alle duidelijkheid: het gaat om maatregelen die zich binnen vijf jaar terugverdienen door besparingen op de energierekening. Netto leveren ze dus een besparing op. Een voorbeeld is isolatie. Vaak is op onderdelen als flenzen of afsluiters geen isolatie aanwezig. De daken van verwarmde tanks worden niet standaard van isolatie voorzien, terwijl dit ruim 40 procent energie kan besparen. Waar wel isolatie is, blijkt die vaak beschadigd, soms ook zonder dat het van buiten te zien is. Allemaal punten waar met een gerichte aanpak veel te winnen is. De industrie is daar nu te laks. De aandacht binnen de industrie is eerder gericht op nieuwe producten of processen. Daarnaast stellen grote concerns vaak strikte rendementseisen aan inzet van kapitaal: investeringen krijgen alleen goedkeuring als ze zich binnen twee of drie jaar terugverdienen. Energiebesparing in de industrie ­levert geld op, maar er zijn andere investeringen die nu meer en/of eerder rendement opleveren. Energiebesparing draagt ook bij aan minder milieuschade en zorgt voor werkgelegenheid bij het toepassen van schone technologie.</li>
</ol>
<p>Alle reden om deze mogelijkheid juist prioriteit te geven vanuit de overheid. Tot nu toe accepteren we dat in de industrie nog grootschalig inefficiënte technieken worden toegepast. We investeren vervolgens heel veel belastinggeld in dure, vaak milieu-schadende technieken, om een soortgelijke hoeveelheid energie te leveren.</p>
<p> </p>
<ol start="83">
<li><strong>We heffen per direct de uitzondering van de industrie op de investeringsverplichting in energiebesparing op en gaan deze verplichting strak handhaven.</strong> Het energiebesparingsbeleid voor de grote industrie is sinds de jaren negentig gebaseerd op convenanten. Dat gaat met zachte hand. Dit blijkt niet effectief, er wordt te weinig besparing gerealiseerd ten opzichte van de afgesproken doelen. Tijd voor een andere aanpak. Kleinere bedrijven zijn al wettelijk verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Dit draagt bij aan een groeiend bewustzijn en deze aanpak werpt vruchten af. Maar de grote industrie is in ­Nederlandse wetgeving van deze verplichting uitgezonderd, omdat ze ook onder het Europese emissie­handelssysteem valt. Dat systeem werkt onvoldoende om tot besparingen te komen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="84">
<li><strong>Elders wordt door ons ook een verandering van de energiebelasting voorgesteld, waarbij de huidige vrijstellingen voor grootverbruikers vervallen. Eveneens willen we een hoge CO₂-heffing en een ETS-heffing. </strong>Dit zal de industrie aanzienlijk prikkelen te investeren in energiebesparing, energieefficiëntie en verduurzaming van hun energiegebruik. Het zal zonder twijfel ook leiden tot vertrek of beëindiging van sommige energie-intensieve bedrijvigheid, maar daar staat nieuwe, duurzame en slimme bedrijvigheid tegenover. De betrokken werknemers krijgen een inkomensgarantie en worden desgewenst naar ander werk begeleid.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="85">
<li><strong>We bieden energie-intensieve bedrijven die hun CO₂-uitstoot willen terugdringen investeringszekerheid door middel van <em>carbon </em></strong><strong><em>contracts for difference </em></strong><strong>(CCfD’s)</strong><strong>, die de kloof overbruggen tussen de geldende prijs van CO2-emissies en de werkelijke kosten van emissiereductie. Restwarmte-uitstoot wordt belast opdat het rendabel wordt deze te benutten. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="86">
<li><strong>We stellen daarenboven bindende duurzaamheidsnormen vast voor datacentra, waaronder energie-efficiënte koeling, minimaal watergebruik, hergebruik van restwarmte en verlenging van de levensduur van hardware. In afwachting daarvan stellen we per direct een moratorium in.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="87">
<li><strong>We stellen ecodesignregels vast die het dataverbruik van online films, video’s, games en advertenties aan banden leggen, evenals dat van slimme apparaten. We voeren ecodesignregels in voor software om het gebruik van systeembronnen, energie en data te beperken.</strong> Deze regels moeten <em>software bloat </em>aanpakken door paal en perk te stellen aan niet-essentiële vooraf geïnstalleerde software, door voor te schrijven dat dergelijke software door de gebruikers kan worden verwijderd en door te verbieden dat software onnodig op de achtergrond draait. Niet-essentiële softwarefuncties die een aanzienlijke hoeveelheid werkgeheugen, opslag of rekenkracht vergen, dienen optioneel te zijn. Functionele updates moeten omkeerbaar zijn. We bevorderen vrije en open software die gebruikers in staat stelt de code aan te passen aan de capaciteit van hun hardware en aan hun behoeften, zonder onnodige ballast.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="88">
<li><strong>We verbieden cryptomunten</strong> – naast het grote data- en energiebeslag zijn deze munten gevaarlijk voor de financiële stabiliteit, schulden van huishoudens en worden ze gebruikt voor witwassen van criminaliteit en witwassen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="89">
<li><strong>We ontwikkelen een meetlat voor de rekenintensiteit van kunstmatige intelligentie (AI), voeren een rapportageverplichting in voor AI-ontwikkelaars en bevorderen het gebruik van de meetlat als criterium bij de aankoop van AI door overheden.</strong></li>
</ol>
<p><u>Circulaire economie</u></p>
<p><em>We moeten onze economie geheel verduurzamen naar een circulaire economie. Dat is een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Grondstoffen dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking op onze planeet en de toenemende welvaart in de wereld. Door onze parasitaire levenswijze worden bovendien ecosystemen, het klimaat en onze gezondheid bedreigt met de afvalstoffen van die levenswijze. </em></p>
<p><em>We gaan naar een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Met een zuiniger gebruik van eindige grondstoffen, en met een productieconcept waarin hergebruik, reparatie en recycling uitgangspunt is, en waarin ook energie teruggewonnen wordt uit materialen en afval(verwerking). Een donut-economie, waarin de groei begrensd is door lijnen van ecologische duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. En waarin groei niet meer alleen gemeten wordt in welvaart, maar ook in welzijn, geluk, ecologie en gezondheid. Met ook nieuwe verdienmodellen, waarin je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, en waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Voor iedere sector van onze economie komen er wettelijke doelstellingen, instrumenten en financiering, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050. </em><em>Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kan een circulaire economie 10% afname van onze CO</em><em>₂</em><em>-uitstoot en 20% waterbesparing in de industrie opleveren, maar ook meer leveringszekerheid van grondstoffen (25% minder import van primaire grondstoffen), als ook ruim 50.000 nieuwe banen en zeven miljard euro extra voor de Nederlandse economie.</em></p>
<p><em>Dat vraagt wel een enorme transitie. Deze moet eerlijk en rechtvaardig plaatsvinden, opdat huishoudens met een laag en middeninkomen daar niet de rekening van betalen. Het moet hen financieel mogelijk gemaakt worden duurzaam te leven. </em></p>
<p><em>Een circulaire economie is veel meer dan alleen recycling. Het begint met zuiniger omgaan met grondstoffen door anders te denken over producten en productieprocessen. Is het product het beste antwoord op de behoefte en kunnen bij de productie minder of andere grondstoffen worden gebruikt? In het ontwerp van producten en diensten moet al rekening gehouden worden met hergebruik, reparatie en recycling. Er moet ook energie teruggewonnen worden uit materialen en afval storten en verbranding zonder energieterugwinning moet zoveel mogelijk worden voorkomen. </em></p>
<p><em>Veel grondstoffen zijn onttrokken aan de aarde en opgeslagen in gebouwen, infrastructuur en in producten als televisies, folders en flessen. De gebouwde omgeving kan worden gezien als een mijn, waar kostbare grondstoffen uit kunnen worden herwonnen (urban mine). Materialen als papier, staal en glas worden al veel gerecycled. Maar er zijn nog meer materialen en producten die worden afgedankt, die kunnen worden hergebruikt en waaruit grondstoffen kunnen worden gerecycled. Afgedankte elektronica bijvoorbeeld bevatten veel zeldzame aard- en edelmetalen, die nog nauwelijks worden gerecycled.  </em></p>
<p><em>Waar ook meer mee kan en moet is bij beton. De voorraad van beton in gebouwen en werken – zoals viaducten en bruggen &#8211; is enorm. Het vrijkomende beton wordt bijna volledig gerecycled, maar het overgrote deel van het materiaal verdwijnt in laagwaardige ophogingen en wegfunderingen. Bij de productie van beton komen echter veel broeikasgassen vrij en in dergelijke ophogingen kan ook zand of grind worden gebruikt. Belangrijke uitdaging voor de bouwsector is om de grote voorraad beton hoogwaardiger te recyclen. Oftewel meer toepassen in beton. Daarnaast kunnen architecten in de ontwerpfase beter inspelen op mogelijkheden van hergebruik van gebouwen en onderdelen daarvan. Bijvoorbeeld door modulair te ontwerpen, waardoor een gebouw makkelijk is af te breken in modules en onderdelen van een gebouw makkelijk kunnen worden hergebruikt.</em></p>
<ol start="90">
<li><strong>We gaan de nieuwe ontwerp richtlijn voor reparatie en garantie al vooruitlopend in nationale regelgeving omzetten</strong>:</li>
</ol>
<ul>
<li>Verplichte reparatie binnen wettelijke garantietermijn (verkopers moeten reparatie aanbieden);</li>
<li>Meer reparatie buiten wettelijke garantietermijn (consumenten krijgen recht op reparatie door producent bij technisch herstelbare producten);</li>
<li>Online reparatieplatform (moet het voor consumenten makkelijker maken in contact te komen met verkopers en producenten voor reparatie);</li>
<li>Een Europese kwaliteitsnorm voor reparatiediensten.</li>
</ul>
<p> </p>
<ol start="91">
<li><strong>We gaan voor de verkoop van producten een wettelijke normering instellen dat het gebruik van circulaire en/of duurzame natuurlijke grond- en hulpstoffen steeds meer verplicht stelt. Onder meer bij de bouw, textiel en bij elektronica. </strong>Elders hebben we al een Afvalwet aangekondigd naar analogie van de Klimaatwet, die het gebruik van niet-circulaire/duurzame natuurlijke producten met afdwingbare doelstellingen en termijnen beperkt en een verpakkingsbelasting plus uitbreiding van statiegeldregelingen.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="92">
<li><strong>Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. </strong>Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten.</li>
</ol>
<p><u>Herstel van biodiversiteit en een duurzame, adaptieve ruimtelijke ordening</u></p>
<p><em>Herstel van biodiversiteit is naast de klimaattransitie en de transitie naar een circulaire industrie een derde ecologische prioriteit.  De aanpak van de stikstofcrisis, zoals hiervoor opgenomen in een nieuw landbouwbeleid, maar ook met de krimp van de uitstoot daarvan in de industrie, de mobiliteit en de bouw staat daarin voorop.</em></p>
<ol start="93">
<li><strong>We gaan de Europese Natuurherstelwet royaal implementeren en verzetten ons tegen een beperking daarvan, desnoods met een veto. </strong>Een breed en sterk natuuroffensief geeft juist ruimte dat ons land van het slot gaat. In de ruimtelijke ordening is herstel van biodiversiteit één van de centrale pijlers.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="94">
<li><strong>In de nationale visie op de ruimtelijke ordening krijgen naast de volkshuisvesting de duurzaamheidstransities en -adaptaties (klimaat, circulariteit, biodiversiteit en schone lucht/bodem/water), en de daarvoor benodigde infrastructuur prioriteit. </strong>We sluiten aan bij de visie van wetenschappers van de Universiteit Wageningen (<a href="https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/">https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/</a> , gebaseerd op: <a href="https://www.wur.nl/nl/dossiers/dossier/nederland-in-2120.htm">https://www.wur.nl/nl/dossiers/dossier/nederland-in-2120.htm</a>).</li>
</ol>
<p>Gegeven de groeiende urgentie stellen we de doelstellingen in de kaart bij naar het jaar 2100, 25 jaar eerder.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1602" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/kaart-van-Nederland-2025-1-300x212.jpg" alt="" width="300" height="212" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/kaart-van-Nederland-2025-1-300x212.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/kaart-van-Nederland-2025-1-1024x725.jpg 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/kaart-van-Nederland-2025-1-768x543.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/kaart-van-Nederland-2025-1.jpg 1385w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1603" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Kaart-van-Nederland-2025-2-300x202.jpg" alt="" width="300" height="202" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Kaart-van-Nederland-2025-2-300x202.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2025/04/Kaart-van-Nederland-2025-2.jpg 670w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>De kaart van Nederland kleurt daarin opvallend groen; er is geen plaats ingeruimd voor kerncentrales, agroparken of varkensflats. Dat komt doordat de onderzoekers hebben gezocht naar natuurlijke oplossingen voor de problemen waarmee Nederland wordt geconfronteerd: de klimaatopwarming, de stijging van de zeespiegel, de afbraak van biodiversiteit. We stellen een – periodiek te actualiseren – bindende visie vast met hoe ons land er eind deze eeuw moet uitzien met tussendoelen.</p>
<p> </p>
<ol start="95">
<li><strong>Wij gaan uit van processen die met de natuur meewerken, niet daartegenin. De zeespiegelstijging wordt opgevangen met een robuustere duinenrij, boeren gaan over op kringlooplandbouw, bredere rivieren voeren hoogwaterpieken af, bossen vangen CO<sub>2</sub></strong> Het is een optimistische visie waarin haalbare mogelijkheden worden gegeven om de dreigende crises op te vangen, van zeespiegelstijging, verdroging, extreme regenval, afnemende biodiversiteit, vervuiling van bodem, (drink)water en atmosfeer, risico op zoönoses, woningnood tot regionale ongelijkheid.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="96">
<li><strong>De veranderopgaven in Nederland moeten slim gecombineerd worden.</strong> De keuzes die we maken voor het toekomstbeeld voor het jaar 2100 zijn daarom gebaseerd op vijf principes die elkaar versterken:</li>
</ol>
<ul>
<li><strong>Natuurlijk systeem aan de basis. </strong>Het bodemtype, de hoogteverschillen en de watersystemen in Nederland zijn bepalend voor de toekomstige ruimtelijke inrichting. Het natuurlijke systeem is uitgangspunt voor de oplossingen die aangedragen worden voor een klimaatbestendig en biologisch divers Nederland.</li>
<li><strong>Optimaal benutten van water. </strong>Om de biodiversiteit en kwaliteit van de natuurlijke omgeving te vergroten en elke druppel water optimaal in te zetten, moet ons watermanagement gericht zijn op het maximaal vasthouden, benutten, bergen en dan pas afvoeren van water.</li>
<li><strong>Natuurinclusieve samenleving<em>.</em></strong> Bij alle keuzes op het gebied van energie, landbouw, circulaire economie, leefbaarheid, verstedelijking en watermanagement, houden we rekening met de natuur. We kijken naar de gevolgen van menselijk handelen voor natuur, het beschermen <em>‘oude natuur’</em> strikt(er) en zetten in op natuurlijke processen, mogelijk in combinatie met technische oplossingen. We zien ruimte voor het ontstaan van nieuwe natuur, maken optimaal benut van de baten voor de mens (ecosysteemdiensten) en werken aan ecologische verbindingen die flora en fauna helpen hun verspreiding te verschuiven.</li>
<li><strong>Circulaire economie.</strong> Een natuurlijkere toekomst voor Nederland is gebaseerd op het principe dat het land over 75 jaar niet alleen klimaatneutraal is, maar zelfs klimaatpositief waarmee we meer broeikasgassen willen vastleggen dan uitstoten. Dat vraagt om een transitie richting een circulaire economie gericht op duurzaamheid, met een focus op een duurzame kenniseconomie en een sterk ontwikkelde kringlooplandbouw. Ook op zee.</li>
<li><strong>Meebewegende (adaptieve) ruimtelijke inrichting.</strong> De noodzakelijke aanpassingen aan de gevolgen van klimaatverandering, de energietransitie, en verdere verstedelijking, leiden tot sterke veranderingen in de (natuurlijke) omgeving en biodiversiteit. Om een veilige, leefbare, welvarende en duurzame toekomst te garanderen, moet Nederland slim met de natuur meebewegen en natuurlijke processen optimaal benutten in de ruimtelijke inrichting, zoals bijvoorbeeld door Bouwen met Natuur oplossingen voor hoogwaterveiligheid.</li>
</ul>
<p> </p>
<ol start="97">
<li><strong>De manier waarop we het land (en wateroppervlak) inrichten en gebruiken hangt in de eerste plaats af van wat de natuur kan dragen. </strong>Het ene gebied leent zich voor een slimme combinatie van landbouw en energieopwekking, in andere delen gaat verstedelijking samen met de ontwikkeling van nieuwe natuur. Weer elders verdient het beschermen van bestaande natuur voorrang en wordt niet gekozen voor meervoudig landgebruik. Dit leidt tot de volgende contouren voor het Nederland naar waar we moeten streven voor het jaar 2100:
<ul>
<li><strong>Blauwgroen landschap</strong><em>: </em>De stedelijke omgeving en het agrarisch landschap worden dooraderd met blauwgroene landschapselementen, zoals groenbuffers langs rivierstromen en stedelijke bossen. Dit maakt het landschap niet alleen visueel aantrekkelijk, het vergroot het areaal natuur, bos en open water, het vergroot de biodiversiteit en laat ons profiteren van ecosysteemdiensten. Zo levert het verkoeling, vruchtbare bodems en mogelijkheden voor recreatie.</li>
<li><strong>Circulaire landbouw:</strong> De Nederlandse landbouw is in 2100 volledig circulair. Rond de steden komen er meer bomen die voedsel leveren en voedselbossen, die naast voedselproductie, van belang zijn voor het vastleggen van koolstof en het leefklimaat in de stad. Landbouw, tuinbouw en veehouderij spelen slim in op verzilting, vernatting en weersextremen. De producenten hebben zich bovendien aangepast aan het veranderende voedingspatroon van de Nederlander, dat flexitarisch dan wel vegetarisch is. Insecten en zeewier staan al een tijd op het menu. Het totaal aan landbouwgrond is in 2100 gehalveerd ten opzichte van nu en de veehouderij is dan tot een derde van de productie geslonken. Een deel van de voedselproductie is verplaatst naar zee.</li>
<li><strong>Biobased economie</strong>: Nederland heeft zich ontwikkeld tot een klimaatneutraal, zelfs klimaatpositief land. De Nederlandse economie van 2100 is gericht op duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en ecosysteemdiensten. Biobased producten en energie worden gemaakt uit biomassa. De uitstoot van broeikasgassen wordt massaal teruggedrongen en CO₂ wordt maximaal vastgelegd in bossen, bodems, grasland en natte natuur. Het areaal bossen is verdubbeld in 2100 ten opzichte van nu. Bodems zijn vruchtbaar, nemen veel water op en houden het vast om later te benutten. Afval bestaat niet meer als zodanig, maar is dé nieuwe grondstof: vrijwel alles dat we gebruiken, wordt opnieuw gebruikt. Energie is goedkoop en duurzaam en wordt volledig opgewekt door zon, wind, aardwarmte en biomassa.</li>
<li><strong>De stad:</strong> In 2100 is het stedelijk oppervlakte van Nederland toegenomen. Steden produceren meer energie en water dan ze verbruiken. Ze fungeren als spons en zijn maximaal groen en blauw voor optimale leefbaarheid en verkoeling. Ook de gebouwen zijn natuurinclusief en houtbouw is gemeengoed. Gezuiverd afvalwater uit steden wordt gebruikt voor drinkwater, proceswater voor industrie en irrigatie voor de landbouw. Regenwater wordt optimaal benut. De laatste decennia voor 2100 is de watervraag in heel Nederland afgenomen door waterbesparende teeltvormen en waterbesparende maatregelen. Het rivierengebied biedt – naast ruimte voor water en natuur – ook plaats aan drijvende woningen. Op de klimaatdijken langs de rivieren, die veel breder zijn dan de dijken die we nu kennen, kunnen woningen worden gebouwd en kan energie worden opgewekt.</li>
<li><strong>Beleid:</strong> Beleidskeuzes worden getoetst op hun effecten op de natuur en biodiversiteit. Natuur als leidend principe is verankerd in mens en wet. Integraal afwegen en natuurinclusief werken is de norm. Internationale afspraken wegen zwaar mee. Van vrijblijvendheid is geen sprake meer.</li>
</ul>
</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="98">
<li><strong>We gaan fors investeren in natuurontwikkeling, -bescherming en herstel. </strong><strong>Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten. We investeren in het aaneensluiten van het netwerk van alle natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, versneld en in volle omvang.</strong> Er komen twee grote natuurgebieden in Nederland bij: de Markerwadden en het Oostvaarderswold in Flevoland. Het NP De Utrechtse Heuvelrug wordt verdubbeld. Daarnaast worden nieuwe nationale landschappen aangewezen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="99">
<li><strong>Er wordt meer en meer divers bos aangelegd, ook om aan de CO₂-reductie doelstellingen te voldoen, maar ook voor bosbouw voor duurzame bouw. </strong><strong>Het bosareaal in Nederland (nu 11 procent van het landoppervlak) wordt verdubbeld, </strong>conform de aanbevelingen van de Wageningse onderzoekers. Bomen worden vooral bijgeplant op de Veluwe, in Noordoost-Nederland, de Achterhoek en Noord-Brabant. Ook voedselbossen in en rond de steden. Er komt een Autoriteit Boom- en Bosbeheer die toestemming moet geven indien er bomen gekapt worden.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="100">
<li><strong>De kustlijn inclusief duinen en aangrenzend natuurgebied houden we puur; bebouwing wordt uitgesloten. In natuurgebieden zoals de Noordzee, de Waddenzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Delta is geen plaats voor schadelijke economische activiteiten als gasboring, zandsuppletie (met uitzondering voor versterking van de duinenkust, zie verderop in dit plan) of landaanwinning.</strong> De Westerschelde wordt niet meer verder verdiept. Dertig procent van de Noordzee wordt zee-reservaat, gesloten voor visserij en andere schadelijke activiteiten. Om de Waddenzee beter te beschermen, komt er één beheerder voor de Waddenzee.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="101">
<li><strong>In bestemmingsplannen komt de mogelijkheid om waardevolle landschappen met natuurinclusieve landbouw te beschermen naar analogie van waardevolle dorps- en stadsgebieden en stedelijke monumenten.</strong> Daarbij kunnen de eigenaren of beheerders subsidie krijgen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="102">
<li><strong>De toegankelijkheid van natuurgebieden voor wandelaars, fietsers en ruiters wordt gewaarborgd, daar waar en wanneer dat ecologisch verantwoord is.</strong> Rond steden ontwikkelen we meer groene recreatiegebieden. Waarden als stilte, nachtelijke duisternis en de weidsheid van het landschap worden beschermd.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="103">
<li><strong>Om waardevolle, open gebieden te behouden moet bebouwing in die gebieden duurder worden. Daarom wordt een openruimteheffing ingevoerd. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="104">
<li><strong>De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt, waarbij Staatsbosbeheer weer wordt genationaliseerd en geen winst meer hoeft te maken met bosbouw. Natuur verhuist van het ministerie Economische Zaken naar een apart klimaat, natuur en milieuministerie. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="105">
<li><strong>Bescherming van biodiversiteit en het behoud en terugkeer van bijzondere flora en fauna worden bevorderd. </strong>Bijen en weidevogels krijgen speciale aandacht. De zalm en de steur keert weer terug in onze rivieren. De eland keert weer terug in onze bossen. Wolven en lynxen krijgen de ruimte – als toppredatoren beheren zij de wildstand in plaats van de jacht. We zorgen dat dit veilig kan door meer en betere voorlichting over wat te doen bij ontmoeting met deze roofdieren en door vergoeding van beschermingsmaatregelen, mits deze genormeerd en gecontroleerd worden uitgevoerd. Houders van gedomesticeerde dieren krijgen vergoeding bij schade door deze predatoren mits zij voldoende beschermingsmaatregelen hebben getroffen – waarvoor subsidie beschikbaar is.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="106">
<li><strong>We passen ons aan de inmiddels onvermijdelijke zeespiegelstijging en extreme regenval en hoge waterstanden in rivieren, alsook langdurige perioden van droogte.</strong> De zeespiegel zal in onze Noordzee eind deze eeuw tot zeker 1,2 meter stijgen ten opzichte van nu als de temperatuurstijging wereldwijd niet tot beneden 1,5 graad ten opzichte van 1990 wordt gebracht. Die kans dat dat niet gebeurt is bijna al uitgesloten. Integendeel, bij ongewijzigd beleid schieten we daar ver over heen.</li>
</ol>
<p>De eerder genoemde Wageningse onderzoekers rekenen met 1,5 meter zeespiegelstijging, het KNMI houdt rekening met 2 meter als het smelten van de ijskap op Antarctica versnelt – waar vele signalen reeds op wijzen. Zonder aanpassingen aan deze zeespiegelstijging zullen de duinen en dijken in Zeeland en Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Groningen (samen ongeveer de helft van ons land) grote risico’s lopen op doorbraken – ook bij rivierdijken door opstuwing door de zee; zullen grote delen van de Randstad, Zeeland en het Noorden verzilten of veranderen in moerasgebieden – doordat in deze lage gebieden na zware regenval het water niet meer weggepompt kan worden; en komen uiterwaarden meer en langer onder water te staan – de wateroverlast zal steeds verder stroomopwaarts kruipen. Zonder stevigere dijken kunnen Zeeland, Zuid-Holland en Flevoland lange tijd onder water komen te staan als dijken doorbreken of overspoelen, net als de gebieden rond de rivieren. Het duurt dan erg lang &#8211; eerder een jaar dan een maand &#8211; om het water weer weg te pompen (<a href="https://nos.nl/nieuwsuur/collectie/13917/artikel/2451244-dit-zijn-de-gevolgen-voor-nederland-als-de-zee-2-of-5-meter-stijgt">https://nos.nl/nieuwsuur/collectie/13917/artikel/2451244-dit-zijn-de-gevolgen-voor-nederland-als-de-zee-2-of-5-meter-stijgt</a>).</p>
<p>De Waddeneilanden zullen deels verdwijnen en gaan <em>&#8216;wandelen&#8217;</em> richting de kust. De Waddenzee zal nooit meer beloopbaar zijn. &#8220;<em>Aan de Noordzeekant schuren de eilanden door de stijgende zeespiegel af en dat zand slaat in de Waddenzee neer. Zo verschuiven de eilanden dus richting onze kust. Bij 5 meter stijging zullen ze ook kleiner worden. Daar wil je dan niet meer op wonen. De Waddenzee &#8216;verzuipt&#8217;, de biodiversiteit daar verdwijnt.&#8221; </em></p>
<p> </p>
<ol start="107">
<li><strong>We beschermen ons land tegen overstromingen en wateroverlast, waar mogelijk door rivieren meer ruimte te geven en hun natuurwaarden te versterken, in plaats van dijken te verzwaren.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="108">
<li><strong>Tegen langdurige droogte wordt geïnvesteerd in meer wateropslag, minder verstening, minder intensief watergebruik en minder waterverspilling. Ook in de stad komt er meer groen en stadslandbouw wordt bevorderd.</strong> Bevers, otters en dassen blijven beschermd, maar kunnen verplaatst worden bij bedreiging van essentiële infrastructuur (dijken, spoorwegen).</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="109">
<li><strong>Om de zeespiegelstijging op te vangen, wordt de natuurlijke duinvorming langs de kust gestimuleerd. </strong>Ter bescherming van de Nederlandse kust worden hybride dijken aangelegd van natuurlijke oorsprong, zoals duinen en schelpdierbanken en wordt zand opgespoten (zandsuppletie). Hoe hoger de stijging van de zeespiegel, hoe meer zand opgespoten moet worden. Voor een absolute stijging van anderhalve meter is jaarlijks gemiddeld 46 miljoen kuub zand nodig, bijna vier keer zoveel als er nu gesuppleerd wordt. Dit wordt gewonnen uit de zeebodem, in langgerekte geulen op meer dan twintig meter diepte. Golven nemen het zand mee naar het strand waar de wind het tegen de duinen plakt. Duinen zijn prachtige zeewaterkeringen. Het is een zelfhelend systeem.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="110">
<li><strong>Door de zeespiegelstijging zal de stormvloedkering in de Oosterschelde vaker dicht moeten. Terwijl de getijdenwerking in de Zeeuwse wateren essentieel is.</strong> <strong>Die getijdewerking gaan we door de achterdeur binnenhalen met een open doorgang naar de Westerschelde bij de Kreekraksluizen onder Bergen op Zoom. Dan krijg je een gedempt getij.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="111">
<li><strong>We moeten in Nederland meer met minder land en meer met water gaan doen, onder andere door de bodem, de waterkolom en het wateroppervlak van de Noordzee verder te benutten. </strong>De Noordzee heeft Nederland veel te bieden. Het is niet alleen een grote producent van hernieuwbare energie, maar ook van eiwitten uit zeewier, schelpdieren en vis.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="112">
<li><strong>De energie- en voedselwinning in het Noordzeegebied wordt gecombineerd met natuurontwikkeling.</strong> Afhankelijk van de hoofdfunctie die een bepaald deelgebied van de Noordzee heeft, bijvoorbeeld bescherming van de zeebodem, is een andere vorm van gebruik er niet toegestaan als dat die de hoofdfunctie verstoort.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="113">
<li><strong>De Noordzee leent zich uitstekend voor de productie van duurzame energie, door windmolen- en zonneparken op zee. </strong>Voormalige booreilanden worden gebruikt voor de opslag van CO<sub>2</sub>en de productie van waterstof, een andere duurzame energiebron.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="114">
<li><strong>Langs de fundamenten van de windmolenparken kunnen natuurlijke rifbouwers, zoals de platte oester en de zandkokerworm, werken aan kunstmatige riffen waar verschillende plant- en diersoorten goed gedijen.</strong> In 2100 eten mensen veel minder eiwitten van runderen en varkens, wat de voedselproductie in en op zee een flinke boost geeft. Op en rond windmolenparken is ruimte voor aquacultuur: de teelt van oesters, mosselen en zeewier als nieuwe bron van eiwit.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="115">
<li><strong>De visserij is in 2100 volledig duurzaam; bijvangst en bodemverstoring blijven tot een minimum beperkt.</strong> . <strong>Delen van de Noordzee worden beschermd natuurgebied (nationaal park).</strong> Door stijging van de watertemperatuur begroet de Noordzee nieuwe zuidelijke zoogdieren en vissoorten, zoals de tuimelaar, gestreepte dolfijn, blauwe haai, zeebaars en zonnevis. Het aantal noordelijke soorten neemt af of verplaatst naar diepere wateren. De biodiversiteit in de kustzone is in 2100 rijker dan in de eeuw daarvoor. Soorten als mul, goudbrasem, ansjovis, zeebaars, bruinvis, tuimelaar en bultrug komen algemeen voor en ook de zeearend heeft er zijn plek gevonden. Door een verbreding van de riviermondingen waar zoet rivierwater en zout zeewater zich mengen, ontstaan nieuwe leefgebieden voor planten en dieren. De kust is ook over 75 jaar nog een enorme toeristische trekpleister.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="116">
<li><strong>Op de fundamenten van de installaties die in de vorige eeuw voor olie- en gaswinning zijn gebruikt, worden drijvende eilanden ontwikkeld voor de opslag van waterstof in oude gasvelden.</strong> Drijvende eilanden, waarop ook havens, ICT-infrastructuur en zonneparken worden aangelegd, hebben het grote voordeel dat ze meebewegen met de zeespiegel, verplaatsbaar en weer te verwijderen zijn. Bij Rotterdam bijvoorbeeld kan een drijvende haven worden aangelegd voor de overslag van lading van grote zeeschepen op kleinere vaartuigen</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="117">
<li><strong>Potentiële verontreiniging van de Noordzee wordt direct bij de bron aangepakt en dankzij verbeterde waterzuiveringsinstallaties komen nauwelijks nog schadelijke stoffen in het zeewater terecht. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="118">
<li><strong>Door actief natuurbeheer wordt de biodiversiteit van de Waddenzee (Werelderfgoed) zo goed mogelijk behouden.</strong> <strong>Voor de tientallen wadvogelsoorten zijn rust-, rui- en broedgebieden en ook foerageergebieden aangelegd.</strong> Geholpen door een stijging van de zeewatertemperatuur laten zuidelijkere soorten als de tapijtschelp, het kortsnuitzeepaardje, de flamingo, tuimelaar, stekelrog en pijlstaartrog zich meer en meer zien in het Waddengebied.</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="119">
<li>Een deel van de westelijke Waddenzee komt in 2100 bij eb niet meer droog te liggen. Door de zeespiegelstijging verdrinken een aantal wadplaten permanent. <strong>Om de ernstige gevolgen tegen te gaan voor visetende vogels die op de wadplaten broeden en voor zeehonden die er hun jongen werpen en zogen, worden vogeleiland Griend (ten zuidwesten van Terschelling) en andere wadplaten opgespoten.</strong> Tussen Vlieland en Texel vallen nog wel wadplaten droog; hier zijn veel vogels te vinden.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="120">
<li><strong>Het opspuiten van slik bij Balgzand (de grootste wadplaat, ten oosten van Den Helder) beschermt de kust en zorgt voor behoud van de vogelrijkdom.</strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="121">
<li><strong>In het oostelijk Waddengebied komen, ondanks de zeespiegelstijging, bij eb nog veel platen droog te liggen. </strong>Op de eilandkoppen en in de buitendelta’s liggen grote zandophopingen die door de stroming meegevoerd worden richting Waddenzee. Door de aanwas en erosie die de stijging van de zeespiegel veroorzaakt, wandelen de eilanden richting het zuidoosten.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="122">
<li><strong>De vastelandskust van Friesland en Groningen kenmerkt zich door brede waterkerende landschappen in plaats van dunne dijken. We komen er wadplaten, kwelders (begroeide buitendijkse gebieden), brede dijken en kruidenrijke vegetatie tegen die overgaan in moerassen tussen dubbele dijkzones. In binnendijkse brakke gebieden vindt zilte teelt plaats. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="123">
<li><strong>Door de klimaatopwarming zal het weer vaker extremen vertonen. Om hoogwaterpieken door overvloedige regenval beter op te kunnen vangen, krijgen de rivieren meer ruimte. </strong>Als rivieren door hoge zeespiegelstanden niet meer kunnen afvoeren, bieden de uiterwaarden ruimte voor berging. De rivieren hebben in 2100 een steeds grotere variatie in afvoer. Zo zal de IJssel extreem grote hoeveelheden water van de Rijn naar het noorden voeren.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="124">
<li><strong>Het rivierbed van de IJssel is daarvoor in breedte verdubbeld. Om de extreme afvoer van de Maas op te vangen, worden de Maaskades verwijderd</strong>, <strong>waarna het hele Maasdal weer kan mee stromen. De Maas en de Waal worden (weer) met elkaar verbonden. </strong>Woningen die te vaak onder water kwamen, zijn gesloopt. Deze ontwikkeling van IJssel en Maas is goed voor het herstel van de Nederlandse biodiversiteit. Ook gunstig is dat de dijken van de overige rivieren hierdoor niet verhoogd hoeven te worden. Door het verhogen van het waterpeil in de moerassige zones die aan de binnenzijde van de dijken zijn aangelegd, ontstaat tegendruk bij hoge rivierstanden. Deze brede zones kunnen bovendien water opslaan en vergroten ook de biodiversiteit. De vruchtbare rivierkleigronden bieden mogelijkheden voor kringlooplandbouw. Naast melkveehouderij ontstaat er ruimte voor akkerbouw en fruitteelt.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="125">
<li><strong>De Biesbosch is uitgebreid naar het westen en oosten, wat de wateropvangcapaciteit van het gebied heeft vergroot.</strong> Dit is nodig vanwege hogere rivierafvoeren, de hogere zeespiegel en het openstellen van onder meer Grevelingen en Haringvliet. De Biesbosch is topnatuur geworden met paaiplaatsen voor fint en broedlocaties voor de visarend. Geholpen door de temperatuurstijging laten ralreiger en kroeskoppelikaan zich hier ook weer in Nederland zien. In delen van de Biesbosch is plaats voor extensieve (vlees)veehouderij.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="126">
<li><strong>Door het aanleggen van ‘<em>vooroevers’</em>, langgerekte eilanden langs de kust, worden de dijken beschermd en krijgt het IJsselmeer twee peilstanden: een vast peil voor de scheepvaart langs de randen en een dynamisch peil in het midden.</strong> Dat is goed voor de natuurontwikkeling. Het zand voor de oevers dat uit het IJsselmeer gewonnen is, heeft diepe koele geulen gecreëerd waar spiering zich in hete zomers kan terugtrekken. Het IJsselmeer is en blijft een belangrijke zoetwatervoorraad voor drinkwater en hoogwaardige landbouw. Wel is de watervraag in de decennia voor 2100 in heel Nederland afgenomen, onder meer door waterbesparende teeltvormen en waterbesparende maatregelen in industrie en huishoudens. De zee en de IJssel bepalen het peil en de condities van het IJsselmeer.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="127">
<li><strong>De Afsluitdijk blijft bestaan, de Houtribdijk (tussen Lelystad en Enkhuizen) wordt opgeknipt,</strong> waardoor eilandjes ontstaan met bruggen ertussen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="128">
<li><strong>In de monding van de IJssel is een zoetwaterdelta ontwikkeld. </strong><strong>Tussen de Noordoostpolder en het vaste land wordt een nieuw randmeer aangelegd.</strong> Dat gebeurt om te voorkomen dat aangrenzende natuurgebieden zoals de Weerribben verdrogen. Destijds bij de aanleg van de polder is dat vergeten.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="129">
<li><strong>Er komt een vergunningsplicht voor het onttrekken van grondwater</strong> (industrie en landbouw zijn grote onttrekkers), en in de vergunningen worden voorwaarden en mogelijkheden voor beperking en beëindiging van onttrekking opgenomen. Rondom natuurgebieden komt er een verbod op het onttrekken van grondwater.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="130">
<li><strong>Er komt een nieuwe infrastructuur op poten te staan, waardoor het geen barrière meer vormt in de natuurlijke systemen en waterstromen.</strong> Het is volledig afgestemd op extremen en zo ontworpen en ingericht dat het in tijden van nood optimaal functioneert als evacuatienetwerk. In de polders is een multifunctioneel groenblauw netwerk gerealiseerd ten gunste van natuurlijke plaagbestrijding, gewasbestuiving en waterbuffering in geval van extreem weer.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="131">
<li><strong>Rond de steden komen er opvangbekkens voor water en groene gordels met (voedsel-)bossen, ook voor natuur en recreatie. </strong></li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="132">
<li><strong>De ruimtelijke ontwikkeling per regio in 2100 ziet er zo uit:</strong>
<ul>
<li><strong>De zuidwestelijke delta, waar Zeeland deel van uitmaakt, is in 2120 ruimtelijk sterk veranderd.</strong> <strong>Het is een groene oase te midden van Nederlandse en Belgische beboste steden.</strong></li>
<li><strong>De duinen aan de Noordzeekust zijn in omvang verdubbeld. Dubbele dijken garanderen de veiligheid van de inwoners. </strong></li>
<li><strong>Zoetwaterlandbouw en zouttolerante landbouw hebben er elk hun eigen plek.</strong> Door vernatting en het oprukkende zoute water bieden zilte teelt en aquacultuur (schelpdier en zeewier) een volwaardig nieuw landbouwperspectief. Landbouwgronden hebben er plaatsgemaakt voor dubbele dijksystemen. Het land tussen de dijken wordt onder meer ingezet voor schelpdier- en zeewierteelt. De zoet-zoutwaterovergangen in het gebied zijn behouden, wat een gunstig effect heeft op de biodiversiteit. Door afzetting van slib groeit het land mee, wat bijdraagt aan de natuurontwikkeling en waterveiligheid.</li>
<li><strong>In de monding van de Oosterschelde is een nieuwe stormvloedkering aangelegd die meer dynamiek van het water toestaat en de aanwas van platen en slikken (wadden) mogelijk maakt. </strong>Op plaatsen waar van meegroeien geen sprake is, wordt de aangroei gestimuleerd met zandpuffers (kleine zandopspuitingen). Door een verbinding met de Westerschelde bevindt zich meer slib in het systeem en dat betekent meer voedingsstoffen. Flora en fauna profiteren hiervan. Om de migratieroutes voor vissen te bevorderen, is de Oosterschelde door een zoet-zout overgang verbonden met het Volkerak-Zoommeer. Deze brakke of zoet-zoutovergangszones zijn een aantrekkelijke leefomgeving voor bijzondere flora en fauna. Grevelingen en Haringvliet zijn verbonden met de Noordzee en rivieren, waardoor zoet-zoutovergangen hersteld zijn en vissen er ongehinderd hun weg vinden van zee naar rivier. Dit heeft een positief effect op de populaties van vele vissoorten, waaronder verschillende soorten roggen en haaien, de steur, de paling en de zalm. De biodiversiteit in het gebied is toegenomen en er heeft zich een rijke, gevarieerde natuur ontwikkeld.</li>
<li><strong>De Noord-Nederlandse kleigronden lenen zich uitstekend voor hoogwaardige kringlooplandbouw.</strong></li>
<li><strong>Zoetwaterbekkens slaan het overtollige regenwater in de winterperiode op zodat het in de droge zomerperiode benut kan worden. Oprukkend zout water wordt met aparte waterlopen slim gescheiden van zoet water. Ook worden zoete stuwen ingezet om het zwaardere zoute water van het zoete te scheiden. </strong></li>
<li><strong>Brede waterkerende landschappen garanderen de waterveiligheid in het gebied. In de meest kwetsbare laaggelegen gebieden fungeren dubbele dijken als verdediging. Hiertussen zet de zee slib af, waardoor de dijken meegroeien. Elders worden de waterkeringen aan de binnenzijde voorzien van natte moeraszones die zowel water voor de landbouw vasthouden als tegendruk bieden aan hoge zeewaterstanden.</strong></li>
<li><strong>In het westen van Nederland liggen in 2100 uitgestrekte veenmoerassen en grote wateren met natte teelten rond stedelijke enclaves.</strong> Dit zijn visueel aantrekkelijke gebieden en toeristen komen er graag.</li>
<li><strong>De voormalige rivierbeddingen lopen als groene linten door de natte veenweidegebieden en worden zeer gevarieerd gebruikt, voor zowel recreatie als kleinschalige stadslandbouw. </strong></li>
<li><strong>Vernatting van de veenweidegebieden zorgt voor een natuurlijke tegendruk tegen zoutindringing, bodemdaling en veenoxidatie. Ook creëert het kansen voor nieuwe aangroei van veen voor de opslag van broeikasgassen. Het massaal doorspoelen van polders met kostbaar zoet water is niet meer nodig.</strong> Nederland loopt in 2100 voorop op het gebied van natte (en zilte) teelten. De natte teelt levert onder meer riet, moerasbos, veenmos en cranberries, vormt geschikt leefgebied voor waterbuffels en draagt daarmee bij aan de productie van biomassa, vezels, isolatie- en constructiemateriaal, potgrond, medicijnen, veevoer, vlees en kaas. De inwoners van Noordwest-Europa eten minder vlees, waardoor minder grond nodig is voor melkveehouderij. De melkveehouderij heeft hierop op het juiste moment ingespeeld door samenwerking te zoeken met tuinbouw, aquacultuur en agrarisch natuurbeheer.</li>
<li><strong>De grootste uitdaging voor de hoge zandgronden in het oosten van Nederland, Brabant en de Veluwe is het tegengaan van verdroging.</strong> In sommige afgelopen hete zomers hadden regio’s als Twente en de Achterhoek veel last van droogte. Een manier om dat te voorkomen is door water vast te houden en het beter te laten infiltreren in de bodem. De hogere zandgronden zijn cruciaal voor het watersysteem. Door hier maximaal water vast te houden en te vertragen, worden beken en rivieren ontlast bij neerslagpieken en piekafvoeren.</li>
<li><strong>Door beken maximaal te verlengen wordt water langzamer afgevoerd, waardoor het meer tijd krijgt om weg te zakken. Ook wordt het grondwater maximaal aangevuld.</strong> Er zijn regionaal grote infiltratiegebieden ingericht waar het regenwater maximaal wordt vastgehouden in plaats van afstroomt.</li>
<li><strong>Naaldbossen worden vervangen door open gebieden met loofbomen en kruidenrijke graslanden die meer biodiversiteit kennen en minder water laten verdampen. </strong></li>
<li><strong>In de landbouwgebieden op de hoge zandgronden is weer ruimte gemaakt voor groenblauwe dooradering. Beekdalen – met zo mogelijk moerasbos – zijn daar een mooi voorbeeld van.</strong> Ze vergroten de biodiversiteit en de veerkracht van het systeem, wat de kringlooplandbouw ten goede komt. Het maximaal verlengen van de waterlopen zorgt ervoor dat water langzamer wordt afgevoerd en meer kans heeft in de bodem te trekken. Door bovenstroomse delen te dempen, worden kwelsystemen gevoed. In de buurt van het stedelijk gebied bieden die volop recreatie.</li>
<li><strong>De landbouw verhuist van de hoge zandgronden naar lagere delen. In de landbouwgebieden in de buurt van steden wordt de landbouw gemengd met bomenteelt van bomen die voedsel leveren, dichtbij de steden zijn voedselbossen waar mensen naast voedsel ook natuur en rust kunnen vinden.</strong></li>
<li><strong>Het groeiend aantal Nederlanders – in de toekomstvisie van de Wageningse onderzoekers wordt uitgegaan van 20 miljoen inwoners in 2120 – zal vooral worden gehuisvest in steden in Oost-Nederland en Brabant. Niet in de Randstad, die kampt met bodemdaling en kwetsbaar is voor overstromingen als de zeespiegelstijging doorgaat. Nieuwe economische centra worden niet meer in de Randstad ontwikkeld, maar op de hoger gelegen zandgronden; verdere groei van de woon-werkgebieden verschuift geleidelijk richting het oosten van het land.</strong></li>
<li><strong>Natuur en recreatie worden er meer en meer duurzaam gecombineerd bij vervanging van oude woningen. Extra recreatiewoningen mogen in de kustgebieden niet meer gebouwd worden. </strong>Sowieso gaan we groei daarvan beperken door het bezit ervan extra zwaar te belasten.</li>
<li><strong>Deze verschuiving naar het oosten versterkt de samenwerking met aangrenzende Duitse deelstaten, met name op het gebied van arbeidsparticipatie en onderwijs. Dit leidt tot meer economische activiteit en meer verstedelijking. We investeren extra in grensoverschrijdend vervoer in de grensregio’s en er komt een apart gekozen bestuur voor deze grensregio’s met eigen bevoegdheden</strong><u>.</u></li>
<li><strong>In plaats van de Randstad gaan we de groei vooral laten plaatsvinden in Twente, de Achterhoek, Drenthe, Brabant en Limburg. Langs de rand van de Maas in Noord-Brabant is op de kaart een stedenrand ingetekend; de <em>Randzandstad</em>. Die bestaat vooral uit kleinere steden. </strong></li>
<li><strong>Voor een metropool als Londen is in Nederland geen plaats. Nederland is een land van kleine steden, daar zijn mensen gelukkiger.</strong> De Randstad blijft desalniettemin een belangrijk brandpunt van economische en sociaaleconomische ontwikkeling (vanwege de haven-, kennis-, logistieke en bestuurlijke functie van dit deel van Nederland).</li>
<li><strong>De steden zelf worden natuurlijker ingericht met groene daken, bomen en waterpartijen.</strong> Daarmee wordt verkoeling in de stad gebracht. Het ontwerp van steden is niet meer gebaseerd op wat bouwtechnisch mogelijk is, maar is circulair en gaat uit van natuurlijke processen, met veel aandacht voor het optimaliseren van de leefbaarheid en klimaatbestendigheid. Voor de bouw wordt vooral hout gebruikt, als duurzame vervanger van beton. Regenwater wordt maximaal opgevangen: op en in gebouwen, in tuinen en in de groene openbare ruimte.</li>
<li><strong>De kwaliteit van landschap, natuur en recreatie nemen toe en de waterveiligheid van Nederland blijft gegarandeerd. Tussen stad en buitengebied worden betere groenblauwe verbindingen ontwikkeld. Bovendien wordt het stedelijk gebied bebost en met bos, waaronder voedselbos en <em>agroforestry</em>, omzoomt. </strong>Niet alleen met het oog op recreatiemogelijkheden en biodiversiteit, maar ook om het hitte-eiland-effect in de stad te verminderen. Veel open water in en om de stad is van belang voor watermanagement in de stad, en draagt ook bij aan de leefomgeving van de stadsbewoners en het klimaat in de stad. Meer welzijn, minder fijnstof is het credo.</li>
</ul>
</li>
</ol>
<p> </p>
<ol start="133">
<li><strong>We zorgen voor een schone en gezonde bodem, water en lucht. De overheid moet levens en gezondheid van haar burgers te beschermen en tevens zich te houden aan Europese wetgeving waaraan ze zich heeft gecommitteerd. Burgers kunnen dat in het vervolg bij de rechter gaan afdwingen. De normen voor de luchtkwaliteit, zoals voor geur (ammoniak), de hoeveelheid en samenstelling van (ultra-)fijnstof en fijnstof van bio-industrie, stikstofoxiden en roet, worden aangescherpt tot het niveau dat is vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). </strong>Gemeenten hebben een belangrijke de taak bij de handhaving en geven inwoners inzicht in de controle. Normen op het gebied van geluid, trillingen, stank, en andere overlastgevers moeten altijd vastgesteld gaan worden op basis van de beste (en meest recente) wetenschappelijke inzichten. Bedrijven die installaties vervangen krijgen geen nieuwe vergunning als zij niet de best beschikbare, duurzame technieken toepassen. We gaan de handhaving verscherpen.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="134">
<li><strong>Voor de bescherming van omwonenden is het daarom meer van belang, als tweede aspect, om te toetsen of de concentraties van schadelijke stoffen in de omgeving van de fabriek de norm voor langdurige blootstelling niet overschrijden</strong> (zulke normen zijn er alleen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen en een aantal andere veel voorkomende schadelijke stoffen zoals fijnstof). Bij deze toets moet rekening worden gehouden met alle relevante activiteiten, zowel die onder de vergunningsaanvraag vallen als emissies door derden. Zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid in april 2023 in een onderzoek naar de uitstoot van Tata Steel (IJmuiden), Chemours (Dordrecht) en de asfaltfabriek APN (Nijmegen) concludeert (<a href="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/04/13/rapport-ovv-industrie-en-omwonenden">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/04/13/rapport-ovv-industrie-en-omwonenden</a>), is een toetsing aan de best beschikbare technieken (BBT) niet altijd voldoende om te zorgen dat de concentraties van schadelijke stoffen in de buurt van de fabriek onder de veilige grenzen voor milieu en gezondheid blijven.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="135">
<li><strong>Het toetsen van de concentratie van schadelijke stoffen op leefniveau (immissie) aan de grenswaarde, en het op basis daarvan waar nodig beperken van de emissies krijgt vergeleken met de inzet op BBT op dit moment minder aandacht bij vergunningverlening en handhaving. Dat moet echt veel beter, met eigen continue waarnemingen en niet alleen van het bedrijf zelf zoals nu bij dit soort hoog risicobedrijven, en daarbij moet het voorzorgprincipe worden toegepast – bij twijfel, niet toestaan.</strong> Dit geldt met name bij zgn. persistente stoffen, stoffen die niet of nauwelijks afbreken in het milieu en menselijk lichaam.</li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="136">
<li><strong>Een derde aspect betreft de controle door de vergunningverlener op de juistheid en volledigheid met als doel de vergunning te laten aansluiten op de daadwerkelijke uitvoering. Ook na het verlenen moet de vergunning daarom regelmatig gecontroleerd worden op compleetheid en correctheid op basis van de meest recente inzichten, en op tijdige implementatie van aanwijzingen voor verbetering – de vergunningen moeten steeds geactualiseerd worden om de risico’s zo klein mogelijk te maken. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="137">
<li><strong>De omgevingsdiensten – die over deze uitstoot de toezichthouder zijn – moeten veel beter worden toegerust voor hun taken, er moet meer geïnvesteerd worden in onderzoek, en er moet resoluut worden opgetreden – bij te grote risico’s moet het bedrijf of het productieonderdeel gesloten kunnen worden. Bij zware overtredingen moet ook strafrechtelijk vervolging plaatsvinden van bestuurders. Bedrijven krijgen de verplichting hun uitstoot altijd zo laag mogelijk te houden, ook al is deze nog beneden de in de vergunning aangegeven maximumwaarde. Bedrijven en omgevingsdiensten moeten transparant zijn over incidenten, zorgen en klachten, en pro-actief omwonenden informeren. </strong></li>
</ol>
<p><strong> </strong></p>
<ol start="138">
<li><strong>Ingevolge het voorafgaande gaat de cokesfabriek bij Tata Steel direct dicht. En worden de vergunningen voor Chemours per direct opnieuw beoordeeld.</strong></li>
</ol>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Eindnoot</strong></p>
<p><a href="#_ednref1" name="_edn1">[i]</a> <strong>Verduurzaming van energieverbruik van de scheepvaart</strong></p>
<p>Eén van de grote problemen bij het verduurzamen van de scheepvaart is dat er tot voor kort eigenlijk nog geen duidelijke oplossing in beeld was. Voor de auto is het bijvoorbeeld zonneklaar dat die in de toekomst elektrisch gaat worden. Maar voor scheepvaart zijn er heel veel opties, die allemaal zo hun voor- en nadelen hebben.</p>
<p>Neem: <strong><em>biodiesel</em></strong>, diesel uit biomassa, die vaak wordt bijgemengd met diesel uit aardolie. Laten we meteen maar het grootste voordeel noemen: het wordt al gebruikt. Het is voorradig, en goed te mengen met bunkerolie. En daardoor zijn er bijna geen aanpassingen aan een schip voor nodig. Maar dan het grootste nadeel: lang niet alle vormen van diesel uit biomassa zijn duurzaam te noemen. Biodiesel uit rest- en afvalstoffen bespaart bijvoorbeeld CO₂-uitstoot, maar biodiesel gewonnen uit speciaal geteelde oliehoudende gewassen – denk palmolie – kan indirect juist voor méér CO₂-uitstoot zorgen. Net zo belangrijk: wat meng je precies bij? Als je biodiesel voor 70 procent uit fossiele brandstoffen bestaat, hebben we daar niet zo veel aan. En ook bij de verbranding van biodiesel komen stikstofoxiden vrij. Hoe duurzaam de diesel ook is vervaardigd, het blijft een bron van vervuiling en gezondheidsrisico’s.</p>
<p>Of neem <em>LNG</em>, vloeibaar aardgas: een stuk schoner dan de stookolie waarop schepen nu varen, maar wel nog steeds fossiel én met flinke methaanuitstoot. De Europese Commissie en het Nederlandse ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn het erover eens dat LNG <em>voor nu</em> het beste alternatief is voor bunkerolie. Er zitten zeker voordelen aan varen op LNG. Zo is het veel schoner dan bunkerolie (ongeveer alles is schoner dan bunkerolie, maar oké): LNG stoot 25 procent minder CO₂ uit, 85 procent minder stikstofoxiden, 90 procent minder fijnstof en 98 procent minder zwavel. Bovendien bestaan de technologie en de infrastructuur al: wie wil, kan nú gaan varen op LNG. Een kwart van de schepen die nu worden gebouwd, zal op LNG gaan varen. Natuurlijk, LNG is nog steeds een fossiele brandstof.  En dat is direct ook de grootste en terechte kritiek van milieuorganisaties. Schepen bouw je voor zeker dertig jaar. Dat betekent nog ten minste tot 2050  schepen die fossiel varen en uitstoot veroorzaken. Bovendien: LNG stoot dan minder CO₂ uit dan bunkerolie, maar er lekt bij de winning, verwerking én verbranding van LNG methaan de atmosfeer in  –  een sterker broeikasgas dan CO₂,  wat betekent dat LNG misschien zelfs <em>slechter </em>voor het klimaat is dan bunkerolie. Die methaanlek zou je dus overal in de keten moeten aanpakken. Een ‘<em>transitiebrandstof’</em> wordt LNG door industrie en politiek genoemd: bij gebrek aan de directe beschikbaarheid van schonere alternatieven is het volgens hen nu de ‘<em>beste’</em> keuze. Maar wanneer is die transitie precies voorbij, en waar bewegen we eigenlijk naartoe?</p>
<p><strong><em>Methanol</em></strong> is een kleurloze vloeistof – een soort giftiger variant van alcohol. Het goedje wordt volop gebruikt in de chemische industrie, bijvoorbeeld om kunststof of verf mee te vervaardigen, of als oplosmiddel. En: je kunt er dus ook op varen. Het voordeel van methanol is dat er al een infrastructuur voor is, dat wil zeggen: we weten hoe we het veilig moeten produceren, vervoeren en opslaan. Sommige schepen testen al methanol: er zijn bijvoorbeeld veerboten in Scandinavië die op een mix van methanol en fossiele brandstoffen varen. Op dit moment wordt wereldwijd zeker 100 miljoen ton methanol per jaar geproduceerd. Voornamelijk uit aardgas en aardolie – fossiel en vervuilend dus. Een kleiner deel wordt gemaakt van biomassa en huisvuil: potentieel schoon, mits de biomassa niet uit gekapte gewassen bestaat. Slechts een heel klein deel van de wereldwijde methanolproductie – zo’n 1 miljoen ton – is echt duurzaam. Of je duurzaam vaart op methanol hangt dus af van hoe de methanol geproduceerd is. Voordeel is wel dat je met dezelfde tank verschillende soorten methanol kunt mengen, en zo steeds groener zou kunnen varen met hetzelfde schip. En dan nog een dingetje met de motor: voor de ontsteking van methanol is een dieselmotor nodig, en bij die verbranding komen – daar zijn onze vijanden weer – stikstofoxiden en CO₂ vrij. </p>
<p>Of <em>ammoniak</em>. Op het eerste gezicht is het de perfecte opvolger van bunker (stook-)olie: er komt bij verbranding geen koolstofdioxide (CO₂) vrij, het kan vrij gemakkelijk gekoeld  worden vervoerd, én het is ook nog eens relatief goedkoop. Ammoniak wordt al volop gebruikt in andere sectoren, bijvoorbeeld voor industriële koeling, kunstmest of in schoonmaakmiddelen. Wereldwijd zijn er in havens grote opslagfaciliteiten voor ammoniak. En er zijn dus al strikte regels voor én er is ervaring met het gebruik. Geen uitstoot van CO₂, maar wel stikstofoxide (NO<em>x</em>) en lachgas (N₂O). Stikstofoxiden zijn luchtverontreinigend. Op zee geen ramp, maar wel een probleem langs de kust – vooral de Nederlandse– en in andere kwetsbare gebieden. Op die plekken leidt een verhoogde concentratie van stikstof tot verzuring van de bodem. Lachgas, een zeer sterk broeikasgas, is een nog deprimerender verhaal: het is waar dan ook schadelijk. Bovendien is ammoniak zeer giftig. Bij hevige blootstelling perforeert het je maag, verscheurt het je slijmvliezen en bijt het je ogen weg. Een dampwolk van ammoniak in de haven, dat wil je niet. Je ziet de rampenfilm al voor je. Hoe vervoer je dat veilig op een schip? Ammoniak wordt momenteel ook niet duurzaam geproduceerd.  Bovendien is de infrastructuur er nog lang niet om op grote schaal ammoniak te tanken in havens.</p>
<p>Een ander alternatief, <strong><em>waterstof</em></strong>. Waterstof wordt wel gezien als de beste schone brandstof voor schepen. De verbranding ervan in een brandstofcel stoot geen broeikasgassen of andere vervuilende stoffen uit, alleen waterdamp en warmte. Als je waterstof verbrandt in een motor, komen er nog steeds geen broeikasgassen vrij, maar wel… heb je ze weer: stikstofoxiden. Daarom zijn brandstofcellen met waterstof het schoonste alternatief voor lange vaarroutes. Ook fijn: waterstof is in theorie oneindig op te wekken. Toch zijn rederijen terughoudend. Schepen kunnen waterstof vervoeren als vloeistof of in gasvorm, maar het spul is zwaar explosief. Het kleinste vonkje of beetje frictie kan de stof al laten ontbranden. Daarbij moet het in vloeibare vorm worden gekoeld tot min 253 graden Celsius. Waterstof is goedkoop te produceren, maar juist dat koelen maakt het goedje stukken duurder. En waterstof neemt, zelfs in vloeibare vorm, veel meer ruimte in dan bunkerolie. Bovendien geldt ook voor waterstof: het is pas duurzaam als de waterstof met groene energie wordt opgewekt. En precies daar is nu een schrijnend gebrek aan. Vrijwel alle huidige waterstof is gemaakt uit fossiele brandstoffen.</p>
<p>Tot slot <em>batterijen</em>: die zouden prima kunnen werken voor korte afstanden, maar wil je ermee van Rotterdam naar Shanghai varen dan is de gedachte dat je er je hele schip mee moet volhangen, en kan je geen containers meer meenemen. Voor binnenvaartschepen op rivieren en kanalen zijn batterijen een prima toekomstplan. Sterker nog, de eerste elektrische binnenvaartschepen bestaan al. Tijdens het laden en lossen op hun diverse stops kunnen de schepen hun stekker aan wal inpluggen. Daar moeten natuurlijk wel stopcontacten  voor zijn en een schip moet helemaal worden (om)gebouwd voor elektrische aandrijving, maar toch: het is relatief veilig, makkelijk en op de lange termijn goedkoop. Ook voor veerboten, vissersboten en andere schepen die korte afstanden varen is het ideaal. Maar stel, je wil van Rotterdam naar Shanghai varen, dan lijken batterijen vrij hopeloos. Je zou het hele schip ermee moeten volhangen om zo’n afstand te kunnen varen, waardoor je geen ruimte meer overhoudt voor goederen, zo wordt vaak gesteld. Maar met een elektrisch schip heb je veel minder vermogen nodig. Besparingen met een factor 10 ten opzichte van het dieselvermogen zijn mogelijk. De grootste <em>’standaard’</em> elektromotor is 20MW. Met twee van die monsters kan je prima een HAL cruiseschip (inclusief het hotelbedrijf) varen (en dat gebeurt dus ook). De hoofdmotor eruit. Dan heb je bijna een lege machinekamer. Ruimteprobleem opgelost. Een permanente magneet (PM) elektromotor rechtstreeks op de schroefas. Omvormer die gevoed wordt uit een generator en een accubank. De accubank als container. Kan met een container. Ideale oplossing voor containerschepen! Gebeurt ook al! (<a href="https://zeroemissionservices.nl">https://zeroemissionservices.nl</a>)</p>
<p>De batterijen kan je als ballast, dus laag in het schip plaatsen – ballast heb je als schip sowieso nodig. Andere, ondersteunende oplossingen zijn: economische vaart, energie uit de golven halen onderweg in plaats van flink te stampen, rustig manoeuvreren, e.d., dan heb je minder zware motoren nodig. Uitwijken doe je toch al door stuurboord uit te gaan in plaats van vol achteruit. Je kan voorts enorm veel energie besparen door slimmer te verwarmen en koelen, en het roer voorzien van een elektromotor (voorbeeld Stena lines Ierland, alles elektrisch. Of de nieuwe boot van Damen voor Waternet. Ook alles elektrisch). De ontwikkeling van batterijen gaat voorts steeds sneller, met meer vermogen, minder verlies en steeds beter beschikbare grondstoffen. Lithium kan gewonnen worden uit zeewater voor 5 euro per kg. Kobalt hoef je niet te gebruiken in een accu. Gewoon nikkel werkt ook. Wordt het ietsje groter van. De rest kan elektrisch. De Nul, een groot Belgisch baggerbedrijf heeft nog een mooie truc uitgehaald. Een 30MW baggerschip. Alles met hoogspanning dus hoog rendement en klein. Elektrisch met accu’s en een stekker voor naar de transformator van de windmolens! In dit soort ontwikkelingen zit de duurzame toekomst van de scheepvaart. Uiteraard moeten de batterijen dan wel geladen zijn met groene stroom.</p>
<p>De lijst hierboven is niet uitputtend. Zo zijn er experimenten om schepen aan te drijven met wind, zodat ze minder of zelfs helemaal geen brandstof hoeven te gebruiken (<a href="https://windenergie-nieuws.nl/18/bureau-veritas-geeft-principiele-goedkeuring-voor-deels-op-wind-voortgestuwd-containerschip/">https://windenergie-nieuws.nl/18/bureau-veritas-geeft-principiele-goedkeuring-voor-deels-op-wind-voortgestuwd-containerschip/</a>).</p>
<p> </p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Eerlijke belastingen</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2023/10/03/eerlijke-belastingen/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 03 Oct 2023 11:33:06 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1598</guid>

					<description><![CDATA[We voeren een geheel nieuw belastingstelsel in. Het huidige stelsel loopt vast in zijn complexiteit en decennia verwaarloosde ICT. De inkomsten van het Rijk dreigen&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[


<h2><a name="_Toc144385430"></a></h2>
<ol>
<li>We voeren een geheel nieuw belastingstelsel in. <strong>Het huidige stelsel loopt vast in zijn complexiteit en decennia verwaarloosde ICT</strong>. De inkomsten van het Rijk dreigen daardoor acuut in gevaar te komen. Alleen daarom al is een nieuw, eenvoudiger stelsel een urgente prioriteit. Een nieuw stelsel moet eenvoudig uitvoerbaar zijn, eenvoudig te begrijpen en te hanteren zijn voor belastingplichtigen en handhaafbaar zijn – nu staat ook de rechtmatigheid van steeds meer belastingplichten ter discussie en is de mate van ontwijking en ontduiking zorgwekkend hoog. Mede daardoor is ons land wel degelijk een belastingparadijs voor velen die elders in de wereld belasting ontwijken – met name arme landen hebben hier zwaar onder te leiden. En de Dienst Toeslagen bij de Belastingdienst overtreedt veelvuldig en systematisch de wet, en vertrapt de juist de meest precaire burgers met discriminatoire algoritmes en intimidatie, de plegers blijven zonder strafvervolging en de slachtoffers staan naar decennia onrecht nog steeds groten- en merendeels zonder herstel, schadeloosstelling en genoegdoening.</li>
<li>Maar er is meer mis met ons belastingstelsel. Het is ook in hoge mate onrechtvaardig, want denivellerend – <strong>de zwakste schouders dragen de zwaarste lasten</strong>. Dat komt vooral door veel lagere tarieven op (inkomen uit) kapitaal en bedrijf dan op inkomen uit arbeid, en ook door de vele vrijstellingen, aftrekposten en andere regelingen die vooral ten goede komen aan de rijksten in ons land – naast dat ze ook de complexiteit enorm vergroten, en de transparantie en handhaafbaarheid enorm verminderen. We willen de enorme onverdiende ongelijkheid in inkomen en vermogen in ons land verkleinen door <strong>fiscale herverdeling</strong>. Daarnaast willen we <strong>fors hogere belastingopbrengsten</strong> om hogere uitgaven voor de publieke sector en de sociale zekerheid te financieren – een sterke, activistische overheid die burgers beschermt, emancipeert, verheft en verbindt helpt de ongelijkheid enorm te verkleinen.</li>
<li>In de tweede plaats moeten we een eind maken aan de enorm doorgeslagen <strong>individualisering van collectieve lasten</strong>, met name in de zorg en de kinderopvang. Inmiddels wordt een groot deel van onze publieke zorg en kinderopvang gefinancierd met individuele bijdragen: aparte premies, eigen risico en eigen bijdragen, die met fiscale toeslagen weer deels gecompenseerd worden. Deze toeslagen hebben weer een eigen, schrijnende problemen, zoals bleek bij het Toeslagenschandaal. We moeten de toeslagen voor kinderopvang en zorg structureel vervangen door volledig collectieve financiering van alle publieke kinderopvang en publieke zorg (de basiszorg in de ZVW, en alle zorg in de WLZ, WMO, AWBZ en Jeugdzorg) uit de belastingopbrengst.</li>
<li>En het belastingstelsel organiseert voor met name bij mensen die hun inkomen geheel of grotendeels uit arbeidsloon verdienen een enorme <strong>armoedeval</strong> (waarin bruto extra inkomen nauwelijks leidt tot extra besteedbaar inkomen, vooral bij de lagere middeninkomens), hetgeen negatief werkt als prikkel om (meer) te gaan werken. Dat komt vooral door inkomensafhankelijke fiscale toeslagen en door inkomensafhankelijke belastingkortingen. We moeten af van de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen, en in plaats daarvan meer progressieve tarieven invoeren.</li>
<li>Het belastingstelsel moet ook <strong>vergroenen</strong>, we beëindigen subsidie op fossiele energie en op vervuilende, biodiversiteit bedreigende en niet-circulaire bedrijvigheid. En we organiseren de transitie zo min mogelijk met subsidies, maar zoveel mogelijk met normering en beprijzing.</li>
<li>De <strong>doelstellingen van een nieuw belastingstelsel</strong> zijn dus:</li>
</ol>
<ul>
<li><em>eenvoud</em> in combinatie met transparantie en handhaafbaarheid,</li>
<li><em>rechtvaardige</em> inkomens- en vermogensverhoudingen (nivellering), samen gaand met verschuiving van belasting op arbeid naar op kapitaal en vervuiling,</li>
<li><em>fors hogere belastingopbrengsten voor financiering van een sterke publieke sector en sociale zekerheid</em>,</li>
<li><em>collectieve financiering van collectieve dienstverlening</em> in plaats van fiscale toeslagen die individuele financiering moet compenseren, waarbij die collectieve financiering niet meer verloopt via aparte premies (volksverzekeringen, ZVW) maar via eerlijke belastingen,</li>
<li>de <em>armoedeval</em> voor de lagere middeninkomens substantieel te verminderen, én</li>
<li>de <em>duurzaamheidstransities</em> (klimaat, biodiversiteit, circulariteit) te ondersteunen en tenminste niet te belemmeren op een rechtvaardige manier (hoogste lasten voor de grootste vervuilers, lusten eerlijk verdelen).</li>
</ul>
<ol start="7">
<li>De huidige <strong>patstelling</strong> waarin niets veranderd kan worden vanwege de risico’s voor de uitvoering en de belastingopbrengsten moet doorbroken worden. Want niets doen geeft net zoveel en steeds grotere risico’s en laat de ongelijkheid en onrechtvaardigheid doorgroeien. Er moet daartoe met de hoogste prioriteit een <strong>transitieplan</strong> gemaakt worden, dat zeker twee kabinetsperioden zal beslaan. Dat plan moet aan het eind van die twee perioden – rond het jaar 2030 – de hierboven genoemde doelstellingen realiseren, technisch uitvoerbaar zijn zonder te grote risico’s, en zich begeven binnen <strong>harde grenzen voor inkomenseffecten</strong>: mensen met inkomen uit loonarbeid of een uitkering tot anderhalf modaal gaan er op vooruit, die tussen anderhalf en tweemaal modaal er tenminste niet op achteruit. Deze garanties worden gegeven met inbegrip van andere maatregelen, zoals hogere (minimum- en publieke) lonen, daaraan gekoppelde uitkeringen (zie bijlage 1 – Werk en inkomen) en lagere vaste lasten (huur, energie, zorg, kinderopvang, openbaar vervoer) die voortvloeien uit dit plan.</li>
<li>Het nieuwe belastingstelsel betekent <strong>per saldo een forse, gerichte lastenverzwaring</strong>, die neerslaat bij hogere inkomens (vanaf tweemaal modaal) en grote vermogens, en bij grote vervuilers, zowel bij huishoudens als bij bedrijven – <strong>we halen het geld waar het (in overvloed) zit</strong>. Deze opbrengst gaat naar versterking van de publieke sector en de volkshuisvesting, verlaging van lasten en verhoging van inkomen voor lagere en middeninkomens.</li>
</ol>
<p>De <strong>hoofdlijnen</strong> van het nieuwe belastingstelsel zijn als volgt:</p>
<p><strong><em>Inkomsten- en loonbelasting, premies volksverzekeringen</em></strong></p>
<ol start="9">
<li>Er komt een veel eerlijker, solidaire en eenvoudige inkomsten- en loonbelasting. <strong>Inkomens worden sterk progressief belast – hoe hoger het inkomen, hoe hoger het tarief.</strong> De sterkste schouders dragen nadat dit decennia anders werd, weer opnieuw de zwaarste lasten. Voor de lage en middeninkomens komen er meer schijven, met lagere tarieven dan nu. Voor hogere inkomens komen er hogere tarieven. De tarieven worden zo vastgesteld dat ze passen in het uitgangspunt voor de inkomenseffecten (zie hiervoor onder 7).</li>
<li><strong>Alle inkomen uit arbeid, uit vermogen en uit eigen bedrijf wordt belast, op gelijke wijze.</strong> Het boxenstelsel wordt daarmee volledig afgeschaft.</li>
<li>Er zijn <strong>geen vrijstellingen, kortingen of aftrekposten meer</strong>. De tarieven worden daarmee effectief. We schrappen daarmee de arbeidskorting (werk moet niet op kosten van de belastingbetaler, maar op die van werkgevers lonen, en we verhogen fors het minimumloon en publieke lonen), de ouderenkortingen (de ouderdomsvoorzieningen moeten zelf hoog genoeg zijn en daar zorgen we voor), de algemene heffingskorting, de combinatiekorting, maar ook alle aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek en conform het advies van de commissie Borstlap de ondernemersaftrek op winst en verlies uit onderneming en de zgn. ondernemingsfaciliteiten. Dus de ondernemersaftrek op winst en verlies uit onderneming vervalt (dit betreft de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, meewerkaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, stakingsaftrek), en de zgn. ondernemingsfaciliteiten vervallen (dit betreft de mkb-winstvrijstelling, landbouwvrijstelling, milieu-investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving milieu-investeringen, kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, energie-investeringsaftrek, en herinvesterings-reserve). Ook schrappen we de mogelijkheid voor zelfstandigen om te lenen van de eigen BV (incl. eigen woningschuld) en schrappen we de doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon bij Directeur-Groot-Aandeelhouders (DGA’s). Dit gaat bij elkaar om groot geld (met het afschaffen van al deze belastingfaciliteiten spelen we 150 miljard euro per jaar vrij!) die de risico’s van ondernemerschap en de lasten van bedrijfsinvesteringen ten onrechte bij de belastingbetaler leggen, en de ongelijkheid enorm vergroot. Ook leiden ze tot forse uitholling van de financiering van de sociale zekerheid en van de collectieve voorzieningen. Met de afschaffing van deze ondernemers- en ondernemingsfaciliteiten wordt ook de vervanging van milieusubsidies naar beprijzing en normering van vervuiling ondersteund.</li>
<li><strong>Bij inkomen telt voor de belastingheffing alles mee, ook de waardevermeerdering van bezit</strong>. Alleen bij de zelf-bewoonde eerste eigen woning wordt er pas afgerekend bij verkoop. Er wordt niet langer gewerkt met fictieve, maar met <strong>werkelijke rendementen</strong>. De Directeur-Groot Aandeelhouder (<strong>DGA) wordt direct belast</strong> over de winst van zijn vennootschap &#8211; de huidige mogelijkheden om inkomen en dus belastingheffing (schier eindeloos) uit te stellen vervallen daarmee. We <strong>stoppen ook met alle fiscale subsidiëring van schulden</strong> &#8211; we staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd nul euro. <strong>De vrijstelling van pensioenen in de derde pijler (lijfrentes e.d.) vervalt. </strong>De omkeerregeling blijft (je betaalt over je collectief aanvullend pensioen (2<sup>e</sup> pijler) pas belasting wanneer het uitgekeerd wordt, niet daarvoor over je opgebouwde pensioenaanspraken).</li>
<li>Bij de nieuwe tarieven worden <strong>de huidige premies voor volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) en de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke zorgpremie (ZVW) geïntegreerd</strong>. Een deel van de financiering van de AOW/ANW en de zorg (nu WLZ/ZVW) gaan we ook financieren door verhogingen van belastingen op kapitaal. Dat zorgt bij elkaar voor een breder en eerlijker financiering, en maakt het stelsel nog een stap eenvoudiger. We gaan zorg volledig publiek organiseren via publieke regionale zorgkantoren. Verzekeraars en gemeenten spelen in de financiering voor de publieke zorg geen rol meer (met uitzondering van de aanvullende, niet publieke zorg – die blijft bij verzekeraars, en de GGD blijft bij gemeenten). Zorgaanbieders moeten non-profitorganisaties zijn, winstuitkeringen worden Zorg wordt niet meer ingekocht of aanbesteed, maar er zijn duurzame subsidierelaties, vergelijkbaar met hoe we dat in het onderwijs organiseren. De collectieve zorguitgaven worden beperkt door scherpere poortwachterfunctie voor dure zorg, meer samenwerking en afstemming, veel minder bureaucratische verantwoording maar professionele autonomie, veel minder bekostiging op basis van aantal verrichtingen, verdere beteugeling van de macht van farmaceutische industrie, en veel meer echte preventie.</li>
</ol>
<p><strong><em>Fiscale toeslagen</em></strong></p>
<ol start="14">
<li>Collectieve financiering van publiek gefinancierde zorg betekent <strong>afschaffing van de zorgtoeslag, de zorgpremies, het eigen risico en eigen bijdragen in de zorg.</strong> Zo nodig faseren we dat over twee kabinetsperioden in de zorg, bijv. met eerst een halvering van de premie, afschaffing van het eigen risico en beperking van eigen bijdragen en dienovereenkomstige verlaging van de zorgtoeslag. Dit geldt voor het (met tandheelkundige en mondzorg, geïndiceerde fysiotherapie en andere paramedische behandelingen, anticonceptie en bewezen effectieve preventieve behandelingen uit te breiden) basiszorgpakket in de ZVW, de WLZ, de WMO en de Jeugdzorg. Het CAK verdwijnt.</li>
<li>Voor de kinderopvangtoeslag willen we komen tot <strong>volledig collectief gefinancierde publieke kinderopvang</strong> voor alle ouders (zonder werkentoets, zonder eigen bijdrage, en dus geen kinderopvangtoeslag meer). De kinderopvang wordt daartoe geïntegreerd in het onderwijs, inclusief de voorschool, en met een verrijkte, langere schooldag.</li>
<li>We geven een harde garantie dat <strong>zorg- en kinderopvangtoeslag </strong>niet eerder afgeschaft wordt dan dat de volledige afschaffing van premies, eigen risico en eigen bijdragen is gerealiseerd. Vooruitlopend daarop gaan we voor het berekenen van de toeslagen uit van het inkomen in het voorafgaande belastingjaar om terugvorderingen te voorkomen, tenzij de aanvrager zelf aangeeft dat zijn inkomen in het lopende jaar daarvoor teveel verlaagd is. Ook gaan we inkomens die volgens gegevens van Belastingdienst recht hebben op toeslagen daar op wijzen.</li>
<li>Voor wat betreft de <strong>huurtoeslag</strong> willen we een nieuwe regeling voor huursubsidie in het leven roepen die de huurtoeslag vervangt. Deze wordt verstrekt door ministerie van Volkshuisvesting. De nieuwe huursubsidie beperkt de individueel op te brengen huurlasten tot een wettelijke huurquote – het percentage van je netto-inkomen dat je maximaal zelf betaalt aan huurlasten. Voor inkomens tot modaal stellen we deze huurquote vast op een kwart en daarboven tot anderhalf modaal op een derde. We geven een harde garantie dat we de huurtoeslag pas afschaffen als deze nieuwe regeling verantwoord is ingevoerd. We zorgen dat de uitgaven aan huurtoeslag beperkt worden door <strong>lagere huren</strong> door middel van regulering met het te moderniseren puntensysteem van alle huren, een totaal verbod op flexhuur en afschaffing van inkomensafhankelijke huren/passend wonen. We vervangen doelen voor middenhuur (veel te duur!) door betaalbare huur. We stoppen met alle fiscale subsidie voor koopwoningen – de hypotheekrenteaftrek wordt versneld afgeschaft samen met het eigenwoningforfait, waardestijging woningbezit telt mee als vermogen, maar wordt wat betreft de eigen bewoonde (eerste) woning pas afgerekend bij verkoop of vererving.</li>
<li>We pakken speculatie en leegstand hard aan, voeren linkse grondpolitiek en bouwen als gemeenten zelf als marktpartijen het te weinig doen. Woningcorporaties worden weer maatschappelijke organisaties met zeggenschap van huurders. Er komt beter wijkbeleid, en de Rotterdamwet wordt vervangen door een Bloemendaalwet (rijke gemeenten moeten voldoende armere inwoners toelaten). Er komt een aparte <strong>huisjesmelkerstaks</strong>: een extra belasting voor iedereen die meer dan twee huizen bezit. En een aparte <strong>leegstands- en braakliggingsbelasting</strong> voor onroerend goed dat niet gebruikt wordt, als ook een <strong>planbatenheffing</strong> op waardestijging van de grond als de bestemming veranderd – de opbrengst is voor gemeenten ten behoeve van uitsluitend meer (sociale) woningbouw. Gemeenten moeten gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust kunnen opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten. Het <strong>voorkeursrecht</strong> voor aankoop van onroerend goed door gemeenten wordt daartoe uitgebreid door agrarisch gebied daaraan toe te voegen en de vergoeding te baseren op de gebruikswaarde van de grond in plaats van zoals nu op de marktwaarde in vrij economisch verkeer. Ook de <strong>onteigening</strong> door overheden van onroerend goed in het algemeen belang wordt eenvoudiger gemaakt, en goedkoper door ook hier bij de vergoeding uit te gaan van de gebruikswaarde van de grond. Bij <strong>langdurige leegstand</strong> moet de gemeente woningen en andere gebouwen kunnen vorderen en voor bewoning geschikt maken en verhuren op basis van de Leegstandswet. We verbieden daarbij gebruiksovereenkomsten (antikraakwonen). <strong>Kraken</strong> maken we weer legaal bij langdurige leegstand. <strong>Gemeenten moeten verplicht grond tegen lagere prijzen dan marktprijzen verkopen aan woningbouwcorporaties</strong>, teneinde lage huren mogelijk te maken. Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren.</li>
<li>De <strong>woningcorporaties krijgen weer subsidie in plaats van belastingen</strong> (met prestatieafspraken) en krijgen ook gemeenten meer geld en instrumenten om zelf woningen te bouwen, met een gemeentelijk bouwbedrijf. De winstbelasting (incl. bijdrage ingevolge Europese richtlijn ATAD1) wordt voor corporaties afgeschaft en vervangen door een forse, structurele rijkssubsidie van miljarden euro’s. Deze krijgen ze met <strong>verplichtingen</strong> voor voldoende bouw van betaalbare huurwoningen, waarbij inkomens tot anderhalf modaal toegang krijgen tot sociale huurwoningen, voor renovatie, verbetering en verduurzaming van hun woningen (met speciale aandacht voor het ook levensloopbestendig maken), en voor lagere huren. Corporaties mogen hiermee ook weer investeren in woningen voor middeninkomens (<em>‘services for only the poor, are mostly poor services’</em>) en in wijkvoorzieningen. En we moeten en een <strong>verevening</strong> uitvoeren tussen woningcorporaties opdat reserves aangewend kunnen worden waar de grootste opgaven bestaan.</li>
<li>We willen woningbezit niet meer bevorderen via de fiscus, maar <strong>voor lage en middeninkomens komt er wel een subsidie. Die willen we niet meer op basis van leningen, maar op sparen</strong>. Als je de woonlasten structureel wil verlagen en meer stabiel wil maken moet je in de eerste plaats stoppen met de <strong>overmatige subsidie aan woningbezit</strong>. Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Het CPB schat dat de huizenprijzen met 15% dalen als we stoppen met de Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf. Bovendien subsidiëren we woningbezit door schuldsubsidie. Nergens anders in de wereld is woningbezit zo verbonden met grote, vaak ook risicovolle, schulden. Tijdens de crisis van 2008-2012 stonden zo’n 50% van de hypotheken onder water. De subsidie maakt dat het voordeliger is om voor een huis te lenen dan om te sparen. Huishoudens in Nederland hebben met woningbezit en behorend tot inkomens in de laagste helft van de inkomensverdeling hebben daardoor weinig spaargeld, en zijn zeer kwetsbaar bij financiële tegenvallers – het geld zit vast in het huis, en is dus niet liquide beschikbaar bij pech en tegenvallers. En dat is weer een risico voor onze economie, met een veel te grote financiële sector, zoals bleek in 2008-2012. Helaas is er niets van geleerd. De regeling maakt bovendien dat het onaantrekkelijk is voor ouderen om hun huis te verkopen en bijv. kleiner te gaan wonen, hetgeen de doorstroming op de woningmarkt belemmert. Voorts veroorzaakt de fiscale subsidie van woningbezit de ongelijkheid in tijden van geen crisis enorm. De scheidslijn met huurders is gigantisch wat betreft vermogen. Het ministerie van Financiën schreef in 2022: <em>“</em><em>De huidige fiscale eigenwoningregeling is sterk denivellerend omdat in praktijk herverdeling plaatsvindt van huishoudens zonder eigen woning of met een relatief goedkope woning naar huishoudens met dure woningen, hoge hypotheeklasten en een hoog inkomen.”</em> (IBO Onderzoek Vermogensongelijkheid). Dat wreekt zich in toenemende mate met name bij starters op de woningmarkt. De subsidie aan woningbezitters bedraagt ca. 7 maal zoveel als aan de subsidie van huurders. De subsidie aan woningbezitters bestaat uit de <strong>hypotheekrenteaftrek</strong>, waardoor woningbezitters hun belasting aanzienlijk kunnen verlagen, uit het <strong>eigen woningforfait</strong> waarmee woningbezitters zo’n 7 maal minder belasting betalen dan over vermogen in box 3, en de <strong>verkoopwinst van de eigen woning</strong> wordt in het geheel niet belast. Bij elkaar zo’n 21 miljard euro per jaar aan fiscale subsidie aan woningbezitters. Daarenboven worden huurinkomsten voor een belangrijk deel niet of zeer laag belast! Huurders ontvangen slechts een magere huurtoeslag, en daarvan moet eigenlijk nog worden afgetrokken de belastingen die op sociale verhuur worden geheven. Per saldo nog geen 3 miljard euro per jaar subsidie aan huurders. Een verschil van 18 miljard euro per jaar! De hypotheekverstrekker gaat het risico dragen voor onderwater staan van woningen – bij inleveren onderpand (de woning) vervalt de restschuld. Dat zal kredietverstrekkers voorzichtiger maken en samen met het vervallen van de fiscale subsidie zal de hypotheekmarkt veel kleiner worden, met minder risico’s voor huishoudens en de samenleving als geheel. Tegelijkertijd maken we een subsidieregeling voor deze vorm van sparen voor woningbezit voor lagere en middeninkomens. <strong>Sparen voor woningbezit is veel beter dan daarvoor lenen.</strong> Het is idioot dan jongeren denken dat woningbezit iets is als een normaal recht aan het begin van je loopbaan. Voor jongeren en voor iedereen gaan we betaalbare huur regelen, maar  we gaan ook sparen voor woningbezit voor lagere en middeninkomens mogelijk maken met een <strong>wettelijke opdracht aan de pensioenfondsen dat zij investeren in woningen voor hun deelnemers</strong>. Deze deelnemers kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld maximum deel van hun premie te gebruiken voor het sparen voor de koop van hun woning, die tot dan eigendom blijft van het pensioenfonds, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Bij waardeoverdracht tussen pensioenfondsen blijven de opgespaarde rechten in stand. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Om de ongelijkheid te bestrijden worden hogere inkomens van deze regeling uitgesloten.</li>
<li>Het <strong>kindgebondenbudget</strong>, de laatste inkomensafhankelijke fiscale toeslag, integreren we in de inkomensonafhankelijke kinderbijslag. Daarbij vindt geen bezuiniging plaats. De denivellerende effecten hiervan worden ongedaan gemaakt in de progressieve belastingopbrengsten.</li>
</ol>
<p><strong><em>Kapitaalbelastingen (winst, dividend, miljonairs, erfenis, etc.)</em></strong></p>
<ol start="22">
<li>We <strong>verhogen de belastingen op kapitaal</strong>. De verhouding tussen de opbrengst van de inkomstenbelasting en die van andere belastingen, met name die op kapitaal, moet fors veranderen – het grootste deel (zo’n 60%) moet uit andere belastingen komen.</li>
<li>Er komt een aparte, progressieve belasting voor zeer grote vermogens (de <strong>miljonairstaks</strong>).</li>
<li>Er komen <strong>sterk progressieve, hogere belastingen voor winst en dividend</strong>. Ook in al deze kapitaalbelastingen zijn er geen vrijstellingen, kortingen of aftrekposten meer. Indien bedrijven vertrekken naar goedkope belastingparadijzen moeten ze een exit belasting betalen conform het initiatief wetsvoorstel daarover van GroenLinks. We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze kapitaalbelastingen. In plaats van dat bij de winstbelasting het tarief afhankelijk is van het aantal werknemers van een bedrijf, maken wij er een progressieve winstbelasting van, oftewel een belasting waarvan het tarief toeneemt naarmate de winst hoger is – dit leidt voor het kleinbedrijf vaak tot lagere en voor midden- en grootbedrijf vaak tot hogere tarieven. Daarenboven voeren we een <strong>extra heffing in op winst die niet geïnvesteerd wordt</strong>, maar bijvoorbeeld wordt opgepot of gebruikt voor het opkopen van eigen aandelen. En we gaan voor de bepaling van de winst een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren – nu worden leningen en schulden onterecht bevoordeeld. We pakken de ontduiking via <strong>dividendstrippen</strong> (het via buitenlandse constructies vermijden van belasting) hard en effectief aan.</li>
<li>We wijzigen ook de <strong>erfenis- en schenkingsbelasting</strong> waarbij iedere Nederlander het recht krijgt om gedurende zijn leven bijv. 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen belastingvrij te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast: bijv. de eerste 500.000 euro met 40%, alles daarboven met 60%. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers (BOR) wordt eveneens geschrapt. De romantisering van familiebedrijven als sociale entiteiten berust op sprookjes – erfenissen zijn een voorname veroorzaker van onrechtvaardige (= niet op eigen verdiensten verkregen) ongelijkheid. Teneinde acuut faillissement te voorkomen zijn bij vererving van bedrijven betalingsregelingen mogelijk. Bij vererving en overdracht van een bedrijf aan de werknemers geven we wel korting of vrijstelling. Eveneens wordt de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR) geschrapt.</li>
<li>We voeren naar Frans voorbeeld een aparte belasting in op digitale diensten (<strong>Digitaks</strong>).</li>
<li>Banken dragen nog steeds te weinig bij aan de overheidsfinanciën, daarom <strong>verhogen we de bankenbelasting</strong>, en die voor zakenbanken extra. Daarnaast voeren we in Europees verband een <strong>belasting in op speculatieve transacties met aandelen</strong> (Financial Transaction Taks – FTT – of ook wel Tobin-tax genaamd).</li>
</ol>
<p><strong><em>Energie- en uitstootheffingen, OV-tarieven, accijnzen, BTW</em></strong></p>
<ol start="28">
<li>We gaan voorts het <strong>regressieve energiebelastingstelsel vlakmaken</strong>. Met een vlak belastingtarief op aardgas betalen bedrijven eerlijk mee aan de energietransitie, wordt onnodige energiearmoede voorkomen en krijgen bedrijven ook een terugverdienmodel, mocht de gasprijs weer gaan dalen. Ook de belasting op elektriciteit gaan we vlak en eerlijk maken. Huishoudens en MKB gaan er door onze maatregelen op vooruit. Voor huishoudens is er een directe lastenverlichting van circa 600-800 euro per jaar mogelijk. Daarenboven vervalt de oneerlijke Opslag Duurzame Energie (ODE) in de energiebelasting – hiermee betalen huishoudens nu de subsidies aan vooral het bedrijfsleven. We maken tegelijkertijd een einde aan alle vrijstellingen van energiebelastingen, zoals de vrijstellingen voor energie-intensieve processen, de zogenoemde inputvrijstellingen energie- en kolenbelasting voor energieopwekking en de inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal gebruik, en aan de kortingen voor energiebelasting (glastuinbouw) en van belasting op kerosine (luchtvaart) en gaan fossiele brandstoffen in lucht- en scheepvaart veel zwaarder belasten. We schrappen voor 2030 alle fiscale subsidies op fossiele energie (ruim 40 miljard).</li>
<li>De <strong>energievoorziening van de toekomst voor huishoudens</strong> gaat bestaan uit lokale systemen, <em>loosely </em>gekoppeld met het nationale energiesysteem. Geen beleid gericht op stimulering van ‘warmtepompen’ maar liever sturen op optimalisatie van het achterliggende doel (radicale CO₂ reductie). Aardgas is daarin uitgefaseerd. We stimuleren <strong>lokale productie van energie</strong>. Voor 2035 maken we de energieleverantie aan huishoudens een zaak van uitsluitend <strong>energiecoöperaties</strong> in handen van de huishoudens die deze energie ontvangen (en zoveel mogelijk ook leveren). Daarbij worden wettelijke regels gesteld voor duurzaamheid, leveringszekerheid, prijsstabiliteit en bestemming eventuele winst. Daken van openbare gebouwen worden verplicht ter beschikking gesteld aan deze coöperaties voor opwekking duurzame energie. We stimuleren ook voldoende opslagcapaciteit voor de korte termijn en seizoensopslag van elektriciteit en warmte. We zorgen dat burgers zo snel mogelijk flexibiliteit kunnen leveren, kunnen handelen in energie, bijvoorbeeld met de buren, en ook samen kunnen opslaan. We organiseren en ondersteunen energiecoöperaties en scheppen mogelijkheden in de wetgeving en fysiek voor sociaal ondernemen in de wijk. Dit heeft ook een positieve impact op de lokale economie, de acceptatie van de energietransitie en het vergroot de sociale cohesie. Hierdoor <strong>verandert ook de rol van energiebedrijven</strong>, van verkopers van energie naar dienstverleners voor (groepen) burgers. Voor deze transitie wordt een snel op te stellen stappenplan gerealiseerd.</li>
<li>We versnellen het <strong>energieneutraal maken van woningen</strong>. In 2050 moeten alle wijken energieneutraal of zelfs energiepositief zijn – huishoudens betalen dan niet meer voor hun energie. Het uitgangspunt is dat de totale energiebehoefte van de wijk zo laag mogelijk is (warmte, elektriciteit, koeling en lokale mobiliteit). Op die manier kunnen met elkaar samenhangende lokale energiesystemen worden opgezet. In principe is in 2050 elk gebouw energiearm en uitgerust met een warmtevoorziening en koeling. De gebouwen worden slim aangestuurd op basis van data. Zo wordt alle opgewekte energie zo efficiënt mogelijk ingezet. Elektrische auto&#8217;s, samen met buurtaccu&#8217;s, worden gebruikt om het elektriciteitsnet te balanceren. Gebouwen spelen ook een rol bij klimaatadaptatie. Groene daken, voedsel verbouwen of recreatie op daken is normaal. Gebouwen zien er anders uit doordat natuurlijke materialen de norm zijn. We vervangen de huidige versnipperde aanpak door een aanpak waarbij al deze elementen in hun onderlinge samenhang ontwikkeld worden tot een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050. Koude, warmte, isolatie en elektriciteit voor gebouwen, openbare ruimte en mobiliteit krijgen gebiedsgericht integraal vorm. Waar mogelijk worden de verbeteringen op het gebied van energie gekoppeld aan andere opgaven in de wijk, zoals de ruimtelijke en sociale wensen.</li>
<li>We verscherpen de <strong>duurzaamheidseisen aan huurwoningen</strong>. Er komt per direct een verbod op nieuwe huurcontracten van woningen met de slechtste energielabels (C en hoger), en een verbod op huurverhoging van woningen met een label slechter dan A. Deze maatregelen worden stapsgewijs aangescherpt opdat in 2035 alle huurwoningen tenminste een A+++ label hebben en huurwoningen met de slechtste energielabels moeten in 2028 van de markt verdwijnen.</li>
<li>Het energielabel en de verduurzaming van de woning mogen geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. In plaats van duurzaamheidspunten wordt <strong>een niet-duurzame woning aangemerkt als een gebrek </strong>waarvoor <strong>huurkorting</strong> Huurders van nog niet voldoende geïsoleerde woningen (label B en slechter) krijgen een wettelijke korting op de feitelijk betaalde huur van een kwart van de huurprijs van 75 euro per maand per slechter label-stap (dus label C 150 euro korting, etc.), zodat verhuurders een prikkel krijgen voor verduurzaming. Woningcorporaties krijgen daarvoor compensatie mits men tijdig verduurzaamt (overigens zijn de meeste huurwoningen met een slecht energielabel in handen van commerciële verhuurders). Er komen bindende afspraken met corporaties en andere verhuurders voor het energieneutraal maken van 200.000 woningen per jaar, te beginnen bij de woningen met de slechtste energielabels (meestal bij de meest armste huishoudens), met voldoende geld uit het Klimaatfonds.</li>
<li>Ook voor <strong>woningbezitters</strong> moeten er <strong>versneld strengere eisen aan energielabels</strong> voor deze woningen komen. Vanaf 2025 moet elke koopwoning geïsoleerd zijn, Huizenkopers moeten verplicht hun woning binnen 2 jaar isoleren; de isolatie-eisen voor woningen moeten worden aangescherpt – een woning moet in 2030 minimaal energielabel B hebben. Woningeigenaren worden tegelijkertijd door een ‘<em>ontzorgloket’</em> ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning.</li>
<li>Huishoudens met een eigen woning krijgen de mogelijkheid om hiervoor <strong>renteloze leningen</strong> af te sluiten bij een speciaal fonds. Er komt daarbij geen maximum bedrag (zo wordt financiering ook voor oude of grote woningen mogelijk, met hoge isolatiekosten), de looptijd wordt 30 jaar, de lening is renteloos, er is geen toetsing van kredietwaardigheid en er geldt een brede kwijtscheldingsmogelijkheid voor lage inkomens als de besparing op de energierekening lager zijn dan de terugbetaling van de lening (onrendabele top). Jaarlijks wordt de terugbetaling in dat jaar vastgesteld, gebaseerd op het inkomen van de bewoner van de woning. Iedere bewoner betaalt dus naar draagkracht: Voor de laagste 40% van inkomens in Nederland (tot ca. 95% modaal) behoeft er alleen terugbetaald worden bij reductie van de energierekening, uitgaande van de ‘kale’ gasprijs en de energiebelasting zoals die nu in 2022 geldt. De hoogste 20% inkomens (boven 1,5 modaal) moeten de hele lening terugbetalen. De groep inkomens daartussen betaalt het bedrag van de energiereductie terug plus 50% van het resterende bedrag. De renteloze lening is gebouwgebonden, dus het gaat om een lening op de woning, in de vorm van een voucher, ter waarde van de isolatie- en verduurzamingskosten voor die specifieke woning. De voucher kan enkel bij isolatiebedrijven verzilverd worden. Deze lening is alleen beschikbaar voor woningeigenaren die in hun woning wonen, inclusief VVE’s.</li>
<li>Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun <strong>WOZ-belastingtarieven</strong> lager vast te stellen bij een groener energielabel. We gaan de vaststelling en handhaving van de energielabels van woningen onafhankelijk en kwalitatief beter maken. Er komt beslist geen uitbreiding van lokale belastingen, dat zou de ongelijkheid vergroten.</li>
<li>We zorgen voor een transitie naar <strong>groene mobiliteit</strong>. We reizen in 2050 minder. En als we reizen doen we dat vaker met het openbaar vervoer, te voet en met de fiets. We verscherpen de klimaateisen in de mobiliteit. We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), in fietsen en in openbaar vervoer. De ruimtelijke ordening wordt daarop aangepast.</li>
<li>We verlagen de <strong>OV-kosten</strong> door iedere burger voor 49 euro per maand onbeperkt reizen met alle openbaar vervoer te geven, net als in Duitsland. Kinderen reizen gratis. De OV-bedrijven worden hiervoor gecompenseerd.</li>
<li>We investeren de komende 15 jaar zo’n 10 miljard per jaar extra in <strong>beter en meer openbaar vervoer</strong>. Er komen extra trein- en andere railverbindingen. In de Randstad én buiten de Randstad, meer internationale verbindingen en extra goederenlijnen. We breiden bus- en tramverbindingen fors uit en verhogen de frequenties. Er komen hoogwaardige minimum bereikbaarheidsnormen, met name ook buiten de Randstad. Deze komen in plaats van rendabiliteitsnormen. Het openbaar vervoer is een publiek goed, geen plek voor rendementsdenken. Beter openbaar vervoer impliceert ook toegankelijk (voor mensen met een beperking) en veilig (met meer conducteurs/stewards en beveiligers) openbaar vervoer. Al het openbaar vervoer moet uiterlijk in 2030 wettelijk verplicht direct toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, ook voor mensen met visuele beperking. Deze maatregelen worden mede gefinancierd uit verhoging van de belastingen op vliegen (zie bij klimaatbeleid).</li>
<li>En we maken een <strong>eind aan de marktwerking in het openbaar vervoer</strong>. We richten nog in de komende kabinetsperiode een nationaal OV-bedrijf op die alle openbaar vervoer in Nederland gaat verzorgen, zodra bestaande verplichtende aanbestedingen zijn verlopen. Bestaande OV-bedrijven kunnen daarin opgaan. Personeel krijgt aanbieding om te gaan werken bij het nieuwe staatsbedrijf, dat ook het railnet gaat beheren, met garantie van tenminste dezelfde arbeidsvoorwaarden. Aan hun concessies wordt bij verlopen ervan een einde gemaakt. Regionale en stedelijke verbindingen worden verzorgd op basis van provinciale en gemeentelijke plannen, binnen nationale kaders. In Europees verband moet er een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor Europese hogesnelheidslijnen, internationale treinen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. Het kopen van internationale treinkaartjes, die in prijs goedkoper moeten zijn dan vliegreizen, moet veel eenvoudiger worden, met vaste prijzen (niet meer afhankelijk van data waarop gereserveerd wordt).</li>
<li>We gaan ook de <strong>elektrificering van motorvoertuigen</strong> Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu. We vervangen de motorrijtuigenbelasting en de aanschafbelasting (bpm) door een systeem van rekeningrijden, gedifferentieerd naar plaats en tijd. Alle nieuwe personenauto&#8217;s die in 2030 op de markt komen, moeten van de EU 100% elektrisch zijn. Deze auto&#8217;s rijden dan op elektriciteit uit een batterij, waterstof-brandstofcel of zonnepanelen. Vanaf 2025 verplichten we daarop vooruitlopend dat alle leaseauto’s elektrisch zijn. De aanschafbelasting voor vervuilende auto’s gaat snel omhoog. We zorgen snel voor implementatie van de EU norm voor (snelle) laadpalen langs de snelwegen (iedere 60km). Auto&#8217;s op het belangrijkste Europese wegennet moeten in 2026 minstens iedere 60 kilometer kunnen worden opgeladen. Vrachtwagens en bussen moeten volgens de EU over vijf jaar om de 120 kilometer zijn op te laden langs de helft van de Europese hoofdwegen. Om de 200 kilometer moet een chauffeur in 2031 waterstof kunnen tanken. Er worden uitzonderingen gemaakt voor afgelegen gebieden, eilanden en wegen met &#8216;zeer weinig verkeer&#8217;. Betalen aan de laadpaal moet ook makkelijker en inzichtelijker worden.</li>
<li>We verscherpen ook de <strong>klimaateisen in de industrie</strong>. De grote industrie, waaronder afvalverbrandingsinstallaties, moet meer gaan betalen voor CO₂-uitstoot; verplichten aandeel gerecyclede en duurzame plastics. De industrie in Nederland (en in de rest van West-Europa) gaat veel ingrijpender veranderen dan nu veelal wordt gedacht. Voor zeer energie-intensieve bedrijven zal geen plaats meer zijn, voor zover die nodig blijven (kunstmestfabrieken kunnen we bijv. beter helemaal missen) kunnen die beter staan op plekken in de EU waar veel meer wind en zon beschikbaar is en er ook meer ruimte is. Voor het bereiken van de reductiedoelstellingen voor CO₂ is de industrie doorslaggevend. Acht van de ‘<strong>Grote Twaalf’</strong>, de twaalf industriereuzen die samen driekwart van de broeikasgasuitstoot van de hele vaderlandse industrie voor hun rekening nemen, stoten nog net zo veel of zelfs meer CO₂ uit als voor het Klimaatverdrag van Parijs in 2015. De hele industriesector kwam in de afgelopen tien jaar niet verder dan een daling van twee procent. Ter vergelijking: in diezelfde periode werd de voetafdruk van Nederlandse burgers 25 procent kleiner. We werden Europees kampioen zonnepanelen (een groei van achttienhonderd procent sinds 2013), vervingen gasketels door warmtepompen (groei: 450 procent), ruilden brandstofauto’s in voor elektrische (groei: 475 procent), en sloten massaal (75 procent van de huishoudens) een groen energiecontract af. Wij burgers zijn er ook nog niet, maar door onze massale investeringsbereidheid liggen we nu wel al een straatlengte voor op de industrie. Voor het bereiken van de reductiedoelstellingen voor CO₂ hangt veel af van de industrie. Deze zit nu op min 17 procent en heeft de grootste opgave dus nog voor zich, terwijl de meeste tijd (33 jaar) inmiddels is verstreken. Het lot van de Nederlandse klimaatpolitiek ligt in handen van een paar grote bedrijven. En die gaven tot nu toe niet thuis – hoog tijd voor <strong>minder vrijblijvend beleid</strong>! Dat gaan we afdwingen met wetgeving en beprijzing. Met een sterke en sturende inzet op circulariteit, want anders zal het niet lukken. Schijnoplossingen worden niet meer geaccepteerd, zoals bij FrieslandCampina, dat zich klimaatneutraal rekent met de onbewezen veronderstelling dat het grasland van zijn melkveehouders voldoende koolstof zal opnemen, en bij Yara, dat koolstof wil opslaan in koolzuurhoudende frisdranken – wat gebeurt er als die flesjes of blikjes worden opengemaakt? En bij de oliesector en de chemie die deels gokken op het verstoken van biomassa – onmogelijk aan te slepen uit de eigen Nederlandse natuur. Ook het afkopen van uitstootreductie door het planten van bomen wordt niet meer geaccepteerd.</li>
<li>De <strong>CO₂-uitstoot die de industrie <em>indirect</em>veroorzaakt</strong> moet verplicht worden meegenomen, niet alleen het verminderen van broeikasgassen uit hun eigen schoorstenen. Wat de industrie zelf uitstoot, maakt eigenlijk maar een kwart uit van haar totale bijdrage aan de klimaatcrisis. De andere driekwart van haar <em>carbon footprint</em> wordt veroorzaakt door onder andere mijnbouw, de productie van componenten, het transport van haar producten en de verwerking van haar afval (de grootste bron van methaan). De directe emissies zijn alleen de afdruk van haar tenen, niet van haar hele voet. Bij chemiebedrijven als Lyondell, Dow en Akzo zijn het de ingekochte grondstoffen die de meeste schade veroorzaken. Bij FrieslandCampina zijn het de koeien die de melk leveren. Bij Yara veroorzaakt de grootste uitstoot het lachgas dat uit de uitgestrooide mest opstijgt. Bij de oliemaatschappijen is de indirecte vervuiling het grootst van allemaal, door het gebruik van hun producten in auto’s en vliegtuigen. De megatonnen CO₂ die de Grote Twaalf rapporteren moeten met een factor vier moeten worden vermenigvuldigd om een eerlijk beeld te geven van de <em>werkelijke</em> impact die de industrie heeft op het klimaat. Dit is van belang omdat de grootste producenten niet alleen invloed hebben op de atmosfeer, maar ook op de economie. Zij bepalen immers ook het gedrag van hun toeleveranciers en van hun afnemers. Als ze overschakelen op een schonere productiemethode kan de rest niks anders doen dan volgen.</li>
<li>Het <strong>beleid op circulariteit wordt gekoppeld aan klimaatbeleid</strong> zodat perverse prikkels, bijvoorbeeld voor emissies in de keten, worden voorkomen. We borgen duurzaamheid en rechtvaardigheid in ketens, ook in wat je importeert. Dit geldt al voor biomassa, maar zal ook voor waterstof, ammoniak, en andere grondstoffen en halffabricaten gaan gelden. Normering voor meer gebruik van natuurlijke en circulaire materialen is onderdeel hiervan. Sterke overheidsregie, koersvastheid, daadkracht en geen vrijblijvendheid (geboden en verboden) is daar voor nodig.</li>
<li>We moeten veel meer inzetten op <strong>energiebesparing</strong>. Het potentieel daarvoor wordt veel te weinig benut. Alle nieuwe bedrijvigheid die veel extra energie nodig heeft wordt in beginsel niet meer toegelaten. We verhogen het energiebesparingsdoel voor 2030 van 32,5% naar 45%. De schoonste energie is de energie die we niet hoeven op te wekken. De transitie is alleen haalbaar bij forse energiekrimp. Dat vraagt om een economisch structuurbeleid dat gericht is op onder meer extensivering (vermindering) van energiegebruik, met name in de industrie. Er moet een Noodwet voor verplichte energiebesparing bij bedrijven komen opdat huishoudens niet verstoken worden van energie. Daarbij gaan o.m. de meest energie-intensieve bedrijven verplicht dicht, worden er maxima gesteld aan verwarming en airconditioning, moeten winkels hun deuren sluiten, wordt terrasverwarming verboden, wordt verlichting in lege gebouwen verboden, etc. Alles wordt uit de kast gehaald om energie te besparen. In plaats van convenanten moeten grote bedrijven, net als nu kleinere bedrijven al, direct wettelijk verplicht energiebesparende maatregelen nemen die zich binnen vijf jaar terugverdienen, en we gaan deze verplichting strak handhaven.</li>
<li>De huidige <strong>vrijstellingen voor grootverbruikers in de energiebelastingen</strong> Eveneens willen we een <strong>hoge CO₂-heffing en een ETS-heffing</strong>. Dit zal zonder twijfel ook leiden tot vertrek of beëindiging van sommige energie-intensieve bedrijvigheid, maar daar staat nieuwe, duurzame en slimme bedrijvigheid tegenover. De betrokken werknemers krijgen een inkomensgarantie en worden desgewenst naar ander werk begeleid. We bieden energie-intensieve bedrijven die hun CO₂-uitstoot willen terugdringen investeringszekerheid door middel van <em>carbon contracts for difference </em>(CCfD’s), die de kloof overbruggen tussen de geldende prijs van CO2-emissies en de werkelijke kosten van emissiereductie. <strong>Restwarmte-uitstoot wordt belast</strong> opdat het rendabel wordt deze te benutten.</li>
<li>Alle <strong>fossiele subsidies</strong> worden geschrapt, inclusief fiscale vrijstellingen en kortingen en kredietexportverzekeringen. Dat levert 30 miljard euro per jaar op. We verbieden ook <strong>reclame voor fossiele energie</strong>. Pensioenfondsen mogen wettelijk niet meer <strong>investeren in fossiele bedrijven</strong>. Met een grote financiële sector en de ligging in een delta is Nederland zowel financieel kwetsbaar voor klimaatverandering als in de positie om een verandering van het financiële systeem mede in gang te zetten. De overheid kan en moet die verandering stimuleren door eisen te stellen aan het kennisniveau van financiers over duurzaamheid, transitieplannen verplicht te stellen en in het toezicht tegenover klimaat gerelateerde risico’s hogere kapitaalseisen te zetten.</li>
<li>We passen het <strong>Klimaatfonds</strong> Nu is het plan om 35 miljard eenmalig tot 2030 te investeren in verduurzaming, waarvan maar 4 miljard beschikbaar is voor huishoudens. De bedrijven krijgen de rest, zonder dat daar harde klimaatverplichtingen en -resultaten tegenover staan. Bovendien worden er onzinnige en onnodige subsidies verstrekt (ruim 6 miljard voor groene waterstof, 5 miljard voor kernenergie, geld voor CCS – al komt dat vooral uit de SDE-pot). Het geld moet vooral naar aanleggen van energieinfrastructuur (vooral elektriciteit, met één groene waterstofcentrale), huishoudens (isoleren woningen, met prioriteit woningen corporaties; meer, beter en goedkoper openbaar vervoer; minder mobiliteit en meer fietsinfrastructuur; hulp bij opzetten energiecoöperaties met tenminste energieneutrale wijken), en naar investeringen die resultaat opleveren voor energiebesparing. Het geld moet worden gegeven onder harde resultaatsafspraken, en bij bedrijven in de vorm van leningen en/of deelnemingen (daarbij profiteert de overheid mee van winststijgingen). We stoppen ook met subsidiëring van biomassa voor verwarming en bijstoken in centrales. En we gaan, anders dan waar de industrie nu van uitgaat, <strong>grote waterstofprojecten <em>niet</em> subsidiëren. </strong>We moeten NortH2 niet subsidiëren, ook niet wat betreft het aanleggen van het leidingen – de sector moet dat zelf financieren. Groene waterstof kan wel goed dienen als bufferbrandstof, om tijdelijke tekorten bij productie met zon en wind op te vangen. Een waterstofcentrale kan zo’n dip opvangen, als een soort chemische accu voor zon- en windenergie.</li>
<li>We zorgen voor een forse <strong>krimp in de luchtvaart</strong>. De sprookjes over duurzaam vliegen zijn vooralsnog voor de komende decennia luchtkastelen. Duurzame elektriciteit blijft schaars en kan veel beter besteed worden als het al ooit technisch haalbaar wordt daarmee te vliegen. Waterstof doet die verspilling nog eens enorm toenemen. We zullen echt minder moeten vliegen. Deze krimp maakt vliegen wel weer haalbaar binnen de grenzen van natuurvergunning en gezondheidsnormen. Luchtvaart is een grote uitstoter van stikstof, CO₂ en fijnstof en veroorzaakt veel geluidsoverlast. We maken continentale vluchten fors duurder, verbieden vluchten waar goede railalternatieven bestaan (alle binnenlandse vluchten plus Londen, Parijs, Keulen, Brussel, Frankfurt; dit scheelt al 100.000 vluchten!) en zetten een stop op de groei van luchthavens: Lelystad Airport gaat definitief niet open, Schiphol moet terug naar maximaal 250.000 vluchtbewegingen, en regionale luchthavens mogen niet groeien, maar moeten dicht. Privévliegtuigen worden in beginsel niet meer toegelaten. Nachtvluchten worden verboden. Al het luchtverkeer boven 250.000 vluchten is bestemd voor 10 miljoen overbodige overstappers via Schiphol en korte vluchten die niet door de snelle trein vervangen kunnen worden. Zo’n 70% van de passagiers op Schiphol bestaat uit overstappers, die economisch niets toevoegen en ons milieu wel zwaar belasten. Terwijl de bereikbaarheid er niet op vooruitgaat. De krimp is mogelijk met behoud van een goede bereikbaarheid van alle voor Nederland belangrijke bestemmingen. Er zijn veel minder overstappers nodig. Schiphol blijft een kleinere hub met een groot netwerk. Het internationaal vervoer van Nederland komt niet in de knel. Economisch is er nauwelijks nadeel. Er komt een aparte <strong>ticketbelasting</strong> voor veel-kilometer-vliegers. En een <strong>kerosinebelasting</strong> op alle vliegbewegingen, die zwaarder is voor privé- en zakenvliegtuigen. Zo maken we de luchtvaartkrimp ook eerlijker.</li>
<li><strong>Scheepvaart</strong> maken we voor 2050 een van de duurzaamste vormen van transport. Schepen varen met ondersteuning van wind op batterijen en produceren nauwelijks meer onderwatergeluid. De internationale scheepvaart stoot nu nog enorm veel CO₂-emissies uit. We zetten vol in op elektrificatie van de scheepvaart met groene stroom – op het water en aan de wal. We investeren in havenfaciliteiten daarvoor. Voor nieuwe schepen gaan we verbieden dat er een hoofdmotor in komt. De eis wordt direct tenminste hybride diesel-elektrisch gaan varen. En dan gaan de accu’s het vanzelf steeds meer overnemen als die goedkoper en kleiner worden. <strong>De scheepvaart wordt onder de werking van het ETS gebracht en krijgt ook een CO₂-heffing. Ook privéjachten met fossiele brandstoffen gaan we zwaarder belasten.</strong> We gaan op de Noordzee streng handhaven op verbod van lozen van giftige stoffen, o.m. na scrubben. Niet-duurzame cruiseschepen worden per direct geweerd. Binnenvaart, slepers, baggerschepen en veerboten moeten voor 2030 elektrisch zijn. Een ander groot probleem op zee is de herrie, onder andere afkomstig van scheepsschroeven. Dieren in zee hebben last van het menselijk geluid (zoals geluid van scheepsschroeven, maar ook boortorens en de bouw van windmolens). Alle schepen moeten daarom verplicht worden zachter en met ‘<em>stillere’</em> schroeven gaan varen om de herrie op zee te verminderen. Er komen strenge normen voor geluid van schepen onder water.</li>
<li>We <strong>belasten ook vervuiling</strong>. We gaan niet een stikstofmarkt invoeren en veel belastinggeld (25 miljard!) besteden aan uitkoop van intensieve veeboeren en andere stikstof-uitstotende bedrijven, maar uitstoot van <strong>stikstof</strong> belasten, natuurvergunningen intrekken en boeren helpen – ook financieel – om zich om te vormen naar wel duurzame bedrijvigheid, met een duurzaam verdienmodel. In de industrie en mobiliteit gaan we stikstofuitstoot ook belasten. We voeren ook een <strong>verpakkingsbelasting</strong> in (samen met een uitbreiding van de statiegeldregeling) en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor alle verpakkingen worden verplicht gesteld.</li>
<li>Het <strong>lozen van restwarmte</strong> in oppervlaktewater en in de lucht wordt eveneens belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. En we regelen economische prikkels tegen <strong>watervervuiling en waterverspilling</strong>. Zo moeten ook boeren <strong>verontreinigingsheffing</strong> gaan betalen (ze zijn nu vrijgesteld daarvan) voor de uitstoot van meststoffen en pesticiden. En er komt een juridisch bindende toets op water en klimaat voor bouw- en andere ontwikkelprojecten. Het waterpeil in veenweidegebieden moet omhoog teneinde verdere inklinking van de bodem met onder meer funderingsschade te voorkomen. Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Bedrijven mogen niet meer nanoplastics lozen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. De normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen (zoals PFAS) door bedrijven in bodem, water en atmosfeer worden veel strikter gereguleerd, gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, vervolgd.</li>
<li><strong>Grootgebruikers van schoon drinkwater</strong> gaan daarvoor meer betalen – nu hoeven ze boven de 300 kuub niets meer te betalen, dat maximum verdwijnt en wordt vervangen door een progressief tarief. Boven de 300 kuub ga je naarmate je meer gebruikt juist meer betalen. Dat bevorderd hergebruik en niet inzetten van drinkwater waar ook ongezuiverd water gebruikt zou kunnen worden bij bedrijven. En het geeft een prikkel voor minder vlees- en zuivelgebruik. Woningen krijgen verplicht een voorziening voor ongezuiverd water voor gebruik van toilet, tuin, etc. door opvang en hergebruik van afvalwater en op te vangen regenwater. We investeren in snelle aanleg van <strong>meer wateropvang en drinkwatervoorzieningen</strong>. Er komt snel een <strong>vergunningsplicht voor het onttrekken van grondwater</strong> (industrie en landbouw zijn grote onttrekkers), en in de vergunningen worden voorwaarden en mogelijkheden voor beperking en beëindiging van onttrekking opgenomen. Rondom natuurgebieden komt er een verbod op het onttrekken van grondwater.</li>
<li>We verscherpen de klimaateisen in de landbouw. Landbouw moet in 2040 geheel klimaatneutraal zijn. In de landbouw moet alleen al voor de reductiedoelstelling van broeikasgassen de <strong>veestapel voor 2030 met 30% verminderen</strong> met een maximum van 1,7 dier per hectare. Er komt een <strong>hogere belasting op vlees en zuivel</strong>; voedsel moet meer gebaseerd zijn op plantaardige eiwitten; voedselverspilling moet worden tegengegaan. Veevoer moet genormeerd worden; glastuinbouw moet extra beprijst worden; oppervlaktewaterstanden in veenweidegebieden moeten genormeerd worden. De <strong>uitstoot van CO</strong><strong>₂</strong><strong>, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt belast</strong>. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw.</li>
<li>Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector, daarvoor lenen de productieomstandigheden in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren. We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor <strong>natuurinclusieve kringlooplandbouw</strong>, met lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Deze vormen van landbouw leveren meerwaarde voor boer, dier, maatschappij, natuur en milieu. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist <strong>meer kleine boeren en minder monocultuur</strong>. Daarin ligt besloten dat er een <strong>einde komt aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt</strong>. Intensieve veehouderij draagt bij aan de klimaatcrisis, de crisis in de biodiversiteit en vormt een ernstige bedreiging van onze gezondheid. Om nog maar niet te spreken over dierenwelzijn. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – met een krimp van tweederde ten opzichte van 2020 uiterlijk in 2030. Dat is noodzakelijk voor het realiseren van de klimaattransitie, de stikstofreductie ter herstel van de biodiversiteit, de circulaire economie, bedreigingen van onze volksgezondheid en de vermindering van het zoetwatergebruik.</li>
<li>We gaan vegetarische vleesvervangers, kweekvlees en het gebruik van insecten en zeewier in de voedselvoorziening bevorderen. <strong>Met BTW- en prijsmaatregelen ondersteunen we die transitie.</strong> Veeboeren krijgen op dit moment 1200 keer (!) meer subsidie dan plantaardige alternatieven – dat is idioot en moet radicaal anders. Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in regelgeving krachtens de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt per direct niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen.</li>
<li>De toekomst ligt in <strong>gemengd boerenbedrijf</strong> met natuurinclusieve akkerbouw, voedselbossen en extensieve veeteelt, gecombineerd met betaald natuur- en landschapsbeheer en andere, niet-vervuilende bedrijvigheid (zoals zorgboerderijen). We bevorderen ecologisch duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030. Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg. <strong>Het areaal landbouwgrond</strong> (nu 54 procent van het landoppervlak) wordt de <strong>komende eeuw gehalveerd</strong>. Dat wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de uitbreiding van de voedselproductie op zee. Boeren gaan <strong>minder produceren, maar ze krijgen wel een betere prijs </strong>voor hun producten.</li>
<li>Daarbij is een hervorming van het <strong>Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid</strong> (nu 40% van de EU-begroting) met hogere kwaliteitsnormen nodig. Directe <strong>inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven</strong> zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken. Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat <strong>boeren meer marktmacht</strong> krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.</li>
<li>De <strong>BTW</strong> op gezonde, duurzame en diervriendelijke producten moet omlaag, die op andere producten omhoog. Dan kan best, zoals ook het buitenland laat zien. We scherpen de regels voor verplicht duurzame, gezonde en diervriendelijke productie stapsgewijs aan. Zo sturen we de consumptie en maken we transities voor producenten mogelijk. Accijnzen op ongezonde en/of verslavende producten (alcohol, tabak) gaan ook omhoog, ook die op drugs die niet langer verboden worden, maar streng gereguleerd worden – alleen beschikbaar op specifieke verkooppunten, met kwaliteitscontrole en legale productie en distributiekanalen, en alleen aan meerderjarigen. Reclame hiervoor wordt verboden.</li>
</ol>
<p><strong><em>Handhaving, belastingontwijking en -ontduiking</em></strong></p>
<ol start="59">
<li>We gaan de <strong>handhaving van onze belastingen</strong> daarbij enorm versterken en belastingontduiking zwaar straffen. GroenLinks en de PvdA doen in een recente initiatiefnota meer dan 25 voorstellen om een eind te maken aan de rol van Nederland als facilitator van belastingontwijking. <em>Rulings</em> (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden. Er komen veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per drie jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, en ieder jaar bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude).</li>
<li><strong>Belastingverdragen met derdewereldlanden</strong> gaan we solidair maken en voorzien van een antimisbruikbepaling.</li>
</ol>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Bijlage 1 – Werk en inkomen</strong></p>
<p>We vervangen de Participatiewet en de Wajong door een <strong>Inkomenszekerheidswet</strong> en een nieuwe <strong>Wet op arbeidsbemiddeling en leerrechten</strong>. We ontvlechten daarbij het inkomensvangnet van de arbeidsbemiddeling.</p>
<p>Het nieuwe inkomensvangnet is een <strong>volledig individueel, voorwaardelijk basisinkomen</strong> dat beschikbaar is voor iedereen die minder inkomen heeft dan het (met het verhoogde minimumloon meegestegen) sociaal inkomen (dat 70% blijft van het wettelijk minimumloon) en minder vermogen heeft dan nodig is voor bestaanszekerheid (eigen bewoonde eerste woning, een door bijvoorbeeld het NIBUD te ontwikkelen norm voor spaargeld, normale kapitaalgoederen, waaronder vervoersmiddelen). Bij de <strong>inkomenstoets</strong> worden vrijwilligersvergoedingen, smartengeld en terugbetalingen geheel buiten beschouwing gelaten, giften tot 2400 euro per jaar en voor een tijdelijke periode wordt 15% van het inkomen buiten beschouwing gelaten om werken vanuit een uitkering te bevorderen. We schrappen ook alle regels over verantwoording van de besteding van de uitkering. Ook voor Caribisch Nederland stellen we een sociaal minimum vast dat voorziet in een fatsoenlijk bestaan.</p>
<p>Met deze verruimingen wordt de uitvoering van de inkomens- en vermogenstoets veel eenvoudiger dan nu en zullen terugvorderingen nog maar weinig voorkomen. Dat is veel efficiënter dan deze toetsen geheel te laten vervangen (bij het huidige sociaal minimum als uitkering zou dat al tenminste 160 miljard per jaar kosten) en voorkomt dat werkgevers bij hun loonbeleid al rekening houden met de uitkering en dus loonkosten zouden kunnen afwentelen op de belastingbetaler. Het zou de belastingdruk enorm doen toenemen, zonder dat we de opbrengsten slim – duurzaam en sociaal – aanwenden. <strong>Het voorwaardelijk, individueel basisinkomen dat wij voorstaan kost maar een fractie van de kosten van een onvoorwaardelijk basisinkomen. </strong></p>
<p>Het <strong>minimumloon</strong> gaat direct en in één stap naar 16 euro per uur vanaf 18 jaar met volledige koppeling aan het <strong>sociaal minimum</strong> (dat geeft voltijds ruim 500 euro per maand meer inkomen dan nu; ruim 40% van alle werknemers ziet hierdoor inkomen stijgen), en we laten deze met inflatie én loonontwikkeling (alle lonen, niet alleen de cao-lonen) mee stijgen.</p>
<p>We trekken de <strong>Fraudewet SV</strong> in en schaffen het apart <strong>bestuursrecht[1]</strong> voor uitkeringsgerechtigden af, er komt veel betere rechtsbescherming en gratis rechtsbijstand voor uitkeringsgerechtigden. We verbieden discriminerende, oncontroleerbare en te ruime (zonder concrete verdenking) opsporing in de sociale zekerheid en aanverwante regelingen met algoritmen, kliklijnen, sociale rechercheurs en ontmantelen het door gemeenten met SZW opgezette Inlichtingenbureau. In plaats van de nadruk op de zeer beperkte sociale zekerheidsfraude geven we prioriteit aan het bestrijden en bestraffen van de fiscale fraude.</p>
<p>Wij verwerpen daarbij principieel dat er voor het in aanmerking komen voor het inkomensvangnet een tegenprestatie nodig is. Het inkomensvangnet hoort een sociaal grondrecht te zijn. <strong>De tegenprestatie leidt nu tot stigmatisering en vernedering, en is aan te merken als dwangarbeid zonder loon</strong>. Werken zonder loon is bij uitstek iets waar wij tegen strijden. Vrijwilligerswerk of andere vormen van participatie behoren principieel vrijwillig te zijn. Facilitering daarvan behoeft geen dwang, een motiverend/enthousiasmerend aanbod is genoeg.</p>
<p><strong>De uitvoering van het individuele basisinkomen komt bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te liggen.</strong> Door de ontvlechting van de arbeidsbemiddeling is er geen reden meer om dit bij de gemeenten te leggen – dit maakt kosten onnodig hoog, en geeft risico’s voor rechtsongelijkheid tussen ontvangers in verschillende gemeenten. De SVB is een uitvoeringsinstantie met relatief weinig uitvoeringsproblemen (anders dan bijv. de Belastingdienst of het UWV) en valt onder het ministerie van SZW – het Toeslagenschandaal heeft onder meer als lessen opgeleverd dat het onverstandig is om uitkeringen te beleggen bij de Belastingdienst en dat het verstandig is de beleids- en uitvoeringsverantwoordelijkheid in één hand te houden – in dit geval het ministerie van SZW. Gemeenten houden wel de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden aanvullende inkomensondersteuning op maat toe te kennen (de huidige bijzondere bijstand).</p>
<p><strong>Een individueel basisinkomen impliceert dat niet alleen de kostendelersnorm verdwijnt, maar ook de partnertoets en de aparte uitkeringsbedragen voor als je samenwoont en voor als je kinderen hebt</strong>. Niet alleen maken deze huidige regeling de uitvoering en handhaving zeer complex (wat is bijv. ‘samenwonen’) en veroorzaken ze grote inbreuken in de privacy, ze zorgen er ook voor dat de ontvangers van de uitkering niet vrij kunnen kiezen voor al dan niet samenwonen. We integreren de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de extra gelden voor bijstandsontvangers met kinderen in een nieuwe, tenminste deels inkomensafhankelijke regeling, ook uitgevoerd door de SVB.</p>
<p><strong>De ontvlechting met de arbeidsbemiddeling impliceert dat alle verplichtingen die gerelateerd zijn aan het beschikbaar zijn voor en het aanvaarden van betaald werk of onbetaalde participatie vervallen</strong> – zoals de sollicitatieplicht, de taaleis, de beperkingen in tijdsbesteding, de inschrijfplicht bij verschillende uitzendbureaus, etc. Dat maakt de uitvoering en handhaving van de uitkering enorm veel simpeler, en voorkomt veel sancties en terugvorderingen. De ontvlechting maakt ook de integratie van de bijstand en de Wajong mogelijk, en door de verbeteringen in het nieuwe individueel basisinkomen zijn ook de Wajong-ers veel beter af. Hun keuring als voorwaarde voor een uitkering wordt overbodig, het vaak schrijnende rechtsverschil tussen mensen die wel en niet de Wajong mogen ontvangen vervalt en ze krijgen beiden een veel beter inkomensvangnet. Voor Wajong-ers die naast hun uitkering werken (zo’n 25% van de ca. 250.000 Wajong-ers, met een gemiddelde arbeidsomvang van ca. 24 uur per week) komt er – zoals hiervoor aangegeven – een recht op het voltijds minimumloon, waarbij werkgevers loonsubsidie kunnen ontvangen. Dat geeft ook deze mensen een veel betere rechtspositie en inkomen.</p>
<p>Daarbij moet bedacht worden dat onderzoek uitwijst dat <strong>tenminste 50% van de ca. 400.000 mensen met een bijstand waarschijnlijk niet meer in aanmerking komt voor regulier betaald werk</strong>, gegeven andere problemen die dat teveel belemmeren. Bovendien blijkt uit datzelfde onderzoek dat dwang en drang om betaald werk te aanvaarden en te zoeken contraproductief werkt, en dat de kwaliteit van de huidige arbeidsbemiddeling slecht is en de resultaten slecht zijn. Geen enkele doelgroep van de Participatiewet is er volgens de officiële <strong>Eindevaluatie van die wet door het SCP</strong> op vooruit gegaan, sommige groepen zijn er zelfs op achteruitgegaan qua kans op betaald werk. Scholing blijkt nauwelijks te worden gefaciliteerd of aangeboden, het gaat niet om uitstroom naar goed en eerlijk werk, maar om zo snel mogelijk uit de uitkering, vaak naar slecht flexwerk, waarbij flexwerkgevers subsidie krijgen. Materieel is de arbeidsbemiddeling veelal geprivatiseerd naar uitzendbureaus, en gemeenten beperken zich tot het afvinken van de verplichtingen voor de bijstandsontvangers.</p>
<p>Daarom zetten we in op een <strong>geheel nieuw stelsel voor arbeidsbemiddeling</strong>. Het eerdergenoemde <strong>Huis van Arbeid</strong> (in iedere arbeidsregio één) worden daartoe ingericht. Zij verzorgen de arbeidsbemiddeling voor iedereen die (meer, ander) werk zoekt en voor alle werkgevers die werkenden zoeken. Ze nemen deze taken over van gemeenten (mbt bijstandsgerechtigden) en UWV (voor WW-, Wajong- en WIA-gerechtigden). Uitgangspunt is <strong>eigen regie van werkzoekende en geen dwang of drang</strong>, maar maximale motivering en facilitering. Betaald werk wordt een recht in plaats van een plicht. Arbeidsbemiddeling moet <strong>veel intensiever en meer op maat</strong> met persoonlijke intake, veel meer persoonlijk contact, betere kwaliteit professionals en veel meer scholing. Met een <strong>integrale benadering</strong>, zo nodig worden eerst andere problemen opgelost. De werkzoekende bepaalt welk werk hij zoekt. Iedereen kan er <strong>gratis</strong> terecht, ook voor meer of ander werk. Dat vraagt veel meer geld dan er nu voor beschikbaar is. Financiering en besturing geschiedt tripartite, door sociale partners en gemeenten (die daarvoor veel meer geld krijgen van het Rijk). De <strong>keuring voor mate van arbeidsongeschiktheid</strong> voor de WIA en voor ondersteuningsmaatregelen (loonkostensubsidie, aanpassen werkplek, verzekering voor ziekte, jobcoach, etc.) worden onafhankelijk ondergebracht bij het Huis van Arbeid.</p>
<p>Tenslotte voeren we een <strong>leerrechtensysteem</strong> in om voortdurende scholing rechtvaardiger mogelijk en tot norm te maken. Iedereen krijgt bij geboorte of immigratie een gelijk aantal leerrechten. Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs) is gratis en kost geen leerrechten. Gebruik van initieel tertiair onderwijs (mbo, hbo, wo) kost leerrechten, waarbij een hoger onderwijsniveau meer leerrechten kost. Beroepsonderwijs in vorm van werkend leren wordt daarvan vrijgesteld – gedurende zo’n leerweg gebruik je geen leerrechten, heb je recht op minimum(jeugd)loon en ontvangt de werkgever daarvoor tenminste 50% loonsubsidie in geval van aangewezen tekortberoepen. De leerrechten kunnen voorts gebruikt worden voor <strong>gecertificeerde bij- en nascholing of voor omscholing</strong>. Deze scholing wordt zoveel mogelijk op maat vormgegeven. Alleen arbeidsrelevante scholing wordt gecertificeerd. Dit leerrechtensysteem komt <strong>in de plaats van het huidige les- en collegegeld, dat stapsgewijs wordt afgeschaft, en ook in plaats van het huidige STAP-budget, de bestaande sectorale opleidingsfondsen en de gelden voor duurzame inzetbaarheid uit het pensioenakkoord</strong>. Volgen van relevante scholing door werknemers wordt verplicht deel van de beloningssystematiek, de werkgever wordt wettelijk verplicht daartoe voldoende gelegenheid te geven onder werktijd. De werkgever wordt daarmee verplicht te zorgen dat werknemers actief brede en waardevolle scholing krijgen die gekwalificeerd is. Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor gratis scholing richting betaald werk. De transitievergoeding bij onvrijwillig ontslag kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor extra leerrechten. Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld. De <strong>financiering van de leerrechten</strong> geschiedt tripartite door de overheid en een werkgevers- en werknemerspremie.</p>
<p>In overleg met sociale partners, de gemeenten en de uitvoerende instanties maken we een <strong>realistisch invoeringsplan</strong> van de door ons gewenste systeemveranderingen. We voeren deze omvangrijke vernieuwing stapsgewijs in. We leggen het einddoel en de tussenstappen vast in wetgeving tijdens de komende kabinetsperiode. We beginnen met het verhogen van het sociaal minimum, het gelijktrekken van het bijstandsniveau voor jongeren tussen de 18 en 21 jaar gelijk aan dat voor volwassenen, het verruimen van de inkomens- en vermogenstoets, het schrappen van kostendelersnorm, tegenprestatie, de taaleis en de wachttijd voor jongeren, en het geven van veel ruimte voor en bevorderen en financieren van veel betere arbeidsbemiddeling voor bijstandsgerechtigden, niet met dwang en drang, maar met eigen regie, vertrouwen en motivering/enthousiasmering. Mensen in de bijstand mogen in het vervolg zonder beperkingen vrijwilligerswerk doen en mantelzorg verlenen. Ook gaan we zo snel mogelijk alleen uit van samenwonen als men als zodanig in het bevolkingsregister geregistreerd staat. En we versoepelen de sollicitatie- en inlichtingenplicht. We dringen de hoeveelheid formulieren terug. Als mensen foutieve informatie aanleveren, wordt dat gecorrigeerd zonder dat direct automatisch een boete volgt. We introduceren een terugvaloptie in de sociale zekerheid, zodat mensen weer werk kunnen aanvaarden zonder angst dat ze daarmee hun recht op uitkering verliezen als het tegenvalt.</p>
<p>Werk gaan we zekerder maken. Per direct moeten <strong>tenminste 85% van werknemers in vaste dienst </strong>zijn. <strong>Uitzendwerk</strong> <strong>wordt wettelijk beperkt tot piek en ziek (max. 6 maanden)</strong>, en flexwerkers krijgen veel meer zekerheden. Andere contractvormen dan regulier contract of uitzendwerk (zoals 0-urencontracten en payrolling) worden verboden. <strong>Uitzendwerk maken we ook duurder</strong> dan nu en daardoor minder aantrekkelijk dan vast werk door hogere werkgeverspremies, loondoorbetalingsplicht bij ziekte (de huidige regeling waarbij uitzendkrachten de eerste tweede dagen ziekte geen loon krijgen vervalt) en verplichte opbouw aanvullend pensioen. Het <strong>doorlenen van uitzendkrachten</strong> wordt verboden. Zo regelen we dat bedrijfsrisico’s (geen orders, leegstand, onderbezetting) niet meer afgewenteld worden op deze werknemers. Bovendien zullen werknemers zo beter beschermd worden, te kampen krijgen met minder ongevallen (zoals nu al het geval is bij werknemers vast in dienst) en niet langer als speelbal worden gebruikt tussen inlener en uitzender. Hiermee volgen we het voorbeeld van Duitsland met de vleessector en Spanje met de bouw. Voor bedrijven die vasthouden aan flex als verdienmodel is geen toekomst meer. <strong>Tijdelijke reguliere arbeidscontracten</strong> mogen niet meer driemaal maar slechts tweemaal voor maximaal 2 jaar verlengd worden, waarna 5 jaar een verbod geldt, teneinde werkgevers te dwingen tot een vast contract als er sprake is van structureel werk. De huidige onderbrekingsmogelijkheid vervalt. Er komen <strong>beperkingen aan het beschikbaar moeten zijn bij arbeidscontracten en er komen voorschriften over minimum termijn voor oproep te gaan werken</strong> als er geen vaste werkdagen zijn. Het <strong>ontslagrecht</strong> wordt niet versoepeld, maar juist versterkt door te borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand. Rechters moeten een hogere, niet-wettelijk beperkte ontslagvergoeding toe kunnen kennen wanneer ze het arbeidscontract ontbinden op basis van wettelijke ontslaggronden. <strong>Concurrentiebedingen</strong> moeten voorts zwaarder gemotiveerd gaan worden om rechtsgeldig te zijn.</p>
<p><strong>Zzp-ers krijgen een wettelijk</strong> <strong>minimum tarief </strong>van tweemaal het WML (€ 32 per uur). Zzp-ers mogen <strong>alleen ingehuurd worden voor niet-reguliere werkzaamheden</strong>, de bewijslast licht daarvoor bij de opdrachtgever. Zzp-ers gaan tegelijkertijd <strong>verplicht collectief aanvullend pensioen opbouwen</strong> bij een apart zzp-pensioenfonds, waarbij de premie door de opdrachtgever gefinancierd wordt boven op het (minimum)tarief. Voor alle werkenden in loondienst vanaf 18 jaar komt er ook een verplichte opbouw van collectief aanvullend pensioen.</p>
<p>We bannen <strong>lage lonenarbeid en uitbuiting van arbeidsmigranten</strong> uit. Er komt een <strong>verbod op combinatie werkgever/uitzendbureau en verhuurder, en op inhoudingen loon voor huu</strong>r. Werkgevers worden <strong>aansprakelijk voor inschrijving in de bevolkingsregistratie</strong>. Voor <strong>verhuur van huisvesting aan arbeidsmigranten komt</strong> <strong>aparte vergunningsplicht</strong>. Er komt <strong>verplichte toets over impact nieuwe bedrijvigheid met arbeidsmigranten</strong>, ook in omliggende gemeenten. <strong>Uitzendbureaus krijgen zware vergunningplicht met hoge waarborgsom</strong> (tenminste € 100.000). <strong>Sociale premies moeten betaald worden in land waar gewerkt wordt</strong>. We gaan op <strong>overtredingen van arbeidswetten</strong> afschrikwekkende boetes, stilleggingen, dwangsommen en bestuurs- of beroepsverboden opleggen, inclusief strafbaarstelling voor bestuurders. <strong>Arbeidsuitbuiting wordt daarnaast zelfstandig strafbaar</strong>. <strong>Inspectie SZW krijgt veel meer capaciteit en handhaaft strak </strong>met integrale aanpak handhaving met de belastingdienst, FIOD, gemeente en politie. Sectoren waar in het verleden veel misstanden hebben plaatsgevonden worden onder verscherpt toezicht geplaatst (distributiecentra, slachthuizen). We regelen <strong>betere toegang voor vakbonden tot de werkvloer</strong> en werken internationaal sterker samen. We zetten ook in op aanscherping van de Europese richtlijn voor uitzendbureaus.</p>
<p>In plaats van te sturen op evenwichtswerkloosheid (een door rechtse economen subjectief ‘berekend’ percentage werkloosheid dat economisch ideaal zou zijn voor onze welvaart) sturen we op <strong>volledige werkgelegenheid voor iedereen die <em>wil en kan</em> werken</strong>. Met de publieke sector als ventiel om dit te bereiken, in tijden van crisis investeren we niet in banen in de markt, maar in de publieke sector.</p>
<p>We creëren ook <strong>extra werk in de duurzaamheidstransities en in de bouwopdracht</strong> om de woningnood op te lossen. Mensen die hun baan verliezen door de transities krijgen werkgarantie door ze naar nieuw werk te begeleiden met een speciaal <strong>transitiefonds</strong>.</p>
<p>Er komt een periodiek bijgesteld <strong>Plan van de Arbeid</strong>, met doelen en maatregelen, ook per sector. Over voldoende banen, over oplossen tekorten aan werknemers, over goede arbeidsbemiddeling, over goed en eerlijk werk, over eerlijk delen van werk, zorgtaken en vrije tijd, over inclusief werk, over preventie van onvrijwillige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, over zeggenschap van werknemers en hun vakbonden, over eerlijke beloningsverhoudingen, etc.</p>
<p><strong>Werk in de publieke sector</strong> is voor de economie net zo van belang als werk in de private sector. Als linkse partij zijn we ideologisch voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, hebt veel eigen regel- en budgetruimte, en je verdient ook goed, en je bent als regel in vaste dienst.</p>
<p>We investeren fors in een goede publieke sector. Om de tekorten op te lossen en de werkdruk te verlagen komen er ca. <strong>300.000 extra banen</strong> in het onderwijs, de zorg, bij de politie, in defensie, in het OV, etc.</p>
<p>Aparte aandacht is nodig voor <strong>banen bij uitvoeringsorganisaties in voor onderhoudstaken van fysieke en digitale infrastructuur</strong>.</p>
<p>We <strong>draaien de privatisering van het OV en nutsbedrijven terug en bannen de marktwerking uit in de zorg en uit de arbeidsbemiddeling en de inburgering</strong>. In andere sectoren, waarin ook publieke belangen spelen (banken, post, communicatie) zetten we zwaarder in op regulering.</p>
<p>Iedereen in de publieke sector komt <strong>in vaste loondienst. </strong>We maken <strong>werk van goed werkgeverschap</strong> – de publieke sector moet het goede voorbeeld geven. En hoe hinderlijk ook voor de managers, daar hoort anno nu ook <strong>rekening houden met de persoonlijke wensen en omstandigheden van werknemers</strong> bij. Een beetje cru als dat pas gebeurt als mensen gedetacheerde of zzp’er worden. We willen <strong>arbeidsrelaties hechter maken</strong> en geven daartoe in de publieke sector het goede voorbeeld. Dat betekent dat er afscheid worden genomen van het idee dat het goed is dat werknemers regelmatig van baan wisselen, het soort dynamiek dat veel economen ten onrechte zien als een kenmerk van een goed functionerende arbeidsmarkt. Dat betekent ook <strong>een rijksoverheid die niet grossiert in incidenteel, tijdelijk geld</strong>, want daarmee is het lastig structureel personeel aannemen. <strong>We investeren in goede begeleiding van startende professionals.</strong> Dit helpt zeer tegen grote arbeidstekorten. <strong>Consultancy</strong> inhuren wordt beperkt tot max. 5% budget en behoeft goedkeuring OR.</p>
<p>En ja, het betekent ook hogere salarissen. <strong>Weg dus met de regel dat de salarissen in de publieke sector niet sneller kunnen stijgen dan die in de markt.</strong> Dat komt immers neer op ‘als het bedrijfsleven het koopkrachtverlies niet compenseert, dan doen wij dat ook niet’. We gaan dit beginsel omdraaien – in de publieke sector moeten de arbeidsvoorwaarden beter zijn dan in de markt. <strong>Er komen extra loonsverhogingen per cao in publieke sector plus iedereen krijgt </strong><strong>€</strong><strong> 250 per maand extra</strong>. In beginsel volgen lonen in de publieke sector tenminste de inflatie. Overal waar met publiek of collectief geld gewerkt wordt gaat de <strong>Balkenendenorm</strong> gelden (niet meer mogen verdienen dan de minister-president), dus ook in de zorg, onderwijs, woningcorporaties, zorgverzekeraars (zolang die nog bestaan, zie bij ander zorgstelsel), pensioenfondsen en hun uitvoeringsorganisaties, inclusief hun vermogensbeheerders, en het Koningshuis.</p>
<p><strong>Te grote ongelijkheid in lonen</strong> gaan we wettelijk beperken (met een wet die beperkingen stelt aan de verhouding tussen de maximale en minimale beloning binnen één bedrijf of instelling (bijv. 1:20) en uitbreiding en aanscherping van de Wet Publieke Topinkomens. <strong>Discriminerende beloningsverschillen</strong> worden wettelijk effectief verboden.</p>
<p>We verplichten bedrijven tot <strong>vermogensaanwasdeling</strong> in de vorm van niet verhandelbare aandelen die zeggenschap geven in de onderneming, bijv. met verplichte kapitaaldeelnamefondsen per onderneming.</p>
<p>We <strong>stoppen met het faciliteren van lage-lonenarbeid</strong>, die vooral gebaseerd is op rechteloze flexarbeid en uitbuiting van arbeidsmigranten, werk dat ongezond is en/of gewoon slecht werk is, en gaan dit soort werk juist sterk reguleren en terugdringen.</p>
<p>De economie moet opereren <strong>binnen harde ecologische en sociale grenzen</strong>. We dwingen dat nationaal af met wetgeving. Het betekent een einde aan sectoren als de gas- en olieraffinaderijen en de opslag van kolen, olie en gas, de glastuinbouw, de intensieve veeteelt, kunstmestfabrieken en wellicht ook staalproductie in ons land. En aan de rol als doorvoerland, met weinig toegevoegde waarde en veel vervuiling en overlast. De distributieknooppunten als de Rotterdamse haven en Schiphol moeten niet meer inzetten op groei. We stoppen met het ruim baan geven aan de distributiecentra, de enorme blokkendozen die nu steeds meer ons landschap ontsieren en alleen kunnen bestaan met op arbeidsmigratie en uitbuiting gebaseerde lage lonenarbeid.</p>
<p>We voeren <strong>publieke basisbanen in als vloer in de arbeidsmarkt</strong>. Zonder selectie toegankelijk, geen doorstroomdoelstellingen, maar vast contract, tenminste minimumloon en opbouw aanvullend pensioen. Iedere publieke instelling, overheid en non-profitorganisatie kan basisbanen aanmelden voor Rijksbekostiging. Enige toets is dat er geen verdringing plaatsvindt met bestaande, regulier arbeid. Er is genoeg werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, in sportclubs, in speeltuinen, en noem maar op.</p>
<p>Wij staan voor <strong>inclusief werk als norm</strong>. In de eerste plaats door te zorgen voor <strong>voldoende laaggeschoolde arbeid</strong> – niet iedereen kan helaas toegang krijgen tot hooggeschoolde arbeid. Vuil, zwaar en geestdodend werk beperken we niettemin zoveel mogelijk, robotisering en automatisering (inclusief AI) gebruiken we vooral om beter werk te regelen voor laaggeschoolden, niet om dat werk te vervangen. En we gebruiken naar Belgisch model dienstencheques dat laaggeschoold werk legaal wit maakt. We stellen behoud en uitbreiding van laaggeschoold werk als eigenstandig doel met bijbehorende financiering in de publieke sector, de overheid dient op te treden als ‘<em>employer of last resort</em>’ – <strong>arbeid als meer belangrijke waarde dan efficiënte bedrijfsvoering in de publieke sector</strong>. De schoonmakers, de hoveniers voor het openbare groen, de beveiliging, het caterings- en kantinepersoneel, wordt weer in vaste dienst bij overheden en publieke instellingen genomen. Er komen extra banen als conciërges, conducteurs, klassenassistenten, huishoudelijke hulp, burger/klantcontacten, buurtwachten, brug- en vuurtorenwachters, etc. Waar bijv. de administratie en andere ondersteuning nodig en nuttig is, kan baansplitsing plaatsvinden, waarbij deze taken door lager geschoolden worden overgenomen. Ook sommige privatiseringen, zoals bij het openbaar vervoer, de nutsbedrijven en de post, pakten slecht uit voor laaggeschoolden. We gaan extra eisen stellen aan inclusief werk in deze sectoren.</p>
<p>Een inclusieve arbeidsmarkt vereist <strong>een inclusieve samenleving</strong>. Voor de 1,2 miljoen mensen met een (arbeids-)beperking gaan we in de eerste plaats het <strong>VN-Verdrag Handicap</strong>, dat een toegankelijke en inclusieve samenleving wil, stapsgewijs <strong>afdwingbaar</strong> maken, met een investeringsplan tot 2030 die dat mogelijk maakt. Met een recht op schadevergoeding bij overtreding. Alle openbare ruimten en gebouwen, woningen, horeca, winkels, het openbaar vervoer, informatievoorziening, verkiezingen, etc. moet voor mensen met een beperking wettelijk verplicht maximaal toegankelijk worden gemaakt binnen een in het plan opgenomen termijn. Het zorgvervoer heeft daartoe ook een structureel hoger budget nodig.</p>
<p>We dwingen een <strong>inclusieve arbeidsmarkt</strong> verder af met scherpere en effectievere regelgeving. We voeren een <strong>bindend quotum</strong> in voor het aantal mensen met een arbeidsbeperking bij de overheid en bedrijven met 25 of meer werknemers. Werkgevers van mensen met een arbeidsbeperking ontvangen een <strong>bonus</strong> hiervoor. Ze worden actief benaderd door de werkwinkels/expertcentra om aan het quotum te voldoen en hen daarbij te helpen. We stellen in aanbestedingen door overheden en publiek bekostigde instellingen een norm voor <strong><em>social return on investment</em> verplicht</strong>. Mensen die minder productiviteit hebben en/of niet voltijds kunnen werken vanwege hun beperking krijgen wettelijk gegarandeerd hun <strong>voltijds functieloon</strong> – hun werkgever ontvangt daartoe <strong>loonsubsidie</strong>. Dit komt in plaats van de huidige loonsuppletie aan de werkende met een beperking. Regelingen voor ondersteuning van de werkgevers (bijv. aanpassing werkplek, coaching, no-riskpolis voor loondoorbetaling bij ziekte) worden sterk vereenvoudigd – de professionals op de werkwinkels krijgen veel vrijheid om op maat de juiste ondersteuning toe te kennen. De bestaande regelingen voor garantiebanen en beschut werk vervallen en worden vervangen door <strong>één simpele regeling, met veel uitvoeringsvrijheid en meer budget</strong>. De <strong>sociale werkvoorziening</strong> gaat weer open in iedere arbeidsregio en wordt gemoderniseerd in ontwikkelingsbedrijven voor mensen waar de reguliere arbeidsmarkt een grote afstand toe heeft, waarbij zij in dienst van deze ontwikkelingsbedrijven zelf, of bij andere werkgevers gedetacheerd, betaald werken. Zij ontvangen tenminste een vast contract, minimumloon, opbouw aanvullend pensioen en recht op begeleiding en ontwikkeling. Mensen bepalen zelf of en hoe ze gebruik maken van de mogelijkheden van een sociaal ontwikkelingsbedrijf. Deze sociale ontwikkelingsbedrijven worden ook als <strong>expertisecentrum</strong> voor mensen met een arbeidsbeperking gekoppeld aan de regionale werkwinkels, in elke arbeidsregio één. Daar gaat ook de onafhankelijke keuring voor (de mate van) arbeidsgeschiktheid plaatsvinden. De bekostiging van sociale ontwikkelingsbedrijven gaat van gemeenten naar het Rijk.</p>
<p>De regeling voor jonggehandicapten (<strong>Wajong</strong>) wordt overbodig door het Zekerheidsinkomen. Voor hen vervalt daarmee de huidige keuring. De regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (de WGA in de <strong>WIA</strong>) wordt toegankelijker (vanaf 15% in plaats van 35% arbeidsongeschiktheid), de resterende verdiencapaciteit bepalen we niet langer door uit te gaan van 65% van het laatst verdiende loon, maar van 85% van het modale loon (hierdoor gaan lagere inkomens erop vooruit) en we verruimen de inkomenstoetsgrenzen net zoals bij het Zekerheidsinkomen. Het is hoog tijd om de schrijnende problemen in de WIA aan te pakken. De subsidieregelingen voor loondoorbetaling bij ziekte voor mensen met arbeidsbeperking worden tegelijkertijd verbeterd en deze komen ook beschikbaar voor 55-plussers en mensen die langdurig werkloos zijn geweest.</p>
<p>We verlengen de <strong>minimumduur van de WW</strong> van 3 naar 6 maanden. Dat geeft meer tijd om naar ander, goed werk te zoeken. In tijden van economische crisis bezuinigen we niet op de sociale zekerheid, maar breiden die juist uit, onder meer met deeltijd-WW.</p>
<p>We gaan veel meer <strong>investeren in voorkomen van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid</strong>. De enorme hoge ziekteverzuimcijfers schreeuwen om verbetering van de arbeidsomstandigheden, met minder werkdruk, veel minder bureaucratische verantwoording en veel meer professionele zelfstandigheid en zeggenschap. We gaan de werkgevers mede verantwoordelijk maken voor deze preventie, door ze onder meer te verplichten tijdig naar ander werk te begeleiden bij dreigende werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, en ze anders de rekening daarvan laten betalen. We gaan werkgevers daarbij ook helpen door verplichte gratis periodieke controles op gezondheid en verplichte periodieke loopbaangesprekken door de werkwinkels (onder werktijd met behoud van loon) en effectieve gratis advisering van werkgevers over deze preventie door de werkwinkels.</p>
<p>Voor <strong>ouderen</strong> wordt het basispensioen (de <strong>AOW</strong>) drastisch verbeterd: het wordt al in 2024 veel hoger, de uitkering wordt voor 2028 niet meer gekort wegens samenwonen en we schrappen dan ook de opbouweis waar met name veel migranten last van hebben. AOW wordt gedefinieerd als bijstand om AOW-immigratie te voorkomen (mensen uit andere EU-lidstaten hebben geen recht AOW als ze zich na hun pensioenleeftijd hier vestigen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn zoals bij statushouders). Gepensioneerden gaan over hun inkomen dezelfde belasting betalen als anderen (de omkeerregeling blijft in stand). De AOW-premie vervalt, die wordt voor een deel geïntegreerd in de nieuwe, progressieve belastingtarieven en voor een deel vervangen door financiering uit de totale belastingopbrengsten, met name de kapitaalbelastingen.</p>
<p>De <strong>AOW-leeftijd</strong> wordt inkomensafhankelijk gegeven de enorme ongelijkheid in levensverwachting. Lage inkomens gaan gemiddeld eerder werken, betalen langer premie, gaan eerder dood en genieten dus minder lang van hun pensioen. Dat is stuitend onrechtvaardig. Voor lagere inkomens (op basis van gemiddeld inkomen per jaar vanaf 18 jaar t/m 60 jaar) gaat de AOW-leeftijd omlaag. Totdat dit kan worden ingevoerd wordt de AOW-leeftijd bevroren. De kosten van een vroegere pensioenleeftijd voor de lagere inkomens verhalen we door een lagere vrijstelling (franchise) in de werkgeverslasten bij beroepen waarin statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerder arbeidsongeschiktheid is – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken.</p>
<p>Zoals hiervoor al aangegeven is gaan alle werkenden vanaf 18 jaar <strong>verplicht aanvullend pensioen</strong> opbouwen. Zzp-ers gaan dat doen bij een eigen, apart pensioenfonds.</p>
<p>Het <strong>vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler</strong>, en daarmee ook goedkoper. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Pensioenfondsen moeten ook breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. We gaan daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren. Producten met een te hoog risicoprofiel worden uitgesloten en verboden. Ook niet duurzame en niet sociale investeringen worden wettelijk uitgesloten en verboden. De Wet Normering Topinkomens publieke sector wordt van toepassing op pensioenfondsen én hun uitvoeringsorganisaties, incl. externe vermogensbeheerders.</p>
<p>We gaan de doelstellingen en randvoorwaarden van het <strong>Pensioenakkoord</strong> en de nieuwe Pensioenwet zorgvuldig monitoren bij de voorbereiding van de invoering ervan. Het invaren van 1600 miljard euro aan collectief pensioenvermogen in 20 miljoen individuele zit vol risico’s, ook al omdat er ernstige gebreken zijn in de administraties van veel pensioenfondsen. Er dreigen ook enorme aantallen rechtszaken bij dit invaren. Als het invaren niet rechtvaardig en zorgvuldig kan gebeuren, zullen we niet aarzelen de invoering uit te stellen of zelfs van de individualisering af te zien. De vervanging van de doorsneepremie bezien we eveneens opnieuw – als iedereen pensioen opbouwt, zoals hiervoor bepleit, is dat niet nodig. Vooruitlopend op de invoering van de nieuwe Pensioenwet dient per direct de huidige rekenrente te worden afgeschaft en wordt een meer reële rente toegepast. We bezien de nieuwe systematiek opnieuw op zijn gevolgen bij sterk stijgende marktrenten, zoals die nu te zien zijn. Een duurzaam koopkrachtig aanvullend pensioen voor alle werkenden is en blijft daarbij het uitgangspunt.</p>
<p>Voor jongeren gaat het regulier minimumloon en sociaal minimum gelden vanaf 18 jaar, direct met de verhogingen daarvan, en we verhogen het <strong>minimumjeugdloon</strong> naar 85% van het WML voor 17-jarigen (nu 39,5%), naar 70% voor 16-jarigen (nu: 34,5%) en naar 55% voor 15-jarigen (nu: 30%). De huidige wachttijd van een maand voor bijstandsgerechtigden die jonger zijn dan 27 jaar vervalt direct.</p>
<p>Tegelijkertijd gaan we <strong>kinderarbeid</strong> strenger reguleren. Jongere kinderen mogen niet werken. Daar zijn nu wel teveel uitzonderingen op. De voorwaarden waaronder minderjarigen mogen werken scherpen we aan: we verbieden dat werkgevers meer dan een kwart van bepaalde functies laten vervullen door minderjarigen en we beperken het aantal uren dat een minderjarige per dag en per week mag werken, en verscherpen het verbod op arbeid in de avond/nacht en op gevaarlijk werk. Het zijn van zelfstandig ondernemer wordt eveneens beperkt tot meerderjarigen. Teveel vindt er nu met kinderarbeid verdringing van arbeid plaats. Het verbod op kinderarbeid is één van de grote resultaten van sociale strijd en we moeten de huidige uitholling daarvan keren.</p>
<p>Voltijds studenten (incl. mbo) van 18 jaar tot en met 27 jaar krijgen eerst een <strong>basisbeurs</strong> van 500 euro per maand, ongeacht hun woonsituatie. Daarenboven ontvangen studenten met een laag ouderlijk inkomen een aanvullende beurs, die maximaal tezamen met de basisbeurs gelijk is aan de hoogte van het verhoogde sociaal minimum. We verhogen de basisbeurs (met gelijke verlaging van het maximum van de aanvullende beurs) jaarlijks met 100 euro per maand, totdat de basisbeurs gelijk is aan het sociaal minimum en dus aan het individueel, voorwaardelijk basisinkomen. Alsdan wordt de aparte studiefinanciering afgeschaft en krijgt deze groep studenten ook recht op het individuele, voorwaardelijk basisinkomen.</p>
<p>We gaan instroom van <strong>studenten uit het buitenland</strong> daarbij beter reguleren. Binnen de EU gaan we regelen dat er geen recht is op gelijke studiefinanciering en gelijke studiekosten in het gastland, maar volgens de regels en met financiering van het land van herkomst, en studiefinanciering definiëren als bijstand (daarvan zijn onderdanen van een andere EU-lidstaat uitgesloten). Daarnaast gaan we een programma opzetten voor enerzijds goede studenten uit het buitenland in Nederlandse tekortberoepen en anderzijds een programma gericht op studenten uit arme landen als vorm van ontwikkelingssamenwerking, gepaard gaande met samenwerking tussen onderwijsinstellingen in het land van herkomst.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Bijlage 2 – Opbrengsten en kosten Rijksbegroting van Eerlijke belastingen RoodGroen</strong></p>
<p>(bedragen in miljarden euro’s per jaar – structureel effect, schatting orde van grootte op basis van openbare gegevens; nummers verwijzen naar maatregel in hoofdtekst)</p>
<p><strong><em><u>Opbrengsten</u></em></strong></p>
<p>Afschaffing boxenstelsel IB (10)                                                                    50</p>
<p>Afschaffing aftrekposten, kortingen en vrijstellingen IB (11,12, 18 mbt</p>
<p>huisjesmelkerstax, 20 mbt fiscale faciliteiten woningbezit)                        160</p>
<p>Afschaffen marktwerking zorg e.a. kostenbesparing zorg                             10</p>
<p>Afschaffen zorgtoeslag (14)                                                                              5</p>
<p>Afschaffen kinderopvangtoeslag (15)                                                              4</p>
<p>Invoeren planbatenheffing en leegstands- en braakliggingsbelasting (18)     1</p>
<p>Invoeren miljonairsbelasting (23)<a href="#_ftn1" name="_ftnref1">[1]</a>                                                                 10</p>
<p>Opbrengst verhoging Vpb en dividendbelasting tarieven en invoering</p>
<p>progressieve tarieven, inclusief afschaffing vrijstellingen, aftrekposten</p>
<p>en kortingen, waaronder aanpak dividendstrippen en extra heffing op</p>
<p>winst die niet geïnvesteerd wordt (24)                                                          15</p>
<p>Invoeren nieuw stelsel erfenis- en schenkingsbelasting (25)                          5</p>
<p>Invoeren digitaks (26)                                                                                       1</p>
<p>Verhogen bankenbelasting en invoeren Tobin-taks (27)                                 1</p>
<p>Invoeren vlakke tarieven energiebelasting (28)                                               0</p>
<p>Vervanging motorrijtuigenbelasting en bpm door rekeningrijden (40)          0</p>
<p>Hogere CO₂- en ETS-heffing, belasten restwarmte (45, 51)                             3</p>
<p>Afschaffing fossiele subsidies, inclusief invoeren belastingen bij lucht- en</p>
<p>scheepvaart (46, 48, 49)                                                                                 30</p>
<p>Andere invulling klimaatfonds (47)                                                                  0</p>
<p>Stoppen SDE/ODE, CCS- en waterstofsubsidie, etc. (47                                   5</p>
<p>Afschaffen stikstoffonds<a href="#_ftn2" name="_ftnref2">[2]</a> en invoeren belasting op uitstoot in landbouw,</p>
<p>Invoeren verpakkingsbelasting en uitbreiden statiegeldregeling</p>
<p>(50, 51, 53)                                                                                                        3</p>
<p>Afschaffing vrijstellingen grootgebruikers drinkwater, investeren in beter</p>
<p>waterbeheer (52)                                                                                              0</p>
<p>Hogere belastingen op vlees, zuivel, tabak, alcohol (53) en lagere op</p>
<p>gezonde en duurzame producten (55, 58)                                                       0</p>
<p>Netto opbrengst intensivering fiscale handhaving, m.n. bij bedrijven en</p>
<p>hoge inkomens en vermogens, aanpak belastingontwijking (59)                   5</p>
<p>Besparing uitvoering (opheffen TD, CAK, afschaffen Fraudewet)                   1</p>
<p> </p>
<p><strong><u>Totaal</u></strong><strong>                                                                                                           309</strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong><em><u>Kosten </u></em></strong></p>
<p>Lagere, progressieve IB-tarieven (9, 13, 21)                                                 p.m.</p>
<p>Hogere uitgaven zorg (lonen, vergrijzing, meer personeel)                          10</p>
<p>Collectivisering zorguitgaven (geen eigen risico en eigen bijdragen,</p>
<p>breder zorgpakket (14)                                                                                   15</p>
<p>Kinderopvang volledig collectief financieren alle ouders, uitbreiding</p>
<p>en verbetering kwaliteit inclusief meer personeel en hogere lonen               5</p>
<p>Vervanging huurtoeslag door nieuw systeem huursubsidie (17)                    3</p>
<p>Vervanging Vpb woningcorporaties door subsidies (voor meer bouw,</p>
<p>betere kwaliteit en verduurzaming, lagere huren, wijkinvesteringen) (19)     5</p>
<p>Subsidie op sparen voor woningbezit lage/middeninkomens (20)                 2</p>
<p>Verbetering leningen voor isolatie woningbezitters (34)                                1</p>
<p>Klimaatticket OV, gratis reizen OV kinderen (37)                                             3</p>
<p>Investeren in meer en beter OV (38) en einde marktwerking (39)               10</p>
<p>Extra uitgaven voor ondersteuning boeren (57)                                              5</p>
<p>Netto-extra uitgaven Zekerheidsinkomen inclusief verhoging WML en</p>
<p>sociaal minimum<a href="#_ftn3" name="_ftnref3">[3]</a> en verhoging minimumjeugdloon (&lt;18 jaar)                   20</p>
<p>Nieuw stelsel van arbeidsbemiddeling                                                            5</p>
<p>Nieuw stelsel van leerrechten, met afschaffing les- en collegegelden,</p>
<p>STAP, sectorale opleidingsfondsen etc.                                                           7</p>
<p>300.000 extra publieke banen<a href="#_ftn4" name="_ftnref4">[4]</a>                                                                      20</p>
<p>Hechtere arbeidsrelaties en minder inhuur publieke sector                           0</p>
<p>Extra uitgaven aan beter loon in publieke sector (m.u.v. zorg en</p>
<p>kinderopvang)                                                                                                  5</p>
<p>Recht op basisbanen                                                                                        1</p>
<p>Facilitering afdwingbare toegankelijkheid VN-verdrag Handicap                   2</p>
<p>Betere facilitering inclusieve arbeidsmarkt                                                     1</p>
<p>Verbetering WIA en WW                                                                                  1</p>
<p>Afschaffen opbouwplicht AOW, individualisering AOW                                  4</p>
<p>Inkomensafhankelijke AOW-leeftijd                                                                3</p>
<p>Verhoging studiefinanciering (beurs) naar sociaal minimum, ongeacht</p>
<p>woonsituatie en ouderlijk inkomen                                                                 8</p>
<p> </p>
<p><strong><u>Totaal</u></strong><strong>                                                                                                           135</strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p>                                                                      </p>
<p>Opbrengsten                                                                                                309</p>
<p>Kosten                                                                                                           135</p>
<p> </p>
<p>Saldo                                                                                                             174</p>
<p> </p>
<p>(beschikbaar voor o.m. lagere IB-tarieven, als dat daarvoor volledig gebruikt wordt resteert er 135 miljard euro aan lastenverzwaring)</p>
<p> </p>
<p><a href="#_ftnref1" name="_ftn1">[1]</a> Uitgaande van 1% heffing over vermogens vanaf 1 miljoen euro, 2% heffing vanaf 2 miljoen euro en 3% vanaf 3 miljoen euro.</p>
<p><a href="#_ftnref2" name="_ftn2">[2]</a> Incidentele opbrengst 25 miljard</p>
<p><a href="#_ftnref3" name="_ftn3">[3]</a> De extra te ontvangen belastinginkomsten door verhoging WML zijn hierin verdisconteerd.</p>
<p><a href="#_ftnref4" name="_ftn4">[4]</a> Exclusief de extra te ontvangen belastinginkomsten</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Een RoodGroen Plan voor Solidaire, Duurzame en Inclusieve Bestaanszekerheid</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2023/08/17/een-roodgroen-plan-voor-solidaire-duurzame-en-inclusieve-bestaanszekerheid/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 17 Aug 2023 20:13:18 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1594</guid>

					<description><![CDATA[    Inhoudsopgave   Inhoudsopgave. 2 Inleiding. 5 Uitgangspunten. 7 Een goed inkomen en goed werk voor meer bestaanszekerheid met veel minder armoede en schulden;&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p> </p>
<p><strong><u> </u></strong></p>
<h1><a name="_Toc143177840"></a>Inhoudsopgave</h1>
<p> </p>
<p><a href="#_Toc143177840">Inhoudsopgave. 2</a></p>
<p><a href="#_Toc143177841">Inleiding. 5</a></p>
<p><a href="#_Toc143177842">Uitgangspunten. 7</a></p>
<ol>
<li><a href="#_Toc143177843"> Een goed inkomen en goed werk voor meer bestaanszekerheid met veel minder armoede en schulden; en een rechtvaardige verdeling van inkomen, bezit, werk en lasten. 8</a></li>
</ol>
<p><a href="#_Toc143177844">Enorme ongelijkheid, armoede en bestaansonzekerheid. 8</a></p>
<p><a href="#_Toc143177845">Zelfbewustzijn en daadkracht gevraagd. 8</a></p>
<p><a href="#_Toc143177846">Hogere en eerlijke inkomens, te beginnen met fors hoger minimumloon en sociaal minimum.. 9</a></p>
<p><a href="#_Toc143177847">Stop de graaiflatie en de winstprijsspiraal met koppeling lonen aan inflatie en prijzenwet 10</a></p>
<p><a href="#_Toc143177848">Extra loon in de publieke sector 11</a></p>
<p><a href="#_Toc143177849">Goed en zeker werk. 11</a></p>
<p><a href="#_Toc143177850">Meer zeggenschap voor werknemers, een beter stakingsrecht en echte vakbonden. 18</a></p>
<p><a href="#_Toc143177851">Een beter inkomensvangnet: het Zekerheidsinkomen, en betere arbeidsbemiddeling. 21</a></p>
<p><a href="#_Toc143177852">Leerrec</a><a href="#_Toc143177852">hten en offensief tegen laaggeletterdheid. 25</a></p>
<p><a href="#_Toc143177853">Volledige werkgelegenheid voor iedereen die wil en kan werken, met veel nieuwe banen en een recht op een publieke basisbaan. 27</a></p>
<p><a href="#_Toc143177854">Betere regelingen voor mensen met een (arbeids-)beperking, voor ouderen en voor jongeren. 31</a></p>
<p><a href="#_Toc143177855">Eerlijk delen van werk en verlof en het bestrijden van arbeidstekorten. 36</a></p>
<p><a href="#_Toc143177856">Migratie als kans. 38</a></p>
<p><a href="#_Toc143177857">Schuldenoffensief en een veel kleinere en gereguleerde financiële sector 44</a></p>
<p><a href="#_Toc143177858">Een andere economie en verdienmodel, gebaseerd op brede welzijn. 50</a></p>
<p><a href="#_Toc143177859">Eerlijker lastenverdeling: beheersing prijzen en einde aan individualisering van publieke lasten. 55</a></p>
<p><a href="#_Toc143177860">Rechtvaardige, effectieve en eenvoudige belastingen. 56</a></p>
<p><a href="#_Toc143177861">Linkse begrotingspolitiek. 60</a></p>
<p><a href="#_Toc143177862">Internationale solidariteit 62</a></p>
<ol>
<li><a href="#_Toc143177863"> Voor een snelle, effectieve en rechtvaardige vergroening van onze economie en samenleving. 65</a></li>
</ol>
<p><a href="#_Toc143177864">Een klimaatneutraal Nederland in 2050 vraagt versnelling met aanvullend beleid. 68</a></p>
<p><a href="#_Toc143177865">Elektrificatie en energiebesparing staan centraal 68</a></p>
<p><a href="#_Toc143177866">Scherpere klimaateisen in de industrie. 71</a></p>
<p><a href="#_Toc143177867">Eerlijke energieprijzen en -belastingen. 73</a></p>
<p><a href="#_Toc143177868">Verduurzamen van woningen. 75</a></p>
<p><a href="#_Toc143177869">Groene mobiliteit 77</a></p>
<p><a href="#_Toc143177870">Transitie naar een volledig circulaire economie zonder uitputting van eindige grondstoffen en zonder afval 80</a></p>
<p><a href="#_Toc143177871">Schone en gezonde bodem, water en lucht 82</a></p>
<p><a href="#_Toc143177872">Herstel van biodiversiteit – meer natuur en dierenwelzijn en volledig natuurinclusieve landbouw.. 83</a></p>
<p><a href="#_Toc143177873">Een andere ruimtelijke inrichting van ons land. 88</a></p>
<p><a href="#_Toc143177874">III.    Goed wonen, goede zorg en goed onderwijs, publiek georganiseerd en solidair gefinancierd. 98</a></p>
<p><a href="#_Toc143177875">III.I.       Betaalbare volkshuisvesting voor iedereen. 99</a></p>
<p><a href="#_Toc143177876">Structureel lagere woonprijzen en huurlasten. 99</a></p>
<p><a href="#_Toc143177877">Bestrijden van wonen als verdienmodel 100</a></p>
<p><a href="#_Toc143177878">Inclusief wijkbeleid. 102</a></p>
<p><a href="#_Toc143177879">Meer en beter passend aanbod van betaalbare woningen, geen dakloosheid meer 102</a></p>
<p><a href="#_Toc143177880">Meer en betere regulering van huren. 104</a></p>
<p><a href="#_Toc143177881">III.II.     Een nieuw, goed, publiek, solidair en betaalbaar zorgstelsel 106</a></p>
<p><a href="#_Toc143177882">Financiering van zorg volledig en integraal uit eerlijke belastingopbrengsten op basis van regionale zorgvisies via publieke zorgkantoren – geen rol meer voor zorgverzekeraars en gemeenten. 111</a></p>
<p><a href="#_Toc143177883">Zorg als recht, geen voorziening. 112</a></p>
<p><a href="#_Toc143177884">Geen marktwerking en winst meer bij zorgaanbieders, innovatieve zorg, dichtbij mensen. 113</a></p>
<p><a href="#_Toc143177885">Breed pakket publieke zorg. 114</a></p>
<p><a href="#_Toc143177886">Investeren in meer en beter betaalde en gepositioneerde zorgprofessionals. 114</a></p>
<p><a href="#_Toc143177887">De overheid kan en moet wél de verzorging (welzijnszorg) van ouderen en mensen met beperking en chronisch zieken herstellen en verbeteren. 115</a></p>
<p><a href="#_Toc143177888">Investeren in betere GGZ. 116</a></p>
<p><a href="#_Toc143177889">Hoogste prioriteit: urgente verbetering in de jeugdzorg. 116</a></p>
<p><a href="#_Toc143177890">Jeugdbescherming. 120</a></p>
<p><a href="#_Toc143177891">Jeugdreclassering. 122</a></p>
<p><a href="#_Toc143177892">We sluiten de gesloten jeugdzorg. 122</a></p>
<p><a href="#_Toc143177893">Betere dialoog en klachtenregelingen in de jeugdzorg. 123</a></p>
<p><a href="#_Toc143177894">Preventie problemen bij jongeren. 123</a></p>
<p><a href="#_Toc143177895">Doorlopende jeugdzorg na 18<sup>e</sup> levensjaar 125</a></p>
<p><a href="#_Toc143177896">Pleegzorg. 125</a></p>
<p><a href="#_Toc143177897">Beheersing van de collectieve zorgkosten. 125</a></p>
<p><a href="#_Toc143177898">Meer en vooral effectievere zorgpreventie. 128</a></p>
<p><a href="#_Toc143177899">III.III.         Gelijke kansen in het onderwijs en meer cultuur 129</a></p>
<p><a href="#_Toc143177900">Voor gelijke kansen is er allereerst meer gelijkheid nodig. 129</a></p>
<p><a href="#_Toc143177901">Grote investeringen in beter onderwijs en meer en betere leraren, en des te meer waar de achterstanden het grootst zijn. 132</a></p>
<p><a href="#_Toc143177902">Uitstel van selectie. 134</a></p>
<p><a href="#_Toc143177903">Andere besturing en bekostiging, menselijke maat, minder prestatiedruk en minder kwaliteitsverschillen. 134</a></p>
<p><a href="#_Toc143177904">Een andere vrijheid van onderwijs. 135</a></p>
<p><a href="#_Toc143177905">Hogere kwaliteitsnormen en breder vakkenpakket met investeringen en meer onderwijstijd. 136</a></p>
<p><a href="#_Toc143177906">Meer pedagogische dialoog. 137</a></p>
<p><a href="#_Toc143177907">Goede schoolgebouwen, veilige en gezonde scholen. 137</a></p>
<p><a href="#_Toc143177908">Inclusief onderwijs. 137</a></p>
<p><a href="#_Toc143177909">Beter en moderner beroepsonderwijs. 141</a></p>
<p><a href="#_Toc143177910">Beter hoger onderwijs en onderzoek. 141</a></p>
<p><a href="#_Toc143177911">Echt gratis onderwijs. 142</a></p>
<p><a href="#_Toc143177912">Meer cultuur 142</a></p>
<p><a href="#_Toc143177913">III.IV.         Herstel van veilige samenleving. 143</a></p>
<ol>
<li><a href="#_Toc143177914"> Progressieve en inclusieve samenleving, beschermd door een democratische rechtsstaat 145</a></li>
</ol>
<p><a href="#_Toc143177915">Wij staan voor ‘woke’, dat is niets anders dan voortzetting van de emancipatiestrijd van de onderdrukten, voor inclusiviteit en tegen uitsluiting en discriminatie. 145</a></p>
<p><a href="#_Toc143177916">We pakken extreemrechts en fascisme aan. 147</a></p>
<p><a href="#_Toc143177917">Rekenschap geven van ons verleden, erkenning van pijn. 149</a></p>
<p><a href="#_Toc143177918">Meer werk maken van strijd tegen discriminatie. 149</a></p>
<p><a href="#_Toc143177919">Geen tolerantie voor intolerantie. 150</a></p>
<p><a href="#_Toc143177920">Versterken recht op demonstratie, geen bedreiging, intimidatie en geweld. 151</a></p>
<p><a href="#_Toc143177921">Versterking rechtspositie LHBTIQ.. 151</a></p>
<p><a href="#_Toc143177922">Focus op versterking vertegenwoordigende democratie, beperkte directe democratie. 151</a></p>
<p><a href="#_Toc143177923">Staatsrechtelijke vernieuwingen. 153</a></p>
<p><a href="#_Toc143177924">Goed, deugdelijk en integer bestuur 154</a></p>
<p><a href="#_Toc143177925">Betere afhandeling recente schandalen en crises. 157</a></p>
<p><a href="#_Toc143177926">Versterking onafhankelijke journalistiek. 159</a></p>
<p><br /> </p>
<h1><a name="_Toc143177841"></a>Inleiding</h1>
<p> </p>
<p>We staan voor een historische kans om na decennia afbraak van onze verzorgingsstaat en van de kwaliteit van ons bestaan (waaronder een leefbare planeet) door het neoliberalisme en afbraak van onze democratische rechtsstaat met het opzetten van bevolkingsgroepen tegen elkaar door extreemrechts, echt een andere koers te kiezen.</p>
<p>De verkiezingen voor de Tweede Kamer op 22 november 2023 zijn de eerste na 13 jaar premierschap van Rutte, die symbool staat voor de cynische politiek die het vertrouwen in overheid en politiek tot een historisch dieptepunt heeft doen dalen, en het land volledig vast heeft laten lopen door echte beslissingen voor zich uit te schuiven. Of het nu gaat om betaalbare woningen, onze zorg, ons onderwijs, onze belastingen, de vervuiling van ons leefmilieu – niets lukt meer.</p>
<p>De samenbundeling van GL en PvdA in één RoodGroene fractie met één kandidatenlijst en één programma biedt perspectief om dit najaar de grootste fractie in de Tweede Kamer te worden, wat de grootste kans geeft om de leiding te nemen in de formatie, en zo om de grootste invloed te hebben op een nieuw regeerakkoord, en om de premier te leveren.</p>
<p>Dit plan biedt inhoudelijke ideeën voor dat RoodGroene verkiezingsprogramma. Het laat zien dat de samenbundeling kan inspireren voor echt andere politiek dan we hebben gezien de afgelopen decennia. Het plan durft te kiezen voor grote veranderingen, voor een andere, duurzame, solidaire en progressieve inclusieve politiek, samenleving en economie. Gekozen wordt voor een ontwikkeling binnen harde ecologische en sociale grenzen, die ons land en planeet weer leefbaar en sociaal maken. Met echt andere stelsels voor belastingen, sociale bescherming, zorg, economie, arbeid, wonen, landbouw, ruimtelijke ordening, onderwijs, etc. We maken daarmee een eind aan de enorme ongelijkheid, armoede, bestaansonzekerheid, woningnood en de tekorten in de zorg, het onderwijs, de veiligheid en andere publieke sectoren. We doen dat in samenhang met een enorme vergroening van onze economie en leefwijze, en een consequente keuze tegen uitsluiting, racisme en discriminatie en voor een inclusieve samenleving.</p>
<p>Er is een enorme urgentie om nu deze baanbrekende ideeën te implementeren. Om niet te volstaan met pleisters plakken en kleine stapjes, maar om het lef te hebben echte systeemveranderingen in gang te zetten. De huidige situatie in ons land is zo radicaal slecht, dat mindere ambities onverantwoord zijn. Of om het anders te zeggen: niet de hier gepresenteerde plannen zijn radicaal, maar het tot nu toe gevoerde beleid was dat. Radicaal slecht en zelfs gevaarlijk beleid. Redelijke politiek vraagt radicale, systemische verandering.</p>
<p>Deze plannen zijn kostbaar, ze vragen tientallen miljarden aan extra, voor een belangrijk deel structurele investeringen en uitgaven. Dat financieren we door gerechte lastenverzwaringen. De rijkste 10% van onze bevolking leeft in extreme rijkdom en het groot- en middenbedrijf parasiteren op de leefbaarheid van ons land en op de levens van de andere 90% van de bevolking. Zij betalen voor een groot deel de extra uitgaven in onze plannen.</p>
<p>Niet alles zal in één keer kunnen – er moet rekening gehouden worden met technische en organisatorische uitvoerbaarheid, overgangsrecht om te grote schokken te voorkomen en politieke compromissen. En ook met de financiering – het plan is alleen maar op de hand doorgerekend, en de fasering doet er toe. Wij zijn niet van het potverteren, dus er moet degelijke dekking zijn, zeker op middellange termijn – de rekening naar de volgende generaties leggen is vooral een rechtse hobby, dat zijn de feiten. Wat niet weg neemt dat in tijden van financiële crisis juist de overheid met linkse begrotingspolitiek moet investeren, de publieke zaak overeind houden en vangnetten juist moet uitbreiden. Het is belangrijk om in ons verkiezingsprogramma’s te laten zien waar we heen willen en in een regeerakkoord beslissende, substantiële stappen te zetten in de verwezenlijking daarvan, hetgeen gepaard gaat met aanzienlijke budgettaire verschuivingen.</p>
<p>Daartoe is het goed om naast de RoodGroene samenbundeling de leiding te nemen in een progressief duurzaam en links stembusakkoord met partijen die dicht bij ons staan, en die met ons borgen dat rechts geen kans heeft. Dat akkoord moet de gezamenlijke inhoudelijke keuzes op hoofdlijnen bevatten, de afspraak om elkaar vast te houden in de formatie en zo mogelijk een kabinetssamenstelling als deze partijen gezamenlijk de meerderheid zouden behalen. Dat alles geeft de grootst mogelijke kans op een zo best mogelijk electoraal resultaat, en daarmee op de macht om echte veranderingen af te dwingen. Daarbij is het belangrijk om in de campagne met name ook de vele thuisblijvers te mobiliseren en een zo breed mogelijke verbinding te maken met de diverse deelgroepen, identiteiten en klassen in onze samenleving.</p>
<p>Er is veel te doen, de urgentie is hoog en de tijd beperkt. Maar het kan gewoon, als we samen strijden en gedurfde keuzes te durven maken en het gevecht met de neoliberalen, de klimaatontkenners en extreemrechts hard durven aan te gaan. Veel leesplezier en inspiratie toegewenst.</p>
<p><strong><u> </u></strong></p>
<p><strong><u> </u></strong></p>
<h1><a name="_Toc143177842"></a>Uitgangspunten</h1>
<p> </p>
<p>Uitgangspunten van het plan zijn:</p>
<ul>
<li>bestaanszekerheid garanderen met een goed en vast inkomen en betaald werk en meer en betere rechtsbescherming, waarin betaald goed werk geen plicht maar een recht wordt en uitgegaan wordt van vertrouwen in burgers;</li>
<li>rechtvaardige en solidaire inkomens- en bezitsverhoudingen en eerlijke herverdeling van inkomen en bezit, waarin goed werk loont;</li>
<li>zoveel mogelijk eigen regie van mensen over hun leven en tijdsbesteding, met eerlijke verdeling van betaald werk en zorgtaken;</li>
<li>klimaatrechtvaardigheid met eerlijke verdeling van lusten en lasten van (de transitie naar) fossielvrije en circulaire economie met herstel van natuur, biodiversiteit, dierenwelzijn en gezonde leefomgeving, en waarin brede welzijn van de samenleving grenzen stelt aan groei en economie;</li>
<li>een sterke, goede publieke sector zonder marktwerking en een brede volkshuisvesting, die recht op goed onderwijs, zorg, kinderopvang en wonen voor iedereen garandeert;</li>
<li>eenvoudige, transparante, eenvoudig begrijpelijke, effectieve, efficiënte en goed uitvoerbare en handhaafbare stelsels en regelingen;</li>
<li>solidair en humaan migratiebeleid, waarin migratie niet als bedreiging maar als een kans voor onze samenleving gezien wordt;</li>
<li>duurzaam, houdbaar en solidair begrotingsbeleid, waarin de overheid het brede welzijn op de langere termijn centraal stelt.</li>
</ul>
<p> </p>
<p> </p>
<h1><a name="_Toc143177843"></a>I.                Een goed inkomen en goed werk voor meer bestaanszekerheid met veel minder armoede en schulden; en een rechtvaardige verdeling van inkomen, bezit, werk en lasten</h1>
<p> </p>
<h2><a name="_Toc143177844"></a>Enorme ongelijkheid, armoede en bestaansonzekerheid</h2>
<p> </p>
<p>Ongelijkheid is wereldwijd maar ook in ons rijke land een enorm, urgent probleem. Nederland staat nummer twee (na de VS) in de lijst van landen met de grootste ongelijkheid in de club rijkste landen ter wereld. Die ongelijkheid is voor het grootste deel onrechtvaardig (omdat ze niet het gevolg is van eigen verdienste), maar ook economisch schadelijk en een groot risico voor het voortbestaan van onze democratische rechtsstaat én verzorgingsstaat. Zonder ingrijpen en herverdelen door de overheid wordt deze ongelijkheid steeds groter, in steeds overtreffender trappen. De laatste decennia heeft de overheid precies het omgekeerde gedaan. Door lonen te laten achterlopen op winsten. Door sociale zekerheid af te bouwen en het paradigma van zelfredzaamheid centraal te stellen. Door mensen met lage inkomens op te jagen, te criminaliseren en hen hun stad uit te jagen. Door een economie op te bouwen die ons land liet afglijden naar een lagelonenland. Door een enorme afbraak van werknemersrechten als Europees kampioen flexibilisering van werk. Door individualisering van collectieve lasten. Door onze publieke sector te verkrachten met steeds meer marktwerking, privatiseringen en liberaliseringen. En door een herverdeling via belastingen van arm naar rijk, met feitelijk regressieve belastingen en enorme facilitering van kapitaal dat niet reële welvaart en brede welzijn bevorderd maar het oppotten van kapitaal, het snel wist maken en wegsluizen, het vervuilen van onze leefomgeving én ontwijking van belastingen faciliteert. Gevolg is onder aan de ene kant meer enorme, ongekende en sterk geconcentreerde rijkdom bij een kleine groep, en aan de andere kant een enorme, schrijnende armoede en problematische schuldenberg bij een steeds grotere groep huishoudens, waartoe steeds meer ook middeninkomens toe behoren, en waarvoor steeds meer kunst-en-vliegwerk nodig is om hun het hoofd net boven water te laten houden. De bestaande systemen van de overheid lopen mede daardoor vast in hun complexiteit en intern strijdige fundamenten, met een groeiend gebrek aan vertrouwen in overheid en politiek als gevolg. Neofascistische, extreemrechtse zondebokken-en-bizarre-complotten-populisten varen er wel bij. En het gevolg is ook een economie die draait op vervuiling, onrecht en uitbuiting. In dit gave land zijn 40.000 gezinnen, zo’n 150.000 mensen, afhankelijk van Voedselbanken. Bij ongewijzigd beleid voorspelt het CPB weer meer mensen in armoede, bijna 1 miljoen.</p>
<h2><a name="_Toc143177845"></a>Zelfbewustzijn en daadkracht gevraagd</h2>
<p> </p>
<p>Het is een enorme opgave om dit allemaal te keren. Zeker in één regeringsperiode. Maar vooral als we zelf teveel twijfelen over wat we wél tot stand kunnen brengen. Laten we dus beginnen, met én een perspectief voor waar we naar wel toe willen, én met concrete maatregelen die daar direct mee beginnen. Want de situatie vraagt om grote urgentie en grote, systemische veranderingen. Zonder daarbij aan zorgvuldigheid – wat betreft effecten op diverse groepen in onze en de mondiale samenleving, op de uitvoerbaarheid en op de duurzame collectieve betaalbaarheid, in te boeten. Snel én zorgvuldig is een uitdaging, maar kan wel degelijk. Soms zijn daar ook echte doorbraken voor nodig – zoals bij de catch22 situatie over arbeidstekorten in belangrijke sectoren als de zorg, het onderwijs, de woningbouw en de energietransitie. Voorbeeld is de noodzakelijke uitbreiding en collectivisering van de kinderopvang, nodig om meer mensen met kinderen betaald te kunnen laten werken, maar zelf nu al aanloopt tegen enorme arbeidstekorten. Dat lukt alleen als we het lef hebben én de uitbreiding en collectivisering door te zetten én de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden drastisch te verbeteren. Tijdelijke frixieproblemen zijn daarbij onvermijdelijk, maar vragen koersvastheid, moed en daadkracht om deze zo snel mogelijk te overwinnen. Dat vraagt een overheid die naast de professionals staat en investeert in hen te vertrouwen en in hun positie.</p>
<h2><a name="_Toc143177846"></a>Hogere en eerlijke inkomens, te beginnen met fors hoger minimumloon en sociaal minimum</h2>
<p> </p>
<p>De ongelijkheid en armoede bestrijden vraagt allereerst om urgente, forse verbetering en verhoging van inkomens voor de grofweg 60% laagste inkomens van ons land, met veel betere rechtszekerheid in betaald werk en in inkomensvangnetten.</p>
<p>In de eerste plaats komt er een hoger minimumloon, dat we in één klap per direct verhogen naar € 16 per uur (dit is volgens de FNV de recente vertaling van de nieuwe EU-richtlijn waarbij het minimumloon op 60% van het mediane loon wordt gesteld), vanaf 18 jaar en met behoud van koppeling aan het sociaal minimum, inclusief bijstand én AOW. Dat betekent een minimumloon van circa € 2496 per maand bruto bij een 36-urige werkweek (in 2023 is dat nu € 1934 per maand), dus ruim 500 euro bruto meer (en netto wordt dat nog meer door onze belastingvoorstellen, zie later in dit plan). Voor zo’n 40% van alle werkenden (!) geeft deze verhoging van het minimumloon een (fors) hoger loon, zo blijkt uit eerdere berekeningen van het CPB. Ook de loonschalen net boven het huidige minimumloon gaan immers hierdoor omhoog en er zal ook een druk ontstaan om de schalen daarboven te verhogen, zeker met de toenemende, structurele arbeidsschaarste.</p>
<p>Voor het inkomensvangnet voor mensen in armoede (nu: bijstand, Wajong, AOW) betekent de voorgestelde verhoging van het minimumloon met volledige koppeling aan het sociaal minimum een fors hoger uitkeringsniveau. Voor mensen in één van de inkomensvangnetten kom je met deze verhoging uit op een uitkeringsniveau van ca. 1747,20 euro bruto per maand. Nu is dat € 1216,62 per maand. Dus een verhoging van ruim € 530 per maand. Ook hier worden de netto-verhogingen nog groter. Zo doen we echt iets tegen armoede. Arbeid blijft nog steeds voldoende lonen bij deze gekoppelde verhoging van minimumloon en sociaal minimum, de verhouding blijft immers gelijk. Niettemin zal deze forse verhoging van het sociaal minimum een effect hebben dat een beperkt aantal mensen ervoor kiest om niet te gaan werken, zeker in combinatie met minder verplichtingen daartoe (zie hierna). Dat zal deels weer gecompenseerd worden om dat we betaald werk ook op andere manieren dan een hoger minimumloon weer veel aantrekkelijker maken. We maken hier een principiële keuze voor een hoog sociaal minimum als beschavingsnorm tegen armoede en tegen financiële prikkels om te werken die feitelijk tot armoede leiden.</p>
<p>De kosten van deze verhoging van minimumloon met volledige koppeling aan de uitkeringen bedragen circa 24 miljard euro per jaar (waarvan het meeste door de hogere AOW, dat is veruit de grootste groep), waarvan ongeveer de helft weer terugverdiend wordt door hogere belastinginkomsten. Door ons voorstel voor de premies volksverzekeringen (waaronder de AOW-premie) in een nieuw belastingstelsel (zie later in dit plan) wordt het verschil tussen de netto-inkomens van AOW-ers en bijstandsgerechtigden beëindigd en worden rijke gepensioneerden meer belast – de opbrengsten daarvan worden gebruikt om de verhoging van de AOW mede te financieren.</p>
<h2><a name="_Toc143177847"></a>Stop de graaiflatie en de winstprijsspiraal met koppeling lonen aan inflatie en prijzenwet</h2>
<p> </p>
<p>Daarbij kiezen we principieel voor welvaaartsvastheid van inkomens, door vanaf nu de lonen automatisch te koppelen aan de inflatie. Er is nu een winstprijsspiraal die doorbroken moet worden met onder meer structureel hogere lonen. In slecht georganiseerde sectoren – vaak ook met lage lonen – wordt er ook daar hierdoor een bodem in de loonontwikkeling gelegd. Zeker nu er sprake is van een winst-prijsspiraal door <em>graaiflatie</em> is dit meer dan terecht, en het voorkomt dat werknemers in slecht betaalde en vaak ook slecht georganiseerde sectoren nog verder op achterstand komen in termen van besteedbaar inkomen. En het prikkelt de overheid om ook de lastenstijging – inflatie – in toom te houden. Daartoe kan de overheid publieke zaken volledig collectief financieren (zorg, kinderopvang, onderwijs, zie onze voorstellen hiervoor elders in dit plan) en prijzen reguleren – denk aan de huren en de energieprijzen, maar ook door de btw op bijvoorbeeld duurzame en gezonde producten te verlagen, en als uiterste middel ook met inzet van de Prijzenwet, in het kader van het algemeen belang (ook hiervoor doen we elders in dit plan daartoe voorstellen). Inflatie beteugelen we voorts door tegelijkertijd de winsten en bezit af te romen, door fors hogere belastingen op kapitaal en lagere lasten op arbeid – er zijn altijd profiteurs van een crisis. Met een daadkrachtige nationale overheid hoeft de ECB ook minder de rente steeds te verhogen. Door de wettelijke koppeling van de loonontwikkeling aan de prijsontwikkeling gaat indirect ook het wettelijk minimumloon steeds mee omhoog – deze is immers wettelijk gekoppeld aan de algemene loonontwikkeling. In geval van dat er onverhoopt toch weer een loonprijsontwikkeling dreigt, nemen we vooral prijsmaatregelen. In extreme, urgente situaties kan de overheid, mits met instemming van beide Kamers van het parlement, tijdelijk de automatische prijscompensatie beperken.</p>
<p>Het is absurd dat er in ons rijke land volgens het CBS 220.000 werkende armen zijn. De lonen blijven ook achter bij de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. De arbeidsproductiviteit stagneert al decennia, en dit is gerelateerd aan enerzijds dat we een lagelonenland zijn geworden en anderzijds winsten op bezit die uit arbeid veruit overtreffen, hetgeen nog versterkt wordt door ons belastingsysteem. Met andere woorden: de beschikbaarheid van lage lonenarbeid veroorzaakt ook achterblijvende investeringen in innovatie en verhoging van arbeidsproductiviteit. En omgekeerd: hogere lonen leiden tot hogere arbeidsproductiviteit.</p>
<h2><a name="_Toc143177848"></a>Extra loon in de publieke sector</h2>
<p> </p>
<p>Er is een wijdverbreid misverstand dat de overheid niet over de lonen gaat en/of geen of nauwelijks instrumenten zou hebben om daar invloed op uit te oefenen. Niet alleen gaat de overheid over het wettelijk minimumloon (en die beïnvloedt het hele loongebouw), maar ook is de overheid met de totale publieke sector zelf veruit de grootste werkgever die daar de loonruimte bepaalt, en door ons plan zal de omvang van de publieke sector nog verder toenemen. Naast hogere sectorale cao-beloningen bij overheden, in de zorg, in het onderwijs, in de verschillende veiligheidssectoren, etc., krijgen alle werknemers in de publieke sector daarenboven een structurele verhoging van hun loon met 250 euro extra. Een vast bedrag tikt meer door voor lagere inkomens – centen ipv procenten! Daarmee zetten we de lonen in de marktsector fors onder druk, opdat de opbrengsten van de bedrijven minder naar de winst gaan en meer naar de werknemers.</p>
<h2><a name="_Toc143177849"></a>Goed en zeker werk</h2>
<p> </p>
<p>We beëindigen het faciliteren van lage lonen arbeid, die bijna volledig door zzp-ers, uitzendwerk en arbeidsmigranten plaatsvindt. We schaffen het Lage Inkomens Voordeel (LIV) voor werkgevers af. Deze houdt effectief de lonen laag, bijv. in de detailhandel (Rutte IV heeft de regeling weer verlengd…).</p>
<p>We gaan meer zekerheid voor werkenden organiseren. Een vast arbeidscontract voor onbepaalde duur maken we weer de norm, met voldoende rechtsbescherming en goede secundaire arbeidsvoorwaarden. Werkenden met een regulier arbeidscontract krijgen geen flexibeler contract, maar juist betere bescherming, met onder meer betere ontslagbescherming en sneller een vast contract.</p>
<p>Nederland is onder invloed van het neoliberalisme Europees kampioen flexwerken geworden. De afgelopen 15 jaar is het aantal flexwerkers met 75% toegenomen en zij vormen nu ruim 40% van alle werkenden: 2,6 miljoen flexibele arbeidscontracten (uitzendwerk, oproepcontract, payroll, etc.) en 1,1 miljoen zzp-ers. De overheid stimuleerde de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Dat zou ons concurrerender maken – de kenniseconomie met lage lonen… Terwijl men beweerde dat dit productiviteit zou vergroten, werd die daardoor juist lager.</p>
<p>Lage lonen zitten geconcentreerd bij laag opgeleiden en arbeidsmigranten, meestal met flexcontracten bij uitzendbureaus of platformbedrijven, of met schijnconstructies van zelfstandig ondernemerschap, waarbij werkgevers de kosten van sociale bescherming uitsparen – geen loondoorbetaling bij ziekte, geen arbeidsongeschiktheidsverzekering, geen minimumloon, geen ontslagbescherming, geen werkloosheidsverzekering, geen opbouw aanvullend pensioen. Bij nulurencontracten is er ook geen enkele zekerheid met betrekking tot werktijden, oproeptermijnen, minimum aantal betaalde uren, etc.</p>
<p>Het zijn 19<sup>e</sup> eeuwse arbeidsverhoudingen. Bedrijven in de lage lonen sectoren – glastuinbouw, horeca, slachterijen, groente- en fruitbewerking, distributiecentra, productiebedrijven, callcenters, etc. – hebben soms hun hele personeelsmanagement uitbesteed aan uitzendbureaus en nauwelijks nog een relatie met hun personeel (vaak met uitzondering van hun staffuncties). Maar ook het klantencontact van medewerkers van gemeentelijke gezondheidsdiensten en woningcorporaties werken bijv. de eerste 1 á 2 jaar via uitzendbureaus. Woningcorporaties betalen aan uitzendbureaus circa €40 per uur, terwijl de uitzendkrachten maar circa €16 bruto per uur ontvangen, en deze uitzendbureaus nauwelijks toegevoegde waarde leveren. We moeten uitzendwerk echt veel onaantrekkelijker en dus ook duurder maken voor werkgevers.</p>
<p>De overheid gaf het verkeerde voorbeeld in de publieke sector. Inmiddels holt het de zorg en het onderwijs uit. Inmiddels zijn scholen en ziekenhuizen geen gewone sollicitanten op een vacature, wel allerlei detacherings- en bemiddelingsbureaus die mensen aanbieden. En ja, wat doe je dan als organisatie? Toch maar iemand inhuren, vaak jarenlang, zelfs al kost dat veertienduizend of achttienduizend euro per maand. Pakweg de helft van dat bedrag is voor de ingehuurde zelf, de andere helft is kassa voor het uitlenende bureau. Hongerige bemiddelings- en detacheringsbureaus (een sjiek woord voor uitzendbureau) schuimen sociale media af op zoek naar accounts van docenten en verpleegkundigen, ook als overduidelijk is dat ze in vaste dienst zijn bij een school of zorginstelling, en proberen hen daar vervolgens weg te lokken. <em>‘Graag kom ik met jou in contact om elkaar beter te leren kennen.’ ‘Bij ons kies je zelf de scholen waar je wil werken, en je werktijden. Ook bepaal je zelf de inschaling.’</em> Was getekend Maandag, Derec, Randstad of een van de vele anderen. Soms gaat het om een detacheringsconstructie, soms om zzp-schap met een bemiddelingsfee en andere opslagen voor het bureau. Op Twitter is inmiddels een trend ontstaan om screenshots van deze brutale invitaties te plaatsen, voorzien van een witheet antwoord (‘aasgieren!’).</p>
<p>Er zijn vanzelfsprekend ook mensen die op de uitnodigingen ingaan. En neem ze het eens kwalijk. Meer geld, meer grip op je tijd, eindelijk een nette reiskostenvergoeding. Scholen en zorginstellingen gaan, ten einde raad, massaal met de bureaus in zee. Je wil nu eenmaal geen klassen naar huis sturen vanwege personeelsgebrek, en operaties afzeggen ook niet. In de operatiekamers van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis bestaat inmiddels veertig procent van het personeel uit ‘PNIL’, verzamelnaam voor ‘personeel niet in loondienst’.</p>
<p>Opgeteld betekenen al die op zichzelf begrijpelijke beslissingen dat de vaste krachten het nóg zwaarder krijgen: voor hen blijven de rotklussen en vervelendste diensten over, met alle scheve ogen en vicieuze cirkels van dien. Door het toenemende aantal PNIL’ers worstelen veel scholen en zorginstellingen met hun begroting. Want een ingehuurde kost al gauw anderhalf keer zo veel als een werknemer in loondienst. En mocht een instelling de ingehuurde in de loop van de tijd weten te verleiden om in dienst te komen, dan moet een flinke som geld betaald worden aan de uitzender/bemiddelaar.</p>
<p>Wat te doen? Dilemma, dilemma, klinkt het alom. Maar het woord dilemma is net iets te populair de laatste tijd. Presenteer iets als een lastig dilemma, en je hoeft geen beslissingen te nemen. Effectieve klimaatmaatregelen? Dilemma! Woekerwinsten aanpakken? Dilemma! Het is verhulde besluiteloosheid. Want reken maar dat er best wat aan te doen is, aan de opmars van PNIL. Het tegengaan van schijn-zzp, bijvoorbeeld, staat al sinds 2016 in de ijskast en blijft daar als het aan het kabinet ligt nog tot 2025 in. Dat maatregelen óók nadelen hebben, betekent niet dat je ze niet moet nemen.</p>
<p>Minister Helder van Zorg komt voorlopig niet veel verder dan een ‘bewustmakingscampagne’ voor mensen in de zorg die het zzp-schap overwegen: let op, er komt heel wat bij kijken, hoor! Dat is het individualiseren, of misschien moet je zeggen liberaliseren van het probleem. Misschien beter om de oorzaken aan te pakken, door zowel in onderwijs als zorg werk te maken van goed werkgeverschap. En hoe hinderlijk ook voor de managers, daar hoort anno nu ook rekening houden met de persoonlijke wensen en omstandigheden van werknemers bij. Een beetje cru als dat pas gebeurt als mensen gedetacheerde of zzp’er worden.</p>
<p>Beginnen bij de oorzaken betekent ook een rijksoverheid die niet grossiert in incidenteel, tijdelijk geld, want daarmee is het lastig structureel personeel aannemen. En ja, het betekent ook hogere salarissen. Weg dus met de regel dat de salarissen in de publieke sector niet sneller kunnen stijgen dan die in de markt. Dat komt immers neer op ‘als het bedrijfsleven het koopkrachtverlies niet compenseert, dan doen wij dat ook niet’. Een proefproces tegen de detacheringsbureaus, hun methodes en hun verdienmodel, kan wellicht ook. Tot die tijd is er voor hen de hashtag #aasgieren, zo concludeerde Mirjam de Rijk in De Groene onlangs.</p>
<p>Ook in de private sector werd zzp-schap door de overheid gestimuleerd met de zelfstandigenaftrek. Zo’n 10% van alle werkenden wordt nu volgens de Inspectie SZW uitgebuit met onderbetaling, te lange werktijden, illegale tewerkstelling, onveilige en ongezonde arbeidsomstandigheden. Deze groep kent hogere instroom in WW, bijstand en WIA. Er is sprake van cumulatie van arbeids- en bestaanszekerheidsrisico’s. Dit vinden we het sterkst bij flexcontracten en schijnconstructies met zzp-ers.</p>
<p>We beperken vanaf 2025 flexwerk tot uitzendwerk en zzp-er, uitzendwerk tot tijdelijk (maximum 6 maanden) werk bij piek en ziek, en zzp-er tot niet-reguliere werkzaamheden. Andere werknemerscontracten dan regulier contract en uitzendcontract worden verboden, zoals nul-urencontracten en payrolling. De beloning en het pensioen mag bij uitzendwerkers nooit lager zijn dan bij degenen die soortgelijk werk uitvoeren met een regulier arbeidscontract. De uitzonderingen voor seizoensarbeid vervallen.</p>
<p>Uitzendwerk maken we ook duurder dan nu en daardoor minder aantrekkelijk dan vast werk door hogere werkgeverspremies, loondoorbetalingsplicht bij ziekte (de huidige regeling waarbij uitzendkrachten de eerste tweede dagen ziekte geen loon krijgen vervalt) en verplichte opbouw aanvullend pensioen. Het doorlenen van uitzendkrachten wordt verboden. Zo regelen we dat bedrijfsrisico’s (geen orders, leegstand, onderbezetting) niet meer afgewenteld worden op deze werknemers.</p>
<p>Door middel van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi, artikel 12, lid 1) gaan we vooruitlopend op nieuwe wetgeving werkgevers direct al gaan verplichten ten minste 85 % van de werknemers rechtstreeks in dienst te nemen. Door deze maatregel kunnen werkgevers niet langer misbruik maken van de A1 payrolling route om sociale zekerheidskosten te omzeilen. Bovendien zullen werknemers beter beschermd worden, te kampen krijgen met minder ongevallen (zoals nu al het geval is bij werknemers vast in dienst) en niet langer als speelbal worden gebruikt tussen inlener en uitzender. Hiermee volgen we het voorbeeld van Duitsland met de vleessector en Spanje met de bouw. Voor bedrijven die vasthouden aan flex als verdienmodel is geen toekomst meer.</p>
<p>Daarenboven pakken we malafide uitzendbureaus met een vergunnings- en waarborgsomplicht (tenminste 100.000 euro) en strafbaarstelling van bestuurders bij illegale praktijen. De vergunning moet jaarlijks worden vernieuwd en door een publieke dienst onder SZW verleend worden, met verzwaarde vergunningseisen voor risicosectoren. Op deze manier kan de overheid veel meer controle voeren op wie toegang krijgt tot de uitzendmarkt en actief malafide uitzenders weren. De voornemens van het kabinet voor een certificeringsplicht, waarbij uitzenders een certificaat krijgen door private uitvoerders, gaan niet ver genoeg. Ook in Europa creëren we normen voor uitzendbureaus, zodat enkel fatsoenlijke uitzendbureaus nog op de interne markt kunnen opereren. Hiervoor herzien we de Europese uitzendrichtlijn.</p>
<p>Tijdelijke reguliere arbeidscontracten mogen niet meer driemaal maar slechts tweemaal voor maximaal 2 jaar verlengd worden, waarna 5 jaar een verbod geldt, teneinde werkgevers te dwingen tot een vast contract als er sprake is van structureel werk. De huidige onderbrekingsmogelijkheid vervalt.</p>
<p>Er komen beperkingen aan het beschikbaar moeten zijn bij arbeidscontracten en er komen voorschriften over minimum termijn voor oproep te gaan werken als er geen vaste werkdagen zijn.</p>
<p>Het ontslagrecht wordt niet versoepeld, maar juist versterkt door te borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand. Rechters moeten een hogere, niet-wettelijk beperkte ontslagvergoeding toe kunnen kennen wanneer ze het arbeidscontract ontbinden op basis van wettelijke ontslaggronden. Concurrentiebedingen moeten voorts zwaarder gemotiveerd gaan worden om rechtsgeldig te zijn.</p>
<p>Zzp-ers krijgen een wettelijk minimumtarief van driemaal het wettelijk minimumloon, in ons voorstel dus € 45 per uur. Zzp-ers gaan tegelijkertijd verplicht collectief aanvullend pensioen opbouwen bij een apart zzp-pensioenfonds, waarbij de premie door de opdrachtgever gefinancierd wordt boven op het (minimum)tarief.</p>
<p>Met het Zekerheidsinkomen is geen verplichte invoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering op het niveau van het sociaal minimum, zoals voorzien in het Pensioenakkoord, meer nodig. In plaats daarvan stellen we een verplichte publieke verzekering voor die het Zekerheidsinkomen aanvult tot het in te voeren wettelijk minimumtarief voor zzp-ers voor, die in rekening wordt gebracht bij opdrachtgevers.</p>
<p>In de publieke sector komt iedereen nog in de komende kabinetsperiode in vaste dienst. Dat wordt subsidie- en bekostigingsvoorwaarde. Inhuren van uitzendkrachten mag alleen voor piek en ziek en zzp-ers mogen alleen ingehuurd worden voor niet-reguliere werkzaamheden. Het inhuren van adviseurs (consultancy) mag niet meer dan bijv. 5% van het budget kosten en behoeft vooraf per opdracht goedkeuring van de Ondernemingsraad of de meerderheid van het personeel. Bestaande contracten in strijd met deze verplichtingen mogen uitgediend, maar niet verlengd worden.</p>
<p>Met deze maatregelen wordt er ook een inkomensvloer gelegd voor zzp-ers. Dat maakt schijnzelfstandigheid voor opdrachtgevers een stuk minder lucratief en beschermt werkenden tegen schijnconstructies en de daarmee verbonden inkomensonzekerheid (geen minimumloon, geen loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, geen ontslagbescherming).</p>
<p>Zzp-ers met een laag inkomen zijn nu het putje van de arbeidsmarkt. Zo’n 30% van de ruim 1,2 miljoen zzp-ers heeft een inkomen beneden de 20.000 euro per jaar. Het modale inkomen van zzp-ers is 28.600 euro bruto per jaar. Zzp-ers hebben nu nauwelijks bescherming en lopen veel risico’s en er heerst veel armoede.</p>
<p>Ondernemers wentelen hun risico’s en kosten met werknemers af door schijnconstructies met zzp-ers af op de belastingbetaler doordat we dit ook nog eens subsidiëren met fiscale zelfstandigenaftrek. Anderzijds zijn er veel zelfstandigen (met én zonder personeel) die fiscaal enorm bevoordeeld worden ten opzichte van werknemers. Bij de invoering van het minimumtarief vervalt dan ook de huidige fiscale zelfstandigenaftrek (waarom zou de belastingbetaler goedkope tarieven moeten blijven financieren?) en ook de andere fiscale voordelen voor zelfstandigen ten opzichte van werknemers vervallen (zie elders in dit hoofdstuk bij de belastingvoorstellen).</p>
<p>Te grote ongelijkheid in lonen gaan we wettelijk beperken (met een wet die beperkingen stelt aan de verhouding tussen de maximale en minimale beloning binnen één bedrijf of instelling (bijv. 1:20) en uitbreiding en aanscherping van de Wet Publieke Topinkomens. Discriminerende beloningsverschillen worden wettelijk effectief verboden.</p>
<p>Aan uitbuiting van arbeidsmigranten maken we een eind, Nederland moet geen lage lonenland meer zijn. In plaats van op concurrentie van arbeidsvoorwaarden wordt er gestuurd op hoogwaardige arbeid en solidaire arbeidsvoorwaarden. We voeren eindelijk per direct de uitvoering van de adviezen van de commissie Roemer tegen uitbuiting van arbeidsmigranten in en verbeteren dat op onderdelen:</p>
<ul>
<li>Werkgevers worden medeverantwoordelijk gemaakt voor de inschrijving van arbeidsmigranten in de Registratie Niet-Ingezetenen (voor korter dan vier maanden verblijf) en de Basisregistratie Personen (BRP). Als de arbeidsmigrant niet staat ingeschreven, volgt er een boete voor de werkgever en wordt er toeristenbelasting geheven. Registratie is op basis van het woonadres in Nederland en verhuizingen moeten gemeld worden, zodat de lokale overheid goed zicht houdt op wie er in hun gemeenten wonen. Bij inschrijving in het BRP dienen gemeenten de arbeidsmigranten te wijzen op hun rechten en plichten in Nederland, waaronder de leerplicht voor kinderen tot 16 jaar.</li>
<li>Het volstaat niet om alleen op betere huurcontracten in te zetten. Waar het rapport van Roemer het nalaat, moeten we de kern van dit verdienmodel aanpakken zodat het niet meer lucratief is om werkenden op deze manier uit te buiten. Het is voor uitzenders voordelig om huisbaas te zijn, omdat ze de kosten voor huisvesting mogen inhouden op het loon en hierdoor minder belasting betalen. Ze verdienen hier vaak meer aan dan via het tewerkstellen van mensen. Op dit moment mag nog 25% van minimumloon worden ingehouden om huisvestingskosten mee te betalen (artikel 13 wet minimumloon). In de Europese richtlijn voor toereikende minimumlonen staat opgenomen dat inhoudingen voor huisvestingskosten discriminatoir en illegitiem zijn. Die moeten we dan ook verbieden en handhaven. Als de inhouding niet meer mogelijk is, dan is het voor de werkgever ook niet meer aantrekkelijk om huisbaas te zijn. Die combinatie gaan we ook verbieden. Arbeidsmigranten moeten zelfstandige huisvesting hebben. En er komt een verbod op de combinatie van werkgever en huurbaas;</li>
<li>We gaan streng handhaven op hygiëne en gezondheidsregels op het werk, ook bij het vervoer;</li>
<li>Werkgevers en uitzendbureaus mogen ook niet meer tussen de zorgverzekeraar en de verzekerde arbeidsmigrant zitten en de zorgpas moet in bezit zijn van de arbeidsmigrant. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst loopt de verzekering nog door zolang de arbeidsmigrant nog in ons land verblijft;</li>
<li>Werkgevers en opdrachtgevers worden aansprakelijk voor goede naleving van alle voorschriften;</li>
<li>En er komen zowel landelijke als gemeentelijke informatieloketten voor arbeidsmigranten in hun eigen taal.</li>
</ul>
<p>Voor degenen die zich hier permanent vestigen, geldt dat minimale taalkennis en deelname aan de Nederlandse samenleving essentieel is voor het welzijn van arbeidsmigranten, de veiligheid op de werkvloer en sociale cohesie in Nederland. We willen daarom dat gedegen taalonderwijs ter beschikking wordt gesteld aan arbeidsmigranten die langer blijven. Aangezien werkgevers ook de vruchten plukken van arbeidsmigratie, moeten zij in het kader van goed werkgeverschap worden verplicht om deze taallessen te faciliteren tijdens werktijd. Ook moet er aandacht zijn voor kinderen van arbeidsmigranten. Zo kan extra aandacht voor de taalontwikkeling op school bijdragen aan het voorkomen van taalachterstanden die kunnen volgen bij het verhuizen naar een ander land. Zie hiervoor ook elders in dit hoofdstuk bij ‘migratie als kans’.</p>
<p>Gemeenten moeten grip krijgen op huisvesting van arbeidsmigranten. We voeren een aparte vergunningplicht voor verhuur aan arbeidsmigranten, naar het voorbeeld van vergunningen voor verhuur aan studenten. Dit willen we regelen in de Wet goed verhuurderschap. Hierdoor krijgen gemeenten meer mogelijkheden om eisen te stellen aan huisvesting en om verhuurders te weren. Ook moeten gemeenten meer inzicht krijgen in waar arbeidsmigranten wonen, zodat zij beter kunnen handhaven.</p>
<p>Verder moet bij het toelaten van nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding ook worden gekeken naar de impact van huisvesting bij andere gemeenten. Te vaak worden de lusten door de ene gemeente genoten en worden de lasten door de andere gedragen. Er komt een <em>impact assessment</em>, waarbij inspraak mogelijk is van omliggende gemeenten.</p>
<p>Er moet ook een Europees sociaal zekerheidsnummer worden ingevoerd, zodat direct gecontroleerd kan worden waar iemand sociaal verzekerd is en of de werkgever überhaupt wel premies afdraagt. Je moet sociale premies betalen in het land waar door de werknemer feitelijk gewerkt wordt.</p>
<p>We schaffen de expatregeling af. De expatregeling staat in Nederland ook wel bekend als de 30%-regeling. Het is een belastingregeling voor buitenlandse werknemers die een <em>&#8216;specifieke deskundigheid&#8217;</em> hebben die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Als dat het geval is, betalen zij over maximaal 30 procent van hun loon geen belasting. Om geheel gebruik te kunnen maken van de regeling moet de expat tijdelijk in Nederland werken en een minimaal brutosalaris van bijna 56.000 euro verdienen. Voor een expat jonger dan 30 jaar met een masterdiploma, is die drempel bijna 43.000 euro. Dat kan een groot voordeel opleveren, want in plaats van een belastingtarief van 49,50 procent, geldt voor hen een tarief van 34,65 procent. De expatregeling werd na de Tweede Wereldoorlog in het leven geroepen om Amerikaanse bedrijven te lokken. In Nederland gold toen een loonbelastingtarief van meer dan 70 procent, waardoor ons land aanvankelijk niet aantrekkelijk was. Met een fikse belastingkorting werd dat opgelost. Terecht stelt de vakbond FNV dat de regeling in de huidige vorm een excessieve compensatie voor met name de hogere inkomens en een verdienmodel voor bedrijven om mensen binnen te halen door de belastingkorting. En daarmee verdringen zij anderen op de arbeidsmarkt.</p>
<p>Ook de ET-regeling die een (oneigenlijk) kostenvoordeel oplevert voor werkgevers die buitenlandse werknemers in dienst nemen schaffen we af. Werkgevers mogen verschillen in premies en fiscale regelingen nooit misbruiken als verdienmodel ten koste van bescherming van werkenden. Zo gaan we sociale dumping tegen.</p>
<p>Sectoren die afhankelijk zijn van lage lonen en/of laag betaalde arbeidsmigranten faciliteren we niet meer. We moeten veel scherper zijn in wat voor soort bedrijvigheid we hier willen, niet alleen vanuit ecologisch duurzaam perspectief, maar ook vanuit sociale rechtvaardigheid.</p>
<p>De boetes die nu door de Inspectie SZW worden opgelegd zijn een lachertje. Daarom gaan we op overtredingen van arbeidswetten afschrikwekkende boetes, stilleggingen, dwangsommen en bestuurs- of beroepsverboden opleggen. In navolging van België gaan we arbeidsuitbuiting daarnaast zelfstandig strafbaar maken, waardoor daders ook via het strafrecht kunnen worden berecht. We investeren daartoe ook fors in de capaciteit van deze inspectie. De Inspectie SZW luidde vorig jaar (2022) de noodklok. Arbeidsmigranten worden in groten getale uitgebuit. Tegelijkertijd is deze inspectie in Nederland tandeloos. Ondanks de wijdverspreide misstanden heeft in 2019 nog maar 4% van de meldingen bij de Inspectie SZW geleid tot een onderzoek. Dat het ook anders kan laat België zien. Daar werden tussen 2016 en 2021 ruim 950 opsporingsonderzoeken gestart naar arbeidsuitbuiting, tegenover 79 in Nederland. Daarom willen we dat de Inspectie SZW wordt uitgebreid met tenminste 180 extra Fte’s, een verdubbeling van het voornemen van het kabinet. Daarnaast kiezen we voor een integrale aanpak handhaving op lokaal niveau, waarbij bevoegdheden van de arbeidsinspectie, belastingdienst, FIOD, gemeente en politie geclusterd worden zodat bij misstanden bij een bedrijf of in een woning ook daadwerkelijk effectief kan worden ingegrepen.</p>
<p>Sectoren waar in het verleden veel misstanden hebben plaatsgevonden worden onder verscherpt toezicht geplaatst. Dit geldt bijvoorbeeld voor distributiecentra, waar in 2022 bleek dat vier op de vijf distributiecentra veiligheids- en gezondheidsregels hebben overtreden. Maar ook voor slachthuizen, waar malafide uitzendbureaus knokploegen hebben ingeschakeld en mensen worden gestraft voor het laten staan van de afwas. We moeten dichter op de praktijk staan en eerder inspringen, door de toegang voor vakbonden tot de werkvloer te garanderen en internationaal sterker samen te werken, bijvoorbeeld door signalen te delen en gezamenlijke inspecties uit te voeren. De aangekondigde uitbreiding van de toezicht capaciteit in de uitzendbranche is een goede eerste stap, maar onvoldoende in het licht van de uitdagingen waar we voor staan.</p>
<p>Alle werkenden krijgen ook een <em>Eerlijk Werk Ombudsman</em>, een publiek loket waar op een laagdrempelige wijze inzicht in rechten verkregen kan worden en ondersteuning geleverd kan worden bij het effectueren van rechten, en die ook optreedt als door het niet naleven van afspraken een publiek belang wordt getroffen. Daaronder valt ook het bestrijden van de nog altijd omvangrijke discriminatie op de arbeidsmarkt.</p>
<h2><a name="_Toc143177850"></a>Meer zeggenschap voor werknemers, een beter stakingsrecht en echte vakbonden</h2>
<p> </p>
<p>De zeggenschap van werknemers wordt versterkt, met meer rechten voor ondernemingsrechten en vakbonden. We stimuleren arbeiderszelfbestuur in werkcoöperaties met een hogere franchise (vrijstelling) voor werkgeverslasten en een collectieve regeling voor loondoorbetaling bij ziekte. In de publieke sector wordt deze rechtsvorm verplicht en afgedwongen via subsidievoorwaarden.</p>
<p>We verplichten bedrijven tot vermogensaanwasdeling in de vorm van niet verhandelbare aandelen die zeggenschap geven in de onderneming, bijv. met verplichte kapitaaldeelnamefondsen per onderneming.</p>
<p>Het moet weer de norm dat werknemers zich collectief in echte vakbonden organiseren. Het stakingsrecht gaan we wettelijk versterken, gele bonden (nepvakbonden die door werkgevers gefinancierd worden om echte vakbonden dwars te zitten) bannen we uit.</p>
<p>Het stakingsrecht in ons land staat zwaar onder druk. In de zomer van 2021 legden de FNV, het CNV en de Europese koepel van vakbonden, het EVV, opnieuw een klacht neer bij de Raad van Europa over de manier waarop Nederlandse rechters het stakingsrecht toepassen. Het recht van werknemers om te staken is ernstig in het geding. Sinds 2015 hebben lagere rechtbanken 57 procent van de stakingen die voorlagen, via een kort geding beperkt of volledig verboden. Daarvóór was het percentage ook al hoog: bij iets meer dan 40 procent van de kort gedingen werd in het voordeel van de werkgever geoordeeld.</p>
<p>Staken is een vorm van collectieve actie, waarbij werknemers vanwege een arbeidsconflict gezamenlijk hun werk voor onbepaalde tijd neerleggen. Staken is onderdeel van de onderhandelingsrelatie tussen werknemers en werkgevers. Wanneer zij niet tot overeenstemming kunnen komen over een cao, collectief plan of ander werkgerelateerd onderwerp, dan is stoppen met werken het laatste wettelijke pressiemiddel dat werknemers hebben. Met het recht op staken en collectief onderhandelen, erkent de wetgever dat er een ongelijke machtsverhouding is tussen werkgevers en werknemers. Ongelijk, doordat werknemers voor het verwerven van hun inkomen afhankelijk zijn van werkgevers. De wetgever corrigeert deze economische machtsongelijkheid gedeeltelijk door werknemers het recht te geven om collectief – gezamenlijk dus – te onderhandelen en in actie te komen, en werknemers te beschermen tegen ontslag als ze tijdens een staking weigeren te werken. Bovendien beperkt het stakingsrecht werkgevers in het inhuren van externe vervangende arbeidskrachten om de vrijgekomen arbeidsplaatsen op te vullen. Het arbeidsrecht wijkt hierdoor sterk af van grote delen van het civiel recht. Een belangrijk uitgangspunt van het civiel recht is dat de materiële belangen van partijen beschermd moeten worden. Vaak is het de taak van de rechter om vast te stellen of een eigendom of belang is geschaad, en wie daarvoor verantwoordelijk is. De centrale vraag bij een geschil over bijvoorbeeld het snoeien van een overhangende appelboom door de buurman, is of de eigenaar schade is berokkend. Bij het stakingsrecht gaat het niet om de bescherming van eigendom of het beperken van schade, maar juist om het recht om schade tóe te brengen. </p>
<p>Rechters onderkennen nu te weinig dat het stakingsrecht fundamenteel anders is dan het civiel recht. Het beperken van schade en beschermen van eigendom is in het stakingsrecht juist <em>niet</em> wat er getoetst moet worden. De vakbonden menen terecht dat rechters hiervan te weinig doordrongen zijn en dat hierdoor het stakingsrecht wordt ingeperkt. Als de uitzonderingspositie van het stakingsrecht genegeerd wordt, dan kan een staking al beperkt of verboden worden voordat die überhaupt heeft plaatsgevonden – iets wat ook steeds vaker bij demonstraties gebeurt. Net als het demonstratierecht is ook het stakingsrecht een mensenrecht, maar in Nederland kunnen we daar minder op rekenen dan in veel omringende landen. Het Nederlandse stakingsrecht is in feite een ‘<em>rechtersrecht’</em> doordat het niet geregeld is in wetten. Het recht om te staken heeft zich in Nederland vooral ontwikkeld doordat groepen werknemers gingen staken, werkgevers vervolgens naar de rechter stapten en de rechter zich er dan over moest buigen om een uitspraak te doen.</p>
<p>Rechters hebben zo in de loop der tijd zogenaamde ‘<em>spelregels’</em> geformuleerd waaraan werkgevers en georganiseerde werknemers moeten voldoen. Ze hanteren deze spelregels om te beoordelen of een staking rechtmatig is. Zo weegt mee of een staking tijdig is aangekondigd, zodat de werkgever nog voorbereidingen heeft kunnen treffen, en of er een ultimatum is gesteld, zodat de werkgever de mogelijkheid heeft om de eisen in te willigen. Hoewel deze spelregels misschien redelijk klinken, blijft het problematisch dat een recht getoetst wordt voordat de gebeurtenis zelf heeft plaatsgevonden. Het wordt nog ingewikkelder bij een spelregel als: <em>‘actie en actievorm moeten in verhouding staan tot de eisen.’</em> Of: ‘<em>beperkingen kunnen geoorloofd zijn indien ze maatschappelijk gezien noodzakelijk zijn.’</em> Of: <em>‘partijen moeten uitonderhandeld zijn.’</em> </p>
<p>Al sinds begin jaren 1980 leveren deze spelregels gedoe op, en wordt Nederland regelmatig op de vingers getikt doordat het stakingsrecht te beperkt wordt uitgelegd. In 2003 en 2005 gebeurde dit voor het laatst. Toen oordeelde het Europees Comité voor Sociale Rechten opnieuw dat Nederlandse rechters stakingen te snel verbieden. Pas in 2014 en 2015 gaf de Hoge Raad gehoor aan deze tik op de vingers in zijn uitspraken over stakingen bij Enerco en Amsta. De Hoge Raad oordeelde dat de spelregels niet langer een zelfstandige voorwaarde mochten zijn bij het besluit of een staking rechtmatig is.</p>
<p>Maar anders dan verwacht, lijkt het erop dat stakingen door dit nieuwe toetsingskader nog sneller verboden of beperkt worden. Waar vóór 2014 al 40 procent van de zaken aan de lagere rechtbank werd voorgelegd, is dat nu 57 procent. In de praktijk blijkt dat rechters door de uitspraak van de Hoge Raad strenger oordelen over wat <em>‘maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk’</em> is, en of de beperking <em>‘in een democratische samenleving noodzakelijk [is] voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.’ </em>Zo oordeelde het gerechtshof Amsterdam in 2016 dat er sprake was van een <em>‘maatschappelijk dringende noodzakelijkheid’</em> toen deze een staking van het KLM-grondpersoneel verbood <em>‘gedurende de drukste periode van het jaar.’</em> Met als belangrijkste reden dat de capaciteit om vluchten af te handelen in <em>‘deze periode vrijwel geheel wordt benut en er geen ruimte is om vertragingen op te vangen.’</em> Eind 2018 verbood de rechter een staking bij PostNL tegen de hoge werkdruk en lage lonen, omdat de bezorging van <em>‘met het oog op de feestdagen gekochte cadeaus en verstuurde kaarten […] met de acties van FNV in het gedrang’ kwam. Oók speelde mee dat de bezorging ‘medische hulpmiddelen en medische correspondentie omvat[te] en dat die bezorging geen uitstel kan dulden.’</em> Een laatste voorbeeld van de toepassing van het <em>‘maatschappelijke noodzakelijkheidsoordeel’</em>, is de aangezegde staking in een lopend cao-conflict bij autofabrikant VDL NedCar, die in 2019 beroep aantekende. De rechter oordeelde dat een beperking van het stakingsrecht geoorloofd was omdat <em>‘er een concreet en reëel risico is dat BMW [de enige klant van VDL NedCar op dat moment] om die reden zal beslissen om haar productie bij VDL Nedcar na 2022 en 2023 niet te continueren.’ </em>Wat opvalt aan deze voorbeelden is dat wat als <em>‘maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk’</em> wordt gezien, gelijk staat aan het bedrijfsproces zo min mogelijk verstoren. Staken mag, maar alleen als de zomervakantie voorbij is en alle kerstkaarten bezorgd zijn. Rechters gaan eraan voorbij dat het hinderen van dat bedrijfsproces, en de economische schade die dit veroorzaakt, juist de kern en het doel van staken zijn. Het is niet toevallig dat er in het Europees Sociaal Handvest (ESH), dat bepalend is voor spelregels bij stakingen, geen verbod staat op het veroorzaken van economische schade en ongemak.</p>
<p>Het idee dat werknemers gedeelde belangen hebben is niet alleen bij rechters niet sterk aanwezig in Nederland. Werknemers spelen een kleine rol in <em>‘het verhaal van Nederland’</em>. Er wordt veel gepraat over ondernemers, de ‘<em>BV Nederland’</em>, en meer abstracte begrippen zoals ‘<em>werkgelegenheid’</em>, ‘<em>de flexibele schil’</em> en <em>‘koopkracht’</em>. Maar over werknemers hoor je vrij weinig. Het idee dat werknemers mensen zijn zoals jij en ik, dat we met meer dan 8 miljoen zijn en dat we met z’n allen belang hebben bij een goed en stabiel loon en redelijke werkuren, is niet echt onderdeel van onze collectieve identiteit. Er wordt weinig gestaakt in vergelijking met andere Europese landen, ook als we de recente stakingsgolf meetellen. En als er dan een keer gestaakt wordt, dan gaat een groot deel van de publieke aandacht naar de overlast die wordt veroorzaakt. We lezen over treinen die niet rijden, lege schappen, stinkend huisvuil en miljoenen euro schade. Maar we horen nauwelijks over de réden van de staking: dat de werkdruk zo hoog is dat mensen ziek worden van hun werk, dat ze niet genoeg verdienen om rond te komen. Die aandacht is best begrijpelijk, want het is onhandig om op een leeg perron te staan, maar het laat ook goed zien dat wij gewend zijn vooral het belang van de consument en de werkgever in ogenschouw te nemen. En dat is nu uit balans.</p>
<p>Voorts wordt door velen, volstrekt ten onrechte, de economie steeds meer wordt gezien als een aparte sfeer waar democratische processen geen onderdeel van horen uit te maken. Sinds de jaren 1980 is het economisch beleid en denken sterk gericht geweest op deregulering van de arbeidsmarkt, privatisering van staatsbedrijven en het vergroten van de wereldwijde kapitaalmobiliteit. Dit heeft er onder andere voor gezorgd dat de democratische mogelijkheden om in te grijpen in economische processen, zijn verminderd. Sterker nog: het idee dat het normaal is om de vrijheid van bedrijven in te perken ten gunste van de belangen van anderen – burgers, werknemers, consumenten, de natuur – is weggezakt. De opvatting dat werknemers niet alleen plichten hebben – goed en integer werk leveren bijvoorbeeld – maar ook rechten – op een behoorlijke levensstandaard, sociale voorzieningen en zeggenschap – is nauwelijks meer deel van het maatschappelijk debat. </p>
<p>Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat collectieve acties, zoals stakingen, haast excessief lijken. Terwijl staken juist laat zien dat werknemers deelnemen aan de samenleving en zich actief inzetten voor hun werk, maar wel op basis van rechtvaardige omstandigheden. Het recht op staken en democratie zijn innig met elkaar verbonden: staken is niet alleen een bevochten onderdeel van een democratische samenleving, zoals we in ESH lezen, maar het versterkt de democratische samenleving ook. Staken laat zien dat mensen zich kunnen en willen verenigen, en dat ze optimistisch zijn over hun mogelijkheden om de wereld vorm te geven.</p>
<p>We gaan daarom het stakingsrecht wettelijk goed regelen. Het veroorzaken van schade mag niet meer leiden tot beperkingen en het beperken van het stakingsrecht mag alleen bij maatschappelijk cruciale sectoren in geval daardoor essentiële maatschappelijke functies zeer in het gedrang komen – denk aan defensie, politie, noodzakelijke zorgverlening.</p>
<p>We gaan ook de vakbondsfaciliteiten uitbreiden. Deze worden in de wet limitatief opgenomen. Vakbonden moeten te allen tijde toegang hebben tot werknemers op de bedrijven en instellingen. In het onderwijs gaan alle jongeren goede voorlichting over het belang van vakbonden krijgen – dat nemen we op in het curriculum bij burgerschapsvorming/maatschappijleer.</p>
<p>Werkgevers maken om goede cao’s te vermijden ook gebruik van <em>‘gele bonden’</em>, vakbonden die opgericht zijn door werkgevers en/of van deze werkgevers zeer financieel afhankelijk zijn. We moeten een wet tegen gele bonden maken. Cao’s mogen alleen met reguliere vakbonden tot stand komen. Het toepassen van een <em>‘enquêtetool’ </em>mag niet in de plaats treden van het overleg met reguliere vakbonden. Met name in sectoren waar een lage organisatiegraad is én werknemers een zwakke rechtspositie hebben zie je nu werkgevers te vaak de reguliere vakbonden buiten spel zetten. Daar moet hard tegen worden opgetreden.</p>
<h2><a name="_Toc143177851"></a>Een beter inkomensvangnet: het Zekerheidsinkomen, en betere arbeidsbemiddeling</h2>
<p> </p>
<p>We zijn principieel tegen een onvoorwaardelijk basisinkomen, dat ongericht enorme overdrachten (tenminste 160 miljard euro per jaar) doet aan inkomens die dat niet nodig hebben, de beschikbare begrotingsruimte voor noodzakelijke intensiveringen van andere uitgaven daarmee praktisch onmogelijk maakt, de ongelijkheid vergroot, en hogere lonen ondermijnd.</p>
<p>Maar we vervangen wel de Participatiewet en de bijstand nog binnen de komende regeerperiode door een nieuwe, landelijke regeling, het <em>Zekerheidsinkomen</em>, uitgevoerd door de SVB. Dat is een organisatie met relatief weinig uitvoeringsproblemen (AOW, kinderbijslag), en kent – in tegenstelling tot de Belastingdienst – een cultuur die past bij uitkeringen en is een organisatie die valt onder SZW, het beleidsverantwoordelijke ministerie: één van de lessen van het toeslagenschandaal is dat het verstandig is om uitvoering &amp; beleid bij hetzelfde ministerie te hebben. Een negatieve inkomstenbelasting uitgevoerd door de Belastingdienst is daarmee een minder passende oplossing, nog afgezien van dat ons belastingstelsel simpeler moet, en ook daarom een nieuwe fiscale regeling niet verstandig is. Gemeenten behouden de mogelijkheid voor aanvullende bijstand bij bijzondere omstandigheden.</p>
<p>Als harde vloer voor het Zekerheidsinkomen kiezen we voor een fors hogere en zekere uitkering, die wel afhankelijk blijft van inkomens- en vermogenstoetsen. We gaan die wel fors verruimen:</p>
<ul>
<li>ruime vrije giftengrens (bijvoorbeeld per jaar € 1800);</li>
<li>het geheel vrij laten van vrijwilligersvergoedingen, smartengeld en terugbetalingen bij jaarafrekeningen of fouten bij derden;</li>
<li>bij weer betaald gaan werken een tijdelijke vrijstelling (bijvoorbeeld voor 12 maanden 25% van inkomen uit arbeid vrij met een maximum van totaal inkomen tot modaal – hiermee creëren we een beloning op weer betaald gaan werken in plaats van een sanctie als je daar te weinig voor doet zoals nu);</li>
<li>eigen bewoonde woningbezit geheel vrijstellen;</li>
<li>en een redelijk bedrag aan reserve aan spaargeld en goederen (bijv. €000) ook vrijstellen;</li>
<li>ook vervalt de controle op de besteding van de uitkering, dat gaat de Staat niets aan. Dus geen verplichte inzage in bankafschriften e.d. meer.</li>
</ul>
<p>Je vraagt de uitkering zelf aan en geeft je inkomen en vermogen door. De SVB controleert dat bij de Belastingdienst.</p>
<p>We kiezen ook principieel voor individualisering van uitkeringen – juist bij lagere inkomens en al zeker niet in tijden van grote nood aan betaalbare woningen – moeten we mensen niet om financiële redenen hun al dan niet samenleven met anderen sturen. In het nieuwe Zekerheidsinkomen en in de AOW dus geen lagere uitkeringsbedragen meer bij samenwonen, geen partnertoets, geen kostendelersnorm. Dat garandeert ook voor de ontvangers daarvan dat ze vrij en zonder negatieve financiële gevolgen zelf kunnen bepalen hoe en met wie ze willen wonen. Het maakt een einde aan de huidige enorme privacyschendende, vernederende en intimiderende controles in de uitvoering – met inzet van anonieme kliklijnen, stigmatiserende en discriminerende algoritmes, inzet van (a-)sociale rechercheurs en camera’s, etc. Het FNV-zwartboek over de bijstand is ontluisterend. Deze individualisering leidt tot een groter beroep op deze regelingen en dus hogere uitgaven, ook in situaties waar bijv. een partner wel kan en wil bijdragen. Maar het tegengaan van deze economische afhankelijkheid en beïnvloeding van levensvormen met zijn stuitende controles weegt voor ons principieel zwaarder.</p>
<p>En we kiezen voor een principieel afscheid van alle dwang en drang bij het aanvaarden en zoeken van betaald werk, en daarmee van het verplichtend activerend arbeidsmarktbeleid en van alle ‘wederkerigheid’ bij het ontvangen van het Zekerheidsinkomen: geen tegenprestatie, geen sollicitatieplicht, geen verplichte inschrijving uitzendbureaus, geen plicht aanvaarden betaald werk, geen eisen in verband met het voldoende bemiddelbaar moeten zijn, geen verboden voor tijdsbesteding aan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, geen werk zonder loon.</p>
<p>Deze verplichtingen zijn bewezen contraproductief – niet alleen zijn de interventies zelden effectief, maar de doelgroep ervaart vooral niet serieus genomen te worden en gaat vooral in verzet en ontduiking van regels. En ze leiden tot een verstikkende controlecultuur in plaats van mensen echt te helpen en te bemiddelen. Met name bij de gemeentelijke diensten bestaat er een afvinkcultuur: men controleert op verplichtingen van de uitkeringsgerechtigde, heeft de arbeidsbemiddeling gedelegeerd en geprivatiseerd aan uitzendbureaus voor slecht en tijdelijk werk, heeft zelf geen enkel netwerk onder werkgevers en ook nul ervaringsdeskundigheid met onvrijwillige werkloosheid, kent de cliënten en hun specifieke omstandigheden niet, ook bijna geen persoonlijk contact, en heeft daarom geen enkele bijdrage aan het weer vinden van betaald werk. Scholing komt nauwelijks voor, terwijl dat juist veel zou helpen. Uit de officiële evaluatie van de Participatiewet door het SCP blijkt dat de prestaties van de arbeidsbemiddeling verslechterd en abominabel zijn.</p>
<p>Ook bij deze plichten en verboden is er een enorme controle, die veel geld kost en de bijstand tot een mensonterende gevangenis maakt. Het beeld van de bijstand als trampoline is echt lachwekkend, als de werkelijkheid niet zo tragisch was. Het beeld van het vangnet is beter &#8211;  maar dan van een net waarmee je mensen vangt om gevangen te houden. De praktijk van de Participatiewet rechtvaardigt volop een parlementaire enquête over het <em>bijstandsschandaal</em>.</p>
<p>Bedenk ook: 50% van mensen die nu in de bijstand zitten (ca. 150.000 personen) is chronisch ziek of heeft een zodanige levenslange beperking dat de reguliere arbeidsmarkt voor hen uiterst ontoegankelijk is. Als ze voor hun 18<sup>e</sup> levensjaar al volledig (&gt;80%) arbeidsongeschikt zijn, komen ze in aanmerking voor de Wajong. Er zijn nu zo’n 250.000 mensen in de Wajong. Komen zij niet voor de Wajong in aanmerking, dan vallen zij nu in de bijstand als er onvoldoende inkomen is, met alle strenge voorwaarden en verplichtingen. Voor hen is de bijstand des te meer een Kafkaëske gevangenis.</p>
<p>Door het vervallen van de plicht tot betaalde arbeid bij het individueel Zekerheidsinkomen is ook het ongestraft en zonder toestemming uitvoeren van vrijwilligerswerk en zorgtaken voor iedereen met behoud van dit Zekerheidsinkomen mogelijk. Zonder controles en zonder verantwoording vanuit de overheid. Dit is een belangrijke verbetering in de waardering van deze onbetaalde arbeid en een bijdrage aan het beter mogelijk maken van vrijwilligerswerk en zorgtaken, en kan ook de betere verdeling van zorgtaken ten goede komen. Natuurlijk kunnen mensen door het vervallen van plicht tot (betaalde) arbeid ook gewoon lui op de bank blijven hangen, maar gegeven dat dwang en drang contraproductief werkt en de andere positieve effecten van het vervallen van deze plicht, als ook onze overtuiging dat de meeste mensen wél een zinvolle dagbesteding zullen willen, en betaald werk vaak meer gaat lonen in ons plan (denk o.m. aan de hogere bruto en netto lonen), nemen we dat op de koop toe. Het principieel kiezen voor eigen regie en geen dwang of drang is belangrijker en kosten-efficiënter. Het zal maar zeer beperkt tot meer uitgaven aan de bijstand leiden. De kosten vallen naar verwachting nagenoeg weg tegen de besparingen op de uitvoering en van de overbodig geworden controles.</p>
<p>Ook de tegenprestatie in de huidige Participatiewet verwerpen we principieel en wordt met de invoering van het Zekerheidsinkomen afgeschaft. Een inkomensvangnet behoort tot een basiszekerheid, waar iedereen belasting voor betaalt, en waarvoor geen wederdienst verschuldigd behoort te zijn. Een tegenprestatie vragen is vernederend en stigmatiserend, en het helpt betrokkenen niets.</p>
<p>Het vervallen en verruimen van veel regels in de inkomensvangnetten zorgen voor veel minder controles en sancties. We zorgen daarnaast voor veel betere rechtsbescherming van uitkeringsgerechtigden met:</p>
<ul>
<li>intrekking van de Fraudewet Sociale Verzekeringen,</li>
<li>vervallen van het aparte bestuursrecht voor ontvangers van een uitkering of voorzieningen door de overheid (de gewone rechtbank wordt bevoegd in plaats van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, waardoor de rechtspositie van deze cliënten tegen een te vaak onbetrouwbaar gebleken overheid versterkt wordt – o vervalt de omgekeerde bewijslast, moet altijd inhoudelijk en ook op maat gekeken worden door de rechter, kunnen fouten niet meer aangemerkt worden als fraude en moeten sancties altijd proportioneel zijn),</li>
<li>de toegang tot het recht wordt verbeterd en we verruimen de gratis rechtsbijstand, met betere beloning voor de sociale advocatuur, en</li>
<li>we verbieden discriminerende, oncontroleerbare en te ruime (zonder concrete verdenking) opsporing in de sociale zekerheid en aanverwante regelingen met algoritmen, kliklijnen, sociale rechercheurs en ontmantelen het door gemeenten met SZW opgezette Inlichtingenbureau. In plaats van de nadruk op de zeer beperkte sociale zekerheidsfraude geven we prioriteit aan het bestrijden en bestraffen van de fiscale fraude.</li>
</ul>
<p>In de WW brengen we ook een aantal verbeteringen aan. De minimale WW-duur verlengen we van 3 naar 6 maanden. Daarmee krijgen mensen die hun baan verliezen meer tijd om een andere baan te vinden. Tevens moet er een vorm van deeltijd-WW komen, met name in tijden van crisis, waarbij werknemers tenminste 80% van hun inkomen houden en werkgevers dit solidair financieren.</p>
<p>In plaats van al deze kosten voor minimale fraude in de sociale zekerheid (de omvang werd dooraccountant PWC geschat op 153 miljoen euro (nog geen 0,75% van de uitgaven aan sociale zekerheid, in vergelijking met 4,2 miljard (!) fiscale fraude) gaan we fors investeren in betere, gratis arbeidsbemiddeling, voor iedereen die (meer, ander) betaald werk wil, onder eigen regie van de werkzoekende, uitgevoerd door regionale werkwinkels, waarin die van het UWV en de gemeenten in opgaan. De besturing en financiering van de werkwinkels wordt tripartite georganiseerd via gemeenten en sociale partners.</p>
<p>De focus moet van dwang, drang en sanctie naar facilitering, motivering en beloning. Betaald werk wordt een recht in plaats van een plicht. Activerend arbeidsbeleid wordt principieel vrijwillig en geheel onder eigen regie van de werkzoekende, zowel wat betreft waar en voor wie men werkt, hoeveel en wanneer men werkt, in welke arbeidsrechtelijke constructie (inclusief startend of herstartend ondernemer) dat is en met welke arbeidsbemiddeling dat is. We zorgen wel dat binnen dat uitgangspunt arbeidsbemiddeling goed en effectief is en dat onvrijwillige werkloosheid zoveel mogelijk voorkomen en zo kort mogelijk is.</p>
<p>De werkzoekende bepaalt welk werk hij zoekt en wat voor traject, binnen de aangeboden mogelijkheden, er gevolgd gaat volgen. Iedereen die zich meldt bij de werkwinkel krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact en aandacht is. Mensen in een Zekerheidsuitkering, in de WW en de WGA krijgen daartoe standaard een aanbod. Scholing wordt nadrukkelijk weer een belangrijk beschikbaar instrument bij de arbeidsbemiddeling (nu ontbreekt dat bijna volledig), zie hieronder ook bij het nieuwe systeem van leerrechten. We stoppen met draaideurconstructies als Flextensie en werken zonder loon, en met de uitbesteding van arbeidsbemiddeling aan uitzendbureaus. Arbeidsbemiddeling is ten principale een publieke zaak, die we niet overlaten aan de markt. Er komt een keurmerk voor de kwaliteit van bemiddeling naar werk, inclusief handhaving van de kwaliteit via een meer onafhankelijke inspectie SZW. We gaan uit van een integrale aanpak van problemen bij mensen – vaak moeten eerst andere problemen opgelost worden voordat betaald werk binnen bereik komt.</p>
<p>Ook bij de WW en de WGA gaan we veel meer inzetten op motivering en facilitering in plaats voor dwang en drang – dat kan in deze regelingen pas aan de orde komen als er eerst volop is ingezet op motivering en facilitering, en het duidelijk is dat iemand echt niet wil. Nu is er ook veel vertraging bij overgang van UWV naar gemeenten – ze hebben belang om de kosten op de ander af te wentelen en geen prikkel voor goede dienstverlening.</p>
<p>Ook mensen zonder uitkering kunnen gratis terecht bij de werkwinkels. Bijvoorbeeld omdat je ander werk wilt, of meer of minder wil werken. Of omdat je ondernemer wil worden, of juist werknemer. Jij bepaalt!</p>
<h2><a name="_Toc143177852"></a>Leerrechten en offensief tegen laaggeletterdheid</h2>
<p> </p>
<p>En na decennia lullen over levenslang leren gaan we eindelijk een goed doordracht, solidair leerrechtensysteem invoeren, waarbij voortdurende bij- na- en zo nodig herscholing de norm wordt, ook als preventie van onvrijwillige werkloosheid. Werkgevers dragen daarvan mede de lasten. Iedereen krijgt bij geboorte of immigratie een gelijk aantal leerrechten. Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs) is gratis en kost geen leerrechten. Gebruik van initieel tertiair onderwijs (mbo, hbo, wo) kost leerrechten, waarbij een hoger onderwijsniveau meer leerrechten kost. Beroepsonderwijs in vorm van werkend leren wordt daarvan vrijgesteld – gedurende zo’n leerweg gebruik je geen leerrechten, heb je recht op minimum(jeugd)loon en ontvangt de werkgever daarvoor tenminste 50% loonsubsidie in geval van aangewezen tekortberoepen. De leerrechten kunnen voorts gebruikt worden voor gecertificeerde bij- en nascholing of voor omscholing. Deze scholing wordt zoveel mogelijk op maat vormgegeven. Alleen arbeidsrelevante scholing wordt gecertificeerd.</p>
<p>Dit leerrechtensysteem komt in de plaats van het huidige les- en collegegeld, waarmee het mbo en het hoger onderwijs veel toegankelijker wordt, en ook in plaats van het huidige STAP-budget, dat nu veel gebruikt wordt voor onzinnige cursussen en nu ook geen recht is – het wordt nu verdeeld op basis van wie zich het eerst meldt, met voortdurende ICT-overbelasting zodra het periodiek wordt opengesteld. De bestaande sectorale opleidingsfondsen worden geïntegreerd in het nieuwe leerrechtensysteem. Ook de gelden voor duurzame inzetbaarheid uit het pensioenakkoord (800 miljoen euro) worden hierbij betrokken – deze gelden worden (anders dan in het pensioenakkoord) structureel gemaakt.</p>
<p>Volgen van relevante scholing door werknemers wordt verplicht deel van de beloningssystematiek, de werkgever wordt wettelijk verplicht daartoe voldoende gelegenheid te geven onder werktijd. De werkgever wordt daarmee verplicht te zorgen dat werknemers actief brede en waardevolle scholing krijgen die gekwalificeerd is.</p>
<p>Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor gratis scholing richting betaald werk. De transitievergoeding bij onvrijwillig ontslag kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor extra leerrechten. Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld.</p>
<p>De financiering van de leerrechten geschiedt tripartite door de overheid en een werkgevers- en werknemerspremie. Dit nieuwe leerrechtensysteem biedt miljoenen burgers kans op (behoud van) betaald werk, verminderd de arbeidstekorten en verlaagt aanzienlijk de individuele kosten van tertiair onderwijs.</p>
<p>Er komen ook zogeheten tweede kans beroepsbegeleidende leerweg (BBL)-trajecten. Met een combinatie van opleiding, uitkering, aanvulling van de oude werkgever en inkomen bij de nieuwe werkgever krijgen mensen bij dreigende werkloosheid de kans om omgeschoold te worden zonder dat zij ineens (een groot deel van) hun inkomen kwijt zijn.</p>
<p>Ook komt er geoormerkt budget voor scholing in de WW, met name gericht op langdurig werklozen.</p>
<p>Aan de basis versterken we de bemiddelbaarheid van (jong)volwassenen door het onderwijs enorm te verbeteren (zie hoofdstuk III) en te komen met een groot offensief tegen de enorme laaggeletterdheid van onze bevolking). Maar liefst 2,5 miljoen volwassenen in Nederland hebben moeite met lezen, schrijven en/of rekenen, en twee derde is van Nederlandse afkomst. Zo’n 25% van de leerlingen is na het voortgezet onderwijs laaggeletterd. Laaggeletterdheid is een term voor mensen die grote moeite hebben met lezen, schrijven en/of rekenen. Mensen die laaggeletterd zijn, zijn geen analfabeten. Ze kunnen wel lezen en schrijven, maar beheersen niet het eindniveau vmbo of niveau mbo-2/3. Mensen die laaggeletterd zijn hebben onder meer moeite met formulieren invullen (zorgtoeslag, belasting, etc.), straatnaamborden lezen, reizen met openbaar vervoer, voorlezen aan (klein)kinderen, pinnen en digitaal betalen, werken met de computer, solliciteren, en begrijpen van informatie over gezondheid en zorg. Daardoor kunnen ze onvoldoende meedoen in onze samenleving. Zo’n 50% van de mensen met financiële problemen is laaggeletterd en laaggeletterden lopen jaarlijks ruim een half miljard euro aan inkomsten mis, en ze vinden moeilijk goed werk. De maatschappij heeft naar schatting jaarlijks ruim 1,1 miljard euro aan maatschappelijke kosten door laaggeletterdheid. Het is echter lastig om ze te bereiken, omdat schaamte hen vaak weerhoudt om hulp te zoeken.</p>
<p>Er komt een publiek gefinancierd landelijk aanbod van basiseducatie voor laaggeletterden, gericht op basisvaardigheden op het terrein van in ieder geval taal, rekenen en digitale vaardigheden, waaronder het kunnen beoordelen van informatie op betrouwbaarheid. Gemeenten krijgen daartoe taakstellingen en voldoende, geoormerkte middelen. Er komen speciale, gratis, laagdrempelige en aantrekkelijke scholen voor basiseducatie in alle gemeenten met een extra inzet op de wijken waar dit probleem het grootst is, met een open digitaal interactief ondersteuningskanaal en een landelijk kwaliteitskader. Bij de opzet wordt samengewerkt met volwassenenonderwijs, bibliotheken en buurtwerk/wijkcentra, en met scholen in het PO en VO: scholen bemiddelen actief voor taalonderwijs voor ouders van hun leerlingen wanneer zij constateren dat die inzet nuttig kan zijn. Er komen aparte diploma’s voor de verschillende taalniveaus met een bescheiden bonus/beloning bij het behalen daarvan. Ook gaan we veel meer werk van toegankelijk volwassenenonderwijs maken. We organiseren een landelijk netwerk met volwassenenonderwijs: van tweede kans voortgezet onderwijs, van specifieke cursussen tot hoger onderwijs voor volwassenen – ondersteund door een ruim aanbod van digitaal afstandsonderwijs. Voor lage inkomens wordt dit gratis toegankelijk.</p>
<p>Bibliotheken worden gratis en worden gepromoot met taal- en leescafés, quizzen, publieke dictees e.d. We investeren in moderne bibliotheken, met moderne media en digitale toegang, die nauw samenwerken met scholen en het taalonderwijs. Bibliotheken worden leesbevorderingscentra. Iedere wijk en ieder dorp moet verplicht een fysieke, goed toegankelijke bibliotheekvoorziening hebben. Ook daarvoor krijgen gemeenten extra geld. Jongeren tot 25 jaar en inkomens tot 130% van het sociaal minimum krijgen een gratis abonnement op een onafhankelijk dagblad (al dan niet digitaal) naar keuze.</p>
<h2><a name="_Toc143177853"></a>Volledige werkgelegenheid voor iedereen die wil en kan werken, met veel nieuwe banen en een recht op een publieke basisbaan</h2>
<p> </p>
<p>We komen met een integraal Plan voor de Arbeid voor iedere kabinetsperiode. Over welk werk we wel en niet willen, over een inclusieve arbeidsmarkt, over goed en zeker werk (arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden), en over voldoende (betaald) werk.</p>
<p>Werk (betaalde arbeid) is en blijft een belangrijke bron van bestaanszekerheid. Maar werk is in onze door arbeidsdeling ontwikkelde samenleving veel meer dan inkomen. Betaald werk geeft natuurlijk in de eerste plaats een inkomen, maar werk is veel meer dan een inkomen. Het geeft zin, identiteit, structuur en sociale context aan je leven – het geeft dus binding. Mensen stellen zich vaak voor met hun naam én hun beroep. Zonder werk geen beroep, geen collega’s. Waar praat je over in je vrije tijd? En met wie? Werk is niet een ongemak wat we moeten verduren om inkomsten te kunnen generen, opdat we maar voldoende kunnen consumeren. Werk vormt ons tot wie we zijn – als er geen werk meer is, dan raakt dat ons ‘<em>zijn’</em>. Dat besef je pas goed als je het onvrijwillig niet meer hebt. Betaalde arbeid met goed en zeker werk is voor ons een belangrijke eigenstandige waarde en doelstelling.</p>
<p>In plaats van te sturen op evenwichtswerkloosheid (een door rechtse economen subjectief ‘berekend’ percentage werkloosheid dat economisch ideaal zou zijn voor onze welvaart) sturen we op volledige werkgelegenheid voor iedereen die <em>wil en kan</em> werken.</p>
<p>We kiezen er daarbij principieel voor om niet alleen in een harde, hoge vloer te leggen in uitkeringen en lonen, maar ook in de arbeidsmarkt. Dat doen we door:</p>
<ul>
<li>een inclusieve arbeidsmarkt te reguleren (zie hierna);</li>
<li>veel meer (ca. 300.000 extra) publieke banen te financieren;</li>
<li>betaald werk te behouden en uit te breiden bij overheidsinvesteringen in de woningbouw en in de energietransitie (werknemers die hun baan verliezen door deze transities worden gegarandeerd naar ander werk begeleidt met speciale transitiefondsen, zie ook hoofdstuk II); en</li>
<li>de publieke sector als ventiel te gebruiken bij dreigende hogere werkloosheid: dan breiden we de werkgelegenheid in de publieke sector uit, evenals de sociale zekerheid, in plaats van daarop te bezuinigen. Dat is effectiever en rechtvaardiger dan in die tijden met subsidies bedrijven te subsidiëren, zoals tot nu toe steeds gebeurde.</li>
</ul>
<p>Publieke banen zijn echte banen, belangrijk voor onze welvaart en ons welzijn. Er bestaat dus ook niet zoiets als ‘echte’ banen (markt) en surrogaat­banen (publiek). Werk in de publieke sector is voor de economie net zo van belang als werk in de private sector. Of het een politieagent of een commerciële beveiliger is die zijn geld uitgeeft, maakt voor de binnenlandse bestedingen niets uit.</p>
<p>Als linkse partij zijn we ideologisch voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. Naarmate producten dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids-) productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw. Een euro besteed door de overheid levert gemiddeld genomen meer werkgelegenheid op dan een euro besteed door de markt. Dat heeft met drie dingen te maken:</p>
<p>(1) de overheid kan sturen op werkgelegenheid, de markt doet dat niet;</p>
<p>(2) de publieke sector bestaat vaker uit diensten en dat is arbeidsintensiever; en</p>
<p>(3) publieke bestedingen vloeien minder weg naar het buitenland.</p>
<p>Bovendien zijn er ernstige tekorten aan goed opgeleide professionals bij overheden en publieke sectoren, met hoge werkdruk en te lage kwaliteit als gevolg. De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, hebt veel eigen regel- en budgetruimte, en je verdient ook goed, en bent als regel in vaste dienst.  In hoofdstuk III gaan we nader in op de maatregelen in de volkshuisvesting, de zorg, het onderwijs en de kinderopvang, en de veiligheidssectoren. Ook de welzijnssector, bibliotheken, het openbaar vervoer, publieke energiebedrijven en netbeheerders en andere publieke diensten hebben dringend personele versterking nodig – zie elders in dit hoofdstuk (welzijn, bibliotheken) respectievelijk in hoofdstuk III (OV, energie).</p>
<p>Aparte aandacht is nodig voor werkgelegenheid voor onderhoud en beheer bij de overheid. Dat is sterk verwaarloosd. Het gaat daarbij niet alleen om infrastructuur als wegen, rails, bruggen, tunnels, dijken en waterkeringen, maar zeker ook om ICT. We richten een nieuw, sterk, toonaangevend ICT-expertcentrum voor de publieke sector en voor vitale publieke belangen op. Dat ook gericht is op versterking van de beveiliging en van de privacy van burgers.</p>
<p>Ook zijn er extra banen nodig in de publieke uitvoeringsdiensten – Belastingdienst, UWV, SVB, DUO, CBR, COA, IND, Rijkswaterstaat, Werkwinkels, etc. En we stellen een Uitvoeringskamer in, dat onafhankelijk en openbaar adviseert en onderzoek doet vooraf en tijdens de uitvoering van grote projecten en van onderhoud en beheer door overheden. Het wordt een pendant van de Algemene Rekenkamer, met gelijksoortige positionering en bevoegdheden.</p>
<p>We geven speciaal aandacht aan voldoende laaggeschoolde arbeid – niet iedereen kan helaas toegang krijgen tot hooggeschoolde arbeid. Vuil, zwaar en geestdodend werk beperken we niettemin zoveel mogelijk, robotisering en automatisering (inclusief AI) gebruiken we vooral om beter werk te regelen voor laaggeschoolden, niet om dat werk te vervangen. De overheid moet samen met bedrijven via technologieontwikkelaars en kennisinstituten investeren in een ambitieuze robotagenda waarin een mensgericht technologieontwerp centraal moet staan, en in scholing en opleiding hiervoor. Robotisering moet gericht zijn op veranderingen van werk, niet op verlies van werk. We gaan de gewenste ontwikkelingen en toepassingen subsidiëren. Kunstmatige intelligentie (KI) gaan we goed reguleren, opdat de mens aan het stuur blijft, risico’s zoveel mogelijk beperkt worden en er meer tijd beschikbaar komt voor creativiteit en menselijk contact in het werk. Voorts is er beleid en inzet nodig om te voorkomen dat de digitale kloof de ongelijkheid met KI nog verder versterkt en zijn er beperkingen in het energie- en waterverbruik nodig: KI kost ontzettend veel stroom en koelwater (zie ook hoofdstuk II).</p>
<p>En we gebruiken naar Belgisch model dienstencheques dat laaggeschoold werk legaal wit maakt. Een dienstencheque is een waardebon waarmee particulieren op een belastingvriendelijke manier huishoudelijke diensten kunnen kopen. Ze hebben tot doel laaggeschoolden werk te laten doen dat daarvoor vaak zwart werd gedaan.</p>
<p>We stellen behoud en uitbreiding van laaggeschoold werk als eigenstandig doel met bijbehorende financiering in de publieke sector, de overheid dient op te treden als ‘<em>employer of last resort</em>’ – arbeid als meer belangrijke waarde dan efficiënte bedrijfsvoering in de publieke sector. De term is van de PvdA commissie Melkert, die in november 2013 met haar rapport <em>‘De bakens verzetten – De economie terug naar de mensen’</em> kwam. De commissie stelde de retorische vraag waarom de overheden tijdens de crisis wel de rol van <em>‘banker of last resort’</em> spelen, maar niet de <em>‘employer of last resort’</em>. Daarbij worden bijvoorbeeld de schoonmakers, de hoveniers voor het openbare groen, de beveiliging, het caterings- en kantinepersoneel, weer in vaste dienst bij overheden en publieke instellingen genomen. Denk aan ook aan extra banen als conciërges, conducteurs, klassenassistenten, huishoudelijke hulp, burger/klantcontacten, buurtwachten, brugwachters, vuurtorenwachters, etc. Waar bijv. de administratie en andere ondersteuning nodig en nuttig is, kan baansplitsing plaatsvinden, waarbij deze taken door lager geschoolden worden overgenomen.</p>
<p>Ook sommige privatiseringen, zoals bij het openbaar vervoer, de nutsbedrijven en de post, pakken slecht uit voor laaggeschoolden. Het arbeidsintensieve karakter van deze sectoren en de concurrentiestrijd geven nu een voortdurende prikkel tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden. En dus tot het gevaar van een volgende race naar de bodem, zoals we die ook in de thuiszorg hebben gezien. We draaien de privatisering van het OV en nutsbedrijven terug (zie hoofdstuk II) en bannen de marktwerking uit in de zorg (zie hoofdstuk III) en uit de arbeidsbemiddeling en de inburgering (zie elders in dit hoofdstuk). In andere sectoren, waarin ook publieke belangen spelen (banken, post, communicatie) zetten we zwaarder in op regulering (zie ook elders in dit hoofdstuk).</p>
<p>Er komen per publieke sector afzonderlijke banenplannen met aparte doelstellingen en instrumenten voor laaggeschoolde arbeid.</p>
<p>Als sluitstuk voor een vloer in de arbeidsmarkt komt er nog deze kabinetsperiode een recht op een publieke basisbaan, voor iedereen die niet op de reguliere arbeidsmarkt terecht kan – zonder toegangsselectie en zonder drang of dwang. Publieke en non-profitinstellingen kunnen deze banen voor rijkbekostiging (de financiering loopt niet meer via gemeenten) aanmelden bij de werkwinkels, en de enige toets daarbij is dat men daarmee geen bestaande, reguliere betaalde arbeid verdringt. Er is genoeg werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, in sportclubs, in speeltuinen, en noem maar op. Zo leggen we ook een vloer in de arbeidsmarkt. Anders dan bij de oude Melkertbanen is doorstroming naar een andere baan geen doel – basisbanen zijn echte banen. Er is niets mis met gesubsidieerd werk. Deze basisbanen worden met regie van de werkzoekende op maat gemaakt, zo nodig met ondersteuning als werkplekaanpassing, jobcoaching, etc. Werknemers op basisbanen krijgen een normaal vast contract met alle zekerheden, waaronder tenminste het minimumloon, loondoorbetaling bij ziekte en opbouw aanvullend pensioen. De kritiekpunten op de huidige basisbanen (weinig interesse bij private werkgevers, teveel plichten en regels, geen volwaardig werk, te weinig financiering, slechte rechtspositie met te laag loon, geen pensioen en geen vast werk, verdringing van bestaande betaalde arbeid) worden met deze uitwerking weggenomen.</p>
<p>We gaan ook werkgeverslasten verlagen en prikkels invoeren voor meer werk. Dat doen we door:</p>
<ul>
<li>de franchise (vaste korting per werknemer) in de grondslag voor werkgeverslasten te verhogen zodat bedrijven met meer werknemers een relatief voordeel genieten ten opzichte van kapitaalintensieve bedrijven, en dat nog meer te doen voor laaggeschoold werk. Denk aan computerhulp aan huis, de piccolo terug in hotels, baliefuncties in de zakelijke dienstverlening. Anders dan bij het huidige Lagere Inkomens Voordeel (LIV) wordt deze korting niet gerelateerd aan lage inkomens, maar aan bezetting van functies door laaggeschoolden;</li>
<li>de Ziektewet (loondoorbetaling bij ziekte) voor het kleinbedrijf voor het eerste half jaar een collectieve verzekering van te maken; en</li>
<li>premiedifferentiatie in de WW-premies in te voeren, waarbij werkgevers die grote aantallen werknemers de WW insturen meer premie betalen. Dat levert structurele werkgelegenheid op, zonder extra lasten voor de overheid. De financiële verantwoordelijkheid voor het eerste halfjaar van de WW leggen we volledig bij werkgevers in het midden- en grootbedrijf. Daarmee wordt de structurele werkgelegenheid ook vergroot, terwijl daarbij het saldo voor de overheidsfinanciën positief uitvalt. In beide gevallen worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers. Ontslaan wordt kostbaarder en dus ontmoedigd.</li>
</ul>
<p>In onze voorstellen voor een nieuw belastingstelsel (zie elders in dit plan) verlagen we voorts de lasten op inkomen uit arbeid en verhogen we die op kapitaal, vervuiling (incl. broeikasgassen) en uitputting van grondstoffen en drinkwater.</p>
<h2><a name="_Toc143177854"></a>Betere regelingen voor mensen met een (arbeids-)beperking, voor ouderen en voor jongeren</h2>
<p> </p>
<p>We geven speciale aandacht aan de inkomensregelingen en arbeidsmogelijkheden voor specifieke groepen, in de eerste plaats voor mensen met een arbeidsbeperking, maar ook voor ouderen en jongeren (waaronder studerenden) met hun eigen regelingen die nu problemen veroorzaken. Hun regelingen worden fors verbeterd.</p>
<p>Voor de 1,2 miljoen mensen met een (arbeids-)beperking gaan we in de eerste plaats het VN-Verdrag Handicap, dat een toegankelijke en inclusieve samenleving wil, stapsgewijs afdwingbaar maken, met een investeringsplan tot 2030 die dat mogelijk maakt. Met een recht op schadevergoeding bij overtreding. Alle openbare ruimten en gebouwen, woningen, horeca, winkels, het openbaar vervoer, informatievoorziening, verkiezingen, etc. moet voor mensen met een beperking wettelijk verplicht maximaal toegankelijk worden gemaakt binnen een in het plan opgenomen termijn. Het zorgvervoer heeft daartoe ook een structureel hoger budget nodig. Waar nodig worden trainingen verzorgd om mensen zoveel mogelijk zelfstandig te laten reizen.</p>
<p>We dwingen een inclusieve arbeidsmarkt af met scherpere en effectievere regelgeving. We voeren een bindend quotum in voor het aantal mensen met een arbeidsbeperking bij de overheid en bedrijven met 25 of meer werknemers. Werkgevers van mensen met een arbeidsbeperking ontvangen een bonus hiervoor. Ze worden actief benaderd door de werkwinkels/expertcentra om aan het quotum te voldoen en hen daarbij te helpen. In hun jaarverslag moeten werkgevers erover rapporteren. De Inspectie SZW ziet toe op handhaving van het quotum en legt bestuurlijke boetes op bij het niet voldoen daaraan. We stellen in aanbestedingen door overheden en publiek bekostigde instellingen een norm voor <em>social return on investment</em> verplicht.</p>
<p>Mensen die minder productiviteit hebben en/of niet voltijds kunnen werken vanwege hun beperking krijgen wettelijk gegarandeerd hun voltijds functieloon – hun werkgever ontvangt daartoe loonsubsidie. Dit komt in plaats van de huidige loonsuppletie aan de werkende met een beperking. Deze loonsuppletie zorgt nu voor te lage inkomens en onredelijke, zware verplichtingen en voorwaarden, die mensen met een arbeidsbeperking tot structurele armoede veroordeeld.</p>
<p>Regelingen voor ondersteuning van de werkgevers (bijv. aanpassing werkplek, coaching, no-riskpolis voor loondoorbetaling bij ziekte) worden sterk vereenvoudigd – de professionals op de werkwinkels krijgen veel vrijheid om op maat de juiste ondersteuning toe te kennen. De bestaande regelingen voor garantiebanen en beschut werk vervallen en worden vervangen door één simpele regeling, met veel uitvoeringsvrijheid. Het is nu allemaal veel te complex met allemaal aparte voorwaarden en regelingen. Er zijn nu verschillende indicaties en bijbehorende geldstromen die het bemoeilijken om mensen aan het werk te helpen: beschut werk, garantiebanen (werkplekken bij bedrijven voor arbeidsgehandicapten, toegezegd door het bedrijfsleven), recht op job coaching. Allemaal met de beste bedoelingen georganiseerd. Maar als je vastlegt wie in aanmerking komen, sluit je ook mensen uit. Het blijkt alleen maar lastiger te zijn geworden. Beter is: één regeling en dan per individu maatwerk laten organiseren met meer budget- en regelvrijheid voor de uitvoerende, goed opgeleide professional.</p>
<p>De sociale werkvoorziening gaat weer open en wordt gemoderniseerd in ontwikkelingsbedrijven voor mensen waar de reguliere arbeidsmarkt een grote afstand toe heeft, waarbij zij in dienst van deze ontwikkelingsbedrijven zelf, of bij andere werkgevers gedetacheerd, betaald werken. Zij ontvangen tenminste een vast contract, minimumloon, opbouw aanvullend pensioen, recht op begeleiding en ontwikkeling, en loondoorbetaling bij ziekte. Mensen bepalen zelf of en hoe ze gebruik maken van de mogelijkheden van een sociaal ontwikkelingsbedrijf. Deze sociale ontwikkelingsbedrijven worden ook als expertisecentrum voor mensen met een arbeidsbeperking gekoppeld aan de regionale werkwinkels, in elke arbeidsregio één. Daar gaat ook de onafhankelijke keuring voor (de mate van) arbeidsgeschiktheid plaatsvinden. De bekostiging van sociale ontwikkelingsbedrijven gaat van gemeenten naar het Rijk.</p>
<p>De regeling voor jonggehandicapten (Wajong) wordt overbodig door het Zekerheidsinkomen. Voor hen vervalt daarmee de huidige keuring. De uitkering is immers niet meer afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid (overigens heeft 98% van de mensen in de Wajong een volledige uitkering).</p>
<p>De regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (de WGA in de WIA) wordt toegankelijker (vanaf 15% in plaats van 35% arbeidsongeschiktheid), de resterende verdiencapaciteit bepalen we niet langer door uit te gaan van 65% van het laatst verdiende loon, maar van 85% van het modale loon (hierdoor gaan lagere inkomens erop vooruit) en we verruimen de inkomenstoetsgrenzen net zoals bij het Zekerheidsinkomen. Er zijn nu zo’n 375.000 mensen met een WIA-uitkering, dat aantal stijgt hard, zo hard dat er een groeiende wachtlijst is voor de medische keuring in de toegang tot de regeling. Van de mensen in de WIA heeft 40% een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten; een uitkering op grond van de WIA), die zijn duurzaam volledig (&gt;80%) arbeidsongeschikt verklaard, en de rest heeft een WGA-uitkering (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten; ook een regeling op grond van de WIA), die zijn tijdelijk en/of deels arbeidsongeschikt verklaard. De IVA-uitkering is 75% van je laatst verdiende salaris, tot je met pensioen gaat. De WGA-uitkering hangt af van je arbeidsverleden en van hoeveel je nog wel kan werken (‘<em>arbeidsvermogen’</em>). Voor beide uitkeringen geldt een maximum-uitkering (4660 euro per maand). Voor de WGA beoordeeld na de medische keuring voor mate van arbeidsgeschiktheid een arbeidsdeskundige het resterende arbeidsvermogen, die bepaalt wat voor banen je nog wel zou kunnen doen en wat je daarmee kan verdienen. Is dat minder dan 65% van je laatstverdiende salaris, dan krijg je een WGA-uitkering. Dat betekent dat met 35% of minder arbeidsongeschiktheid je dus nu niets ontvangt – velen kunnen echter hun werk niet meer doen. De eerste twee jaar dat je ziek bent is de werkgever verplicht je loon door te betalen, maar dat geldt nu niet voor flexwerkers. Daarna krijg je of WIA, of bijstand. Afhankelijk van je arbeidsverleden duurt een WGA-uitkering tussen de 3 en 38 maanden. Soms is er dan nog een – lagere – vervolguitkering mogelijk, anders val je nu terug in de bijstand. De gedachte achter de WIA was dat mensen nog zoveel mogelijk gedeeltelijk gaan werken naast hun WGA-uitkering. Dat gebeurt echter nauwelijks. Mensen die in de WAO zaten toen de WIA werd ingevoerd bleven in de oude regeling. Het is hoog tijd om de schrijnende problemen in de WIA aan te pakken.</p>
<p>De subsidieregelingen voor loondoorbetaling bij ziekte voor mensen met arbeidsbeperking worden tegelijkertijd verbeterd en deze komen ook beschikbaar voor 55-plussers en mensen die langdurig werkloos zijn geweest.</p>
<p>Met de invoering van het Zekerheidsinkomen is geen aparte regeling meer nodig voor arbeidsongeschiktheid bij zzp-ers voor een uitkering op het niveau van het sociaal minimum, zoals was voorzien in het pensioenakkoord. In plaats daarvan stellen we een verplichte publieke verzekering voor die het Zekerheidsinkomen aanvult tot het in te voeren wettelijk minimumtarief voor zzp-ers voor, die in rekening wordt gebracht bij opdrachtgevers. Deze aanvulling wordt vrijgesteld als inkomen bij het Zekerheidsinkomen.</p>
<p>Voor ouderen wordt het basispensioen (de AOW) drastisch verbeterd: het wordt al direct veel hoger, de uitkering wordt voor 2028 niet meer gekort wegens samenwonen en we schrappen dan ook de opbouweis waar met name veel migranten last van hebben. Dit werkt door in lagere aanvullende pensioenen omdat de AOW daar als franchise geldt. Het maakt de zekerheid van aanvullende pensioenen wel groter en ook de totale stabiliteit van de ouderdomsvoorziening groter – het aandeel daarin van het omslag gefinancierde stelsel (AOW) wordt groter ten koste van het kapitaal gefinancierde stelsel (aanvullend pensioen). Dit is tevens een nivellering die ten goede komt aan de arme ouderen met geen of zeer klein aanvullend pensioen. Door aanvullend pensioen ook gewoon te gaan belasten (zie bij het belastingstelsel) kan deze nivellering nog verder versterkt worden en de verhoging van de AOW beter gefinancierd worden.</p>
<p>De AOW-leeftijd wordt inkomensafhankelijk gegeven de enorme ongelijkheid in levensverwachting. Lage inkomens gaan gemiddeld eerder werken, betalen langer premie, gaan eerder dood en genieten dus minder lang van hun pensioen. Dat is stuitend onrechtvaardig. Voor lagere inkomens (op basis van gemiddeld inkomen per jaar vanaf 18 jaar t/m 60 jaar) gaat de AOW-leeftijd omlaag. Totdat dit kan worden ingevoerd wordt de AOW-leeftijd bevroren.</p>
<p>De enorme ongelijkheid in ons land komt het meest schrijnend tot uiting in verschillen in levensverwachting, en een uniforme pensioenleeftijd is daarom extreem onrechtvaardig. De hoogste inkomens in Nederland leven gemiddeld negen jaar langer leven dan de laagste inkomens. Mensen met een laag inkomen en een lage opleiding (basisonderwijs + vmbo) leven in ons land zelfs 25 jaar minder in goede gezondheid dan mensen met een hbo- of universitaire opleiding en een hoog inkomen. Laagopgeleiden beginnen gemiddeld eerder met werken en werken daardoor gemiddeld 10 jaar langer dan hoopopgeleiden. Ze betalen daardoor langer premies, betalen mee aan de studie van de hoogopgeleide en gaan gemiddeld eerder dood, dus krijgen minder lang een pensioenuitkering.</p>
<p>De kosten van een vroegere pensioenleeftijd voor de lagere inkomens verhalen we door een lagere vrijstelling (franchise) in de werkgeverslasten bij beroepen waarin statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerder arbeidsongeschiktheid is – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken.</p>
<p>Alle werkenden vanaf 18 jaar gaan verplicht aanvullend pensioen opbouwen. Zzp-ers gaan dat doen bij een eigen, apart pensioenfonds (zie ook bij goed en eerlijk werk).</p>
<p>Er komt meer kans op indexering en minder op korting van aanvullende pensioenen als we een minder risicovol vermogensbeheer (wettelijk gereguleerd, incl. toepassing van de Wet Normering Topinkomens publieke sector op pensioenfondsen én hun uitvoeringsorganisaties, incl. externe vermogensbeheerders) toepassen. Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler. Met het huidige pensioenvermogen en de huidige premies is een rendement van 2,5% boven op de inflatie al genoeg om de toekomstige pensioenen te garanderen, inclusief indexatie, de vergrijzing en hogere leeftijdsverwachting. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Door bijvoorbeeld te beleggen in huurwoningen is een constant rendement van 4-5% mogelijk. Datzelfde geldt voor rendement uit hypotheken: zouden niet banken maar pensioenfondsen de hypotheekleningen verstrekken, dan kwam de hypotheekrente terecht bij (toekomstige) gepensioneerden in plaats van bij de aandeelhouders van banken. Pensioenfondsen moeten ook breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. Het is ook in het belang van de deelnemers van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie.</p>
<p>We gaan daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn. Producten met een te hoog risicoprofiel worden uitgesloten en verboden. Zoals bijvoorbeeld hedgefondsen, private equity en derivaten. Ook niet duurzame en niet sociale investeringen worden wettelijk uitgesloten en verboden. Valutarisico liever ook zoveel mogelijk uitsluiten. Geen valutarisico betekent dat je dat risico ook niet hoeft af te dekken. Pensioenfondsen moeten zich zoveel mogelijk richten op goed renderende investeringen in onze Europese economie. Woningen, hypotheken, bedrijven groot en klein. We maken van onze pensioenfondsen weer gewoon publieke investeerders. Dat zorgt er ook voor dat de absurde kosten die private vermogensbeheerders nu in rekening brengen bij pensioenfondsen – 14 miljard euro in één jaar! – fors omlaag gaan.</p>
<p>We gaan de doelstellingen en randvoorwaarden van het Pensioenakkoord en de nieuwe Pensioenwet zorgvuldig monitoren bij de voorbereiding van de invoering ervan. Het invaren van 1600 miljard euro aan collectief pensioenvermogen in 20 miljoen individuele zit vol risico’s, ook al omdat er ernstige gebreken zijn in de administraties van veel pensioenfondsen. Er dreigen ook enorme aantallen rechtszaken bij dit invaren. Als het invaren niet rechtvaardig en zorgvuldig kan gebeuren, zullen we niet aarzelen de invoering uit te stellen of zelfs van de individualisering af te zien.</p>
<p>De vervanging van de doorsneepremie bezien we eveneens opnieuw – als iedereen pensioen opbouwt, zoals hiervoor bepleit, is dat niet nodig.</p>
<p>Vooruitlopend op de invoering van de wet dient per direct de huidige rekenrente te worden afgeschaft en wordt een meer reële rente toegepast. We bezien de nieuwe systematiek opnieuw op zijn gevolgen bij sterk stijgende marktrenten, zoals die nu te zien zijn. Een duurzaam koopkrachtig aanvullend pensioen voor alle werkenden is en blijft daarbij het uitgangspunt.</p>
<p>De premiebegrenzing vervalt – als dat nodig is moet ook premieverhoging en bijstorten van werkgevers mogelijk blijven. Het eenzijdig beleggen van de risico’s bij gepensioneerden en/of werkenden is niet solidair. We zorgen voor betere collectieve (mede)zeggenschap bij de pensioenfondsen.</p>
<p>In hoofdstuk III worden ook forse verbeteringen voorgesteld voor de ouderenzorg, hun eigen bijdragen vervallen (zie ook elders in dit hoofdstuk). Er gaat levensloopbestendig gebouwd worden als norm en er komen nieuwe woonzorgvormen, met veel eigen regie.</p>
<p>Voor jongeren gaan gelijk met de verhoging van het minimumloon de jeugdlonen en -uitkeringen fors omhoog. Het regulier minimumloon en sociaal minimum gaat gelden vanaf 18 jaar, direct met de verhogingen daarvan. Nu ontvangen 20-jarigen slechts 80% van het WML, 19-jarigen slechts 60% en 18-jarigen zelfs maar 50%. We verhogen daarbij het minimumjeugdloon naar 85% van het WML voor 17-jarigen (nu 39,5%), naar 70% voor 16-jarigen (nu: 34,5%) en naar 55% voor 15-jarigen (nu: 30%). De huidige wachttijd van een maand voor bijstandsgerechtigden die jonger zijn dan 27 jaar vervalt vooruitlopend op het nieuwe Zekerheidsinkomen.</p>
<p>Tegelijkertijd gaan we kinderarbeid strenger reguleren. Jongere kinderen mogen niet werken. Daar zijn nu wel teveel uitzonderingen op. De voorwaarden waaronder minderjarigen mogen werken scherpen we aan: we verbieden dat werkgevers meer dan een kwart van bepaalde functies laten vervullen door minderjarigen en we beperken het aantal uren dat een minderjarige per dag en per week mag werken, en verscherpen het verbod op arbeid in de avond/nacht en op gevaarlijk werk. Het zijn van zelfstandig ondernemer wordt eveneens beperkt tot meerderjarigen. Teveel vindt er nu met kinderarbeid verdringing van arbeid plaats. Het verbod op kinderarbeid is één van de grote resultaten van sociale strijd en we moeten de huidige uitholling daarvan keren.</p>
<p>Op termijn brengen we ook de studenten (incl. mbo) onder de werking van het Zekerheidsinkomen. Naast het vervallen van les- en collegegeld voor alle leeftijden (bij invoering van het hiervoor genoemde leerrechtensysteem), krijgen voltijds studenten van 18 jaar tot en met 27 jaar eerst weer een basisbeurs van 500 euro per maand, ongeacht hun woonsituatie. Daarenboven ontvangen studenten met een laag ouderlijk inkomen een aanvullende beurs, die maximaal tezamen met de basisbeurs gelijk is aan de hoogte van het verhoogde sociaal minimum. We verhogen de basisbeurs (met gelijke verlaging van het maximum van de aanvullende beurs) jaarlijks met 100 euro per maand, totdat de basisbeurs gelijk is aan het sociaal minimum en dus aan het Zekerheidsinkomen. Alsdan wordt de aparte studiefinanciering afgeschaft en krijgt deze groep studenten ook recht op het Zekerheidsinkomen, voor hen het aloude ideaal van studieloon.</p>
<p>We gaan instroom van studenten uit het buitenland beter reguleren. Binnen de EU gaan we regelen dat er geen recht is op gelijke studiefinanciering en gelijke studiekosten in het gastland, maar volgens de regels en met financiering van het land van herkomst. Daarnaast gaan we een programma opzetten voor enerzijds goede studenten uit het buitenland in Nederlandse tekortberoepen en anderzijds een programma gericht op studenten uit arme landen als vorm van ontwikkelingssamenwerking, gepaard gaande met samenwerking tussen onderwijsinstellingen in het land van herkomst.</p>
<h2><a name="_Toc143177855"></a>Eerlijk delen van werk en verlof en het bestrijden van arbeidstekorten</h2>
<p> </p>
<p>We gaan ook het betaald werk eerlijker verdelen, met een collectieve arbeidstijdverkorting naar 32 uur per week, met behoud van loon tot tenminste anderhalf modaal. Zo nodig doen we dat in twee kabinetstermijnen.</p>
<p>Opdat niet de één bezwijkt onder de werkdruk en de ander onvoldoende uren maakt om een zeker inkomen en voldoende opbouw van pensioen te kunnen bereiken, en er ook een ontspannen samenleving mogelijk is, met voldoende tijd om naast betaald werk ook zorg voor kinderen en/of anderen mogelijk te maken en gelijk te kunnen verdelen, en er ook voldoende tijd is voor vrijwilligerswerk en voor ontspanning. Waar de ene werknemer dreigt te bezwijken onder werkdruk en jonge gezinnen klagen over te weinig tijd voor zorgtaken voor hun kinderen én voor hun mantelzorg behoevende ouders, zitten anderzijds veel mensen die graag weer zouden werken of meer uren zouden willen werken onvrijwillig teveel thuis op de bank. Tweeverdieners zijn de norm geworden, maar ook uit noodzaak om de stijgende vaste lasten nog te kunnen financieren. Onvrijwillige alleenverdieners hebben het nakijken. Hoe belangrijk werk ook is, leven is meer dan werk alleen. Dat moet en kan beter. We zullen naar meer dwingende en effectieve verdeling van werk moeten.</p>
<p>Tijdens de komende kabinetsperiode vergroten we al wel het zorgverlof naar tien dagen kraamverlof en vier maanden ouderschapsverlof voor beide partners, overeenkomstig het voorstel van de Europese Commissie, en wel volledig doorbetaald en volgens het Noorse model: iedere partner heeft een individueel recht en als één van die partners zijn of haar verlof niet opneemt vervallen bij die partners vakantiedagen. Daarmee verdelen we het zorgverlof eerlijker over de genders</p>
<p>Voor een ruimhartiger vaderschaps- en ouderschapsverlof zijn veel argumenten aan te dragen. Het is beter voor de baby, die op minder jonge leeftijd naar de crèche hoeft en een meer betrokken vader krijgt.  De arbeidsparticipatie van vrouwen zou omhooggaan wanneer zij in eerste instantie langer bij hun baby kunnen blijven; zorgtaken raken blijvend beter verdeeld tussen vaders en moeders; en discriminatie op de arbeidsmarkt tegen vrouwen zou dalen op het moment dat een werkgever weet dat zowel een man als een vrouw een tijd uit de running zal zijn in het geval van voortplanting. En, door ouderschapsverlof betaald te maken wordt het voor iedereen toegankelijk: dit kan helpen sociale en economische ongelijkheid tegen te gaan. Het is dus goed voor het kind, voor de emancipatie én voor de gelijkwaardigheid binnen relaties en in de maatschappij om ouders allebei de kans te geven (even)veel tijd met hun pasgeboren baby door te brengen. Daar komt bij dat het kostwinnersmodel terecht uit de mode raakt en ook vaders meer en beter betrokken willen zijn bij de opvoeding van hun kinderen. Naast dat dit meer banen voor anderen laat, draagt dit bij aan een meer ontspannen arbeidsbestel, waarin erkend wordt dat kwaliteit van leven niet bestaat uit werk alleen.</p>
<p>Er komt ook een wettelijk betaald mantelzorgverlof en we verruimen de respijtzorg. Nu is er alleen onbetaald zorgverlof. Respijtzorg geeft mantelzorgers tijd om op adem te komen, door de mantelzorg tijdelijk over te nemen.</p>
<p>De collectieve arbeidsverkorting vergroot enerzijds de vraag naar arbeid en dus de tekorten, maar zal anderzijds ook de bereidheid en mogelijkheden voor vrouwen om meer voltijds (dus: 32 uur per week) te werken vergroten, zeker in combinatie met de uitbreiding en modernisering van het zorgverlof. Het is onze overtuiging dat de uitkomst uiteindelijk beter werkt in de strijd tegen arbeidstekorten – en dat dit pakket beter werkt dan voltijdsbonussen. Het pakket maakt vrouwen ook financieel veel meer zelfstandiger, o.m. doordat ze veel meer aanvullend pensioen zullen opbouwen en bij verlies van partner meer zelfstandig inkomen zullen hebben, zonder dat er dwang of drang opgelegd wordt.</p>
<p>Maar de tekorten zijn zo groot, structureel en stijgend door vooral de vergrijzing, dat er meer nodig is. We investeren daarom ook meer in betere scholing en zorgen dat het beroepsonderwijs beter aansluit om de belangrijke tekorten (in de publieke sector, in de bouw, in de energietransitie) te helpen op te lossen – daarbij kunnen ook beroepsopleidingen die opleiden tot waar we juist ongewenste overschotten hebben ook beperkt worden.</p>
<p>We willen voorts arbeidsrelaties hechter maken. Dat betekent dat er afscheid worden genomen van het idee dat het goed is dat werknemers regelmatig van baan wisselen, het soort dynamiek dat veel economen ten onrechte zien als een kenmerk van een goed functionerende arbeidsmarkt. Alleen al het wisselen van banen zorgt er nu voor dat er gemiddeld over het jaar bijna 400.000 openstaan. Een groot deel van dat probleem wordt al opgelost als werknemers vaker op hun plek zouden blijven. Als gedurende één kwartaal geen jongeren zouden vertrekken, zijn zo ongeveer alle vacatures in de zorg vervuld. Ook in het onderwijs is de uitstroom van startende leraren enorm hoog. Dat tegengaan gaan we grote prioriteit geven.</p>
<p>Ook moeten we veel meer investeren in voorkomen van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. De enorme hoge cijfers van ziekteverzuim in sommige sectoren (bijv. 10% in de kraamzorg) schreeuwen om verbetering van de arbeidsomstandigheden, met minder werkdruk, veel minder bureaucratische verantwoording en veel meer professionele zelfstandigheid en zeggenschap. We gaan voorts de werkgevers mede verantwoordelijk maken voor deze preventie, door ze onder meer te verplichten tijdig naar ander werk te begeleiden bij dreigende werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, en ze anders de rekening daarvan laten betalen. We gaan werkgevers daarbij ook helpen door verplichte gratis periodieke controles op gezondheid en verplichte periodieke loopbaangesprekken door de werkwinkels (onder werktijd met behoud van loon) en effectieve gratis advisering van werkgevers over deze preventie door de werkwinkels. Het hiervoor gepresenteerde leerrechtensysteem gaat ook veel helpen, evenals de elders in dit plan genoemde algemene gezondheidspreventie maatregelen.</p>
<h2><a name="_Toc143177856"></a>Migratie als kans</h2>
<p> </p>
<p>En we stimuleren en faciliteren gereguleerde immigratie en snellere, effectievere integratie, ook als instrument om de arbeidstekorten op te lossen. In plaats van als bedreiging zien we migratie als een kans. Onze geschiedenis laat bij uitstek zien dat de impuls van nieuwe migranten ons vooral steeds verder gebracht heeft in onze ontwikkeling. Mits we het goed organiseren, kunnen we dat prima aan. De tekorten in onze verzorgingsstaat – in de volkshuisvesting, in de zorg, in het onderwijs, etc. – zijn niet het gevolg van migratie, maar van neoliberaal beleid. </p>
<p>Het is ook een mythe dat migranten vertrekken om goede sociale voorzieningen elders te krijgen. Veruit de meeste migranten hebben uitstekende redenen om de grote stap en grote risico’s te aanvaarden – die redenen liggen in het land van herkomst, niet hier. Het is de typische zondebokkenstrategie van extreemrechts om migranten als oorzaak van problemen aan te merken.</p>
<p>Met goede scholing en arbeidservaring, en niet het risico lopen van gesloten grenzen na remigratie, kan migratie ook een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van de landen van herkomst, na terugkeer van een deel van de migranten. We gaan dan ook niet mee in het frame van ‘gelukzoekers’ – alsof mensen alleen recht hebben om te migreren als de bommen om hun heen vallen. Ieder mens is een gelukzoeker, wil een goede toekomst voor de eigen kinderen – dat begrip voor elkaars menselijkheid is iets waarvoor wij staan.</p>
<p>We stoppen met het opbouwen van Fort Europa. We breken de muren en hekken af. We treden hard op tegen mensenrechtenschendingen bij de grensbewaking aan de buitengrenzen van de EU en van de Schengenlanden. We sluiten geen overeenkomsten met landen van herkomst voor het terugsturen van afgewezen vluchtelingen indien daar voorwaarden aan gesteld worden waarbij kritiek op mensenrechten in dat land minder mogelijk wordt en/of de controle op mensen uit dat land in Nederland groter kan worden. En we sluiten evenmin overeenkomsten met landen om migranten daar, net buiten de EU, te houden. We nemen afstand van het afschrikkingsbeleid zoals in Denemarken.</p>
<p>We vervangen het restrictieve en ontmoedigende asielbeleid door gereguleerde, veilige asielmogelijkheden, met loketten in de regio van herkomst en veel betere, gratis ondersteuning bij integratie voor alle vreemdelingen die hier komen. Zo kunnen mensen bij EU-kantoren en Nederlandse ambassades ter plekke geregistreerd en gescreend worden. Vluchtelingen die aan de criteria voldoen, kunnen dan legaal en veilig komen. Daar komt geen smokkelaar aan te pas. Zo worden de kampen in de regio ontlast. Het aantal te hervestigen vluchtelingen op voordracht van het UNCHR uit kampen <em>‘in de regio’ </em>verhogen we van 500 naar 5000 per jaar. Migratie goed en ruimhartig organiseren is een vorm van internationale solidariteit.</p>
<p>We blijven uiteraard lid van alle internationale verdragen over vluchtelingen, juist nu, nu de wereld zo onveilig is. Ruimere asielregels en betere asielmogelijkheden zorgen voor minder druk op de buitengrenzen en maken benodigde capaciteit beter planbaar. Het is de plicht van linkse partijen om draagvlak voor meer, gecontroleerde migratie te organiseren. In plaats van het verdienmodel van mensensmokkelaars te bevorderen en ons te laten chanteren door dubieuze regimes in transitlanden kiezen we voor regulering van veel meer legale migratie. We zetten ons in voor het creëren van legale migratieroutes en om de rechten van klimaatvluchtelingen en mensen die extreme armoede ontvluchten te verankeren in internationale verdragen. We zetten ons ook in voor volledige afschaffing van detentie aan de buitengrenzen van Europa – migratie is geen criminele activiteit.</p>
<p>Asiel en migratie gaan net als inburgering vallen onder ministerie SZW (in plaats van Justitie). Door vluchtelingen niet meer als last, maar als een kans te zien, is een beroep op het oneerlijke en onuitvoerbare Dublin-verdrag over verdeling van statushouders en het terugsturen van afgewezen asielzoekers c.q. het illegaal hier verblijven niet meer nodig.</p>
<p>Procedures worden korter en humaner. De lijst van veilige landen moet onafhankelijker worden vastgesteld. De capaciteit bij de IND wordt structureel vergroot. Een groot deel van de asielzoekers komt uit een beperkt aantal landen (zoals Syrië) en bijna iedereen uit die landen krijgt uiteindelijk een verblijfsvergunning. Als het beoordelingsproces van asielverzoeken uit dergelijke landen als evident inwilligbare asielverzoeken worden bestempeld, dan zou dat de behandeltijd van zeer veel dossiers door de IND (van 24 maanden) sterk bekorten tot wellicht een paar maanden, zoals de directeur van de IND zelf (helaas tot nu toe tevergeefs) heeft voorgesteld. Dat zou de IND ook meer de gelegenheid geven om de overige asielverzoeken tijdig te beoordelen. Procedures moeten niet meer, zoals nu, moedwillig vertraagd worden om vluchtelingen en hun gezinsherenigers te ontmoedigen. Er komt een maximum beslistermijn voor de IND voor asielaanvragen van zes maanden. Deze termijn kan eenmaal worden verlengd, is er daarna nog steeds geen beslissing dan krijgt de aanvrager automatisch een positieve beslissing op de aanvraag. Asielaanvragen worden op volgorde van binnenkomst behandeld. De medische screening van asielzoekers bij de start van hun procedure wordt niet langer door een commerciële partij gedaan, maar door publieke reguliere artsen. We investeren in een groter aanbod van tolken.</p>
<p>In de asielprocedure wordt beter gekeken naar de risico’s bij terugkeer na een afwijzing van een asielverzoek bij kwetsbare groepen, zoals vrouwen, LHBTIQ+-mensen en mensen met een beperking. Ook de risico’s die specifiek voor kinderen gelden – kinderarbeid, kindhuwelijken, kindsoldaten, genitale verminking en kinderprostitutie krijgen meer aandacht.</p>
<p>De tijdelijke ‘speciale’ status die aan sommige groepen asielzoekers wordt toegekend (zoals nu de Oekraïners) wordt na 12 maanden omgezet in een reguliere verblijfsvergunning voor statushouders. De rechtsbescherming van asielzoekers wordt niet verminderd.</p>
<p>Om te voorkomen dat mensen zonder papieren (‘ongedocumenteerden’) vermorzeld worden door het systeem, komen er permanente en ruime regulatie-mechanismen. Het asiel- en migratiebeleid is niet ‘sluitend’ – het is dat nooit geweest en het zal dat ook nooit worden. Door de ruimere mogelijkheden voor arbeidsmigratie, voor asiel en voor gezinshereniging zal het probleem van mensen zonder vergunning overigens veel kleiner worden. We voeren een wet in waarmee mensen zonder papieren onder bepaalde voorwaarden het recht krijgen op een tijdelijke verblijfsvergunning van 18 maanden. In die 18 maanden kunnen zij een permanente verblijfsstatus verwerven door aan bepaalde voorwaarden te voldoen (taaleis, in eigen levensonderhoud kunnen voorzien, identiteit aantonen).</p>
<p>Mensen zonder papieren die werk hebben gevonden kunnen via de aanvraag van een werkvisum een verblijfsvergunning regelen. Ook mensen in de asielprocedure of met een tijdelijke vergunning kunnen die aanvraag doen wanneer zij betaald werk hebben gevonden. Deze aanvraag kan in Nederland ingediend en toegekend worden, wanneer iemand zich al in ons land bevindt.</p>
<p>De verantwoordelijk bewindspersoon voor migratie herkrijgt zijn discretionaire bevoegdheid om mensen in afwijking van de regels toch toe te laten op humanitaire gronden. Dit wordt toegekend aan mensen zonder papieren, op basis van uitzonderlijke en schrijnende omstandigheden. Naast de staatssecretaris krijgen regionale commissies voor schrijnende gevallen (naar Duits voorbeeld) de bevoegdheid om hiertoe een bindend advies aan de staatssecretaris te geven. Deze commissies worden bij wet ingesteld en worden samengesteld uit vertegenwoordigers van relevante maatschappelijke organisaties, lokale overheden en onafhankelijke deskundigen.</p>
<p>Om de schrijnende situaties van staatloosheid te beëindigen wordt aan de vaststelling van staatloosheid krachtens de wet een verblijfsrecht gekoppeld. Als je niet terug kan omdat je land van oorsprong je niet toelaat, bijvoorbeeld omdat men de identiteit niet kan aantonen, of een andere reden buiten hun schuld, krijgen een aparte buiten schuld verblijfsvergunning.</p>
<p>De verblijfsvergunning humanitaire aard op grond van huiselijk en seksueel geweld wordt verbeterd in lijn gebracht met het Istanbul Verdrag (definitie huiselijk geweld, bewijslast, toegankelijkheid procedure en informatie over de rechtspositie). Daarnaast kunnen mensen die op grond van het generaal pardon van 2007 een status kregen zonder persoonsdocumenten worden genaturaliseerd.</p>
<p>We beëindigen gevangenneming van mensen zonder verblijfsvergunning, zeker als daar kinderen bij betrokken zijn. De huidige, vaak langdurige gevangenneming is inhumaan, ineffectief en strijdig met het Europese recht. Detentie is ingrijpend in mensenlevens en kan blijvende schade veroorzaken. In plaats van detentie kan een meldplicht worden opgelegd. Op gezinslocaties werken we met gezinsvriendelijke terugkeer-counseling. De gesloten gezinslocatie in Zeist wordt opgeheven. Het experiment Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) wordt omgezet in een landelijke regeling met voldoende financiële middelen. Regie, voorwaarden voor verblijf en besluitvorming voor vervolgtrajecten komen bij de uitvoerende gemeenten, in samenspraak met de plaatselijke opvangorganisaties, te liggen. Niet terugkeer, maar een duurzame oplossing wordt het beoogde doel van de ondersteuning. Gemeenten krijgen de mogelijkheid te experimenteren met stadspassen, zodat mensen zonder papieren ook onder bepaalde voorwaarden aan het werk kunnen. Wie zonder documenten in Nederland verblijft krijgt recht op eerste levensbehoeften, zoals zorg, onderdak, voedsel en rechtsbijstand. Toegang tot daklozenopvang, Voedselbank en alle vormen van medische zorg worden losgekoppeld van de verblijfsstatus. Jongeren zonder verblijfspapieren mogen onderwijs volgen en hun opleiding afmaken, inclusief stages lopen.</p>
<p>Kinderen die hier geboren zijn of al hier geworteld zijn, moeten als regel met hun verzorgende ouder(s) een verblijfsvergunning krijgen. Gezinshereniging maken we eenvoudiger in plaats van moeilijker. Het recht op een gezinsleven is een fundamenteel recht, beperkingen daarop, bijvoorbeeld in de vorm van strenge inburgerings- en inkomenseisen, worden afgeschaft. De wettelijke mogelijkheid voor gezinshereniging voor gezinsleden buiten het kerngezin worden opnieuw ingevoerd. Zelfstandig verblijf voor houders van een afhankelijke verblijfsvergunning als gezinsmigrant wordt mogelijk na één jaar (in plaats van 5 jaar). De criteria voor familiehereniging worden versoepeld: voor vluchtelingen moet een reële bewijslast gelden voor identiteit en gezinsband zodat deze gezinnen niet langer ten onrechte gescheiden blijven. De criteria voor familieleden van EU-burgers worden ook toegepast op Nederlanders en migranten van buiten de EU.</p>
<p>Asielzoekers krijgen direct toegang tot een BSN-nummer, gratis taallessen, onderwijs en werk. Dat geldt ook voor Oekraïense vluchtelingen, inclusief derdelanders die in Oekraïne woonden en daar nog geen permanente verblijfsvergunning hadden en andere groepen met een ‘speciale’ status. De werkwinkels helpen hier actief bij. Er moet ook een extra inzet voor statushouders komen &#8211; huisvesting waar ook werk is, gratis en publiek georganiseerd taalonderwijs, inburgering en beroepsmatige scholing, vooral voor tekortberoepen van goede kwaliteit, en arbeidsbemiddeling op maat.</p>
<p>Gezien de demografische ontwikkelingen in de EU, met een krimpende en sterk vergrijzende bevolking, is immigratie – of we dat leuk vinden of niet – ook onvermijdelijk. Het beleid zal alleen succesvol zijn als het onderdeel is van een veel breder pakket van sociale maatregelen dat niet vooral de belangen van het kapitaal dient, maar vooral die van arbeid. Al was het alleen maar omdat het politieke draagvlak voor migratie in de houdgreep van het rechts-populisme zit. Anderzijds heeft de arbeidsmigratie binnen de EU wel een aantal andere problemen blootgelegd. Dit is dan ook het moment om werkgevers meer onder druk te zetten, en dat gaan we dan ook via strenge regulering snel doen. We beperken <em>niet</em> de vrije arbeidsmigratie binnen de EU, maar voorkomen wel dat die misbruikt worden voor uitbuiting en we bevorderen (tijdelijke) gereguleerde arbeidsmigratie voor tekortberoepen bij ons uit arme landen buiten de EU, waarbij men met opleiding en startgeld terug kan keren naar land van herkomst, zoals Duitsland dat bijvoorbeeld nu met Gambia doet. Daartoe gaan we met meer landen overeenkomsten sluiten. De criteria voor werkvisa worden snel versoepeld.</p>
<p>Eenmaal hier organiseren we snelle en effectieve integratie, met vertrouwen en dus niet met dwang. Met veel gratis publiek georganiseerde facilitering van (taal)onderwijs en zo snel mogelijk werk, en met goed georganiseerde opvang en huisvesting. Er zijn zeker goede redenen, zowel juridische (EU-burgers) als maatschappelijke (tijdelijke seizoenarbeiders) om niet iedere nieuwkomer tot inburgering te verplichten tot inburgering, maar waarom zouden we EU- en arbeidsmigranten geen gedifferentieerde integratievoorzieningen aanbieden?</p>
<p>In plaats van verplichting, zouden meer migranten verleid moeten worden om op vrijwillige basis een integratiecursus te volgen. Dat vergt een andere koers, waarbij inburgering aansluit op de rest van de samenleving en nadrukkelijk wordt gezien als maatschappelijke investering die rendement gaat opleveren. Met Duitsland als voorbeeld krijgt in ons plan iedere migrant die zich hier vestigt een integratiecursus aangeboden, en alle beperkingen worden weggenomen voor toegang tot de arbeidsmarkt voor iedereen die rechtmatig hier verblijft, waaronder dus ook asielzoekers in procedure. Daarbij geven we veel ruimte voor maatwerk. Buitenlandse kwalificaties gaan we veel sneller erkennen. Het Rijk betaalt de kosten van de inburgering, zonder eigen bijdrage. We schaffen de slaagplicht af.</p>
<p>We gaan de ontvangst van alle nieuwkomers meer integraal benaderen. Aan alle arbeidsmigranten gaan we een minimaal inburgeringspakket (taalles en verkort burgerschapsonderwijs) gratis aanbieden. We gaan welkomstcentra naar Canadees model, taalcafés en een algemeen welkomstpunt in de gemeente (RNI-loket) oprichten, waar gezins- en arbeidsmigranten met vragen beter op weg geholpen kunnen worden.</p>
<p>We investeren fors in aanmeldcentra (in regio’s van herkomst én in ons land), in asielopvang (met voldoende buffercapaciteit) en in de IND- en COA-organisatie, in betere en snellere beoordeling door IND, in dagbesteding met onderwijs en werk voor asielaanvragers, en in huisvesting, werk en onderwijs voor statushouders. Er komen tenminste vier landelijke aanmeldcentra op meerdere, centraal gelegen en goed bereikbare plaatsen. Gemeenten spelen een sleutelrol en hebben daarvoor ondersteuning nodig. Het opvangbeleid van asielzoekers wordt centraal gecoördineerd met een verplicht verdeelsysteem van asielzoekers over gemeenten naar rato van het inwoneraantal, zoals dat nu ook al gebeurt voor statushouders. De toedeling van asielzoekers aan gemeenten wordt at random bepaald rekening houdend met gezinsverband. Bij de plaatsing wordt wel rekening gehouden met voorkeur van de asielzoeker, bijvoorbeeld in de buurt van familie of een ander netwerk, dat de kans op succesvolle integratie vergroot. Gemeenten die niet of onvoldoende daaraan meewerken krijgen een aanwijzing vanuit het Rijk – op hun kosten kan het Rijk dan zelf opvang en huisvesting organiseren.</p>
<p>De opvang van asielzoekers wordt niet meer in grootschalige opvanglocaties gerealiseerd, maar in kleinschalige opvang. De opvanglocaties worden ingericht met voorzieningen die niet alleen door de asielzoekers maar ook door de buurt- of dorpsbewoners gebruikt kunnen worden. Hiermee wordt de asielopvang ook onderdeel van de wijk of het dorp, er is meer kans op succesvolle integratie en lokaal draagvlak, en er zijn meer mogelijkheden voor lokale burgerinitiatieven en ondernemers om mee te denken en mee te doen. Opvanglocaties worden in de wijk of het dorp geplaatst en dus niet ver weg of geïsoleerd van bewoners. Opvanglocaties worden voorzien van een ‘huiskamer’ – een open, publieke ruimte – waar asielzoekers en lokale inwoners kunnen samenkomen, en waar activiteiten en cursussen worden georganiseerd die toegankelijk zijn voor beide groepen. Alle opvanglocaties moeten voldoen aan minimumvoorwaarden voor humane opvang. Asielzoekers en statushouders worden in beginsel in dezelfde gemeente opgevangen, ze verhuizen niet meer steeds van hort naar her, en krijgen zo meer rust en kunnen beter onderwijs volgen en werken.</p>
<p>Asielzoekers verhuizen in beginsel nog maar één keer binnen de termijn van de asielprocedure: van het aanmeldcentra naar de opvanglocatie, waar zij de beslissing op de asielaanvraag afwachten.  Dit tenzij de asielzoeker zelf verzoekt om een verplaatsing.</p>
<p>Voor alle kinderen in opvanglocaties komt er een extra budget van 150 euro per jaar voor sport- en cultuuractiviteiten en andere recreatiemogelijkheden. We geven absolute prioriteit aan het voorkomen van verdwijnen van volwassenen en kinderen uit de opvang en slachtoffer worden van mensenhandel, onvrijwillige prostitutie en uitbuiting.</p>
<p>Bij een kleinere vraag naar capaciteit (van asielopvangplaatsen) dan de beschikbare capaciteit, worden geen centra gesloten maar in alle gemeenten evenredig beperktere bezetting gerealiseerd. Plekken zijn dan tijdelijk beschikbaar voor andere doeleinden en kunnen bij capaciteitstoename weer worden ingezet, zodat (exorbitant) dure noodoplossingen niet meer nodig zijn. Ratio: Ongeacht de omvang van het aantal op te vangen asielzoekers, zal de relatieve verdeling van het feitelijke aantal over de gemeenten hetzelfde blijven. Bij een beperkte bezetting kunnen deze plaatsen door de gemeente tijdelijk voor andere lokale doeleinden worden ingezet. Zoals dat nu ook vaak in de vorm van anti-kraak gebeurt t.b.v. tijdelijke huisvesting van jongeren, studenten, spoedzoekers en kunstenaars. De capaciteit komt echter weer beschikbaar indien nodig; er hoeven dus geen ad hoc, dure, ingrijpende en grootschalige noodvoorzieningen meer te komen. Dit alles zorgt weer voor een positieve impuls op het draagvlak in de gemeente.</p>
<p>Een nieuw model inburgering zal zeker meer gaan kosten dan het huidige inburgeringsbeleid. Werkgevers van kennis- en arbeidsmigranten moeten hier zeker ook  bijdragen. Een goede integratie levert op de langere termijn veel voordelen op. Dat betaalt zich niet alleen terug in hogere arbeidsparticipatie en lagere uitkeringsafhankelijkheid, maar ook in betere maatschappelijke betrokkenheid en integratie. De kosten gaan voor de baten uit. Een Nederlands inburgeringsmodel met Duitse en Canadese elementen waarbij duidelijke kansen en mogelijkheden in plaats van onmogelijkheden worden geboden betekent zeker een win-win situatie voor het individu én voor de samenleving.</p>
<p>Inburgering gaan we weer volledig publiek en gratis organiseren. We schaffen de potsierlijke participatieverklaring af. We breken met de verplichtende vormen van participatie en gedwongen vormen van <em>‘verheffing’</em>. Dubbele nationaliteiten zijn geen probleem maar een kans om het overmatig nationalisme te keren, en we maken dat weer volop mogelijk. Na inburgering krijgt men per direct alle rechten gelijk aan een Nederlander.</p>
<h2><a name="_Toc143177857"></a>Schuldenoffensief en een veel kleinere en gereguleerde financiële sector</h2>
<p> </p>
<p>De ongelijkheid en armoede aanpakken vraagt ook een stevige aanpak van de schuldenindustrie, met veel meer effectieve schuldpreventie en schuldsanering, en een veel kleinere, beter gereguleerde financiële sector. Onze financiële sector is nu een waterhoofd in onze economie, die ook grote risico’s geeft voor onze totale economie, welvaart en brede welzijn. We gaan scherp ingrijpen met tal van maatregelen.</p>
<p>De financiële industrie is nu in ons land veel te groot met grote risico’s. De financiële sector is in ons land vier maal zo groot als ons nationaal inkomen, nergens ter wereld is die verhouding zo uit balans. Dat geeft enorme risico’s – voor huishoudens die gebruik maken van hun diensten; voor de nutsfuncties in het betalingsverkeer die banken uitvoeren; en voor de belastingbetalers die net als in 2008-2012 weer zou moeten bijpassen als het mislukt. Het faciliteert ook op grote schaal belastingontwijking, het zo desastreus uitpakkende superkapitalisme en zelfs criminele organisaties met witwassen en belasting ontduiken. De in en in keurige Bazelse Bank voor Internationale Betalingen liet bij monde van huiseconoom Hyun Song Shin na de crisis van 2008 weten dat een financiële sector die meer dan drie procent van het bruto binnenlands product (bbp) beslaat de economische groei van dat land belemmert. Dat komt doordat er dan stomweg te veel parasieten zijn die alleen maar leegzuigen in plaats van bijdragen.</p>
<p>In plaats van de focus te richten op reductie van overheidsschulden moeten we die richten op reductie van private schulden, voor een duurzame, stabiele economische groei. De wereld is in wezen een systeem van met elkaar verbonden balansen. Van banken, van burgers, van bedrijven. Het bezit van de een is het krediet van de ander, en zo bestaat een complex systeem van communicerende financiële vaten, groot en klein. Het krediet groeit en is nu wereldwijd 250 procent van het bbp. Van afbouw van leningen en van het verkleinen van de hefboom is sinds Lehman geen enkele sprake. Integendeel. De langdurig lage rentes zorgen ervoor dat er geld wordt geleend voor projecten of activiteiten die bij een hogere rente helemaal niet zouden zijn gestart. Het is dan ook zeer de vraag of het nieuwe bezit dat tegenover al dat extra krediet staat, in dat grote systeem van communicerende balansen, van goede kwaliteit is en van goede kwaliteit blijft. Als wereldwijd de productiviteitsstijging geen gelijke pas houdt met de groei van het krediet, dan gaat dat een keer fout.</p>
<p>Niet alleen  huishoudens, ook de niet-financiële bedrijven hebben met 137% van het bruto binnenlands product (bbp) een forse schuld. Dat hoeft niet ernstig te zijn als die schuld wordt aangewend voor investeringen die op termijn rendabel zijn en daardoor bijdragen aan de reële economische groei. Het probleem is dat steeds meer leningen worden afgesloten waarbij bedrijven min of meer fungeren als financiële instellingen. Ze lenen of geven aandelen uit om andere bedrijven op te kopen en weer van de hand te doen als ze die met winst kunnen worden verkocht. Een bekend verschijnsel is de investeringsmaatschappij die investeert in andere bedrijven door aandelen of certificaten van aandelen op te kopen.</p>
<p>Een extreem voorbeeld daarvan is de <em>private equity</em>, vaak een activistisch beleggingsfonds dat in feite speculeert in het opkopen van bedrijven, deze reorganiseert en onderdelen daarvan met winst doorverkoopt of met een schuldenlast verzelfstandigt. Een nieuw verschijnsel is een <em>spac</em> (special purpose acquisition company), een lege vennootschap die op de effectenbeurs aandelen uitgeeft om bedrijven over te nemen. We zien hier een verschijnsel dat vooral dient om louter door middel van geld meer winst te creëren zonder dat het bijdraagt aan de reële economie; dus niet gericht op het leveren van goederen en diensten. Het handelen in waardepapieren zonder relatie met de reële economie, leidt weliswaar tot een groter bbp, maar kan een groot gevaar opleveren voor de maatschappij omdat ze tot een economische crisis kan leiden, groter dan de recente bankencrisis. Het lange termijnperspectief van bedrijven wordt ondermijnd door excessen van private equity-partijen en door activistische aandeelhouders. Die jagen bedrijven op om onderdelen af te stoten of onderdelen te verkopen zonder oog voor de belangen van werknemers of klanten. Gezonde bedrijven gaan daardoor op termijn kapot. We gaan dit soort bedrijven veel strenger reguleren. We gaan ze geheel verbannen uit de publieke sector, vooruitlopend op de beëindiging van marktwerking daar.</p>
<p>Er dreigt nog steeds een nieuwe bankencrisis. Problemen bij een kleine Amerikaanse bank met nog geen één procent marktaandeel zorgden begin 2023 voor een prompte bezwering van de Amerikaanse president Biden dat het spaargeld van alle Amerikanen veilig is, en door de overheid gegarandeerd zou worden. De Zwitserse regering heeft intussen het failliete Credit Suisse laten overnemen door UBS, waarbij de overheid garant staat voor astronomische bedragen. En voor zover de EU dacht dat zij ontzien zou worden, was daar vlak daarna onrust rond Deutsche Bank. Wie houdt wie voor de gek? De financiële crisis van 2008 ligt toch achter ons? We hadden met nieuwe regelgeving banken toch veiliger gemaakt? Ja, er kwamen heel veel regels, maar wat de insiders al lang wisten: het fundament blijft fragiel. Wat ook nog steeds geldt: (hoge) winsten worden op veel plaatsen privaat geïncasseerd, maar verliezen worden naar de schatkist doorgeschoven. Garanties houden het systeem overeind. Daarmee is de gijzeling van de publieke sector door banken, ondanks plechtige beloften na de financiële crisis van 2008, nog onverminderd van kracht. Toezichthouders en beleidsmakers durven falende instellingen niet failliet te laten gaan uit angst voor de repercussies.</p>
<p>In 2008 hadden we ook geleerd dat het niet verstandig is om voor essentiële publieke infrastructuur, zoals het betalingsverkeer, afhankelijk te zijn van de financiële gezondheid van commerciële partijen. De parlementaire enquête financieel stelsel – de commissie-De Wit – had het nog wel zo mooi opgeschreven. Die les kregen we weer in maart 2023. Op korte termijn lijken we geen grote bancaire problemen in Nederland te moeten verwachten. Het is aannemelijk dat de EU zaken beter heeft geregeld; toezicht en regelgeving zijn scherp. Maar er is ook geen reden om rustig te gaan slapen. Een simpel voorbeeld: banken worden grotendeels gefinancierd met direct opvraagbaar geld – ons spaargeld, ook wel deposito’s genoemd. Maar in de digitale wereld van vandaag met apps op onze smartphone kan iedereen zonder enige vertraging zijn geld verplaatsen. Een gerucht volstaat om een ‘<em>bankrun</em>’ te veroorzaken, waarbij deposito’s (spaargelden) collectief worden weggehaald en de bank klem komt te zitten. De snelheid waarmee dit kan, en kan uitwaaieren over het gehele bancaire landschap, heeft met de informatietechnologierevolutie ongekende vormen aangenomen. Het in de hand houden hiervan lijkt onmogelijk, ondanks het bestaan van garanties die spaarders rust zouden moeten geven. Dit probleem is niet opgelost met strenger toezicht en bijtende regulering, terwijl die wel direct raakt aan de manoeuvreerruimte voor banken zelf.</p>
<p>We vergroten de risico’s voor kredietverstrekkers:</p>
<ul>
<li>Hypotheken hebben veruit het grootste aandeel in de private kredieten in ons land, en in hoofdstuk III doen we voorstellen om deze sterk te beperken. We zorgen dat de hypotheekverstrekker minder risico’s accepteert door de hypotheek te laten vervallen bij inlevering van het onderpand – de woning. De hypotheeknemer heeft daardoor geen risico meer op een restschuld. Dit is naar het voorbeeld van de situatie in sommige Amerikaanse staten.</li>
<li>Ook bij andere kredieten dan hypotheken vergroten we het risico van de kredietverlener, opdat deze voorzichtiger wordt en onverantwoorde kredieten en daaruit volgende problematische schulden worden voorkomen. Zo moeten we de Faillissementswet wijzigen opdat bij faillissement van natuurlijke personen geen beslag meer gelegd kan worden op toekomstig inkomen en kan er op meer goederen geen beslag meer gelegd worden voor verkoop – met een uitzondering in geval van kennelijk misbruik en met mogelijkheid voor verplichte budgethulpverlening in geval dat anders herhaling dreigt.</li>
<li>Kredieten aan personen die al geregistreerd staan (in het publiek te maken) BKR worden wettelijk nietig verklaard, en de zorgplicht van kredietverstrekkers kan niet meer overgaan op incassobureaus.</li>
</ul>
<p>We verbieden ook de commerciële handel in schulden, beperken de rente en incassokosten fors, maken gerechtsdeurwaarders weer publieke instanties zonder winst en nevenactiviteiten, reguleren dat schuldenaren altijd maar één deurwaarder kunnen hebben met regio-gebonden deurwaarders, reguleren incassobureaus met vergunningen en waarborgsommen, alsmede aansprakelijkheid en strafbaarstelling van hun bestuurders bij overtreding.</p>
<p>We beperken schulden bij overheden door één centraal Rijks incassotraject (incl. het CJIB), met één incassobeleid voor alle overheden, met een hogere beslagvrije voet en met afwijking ten gunste van schuldenaar wanneer menselijke maat dat vergt; en een maatregel waardoor uitkeringen, toeslagen en andere verstrekkingen worden op een gelijk tijdstip uitbetaald.</p>
<p>Ter preventie van problematische schulden bij huishoudens verhogen we de leeftijdsgrens voor het aangaan van een krediet van 18 naar 21 jaar, komt er structureel meer financiële scholing in onderwijs, organiseren we meer aanbod van financiële coaching bij (opnieuw) gaan werken en zorgen we voor meer regulering en verbod van krediet- en gokreclame. Ook verbieden we achteraf betalen en in termijnen betalen zonder krediettoetsing.</p>
<p>In iedere gemeente komt er verplicht een publiek, onafhankelijk Geldloket voor onafhankelijk, gratis financieel advies en formulierenhulp.</p>
<p>Er komt verplichte, uitgebreide gemeentelijke vroegsignalering en hulpaanbod bij betaalachterstanden vaste lasten en bij risicovolle levensevents (arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, scheiding, overlijden partner e.d.) en er komt automatische wettelijke kwijtschelding van lokale lasten bij inkomen op of onder 130% van het sociaal minimum (incl. waterschappen, rioollasten en afvalstoffenheffing) en bij toekenning van schuldhulpverlening.</p>
<p>We gaan de schuldhulpverlening (incl. bewindvoering) volledig publiek maken: schuldhulpverlening mag niet meer uitbesteed worden aan commerciële partijen (er blijft wel ruimte voor private, niet-commerciële partijen), en bewindvoerders komen verplicht in dienst bij gemeenten. Er komt een kwaliteitssysteem met verplichte certificaten voor bewindvoerders en schuldhulpverleners.</p>
<p>We integreren de nu opeenvolgende systemen van minnelijke en rechterlijke schuldsanering in één nieuw systeem van gemeentelijke schuldhulpverlening en schuldsanering. Door de integratie kan schuldsanering sneller starten en wordt de rechterlijke macht ontlast. Gemeenten krijgen de bevoegdheid om alle maatregelen te nemen die nu ook kunnen bij de rechter, met beroepsmogelijkheid  voor schuldenaar en schuldeisers bij de rechter (zonder schorsende werking).</p>
<p>Er komt een wettelijk toegangsrecht tot schuldhulpverlening van schuldenaren met risicovolle/problematische schulden met wettelijke, korte beslistermijnen. Bij toelating schuldhulpverlening komt er direct een schuldenmoratorium (= bevriezing van schuld, dus geen verhoging meer door rente en kosten) en een verbod op huisuitzetting, op stopzetting levering energie en water, op beëindiging zorgverzekering en beëindiging van telefoon/internetlevering.</p>
<p>Er komt ook een recht op onafhankelijke, gratis juridische, financiële en sociale bijstand voor de schuldenaar met wettelijk een goede rechtsbescherming met bezwaar en beroep.</p>
<p>Binnen een korte termijn na de aanmelding moet er door de gemeente een individueel (op maat) gemaakt schuldhulpverleningsplan opgesteld worden, niet alleen zoals nu gericht op het oplossen van de schulden voor schuldeisers maar óók op nieuw perspectief voor een duurzaam schuldenvrij bestaan van de schuldenaar.</p>
<p>Een nationaal schuldenfonds maakt het opkopen van schulden mogelijk. Budgetbeheer of bewindvoering kan door de gemeente worden opgelegd en in eigen beheer worden uitgevoerd (verbod op uitbesteding. Bij schuldsanering is er altijd bewindvoering.</p>
<p>De beslagvrije voet wordt fors verhoogd tot 100% van het sociaal minimum – dat is niet voor niets gedefinieerd als het sociaal minimum. Inwonende kinderen – ongeacht de leeftijd – hoeven niet meer bij te dragen.</p>
<p>De maximum schuldsaneringstermijn is onlangs gehalveerd naar 1,5 jaar, en we voeren daarenboven ieder half jaar een maand schuldenaflospauze in. Deze termijn kan worden verlengd bij niet nakoming verplichtingen schuldenaar (in plaats van beëindiging, daar schiet niemand wat mee op). Na afloop van de schuldsaneringstermijn vervalt net als nu restschuld en er komt verplichte nazorg om herhaling te voorkomen. We investeren fors in dit nieuwe systeem bij gemeenten.</p>
<p>Last but not least komt er een eenmalig schuldenpardon dat alle problematische schulden die op dat moment al tenminste 5 jaar bestaan, bij wet kwijtscheldt.</p>
<p>Met de beperking van hypotheken en kredieten aan huishoudens zal ook de financiële sector sterk krimpen. Dat willen we nog verder bevorderen door hogere buffers bij banken te eisen. Banken mogen elke euro op de balans nog altijd 25 keer uitlenen. Dat is veel te riskant. We  gaan de buffers fors verhogen. De gewogen risico-eisen worden eveneens verhoogd. In de risicomodellen van banken moeten harde ondergrenzen aan het kapitaal worden gesteld, de zogenaamde kapitaalvloeren. Daarmee temmen we de ‘<em>Wolf on Wall Street’</em>.</p>
<p>We voeren voorts een verbod in op te risicovolle producten, verplichten tot een harde scheiding tussen nuts- en zakenbankfuncties (aparte spaarbanken).</p>
<p>De huidige bonuswetgeving voor bestuurders en medewerkers van banken wordt verscherpt: een bonus mag niet 20% maar maximaal nog maar 10% van het vaste salaris bevatten en mag niet gerelateerd zijn aan doelstellingen die speculatie bevorderen of anderszins strijdig zijn met het algemeen belang.</p>
<p>We stellen het belang van klanten centraal bij banken met regels over minima aan aantallen kantoren, persoonlijk contact en advies, geldautomaten, gebruik van contant geld, eerlijk sparen, etc.</p>
<p>Het moet eenvoudiger worden om van bank over te stappen. Banken moeten bij overstap van een klant onder meer hetzelfde rekeningnummer blijven gebruiken en automatische incasso’s continueren.</p>
<p>Betaalgegevens zijn van de klant, niet van de bank. Banken beschikken alleen over de gegevens, omdat zij een nutsfunctie hebben: het veilig en goed laten verlopen van het betalingsverkeer. Banken mogen betaalgegevens niet verkopen aan derden. De gedragscode waarin de omgang met betaalgegevens is geregeld wordt aangescherpt, waarbij de bescherming van privacy voorop staat.</p>
<p>Er komt een wettelijke acceptatieplicht voor contant geld in al het betaalverkeer. Contant geld blijft beschikbaar.</p>
<p>Banken dragen nog steeds te weinig bij aan de overheidsfinanciën. Banken betalen geen BTW, daarom verhogen we de bankenbelasting, en die voor zakenbanken extra. Daarnaast voeren we in Europees verband een belasting in op speculatieve transacties met aandelen (Financial Transaction Taks – FTT – of ook wel Tobin-tax genaamd).</p>
<p>De bankenunie moet afgemaakt worden door de invoering van een door banken zelf gefinancierd Europees depositogarantiestelsel (DGS), zodat overheden onder druk van spaarders niet in de verleiding komen falende banken alsnog te redden. Hierbij moet er altijd een mogelijkheid moet zijn klanten van die bedrijven te redden in bepaalde omstandigheden. Met de invoering van een Europees Deposito Garantiestelsel zorgen we ervoor dat de Europese bankenunie naast Europees toezicht en een Europees steunfonds stevig op drie pijlers rust.</p>
<p>Ook de verstrengeling tussen banken en overheden moet verder worden doorbroken. Staatsobligaties moeten een eerlijkere weging krijgen in de Europese en internationale financiële regelgeving. Ook wordt het aandeel staatsobligaties op een bankbalans gemaximeerd.</p>
<p>Als we ditmaal, bij de huidige dreigende nieuwe bankencrisis, de les van de vorige financiële crisis serieus nemen, moet er iets veranderen. We zouden moeten toewerken naar een publiek verankerd betaal- en spaarsysteem. Het kunnen aanhouden van een betaalrekening bij de centrale bank (DNB en de ECB) biedt hiertoe een voor de hand liggende mogelijkheid. Onder specialisten is dit onderdeel van de discussie over <em>central bank digital currencies</em> (CBDC). In essentie is dit een digitaal alternatief voor contant geld (bankbiljetten en munten). Een dergelijke bankrekening biedt een veilige omgeving voor sparen en betalen en een anker voor het financiële systeem. De uitwerking van deze optie kan op verschillende manieren plaatsvinden. De logistieke en procesmatige kant van de bankrekeningen kan worden ondergebracht bij een aparte organisatie waarbij de middelen te allen tijde veilig geparkeerd zijn bij de centrale bank. Overigens zijn er complementaire alternatieven, van een ‘<em>veilige’</em> Rijkspostspaarbank 2.0 tot fondsen die louter in korte termijn liquide overheidspapier mogen beleggen. Hoe we het ook inrichten, er komt dan een systeem voor betalen en sparen dat beschikbaar is in goede en slechte tijden. En banken komen dan in de gezonde positie dat ze niet op steun en garanties kunnen vertrouwen. Ze zullen zich robuuster moeten gaan financieren om serieus genomen te worden (met dus veel minder direct opvraagbaar geld en met meer lang lopende obligaties en eigen vermogen). Regeringen kunnen altijd nog besluiten dat een bank in de problemen het waard is om te redden. Maar dat is dan een weloverwogen besluit en geen afgedwongen garantie. Dat is beter voor het vertrouwen in de politiek en de publieke zaak, en uiteindelijk ook voor de economie en de banken zelf.</p>
<p>We sturen aan op meer kleine banken, die met nutsfuncties moeten coöperatief zijn opgezet, naast één staatsbank, die niet op winst maar op het publiek belang en dat van hun cliënten gericht zijn. Voor bedrijven richten we een aparte staatsbank op, die leningen verstrekt die voor deze bedrijven de noodzakelijke transities mogelijk maken.</p>
<p>Als ondanks deze systeemwijzigingen een bank gered moet worden, wentelen we dat niet meer af op huishoudens die belasting betalen. Allereerst worden aandeelhouders en bestuurders aangesproken. De leiding moet dan plaatsmaken. Bij wanbeleid volgt vervolging, we schikken niet meer. Er een extra bankenbelasting voor een fonds om redding te financieren. De garantiestelling voor tegoeden bij commerciële banken wordt niet verruimd.</p>
<p>Het is nodig de rol van banken en van de overheid bij geldcreatie aan de orde te stellen en het gebruik van digitale geldmiddelen als bitcoins te verbieden. Geldschepping moet de samenleving dienen: daarom een goede democratische controle op geldschepping, het voorkomen van financiële zeepbellen en het creëren van ruimte voor publieke bestedingen. We stimuleren dat geld in de productieve economie terechtkomt en ontmoedigen speculatie.</p>
<p>We moeten de uitwassen van het Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme bestrijden: de investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn; excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen moeten onmogelijk worden gemaakt; de invloed van werknemers moet worden vergroot; en de kosten en het verdienmodel van private equity-partijen moeten transparant worden. We voeren daartoe de voorstellen uit de initiatiefnota van Henk Nijboer uit.</p>
<p>Sommige verzekeraars verkeren in zwaar weer. Er mogen geen dividenden worden uitgekeerd door verzekeraars als buffers onder druk staan. De Nederlandsche Bank moet hierop toezicht houden. Collectieve schadeafhandeling is slecht geregeld in Nederland. Woekerpolishouders en derivatenbezitters blijven te lang met ellende zitten. Er moet een juridische mogelijkheid komen om sneller tot collectieve oplossingen te komen.</p>
<p>De accountants hebben bewezen zichzelf niet te kunnen reguleren. We voeren regels en verscherpt toezicht in om te waarborgen dat de controle op rechtmatigheid en op een getrouw beeld geven op juiste wijze plaatsvindt. Accountants moeten een ondoorlaatbare muur hebben tussen accountantswerkzaamheden en advieswerkzaamheden.</p>
<p>Fiscalisten, accountants en vermogensbeheerders ontspringen nog te vaak de dans bij belastingontduiking. In de praktijk worden deze mensen dan zelden strafrechtelijk vervolgd, terwijl hier wel mogelijkheden voor bestaan. Dat moet anders, omdat dit de mensen zijn die de ingewikkelde constructies bedenken om de fiscus om de tuin te leiden. We moeten de mogelijkheden verruimen om de adviseurs te vervolgen die meewerken aan belastingontduiking en agressieve belastingontwijking.</p>
<p>(Semi-)overheidsinstellingen moeten ook minder speelruimte krijgen op financieel terrein met een verplichte, externe toets op investeringen en contracten. De BNG wordt voor de publieke sector de verplichte bankier.</p>
<h2><a name="_Toc143177858"></a>Een andere economie en verdienmodel, gebaseerd op brede welzijn</h2>
<p> </p>
<p>Maar niet alleen de financiële industrie, maar in de hele marktsector zijn grote veranderingen dringend nodig. We stoppen met het faciliteren van lage-lonenarbeid, die vooral gebaseerd is op rechteloze flexarbeid en uitbuiting van arbeidsmigranten, werk dat ongezond is en/of gewoon slecht werk is, en gaan dit soort werk juist sterk reguleren en terugdringen. In hoofdstuk II geven we de noodzakelijke en tenminste even urgente transities weer die wij willen in verband met groene, ecologische duurzaamheid.</p>
<p>Werk moet zowel ecologisch als sociaal duurzaam zijn. Als alle banen die niet door de beugel kunnen verdwijnen, zijn er straks meer mensen beschikbaar voor de sectoren die we essentieel vinden. Geen werk faciliteren dat in de buurt komt van uitbuiting, lage lonenarbeid, ongezond werk of gewoon ronduit slecht is, geen werk faciliteren dat ons milieu, klimaat, biodiversiteit, onze gezondheid en/of het dierenwelzijn bedreigt. We moeten het vooral hebben over de arbeidsmarkt van de toekomst. De overheid moet veel gerichter sturen welke arbeid we <em>wel</em> willen: duurzaam en sociaal: publieke banen in de zorg, onderwijs, welzijn, kinderopvang, veiligheid en uitvoeringsorganisaties; banen in de duurzaamheidstransities en in de woningbouwopgave; banen in bedrijvigheid die bijdragen aan onze brede welvaart, zoals in de kenniseconomie. We zetten in op bedrijvigheid met hoogwaardige arbeid en maatschappelijk ondernemerschap als norm. De economie moet opereren binnen harde ecologische en sociale grenzen. We dwingen dat nationaal af met wetgeving.</p>
<p>Dat betekent eveneens een einde aan economische groei als doel, en een transitie naar kwalitatieve groei, in termen van brede welzijnsgroei. Het betekent ook een einde aan sectoren als de glastuinbouw, de intensieve veeteelt, kunstmestfabrieken en wellicht ook staalproductie in ons land. We volgen het rapport van CE Delft over duurzame industrie, dat recent in opdracht van Stichting Natuur &amp; Milieu is gemaakt. En aan de rol als doorvoerland, met weinig toegevoegde waarde en veel vervuiling en overlast. De distributieknooppunten als de Rotterdamse haven en Schiphol moeten niet meer inzetten op groei, maar op een kwalitatieve, duurzame transitie, met enkel duurzaam transport en daarin een voorlopersrol spelen. We stoppen met het ruim baan geven aan de distributiecentra, de enorme blokkendozen die nu steeds meer ons landschap ontsieren en alleen kunnen bestaan met op arbeidsmigratie en uitbuiting gebaseerde lage lonenarbeid. In plaats daarvan zetten we in op een kenniseconomie, duurzame productie en duurzame bestedingen. Uiteraard doen we de transitie zorgvuldig: werknemers krijgen een werkgarantie met alle hulp die nodig is voor de overstap.</p>
<p>We kiezen kortom voor een economie die gebaseerd is op een hoogwaardige kenniseconomie en op duurzame binnenlandse bestedingen. Daarbij geldt dat bestedingen van werknemers in de publieke sector net zo hard economische waarde vertegenwoordigen als van die in de marktsector. We verhogen de lonen extra in de publieke sector om hun achterstanden in te halen en de tekorten tegen te gaan.</p>
<p>En we reguleren de marktsector veel uitgebreider en effectiever om de uitwassen van het huidige superkapitalisme tegen te gaan, met onder meer maatregelen ter voorkoming van te grote economische machtsvorming en ter bescherming van publieke en consumentenbelangen. De Amerikaanse econoom en oud-minister (onder Clinton) Robert Reich schreef al in 2008 dat we in de fase van <em>‘superkapitalisme’</em> leven in zijn gelijknamige bestseller. Aandeelhouderswaarde is allesoverheersend geworden. De analyse van de Amerikaanse econoom sluit aan bij die van de Britse econome Noreena Hertz. In haar boek <em>De stille overname</em>. <em>De globalisering en het einde van de democratie</em> zette ze aan het begin van deze eeuw uiteen hoe de opkomst van de vrije markt heeft uitgewerkt: de macht van het bedrijfsleven heeft de democratie uitgehold.</p>
<p>We moeten dus de macht van het bedrijfsleven, dat volgens Reich per definitie amoreel is, en hun aandeelhouders, beknotten, de economie democratiseren en de rijkdom herverdelen. Dat moet de overheid doen, die daartoe democratisch gelegitimeerd is. Via wetgeving en belastingheffing kan dat ook effectief, en we moeten ons daarbij niet laten gijzelen door de open grenzen en globalisering, in een <em>race to the bottom</em>. En dat vraagt dus ook een andere Europese Unie, andere handelsverdragen en een nieuw Bretton Woods (monetair stelsel). Dat vraagt ook een andere economie, zoveel mogelijk coöperatief georganiseerd, met hoogwaardige arbeid, dat in kader van de brede welzijnsdoelstelling – en dus niet alleen het korte termijn aandeelhoudersbelang – echte toegevoegde waarde biedt.</p>
<p>We breiden de verplichtingen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen uit en maken deze effectiever. Bedrijven worden wettelijk verplicht om misstanden zoals alle vormen van kinderarbeid, moderne slavernij, andere mensenrechtenschendingen en alle milieu- en klimaatschade aan te pakken. Bedrijven moeten hun productieketens in kaart brengen en mogelijke misstanden. Mochten er misstanden worden gevonden, dan dient een bedrijf deze aan te pakken en in sommige gevallen ook te herstellen. Een onafhankelijke toezichthouder moet toezien op de naleving van de wet. Bij bewuste ontduiking van deze regels zijn ook bestuurders van ondernemingen aansprakelijk. Ondernemingen moeten in hun publiek jaarverslag verplichte onderdelen opnemen over hun sociaal en duurzaamheidsbeleid.</p>
<p>Marktwerking wordt uitgesloten in publiek belangrijke sectoren, zoals onderwijs, kinderopvang, zorg, welzijnswerk, schuldhulpverlening, bewindvoering, deurwaarders, kredietregistratie, veiligheid, rechtspraak, arbeidsvoorziening, sociale zekerheid, energieproductie en -distributie, openbaar vervoer, drinkwatervoorziening en waterbeheer, natuurbeheer, sociale woningbouw, e.d. Deze sectoren zijn c.q. worden exclusief terrein voor de publieke sector, waarbij winstdoelstellingen en -uitkeringen verboden zijn, en coöperaties de verplichte organisatievorm, iedereen in loondienst is met in beginsel een vast contract, aanbestedingen uitgesloten dus verboden zijn (we werken in plaats daarvan met duurzame subsidierelaties) en de publieke belangen en die van cliënten met regelgeving en subsidievoorwaarden worden beschermd. De Autoriteit Consument en Markt is in deze sectoren niet meer bevoegd. Bij disfunctioneren kan de bevoegde overheid aanwijzingen geven en/of onder curatele stellen. Deze transitie wordt voor 2030 afgerond.</p>
<p>Waar er wel marktwerking blijft, gaan we het marktmeesterschap van de overheid versterken, vooral uit oogpunt van consumentenbelangen. Monopolies, kartelvorming, prijsafspraken zijn al verboden maar kennen nog teveel geitenpaadjes, maar ook moet de aansprakelijkheid van ondernemingen en hun bestuurders versterkt worden in geval van onjuiste claims over hun producten of dienstverlening, evenals de positie van consumenten om hun recht te halen bij het in gebreke blijven van bedrijven. We versterken hiertoe de capaciteit en de instrumenten van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en geven tegelijkertijd de opdracht dit veel strenger en intensiever te handhaven. Burgers kunnen klachten gaan deponeren bij de ACM en deze moet in het openbaar rekenschap geven van wat daarmee gebeurt.</p>
<p>Reclame gaan we aan strenge regels binden en verbannen we volledig in de publieke omroep, in het onderwijs en in het openbaar vervoer. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) krijgt opdracht boetes te geven voor reclames die misleidend zijn en/of hun claims niet kunnen bewijzen. Daarvoor komt ook een meldpunt bij de ACM. In navolging van tabak komt er ook een verbod op reclame voor ongezonde producten, waaronder met teveel suiker. Reclame en productinformatie moet betrouwbaar zijn, met aansprakelijkheid van de producent als dat niet zo is, en productaansprakelijkheid moet veel minder eenvoudig als nu uitgesloten kunnen worden. Dat geldt des te meer voor digitale aanbieders. We zetten ons in om de misstanden die nu wekelijks bij consumentenprogramma’s te zien zijn aan te pakken met extra regelgeving en handhaving. Met scherpe en intensieve inspecties en hoge, effectieve boetes.</p>
<p>We maken vijandige overnames moeilijker door werknemers een blokkerende stem te geven bij alle overnames en fusies, door een wachttijd in te voeren en door financiering door eigen vermogen te eisen. Nu worden overnames vaak gefinancierd via schuld, en dat is slecht voor het bedrijf en voor de economie als geheel. De investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn. Dit wordt vooraf getoetst. Excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen wordt wettelijk beperkt.</p>
<p>We beperken het patentrecht in duur en ook waar het algemeen belang teveel in het geding is, zoals nu bij de farmaceutische industrie en bij internetbedrijven als zoekmachines, sociale media en softwarebedrijven.</p>
<p>We verbeteren de huurbescherming van zelfstandige winkeliers en de rechtspositie van franchisenemers, en we passen de mededingingswetgeving aan, zodat de macht van grote inkopers tegenover kleine zelfstandigen wordt ingeperkt. Bij overheidsopdrachten garanderen we dat kleine ondernemers dezelfde kansen krijgen als grote bedrijven.</p>
<p>Handelsverdragen en de Europese Unie worden hervormd opdat vrijhandel effectief beperkt wordt door kaders van onder meer mensen- en arbeidersrechten, eerlijke ontwikkeling van arme landen en ecologische grenzen.</p>
<p>We zetten ook in op een nieuw begrotingspact in de EU, waarbij sociale (mate van ongelijkheid binnen en tussen lidstaten, en van onvrijwillige werkloosheid, gezonde levensverwachting, dakloosheid, sociale bescherming, etc.) en ecologische (uitstoot broeikasgassen, biodiversiteit, vervuiling, dierenwelzijn en preventie tegen andere bedreigingen van gezondheid) doelen nevengeschikt zijn aan begrotingsdoelen en onderwerp zijn van transparante belangenafweging in de politiek. Dit wordt opgenomen in een nieuw EU verdrag, dat ook eigen belastingheffing mogelijk maakt, ook een sociale pijler kent en geen vetorecht meer kent. Zie ook hierna bij internationale solidariteit en in hoofdstuk IV bij democratisering van de EU.</p>
<p>We geven speciale aandacht aan de digitale sector. De privacy van burgers moet veel beter worden beschermd en het internet moet meer worden gereguleerd. Overheden en publieke instellingen moeten zelf controle houden over hun databestanden. Er komt wettelijk gegarandeerde zeggenschap en transparantie over de koppeling van databestanden in publieke sectoren. Het medisch beroepsgeheim wordt niet aangetast. We draaien het mogelijk maken van het verkopen van je data door je bank terug. Burgers krijgen zeggenschap en controle over wat er met hun data gebeurt en er komen strenge wettelijke voorwaarden voor het omgaan met deze data. Bij het gebruik van algoritmes en databestanden wordt transparantie wettelijk verplicht. Stigmatiserend gebruik van algoritmes, bijv. bij het bestrijden van fraude, wordt verboden. Algoritmes mogen niet leiden tot uitsluiting op de arbeidsmarkt of verzekeringen.</p>
<p>We ondersteunen de ontwikkeling van een <em>‘publiek internet’</em>, met waardengedreven publieke en non-profit platforms, waardoor informatie en communicatie, en daarmee datastromen, niet langer via commerciële platforms hoeft te gaan. Zo bevorderen we een divers en pluriform internet met verschillende typen spelers. We gaan de digitale infrastructuur veel steviger reguleren. Dit geldt des te meer in het geval platformbedrijven nutsfuncties vervullen. De huidige kaders voor wetgeving en regulering lopen achter bij de alledaagse realiteit van algoritmische lock-ins, ongebreidelde verknopingen van datastromen, vervagende grenzen tussen de private infrastructuur en gebruikersvoorwaarden met een onduidelijke status. Het dwingend en niet transparant goedkeuren van delen van je data en surfgedrag op websites wordt verboden. Zelfregulatie is evident onvoldoende gebleken.</p>
<p>We verbieden de handel in persoonsgegevens (met inbegrip van gepersonaliseerde reclame), biometrische massasurveillance, <em>social scoring </em> en de ongerichte onderschepping van telecommunicatie.</p>
<p>Platformbedrijven moeten voor hun diensten voldoen aan dezelfde eisen als hun concurrenten: cao-naleving (Picnic), verbod op schijnzelfstandigheid (Deliveroo, Uber), beroepsvoorschriften (Uber) en belastingvoorschriften als btw en toeristenbelasting (AirBNB).</p>
<p>We voeren naar Frans voorbeeld een aparte belasting in op digitale diensten (Digitaks) en voeren wetgeving in om monopolyposities (zoals Google bij zoekmachines en Facebook bij sociale media) te breken. Dat kan o.m. met interoperabiliteit, het verbieden van koppelingen (zoals die nu door de Europese Commissie is verboden tussen het besturingssysteem Windows en de zoekmachine Internet Explorer), en door te verbieden dat toegang tot platforms of data uniek is – zoals nu Facebook bepaalt welk aanbod van andere partijen is toegestaan. Dataportabiliteit maakt het gebruikers mogelijk een alternatief voor Facebook te kiezen zonder gegevens te verliezen en dus zonder virtuele vrienden te verliezen.</p>
<p>We nemen maatregelen om jongeren beter te beschermen tegen potentieel beschadigende content en verslavend internetgedrag, en om burgers te misleiden met ‘<em>fakenews’</em> – dat moet wel zeer transparant en controleerbaar gebeuren, onafhankelijk van de overheid – en bewuste manipulatie van de democratie.</p>
<p>Accounts moeten op de eigenaar/gebruiker verifieerbaar zijn voor de overheid bij strafbare uitingen, waaronder racisme, discriminatie en bedreiging<strong>. </strong></p>
<p>Bedrijvigheid die strategisch belangrijk is in de EU moet ook door de overheid worden opgezet en/of gefaciliteerd. Denk dan aan wapenindustrie, geavanceerde chipproductie, de winning van zeldzame metalen en de productie van duurzame vervangers daarvoor, maar ook bijv. de productie en ontwikkeling van medicijnen, vaccinaties, beschermingsmaterialen en medische apparatuur. Uiteraard geldt er dan dat de overheid ook zeggenschap heeft, ook over de winst, de investeringen, het bestuur, etc. In tijden van oorlog, zelfs als je niet rechtstreeks in de oorlogsvoering betrokken bent zoals nu in de illegale oorlog van de Russische Federatie tegen Oekraïne, kan dat nog meer. De overheid moet dan zo nodig daartoe ook bedrijven kunnen nationaliseren op grond van speciale wetgeving.</p>
<h2><a name="_Toc143177859"></a>Eerlijker lastenverdeling: beheersing prijzen en einde aan individualisering van publieke lasten</h2>
<p> </p>
<p>Alleen inkomensverbeteringen en economische structuurverbeteringen zijn nog onvoldoende om de ongelijkheid en armoede structureel te verbeteren. Daarvoor is het ook nodig om naar de lasten van huishoudens te kijken.</p>
<p>In de eerste plaats gaan we in dat verband consumentenprijzen veel ruimer en effectiever reguleren en controleren. Ook gaan we de Prijzenwet veel meer gebruiken om te grote winsten in verhouding tot de inkomens te voorkomen. We draaien ook een aantal privatiseringen liberaliseringen terug, niet alleen om de race-naar-de-bodem op inkomens die daar soms voorkomt te keren, maar ook om de publieke belangen en de prijzen beter te reguleren en te verlagen – zoals in het openbaar vervoer en de energievoorziening. Zo nodig gebruiken we daarvoor twee kabinetsperioden.</p>
<p>In de tweede plaats maken we een eind aan de enorm doorgeslagen individualisering van collectieve lasten. Inmiddels wordt een groot deel van onze publieke zorg en kinderopvang gefinancierd met individuele bijdragen: aparte premies, eigen risico en eigen bijdragen. Inmiddels zijn die zo hoog dat fiscale toeslagen noodzakelijk werden en zijn om voor zes van de acht miljoen huishoudens het hoofd boven water te houden. Deze toeslagen hebben weer een eigen, schrijnende problemen, zoals bleek bij het Toeslagenschandaal. We moeten de toeslagen voor kinderopvang en zorg structureel vervangen door volledig collectieve financiering van alle publieke kinderopvang en publieke zorg (de basiszorg in de ZVW, en alle zorg in de WLZ, WMO, AWBZ en Jeugdzorg). In hoofdstuk III gaan we nader in op de transities van kinderopvang en zorg met onder meer uitbanning van marktwerking en winstneming.</p>
<p>Voor hier is van belang dat we de financiering geheel uit de belastingopbrengsten gaan organiseren. Volledige financiering uit belastingopbrengsten heeft twee grote voordelen boven inkomensafhankelijke premies: in de eerste plaats vergroten deze premies de lasten op arbeid, terwijl ook de belastingen op kapitaal en op vervuiling aangewend kunnen en wat ons betreft moeten worden, en in de tweede plaats verplaatsten inkomensafhankelijke premies alleen de armoedeval (de marginale druk waarmee extra bruto inkomen maar tot zeer weinig extra besteedbaar inkomen leidt) van toeslagen naar deze premies. Zo nodig faseren we dat over twee kabinetsperioden in de zorg, bijv. met eerst een halvering van de premie, afschaffing van het eigen risico en beperking van eigen bijdragen en dienovereenkomstige verlaging van de zorgtoeslag. Voor de kinderopvangtoeslag lijkt dit niet nodig: onze ambitie is om nog in de komende kabinetsperiode te komen tot volledig collectief gefinancierde publieke kinderopvang voor alle ouders (zonder werkentoets, zonder eigen bijdrage, en dus geen kinderopvangtoeslag meer). Alleen onder deze voorwaarden worden zorg- en kinderopvangtoeslag geschrapt, dat is een harde garantie. Nu al is mede door individualisering van zorg sprake van groeiende zorgmijding door met name ernstige en chronische zieken, die steeds meer in armoede leven, en een schokkende enorm lagere levensverwachting van armen – in absolute zin, maar des te meer in aantallen gezonde levensjaren.</p>
<p>Voor wat betreft de huurtoeslag willen we naast herstel van goede en breed beschikbare volkshuisvesting en veel minder marktwerking, met nadruk op betaalbare en rechtszekere huren – zie ook hierover meer in hoofdstuk III), een nieuwe regeling voor huursubsidie in het leven roepen die de huurtoeslag vervangt. Deze wordt verstrekt door ministerie van Volkshuisvesting – beleid en uitvoering moeten in één hand zijn en de Belastingdienst is qua cultuur niet geschikt voor uitkeringen verstrekken, zoals we hiervoor al bij het Zekerheidsinkomen hebben gesteld. De nieuwe huursubsidie, die we zo mogelijk al in de komende regeerperiode willen invoeren, beperkt de individueel op te brengen huurlasten tot een wettelijke huurquote – het percentage van je netto-inkomen dat je maximaal zelf betaalt aan huurlasten. Voor inkomens tot modaal stellen we deze huurquote vast op een kwart en daarboven tot anderhalf modaal op een derde. We geven een harde garantie dat we de huurtoeslag pas afschaffen als deze nieuwe regeling verantwoord is ingevoerd. Anders worden huren volstrekt onbetaalbaar voor lage en middeninkomens.</p>
<p>Het kindgebondenbudget, de laatste inkomensafhankelijke fiscale toeslag, integreren we in de inkomensonafhankelijke kinderbijslag. Daarbij vindt geen bezuiniging plaats. Om te voorkomen dat daarmee hogere inkomens extra voordeel ontvangen en er feitelijk een denivellering plaatsvindt, geschiedt deze integratie in het kader van de hierna genoemde invoering van een geheel nieuw belastingstelsel. In plaats van de kinderbijslag ook inkomensafhankelijk te maken kiezen we principieel ervoor om inkomensherverdeling en inkomenspolitiek alleen via de Rijksbelastingen uit te voeren – dat is effectiever en maakt gerichter beleid mogelijk, en voorkomt een te grote armoedeval.</p>
<h2><a name="_Toc143177860"></a>Rechtvaardige, effectieve en eenvoudige belastingen</h2>
<p> </p>
<p>We voeren een geheel nieuw belastingstelsel in. Het huidige stelsel loopt vast in zijn complexiteit en decennia verwaarloosde ICT. De inkomsten van het Rijk dreigen daardoor acuut in gevaar te komen. Alleen daarom al is een nieuw, eenvoudiger stelsel een urgente prioriteit. Een nieuw stelsel moet eenvoudig uitvoerbaar zijn, eenvoudig te begrijpen en te hanteren zijn voor belastingplichtigen en handhaafbaar zijn – nu staat ook de rechtmatigheid van steeds meer belastingplichten ter discussie en is de mate van ontwijking en ontduiking zorgwekkend hoog. Mede daardoor is ons land wel degelijk een belastingparadijs voor velen die elders in de wereld belasting ontwijken – met name arme landen hebben hier zwaar onder te leiden.</p>
<p>Maar er is meer mis met ons belastingstelsel. Het is ook in hoge mate onrechtvaardig, want denivellerend – de zwakste schouders dragen de zwaarste lasten. Dat komt vooral door veel lagere tarieven op (inkomen uit) kapitaal en bedrijf dan op inkomen uit arbeid, en ook door de vele vrijstellingen, aftrekposten en andere regelingen die vooral ten goede komen aan de rijksten in ons land – naast dat ze ook de complexiteit enorm vergroten, en de transparantie en handhaafbaarheid enorm verminderen. Voorts bevoordelen de huidige belastingen vervuiling, en laten de minste lusten en zwaarste lasten van de noodzakelijke ecologische transities vooral bij de minst vervuilenden, en dat zijn ook de zwakste schouders, neervallen.</p>
<p>En het belastingstelsel organiseert voor met name bij mensen die hun inkomen geheel of grotendeels uit arbeidsloon verdienen een enorme armoedeval (een val waarin bruto extra inkomen nauwelijks leidt tot extra besteedbaar inkomen, vooral bij de lagere middeninkomens), hetgeen negatief werkt als prikkel om (meer) te gaan werken. Dat komt naast de hiervoor al besproken inkomensafhankelijke fiscale toeslagen, ook door inkomensafhankelijke belastingkortingen.</p>
<p>De doelstellingen van een nieuw stelsel zijn dus eenvoud/transparantie/handhaafbaarheid, rechtvaardigheid (denivellerend), samen gaand met verschuiving van belasting op arbeid naar op kapitaal en vervuiling, voldoende geld ophalend om de noodzakelijke extra uitgaven in dit plan te financieren, én de armoedeval voor de lagere middeninkomens substantieel te verminderen.</p>
<p>De huidige patstelling waarin niets veranderd kan worden vanwege de risico’s voor de uitvoering en de belastingopbrengsten moet doorbroken worden. Want niets doen geeft net zoveel en steeds grotere risico’s en laat de ongelijkheid en onrechtvaardigheid doorgroeien. Er moet daartoe met de hoogste prioriteit een transitieplan gemaakt worden, dat zeker twee kabinetsperioden zal beslaan. Dat plan moet aan het eind van die twee perioden – rond het jaar 2030 – de hierboven genoemde doelstellingen realiseren, technisch uitvoerbaar zijn zonder te grote risico’s, en zich begeven binnen harde grenzen voor inkomenseffecten: mensen met inkomen uit loonarbeid of een uitkering tot anderhalf modaal gaan er op vooruit, die tussen anderhalf en tweemaal modaal er tenminste niet op achteruit. Deze garanties worden gegeven met inbegrip van andere maatregel uit dit plan, zoals de maatregelen in lonen en uitkeringen en in de vaste lasten.</p>
<p>Het nieuwe belastingstelsel betekent per saldo een forse lastenverzwaring, die neerslaat bij hogere inkomens (vanaf tweemaal modaal) en grote vermogens, en bij grote vervuilers, zowel bij huishoudens als bij bedrijven – we halen het geld waar het (in overvloed) zit. Deze opbrengst gaat naar versterking van de publieke sector, verlaging van lasten en verhoging van inkomen voor lagere en middeninkomens.</p>
<p>De hoofdlijnen van het nieuwe belastingstelsel zijn als volgt:</p>
<ul>
<li>Er komt een veel eerlijker, solidaire en eenvoudige inkomsten- en loonbelasting. Inkomens worden sterk progressief belast – hoe hoger het inkomen, hoe hoger het tarief. De sterkste schouders dragen nadat dit decennia anders werd, weer opnieuw de zwaarste lasten. Alle inkomen uit arbeid, uit vermogen en uit eigen bedrijf wordt belast, op gelijke wijze. Er zijn geen vrijstellingen, kortingen of aftrekposten meer. Alle inkomen ongeacht hoe dat inkomen verdiend is (uit arbeid, uit kapitaal/bezit of uit bedrijf) gaan we gelijk behandelen – we schrappen het boxenstelsel.</li>
<li>In plaats daarvan komen er meer (bijv. zes), progressief oplopende tariefschijven (bijv. voor de laagste inkomens 15%, voor de hoogste 75%).</li>
<li>Deze tarieven worden ook effectief, ze worden niet meer verlaagd met kortingen, aftrekposten, vrijstellingen en andere faciliteiten.</li>
<li>Bij inkomen telt voor de belastingheffing alles mee, ook de waardevermeerdering van bezit, en inkomen in natura, zoals auto’s van de zaak. Zonder uitzonderingen. Er wordt niet langer gewerkt met fictieve, maar met werkelijke rendementen. De Directeur-Groot Aandeelhouder (DGA) wordt direct belast over de winst van zijn vennootschap &#8211; de huidige mogelijkheden om inkomen en dus belastingheffing (schier eindeloos) uit te stellen vervallen daarmee. We stoppen ook met alle fiscale subsidiëring van schulden &#8211; we staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd nul euro.</li>
<li>Bij de nieuwe tarieven worden de huidige premies voor volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) en de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke zorgpremie (ZVW) geïntegreerd. Een deel van de financiering van de AOW/ANW en de zorg (nu WLZ/ZVW) gaan we ook financieren door verhogingen van belastingen op kapitaal (zie hierna). De vrijstelling van pensioenen in de derde pijler (lijfrentes e.d.) vervalt. Dat zorgt bij elkaar voor een breder en eerlijker financiering, en maakt het stelsel nog een stap eenvoudiger.</li>
<li>We verhogen de belastingen op kapitaal. De verhouding tussen de opbrengst van de inkomstenbelasting en die van andere belastingen, met name die op kapitaal, moet fors veranderen – het grootste deel moet uit andere belastingen komen. Er komt een aparte, progressieve belasting voor zeer grote vermogens (de miljonairstaks; volgens het CPB neemt het aantal miljonairs in de komende 5 jaar fors toe – van 1,2 naar 1,4 miljoen Nederlanders) en er komen sterk progressieve belastingen voor winst, dividend en grote ontvangen erfenissen en schenkingen. Ook in al deze kapitaalbelastingen zijn er geen vrijstellingen, kortingen of aftrekposten meer. Het vermogen exporteren naar een ander land wordt daarbij tegen een hoger tarief belast.</li>
<li>We veranderen voorts de vennootschapsbelasting. Nu is het tarief afhankelijk van het aantal werknemers van een bedrijf, wij maken er een progressieve winstbelasting van, oftewel een belasting waarvan het tarief toeneemt naarmate de winst hoger is. Het minimumtarief wordt bijvoorbeeld 30% en het maximumtarief 50%. Daarenboven voeren we een extra heffing in op winst die niet geïnvesteerd wordt, maar bijvoorbeeld wordt opgepot of gebruikt voor het opkopen van eigen aandelen, zoals onlangs in de VS is voorgesteld. Dit heeft veel positieve effecten. Als het maken van steeds hogere winsten minder lucratief wordt, wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om de lonen te verhogen, om te investeren, of zelfs hun prijzen te verlagen. De gasprijs daalde direct toen de EU aankondigde om de winsten van energiebedrijven af te romen. En we gaan een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren. De ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen (rente aftrekbaar, winsten belast) in de vennootschaps-belasting leidt tot allerlei fiscale constructies en tot overmatige schuldfinanciering. Dit zal een domper zijn voor in Nederland gevestigde financieringsvennootschappen (de ‘brievenbus-bedrijven’), maar juist weer gunstig voor concernfinanciering vanuit Nederland van reële investeringen. Een gelijke vermogensaftrek is bovendien relatief gunstig voor het midden- en kleinbedrijf omdat het MKB verhoudingsgewijs met veel eigen vermogen is gefinancierd.</li>
<li>Ook in de dividendbelasting voeren we hogere, progressieve tarieven in, met bijvoorbeeld tarieven tussen 30 en 50%. We pakken de ontduiking via dividendstrippen (het via buitenlandse constructies vermijden van belasting) hard en effectief aan.</li>
<li>Voor digitale techbedrijven voeren we bovendien een Digitaks in, dat een eind maakt aan hun belastingontwijking. Indien bedrijven vertrekken naar goedkope belastingparadijzen moeten ze een exit belasting betalen conform het initiatief wetsvoorstel daarover van GroenLinks.</li>
<li>We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze kapitaalbelastingen. Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief. Beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn zeker zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant en kunnen we missen als kiespijn.</li>
<li>We wijzigen ook de erfenis- en schenkingsbelasting waarbij iedere Nederlander het recht krijgt om gedurende zijn leven bijv. 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen belastingvrij te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast: bijv. de eerste 500.000 euro met 40%, alles daarboven met 60%. Erfenissen zijn een belangrijke veroorzaker van onrechtvaardige bestendiging en vergroting van ongelijkheid. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers (BOR) wordt eveneens geschrapt. Teneinde acuut faillissement te voorkomen zijn hierbij betalingsregelingen mogelijk. Eveneens wordt de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR) geschrapt. Erfenissen zijn een doorgeefluik en katalysator van onrechtvaardig verkregen ongelijkheid. De ontvanger krijgt het niet vanwege eigen verdienste en heeft er ook niet eerder belasting over betaald, zoals vaak ten onrechte wordt beweerd.</li>
<li>De BTW op gezonde, duurzame en diervriendelijke producten moet omlaag, die op andere producten omhoog. Dan kan best, zoals ook het buitenland laat zien. We scherpen de regels voor verplicht duurzame, gezonde en diervriendelijke productie stapsgewijs aan. Zo sturen we de consumptie en maken we transities voor producenten mogelijk. Accijnzen op ongezonde en/of verslavende producten (alcohol, tabak) gaan ook omhoog, ook die op drugs die niet langer verboden worden, maar streng gereguleerd worden – alleen beschikbaar op specifieke verkooppunten, met kwaliteitscontrole en legale productie en distributiekanalen, en alleen aan meerderjarigen. Reclame hiervoor wordt verboden. We gaan ook de energiebelastingen en andere heffingen op vervuiling of die vervuiling vergroten vergroenen en rechtvaardiger maken – zie hiervoor hoofdstuk II.</li>
<li>We gaan de handhaving van onze belastingen daarbij enorm versterken en belastingontduiking zwaar straffen. GroenLinks en de PvdA doen in een recente initiatiefnota meer dan 25 voorstellen om een eind te maken aan de rol van Nederland als facilitator van belastingontwijking. Het is van belang om voor eens en altijd af te rekenen met belastingontwijking en van het juk als belastingparadijs af te komen. <em>Rulings</em> (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden. Er komen veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per drie jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, en ieder jaar bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude). Belastingverdragen met derdewereldlanden gaan we solidair maken en voorzien van een antimisbruikbepaling.</li>
</ul>
<h2><a name="_Toc143177861"></a>Linkse begrotingspolitiek</h2>
<p> </p>
<p>We voeren linkse begrotingspolitiek. Na 2008 sloegen de opeenvolgende kabinetten hard aan het bezuinigen om het begrotingsgat te dichten en de staatsschuld te verkleinen. Dat heeft Nederland zeker 5% aan economische groei gekost, berekende het Centraal Planbureau in 2016. Zonder die bezuinigingen was het bbp nu 35 miljard hoger geweest. Door opeenvolgende kabinetten werd zo’n vijftig miljard euro structureel bezuinigd. De pijnlijke conclusie van de Rekenkamer in 2016: de bezuinigingen waren bedoeld om de overheidsfinanciën op orde te brengen, maar de kans is groot dat de bezuinigingen daar geen positief effect op hebben gehad. In de woorden van de Rekenkamer: het is niet te zeggen of het begrotingstekort <em>dankzij</em> of <em>ondanks</em> de bezuinigingen gedaald is. Want minder economische groei betekent ook minder overheidsinkomsten. Bovendien leiden bezuinigingen tot een waterbedeffect: elders nemen de kosten toe. Van de vijftig miljard aan bezuinigingen kwam overigens slechts zeven miljard ten laste van het bedrijfsleven. Zelfs het IMF, de Wereldbank en bijv. ook de ING erkennen dat door dit beleid de crisis juist verdiept en verlengd werd, en het herstel dus vertraagd, met een schade van honderdduizenden extra werklozen en een verlies van volgens het CPB 365.000 banen en een verlies aan nationaal inkomen van 16,5%, een verlies dat grotendeels structureel geworden is. Inmiddels zijn de meeste economen het erover eens dat je in tijden van crisis juist niet moet bezuinigen. Is er eenmaal weer economische groei, dan nemen de staatsschuld en het begrotingstekort vanzelf snel af.</p>
<p>Linkse begrotingspolitiek is anticyclische (neo-Keynesiaanse) begrotingspolitiek: in tijden van financiële crisis investeert de overheid meer om werkgelegenheid en de binnenlandse bestedingen op peil te houden. We bezuinigen dan beslist niet op de publieke sector, die we immers gebruiken als ventiel om onvrijwillige werkloosheid te voorkomen, en we verhogen niet de lasten van huishoudens ten bate van lagere lasten op kapitaal – zoals na de crisis in 2008 en 2012 is gedaan. In tijden van crisis investeren we met duurzame investeringen, en breiden de werkgelegenheid in de publieke sector en de sociale zekerheid en bescherming (incl. sociale woningbouw) juist uit, opdat huishoudens niet door de bodem zakken. Hoe slechter de economische situatie, hoe belangrijker een goed vangnet om ervoor te zorgen dat mensen niet helemaal door de bodem zakken. In economische termen is sociale zekerheid een van de <em>‘automatische stabilisatoren’</em>: de koopkracht blijft enigszins op peil, wat goed is voor bedrijven. Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken moet het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid worden. Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang te gaan bezuinigen.</p>
<p>Wij staan voor degelijke financiering van overheidsuitgaven. We schuiven geen rekeningen door naar volgende generaties, zoals vooral rechtse regeringen gedaan hebben, ondanks hun retoriek die anders beweert zijn de feiten daarover duidelijk – rechts is de grote potverteerder, door Sinterklaas te spelen voor de rijken en de vervuilers. Ook dit programma is prima financierbaar. We halen het geld waar het zit. We zijn voor degelijke financiering van overheidsuitgaven, maar dan wel zonder neoliberale dogma’s en gericht op de langere, duurzame termijn.</p>
<p>Er is bovendien veel meer begrotingsruimte als we de afspraken over staatsschuld en financieringstekort niet meer zo idioot formuleren als nu gebeurt. We hoeven het vermogen van de overheid niet geforceerd op te krikken. Zorgen over de staatsschuld worden zeer overdreven. De Nederlandse overheid heeft altijd een netto-vermogen gehad, geen netto-schuld: de bezittingen zijn groter dan de schulden en gegarandeerde toekomstige inkomsten, m.n. de zekere inkomsten uit belastingen op pensioenen. Zo bezien heeft ons land helemaal geen staatsschuld. We nemen de bezittingen en vorderingen van de overheid in aanmerking bij de herformulering van de staatsschuld. En we stappen af van de regel dat meevallers op de begroting alleen gebruikt mogen worden voor de aflossing van de staatsschuld.</p>
<p>Het financieringstekort hoeft ook niet per sé maximaal drie procent op jaarbasis te zijn. Gemiddeld drie procent voor een langere periode is prudent genoeg. Er is daarnaast geen enkele noodzaak tot het creëren van een begrotingsoverschot. Begrotingsoverschotten moeten gebruikt worden voor investeringen. Begrotingsdoelen moeten we afwegen tegen sociale doelen (werkgelegenheid, ongelijkheid, armoede en uitsluiting) en duurzaamheidsdoelen. Ja, dat moeten we Europees regelen, met een verandering van het stabiliteits- en groeipact, maar laten we daar maar eens assertief in zijn. Worden de Europese begrotingsregels niet aangepast, dan zit er niks anders op dan statelijke ongehoorzaamheid. We moeten niet te benauwd zijn om veranderingen af te dwingen, zolang het vetorecht nog bestaat. De EU zal sociaal zijn, of niet zijn. Geen landen ook meer als zondebokken. Wie zich laat afleiden door zondebokken, komt niet toe aan het aanpakken van de werkelijke oorzaken.</p>
<p>Voorts moeten we in de EU Eurobonds invoeren: landen lenen geen geld op de ‘gewone’ geldmarkt, maar van de Europese Centrale Bank, waarbij landen in feite garant staan voor elkaar. Als staatsschulden oplopen gooit de private geldmarkt maar al te graag de rente voor staten omhoog. Daardoor loopt de staatsschuld verder op en ontstaat een eindeloze negatieve spiraal, die ook nu weer dreigt te ontstaan. Eurobonds voorkomen dat, want de ECB kan de rente in de hand houden. Ook de ECB zal voor verschillende landen verschillende tarieven rekenen, maar veel gereguleerder dan op de markt. Als je de rentevorming aan de markt overlaat geef je financiële markten de macht om landen af te straffen. Bij Italië kunnen Eurobonds het verschil zijn tussen wel en niet omvallen. Eurobonds betekenen voor landen als Nederland en Duitsland wel een iets hogere rente. In ruil daarvoor ontvangen we meer stabiliteit.</p>
<p>De ECB krijgt ook een beter mandaat: dat richt zich niet alleen op de inflatie, maar op brede welvaart op de langere termijn, binnen de democratisch vastgestelde kaders.</p>
<p>De rentelast van de overheid kan beheerst worden door daar op te sturen (in plaats van op begrotingstekort of staatsschuld, sturen we op rentelast) met gerichte lastenverzwaringen waar geprofiteerd wordt in een crisis – er zijn altijd private winnaars in een crisis.</p>
<h2><a name="_Toc143177862"></a>Internationale solidariteit</h2>
<p> </p>
<p>We zorgen ook voor meer en effectievere internationale solidariteit. We moeten als Nederland en EU veel meer actief zijn in de wereld, zeker in aangrenzende regio’s, om oorlog en vervolging tegen te gaan – met hard en soft power. Armoede, honger, uitbuiting, oorlog, onveiligheid, discriminatie, klimaat- en andere natuurrampen moeten we zoveel mogelijk uitbannen en voorkomen.</p>
<p>We verdubbelen het budget voor ontwikkelingssamenwerking en ontdoen het van vervuilende bestedingen (zoals migratie). We ontkoppelen ontwikkelingssamenwerking van eigen (handels-)belang en zorgen dat de middelen effectief besteed worden, door vooral samen te werken met lokale ngo’s.</p>
<p>Handelsverdragen, nieuwe en bestaande, leggen we onder een Eerlijke Handel toets, evenals het industrie- en landbouwbeleid. De huidige CETA- en Mercosur-verdragen kunnen die toets der kritiek niet doorstaan. De mogelijkheden en kansen van arme landen zijn doorslaggevend voor het nieuwe beleid.</p>
<p>Corruptie en mensenrechtenschendingen accepteren we niet – er komt een nieuwe, assertieve diplomatie en buitenlands beleid. Illiberale en autoritaire regimes in Afrika, het Midden-Oosten en elders (buiten de eerder genoemde agressieve staten Rusland, China, Iran, Syrië en Noord-Korea zijn de ernstigste schendingen in onder meer Afghanistan, Myanmar, Eritrea en Venezuela) zullen we niet meer met fluwelen handschoenen behandelen. Maar het probleem is veel breder en groeiend – bijna in heel Afrika, heel het Midden-Oosten en Centraal Azië, maar ook veel landen in Zuid- en Zuidoost-Azië worden mensenrechten, waaronder met name ook van vrouwen en LHBTIQ+ -ers en de democratische rechtsstaat ernstig bedreigd. De discriminatie en het geweld op basis van gender en seksualiteit als religieuze identiteit of uit andere overwegingen is wereldwijd onacceptabel, net als die op basis van afkomst, huidskleur, religie, beperking of anderszins, en we bestrijden die overal. In nog meer landen viert corruptie hoogtij en is er geen veiligheid, maar wel schrijnende armoede en honger – denk aan Haïti. En we plegen een extra inzet tegen wereldwijde moderne slavernij en mensenhandel, al dan niet samengaand met gedwongen prostitutie. We trekken met zoveel mogelijk andere landen op.</p>
<p>We stellen de discriminerende politiek van Israël ten aanzien van Palestijnen en de uitholling van de democratie door steeds meer theocratie daar actief aan de kaak, evenals de illegale bezetting en kolonisatie van de Palestijnse gebieden – duurzame vrede vraagt de garantie van een veilig, vreedzaam, democratisch en zeker bestaan van de Israëli’s én Palestijnen met westerse veiligheidsgaranties voor beide partijen. Het geweld van beide kanten moet worden beteugeld. Beide partijen moeten daarbij onder druk worden gesteld, zonder taboes. We werken niet samen met het Israëlische leger zolang dit niet veranderd.</p>
<p>We zetten ons ook in voor beëindiging van de burgeroorlogen in Sudan, Zuid-Sudan, Somalië en Jemen, voor vrede tussen Armenië en Azerbeidzjan, en blijven optreden tegen de terreur van de Islamitische Staat en Al-Qaida. Nederlanders die oorlogsmisdaden begaan elders worden zo mogelijk hier berecht – dat is veiliger voor iedereen en volgt uit het recht. We gaan veel meer doen om slachtoffers, waaronder de Yezidi, veel beter te helpen, onder meer met het helpen van het vervolgen van de daders. We lossen met al onze inzet onze ereschuld naar de Afghaanse helpers van onze militairen en politiemensen tijdens hun verblijf daar in door ze zo snel mogelijk hierna toe te halen.</p>
<p>Lidstaten van de EU en NATO die niet de democratische rechtsstaat en universele mensenrechten garanderen (zoals nu met name Hongarije en Turkije, maar ook Polen heeft hier werk te doen), worden uit deze organisaties gezet – desnoods door een nieuw verdrag zonder hen te organiseren. Daarvoor ontvangen ze geen subsidie meer en verliezen ze stemrecht. Op de lange termijn helpt geloofwaardigheid het beste om de universele mensenrechten en het internationaal recht te kunnen blijven handhaven.</p>
<p>Anderzijds zijn alle landen op het Europese subcontinent welkom bij de Europese Unie die de democratische rechtsstaat en alle regels van de Unie onderschrijven en implementeren. Daarbij hoort ruimhartige, maar wel gecontroleerde hulp om hieraan te voldoen. Uiteindelijk moeten alle lidstaten ook de euro invoeren en de Schengen bepalingen implementeren. Dit zorgt voor eenduidig bestuur en normering en helpt bij democratische controle op Europees niveau door het Europees Parlement en het Europees Hof van Justitie.</p>
<p>Ook in de andere handelsrelaties scherpen we het beleid aan: democratische rechtsstaat en mensenrechten gaan boven de koopman. De onderdrukking van rechten van vrouwen en lhbti+ -ers, en van etnische of andere minderheden in een land wordt niet geaccepteerd.</p>
<p>We maken niet weer dezelfde fout als we deden met de Russische Federatie bij China. Zolang de onderdrukking van vrijheid en democratie daar doorgaat, met onder meer de genocide onder Oeigoeren en Tibetanen, het opsluiten en erger van iedereen die kritiek heeft, het niet respecteren van de democratie in Hongkong en de dreiging voor agressie – nu vooral naar Taiwan en in de Zuid-Chinese Zee – doorgaat, beperken we de toegang van China tot de Europese markten, in het bijzonder bij gevoelige infrastructuur, waaronder universiteiten. We maken ons in de EU zoveel en zo snel mogelijk onafhankelijk van Chinese grondstoffen en goederen.</p>
<p>We financieren vanuit het rijke westen de aanpak van de klimaattransitie en klimaatadaptatie in het zuiden – wij hebben het grootste aandeel in de veroorzaking van de problemen, terwijl de rampzalige gevolgen vooral daar plaatsvinden. Ook zonder VN-verdrag daarover nemen we onze verantwoordelijkheid. We geven daarbij prioriteit aan de armste en meest bedreigde landen (Afrika, Bangla Desh, eilandstaten, etc.). Met zoveel mogelijk landen in Afrika en de Afrikaanse Unie sluiten we een speciaal ontwikkelingspact, waarbij ook de versterking van de democratische rechtsstaat &amp; respect voor de mensenrechten, vrede &amp; veiligheid en bestrijding van corruptie speerpunten zijn. Allereerst is een grote pacificering van het Afrikaans continent nodig, waar in steeds meer landen, soms al decennialang, in het overgrote deel uitzichtloze oorlog en gewapende strijd allesoverheersend is. Ook met landen in Zuid- en West-Azië maken we waar mogelijk zo’n pact. Daarbij geven we ons ook rekenschap van onze koloniale ereschuld. Maar we maken onze hulp ook afhankelijk van het respecteren van genoemde speerpunten.</p>
<p>We verhogen ook de defensie-uitgaven in EU- en NATO-verband, en treden we ook militair assertiever op om conflicten en ernstige schendingen van mensenrechten en internationaal recht te beëindigen en te voorkomen, met name in de regio’s rondom Europa. We zetten in Europees verband erop in om zelf ons te kunnen verdedigen en onze waarden en belangen in de wereld te beschermen – we willen het liefst de trans-Atlantische coalitie in de NAVO voortzetten, maar moeten serieus rekening houden met Amerikaanse uittreding, nu een herverkiezing van Trump niet uitgesloten is. Er moet daarom een meerjarig plan komen om de Europese afhankelijkheid van Amerika in de huidige, toenemend onveilig wordende wereld te beëindigen. Dat vraagt enorme, meerjarige investeringen in een krijgsmacht, inlichtingen en strategische bedrijvigheid. We nemen geen eenzijdige stappen voor ontwapening, maar dwingen die tweezijdig af vanuit een positie van kracht.</p>
<p>Met de aanval van de Russische Federatie op Oekraïne zitten we weliswaar niet formeel, maar wel materieel in een oorlogseconomie. Dat vraagt buitengewone bevoegdheden van de overheid. Alles moet uit de kast gehaald worden om de enorme dreiging van de Russische Federatie voor onze vrije wereld te beschermen. Hier is geen compromis mogelijk, alleen een militaire overwinning zal ons tegen genocide, oorlogsmisdaden en verlies van vrijheid, universele mensenrechten en democratische rechtsstaat beschermen. Het is aan Oekraïne, niet aan ons of anderen om de voorwaarden voor een staakt-het-vuren of vrede te bepalen en het proces daartoe in te richten. Wij blijven Oekraïne volledig steunen in zijn strijd tegen de agressor, zonder taboes op wapens en training. We helpen Oekraïne zichzelf te verdedigen met de wapens die zij daartoe nodig acht. Ook zullen we volop meehelpen in de wederopbouw en de medische hulp. Vluchtelingen uit Oekraïne blijven welkom. We helpen ook voluit met de vervolging van de oorlogsmisdaden van de agressor, waaronder de deportatie van kinderen en het neerschieten van de MH-17, en breiden de sancties uit tot iedere Rus en ieder bedrijf dat zich niet daadwerkelijk distantieert van de oorlog. We nemen veel meer bezittingen van Russische oligarchen in beslag, en dragen die over aan Oekraïne. Onze inzet is om ook actief de Wagner-huurlingen in Afrika en elders te bestrijden, en het vertrek van de Russen uit Syrië, Georgië en Moldavië af te dwingen.</p>
<p>De wapenindustrie moet op volle toeren draaien (7/24) om snel voldoende kracht op te bouwen tegenover de autoritaire en de vrije wereld bedreigende regimes van met name de Russische Federatie, Belarus, Iran, Syrië, China en Noord-Korea. Ook de export van strategische goederen en kennis naar deze en andere totalitaire en/of agressieve landen moet compleet verboden worden – bij twijfel, niet doen, met strakke handhaving en zware straffen op overtreding. Tegelijkertijd leggen we de wapenexport aan strenge, gecontroleerde banden om te voorkomen dat wapens in verkeerde handen komen. We nemen meer maatregelen om spionage en bedreigingen uit die landen te voorkomen en te beëindigen. Kwetsbare infrastructuur gaan we veel beter beschermen, ook tegen cyberaanvallen. Hiertoe komt er snel een deltaplan.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h1><a name="_Toc143177863"></a>II.              Voor een snelle, effectieve en rechtvaardige vergroening van onze economie en samenleving</h1>
<p> </p>
<p>We zorgen ook voor groene rechtvaardigheid. De leefbaarheid van onze planeet is in het geding, althans in ieder geval voor ons mensen. We moeten onze parasitaire levenswijze zien te veranderen in een symbiotische levenswijze met onze planeet. Anders staan ons steeds meer rampen te wachten. De Aarde overleeft het wel, sommige levensvormen ook, maar wij mensen mogelijk niet. We moeten de arrogantie, waarin we ons als goudvissen in een kom de meester van de oceaan wanen, laten varen in onze omgang met onze aarde, de enige blauwe levensbel in een onmetelijk zwart, dood, koud universum. We stevenen af op de eerste door de mens veroorzaakte grote uitstervingscrisis van het leven.</p>
<p>Klimaatverandering wordt voor het eerst vooral door menselijk ingrijpen veroorzaakt. De Aarde warmt sinds de industriële revolutie steeds sneller op. Dit decennium is volgens het recente 2023 IPCC rapport bepalend of de opwarming nog beperkt kan worden tot gemiddeld 1,5 of 2 graden. Maar CO₂-uitstoot van de huidige fossiele infrastructuur brengen ons al voorbij de 1,5 graden. Bij ongewijzigd beleid zal de stijging van de temperatuur in 2100 zo’n 3 graden zijn. De huidige opwarming is al 1,2 graad.</p>
<p>Het is geen probleem voor de verre toekomst, de effecten zijn nu al steeds meer merkbaar: extreme warmte, en zowel meer extreme droogte als extreme neerslag, meer verwoestende bosbranden, meer orkanen, een stijgende zeespiegel, stervende koraalriffen, voedselcrises en heviger smog. Het zijn vooral de kwetsbaarste mensen in arme landen die de dupe zijn van meer natuurgeweld. Deze natuurrampen veroorzaken hongersnood en watertekort en daardoor worden conflicten veroorzaakt en verergert, en dit alles veroorzaakt weer ongekende migratiestromen.</p>
<p>Opwarming van 2 graden is echt niet ‘<em>veilig’</em> te noemen, zo verdwijnt bij 2 graden opwarming meer dan 99 procent van de koraalriffen, bij 1,5 graad heeft meer dan 10 procent nog de kans te overleven. Bij 1,5 graad is het aantal mensen in de wereld dat met waterproblemen te maken heeft de helft lager dan bij 2 graden. Honderden miljoenen mensen minder krijgen te maken met voedselschaarste. De kans op zeer hete dagen in koelere streken en extreme regenval door cyclonen neemt toe. De grote ijskappen op Antarctica en Groenland kunnen instabiel worden bij een opwarming tussen 1,5 en 2 graden. Dat kan leiden tot meerdere meters zeespiegelstijging en een stopzetting van de warme Golfstroom in de Atlantische Oceaan. Daar komt bij dat afname van biodiversiteit en verslechtering van ecosystemen een stuk harder gaat bij 2 graden dan bij 1,5. De sterfte bij mensen door weersextremen is in kwetsbare gebieden vijftien keer groter dan in rijke landen. Voor Nederland is de zeespiegelstijging misschien nog het meest relevant. En die stijging is wereldwijd sinds 1900 gemiddeld toegenomen. Een deel van de zeespiegelstijging is al onafwendbaar. Ook na een afbouw van de uitstoot van broeikasgassen zal de zeespiegel nog duizenden jaren verhoogd blijven.</p>
<p>Een snelle en scherpe uitstootreductie van CO₂ en methaan is nodig en gelukkig ook nog mogelijk. Hoe langer we wachten, hoe moeilijker en duurder het wordt. Er gaat nog steeds meer geld naar fossiel dan naar hernieuwbare energie. Er is tot op heden dus nog veel te weinig gedaan om de uitstoot écht naar beneden te brengen. Het IPCC-rapport maakt duidelijk dat de voordelen van klimaatbeleid ruimschoots opwegen tegen de kosten. En vergeet ook niet de bijkomstige voordelen van bijvoorbeeld schonere lucht door over te stappen op schonere energiebronnen. De economische waarde daarvan wordt ingeschat op eenzelfde orde van grootte als de kosten van het klimaatbeleid. Al is er veel focus op de klimaatdoelen van 1,5 en 2 graden, het rapport maakt duidelijk dat elke fractie van een graad telt. De risico’s nemen daarboven steeds sneller toe, dus juist bij het uit het zicht raken van de doelstellingen moeten we extra hard aan de bak.</p>
<p>Maar er is nog meer aan de hand dan alleen een klimaatcrisis. Ook de biodiversiteit staat door de mens ernstig onder druk. Grondstoffen worden steeds schaarser, en afval (met name plastics, maar ook pesticiden, fijnstof, PFAS en andere gifstoffen) wordt een steeds groter probleem. Vervuiling van lucht, water en bodem bedreigt ons leven. Effectieve, snelle vergroening en verduurzaming van (industrie-, landbouw- en diensten-) productie en distributie is nodig. Met klimaatbeleid, energietransitie, circulaire economie, biodiversiteit en natuurherstel.</p>
<p>De grote ecologische crises vragen een enorme, urgente transitie van onze economie en manier van leven. Dit kan alleen slagen als de lusten en lasten van die transitie eerlijk en rechtvaardig verdeeld worden. Voor de bestaanszekerheid van huishoudens gaat dat steeds belangrijker worden. De geopolitieke dreigingen in Europa en elders maken de urgentie van dit alles alleen nog maar groter. En <em>last but not least</em> willen we verdere schade door aardbevingen in verband met winning van aardgas direct stoppen, en ook dat verhoogt de urgentie verder.</p>
<p>Klimaatbeleid en beleid voor de andere ecologische transities moet sociaal rechtvaardig zijn. Willen we de duurzaamheidsdoelen behalen, dan zullen we onze schadelijke gewoonten moeten beprijzen terwijl we groene alternatieven subsidiëren. We willen allemaal dat de vervuiler betaalt, maar terwijl huishoudens de energierekening zien oplopen, boeken oliemaatschappijen recordwinsten. Dat is enorm oneerlijk.</p>
<p>Het gesteggel over de ernst van de klimaatcrisis is voorbij. De gevolgen van de stijgende temperatuur zijn elk jaar voelbaar en afgezien van een paar verstokte pseudo-sceptici en klimaatontkenners (in de Kamer vertegenwoordigt door het extreemrechtse smaldeel) is iedereen het erover eens dat er iets moet gebeuren. Nu is de uitdaging om handen en voeten te geven aan de ambitie om binnen drie decennia klimaatneutraal te zijn. Daar zijn natuurlijk kosten mee gemoeid. Niet alleen zijn investeringen nodig om de CO₂-uitstoot terug te dringen, het kost ook geld om de dijken te verstevigen en steden te vergroenen – om ons, kortom, aan te passen aan het leven op een warmere planeet. Daarbij komt nog de economische schade als gevolg van de stormen, hittegolven en droogtes die alleen maar extremer zullen worden.</p>
<p>Milieuactivisten en vakbondsleiders hameren er al jaren op dat het klimaatvraagstuk onlosmakelijk verbonden is met het verdelingsvraagstuk. In de Europese Green Deal zijn miljarden ingeruimd voor een <em>just transition fund,</em> bedoeld om worstelende lidstaten of regio’s een steuntje in de rug te geven. Bij klimaatmarsen scanderen demonstranten dat ze <em>climate justice</em> willen – en wel nu. En op internationale conferenties eisen arme landen die nu al geraakt worden door klimaatrampen genoegdoening van de rijke staten die hun rijkdom hebben te danken aan het verbranden van olie, kolen en gas. Het verdelingsvraagstuk is altijd al de inzet van politieke strijd geweest. Het verschil bij klimaatbeleid is dat het niet alleen gaat over de verdeling van welvaart maar ook over de verdeling van de pijn.</p>
<p>Nog los van de hoofdpijn die sommige voorstellen ongetwijfeld veroorzaken bij de Belastingdienst is het de vraag of het verstandig is om voor iedere duurzaamheidsmaatregel een aparte compensatieregeling te bedenken. Misschien verraden de zorgen over ‘<em>energiearmoede’</em> en ‘<em>verkeersarmoede’</em> een dieperliggend probleem: dat de welvaart in Nederland sowieso schrijnend oneerlijk verdeeld is. Of zoals Tim ’S Jongers, de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, schreef in een column voor <em>De Correspondent</em>: <em>‘Als we niet willen dat er bij elke transitie een nieuwe armoede bij komt, dan is het zaak dat armoede als een breed probleem wordt gedefinieerd en aangepakt, en de samenleving financieel veerkrachtiger wordt, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen.’ </em></p>
<p>Wat minstens zo belangrijk is om te blijven benadrukken is dat de mensen in sociale huurwoningen die regelmatig een gehaktbal eten en eens per jaar met het vliegtuig op vakantie gaan, niet de voornaamste veroorzakers zijn van de klimaatcrisis. Een heffing op vlees voelen zij weliswaar direct in hun portemonnee, omdat een relatief groot deel van hun budget op gaat aan boodschappen, maar het is het consumptiepatroon van de mensen die niet wakker liggen van stijgende inflatie dat een veel grotere aanslag vormt op het milieu. Iemand die behoort tot de rijkste één procent van de Nederlanders stoot gemiddeld 39 keer zo veel uit als iemand die behoort de laagste inkomensgroep, zo becijferde onderzoeksbureau Ecorys eind 2022. Zo bezien is het klimaat misschien nog wel het meest gebaat bij een stevige miljonairstaks, zoals we hiervoor hebben voorgesteld.</p>
<p>We zetten hier in op normeringen, belastingen en een leidende rol van de energie-infrastructuur om tot structurele (gedrags-)verandering te komen en investeerders zekerheid te bieden. We gebruiken subsidies en geven informatie om de transitie voor burgers en bedrijven praktisch mogelijk te maken op een rechtvaardige manier, waarbij iedereen mee kan doen. Het binnenlands gebruik van (fossiele) energie kan via normering en beprijzing sterk dalen. Samen met onze buurlanden kan de overheid de energiebelastingen afstemmen om gebruik in chemische industrie en bunkerbrandstoffen te verlagen. Heldere normen zorgen ervoor dat burgers en bedrijven beter weten welke gedragsveranderingen van hen in 2050 en de weg daarnaartoe worden verwacht. Beprijzen geeft transparantie over de prijs die burgers en bedrijven moeten betalen en zorgt voor een prikkel om vervuilend gedrag te verminderen. Voor huishoudens met lage en middeninkomens is daarbij soms gerichte compensatie nodig vanuit het principe van rechtvaardigheid.</p>
<p>Voor de uitvoering van stevig groen beleid is het belangrijk dat burgers en ondernemers snappen dat ingrijpende maatregelen perspectief bieden op een duurzamer, mooier en toekomstbestendig Nederland. De proteststem van burgers lijkt in de kern (ook) een roep om mee te doen. Er is behoefte aan een samenhangend verhaal dat de doelen tastbaar maakt en beleidsinstrumenten – zoals beprijzing, normering en subsidies &#8211; plaatst in een breder sociaal-maatschappelijk perspectief. De overheid kiest nu nog vaak voor een faciliterende rol in de klimaat- en energietransitie, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde. Voor het vormgeven van ingrijpende, systemische verandering is dit niet voldoende. De klimaatcrisis vraagt een langjarig consistent beleid met scherpe doelen en een helder tijdpad.</p>
<h2><a name="_Toc143177864"></a>Een klimaatneutraal Nederland in 2050 vraagt versnelling met aanvullend beleid</h2>
<p> </p>
<p>De klimaatcrisis vraagt aanvullend beleid. Ons energiesysteem moet in 2035 uitstootneutraal zijn. Dat kan alleen met een forse daling in de energievraag. Een klimaatneutraal Nederland in 2050 is alleen haalbaar als we het huidige transitietempo fors opvoeren. Lastige keuzes, zoals beleid gericht op vermindering van energievraag, zijn de afgelopen decennia vaak vermeden. Dat zal niet meer kunnen. Omdat de levensduur van veel investeringen tot na 2050 strekt, gaat deze langetermijnvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling verder, richting 2100. Voor alleen al het realiseren van de door Rutte IV gestelde doelstelling van 60% CO₂ reductie in 2030 is veel aanvullend beleid nodig.</p>
<p>Fossiele energiebronnen moeten volledig vervangen worden door hernieuwbare energiebronnen. We beëindigen sneller het gebruik van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas. De in de Klimaatwet gestelde doelen daarvoor worden bindend en vatbaar voor rechterlijke toetsing. De aardgaswinning wordt direct gestaakt, ook in velden buiten Groningen. Er komt geen winning van schaliegas.</p>
<p>Een succesvolle energietransitie vereist keuzen. De energietransitie zal plaatsvinden in een omgeving en een periode van aanzienlijke schaarste. Er is weinig ruimte in de boven- en de ondergrond, de arbeidsmarkt is zeer krap en er is schaarste aan materialen. Dit vereist een scherpe prioritering. Niet alles kan, dus prioritering is nodig naar wat het meeste bijdraagt aan de integrale visie. Inzet van alle beschikbare kennis en ruimte geven aan innovaties kan bijdragen aan het minder beknellend maken van de schaarste-elementen.</p>
<h2><a name="_Toc143177865"></a>Elektrificatie en energiebesparing staan centraal</h2>
<p> </p>
<p>Elektriciteit moet het belangrijkste element van het energiegebruik worden. Verdere verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening en -infrastructuur is randvoorwaardelijk voor de daling van de uitstoot in de andere klimaatsectoren. De emissies in de elektriciteitssector dalen de komende jaren stevig door het verbod op kolen bij stroomopwekking en het sterk uitrollen van hernieuwbare elektriciteit. De verdere verduurzaming van de elektriciteitssector loopt echter tegen knelpunten aan in de productie en het transport van elektriciteit. Het internationale karakter van de elektriciteitsmarkt en het belang van leveringszekerheid maken de precieze emissies moeilijk te ramen. Sturen op deze emissies is dus ingewikkeld. Daarom moeten we normeren richting een klimaatneutrale elektriciteitssector in 2035; en stimuleren opslag batterijen bij zonneparken en normeren zon op dak. Investeringen in adequate elektriciteitsnetten zijn cruciaal. Andere energiedragers, zoals waterstof, spelen maar een beperkte rol. Het is nodig om te sturen op maximale elektrificatie, de energievraag af te stemmen op het aanbod, en op een klein maar noodzakelijk deel andere CO₂-neutrale energiedragers.</p>
<p>De transitie wordt gemakkelijker als de totale energievraag wordt beperkt. We moeten rekening houden met schaarste in mensen, middelen, ruimte en materiaal. Er zijn terecht ambitieuze doelen gesteld voor de duurzame elektriciteitsproductie, vooral windenergie op zee. In toenemende mate zal het aanbod op bepaalde momenten groter zijn dan de vraag naar elektriciteit, of andersom. Nu nog zijn gascentrales beschikbaar om bij te springen als de vraag naar elektriciteit groter is dan het beschikbare aanbod van wind- en zonne-energie. Dit regelbaar vermogen moet uiterlijk in 2035 klimaatneutraal zijn. Flexibiliteit van de vraag naar elektriciteit en goede verbindingen met omringende landen verminderen de noodzaak van dit regelbaar vermogen. Toch blijft regelbaar vermogen noodzakelijk, maar omdat het steeds minder wordt ingezet neemt de winstgevendheid af. Bij tekorten aan gas gedurende de transitie gaan we energie-intensieve productie zoals ammoniak (kunstmest), aluminium, staal en chemie bij noodwet beperken of zelfs stilleggen. Dit geldt ook voor de glastuinbouw (incl. sierteelt). De kolencentrales moeten snel dicht.</p>
<p>Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht. Alleen echte duurzame biomassa kan gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd worden. Er is veel discussie over biomassa, maar er zijn een aantal punten waar voor- en tegenstanders het in grote lijnen over eens zijn. Liever biomassa gebruiken als grondstof, dan als energiebron. De belangrijkste rol is weggelegd voor biomassa als grondstof voor meubels, papier of bouwmaterialen. Ook in de chemie kan het een belangrijke rol spelen. Biomassa gebruiken voor energie moet vooral gebeuren daar waar weinige alternatieven zijn. Veel partijen zijn het ook eens dat de subsidies voor biomassa teveel gericht zijn op energie-inzet en te weinig op inzet op gebruik als grondstof en in de chemie, waar de rol van biomassa op de lange termijn groter is. Daarom schrappen we deze subsidies. Niemand wil hele bomen die geschikt zijn voor bouwmaterialen opbranden in energiecentrales. Gebruik van houtige biomassa blijkt te moeilijk te controleren te zijn – daar stoppen we mee. Bovendien is de energiewinning uit het verbranden van hout veel onrendabeler dan stoken op kolen of gas. De directe CO₂-uitstoot is bij biomassa ongeveer twee tot drie keer zo groot als bij de opwekking van dezelfde hoeveelheid stroom door gas en een derde tot de helft groter dan bij kolen. Ondanks dat biomassa afkomstig is vanuit de natuur, levert houtige biomassa een bijdrage aan het broeikaseffect. Gebruik van reststromen voor energieopwekking is een goed idee, als het fossiele bronnen vervangt en er geen betere toepassingen voor zijn. Denk aan dun hout, krom hout of zaagsel dat niet anders gebruikt kan worden.</p>
<p>We investeren niet in kernenergie, dat is niet duurzaam. Kernsplitsing is geen fossielvrij proces (bij de winning van uranium komt wel degelijk CO₂ vrij) en heeft een fors, gevaarlijk afvalprobleem, nog los van de risico’s bij de opwekking, met name in oorlogstijd en bij terroristische aanslagen, en is zeer duur. Het is niet verstandig daar nu fors op in te zetten. Kernenergie is duur en overbodig voor het energiesysteem van de toekomst. De discussie over kernenergie is erg ideologisch geworden, maar gezond verstand en feiten maken duidelijk dat nieuwe kerncentrales niet operationeel kunnen zijn voor 2035, wanneer er een energieneutraal elektriciteitssysteem moet zijn. Rond 2035 zal Nederland beschikken over veel windparken op zee, waardoor slechts op een beperkt aantal momenten extra stroom nodig is. Bij een overvloedig aanbod van wind- en zonne-energie zullen kerncentrales niet zonder meer volcontinu kunnen draaien, waardoor ze duur zullen zijn. Als de kerncentrales vol moeten gaan draaien (om rendabel te zijn), dan is dat vermoedelijk niet voor de Nederlandse markt. De experts vinden ook de voorgenomen locatie, het Zeeuwse Borsele, ongelukkig gekozen, omdat het stroomnet er toch al zwaar wordt belast. Daar centrales vestigen is onhandig, omdat op die plaats veel opgewekte stroom van windparken op zee binnenkomt. Kernenergie is kortom overbodig en duur, want in 2030 zal er voldoende zon- en windenergie kunnen zijn (wind en zon vullen elkaar aan – is er geen wind, dan wel vaak zon, en vice versa, en zonneparken bij windparken op zee zijn een goedkoper, sneller realiseerbaar en groener en veiliger alternatief) en is er bovendien voldoende grootschalige batterijopslag – er is nu al een enorm aanbod aan plannen daarvoor zonder een cent subsidie!). En dan hebben we het nog niet over de potentie van bi-directione elektrische (accu) systemen, die tegen 2030 naar verwachting 40 dagen windstilte en geen zonneschijn kunnen opvangen. En perovskite zonnepanelen kunnen nu al zelfs bij kunst/daglicht 5 tot 10% rendement bereiken. Kernenergie is een dure, onnodige, gevaarlijke rechtse hobby. Kernfusie is voorts al decennia een technische illusie gebleken. Het is goed om daar naar onderzoek te blijven verrichten, maar voor onze huidige urgente problemen is daar ook niet de oplossing van te verwachten.</p>
<p>Het elektriciteitsverbruik zal volgens het Expertteam Klimaat in 2050 ten minste twee- tot driemaal zo hoog zijn als nu. Het tijdig en op de juiste plaats realiseren van adequate elektriciteitsnetten is de hoofdopgave van de vernieuwing van het energiesysteem. Energie-infrastructuur wordt een vestigingsplaatsfactor in een breder ruimtelijk perspectief voor Nederland. De energie-infrastructuur van Nederland moet leidend worden voor de ruimtelijke, sociale en economische ontwikkeling, en niet meer volgend zoals nu. Infrastructuur heeft een sturende werking op gedrag van burgers en bedrijven. Daarvoor moeten netbeheerders ook investeringsruimte en (wettelijke) ruimte krijgen. Ook voor burgers, corporaties en gemeentes is juridische ruimte nodig zodat ze zelf met lokale duurzame energiesystemen aan de slag kunnen gaan en lokaal maatwerk mogelijk wordt. De energie-infrastructuur geeft ook het verdienvermogen van Nederland vorm. De energie-infrastructuur zal dus een prominente plaats krijgen in de nieuwe Nota Ruimte (2024).</p>
<p>We geven prioriteit aan het versneld uitvoeren van het vergroten van de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk in ons land. Er komt een Autoriteit Elektrificering die hiertoe doordrukmacht krijgt. Grootschalige zonneweides en windturbinelocaties op land worden alleen daar gebouwd waar het net dat aankan, waar er geen alternatieven zijn (energiebesparing, wind en zon op zee, zonnepanelen op daken) en waar andere duurzaamheidsdoelen en gezondheid van mensen geen te groot risico lopen. Voorwaarde is ook dat functies gecombineerd worden in zonneweiden, bijv. met natuurontwikkeling, watersopslag en/of recreatie. We investeren in grootschalige toepassingen van zonnepanelen – verplicht op daken waar dit kan, op bermen van autosnelwegen, zo mogelijk ook geïntegreerd op dakpannen, wegdekken, rails (zoals nu al gebeurt in Zwitserland), en tussen en rond windparken op zee. Met dit soort maatregelen en voorwaarden maken we de energietransitie mogelijk zonder in te leveren op natuur- en landschapsontwikkeling en -bescherming.</p>
<h2><a name="_Toc143177866"></a>Scherpere klimaateisen in de industrie</h2>
<p> </p>
<p>We verscherpen ook de klimaateisen in de industrie. De grote industrie, waaronder afvalverbrandingsinstallaties, moet meer gaan betalen voor CO₂-uitstoot; verplichten aandeel gerecyclede en duurzame plastics. Tijdige realisatie van energieinfrastructuur en vlotte vergunningverlening zijn hiervoor randvoorwaardelijk.</p>
<p>De industrie in Nederland (en in de rest van West-Europa) gaat veel ingrijpender veranderen dan nu veelal wordt gedacht. De relatief grote omvang van de zeer energie-intensieve industrie werd mede mogelijk door de relatief grote hoeveelheid fossiele brandstoffen uit eigen bron. Dit specifieke voordeel kan niet vervangen worden door eigen opwekking van duurzame energie, omdat andere Europese landen eveneens veel duurzame energie kunnen opwekken. Het oude industriemodel is niet meer bruikbaar, ook al blijven andere relatieve voordelen van Nederland bestaan, zoals de ligging en de immateriële infrastructuur.</p>
<p>We gaan, anders dan waar de industrie nu van uitgaat, grote waterstofprojecten niet subsidiëren. We moeten NortH2 niet subsidiëren, ook niet wat betreft het aanleggen van het leidingen – de sector moet dat zelf financieren. Groene waterstof kan wel goed dienen als bufferbrandstof, om tijdelijke tekorten bij productie met zon en wind op te vangen. Een waterstofcentrale kan zo’n dip opvangen, als een soort chemische accu voor zon- en windenergie.</p>
<p>CO₂-opslag is uiteindelijk geen oplossing, maar kan wel tijdelijk soelaas bieden, maar we moeten onze focus en subsidie vooral richten op CO₂-hergebruik. Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar is, en – anders dan het expertteam Klimaat adviseert – alleen als tijdelijke tussenoplossing. En we gaan dat niet subsidiëren, de betrokken bedrijven moeten en kunnen dat zelf financieren. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.</p>
<p>We moeten veel meer inzetten op energiebesparing. Het potentieel daarvoor wordt veel te weinig benut. Alle nieuwe bedrijvigheid die veel extra energie nodig heeft wordt in beginsel niet meer toegelaten. We verhogen het energiebesparingsdoel voor 2030 van 32,5% naar 45%. De schoonste energie is de energie die we niet hoeven op te wekken. En we kunnen niet zonder, willen we de doelstelling van maximaal 1,5 graad opwarming halen en nog ergere  klimaatrampen voorkomen. De transitie is alleen haalbaar bij forse energiekrimp. Dat vraagt om een economisch structuurbeleid dat gericht is op onder meer extensivering (vermindering) van energiegebruik, met name in de industrie. De huidige verplichting voor energiebesparing bij industrie wordt niet gehandhaafd. Dat gaan we direct veranderen en hard handhaven. Er moet een Noodwet voor verplichte energiebesparing bij bedrijven komen opdat huishoudens niet verstoken worden van energie. Daarbij gaan o.m. de meest energie-intensieve bedrijven verplicht dicht, worden er maxima gesteld aan verwarming en airconditioning, moeten winkels hun deuren sluiten, wordt terrasverwarming verboden, wordt verlichting in lege gebouwen verboden, etc. Alles wordt uit de kast gehaald om energie te besparen. We stoppen met het faciliteren van veel energie en water slurpende datacenters in ons land. Met procesintensificatie, een verzamelnaam voor radicaal andere, veel meer duurzame en efficiënte processen en apparaten, kan fors op energie worden bespaard met maatregelen die zich binnen vijf jaar terugverdienen door besparingen op de energierekening. De industrie is daar nu veel te laks. De aandacht binnen de industrie is eerder gericht op nieuwe producten of processen. Daarnaast stellen grote concerns vaak strikte rendementseisen aan inzet van kapitaal: investeringen krijgen alleen goedkeuring als ze zich binnen twee of drie jaar terugverdienen. Energiebesparing in de industrie ­levert geld op, maar er zijn andere investeringen die nu meer en/of eerder rendement opleveren. Energiebesparing draagt ook bij aan minder milieuschade en zorgt voor werkgelegenheid bij het toepassen van schone technologie. Alle reden om deze mogelijkheid juist prioriteit te geven vanuit de overheid. Tot nu toe accepteren we dat in de industrie nog grootschalig inefficiënte technieken worden toegepast. We investeren vervolgens heel veel belastinggeld in dure, vaak milieu-schadende technieken, om een soortgelijke hoeveelheid energie te leveren. Het energiebesparingsbeleid voor de grote industrie is sinds de jaren negentig gebaseerd op convenanten. Dat gaat met zachte hand. Dit blijkt niet effectief, er wordt te weinig besparing gerealiseerd ten opzichte van de afgesproken doelen. Tijd voor een andere aanpak. Kleinere bedrijven zijn al wettelijk verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Dit draagt bij aan een groeiend bewustzijn en deze aanpak werpt vruchten af. Maar de grote industrie is in ­Nederlandse wetgeving van deze verplichting uitgezonderd, omdat ze ook onder het Europese emissie­handelssysteem valt. Dat systeem werkt onvoldoende om tot besparingen te komen. We heffen per direct de uitzondering van de industrie op de investeringsverplichting in energiebesparing op en gaan deze verplichting strak handhaven. Hiervoor hebben we al een verandering van de energiebelasting voorgesteld, waarbij de huidige vrijstellingen voor grootverbruikers vervallen. Eveneens willen we een hoge CO₂-heffing en een ETS-heffing. Dit zal de industrie aanzienlijk prikkelen te investeren in energiebesparing, energieefficiëntie en verduurzaming van hun energiegebruik. Het zal zonder twijfel ook leiden tot vertrek of beëindiging van sommige energie-intensieve bedrijvigheid, maar daar staat nieuwe, duurzame en slimme bedrijvigheid tegenover. De betrokken werknemers krijgen een inkomensgarantie en worden desgewenst naar ander werk begeleid. We bieden energie-intensieve bedrijven die hun CO₂-uitstoot willen terugdringen investeringszekerheid door middel van <em>carbon contracts for difference </em>(CCfD’s), die de kloof overbruggen tussen de  geldende prijs van CO2-emissies en de werkelijke kosten van emissiereductie. Restwarmte-uitstoot wordt belast opdat het rendabel wordt deze te benutten.</p>
<p>We stellen daarenboven bindende duurzaamheidsnormen vast voor datacentra, waaronder energie-efficiënte koeling, minimaal watergebruik, hergebruik van restwarmte en verlenging van de levensduur van hardware. In afwachting daarvan stellen we per direct een moratorium in. We stellen ecodesignregels vast die het dataverbruik van online films, video’s, games en advertenties aan banden leggen, evenals dat van slimme apparaten. We voeren ecodesignregels in voor software om het gebruik van systeembronnen, energie en data te beperken. Deze regels moeten <em>software bloat </em>aanpakken door paal en perk te stellen aan niet-essentiële vooraf geïnstalleerde software, door voor te schrijven dat dergelijke software door de gebruikers kan worden verwijderd en door te verbieden dat software onnodig op de achtergrond draait. Niet-essentiële softwarefuncties die een aanzienlijke hoeveelheid werkgeheugen, opslag of rekenkracht vergen, dienen optioneel te zijn. Functionele updates moeten omkeerbaar zijn. We bevorderen vrije en open software die gebruikers in staat stelt de code aan te passen aan de capaciteit van hun hardware en aan hun behoeften, zonder onnodige ballast. We verbieden cryptomunten – naast het grote data- en energiebeslag zijn deze munten gevaarlijk voor de financiële stabiliteit, schulden van huishoudens en worden ze gebruikt voor witwassen van criminaliteit en witwassen. We ontwikkelen een meetlat voor de rekenintensiteit van kunstmatige intelligentie (AI), voeren een rapportageverplichting in voor AI-ontwikkelaars en bevorderen het gebruik van de meetlat als criterium bij de aankoop van AI door overheden.</p>
<h2><a name="_Toc143177867"></a>Eerlijke energieprijzen en -belastingen</h2>
<p> </p>
<p>We gaan zorgen voor eerlijke energieprijzen en -belastingen en lokale energieopwekking met minder marktwerking. In plaats van de huidige regelingen gaan we met toepassing van de Prijzenwet per direct de gasprijzen voor huishoudens bevriezen. Er komt een maximum prijs voor huishoudens gebaseerd op gemiddeld tarief voor woning per soort woning (tussen/hoekwoning, appartement hoek/rijtje/onder dak, vrijstaand) en samenstelling huishouden. Er is met de huidige winstniveaus geen compensatie nodig van de energiebedrijven en die is bij de Prijzenwet ook niet vereist. Gemeenten krijgen daarnaast extra middelen voor bijzondere bijstand ten behoeve van huishoudens die hun energielasten nu zien stijgen boven de 10% van hun netto inkomen. Waar energiebedrijven onverhoopt omvallen komt er via een Spoedwet de verplichting om zonder prijsverhoging deze klanten over te nemen bij andere leveranciers, naar keuze van de betreffende consument. We versterken daarin ook de solvabiliteitseisen en de rechtsbescherming voor consumenten bij energieleveranciers.</p>
<p>We gaan na hoe de energieleveranciers weer publiek bezit kunnen worden en zetten daartoe zo spoedig mogelijk de eerste stappen. We verbieden speculatie met inkoop van energie. We nemen stappen om de marktwerking te beperken en het publieke belang beter te beschermen bij de energievoorziening. Per direct mogen er alleen nog maar vaste contracten worden aangeboden die beschermen tegen prijswisselingen. Ook worden eigenaren van gasopslag verplicht die op aanwijzing van de Rijksoverheid te vullen. Energieleveranciers die staatssteun nodig hebben worden verplicht daarbij zeggenschap over te dragen.</p>
<p>De energievoorziening van de toekomst voor huishoudens op iets langere termijn bestaat uit lokale systemen, <em>loosely </em>gekoppeld met het nationale energiesysteem. Geen beleid gericht op stimulering van ‘warmtepompen’ maar liever sturen op optimalisatie van het achterliggende doel (radicale CO₂ reductie). Aardgas is daarin uitgefaseerd. We stimuleren lokale productie van energie. Voor 2035 maken we de energieleverantie aan huishoudens een zaak van uitsluitend energiecoöperaties in handen van de huishoudens die deze energie ontvangen (en zoveel mogelijk ook leveren). Daarbij worden wettelijke regels gesteld voor duurzaamheid, leveringszekerheid, prijsstabiliteit en bestemming eventuele winst. Daken van openbare gebouwen worden verplicht ter beschikking gesteld aan deze coöperaties voor opwekking duurzame energie. We stimuleren ook voldoende opslagcapaciteit voor de korte termijn en seizoensopslag van elektriciteit en warmte. We zorgen dat burgers zo snel mogelijk een volwaardige partij (zowel als consumenten als producenten, de zgn. <em>”handelende prosumenten”</em>) kunnen zijn op de energiemarkten, waarbij zij flexibiliteit kunnen leveren, kunnen handelen in energie, bijvoorbeeld met de buren, en ook samen kunnen opslaan. We organiseren en ondersteunen energiecoöperaties en scheppen mogelijkheden in de wetgeving en fysiek voor sociaal ondernemen in de wijk. Dit heeft ook een positieve impact op de lokale economie, de acceptatie van de energietransitie en het vergroot de sociale cohesie. Hierdoor verandert ook de rol van energiebedrijven, van verkopers van energie naar dienstverleners voor (groepen) burgers. Voor deze transitie wordt een snel op te stellen stappenplan gerealiseerd.</p>
<p>We ontkoppelen de prijs voor warmtenetten van de gasprijs. In een nieuwe warmtewet wordt het beheer verplicht publiek (in vorm van non-profit warmtecoöperatie van aangesloten huishoudens binnen regels van nationale en lokale overheden) en de rechtsbescherming van huishoudens versterkt.</p>
<p>De klimaattransitie – fossiele energie vervangen door hernieuwbare groene energie – moet zoals gezegd worden gedreven door prijsmaatregelen, met de CO₂-heffing en het ETS-stelsel, waarbij ook import van buiten de EU belast wordt, zodat er een gelijk speelveld is. Prijsmaatregelen werken veel beter dan subsidies. De subsidies in het kader van de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) moeten daarom worden geschrapt, die vergroten bovendien de ongelijkheid tussen huishoudens en bevoordelen de grootverbruikers, ook en vooral in het bedrijfsleven. Daarmee kan ook de oneerlijke Opslag Duurzame Energie (ODE) in de energiebelasting vervallen.</p>
<p>We moeten voorts het regressieve energiebelastingstelsel vlakmaken. Met een vlak belastingtarief op aardgas betalen bedrijven eerlijk mee aan de energietransitie, wordt onnodige energiearmoede voorkomen en krijgen bedrijven ook een terugverdienmodel, mocht de gasprijs weer gaan dalen. Ook de belasting op elektriciteit moeten we vlak en eerlijk maken. Nog steeds staan alle supermarkten te koelen met open koelkasten, hebben winkels de deur open staan en worden terrassen verwarmd, pure verspilling van elektriciteit en warmte omdat het hen te weinig kost. Zonder hervorming van het oneerlijke stelsel van energiebelastingen zal de energietransitie onvoldoende snel plaatsvinden en worden burgers in huurwoningen de energiearmoede in gedrongen. Huishoudens en MKB gaan er door onze maatregelen op vooruit. Voor huishoudens is er een directe lastenverlichting van circa 600-800 euro per jaar mogelijk. Samen met een prijsplafond voor gas, snellere isolatie van (bij voorrang de sociale) huurwoningen (zie hierna) en het verminderen van de marktwerking in de energiesector kunnen de laagste inkomens beschermd veel beter beschermd worden tegen hoge energieprijzen.</p>
<p>De opbrengst van de heffingen op de uitstoot van bedrijven wordt aan de inwoners teruggegeven met een vast bedrag per huishouden (een <em>Klimaatinkomen</em> energierekening.) en niet aan de bedrijven. Naar schatting komt dit bedrag op ca. 500 euro per jaar per huishouden. Daarmee worden huishoudens gecompenseerd voor de extra lasten van de energietransitie, die deels doorwerkt in hogere prijzen.</p>
<p>We moeten tegelijkertijd een einde maken aan vrijstellingen van energiebelastingen, zoals de vrijstellingen voor energie-intensieve processen, de zogenoemde inputvrijstellingen energie- en kolenbelasting voor energieopwekking en de inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal gebruik, en aan de kortingen voor energiebelasting (glastuinbouw) en van belasting op kerosine (luchtvaart) en gaan fossiele brandstoffen in lucht- en scheepvaart veel zwaarder belasten (zie hierna).</p>
<p>Alle fossiele subsidies worden geschrapt, inclusief fiscale vrijstellingen en kortingen en kredietexportverzekeringen. Dat levert 30 miljard euro per jaar op. We verbieden ook reclame voor fossiele energie. Pensioenfondsen mogen wettelijk niet meer investeren in fossiele bedrijven. Met een grote financiële sector en de ligging in een delta is Nederland zowel financieel kwetsbaar voor klimaatverandering als in de positie om een verandering van het financiële systeem mede in gang te zetten. De overheid kan en moet die verandering stimuleren door eisen te stellen aan het kennisniveau van financiers over duurzaamheid, transitieplannen verplicht te stellen en in het toezicht tegenover klimaat gerelateerde risico’s hogere kapitaalseisen te zetten. Ook betere economische prikkels verhogen de aantrekkelijkheid van duurzame investeringen. Daarbij kan de overheid ook meer zelf mee investeren.</p>
<h2><a name="_Toc143177868"></a>Verduurzamen van woningen</h2>
<p> </p>
<p>We versnellen het energieneutraal maken van woningen. In 2050 moeten alle wijken energieneutraal of zelfs energiepositief zijn. Het uitgangspunt is dat de totale energiebehoefte van de wijk zo laag mogelijk is (warmte, elektriciteit, koeling en lokale mobiliteit). Op die manier kunnen met elkaar samenhangende lokale energiesystemen worden opgezet. Gebouwen verbruiken in 2050 veel minder energie. In principe is elk gebouw energiearm en uitgerust met een warmtevoorziening en koeling. De gebouwen worden slim aangestuurd op basis van data. Zo wordt alle opgewekte energie zo efficiënt mogelijk ingezet. Elektrische auto&#8217;s, samen met buurtaccu&#8217;s, worden gebruikt om het  elektriciteitsnet te balanceren. Gebouwen spelen ook een rol bij klimaatadaptatie. Groene daken, voedsel verbouwen of recreatie op daken is normaal. Gebouwen zien er anders uit doordat natuurlijke materialen de norm zijn. Dit geeft ontwerpers nieuwe inspiratie en gebruikers een prettige beleving. We vervangen de huidige versnipperde aanpak door een aanpak waarbij al deze elementen in hun onderlinge samenhang ontwikkeld worden tot een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050. Koude, warmte, isolatie en elektriciteit voor gebouwen, openbare ruimte en mobiliteit krijgen gebiedsgericht integraal vorm. Waar mogelijk worden de verbeteringen op het gebied van energie gekoppeld aan andere opgaven in de wijk, zoals de ruimtelijke en sociale wensen.</p>
<p>Het toekomstig energiesysteem in de wijken is voornamelijk op elektriciteit gebaseerd, mogelijk gecombineerd met lokale warmtebronnen. Er is opslag van elektriciteit en &#8211; als er warmtenetten zijn – van warmte en koude. Alle plannen en investeringsbeslissingen in wijken moeten worden getoetst aan een energieneutrale toekomst in 2050. Ingrepen op het gebied van energie worden steeds direct gekoppeld aan de ruimtelijke en sociale aspecten. Daarbij nemen we de klimaatneutrale situatie in 2050 als uitgangspunt en werken daarnaartoe. We voorkomen een fossiele lock-in door een moment te bepalen, bijvoorbeeld 2040, waarop aardgas niet langer ingezet mag worden voor de energievoorziening in de gebouwde omgeving.</p>
<p>We focussen op verwarmingssystemen die met lage temperatuur (LT) werken. Deze systemen zijn toekomstbestendiger dan hoge temperatuursystemen. LT-systemen beschikken over meer bronnen en maken een efficiëntere toepassing van een warmtepomp mogelijk. Het terugbrengen van de energievraag van gebouwen gaat gepaard met een sterke toename van materiaalgebruik. We stimuleren daarom natuurlijke materialen en circulaire toepassingen op dit gebied en treden op als <em>launching customer </em>voor innovaties.</p>
<p>Er komt nationaal programma voor spoed-isolatie van woningen in wijken waar de huishoudens behoren tot de 25% laagste inkomens én de 50% grootste gasgebruikers. We isoleren slecht geïsoleerde woningen in collectief bezit in hoog tempo, veel sneller dan tot nu toe het geval is. Daarmee worden meteen stappen gezet in energiearmoedebestrijding en innovatie. Als veel woningen tegelijk worden verbeterd, kunnen ondernemingen het aanbod industrialiseren, waarbij kant en klare pakketten op de bouwplaats worden gemaakt. Hierdoor dalen de kosten en zijn ook minder arbeidskrachten nodig. We laten het einddoel en het tijdpad tot 2050 zien, inclusief de steeds strengere normen. Belanghebbenden worden gestimuleerd om zo veel mogelijk in één stap naar de maximale energiezuinigheid voor het hele gebouw (bij collectief bezit) of het aan te pakken gebouw of delen daarvan (bij individueel bezit). We maken het aantrekkelijk (regelgeving/instrumenten) voor bewoners, bedrijven en corporaties, om daar direct naartoe te werken. Dit levert een technisch haalbare reductie op van 70% voor ruimteverwarming en warm tapwater. Volgens de <em>“Paris proof energierantsoen</em>”-methode is er in Nederland 360 PJ beschikbaar aan energie voor de gebouwde omgeving. Ten opzichte van het huidige energieverbruik betekent dit een besparing van 60-70% aan energieverbruik. We maken de voordelen van energietransitie zichtbaar. We zorgen dat iedereen mee kan komen met de energietransitie en dat bewoners een stem hebben in de keuzes op lokaal niveau.</p>
<p>We verscherpen de duurzaamheidseisen aan huurwoningen. Er komt per direct een verbod op nieuwe huurcontracten van woningen met de slechtste energielabels (C en hoger), en een verbod op huurverhoging van woningen met een label slechter dan A. Deze maatregelen worden stapsgewijs aangescherpt opdat in 2035 alle huurwoningen tenminste een A+++ label hebben en huurwoningen met de slechtste energielabels moeten in 2028 van de markt verdwijnen.</p>
<p>Het energielabel en de verduurzaming van de woning mogen geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. In plaats van duurzaamheidspunten wordt een niet-duurzame woning aangemerkt als een gebrek waarvoor huurkorting geldt. Huurders van nog niet voldoende geïsoleerde woningen (label B en slechter) krijgen een wettelijke korting op de feitelijk betaalde huur van een kwart van de huurprijs van 75 euro per maand per slechter label-stap (dus label C 150 euro korting, etc.), zodat verhuurders een prikkel krijgen voor verduurzaming. Woningcorporaties krijgen daarvoor compensatie mits men tijdig verduurzaamt (overigens zijn de meeste huurwoningen met een slecht energielabel in handen van commerciële verhuurders). Er komen bindende afspraken met corporaties en andere verhuurders voor het energieneutraal maken van 200.000 woningen per jaar, te beginnen bij de woningen met de slechtste energielabels (meestal bij de meest armste huishoudens). Woningcorporaties en -coöperaties krijgen mogelijkheid om de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos te lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties.</p>
<p>Ook voor woningbezitters moeten er versneld strengere eisen aan energielabels voor deze woningen komen. Vanaf 2025 moet elke koopwoning geïsoleerd zijn, Huizenkopers moeten verplicht hun woning binnen 2 jaar isoleren; de isolatie-eisen voor woningen moeten worden aangescherpt – een woning moet in 2030 minimaal energielabel B hebben. Woningeigenaren worden tegelijkertijd door een ‘<em>ontzorgloket’</em> ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning. Middeninkomens met een eigen woning krijgen de mogelijkheid om hiervoor renteloze leningen af te sluiten bij een speciaal fonds. Anders dan Rutte III voorstelde, maar in overeenstemming met het voorstel van Milieudefensie, komt er daarbij geen maximum bedrag (zo wordt financiering ook voor oude of grote woningen mogelijk, met hoge isolatiekosten), is de looptijd 30 in plaats van 25 jaar, is de lening renteloos, is er geen toetsing van kredietwaardigheid en geldt een brede kwijtscheldingsmogelijkheid voor lage inkomens als de besparing op de energierekening lager zijn dan de terugbetaling van de lening (onrendabele top). Jaarlijks wordt de terugbetaling in dat jaar vastgesteld, gebaseerd op het inkomen van de bewoner van de woning. Iedere bewoner betaalt dus naar draagkracht: Voor de laagste 40% van inkomens in Nederland (tot ca. 95% modaal) behoeft er alleen terugbetaald worden bij reductie van de energierekening, uitgaande van de ‘kale’ gasprijs en de energiebelasting zoals die nu in 2022 geldt. De hoogste 20% inkomens (boven 1,5 modaal) moeten de hele lening terugbetalen. De groep inkomens daartussen betaalt het bedrag van de energiereductie terug plus 50% van het resterende bedrag. De renteloze lening is gebouwgebonden, dus het gaat om een lening op de woning, in de vorm van een voucher, ter waarde van de isolatie- en verduurzamingskosten voor die specifieke woning. De voucher kan enkel bij isolatiebedrijven verzilverd worden. Deze lening is alleen beschikbaar voor woningeigenaren die in hun woning wonen, inclusief VVE’s.</p>
<p>Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun WOZ-belastingtarieven lager vast te stellen bij een groener energielabel. We gaan de vaststelling en handhaving van de energielabels van woningen onafhankelijk en kwalitatief beter maken.</p>
<h2><a name="_Toc143177869"></a>Groene mobiliteit</h2>
<p> </p>
<p>We zorgen voor een transitie naar groene mobiliteit. We reizen in 2050 minder. En als we reizen doen we dat vaker met het openbaar vervoer, te voet en met de fiets. We verscherpen de klimaateisen in de mobiliteit. We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), in fietsen en in openbaar vervoer. De ruimtelijke ordening wordt daarop aangepast.</p>
<p>We verlagen de OV-kosten door iedere burger voor 49 euro per maand onbeperkt reizen met alle openbaar vervoer te geven, net als in Duitsland. Kinderen reizen gratis. De OV-bedrijven worden hiervoor gecompenseerd. We maken het openbaar vervoer niet geheel gratis omdat we onnodige mobiliteit willen vermijden. We maken geen aparte regelingen voor lage inkomens omdat we stigmatisering willen vermijden en we door onze plannen voor inkomensverbetering en lastenvermindering bij deze inkomensgrepen dat ook niet meer nodig is. Ook aparte regelingen voor studenten en ouderen zijn daarom niet meer nodig.</p>
<p>We investeren de komende 15 jaar zo’n 10 miljard per jaar extra in beter en meer openbaar vervoer. Er komen extra trein- en andere railverbindingen. In de Randstad én buiten de Randstad, meer internationale verbindingen en extra goederenlijnen. We breiden bus- en tramverbindingen fors uit en verhogen de frequenties. Er komen hoogwaardige minimum bereikbaarheidsnormen, met name ook buiten de Randstad. Deze komen in plaats van rendabiliteitsnormen. Het openbaar vervoer is een publiek goed, geen plek voor rendementsdenken. Beter openbaar vervoer impliceert ook toegankelijk (voor mensen met een beperking) en veilig (met meer conducteurs/stewards en beveiligers) openbaar vervoer. Al het openbaar vervoer moet uiterlijk in 2030 wettelijk verplicht direct toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, ook voor mensen met visuele beperking. Deze maatregelen worden gefinancierd uit verhoging van de belastingen op vliegen (zie hierna) en komt in de plaats van lagere accijns op benzine en diesel voor auto’s zoal die door Rutte IV is ingevoerd.</p>
<p>En we maken een eind aan de marktwerking in het openbaar vervoer. We richten nog in de komende kabinetsperiode een nationaal OV-bedrijf op die alle openbaar vervoer in Nederland gaat verzorgen, zodra bestaande verplichtende aanbestedingen zijn verlopen. Bestaande OV-bedrijven kunnen daarin opgaan. Personeel krijgt aanbieding om te gaan werken bij het nieuwe staatsbedrijf, dat ook het railnet gaat beheren, met garantie van tenminste dezelfde arbeidsvoorwaarden. Aan hun concessies wordt bij verlopen ervan een einde gemaakt. Regionale en stedelijke verbindingen worden verzorgd op basis van provinciale en gemeentelijke plannen, binnen nationale kaders.</p>
<p>In Europees verband moet er een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor Europese hogesnelheidslijnen, internationale treinen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. Het kopen van internationale treinkaartjes, die in prijs goedkoper moeten zijn dan vliegreizen, moet veel eenvoudiger worden, met vaste prijzen (niet meer afhankelijk van data waarop gereserveerd wordt).</p>
<p>We zorgen voor een forse krimp in de luchtvaart. De sprookjes over duurzaam vliegen zijn vooralsnog voor de komende decennia luchtkastelen. Deze krimp maakt vliegen wel weer haalbaar binnen de grenzen van natuurvergunning en gezondheidsnormen. Luchtvaart is grote uitstoter van stikstof, CO₂ en fijnstof en veroorzaakt veel geluidsoverlast. We maken continentale vluchten fors duurder, verbieden vluchten waar goede railalternatieven bestaan (alle binnenlandse vluchten plus Londen, Parijs, Keulen, Brussel, Frankfurt; dit scheelt al 100.000 vluchten!) en zetten een stop op de groei van luchthavens: Lelystad Airport gaat definitief niet open, Schiphol moet terug naar maximaal 250.000 vluchtbewegingen, en regionale luchthavens mogen niet groeien, maar moeten dicht. Privévliegtuigen worden in beginsel niet meer toegelaten. Nachtvluchten worden verboden. Al het luchtverkeer boven 250.000 vluchten is bestemd voor 10 miljoen overbodige overstappers via Schiphol en korte vluchten die niet door de  snelle trein vervangen kunnen worden. Zo’n 70% van de passagiers op Schiphol bestaat uit overstappers, die economisch niets toevoegen en ons milieu wel zwaar belasten. Terwijl de bereikbaarheid er niet op vooruitgaat. De krimp is mogelijk met behoud van een goede bereikbaarheid van alle voor Nederland belangrijke bestemmingen. Er zijn veel minder overstappers nodig. Schiphol blijft een kleinere hub met een groot netwerk. Het internationaal vervoer van Nederland komt niet in de knel. Economisch is er nauwelijks nadeel. Er komt een aparte ticketbelasting voor veel-kilometer-vliegers. En een kerosinebelasting op alle vliegbewegingen, die zwaarder is voor privé- en zakenvliegtuigen. Zo maken we de luchtvaartkrimp ook eerlijker.</p>
<p>Scheepvaart maken we voor 2050 een van de duurzaamste vormen van transport. Schepen varen met ondersteuning van wind op batterijen en produceren nauwelijks meer onderwatergeluid. De internationale scheepvaart stoot nu nog enorm veel CO₂-emissies uit. De meeste internationale schepen gebruiken stookolie, een extreem vervuilende brandstof. Bij de verbranding komt veel CO₂ vrij, maar ook schadelijke stoffen als zwart roet, fijnstof, zwavel- en stikstofverbindingen. Om te voorkomen dat na het verbranden van de stookolie zwaveloxiden de lucht in worden gepompt worden zgn. <em>scrubbers</em> ingezet om deze stoffen af te vangen. Of <em>‘te wassen’</em>, zoals het ook wel wordt genoemd. Maar het blijkt dat veel schepen het ‘<em>scrubwater’</em>, dat vol zit met schadelijke metalen en PAK’s niet aan land brengen maar op zee overboord kieperen. Hup de zee in. Een ander groot probleem op zee is de herrie, onder andere afkomstig van scheepsschroeven. Dieren in zee hebben last van het menselijk geluid (zoals geluid van scheepsschroeven, maar ook boortorens en de bouw van windmolens). Alle schepen moeten daarom verplicht worden zachter en met ‘<em>stillere’</em> schroeven gaan varen om de herrie op zee te verminderen. We zetten vol in op elektrificatie van de scheepvaart met groene stroom – op het water en aan de wal. We investeren in havenfaciliteiten daarvoor. Voor nieuwe schepen gaan we verbieden dat er een hoofdmotor in komt. De eis wordt direct tenminste hybride diesel-elektrisch gaan varen. En dan gaan de accu’s het vanzelf steeds meer overnemen als die goedkoper en kleiner worden. De scheepvaart wordt onder de werking van het ETS gebracht en krijgt ook een CO₂-heffing. Ook privéjachten met fossiele brandstoffen gaan we zwaarder belasten. Er komen strenge normen voor geluid van schepen onder water. We gaan op de Noordzee streng handhaven op verbod van lozen van giftige stoffen, o.m. na scrubben. Niet-duurzame cruiseschepen worden per direct geweerd. Binnenvaart, slepers, baggerschepen en veerboten moeten voor 2030 elektrisch zijn.</p>
<p>We gaan ook de elektrificering van motorvoertuigen versnellen. Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu. We vervangen de motorrijtuigenbelasting en de aanschafbelasting (bpm) door een systeem van rekeningrijden, gedifferentieerd naar plaats en tijd. Alle nieuwe personenauto&#8217;s die in 2030 op de markt komen, moeten van de EU 100% elektrisch zijn. Deze auto&#8217;s rijden dan op elektriciteit uit een batterij, waterstof-brandstofcel of zonnepanelen. Vanaf 2025 verplichten we daarop vooruitlopend dat alle leaseauto’s elektrisch zijn. De aanschafbelasting voor vervuilende auto’s gaat snel omhoog. We zorgen snel voor implementatie van de EU norm voor (snelle) laadpalen langs de snelwegen (iedere 60km). Auto&#8217;s op het belangrijkste Europese wegennet moeten in 2026 minstens iedere 60 kilometer kunnen worden opgeladen. Het gaat om stations met minstens 400 kW-laadvermogen en meerdere laadpunten. Tegen 2028 moet het vermogen per laadstation toenemen tot 600 kW. Vrachtwagens en bussen moeten volgens de EU over vijf jaar om de 120 kilometer zijn op te laden langs de helft van de Europese hoofdwegen. De laadstations voor trucks en bussen krijgen een vermogen van 1400 kW tot 2800 kW. Om de 200 kilometer moet een chauffeur in 2031 waterstof kunnen tanken. Er worden uitzonderingen gemaakt voor afgelegen gebieden, eilanden en wegen met &#8216;zeer weinig verkeer&#8217;. Betalen aan de laadpaal moet ook makkelijker en inzichtelijker worden. We investeren niet meer in nieuwe of verbreding van autosnelwegen. Amilesweerd blijft behouden en wordt beschermd. </p>
<h2><a name="_Toc143177870"></a>Transitie naar een volledig circulaire economie zonder uitputting van eindige grondstoffen en zonder afval</h2>
<p> </p>
<p>We moeten onze economie voorts geheel verduurzamen naar een circulaire economie. Dat is een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Grondstoffen dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking op onze planeet en de toenemende welvaart in de wereld. Door onze parasitaire levenswijze worden bovendien ecosystemen, het klimaat en onze gezondheid bedreigt met de afvalstoffen van die levenswijze.</p>
<p>Met een zuiniger gebruik van eindige grondstoffen, en met een productieconcept waarin hergebruik, reparatie en recycling uitgangspunt is, en waarin ook energie teruggewonnen wordt uit materialen en afval(verwerking) zetten we deze transitie in. Een <em>donut</em>-economie, waarin de groei begrensd is door lijnen van ecologische duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. En waarin groei niet meer alleen gemeten wordt in welvaart, maar ook in welzijn, geluk, ecologie en gezondheid. Met ook nieuwe verdienmodellen, waarin je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, en waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Voor iedere sector van onze economie komen er wettelijke doelstellingen, instrumenten en financiering, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kan een circulaire economie 10% afname van onze CO₂-uitstoot en 20% waterbesparing in de industrie opleveren, maar ook meer leveringszekerheid van grondstoffen (25% minder import van primaire grondstoffen), als ook ruim 50.000 nieuwe banen en zeven miljard euro extra voor de Nederlandse economie. Dat vraagt wel een enorme transitie. Deze moet eerlijk en rechtvaardig plaatsvinden, opdat huishoudens met een laag en middeninkomen daar niet de rekening van betalen. Het moet hen financieel mogelijk gemaakt worden duurzaam te leven.</p>
<p>We gaan de nieuwe ontwerp richtlijn voor reparatie en garantie al vooruitlopend in nationale regelgeving omzetten: verplichte reparatie binnen wettelijke garantietermijn (verkopers moeten  reparatie aanbieden); meer reparatie buiten wettelijke garantietermijn (consumenten krijgen recht op reparatie door producent bij technisch herstelbare producten); een online reparatieplatform (moet het voor consumenten makkelijker maken in contact te komen met verkopers en producenten voor reparatie); en we streven naar een Europese kwaliteitsnorm voor reparatiediensten.</p>
<p>Veel grondstoffen zijn onttrokken aan de aarde en opgeslagen in gebouwen, infrastructuur en in producten als televisies, folders en flessen. De gebouwde omgeving kan worden gezien als een mijn, waar kostbare grondstoffen uit kunnen worden herwonnen (urban mine). Materialen als papier, staal en glas worden al veel gerecycled. Maar er zijn nog meer materialen en producten die worden afgedankt, die kunnen worden hergebruikt en waaruit grondstoffen kunnen worden gerecycled. Afgedankte elektronica bijvoorbeeld bevatten veel zeldzame aard- en edelmetalen, die nog nauwelijks worden gerecycled.</p>
<p>Waar ook meer mee kan en moet is bij beton. De voorraad van beton in gebouwen en werken – zoals viaducten en bruggen &#8211; is enorm. Het vrijkomende beton wordt bijna volledig gerecycled, maar het overgrote deel van het materiaal verdwijnt in laagwaardige ophogingen en wegfunderingen. Bij de productie van beton komen echter veel broeikasgassen vrij en in dergelijke ophogingen kan ook zand of grind worden gebruikt. Belangrijke uitdaging voor de bouwsector is om de grote voorraad beton hoogwaardiger te recyclen. Oftewel meer toepassen in beton. Daarnaast kunnen architecten in de ontwerpfase beter inspelen op mogelijkheden van hergebruik van gebouwen en onderdelen daarvan. Bijvoorbeeld door modulair te ontwerpen, waardoor een gebouw makkelijk is af te breken in modules en onderdelen van een gebouw makkelijk kunnen worden hergebruikt.</p>
<p>Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten.</p>
<p>We belasten ook vervuiling. We gaan niet een stikstofmarkt invoeren en veel belastinggeld besteden aan uitkoop van intensieve veeboeren en andere stikstof-uitstotende bedrijven, maar uitstoot van stikstof belasten, natuurvergunningen intrekken en boeren helpen – ook financieel – om zich om te vormen naar wel duurzame bedrijvigheid, met een duurzaam verdienmodel. In de industrie en mobiliteit gaan we stikstofuitstoot ook belasten. We voeren ook een verpakkingsbelasting in (samen met een uitbreiding van de statiegeldregeling) en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor alle verpakkingen worden verplicht gesteld.</p>
<p>Ieder product moet een productlabel krijgen waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is. Alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics. We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken termijndoelen.</p>
<p>Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt eveneens belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. En we regelen economische prikkels tegen watervervuiling en waterverspilling. Zo moeten ook boeren verontreinigingsheffing gaan betalen (ze zijn nu vrijgesteld daarvan) voor de uitstoot van meststoffen en pesticiden. En er komt een juridisch bindende toets op water en klimaat voor bouw- en andere ontwikkelprojecten. Het waterpeil in veenweidegebieden moet omhoog teneinde verdere inklinking van de bodem met onder meer funderingsschade te voorkomen. Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Bedrijven mogen niet meer nanoplastics lozen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. Hiervoor is al aangegeven dat de normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen (zoals PFAS) door bedrijven in bodem, water en atmosfeer veel strikter moeten worden gereguleerd, gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, worden vervolgd. Grootgebruikers van schoon drinkwater gaan daarvoor meer betalen – nu hoeven ze boven de 300 kuub niets meer te betalen, dat maximum verdwijnt en wordt vervangen door een progressief tarief. Boven de 300 kuub ga je naarmate je meer gebruikt juist meer betalen. Dat bevorderd hergebruik en niet inzetten van drinkwater waar ook ongezuiverd water gebruikt zou kunnen worden bij bedrijven. En het geeft een prikkel voor minder vlees- en zuivelgebruik. Woningen krijgen verplicht een voorziening voor ongezuiverd water voor gebruik van toilet, tuin, etc. door opvang en hergebruik van afvalwater en op te vangen regenwater. We investeren in snelle aanleg van meer wateropvang en drinkwatervoorzieningen.</p>
<h2><a name="_Toc143177871"></a>Schone en gezonde bodem, water en lucht</h2>
<p> </p>
<p>We zorgen voor een schone en gezonde bodem, water en lucht. De overheid moet levens en gezondheid van haar burgers te beschermen en tevens zich te houden aan Europese wetgeving waaraan ze zich heeft gecommitteerd. Burgers kunnen dat in het vervolg bij de rechter gaan afdwingen. De normen voor de luchtkwaliteit, zoals voor geur (ammoniak), de hoeveelheid en samenstelling van (ultra-)fijnstof en fijnstof van bio-industrie, stikstofoxiden en roet, worden aangescherpt tot het niveau dat is vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Gemeenten hebben een belangrijke de taak bij de handhaving en geven inwoners inzicht in de controle. Normen op het gebied van geluid, trillingen, stank, en andere overlastgevers moeten altijd vastgesteld gaan worden op basis van de beste (en meest recente) wetenschappelijke inzichten. Bedrijven die installaties vervangen krijgen geen nieuwe vergunning als zij niet de best beschikbare, duurzame technieken toepassen.</p>
<p>We gaan de handhaving verscherpen. Zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid in april 2023 in een onderzoek naar de uitstoot van Tata Steel (IJmuiden), Chemours (Dordrecht) en de asfaltfabriek APN (Nijmegen) concludeert, is een toetsing aan de best beschikbare technieken (BBT) niet altijd voldoende om te zorgen dat de concentraties van schadelijke stoffen in de buurt van de fabriek onder de veilige grenzen voor milieu en gezondheid blijven. Voor de bescherming van omwonenden is het daarom meer van belang, als tweede aspect, om te toetsen of de concentraties van schadelijke stoffen in de omgeving van de fabriek de norm voor langdurige blootstelling niet overschrijden (zulke normen zijn er alleen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen en een aantal andere veel voorkomende schadelijke stoffen zoals fijnstof). Bij deze toets kan rekening worden gehouden met alle relevante activiteiten, zowel die onder de vergunningsaanvraag vallen als emissies door derden. Het toetsen van de concentratie van schadelijke stoffen op leefniveau (immissie) aan de grenswaarde, en het op basis daarvan waar nodig beperken van de emissies krijgt vergeleken met de inzet op BBT op dit moment minder aandacht bij vergunningverlening en handhaving. Dat moet echt veel beter, met eigen continue waarnemingen en niet alleen van het bedrijf zelf zoals nu bij dit soort hoog risicobedrijven, en daarbij moet het voorzorgprincipe worden toegepast – bij twijfel, niet toestaan. Dit geldt met name bij zgn. persistente stoffen, stoffen die niet of nauwelijks afbreken in het milieu en menselijk lichaam. Een derde aspect betreft de controle door de vergunningverlener op de juistheid en volledigheid met als doel de vergunning te laten aansluiten op de daadwerkelijke uitvoering. Ook na het verlenen moet de vergunning daarom regelmatig gecontroleerd worden op compleetheid en correctheid op basis van de meest recente inzichten, en op tijdige implementatie van aanwijzingen voor verbetering – de vergunningen moeten steeds geactualiseerd worden om de risico’s zo klein mogelijk te maken. De omgevingsdiensten – die over deze uitstoot de toezichthouder zijn – moeten veel beter worden toegerust voor hun taken, er moet meer geïnvesteerd worden in onderzoek, en er moet resoluut worden opgetreden – bij te grote risico’s moet het bedrijf of het productieonderdeel gesloten kunnen worden. Bij zware overtredingen moet ook strafrechtelijk vervolging plaatsvinden van bestuurders. Bedrijven krijgen de verplichting hun uitstoot altijd zo laag mogelijk te houden, ook al is deze nog beneden de in de vergunning aangegeven maximumwaarde. Bedrijven en omgevingsdiensten moeten transparant zijn over incidenten, zorgen en klachten, en pro-actief omwonenden informeren.</p>
<h2><a name="_Toc143177872"></a>Herstel van biodiversiteit – meer natuur en dierenwelzijn en volledig natuurinclusieve landbouw</h2>
<p> </p>
<p>Herstel van biodiversiteit is naast de klimaattransitie en de transitie naar een circulaire industrie een derde prioriteit. De aanpak van de stikstofcrisis, zoals hiervoor opgenomen in een nieuw landbouwbeleid, maar ook met de krimp van de uitstoot daarvan in de industrie, de mobiliteit en de bouw staat daarin voorop. We steunen de Europese Natuurherstelwet van EU commissaris Timmermans. Een breed en sterk natuuroffensief geeft juist ruimte dat ons land van het slot gaat.</p>
<p>Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het is absurd dat in een dichtbevolkt land dat drijft op diensten bijna 60 procent van het grondgebied in beslag wordt genomen door een uitermate vervuilende activiteit: de intensieve, industriële landbouw. Deze heeft grote nadelige maatschappelijke en milieueffecten. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid.  Dat moet minder, duurzamer, natuurlijker.</p>
<p>We verscherpen de klimaateisen in de landbouw. In de landbouw moet alleen al voor de reductiedoelstelling van broeikasgassen de veestapel voor 2030 met 30% verminderen met een maximum van 1,7 dier per hectare; er moet een hogere belasting komen op vlees en zuivel; voedsel moet meer gebaseerd zijn op plantaardige eiwitten; voedselverspilling moet worden tegengegaan; ook de agrarische sector moet emissiebelasting gaan betalen; veevoer moet genormeerd worden; glastuinbouw moet extra beprijst worden; oppervlaktewaterstanden in veenweidegebieden moeten genormeerd worden. Landbouw moet in 2040 geheel klimaatneutraal zijn. De uitstoot van CO₂, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.</p>
<p>Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector, daarvoor lenen de productieomstandigheden in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. De gangbare, industriële landbouw kan de wereld op den duur niet voeden. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Burgers maken zich zorgen over klimaatverandering, maken zich zorgen over gezondheidsrisico’s en ergeren zich aan de landschapsvervuiling en schendingen van dierenwelzijn, natuurbeschermers zien dat er zich een <em>&#8216;ecologische ramp&#8217;</em> voltrekt in het agrarische gebied. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren.</p>
<p>We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Deze vormen van landbouw leveren meerwaarde voor boer, dier, maatschappij, natuur en milieu. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur.</p>
<p>Daarin ligt besloten dat er een einde komt aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Intensieve veehouderij draagt bij aan de klimaatcrisis, de crisis in de biodiversiteit en vormt een ernstige bedreiging van onze gezondheid. Om nog maar niet te spreken over dierenwelzijn. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – met een krimp van tweederde ten opzichte van 2020 uiterlijk in 2030, dus tot eenderde van de huidige omvang. Dat is noodzakelijk voor het realiseren van de klimaattransitie, de stikstofreductie ter herstel van de biodiversiteit, de circulaire economie, bedreigingen van onze volksgezondheid en de vermindering van het zoetwatergebruik. Nederlanders moeten minder vlees eten en/of regulier vlees vervangen door kweekvlees. We gaan vegetarische vleesvervangers, kweekvlees en het gebruik van insecten en zeewier in de voedselvoorziening bevorderen. Daar investeren we in. Met BTW- en prijsmaatregelen ondersteunen we die transitie. Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in regelgeving krachtens de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt per direct niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen.</p>
<p>De toekomst ligt in gemengd boerenbedrijf met natuurinclusieve akkerbouw, voedselbossen en extensieve veeteelt, gecombineerd met betaald natuur- en landschapsbeheer en andere, niet-vervuilende bedrijvigheid (zoals zorgboerderijen).</p>
<p>We bevorderen ecologisch duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw wordt de norm. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030.</p>
<p>Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg. De vruchtbare kleigronden in Zeeland, de polders, Noord-Holland, Friesland en Groningen behouden hun bestemming als akkerbouwgrond. Hier zullen vooral gewassen worden geteeld voor menselijke consumptie. Het is zonde om op vruchtbaar land gras te laten groeien voor koeien. Het areaal landbouwgrond (nu 54 procent van het landoppervlak) wordt de komende eeuw gehalveerd. Dat wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de uitbreiding van de voedselproductie op zee. Boeren gaan minder produceren, maar ze krijgen wel een betere prijs voor hun producten.</p>
<p>Daarbij is een hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) met hogere kwaliteitsnormen nodig. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken. Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.</p>
<p>Veevoer gaat genormeerd worden naar uiteindelijk zonder ingevoerde soja en kunstmest. De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op zo kort mogelijke termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja en de toepassing van kunstmest. We verplichten dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen.</p>
<p>Het stikstofarrest van de Raad van State wordt direct en strikt uitgevoerd – niet door ontwijktrucs. We gaan versnellen in plaats van vertragen: 50% procent minder stikstofuitstoot en driekwart van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op een gezond niveau in 2025 in plaats van 2030, conform de eis van natuurorganisaties. Natuurvergunningen worden bij te hoge stikstofuitstoot ingetrokken, uitbreiding aantal dieren verboden, uitrijden van mest sterk beperkt. De betrokken boeren krijgen financiële en andere hulp om de transitie naar kringlooplandbouw en/of andere duurzame bedrijvigheid te kunnen meemaken, eventueel op een andere plek, of hun bedrijf te beëindigen. Als we dat niet doen zal heel Nederland op slot gaan met een geraamde schade van 100 miljard euro.</p>
<p>De grootste uitstoters buiten de landbouw gaan ook dicht of moeten fors krimpen (kunstmestfabrieken, hoogovens, Schiphol, etc.).</p>
<p>Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Met deze vernatting van veenweidegebieden zijn ze niet meer geschikt voor melkveehouderij, maar wel voor ‘<em>natte’</em> teelten zoals cranberry’s en riet. Nu wordt in deze gebieden de waterstand kunstmatig laag gehouden voor de veeteelt. Daardoor oxideert het veen, wat leidt tot extra uitstoot van CO<sub>2</sub>. Voor boeren is nog steeds ruimte in het Nederland van 2120, maar wel met passende landbouw op de goede plek. Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw.</p>
<p>Als gidsland en als een van de grootste producenten ter wereld van vlees en zuivel, moet Nederland streven naar een voorbeeldfunctie wat betreft duurzaamheid, volksgezondheid en dierenwelzijn. De Nederlandse intensieve veehouderij wordt vaak genoemd als voorbeeld voor de rest van de wereld. Onze productiemethoden zijn geperfectioneerd op efficiëntie en het dierenwelzijn is ondanks bovenstaande misstanden beter dan in veel andere landen. Maar dat het elders nog slechter is, kan geen excuus zijn om weg te kijken. De normen voor dierenwelzijn moeten fors worden verhoogd en strak gehandhaafd. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen. Weidegang voor koeien en voldoende buitenruimte voor varkens en pluimvee worden wettelijk verankerd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen mishandeling op slachterijen en verplicht pijnloos slachten (en geen uitzondering voor religieus slachten); geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden, en zeker niet bij temperaturen boven 22 graden Celsius.</p>
<p>Er komt een verbod op het houden en fokken van (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht. Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.</p>
<p>Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt. Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren.</p>
<p>Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector (als onderdeel van een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid), opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Slachthuizen worden permanent gevolgd met camera’s. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit.</p>
<p>Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau. De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis. Er moet verder onderzoek plaatsvinden naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. In een toekomstige zoönose-uitbraak (ziekte die overdraagbaar is van dier op mens, zoals Q-koorts en covid), stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, hierom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken.</p>
<p>We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Verkoop van gewassen, planten en bloemen die met pesticiden gekweekt zijn wordt in Europa eveneens verboden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Pesticiden veroorzaken ernstige ziektes bij mensen op en rondom de boerderijen en bijv. de bloembollenvelden, zoals Parkinson en leukemie. Een progressieve belasting op pesticiden (zolang er nog geen Europees verbod is) en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop. Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid. We zijn tegen het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven. We blijven het voorzorgprincipe hanteren tegen genetische modificatie van gewassen.</p>
<p>Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren en verzet tegen verscherping staken. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. Zo belonen we de innovatieve vissers. Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis. Bodemberoering voor visserij (zoals bij platvis en garnalen) wordt verboden.</p>
<p>Plezierjacht wordt verboden. Beheersjacht wordt alleen onder strenge voorwaarden toegestaan bij ernstige schade of bedreiging van de volksgezondheid of veiligheid, wanneer alternatieven hebben gefaald. Stroperij is niet alleen internationaal, maar ook in Nederland een probleem. We willen een harde aanpak van de stroperij, met hoge boetes en een goede pakkans door voldoende groene buitengewone opsporingsambtenaren. Nederland zet zich in tegen de stroperij van en handel in wilde dieren en planten.</p>
<p>Er worden steeds meer innovatieve alternatieven ontwikkelt voor dierproeven. Wij staan achter de ambitie om Nederland in 2025 wereldleider in proefdiervrije innovatie te maken. Daartoe wordt een actieplan opgesteld.</p>
<p>We willen wettelijk vastleggen welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. Die zogenaamde positieflijst bestaat al voor zoogdieren, maar voor ander categorieën zoals vogels, vissen en reptielen gaan we dit ook vastleggen.</p>
<h2><a name="_Toc143177873"></a>Een andere ruimtelijke inrichting van ons land</h2>
<p> </p>
<p>In de ruimtelijke ordening is herstel van biodiversiteit één van de centrale pijlers. In de nationale visie op de ruimtelijke ordening krijgen naast de volkshuisvesting de duurzaamheidstransities en -adaptaties (klimaat, circulariteit, biodiversiteit en schone lucht/bodem/water), en de daarvoor benodigde infrastructuur prioriteit.</p>
<p>We zoeken steeds naar natuurlijke oplossingen voor de problemen waarmee Nederland wordt geconfronteerd: de klimaatopwarming, de stijging van de zeespiegel, de afbraak van biodiversiteit. We stellen een – periodiek te actualiseren – bindende visie vast met hoe ons land er eind deze eeuw moet uitzien met tussendoelen. Wij gaan uit van processen die met de natuur meewerken, niet daartegenin. De zeespiegelstijging wordt opgevangen met een robuustere duinenrij, boeren gaan over op kringlooplandbouw, bredere rivieren voeren hoogwaterpieken af, bossen vangen CO<sub>2</sub> op. Het is een optimistische visie waarin haalbare mogelijkheden worden gegeven om de dreigende crises op te vangen, van zeespiegelstijging, verdroging, extreme regenval, afnemende biodiversiteit, vervuiling van bodem, (drink)water en atmosfeer, risico op zoönoses, woningnood tot regionale ongelijkheid. De veranderopgaven in Nederland moeten slim gecombineerd worden.</p>
<p>De keuzes die we maken voor het toekomstbeeld voor 2120 zijn daarom gebaseerd op vijf principes die elkaar versterken:</p>
<ul>
<li>Natuurlijk systeem aan de basis. Het bodemtype, de hoogteverschillen en de watersystemen in Nederland zijn bepalend voor de toekomstige ruimtelijke inrichting.</li>
<li>Optimaal benutten van water. Om de biodiversiteit en kwaliteit van de natuurlijke omgeving te vergroten en elke druppel water optimaal in te zetten, moet ons watermanagement gericht zijn op het maximaal vasthouden, benutten, bergen en dan pas afvoeren van water.</li>
<li>Natuurinclusieve samenleving<em>. </em>Bij alle keuzes op het gebied van energie, landbouw, circulaire economie, leefbaarheid, verstedelijking en watermanagement, houden we rekening met de natuur. We kijken naar de gevolgen van menselijk handelen voor natuur, het beschermen <em>‘oude natuur’</em> strikt(er) en zetten in op natuurlijke processen, mogelijk in combinatie met technische oplossingen. We zien ruimte voor het ontstaan van nieuwe natuur, maken optimaal benut van de baten voor de mens (ecosysteemdiensten) en werken aan ecologische verbindingen die flora en fauna helpen hun verspreiding te verschuiven.</li>
<li>Circulaire economie. Een natuurlijkere toekomst voor Nederland is gebaseerd op het principe dat het land over 100 jaar niet alleen klimaatneutraal is, maar zelfs klimaatpositief waarmee we meer broeikasgassen willen vastleggen dan uitstoten. Dat vraagt om een transitie richting een circulaire economie gericht op duurzaamheid, met een focus op een duurzame kenniseconomie en een sterk ontwikkelde kringlooplandbouw. Ook op zee.</li>
<li>Meebewegende (adaptieve) ruimtelijke inrichting. De noodzakelijke aanpassingen aan de gevolgen van klimaatverandering, de energietransitie, en verdere verstedelijking, leiden tot sterke veranderingen in de (natuurlijke) omgeving en biodiversiteit. Om een veilige, leefbare, welvarende en duurzame toekomst te garanderen, moet Nederland slim met de natuur meebewegen en natuurlijke processen optimaal benutten in de ruimtelijke inrichting, zoals bijvoorbeeld door Bouwen met Natuur oplossingen voor hoogwaterveiligheid.</li>
</ul>
<p>De manier waarop we het land (en wateroppervlak) inrichten en gebruiken hangt in de eerste plaats af van wat de natuur kan dragen. Het ene gebied leent zich voor een slimme combinatie van landbouw en energieopwekking, in andere delen gaat verstedelijking samen met de ontwikkeling van nieuwe natuur. Weer elders verdient het beschermen van bestaande natuur voorrang en wordt niet gekozen voor meervoudig landgebruik. Dit leidt tot de volgende contouren voor het Nederland naar waar we moeten streven voor het jaar 2120:</p>
<ul>
<li>Blauwgroen landschap<em>: </em>De stedelijke omgeving en het agrarisch landschap worden dooraderd met blauwgroene landschapselementen, zoals groenbuffers langs rivierstromen en stedelijke bossen. Dit maakt het landschap niet alleen visueel aantrekkelijk, het vergroot het areaal natuur, bos en open water, het vergroot de biodiversiteit en laat ons profiteren van ecosysteemdiensten. Zo levert het verkoeling, vruchtbare bodems en mogelijkheden voor recreatie.</li>
<li>Circulaire landbouw: De Nederlandse landbouw is in 2120 volledig circulair. Rond de steden komen er meer bomen die voedsel leveren en voedselbossen, die naast voedselproductie, van belang zijn voor het vastleggen van koolstof en het leefklimaat in de stad. Landbouw, tuinbouw en veehouderij spelen slim in op verzilting, vernatting en weersextremen. De producenten hebben zich bovendien aangepast aan het veranderende voedingspatroon van de Nederlander, dat flexitarisch dan wel vegetarisch is. Insecten en zeewier staan al een tijd op het menu. Het totaal aan landbouwgrond is in 2120 gehalveerd ten opzichte van nu en de veehouderij is dan tot een derde van de productie geslonken. Een deel van de voedselproductie is verplaatst naar zee.</li>
<li>Biobased economie: Nederland heeft zich ontwikkeld tot een klimaatneutraal, zelfs klimaatpositief land. De Nederlandse economie van 2120 is gericht op duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en ecosysteemdiensten. Biobased producten en energie worden gemaakt uit biomassa. De uitstoot van broeikasgassen wordt massaal teruggedrongen en CO₂ wordt maximaal vastgelegd in bossen, bodems, grasland en natte natuur. Het areaal bossen is verdubbeld in 2120 ten opzichte van nu. Bodems zijn vruchtbaar, nemen veel water op en houden het vast om later te benutten. Afval bestaat niet meer als zodanig, maar is dé nieuwe grondstof: vrijwel alles dat we gebruiken, wordt opnieuw gebruikt. Energie is goedkoop en duurzaam en wordt volledig opgewekt door zon, wind, aardwarmte en biomassa.</li>
<li>De groenblauwe stad: In 2120 is het stedelijk oppervlakte van Nederland toegenomen. Steden produceren meer energie en water dan ze verbruiken. Ze fungeren als spons en zijn maximaal groen en blauw voor optimale leefbaarheid en verkoeling. Ook de gebouwen zijn natuurinclusief en houtbouw is gemeengoed. Gezuiverd afvalwater uit steden wordt gebruikt voor drinkwater, proceswater voor industrie en irrigatie voor de landbouw. Regenwater wordt optimaal benut. De laatste decennia voor 2120 is de watervraag in heel Nederland afgenomen door waterbesparende teeltvormen en waterbesparende maatregelen. Het rivierengebied biedt – naast ruimte voor water en natuur – ook plaats aan drijvende woningen. Op de klimaatdijken langs de rivieren, die veel breder zijn dan de dijken die we nu kennen, kunnen woningen worden gebouwd en kan energie worden opgewekt.</li>
<li>Beleidskeuzes worden getoetst op hun effecten op de natuur en biodiversiteit. Natuur als leidend principe is verankerd in mens en wet. Integraal afwegen en natuurinclusief werken is de norm. Internationale afspraken wegen zwaar mee. Van vrijblijvendheid is geen sprake meer.</li>
</ul>
<p>We gaan fors investeren in natuurontwikkeling, -bescherming en herstel. Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten. We investeren in het aaneensluiten van het netwerk van alle natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, versneld en in volle omvang. Er komen twee grote natuurgebieden in Nederland bij: de Markerwadden en het Oostvaarderswold in Flevoland. Het NP De Utrechtse Heuvelrug wordt verdubbeld. Daarnaast worden nieuwe nationale landschappen aangewezen. In bestemmingsplannen komt de mogelijkheid om waardevolle landschappen met natuurinclusieve landbouw te beschermen naar analogie van waardevolle dorps- en stadsgebieden en stedelijke monumenten. Daarbij kunnen de eigenaren of beheerders subsidie krijgen. De toegankelijkheid van natuurgebieden voor wandelaars, fietsers en ruiters wordt gewaarborgd, daar waar en wanneer dat ecologisch verantwoord is. Rond steden ontwikkelen we meer groene recreatiegebieden. Waarden als stilte, nachtelijke duisternis en de weidsheid van het landschap worden beschermd. Om waardevolle, open gebieden te behouden moet bebouwing in die gebieden duurder worden. Daarom wordt een openruimteheffing ingevoerd. De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt, waarbij Staatsbosbeheer weer wordt genationaliseerd en geen winst meer hoeft te maken met bosbouw. Natuur verhuist van het ministerie Economische Zaken naar een apart klimaat, natuur en milieuministerie. Bescherming van biodiversiteit en het behoud en terugkeer van bijzondere flora en fauna worden bevorderd. Bijen en weidevogels krijgen speciale aandacht. De zalm en de steur keert weer terug in onze rivieren. Wolven en lynxen krijgen de ruimte – als toppredatoren beheren zij de wildstand in plaats van de jacht. De eland keert weer terug in onze bossen. Houders van gedomesticeerde dieren krijgen vergoeding bij schade door deze predatoren mits zij voldoende beschermingsmaatregelen hebben getroffen – waarvoor subsidie beschikbaar is.</p>
<p>Er wordt meer en meer divers bos aangelegd, ook om aan de CO₂-reductie doelstellingen te voldoen, maar ook voor bosbouw voor duurzame bouw. Het bosareaal in Nederland (nu 11 procent van het landoppervlak) wordt verdubbeld. Bomen worden vooral bijgeplant op de Veluwe, in Noordoost-Nederland, de Achterhoek en Noord-Brabant. Ook voedselbossen in en rond de steden. Er komt een Autoriteit Boom- en Bosbeheer die toestemming moet geven indien er bomen gekapt worden.</p>
<p><em>Kaart met schets van ruimtelijke ontwikkeling in 2120</em></p>
<p>De kustlijn inclusief duinen en aangrenzend natuurgebied houden we puur; bebouwing wordt uitgesloten. In natuurgebieden zoals de Noordzee, de Waddenzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Delta is geen plaats voor schadelijke economische activiteiten als gasboring, zandsuppletie (met uitzondering voor versterking van de duinenkust, zie verderop in dit plan) of landaanwinning. De Westerschelde wordt niet meer verder verdiept. Dertig procent van de Noordzee wordt zee-reservaat, gesloten voor visserij en andere schadelijke activiteiten. Om de Waddenzee beter te beschermen, komt er één beheerder voor de Waddenzee.</p>
<p>We passen ons aan de inmiddels onvermijdelijke zeespiegelstijging en extreme regenval en hoge waterstanden in rivieren, alsook langdurige perioden van droogte. De zeespiegel zal in onze Noordzee eind deze eeuw tot zeker 1,2 meter stijgen ten opzichte van nu als de temperatuurstijging wereldwijd niet tot beneden 1,5 graad ten opzichte van 1990 wordt gebracht. Die kans dat dat niet gebeurt is bijna al uitgesloten. Integendeel, bij ongewijzigd beleid schieten we daar ver over heen. De eerder genoemde Wageningse onderzoekers rekenen met 1,5 meter zeespiegelstijging, het KNMI houdt rekening met 2 meter als het smelten van de ijskap op Antarctica versnelt – waar vele signalen reeds op wijzen. Zonder aanpassingen aan deze zeespiegelstijging zullen de duinen en dijken in Zeeland en Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Groningen (samen ongeveer de helft van ons land) grote risico’s lopen op doorbraken – ook bij rivierdijken door opstuwing door de zee; zullen grote delen van de Randstad, Zeeland en het Noorden verzilten of veranderen in moerasgebieden – doordat in deze lage gebieden na zware regenval het water niet meer weggepompt kan worden; en komen uiterwaarden meer en langer onder water te staan – de wateroverlast zal steeds verder stroomopwaarts kruipen. Zonder stevigere dijken kunnen Zeeland, Zuid-Holland en Flevoland lange tijd onder water komen te staan als dijken doorbreken of overspoelen, net als de gebieden rond de rivieren. Het duurt dan erg lang &#8211; eerder een jaar dan een maand &#8211; om het water weer weg te pompen. De Waddeneilanden zullen deels verdwijnen en gaan <em>&#8216;wandelen&#8217;</em> richting de kust. De Waddenzee zal nooit meer beloopbaar zijn. Aan de Noordzeekant schuren de eilanden door de stijgende zeespiegel af en dat zand slaat in de Waddenzee neer. Zo verschuiven de eilanden dus richting onze kust. Bij 5 meter stijging zullen ze ook kleiner worden. Daar wil je dan niet meer op wonen. De Waddenzee &#8216;verzuipt&#8217;, de biodiversiteit daar verdwijnt.</p>
<p>Om de zeespiegelstijging op te vangen, wordt de natuurlijke duinvorming langs de kust gestimuleerd. Ter bescherming van de Nederlandse kust worden hybride dijken aangelegd van natuurlijke oorsprong, zoals duinen en schelpdierbanken en wordt zand opgespoten (zandsuppletie). Hoe hoger de stijging van de zeespiegel, hoe meer zand opgespoten moet worden. Voor een absolute stijging van anderhalve meter is jaarlijks gemiddeld 46 miljoen kuub zand nodig, bijna vier keer zoveel als er nu gesuppleerd wordt. Dit wordt gewonnen uit de zeebodem, in langgerekte geulen op meer dan twintig meter diepte. Golven nemen het zand mee naar het strand waar de wind het tegen de duinen plakt. Duinen zijn prachtige zeewaterkeringen. Het is een zelfhelend systeem. Door de zeespiegelstijging zal de stormvloedkering in de Oosterschelde vaker dicht moeten. Terwijl de getijdenwerking in de Zeeuwse wateren essentieel is. Die getijdewerking gaan we door de achterdeur binnenhalen met een open doorgang naar de Westerschelde bij de Kreekraksluizen onder Bergen op Zoom. Dan krijg je een gedempt getij.</p>
<p>We beschermen ons land tegen overstromingen en wateroverlast waar mogelijk door rivieren meer ruimte te geven en hun natuurwaarden te versterken, in plaats van dijken te verzwaren. Tegen langdurige droogte wordt geïnvesteerd in meer wateropslag, minder verstening, minder intensief watergebruik en minder waterverspilling. Ook in de stad komt er meer groen en stadslandbouw wordt bevorderd. Bevers, otters en dassen blijven beschermd, maar kunnen verplaatst worden bij bedreiging van essentiële infrastructuur (dijken, spoorwegen) of stagnering van ecologische transities (vleermuizen bij woningisolaties bijvoorbeeld).</p>
<p>We moeten in Nederland meer met minder land en meer met water gaan doen, onder andere door de bodem, de waterkolom en het wateroppervlak van de Noordzee verder te benutten. Op de Noordzee komen windmolen- en zonneparken die energie leveren. Voormalige booreilanden worden gebruikt voor de opslag van CO<sub>2</sub> en de productie van waterstof, een andere duurzame energiebron. Op en rond windmolenparken is ruimte voor aquacultuur: de teelt van oesters, mosselen en zeewier als nieuwe bron van eiwit. Langs de fundamenten van de windmolenparken kunnen natuurlijke rifbouwers, zoals de platte oester en de zandkokerworm, werken aan kunstmatige riffen waar verschillende plant- en diersoorten goed gedijen. Op de fundamenten van de installaties die in de vorige eeuw voor olie- en gaswinning zijn gebruikt, worden drijvende eilanden ontwikkeld voor de opslag van waterstof in oude gasvelden. Drijvende eilanden, waarop ook havens, ICT-infrastructuur en zonneparken worden aangelegd, hebben het grote voordeel dat ze meebewegen met de zeespiegel, verplaatsbaar en weer te verwijderen zijn. Bij Rotterdam bijvoorbeeld kan een drijvende haven worden aangelegd voor de overslag van lading van grote zeeschepen op kleinere vaartuigen. Delen van de Noordzee worden natuurgebied, de visserij is volledig duurzaam. De Noordzee heeft Nederland veel te bieden. Het is niet alleen een grote producent van hernieuwbare energie, maar ook van eiwitten uit zeewier, schelpdieren en vis. De energie- en voedselwinning in het Noordzeegebied wordt gecombineerd met natuurontwikkeling. Afhankelijk van de hoofdfunctie die een bepaald deelgebied van de Noordzee heeft, bijvoorbeeld bescherming van de zeebodem, is een andere vorm van gebruik er niet toegestaan als dat die de hoofdfunctie verstoort.</p>
<p>Door stijging van de watertemperatuur begroet de Noordzee nieuwe zuidelijke zoogdieren en vissoorten, zoals de tuimelaar, gestreepte dolfijn, blauwe haai, zeebaars en zonnevis. Het aantal noordelijke soorten neemt af of verplaatst naar diepere wateren. De biodiversiteit in de kustzone is in 2120 rijker dan in de eeuw daarvoor. Soorten als mul, goudbrasem, ansjovis, zeebaars, bruinvis, tuimelaar en bultrug komen algemeen voor en ook de zeearend heeft er zijn plek gevonden. Door een verbreding van de riviermondingen waar zoet rivierwater en zout zeewater zich mengen, ontstaan nieuwe leefgebieden voor planten en dieren. De kust is ook over honderd jaar nog een enorme toeristische trekpleister. Potentiële verontreiniging van de Noordzee wordt direct bij de bron aangepakt en dankzij verbeterde waterzuiveringsinstallaties komen nauwelijks nog schadelijke stoffen in het zeewater terecht. Natuur en recreatie worden er meer en meer duurzaam gecombineerd bij vervanging van oude woningen. Extra recreatiewoningen mogen in de kustgebieden niet meer gebouwd worden.</p>
<p>Door actief natuurbeheer wordt de biodiversiteit van de Waddenzee (Werelderfgoed) zo goed mogelijk behouden. Voor de tientallen wadvogelsoorten zijn rust-, rui- en broedgebieden en ook foerageergebieden aangelegd. Geholpen door een stijging van de zeewatertemperatuur laten zuidelijkere soorten als de tapijtschelp, het kortsnuitzeepaardje, de flamingo, tuimelaar, stekelrog en pijlstaartrog zich meer en meer zien in het Waddengebied. Een deel van de westelijke Waddenzee komt in 2120 bij eb niet meer droog te liggen. Door de zeespiegelstijging verdrinken een aantal wadplaten permanent. Om de ernstige gevolgen tegen te gaan voor visetende vogels die op de wadplaten broeden en voor zeehonden die er hun jongen werpen en zogen, worden vogeleiland Griend (ten zuidwesten van Terschelling) en andere wadplaten opgespoten. Tussen Vlieland en Texel vallen nog wel wadplaten droog; hier zijn veel vogels te vinden. Het opspuiten van slik bij Balgzand (de grootste wadplaat, ten oosten van Den Helder) beschermt de kust en zorgt voor behoud van de vogelrijkdom. In het oostelijk Waddengebied komen, ondanks de zeespiegelstijging, bij eb nog veel platen droog te liggen. Op de eilandkoppen en in de buitendelta’s liggen grote zandophopingen die door de stroming meegevoerd worden richting Waddenzee. Door de aanwas en erosie die de stijging van de zeespiegel veroorzaakt, wandelen de eilanden richting het zuidoosten. De vastelandskust van Friesland en Groningen kenmerkt zich door brede waterkerende landschappen in plaats van dunne dijken. We komen er wadplaten, kwelders (begroeide buitendijkse gebieden), brede dijken en kruidenrijke vegetatie tegen die overgaan in moerassen tussen dubbele dijkzones. In binnendijkse brakke gebieden vindt zilte teelt plaats.</p>
<p>De zuidwestelijke delta, waar Zeeland deel van uitmaakt, is in 2120 ruimtelijk sterk veranderd. Het is een groene oase te midden van Nederlandse en Belgische beboste steden. De duinen aan de Noordzeekust zijn in omvang verdubbeld. Dubbele dijken garanderen de veiligheid van de inwoners. Zoetwaterlandbouw en zouttolerante landbouw hebben er elk hun eigen plek. Door vernatting en het oprukkende zoute water bieden zilte teelt en aquacultuur (schelpdier en zeewier) een volwaardig nieuw landbouwperspectief. Landbouwgronden hebben er plaatsgemaakt voor dubbele dijksystemen. Het land tussen de dijken wordt onder meer ingezet voor schelpdier- en zeewierteelt. De zoet-zoutwaterovergangen in het gebied zijn behouden, wat een gunstig effect heeft op de biodiversiteit. Door afzetting van slib groeit het land mee, wat bijdraagt aan de natuurontwikkeling en waterveiligheid. In de monding van de Oosterschelde is een nieuwe stormvloedkering aangelegd die meer dynamiek van het water toestaat en de aanwas van platen en slikken (wadden) mogelijk maakt. Op plaatsen waar van meegroeien geen sprake is, wordt de aangroei gestimuleerd met zandpuffers (kleine zandopspuitingen). Door een verbinding met de Westerschelde bevindt zich meer slib in het systeem en dat betekent meer voedingsstoffen. Flora en fauna profiteren hiervan. Om de migratieroutes voor vissen te bevorderen, is de Oosterschelde door een zoet-zout overgang verbonden met het Volkerak-Zoommeer. Deze brakke of zoet-zoutovergangszones zijn een aantrekkelijke leefomgeving voor bijzondere flora en fauna. Grevelingen en Haringvliet zijn verbonden met de Noordzee en rivieren, waardoor zoet-zoutovergangen hersteld zijn en vissen er ongehinderd hun weg vinden van zee naar rivier. Dit heeft een positief effect op de populaties van vele vissoorten, waaronder verschillende soorten roggen en haaien, de steur, de paling en de zalm. De biodiversiteit in het gebied is toegenomen en er heeft zich een rijke, gevarieerde natuur ontwikkeld.</p>
<p>De Noord-Nederlandse kleigronden lenen zich uitstekend voor hoogwaardige kringlooplandbouw. Zoetwaterbekkens slaan het overtollige regenwater in de winterperiode op zodat het in de droge zomerperiode benut kan worden. Oprukkend zout water wordt met aparte waterlopen slim gescheiden van zoet water. Ook worden zoete stuwen ingezet om het zwaardere zoute water van het zoete te scheiden. Brede waterkerende landschappen garanderen de waterveiligheid in het gebied. In de meest kwetsbare laaggelegen gebieden fungeren dubbele dijken als verdediging. Hiertussen zet de zee slib af, waardoor de dijken meegroeien. Elders worden de waterkeringen aan de binnenzijde voorzien van natte moeraszones die zowel water voor de landbouw vasthouden als tegendruk bieden aan hoge zeewaterstanden.</p>
<p>In het westen van Nederland liggen in 2120 uitgestrekte veenmoerassen en grote wateren met natte teelten rond stedelijke enclaves. Dit zijn visueel aantrekkelijke gebieden en toeristen komen er graag. De voormalige rivierbeddingen lopen als groene linten door de natte veenweidegebieden en worden zeer gevarieerd gebruikt, voor zowel recreatie als kleinschalige stadslandbouw. Nederland loopt in 2120 voorop op het gebied van natte (en zilte) teelten. De natte teelt levert onder meer riet, moerasbos, veenmos en cranberries, vormt geschikt leefgebied voor waterbuffels en draagt daarmee bij aan de productie van biomassa, vezels, isolatie- en constructiemateriaal, potgrond, medicijnen, veevoer, vlees en kaas. De inwoners van Noordwest-Europa eten minder vlees, waardoor minder grond nodig is voor melkveehouderij. De melkveehouderij heeft hierop op het juiste moment ingespeeld door samenwerking te zoeken met tuinbouw, aquacultuur en agrarisch natuurbeheer. Vernatting van de veenweidegebieden zorgt voor een natuurlijke tegendruk tegen zoutindringing, bodemdaling en veenoxidatie. Ook creëert het kansen voor nieuwe aangroei van veen voor de opslag van broeikasgassen. Het massaal doorspoelen van polders met kostbaar zoet water is niet meer nodig.</p>
<p>De grootste uitdaging voor de hoge zandgronden in het oosten van Nederland, Brabant en de Veluwe is het tegengaan van verdroging. De afgelopen hete zomers hadden regio’s als Twente en de Achterhoek veel last van droogte. Een manier om dat te voorkomen is door water vast te houden en het beter te laten infiltreren in de bodem. De hogere zandgronden zijn cruciaal voor het watersysteem. Door hier maximaal water vast te houden en te vertragen, worden beken en rivieren ontlast bij neerslagpieken en piekafvoeren. Door beken maximaal te verlengen wordt water langzamer afgevoerd, waardoor het meer tijd krijgt om weg te zakken. Ook wordt het grondwater maximaal aangevuld. Er zijn regionaal grote infiltratiegebieden ingericht waar het regenwater maximaal wordt vastgehouden in plaats van afstroomt. Naaldbossen worden vervangen door open gebieden met loofbomen en kruidenrijke graslanden die meer biodiversiteit kennen en minder water laten verdampen. In de landbouwgebieden op de hoge zandgronden is weer ruimte gemaakt voor groenblauwe dooradering. Beekdalen – met zo mogelijk moerasbos – zijn daar een mooi voorbeeld van. Ze vergroten de biodiversiteit en de veerkracht van het systeem, wat de kringlooplandbouw ten goede komt. Het maximaal verlengen van de waterlopen zorgt ervoor dat water langzamer wordt afgevoerd en meer kans heeft in de bodem te trekken. Door bovenstroomse delen te dempen, worden kwelsystemen gevoed. In de buurt van het stedelijk gebied bieden die volop recreatie. De landbouw verhuist van de hoge zandgronden naar lagere delen. In de landbouwgebieden in de buurt van steden wordt de landbouw gemengd met bomenteelt van bomen die voedsel leveren, dichtbij de steden zijn voedselbossen waar mensen naast voedsel ook natuur en rust kunnen vinden.</p>
<p>Er komt snel een vergunningsplicht voor het onttrekken van grondwater (industrie en landbouw zijn grote onttrekkers), en in de vergunningen worden voorwaarden en mogelijkheden voor beperking en beëindiging van onttrekking opgenomen. Rondom natuurgebieden komt er een verbod op het onttrekken van grondwater.</p>
<p>In de polders wordt een multifunctioneel groenblauw netwerk gerealiseerd ten gunste van natuurlijke plaagbestrijding, gewasbestuiving en waterbuffering in geval van extreem weer. Rond de steden komen er opvangbekkens voor water en groene gordels met (voedsel)bossen, ook voor natuur en recreatie.</p>
<p>Als rivieren door hoge zeespiegelstanden niet meer kunnen afvoeren, bieden de uiterwaarden ruimte voor berging. De rivieren hebben in 2120 een steeds grotere variatie in afvoer. Zo zal de IJssel extreem grote hoeveelheden water van de Rijn naar het noorden voeren. Het rivierbed van de IJssel is daarvoor in breedte verdubbeld. Om de extreme afvoer van de Maas op te vangen, worden de Maaskades verwijderd, waarna het hele Maasdal weer kan mee stromen. Woningen die te vaak onder water kwamen, zijn gesloopt. Deze ontwikkeling van IJssel en Maas is goed voor het herstel van de Nederlandse biodiversiteit. Ook gunstig is dat de dijken van de overige rivieren hierdoor niet verhoogd hoeven te worden. Door het verhogen van het waterpeil in de moerassige zones die aan de binnenzijde van de dijken zijn aangelegd, ontstaat tegendruk bij hoge rivierstanden. Deze brede zones kunnen bovendien water opslaan en vergroten ook de biodiversiteit. De vruchtbare rivierkleigronden bieden mogelijkheden voor kringlooplandbouw. Naast melkveehouderij ontstaat er ruimte voor akkerbouw en fruitteelt. De Maas en de Waal worden (weer) met elkaar verbonden.</p>
<p>De Biesbosch is uitgebreid naar het westen en oosten, wat de wateropvangcapaciteit van het gebied heeft vergroot. Dit is nodig vanwege hogere rivierafvoeren, de hogere zeespiegel en het openstellen van onder meer Grevelingen en Haringvliet. De Biesbosch is topnatuur geworden met paaiplaatsen voor fint en broedlocaties voor de visarend. Geholpen door de temperatuurstijging laten ralreiger en kroeskoppelikaan zich hier ook weer in Nederland zien. In delen van de Biesbosch is plaats voor extensieve (vlees)veehouderij.</p>
<p>Door het aanleggen van ‘<em>vooroevers’</em>, langgerekte eilanden langs de kust, worden de dijken beschermd en krijgt het IJsselmeer twee peilstanden: een vast peil voor de scheepvaart langs de randen en een dynamisch peil in het midden. Dat is goed voor de natuurontwikkeling. Tussen de Noordoostpolder en het vaste land wordt een nieuw randmeer aangelegd. Dat gebeurt om te voorkomen dat aangrenzende natuurgebieden zoals de Weerribben verdrogen. Destijds bij de aanleg van de polder is dat vergeten. Het zand voor de oevers dat uit het IJsselmeer gewonnen is, heeft diepe koele geulen gecreëerd waar spiering zich in hete zomers kan terugtrekken. Het IJsselmeer is en blijft een belangrijke zoetwatervoorraad voor drinkwater en hoogwaardige landbouw. Wel is de watervraag in de decennia voor 2120 in heel Nederland afgenomen, onder meer door waterbesparende teeltvormen en waterbesparende maatregelen in industrie en huishoudens. De zee en de IJssel bepalen het peil en de condities van het IJsselmeer. De Afsluitdijk blijft bestaan, de Houtribdijk (tussen Lelystad en Enkhuizen) wordt opgeknipt, waardoor eilandjes ontstaan met bruggen ertussen. In de monding van de IJssel is een zoetwaterdelta ontwikkeld.</p>
<p>Nieuwe economische centra worden niet meer in de Randstad ontwikkeld, maar op de hoger gelegen zandgronden; verdere groei van de woon-werkgebieden verschuift geleidelijk  richting het oosten van het land. Het groeiend aantal Nederlanders zal vooral worden gehuisvest in steden in Oost-Nederland en Brabant. Niet in de Randstad, die kampt met bodemdaling en kwetsbaar is voor overstromingen als de zeespiegelstijging doorgaat. In plaats van de Randstad gaan we de groei vooral laten plaatsvinden in Twente, de Achterhoek, Drenthe, Brabant en Limburg. Langs de rand van de Maas in Noord-Brabant is op de kaart een stedenrand ingetekend; de <em>Randzandstad</em>. Die bestaat vooral uit kleinere steden. Voor een metropool als Londen is in Nederland geen plaats. Nederland is een land van kleine steden, daar zijn mensen gelukkiger. De Randstad blijft desalniettemin een belangrijk brandpunt van economische en sociaaleconomische ontwikkeling (vanwege de haven-, kennis-, logistieke en bestuurlijke functie van dit deel van Nederland). Deze verschuiving versterkt de samenwerking met aangrenzende Duitse deelstaten, met name op het gebied van arbeidsparticipatie en onderwijs. Dit leidt tot meer economische activiteit en meer verstedelijking. We investeren extra in grensoverschrijdend vervoer in de grensregio’s en er komt een apart gekozen bestuur voor deze grensregio’s met eigen bevoegdheden.</p>
<p>De steden zelf worden natuurlijker ingericht met groene daken, bomen en waterpartijen. Daarmee wordt verkoeling in de stad gebracht. Het ontwerp van steden is niet meer gebaseerd op wat bouwtechnisch mogelijk is, maar is circulair en gaat uit van natuurlijke processen, met veel aandacht voor het optimaliseren van de leefbaarheid en klimaatbestendigheid. Voor de bouw wordt vooral hout gebruikt, als duurzame vervanger van beton. Regenwater wordt maximaal opgevangen: op en in gebouwen, in tuinen en in de groene openbare ruimte. Tussen stad en buitengebied worden betere groenblauwe verbindingen ontwikkeld. Bovendien wordt het stedelijk gebied bebost en met bos, waaronder voedselbos en <em>agroforestry</em>, omzoomt. Niet alleen met het oog op recreatiemogelijkheden en biodiversiteit, maar ook om het hitte-eiland-effect in de stad te verminderen. Veel open water in en om de stad is van belang voor watermanagement in de stad, en draagt ook bij aan de leefomgeving van de stadsbewoners en het klimaat in de stad. Meer welzijn, minder fijnstof is het credo.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h1><a name="_Toc143177874"></a>III.            Goed wonen, goede zorg en goed onderwijs, publiek georganiseerd en solidair gefinancierd</h1>
<p> </p>
<p>We zorgen voor herstel van de volkshuisvesting, onze zorg en ons onderwijs. Alle drie systemen zijn door decennia neoliberaal beleid ernstig verwaarloosd.</p>
<p>De woningnood is inmiddels enorm, met idiote prijzen en steeds minder rechtsbescherming. Arme mensen worden inmiddels met de wet in de hand uit hun wijken verdreven. Het aantal officiële daklozen is inmiddels 300.000, maar als je hen meerekent die nu noodgedwongen bij familie of vrienden verblijft, van de ene plek naar de andere, zijn het er vermoedelijk eerder tegen de één miljoen. Onder hen steeds meer werkenden, en – verontrustend – steeds meer vrouwen met kinderen. Kwetsbare doelgroepen worden steeds meer als zondebokken tegen elkaar uitgespeeld. Tegelijkertijd is de leegstand groot, wordt er volop gespeculeerd met woningbezit, genieten verhuurders enorme belastingvoordelen en ontvangen woningbezitters twintigmaal (!) meer subsidie van de overheid dan huurders. De sociale woningsector is gemarginaliseerd en corporaties hebben zich teveel ontwikkeld tot ordinaire vastgoedbedrijven. De roemruchte volkshuisvesting, ooit een belangrijke sociaaldemocratische verworvenheid, is door neoliberaal  beleid uitverkocht aan de woningmarkt. En die woningmarkt is het probleem, niet de oplossing. Er is een gigantische hersteloperatie nodig om de problemen te verhelpen.</p>
<p>In de zorg is het niet veel beter, integendeel. Ondanks dat we enorme hoeveelheden miljarden euro’s aan de zorg spenderen, groeien de wachtlijsten en verdwijnen steeds meer basiszorgvoorzieningen dichtbij mensen. De ongelijkheid in levensverwachtingen is inmiddels enorm tussen lage en hoge inkomens. Ongezondheid komt veel vaker voor bij lage inkomens, en dat is niet het gevolg van hun levensstijl – het is vooral andersom, dat de armoede bijdraagt aan die levensstijl. Chronische ziekten concentreren zich bij lage inkomens, deels doordat armoede daaraan rechtstreeks bijdraagt, en deels omdat ziek zijn zo duur is geworden dat mensen tot armoede vervallen. Rijken dragen in verhouding steeds minder bij, en kiezen vaker voor dure, private zorg om wachtlijsten te omzeilen. De zorg zelf is steeds meer verziekt door de markt, met ondernemers die voor de snelle financiële winst gaan en die uit de zorg onttrekken. Er is een verontrustende snelle opmars van de private equity sector zichtbaar in de zorg, waarmee de kwaliteit van geleverde zorg in sneltreinvaart achteruit holt. De uitstroom van professionals in de sector is enorm, en ook zij zijn aangestoken door het ondernemersvirus dat steeds meer etterende ontstekingen veroorzaakt in onze zorg, door zich als zzp-er terug te laten inhuren. De arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden zijn slecht, de professionele autonomie steeds geringer en de onnodige bureaucratie, gebaseerd op wantrouwen, steeds groter. Inmiddels wordt steeds meer ingezet op ondeskundige mantelzorg, en staan ook deze mantelzorgers steeds meer onder druk. Tegelijkertijd is de verspilling in de zorg enorm, gedreven door het hybride zorgstelsel waarin markt en publieke sector het slechtste uit twee werelden verenigt. De decentralisaties in de zorg, die gepaard gingen met enorme bezuinigingen, een verschuiving van recht naar ‘aanspraak’ op zorg en een verplichtend beroep op zelfredzaamheid, en een desastreus uitgevoerde extramuralisering (‘langer thuis wonen’) hebben vernietigende gevolgen gehad. De GGZ, de ouderen- en gehandicaptenzorg zijn kwalitatief en kwantitatief in zeer zwaar weer beland, en voor de jeugdzorg geldt inmiddels ‘Code Zwart’, en er vallen steeds meer slachtoffers. Ook hier is de markt het probleem, niet de oplossing. Er is een grote stelselwijziging nodig, en er dienen met grote urgentie herstelmaatregelen te worden genomen om nog meer slachtoffers, nog meer ongelijkheid, nog meer onnodige kosten te voorkomen.</p>
<p>Ook in het onderwijs is er sprake van een enorm kwalitatief probleem en grote ongelijkheid. Het onderwijs vergroot nu de ongelijkheid in onze samenleving, in plaats van dat het gelijke kansen organiseert. Ook de betaalbaarheid van het onderwijs staat voor lagere inkomens ernstig onder druk. Het tekort aan goede leraren is enorm en dreigt tot onverantwoorde niveaus te stijgen. Ongeveer een kwart van de kinderen die het voortgezet onderwijs verlaat is functioneel analfabeet, en kan zichzelf onvoldoende redden in de samenleving, om van brede vorming maar helemaal te zwijgen. Een onrustbarend aantal jongeren is ongelukkig en wendt zich tot jeugdzorg en ons onderwijs is steeds minder inclusief. Er is een forse inzet en systeemverandering noodzakelijk om dit te keren.</p>
<p>Tenslotte zit ook de veiligheidssector steeds meer verstopt en weten we een veilige samenleving en een veilige rechtsstaat steeds slechter te organiseren. Ook hier zijn forse investeringen en systemische veranderingen noodzakelijk.</p>
<p>Voor alle vier sectoren geldt gelukkig dat we effectieve, solidaire en betaalbare oplossingen hebben. Het kàn gewoon.</p>
<h1><a name="_Toc143177875"></a>III.I.   Betaalbare volkshuisvesting voor iedereen</h1>
<p> </p>
<p>We gaan zorgen voor structureel lagere woonprijzen en huurlasten en voor voldoende, goede betaalbare woningen en voor meer woonzekerheid.</p>
<h2><a name="_Toc143177876"></a>Structureel lagere woonprijzen en huurlasten</h2>
<p> </p>
<p>Als je de woonlasten structureel wil verlagen en meer stabiel wil maken moet je in de eerste plaats stoppen met iedere subsidie aan woningbezit. Geen hypotheekrenteaftrek meer voor nieuwe hypotheken en een versnelde afbouw van de aftrek voor bestaande hypotheken<em>.</em> Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf.</p>
<p>In plaats van particulier woningbezit gaan we betaalbare huur van coöperaties en coöperatief woningbezit stimuleren. We kunnen woningbezit voor lagere en middeninkomens voorts mogelijk maken met een opdracht aan de pensioenfondsen dat zij investeren in woningen voor hun deelnemers. Deze deelnemers kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld deel van hun premie te gebruiken voor het sparen voor de koop van hun woning, die tot dan eigendom blijft van het pensioenfonds, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Bij waardeoverdracht tussen pensioenfondsen blijven de opgespaarde rechten in stand. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Om de ongelijkheid te bestrijden worden hogere inkomens van deze regeling uitgesloten. Ook maken we een subsidieregeling voor deze vorm van sparen voor woningbezit voor lagere inkomens.</p>
<p>We gaan pensioenfondsen verplichten tot het oprichten van een gezamenlijke verhuurorganisatie van woningen voor hun gezamenlijke pensioendeelnemers, waarvan zij aandeelhouders worden. Dat blijven ze ook zolang men deelnemer en/of huurder blijft. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken.</p>
<p>Naast het schrappen van subsidie op schulden voor woningbezit gaan we de hypotheekverstrekker risicodrager maken in situaties dat de hypotheeknummer zijn hypotheek niet meer kan betalen – bij inleveren van de woning gaat de schuld wettelijk teniet. Dat zal de verstrekking van risicovolle hypotheken enorm doen beperken.</p>
<p>Ook gaan we de hypotheekregels aanscherpen waardoor je meer eigen geld moet inbrengen, en de afbetaling binnen redelijke termijn verplicht is, waarbij er zwaardere eisen gesteld worden aan de kredietwaardigheid.</p>
<p>Daarenboven gaan we waardevermeerdering van woningen en huurinkomsten zwaarder belasten, om aan de enorme bevoordeling van woningbezitters een einde te maken. In de hiervoor gepresenteerde belastingplannen wordt inkomen in de vorm van waardevermeerdering van bezit gelijk belast met andere vormen van inkomen in een progressief, effectief tarief – zonder vrijstellingen en aftrekposten. Dat vervangt het eigenwoningforfait.</p>
<h2><a name="_Toc143177877"></a>Bestrijden van wonen als verdienmodel</h2>
<p> </p>
<p>In de tweede plaats nemen we maatregelen die de prijsopdrijving door mogelijkheden voor speculatie met woningbezit fors doen beperken. Wonen moet weer gaan om een goede plek voor jezelf, niet om je vermogen te doen vergroten. Speculatie en huisjesmelkers zijn bronnen van prijsopdrijving bij koop en huur van woningen.</p>
<p>We voeren een actief anti-woningspeculatiebeleid. Huisjesmelkers pakken we aan met een nationaal vergunningstelsel voor woningverhuurders. We tolereren niet dat rotte appels het systeem ondermijnen, door bv. teveel mensen in een huis, opsplitsing in piepkleine appartementjes of illegale verhuur via bv. AirBNB. Een Inspectie Volkshuisvesting kan dan boetes opleggen aan eigenaren die zich niet aan de regels houden en vergunningen intrekken. Er moeten snel meer mogelijkheden komen voor gemeenten om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen, bijvoorbeeld met beperking van onderverhuur aan toeristen en expats, door bevoordeling van inwoners in de gemeente, door een woonplicht, etc. Ook moeten gemeenten beperkingen kunnen stellen aan het kopen voor dure verhuur, bijv. door een maximum prijs per m² in te stellen of het kopen voor verhuur gericht toe te wijzen of te verbieden.</p>
<p>Er komt ook een aparte huisjesmelkerstaks: een extra belasting voor iedereen die meer dan twee huizen bezit. En een aparte leegstands- en braakliggingsbelasting voor onroerend goed dat niet gebruikt wordt, als ook een planbatenheffing op waardestijging van de grond als de bestemming veranderd – de opbrengst is voor gemeenten ten behoeve van meer (sociale) woningbouw.</p>
<p>Gemeenten moeten gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust kunnen opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten. Het voorkeursrecht voor aankoop van onroerend goed door gemeenten wordt daartoe uitgebreid door agrarisch gebied daaraan toe te voegen en de vergoeding te baseren op de gebruikswaarde van de grond in plaats van zoals nu op de marktwaarde in vrij economisch verkeer. Ook de onteigening door overheden van onroerend goed in het algemeen belang wordt eenvoudiger gemaakt, en goedkoper door ook hier bij de vergoeding uit te gaan van de gebruikswaarde van de grond.</p>
<p>Bij langdurige leegstand moet de gemeente woningen en andere gebouwen kunnen vorderen en voor bewoning geschikt maken en verhuren op basis van de Leegstandswet. We verbieden daarbij gebruiksovereenkomsten (antikraakwonen). Kraken moet weer legaal worden bij langdurige leegstand.</p>
<p>Gemeenten mogen grond niet meer tegen marktprijzen verkopen aan woningbouwcorporaties, teneinde lage huren mogelijk te maken. Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren.</p>
<p>Het recht op passende, betaalbare huurwoning in eigen woon- of werkgemeente gaan we versterken, met concrete, meetbare maximale wachttijden. De gemeente moet in de woonvisie aangeven hoe zij die omlaag brengen, met prioriteit voor mensen die urgent een dak boven hun hoofd dreigen te verliezen of al verloren hebben. De gemeente houdt de voortgang daarvan bij en rapporteert daarover openbaar. De provincie en ook het rijk krijgen aanwijzingsbevoegdheden als gemeenten in gebreke blijven. En overheden moeten vooral optreden als we iets signaleren. Inwoners krijgen het recht om hun gemeente daarop aan te spreken en zo nodig bij de rechter af te dwingen.</p>
<p>Er komt verplichte erfpacht bij gemeenten. Erfpachtconstructies passen in linkse grondpolitiek. Ze helpen de prijzen van woningen en dus ook de huren laag te houden. Erfpacht is een solidair instrument om prijzen en dus ook huren betaalbaar te houden.</p>
<p>We gaan tegelijkertijd de mogelijkheden van gemeenten voor lokaal woonbeleid ten behoeve van betaalbaar wonen verruimen. Gemeenten krijgen meer ruimte om de Onroerend Zaak Belasting (OZB) vorm te geven, met bijvoorbeeld hogere tarieven bij dure huizen. We willen overigens beslist geen andere verruiming van gemeentelijke belastingen omdat de ongelijkheid tussen gemeenten met veel en weinig armere inwoners nu al te groot is. Gemeenten krijgen de mogelijkheid en meer bevoegdheden om weer zelf te bouwen.</p>
<h2><a name="_Toc143177878"></a>Inclusief wijkbeleid</h2>
<p> </p>
<p>Het wijkbeleid in de grote steden gaan we ook weer optuigen, met een programma waarbij wooncorporaties een natuurlijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. We gaan hier – net als in apart beleid voor krimpgebieden – fors in investeren, en stellen daarvoor miljarden euro’s per jaar ter beschikking. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- opbouw- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid.</p>
<p>We trekken per direct de Rotterdamwet en het daaraan verbonden discriminerende beleid in. Er komt een Bloemendaalwet in plaats van een Rotterdamwet! De Rotterdamwet bepaalt dat er in specifieke achtergestelde wijken geen mensen meer bij mogen die geen inkomen uit werk hebben. In plaats van arme mensen te verdrijven uit hun wijken gaan we weer staan voor hulp van mensen in de wijken waarin ze zelf willen wonen, gaan we een nieuwe ronde van roemruchte sociaaldemocratische stadsvernieuwing aan, waarbij – ook in die traditie – nauw samenwerken en optrekken met de bewoners en hun organisaties, herstellen we de Vogelaarswijken en herstellen we het welzijnswerk. We realiseren volwaardige zeggenschap én onafhankelijke ondersteuning voor bewoners bij plannen voor hun woning, buurt en stad. En in plaats van sociale woningen te slopen gaan we die juist bouwen en renoveren voor lage en middeninkomens, ook in de rijkere wijken.</p>
<h2><a name="_Toc143177879"></a>Meer en beter passend aanbod van betaalbare woningen, geen dakloosheid meer</h2>
<p> </p>
<p>In de derde plaats gaan we woningprijzen drukken door meer aanbod van betaalbare woningen, nu er door decennia neoliberaal beleid een enorm woningtekort is.</p>
<p>We moeten de komende 10 jaar tenminste 100.000 nieuwe woningen per jaar bouwen, onder regie van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Deze moet daartoe nieuwe bevoegdheden en instrumenten krijgen om dat ook af te dwingen. Dat kan wèl, als we de markt reguleren en inperken, meer publiek bouwen met meer publiek geld, corporaties niet belasten maar subsidiëren met prestatieafspraken, de stikstofcrisis eindelijk wel aanpakken, uitgaan van duurzame systeembouw en procedures effectief verkorten. Daarbij wordt desalniettemin hoge kwaliteit gesteld als norm: energieneutraal, duurzame bouwmaterialen, geen waterverspilling, onder architectuur gebouwd, met groene/blauwe leefomgeving, toegankelijk voor mensen met een beperking, comfortabel en goed woongenot.</p>
<p>Tenminste 70% van de woningen moeten betaalbare, sociale huurwoningen zijn. Deze komen ter beschikking van mensen met inkomens tot anderhalf modaal (met ons loonoffensief wordt dat tot ca. 72.000 euro per jaar). Hiermee herstellen we de brede sociale huursector. We schrappen de categorie ‘middenhuur’ – die huur is voor middeninkomens onbetaalbaar. Omdat private investeerders dit onvoldoende rendabel zullen vinden, gaan we over tot grotendeels publieke ontwikkeling van deze woningbouw. En ja, daar moet dan geld bij, dat hebben we er graag voor over, en is een betere besteding dan de miljarden steun voor woningbezitters via schuldfinanciering (hypotheken).</p>
<p>De woningcorporaties krijgen weer subsidie in plaats van belastingen (met prestatieafspraken) en krijgen ook gemeenten meer geld en instrumenten om zelf woningen te bouwen, met een gemeentelijk bouwbedrijf.</p>
<p>De jaarlijkse bouwopgave wordt per regio nader gepreciseerd. Het Rijk neemt dit op in de jaarlijks vast te stellen visie op ruimtelijke ordening, geïntegreerd met andere opgaven die claims geven en beperkingen stellen op de schaarse ruimte (incl. milieuruimte): natuur, klimaatadaptatie, energietransitie, circulaire economie, duurzame mobiliteit, kringlooplandbouw, etc. (zie elders in deze notitie). De minister krijgt daarbij doordrukmacht, de inspraak wordt efficiënter georganiseerd (opdat vergunningen sneller kunnen worden afgegeven) en het individuele belang (nimby) weegt minder zwaar dan het algemeen belang bij procedures. We herstellen hiermee de brede volkshuisvestingstaak voor het Rijk. Landelijke regie met regionale verschillen is nodig. Er moet snel enorm gebouwd gaan worden. Niet in groene, open ruimte en natuur (zonder dat de dorpen op slot gaan overigens), maar vooral in de stad. Met een divers, aan de woningvraag tegemoetkomend woningaanbod. Gecombineerd met een effectief spreidingsbeleid. Het is bizar dat de politiek spreekt van een wooncrisis en geen idee heeft hoe ze de bouw kan opschroeven¸ maar tegelijkertijd bij de bouw van iedere nieuwe woning in Zuid-Limburg een bijdrage eist voor de sloop van een oude woning. Spreidingsbeleid zorgt voor een efficiëntere verdeling van de woningvoorraad. Met effectief spreidingsbeleid haal je enerzijds wat druk van het ventiel van de Randstad af. Anderzijds help je krimpende regio&#8217;s, waar nu de scholen, bibliotheken en andere belangrijke voorzieningen hun deuren moeten sluiten. Waar de vergrijzingsdubbel zo hard toeslaat omdat juist de jongeren vertrekken en niet meer terugkomen. Efficiënte ruimtelijke herverdeling kan daarom een cruciaal beleidsinstrument zijn. Om de wooncrisis te lijf te gaan en om de leefbaarheid in zowel de grote steden die kraken in hun voegen als de leeglopende krimpgebieden op peil te houden. Pak het alleen niet halfslachtig aan. Je moet niet een enkele dienst overhevelen, maar zorgen voor het hele pakket aan banen, mensen, voorzieningen en duurzame infrastructuur. </p>
<p>We definiëren sociale woningbouw tot alleen woningen verhuurd door woningbouwcorporaties. Andere woningen (sociale koop; verhuur door private partijen) tellen niet meer mee voor de ambitie om betaalbare huurwoningen te bouwen – deze blijven vaak niet duurzaam beschikbaar voor betaalbare prijzen. Sociale huurwoningen komen beschikbaar voor lagere inkomens (tot anderhalf modaal). Voor verkoop van deze woningen is toestemming nodig van ministerie van Volkshuisvesting. Deze wordt alleen gegeven indien voor elke verkochte sociale huurwoning er aantoonbaar twee van de laagste categorie worden teruggebouwd.</p>
<p>Er komt een spoedwet ter voorkoming en oplossing van dakloosheid volgens het principe van Housing First! Er worden voor 2025 150.000 prefab/ systeembouw-woningen gebouwd met een normaal vast huurcontract. Iedere gemeente krijgt daartoe een taakstelling. Deze zijn bedoeld voor iedereen die dakloos wordt c.q. dreigt te worden, en/of op urgentielijst staat (incl. statushouders taakstelling). Oorzaken van dakloosheid moeten weggenomen worden: meer GGZ-opvang en -begeleiding; adequaat urgentiebeleid bij toewijzing woningen; vroegsignalering bij ‘life-events’ die risicovol zijn (echtscheiding, werkloosheid, etc.); en een wettelijk verbod op huisuitzetting (zeker bij huishoudens met kinderen) zonder alternatieve beschikbare huisvesting, en wanneer schuldhulpverlening wordt aanvaard. Ook het afsluiten van energie en water wordt verboden zonder alternatieve oplossing voor betrokkenen. Vanuit onderdak wordt er passende integrale zorg en begeleiding aangeboden (zoals GGZ, SHV, verslavingszorg, jeugdzorg, etc.).</p>
<p>Er komt ook een spoedwet die per direct corporaties verplicht om mensen die kleiner willen wonen een aanbod daartoe te doen met maximaal een gelijke huur. Dit bevordert de doorstroming. Een verbod op onderhuur moet nietig worden in alle huurcontracten.</p>
<p>Bij de woningopdracht komt er apart aandacht voor de effecten van de te snel en te extreem en te rigide doorgevoerde extramuralisering van de zorg (langer thuis wonen). Dat geldt voor de afbouw van zowel verpleeg- en verzorgingshuizen als van psychiatrische ziekenhuizen. We investeren extra in betaalbare, levensloopbestendige woningen, ook voor mensen met een beperking. Ook voor 18+-jongeren met een licht verstandelijke beperking of autisme krijgen de gemeente en de woningbouwcorporatie daarbij een bouwplicht. Gemeenten zijn nu niet altijd bereid tot het betalen van een woningaanpassing voor een cliënt met een beperking. De cliënt wordt dan alternatieve woonruimte met hogere woonlasten aangeboden, waardoor de cliënt in financiële problemen kan komen. Een woningaanpassing moet daarom weer een recht in plaats van een voorziening worden, met objectieve criteria en ruimte voor maatwerk ten gunste van de cliënt. De financiering hiervan blijft bij gemeenten, zodat ze geprikkeld worden om voldoende levensloopbestendige woningen te laten (ver)bouwen, als eis in hun woonvisie. We faciliteren en bevorderen ook aangepaste wooninitiatieven voor ouderen en voor mensen met een beperking op coöperatieve basis.</p>
<p>Na de verhuurdersheffing gaan we ook de vennootschapsbelasting en de ATAD-heffing voor woningcorporaties afschaffen, en deze heffingen vervangen door een forse, structurele rijkssubsidie van miljarden euro’s. Deze krijgen ze met verplichtingen voor voldoende bouw van betaalbare huurwoningen, waarbij inkomens tot anderhalf modaal toegang krijgen tot sociale huurwoningen, voor renovatie, verbetering en verduurzaming van hun woningen (met speciale aandacht voor het ook levensloopbestendig maken), en voor lagere huren. Corporaties mogen hiermee ook weer investeren in woningen voor middeninkomens (<em>‘services for only the poor, are mostly poor services’</em>) en in wijkvoorzieningen. We moeten voorts de regels van de Autoriteit Wonen en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) enigszins versoepelen, er wordt nu bijv. uitgegaan van te hoge rentes. En we moeten en een verevening uitvoeren tussen woningcorporaties opdat reserves aangewend kunnen worden waar de grootste opgaven bestaan.</p>
<h2><a name="_Toc143177880"></a>Meer en betere regulering van huren</h2>
<p> </p>
<p>In de vierde plaats gaan we de huur meer en beter reguleren. Alle huur gaat vallen onder het systeem van de huurbescherming met toepassing van het zgn. puntensysteem (WWS: woningwaarderingssysteem). De liberalisatiegrens vervalt dus. Daarmee wordt ook alle huur gemaximaliseerd.</p>
<p>We gaan tegelijkertijd ook dat puntensysteem moderniseren, waardoor normale basisvoorzieningen niet meer tot extra punten leiden, en de WOZ-waarde eruit verdwijnt (wordt vervangen door het oude systeem, waarbij extra punten worden toegekend wat betreft locatie e.d.), zodat de veel te hoge huizenprijzen niet langer meer doorwerken in de huurprijs. De woonomgeving mag best meetellen, maar dan gebaseerd op de werkelijke woonomgeving, niet de grillige ontwikkeling van de huizenprijzen van de markt, van speculatie en van fiscale politiek. Woningcorporaties moeten hiervoor worden gecompenseerd.</p>
<p>Daarnaast gaan we de inkomensafhankelijke huurverhoging en het concept van <em>‘passend wonen’</em> schrappen. We gaan niet mee in het opjagen en stigmatiseren van huurders. Niet zgn. ‘<em>scheefwoners’</em> zijn het probleem, maar het tekort aan betaalbare woningen. Woningcorporaties worden ook hiervoor gecompenseerd.</p>
<p>Woningdelen helpt om de woningnood te bestrijden, niet als een plicht maar als een recht: er komt een afdwingbaar recht tot onderhuur en woningdelen. In de sociale zekerheid en fiscaliteit worden sancties op woningdelen (kostendelersnorm, partnertoets, verzameltoets) afgeschaft, zoals hiervoor al voorgesteld.</p>
<p>We versterken ook de rechtsbescherming en zeggenschap van huurders (inclusief van kamers/onzelfstandige woonruimtes) en flexhuurcontracten verbieden, zonder uitzonderingen. Tijdelijke huurcontracten worden omgezet in vaste contracten. Flexcontracten bedreigen de woonzekerheid. We stoppen daarmee door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. De huurovereenkomsten voor bepaalde tijd voor de duur van twee of vijf jaar verdwijnen. Studenten, jongeren en promovendi hebben recht op vervangende huisvesting (en een verhuiskostenvergoeding). Ook de positie van huurders en gebruikers van recreatieparken en campings moet worden versterkt, opdat ze niet meer zomaar weggejaagd kunnen worden bij verkoop door de eigenaar. Hetzelfde geldt bij volkstuintjes. Recreatiewoningen waar al langdurig normale bewoning wordt gedoogd, moet voor de huidige bewoners gelegaliseerd worden.</p>
<p>Corporaties zijn te vaak teveel vastgoedondernemers geworden. Hun maatschappelijke positionering moet in de wetgeving worden versterkt. Corporaties moeten weer coöperatieven worden, verenigingen van huurders met een maatschappelijke doelstelling en gebonden aan regelgeving, die o.m. nondiscriminatoire toegang en respectering van urgentietoewijzingen garandeert – men moet verplicht bijdragen aan huisvesting van lage inkomens en statushouders. De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, met een statutair beperkt werkgebied, zonder gemeentegrensoverschrijding). De markttoets voor corporaties moet worden afgeschaft. Sociale woningbouw behoort principieel geen concurrentietoets te hebben. Niet de woningmarkt, maar het woonrecht staat hier centraal.</p>
<p>De zeggenschap van huurders in corporaties gaan we versterken met o.m. instemmingsrecht voor huurprijs-, renovatie- en onderhouds- en het financieel beleid. We moeten zorgen voor huurteams in alle steden en de bezuinigingen terugdraaien op de huurcommissies, en zorgen dat huurders daar altijd gehoord worden voordat een beslissing wordt genomen. De huurder moet daarbij recht op gratis rechtsbijstand hebben. En: we maken het vormen van nieuwe woningcoöperaties makkelijker en faciliteren dat actief.</p>
<h1><a name="_Toc143177881"></a>III.II.  Een nieuw, goed, publiek, solidair en betaalbaar zorgstelsel</h1>
<p> </p>
<p>We stoppen met pleisters plakken en vervangen het falende, tot grote ongelijkheid, frustratie van zorgwerkers, en tot groeiende wachtlijsten leidende stelsel door een solidair, effectief en kwalitatief goed zorgstelsel.</p>
<p>Steeds meer mensen, vooral chronisch en ernstig zieken, kunnen hun zorgkosten niet meer betalen. De ongelijkheid in absolute, maar nog meer in gezonde levensverwachting is al enorm.</p>
<p>De huidige hoge zorgkosten voor het gemiddelde gezin hebben alles te maken met de individualisering van de zorgkosten én de manier waarop het collectieve deel van de zorgkosten is verdeeld. Individuele zorgkosten drukken per definitie harder op lage dan op hoge inkomens, en het collectieve deel van de zorgkosten wordt vrijwel louter gefinancierd uit de inkomensafhankelijke premies op arbeid, en dan vooral op de middeninkomens. De premies op arbeid zijn een overblijfsel uit het verre verleden, toen het ziekenfonds er vooral was voor ‘<em>loontrekkenden’</em>. De eenvoudigste manier om de zorglasten eerlijker te verdelen is om ze uit de algemene belastingen te betalen, zoals met onderwijs ook gebeurt. Daardoor drukken ze veel minder op arbeid dan in het huidige systeem, want een groot deel van alle belastinginkomsten in Nederland komt uit omzetbelasting, accijnzen, vennootschapsbelasting en allerhande andere niet-arbeidgerelateerde belastingen.</p>
<p>Naarmate een groter deel van het nationaal inkomen wordt verdiend met kapitaal (vermogen, winst), en dat is de huidige trend, wordt het steeds onlogischer om de zorgkosten louter te financieren via premies of belastingen op arbeid.</p>
<p>We voeren een nieuw zorgstelsel in, waarbij alle nodige en nuttige zorg, wat nu in het basispakket zit plus maatschappelijke ondersteuning, jeugd- en ouderenzorg, in één wet volledig publiek wordt, en volledig gefinancierd wordt uit de belastingen en zonder aparte premies, eigen bijdragen en zonder eigen risico. Het schrappen van de zorgpremies verlaagt ook de lasten op arbeid – renteniers betalen nu bijv. geen inkomensafhankelijke premie.</p>
<p>De hoge kosten van de zorg in ons land hebben naast de vergrijzing alles te maken met het bestaande hybride stelsel van marktwerking gericht op publieke taken. Het verenigt het slechtste van twee werelden.</p>
<p>Het ziet burgers vooral in een neoliberaal frame als premiebetalers en zorgconsumenten. Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen. Maar calculerend gedrag op dat terrein is niet altijd wenselijk vanuit het publieke, algemeen belang. Het stimuleren van individueel kostenbewustzijn heeft een neveneffect. De burger wordt gereduceerd tot een consument. Een consument die vooral zijn eigen belang moet behartigen. Deze mentaliteit is inmiddels dieper in onze samenleving geworteld dan goed voor ons is. Zij is ook zichtbaar bij bestuurders van (semi)publieke instellingen die de geleidelijke aanpassing van hun salaris aan de Balkenende-norm aanvechten bij de rechter onder de titel dat zij <em>‘ook rechten’</em> hebben. De nadruk op eigen verantwoordelijkheid van de burger leidt ook tot het aansprakelijk stellen van de burger als die een fout maakt. Er is een bijna maniakale nadruk op rechtmatigheid bij de overheid.</p>
<p>En hoe werkt dat uit als de overheid tegelijkertijd propageert dat bij een zorgvraag eerst wordt gekeken wat de betrokkene zelf en zijn netwerk (familie, buren, vrienden) nog kunnen en dat de professionele hulp de gaten vult?</p>
<p>De overheid kan niet het ene moment oproepen om vooral het eigen belang na te streven en het volgende moment oproepen om je toch vooral om je naasten te bekommeren. Het is of het een of het ander. Wat ons betreft zet de overheid in op het laatste. Dat betekent dat de geest van het kortzichtige eigenbelang terug in de fles moet. Van zelfredzaamheid dus naar samenredzaamheid. Emancipatorische concepten als eigen kracht zijn volstrekt ontspoord in neoliberale concepten van eigen verantwoordelijkheid en een plicht tot mantelzorg van familie, buren en vrienden.</p>
<p>De werkelijkheid is dat veel zorgvragers mensen om zich heen hebben die graag dingen voor ze doen. Maar dan moet de overheid wel daarin zijn nieuwe rol pakken en niet de bezuinigingsopdracht centraal stellen. Er is niets tegen, integendeel, om de omgeving, die vaak toch al hulp verleent, bij de zorg te betrekken.</p>
<p>Maar je kan geen mantelzorg afdwingen. De vrijwillige solidariteit is in Nederland gelukkig nog altijd groot, maar vrijwillige solidariteit zal altijd ingebed moeten zijn in collectieve solidariteit (wat de VVD afgedwongen solidariteit noemt). Al was het maar omdat niet iedereen een netwerk heeft. Dat is waar onze voorgangers in de sociaaldemocratie de verzorgingsstaat voor hebben opgebouwd. Veel zorgvragen vragen professionele hulp en ondersteuning en kunnen niet worden afgeschoven op de nu sterk overbelaste mantelzorgers. Bovendien zijn veel mantelzorgers zelf ouderen, en kunnen zij in toenemende mate zelf geen beroep doen op mantelzorg, nu de arbeidsparticipatie van vrouwen gelukkig stijgt. Ook moet erkend worden dat veel zorgvragers onvoldoende eigen kracht hebben om het zelf te regelen.</p>
<p>De decentralisatie van zorg naar de gemeenten is in de praktijk vooral een administratieve herordening gebleken in plaats van een inhoudelijke verbetering. Mensen worden van het ene loket naar het andere doorgestuurd, het beleid is versnipperd en veel overheids- en zorginstanties willen de werkelijkheid aan de onderkant van de samenleving niet kennen.</p>
<p>Een deel van de cliënten is vereenzaamd. Zij beschikken niet over hulpvaardige familie of een bloeiend sociaal netwerk. Kinderen wonen steeds vaker op betrekkelijk grote afstand van hun ouders en kunnen daardoor niet eenvoudig bijspringen. Wanneer kinderen zelf nog een gezin grootbrengen, wordt mantelzorg aan hun ouders verlenen een loodzwaar karwei.</p>
<p>Het is voor bureaucraten allesbehalve eenvoudig om te bepalen in hoeverre familie en sociaal netwerk ondersteuning kunnen en willen verlenen. We moeten daarmee direct stoppen. Subjectieve inschattingen zijn hierbij onvermijdelijk. In min of meer vergelijkbare gevallen kunnen uitgebrachte adviezen — afhankelijk van de persoon van de voor de beoordeling eindverantwoordelijke gemeenteambtenaar — substantieel verschillen. Mensen die de weg weten en brutalen hebben samen meer dan de halve wereld. Zij zullen vaak meer ondersteuning claimen en ontvangen dan binnen de beperkingen van het beschikbare budget op objectieve gronden noodzakelijk is. Minder assertieve of gezagsgetrouwe cliënten zullen zich sneller voegen naar wat bureaucraten beslissen. Dat was ook al zo via de AWBZ gefinancierde ondersteuning. Maar daar hadden hulpbehoevenden tenminste nog recht op wettelijk omschreven zorg. Dat is nu niet meer zo.</p>
<p>De verschillen tussen gemeenten zijn groot en hebben niets met het beloofde maatwerk te maken: maatwerk betekende altijd minder zorg. Zorg kwam ook niet dichterbij, het verdween. Gemeenten hebben alleen maar financieel gestuurd en ontberen iedere deskundigheid om op kwaliteit te kunnen sturen. Inmiddels keert de wal het schip en klagen gemeenten over miljoenentekorten.</p>
<p>Zorg wordt langzamerhand daarbij het domein van aanbieders die vooral om de makkelijk te bereiken financiële winst gaat, zowel in de cure als in de care, zowel bij de ouderenzorg als bij de jeugdzorg.</p>
<p>Naast het terugdraaien van de decentralisaties in de zorg moeten we extra aandacht geven aan de thuiszorg en huishoudelijke hulp, waar een enorme verschraling heeft plaatsgevonden.</p>
<p>Tegelijkertijd zijn de verzorgingshuizen en verpleeghuizen versneld afgebouwd. Dagbesteding is vrijwel vernietigd terwijl iedereen, de minister van volksgezondheid onder Rutte III voorop, steeds meer aandacht vraagt voor eenzaamheidsproblematiek. De klachten over de kwaliteit van de verpleeghuiszorg waren aanleiding tot een extra miljarden investering aan het eind van Rutte II, maar de problemen zijn nog niet opgelost. De jarenlange ondermijning van de arbeidsvoorwaarden, en het ontslag van juist de laagste inkomens in de zorg met o.m. 67.000 ontslagen in de thuiszorg onder Rutte II, zijn debet aan het huidige enorme tekort aan zorgwerkers. We hebben de ouderenzorg grotendeels afgebroken, zonder dat er goede zorg thuis tegenover stond.</p>
<p>Er heerst een soort fatalistische stemming bij de beleidsbepalers over de ouderenzorg. De verantwoordelijke minister heft haar handen in de lucht en waarschuwt de bevolking dat ‘<em>goede ouderenzorg duurder en schaarser wordt. </em><em>Het merendeel van de mensen zit te wachten tot de overheid het oplost. Dat zal niet gebeuren.’</em> Er zullen niet meer plekken in de ouderenzorg komen, want de kosten mogen niet stijgen, stelt de VVD-bewindsvrouw. Technologie om nog langer thuis te blijven wonen en meer zelfredzaamheid van de ouderen zelf moeten de oplossingen bieden. Die zelfredzaamheid geldt echter vooral voor de welvarende ouderen. Slimme zorgondernemers springen in op deze trend en creëren kleinschalige, luxe zorgvoorzieningen met soms wel duizenden euro’s huur per maand voor woning, huishoudelijke hulp en voeding. De medische zorg komt gewoon van reguliere zorgverleners, betaald door belastingen en collectieve zorgpremies. Dat dan weer wel.</p>
<p>De verzorgers rennen zich met kleine contracten, lage salarissen en onregelmatige roosters de benen uit het lijf. Het ziekteverzuim in de sector is hoger dan ooit en er zijn nauwelijks nog mensen te vinden die het werk willen doen. Sommige instellingen zijn zelfs een voedselbank voor hun personeel begonnen, omdat ze van hun reguliere salaris niet meer kunnen rondkomen. De mensen die met liefde de poep van de billen van dementerende ouderen vegen, krijgen nul op het rekest als ze om grotere contracten vragen, waarmee ze meer uren op vaste tijden kunnen draaien. Want werkgevers vrezen dat ze dan minder flexibel zijn om in te vallen bij gaten in het rooster. Ook de waardering tijdens het werk laat te wensen over. Managementtools worden op de zorgmedewerkers losgelaten met in de praktijk soms pijnlijke gevolgen. Mensen hebben het gevoel dat ze steeds door hoepels van het management moeten springen. Alles draait om kostenbeheersing, medewerkers voelen zich niet gewaardeerd omdat er in hun ogen nauwelijks sprake is van echte communicatie, waarbij opbouwende kritiek wél gewaardeerd wordt.</p>
<p>Het zijn de tekenen van een sector in crisis. Een crisis die veroorzaakt wordt door verkeerde aannames. Als het aantal zwaar hulpbehoevende tachtigers de komende jaren sterk toeneemt, dan is het onmogelijk om de kosten niet te laten stijgen. En het aantal verzorgenden zal dan moeten toenemen, want een computer kan geen luiers verschonen of haren kammen. Dat lukt alleen als de ouderenzorg met betere materiële en immateriële waardering de concurrentieslag op een steeds krappere arbeidsmarkt kan aangaan.</p>
<p>De gemiddeld rijkste generatie ouderen ooit krijgt de meest schamele ouderenzorg ooit. Alleen de echt rijken kunnen het voor zichzelf regelen. Zie hier de resultaten van decennia neoliberaal zorgbeleid.</p>
<p>Ook de decentralisatie van de jeugdzorg is rampzalig vastgelopen met desastreuze gevolgen voor jongeren, ook hier vooral bij lagere inkomens. Inmiddels spreekt de sector zelf van Code Zwart, en verkeert in een acute en diepe crisis. In september 2022 vroegen de Inspectie van Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd <em>“met klem” </em>om maatregelen<em>, &#8220;omdat de overheid faalt bij haar taak om kwetsbare kinderen te beschermen&#8221;.</em> <em>&#8220;De kwaliteit in de jeugdzorg holt achteruit. Problemen worden groter en het zijn er steeds meer.&#8221;</em> Dat meldde <em>Nieuwsuur </em>in mei vorig jaar, maar het had net zo goed een tekst van tientallen jaren geleden kunnen zijn. De problemen in de jeugdzorg waren in de jaren 1980 al groot en de beloftes vanuit de politiek om deze op te lossen zijn sindsdien amper veranderd, blijkt uit onderzoek. Gemeenten en jeugdzorgaanbieders zijn verstrikt geraakt in een woud van contractverhoudingen. De focus ligt niet op zorg, maar op kostenbeheersing en het voorkomen van fouten via contracten en protocollen. Gesprekken tussen zorg- en gemeentebestuurders lopen in toenemende mate via accountants. Een bizarre, perverse ontwikkeling. Bovendien leiden al die regels nergens toe, ze leiden tot financiële schijnzekerheid.</p>
<p>Jeugdzorginstellingen hebben nu te maken met de tucht van de markt: elk jaar opnieuw moeten ze met elkaar de concurrentiestrijd aangaan om een contract te krijgen met de gemeente. Ze werken met minimale winstmarges en zijn vooral bezig met overleven, terwijl nieuwe commerciële aanbieders, steeds meer in eigendom van private equity sprinkhanen de krenten uit de pap nemen. Tegelijkertijd moeten ze voldoen aan de bureaucratie van de overheid, die probeert grip te houden op de zorguitgaven. De situatie sinds de transitie is het slechtste van twee werelden: Marktwerking zonder vrijheid van de markt; en bureaucratie zonder de zekerheid van een overheid.</p>
<p>Na 40 jaar <em>‘hervormen’</em> zijn de problemen van kinderen, ouders en scholen alleen maar verergerd, en is de uitvoering nog complexer én duurder gemaakt. De echte problemen zijn tot nu toe niet aangepakt. Er is te weinig aandacht voor de context waarin kinderen opgroeien en teveel wordt aangenomen dat de problemen bij de kinderen zelf zitten. En: alle systeemwijzigingen ten spijt, vindt er nauwelijks echte innovatie plaats en is er nauwelijks sprake van nieuwe jeugdzorgverlening – er wordt nog steeds jeugdzorg ingekocht bij dezelfde aanbieders, die ook zijn blijven hangen in hun oude repertoire. Daardoor sluit het jeugdzorgaanbod nog steeds niet aan bij de vraag. De bestuurlijke verantwoordelijkheden zijn nog steeds versnipperd, en de eigen (ook commerciële!) belangen van de zorgaanbieders prevaleren.</p>
<p>Kinderen worden bij lichte problemen al doorverwezen naar allerlei vormen van jeugdzorg. Er wordt in gemeenten geflyerd om reclame te maken voor vormen van jeugdzorg. Het is een verdienmodel geworden. De afgelopen jaren is de jeugdzorg enorm gegroeid: bijna 1 op de 7 kinderen krijgt een vorm van jeugdzorg. En er is vooral een explosieve groei in de lichtere vormen. De kosten stegen daardoor explosief, tot 5,6 miljard vorig jaar. De afhandeling kost ook meer tijd omdat de hulpvragen steeds complexer worden. De gemeenten hebben in 2022 zo&#8217;n 60 miljoen euro extra moeten uitgeven aan de jeugdzorg. Alleen al voor dyslexie betalen we als maatschappij honderden miljoenen euro’s per jaar. Deze vorm zou je moeten schrappen omdat het geen zorg is, maar meer iets dat valt onder onderwijs.</p>
<p>In plaats van de jongeren staat het verdienmodel van commerciële aanbieders van jeugdzorg centraal. En dat terwijl jongeren met zwaardere en specialistische hulpvragen wegkwijnen, omdat ze soms maanden op een wachtlijst staan met levensbedreigende situaties tot gevolg. De positie van de meest kwetsbare kinderen leidt steeds meer tot slachtoffers. En de kosten rijzen de pan uit, waarop Rutte IV met het onzalige plan kwam om te gaan bezuinigen en een eigen bijdrage in te voeren.</p>
<p>De wachtlijsten blijven groeien, en zijn onaanvaardbaar lang geworden. Een diagnose stellen, zoals autisme of een ontwikkelingsachterstand, kan al een half jaar wachten betekenen, en een adequaat traject kent vaak een nog langere wachttijd – als het kind bijvoorbeeld verstandelijk gehandicapt blijkt, is er nu een wachttijd van twee (!) jaar. De ouders overleven dat nauwelijks, als ze werken hebben ze een groot probleem, want hun kind is niet welkom op de reguliere kinderopvang. Deze kinderen slapen amper, en de ouders hebben daar een dagtaak aan. Ze lopen vast, worden zelf ziek en zijn de wanhoop nabij. Huiselijk geweld is dan heel voorspelbaar. Ze zitten thuis en de tijd staat stil én slaat door. Het is een stille ramp die de samenleving op termijn veel kost. Als je niks doet, worden dit later de lastige mensen. De ongemotiveerden, de depressieven, de relschoppers, de onbegrepenen, degenen die in de jeugdzorg belanden. Agressie is tenminste iets dat iedereen begrijpt. Ouders durven niet langs consultatiebureaus te gaan omdat ze bang zijn dat ze hun kind zullen afnemen. Geen denkbeeldige angst, zoals bleek bij het toeslagenschandaal. Inmiddels is duidelijk dat dit echt niet alleen bij die ouders speelt. Een medewerker van de crisisopvang in Rotterdam zegt al in 1995 in het programma <em>TweeVandaag</em>: <em>&#8220;We zitten zo ontzettend vaak vol. We krijgen 1500 aanmeldingen voor de crisisopvang per jaar, maar we kunnen er jaarlijks zo&#8217;n 500 opnemen.&#8221;</em></p>
<p>In plaats van op de rem van de medicalisering werd er na de decentralisatie stevig op het gaspedaal getrapt. Heel erg verwonderlijk was dat niet. Hoe dichter de verwijzer bij de zorgvrager staat, des te groter de kans dat een zorgvraag wordt ingewilligd. Recent begint eindelijk het besef door te breken dat de doorverwijzing van zorgvragers meer inzet van onafhankelijke experts vergt.</p>
<p>In 2015 was het idee dat het leggen van de verantwoordelijkheid bij het laagste bestuurlijke overheidsniveau (de gemeente) tot de beste jeugdzorg zou leiden. Met de decentralisatie zou het eindelijk mogelijk worden om de jeugdzorg te ontkokeren, te normaliseren, te demedicaliseren, problemen zo vroeg mogelijk te signaleren en ouders/opvoeders, kinderen en jongeren adequaat te helpen. De decentralisatie heeft deze verwachtingen niet kunnen waarmaken. Veel gemeenten hebben zich losgemaakt van inhoudelijke visie en zijn zich de afgelopen jaren tegenover de jeugdzorg gaan opstellen als manager en inkoper, waarbij ze met bureaucratische controle krampachtig stuurden op kostenbeheersing. Het afknijpen van de professionals werkte ‘<em>penny wise, pound foolish’</em>. Er zijn sinds de decentralisatie miljoenen weggevloeid naar het visieloze, gigantische aanbestedingscircus, het deprofessionaliseren van de jeugdzorg, de faillissementen van menig jeugdzorgorganisatie en het totaal versnipperde proces van trial and error in de afgelopen jaren. Er zijn bakken met geld besteed aan consultancy, handige en overmatig winstmakende jeugdzorgorganisaties, het ziekteverzuim van personeel in de sector, en last but not least aan kinderen, jongeren en ouders die steeds niet goed geholpen werden en verder in de problemen raakten. Het bereiken van de doelen van de Jeugdwet is veruit de meeste gemeenten tot nu toe nooit gelukt.</p>
<h2><a name="_Toc143177882"></a>Financiering van zorg volledig en integraal uit eerlijke belastingopbrengsten op basis van regionale zorgvisies via publieke zorgkantoren – geen rol meer voor zorgverzekeraars en gemeenten</h2>
<p> </p>
<p>De financiering van de zorg gaan we organiseren op basis van een periodiek vastgestelde nationale en regionale zorgvisies, via publieke regionale zorgkantoren, via één geldstroom op basis van duurzame subsidierelaties (zoals in het onderwijs) – geen inkoop en aanbesteding meer.</p>
<p>De bekostiging loopt via regionale zorgkantoren, die ook zorgen voor de financiële planning. Zorgverzekeraars kunnen zich desgewenst geheel of gedeeltelijk omvormen tot zo’n regionaal zorgkantoor. De transitie vindt op gelijke wijze plaats als bij de opheffing van de PBO’s. Er is dus nadrukkelijk geen nationalisatie en dus ook geen schadeloosstelling aan de orde.</p>
<p>Er zijn geen budgetplafonds meer, maar de overheid kan via de zorgkantoren wel voorwaarden stellen aan de uitgaven ter bevordering van efficiëntie en doelmatigheid en van kwaliteit.</p>
<p>Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget.</p>
<p>De zorgvisie beschrijft een effectief en efficiënt, samenhangend en samenwerkend, kwalitatief goed aanbod van zorg, met lokale basiszorgcentra en woonzorgcentra, goede thuiszorg en verpleegzorgcentra, regionale 2<sup>e</sup> lijnzorg en nationale dure, zeer gespecialiseerde zorg (incl. ggz en jeugdzorg). Overlap en waterbedeffecten worden zo voorkomen. Bij de opstelling van de regiovisie worden echt onafhankelijke patiënten- en cliëntenorganisaties (anders dan de huidige Patiëntenfederatie) betrokken, evenals relevante gemeenten en zorgaanbieders.</p>
<p>In plaats van concurrentie moeten zorgaanbieders samenwerken. We verplichten in de zorgvisies tot effectieve en efficiënte samenwerking. Er komt zo een regionaal afgestemd aanbod van samenwerkende zorgaanbieders: met dure specialisatie in hoogwaardige centra en een breed aanbod van basiszorg (incl. GGZ); waarin cure en care elkaar effectief en efficiënt aanvullen; waarin ingezet wordt door tijdige interventie dure specialistische hulp te voorkomen; en waarin het langer thuis met zorg kunnen wonen (als recht, niet als plicht!) ook adequaat gefaciliteerd wordt.</p>
<p>Er is voor de publiek gefinancierde zorg geen rol meer voor zorgverzekeraars en gemeenten. Verzekeraars beperken zich tot niet collectief vergoede zorg en gemeenten beperken zich tot de GGD’s en het leggen van verbindingen met armoede- en schuldenbeleid en met het woonbeleid. Evenmin is er nog een rol voor het CAK, het CIZ en de NZa. Dat ruimt lekker op. Het geld voor deze instituties valt aan de zorg toe. Nu worden teveel mensen van ene loket naar het andere gestuurd. Het zorglandschap is nu ook teveel gespreid over verschillende partijen met ieder eigen (budget)regels: zorgverzekeraars, zorgkantoren, het CAK, de gemeenten. Naast veel kostbare (in tijd en geld) bureaucratie (ook bij de zorgaanbieders, die vaak met meerdere partijen te maken hebben) zorgt dit ook voor strategisch gedrag tussen bijv. gemeenten en zorgverzekeraars over wie de rekening moet betalen.</p>
<h2><a name="_Toc143177883"></a>Zorg als recht, geen voorziening</h2>
<p> </p>
<p>Alle gesubsidieerde zorg wordt – buiten de eerste lijn uiteraard met indicatie – weer een recht, in plaats van een voorziening. En hiermee vervallen ook de beruchte keukentafelgesprekken met de gemeente. Eigen kracht en zelfredzaamheid wordt een recht, geen plicht. Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof. De decentralisaties in de zorg gingen gepaard met een neoliberaal verhaal over een <em>participatiesamenleving</em>, als alternatief voor de verzorgingsstaat. Rechten en vangnetten verdwenen, en tegelijkertijd zijn er meer plichten. Daarbij wordt een groter beroep op de <em>zelfredzaamheid</em> van burgers gedaan. Cruciaal daarbij is dat de gemeentelijke zorg, anders dan de vroegere AWBZ-zorg, geen recht van de burger meer is maar een ‘<em>voorziening’</em>. Dat betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen welke zorg ze leveren en voor wie, het budget is voortaan ‘<em>taakstellend’</em>.</p>
<p>Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. De gemeenten spelen hierbij geen rol meer. De verstrekking verloopt via de regionale zorgkantoren. We versimpelen de procedures rondom het PGB, maar zijn scherp op fraude en uitbuiting van cliënten. Voor PGB zorgverleners gelden de reguliere kwaliteitseisen, het moet niet verward worden met mantelzorg.</p>
<h2><a name="_Toc143177884"></a>Geen marktwerking en winst meer bij zorgaanbieders, innovatieve zorg, dichtbij mensen</h2>
<p> </p>
<p>De publieke zorg wordt verzorgd door niet-commerciële aanbieders – zorgcoöperaties zonder winstoogmerk, waarbij iedereen in loondienst is. Er is geen marktwerking en geen concurrentie, maar verplichte en gereguleerde effectieve samenwerking. Zorg die door de overheid wordt gefinancierd moet volledig gedefinieerd worden als een publieke voorziening, zonder marktwerking. De vrije marktwerking geldt er dan niet meer en de Autoriteit Markt en Consument heeft er dus ook niets meer te zeggen. Als eerste maatregelen verbieden we per direct activiteiten van private equity bedrijven in de publiek gefinancierde en gereguleerde zorg. Zorgaanbieders mogen geen winstoogmerk hebben en ook geen winstuitkeringen doen – dit geldt ook voor maatschappen aan de eigenaren/zorgaanbieders zelf. De omvorming wordt afgedwongen door dit als subsidievoorwaarde op te nemen. Iedereen in de publieke zorg komt in loondienst, bij voorkeur in een zorgcoöperatie. Specialisten komen verplicht in loondienst, bij huisartsen schaffen we de goodwill af. Huisartsen, apothekers, tandartsen, paramedici, ambulancediensten en andere zorgaanbieders die nu als ondernemer werken moeten ook in loondienst komen bij hun eigen onderneming, tegen een soort ‘gebruikelijk loon’, zonder aparte private vermogensopbouw. Activiteiten die zij verrichten in niet-publieke zorg, bijv. gefinancierd door zorgverzekeraars en/of patiënten zelf, moeten in een financieel gescheiden entiteit plaatsvinden, en er moet toestemming daarvoor zijn van de zorginspectie en transparant zijn in een openbaar register. Dit opbrengst van deze maatregel wordt teruggeploegd in de zorg, door deze mee te nemen bij de hiervoor genoemde extra investering in de zorg.</p>
<p>We zorgen ook voor meer kleinschaligheid in de zorg. Er zijn te grote conglomeraten ontstaan die te machtig zijn. Zorg moet regionaal georganiseerd worden, onder meer met een netwerk van kleinere basisziekenhuizen, dichtbij de mensen. We draaien sluiting van regionale basisvoorzieningen in de regio terug.</p>
<p>Innovatie in de zorg wordt bevorderd met een landelijk expertisecentrum, dat goede praktijken breder beschikbaar maakt en geld beschikbaar stelt voor innovatieve experimenten en onderzoek. Er is o.m. meer aandacht en geld nodig voor bestrijding van depressies, voor onderzoek naar en begeleiding van dementerenden en voor andere ziekten die nog onvoldoende begrepen worden, zoals kanker, ALS en long-Covid. We investeren meer in onderzoek naar preventie en genezing van ernstige ziekten en compenseren daarbij meer dan volledig het vervallen van fiscale subsidiëring van giften daarvoor.</p>
<h2><a name="_Toc143177885"></a>Breed pakket publieke zorg</h2>
<p> </p>
<p>Tand- en mondzorg en paramedische behandelingen (op basis van doorverwijzing door eerste lijn-zorg) worden volledig door de overheid bekostigd, evenals anticonceptie en bewezen effectieve zorgpreventie.</p>
<h2><a name="_Toc143177886"></a>Investeren in meer en beter betaalde en gepositioneerde zorgprofessionals</h2>
<p> </p>
<p>De tekorten in arbeidskrachten worden opgelost met betere arbeidsvoorwaarden, meer professionele autonomie, investeren in vaste arbeidsrelaties en zeggenschap, en vooral ook voorkomen van uitstroom en het aantrekkelijker maken om meer uren te werken. Ook arbeidsmigratie kan een rol spelen. Er komt hiertoe een breed actieplan met grote urgentie en genoeg extra geld.</p>
<p>We verlagen de norm voor het aantal patiënten per huisarts fors, en er komen extra professionals in de verpleeghuiszorg, extra (wijk)verplegers, thuiszorgmedewerkers (incl. huishoudelijke hulp), activiteitenbegeleiders en medewerkers in de dagopvang bij. En er komen extra banen voor maatschappelijk werkers, behandelaars en begeleiders in de jeugdzorg, de GGZ en in de forensische zorg, meer professionals in de spoedeisende hulp, meer ambulancemedewerkers en andere zorgprofessionals.</p>
<p>Tevens investeren we snel in meer opleiding (ook inservice, werkend leren), betere facilitering ter bevordering van de arbeidsparticipatie en in tijdelijke arbeidsmigratie. Daarmee verlagen we de werkdruk, zorgen we voor meer banen en betere beloning, en verbeteren we de kwaliteit van zorg.  De tekorten in de dagbesteding, woonvormen en zorgverlening aan cliënten met meervoudige problematiek worden zo eveneens opgelost.</p>
<p>We zorgen ervoor dat het meeste geld weer naar de mensen gaat die in de zorg werken, in plaats van mensen staffuncties, management en adviseurs. De zorgkantoren gaan hier op sturen.</p>
<h2><a name="_Toc143177887"></a>De overheid kan en moet wél de verzorging (welzijnszorg) van ouderen en mensen met beperking en chronisch zieken herstellen en verbeteren</h2>
<p> </p>
<p>We moeten fors extra investeren in de care, in welzijnszorg, waar nu schrijnende tekorten zijn die juist lage inkomens treffen. Op de <em>care</em>, de zorg voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen die niet gericht is op behandeling en genezing maar op verzorging, de afgelopen decennia veel meer is bezuinigd dan op de <em>cure</em>: de ziekenhuizen, specialisten en medicijnen: minder huishoudelijke hulp; minder begeleiding en dagbesteding voor mensen met een beperking, dementerenden en anderen; minder ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking in een tehuis; minder wijkverpleging. Terwijl de maatschappij schreeuwt om meer sociale zorg. Linkse politiek zou juist het welzijnswerk en daaraan gerelateerde zorg weer in ere moeten herstellen.</p>
<p>Ook moet de indicatie passend zijn, dus niet zoals nu vaak gebeurt, aan chronisch zieken en ouderen zeer kortlopende Wmo-indicaties afgeven – dat is onnodig bureaucratisch en belastend.</p>
<p>Alleen wie 24 uur per dag zorg nodig heeft, heeft tegenwoordig nog recht op een plaats in een tehuis of andere verblijfsinstelling. Wie al in een tehuis zat, mag daar blijven. Maar de komende jaren sterft deze populatie langzaam uit en worden nog veel meer tehuizen gesloten. Het bezuinigde bedrag loopt daardoor nog op, en Rutte IV wil er zelfs nog een schep bovenop doen, ondanks het feit dat het aantal mensen boven de tachtig en daarmee het aantal hulpbehoevenden sterk toeneemt. Op zichzelf is het een mooi perspectief: gehandicapten, chronisch zieken, bejaarden of geestelijk zieken die zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen, ondersteund door professionele zorg waar nodig. En even mooi is het idee om alles wat niet per se in dure ziekenhuizen of door dure specialisten gedaan hoeft te worden over te laten aan huisartsen, maatschappelijk werk en andere nabije en goedkopere mensen. Het probleem is alleen dat er op alle zorg die thuis blijven wonen mogelijk maakt ook bezuinigd wordt: van de huishoudelijke hulp tot de hulpmiddelen en van de dagopvang tot het maatschappelijk werk. Bovendien bleek in de afgelopen jaren dat beleidsmakers een iets te rooskleurig beeld hebben van zorgbehoevenden, alsof bijna iedereen zich met een steuntje in de rug prima kan redden. We gaan eindelijk echt investeren in zorgprofessionals, in plaats van vrijblijvend applaudisseren.</p>
<p>In de woonopdracht aan gemeenten komt verplichte aandacht voor woonvormen voor ouderen en mensen met een beperking in relatie met een gezond, fijn leven en waar nodig goede dagbesteding en zorgverlening – huishoudelijk hulp, thuiszorg, maaltijdvoorziening, dagbesteding en wijkverpleging. Dat wordt georganiseerd in coöperaties, met veel zeggenschap voor de bewoners. Daarbij is er keus in al dan niet gemengd wonen met mensen buiten de doelgroep.</p>
<p>We gaan daarnaast investeren in betere verpleeghuizen met voldoende capaciteit en meer verpleegbedden voor kortdurende opnames. Inmiddels staan meer dan 20.000 mensen op de wachtlijst voor het verpleeghuis, komen de bouwplannen voor seniorenhuisvesting niet van de grond, en wordt het eerder lastiger dan makkelijker om personeel te vinden dat in de ouderenzorg wil werken. En dat terwijl in Nederland sprake is van een dubbele vergrijzing en de vraag naar zorg toeneemt. Het huidige kabinet wil het aantal verpleeghuisplekken bevriezen op 130.000. Dat betekent dat de toekomstige uitbreiding van verpleeghuiszorg volledig via verpleegzorg thuis moet worden geleverd. Dat is niet realistisch, en geeft enorme risico’s voor grote verschraling van zorg. We voeren het manifest van Hugo Borst en Carin Gaemers <em>Scherp op Ouderenzorg</em> en het daarop gebaseerde plan voor liefdevolle verpleeghuiszorg uit, met als criterium twee professionele zorgverleners per groep van 6 tot 8 bewoners in alle verpleeghuizen. De investering wordt alleen verstrekt als men ook voldoet aan de kwaliteitseisen. De bedrijfsvoering moet veel efficiënter, de kwaliteit van leven moet omhoog.</p>
<h2><a name="_Toc143177888"></a>Investeren in betere GGZ</h2>
<p> </p>
<p>We pakken de wachtlijsten aan in de GGZ. De wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) zijn veel te lang, nu staan er 84.000 mensen op. Teneinde de stijging in de doorgeleiding naar gespecialiseerde GGZ tot staan te brengen is moeten we in de geestelijke gezondheidszorg alles richten op de zogeheten ‘<em>vroegsignalering’</em> en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn. Bij TBS-patiënten geldt het belang van een snelle behandeling des te meer – de oude regeling dat veroordeelden met een vrijheidsstraf en TBS met dwangverpleging in beginsel na een derde van hun vrijheidsstraf geplaatst moeten worden in een forensisch psychiatrisch centrum gaan we herinvoeren (de zgn. Fokkensregeling). Door een gebrek aan afdoende capaciteit bij GGZ-instellingen om patiënten die beveiligde zorg nodig hebben op te kunnen nemen worden patiënten zonder strafrechtelijke titel steeds vaker met een zorgmachtiging in een forensisch psychiatrisch kliniek of tbs-kliniek geplaatst, hetgeen de capaciteitsproblemen bij tbs-klinieken weer vergroot. Vanwege het stigma van tbs-klinieken belemmert dit ook de uitstroom en resocialisatie van deze patiënten zonder strafrechtelijke titel.</p>
<h2><a name="_Toc143177889"></a>Hoogste prioriteit: urgente verbetering in de jeugdzorg</h2>
<p> </p>
<p>Met de hoogste prioriteit pakken we de problemen in de jeugdzorg aan. Het eerste wat er per direct in de jeugdzorg moet gebeuren is dat de <em>caseload</em> omlaag gaat bij jeugdzorghulpverleners – dat is het aantal gezinnen of jongeren die een jeugdbeschermer onder zich heeft. Nu is dat aantal tweemaal hoger dan haalbaar is om het werk adequaat te doen, zo blijkt uit onderzoek.</p>
<p>Dat we de financiering van de jeugdzorg, net als de rest van de publieke zorg via één loket gaan regelen, helpt ook veel om van de huidige bureaucratie af te komen en jeugdzorgprofessionals meer tijd voor de zorg zelf te geven. Daarbij zorgen we voor één cao voor de gehele jeugdzorg.</p>
<p>Vervolgens moeten jeugdzorghulpverleners zelf veel meer bevoegdheden krijgen om te zorgen dat wat zij nodig achten ook echt gaat gebeuren. Dat kan in een niet-commerciële omgeving, zonder aanbestedingen en inkopen (nu gaat ook veel kostbare tijd verloren doordat jeugdzorghulpverleners offertes moeten aanvragen die dan weer beoordeeld moeten worden door een gemeentelijke accountmanager).</p>
<p>Daarom moeten ook de jeugdzorgaanbieders publieke instellingen worden, zonder winstmotief. En we moeten jeugdzorg veel kleinschaliger organiseren, midden in de samenleving, zo open mogelijk en zo thuis mogelijk. Want demedicaliseren, normaliseren, preventiever werken én de focus op zelfredzaamheid vraagt in de eerste plaats om te investeren in de professionals die dit moeten bereiken. Het geld moet naar de vakmensen en niet naar de managers, en het moet met duidelijke kaders als richtlijnen en een beroepscode moeten duidelijk maken wat de verschillende hulpvormen zijn en wat de resultaten daarvan horen te zijn. Er bestaat in de jeugdzorg geen snelle oplossing en er komt alleen goede jeugdzorg wanneer de focus op kostenbesparing vermindert. Sturen op kosten betekent minder kwaliteit, maar sturen op kwaliteit verlaagt kosten!</p>
<p>De overtuiging van de maakbaarheid van opvoeden en opgroeien, die achter veel gedrag en beleid zit moet daarbij worden tegengegaan. Ieder verschil met de statistische (en niet erg realistische) standaard wordt nu gezien als potentieel probleem dat vroegtijdig moet worden ‘<em>gesignaleerd’</em> en gemedicaliseerd. Het kind is te licht, te zwaar, te kort, te lang, te druk (ADHD) of te stil (spectrum). Dit misverstand leidt niet alleen tot een verhoogde instroom van cliënten naar de jeugdzorg, maar ook tot totaal overspannen verwachtingen van diezelfde jeugdzorg.</p>
<p>We gaan ook veel meer investeren in die kennis – er bestaat maar weinig empirisch bewijs van de resultaten van behandelingen in de jeugdzorg. Degenen die de verantwoordelijkheid dagelijks nemen, moeten ook het recht hebben aan te geven wat zij daarvoor nodig hebben. Dit vraagt om de zeggenschap van ouders, opvoeders, kinderen en jongeren zelf: wat hebben zij nodig en wat kunnen en willen zij daarvan zelf en met hun informele sociale omgeving organiseren. Daarvoor hebben zij erkenning, steun, ruimte, vrijheid, tijd en keuzemogelijkheden nodig. En professionals en ervaringsdeskundigen moeten daarbij goed gepositioneerd worden. In het manifest <em>‘Jeugdsprong’</em> van FNV Zorg en Welzijn en de Stichting Beroepseer uit september 2021 wordt daarom terecht gepleit dat jeugdzorg hulp op maat moet bieden door professionals die samen met het gezin veel mandaat en zeggenschap hebben. We organiseren en investeren in structurele ervaringsdeskundigheid in de uitvoering. We faciliteren dat professionals kunnen werken volgens bestaande beroepscodes en richtlijnen. Denk aan evidenced based en practice based werken in combinatie met praktische wijsheid. Hierbij mogen kosten en inkoop de professionele afwegingen en het handelen niet belemmeren. We investeren in mogelijkheden waarmee professionals zoveel mogelijk aan kunnen sluiten bij de motivatie en de doelen van jeugdige en gezin.</p>
<p>Eerder diagnosticeren mét eerder een passend traject voorkomt later veel problemen. Daarin moeten we veel meer investeren. Problemen bij kinderen beginnen vaak al eerder dan wanneer ze bij jeugdzorg terechtkomen. Bij kinderen tussen nul en vijf. Elke gemeente krijgt nu subsidie voor de eerste duizend dagen van een kind. <em>Een Kansrijke Start</em>, heet dat programma. Maar een kansrijk vervolg is er onvoldoende. In de ‘<em>gewone’</em> zorg zijn we vertrouwd met de functie van de huisarts in de eerste lijn: deze luistert, diagnosticeert, behandelt lichte klachten zelf en verwijst zo nodig door. In de jeugd- en gezinshulp bestaat zo’n vertrouwde eerste lijn nog steeds niet.</p>
<p>Die moet er eindelijk komen en deze rol moet vervuld gaan worden door lokale Jeugd- &amp; Gezinsteams. In zo’n Jeugd- en Gezinsteam vindt de triage, de basiszorg en de ‘<em>toegang’</em> naar alle vormen van leeftijd,-en problematiek-overstijgende hulp en ondersteuning voor kind en gezin plaats. Hier worden beslissingen genomen of hulp en steun nodig is en in welke vorm. Ook bij eventuele verwijzingen blijft dit het casemanagement en het aanspreekpunt voor het gezin, de kinderen en jongeren. Vanwege deze belangrijke functie van eerstelijns organisaties moeten aan deze Jeugd- en Gezinsteams (JGT) hoge kwalitatieve eisen gesteld worden die landelijk worden bepaald en voorgeschreven. Lokaal dienen de betrokken zorgaanbieders hoogwaardige professionele eerstelijns Jeugd- en Gezinsteams in te richten.</p>
<p>In deze lokale, laagdrempelige, multidisciplinaire teams werken professionals met tenminste de volgende expertises samen: de Jeugd Ggz, Jeugd Gehandicapten, Jeugdzorg en opvoedhulp, Jongerenwerk en Veiligheid. Hier worden alle vragen en zorgen over opgroeien en opvoeden gecentraliseerd, worden adviezen en lichte kortdurende hulp gegeven en wordt indicatie en doorverwijzing geregeld, ook naar (hoog)specialistische hulp. Het Jeugd- en Gezinsteam is zichtbaar aanwezig in de wijk. Het team werkt zoals de huisarts: gezinnen en jongeren die vragen hebben of problemen ervaren kunnen er terecht. Professionals in het team geven bij simpele vragen een advies. Bij problemen onderzoeken zij wat er speelt, bieden zelf hulp, of zorgen voor een verwijzing naar anderen of gespecialiseerde hulp. Het gezin/de jongere krijgt een vaste professional uit het team op wie ze altijd terug kunnen vallen en die betrokken blijft, ook bij verwijzing.</p>
<p>Dit eerstelijns Jeugd- en Gezinsteam wordt een door het Rijk opgelegde verplichte decentrale private non-profit basisvoorziening, die lokaal conform landelijke basisnormen wordt ingericht. Er is sprake van multidisciplinaire triage, uitvoering en verwijzing. Ook acute, ernstige (gewelds)problematiek kan voor intake en indicatiestelling terecht bij dit team. De lokale Jeugd- en Gezinsteams kunnen onafhankelijk werken, vanuit richtlijnen en evidence based methodieken, met ruimte voor praktische wijsheid. Ze hebben geen ambtelijke aanstelling, omdat ze in dat geval arbeidsrechtelijk zouden vallen onder het instructierecht van de gemeente. Dat staat haaks op hun beroepsgeheim, hun gebondenheid aan het kwaliteitsregister, hun aansprakelijkheid via het tuchtrecht en hun autonome vrijheid om vanuit praktische wijsheid voor het gezin of de jongere het beste te kiezen en te doen. De financiering gaat ook niet via de gemeenten, maar vanuit de regionale zorgkantoren. De eerstelijns jeugdzorgprofessionals kunnen -waar nodig- doorverwijzen naar (hoog) specialistische hulp. Ze doen dat onafhankelijk en zijn daarom nooit in dienst van of gedetacheerd door organisaties van de (hoog)specialistische lijn.</p>
<p>De ‘<em>casemanager’</em> van het Jeugd- en Gezinsteam is het vaste gezicht voor het gezin. Deze geeft zowel advies als begeleiding en adviseert over verwijzing naar hulp die het team zelf niet kan geven. Na verwijzing volgt de casemanager het gezin en het verloop van de hulp, en grijpt in als hulp te lang duurt of onvoldoende is. Deze bevoegdheid helpt met het afschalen en beëindigen van zorg en het op tijd terugschakelen naar de eerstelijn of civil society.</p>
<p>We handhaven daarbij in de wet de huisartsen, jeugdartsen en specialisten als verwijzer en schrappen de zogenaamde medische route dus niet. We versterken de Praktijk Ondersteuners Huisarts. Het is goed dat huisartsen standaard een POH Jeugd en POH GGZ hebben, die vroeg signaleren, laagdrempelig zijn en op tijd hulp kunnen inroepen. Hiermee vormen huisartsenzorg en sociaal domein sámen een toegankelijke en sterke ‘<em>eerstelijn’</em>. Wel moet het Jeugd- en Gezinsteam in contact staan met deze medische verwijzers en de POH’s en met hen samenwerken, zowel in het algemeen als in individuele gezinnen en/of jongeren.</p>
<p>Het Jeugd- en Gezinsteam vormt een spin in het web van alle lokale instellingen en organisaties waar ouders, opvoeders, kinderen en jongeren mee te maken hebben. Denk aan scholen (Zorg Advies Teams), huisartsen, GGD en Jeugdgezondheidszorg en politie, maar ook aan sociaal werk, kinderdagverblijven en naschoolse opvang. Al deze instellingen weten het team te vinden en kunnen er makkelijk een beroep op doen. Dit vraagt om een langjarige benadering in de organisatie van dit team en de bijbehorende professionals. Deze inrichting gaat uit van stabiliteit en continuïteit. Niet met een systeem van aanbesteden, maar met een duurzame subsidierelatie.</p>
<p>De reikwijdte van de jeugdzorg(plicht) is nu te onduidelijk en vraagt om precieze afbakening. Er moet duidelijk zijn wat van het team Jeugd- &amp; Gezin verwacht mag worden en wat van anderen als ouders/opvoeders, het onderwijs, de volwassenen-GGZ, zorgverzekeraars en andere gemeentelijke frontlijnprofessionals. De richtlijnen voor deze afbakeningen kunnen jeugdzorgprofessionals het best zelf ontwikkelen. Het is belangrijk dat zij meer duidelijkheid verschaffen in de vorm van minimumnormen (de jeugdzorg die altijd geleverd wordt) en standaarden. De Jeugd- en Gezinsteams zijn betrokken bij de keuzes rond het aanbod van (hoog)specialistische hulp in de eigen regio.</p>
<p>De Jeugd- en Gezinsteams leggen inhoudelijk en op gelijke wijze verantwoording af aan de zorgkantoren.</p>
<p>De (hoog)specialistische jeugdzorg moet aansluiten op de vraag van de eerstelijns jeugdzorg-professionals en hun cliënten. Net als alle nodige en nuttige publieke zorg gaat de financiering via de regionale zorgkantoren, die daartoe extra expertise krijgen en gebonden zijn aan de indicering door de jeugd- en gezinsteams van professionals. De inkoop van (hoog)specialistische jeugdzorg is nu nog een taak van gemeenten. Dit werkt niet: de benodigde vakkennis ontbreekt, de schaal is te klein en de kosten zijn onvoorspelbaar. Gemeenten menen zich soms zelfs te moeten bemoeien met besluiten om (hoog) specialistische zorg bij een cliënt bij te schakelen, omdat dat nu eenmaal, op korte termijn (!), duurder is. Hiermee gaat de financier op de stoel van de zorgprofessional zitten en dat moet absoluut vermeden worden. Net als andere zorg wordt ook (hoog)specialistische jeugdzorg niet meer ingekocht maar gefinancierd met duurzame subsidierelaties met publieke, niet-commerciële instellingen in de vorm van zorgcoöperaties. De zorgkantoren stimuleren de ontwikkeling van onafhankelijke kwaliteitskeurmerken en -eisen en innovatie.</p>
<p>De (hoog)specialistische jeugdzorgaanbieders zijn dienstbaar aan de eerstelijn en zijn beschikbaar met expertise en advies op maat. De eerstelijn blijft casemanager, ook na doorverwijzing. De aanbieders moeten hulp zoveel mogelijk decentraal en kleinschalig uitvoeren, zo dicht mogelijk bij het kind en zoveel mogelijk thuis. Daarom is het van belang dat de (hoog)specialistische aanbieders investeren in het ontwikkelen van alternatieven, inclusief tijdige en passende (om)scholing van personeel.</p>
<h3><a name="_Toc143177890"></a>Jeugdbescherming</h3>
<p> </p>
<p>Jeugdbescherming is aan de orde als er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de jeugdige en wanneer deze ontwikkelingsbedreiging onvoldoende afgewend kan worden met hulpverlening in het vrijwillig kader. De ontwikkel belangen van het kind worden daarbij als uitgangspunt genomen, waarbij bij voorkeur vanuit de bestaande gezinssituatie gewerkt wordt. Veiligheidsexpertise dient onderdeel te zijn van het eerstelijns Jeugd en Gezinsteam. Dit team moet in staat zijn tijdig te herkennen als de veiligheid van kinderen in gevaar komt, kennis hebben van de meeste passende interventies en kunnen afwegen wanneer het gedwongen kader van een Onder Toezicht Stelling (OTS) van meerwaarde/noodzakelijk is.</p>
<p>De optie ‘<em>drang’</em> verdwijnt als onwettige tussenvorm tussen vrijwillige hulpverlening en wettelijk opgelegde jeugdbeschermingsmaatregelen.</p>
<p>Het melden van ernstige bedreigingen moet duidelijker, en langs minder schijven dan nu het geval is. <em>Veilig Thuis </em>wordt samengevoegd met de Raad voor de Kinderbescherming. Deze instantie krijgt de functie van instantie waar gemeld moet worden, naast de functie die hij al vervult: het beoordelen en onderzoeken van meldingen en advisering van de kinderrechter over maatregelen (rekest en onderzoeksfunctie). Deze Raad vervult een onafhankelijke functie: meldingen registreren, onderzoeken, beoordelen en &#8211; waar noodzakelijk &#8211; op basis daarvan een advies over de te nemen maatregelen voor te leggen aan de kinderrechter. Het is beslist niet de bedoeling dat de Raad maatregelen mee uitvoert. Wel is zij overlegpartner om juridische kinderbeschermingsmaatregelen te helpen voorkomen. Het is van belang dat de Raad aan waarheidsvinding doet (zoals beschreven in <em>“Actieplan verbetering feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen”</em>). De Raad moet daarbij in staat zijn (en de middelen hebben) om multidisciplinaire teams samen te stellen. Hierbij valt te denken aan klinische, gedragsdeskundige, medische, forensische en juridische expertise. Het is aan te bevelen grootschalige audits te doen naar de kwaliteit van rapportages en waarheidsvinding. De Raad voor de Kinderbescherming, gezinsvoogdijinstellingen en ketenpartners nemen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het tijdig signaleren en monitoren van benodigde hulpverlening voor groepen die nu een verhoogd risico lopen op hulpverlening binnen het gedwongen kader van jeugdbeschermingsmaatregelen en uithuisplaatsingen.</p>
<p>Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wil terecht een eerlijke balans tussen de betrokken partijen in een rechtszaak waarborgen. Ouder(s) en kind(eren) krijgen daarom <em>ieder </em>kosteloze juridische bijstand door een gespecialiseerd familie/jeugdrechtadvocaat zodra er sprake is van contacten met de jeugdbeschermingsketen. In kinderbeschermingszaken is de verzoekende instantie namelijk een professionele (overheids-)instantie die de kennis en middelen tot haar beschikking heeft om deskundig onderzoek te (laten) verrichten, juristen in huis heeft en ook over de middelen beschikt om een advocaat in te schakelen. Het gezin dat te maken krijgt met een verzoek tot een kinderbeschermingsmaatregel, heeft deze middelen niet vanzelfsprekend tot zijn beschikking. De kinderrechter moet zelf inhoudelijk oordelen en niet bij voorbaat uitgaan van de beoordeling door de aanvragende instantie.</p>
<p>Er komt een overzichtelijk algemeen toegankelijke richtlijn, die zowel geldt voor de verzoekende instantie als de kinderrechter en toeziet op het besluitvormingsproces in kinderbeschermingszaken. Daar gaat nu teveel mis. Zo blijken zgn. vrijwillige uithuisplaatsingen onder druk plaats te vinden en worden financiële omstandigheden te vaak opgevoerd zonder dat bezien wordt of die omstandigheden ook verbeterd kunnen worden. De kinderrechter kan daartoe in de toekomst ook maatregelen voor opleggen, bijv. in kader van schuldsanering en aanvullende bijstand.</p>
<p>De ouder(s) en kind(eren) moeten kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces en moeten zelfstandig in de gelegenheid worden gesteld om zijn of haar standpunten naar voren te brengen. Door hen verstrekte informatie en bewijsmiddelen moeten worden meegenomen in de besluitvorming. De ouder(s) en kind(eren) moeten, als er een maatregel wordt opgelegd, een rechtsmiddel hiertegen kunnen aanwenden. Dat geldt ook wanneer zij spijt hebben van vrijwillige uithuisplaatsing.</p>
<p>Uitgangspunt is dat uithuisplaatsing zoveel mogelijk moet worden voorkomen, en dat aangetoond moet worden dat andere oplossingen onvoldoende veiligheid bieden. De bewijslast ligt bij degene die uithuisplaatsing vraagt, en niet meer bij ouders en/of het kind da nu vaak moet aantonen dat het thuis wel veilig is. Uit onderzoek blijkt dat in de laatste jaren minder vaak onafhankelijke diagnostiek wordt verricht. Met als belangrijkste reden dat de financiering van een dergelijk onderzoek niet van de grond komt. Een besluit moet zijn gebaseerd op een voldoende feitelijke grondslag. Daarom mag het recht op diagnostiek en/of contra-expertise geen lege huls zijn vanwege financiële problemen. Er dient te worden geïnvesteerd in de instanties die het deskundigenonderzoek financieren en instanties die het deskundigenonderzoek uitvoeren.</p>
<p>De door de rechter opgelegde maatregel (een Ondertoezichtstelling of een voogdij) moet worden uitgevoerd door een publieke beschermingsorganisatie; de gecertificeerde instelling. Die organisatie wordt door het Rijk gefinancierd, is regionaal georganiseerd, en wordt lokaal uitgevoerd. Deze organisatie voert van rechtswege de regie en dus ook het casemanagement. Om de lijn met de eerste lijn te houden, stellen we voor dat de veiligheidsprofessional uit het eerstelijnsteam, in deze situatie, bij uitzondering, wèl in dienst kan zijn van de gecertificeerde veiligheidsorganisatie als vooruitgeschoven post. Zo kan deze zowel voor als na de maatregel betrokken zijn en blijven bij het gezin. Dit voorkomt verschillende gezichten, maar ook het ongerechtvaardigd doorschuiven van gezinnen met zware casuïstiek van vrijwillig naar gedwongen kader. Er kan voor niemand onduidelijkheid bestaan over de status van de hulp: voor de maatregel werkt de veiligheidsprofessional in vrijwillig kader met het gezin, na de maatregel is de vrijwilligheid eraf.</p>
<p>We stoppen de woekering van (digitale) informatie over ouders, kinderen, jongeren die zonder hun medeweten en zeggenschap online wordt verzameld en gedeeld en die niet zorgvuldig bijgehouden en gecorrigeerd kan worden. We schaffen daarom in ieder geval zo spoedig mogelijk de Verwijsindex risicojongeren (VIR) af, en de overheid formuleert strenge eisen over het woekeren van digitale informatie over ouders, jongeren en kinderen. Gecorrigeerde (concept) rapporten moet met zich meebrengen dat oudere versies vernietigd worden en dat de client inzage heeft in zijn eigen digitale dossier.</p>
<h3><a name="_Toc143177891"></a>Jeugdreclassering</h3>
<p> </p>
<p>Voor de jeugdreclassering (ook onderdeel van de gecertificeerde instelling) is een andere weg af te leggen: via politie of leerplicht wordt een kind middels een proces-verbaal aangemeld voor een straf-/of leerplichtzitting. De Raad voor de Kinderbescherming doet een onafhankelijk onderzoek doet over de gewenste afdoening. Een jeugdreclasseringmaatregel wordt door de rechter toegewezen aan de gecertificeerde instelling. De jeugdreclassering werkt in opdracht van de rechtbank en heeft van rechtswege de regie. Ook hier is sprake van rechtstreekse bekostiging van het Rijk, regionaal werkgeverschap, lokale uitvoering, en platte organisaties.</p>
<p>We investeren fors in de wijkpolitie en jeugdwelzijnswerk om ook hier preventief te zijn. Het onderwijs wordt hier nauw in betrokken. Er komt een actieplan voor de kwetsbare wijken waar jongeren de grootste risico’s lopen te vervallen in criminaliteit, met speciale aandacht voor de drugshandel en wapengebruik (waaronder messen).</p>
<h3><a name="_Toc143177892"></a>We sluiten de gesloten jeugdzorg</h3>
<p> </p>
<p>We beëindigen de gesloten jeugdzorg (de zgn. JeugdzorgPlus) voor kinderen die een gevaar vormen voor zichzelf of hun omgeving. De kinderrechter kan die nu opleggen aan kinderen die suïcidaal zijn, zichzelf beschadigen, een ernstige drugsverslaving hebben of bijvoorbeeld erg agressief zijn. In 2020 zaten ruim 1800 kinderen voor korte of langere tijd in de gesloten jeugdzorg. Uit onderzoek blijkt dat de meeste kinderen meer beschadigd raken in deze gesloten inrichtingen dan dat ze er geholpen worden. Ze maken veel geweld en repressie mee in deze 16 gesloten jeugdzorginstellingen, waaronder isolatie, houden daar traumatische herinneringen aan over en doen nieuwe angsten op. Het blijkt een onveilige plek te zijn die herstel en ontwikkeling in de weg staat, zeker als het verblijf langer duurt, wat vaak voorkomt. De kinderen wisselen vaak van groep terwijl het kinderen zijn die al lastig mensen vertrouwen en moeilijk contact aangaan. En het onderwijs is er beperkt. Daardoor beginnen ze na de gesloten jeugdzorg vaak met een achterstand in de samenleving.</p>
<p>Het is hard nodig dat er snel alternatieve behandelingen worden gerealiseerd, in kleinere, meer huiselijker woongroepen (nu zijn JeugdzorgPlus instellingen vaak gehuisvest in voormalige jeugdgevangenissen). Een goed voorbeeld is Amsterdam (‘de Koppeling’): Sinds 2018 vormen politie, gemeente en onderwijs met de jeugdhulpinstellingen daar samen de beweging <em>‘Radicaal stoppen met dwang en drang’</em>. Als iemand zich grote zorgen maakt over een jongere die onder een brug slaapt en nergens een plek vindt, zoekt men oplossingen zonder hem gesloten te plaatsen. Iedereen heeft zich gecommitteerd aan de opdracht. Werken met kinderen en gezinnen met complexe en meervoudige problemen is topsport en topsporters verdienen optimale ondersteuning. Het vraagt specifieke training. Het relationele werken moet centraal staan. Medewerkers moeten leren om achter het gedrag van kinderen te kijken en vanuit de relatie af te stemmen op wat een kind nodig heeft. Zoals meisjes die te maken hebben met seksespecifieke problematiek en mensenhandel. Kinderen waar je nog geen relatie mee hebt opgebouwd lopen weg, worden weer verkracht in kelderboxen, onttrekken zich aan traumabehandeling, gaan weer zwerven en dingen doen die niet goed zijn voor henzelf of anderen. Daarvoor kan tijdelijk een deur op slot moeten. Maar als iemand een suïcidepoging doet, dan is dat nooit een reden voor afzondering. Professionals moeten juist dan erbij blijven ze niet alleen laten. Onderwijs gaat zoveel mogelijk door, al zal dat niet voor iedereen meteen lukken. Sommige hebben nog bescherming, rust of behandeling nodig. Maar zodra het kan gaan ze naar de school van herkomst of naar de school van de toekomst. Als het nodig is gaat er iemand mee of worden ze gehaald of gebracht. Onderwijs is de beste vorm van zorg voor kinderen. Je moet zorgen dat ze hun talent ontdekken en kunnen blijven leren. Isolatie is nooit goed.</p>
<h3><a name="_Toc143177893"></a>Betere dialoog en klachtenregelingen in de jeugdzorg</h3>
<p> </p>
<p>We organiseren een dialoog tussen burger, professional en beleidsmakers over de optimale ontwikkeling en opvoeding van kinderen en over de gewenste ondersteuning daarbij. We zien elke klacht als een kans om de zorg beter te maken. We organiseren intervisie en reflectie op alle niveaus en betrekken hier ervaringsdeskundigen bij. We maken één voorportaal voor alle klachtroutes in de jeugdzorg, waarin zorgvuldig gekeken wordt waar de klacht thuishoort, en we verplichten klachtinstanties onderling naar elkaar te verwijzen en samen te werken. Klagers krijgen het recht op onafhankelijke cliëntondersteuning waarbij ervaringsdeskundigen de lead krijgen. We passen de individuele aansprakelijkheid van de professional (het huidige tuchtrecht) aan door ook de organisatiecontext mee te nemen in het oordeel over aansprakelijkheid. Bestuurders en managers moeten ook aansprakelijk kunnen worden gesteld als zij het professionals onmogelijk maken om hun werk te doen, conform de professionele standaarden. We brengen structureel de klachten in kaart. Ook in de informele klachtenprocedure. We organiseren een platform waar jeugdprofessionals ervaringen kunnen delen. En klager en beklaagde moeten gebruik kunnen maken van juridische bijstand, zoals sociale advocatuur en juridische bijstand. Gratis voor de klager en gefaciliteerd door werkgevers voor de beklaagde.</p>
<h3><a name="_Toc143177894"></a>Preventie problemen bij jongeren</h3>
<p> </p>
<p>Het is erg belangrijk te kijken naar de context waarin kinderen opgroeien en die hun problemen verergert. Daarbij wordt terecht veel gewezen op de prestatiedruk en competitie in het onderwijs. Dat is veel te veel een hindernisloop, waarin ouders volop <em>second opinions</em> eisen bij een niet perfect genomen hindernis, en waarin vermogende ouders makkelijk 500 euro per vak neertellen voor commerciële bijlesprogramma’s en zo de kinderen  van niet vermogende ouders op nooit meer in te halen achterstand zetten. Overigens is armoede zelf geen veroorzaker van de groei van de jeugdzorg. Gedragsproblemen bij jongeren uit arme gezinnen komen niet vaker bij jeugdzorg – sterker nog, de groei van de jeugdzorg blijkt vooral plaats te vinden in de wijken waar de inkomens het hoogst zijn. Er is geen enkel empirisch bewijs dat armoede vaker tot gedragsproblemen leidt. Armoede wordt vaak in verband gebracht met criminaliteit, maar dat verband is vervuild door etnische profilering.</p>
<p>Een andere belangrijke context zijn de onrustbarende stijgende aantallen vechtscheidingen. In 60 tot 70 procent van de gezinnen die jeugdbeschermers begeleiden, is er sprake van een complexe scheiding, aldus het ministerie van Justitie. De jeugdbeschermers schakelen voor de gezinnen hulp in, maken afspraken over de omgang met de kinderen en proberen ouders aan die afspraken te houden. Een vaak schier onmogelijke opdracht. Jaarlijks gaan in Nederland de ouders van ongeveer 70.000 minderjarige kinderen uit elkaar. Ruim 7000 scheidingen worden gezien als een complexe scheiding of vechtscheiding. Ouders hebben dan aanhoudende, ernstige conflicten en verliezen het belang en welzijn van hun kinderen uit het oog. Naar schatting hebben jaarlijks tussen de 10.000 en 14.000 kinderen ernstige hinder van de scheiding van hun ouders. Uit onderzoek blijkt dat de rechter deze kinderen vaker onder toezicht plaatst. Ze krijgen dan een jeugdbeschermer toegewezen. Op dat moment zitten ouders vaak al in wat de <em>“we gaan samen ten onder-fase”</em>, waarin de voormalige geliefden elkaar het licht in de ogen niet meer gunnen. De jeugdbeschermers schakelen voor de gezinnen hulp in, maken afspraken over de omgang met de kinderen en proberen ouders aan die afspraken te houden. Een vaak schier onmogelijke opdracht. Beide ouders doen in de praktijk vaak hun uiterste best om de hulpverlener een kant te laten kiezen. Ook de minister voor Rechtsbescherming ziet de toename van complexe scheidingen die bij de jeugdbescherming belanden als een probleem. Hij vindt hun hulp vaak niet passend en zoekt nu alternatieven om gezinnen te helpen. De minister wil een route waarbij specialistische expertise eerder beschikbaar is om ouders te helpen en hen te bewegen hun ernstige conflicten op te lossen. Het gaat ook om het wegnemen van onzekerheid over onderdak, het aanpakken van schulden en persoonlijke problemen die tot een verharding van het conflict kunnen leiden. Dat is een goede route, maar het duurt – alweer – veel te lang door oneindig te polderen. De voorstellen in dit programma over een verbod op huisuitzetting en voor een schuldenoffensief zullen al veel helpen. Daarnaast moet er een casemanager komen met doordrukmacht om tijdig escalatie te voorkomen.</p>
<p>We zorgen voor jongeren voor een duurzame, landelijk dekkende, preventie-infrastructuur buiten de jeugdzorg. In zo’n structuur zijn doeltreffende preventieve hulp en steun beschikbaar via de voorzieningen waar jongeren en hun gezin in hun dagelijks leven mee te maken hebben: bij de jeugdgezondheidszorg, de kinderopvang, in het onderwijs, bij de (huis)arts en op de sportclub. Dit betekent lange termijn organiseren en faciliteren. En in de tussentijd moeten we niet de kinderen en gezinnen die jeugdzorg nodig hebben uit het oog verliezen. De bestaanszekerheid van gezinnen in brede zin vergroten helpt zeer. Ernstige en chronische bestaansonzekerheid, zoals armoede en slechte huisvesting, hebben via (chronische) stress een giftige uitwerking op de ontwikkelkansen van kinderen. Bestaansonzekerheid is schadelijk en de schade die het op lange termijn veroorzaakt, is vaak onomkeerbaar. Ruim een kwart van de bevolking leeft nu in bestaansonzekerheid. Meer specifiek zetten we een preventieve infrastructuur op door de programma’s <em>‘Kansrijke Start’</em> en <em>‘De Gezonde School’</em> duurzaam te verankeren en het bereik ervan te verhogen. We vullen beide programma’s met interventies die zijn gericht op jeugdzorg en interventies uit de database <em>‘effectieve jeugdinterventies’</em>, waardoor de druk op jeugdzorg vermindert. We verplichten dat gemeenten scholen faciliteren om mee te doen aan het programma <em>‘Gezonde school’</em>. Het onderwijs moet onderdeel zijn of worden van het sociaal weefsel in de wijk. Werken aan het welbevinden is essentieel in primair én voortgezet onderwijs. Rijk en gemeenten moeten de bevindingen van het programma <em>‘Met andere ogen’</em> overnemen. Het ministerie van VWS dient de Gezondheidsraad te vragen om -in aansluiting op zijn advies <em>De ouder-kindrelatie en jeugdtrauma’s</em>– periodiek te adviseren welke preventieve interventies moeten worden opgenomen in de landelijke preventie-infrastructuur.</p>
<p>We ontwikkelen zorgstructuren en opvoedondersteuning door kraamzorg, verloskundigen, jongrenwerk, kinderopvang, naschoolse opvang, voorschool, leerplicht en de schoolarts. Er komt een actieplan voor bevordering van de mentale gezondheid van jongeren.</p>
<h3><a name="_Toc143177895"></a>Doorlopende jeugdzorg na 18<sup>e</sup> levensjaar</h3>
<p> </p>
<p>We zorgen voor een structurele oplossing van de 18-plus overgangsproblematiek, door het mogelijk te maken jeugdzorg ook na meerderjarigheid te verlengen. We maken een verlengde jeugdzorg tot 27 jaar mogelijk. De jeugdzorg laat daarin een jongere pas los als aan de volgende vijf voorwaarden is voldaan:</p>
<ul>
<li><em>Support: </em>er is minimaal één volwassene duurzaam beschikbaar op wie de jongere kan terugvallen en die een stabiel en steunend netwerk biedt;</li>
<li><em>Wonen: </em>de jongere heeft een passende, betaalbare en stabiele woonplek;</li>
<li><em>School &amp; Werk: </em>de jongere gaat naar school en/of heeft een baan die voldoende basis biedt voor een toekomstige loopbaan;</li>
<li><em>Inkomen: </em>de jongere heeft voldoende inkomen en een plan op het voorkomen en/of oplossen van schulden;</li>
<li><em>Welzijn: </em>de jongere is fysiek en mentaal in balans en heeft een plan op signaleren van disbalans. Er is (indien nodig) zorg beschikbaar tot 27 jaar.</li>
</ul>
<p>Een apart probleem hier is dat het meestal niet mogelijk is om een indicatie met de grondslag verstandelijke beperking te krijgen indien deze beperking niet voor het 18<sup>e</sup> jaar is vastgesteld. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet is gebeurd. Zo is een deel van deze cliënten opgegroeid en opgevangen door ouders of binnen het eigen netwerk. Op het moment dat ouders en het netwerk dat niet meer aan kunnen, wordt een indicatie aangevraagd. Migranten behoren tot een andere groep cliënten, waarbij vaak niet voor het 18<sup>e</sup> levensjaar een verstandelijke beperking is vastgesteld of daarover geen gegevens beschikbaar zijn. We maken in deze gevallen alsnog indicatie mogelijk voor jeugdzorg voor 18-plussers.</p>
<h3><a name="_Toc143177896"></a>Pleegzorg</h3>
<p> </p>
<p>Er is ook een tekort aan pleegzorgouders. We moeten pleegzorgouders goed subsidiëren en faciliteren, opdat dit veel aantrekkelijker wordt.</p>
<h2><a name="_Toc143177897"></a>Beheersing van de collectieve zorgkosten</h2>
<p> </p>
<p>De collectieve zorgkosten gaan we veel beter beheersen door veel meer echte zorgpreventie, sturen op efficiëntie en effectiviteit in plaats van op volume en profijt voor de aanbieder (of zijn eigenaren/financiers), samenwerken, vermijden van overbodige bureaucratie, betere poortwachter werking voor dure zorg en gerichte maatregelen voor lagere prijzen voor medicijnen. Dat de zorgkosten niet ‘<em>onbetaalbaar’</em> of ‘<em>slecht voor de economie’</em> zijn, neemt niet weg dat het van groot belang is om er niet méér miljarden aan te besteden dan nuttig en nodig is. En daar valt nog veel te verbeteren. Niet door bot te bezuinigen, kosten te individualiseren of de toegang tot zorg te beperken op de manier waarop dat de afgelopen jaren gebeurde, maar door heel precies te kijken waar onnodige zorgkosten vandaan komen.</p>
<p>Het grote manco van het huidige Nederlandse systeem is dat zorgaanbieders betaald worden voor volume en niet voor goede zorg. En mensen gaan zich gedragen naar het financieringssysteem. We veranderen de bekostiging in de zorg met het <em>cappuccinomodel</em>. Het budget van zorgaanbieders wordt daarin vooral gebaseerd op de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast krijgen ze een klein bedrag per ingreep of per consult (de melk) en ook nog een klein bedrag bij uitzonderlijk goede prestaties of bij innovaties (het schuim). Dat is de manier waarop nu bijvoorbeeld huisartsen al betaald worden. Kleine bedragen voor de geleverde productie zijn genoeg om mensen scherp en actief te houden, terwijl grote bedragen overproductie stimuleren. Er kan in ziekenhuizen zeker twintig procent worden bespaard als artsen anders worden betaald én elkaar veel meer aanspreken op hun manier van werken.</p>
<p>In de cure heeft volgens onderzoekers zo’n dertig procent van de zorg niet of nauwelijks te maken met het medische nut ervan maar slechts voortkomt uit het aanbod. De vraag om zorg voegt zich naar het beschikbare aanbod. De specialist die tegen de patiënt zegt: “Ik zie u graag over drie maanden even terug” omdat hij dan ruimte heeft in zijn agenda, niet omdat het medisch noodzakelijk is.’ In Scandinavië, waar artsen en specialisten in loondienst zijn, wordt er minder snel geopereerd. Zo blijkt er bijvoorbeeld in veel gevallen een alternatief voor galblaasverwijderingen mogelijk. Door inzicht te krijgen in verschillen tussen regio’s en tussen zorgverleners in hoe ze handelen bij aandoeningen kan er veel meer onderling gesprek ontstaan over wat werkt en wat niet werkt. Het systeem van concurrerende verzekeraars bemoeilijkt de informatie-uitwisseling, verzekeraars geven gewoon de informatie niet vrij, omdat het bedrijfsgeheim is. Bij het pleidooi voor het onderling vergelijken van zorgbehandelingen gaat het trouwens beslist niet over de manier van vergelijken die de laatste tijd in een aantal media populair is, namelijk van de prijzen die ziekenhuizen voor bepaalde behandelingen vragen. Die prijskaartjes zijn nu volstrekt artificieel en als zorginstellingen worden gedwongen om van iedere behandeling de werkelijke kosten te berekenen, betekent dat alleen maar een berg extra bureaucratie.</p>
<p>Een andere belangrijke oorzaak van de stijgende collectieve zorgkosten is dure nieuwe medische technologie. Van een groot deel van die technologieën is nooit bewezen dat ze beter werken dan de oude, goedkopere. Zo heeft ieder zichzelf respecterend ziekenhuis inmiddels voor operaties een Da Vinci-robot, zonder dat ooit vast is komen te staan dat de resultaten daarvan beter zijn dan het chirurgische handwerk. Medische technologie is net iets te vaak <em>toys voor de boys</em>. Er wordt gedaan alsof medische technologie een autonome ontwikkeling is, maar het is natuurlijk gewoon een beslissing of je zo’n robot aanschaft. Het is een belangrijke rem op de zorgkosten kunnen als nieuwe, duurdere technieken pas worden vergoed als ze aantoonbaar voordeel hebben voor de kwaliteit van leven of de levensverwachting van de patiënt.</p>
<p>Het is voorts meermalen bewezen dat een concentratie van zorgaanbod om complexe behandelingen van ingewikkelde aandoeningen goed uit te voeren onontkoombaar is. Maar daar is ons systeem momenteel helemaal niet op ingericht. Immers: ziekenhuizen moeten concurreren met elkaar en willen daarom allemaal zoveel mogelijk specialismen in huis: iedereen een 24-uurs spoedeisende hulp, een intensive care en kleine stukjes complexe zorg tussen veel grotere stukken minder complexe zorg. Ze hebben zoveel mogelijk CT-scans en MRI’s en willen bovendien allemaal een PET-scan en een operatierobot voor zichzelf. Vanuit het oogpunt van kwaliteit is dit nauwelijks verantwoord en daarnaast is het extreem kostbaar. Pogingen om bijvoorbeeld hoogcomplexe zorg te concentreren in een kleiner aantal, regionaal slim gepositioneerde ziekenhuizen die door de aard van hun activiteiten wel een intensive care, goed geoutilleerde spoedeisende hulp en dure scanapparatuur kunnen hebben, stranden op de beperkte mogelijkheden voor regionale samenwerking binnen een stelsel van marktwerking. Zo wordt nu kartelvorming in verband met een gelijk speelveld in de markt verboden. Door de marktwerking compleet uit te bannen in de zorg en samenwerking te verplichten wordt hieraan tegemoet gekomen. De regiovisie zorgt voor een efficiënte verdeling van voorzieningen, waarbij in iedere regio de toegankelijkheid van zorg is geregeld binnen landelijke normen.</p>
<p>Er moet veel meer gebruik gemaakt worden van het vergunningenstelsel volgens de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) om tot een intelligente planning van dure voorzieningen voor complexe medische zorg binnen regio’s te komen.</p>
<p>We passen de regelgeving aan om innovatieve initiatieven voor gedeconcentreerde zorg voor chronische aandoeningen door huisartsen met participatie van specialisten mogelijk te maken. Voor een adequate aanpak van chronische aandoeningen hebben we een gedeconcentreerde zorgvoorziening nodig die dicht bij de mensen staat en laagdrempelig toegankelijk is. Dat kan door bijvoorbeeld in gemeentes en buurten van steden centra te hebben waar onder regie van de huisarts maar met specialistische inbreng eerstelijnszorg en consultatieve tweedelijnszorg voor chronische ziekten wordt geleverd. Een aantal specialisten kunnen dan bijvoorbeeld op invitatie van de huisarts een dagdeel in de week tegelijkertijd aanwezig zijn om ingewikkelde patiënten multidisciplinair te zien. Ook samenwerking tussen huisartsen onderling en met apotheken en artsen in een ziekenhuis en wijkverpleegkundigen.</p>
<p>We versterken de poortwachterfunctie in de zorg bij huisartsen en wijkverpleegkundigen door hen substantieel meer tijd daarvoor te geven. De toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg krijgt een brede, maar strakkere poortwachter bij huisartsen en wijkverpleegkundigen. Indicaties vinden alleen plaats op basis van tenminste een persoonlijk gesprek met de patiënt door de huisarts of de wijkverpleegkundige. Diagnostisch onderzoek wordt gesubsidieerd. Spoedeisende hulp is alleen beschikbaar als het ook spoedeisend is.</p>
<p>De bureaucratische verantwoording wordt tot een minimum beperkt. Geen uitgebreide DBC’s en productcodes meer en geen minutenregistraties – die verbieden we. Minimale protocollen en richtlijnen. Geen uitsplitsing van bevoegdheden van verplegers in de regelgeving. Institutioneel wantrouwen naar professionals in de zorg wordt vervangen door vertrouwen en hen een medeverantwoordelijkheid te geven in een efficiënt en doelmatig beheer. Een coöperatieve organisatievorm helpt daarbij om elkaar aan te spreken. Dat levert heel veel tijd en dus geld op.</p>
<p>In de thuiszorg gaan we weer terug van taakgerichte zorg naar persoonsgerichte zorg in zelfsturende teams, zonder minutenzorg en afvinklijstjes, maar met meer tijd en aandacht voor een persoonlijke relatie met de cliënt. Resultaatsbekostiging (‘schoon huis’) wordt weer vervangen door indicatie van het benodigde aantal uren.</p>
<p>Hulpmiddelen kopen we zoveel mogelijk centraal in op indicatie van huisarts of (wijk)verpleegkundige. Er wordt daarbij ook gewerkt met centrale uitleenmagazijnen. Brillen en gehoorapparaten worden verstrekt door erkende opticiens en audiciens binnen bepaalde vergoedingsregels. We stoppen met steeds opnieuw indiceren als het duidelijk is dat de voorzieningen of hulpmiddelen levenslang nodig zijn.</p>
<p>Ook grijpen we in bij de farmaceutische industrie opdat er lagere medicijnprijzen komen en het medicijngebruik zoveel mogelijk wordt beperkt. We beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie. We volgen de voorstellen uit de initiatiefnota van GL, PvdA en SP hierover van eind 2017. We voeren daarenboven ook een aparte belasting in voor de farmaceutische bedrijven om (ontwikkeling en productie van) medicijnen te financieren. We gaan ook medicijngebruik beperken: we gaan artsen beter voorlichten over medicijnen. Artsen doen hun best, maar schrijven soms toch een duurder medicijn voor, terwijl er goedkopere varianten beschikbaar zijn met dezelfde werking. Betere voorlichting, leidt tot beter voorschrijven. Het voorschrijven van een medicijn is maatwerk. Soms kunnen doses naar beneden, of kan een patiënt zelfs helemaal stoppen met het nemen van een medicijn, terwijl de fabrikant de arts dwingt om toch hogere doses voor te blijven schrijven. Onafhankelijk onderzoek naar de effectiviteit en veiligheid van kortdurender gebruik van geneesmiddelen is nodig. En er komt tenminste jaarlijs een check door de huisarts op dosering en continuering of beëindiging medicijngebruik en het innemen en zo mogelijk, veilig hergebruik van geleverde medicijnen.</p>
<h2><a name="_Toc143177898"></a>Meer en vooral effectievere zorgpreventie</h2>
<p> </p>
<p>We investeren fors in zorgpreventie – alle beleid en wetgeving wordt in het vervolg getoetst op implicatie voor de zorg en de gezondheid. We vervangen het beleid van zelfregulering met preventieakkoorden door regelgeving en overheidsbeleid.</p>
<p>Een beter leefmilieu en meer bestaanszekerheid dragen enorm bij aan verlaging van de zorggroei. We investeren fors in meer kennis en bewustwording van de risico’s van luchtinfectie-ziekten en zoönoses. En op het verminderen van risico’s op vallen en andere gevaren voor minder valide mensen in een vergrijzende samenleving. De investeringen in dit plan in betere arbeidsomstandigheden en voorkomen van arbeidsongeschiktheid, en het verlagen van werkdruk teneinde burn-out te voorkomen, zijn ook zeer van belang in het kader van bestrijding van onnodige zorgkosten.</p>
<p>We verlagen de norm voor geluidsschade in overeenstemming met de normen van het WHO en de Gezondheidsraad, anders dan Rutte IV.</p>
<p>We beperken wettelijk het aanbod van ongezond voedsel en drinken in de omgeving van kinderen en jongeren (scholen, sportaccommodaties) en in supermarkten en organiseren daar meer betaalbaar, gezond aanbod. We nemen wettelijke maatregelen voor een veel lager percentage van vet, suiker en zout in producten, in plaats van het veel te slappe akkoord dat daarover nu is afgesproken.</p>
<p>Bewezen effectieve programma’s tegen verslavingen en voor een gezonde leefstijl worden ondergebracht in de publiek bekostigde zorg.</p>
<p>We stimuleren sporten, met meer sport, spel en beweging op school, en geven iedere jongere een gratis lidmaatschap van een sportclub. We investeren in sport met goede sportaccommodaties en door veel meer bewegingsonderwijs. Sportbeoefening wordt bevorderd. De financialisering van de sport wordt tegengegaan. Te grote topbeloningen aan topsporters, bestuurders en sportmakelaars veroorzaken een te grote ongelijkheid, zorgen voor een te grote financiële in plaats van sportieve oriëntatie, met risico’s voor corruptie en matchfixing, dopinggebruik en onsportiviteit, en verbindingen met criminelen, witwassers en oneerlijk verdiend geld. Er wordt met bijv. voetballers gehandeld als handelswaar – moderne, maar niet minder laakbare mensenhandel. We ontwikkelen beleid om deze trend te keren – sport hoort weer om de sport, de sporters en de fans te gaan en die moeten hun sport terugveroveren op het grote geld. Daar hoort dan ook bij dat de overheid zelf wel investeert en faciliteert. Supportersgeweld (ook verbaal) wordt streng aangepakt, met o.m. door de strafrechter uit te spreken stadion- en omgevingsverboden.</p>
<p>Kinderen die niet gevaccineerd zijn volgens het rijksvaccinatieprogramma worden niet toegelaten tot scholen en de kinderopvang. Door de combinatie met de leerplicht is er daar dus sprake van verplichte vaccinatie in het algemeen belang. We gaan misleiding met valse zorginformatie krachtig tegen – onder meer met strafbaarstelling daarvan.</p>
<h1><a name="_Toc143177899"></a>III.III. Gelijke kansen in het onderwijs en meer cultuur</h1>
<p> </p>
<h2><a name="_Toc143177900"></a>Voor gelijke kansen is er allereerst meer gelijkheid nodig</h2>
<p> </p>
<p>Wij zetten ons af tegen de meritocratische illusie dat als je maar gelijke toegang tot het onderwijs garandeert, iedereen die zijn best doet goed terecht komt in de maatschappij. de maatschappij. Een te beperkte focus op alleen maar gelijkheid van kansen, terwijl de ongelijkheid in inkomen en vermogen/bezit buiten beschouwing wordt gelaten, versterkt alleen maar de ongelijkheid: meer kansen zal – zeker zonder substantiële positieve discriminatie – alleen maar leiden dat de meest kansrijken daar het meest van profiteren. Pleiten voor gelijke uitkomsten is voor (neo)liberalen geen optie, want dat zou mensen maar lui maken. Ook voor sociaaldemocraten was het lang not done, want ‘<em>we zijn immers geen communisten’</em>. Maar ongelijke uitkomsten zorgen voor machtsverschillen, waarmee startposities gemanipuleerd kunnen worden. Ook sociaaldemocraten gingen geloven dat de winnaars dat ook verdiend hadden, zij waren immers de besten gebleken, en dus gingen we te pas en vooral te onpas steeds meer ‘<em>excellentie’</em> benoemen, ook in het onderwijs.</p>
<p>Het is heel makkelijk om in <em>‘gelijke kansen’</em> iets vooruitstrevends te zien, maar als de dagelijkse omstandigheden zo uiteenlopen dat voor écht gelijke kansen radicale veranderingen nodig zijn en als politici <em>‘weinig of niets te zeggen hebben over de concrete politieke voorwaarden die daarvoor nodig zijn’</em>, dan is praten over gelijke kansen in de woorden van filosofe Lorna Finlayson een ‘<em>geruststellend maar ronduit belachelijk idee’</em>. In een competitieve neoliberale marktsamenleving zijn gelijke kansen vooral een excuus om een groeiende sociaaleconomische kloof te legitimeren. Daar worden gelijke kansen een stok om ‘<em>achterblijvers’</em> mee te slaan, denken winnaars dat ze hun succes volledig aan zichzelf te danken hebben en voelen verliezers zich steeds minder thuis bij die zelf-feliciterende kaste van winnaars, zoals filosoof Michael Sandel in zijn boek ‘<em>Tyranny of Merit’</em> laat zien. Zelfs het miljonairsblad Quote roept links Nederland op om de bestrijding van ongelijkheid tot speerpunt te maken. Het is niet dat we het ons niet kunnen veroorloven om armoede uit ons land te verbannen, het is de hebzucht van degenen die enorme hoeveelheden kapitaal verzamelen en de onwilligheid van onze overheid om tot correctie en dus tot fiscale herverdeling over te gaan, die veroorzaakt dat deze schandalige misstand blijft bestaan.</p>
<p>Ook het recente SCP rapport <em>Eigentijdse Ongelijkheid</em> van 7 maart 2023<a href="#_ftn1" name="_ftnref1">[1]</a> trapt in de val van de meritocratische leugen door <em>klasse</em> primair te definiëren in termen van kansen en mogelijkheden, waardoor automatisch veel nadruk op de toekomst komt te liggen. Klasse speelt zich echter ook in het heden af: het bepaalt of mensen nú genoeg geld hebben om naar de supermarkt te gaan en daar eten te kopen. Of dat ze financieel sterk genoeg staan om belangrijke levensbeslissingen te nemen, zoals het kopen van een huis of het krijgen van kinderen. Of dat ze die besluiten juist voor onbepaalde tijd moeten uitstellen wegens gebrek aan financiële mogelijkheden. Leeftijd is daarbij belangrijk: wat heeft iemand van 65 die financieel uitstekend af is aan alle kansen die een uitgebreid sociaal netwerk of kennis van de laatste digitale ontwikkelingen hem zouden bieden? Hij heeft een koophuis, hij heeft vermogen, meer heeft hij niet nodig. Volgens het rapport zou een fysiek aantrekkelijke en hoogopgeleide twintiger met een studieschuld die de helft van zijn inkomen aan huur kwijt is tot een iets hogere klasse behoren dan een gepensioneerde babyboomer met een afbetaald huis en een paar miljoen op de bank. De twintiger is namelijk kansrijk; en kansen en potentie: een effectieve illustratie van de huidige mode om werkelijk alles te definiëren in termen van kansen. Het SCP is dermate geobsedeerd door kansen en groeimogelijkheden, dat ze de positie van de rijkste en meest vermogende groep definiëren als achtergesteld.</p>
<p>Wie als dubbeltje is geboren, heeft in Nederland een flinke kans om later een kwartje te worden. Ruim negen van de tien kinderen die in 1995 opgroeiden in een relatief arm gezin, wisten zich in de 25 jaar daarna aan die armoede te ontworstelen, blijkt uit cijfers die het CBS bijna gelijktijdig met het SCP rapport publiceerde.<a href="#_ftn2" name="_ftnref2">[2]</a> Slechts 9,6 procent van hen leefde rond 2020 nog in een huishouden onder de lage-inkomensgrens. Hoe deden zij dat? Dat zou vooral de verdienste van het onderwijs zijn. De afgelopen decennia werd het hoger onderwijs steeds toegankelijker. Werd de universiteit enkele tientallen jaren geleden nog vooral bevolkt door jongelui die zelf uit de elite kwamen, inmiddels is het doodnormaal dat ook jongeren uit lagere sociaaleconomische klassen gaan studeren. Dat zie je terug in het aantal hoogopgeleiden dat Nederland telt. Dat groeide van 11 procent in het begin van de jaren tachtig tot zo’n 42 procent nu. En die trend is in de hele onderwijsketen zichtbaar: van de studenten met een diploma op mbo-4-niveau stroomt bijvoorbeeld al jarenlang zo’n veertig procent door naar het hbo. Ook zij mogen zich een paar jaar later hoogopgeleid noemen. Die hoger-opgeleiden vinden (uitzonderingen daargelaten) vrij gemakkelijk een goedbetaalde baan, omdat Nederland in de afgelopen decennia steeds meer een kenniseconomie is geworden. Bedrijven staan te springen om mensen met specialistische kennis en zijn bereid daarvoor te betalen. Een hoger opleidingsniveau leidt meestal tot meer inkomen. Tel daar de vrouwenemancipatie bij op, en het verhaal is compleet. Niet alleen werken dochters meer dan hun moeders in 1995, dat blijven ze ook steeds vaker doen als ze in een relatie zitten. De man is minder vaak de enige kostwinner, blijkt namelijk uit andere CBS-cijfers. Bij zo’n 60 procent van de paren werken beide partners, met een hoger gezinsinkomen tot gevolg.</p>
<p>Maakt dat Nederland een waanzinnig gaaf land, de ultieme meritocratie waar je altijd kunt opklimmen als je maar hard genoeg werkt? De <em>‘Dutch dream’</em> van het CBS en het SCP is maar de helft van het verhaal. Doordat andere mensen juist dalen op de economische ladder, blijft het percentage armen al jaren vrij stabiel: tussen de 5,5 en 7 procent van de bevolking. En het heeft wel degelijk invloed waar je wieg stond. Zo klimt slechts 15 procent van de jongeren uit een arm gezin later op naar de hoogste inkomensgroep. Onder kinderen uit rijke gezinnen is dat bijna 40 procent. Dat komt onder meer doordat het CBS enkel de inkomens vergeleek, en daarbij inkomen uit vermogen nauwelijks meeneemt. Zou je daar de vermogens bij optellen, dan krijg je een heel ander plaatje. Bezit is namelijk veel schever verdeeld, en wordt vaak van generatie op generatie overgedragen, zoals we hiervoor hebben laten zien. En bezit accumuleert sneller en wordt door de belastingen ook nog eens extra bevoordeeld, zoals we eveneens hiervoor uitvoerig hebben aangetoond. Dat geeft het rijkere deel van het land een flinke voorsprong en hun kroost een grotere kans op financieel succes in de toekomst.</p>
<p>Arme gezinnen ervaren juist extra drempels: hun kinderen krijgen vaker een te laag schooladvies. De bijlesgeneratie behoudt een voorsprong. Ook bedenkt de elite steeds nieuwe manieren om zich te onderscheiden van de rest. Wie de middelen heeft, brengt zijn kinderen naar een betere school of koopt studiebegeleiding in. En op de universiteiten wonnen de laatste jaren bijvoorbeeld de <em>university colleges</em> aan populariteit, relatief dure studierichtingen waarmee met name jongeren uit welvarende gezinnen hun diploma’s verder opplussen. Zo behoudt de ‘<em>bijlesgeneratie’</em> een voorsprong, juist nu de massa oprukt. Sterker nog, ons onderwijsstelsel vergroot nu de ongelijkheid. De beste leraren en het meeste geld gaat nu naar de scholen met de meest kansrijke kinderen.</p>
<p>Ondertussen is de kwaliteit van ons onderwijs dramatisch onder druk komen te staan. Ongeveer een kwart van onze jongeren verlaat als ongeletterde het voortgezet onderwijs. Niet alleen taal en rekenen, maar ook de brede ontwikkeling van onze kinderen is van steeds meer bedroevend niveau, en des te meer bij kinderen van ouders met lagere inkomens. Veel jongeren zijn op veel vlakken van het steeds ingewikkelder wordende leven niet in staat tot zelfredzaamheid. Het aantal jongeren dat diep ongelukkig is en verwart geraakt is in een enorme prestatiedruk – een paradoxale ontwikkeling gegeven de dalende kwaliteit – stijgt tot verontrustende niveaus. En ondanks alle middelen ervoor is inclusief onderwijs, voor kinderen met een beperking, steeds meer een illusie en stijgt het aantal thuiszitters. Tegelijkertijd is er een enorm en stijgend lerarentekort, en is net als in de zorg de uitstroom van startende professionals idioot hoog. Ook hier speelt marktwerking, in de vorm van financieel gedreven rendementsdenken, overtollige bureaucratie uit wantrouwen, schaalvergroting en een steeds beperktere professionele autonomie, een belangrijke rol.</p>
<h2><a name="_Toc143177901"></a>Grote investeringen in beter onderwijs en meer en betere leraren, en des te meer waar de achterstanden het grootst zijn</h2>
<p> </p>
<p>We gaan fors investeren in een veel beter onderwijsstelsel, met betere en meer leraren, en een fors hogere onderwijskwaliteit. Gegeven de enorme ongelijkheid investeren we daarbij des te meer daar waar de kansen het kleinst zijn, en de pedagogische uitdaging het grootst.</p>
<p>We investeren fors extra in het onderwijs. Scholen moeten voldoende, goede leraren en financiën en goede leermiddelen en schoolgebouwen hebben, zonder wachtlijsten. Tekorten van leraren pakken we aan met minder werkdruk, meer autonomie en meer collega’s, met een forse verhoging van de aantrekkelijkheid van het beroep en het voorkomen van de huidige hoge uitstroom van startende leraren.</p>
<p>In het onderwijs verminderen we de werkdruk en realiseren meer aandacht per leerling. Met kleinere klassen (bijvoorbeeld: gemiddeld 23 leerlingen, in achterstandswijken gemiddeld 12 leerlingen). En met meer onderwijsassistenten (per klas tenminste één), meer vakleerkrachten (bijv. voor bewegings- en voor cultuuronderwijs) en iedere school krijgt tenminste een schoolconciërge. En er komt meer specialistische begeleiding in kader van passend onderwijs.</p>
<p>Het meeste geld en de beste leraren gaan naar de scholen waar de pedagogische leeromgeving het grootst is. Het bieden van kansen wordt beloond, het rendementsdenken is aan banden gelegd. Nu wordt ook juist de gymnasiumleraar in plaats van de vmbo leraar het best beloond. We moeten daarentegen het meeste geld en de beste betaalde leraren plaatsen bij scholen met de grootste pedagogische uitdaging. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die dan ook. Nu zijn juist op de scholen met de laagste opleidingsniveaus vaak, behoudens een enkele idealist, de leraren werkzaam die overbleven op de arbeidsmarkt. Op deze scholen is het percentage onbevoegd gegeven lessen en het ziekteverzuim onder leraren veel hoger, en met lagere salarissen. Leerlingen op het vmbo hebben net zoveel of zelfs meer recht op universitair geschoolde leraren en leraren die zo goed zijn dat ze de scholen voor het uitkiezen hebben als hun leeftijdgenoten op het havo en vwo.</p>
<p>In plaats van premies op zo snel mogelijk doorstromen willen we een premie op het bieden van kansen. Bij scholen met een extra pedagogische uitdaging ontvangt men een toeslag en een kleinere lestaak, zodat er meer individuele begeleiding gegeven kan worden. De bekostiging moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien, en dit moet niet zoals nu juist risico’s voor een school opleveren. Concurrentie tussen scholen wordt zoveel mogelijk vervangen door samenwerking.</p>
<p>Onderwijs moet weer om onderwijs draaien, zodat leraren niet zich druk hoeven te maken over statistieken en financiering. Het rendementsdenken in het onderwijs leidt nu tot uitwassen waarin resultaatgerichtheid gemengd met student- of leerling-vriendelijkheid leidt tot een situatie waarin zoveel mogelijk leerlingen zo snel mogelijk aan een diploma geholpen wordt om de financiering rond te krijgen. Dat stimuleert zelfs soms tot fraude, en vaker tot bewust verlagen van het niveau. Het gaat niet om kwaliteitsverbetering, maar om resultaatsverbetering. Daardoor wordt het onderwijs ook geteisterd door een managementcultuur, met managers en bestuurders die weinig met onderwijs hebben. Het grootste probleem is dat het in de scholen niet meer om het onderwijs gaat, dat is bijzaak geworden, schrijft docent Lucas Zandberg in zijn onderwijsroman <em>De Rendementsdenker</em> (2017). Centraal staan rendement, enquêtes, prestigeprojecten, slagingspercentages. Experts op het gebied van window dressing.</p>
<p>We formuleren een andere definitie van onderwijsrendement. Op dit moment bestaat het rendement van een school uit het aantal leerlingen dat zonder vertraging slaagt voor het eindexamen. De zogenaamde doorstroom en uitstroom. Daar worden scholen op beoordeeld en afgerekend. Nog altijd lopen scholen een financieel risico als ze leerlingen de mogelijkheid geven het te proberen op een hoger niveau. Scholen worden afgerekend op rendement en examencijfers, dus twijfelgevallen, omlopers en laatbloeiers zijn een risico. Het leidt er soms toe dat een leerling naar een lager schooltype wordt verwezen, terwijl hij met wat extra tijd en begeleiding het hogere schooltype misschien wel had kunnen halen. Dat is nu gunstig voor het rendement. Om stapelen tot een succes te maken moet er juist een premie komen op het bieden van kansen, niet op rendement. In plaats van de ambitie van de leerling is nu het (voor)oordeel van de leraar over kans op succes teveel leidend, en bij dat oordeel wordt de school geprikkeld geen risico te nemen. Dat mechanisme houdt de tweedeling in ons onderwijs in stand. Een definitie van rendement moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien.</p>
<p>Kwaliteit van onderwijs begint bij kwaliteit van leraren. We investeren in de kwaliteit van de lerarenopleidingen en hun nascholing en versterken de kwaliteit van zijinstromers, zowel vakinhoudelijk als pedagogisch-didactisch.</p>
<p>De leraar moet veel meer eigenaar van het onderwijsleerproces worden en dus ook daarover veel meer zeggenschap hebben. We willen de vorming van onderwijscoöperaties tot norm maken, een publieke soort maatschap, van leraren die zelf de school besturen binnen wettelijke kaders en doelen, en met volwassen medezeggenschap van onderwijsdeelnemers en hun ouders.</p>
<p> </p>
<h2><a name="_Toc143177902"></a>Uitstel van selectie</h2>
<p> </p>
<p>Selectie in het onderwijs moeten we niet eerder plaats laten vinden dan 15/16 jaar. In een middenschool-21<sup>ste</sup> eeuw wordt dan niveaugedifferentieerd onderwijs gegeven. Na je 15<sup>e</sup>/16<sup>e</sup> levensjaar volgt er selectie naar meerdere vervolgsporen, ook met beroepsonderwijs en werkend leren. We erkennen dat het niet realistisch is dat iedereen een vwo-opleiding kan volgen, hoeveel ondersteuning hij of zij ook krijgt. De samenleving is divers en dus zal ook het onderwijs dat moeten zijn. Daar ligt echter wel meteen een nieuwe uitdaging. Diversiteit mag niet ontaarden in hoogwaardig onderwijs voor degene die het kan betalen, en inadequaat onderwijs voor de rest. We weten dat kleinschalig en intensief onderwijs resultaat oplevert. We weten ook dat het duur is. Daarom zorgen we dat het meeste geld en de beste leraren naar juist deze leerlingen gaat.</p>
<p>Ons onderwijssysteem werkt nu als een meedogenloze sorteermachine, waarbij kinderen van hoopopgeleide ouders in het voordeel zijn. In het huidige onderwijs worden de kaarten voor je toekomst al geschud op je twaalfde levensjaar. Dat is idioot vroeg, sociaal wreed en internationaal ook volstrekt ongebruikelijk. Daar helpt geen Cito-toets aan (al hebben objectieve toetsen geen vooroordelen en mensen wel, hetgeen ook uit alle onderzoek blijkt).</p>
<p>De kloof tussen vmbo-scholen en havo-vwo-scholen is symbolisch voor de rigide tweedeling in ons onderwijs. Zelden zit een vmbo en een havo in hetzelfde gebouw, of zelfs maar in dezelfde wijk. Op havo-vwo-scholen zitten in meerderheid kinderen van hoogopgeleide, witte ouders, op vmbo-scholen voornamelijk kinderen van lager (praktisch) opgeleiden, van allerlei herkomst. Stapelen van opleidingen wordt tegelijkertijd steeds moeilijker gemaakt (bijv. door de eis dat vmbo-ers een extra vak moeten volgen om door te kunnen stromen naar het havo, in plaats van al op het vmbo examineren in een extra vak mogelijk te maken), of door het leenstelsel ontmoedigd. We laten zo een hoop talent liggen, en veel leerlingen laten we zitten met frustraties en verloren illusies over gelijke kansen. Zo klonen de ouders zichzelf in hun kinderen en houden we de sociale ongelijkheid keurig in stand.</p>
<h2><a name="_Toc143177903"></a>Andere besturing en bekostiging, menselijke maat, minder prestatiedruk en minder kwaliteitsverschillen</h2>
<p> </p>
<p>Scholen kunnen eigen pedagogisch-didactisch verschillende profielen hebben binnen de wettelijke kaders (ze moeten wel voldoen aan wetenschappelijke inzichten over leren en ontwikkelingspsychologie, en brede vorming bieden), zijn plat georganiseerd, en met veel regel- en budgetruimte. De overheid stuurt wel op kwaliteit, toegankelijkheid en meer gelijke kansen.</p>
<p>We streven naar scholen met menselijke maat. Geen grote scholen, maar voor schaalvoordelen kunnen voor bepaalde dienstverlening, zoals HRM, corporaties tussen scholen worden opgericht. Bekostiging gaat rechtstreeks naar afzonderlijke scholen. Kleinere scholen krijgen meer bekostiging, zodat ze met behoud van kwaliteit overeind kunnen blijven. Scholen kunnen zich in ook coöperatief verband organiseren om bijv. uitwisseling van personeel en andere samenwerking te organiseren. Iedere wijk en dorp moet een eigen school overeind kunnen houden.</p>
<p>We willen minder prestatiedruk in het onderwijs. Natuurlijk moet er getoetst worden, maar dat kan veel minder, en vooral ook minder bij jonge kinderen. Huiswerk zoveel mogelijk afschaffen. Plezier in leren moet een prioriteit zijn. Scholen moeten ondersteund worden bij het creëren van een volwassen schoolcultuur. Scholen moeten veilig zijn, met fatsoenlijk gedrag (geen discriminatie, pesten, agressie; wel respect en tolerantie), aanwezigheid als norm, waar leraren en leerlingen zich prettig voelen. De leerling krijgt de gelegenheid om zelfstandigheid en veerkracht te ontwikkelen. We erkennen anderzijds dat veel jongeren soms de behoefte hebben bij de hand genomen te worden en investeren dus veel meer in begeleiding. Als het goed is kennen scholen het cognitieve niveau van hun leerlingen. Dat beeld zou gecomplementeerd moeten worden: welke bijkomende ondersteuning heeft deze leerling nodig om de opleiding met succes te voltooien?</p>
<p>De verschillen in kwaliteit tussen scholen moeten veel minder groot worden. Zwakke scholen moeten eerder onder toezicht worden geplaatst. Kinderen zijn anders de dupe. Uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs (<em>De Staat van het Onderwijs</em>, april 2017) blijkt dat basisscholen twee schooltypen in schooladvies kunnen uitmaken. De te grote autonomie van scholen vergroot de kansenongelijkheid enorm. In landen waar dit beter gaat is er een nationaal curriculum en zit de overheid boven op het onderwijs. Scholen moeten niet als bedrijf functioneren. Teveel willen ze tegen lage kosten veel diploma’s uitdelen. Ze hebben nu geen baat bij dure, academisch opgeleide leerkrachten. Doubleren kost geld en staat slecht op vergelijkingssites. Liever laten ze leerlingen glansrijk een lager schooltype doorlopen. Dat verkleint de kansen van kinderen. De overheid moet niet langer naar de schoolbesturen kunnen verwijzen – goed onderwijs is in de allereerste plaats een verantwoordelijkheid van de overheid. Een minister kan ook niet Albert Heijn de schuld geven van verslechterde volksgezondheid. De lat moet hoger voor de scholen. Met beter opgeleide en beter betaalde leraren met minder werkdruk, minder grote groepen leerlingen en minder administratieve last moet dat ook kunnen. Zwakke scholen moeten sneller gesloten worden. Kinderen zijn anders de dupe.</p>
<h2><a name="_Toc143177904"></a>Een andere vrijheid van onderwijs</h2>
<p> </p>
<p>In het publiek bekostigde basis en voortgezet onderwijs komt er op iedere school een toelatingsrecht. Scholen mogen leerlingen niet meer afwijzen, ook niet vanwege de religieuze identiteit van de school. Bij capaciteitsproblemen kan er tijdelijk een stop worden toegestaan, maar de school moet dat met extra publieke middelen zo snel mogelijk oplossen.</p>
<p>Gemengde scholen wat betreft ouders met diverse achtergrond (opleiding/inkomen, culturele/etnische afkomst, religie/levensbeschouwing, etc.) verdienen de voorkeur om jonge mensen te leren met diversiteit om te gaan. Scholen moeten religieus en ideologisch neutraal zijn. Denominatie (religieuze identiteit) wordt geschrapt als aparte bekostigings- en oprichtingsgrond. Scholen hebben niet de vrijheid om vanwege religieuze of andere redenen verplichte lesstof, zoals evolutiewetenschap, geschiedenis van de Holocaust en seksuele voorlichting, achterwege te laten. Godsdienstonderwijs en godsdienstactiviteiten zijn altijd vrijwillig en worden niet bekostigd. Godsdienst, afkomst, gender, seksuele geaardheid en gedrag, etc. mag nooit een reden zijn om leerlingen of leraren niet toe te laten/aan te nemen, uit te sluiten, te schorsen, uitschrijven of ontslaan. Integendeel, scholen hebben een expliciete opdracht discriminatie in welke vorm dan ooit tegen te gaan.</p>
<h2><a name="_Toc143177905"></a>Hogere kwaliteitsnormen en breder vakkenpakket met investeringen en meer onderwijstijd</h2>
<p> </p>
<p>De taal- en rekenvaardigheid, maar ook de kennis in andere vakken in het basis, voortgezet en beroepsonderwijs moet substantieel omhoog. Teveel leerlingen ontberen nu basale, noodzakelijke kennis en vaardigheden. Er komt daartoe een actieplan met investeringen en hogere normen.</p>
<p>We breiden het vakkenpakket uit, en organiseren op iedere school een met brede vorming verrijkte en verlengde schooldag, juist ook voor kinderen met minder kansen.  Het succes van de oude HBS staat model voor de eis van een groot en breed vakkenpakket. Dat paste bij het verheffingsideaal van Thorbecke, die in 1863 de HBS oprichtte, en dat past nog steeds bij ons verheffingsideaal. In de drie- of vijfjarige opleiding was veel aandacht voor exacte vakken, de moderne talen (Nederlands, Frans, Engels en Duits) waren verplicht, de HBS voerde economie-onderwijs in (staatshuishoudkunde en handelsrekenen). Sommige leerlingen kregen wel les in 35 vakken, zoals plant- en dierkunde, mechanica en kosmografie. Kennis is een fantastisch wapen om onzin en leugens op afstand te houden. Maar er is ook meer dan alleen cognitieve kennis. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen, met muziek, theater, beeldende vorming en bewegingsonderwijs, in een verrijkte schooldag. Voor meer onderwijstaken (meer bewegingsonderwijs, meer cultureel onderwijs, meer burgerschapsvorming, meer onderwijs in gezonde leefstijl, meer digitale vaardigheden, meer taal- en rekenonderwijs, een breder vakkenpakket, etc.) komt uiteraard ook meer (uiteraard bekostigde) onderwijstijd, en extra specialistische onderwijsprofessionals.</p>
<p>Meer onderwijstijd betekent niet dat kinderen langer moeten leren door te luisteren. Het leren op school moet leren van de nieuwste inzichten over ontwikkelingspsychologie, zoals mooi beschreven in <em>Het tienerbrein</em>, van hoogleraar in de neuropsychologie aan de VU, Jelle Jolles (november 2016). Kinderen leren weinig van passief luisteren, maar veel door te ervaren. Klassieke kennisoverdracht is ontzettend belangrijk, maar dat gebeurt het effectiefst door andere werkvormen. Brede vorming, met ook veel aandacht voor sport en beweging, voor muziek, drama en andere vormen van cultuur stimuleert het leren enorm – niet alleen voor gymnasiasten, maar voor alle kinderen, dus ook op wat nu havo, vmbo en mbo is. Kinderen worden nu te vaak en op veel te jonge leeftijd afgescheept met de mededeling: leren is niets voor jou, ga maar naar het vmbo. Mbo-ers hebben veel moeite om door te stromen naar het hbo, omdat het onderwijs dat hun wordt geboden te schraal en te smal is. Dat heeft niets te maken met slimheid, maar met een gebrek aan kennis en ervaringen, vaak door een andere sociale achtergrond. Als je in een galerijflat opgroeit met ouders met weinig opleiding, is een schoolcarrière niet vanzelfsprekend. Hoe ver je komt op school ligt niet zomaar vast in de genen, het is vooral de omgeving die bepalend is. Als er meer in je geloofd wordt en je gestimuleerd en geïnspireerd wordt, kom je verder. Dat is juist bij vmbo-leerlingen van belang. Daar hebben de ouders vaak niet de middelen en moet de school het dus doen. Groepswerk is belangrijk en geef leerlingen de ruimte om oude kennis aan nieuwe problemen te koppelen, door creatief te denken, risico’s te nemen, met elkaar te discussiëren.</p>
<h2><a name="_Toc143177906"></a>Meer pedagogische dialoog</h2>
<p> </p>
<p>Daarbij helpt het als er veel meer contact is tussen ouder, kind en leraar, ook voor tieners ouder dan 15 jaar. Geen 7 minuten op een ouderavond, maar uren. Liefst met het kind erbij. En dat er mensen worden ingevlogen voor lezingen over hoe je omgaat met leermotivatie of met angst, of over pesten of drugs. Leraren krijgen voor dit soort taken meer tijd in hun aanstelling. Meer contact betekent overigens niet dat ouders kunnen vragen en leraren vervolgens moeten draaien. Leraren en de school hebben een eigen verantwoordelijkheid. Leerlingen en ouders zijn geen consumenten, ze zijn partners in de opvoeding en ontwikkeling, ieder met zijn eigen rol. Meer contact kweekt meer begrip en zorgt voor betere communicatie en samenwerking.</p>
<h2><a name="_Toc143177907"></a>Goede schoolgebouwen, veilige en gezonde scholen</h2>
<p> </p>
<p>We investeren in moderne schoolgebouwen, gezonde schoolkantines en innovatieve goede leermiddelen, die bij voorkeur zelf door leraren collectief mede worden ontwikkeld.</p>
<p>We zorgen dat scholen een veilige plek zijn. Bij sommige scholen wordt er door criminelen geprobeerd jongeren bij hun criminaliteit te betrekken. Dit tegengaan moet een prioriteit van de politie zijn. Scholen en jeugdzorg werken daarmee goed samen. Er komt meer toezicht op en om de schoolterreinen met de hiervoor genoemde extra conciërges.</p>
<p>We zorgen voor gratis gezond eten en drinken op school, inclusief ontbijt en lunch. Voor iedereen, teneinde stigmatisering te voorkomen. Volgens gegevens van de GGD neemt obesitas en diabetes alarmerend toe onder kinderen, met name bij kinderen uit gezinnen met lagere inkomens. Er zijn grote, vooral sociaaleconomisch gedreven verschillen in de gezondheid, reeds waarneembaar op jonge leeftijd. Kinderen eten te weinig groente, teveel fast food en bewegen te weinig. Naast voedsel- en bewegingslessen (incl. zwemles tot en met behalen zwemdiploma’s A, B en C), regels in school over wat er te koop is en tegen roken, alcohol en drugs, is het belangrijk ouders erbij te betrekken. Hun kennis, vaardigheden en achtergronden spelen een grote rol bij of hun kinderen echt gezonder gaan eten en leven. Ons beleid om armoede uit te bannen maakt hen dat ook mogelijk. Daarbij horen ook schoolactiviteiten om zelf gezond voedsel te kweken en onderwijs in gezond en ecologisch duurzaam leven.</p>
<h2><a name="_Toc143177908"></a>Inclusief onderwijs</h2>
<p> </p>
<p>We organiseren wèl inclusief onderwijs. De Wet passend onderwijs voor kinderen die extra of speciale aandacht nodig hebben, werkt niet: 20.000 kinderen zitten inmiddels al thuis. Ze zijn uitgevallen op school en kunnen nergens anders terecht. Het aantal thuiszitters groeit al jaren. Een zorgelijke ontwikkeling. De beloftes zijn niet nagekomen. Terwijl de wet passend onderwijs, ingevoerd in 2014, moest zorgen voor een ommezwaai. Het aantal thuiszitters moest naar nul. Dat is niet gelukt. Sterker: de wet werkt al jaren niet naar behoren. Dat bleek opnieuw begin april 2023 tijdens een Kamerdebat met de onderwijswoordvoerder. Ze zijn zeer kritisch op de wet. Zij niet alleen. Belangenorganisatie Ouders en Onderwijs waarschuwde de afgelopen jaren in verschillende rapporten dat het passende onderwijs minder maatwerk biedt dan ooit beloofd werd.</p>
<p>Het passende onderwijs moet ervoor zorgen dat kinderen met leer- en gedragsproblemen zo lang mogelijk in het reguliere onderwijs blijven. Idee daarachter: het speciaal onderwijs ontlasten en de bureaucratie en het aantal thuiszitters verminderen. Bovendien zou het voor de meeste kinderen zelf beter zijn om in ‘<em>gewone’</em> klassen onderwijs te krijgen dan in klassen met veel leerlingen met problemen. Geen van die doelstellingen is behaald. De zogenoemde zorgplicht zorgt voor problemen. Die komt erop neer dat scholen zelf met een oplossing moeten komen voor kinderen die extra ondersteuning nodig hebben. Maar in de praktijk blijkt dat lastig omdat de juiste plek of ondersteuning niet gevonden wordt. Bovendien kampen veel scholen met een lerarentekort waardoor het aantrekken van extra personeel – belangrijk voor zorgleerlingen – zo goed als onmogelijk is. Belangenorganisatie Ouders en Onderwijs vraagt de minister om meer personeel beschikbaar te stellen en de klassen kleiner te maken, maar in de huidige aanpak van het lerarentekort zit onvoldoende perspectief.</p>
<p>Ook het speciaal onderwijs is sinds de invoering van de wet niet ontlast. Het aantal aanvragen neemt al jaren toe. Met alle gevolgen van dien, want de problemen van de leerlingen zijn vaak complexer omdat ze te lang in het reguliere onderwijs blijven hangen. Te veel kinderen zitten thuis en leerkrachten ervaren in klassen met kinderen met functiebeperking nog enorm veel werkdruk. Kinderen vallen daardoor tussen wal en schip en krijgen niet het onderwijs dat ze nodig hebben. Begeleiding op school is voor mensen met een beperking soms lastig te regelen. De scholen hebben te weinig kennis en expertise in huis om kinderen passend onderwijs te bieden en hen goed te begeleiden. Scholen moeten nog een cultuuromslag doormaken, de transformatie heeft op veel scholen niet plaatsgevonden. Veel leerlingen krijgen hierdoor geen passende ondersteuning. Scholen geven aan onvoldoende middelen te hebben om leerlingen extra te ondersteunen. Dat heeft ook te maken met een funeste herschikking van middelen. Bij de verdeling van het geld over de regio’s wordt niet meer gekeken naar het aantal zorgindicaties, maar het aantal leerlingen in de regio is nu leidend. Het leidt in sommige regio’s tot een bezuiniging van 34%. De samenwerkingsverbanden in het passend onderwijs zijn te stroperig en leveren leerlingen die extra voorzieningen of aandacht nodig hebben om te kunnen meedoen aan het onderwijs onvoldoende op. De weg naar een samenwerkingsverband of gemeentelijke jeugdteams blijkt complex. Niemand voelt zich eindverantwoordelijk voor een leerling. Er is te weinig structuur, samenwerkingsverbanden werken zeer lokaal en iedere regio heeft haar eigen uitdagingen. Er is niemand met doorzettingsmacht. Regels en geldstromen zijn wel veranderd, maar niemand lijkt de weg te kennen naar de juiste loketten. Scholen hebben bijvoorbeeld geen middelen om kinderen te testen, waardoor kinderen vaak (te) lang zonder juiste ondersteuning op school blijven zitten.</p>
<p>We brengen daarom de aanbevelingen uit het advies van de Onderwijsraad <em>‘Steeds inclusiever’ </em>(2020)<a href="#_ftn3" name="_ftnref3">[3]</a> alsnog in praktijk. Bij inclusiever onderwijs gaat het om een combinatie van drie elementen:</p>
<ul>
<li>leerlingen met een beperking krijgen de benodigde ondersteuning en toerusting om naar school te kunnen,</li>
<li>hun school is dichtbij huis, en</li>
<li>leerlingen volgen onderwijs samen met leerlingen zonder een beperking.</li>
</ul>
<p> </p>
<p>De doelgroep wordt afgebakend tot leerlingen met een beperking, zodat er gericht beleid gevoerd kan worden. Daarbij is het uitgangspunt de ondersteuning en toerusting die een leerling nodig heeft, en niet de medische classificatie. De medicalisering van leerproblemen moet worden teruggedrongen. Teveel kinderen krijgen medicijnen zonder goede diagnostiek. Zo’n diagnose is moeilijk, daar moet minimaal een kinderpsychiater of kinderneuroloog aan te pas komen. Vaak is meer structuur geven een betere oplossing dan medicijnen. Een op de tien kinderen, vooral jongens, krijgen tegenwoordig de diagnose adhd, terwijl uit onderzoek aan de VU blijkt dat maximaal 2 à 3% van alle kinderen adhd heeft.<a href="#_ftn4" name="_ftnref4">[4]</a></p>
<p>Om te borgen dat álle scholen klaarstaan voor leerlingen met een beperking, komt er een landelijke norm voor de lichte ondersteuning en toerusting voor het primair en voortgezet onderwijs, een minimumondersteuning die iedere school moet bieden. Deze wordt ontwikkeld door professionals uit de praktijk samen met wetenschappelijke experts.</p>
<p>Voor een betere borging wordt daarnaast de huidige zorgplicht in het primair en voortgezet onderwijs  verbreedt, zodat die ook ondersteuning en toerusting omvat bij overgangen in loopbaan en leefwerelden. Ook voor het middelbaar beroepsonderwijs komt er een zorgplicht. Mensen met een verstandelijke of andere geestelijke beperking moeten ook na het voortgezet onderwijs zoveel mogelijk toegang hebben tot beroepsonderwijs. Bij inschrijving komt er bij speciale leerbehoeftes een landelijk aanmeldpunt, dat de inspectie onderwijs ondersteunt bij de handhaving van de zorgplicht – scholen mogen niet aanmelding van deze kinderen proberen te voorkomen.</p>
<p>Alle schoolgebouwen en al het onderwijs maken we toegankelijk voor studenten met een fysieke beperking.</p>
<p>Er komt een wettelijk hoorrecht voor de betrokken leerlingen opdat zij kunnen meepraten en meebepalen over welke ondersteuning zij nodig hebben. Er komt een vast aanspreekpunt en vertrouwenspersoon voor leerlingen in het VO. Dit omdat een leerling vele leraren heeft en elke leraar vele leerlingen. Het is nog niet overal goed geregeld. Het vaste aanspreekpunt wordt onderdeel van het programma van eisen aan schoolbesturen.</p>
<p>We gaan meer maatwerk mogelijk maken voor leerlingen met zeer complexe ondersteuningsbehoefte, zoals hoogbegaafden en ernstig meervoudig beperkte leerlingen (EMB; een combinatie van grote verstandelijke beperking – IQ&lt;35 –, een lichamelijke beperking en bijkomende stoornissen). We gaan daarbij onder meer flexibiliteit geven met de onderwijstijd en faciliteren afstandsonderwijs voor thuiszitters met als doel weer zoveel mogelijk aan onderwijs deel te nemen.</p>
<p>Wanneer onderwijs en jeugdzorg niet tot een passend aanbod komen moet er een instantie zijn die dat kan opleggen. Leerplichtambtenaren krijgen daartoe doorzettingsmacht om kinderen met een beperking op scholen te plaatsen.</p>
<p>Het speciaal en regulier onderwijs moet dichter bij elkaar worden gebracht. Door beide schoolsoorten op een locatie onder te brengen kunnen mengvormen ontstaan en wordt thuisnabij en gezamenlijk onderwijs ook mogelijk voor leerlingen die zwaardere ondersteuning en toerusting nodig hebben. Bovendien kunnen faciliteiten en expertise worden gedeeld. Om de expertise op scholen verder te vergroten geven we inclusiever onderwijs, inclusief speciaal onderwijs, nadrukkelijk een plaats in het curriculum van initiële lerarenopleidingen en in nascholingsprogramma’s.</p>
<p>De overheid heeft de taak om regelgeving, bekostiging en toezicht in lijn te brengen met de doelen van inclusiever onderwijs. Dat betekent onder andere dat we scholen in het primair en voortgezet onderwijs rechtstreeks gaan bekostigen voor alle lichte onderwijsondersteuning en -toerusting. Samenwerkingsverbanden blijven bekostiging ontvangen om scholen te helpen bij zwaardere ondersteuning en zorg-onderwijscombinaties. Daarbij vindt een verevening plaats omdat er nu te vaak veel te grote reserves worden aangehouden.</p>
<p>Het (voortgezet) speciaal onderwijs blijft mogelijk voor leerlingen voor wie inclusief, passend onderwijs ondanks al het bovenstaande niet mogelijk is. Het aantal thuiszitters moet drastisch omlaag.</p>
<p>We laten het recht op passend onderwijs ook gelden voor kinderen in gesloten jeugdzorginstellingen, zolang dat nog bestaat.</p>
<p>We gaan voor het volgen van schoolverlaters ZML (zeer moeilijk lerend)/ VSO (Voortgezet jeugdzorg)een landelijke, verplichte structuur voor opzetten. Binnen veel gemeenten of regio’s bestaat geen goede structuur hiervoor. Hierdoor raken deze jongeren uit beeld. Ook ‘<em>thuiszitters’</em> raken uit beeld. Dit gaat vooral om jongeren met autisme die een vrijstelling hebben gekregen van de leerplicht, maar vervolgens thuisblijven en waarvoor geen enkele instantie zich meer verantwoordelijk voelt. De overgang van VSO-PRO (Praktijkonderwijs)-Entree (niveau 1) –of MBO 1 naar werk loopt niet goed voor veel jongeren. Voor de transitie van school naar werk is voor mensen met een beperking vaak veel ondersteuning nodig, niet in alle gemeenten is dit goed geregeld. Veel jongeren vallen uit op school of vlak na het verlaten van school. Na een eerste stage of baan raken deze jongeren vaak ook nog uit beeld. Hierdoor komen er steeds meer <em>NUG-ers</em> (niet-uitkeringsgerechtigden die niet studeren en niet werken). </p>
<p>We maken een actieplan met investeringen in de capaciteit en kwaliteit voor het leerlingenvervoer voor het speciaal onderwijs. Daar gaat nu teveel mis, omdat er louter op prijs wordt aanbesteed. Dit leerlingenvervoer gaan we publiek organiseren. De medewerkers komen ook in publieke, vaste dienst, en moeten voldoen aan hoge kwaliteitsnormen om met deze leerlingen goed om te gaan. Gemeenten worden verantwoordelijk en aansprakelijk voor de kwaliteit.</p>
<h2><a name="_Toc143177909"></a>Beter en moderner beroepsonderwijs</h2>
<p> </p>
<p>We investeren fors in het beroepsonderwijs, en moderniseren en faciliteren het lerend werken veel beter. Goed praktijkonderwijs met de modernste machines is duur. Maar we moeten ons realiseren dat 60% van onze leerlingen nu naar het vmbo gaat. Goed opgeleide vakmensen leveren de samenleving bovendien veel op, terwijl voortijdige schooluitval met alle gevolgen van dien de samenleving handenvol geld kost.</p>
<p>Stages die betaalde arbeid verdringen worden verboden en dat verbod wordt actief gehandhaafd. Er komt een verplichte minimum stagevergoeding voor verrichte arbeid en alle onkosten van stagiairs, waarin geen onderscheid gemaakt mag worden tussen niveau van opleiding of sector waarin men werkt. Bij iedere stage is er een verplichte stageovereenkomst met duidelijke rechten en plichten.</p>
<p>Het beroepsonderwijs (t/m het hoger onderwijs) zal adequater moeten reageren op de snel veranderende eisen van de arbeidsmarkt. We zorgen ervoor dat het mbo-aanbod per regio afgestemd wordt op de regionale economie en de dynamiek van de arbeidsmarkt. We werken daarmee aan een herstructurering van het aanbod van het beroepsonderwijs opdat niet tot werkloosheid, maar juist voor banen waar tekorten zijn of dreigen wordt opgeleid. Dat gebeurt in overleg met sociale partners in de regio en met medezeggenschap van de mbo-studenten. Werkgevers die medezeggenschap krijgen in het beroepsonderwijs moeten ook stageplekken realiseren.</p>
<p>Voor veel studenten, maar ook voor het bedrijfsleven, is werkend leren, de zgn. beroepsbegeleidende leerweg (BBL) belangrijk. We gaan met gerichte (loonkosten)subsidies deelname aan de BBL bevorderen. Scholen en bedrijven zijn samen verantwoordelijk voor beschikbaarheid van leerwerkplekken.</p>
<p>Mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties krijgen gericht extra overheidsgeld om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is.</p>
<p>Stapelen van diploma’s is een belangrijk principe voor sociale mobiliteit. Jongeren krijgen een doorstroomrecht: een diploma geeft zonder extra voorwaarden recht op vervolgonderwijs. De aansluiting wordt verbeterd, extra toegangseisen vervallen en er komen goede schakelprogramma’s. Er komt extra geld voor extra begeleiding, bijlessen en coaching van studenten die doorstromen van mbo naar hbo, in het laatste jaar mbo en het eerste jaar hbo, en voor meer professionele studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding.</p>
<h2><a name="_Toc143177910"></a>Beter hoger onderwijs en onderzoek</h2>
<p> </p>
<p>We gaan in het hoger onderwijs de begeleiding intensiveren. We schaffen het bindend studieadvies af en de studiefinanciering wordt niet meer afhankelijk van de studieprestaties. In het onderwijs zelf moeten de universiteiten en hogescholen zorgen voor voldoende studievoortgang, waarbij maatwerk nodig is. We gaan de toegang tot de masteropleidingen in het hoger onderwijs selectiever maken. We beperken de invloed van de private financiering van het wetenschappelijk en hbo onderzoek. De rechtspositie en medezeggenschap van studerenden wordt versterkt.</p>
<h2><a name="_Toc143177911"></a>Echt gratis onderwijs</h2>
<p> </p>
<p>Basis- en voortgezet onderwijs moeten echt gratis worden. We nemen schoolmaterialen, boeken en hulpmiddelen op in de onderwijsbekostiging van basis en voortgezet onderwijs, zodat ouders en leerlingen die niet zelf hoeven aan te schaffen. Het verbod op de zgn. vrijwillige eigen schoolbijdrage wordt versterkt en de controle geïntensiveerd. Alle activiteiten georganiseerd door deze scholen moeten gratis voor iedereen zijn, dus ook excursies, schoolreizen, schoolzwemmen, sportdagen, huiswerkbegeleiding en examentraining, etc. We zorgen dat de bekostiging dit goed dekt, zodat commerciële concurrentie geen kans meer krijgt en de sluipende privatisering van ons onderwijs wordt tegengegaan. Scholen krijgen budget om bijspijkerlessen op school aan te bieden, zodat elke leerling die dat nodig heeft er gebruik van kan maken. Ook kunnen scholen de mogelijkheid bieden aan leerlingen met een achterstand om een weekend- of zomerschool te volgen, en een verlengde schooldag met een veilig en actief verblijf op school ook in het voortgezet onderwijs, in samenwerking met het jongerenwerk in de wijk. Zo zorgen we dat elk kind, ongeacht de portemonnee van de ouders, gelijke kansen in het onderwijs heeft. Hiervoor komt apart budget in het kader van het opnieuw in te voeren wijkbeleid voor kansarme wijken. De vervanging van het huidige les- en cursusgeld voor het mbo, hbo en wo voor 18-plussers door leerrechten is hiervoor al genoemd.</p>
<h2><a name="_Toc143177912"></a>Meer cultuur</h2>
<p> </p>
<p>We investeren extra in cultuur. Het budget wordt verdubbeld. De huidige manier om subsidies te verdelen wordt herzien: we schaffen de grote nadruk op de eigen inkomstennormen af. Ook pakken we de onnatuurlijke scheiding tussen de rechtstreekse financiering van de Rijksoverheid en de cultuurfondsen van het ministerie aan. We stemmen het versnipperde beleid van rijk, gemeenten en provincies beter op elkaar af.</p>
<p>Kopers van werk van beeldende kunstenaars gaan we subsidiëren. Voor hen geldt niet het minimum-ZZP-tarief. Door de koopsubsidie worden ze gelijkgesteld, mits men voldoende werk verkoopt. Voor experimenteel werk en innovaties komt een aparte subsidieregeling. De beoordeling is onafhankelijk van de overheid en de grote galeries.</p>
<p>Kinderen hebben recht op cultuur. Voor cultuur- en muziekonderwijs en beeldende vorming komt structureel meer geld beschikbaar zodat kinderen en jongeren kennis kunnen maken met kunst door zowel zelf creatief bezig te zijn als door kunstuitingen te bezoeken. Zij moeten daar al vroeg kennis mee kunnen maken via kunst-, cultuur en muziekonderwijs, beeldende vorming en media-educatie. Kinderen leren informatie te zoeken, te filteren en kritisch te bekijken.</p>
<p>Iedereen die 18 jaar wordt, krijgt een cultuurvoucher. Zo geven we jonge mensen de mogelijkheid om hun eigen smaak en visie te ontwikkelen en krijgen kunst- en cultuurorganisaties (inclusief musea) een breed en divers publiek voor de toekomst.</p>
<h1><a name="_Toc143177913"></a>III.IV.           Herstel van veilige samenleving</h1>
<p> </p>
<p>De veiligheidssector zit verstopt. De rechtsstaat en de toegang tot het recht komen steeds meer in het geding. De hele rechtsketen dreigt door tekorten verstopt te raken. Extra banen moeten deze tekorten opheffen.</p>
<p>We verbeteren de veiligheid, de toegang tot het recht en de werking van de rechtsketen. We zorgen onder meer voor duizenden extra wijkagenten, extra rechercheurs, specialisten op bijv. bestrijding van cybercriminaliteit, meer rechtshulp en rechters, militairen, marechaussees, douaniers, maar ook voor conducteurs, toezichthouders, wijkconciërges, en inspecteurs van toezichthouders (denk aan de Belastingdienst, de Arbeidsinspectie, de Privacy-waakhond, de Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspectie voor milieu en van landbouw, Omgevingsdiensten, etc.).</p>
<p>En we verleggen de focus. Veel criminaliteit is nu drugsgerelateerd. In plaats van steeds meer inzet op repressie, dat aantoonbaar niet werkt, zetten we in op legalisering en regulering van in Nederland gecontroleerd geteelde en geproduceerde drugs. Die zijn alleen voor meerderjarige ingezetenen van ons land verkrijgbaar. Import- en export wordt bestreden, wat makkelijker is als er een legaal, betaalbaar en veilig alternatief is. Met informatie en voorlichting, vooral gericht op jongeren, en betaalde hulp bij afkicken wordt verslaving tegengegaan. Verkoop mag niet dichtbij scholen, kinderopvang, sportaccommodaties, jeugd- en buurtcentra en jeugdzorginstellingen plaatsvinden en alleen in gecertificeerde, gecontroleerde speciaalwinkels.</p>
<p>Maar ook meer in het algemeen zetten we minder eenzijdig in op strafrecht, en meer op preventie en reclassering. Harder (langer, zwaarder) straffen leidt zelden tot grotere veiligheid. We vergemakkelijken de mogelijkheid tot aangifte en staan slachtoffers beter bij. Mensen uit de gevangenis helpen we snel aan huisvesting en betaald werk om recidive te helpen te voorkomen.</p>
<p>We investeren fors in de wijkpolitie. Deze politie moet volop aanwezig en benaderbaar zijn in de wijken, met extra inzet in de wijken waar de onveiligheid en risico’s het grootst zijn. We stoppen met de concentratie van politiebureaus, en willen een politiebureau waar mensen terecht kunnen dichtbij mensen.</p>
<p>We geven prioriteit aan aanpak van veelplegers, zeden- en levensdelicten, zware, georganiseerde criminaliteit, wapenbezit, milieucriminaliteit en grootschalige fraude/witwassen, de zgn. witte boorden-criminaliteit. Er komen speciale eenheden voor bestrijding van georganiseerde criminaliteit met speciale bevoegdheden. We bannen wapens, ook messen, veel meer uit.</p>
<p>We maken een speciaal actieprogramma gericht op voorkomen en bestrijden van de inzet van jongeren in georganiseerde criminaliteit. De inzet van steeds meer en steeds jongere minderjarigen bij steeds zwaarder geweld is zeer zorgwekkend en vraagt een geconcentreerde inzet van wijkpolitie, jongerenwerkers, jeugdzorg en onderwijs.</p>
<p>Daklozen, verslaafden, ‘verwarde personen’, mensen zonder verblijfsvergunning, worden niet meer achtervolgd met boetes en opsluitingen, maar begeleid, gericht op oplossing van hun problemen.</p>
<p>We investeren ook in de organisaties, scheidden justitie weer van de politie, en decentraliseren een deel van de aansturing van de nationale politie. We dringen de inzet van boa’s (bijzondere opsporingsambtenaren) in plaats van volwaardige politie terug. Het geweldsmonopolie ligt bij de politie, nergens anders. Racisme en discriminatie binnen de politie worden niet getolereerd. De politie moet, anders dan nu, een voorbeeld zijn van diversiteit en inclusiviteit, en geen broeinest zijn van extreemrechtse opvattingen – daar wordt op gescreend en gehandhaafd. We verbieden geen religieuze uitingen zoals hoofddoekjes. We bestrijden actief klassenjustitie, en verbieden van discriminerende opsporingsmethoden. Het stakings- en demonstratierecht wordt versterkt en gehandhaafd.</p>
<p>We ontlasten de rechtspraak door veel procedures niet meer in eerste instantie door de rechter te laten afdoen, zoals bij echtscheiding en schuldhulpverlening.</p>
<p>Inzet van politie voor openbare orde en veiligheid bij commerciële evenementen, waaronder commerciële sportevenementen, moet voortaan betaald worden. Vaak worden grote winsten en/of salarissen verdiend, en het gaat niet aan om de vaak problematische veiligheid daarbij af te wentelen op de belastingbetaler. Supportersgeweld gaan we veel strakker aanpakken, ook met veel hogere straffen. Gemaakte kosten, ook van inzet van politie en justitie, verhalen we op daders.</p>
<p>Bij de versterking van defensie zorgen we voor meer inzet op personeel, met een betere uitrusting, beloning en rechtspositie. De investeringen in defensie moeten fors worden verhoogd om aan de actuele bedreigingen en Europese ambities te voldoen. We streven naar veel meer Europese defensiesamenwerking en willen de afhankelijkheid van de VS aanzienlijk verminderen.</p>
<p><u> </u></p>
<p><u> </u></p>
<h1><a name="_Toc143177914"></a>IV.           Progressieve en inclusieve samenleving, beschermd door een democratische rechtsstaat</h1>
<p> </p>
<h2><a name="_Toc143177915"></a>Wij staan voor ‘woke’, dat is niets anders dan voortzetting van de emancipatiestrijd van de onderdrukten, voor inclusiviteit en tegen uitsluiting en discriminatie</h2>
<p> </p>
<p>Progressiviteit en inclusiviteit staan steeds meer onder druk. De verworvenheden van de emancipatiestrijd van vrouwen en van niet-heteroseksuelen worden steeds openlijker aangevallen, en ons land is steeds minder een gidsland voor inclusiviteit. De democratische rechtsstaat die dat zou moeten beschermen wordt bedreigd door autoritaire, (neo)fascistische en racistische extreemrechtse groeperingen. De tolerantie voor intolerantie moet gekeerd worden. Het is absurd en gevaarlijk dat de minister van Justitie en Veiligheid ‘<em>Woke’</em> als grootste gevaar schets in een publieke lezing.</p>
<p><em>Woke</em> (Afro-Amerikaans-Engelse variant van woken; wakker geworden) is een term die verwijst naar het bewust zijn van racismeproblematiek en sociaal onrecht jegens minderheden in de samenleving. Is er eigenlijk nog wel iemand die <em>zichzelf</em> woke noemt? Het woord zoemt rond, maar altijd als beschuldiging. Wie ertegen ten strijde trekt, krijgt aandacht. Het is heerlijk scoren met voorbeelden van doorgeslagen progressiviteit, het ene nog dwazer dan het andere.</p>
<p>Begin mei 2023 ging NRC-redacteur Bas Heijne met de Amerikaans-Duitse filosoof Susan Neiman in het Rotterdamse debatcentrum Arminius in debat over haar boek <em>Links is niet woke</em>. Neiman beschouwt zichzelf als links, socialist zelfs. Haar pamflet is een oproep aan links zich af te keren van zelfbetrokken identiteitspolitiek – <em>tribalisme</em>, zoals zij het noemt. Zijzelf beroept zich op het universalisme. Mensen moeten zich niet enkel gaan zien in het licht van kenmerken die ze toevallig hebben meegekregen, geslacht, geaardheid, kleur. En ook niet alleen betekenis vinden in hun slachtofferschap. Dat de werkelijkheid vaak achterblijft bij die verheven idealen van gelijkheid en solidariteit, mag geen reden zijn om ze daarom maar op de vuilnishoop van geschiedenis te gooien.</p>
<p>Integendeel. Niet opgeven, luidt haar boodschap. Niet terugvallen in identiteitspolitiek. Gewoon nóg feller opkomen voor de idealen van de Verlichting! Het essay van Neiman raakt een snaar, het wordt in Nederland goed verkocht. Heijne is terecht minder enthousiast. Waar de Verlichting voor staat, dat kan Neiman uitleggen als geen ander. Dat heeft ze dan ook al vaak gedaan. Terecht hekelt ze het luie oordelen over grote figuren uit het verleden, zoals Abraham Lincoln, met de morele maatstaven van nu. Het gaat er niet om dat zij nog niet zover waren als wij, het gaat erom dat ze ons verder hebben gebracht.</p>
<p>Maar waar dat woke nou precies vandaan komt, daar verdiept ze zich nauwelijks in. Het blijft een schimmige tegenstander. Er zit iets van teleurstelling in Neimans kritiek op misleide jongeren die ze vaagjes met „<em>woke</em>” aanduidt – waarom hebben ze haar klassiek linkse wereldbeeld verraden, waarbij iedereen voor iedereen geacht werd op te komen? Waarom houden ze zich bezig met identiteitsdingetjes en haarkloverijen over het juiste taalgebruik, ophef over culturele toe-eigening, terwijl er zo veel grotere problemen zijn? Neiman geeft er geen antwoord op, ze kwam vooral met de overbekende voorbeelden van zelotengedrag op de universiteit en in de culturele sector. Ook hekelde ze de blinde meegaandheid van de gevestigde instituties, die niet aan de verkeerde kant van de geschiedenis willen staan en daarom „<em>diversiteit</em>” nog als enig criterium hebben. Ja hoor, absurde voorbeelden genoeg. Maar is dat de kern van wat er gaande is?</p>
<p>Heijne heeft eerder betoogd dat wat tegenwoordig ‘<em>woke’</em> wordt genoemd, in wezen gewoon een voortzetting is van de grote emancipatiebewegingen van de vorige eeuw. Dat was de eeuw waarin Susan Neiman opgroeide. Er werd gestreden voor reële doelen, voor rechten, voor gelijkheid voor de wet, gelijke betaling, betere arbeidsomstandigheden, openstelling van het huwelijk voor iedereen. In onze eeuw ontstond een gevoel van deceptie. Wettelijk was enorme vooruitgang geboekt, maar in werkelijkheid waren veel beloften nog niet ingelost. Daarbij heb je niet alleen wetten en regels nodig, maar ook gedragsverandering, bewustwording, andere manieren van kijken. Het ging nu, kortom, niet langer om concrete doelen, maar om mentaliteiten, structuren, de manier waarop er gekeken en gehandeld wordt, hoe je gezien wordt of juist helemaal niet gezien wordt. Dat besef is diep in de samenleving doorgedrongen, de bewegingen <em>Black Lives Matter</em> en <em>#MeToo</em> gaan juist hierover. Dat er vooruitgang is geboekt, moest ook Neiman toegeven.</p>
<p>Dat bijvoorbeeld <em>„taal ertoe doet”</em> in de omgang tussen mensen, en dat je dus op je woorden moet letten. Dat is niet exclusief een progressieve obsessie. Kijk naar wat er in het verkiezingsprogramma van de BBB staat: „<em>We praten niet meer over hoogopgeleiden of laagopgeleiden. We praten alleen nog over theoretisch opgeleiden en praktisch opgeleiden.” </em>Dit is gewoon heel erg woke, Caroline, zo stelde Heijne terecht.</p>
<p>Een belangrijk aspect dat door Neiman volledig over het hoofd gezien wordt in haar oproep tot universalisme is de individualisering. Het ‘<em>ik’</em> is de afgelopen decennia veel belangrijker geworden – en daarmee ook identiteit. Dat primaat van het ‘<em>ik’</em> is door de haar zo innig gekoesterde Verlichting in gang gezet. Als je in een zaal vraagt wie van hen zich <em>vrijer</em> voelt dan zijn ouders of grootouders, gaat er altijd een ruime meerderheid aan handen omhoog. Wie kan dat niet als een zegen zien?</p>
<p>Maar als het <em>‘ik’</em> steeds belangrijker wordt, verandert de relatie tussen jou en de maatschappij. De wereld wordt steeds subjectiever bekeken. Dat is wat er aan de hand is. Hoe de samenleving zich tegenover jou gedraagt, wordt maatgevend. Kleur en geaardheid zijn weliswaar, zoals Neiman beweert, volkomen toevallig, maar wanneer een samenleving wel degelijk onderscheid maakt op juist die kenmerken, is het wel heel gemakkelijk om ze als betekenisloos af te doen. Wat je persoonlijk aangaat, gaat ook de wereld aan – en andersom.</p>
<p>Daarom is het ook nogal zelfgenoegzaam het contact dat een individu zoekt met mensen die aspecten van zijn leefwereld en gevoelsleven delen af te doen als tribalisme. Bovendien is die neiging niet specifiek voor minderheden, ze is algemeen. Ook „<em>boeren</em>” zijn een identitaire magneet. We zijn <em>allemaal</em> tribaal geworden.</p>
<p>Door dat vage <em>woke</em> als tegenstander te kiezen, maakt Neiman het haar medestanders wel heel gemakkelijk. Het zijn weer de anderen die verdwaald zijn, niet jijzelf. Het zijn anderen die moeten veranderen, niet jijzelf.</p>
<p>We pakken de emancipatiestrijd weer op, voor een inclusieve samenleving, beschermd door een sterke democratische rechtsstaat.</p>
<h2><a name="_Toc143177916"></a>We pakken extreemrechts en fascisme aan</h2>
<p> </p>
<p>Nog te veel mensen onderschatten hoe gevaarlijk het extreemrechtse riool is: het is een gewelddadig allegaartje dat de samenleving ondermijnt en zijn genoegdoening haalt uit de vernedering van progressieve vrouwen, vluchtelingen, biculturele Nederlanders, LHBTI’ers. Op Twitter domineren ze, en ze beheersen de tactiek van uitsluiting als geen ander: door progressieve tegenstanders maar vaak en massaal genoeg aan te vallen, haken bange omstanders vanzelf af om zich in veiligheid te brengen. Het is een manier om individuen sociaal te isoleren en tot stilte te intimideren. De dynamiek die daarbij ontstaat is fascinerend en verontrustend tegelijk: wildvreemden projecteren ideeën en plakken zelfgeschreven etiketten op je waardoor er in hun hoofd een monsterlijke karikatuur ontstaat waar ze blind in gaan geloven.</p>
<p>De afgelopen jaren zijn deze intimidatietechnieken van extreem-rechts en andere boze burgers goeddeels genegeerd. Dit begon jaren geleden al in de krochten van het internet, op sites als het inmiddels opgeheven Het Vrije Volk – waar gefantaseerd werd over de executie van linkse politici, <em>‘nazislamitische hoeren’</em>, als Jolande Sap en Ineke van Gent – en verspreidde zich naar andere podia en het parlement waar ze zich inmiddels vertegenwoordigd weten door partijen als de PVV, FvD, JA21, BVNL en BBB. Verwend door dat gedoogbeleid, vinden ze nu dat de regels niet voor hen gelden. Of het nu gaat om terreurboeren die asbest dumpen, Staphorsters die anti-Zwarte Piet-demonstranten belagen, Sylvanahaters die lynchfilmpjes maken, ‘<em>moederharten’</em> die schrijvers voor pedo uitmaken of fakkeldragers die in heksen geloven. Zíj voelen zich miskend en dus hebben ze het recht om je verrot te schelden en te belagen. Maar jíj hebt geen recht op weerwoord, want dat is een beknotting van hun vrijheid en ‘<em>polarisatie’</em>. Eigen vrijheid en veiligheid eerst. Het is alsof je een bokswedstrijd met geboeide handen ingaat. Op zo’n manier wordt de stap naar eigenrichting en brandende fakkels wel erg klein. Het is puur misbruik maken van de vrijheid van meningsuiting, die we niet langer meer tolereren. We stoppen met tolerantie voor intolerantie.</p>
<p>Het fascistische gedachtegoed verspreidt zich opnieuw als gif door ons land en in Europa en Amerika. Er werden antisemitische teksten geprojecteerd op onder meer het Anne Frankhuis, waarin de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank in twijfel werd getrokken. En dit is geen incident. David Icke werd net op tijd door Femke Halsema geweerd uit de stad, maar zijn aanhangers liepen dezelfde dag met prinsenvlaggen en andere neonazistische symbolen in een colonne de veerpont op. Al jaren waarschuwt de AIVD voor extreemrechts gevaar, maar het is niet alleen te lezen in hun jaarboeken. Waar enkele antifascisten zichzelf tegen doxing en bedreigingen moeten beschermen bij tegendemonstraties door hun gezicht te verbergen, lopen de neonazi’s van Voorpost vol trots op de Dam. Daar waar elk jaar de Dodenherdenking plaatsvindt. Het is een pijnlijk gegeven dat neonazi’s zich meer thuis voelen in de hoofdstad dan de tientallen mensen die vreedzaam in verzet komen tegen de normalisatie ervan. Tijdens de coronapandemie was duidelijk dat de groep Samen Voor Nederland fascisten graag verwelkomt bij hun demonstraties op het Museumplein. Het antisemitistische FvD vond zijn oorsprong in Amsterdam en hun vlag wappert fier naast NSB-symbolen. Maar ook in de Amsterdamse gemeenteraad maakte Annabel Nanninga van JA21 furore, terwijl ze herhaaldelijk misselijkmakende grappen over de Holocaust tweette.</p>
<p>Er is een hele discussie gaande wie wel en wie geen fascist is. Wij hanteren 10 criteria, gebaseerd op relevante, literatuur. Om een persoon of een beweging fascistisch te noemen moet aan alle criteria worden voldaan (met dank aan @drjhamsterdam).</p>
<p> </p>
<p>Men kan niet enkele aspecten er uitpikken en concluderen dat een persoon of een organisaties fascistisch is. Als aan 7 of meer criteria wordt voldaan spreekt men van protofascistisch. Het proces van het fascisme gaat in een aantal fasen.</p>
<p>Mensen in de lhbtq+-gemeenschap-gemeenschap, vluchtelingen, moslims en mensen van kleur worden steevast ontmenselijkt en weggezet. De omvolkingstheorie wordt besproken bij de NPO, terwijl ons politieapparaat vreedzame antifascisten, milieuactivisten en racismebestrijders aanhoudt en strafrechtelijk vervolgt, en woningnooddemonstranten uiteen knuppelt, terwijl neonazi’s op steenworp afstand kunnen blijven demonstreren in Amsterdam. De wereld op zijn kop.</p>
<p>Extreemrechts organiseert zich en steekt overal de kop op. Journalisten, wetenschappers en politici worden verdacht gemaakt, bedreigd en in de hoek gezet. Complottheorieën waarin de Holocaust ontkend wordt, worden verspreid in de Tweede Kamer. Het wordt tijd dat we daar een vuist tegen maken. We zijn verbonden in diversiteit, lerend van onze geschiedenis, actief tegen iedere discriminatie.</p>
<h2><a name="_Toc143177917"></a>Rekenschap geven van ons verleden, erkenning van pijn</h2>
<p> </p>
<p>We maken ruimhartig excuses voor misstanden uit het verleden zoals de politionele acties in Indonesië, de behandeling van de Zuid-Molukkers daarna in Nederland en de slavernij. Bij de eerste twee horen een ruimhartige financiële tegemoetkoming aan slachtoffers en hun nabestaanden, net als die van Srebrenica.</p>
<p>Ten aanzien van de slavernij investeren we extra in de bestrijding van hedendaagse slavernij en in aandacht voor slavernij, racisme en uitbuiting in het onderwijs. We richten een apart Slavernijmuseum op, net als een Mondiaal Geschiedenismuseum. In het onderwijs wordt ook aandacht gegeven aan mondiale geschiedenis (met daarbinnen aandacht voor de Europese en nationale geschiedenis).</p>
<p>Keti Koti, de Surinaamse viering van de bevrijding van de slavernij op 1 juli, wordt net als 1 mei, Dag van de Arbeid en 5 mei, Bevrijdingsdag, een Nationale feestdag met betaald verlof.</p>
<h2><a name="_Toc143177918"></a>Meer werk maken van strijd tegen discriminatie</h2>
<p> </p>
<p>We maken veel meer werk van strijd tegen discriminatie (incl. racisme, homofobie, islamofobie en antisemitisme), huishoudelijk geweld, besnijdenis van vrouwen, gedwongen huwelijken, kindhuwelijken, eerwraak, mensenhandel, femicide (vrouwenmoord) en seksuele intimidatie, waaronder intimidatie op straat. Daartoe investeren we in onderwijs en bewustwordingscampagnes, voeren we een strak handhavingsbeleid in scholen, sport, sociale media en in de openbare fysieke ruimte. We investeren ook in meer en betere opsporing, gemakkelijke melding en aangifte en slachtofferhulp. We straffen snel en effectief.</p>
<p>De vrijheid van godsdienst, meningsuiting en vereniging worden beperkt door het verbod op discriminatie, het recht op menselijke integriteit en het verbod tot oproepen tot geweld. Ontgroeningen worden verboden.</p>
<p>Institutionele vormen van discriminatie worden met wortel en tak uitgeroeid.</p>
<p>Algoritmes moeten daartoe transparant zijn, we screenen alle algoritmes bij de overheid, de publieke sector en bij bedrijven op het verbod tot feitelijke discriminatie. Uitvoering van algoritmes bij de overheid mag niet uitbesteed worden met als doel openbaarheid en controle te voorkomen.</p>
<p>Mensen in publieke dienst, waaronder de politie, worden op staande voet ontslagen bij discriminerende uitlatingen of gedragingen. Een hoofdoek mag geen reden meer zijn om mensen uit te sluiten van beroepen, ook niet bij de politie – het VK bewijst dat dit prima kan zonder de neutraliteit van de politie te schaden. Anderzijds moet drang en dwang voor het dragen van kleding sterk worden bestreden – we dragen dit sterk uit, ook op scholen, en bieden laagdrempelige en veilige hulp aan slachtoffers. Het uitoefenen van die drang of dwang wordt strafbaar. Hoe je je kleedt, bepaal je alleen zelf.</p>
<p>Etnisch profileren wordt hard bestreden bij alle opsporingsdiensten.</p>
<p>Ieder bedrijf en organisatie moet verplicht vertrouwenspersonen aanstellen tegen discriminatie, pesten, intimidatie en geweld, al dan niet seksueel, op het werk.</p>
<p>We bestrijden actief discriminatie, racisme, homofobie, seksisme, islamofobie en antisemitisme in het onderwijs en op het werk, inclusief bij stages. Daartoe komt er een aparte Antidiscriminatie Ombudsman die onafhankelijk onderzoek kan doen. Ongelijke beloning of behandeling van werknemers op basis van gender, seksuele geaardheid, etnische afkomst, religieuze overtuiging of een lichamelijke of geestelijke beperking wordt strafbaar.</p>
<p>We bestrijden actief bemoeienis van landen van herkomst met migranten en mensen van buitenlandse afkomst in ons land (zoals nu vooral uit Turkije, Marokko, Rusland, Eritrea), inclusief bemoeienis (waaronder financiering van) met religieuze instellingen en organisaties alhier.</p>
<p>We bestrijden actief de intimidatie van andersdenkenden, het giftig seksisme en racisme op social en andere media en in de openbare ruimte, en maken dat strafbaar – óók in de politieke arena. Social media bedrijven worden aansprakelijk voor de uitingen op hun platforms.</p>
<h2><a name="_Toc143177919"></a>Geen tolerantie voor intolerantie</h2>
<p> </p>
<p>We bestrijden actief het hedendaags fascisme. De wetgeving tegen fascistische, racistische, discriminatoire en antisemitische uitlatingen wordt verscherpt en de handhaving versterkt. Ook in de politieke arena’s zijn die uitlatingen niet toelaatbaar. Het parlement stelt een eigen onafhankelijke waakhond daarvoor in, die openbaar rapporteert. Er behoort geen tolerantie te zijn tegen antitolerantie.</p>
<p>We verbieden de (neo-)fascistische politieke partijen en media die deze praktijken tot hun handelsmerk maken en stellen bij wet regels aan de interne democratie, transparantie over financiën en respect in woord en gedrag voor de democratische rechtsstaat en de universele mensenrechten. In een Wet op de Politieke Partijen worden hiervoor strikte normen gesteld, evenals in de Mediawet. Dit leidt ertoe dat partijen als FvD en PVV en een omroep als ON niet meer kunnen blijven bestaan. Daarenboven verscherpen we de regels voor bestuurlijke integriteit in de politiek, de handhaving én de sancties bij overtreding daarvan, ook in de lokale en provinciale politiek. Cliëntelisme, zoals bij Hart voor Nederland, moet illegaal zijn en onmogelijk worden gemaakt.</p>
<h2><a name="_Toc143177920"></a>Versterken recht op demonstratie, geen bedreiging, intimidatie en geweld</h2>
<p> </p>
<p>We versterken het recht op demonstratie door zwaardere eisen te stellen aan een verbod of inperkingen, en aan vervolging, en we zorgen dat er een eind komt aan de ongelijke behandeling van demonstranten, zoals nu waar klimaatdemonstranten, natuurbeschermers, woningnooddemonstranten, maar ook bijvoorbeeld <em>Black Lives Matter</em>, veel zwaarder aangepakt worden dan bijv. demonstrerende boeren. Beperkingen op het demonstratierecht, zonder vergunning, kan alleen nog maar bij bedreiging van grondrechten van anderen of bij zeer ernstige maatschappelijke schade of wanneer de staatsveiligheid in het geding is. Elders in dit programma versterken we ook het stakingsrecht.</p>
<p>Het bedreigen en aanvallen van politici, journalisten en hulpdiensten wordt zwaar bestraft. Demonstraties en protesten bij deze mensen thuis worden verboden, evenals hen hinderen bij hun werk. Het gebruik van zwaar materieel bij demonstraties, zoals tractoren en vrachtwagens, wordt verboden en met directe inbeslagname gehandhaafd.</p>
<p>Het lastigvallen van bezoekers en cliënten bij abortusklinieken wordt ook verboden. Abortus wordt geschrapt uit het Wetboek voor Strafrecht.</p>
<h2><a name="_Toc143177921"></a>Versterking rechtspositie LHBTIQ</h2>
<p> </p>
<p>We voeren eindelijk de uitbreiding van het ouderschap in voor feitelijke, doch niet-biologische ouders te erkennen.</p>
<p>We passen de regelgeving voor transgenders aan opdat mensen makkelijker hun registratie van hun geslacht kunnen wijzigen. We regelen voor verandering van geslacht een wettelijk transitieverlof.</p>
<h2><a name="_Toc143177922"></a>Focus op versterking vertegenwoordigende democratie, beperkte directe democratie</h2>
<p> </p>
<p>We voeren geen referendum in, behalve op lokaal niveau voor kwesties die alleen dat lokale niveau betreffen. Daarvoor komen hoge drempels: de aanvraag voor zo’n lokaal referendum moet gesteund worden door tenminste 40% van kiesgerechtigde inwoners, en de uitslag is pas geldig bij een deelname van tenminste 50% van de stemgerechtigden. Directe democratie verdraagt zich slecht met vertegenwoordigende democratie. Ze dreigt gauw te ontaarden in een dictatuur van de meerderheid, waarbij de belangen en argumenten van de minderheid er niet toe doen. Directe democratie is zeer gevoelig gebleken voor eenzijdige informatie en opinievorming. Zie de ervaringen met recente referenda over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne en over de Europese Grondwet. Vertegenwoordigende democratie met evenredige vertegenwoordiging, een lage kiesdrempel en bescherming van rechten van politieke minderheden geeft meer kans op een betere weging van het publieke belang.</p>
<p>Wel voeren we een uitgebreider burgerinitiatiefregeling in. En we<em> faciliteren via loting samengestelde burgerraden op lokaal niveau. Deze krijgen een adviesrecht aan gemeenteraden. </em>Burgerparticipatie bij totstandkoming van beleid wordt verder bevorderd. Daarvoor komt een speciaal ondersteunings- en innovatieprogramma en -budget.</p>
<p>We versterken de representatieve, gekozen democratie met:</p>
<ul>
<li>meer geld voor onderzoek en ondersteuning van volksvertegenwoordigers in ieder gekozen orgaan.</li>
<li>een veel betere vergoeding van hun werkzaamheden op lokaal en provinciaal niveau.</li>
<li>versterking van de positie van politieke partijen, met eisen aan democratische organisatie en financiële transparantie. Private financiering van politieke partijen mag slechts zeer beperkt en moet volledig transparant plaatsvinden. Dat moet ook voor lokale partijen gelden. Partijen moeten leden hebben, die ook volledige zeggenschap hebben conform de regels voor een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid.</li>
</ul>
<p>De Tweede Kamer gaat meer tijd besteden aan wetgevingsoverleg, teneinde de kwaliteit van wetgeving te verbeteren, en aan de verantwoording van de uitvoering. Grote wetgevingsprojecten krijgen rapporteurs en aparte wetgevingsoverleggen, verplicht in het Reglement van Orde. Over de uitvoering komen er tenminste per departement en bij grote, nieuwe projecten verplicht aparte uitvoeringsoverleggen, met onderzoek en hoorzittingen van cliënten en uitvoerders, en rapporteurs. En we voeren ook een adviesplicht en uitvoeringstoetsplicht in bij de (implementatie van) Europese richtlijnen, evenals rapporteurs in het parlementair proces.</p>
<p>We maken een einde aan de praktijk dat (delen van) door het parlement aanvaarde wetgeving geheel niet worden ingevoerd, door invoering van een uiterste termijn waarbinnen aangenomen wetgeving moet worden ingevoerd, met een periodieke meldingsplicht van nog niet ingevoerde regelingen aan het parlement.</p>
<p>Te vaak wordt nu begrotingsgeld uitgegeven terwijl er (nog) geen parlementaire goedkeuring en een wettelijke basis voor is. Dat wordt verboden en zelfs strafbaar gesteld.</p>
<p>De Kamervoorzitter krijgt meer bevoegdheden om te zorgen dat debatten niet slechts de waan van de dag volgen. De belangen van de minderheid in het parlement behoeven speciale aandacht van de voorzitter. Een derde van de Kamer kan de voorzitter overrulen.</p>
<p>Er komt geen verzwaring van de kiesdrempel. Dat beperkt teveel een goede representatie.</p>
<p>Er komt een lobbyregister. Het nevenwerkzaamheden en neveninkomstenregister wordt verplichtend en veel sterker gehandhaafd, met boetes en bekendmaking bij overtredingen. We verscherpen het lobbyverbod voor oud-politici en maken overtredingen daarvan strafbaar.</p>
<p>De informatiepositie van volksvertegenwoordigers wordt versterkt, ambtelijke notities en verslagen mogen niet meer worden achtergehouden. De Rutte-doctrine wordt ingetrokken. Ambtenaren – ook van uitvoeringsorganisaties moeten rechtstreeks door Kamerleden benaderd en gehoord kunnen worden. Bij niet tijdig leveren van door het parlement gevraagde informatie door het parlement, krijgt het parlement bij beslissing van tenminste een derde van de leden van de betreffende Kamer het recht om de informatie in te laten vorderen door justitie.</p>
<p>De voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer treden op tegen seksuele en andere intimidatie in de Tweede Kamer, ook ten aanzien van personeel in de fracties. De positie van klagers wordt versterkt. De initiatiefwet voor verplichte vertrouwenspersonen van GL en PvdA moet ook gaan werken voor fracties in het parlement en de beide Kamers.</p>
<h2><a name="_Toc143177923"></a>Staatsrechtelijke vernieuwingen</h2>
<p> </p>
<p>De Eerste Kamer blijft bestaan, maar krijgt een terugzendrecht. De Eerste Kamer wordt iedere twee jaar voor de helft opnieuw gekozen door de leden van de Provinciale Staten. Daarmee worden regeringen gedwongen altijd een actuele, ruime meerderheid te vinden in het parlement. De Eerste Kamer is daarbij een politiek orgaan, dat zelf bepaalt hoe men besluit. Er is dus geen beperking tot de kwaliteit van wetgeving en uitvoerbaarheid. Wel kan de dialoog tussen regering en beide Kamers, en de wisselwerking daarbij tussen de Kamers, een kwaliteitsverhogende en draagvlak verbredende effect bevorderen.</p>
<p>Gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen tussentijds door hen zelf of hun bestuur ontbonden worden voor tussentijdse verkiezingen. We voegen de taken en bevoegdheden van de waterschappen bij de provincies. Waterschappen zijn een vreemd element van functioneel bestuur, waardoor integrale beleidsafweging bemoeilijkt wordt, en nog steeds ondemocratisch, door de zgn. geborgde zetels voor onder meer boeren. De goede uitvoering van de taken die nu bij de waterschappen liggen wordt gebord door dit dwingend op te nemen in de Provinciewet en daar een periodieke nationale toetsing op te laten plaatsvinden, met aanwijzingsbevoegdheden van het Rijk. De waterschapsbelasting wordt daarbij eerlijker, en dus minder zwaar voor huishoudens.</p>
<p>De bestuurskracht van kleine gemeenten wordt versterkt met meer geld en met het kunnen aantrekken van hoog genoeg geschoold personeel. Gemeentelijke fusies zijn veel te ver doorgeschoten – efficiency en bestuurskracht wogen zwaarder dan verbondenheid en gevoelde representatie. Initiatieven van onderop voor verkleining van gemeenten moeten we in beginsel gaan steunen, met betere facilitering. Gemeenschappelijke regelingen tussen lagere overheden worden voorzien van een verplichte dualistische structuur zoals in gemeenteraden. De bestuurders en volksvertegenwoordigers in de organen van een gemeenschappelijke regeling worden gekozen door en uit de bestuursorganen die zij vertegenwoordigen.</p>
<p>De burgemeester en de Commissaris van de Koning gaan openbaar gekozen worden door de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten. De kabinets(in)formateur wordt door de Tweede Kamer benoemd en ontslagen.</p>
<p>De staatsrechtelijke rol van de Koning wordt ook in formele zin beperkt tot representatieve en extern vertegenwoordigende functies. De Grondwet wordt ontdaan van de suggestie dat wetten bij de gratie van een God verkondigd worden. Leden van Koninklijk Huis betalen gewoon belasting en hun inkomen wordt gebracht onder de maximum norm voor topbeloningen in de publieke sector. Van staatsvoorzieningen kan geen gebruik gemaakt worden voor privédoeleinden en paleizen en landgoederen zijn publiek bezit en worden zoveel mogelijk ook voor publiek toegankelijk (en niet beperkt voor privé jacht of wildbeheer). Dat is gewoon normaal en fatsoenlijk. De huidige regelingen zijn bizar onrechtvaardig en suggereert meer macht dan er feitelijk is en/of geoorloofd is bij een erfelijk ambt. Op termijn streven we naar afschaffing van de monarchie, bijv. bij het einde van de ambtstermijn van de huidige Koning.</p>
<p>We zetten in op verdere democratisering van de Europese Unie:</p>
<ul>
<li>Er komt een aparte Europese Senaat met leden gekozen door en uit de leden van de nationale parlementen van de lidstaten. Deze zetelt in Straatsburg.</li>
<li>Het Europees Parlement wordt dan niet langer meer gekozen per lidstaat, maar op Europese lijsten van Europese partijen, en zetelt alleen in Brussel.</li>
<li>Het Europees Parlement kiest de voorzitter van de Europese Commissie, en moet akkoord gaan met de benoeming van de andere leden ervan, waarin niet langer iedere lidstaat vertegenwoordigd is.</li>
<li>De voorzitter van de Europese Raad van ministers moet met instemming van de Europese Senaat gekozen worden.</li>
<li>Het vetorecht wordt drastisch beperkt, meerderheidsbesluitvorming wordt de norm.</li>
<li>De bevoegdheden van Europees Parlement worden uitgebreid.</li>
</ul>
<p>De controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering wordt versterkt met meer bevoegdheden van de Europese Rekenkamer.</p>
<p>De rechtspositie van de Europarlementariërs wordt gelijk ongeacht de lidstaat waar zij vandaan komen en substantieel versoberd.</p>
<p>Lidstaten die zich niet houden aan de handhaving van mensenrechten en/of de waarden en principes van de democratische rechtsstaat (zoals onafhankelijke rechtspraak en pers, vrijheid van vergadering, meningsuiting en demonstratie, onafhankelijke wetenschap) worden gekort op hun subsidies en, als dat niet helpt, hun stemrecht en vervolgens hun lidmaatschap ontnomen.</p>
<h2><a name="_Toc143177924"></a>Goed, deugdelijk en integer bestuur</h2>
<p> </p>
<p>We bevorderen de beginselen van goed en deugdelijk bestuur. In 2009 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninklijkheidsrelaties (BZK) de beginselen van goed en deugdelijk bestuur vastgesteld. In de praktijk blijkt dat bestuurders en ambtenaren die nauwelijks of niet toepassen in de dagelijkse praktijk. Het resultaat is een afnemend vertrouwen in de overheid. In zijn publicatie <em>“Groter denken, kleiner doen”</em> geeft Herman Tjeenk Willink hiervan vele illustraties. Ook bij het Toeslagenschandaal is dit pijnlijk aangetoond. We streven naar een herijking van de beginselen en een verbinding met de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen met de rechtsstaat. De beginselen zijn: openheid en integriteit, participatie, behoorlijke contacten met burgers, doelgericht en doelmatig, legitimiteit, zelfreinigend en lerend vermogen, verantwoording, menselijke maat en proportionaliteit.</p>
<p>Iedere regeling krijgt via de Algemene Bestuurswet automatisch, ook zonder expliciet beroep daarop, een hardheidsclausule, en de beslissende overheidsorganisatie moet altijd afwegen of een individuele beslissing niet onredelijk hard uitwerkt.</p>
<p>Op iedere brief of mail van de overheid aan burgers moet een telefoonnummer staan, loketfuncties moeten fors worden uitgebreid en hersteld, en iedere beslissing moet een duidelijke en simpele bezwaar- en beroepsprocedure vermelden. Die procedures moeten redelijke termijnen hebben voor de beslissing op bezwaar en beroep, en die termijnen moeten ook gehandhaafd worden. Iedere burger heeft daarbij recht op onafhankelijke bijstand en moet online zijn dossiers real time in kunnen zien. De informatiehuishouding moet veel beter, de huidige Archiefwet moet streng worden gehandhaafd. De capaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens moet per direct drastisch worden uitgebreid om de huidige achterstanden en tekorten in te lopen.</p>
<p>De plan- en onderzoeksbureaus van de overheid en het CBS worden wat betreft de wetenschappelijke pluriformiteit en onafhankelijkheid versterkt. Er komt een aparte onafhankelijke Uitvoeringskamer, die vooraf toetst of voorstellen voldoende uitvoerbaar zijn. De Algemene Rekenkamer krijgt de bevoegdheid om geen goedkeurende verklaring te geven. Deze kan worden overruled door een besluit van de gezamenlijke Eerste en Tweede Kamer. Er komen verplicht rekenkamers voor lagere overheden.</p>
<p>We maken een betere regeling voor klokkenluiders – de definitie van een maatschappelijke misstand moet breder, de drempel om te melden moet omlaag en er moet een ruim fonds zijn om klokkenluiders schadeloos te stellen, waarbij het geld verhaald kan worden op de verantwoordelijken van de misstanden. Ook zzp-ers, stagiairs en vrijwilligers moeten beschermd worden, ook als zij geen vergoeding meer krijgen, en ook getuigen en onderzoekers.</p>
<p>We versterken het recht op openbaarheid, beter dan nu in de Wet op de openbare overheid. We maken het niet tijdig reageren op informatieverzoeken strafbaar, ook voor (politiek) bestuurders. De afwijzingsgronden voor openbaarheid moeten verder worden beperkt, evenals de geheimhoudingstermijnen. Alle rechterlijke uitspraken in kader van de WOO moeten direct gepubliceerd gaan worden. We moeten het niet verstrekken van informatie aan een lid van het parlement beperken tot die gevallen waarin de staatsveiligheid in het geding is, of waarin private belangen van personen of niet-natuurlijke rechtspersonen zo ernstig geschaad worden, dat de publieke belangen bij openbaarmaking aan een volksvertegenwoordiger en dus het recht op democratische controle daar onvermijdelijk voor moet wijken. Daarbij geldt een bewijs- en motiveringsplicht van de regering, die getoetst wordt door een Autoriteit Openbaarheid Bestuur. Deze nieuwe toezichthouder gaat ook toetsen bij beroepen op de WOO, en ook bij lagere overheden.</p>
<p>De positie van de Nationale Ombudsman en van de Kinderombudsman worden ook versterkt. Gemeenten en provincies sluiten zich aan bij een regionale onafhankelijke, bij wet ingestelde Regionale Ombudsman. Burgers krijgen meer rechtsbescherming tegen besluiten van gemeenten, maar procedures worden verkort en er wordt een eind gemaakt aan het eindeloos kunnen doorprocederen. Alle ombudsmannen krijgen het recht de Tweede Kamer te adresseren, waarna die daarover een debat moet houden.</p>
<p>We voeren een Grondwettelijke toetsing in van wetten. De Raad van State wordt daartoe gesplitst in een adviesorgaan van de wetgever en een Constitutioneel Hof. Ook het parlement kan rechtsvragen aan dit Constitutioneel Hof gaan stellen.</p>
<p>We schrappen de aparte bestuursrechters en brengen dit onder bij de gewone rechter, met in laatste instantie de Hoge Raad als hoogste rechter. Dat vergroot enorm de rechtsbescherming van de burger tegenover de overheid.</p>
<p>We maken het niet moeilijker voor burgers om wetten te toetsen door representativiteitseisen te stellen aan hun organisaties, zoals onlangs door een rechtse meerderheid in de Tweede Kamer aan de regering werd gevraagd. Gelukkig weigert de minister van Rechtsbescherming, Weerwind, deze motie uit te voeren. We gaan nog een stap verder: we willen de eis van representativiteit helemaal wettelijk uitsluiten.</p>
<p>Om Bermudadriehoek van onaantastbaarheid voor strafrechtelijke vervolging van overheden, hun bestuurders en ambtenaren af te schaffen, gaan we naast het invoeren van een toetsingsmogelijkheid van wetten aan de Grondwet, ook de procedure voor ambtsmisdrijven effectief maken en de zgn. Pikmeerarresten, op grond waarvan overheden niet vervolgd kunnen worden, gaan we via een wetswijziging gedeeltelijk ongedaan maken. De parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen maakte de urgentie van deze wijziging nog recent duidelijk: <em>“Belangengroeperingen zijn ondertussen hard op zoek naar effectieve manieren om invloed uit te oefenen op de Groningse gaswinning. Druk uitoefenen of een moreel appel doen op de oliemaatschappijen (en zelfs op de Staat) haalt niet veel uit. Uiteindelijk vinden zij onverwacht een achilleshiel bij de oliemaatschappijen: het forceren van een rechterlijke beslissing dat het Openbaar Ministerie moet onderzoeken of de NAM strafrechtelijk kan worden vervolgd. Dat blijkt een echte gamechanger.” </em>In het Groningse gasgebouw gaat het om private gasbedrijven. In het kinderopvangtoeslagschandaal heeft de regering jarenlang tenminste 13 wetten overtreden. Daar is helemaal niemand voor vervolgd. Sommige mensen die het slachtoffer waren in het kinderopvangtoeslagschandaal, dat mede kon ontstaan door die langjarige overtreding van wetten, zijn wél veroordeeld. Het is de onrechtvaardigheid ten top, die enorm het cynisme en het wantrouwen tegen de overheid en de politiek voedt.</p>
<p>We hervormen de Algemene Bestuursdienst. We zetten zwaarder in op vakinhoudelijke deskundigheid. We dringen de circulatie op ambtelijke topfuncties terug. En we stellen dwingende beperkingen aan de inzet van consultants bij de overheden, die leiden tot ondermijning van de deskundigheid bij de overheden zelf en tot onnodig hoge beleidskosten. Bij beleids- en uitvoeringsambtenaren wordt ervaringskennis een belangrijk criterium. Zij moeten regelmatig zijn waar hun doelgroep verblijft en daarmee in gesprek zijn. Mensen met zgn. ‘spreidstand’-ervaring (ervaring in de wereld van hoger opgeleiden én in de wereld van de doelgroep krijgen voorkeur.</p>
<p>Kabinetsleden moeten voor hun benoeming ondervraagd gaan worden door de gezamenlijke Staten-Generaal op onder meer deskundigheid en integriteit. Zij behoeven ieder individueel een vertrouwensmeerderheid in de gezamenlijke Staten-Generaal.</p>
<h2><a name="_Toc143177925"></a>Betere afhandeling recente schandalen en crises</h2>
<p> </p>
<p>We gaan de slachtoffers van de schandalen van de kabinetten onder leiding van VVD-premier Rutte (toeslagen, Gronings gas, bijstand, IND/COA, Q-koorts, etc.) ruimschoots en snel compenseren. We schrappen alle bureaucratie en nemen daarbij voor lief dat er hier en daar teveel wordt uitgekeerd. De slachtoffers moeten allen binnen een jaar volledig en ruimhartig gecompenseerd en schadeloos gesteld worden.</p>
<p>Voor de slachtoffers van het Toeslagenschandaal volgen we daarbij het voorstel van de SP om de beoordeling in één dag te regelen, waarbij gedupeerden door een soort wasstraat gaan, en alle stappen in één dag doorlopen. Daarbij dient er een harde deadline gesteld te worden die bijv. stelt dat alle claims gehonoreerd worden die niet voor 2025 afgehandeld zijn – het kabinet koerst nu op 2030, of nog later, en dat is na het misdadig vernietigen van de levens van deze mensen echt onaanvaardbaar te lang. Voorts moet deze afhandeling geheel onafhankelijk van de Belastingdienst plaatsvinden. En de aangenomen motie van Marijnissen en Omtzigt uit mei 2022 moet alsnog worden uitgevoerd: een speciale procedure moet binnen 6 maanden – liefst sneller – duidelijkheid geven over herziening van een besluit tot uithuisplaatsing (of dat nu vrijwillig of gedwongen plaatsvindt maakt daarbij niet uit).</p>
<p>De Groningse regio dient daarenboven ruimhartig compensatie te krijgen voor de economische schade en het gebruik als wingewest, conform de eisen van Groningen en Noord-Drenthe. Er komt een Wet herstel Gronings cultuurlandschap naar analogie van voorheen de Wet Stedelijke Vernieuwing.</p>
<p>Er komen parlementaire enquêtes naar het bijstandsschandaal en het asielopvangschandaal, en aparte voorstellen voor de slachtoffers van deze schandalen.</p>
<p>Er komt aanvullend onderzoek naar de gevolgen van het niet optreden om de risico’s van Q-koorts en onvoldoende bescherming tegen Covid-19, met ook hier aparte procedures voor compensatie. Waar mogelijk worden private partijen (zoals de NAM, geitenboeren, individuele de wet overtredende ambtenaren en bestuurders) aansprakelijk gesteld en strafrechtelijk vervolgd. Er moeten harde lessen geleerd worden, met publieke diepgravende onderzoeken. Met de slachtoffers stellen we ervaringspanels in, zowel ten behoeve van goede en snelle uitvoering, als voor toekomstige verbeteringen. Deze panels kunnen gevraagd en ongevraagd advies geven, ook aan het parlement.</p>
<p>De speciale wetgeving voor uitbraken zoals de covid-19 pandemie dient niet langer te duren dan nodig. In plaats van te sturen op belasting van de zorg en iedere keer dan snel de maatregelen weer te versoepelen, moet er gestuurd worden op zo min mogelijk besmettingen. Ook lichte besmettingen kunnen grote, langdurige gezondheidsproblemen veroorzaken (long-covid-19). Iedereen moet beschermd kunnen meedoen, juist ook degenen met de meeste risico’s (ouderen, chronisch zieken, etc.). Het is schandelijk dat sommigen hen als <em>‘dor hout’</em> kwalificeren wat opgeofferd mag worden vanwege economie en vrijheid voor anderen.</p>
<p>Gelukkig is de vaccinatiebereidheid in ons land hoog. Doel moet zijn tenminste 95% van alle inwoners van 12 jaar en ouder gevaccineerd te krijgen, zo nodig met verleiding en zachte drang. Verplichting tot vaccinatie gaat te ver, maar toegang in onderwijs en kinderopvang kan wel geweigerd worden. Ook voordelen en ruimere, makkelijke toegang – bij horeca, evenementen, maar ook bij onderwijsinstellingen en kinderopvang, bij bezoek aan verpleeghuizen, etc. – zijn aanvaardbaar. Ruimere toegang kan controle impliceren op vaccinatie of een betrouwbare test en bij het ontbreken daarvan geen fysieke toegang (onderwijs dan op afstand). Als zou blijken dat gevaccineerden toch te besmettelijk zijn, dan moeten zij ook getest worden. Vaccinatie moet gratis blijven en laagdrempelig, en dat laatste vraagt extra inzet – ook meertalig – in wijken en groepen die minder vertrouwen hebben in de vaccins.</p>
<p>Waar grote risico’s worden gelopen, bijv. in zorg of onderwijs, kunnen extra beschermingsmaatregelen gelden. Goed beschermingsmateriaal (FFP-maskers) wordt in Nederland gefabriceerd, met voldoende voorraad en gratis verstrekt.</p>
<p>Het testen moeten we bij toekomstige uitbraken publiek organiseren, niet meer privaat uitbesteden. De GGD’s krijgen daartoe meer financiële armslag. Ook de callcenters bij het vaccineren en contact- en brononderzoek moeten niet meer uitbesteed worden. Kwaliteit, bescherming privacy, effectiviteit staan voorop. De privatisering van het centraal laboratorium, waar vroeger door de overheid vaccins gemaakt konden worden en testen gecontroleerd konden worden, draaien we terug. Ook het contactonderzoek na besmetting  organiseren we veel beter en publiek. De vrijblijvendheid moet er vanaf, evenals bij de quarantaineregels en de controle bij grensoverschrijding (luchthavens, havens, internationale treinen; bij autoverkeer vooral EU-buitengrenzen plus uit rode gebieden). Bij regionale uitbraak volgen er direct strenge maatregelen in die regio om verdere verspreiding te voorkomen.</p>
<p>We investeren in voldoende apparatuur, beschermingsmateriaal voor zorgverleners en IC-bedden, als ook in long-stayvoorzieningen.</p>
<p>We vervangen de OMT adviesstructuur door een bredere advisering, met het Red-team als voorbeeld. Deze advisering is openbaar. We maken een einde aan informele besluitcircuits, zoals de Catshuisberaden.</p>
<p>We investeren in onderzoek naar Long-Covid, en naar behandelingen daartegen. Long-Covid wordt erkend als ziekte die toegang geeft tot inkomensregelingen bij arbeidsongeschiktheid. Werkenden die Long-Covid hebben opgelopen mede ten gevolge van onvoldoende bescherming op de werkplek krijgen een veel ruimere compensatie.</p>
<p>Bij regionale uitbraken en beperkingen kunnen economische steunmaatregelen ook regionaal verstrekt worden. Belastinguitstel leidt niet tot vrijstelling, maar er worden zo nodig wel ruime afbetalingsregelingen vastgesteld. Er wordt niet meer steun verstrekt aan bedrijven die flexwerkers ontslaan, die bonussen en dividend uitkeren en/of eigen aandelen opkopen (ook niet aan multinationals), die buitensporig hoge topbeloningen blijven verstrekken, en die niet aan duurzaamheidseisen voldoen. Bij grote steun, zoals aan KLM, verkrijgt de Staat meer bezit en zeggenschap.</p>
<h2><a name="_Toc143177926"></a>Versterking onafhankelijke journalistiek</h2>
<p> </p>
<p>We versterken de publieke controle door extra middelen voor onafhankelijke, journalistiek, met als speerpunten voor versterking de lokale, regionale en Europese politiek en onderzoeksjournalistiek. De publieke omroep wordt versterkt met meer digitale mogelijkheden. Reclame op de publieke omroep wordt vervangen door extra bekostiging. De overheid moet scherp gehouden worden door kritische journalistiek. Niet alleen landelijk, maar ook lokaal. We stellen meer subsidies beschikbaar voor (onderzoeks-)journalistiek, we introduceren een beschikbaarheidsbijdrage voor regionale nieuwsvoorzieningen en we verlagen de btw op kranten.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><a href="#_ftnref1" name="_ftn1">[1]</a> <a href="https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/03/07/eigentijdse-ongelijkheid">https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/03/07/eigentijdse-ongelijkheid</a></p>
<p><a href="#_ftnref2" name="_ftn2">[2]</a> <a href="https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/11/meeste-mensen-ontstijgen-armoederisico-van-hun-ouders">https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/11/meeste-mensen-ontstijgen-armoederisico-van-hun-ouders</a></p>
<p><a href="#_ftnref3" name="_ftn3">[3]</a> <a href="https://www.onderwijsraad.nl/publicaties/adviezen/2020/06/23/steeds-inclusiever">https://www.onderwijsraad.nl/publicaties/adviezen/2020/06/23/steeds-inclusiever</a></p>
<p><a href="#_ftnref4" name="_ftn4">[4]</a> Bron: <em>Het tienerbrein</em>, van hoogleraar in de neuropsychologie aan de VU Jelle Jolles, november 2016.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Terug naar de toekomst – Om de kwaliteit van het bestaan:</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2023/05/09/1464/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 09 May 2023 11:17:50 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1464</guid>

					<description><![CDATA[Een proeve voor een RoodGroen beginselprogramma       Spreiding van kennis, macht en inkomen For the many, not the few       Gerard&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[


<p><strong>Een proeve voor een RoodGroen beginselprogramma</strong></p>



<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong><em>Spreiding van kennis, macht en inkomen </em></strong></p>
<p><strong><em>For the many, not the few</em></strong></p>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong><em>Gerard Bosman, april 2023</em></strong></p>
<h1><strong>Inhoudsopgave</strong></h1>
<p><strong> </strong></p>
<p><a href="#_Toc134451984">Inleiding. 3</a></p>
<p><a href="#_Toc134451985">Oorzaak van huidige crises is neoliberaal beleid. 8</a></p>
<p><a href="#_Toc134451986">De verwording van de sociaaldemocratie in de PvdA. 18</a></p>
<p><a href="#_Toc134451987">De identiteit van RoodGroen. 32</a></p>
<p><a href="#_Toc134451988">Beginselprogramma. 36</a></p>
<ol>
<li><a href="#_Toc134451989"> Eerlijk (Herver-)Delen. 36</a></li>
<li><a href="#_Toc134451990"> Een Zeker Inkomen. 68</a></li>
<li><a href="#_Toc134451991"> Goed Werk. 90</a></li>
<li><a href="#_Toc134451992"> Economische Zeggenschap. 115</a></li>
<li><a href="#_Toc134451993"> Getemde en Gecontroleerde Financiële Industrie. 119</a></li>
<li><a href="#_Toc134451994"> Solidaire Volkshuisvesting. 127</a></li>
<li><a href="#_Toc134451995"> Solidaire Goede Zorg. 157</a></li>
<li><a href="#_Toc134451996"> Emancipatorisch en Goed Onderwijs en Kinderopvang. 210</a></li>
<li><a href="#_Toc134451997"> Groene Rechtvaardigheid. 232</a></li>
<li><a href="#_Toc134451998"> Migratie Als Een Kans. 308</a></li>
<li><a href="#_Toc134451999"> Een Veilig en Vrij Bestaan in een Democratische Rechtsstaat en in een Verbonden Samenleving. 336</a></li>
<li><a href="#_Toc134452000"> Internationale Solidariteit 353</a></li>
</ol>
<h1><a name="_Toc134451984"></a><strong> </strong></h1>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h1><strong>Inleiding</strong></h1>
<p> </p>
<p>We lijken gelukkig aan de vooravond te staan van een fusie tussen GroenLinks en de Partij van de Arbeid. Waar de politiek in ons land steeds verder versplintert wordt daarmee hopelijk een tegenstroom mee gecreëerd, die in dat versplinterde politieke landschap direct een grote betekenis kan krijgen – want fusie zou weleens de grootste partij kunnen opleveren, al zijn dat nog steeds de zeteltallen en machtspositie de met name Partij van de Arbeid decennia geleden weleens wist te bereiken. In dat fusieproces is het van belang dat het niet alleen gaat om gefuseerde fracties en gezamenlijke concrete politieke initiatieven, maar ook om gezamenlijke idealen, neergelegd in een gezamenlijk beginselprogramma. Er is nu echt momentum om het hier over te hebben.</p>
<p>Maar ook inhoudelijk is het hoog tijd om te komen tot een herziening van de bestaande teksten over beginselen bij beide partijen. Beiden zijn langzaam maar onafwendbaar in een pijnlijk maar ook hoopvol proces van terugkeer van neoliberale dwalingen, waaronder de zgn. Derde Weg. Bij GL met als dieptepunt het Kunduzakkoord en bij PvdA als dieptepunt het coalitieakkoord van Rutte II en de uitvoering daarvan.</p>
<p>De PvdA heeft van oorsprong een pluriform karakter. Bij de fusie van SDAP, Vrijzinnig-Democratische Bond en Christelijk-Democratische Unie in 1946 konden socialisten, links-liberalen en christenradicalen elkaar vinden in een beginselprogramma dat was geschreven door een vrijzinnig-hervormde predikant, Willem Banning. De PvdA bood intellectuelen en arbeiders, boeren en stedelingen, christenen en atheïsten één politiek onderkomen. Wat hen bond, zei Banning, was de politieke <em>‘wil tot sociale gerechtigheid en vrijheid’</em>.</p>
<p>Ook GL is een fusiepartij, waarin pacifisten, communisten, radicaal duurzame progressieven en een progressieve christelijke splinter in opgingen. Met een nieuwe groen en links programma wist men een geheel nieuwe beweging en koers te maken, die de duidelijke ambitie had om een serieuze regeringspartij te zijn.</p>
<p>De diversiteit in achtergrond bij het partijkader gold in de tijd dat de PvdA groot en sterk was als het geheim van haar politieke succes. Tegen die achtergrond is het des te verwonderlijker dat wat men destijds als een kwaliteit zag nu opeens een probleem zou zijn. Bij tegenstanders van een samengaan van PvdA en GroenLinks hoor je in beide partijen dat de leefwerelden van de achterbannen te veel verschillen en een fusie daarom vragen om ellende is. Dat argument gaat nogal eens gepaard met karikaturale beelden over en weer: GroenLinks zou een grootstedelijke partij zijn van veganistische bakfietsouders, de PvdA een gezelschap dat wordt gedomineerd door verzuurde <em>boomers</em>. In dat verzet tegen een fusie tellen de verschillen zwaarder dan de overeenkomsten.</p>
<p>Gelukkig is er binnen GL en PvdA wel leiderschap te vinden die de trend van toenemende versplintering binnen links wil keren, en wil samengaan in een strijd tegen rechts, in plaats van de verschillen op de vierkante millimeter op links te benadrukken. Met een nieuw elan een nieuwe start maken met een brede, links-progressieve partij. En die daarmee ook aantrekkingskracht heeft en inspiratie geeft aan linkse-progressieve kiezers buiten die twee partijen. Het is te hopen dat op termijn ook andere linkse partijen zich dan aansluiten. In de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw zei Joop den Uyl tegen Hans van Mierlo: <em>‘Eens in de twintig jaar maakt de geschiedenis een kleine opening voor verandering, die is nu, die moeten we nu proberen te benutten, anders moet je weer twintig jaar wachten.’</em></p>
<p>Daarmee ontstaat er ook ruimte voor herstel van geloofwaardigheid en een nieuw inhoudelijk beginselprogramma en agenda, na decennia geflirt van PvdA en GL met neoliberaal gedachtengoed. Dat is hoog nodig want er is bij beiden weinig rekenschap gegeven van de desastreuze gevolgen die dat voor ons land, en met name de kwetsbare groepen, hebben gehad. Dit artikel poogt een proeve te geven van zo’n nieuw beginselprogramma en agenda. De proeve heeft als doel duidelijk te maken dat een linkse samenbundeling niet hoeft te leiden tot verwatering, zoals velen zeggen te vrezen, maar juist ruimte biedt voor versterking en verdieping van ons gedachtengoed.</p>
<p>Voor de PvdA geeft de bundeling met GroenLinks een kans om haar groene idealen uit het beginselprogramma van 1976, maar die daarna tot voor kort steeds minder gepraktiseerd werden, weer tot volle bloei te laten komen. Groene – ecologische – duurzaamheid behoeft anderzijds ook sociale en culturele duurzaamheid, ze kunnen niet zonder elkaar voor succesvol beleid, en dat is bij uitstek het ideologische profiel van RoodGroen.</p>
<p>Deze proeve van een nieuw RoodGroen beginselprogramma geeft een beeld van hoe onze ideologische veren er zouden kunnen uitzien bij samenbundeling en inhoudelijke wederzijdse versterking. Die ideologische veren zijn belangrijk, omdat we ze teveel verloren zijn. Onder het mom van ‘<em>pragmatiek’</em> werden neoliberale, technocratische ‘<em>oplossingen’</em> bedacht en ingevoerd, en werd steeds meer vergeten waartoe we als links op aarde zijn. Onze politici werden ‘<em>foot-lose’</em> en dat was en is nog steeds soms helaas te merken.</p>
<p>De wetenschappelijke bureaus van de beide partijen hebben een eerste gezamenlijk visiedocument geproduceerd, <em>“Samen onze toekomst in handen nemen”</em>.<a href="#_ftn1" name="_ftnref1">[1]</a> Wezenlijke verschillen in cultuur en inhoud worden landelijk nog niet expliciet benoemd, laat staan beantwoord, zo schreef Jacques Wallage terecht in het Financieel Dagblad (waarom daar, Jacques?).</p>
<p><em>“Het serieuze gesprek tussen de leden van de partijen staat nog in de kinderschoenen. Er tekenen zich lokaal tussen afdelingen van beide partijen forse verschillen af. Wie in een hoog tempo door wil naar één partij moet er tenminste voor zorgen dat de tikkende tijdbommen onder die partijvorming benoemd, besproken en gedemonteerd worden. Ik noem er enkele. </em></p>
<p><em>Ten eerste is de omgang met grote culturele verscheidenheid in een klein land een electorale splijtzwam. Dat is klemmender nu steeds opnieuw onze toegankelijkheid voor vluchtelingen, het falen van de asielketen, in het debat wordt vermengd met de positie van hier vaak al generaties gevestigde migranten en hun (klein)kinderen. Een nieuwe linkse formatie zal ook in dit mijnenveld overtuigend positie moeten kiezen. </em></p>
<p><em>Daarnaast heeft de oorlog in Oekraïne de samenwerking binnen de NAVO versterkt. Stijgende defensiebudgetten gaan groeiende offers vragen, waarbij (bijvoorbeeld) zorg en onderwijs onder druk komen te staan. Hoe bied je progressieve kiezers in dit vraagstuk een eenduidig kompas? </em></p>
<p><em>Ook is gerede twijfel ontstaan over de vaardigheid tot handelen van de overheid. We zagen dit onder meer in Groningen, en bij het toeslagenschandaal. Voor partijen die veel van de overheid verwachten, moet dat leiden tot een fundamentele herbezinning. De beroepspolitiek moet ruimte maken voor de burger. En wat kan de overheid aan? Het politieke bestuur is een deel van het probleem geworden. Een betere overheid vraagt ook diepte-investeringen. </em></p>
<p><em>Het draagvlak voor duurzaamheid, tot slot, ontstaat alleen als rekening wordt gehouden met de forse verschillen in inkomen, gezondheid, woonsituatie en perspectief op de arbeidsmarkt. Hier moet het begrip solidariteit opnieuw inhoud krijgen. Kortom, voor een succesvolle bundeling van krachten tussen Groen Links en de Partij van de Arbeid ontkom je er niet aan de tikkende tijdbommen te onderkennen en van hun lading te ontdoen. De bezweringsformule dat bij fusie 1 + 1 straks 3 zal zijn, lijkt daarvoor niet voldoende.”</em></p>
<p>Ook Tjeerd de Jong, voorzitter van <em>De Linker Wang</em>, het pendant van de Banning Vereniging bij GroenLinks, stelt in een reactie<a href="#_ftn2" name="_ftnref2">[2]</a> op de notitie van de wetenschappelijke bureaus dat de linkse samenwerking <em>“een breder en dieper verhaal”</em> nodig heeft. “<em>De rood-groene samenwerking heeft een grondlegger nodig in de vorm van gezamenlijke uitgangspunten en visie. Het discussiestuk Samen onze toekomst in handen nemen doet hiertoe een moedige eerste poging. Er staan veel goede dingen in. In mijn ogen is het echter niet wat nodig is als grondlegger onder de linkse samenwerking. Daarvoor is een breder en dieper verhaal nodig. Een breder verhaal, waarin bestaanszekerheid niet enkel sociaaleconomisch is, maar waarin ook sociaal-culturele bestaanszekerheid en het beschermen van democratie en rechtsstaat uitgewerkt worden. En een verhaal dat dieper gaat, doordat het niet alleen het &#8216;hoofd&#8217;, maar ook het &#8216;hart&#8217; raakt.”</em> Tjeerd concludeert terecht dat de notitie meer een <em>‘beleidsstuk’</em> is dan een stuk dat fundamenten – beginselen – beschrijft.</p>
<p>Minder enthousiast ben ik over zijn suggesties om voor een <em>‘links-progressieve sociaal-culturele agenda</em>’ identiteitspolitiek tot speerpunt te nemen. Het <em>‘idee Nederland’</em>. <em>“Wat maakt Nederland? Wat is de identiteit van Nederland in de woelige wereld? Wie zijn wij met elkaar? Hoe houden wij elkaar vast? Hoe dragen wij als mensen en gemeenschap daaraan bij? Wat mogen wij verwachten van de overheid?” </em>Kern van mijn bezwaar is dat het een defensieve reactie is op een rechts-conservatieve agenda. Wij moeten als links-progressieve beweging zelf de agenda zetten, en dat gaat wat mij betreft niet over nationale identiteit maar over internationale solidariteit, emancipatie, vrijzinnigheid, coöperatie, versterking van onze democratische rechtsstaat en een betrouwbare overheid die naast de burger staat.</p>
<p>Ook ben ik niet zo enthousiast over de vernieuwingsvoorstellen voor de democratie die Tjeerd doet. Ik zie vooral ondermijning van de parlementaire, vertegenwoordigende democratie. Die zou ik liever versterken, en hier en daar wat aanvullen, maar directe democratie als tovermiddel om het vertrouwen van de burger te herwinnen ondermijnd de m.i. noodzakelijke her-ideologisering van de politiek, de afgeschudde veren moeten juist weer kleur gaan geven. En directe democratie is m.i. ook een gevaarlijk romantische voorstelling van hoe macht gerealiseerd wordt – met manipulatie en valse propaganda. Niet voor niets waren de Nazi’s fel voor referenda, en ze maakten de propaganda tot kunst. En zie ook het FvD, de neonazistische partij. De referenda over de Europese Grondwet en het associatieverdrag met Oekraïne – nota bene net na het neerschieten van een burgervliegtuig vol met Nederlanders boven Oekraïne door de Russen (die mateloos bewonderd worden door Baudet) – lieten die misleiding voluit zien. Burgerberaden hebben minder risico’s, maar ook zij zagen aan de stoelpoten van de vertegenwoordigende democratie. Ze geven voedsel aan het gif dat het parlement een nep-parlement zou zijn en dat het allemaal één groot complot is tegen de burger. Zo’n 10% van de bevolking zou dit nu al geloven in ons land. Burgerberaden kunnen prima, vooral lokaal, aanvullingen zijn om burgers beter en meer bij het democratisch proces te betrekken, maar er is echt was anders en fundamenteler nodig om onze democratische rechtsstaat te versterken. In deze <em>proeve</em> doe ik daartoe ook voorstellen.</p>
<p>Wel deel ik Tjeerd zijn oproep om meer begeestering in onze politiek, een bindend en wervend verhaal. Terecht pleit hij voor vergezichten over het <em>“Nederland waar naar wij streven”</em>. In mijn proeve laat ik bij de beginselen ook steeds dat vergezicht zien. Vervolgens geef ik een analyse van de huidige situatie daarbij – hard nodig want ook in eigen kring bij zowel GL als PvdA leven veel misverstanden en mythes, die nodig uit de weg geruimd moeten worden. Door ze expliciet te maken kunnen we daarover het gesprek voeren. Tenslotte geef ik ook een programma, een uitwerking per beginsel van hoe dat er programmatisch zou kunnen uitzien in termen van maatregelen die het vergezicht helpen realiseren vanuit de bestaande situatie.</p>
<p>Ik spreek hier daarom over een beginsel<em>programma</em>, ter onderscheiding van het huidige beginsel<em>manifest</em> uit 2005 bij de PvdA, dat een duidelijke programmatische invulling ontbeert. Bij GL is er wel een <em>programma</em>, maar dat dateert van 2008 en was gericht op 2018.</p>
<p>Maar daaraan voorafgaand kom ik met twee historische beschouwingen. De titel van deze <em>proeve</em> spreekt niets voor niets over <em>Terug naar de toekomst</em> en de leus van Joop Den Uyl <em>Om de kwaliteit van het bestaan.</em></p>
<p>De eerste beschouwing gaat over de geschiedenis van het neoliberalisme in ons land. De PvdA én GL hebben de afgelopen decennia hun ideologie verwaarloosd en werden beide geïnfiltreerd met neoliberale ideologie. In beide partijen is ook weinig kennis en begrip van de eigen geschiedenis, waardoor te leren lessen hardnekkig uit de weg worden gegaan. Met name in de PvdA werd interne kritiek vooral buiten de partij geuit, en niet binnen de partij besproken. De grootste nederlaag van de PvdA, na Rutte II, werd afgedaan in een flutstuk van Paul Depla en een talkshow, en iedereen ging gewond in een hoekje zitten. Mijn beweging <em>Linksom! in de PvdA</em>, opgericht uit verzet tegen het beleid van Rutte II, werd gemarginaliseerd met veel repressieve tolerantie. Pas sinds kort erkennen leidende politici dat <em>“jullie toen wel gelijk hadden” </em>– helaas nog niet in het openbaar. Erkennen dat je fouten gemaakt hebt en daar openlijk van leren is onder invloed van de dominante communicatiemaffia (die in de politiek én bij de overheid maar blijft groeien) in politieke partijen taboe verklaard – en dus wordt er nauwelijks nog geleerd. Het is typerend dat scherpe analyses van onze eigen politici, onthullend en confronterend opgeschreven door Duco Hellema en Margreeth van Lint in <em>Dat hadden we nooit moeten doen</em>, nooit in de partij openlijk zijn besproken. Ik vind dat een bewijs van zwakte.</p>
<p>Om dat te doorbreken ook een tweede historische analyse – over de eerdere beginselprogramma’s van vooral de PvdA. GL heeft daarin uiteraard een kortere historie en werd vanaf de oprichting waarschijnlijk ook gehinderd door he traumatische verleden door de ontmaskering van het communisme en militant pacifisme bij twee van haar vier <em>founding fathers</em>. </p>
<p>Vervolgens begin ik met een beschrijving van wat de <em>identiteit</em> van een RoodGroene partij m.i. zou moeten zijn, voordat de beginselen volgens het hierboven genoemde stramien behandeld worden.</p>
<p>De ideeën en analyses hieronder zijn geenszins nieuw, ik heb rijkelijk gebruik gemaakt van het werk van anderen.<a href="#_ftn3" name="_ftnref3">[3]</a> En ook mijn grootste originele eigen bijdragen, het Zekerheidsinkomen en de vervanging van de plicht tot betaald werk door een recht op betaald werk, heb ik al vaak eerder gepubliceerd. Ik heb het vooral geprobeerd bijeen te brengen, en te ordenen, opdat er een samenhangende visie, beginselen en programma ontstaat voor linkse, groene en progressieve politiek.</p>
<p>Ik wens u veel leesplezier, inspiratie en ergernis, want zonder tegenspraak geen vooruitgang, en ik hoop vooral dat het u tot inhoudelijk debat aanzet. Want dat ontbreekt teveel. En ja, dit is weer een lang verhaal, dus u moet er wel moeite voor doen. De ontlezing is helaas ook in de politieke partijen doorgedrongen, waar een verhaal van meer dan 2 A4’s tot gezucht en gesteun leidt. Dit is een bewuste provocatie om tegen die tijdsgeest in te gaan, tegen de oppervlakkigheid en gebrek aan kennis. Ik hoop dat genoeg mensen er een uitdaging inzien.</p>
<p>En ik nodig u allen uit om te reageren, tot debat, tot commentaar, verbeteringen en aanvullingen.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<h1><a name="_Toc134451985"></a><strong>Oorzaak van huidige crises is neoliberaal beleid</strong></h1>
<p> </p>
<p>Niet robotisering en automatisering, maar neoliberalisme is de oorzaak van de enorme ongelijkheid, armoede en het vastlopen van de overheid en de publieke sector. Van het onvermogen om de vele crises op te lossen, waardoor de problemen alleen nog maar toenemen. Zelfs de Belastingdienst dreigt geheel vast te lopen.</p>
<p>Het Akkoord van Wassenaar in ons land was een keerpunt met loonmatiging in ruil voor werkgelegenheid. Sander Heijne en Hendrik Noten (‘<em>Fantoomgroei: Waarom we steeds harder werken voor steeds minder’</em>) laten zien dat het door Rabobank nog steeds bejubelde loonakkoord beter gezien kan worden als het Waterloo van de vakbeweging: <em>‘Het maakte de vakbeweging mede verantwoordelijk voor het in gang zetten van een periode van veertig jaar waarin het reële inkomen van de werkenden niet steeg, terwijl de economie tientallen procenten groeide en bij bedrijven ‘de winst tegen de plinten klotste’.</em></p>
<p>Bij de PvdA kwam het sleutelmoment in de omslag naar het neoliberalisme volgens Duco Hellema en Margriet van Lith in <em>‘Dat hadden we nooit moeten doen: de PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig’</em> met de WAO-crisis in 1991: <em>“Uit protest gaven de laatste twee ‘working-classparlementariërs’ hun zetel op, en zegden tussen 1989 en 1994 zo’n 30% van de leden, vooral ‘kritisch georiënteerde vakbondsleden’, hun lidmaatschap op. Dat maakte dat vanuit de leden steeds minder tegenwicht werd geboden aan de neoliberale hervormingen en dat de traditionele achterban en het kader van de PvdA, bestaand uit overwegend mensen uit de hogere middenklasse, verder van elkaar verwijderd raakten.”</em> In de Paarse periode en in de daaropvolgende periode onder Bos en Samsom deze eeuw werd het marktgeloof in de PvdA dominant en werd de PvdA voorstander van privatiseringen, marktwerking in de publieke sector en gingen we patiënten als zorgconsumenten zien. Ook GroenLinks ging daar met o.m. het Kunduz-akkoord, en later met o.m. steun aan de criminaliserende wet Fraude Sociale Zekerheid en aan de vervanging van de basisbeurs door rentedragende studieleningen op het hoogtepunt van de schuldencrisis in mee, en Halsema kreeg een prijs van de JOVD als beste liberaal.</p>
<p>Het sociaaleconomisch debat werd gedepolitiseerd, en daarmee neoliberaal. Politieke economie verdween en daarmee ook de linkse economen. Het CPB ging de verkiezingsprogramma’s langs de neoliberale maatstaf leggen, een maatlat die bijv. iedere stijging van uitkeringen en van het minimumloon vertaalde in onvermijdelijke hogere werkloosheid, want minder prikkel om te gaan werken of meer te gaan verdienen. Het dieptepunt van de gevolgen van het neoliberaal geloof was de verlaging van de Wajong-uitkering door Rutte III om jonggehandicapten te prikkelen tot werk.</p>
<p><em><u>Maar wat is neoliberalisme nu eigenlijk?</u></em></p>
<p>Maar wat is dat neoliberalisme nu eigenlijk?<a href="#_ftn4" name="_ftnref4">[4]</a> Internationaal is er, vooral in de afgelopen twee decennia, door wetenschappers al veel gezegd en geschreven over deze glibberige, bijna verborgen, maar heersende ideologie. In Nederland ontbrak zo’n studie. Tot voor kort. <em>Neoliberalisme, een Nederlandse geschiedenis </em>(Boom, 2022) van Bram Mellink en Merijn Oudenampsen, met een bijdrage van Naomi Woltring, traceert de oorsprong en ontwikkeling van het neoliberalisme in Nederland van 1929 tot 2002.</p>
<p>Die data zijn niet toevallig gekozen. Het jaar 2002 markeert de overgang van de ‘<em>paarse’</em> kabinetten-Kok naar de ‘<em>centrumrechtse’</em> kabinetten-Balkenende. En 1929 is natuurlijk het jaar van de rampzalige beurskrach die ervoor zorgde dat vriend en vijand het erover eens werden dat de vrije kapitalistische markt, mits onbewaakt, kon ontaarden in geconcentreerde marktmacht, hyperinflatie en massawerkloosheid. Het <em>‘laissez-faire’</em>-liberalisme raakte daarmee uit de mode. Liberalen en marktdenkers op het Europese continent zochten in de jaren dertig en veertig naar manieren om hun ideologie opnieuw vorm te geven en vonden die in het zogeheten neoliberalisme. De ideologische kern van dat nieuwe liberalisme, zoals de auteurs helder uitleggen, was dat de staat zich niet terug moest trekken, maar juist een actieve rol moest spelen in het beschermen, onderhouden en aanjagen van een competitieve marktsamenleving. De markt was geen organische natuurkracht maar een programmeerbare machine. Economen, juristen en bestuurders zaten achter de knoppen.</p>
<p>Na de oorlog werd de centrale vraag hoe de economische groei kon worden aangejaagd en werkloosheid kon worden voorkomen. Waar de Keynesianen wilden inzetten op vraagstimulering via overheidsinvesteringen en hoge lonen voor private consumptie, daar zagen neoliberalen liever een ‘<em>aanbodbeleid’</em> dat bedrijven via belastingverlaging en loonmatiging een stevige concurrentiepositie zou verzekeren. Banen zouden dan wel komen.</p>
<p>De strijd tussen deze benaderingen verliep niet zozeer <em>tussen </em>politieke partijen, maar vond juist ook plaats <em>binnen </em>die partijen. De confessionele meerderheid was bijvoorbeeld gespleten in werkgevers- en werknemersflanken. Uiteindelijk lukte het Albert Winsemius, voorzitter van het sociaal overlegorgaan Hoofdcommissie voor de Industrialisatie, eind jaren veertig om de vakbonden, nog angstig voor massawerkloosheid, te overtuigen van een neoliberale aanbodstrategie. Nederland werd een prijsvechter.</p>
<p>Het leidt tot een van de meest opmerkelijke conclusies van <em>Neoliberalisme</em>: Nederland is welbeschouwd nooit Keynesiaans geweest. Dat druist in tegen de wetenschappelijke gemeenplaats dat Europese leiders de naoorlogse ‘<em>Golden Age of Capitalism’</em> vormgaven met Keynes’ <em>General Theory</em> in de hand. De verzorgingsstaat is volgens de auteurs dan ook niet opgebouwd door sociaaldemocraat Willem Drees in de jaren 1948-1958, maar werd in z’n volle omvang pas in de jaren zestig door confessioneel-liberale kabinetten gerealiseerd.</p>
<p>Hoe was dit mogelijk? Juist het succes van Nederland als goedkoop exportland, vertellen de auteurs, zette in de jaren vijftig en zestig door de lage werkloosheid opwaartse druk op de lonen. Bedrijven, hongerig om arbeid, ondermijnden de ‘<em>geleide loonpolitiek’</em> met extra zwart loon. Toen de confessionele premier Jan de Quay de loonmatiging begin jaren zestig losliet, stegen de lonen daarom met zo’n 10 procent per jaar. Voor Nederlanders betekende dit een ongekende welvaart, maar op het Binnenhof brak het angstzweet uit: de aanbodgeleide grond onder de welvaart was weggeslagen. Hogere lonen zouden bovendien hogere prijzen betekenen, waar weer nieuwe looneisen op zouden volgen. De bonden kwamen met een compromis: ze zouden loonmatiging accepteren in ruil voor een uitbreiding van de sociale zekerheid en de publieke sector. De neoliberalen zaten klem. Schoorvoetend bouwden zij de Nederlandse verzorgingsstaat uit.</p>
<p>Dat ‘<em>compromis’</em> kan volgens Mellink en Oudenampsen worden gezien als een zeldzame sociaaldemocratische zege. Politici als Joop den Uyl, geïnspireerd door de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith, hadden al de wens om een meer collectieve vorm van weelde tegenover de kapitalistische consumptiemaatschappij te zetten. De neoliberalen hadden daarentegen veel liever ‘<em>particuliere bezitsvorming’</em> gezien, hoe moeilijk die ook samenging met magere lonen. Zij putten daarvoor uit het werk van de katholieke ‘<em>ordoliberaal’</em> Wilhelm Röpke. Die bracht een synthese tussen christendemocratische en neoliberale denkbeelden tot stand en bleek cruciaal om het neoliberalisme in het overwegend confessionele Nederland te laten aarden. De arbeider moest volgens Röpke ‘<em>ontproletariseren’</em> door zich de deugd van de ‘<em>verantwoordelijkheid’</em> eigen te maken. Een afhankelijkheidsrelatie met de overheid stond dat enkel in de weg. De arbeider moest <em>zelf </em>kapitaal in zijn bezit hebben. Volkshuisvesting moest daarom plaatsmaken voor het koophuis. De verzorgingsstaat werd bovendien over de jaren steeds meer een ‘<em>participatiesamenleving’</em>. De ‘<em>responsibilisering’</em> van de bevolking werd op deze manier door de jaren heen een strijdkreet voor het ontmantelen van de sociale zekerheid en de flexibilisering van de arbeidsmarkt.</p>
<p>Terecht doet dit betoog twijfelen aan het Nederlandse zelfbeeld als voorbeeldige verzorgingsstaat. Sinds de jaren tachtig is die namelijk op internationaal recordtempo teruggeschroefd. Bovendien werd de arbeidsmarkt ten bate van de marktcompetitie steeds verder geflexibiliseerd. Ironisch genoeg heeft Röpkes visie van ‘<em>ontproletarisering’</em> daarom een groeiend deel van de bevolking in een precaire positie gestort, terwijl die onzekerheid nu juist besloten lag in Karl Marx’ begrip van <em>‘het proletariaat’</em>.</p>
<p>Het uithollen van de concurrentiepositie van werkenden, het matigen van hun lonen en het stimuleren van huizenbezit vallen daarnaast ook niet los van elkaar te zien. De loonexplosies uit de vroege jaren zestig herkennen we vandaag de dag vooral van de prijsexplosies op de huizenmarkt. Terwijl de reële lonen de afgelopen veertig jaar stagneerden, werd de economische groei vooral via stijgende huizenprijzen aan de bevolking uitgekeerd. Het is een sociaal contract dat met de wooncrisis van de afgelopen jaren definitief onhoudbaar is geworden omdat jongere generaties ervan zijn uitgesloten.</p>
<p><em><u>Sluipende overname door neoliberale topambtenaren</u></em></p>
<p>In de jaren tachtig van de vorige eeuw, het decennium van premier Ruud Lubbers, was het ideaal evenwel nog springlevend. De loonmatiging werd in deze magere jaren voortgezet, maar nu geflankeerd door bezuinigingen op sociale voorzieningen. Aanbodstimulering, nu <em>‘supply-side economics’</em> geheten, was terug van nooit weggeweest. Winstherstel werd prioriteit, banen zouden wel volgen. In de Angelsaksische landen werden deze beleidsleerstukken openlijk in de politiek beleden. Voor de Nederlandse casus volgt <em>Neoliberalisme </em>hun opkomst naar de meer verscholen ministeries Economische Zaken en Financiën. Dat is een fijne methodologische keuze, weg van <em>‘Great Man Theory’</em> die zich oriënteert op de handelingen van grote staatsmensen als Reagan en Thatcher naar de subtielere onderstromen die de geschiedenis voortstuwen. Op de ministeries groeide onder leiding van topambtenaren als thesaurier-generaal van Financiën Pieter Korteweg en secretaris-generaal van Economische Zaken Frans Rutten een obsessie met <em>‘het staatshuishoudboekje’</em>, dat we als kinderen van de crisis maar al te goed kennen. De overheid moest haar schuld binnen de perken houden en de begroting moest zo veel mogelijk rond. Het zogenaamde ‘<em>monetarisme’</em> van Chicago-econoom Milton Friedman speelde daarin een theoretische glansrol. Bankiers en staatsmensen zouden zich louter moeten toeleggen op het bestrijden van inflatie in plaats van op werkgelegenheid. Hier toont zich de typisch neoliberale instelling: overheden en centrale banken moeten prijsstabiliteit garanderen zodat de markt soepeltjes kan draaien.</p>
<p>Naast het monetarisme graven Mellink en Oudenampsen ook de <em>public choice</em>-theorie op als een centraal referentiekader voor neoliberale ambtenaren. De in universitair Virginia en Chicago populaire doctrine kreeg in Nederland door econoom en later topambtenaar Willem Drees jr. – <em>de zoon van</em> – een binnenlandse twist. Achter marktfalen zagen deze theoretici staatsfalen. Ambtenaren zouden net zulke egoïstische nutsmaximalisatoren zijn als de gemiddelde marktpartij. Zij werden niet geleid door wollige noties als het publieke belang, maar wedijverden om macht. Dat vertaalde zich in immer groeiende departementen en vooral in groeiende begrotingen. Hun spendeerdrift moest daarom worden bedwongen door financiële prikkels en door <em>output-targets</em> te introduceren, naar het recept van ‘<em>New Public Management’.</em> Als ambtenaren zich als marktpartijen gedroegen, dan moest de overheid ook meer als een markt worden ingericht.</p>
<p>De formulieren, <em>targets </em>en competitie die <em>New Public Management</em> heeft gebracht zijn voor iedereen die nu in de publieke sector werkt nog steeds herkenbaar. <em>Neoliberalisme – een Nederlandse geschiedenis</em> maakt heel duidelijk hoe de bureaucratie in de publieke sector niet het tegendeel van marktwerking is, maar juist haar voorwaarde. Zo gaan aan Nederlandse universiteiten visitatiecommissies gepaard met kokette merchandise. Ook de wedijverende ministers zien we vandaag de dag terug, bijvoorbeeld in de vorm van portefeuillehouders die tijdens diepe coronagolven elk bij de minister van Volksgezondheid pleitten voor de opening van hun eigen sector. Het publieke belang van een overheidsgeleide pandemiebestrijding verdwijnt zo naar de achtergrond. De minister van Volksgezondheid bewaakt de ziekenhuiscijfers als ware het een staatskas en besteedt de regie liever zo veel mogelijk uit aan de maatschappelijke sectoren. Zou het kunnen dat het idee van egoïstisch knokkende ministers zo’n gemeenplaats is geworden dat bestuurders zich op voorhand alvast naar die rol voegen? Zoals sociologen weten volgt de werkelijkheid soms de theorie in plaats van andersom.</p>
<p><em><u>De kern van het neoliberalisme is om de markt op afstand te zetten van democratische inmenging: het onmogelijk maken van Keynesiaanse begrotingspolitiek met de Zalmnorm en de deregulering en liberaliseringen van de financiële sector</u></em></p>
<p>Om de ministers en ambtenaren in toom te houden moest het ministerie van Financiën volgens de neoliberalen naast het toedienen van wat prikkels vooral harde grenzen stellen. De <em>‘schatkistbewaarders’</em> bewapenden zich met de Zijlstranorm, de Rommenorm en uiteindelijk met de Zalmnorm, die de overheidsuitgaven begrensde op de verwachte economische groei. Keynesiaans conjunctuurbeleid werd almaar meer een de facto onmogelijkheid. Die onmogelijkheid werd overigens voorgoed verzegeld in het Europese Groei- en Stabiliteitspact van 1997, waarin de notoire begrotingsnormen zijn vastgelegd dat de staatsschuld niet meer dan 60 procent en het begrotingstekort niet meer dan 3 procent van het BBP mag bedragen. Na 2008 werd het verzekeren van prijsstabiliteit via monetaire expansie en fiscale soberheid daarom het devies. De PvdA hielp met de bezuinigingen. De les, waar de auteurs slechts naar hinten, die we hier mogen trekken is dat de kern van het neoliberalisme altijd is geweest om de markt op afstand te zetten van democratische inmenging. Dat laatste vormde immers, zoals de titel van Hayeks bestseller waarschuwde, <em>‘de weg naar slavernij’</em>. Anders dan we vaak geloven is Thatchers <em>‘There is no alternative!’</em> veeleer gevolg dan oorzaak van het neoliberalisme.</p>
<p>Een belangrijke rol speelde ook de deregulering en liberaliseringen van de financiële sector. Tot begin jaren negentig van de vorige eeuw konden geld en andere waardepapieren moeilijk de landsgrenzen over. Het besluit van de Europese Unie uit 1993 om vrij verkeer van kapitaal toe te staan zorgde voor een enorme versterking van de onderhandelingsmacht van alles en iedereen met kapitaal. Sindsdien is het: <em>Pas maar op met wat je eist, want we kunnen ons kapitaal zo verhuizen</em>’. De enorme mobiliteit van kapitaal werd mede mogelijk gemaakt door nieuwe informatietechnologie, maar het waren politieke besluiten die ervoor zorgden dat kapitaal niet alleen de wereld over kón flitsen, maar ook mócht flitsen, op zoek naar de plek waar het kapitaal het meest rendeert.</p>
<p>Daarnaast werden ook tal van andere financiële restricties in de jaren tachtig en negentig opgeheven. Banken hoefden zich voortaan niet langer te beperken tot het bewaren van spaargeld en het verschaffen van krediet, maar mochten voortaan allerlei financiële ‘<em>producten’</em> ontwikkelen. Het bracht een stroom van ondoorzichtige financiële instrumenten en advisering op gang, die voor banken lucratiever zijn dan saaie kredietverlening. Ook het opkopen en weer verkopen van andere bedrijven en bedrijfsonderdelen werd gemakkelijker gemaakt. Een andere vorm van financiële deregulering, met grote gevolgen voor de verhouding tussen bedrijven en werknemers, was het opheffen van de restricties voor ‘<em>Bijzondere Financiële Instellingen’</em>, oftewel brievenbusfirma’s, begin jaren tachtig. De vrijheid voor BFI’s gaf een boost aan belastingontwijking, en daarmee aan de verschuiving van belasting op winst naar belasting op arbeid. Want het geld voor publieke voorzieningen moet ergens vandaan komen, en de BFI’s zorgen ervoor dat bedrijven daar steeds minder aan bijdragen. Het aantal BFI’s groeide van zevenhonderd eind jaren zeventig naar vijftienduizend in 2012. Het gekke is dat de vele instituten die pleiten voor hogere lonen, van de ECB tot het IMF en de OESO, niet de relatie leggen met de deregulering van het kapitaal en de arbeidsmarkt als belangrijke oorzaak daarvan.</p>
<p>Pensioenfondsen kregen veel minder regels over het vermogensbeheer, waarna de risico’s en de kosten enorm toenamen. Op het eerste gezicht lijken pensioenen dé manier om werkenden een graantje mee te laten pikken van de hoge winsten en beleggingsrendementen. Toch is het eerder omgekeerd. Pensioenfondsen zijn zich de afgelopen decennia steeds meer gaan richten op snelle hoge rendementen, en daarmee dragen ook zij bij aan de financialisering van de economie, stelt de eerdergenoemde WRR-studie. De fondsen zijn beleggers in waardepapieren geworden in plaats van investeerders gericht op echte economische productie. Dat pensioenfondsen zich gedragen zoals ze zich gedragen heeft alles te maken met de Nederlandse regels rond pensioenen. Het systeem van dekkingsgraden en rekenrente zorgt ervoor dat de fondsen zich richten op een schijnwerkelijkheid. Langetermijninvesteringen zijn moeilijker meetbaar dan snel stijgende aandelenkoersen. Natuurlijk hebben we allemaal belang bij een goed pensioenrendement, maar niet bij lucht. Werd er twintig, dertig jaar geleden nog vooral in Nederland belegd in langjarige investeringen in bijvoorbeeld woningen, inmiddels zit bijna alle vermogen in buitenlandse waardepapieren. En de les uit het verleden is dat je een deel van dat geld altijd kwijtraakt.</p>
<p><em><u>Aandeelhouders aan de macht, en de financialisering van de samenleving</u></em></p>
<p>Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw hadden aandeelhouders in Nederland weinig te zeggen. Er waren veel minder bedrijven beursgenoteerd – ondernemingen die investeringskapitaal nodig hadden leenden van banken. De aandeelhouders die er waren, hadden wettelijk veel minder in de melk te brokkelen – de leiding van het bedrijf was de baas. Dat veranderde toen in de jaren negentig het zogeheten structuurregime voor bedrijven werd gewijzigd. Ook de code-Tabaksblat van 2004, voorbereid door een commissie onder leiding van Unilever-topman Morris Tabaksblat, gaf aandeelhouders meer macht. Vanuit Europa kwam daar de Europese overnamerichtlijn bij, op initiatief van EU-commissaris en oud-VVD-leider Frits Bolkestein. Fusies, overnames en verandering van de structuur van een bedrijf waren voortaan het domein van aandeelhouders. Met als gevolg dat veel geld van bedrijven gaat naar het overnemen van (delen van) andere bedrijven in plaats van naar lonen of investeringen in toename van de productie. ‘<em>Kwartetten’</em>, noemt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat in haar onderzoek naar de financialisering van Nederland (2016).</p>
<p>Het hiervoor genoemde vrij maken van het kapitaalverkeer heeft ook grote effecten op het gedrag van aandeelhouders. Investeerden zij voorheen geduldig in bedrijven in eigen land, nu zijn ze weg zodra ze elders hogere rendementen kunnen krijgen. Het kapitaal van bedrijven wordt sindsdien meer en meer ingezet voor snelle koersstijgingen in plaats van voor lonen en investeringen. De huidige beurs is een enorme prikkel tégen het belang van werknemers. Als een bedrijf een loonsverhoging aankondigt betekent dat vrijwel altijd het kelderen van de koers, terwijl het aankondigen van ontslagen meteen leidt tot koersstijgingen.</p>
<p>Aandeelhouders hoeven hun macht overigens meestal niet letterlijk aan te wenden. Het management van bedrijven anticipeert ook zonder directe druk op de behoeften van de aandeelhouders. Dat is niet zo vreemd, want bij veel bedrijven is de beloning van de top afhankelijk van de aandelenkoers, een rechtstreekse prikkel voor het sturen op aandeelhouderswaarde in plaats van op de toekomstbestendige strategie van het bedrijf.</p>
<p>Ook ‘<em>gewone’</em> bedrijven, bedrijven die geen deel uitmaken van de financiële sector, zijn de afgelopen dertig jaar geld gaan verdienen met handel in financiële producten: derivaten en andere vormen van financial engineering die ontstonden dankzij financiële deregulering. Want waarom zou je nog kopjes of auto’s maken als je met financiële beleggingen meer kunt verdienen? Om welk deel van de omzet of de winst het gaat weet niemand, want het wordt nergens geregistreerd. Het is de omgekeerde wereld: In plaats van banken die geld verschaffen aan bedrijven verschaffen bedrijven nu het geld aan de financiële industrie. Winst van bedrijven vertaalt zich niet in loon of productieve investeringen, maar vloeit naar financiële instrumenten. Werknemers raken buiten beeld, want die heb je voor die financiële handel niet nodig.</p>
<p>Belangrijker echter is een andere vorm van financialisering: Bedrijven zijn alles wat ze doen in financiële maatstaven gaan vertalen. Dat zorgt niet alleen voor een enorme focus op de korte termijn, maar ook voor armoedig beleid. En datgene wat mensen toevoegen, namelijk samenwerken, is niet meetbaar en wordt daardoor ook niet erkend. Het is een vorm van financialisering die niet alleen in het bedrijfsleven hoogtij viert, maar evengoed bij de overheid en in de publieke sector. Volgens Brits onderzoek in opdracht van de internationale arbeidsorganisatie ILO is financiële deregulering en de financialisering die daar het gevolg van is de belangrijkste oorzaak van het achterblijven van de lonen (<em>Why Have Wage Shares Fallen,</em> 2013).</p>
<p>Volgens de gangbare economische theorie komen exorbitante winsten in een vrije markt niet voor, want er zijn altijd concurrenten die het product voor een lagere prijs gaan aanbieden. De mededingingswetgeving moet er bovendien voor zorgen dat bedrijven nooit te groot worden. Die faalt echter hopeloos, ondanks de neoliberale ideologie die stelt dat de staat goede marktwerking moet afdwingen. Want hoewel geen enkel bedrijf de hele markt in handen heeft, is er toch sprake van monopolieachtige praktijken. Met als gevolg onverdiende winstgevendheid. Grote bedrijven doen er alles aan om concurrentie uit te bannen en overheden helpen hen daarbij. Schaalvergroting van bedrijven gaat al lang niet meer over kostenvoordeel, maar over het uitbannen van concurrentie, bijvoorbeeld door concurrenten op te kopen. Nationale overheden zullen hier nooit tegen optreden – soms omdat ze maar wat trots zijn dat ‘<em>hun’</em> bedrijf groeit, soms uit angst dat het bedrijf anders vertrekt. De Europese mededingingsautoriteit probeert het soms wel, maar het is verrekte lastig. We hebben een veel te optimistisch beeld van de markteconomie. Albert Heijn heeft een derde van de markt in handen. Dat is officieel geen monopolie, maar in de praktijk is het dat wel. De supermarktketen zet met haar grote marktaandeel toeleveranciers onder druk, waarop die toeleveranciers aan het bezuinigen slaan op hun werknemers.</p>
<p>Ook de gevoeligheid van consumenten voor merken versterkt de winstgevendheid van bedrijven. Neem spijkerbroekenmerk Diesel. Diesel maakt die broeken niet, ze kopen de kant-en-klare producten in Azië voor een paar euro en zijn zelf alleen maar verhandelaar. Maar omdat er Diesel op staat kunnen ze er honderd euro per stuk voor vragen. Een hoge prijs vergroot zelfs de status van het merk, dus tel uit je winst. En de concurrent doet precies hetzelfde. De combinatie van merkmacht en het uitbesteden van de productie zorgt voor lage lonen en hoge winsten.</p>
<p><em><u>Vrije markt voor alles, maar niet als de lonen daardoor omhoog zouden gaan</u></em></p>
<p>Inflatiebestrijding, privatiseringen, <em>output-</em>targets, belastingvoordelen voor bedrijven, begrotingsnormen, flexibilisering en marktwerking – het zijn typische wapens uit het neoliberale beleidsarsenaal. Steeds verzekert een sterke staat een ‘<em>vrije’</em> markt. Alleen de loonmatiging die volgens de auteurs de ruggengraat van de Nederlandse politieke economie vormt is geen eenduidig voorbeeld. Neoliberalen zien vakbonden die om hogere lonen strijden als een vorm van concurrentievervalsing door ‘<em>pressiegroepen’</em>. De lonen drukken vinden ze evenwel geen probleem. Sturen op prijsstabiliteit vergt nu eenmaal stagnerende lonen om loonprijsspiralen te voorkomen.</p>
<p>De overheid gaat, afgezien van de ambtenarensalarissen en die in de publieke sector (onderwijs, zorg, kinderopvang, etc.; samen de grootste werkgever in ons land!), officieel niet over de lonen, maar achtereenvolgende kabinetten hebben met tal van maatregelen sterk bijgedragen aan loonmatiging. Door te dreigen dat ze anders de Cao-afspraken niet algemeen bindend zou verklaren (die zorgt ervoor dat de Cao voor de hele sector geldt, ook bij bedrijven die niet mee-onderhandelden), door het wettelijk minimumloon te bevriezen of te verlagen, en door het psychologisch effect dat uitgaat van het korten van de ambtenarensalarissen. Het Centraal Planbureau, belangrijk adviesorgaan voor het kabinet, schatte tot 2008 de loonruimte bovendien stelselmatig te laag in: de werkelijke loonruimte (bestaande uit toename van de arbeidsproductiviteit plus inflatie) bleek jarenlang achteraf hoger te zijn dan wat het CPB inschatte.</p>
<p>De hoogte van het minimumloon is sterk bepalend voor de lonen aan de onderkant. Het minimumloon werd in de jaren tachtig verlaagd en groeide ook daarna niet mee met de gemiddelde welvaartsstijging. In 1976 was het minimumloon nog 68 procent van het gemiddelde loon, inmiddels is dat 48 procent. Tegelijkertijd werden juist meer mensen afhankelijk van de hoogte van het minimumloon, omdat er met name in de jaren negentig steeds meer loonschalen bij kwamen die nauwelijks boven het minimumloon zitten.</p>
<p>Toen het wettelijk minimumloon eind jaren zestig werd ingevoerd, was het criterium dat een gezin met twee kinderen, wonend in de stad, ervan kon leven. Dat behoeftecriterium is losgelaten. Impliciet of expliciet wordt ervan uitgegaan dat gezinnen minstens anderhalf-verdiener zijn. Maar dat betekent dus wel een lager loon per uur. Het verlagen van het minimumloon is gunstig voor de overheidsfinanciën, omdat de hoogte van de bijstand, de Wajong, de AOW en een paar andere uitkeringen afhankelijk is van de hoogte van het minimumloon.</p>
<p>Je zou het met de huidige eensgezindheid over de noodzaak van loonstijgingen bijna vergeten, maar een kleine veertig jaar lang zweerden werkgevers, werknemers en overheid bij loonmatiging. Het beteugelen van de lonen zou zorgen voor meer werkgelegenheid, voor extra investeringen en voor toenemende export. Veertig jaar geleden was daar ook best iets voor te zeggen, de lonen stegen in de jaren zeventig sterker dan de arbeidsproductiviteit en dat gaat niet heel lang goed. Maar loonmatiging bleef ook de heilige graal toen er economisch helemaal geen reden meer toe was, sterker nog, toen er economisch veel voor te zeggen was de lonen flink te laten stijgen. Zonder loon immers geen koopkracht, en de Nederlandse economie is voor zeventig procent afhankelijk van de binnenlandse vraag naar producten en diensten.</p>
<p>En zelfs nu kost het de FNV soms moeite de eigen mensen te overtuigen. Het idee dat een minder hoge looneis goed is voor de werkgelegenheid en de concurrentiepositie zit diep. Op zichzelf hoeft de extra beloning van werkenden niet in directe loonstijging te zitten, er kan ook gekozen worden voor betere secundaire arbeidsvoorwaarden. Maar niet alleen de lonen zelf stagneren, ook het totale deel van het nationale inkomen dat naar werkenden gaat, daalt.</p>
<p>Een belangrijk argument voor loonmatiging was decennialang dat loonstijgingen zorgen voor prijsstijgingen, dus inflatie, en dat er zo een eindeloze vicieuze cirkel van loon- en prijsstijgingen zou ontstaan. Prijsstijgingen leiden immers weer tot nieuwe looneisen. Opmerkelijk is dat de redenering ‘<em>loonstijgingen zorgen voor inflatie’</em> geen reden was om de lonen te verhogen toen er afgelopen jaren juist gebrek aan inflatie was. Maar het hele idee dat looneisen als vanzelf tot inflatie leiden is een misverstand. Dat gebeurt immers alleen als bedrijven de prijzen vanwege die loonstijgingen moeten verhogen. Maar met de huidige winsten kan de loonstijging makkelijk uit de winst betaald worden, de prijzen hoeven helemaal niet toe te nemen als de lonen omhoog gaan. De huidige hogere prijzen leiden alleen tot hogere winsten, een loon-winst-spiraal, in plaats van loon-prijsspiraal.</p>
<p><em><u>Het neoliberalisme is niet dood, het heeft de rijken weer terug aan de macht gebracht en de staatsinstituties zijn afgebroken, we leven daardoor in een ‘holle staat’</u></em></p>
<p>Onbedoeld bijeffect van de inflatiebestrijding van het afgelopen decennium was bovendien dat kapitaalbezitters hun portfolio’s zagen exploderen met vers gedrukt geld. Wellicht kunnen we de interne consistentie van het neoliberalisme niet zozeer begrijpen aan de hand van z’n intellectuele capriolen als wel via z’n praktische commitments. Zoals historicus Adam Tooze schrijft: <em>‘As a practice of power, neoliberalism had always been radically pragmatic. Its real history was that of a series of state interventions in the interests of capital accumulation, including the forceful deployment of state violence to bulldoze opposition.</em>’ Iets vergelijkbaars is te lezen in David Harveys <em>A Brief History of Neoliberalism</em> (2005): <em>‘If the project was to restore class power to the top elites, then neoliberalism was clearly the answer</em>.’</p>
<p>Gezien de vurigheid waarmee menig politicus het neoliberalisme vandaag de dag afzweert is het tijd voor een project dat de klassenmacht weer kan verleggen. Het neoliberalisme is echter allerminst dood. Niet alleen is er een gebrek aan nieuwe machtige ideeën, het neoliberalisme heeft een <em>‘holle staat’</em> gebaard die voor weinig andere politieke doeleinden dan marktfanatisme kan worden ingezet.</p>
<p>Tweeënhalf miljoen Nederlanders dreigen nu hun rekeningen niet meer te kunnen betalen en hen wacht armoede en honger. Volgens de regering vraagt deze sociale ramp vooral een technische reactie, een ‘<em>koopkrachtreparatie’</em>. Verder helaas weinig aan te doen, de gereedschapskist van de staat is leeg, zei minister Kaag van Financiën met zoveel woorden. In plaats van beleid volgde er daarom een loze oproep aan werkgevers om de lonen te verhogen, na een storm van verontwaardiging alsnog gevolgd door een prijsplafond voor kleinverbruikers, waarbij de overheid (de belastingbetaler dus) bijpast maar de energiebedrijven vooralsnog niet. Staatssecretaris van Financiën, Marnix van Rij, knikte instemmend. Een <em>windfall taks,</em> die de recordwinsten van energieproducenten afroomt, zou de markt verstoren: moeten we ze in slechte tijden dan ook subsidie geven?</p>
<p>Het is een typisch neoliberaal schouwspel. Het is hoog tijd om de focus te verleggen van grote politici en grote ideeën naar de wederopbouw van, zoals de auteurs van <em>Neoliberalisme</em> het noemen, ’s lands ‘<em>institutionele capaciteiten’</em>, zoals de Volkshuisvesting, de Nutsbedrijven, de Arbeidsvoorziening, en de Ruimtelijke Ordening. Dat vereist op bijna ieder terrein van de overheid systeemwijziging, en dan niet als excuus om zaken op de lange baan te schuiven, maar met een voortvarende aanpak, die de urgentie om de enorme problemen (‘<em>crises’</em>) op te lossen weerspiegelt.</p>
<p> </p>
<h1><a name="_Toc134451986"></a><strong>De verwording van de sociaaldemocratie in de PvdA</strong></h1>
<p> </p>
<p>In 1977 stelde het PvdA-beginselprogramma nog: <em>“Het demokratisch-socialisme stelt zich een zodanige herverdeling van kennis, arbeid, inkomen en macht ten doel dat alle mensen in staat zijn zich zelfstandig te ontwikkelen en in vrijheid te ontplooien. Demokratisch-socialisten zetten zich in voor een samenleving waarin de kwaliteit van het bestaan voor allen gelijk is. Van zulk een samenleving verwachten socialisten dat ze de ontwikkeling van eigenschappen die de mensen met elkaar verbinden zal bevorderen. Onderlinge wedijver in de zin van naijver en het streven naar persoonlijke of groepsvoordelen, terwijl anderen gebrek lijden, zullen er geen gunstige boden vinden; menselijke solidariteit daarentegen wel. Van een samenleving in demokratisch-socialistische zin is momenteel geen sprake en zeker niet op wereldschaal. Willen wij ernst maken met het streven naar een dergelijke samenleving, dan is solidariteit met en tussen de onderdrukten en ontrechten geboden, zowel in ons eigen land als daarbuiten. Juist socialisten, die kapitalisme evenzeer afwijzen als staatssocialisme, zullen er steeds voor moeten waken de vrijheid en welvaart van enkelen, van bepaalde groepen of volken, niet te vergroten ten koste van die van anderen. De demokratisch-socialistische beginselen mogen niet verworden tot een soort beschermende ideologie van de feitelijke machtsverhoudingen of van de bevoorrechte positie van het rijke Westen.”</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1482" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-01-300x129.png" alt="" width="300" height="129" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-01-300x129.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-01-768x331.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-01.png 900w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>In het – helaas – nog steeds geldende PvdA beginselmanifest (een beginselprogramma ontbreekt dan) uit 2005 is echter juist die verwording terug te lezen. <em>“&#8217;De sociaal-democratische methode&#8217; kan niet zonder een sterke economie en een vitale markt maar begrenst deze door kaders die niet vanzelfsprekend door die markt geleverd worden: sociale rechtvaardigheid, democratische verantwoording, publiek belang, culturele ontwikkeling en ecologische duurzaamheid.”</em> Het manifest prijst de sociaaldemocratie niet voor haar strijd, maar voor haar ‘<em>realisme’</em>. Bij het recht op een fatsoenlijk bestaan wordt benadrukt dat <em>“In een open economie is effectief herverdelen een lastige opgave. Dat is geen reden om de ambitie op te geven, wel om het doel duidelijk te formuleren.” </em>Vervolgens wordt benadrukt dat de toenemende diversiteit de solidariteit onder druk zet, om vervolgens de migranten de schuld te geven: <em>“Het keren van die ontwikkeling vraagt om selectieve migratie, het ontwikkelen van gedeelde oriëntaties op verleden en toekomst van onze maatschappij en het radicaal bestrijden van achterstelling en achterstand.”</em> Even verder worden de prestaties van onze verzorgingsstaat gerelativeerd door te stellen dat die gepaard gaan met <em>“regelzuchtige bureaucratisering, gebrek aan uitvoeringsresultaat en gebrekkige democratische controle.”</em></p>
<p>De oplossing daarvoor is volgens het manifest <em>“nabij bestuur”</em>, wat de basis werd voor latere desastreuze neoliberale decentralisaties (jeugdzorg, wmo, participatiewet), het gebrek aan nationale regie (volkshuisvesting, ruimtelijke ordening) en een – tijdelijke, gelukkig weer verlaten –meer Eurosceptische houding van de PvdA.</p>
<p><em><u>Democratisch socialisme werd sociaaldemocratie. </u></em></p>
<p>Bij democratisch socialisme ging het om het ideaal van een socialistische maatschappij, waarbij anders dan bij het communisme geen sprake was van staatssocialisme maar van zeggenschap en vrijheid van mensen binnen solidariteit en geen onrechtvaardige ongelijkheid. Bij de sociaaldemocratie ging het sinds de jaren 1990 steeds meer om gelijke kansen, niet meer om opheffen van onrechtvaardige ongelijkheid. Een meritocratisch ideaal, dat in een steeds vrijere marktwerking en minder herverdeling van inkomen en vermogen de ongelijkheid juist versterkt.</p>
<p>Het ‘<em>meritocratische geloof&#8217;</em> predikt dat wat je bereikt niet afhankelijk is van sociale klasse maar van talent en inzet. Het kromme daarvan is dat het omgekeerde ook geldt: als iemand het niet haalt, is dat ook de eigen verantwoordelijkheid. Maar dat klopt niet. Nederland telt bijvoorbeeld 220.000 werkende armen. Maar wie twee baantjes heeft voor een minimuminkomen werkt keihard en neemt heel erg de eigen verantwoordelijkheid, zonder dat het hem of haar echt uit de armoede helpt. In de huidige neoliberale wereld worden juist de rijken slapend nog rijker, en de hard werkenden blijven in armoede. De kloof tussen rijk en arm is in ons land de grootste in de westerse wereld, en de afstand vergroot zich steeds sneller.</p>
<p>Het PvdA-manifest van 2005 stelt: <em>“Vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, duurzaamheid en solidariteit. Dat zijn de idealen van de sociaal-democratie. In de confrontatie van deze idealen met de werkelijkheid van alle dag geven beginselen richting. Voor de Partij van de Arbeid staat daarbij het recht op een fatsoenlijk bestaan centraal. Een bestaan dat een volwaardige participatie in de maatschappij mogelijk maakt, met ruimte voor wie wil en waardigheid voor wie niet kan. Een fatsoenlijke samenleving ontstaat waar vrijheid, solidariteit en verantwoordelijkheid elkaar de hand reiken.” </em></p>
<p>Daarmee werd solidariteit beperkt tot het bieden van ondersteuning aan hen die niet zelfstandig, zonder overheidssteun kunnen overleven. Herverdeling van inkomen en vermogen om onrechtvaardige ongelijkheid te verkleinen als eigenstandig doel is in dit manifest buiten beeld. De publieke sector en de verzorgingsstaat als brede voorziening en niet slechts voor de armen is ook buiten beeld, met de uitverkoop van de sociale woningsector als meest wrange oogst.</p>
<p><em><u>Eigen verantwoordelijkheid: activeren, wederkerigheid en zelfredzaamheid, maar de overheid controleert steeds indringender en dichterbij – de overheid van schild voor de zwakken naar onbetrouwbare en zelfs criminele opjager van de zwakken</u></em></p>
<p>De eigen verantwoordelijkheid van de burger wordt in het manifest benadrukt, en de sociale zekerheid moet de luie burger daarbij <em>‘activeren’</em>: <em>“</em><em>Een maatschappij die investeert in haar burgers</em> <em>mag rekenen op wederkerigheid. Burgers moeten aangesproken worden op hun eigen verantwoordelijkheid, op fatsoen en zorgvuldigheid; oneigenlijk gebruik en misbruik moeten worden bestreden.”</em> Het <em>‘activerend arbeidsmarktbeleid’</em> heeft sindsdien in de door PvdA-bewindslieden gemaakte Participatiewet een schandalige uitwerking gekregen, waarin bijstandsontvangers opgejaagd en uitgebuit worden, met werken zonder loon, soms zelfs met levensbedreigende schending van arbeidsomstandigheden<a href="#_ftn5" name="_ftnref5">[5]</a>, contraproductieve verplichtingen en draaideurconstructies, zonder perspectief op duurzaam goed werk.</p>
<p>Sterker nog, de hele arbeidsbemiddeling is ondertussen nagenoeg wegbezuinigd<a href="#_ftn6" name="_ftnref6">[6]</a> en geprivatiseerd naar uitzendbureaus. Re-integratie is daarmee nog zelden gericht op vast werk. Draaideurconstructies als Flextensie en werken zonder loon floreren. In plaats van mensen te helpen aan goed, duurzaam werk gingen we ze opjagen, uitbuiten en straffen, en als ze niet rond kunnen komen, werden ze verwezen naar moestuintjes, voedsel-, kleding- fietsen- en speelgoedbanken en sinds kort ook naar menstruatie-punten – private liefdadigheid in plaats van publieke inkomensbescherming. En als de familie dan helpt met giften dan passen we – met boete en terugvordering van de volledige uitkering – een korting toe en als de familie helpt met inwoning, dan passen we een korting toe wegens een kostendelersnorm. Het is werkelijk hemeltergend en ver weg van het ideaal van de bijstand als barmhartig en ruimhartig inkomensvangnet bij de introductie door minister Klompé in een rechts kabinet zonder PvdA. De fatsoenlijke samenleving wordt eenzijdig belegd bij de burger die bij de overheid aanklopt, en de overheid zelf neemt er een loopje mee, zoals pijnlijk duidelijk werd bij het Toeslagenschandaal, maar exact dezelfde misstanden doen zich inmiddels voor bij bijna alle overheidsoptreden, zoals bij de uitvoering van de WMO, de jeugdzorg, de Participatiewet, etc.</p>
<p>De nadruk op wederkerigheid legde het falen van kunnen meedoen volledig bij de individuele bijstandontvanger, die ‘<em>geprikkeld’</em> moest worden. Fraudebestrijding werd prioriteit in de sociale zekerheid, ook al was die een fractie van de belastingfraude, waar juist op controle en handhaving werd bezuinigd, met als dieptepunten de Fraudewet Sociale Verzekeringen, waar mensen die fouten maken knetterhard als fraudeurs werden neergezet, en onze Tweede Kamerfractie dat nog eens extra kracht bijzette in hogere boetes, en het Toeslagenschandaal, waarin dit ook nog eens racistisch en in strijd met tenminste 13 wetten werd uitgevoerd, en waarbij rechters en de volksvertegenwoordiging werd voorgelogen. Het zwartboek van de FNV over de uitvoering van de bijstand door gemeenten is onthutsend om te lezen, en nog steeds jagen gemeenten hun ‘<em>klanten’</em> (alsof zij vrije consumenten zijn, die kunnen afzien van een (grond)wettelijk recht op inkomensvangnet) op met een niet controleerbaar ‘<em>Inlichtingenbureau’</em>, anonieme kliklijnen, privacy-schendende bezoeken in slaap- en badkamers, camera’s en rechercheurs die in het geniep bijstandsontvangers bespieden, óók in gemeenten met PvdA-wethouders die dit in hun portefeuille hebben.</p>
<p>De eigen verantwoordelijkheid werd ook de norm in de gedecentraliseerde zorg – mensen moesten vooral ‘<em>zelfredzaam’</em> te zijn. De gedachte komt oorspronkelijk uit de mogelijkheid van de jeugdzorg in Nieuw-Zeeland, waarbij jongeren en hun ouders de mogelijkheid kregen om in plaats van de door de overheid bedachte zorg, ook zelf een alternatief mochten bedenken. Daar is natuurlijk niets tegen, maar in onze neoliberale beleidsparadigma werd ‘<em>zelfredzaamheid’</em> verkracht tot een toetssteen met omgekeerde bewijslast: eerst moet je aantonen (in een zgn. ‘<em>keukentafelgesprek’</em> met een ambtenaar, gesprekken die vaak ervaren worden als een intimiderende inbreuk in de eigen levenssfeer, nog afgezien van het idee dat men er kennelijk vanuit gaat dat de meeste mensen een zodanig grote keuken hebben dat daar een tafel in past) &#8211; dat je echt niet ‘<em>zelf’</em>  (en dat wordt dan verruimd met je familie en zelfs je buren) in de zorg kan voorzien, alvorens je aanspraak kan maken. Dat moet je ook steeds opnieuw aantonen, ook als het voor iedereen duidelijk is dat de beperking of chronische ziekte nooit beter zal worden en de zorg dus levenslang nodig is – een vernedering die honderdduizenden mensen sindsdien periodiek moeten ondergaan.</p>
<p>Het fundamentele recht op zorg loopt gevaar door de nieuwe werkwijze. Vroeger deed een burger een formele aanvraag en volgde daarop een besluit of iemand al dan niet recht had op hulp. Een besluit waartegen bezwaar ingediend kan worden. Nu ontstaat een soort onderhandelingssituatie. Dat is een wezenlijke verschuiving van de verhoudingen.</p>
<p>Die verschuiving is risicovol. Ook door de samenstelling van de wijkteams, waarin veel verschillende private organisaties zijn vertegenwoordigd, is het vaak onduidelijk hoe en bij wie bezwaar gemaakt kan worden tegen een beslissing. Burgers waarderen het als de overheid met ze in gesprek gaat en niet optreedt als een afstandelijk bolwerk dat onbegrijpelijke brieven stuurt. Als dat goed gebeurt is dat positief. Maar als het recht op zorg daarbij verdampt is de balans negatief. Want ondanks dat het  gewoon in de wet staat dat iemand recht heeft op een traplift of een scootmobiel, is dat in de praktijk niet meer het geval.</p>
<p>Categoraal wordt nu de zorg aan jonge kinderen (&lt;8 jaar) op grond van de Wlz geweigerd omdat ‘<em>ouders daartoe een reguliere zorgtaak hebben.</em>’ Eigen kracht moet echter een recht zijn, geen plicht. Indicaties aan ernstig meervoudig gehandicapte kinderen worden nu te vaak opgescheept met kortlopende indicaties, hetgeen zeer belastend is voor de verzorgers en ouders.</p>
<p><em><u>De omarming van de markt door de sociaaldemocratie</u></em></p>
<p>Wat betreft de  economische orde omarmt het manifest uit 2005 de markt: <em>“De ondernemingsgewijze productie is een voorname motor van innovatie, welvaart en werkgelegenheid. Deze is goed in het scheppen van kansen maar faalt in het geven van zekerheden. Economische macht kan schade doen, als ze geconcentreerd wordt, als verantwoording en controle ontbreken of als de tegenkrachten zwak zijn. Een beschaafd kapitalisme vraagt om een gemengde economische orde waarin het marktmechanisme ingeperkt en ingebed wordt door wetten en regels. Dat is in de loop der jaren een van de grote krachten van de sociaal-democratie gebleken. Zo’n sociale markteconomie kenmerkt zich onder meer door een belastingstelsel dat op draagkracht is gebaseerd, een vitale publieke sector, evenwicht tussen sociale en economische doelen en een sociale zekerheid die beschermt én activeert.”</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1485" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-02.png-300x100.jpg" alt="" width="300" height="100" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-02.png-300x100.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-02.png-768x256.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-02.png.jpg 940w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Ook het idee van ‘stakeholder capitalism’ steekt de kop op. &#8216;De onderneming moet daarom worden beschouwd als een samenwerkingsverband van management, werknemers en een diversiteit van belanghebbenden.’</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1488" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-03-300x76.jpg" alt="" width="300" height="76" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-03-300x76.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-03-768x194.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-03.jpg 940w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Het beginselmanifest probeert  vooral de middenklasse aan te spreken met de introductie van <em>‘voorwaardelijke solidariteit’</em>. <em>‘(De middenklasse) is de voornaamste betaler van de solidariteit maar heeft niet altijd voldoende profijt daarvan.’</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1490" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-04-300x106.jpg" alt="" width="300" height="106" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-04-300x106.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-04-768x272.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-04.jpg 900w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Inbedding en toegankelijkheid zijn de sleutelwoorden. <em>‘Wij streven naar inbedding en inperking van het marktmechanisme, om een publieke sfeer te waarborgen die niet wordt gedomineerd door commercie en waarin essentiële voorzieningen voor iedereen toegankelijk zijn.’ </em></p>
<p>Het manifest uit 2005 is daarmee te kenschetsen als een soort light-neoliberale visie (bron: politiek econoom Ron Stoop, auteur van <em>‘De Gegijzelde Economie’</em>, op Twitter).</p>
<p><em><u>Voordat we de weg kwijtraakten</u></em></p>
<p>Deze teksten zijn wel heel ver verwijderd van die bij de oprichting van het eerste beginselprogramma uit 1947  van de op 9 februari 1946 opgerichte nieuwe PvdA. De doelstelling was <em>‘een economisch bestel zonder klassentegenstellingen, waarin (..) de voornaamste productiemiddelen op de gebieden van industrie, bankwezen en transport zijn gesocialiseerd’</em>. De partij verlangt dat er een <em>‘planmatige leiding’</em> komt van <em>‘voortbrenging en verdeling, waarbij het motief van dienst aan de gemeenschap als richtsnoer geldt.’</em> In tegenstelling tot haar voorganger de SDAP, hoefden echter niet alle delen van de samenleving direct gecollectiviseerd te worden. <em>‘In die takken van stoffelijke behoeftenvoorziening, die niet of nog niet voor socialisatie in aanmerking komen, streeft de Partij naar beperking der particuliere beschikkingsmacht.’</em> Toch was het uitgangspunt nog steeds hetzelfde. <em>‘De Partij bestrijdt niet slechts de uitwassen der kapitalistische productiewijze, maar het stelsel zelf, de daaruit voortvloeiende sociale verhoudingen en de deze maatschappij beheersende geest.’</em> Het programma van de PvdA bij haar oprichting veroordeelde de kapitalistische productiewijze expliciet.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1492" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-05.jpg-300x174.png" alt="" width="300" height="174" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-05.jpg-300x174.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-05.jpg.png 519w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1493" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-06-300x199.png" alt="" width="300" height="199" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-06-300x199.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-06.png 600w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1494" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-07-300x159.png" alt="" width="300" height="159" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-07-300x159.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-07.png 597w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>In het volgende beginselprogramma, in de periode na de wederopbouw met de kabinetten Drees, uit 1959 verandert de toon van het programma al behoorlijk. Het doel wordt weliswaar dat: <em>‘de eigendom der produktiemiddelen en de beschikkingsmacht daarover ondergeschikt zijn aan het welzijn der gemeenschap’</em>. Maar tegelijkertijd krijgt persoonlijk initiatief en ontplooiing meer aandacht: <em>‘persoonlijke initiatieven worden bevorderd, gelijke kansen op ontplooiing bestaan voor een ieder, aan sociaal zwakken bijstand is verzekerd’</em>.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1497" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-08-300x242.png" alt="" width="300" height="242" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-08-300x242.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-08.png 659w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1500" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-09-300x133.png" alt="" width="300" height="133" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-09-300x133.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-09.png 616w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Ook is er in dit programma sprake van een sociaal behouden uitgangspunt. <em>‘Sociale, fiscale, culturele en volkshuisvestigingspolitiek dienen mede op bescherming en verheffing van het gezin te zijn gericht.’</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1503" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-10-300x100.png" alt="" width="300" height="100" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-10-300x100.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-10.png 676w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Ook lijkt het standpunt over discriminatie (nu nog breed geformuleerd) meer naar de voorgrond te treden. <em>‘Zij erkent principieel de gelijkgerechtigdheid van alle leden der gemeenschap, ongeacht sekse, ras of levensovertuiging’</em>. De partij <em>‘verwerpt elke vorm van staatsabsolutisme en dictatuur.’</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1506" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-11-300x104.png" alt="" width="300" height="104" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-11-300x104.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-11.png 594w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Maar van het transformeren van het systeem lijkt minder sprake te zijn. <em>‘De partij (..) erkent de waarde voor het economische leven van de vrijheid van consumptie, beroep en bedrijf’</em> en <em>‘Zij streeft naar een economische orde, waarin bij het gebruik van deze vrijheden het motief van dienst aan de gemeenschap tot gelding wordt gebracht.’</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1509" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-12-300x152.png" alt="" width="300" height="152" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-12-300x152.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-12.png 526w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>In 1977, bij het derde beginselprogramma, worden vele veranderingen aangebracht. Het is de tijd van Nieuw Links en het kabinet Den Uyl.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1511" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-13-300x177.png" alt="" width="300" height="177" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-13-300x177.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-13.png 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Hierin klinkt vooral het Rapport van de Club van Rome, <em>‘Grenzen aan de groei’</em>, uit 1972, en de energiecrisis door de olieboycot in 1973, door. Het programma stelt expliciet dat er een einde komt aan grenzeloze groei. <em>‘Deze groei gold lange tijd (..) als het instrument bij uitstek waarmee vrijwel alle vraagstukken konden worden opgelost (..) echter begint het besef te dagen, dat dit instrument niet in staat is om vraagstukken van welvaartsverdeling op te lossen.’</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1514" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-14-203x300.jpg" alt="" width="203" height="300" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-14-203x300.jpg 203w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-14.jpg 403w" sizes="(max-width: 203px) 100vw, 203px" />               <img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1517" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-15-300x212.png" alt="" width="300" height="212" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-15-300x212.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-15.png 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p> </p>
<p>Marktmacht en prijsopdrijving (de geschiedenis herhaalt zich): ‘<em>Doordat de multinationale ondernemingen de markt overheersen, dikteren zij de prijzen van hun produkten &#8230; zo dragen zij tevens bij tot de inflatie’</em>, zo stelt het beginselprogramma.</p>
<p>Een ander thema is ongelijkheid tussen landen en koloniale uitbuiting: <em>‘De voordelen van de groei komen voornamelijk ten goede aan de bevolking van de rijke landen; er ontstaan nieuwe vormen van koloniale uitbuiting.’</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1519" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-16-300x110.png" alt="" width="300" height="110" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-16-300x110.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-16-768x281.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-16.png 804w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Een volgend thema is de <em>‘kulturele strijd’</em>: <em>‘Mede dankzij de vrouwenbeweging leert het demokratisch-socialisme opnieuw inzien dat de strijd voor een betere maatschappij niet alleen een ekonomische, maar tegelijk een kulturele strijd is.’</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1523" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-17-300x86.png" alt="" width="300" height="86" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-17-300x86.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-17-768x219.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-17.png 803w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>De socialisatie van industrieën is beperkter (basis-industrieën), maar nog steeds aanwezig in het programma: <em>‘het in gemeenschapsbezit brengen van basis-industrieën, banken, pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen, de farmaceutische industrie, de wapenindustrie.’</em></p>
<p><em><u>Het Van Waarde Project</u></em></p>
<p>In 2012 wilden Spekman en Cohen een ruk naar links maken, weg van de Derde Weg. Frans Timmermans stuurde daarop een brief aan de fractie waarin hij vreesde dat de SP <em>‘victorie zou kraaien’</em> door <em>‘slechts minzaam vast te stellen dat de PvdA eindelijk van het neoliberale pad lijkt af te gaan’</em>. De brief lekte uit en niet veel later verliet Cohen zijn post. Spekman zei later dat er toentertijd  <em>‘veel mensen in de fractie zaagden aan de stoelpoten’</em> van Cohen.</p>
<p>Samsom won de strijd van Timmermans om het politiek leiderschap van de partij, en de partij ging de ergste fase in van verinnerlijking van rechts neoliberaal gedachtengoed.</p>
<p>In 2013 verscheen het essay van toenmalig directeur van de Wiardi Beckman Stichting, Monika Sie Dhian Ho, getiteld <em>Van Waarde – Sociaaldemocratie voor de eenentwintigste eeuw</em>. Het was een tekst die bedoeld was om de koers bij te stellen, gevoed door het idee dat <em>‘progressieve politiek’</em> te technocratisch was geworden, en dat het goed zou zijn, na Paars en de kabinetten-Balkenende <em>‘eens wat langer stil te staan bij de pretenties van progressieve politiek’. </em>Helaas werd niet een nieuw beginselprogramma geschreven, maar wel een bevlogen betoog waarin uitdrukkelijk afstand werd genomen van decennia neoliberale politiek, en daarmee een duidelijke breuk met het beginselmanifest van 2005.</p>
<p>Helaas was ook net het kabinet Rutte II aangetreden, waarbij de PvdA zich volledig overleverde aan neoliberale politiek. De volkshuisvesting werd opgeheven, de zorg gedecentraliseerd, en de mensen in de bijstand werden opgejaagd zoals nooit tevoren. Het was het hopelijk niet voorlopige dieptepunt van de PvdA in het verraad aan haar idealen. En door de enorme, paradoxaal genoeg juist door neoliberale politiek veroorzaakte financiële crisis, werd het nog erger, door neoliberale aanpak van die crisis, waardoor de ellende langer duurde en de schade vergroot werd.</p>
<p>De hoofdrolspelers binnen de PvdA daarbij – de Bende van Vier: Diederik Samsom, Jeroen Dijsselbloem, Lodewijk Asscher en Hans Spekman – smoorden iedere kritiek en dus stopten ze ook vakkundig het Van Waarde project af. Er werd een commissie gevormd, onder leiding van huidige burgemeester van Zaanstad, Jan Hamming<a href="#_ftn7" name="_ftnref7">[7]</a>, schreef een commissie een rapport en een resolutie, die door het congres werd aangenomen, waarbij juist neoliberale politiek als politiek Van Waarde werd voorgesteld, zoals het plan van de PvdA minister van Onderwijs, Jet Bussemaker, om op hoogtepunt van de schuldencrisis jongeren aan te praten dat het aangaan van torenhoge studieschulden zeer verstandig zou zijn, want dan investeer je zelf in je toekomst (in plaats dat de overheid dat doet).</p>
<p>Monika Sie verliet gedesillusioneerd de Wiardi Beckman Stichting, die daarna nog slechts een zieltogend bestaan leidt, mede doordat de subsidies opdroogden na de terechte knock out die de kiezer de PvdA na Rutte II gaf. Hoewel Van Waarde nauwelijks enige invloed heeft gehad op de koers van de PvdA, is het gedachtengoed nog steeds waardevol.</p>
<p>Sie analyseerde hoe de vier waarden onder druk kwamen te staan, en wat ons in dat licht te doen staat. <em>“De koers die daaruit voortvloeit, wijst zowel sociaaleconomisch als sociaal-cultureel in post-liberale, en politiek in post-technocratische richting. Dat wordt helemaal evident wanneer we het niet bij het formuleren van waarden houden, maar ook normen gaan stellen, red lines gaan trekken in de politiek. Als we het politieke programma overzien dat uit de analyses van de vier waarden</em><a href="#_ftn8" name="_ftnref8">[8]</a><em> voortvloeit, geldt sociaaleconomisch dat we een markteconomie voorstaan waarin de invloedssfeer van geld en markt beperkt is (geen marktsamenleving), de kosten en risico’s van toenemende concurrentie niet langer eenzijdig worden afgewenteld op de werkenden, er een betere balans tot stand komt tussen flexibilisering van de werknemer en voor de werknemer, en waarin de onderneming of werkplek meer als een gemeenschap functioneert. Productief ondernemerschap wordt hoog gewaardeerd, geld maken met geld aanzienlijk minder. De financiële sector wordt weer dienstbaar gemaakt aan de reële economie, de nutsfunctie van grote financiële instellingen gewaarborgd. Iedereen verdient een loon om van te kunnen leven. Uitwisseling van best practices tussen Nederland, Duitsland en de Scandinavische landen in sociaal beleid, industrie- en duurzaamheidsbeleid draagt bij aan de ontwikkeling van een modern Rijnlands model, met een stabiele, duurzame en sociale economie. Een sterke verzorgingsstaat rust mensen toe voor het omgaan met oude en nieuwe risico’s, en blijft waar nodig bescherming bieden. Zo’n sociale investeringsstaat heeft alleen kans van slagen in een ander Europa, waarin sociale rechten niet langer ondergeschikt zijn aan de economische vrijheden, en waarin een sociaal investeringspact ertoe bijdraagt dat lidstaten niet alleen aan begrotingsnormen worden gehouden, maar ook aan sociale standaarden. Ook internationaal zullen de voorwaarden moeten worden geschapen voor nationale staten om sociaal en democratisch beleid te voeren en een sterke verzorgingsstaat te handhaven, door een eind te maken aan de hyperglobalisering, en door elementen van een nieuw Bretton Woodssysteem te introduceren. </em></p>
<p><em>Sociaal-cultureel luidt de conclusie dat sociaal-democraten hun terughoudendheid ten opzichte van binding en gemeenschapszin zouden moeten laten varen. De sociaaldemocratie past het, ook op dat vlak post-liberaal te worden. Durven te breken met een individualisme als geloof dat individuen juist lamlegt. Verbondenheid is macht. Daar op een democratische, sociaal rechtvaardige en verstandige manier mee omgaan is de opdracht van de sociaal-democratie. Sociaal-democraten benaderen de samenleving als een gemeenschap met een gedeelde toekomst, een gemeenschappelijk samenlevingsideaal gericht op het verwezenlijken van wat wij van waarde achten. Bij het nastreven van dat toekomstideaal is het voortdurend zaak de boel bij elkaar te brengen en houden, door breuklijnen tussen hoger- en lager opgeleiden en tussen culturele groepen te mitigeren. Sociaal-democraten handelen vanuit het besef dat we gemeenschappelijke arrangementen nodig hebben om individuele vrijheid en ontplooiing mogelijk te maken. Samenwerking en solidariteitsbesef: dat is het startpunt van elke sociaal-democratische politiek. Het woord arrangementen verwijst naar de complexe verhoudingen waarin collectiviteit zich realiseert in de eenentwintigste eeuw. In de vorm van een nieuwe verzorgingsstaat. In de vorm van sociale netwerken en veerkracht. In de vorm van ondernemingen en werkplekken als gemeenschap. In de vorm van internationale samenwerking die noodzakelijk is om de voorwaarden te scheppen voor dit beschavingsideaal in Nederland en in Europa. </em></p>
<p><em>Politiek is de eis: meer zeggenschap. Geen machtsuitoefening zonder verantwoordingsplicht, en geen grotere machtsconcentratie dan voor de vervulling van de gestelde taken onmisbaar is, heette het meer dan een halve eeuw geleden in het sociaal-democratische koersrapport ‘De Weg naar Vrijheid’. Het is onverminderd actueel. Lokaal, nationaal en Europees moeten raden en parlementen terrein terugwinnen op de uitvoerende macht en hun controlerende en richtinggevende functies beter en zichtbaarder uitoefenen. Instellingen in dienst van mensen moeten weer precies dat zijn, ze moeten zich richten op de noden van de mensen in plaats van op de logica van hun bestuurders. En burgers en bestuurders moeten genoeg vertrouwen in elkaar hebben om elkaar te allen tijde aan te spreken, zelfverzekerd genoeg zijn om soms ook hun mond te houden. Verdedigen wat van waarde is impliceert dat de markt wordt gecorrigeerd, dat moet worden gebroken met het liberale individualisme dat isoleert en niet bevrijdt, dat moet worden gestreefd naar een politiek die luistert, samenbrengt, mobiliseert, greep geeft op het leven. Kortom: sociaaleconomisch naar links, sociaal-cultureel naar binding, en politiek naar versterking van zeggenschap.”</em></p>
<h1><a name="_Toc134451987"></a><strong>De identiteit van RoodGroen</strong></h1>
<p> </p>
<p>Er lijkt de afgelopen jaren een kleine Den Uyl-revival gaande te zijn. In de veelbekeken documentaire <em>What’s Left</em> van Parool-columnist Johan Fretz, schittert Joop den Uyl als links icoon. Bij de laatste – al jaren uitverkochte – Den Uyl lezing (van stadsgeograaf Cody Hochstenbach, <em>‘Volkshuisvesting voor een gezonde en eerlijke samenleving’</em><a href="#_ftn9" name="_ftnref9">[9]</a>) verkocht de Wiardi Beckman Stichting grote aantallen T-shirts met het profiel van Den Uyl). Ook onder huidige PvdA-politici lijkt het inmiddels bijna de norm geworden om toespraken of partijteksten op te sieren met een Den Uyl-citaat.</p>
<p>Opvallend echter is dat daarbij zelden het woord ‘<em>socialisme’</em> valt, of er dieper wordt ingegaan op zijn gedachtegoed. Den Uyl was een <em>‘democratisch socialist’</em>, een stroming die in de jaren veertig en vijftig ontstond, met als belangrijke referentiepunten het werk van socialistische intellectuelen als Karl Mannheim, Karl Polanyi, Joan Robinson en de al genoemde John Kenneth Galbraith. Volgens hen was er iets fundamenteel mis met het kapitalisme en het prijsmechanisme van de vrije markt. Het waardeerde de verkeerde dingen en leidde tot uitbuiting van mens en natuur. Net als Den Uyl behoorden deze denkers tot <em>‘het zondige ras der reformisten’</em>, die het kapitalisme eerder wilden beteugelen en reguleren dan geheel afschaffen. Wat Polanyi onder socialisme verstond was het onderwerpen van de markt aan democratisch genomen beslissingen over de inrichting van de economie. Een vergelijkbaar idee van socialisme zien we bij Den Uyl en een politicus als Bernie Sanders.</p>
<p>Toen Wim Kok midden jaren negentig de ideologische veren afschudde, maakte hij duidelijk dat hij daarmee een afscheid van het socialisme bedoelde. ‘<em>Een werkelijke vernieuwing van de PvdA,’ zo zei Kok, ‘begint met een definitief afscheid van de socialistische ideologie; met een definitieve verbreking van de ideologische banden met andere nazaten van de traditionele socialistische beweging.’</em> Na de lezing kopten de kranten dan ook: <em>‘Kok neemt afscheid van het socialisme.’</em> Het betekent dat latere PvdA-politici op een fundamenteel andere manier naar de samenleving kijken. Het woord ‘<em>reformisme’</em> heeft een andere lading gekregen. Democratisch socialisten als Den Uyl wilden het kapitalisme hervormen om de economie zo dienstbaar te maken aan de samenleving, terwijl latere derde weg-ers en PvdA-politici als Kok en Samsom vooral de samenleving en de verzorgingsstaat wilden hervormen om deze zo dienstbaarder te maken aan de economie. Toen Diederik Samsom de bezuinigingen van Rutte II verdedigde met de stelling dat hij tot <em>‘het zondige ras der reformisten’</em> behoorde, bedoelde hij dus precies het omgekeerde van hetgeen Den Uyl daarmee voor ogen had.</p>
<p>Wat we kunnen leren van Den Uyl, is dat het belangrijk is om een fundamentele kapitalismekritiek te hebben. RoodGroen moet zich bekennen tot het democratisch socialisme, en daarmee de ideologische veren met trots en overtuiging uit te dragen. Dat is het eerste aspect van de noodzakelijke RoodGroene identiteit.</p>
<p> </p>
<p>Het tweede aspect betreft het Groene aspect van de RoodGroene identiteit. Er is veel geschreven over de <em>degrowth</em>-beweging, en de gebrekkige aantrekkingskracht van een framing van de klimaatcrisis die uitgaat van het minderen. Den Uyls focus op <em>de kwaliteit van het bestaan</em> biedt hier een interessante uitweg, waar linkse partijen en vakbonden nog altijd op terug kunnen en m.i. moeten grijpen.</p>
<p>Het moet gaan om kwalitatieve groei, niet meer om kwantitatieve groei. Niet een groter nationaal inkomen, maar een beter en breder welzijn van alle burgers. Verduurzaming, die meer dan ooit met de grootst mogelijke urgentie nodig is, is alleen mogelijk als je het direct ten goede laat komen aan de werkenden, en daarbij de mensen die daarin niet voluit kunnen mee participeren, voluit meeneemt. Verduurzaming moet daarom niet vooral gebaseerd zijn op subsidiepotten  die vooral ten goede komen aan vervuilers en het grote geld, maar gepaard gaan met grootschalige investeringen die direct verbetering opleveren voor de materiële leefomstandigheden van de armen, de kwetsbaren, én de zgn. middenklasse, waartoe materieel veel lage inkomens behoren.</p>
<p>Met Matt Huber, een Amerikaans geograaf die in 2022 met <em>Climate Change as Class War: Building Socialism on a Warming Planet</em> zich schaarde in een rij van denkers en publicisten<a href="#_ftn10" name="_ftnref10">[10]</a> die het ecomarxisme op de kaart zette, zijn we het eens dat dit impliceert urgent regelen van goedkope, groene elektriciteit voor iedereen; goede, geïsoleerde woningen voor iedereen; goede, groene transportmogelijkheden voor iedereen; en goede, groene banen voor iedereen. We voegen daar nog aan toe: goed, groen voedsel, kleding en andere consumptieartikelen. Het is de enige mogelijkheid om grote meerderheden te mobiliseren achter een collectief verduurzamingsprogramma.</p>
<p>Dat vraagt ook een herverdeling van rijkdom, kennis en macht, nationaal en internationaal, en de markt niet als de oplossing maar als probleem zien, en een dienstbare, effectieve en eerlijke publieke sector en de overheid als tenminste een belangrijk deel van de oplossing zien, beiden ingekaderd in de democratische rechtsstaat. Zo zijn Rood en Groen onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Ze kunnen niet op elkaar wachten. Herverdeling van de rijkdom en herstel van de publieke sector en de democratische rechtsstaat hebben geen zin zonder dat we ook met de grootste urgentie overgaan tot ecologische verduurzaming – en omgekeerd.</p>
<p>En, als derde aspect van de RoodGroene identiteit moet, anders dan bijvoorbeeld hoogleraar financiële geografie (UvA) Ewald Engelen meent, de aloude klassenstrijd tegen het grootkapitaal niet alleen hand in hand gaan met vergroening en ecologische strijd, maar ook met emancipatorische strijd als het feminisme, de LHBTI+ beweging, antiracisme en antidiscriminatie verbonden worden. Zeggenschap van mensen moet niet alleen gaan over hun sociaaleconomische belangen, maar ook over hun identiteit.</p>
<p>Progressieve identiteitspolitiek is geen tweede garnituur democratisch socialisme, maar wezenlijk onderdeel van de te voeren strijd. Progressieve identiteitspolitiek is juist gericht op verbinding, en we moeten ons te weer stellen tegen rechts-conservatieve stromingen die progressief-links tracht te verdelen door steeds de samenhang tussen sociaal-linkse, ecologische en progressief-culturele strijd te benadrukken en op al deze terreinen met concrete voorstellen en alternatieven te komen. Het pleidooi van Engelen, Plasterk, Monasch en anderen honoreren zou een capitulatie voor conservatief-rechts en extreem-rechts impliceren die zich niet laat verenigen met de waarden van links-progressieve politiek. De politieke werking van kapitaal is intrinsiek verbonden met de ecologische kwesties en met de onderdrukking van personen van kleur, van godsdienst (waarbij de godsdienst zich dient te conformeren, tenminste passief, aan de universele mensenrechten), van gender, seksuele en andere identiteit.</p>
<p>Het moet en kan simpeler, degelijker, eerlijker, rechtvaardiger en duurzamer. Regels lijken nu belangrijker dan mensen, systemen falen, wachttijden zijn te lang en burgers worden van het kastje naar de muur gestuurd. Alles is ingericht op wantrouwen, naar de burger en naar de uitvoerende professional. Herman Tjeenk Willink laat zien in zijn essay <em>Groter Denken, Kleiner Doen </em>zien dat onze verzorgingsstaat vastloopt in protocollen, regels, schotten en controles.</p>
<p>De pogingen om via die systemen meer rechtvaardigheid te brengen ontaarden in hun tegendeel. Met neoliberale concepten over zelfredzaamheid en succes en verlies als eigen verdienste, meer keuzevrijheid in plaats van collectieve solidariteit, individualisering van kosten van de publieke zaak en een kleine publieke sector, over deregulering en liberalisering van markten en privatisering van publieke taken, en over oneindige groei en exploitatie van onze planeet en het leven waarvan wij deel uitmaken, veroorzaken daarnaast schrijnende ongelijkheid in inkomen, vermogen, gezondheid, levensverwachting en kansen. Met ook beschamende armoede, dakloosheid en honger in één van de rijkste landen ter wereld.</p>
<p>Het is hoog tijd dat PvdA (én GL) in de nieuwe RoodGroene bundeling een nieuw, gezamenlijk, links, progressief en duurzaam beginselprogramma opstellen.<a href="#_ftn11" name="_ftnref11">[11]</a></p>
<p>Mobilisatie van kiezers moet dan wel niet alleen door verhalen te vertellen en abstracte plannen te maken, maar ook en vooral door effectief iets te doen, met baanbrekende en radicale voorstellen om de leefomstandigheden van de afgehaakten te verbeteren, én tegelijkertijd ook de overlevingsomstandigheden voor onze soort en die van al het leven te redden én dat iedereen volledig vrij en onbedreigd gebruik kan maken van het recht op zijn eigen identiteit en op gelijke berechtiging en veilige en gelijkwaardige deelname in de samenleving.</p>
<p>Daarbij is geloofwaardigheid herstellen en behouden van zeer groot belang. Dat doe je door echte verbeteringen te realiseren, integer en sober gedrag van politici, en door geloofwaardige representatie, ook en vooral van lager opgeleiden. In het opsporen van talent, en in de opleiding en selectie van volksvertegenwoordigers en politiek bestuurders is deelname van lager opgeleiden minstens zo belangrijk als representatie van gender, kleur, leeftijd en regio. Vergeet daarbij ook de mensen met een beperking niet!</p>
<p>In een coalitieland als het onze is het van belang dat je alleen deelneemt aan het politiek bestuur vanuit een positie van kracht, en je niet leent om in essentie rechtse politiek iets minder erg te maken – dan kan je beter krachtig oppositie voeren, binnen en buiten het parlement. Een positie van kracht realiseer je door linkse bundeling met een krachtig, offensief politiek programma. Zo’n programma probeer ik hieronder een aanzet toe te geven. Het geeft een radicaal alternatief voor het beleid van de afgelopen decennia. Links moet weer durven te geloven in de maakbaarheid van gedurfde ideeën.</p>
<p>En het mooie is, het kan gewoon! Financieel kan het prima uit voor huishoudens, bedrijven en de overheden en publieke instellingen, en uitvoeringstechnisch wordt de situatie aanzienlijk verbeterd, onder meer doordat we de complexiteit van regelgeving enorm verminderen.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<h1><a name="_Toc134451988"></a><strong>Beginselprogramma</strong></h1>
<p> </p>
<p>Hieronder dan de Proeve van een RoodGroen beginselprogramma. Na de formulering van het politieke beginsel volgt een beschrijving van de situatie waar we naar toe willen. Vervolgens komt er per beginsel een actuele analyse van de huidige situatie en we eindigen steeds met de formulering van een programma om van daar naar de gewenste situatie te komen.</p>
<h2><a name="_Toc134451989"></a><strong>1.  </strong><strong>Eerlijk (Herver-)Delen</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Het beginsel Eerlijk (Herver)Delen is een fundamenteel beginsel van het democratisch socialisme. Met het beginsel sturen we op het verkleinen van ongelijke uitkomsten (en dus niet alleen op gelijke kansen) en het zoveel mogelijk ongedaan maken van oneerlijke ongelijkheid. <em>Eerlijk Delen</em> is daarbij gericht op het voorkomen van oneerlijke en te grote ongelijkheid, <em>Eerlijk Herverdelen</em> op het ongedaan maken van oneerlijke en te grote ongelijkheid. Het gaat daarbij hier primair om ongelijkheid in termen van inkomen en vermogen. Andere vormen van ongelijkheid zijn hier afgeleiden van, en worden bij andere beginselen behandeld. Voorts gaat het hier om de nationale dimensie, de ongelijkheid in Nederland. De ongelijkheid in de wereld behandelen we apart, bij het beginsel Internationale Solidariteit.</p>
<p><strong><em>Ons doel</em></strong></p>
<p>Ons doel is een samenleving waarin grenzen gesteld worden aan ongelijkheid in inkomen en bezit, uit oogpunt van rechtvaardigheid – de meeste ongelijkheid is geen gevolg van eigen verdienste of falen – en om schadelijke effecten op de economie en de democratische rechtsstaat – door een te grote concentratie van bezit en daarmee verbonden invloed en zeggenschap – tegen te gaan.</p>
<p>We streven naar een Nederland waarin inkomensverschillen wettelijk zijn beperkt. De grote baas in een bedrijf verdient nooit meer dan twintig maal zoveel als de werknemer met het laagste salaris – pensioen, bonussen en andere extra’s meegerekend. Overal waar met publiek (belasting- of premie)geld wordt gewerkt, geldt bovendien een absoluut plafond – niemand verdiend daar meer dan de minister-president.</p>
<p>Inkomens worden sterk progressief belast – hoe hoger het inkomen, hoe hoger het tarief. De sterkste schouders dragen nadat dit decennia anders werd, weer opnieuw de zwaarste lasten. Alle inkomen uit arbeid, uit vermogen en uit eigen bedrijf wordt belast, op gelijke wijze. Er zijn geen vrijstellingen, kortingen of aftrekposten meer.</p>
<p>Daarnaast is er een aparte belasting voor zeer grote vermogens en zijn er sterk progressieve belastingen voor winst, dividend en grote ontvangen erfenissen en schenkingen. Ook daar zijn er geen vrijstellingen, kortingen of aftrekposten meer.</p>
<p>Door de herverdeling van rijk naar arm maken we ook een land zonder armoede mogelijk, en ook onze ambities voor betere publieke dienstverlening, oplossing van de woningnood en de transitie naar een ecologisch duurzame, groene samenleving.</p>
<p>Ons belastingstelsel is daardoor ook zeer transparant, eenvoudig uitvoerbaar en handhaafbaar geworden. Internationaal zijn we van belastingparadijs voor de rijken een voorbeeld geworden in bestrijding van belastingontwijking en belastingontduiking, en van effectieve, solidaire belastingheffing.</p>
<p>En we hebben de armoedeval – het huidige spinnenweb van inkomensafhankelijke fiscale kortingen en fiscale toeslagen, alsmede andere inkomensafhankelijke regelingen zoals sommige eigen bijdragen in de zorg, waarin miljoenen huishoudens tot ongeveer anderhalf modaal gevangen zitten en die hun extra verdiende bruto inkomen bijna volledig afroomt – grotendeels opgelost.</p>
<p>Publieke dienstverlening (noodzakelijke en nuttige zorg, kinderopvang, onderwijs, welzijnswerk) wordt net als de veiligheid weer solidair en volledig collectief gefinancierd uit de opbrengst van eerlijke belastingen. Er zijn geen aparte premies, eigen risico of eigen bijdragen meer daarvoor. De inkomensafhankelijke fiscale toeslagen daarvoor zijn daarmee eveneens vervallen (zorg, kinderopvang) of vervagen (huur). Solidariteit organiseren we met herverdelende, progressieve belastingen en niet meer met complexe, aparte inkomensafhankelijke regelingen. In dat kader is ook het kindgebonden budget afgeschaft en is de kinderbijslag verhoogd.</p>
<p>Het les- en collegegeld is in het mbo en hoger onderwijs vervangen door een collectief, solidair stelsel van leerrechten voor al het initieel onderwijs en nuttig volwassenenonderwijs, waaronder na-, bij- en herscholing voor werkenden en werkzoekenden.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p><u>Achterblijvende lonen</u></p>
<p>Decennia lang al stijgen de lonen minder mee met de groei van de economie en met de winsten. We zijn vooral een lage lonenland geworden dat draait op overmatige flexibilisering van arbeid (dat naast een laag inkomen vooral ook een onzeker inkomen geeft) en uitbuiting van arbeidsmigranten: distributiecentra, Schiphol, (glas-)tuinbouw, slachterijen, GFT-verwerking, transportsector, etc. Binnen bedrijven zijn daarbij de inkomensverschillen enorm toegenomen. En de totale productiviteit van onze economie stagneert, doordat bedrijven en vermogenden steeds meer verdienen aan oppotten van geld in plaats van te investeren in echte toegevoegde waarde.</p>
<p>Dat wordt bevorderd door enorme fiscale en andere subsidies, die vooral de middeninkomens opbrengen. Deels doordat zij daardoor meer belasting moeten betalen, deels doordat op de publieke sector wordt bezuinigd, waarvan zij samen met de lagere inkomens juist steeds meer afhankelijker worden. Deze bezuinigen vertaalden zich ook in achterblijvende salarissen in de publieke sector en in lagere uitkeringen. En de neoliberale ideologie die dit allemaal verdedigd en veroorzaakt heeft daarenboven de publieke sector mishandeld door er een bedrijfsmodel – <em>new public government</em> – verplicht op te leggen waarin prestatie en competitie, eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid uitgangspunten zijn, en waarin decentralisatie rechten van burgers uitholde.</p>
<p>De lonen blijven ook achter bij de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. De arbeidsproductiviteit stagneert al decennia, en dit is gerelateerd aan enerzijds dat we een goedkoop-lonen land zijn geworden en anderzijds winsten op bezit die uit arbeid veruit overtreffen, hetgeen nog versterkt wordt door ons belastingsysteem.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1525" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-18-300x205.png" alt="" width="300" height="205" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-18-300x205.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-18-1024x700.png 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-18-768x525.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-18.png 1280w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><strong>Het minimumloon blijft het sterkst achter: </strong></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1527" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-19-300x151.png" alt="" width="300" height="151" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-19-300x151.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-19-768x387.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-19.png 805w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><u>Wereldkampioen ongelijkheid</u></p>
<p>De enorme vermogens- én inkomensongelijkheid (het is een wijdverbreid misverstand dat we in ons land een geringe inkomensongelijkheid hebben: de officiële statistiek laat het merendeel van de enorme inkomens uit vermogen buiten beschouwing) is een structurele veroorzaker van enerzijds grote armoede en anderzijds exorbitante, schadelijke en gevaarlijke rijkdom, en maakt dat gemiddelde cijfers weinig meer zeggen, zoals dat we een rijk land zijn.</p>
<p>De rijkste één procent van de Nederlandse huishoudens bezit 26 procent van het totale vermogen. Daartegenover staat een kwart van de huishoudens die juist schulden heeft. De tien procent rijkste Nederlanders heeft 61 procent van het totale vermogen in handen. De rijkste drie Nederlanders zijn zelfs rijker dan de armste helft van ons land. Het vermogen van Nederlandse miljonairs (2% van alle huishoudens) is 25 maal zo groot is als het vermogen van de onderste helft van de huishoudens. Drie jaar geleden was dat nog 13 maal zo groot.</p>
<p>In 2021 waren vier op de tien zelfstandige landbouwondernemers miljonair. Met name melkveehouders, die veel van de stikstof- en CO₂-uitstoot in de landbouw veroorzaken, en boeren die granen of groenten telen waren vaak miljonair. Dat blijkt uit de jaarlijkse miljonairsmeting van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die  24 april 2023 werd gepubliceerd. Nederland telde in 2021 voor het zevende jaar op rij meer miljonairs dan het voorgaande jaar: 317.000 huishoudens hadden een vermogen van meer dan een miljoen euro, dat zijn er 32.000 meer dan in 2020. In 2021 kon een op de vijfentwintig huishoudens zich tot de miljonairshuishoudens rekenen. Niet alleen zelfstandigen in de landbouw doen het goed; ondernemers zijn sowieso oververtegenwoordigd in de vermogende groep huishoudens. In de financiële dienstverlening is 44 procent van de zelfstandigen miljonair, in de verhuur en handel van onroerend goed is dat 38 procent. Ook advocaten en organisatieadviesbureaus doen het goed. Het doorsnee miljonairshuishouden had in 2021 een vermogen van 1,6 miljoen euro, 21 keer zo veel als het gemiddelde niet-miljonairshuishouden. Maar binnen de miljonairsgroep zijn de verschillen nog fiks. Twee derde had een vermogen tussen de een en twee miljoen euro en een kwart een vermogen tussen de twee en de vijf miljoen euro. De echte uitschieters, multimiljonairs die meer dan tien miljoen vermogen hadden, besloegen 3 procent van de totale groep. In de provincies Noord-Holland en Utrecht wonen relatief de meeste miljonairs; 5,3 procent van de huishoudens heeft een vermogen van boven de een miljoen euro. De Noord-Hollandse gemeenten Bloemendaal en Laren staan met kop en schouders boven het landelijk gemiddelde; daar is een op de drie huishoudens miljonair. Groningen en Limburg staan onderaan de ranglijst met minder dan 3 procent miljonairshuishoudens.</p>
<p>Bij deze cijfers is het vermogen dat de rijken zonder dat zij dat opgeven in belastingparadijzen hebben gestald nog niet meegerekend:</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1529" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-20-300x288.jpg" alt="" width="300" height="288" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-20-300x288.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-20-768x737.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-20.jpg 1000w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p> </p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="208">
<p>DE RIJKSTE 1% VAN NEDERLAND</p>
</td>
<td width="189">
<p>DE RIJKSTE 0,1% VAN NEDERLAND</p>
</td>
<td width="208">
<p>VERSUS</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p>Bestaat uit 80.000 huishoudens</p>
</td>
<td width="189">
<p>Bestaat uit 8000 huishoudens</p>
</td>
<td width="208">
<p>49% van de huishoudens is financieel kwetsbaar</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p>Bezit samen € 481.000.000.000 (26% van het totale vermogen)</p>
</td>
<td width="189">
<p>Bezit samen € 190.000.000.000</p>
</td>
<td width="208">
<p>24% van de huishoudens is financieel ongezond (dit was vóór de huidige inflatiecrisis</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p>Bezit gemiddeld per huishouden € 6.100.000</p>
</td>
<td width="189">
<p>Bezit gemiddeld per huishouden € 24.000.000</p>
</td>
<td width="208">
<p>1,3 miljoen mensen leven in armoede</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p>Drempel om bij deze 1% rijksten te horen is € 2.300.000</p>
</td>
<td width="189">
<p>Drempel om bij deze 0,1% rijksten te horen is € 10.000.000</p>
</td>
<td width="208">
<p> </p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="208">
<p>Zij betalen gemiddeld effectief slechts 28% belasting</p>
</td>
<td width="189">
<p>Zij betalen gemiddeld effectief slechts 22% belasting</p>
</td>
<td width="208">
<p>De 50% laagste inkomens betalen gemiddeld effectief 55% belasting</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Als we op de officiële cijfers afgaan, dan is de bezitsongelijkheid in Nederland extreem. Maar de inkomensongelijkheid zou reuze meevallen. Dat kan niet waar zijn, want sinds Piketty weet iedereen dat in onze tijd het meeste inkomen verdiend wordt met bezit, en niet met arbeid, zoals ook uit de verdeling van ons nationaal inkomen blijkt. Kort gezegd: geld hébben is de beste manier om meer geld te verdienen. De meeste Nederlanders halen hun inkomen uit arbeid, in de vorm van salaris, maar de rijkste één procent haalt een groot deel van haar inkomen uit vermogen, zoals bedrijfswinsten en beleggingen. Wie wat dieper in de cijfers duikt, ziet dat er een simpele verklaring is voor deze verrassende paradox: het inkomen uit bezit wordt zeer onvolledig meegenomen.</p>
<p>En dat maakt nogal wat uit voor de verhouding tussen huurders en woningbezitters. Want terwijl huurders 5% van alle bezit in Nederland hebben, bezitten woningbezitters de overige 95%. Die 95% was in 2020 een onvoorstelbare €2.562 miljard groot.<a href="#_ftn12" name="_ftnref12">[12]</a> Het vrijwel ontbreken van bezit bij huurders is op zichzelf natuurlijk al een probleem. Bezit is immers de ultieme buffer voor tijden van tegenslag, zoals de coronacrisis en de huidige energiekosten-explosie.</p>
<p>Maar bezit levert ook veel inkomen op, en hoeveel we daarvan meerekenen kan dus een enorm verschil maken voor het beeld van de inkomensongelijkheid. In de laatste vijf jaar is steeds meer van het inkomen uit bezit bij het CBS gaan meetellen als inkomen. Vóór 2017 was volgens CBS dit inkomen uit bezit in Nederland zelfs negatief. Dat kwam vooral doordat het inkomen van woningbezitters met een fictieve post afschrijvingen verminderd werd, alsof woningen jaarlijks minder waard zouden worden in plaats van meer. Toen CBS In 2017 deze fictie opgaf, nam de inkomensongelijkheid ineens flink toe. Vervolgens  kwamen onderzoekers van het Centraal Planbureau met een nieuwe benadering van het begrip inkomen<a href="#_ftn13" name="_ftnref13">[13]</a>. Zij beschouwen alles wat we in Nederland met elkaar verdienen (ons <em>nationaal inkomen</em>) als inkomen van huishoudens, ook als het die huishoudens indirect ten goede komt, zoals via overheidsuitgaven voor onderwijs of gezondheidszorg. Vervolgens rekenen zij dit totale inkomen van Nederland toe aan de huishoudens die het incasseren of er gebruik van maken. Dat doen zij ook met de ingehouden winsten van bedrijven. Dit laatste maakt een flink verschil in ongelijkheid, omdat de rijkste 10% huishoudens zelfs 93% van de aandelen in bedrijven bezit. Het resultaat is opnieuw grotere inkomensongelijkheid. Voor de rijkste gezinnen is hun bezit vaak de belangrijkste bron van inkomen. Zo leverde aandelenbezit op de beurs het afgelopen decennium 100 procent koerswinst naast 70 procent dividend op.</p>
<p>Maar zelfs dit inkomensbegrip is nog te beperkt, doordat alleen <em>inkomen uit productie</em> meetelt  in het nationaal inkomen. Zo is ons nationaal inkomen namelijk gedefinieerd. Waardestijging van aandelen of huizen vallen daarbuiten. En dat gaat om grote bedragen, die in ons nationaal inkomen niet meegerekend worden, maar die wel inkomen en nieuwe koopkracht voor de bezitters ervan betekenen.</p>
<p>Het meest volledige inkomensbegrip, met alle inkomen uit bezit, telt dus ook de waardevermeerdering van bezit als inkomen mee. Als we dit complete inkomensbegrip niet alleen op bezit in box 3, maar op alle bezit toepassen, dan blijkt de niet in ons nationaal inkomen meegetelde waardetoename een bedrag van €107,5 miljard te omvatten. Dit bedrag, evenveel als 15,5% van dat nationale inkomen, moet dus ook over de Nederlandse huishoudens verdeeld worden, en het meeste gaat naar degenen die het meeste bezit hebben en dus het rijkst zijn. Dit maakt dat we ook wereldkampioen ongelijkheid in inkomen zijn.</p>
<p>De huidige enorme ongelijkheid is onrechtvaardig omdat ze voor het grootste deel niet gebaseerd is op eigen verdienste. De (klein)kinderen van multimiljonairs, neem bijv. topvoetballers, hoeven als ze dat willen nooit meer te werken dankzij de groei van hun erfdeel – kapitaal rendeert veel meer dan arbeid. Er is wel uitgerekend dat 50% van je inkomen afhankelijk is van het land waar je geboren bent, 20% door het inkomen van je ouders en nog eens elk ruim 10% door je geslacht en etniciteit. Ruim 80% is dus niet afhankelijk van je eigen verdienste. En die kleine 20% ruimte voor eigen talent en ambitie, zijn dat ook niet in ieder geval deels erfelijke eigenschappen? Alle retoriek over ‘<em>verheffing’</em> en ‘<em>emancipatie’</em> ten spijt: onze sociale status is nog steeds en zelfs weer meer dan ooit minstens zo erfelijk als onze lichaamslengte. De meeste rijkdom ontstaat uit niet zelf verdiend inkomen, maar uit erfenissen, uit grondbezit en vast goed, uit patenten en uit speculatie.</p>
<p>Te grote ongelijkheid is niet alleen onrechtvaardig, maar ook economisch schadelijk: rijken hebben geen belang meer bij publieke uitgaven. Zij kunnen hun zorg, onderwijs, kinderopvang, mobiliteit, huisvesting, pensioen, etc. zelf financieren. Bovendien zijn er steeds meer aanwijzingen dat ongelijkheid gepaard gaat met allerlei maatschappelijk onheil: meer kindersterfte, geestesziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, misdaad &#8211; en minder sociaal vertrouwen, minder sociale mobiliteit en een lagere levensverwachting).</p>
<p>Te grote ongelijkheid leidt ook tot een bedreiging van de democratie door een te grote concentratie van macht bij een kleine elite. De extreem rijken hebben ruim de middelen om de staat niet meer nodig te hebben én deze zo nodig over te nemen. De overwinning van de BBB bij de laatste verkiezingen is ook te zien als een geslaagde poging van de extreemrijke <em>agrobusiness</em> – goed vertegenwoordigd in de Quote 500 – met succesvolle manipulatie en propaganda het openbaar bestuur voor hun private belangen in te zetten.</p>
<p>Ons nationaal inkomen stijgt nog steeds door. Dat extra geld komt echter alleen terecht bij hen die al veel bezitten. De topinkomens stegen 40%, terwijl de gemiddelde loonontwikkeling met ca. 3% ver achterblijft bij de exploderende prijsinflatie. De winsten van het grootbedrijf stijgen ook enorm, met name bij de fossiele industrie en de financiële industrie. In de periode 2000-2018 groeide het netto beschikbaar nationaal inkomen 3 procent per jaar, de winst steeg 1,6 procent per jaar, de loonsom steeg 1 procent per jaar, het reëel cao-loon steeg 0,5 procent per jaar, het reëel besteedbaar inkomen per persoon steeg 0 procent per jaar en het reëel arbeidsinkomen <em>per uur</em> daalde 1,5 procent per jaar <em>(</em>uit: <em>WRR 2017: ‘hollen om stil te staan’). </em></p>
<p>De verdeling van ons bruto binnenlands product (bbp; de totale toegevoegde waarde van alle in ons land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode) over de periode 1995-2018 resulteert in een verlies aan loon van 4,7% per persoon en een stijging van de winst van 1,2% per persoon. De winst van Nederlandse bedrijven bedroeg volgens het CBS in het eerste kwartaal van 2022 maar liefst 81,5 miljard euro, 13,7 miljard euro.</p>
<p>In de verdeling van de economische groei tussen huishoudens en bedrijven gaat het al decennia flink mis: het reëel  besteedbaar inkomen van huishoudens is sinds 1977 nauwelijks toegenomen. De hogere winstgevendheid van bedrijven blijkt nauwelijks te zijn doorgegeven als extra inkomen aan huishoudens. Van het totale netto nationaal inkomen van 680 miljard euro (in 2019) komt slechts 358 miljard bij huishoudens terecht volgens een onderzoek van de Universiteit Leiden en het CBS (<em>Inkomen verdeeld)</em>. Maar let op, in die 358 miljard zit ook het inkomen uit vermogen: aandeelhouders en renteniers behoren immers ook tot een huishouden. Dat is namelijk wat de onderzoekers deden: álles wat huishoudens ontvangen bij elkaar optellen (loon, zzp-inkomen, uitkeringen, toeslagen, pensioenen, inkomen uit vermogen zoals dividend) en daarvan dan alle belastingen en premies weer aftrekken.</p>
<p>Een steeds kleiner deel van ons nationaal inkomen gaat naar arbeid. De koopkracht van huishoudens is al 20 jaar niet gestegen. In 1992 ging nog ruim 54% van het bbp naar huishoudens, in 2012 was dat nog maar krap 45%. Als het aandeel sinds 1992 niet zou zijn afgenomen, dan was het beschikbare inkomen van huishoudens in 2012 EUR 60 miljard hoger geweest. Het besteedbaar inkomen van huishoudens blijft structureel achter bij onze economische groei:</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1532" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-21-300x226.png" alt="" width="300" height="226" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-21-300x226.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-21-768x579.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-21.png 1002w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Dit heeft vooral de middeninkomens hard geraakt: er is sprake van een groeiende ongelijkheid van lonen. De lagere en middelste decielen in de inkomensverdeling blijken er sinds 2000 allemaal sterk op achteruit te zijn gegaan en alleen de hoogste inkomensgroepen hebben een reële  inkomensgroei gezien.</p>
<p>De verdeling van de reële groei van het besteedbaar inkomen over de periode 2011-2018 was:</p>
<p>Topsalarissen:                  +32 procent (2010-2016)</p>
<p>De top 40%:                     +1procent</p>
<p>De bodem 10%:                +2 procent</p>
<p>Het 5<sup>e</sup>-9<sup>e</sup> deciel:               +0,4 procent</p>
<p>De salarissen van bestuursvoorzitters van ondernemingen is inmiddels gemiddeld 40 keer hoger dan het gemiddelde loon binnen een onderneming.</p>
<p>De hogere winstgevendheid van bedrijven hangt nauw samen met de daling van de arbeidsinkomensquote (AIQ), dat deel van het nationale inkomen dat via lonen naar werknemers gaat. Geld dat in de marktsector verdiend wordt, komt de laatste decennia dus meer bij bedrijven dan bij werkenden terecht. Van elke euro die in de periode 2015–2020 in de marktsector werd verdiend, ging 76 cent naar werknemers en zelfstandigen als arbeidsinkomen. De overige 24 cent vormen de operationele winst (exploitatieoverschot) van bedrijven. In de periode 2009–2014 was het aandeel van het arbeidsinkomen nog 78 procent, het winstaandeel was 22 procent. In 2019 was de AIQ al gedaald naar 73,9% en het CPB verwacht voor 2022 een verdere daling naar 70,7. Op het oog misschien een kleine verschuiving, maar het scheelt maar liefst dertien miljard euro: als de verhouding tussen de beloning van arbeid en de beloning van kapitaal nu nog gelijk was aan die in 2019, dan kregen werkenden dit jaar dertien miljard méér. Veel geld, zeker in een tijd van exploderende energierekeningen en hevige inflatie.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1534" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-22-300x226.jpg" alt="" width="300" height="226" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-22-300x226.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-22-768x577.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-22.jpg 995w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Maar de arbeidsinkomensquote zegt weinig over de werkelijke verdeling van de welvaart tussen ‘arbeid’ (werkenden) en ‘kapitaal’ (aandeelhouders). Er is met die AIQ namelijk iets geks aan de hand: de inkomsten uit financiële activiteiten van bedrijven tellen niet mee. Dat geldt voor zowel de financiële activiteiten van de financiële bedrijven (banken, verzekeraars, pensioenfondsen, beleggingsbedrijven) als voor de financiële activiteiten van ‘gewone’ bedrijven. Die activiteiten leverden bedrijven in 2019 maar liefst 356 miljard euro aan inkomsten op – 253 miljard voor de financiële bedrijven en 103 miljard voor de ‘gewone’ bedrijven. Die 356 miljard aan inkomsten van bedrijven zitten niet in de AIQ. En daarmee telt het overgrote deel van de beloning van kapitaalbezitters (eigenaren en financiers van bedrijven) niet mee. Zou je wel rekening houden met die inkomsten, dan zou de verhouding tussen de verdiensten voor werkenden versus de verdiensten voor bedrijven volkomen anders uitpakken dan uit de AIQ blijkt. Om een idee te geven: de AIQ gaat ervan uit dat de beloning voor ‘kapitaal’ in 2019 slechts 137 miljard was (en 390 miljard voor arbeid). Dit verklaart dat de winsten veel en veel harder stijgen dan de lonen en de AIQ toch ongeveer gelijk bleef.</p>
<p>Dat de inkomsten uit financiële activiteiten niet meetellen in de AIQ komt doordat het een maat is die gebaseerd is op de ‘<em>toegevoegde waarde’</em> die in dat jaar geproduceerd wordt. En, zo is de redenering, financiële producten voegen geen waarde toe aan de economie. Daar valt veel voor te zeggen, maar deze activiteiten (geld verdienen met geld) leveren wel een grote hoeveelheid inkomsten voor kapitaalbezitters op. En zeker als het gaat over de verdeling van welvaart zijn juist die inkomsten uit kapitaal cruciaal. Hoewel verschillende landen de AIQ <em>(</em><em>labour share)</em> vaak net wat verschillend berekenen, is het een gezamenlijke internationale keuze om hierbij steeds uit te gaan van de toegevoegde waarde en de inkomsten uit geld-met-geld-maken buiten beschouwing te laten. Het is niet de eigen keuze van het Centraal Planbureau of het Centraal Bureau voor de Statistiek om het zo aan te pakken. Een deel van het inkomen uit kapitaal is ‘<em>doorsluisgeld’</em> van brievenbusfirma’s die via Nederland belasting ontlopen. Niet iedereen zal vinden dat dit moet meetellen als het gaat over de verdeling tussen arbeid en kapitaal, Nederland is immers slechts tussenhalte. Maar ook als je de brievenbusactiviteiten buiten beschouwing laat, blijven er jaarlijks nog zo’n tweehonderd miljard euro aan inkomsten van bedrijven over uit financiële activiteiten.</p>
<p>Een AIQ die geen rekening houdt met deze inkomsten was misschien veertig jaar geleden niet zo’n probleem: de financiële sector was veel kleiner dan nu en ‘gewone’ bedrijven deden nog nauwelijks aan geld-met-geld-maken. Terwijl dit inmiddels een belangrijk deel van hun winst vormt, zoals blijkt uit de meer dan honderd miljard euro die ‘gewone’ bedrijven in 2019 verdienden met financiële activiteiten. Om de verhouding tussen de financiële activiteiten en de rest van de economie weer te geven: in 2019 verdienden Nederlandse bedrijven zo’n 356 miljard met financiële activiteiten, terwijl het totale bruto binnenlands product (bbp) in dat jaar 813 miljard groot was. Een verhouding van 1 staat tot 2,2. In 1995 verdienden bedrijven 92,3 miljard met financiële activiteiten en was het bbp 329,5 miljard, een verhouding van 1 op 3,6. Overigens, de inkomsten uit financiële activiteiten zijn geen onderdeel van het bbp, de maat voor de totale Nederlandse productie, want voor het bbp geldt hetzelfde als voor de AIQ: het is gebaseerd op de toegevoegde waarde. Ook de pensioenfondsen zijn deel van de financiële sector en de inkomsten uit financiële activiteiten zijn dus deels inkomsten van pensioenfondsen. Als het goed is komt dat geld op termijn toe aan werkenden, dus aan ‘arbeid’, zou je kunnen beweren. Maar dat verandert de verhouding niet wezenlijk, want pensioenfondsen zijn slechts goed voor zo’n tien procent van de inkomsten uit financiële activiteiten.</p>
<p>Een realistischer weergave van de verhouding tussen de beloning van arbeid ten opzichte van kapitaal is om eenvoudigweg te vergelijken wat bedrijven werkelijk aan beide besteden, met aftrek van de rentekosten. Een alternatieve arbeidsinkomensquote, op bovenstaande manier berekend, zou voor 2019 uitkomen op iets minder dan vijftig: bijna de helft van de koek ging naar arbeid en iets meer dan de helft viel ten deel aan bedrijven en aandeelhouders. Op dezelfde manier berekend was die alternatieve AIQ in 1995 nog 72, wat niet veel verschilt van de officiële AIQ van dat jaar. Er zijn vast nog betere en preciezere manieren van berekenen, maar deze eerste vingeroefening maakt in ieder geval duidelijk dat de verdeling tussen arbeid en kapitaal in een paar decennia fors veranderd is.</p>
<p>De bovengenoemde inkomsten voor aandeelhouders en bedrijven staan bovendien nog los van vermogenswinsten in de vorm van een stijgende <em>waarde</em> van vermogen, bijvoorbeeld van aandelen. Want alleen het uitgekeerde dividend, de rente en bijvoorbeeld de huurinkomsten worden als ‘inkomen uit vermogen’ gerekend, niet de waardestijging van een bedrijf of de waardestijging van aandelen. Zou je die wel meerekenen bij de vraag wat er naar kapitaal of arbeid gaat, dan kom je nog op heel andere sommen. Bedrijven zullen hier waarschijnlijk tegenin brengen dat hun inkomen uit vermogen voor een deel bestaat uit de winst van buitenlandse dochters – en die dochters hebben hun werknemers al betaald, dus hoeft de winst van buitenlandse dochters niet mee te tellen bij het bepalen of de verdeling tussen arbeid en kapitaal eerlijk is. Maar die vlieger gaat niet op, want er gaat vanuit Nederlandse dochters ook heel veel winst naar ‘<em>moeders’</em> in het buitenland – en ook dat geld wordt in die buitenlanden nu niet meegerekend in hun labour share.</p>
<p><em>Hoe wordt inkomen van bedrijven gebruikt:</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1535" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-23-300x142.png" alt="" width="300" height="142" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-23-300x142.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-23-768x364.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-23.png 777w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>De winsten van bedrijven worden nauwelijks geïnvesteerd in de reële economie, maar uitgekeerd als dividend<a href="#_ftn14" name="_ftnref14">[14]</a>, opgepot (ook door aankoop van eigen aandelen) of gebruikt voor speculatie. Van de rest (322 miljard euro) ging 150 miljard naar de overheid.<a href="#_ftn15" name="_ftnref15">[15]</a> Buitenlandse aandeelhouders ontvangen weliswaar zeer veel dividend – in 2019 ontvingen zij 141 miljard euro (!)<a href="#_ftn16" name="_ftnref16">[16]</a> – maar dit bedrag blijft buiten het nationaal inkomen, dus maakt het ook geen onderdeel uit van de resterende 322 miljard.</p>
<p>Mirjam de Rijk beschreef in <em>De Groene</em> in 2021 waar de resterende (322-150) 172 miljard naar toe gaat.<a href="#_ftn17" name="_ftnref17">[17]</a> Het korte antwoord is: eerst bij bedrijven, en vervolgens toch bij aandeelhouders, zowel binnen als buiten Nederland. Maar met een omweg. Op zo’n manier dat het niet als inkomen telt en er dus ook geen inkomstenbelasting over wordt betaald. En het ook niet meetelt in onderzoek naar inkomensverschillen. In 2019 ging het om zo’n 130 miljard euro, in de jaren ervóór om soortgelijke bedragen. Die 130 miljard komt dus boven op het geld dat als dividend naar aandeelhouders gaat, in totaal 210 miljard euro.</p>
<p>De route richting aandeelhouders is als volgt. In eerste instantie komt het geld in de spaarpot van de bedrijven. Vervolgens wordt het gebruikt voor het opkopen van eigen aandelen, het opkopen van andere bedrijven, of het wordt eenvoudig toegevoegd aan de reserves van het bedrijf. Zo komt het alsnog bij de aandeelhouders terecht, maar in de vorm van (onbelaste) waardestijging van het vermogen, niet als (belast) inkomen. Er is in dit land een heel leger aan fiscalisten getraind om te zorgen dat het allemaal niet als inkomen meetelt of op een manier dat er veel minder belasting over wordt betaald. Iedereen voelt natuurlijk aan dat mensen er wel degelijk rijker van worden, maar meetellen als wettelijk inkomen doet het niet.</p>
<p>Achtereenvolgende belastingherzieningen vormen van dat overheidsbeleid in zekere zin de kern. De internationale ontwikkelingen zijn vergelijkbaar, maar toch heeft Nederland een belastingstelsel dat zijn gelijke in de wereld niet kent. Het begint er al mee dat het voor leken volstrekt ondoorzichtig is. Het is een labyrintisch geheel van schijven en tarieven, regelingen en regels, speciale privileges en aparte voorrechten, en ter compensatie van al te draconische consequenties is er een apart substelsel: de toeslagen. Belangstellende burgers die willen weten hoe het stelsel werkt en uitpakt voor verschillende groepen kunnen hiervoor niet terecht bij handzame overzichtsstudies. Ondanks het florerende belastingadvieswezen bestaat zo’n studie voor Nederland niet. Ondanks? Of is het <em>dankzij</em> de bloeiende adviesbranche dat zo’n studie er niet is? Universiteiten leiden jaarlijks honderden accountants, economen en fiscalisten op, die hun weg vinden naar belastingfirma’s die hun geld verdienen met belastingontwijking. Ontduiken is voor de armen, ontwijken voor de rijken, zoals Amerikaanse belastingadviseurs zeggen. Bij de kantoren voor <em>‘fiscale optimalisatie’</em> treffen net afgestudeerden hun hoogleraren opnieuw, alleen met een ander petje op. De Leidse fiscalist Jan Vleggeert stelde dat er in Nederland nauwelijks hoogleraren belastingrecht zijn die niet tegelijkertijd verbonden zijn aan commerciële belasting- en accountancykantoren. Het ene deel van de week adviseren ze bedrijven en vermogende particulieren over belastingontwijking, de resterende tijd worden ze geacht belastingstelsels op wetenschappelijke wijze te onderzoeken te onderwijzen. Dat is een schoolvoorbeeld van conflicterende belangen. Het leidt tot lucratief wegkijken onder deskundigen en tot kennistekorten onder burgers.</p>
<p>Maar, klinkt het dan af en toe, die aandeelhouders, dat zijn toch de pensioenfondsen, dus in feite gaat het dan toch om ‘<em>wij met z’n allen’</em>? Die vlieger gaat niet op. Want pensioenfondsen vormen maar een klein deel van de aandeelhouders, zowel in Nederland als daarbuiten. Een deel van het nationaal inkomen komt wel terecht bij pensioenfondsen, want ook zij voegen winst toe aan hun reserves, maar dat bedrag (in 2019 ging het om zo’n 27 miljard) is er bij die 130 miljard al af. Het eerste deel van de zoektocht is daarmee volbracht. 130 miljard euro, een vijfde van het nationaal inkomen, blijft steken in bedrijven. En dat ieder jaar weer, of in ieder geval in die orde van grootte.<a href="#_ftn18" name="_ftnref18">[18]</a> </p>
<p>Maar daarmee is de zoektocht nog niet af. Want wat gebeurt er met dit geld? En waarom? Volgens de economieboekjes bestaat zoiets eigenlijk niet eens, want winst wordt óf gebruikt voor investeringen óf rechtstreeks uitgekeerd aan de aandeelhouders of de eigenaren. Waarom sparen bedrijven het geld toch op in plaats van dat het wordt geïnvesteerd of uitgekeerd? Het antwoord op deze vraag is te vinden op de website van de Vereniging voor Effectenbezitters (VEB). <em>‘De inkoop van eigen aandelen is een manier om met weinig risico geld terug te geven aan aandeelhouders. Investeren in onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe producten of diensten brengen meer risico met zich mee voor beleggers. Het is immers altijd maar afwachten of er voldoende rendement op de investeringen kan worden behaald.’ </em>Helder. Het is gelijk het antwoord op de vraag waarom bedrijven zo weinig investeren in innovatie: investeren is risicovoller dan opkopen.<a href="#_ftn19" name="_ftnref19">[19]</a></p>
<p>Bedrijven gebruiken hun opgepotte miljarden ook voor het overnemen van andere bedrijven. In 2021 werd hier in Nederland 110 miljard aan besteed, becijferde KPMG. Bij overnames wordt vaak veel meer betaald dan het opgekochte bedrijf eigenlijk waard is: kassa voor de aandeelhouders/eigenaren van het opgekochte bedrijf. De aandeelhouders van het opkopende bedrijf laten zich lekker maken door voorgespiegelde voordelen in de toekomst. Door de bank genomen onterecht. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de meeste overnames mislukken: het bedrijf is minder waard dan zonder de overname het geval zou zijn geweest. Slechts bij vijftien procent van de overnames levert het een meerwaarde op. Zo gaat er voor de economie en voor de samenleving als geheel veel waarde verloren. Dat het desondanks zo veel gebeurt, heeft vooral te maken met kuddegedrag in combinatie met grote reserves. Bovendien willen bedrijven, of in ieder geval de managers van bedrijven, nu eenmaal altijd groeien, en het is een stuk makkelijker om te groeien door opkopen dan door beter te presteren als onderneming. Dat aandeelhouders ermee akkoord gaan en banken het helpen financieren heeft volgens hem te maken met ‘<em>old boys consensus’</em>. We kennen elkaar en vertrouwen erop dat jullie de juiste beslissingen nemen.</p>
<p>En dan is er, als derde bestemming van de 130 miljard, ook nog het eenvoudige oppotten bij bedrijven. Een paar jaar geleden onderzocht De Nederlandse Bank (DNB) het ‘<em>spaaroverschot’</em> van Nederlandse bedrijven, dat ook in vergelijking tot de rest van Europa opvallend hoog is. Belangrijke reden van dat oppotten, zeker bij het MKB, is ‘<em>belastingplanning’</em>, zoals DNB het noemt: het zo lang mogelijk, liefst voor eeuwig, uitstellen van het betalen van belasting. Grote oppotters zijn de bv’s van directeuren- grootaandeelhouders (DGA’s): de directeur is ook eigenaar van het bedrijf. Zij laten het grootste deel van hun winst administratief in de bv zitten, en kunnen intussen wel over het geld beschikken door het te ‘<em>lenen’</em> van hun eigen bedrijf. Zo hoeven ze geen inkomstenbelasting te betalen.</p>
<p>Ook veel mensen met een ‘<em>aanmerkelijk belang’</em>, die minimaal vijf procent van de aandelen van een bedrijf in handen hebben, potten de winst graag op in het bedrijf om inkomstenbelasting te ontwijken. Dit leidt niet alleen tot minder geld voor publieke voorzieningen, maar ook tot ‘<em>economische onevenwichtigheden’</em>, constateert DNB. Het CBS schat dat in 2019 zo’n 28 miljard aan winst werd opgepot door directeuren-grootaandeelhouders en door mensen met een aanmerkelijk belang. De spaarpot die zo binnen dergelijke bedrijven is aangelegd, bedraagt volgens een ruwe schatting van het CBS inmiddels 400 miljard euro. Wordt het bedrijf overgedragen aan erfgenamen, dan hoeft over het opgepotte geld geen erfbelasting betaald te worden. Het is de blinde vlek van de inkomensstatistieken en daarmee ook van veel ongelijkheidsonderzoek: de waardestijging van vermogen. Waardestijging van bezit telt niet als inkomen.</p>
<p>Wie nu opmerkt dat al deze bedragen – voor aandeleninkoop, bedrijfsovernames en oppotten – al gauw optellen tot veel meer dan 130 miljard: dat klopt! Want bedrijven lénen ook geld voor overnames en zelfs voor de inkoop van eigen aandelen. Dit leidt tot een cynische constatering: een groot deel van het nationaal inkomen komt niet bij de huishoudens of bij de overheid terecht, maar blijft achter bij bedrijven, mede om belasting te ontwijken. Niet om investeringen mee te doen, maar om op te potten of bedrijven en aandelen mee te kopen. Zo wordt een belangrijk deel van het nationaal inkomen omgezet in vermogen van bedrijven en aandeelhouders. Bovenop het uitgekeerde dividend. In economische termen wordt 130 miljard van het nationaal inkomen jaarlijks omgezet van een ‘<em>stroom’</em> in een ‘<em>voorraad’</em>: in kapitaal van bedrijven en van aandeelhouders. En juist voor die voorraad van ophopend vermogen, is in Nederland heel lang heel weinig aandacht geweest.</p>
<p>De economie en de samenleving schieten hier niets mee op. En het gekke is, ook voor aandeelhouders is al dat oppotten en opkopen lang niet altijd gunstig. Het scheelt hun weliswaar belasting, maar uiteindelijk moet geld economisch geïnvesteerd worden om het echt te laten renderen. Dat er op het moment zo veel geld bij bedrijven blijft zitten, zegt vooral iets over de enorme winsten die bedrijven maken. Er is heel veel cash, er is de afgelopen tien jaar gewoon heel veel geld verdiend. Aandeelhouders hoeven helemaal niet kritisch te zijn op wat er precies met het geld gebeurt, ze krijgen toch wel genoeg.</p>
<p>Opmerkelijk genoeg worden juist deze grote geldstromen – de opkoop van eigen aandelen, de bedragen die besteed worden aan overnames, de toevoegingen aan bedrijfsreserves – niet bijgehouden door de instituten die (toe)zicht houden op hoe het met economie en financiën gaat, of daarover adviseren: het CBS, DNB, de Autoriteit Financiële Markten, het CPB. Een van de obstakels is dat eigenlijk niet bekend is wie wat bezit. Daar zou binnenkort verandering in moeten komen, want in het kader van het Europese anti- witwasbeleid zijn bedrijven verplicht om de hele keten van eigenaren in kaart te brengen en te melden. Maar de Kamer van Koophandel, die dit zogeheten UBO-register op orde moet brengen, heeft van het kabinet al een paar keer uitstel gekregen.</p>
<p>Lage lonen zitten geconcentreerd bij laag opgeleiden, meestal met flexcontracten bij uitzendbureaus of platformbedrijven, of met schijnconstructies van zelfstandig ondernemerschap, waarbij werkgevers de kosten van sociale bescherming uitsparen – geen loondoorbetaling bij ziekte, geen arbeidsongeschiktheidsverzekering, geen minimumloon, geen ontslagbescherming, geen werkloosheidsverzekering, geen opbouw aanvullend pensioen. Bij nulurencontracten is er ook geen enkele zekerheid met betrekking tot werktijden, oproeptermijnen, minimum aantal betaalde uren, etc. Het zijn 19<sup>e</sup> eeuwse arbeidsverhoudingen. Bedrijven in de lage lonen sectoren – glastuinbouw, horeca, slachterijen, groente- en fruitbewerking, distributiecentra, productiebedrijven, callcenters, etc. – hebben soms hun hele personeelsmanagement uitbesteed aan uitzendbureaus en nauwelijks nog een relatie met hun personeel (vaak met uitzondering van hun staffuncties). Maar ook het klantencontact van medewerkers van gemeentelijke gezondheidsdiensten en woningcorporaties werken bijv. de eerste 1 á 2 jaar via uitzendbureaus. Woningcorporaties betalen aan uitzendbureaus circa €40 per uur, terwijl de uitzendkrachten maar circa €16 bruto per uur ontvangen, en deze uitzendbureaus nauwelijks toegevoegde waarde leveren. We moeten uitzendwerk echt veel onaantrekkelijker en dus ook duurder maken voor werkgevers.</p>
<p>Kiezers onderschatten de ongelijkheid enorm. De FNV liet daar in augustus 2022 door I&amp;O Research onderzoek naar doen:</p>
<p><em>Hoe denkt u dat vermogen in Nederland verdeeld is over deze vijf groepen? En wat vindt u hoe de verdeling van vermogen in Nederland er zou moeten uitzien in de ideale situatie?</em></p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="198">
<p><strong> </strong></p>
</td>
<td width="104">
<p><strong>Ideaal</strong></p>
</td>
<td width="151">
<p><strong>Perceptie</strong></p>
</td>
<td width="151">
<p><strong>werkelijkheid</strong></p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% rijksten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>25%</p>
</td>
<td width="151">
<p>46%</p>
</td>
<td width="151">
<p>78%</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% op een na  Rijksten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>21%</p>
</td>
<td width="151">
<p>20%</p>
</td>
<td width="151">
<p>18%</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% middelsten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>29%</p>
</td>
<td width="151">
<p>18%</p>
</td>
<td width="151">
<p>  6%</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% op een na armsten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>15%</p>
</td>
<td width="151">
<p>10%</p>
</td>
<td width="151">
<p>  1%</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong>20% Armsten</strong></p>
</td>
<td width="104">
<p>11%</p>
</td>
<td width="151">
<p>  7%</p>
</td>
<td width="151">
<p>&#8211; 2% </p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p><strong> </strong></p>
</td>
<td width="104">
<p> </p>
</td>
<td width="151">
<p> </p>
</td>
<td width="151">
<p> </p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p>Als we Nederlanders vragen in welk kwintiel zij zelf denken te zitten zeggen zeven op tien (69%) tot de middelste vermogensgroep te behoren. Op het eerste gezicht is deze uitkomst paradoxaal in combinatie met de uitkomst dat 29% aangeeft dat hun vermogen gemiddeld is. Veertig procent schatten hun vermogen ‘iets’ hoger of lager in. Als die groepen bij elkaar worden opgeteld komen we opnieuw uit op 69 procent. Met andere woorden: als mensen zeggen ‘iets’ vermogender of minder vermogend te zijn dan anderen betekent dat dat zij zichzelf alsnog inschatten in het middelste kwintiel.</p>
<p>Behalve de allerrijksten en de allerarmsten denkt iedereen tot middenklasse te behoren. Als we de vraag verder uitsplitsen naar vermogensgrootte zien we dat bijna elke groep aangeeft tot de 20 procent middelsten te behoren. Zo geven twee op drie (65%) Nederlanders met een vermogen van tussen de 500.000 en 1 miljoen euro aan tot de middelste groep te behoren. Datzelfde geldt voor 64 procent van de Nederlanders met een vermogen tot 20.000 euro. Het is van groot belang om kiezers hierover veel beter te informeren.</p>
<p><u>Oneerlijk belastingstelsel</u></p>
<p>De vorige zomer (2022) werd eindelijk ook door een IBO rapport van hoge ambtenaren erkend dat ons belastingstelsel de enorme ongelijkheid in inkomen (als men inkomen uit bezit, incl. de waardevermeerdering van dat bezit) én vermogen enorm vergroot en dat ons belastingstelsel zelfs regressief is: de sterkste schouders dragen de minste lasten! Zelfs binnen de inkomstenbelasting is dit al het geval, maar helemaal als we alle belastingen in de beschouwing betrekken. De conclusies van een groep ambtenaren die de vermogensongelijkheid in Nederland bestudeerden, zijn niet mals. Niet alleen zagen de rijkste Nederlanders hun vermogen de afgelopen jaren steeds verder groeien, het overheidsbeleid zorgt ervoor dat de verdeling alleen maar schever wordt.</p>
<p>Inkomen uit arbeid loont niet alleen veel slechter dan arbeid, arbeid wordt zoals gezegd ook veel zwaarder belast dan vermogen. Wie geld verdient aan het verhuren van een tweede of derde huis, betaalt bijvoorbeeld veel minder belasting dan wat iemand over zijn of haar salaris aan de Belastingdienst afstaat. Dat geldt ook voor winst uit een onderneming. Het is voor rijke Nederlanders met zulke inkomsten bovendien makkelijker om belastingadviseurs in te huren en strategisch te schuiven met hun inkomsten en hun vermogen. Ook de erf- en schenkbelasting dragen bij aan de vermogensongelijkheid, voornamelijk door de zogeheten <em>&#8216;bedrijfsopvolgingsregeling&#8217;</em> (BOR). Via die regeling, bedoeld om ondernemingen voort te kunnen zetten, betaalt men veel minder belasting dan bij erf- of schenkbelasting zonder BOR. Verder kunnen vermogenden meer gebruik maken van gunstige belastingconstructies en hebben zij vaker de middelen om zich daarover te laten adviseren.</p>
<p>Erfenissen zijn sowieso een grote versneller van vermogensongelijkheid. De groep 65-plussers zag haar vermogen in de afgelopen vijftien jaar verdubbelen, doordat deze groep groter werd maar ook doordat ouderen steeds rijker worden. Omdat zij hun vermogen tegen een zeer gunstig fiscaal tarief kunnen doorgeven aan hun kinderen, komt een grote golf van geërfd geld in zicht. Maar niet alle babyboomers hebben (veel) vermogen. Wie geluk heeft, krijgt veel startkapitaal mee. Wie pech heeft, krijgt niets. Voor de jongere generaties wordt het in de komende decennia daardoor steeds bepalender hoe rijk hun ouders zijn. Piketty toonde reeds eerder aan dat we weer terug zijn in de 19<sup>e</sup> eeuw: waar je wieg staat bepaalt grotendeels je kansen op welvaart en welzijn. Een groot eigen vermogen is de beste garantie voor bestaanszekerheid.</p>
<p>Door dit alles betaalt de rijkste top 1% relatief minder belasting dan Nederlanders met minder vermogen, concludeert het onderzoek. Ons belastingstelsel vermindert niet, maar versterkt de inkomensongelijkheid, zelfs zonder rekening te houden met inkomen uit waardestijging van bezit. Alleen de overheidsuitgaven, zoals toeslagen en bijstand zijn nog progressief. Ons belastingstelsel is in de praktijk niet progressief (de sterkste schouders dragen dan de zwaarste lasten) maar regressief: de zwakste schouders dragen de zwaarste lasten.</p>
<p><em>Tabel Belastingtarieven in Nederland</em>                                   <em>1970                2020</em></p>
<p>Btw laag                                                                                  4%                   9%</p>
<p>        hoog                                                                             12%                 21%</p>
<p>Inkomstenbelasting minima                                                 36%                 36,5%</p>
<p>                                      modaal                                            48%                 41%</p>
<p>                                      rijk                                                   80%                 49,5%</p>
<p>Winstbelasting           (vennootschapsbelasting)                  48%                 17,5-21%</p>
<p>Dividendbelasting                                                                 25%                 15%</p>
<p> </p>
<p>Vanaf de jaren 1970 is ook het topbelastingtarief in de inkomstenbelasting structureel omlaaggegaan – van 80% (Den Uyl), naar 72% (Oort), naar 60% (Vermeend), naar 49,5% (Rutte III). Het toptarief wordt al snel bereikt (bij een inkomen van ruim anderhalf modaal) en is daarmee niet gericht op de echte topinkomens. Er zijn nu maar twee tariefschijven over.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1539" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-24-300x150.png" alt="" width="300" height="150" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-24-300x150.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-24-768x384.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-24.png 860w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1542" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-25-300x239.jpg" alt="" width="300" height="239" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-25-300x239.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-25.jpg 763w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Nederland is niet alleen een belastingparadijs voor multinationals. Hoewel de uitbundige veelheid aan regels en regelingen het fiscale stelstel ondoorgrondelijk maakt, is de structuur ervan zonneklaar. Kapitaal en arbeid worden sinds de invoering van aparte ‘<em>boxen’</em> door het kabinet-Kok II (1998-2002) onder leiding van de PvdA bewindslieden Willem Vermeend en Rick van der Ploeg verschillend belast. En arbeid wordt – ondanks de vaste verkiezingsretoriek over hardwerkende Nederlanders – beduidend meer belast dan kapitaal.</p>
<p>Het boxenstelsel is wat dit aangaat glashelder. Inkomsten uit werk en woning worden belast in box 1. Vrijwel iedere Nederlander betaalt langs die weg belasting . In belastingbox 2 ontvangen ‘<em>aanmerkelijkbelanghouders’</em> (personen met meer dan 5 procent van de aandelen in een bv of nv) inkomsten uit dividend en winst, die veel lager worden belast dan inkomsten uit arbeid. Van deze constructie met box 2 profiteren – zo is pas onlangs gebleken – zo’n vierhonderdduizend mensen. Vaak hebben ze een klein salaris waarover inkomstenbelasting wordt afgedragen (in box 1), maar ontvangen hun overige inkomsten als winst of dividend in box 2. Een flink deel van de rijkste Nederlanders betaalt op deze manier veel minder belasting dan al hun minder verdienende medeburgers van wie de inkomsten in box 1 worden belast. Box 2, ook wel bekend als de ‘<em>pretbox’</em>, heeft daarnaast nog een keur aan andere voordelen zoals uitstelmogelijkheden, vrijstellingen en aftrekposten.</p>
<p>Internationaal bezien heeft Nederland bovendien de laagste belastingdruk op kapitaalinkomen van alle EU-landen. Sinds het boxenstelsel eendrachtig door minister Zalm (VVD) en staatssecretaris Vermeend (PvdA) in 2001 werd ingevoerd, moet de vermogensongelijkheid dus substantieel zijn toegenomen, zowel binnen Nederland als tussen Nederland en de overige EU-landen. Recente studies van de OESO en de Utrechtse onderzoekers Toussaint en Van Bavel bevestigen dit: Nederland behoort tot de landen met de meest ongelijke vermogensverhoudingen in de wereld. Op een opvallend terloopse manier liet het ministerie van Financiën mei 2020 weten dat het totale vermogen van de groep <em>‘aanmerkelijkbelanghouders’</em> 400 miljard bedraagt. Dat is, zo werd eraan toegevoegd, tweemaal meer dan werd aangenomen. Terwijl de Belastingdienst rechthebbende burgers willens en wetens toeslagen heeft onthouden, moeten we dus wel aannemen dat dezelfde dienst jarenlang nalatig is geweest bij de vermogensregistratie en belastingheffing van de rijkste landgenoten.</p>
<p>Bij de pret van box 2 komt dan nog het plezier van box 3, waarin vermogen in de vorm van spaargeld, beleggingen of een tweede huis worden belast. De fiscale behandeling van vastgoed is daarvan het meest schrijnende voorbeeld. Inkomsten uit verhuur worden veel minder belast dan inkomsten uit arbeid. Ook hier doet het boxenstelsel zijn werk: huurinkomsten vallen in box 2 als de verhuurders een bedrijf vormen, in box 3 als het particulier vermogen betreft. Terwijl woningbouwcorporaties door het kabinet Rutte II hoge extra belastingen is opgelegd (2 miljard aan ‘<em>verhuurderheffing’</em>), die onder Rutte III zijn gecontinueerd, worden beleggers op diverse manieren bevoorrecht. Sinds de financiële crisis van 2008 zijn investeringsfirma’s grootscheeps huizen gaan opkopen. Blackstone, het grootste Amerikaanse <em>private equity</em>-bedrijf, is uitgegroeid tot een van de machtigste vastgoedimperia in de wereld. Van de tien miljoen Amerikanen die door de fraude met hypotheken hun huis verloren, zijn de woningen goeddeels terecht gekomen bij een klein aantal van deze financiële firma’s. Woningbezit ging <em>en masse</em> over van bewoners naar beleggers. San Francisco is sindsdien de stad met de hoogste huren van de VS en het laagste percentage eigenwoningbezit. Niet zelden hebben mensen die buiten hun schuld hun huis moesten verkopen, het moeten terughuren van de ‘<em>aasgieren</em>,’ de <em>vulture capitalists</em>, die het in bezit kregen. Blackstone was de grootste profiteur, en bestuursvoorzitter Schwarzman klom naar de 24ste plaats op de miljardairslijst van <em>Forbes</em>. Voor grootbeleggers als Blackstone stellen tot voor kort ook Nederlandse makelaars pakketten samen van woningen, huizenblokken en wooncomplexen. De vastgoedafdelingen daarvan maximaliseren de huren, proberen onderhoudskosten af te wentelen op huurders en bouwen niks bij, want schaarste loont. Naast parasitaire beleggingsfirma’s zijn ook vermogende particulieren ‘<em>pandjes’</em> gaan kopen. De huurinkomsten daarvan vallen in box 3, wat betekent dat hierover in de praktijk niet of nauwelijks belasting wordt betaald. Hoe leuk kun je het maken voor de huisjesmelkende medemens? Tijdens de coronacrisis stegen de huizenprijzen dan ook gewoon door. In 2020 kwam al veertig procent (!) van de woningtransacties in de grote steden in Nederland voor rekening van particuliere beleggers. Ook zij drijven de huizenprijzen op, verhogen de huren (marktconformisme is de hoogste deugd), bouwen niets bij en betalen over de ontvangen huurinkomsten geen of maar een schijntje van de belasting die ze verschuldigd zouden zijn als hierover gewoon inkomstenbelasting zou worden geheven.</p>
<p>Het boxenstelsel waarop de Nederlandse belastingheffing berust is een wangedrocht. De inkomsten van het overgrote deel van de bevolking vallen in box 1 en worden progressief belast: hoe hoger je loon, hoe hoger het belastingtarief. Worden de andere boxen in de beschouwing betrokken, dan blijkt het stelsel als geheel regressief te zijn. Dat zet een van de principes van belastingheffing, het draagkrachtbeginsel, op zijn kop: <em>de sterkste schouders worden het minst belast.</em> Net als in de VS leidt dat tot een opwaartse herverdeling van inkomsten en bezit, houdt het de groeiende ongelijkheid gaande en heeft het perverse gevolgen. Het stimuleert een <em>rentenierseconomie</em> waarin bezit en speculatie lucratiever zijn dan produceren, remt nuttige bestedingen en productieve investeringen en verdrijft lagere en middeninkomens uit de steden, waar ze hard nodig zijn. Op onderdelen circuleren voorstellen tot hervorming. Hoe verstandig en vernuftig die ook zijn, ze lopen het risico de onoverzichtelijkheid van de belastingheffing te bestendigen. Alleen een radicale en samenhangende hervorming kan het fiscale bestel werkelijk duurzamer en socialer maken.</p>
<p><u>Individualisering van de financiering van publieke dienstverlening</u></p>
<p>De ongelijkheid neemt verder toe door de individualisering van kosten voor (semi-)publieke dienstverlening. Dit betreft de niet de uit belastinginkomsten gefinancierde lasten voor zorg, onderwijs, kinderopvang, openbaar vervoer en ook energie en wonen. Voor veel (zorg, kinderopvang en huur) van deze lasten kunnen burgers sinds 2002 fiscale toeslagen ontvangen die een deel van deze kosten opvangt. Voor de rest is afhankelijk van het lokale beleid soms bijzondere bijstand mogelijk. Zonder deze toeslagen en bijzondere bijstand zouden lage inkomens, ook mét de hiervoor voorgestelde forse verhoging, niet kunnen rondkomen. Het afschaffen van fiscale toeslagen zou zonder ingrepen aan de lasten waarvoor deze toeslagen verstrekt worden voor hen desastreus uitpakken, zeker omdat zonder ingrepen die lasten ook nog eens fors zullen blijven doorstijgen.</p>
<p>De achtergrond van deze individualisering van de financiering van publieke diensten is wederom neoliberale politiek. Door publieke voorzieningen steeds minder volledig te financieren via eerlijke, solidaire belastingheffing, maar steeds meer uit aparte premies en bijdragen die burgers rechtstreeks, en in toenemende mate ook ongeacht hun inkomen of vermogen, moeten betalen, wordt de solidariteit ondermijnd en de ongelijkheid vergroot. Deze individualisering in de financiering van collectieve voorzieningen (zorg, kinderopvang en onderwijs), waarin tegelijkertijd meer marktwerking, privatisering en liberalisering (energievoorziening, openbaar vervoer, sociale woningverhuur) aan de orde is, is funest voor de bestaanszekerheid. Decennia lang hebben ‘<em>we’</em> de collectieve financiering ondermijnd en de lasten die lage en middeninkomens per huishouden nu zelf moeten onderbrengen enorm vergroot. Dit maakte bij achterblijvende inkomens repartie via de inkomensafhankelijke fiscale kortingen en toeslagen nodig en zorgde in combinatie voor de huidige perfecte storm van de lastencrisis.</p>
<p><u>Armoedeval en marginale druk</u></p>
<p>Steeds meer huishoudens zitten gevangen in een <em>armoedeval</em>. Het is belangrijk te onderkennen dat armoedeval iets anders is dan armoede, en dat het een andere groep betreft – niet de laagste inkomens, maar juist de groep net daarboven.</p>
<p>Met extra werk verdienen zij netto nauwelijks extra. Door de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen (inkomensafhankelijke fiscale toeslagen en heffingskortingen, maar ook bijvoorbeeld sommige eigen bijdragen in de zorg) levert een extra verdiend bruto inkomen nog nauwelijks extra netto besteedbaar inkomen op. De armste inkomens houden meestal nog die regelingen, maar de inkomens daarboven verliezen deze deels of zelfs geheel.</p>
<p>Dat wordt uitgedrukt in <em>marginale druk</em> (% dat van iedere bruto extra inkomen verdwijnt in termen van netto besteedbaar inkomen). Dit houdt lagere en middeninkomens gevangen. De marginale druk kan heel hoog oplopen. Vooral in het inkomenstraject tussen 23 en 40 duizend euro is de marginale druk erg hoog. Voor sommige mensen is de stijging van het besteedbaar inkomen bij een stijging van het brutoloon met €1,- minder dan 20 cent. Dit wordt onder meer veroorzaakt door toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget) en de inkomensafhankelijke belastingkortingen (zoals de arbeidskorting, de ouderenkorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de algemene heffingskorting) die mensen beiden kwijtraken als ze meer gaan verdienen.</p>
<p>De marginale belastingdruk is heel variabel. Ook tussen mensen met hetzelfde inkomen kan de druk sterk uiteenlopen. Dit komt met name door de fiscale toeslagen die situatie specifiek zijn. Een persoon met een inkomen van 30.000 en een sociale huurwoning met huurtoeslag heeft daarmee een veel hogere marginale druk dan een persoon met hetzelfde inkomen zonder sociale huurwoning. Voor een alleenstaande met twee kinderen en een sociale huurwoning is de marginale belastingdruk bij 30.000 aan inkomen 83%. Als deze persoon geen huurtoeslag zou krijgen is de druk met 57,5% veel lager. In de onderstaande tabel wordt de situatie weergegeven voor verschillende inkomenscategorieën. Mogelijke marginale druk bij diverse niveaus van bruto inkomen:</p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="149">
<p>Belastbaar loon</p>
</td>
<td width="76">
<p>14.494</p>
</td>
<td width="66">
<p>19.459</p>
</td>
<td width="66">
<p>22.327</p>
</td>
<td width="66">
<p>28.801</p>
</td>
<td width="72">
<p>36.200</p>
</td>
<td width="83">
<p>47.299</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Inkomstenbelasting</p>
</td>
<td width="76">
<p>5.414</p>
</td>
<td width="66">
<p>7.219</p>
</td>
<td width="66">
<p>8.283</p>
</td>
<td width="66">
<p>10.685</p>
</td>
<td width="72">
<p>13.430</p>
</td>
<td width="83">
<p>17.548</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Algemene heffingskorting</p>
</td>
<td width="76">
<p>3.215</p>
</td>
<td width="66">
<p>3.215</p>
</td>
<td width="66">
<p>3.139</p>
</td>
<td width="66">
<p>2.752</p>
</td>
<td width="72">
<p>2.309</p>
</td>
<td width="83">
<p>1.646</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Arbeidskorting</p>
</td>
<td width="76">
<p>1.754</p>
</td>
<td width="66">
<p>3.154</p>
</td>
<td width="66">
<p>3.850</p>
</td>
<td width="66">
<p>4.023</p>
</td>
<td width="72">
<p>4.172</p>
</td>
<td width="83">
<p>3.506</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Nettoloon</p>
</td>
<td width="76">
<p>14.149</p>
</td>
<td width="66">
<p>18.608</p>
</td>
<td width="66">
<p>21.032</p>
</td>
<td width="66">
<p>24.890</p>
</td>
<td width="72">
<p>29.251</p>
</td>
<td width="83">
<p>34.903</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Zorgtoeslag</p>
</td>
<td width="76">
<p>2.487</p>
</td>
<td width="66">
<p>2.487</p>
</td>
<td width="66">
<p>2.421</p>
</td>
<td width="66">
<p>1.541</p>
</td>
<td width="72">
<p>537</p>
</td>
<td width="83">
<p>0</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Kindgebonden budget</p>
</td>
<td width="76">
<p>2.226</p>
</td>
<td width="66">
<p>2.226</p>
</td>
<td width="66">
<p>2.226</p>
</td>
<td width="66">
<p>2.226</p>
</td>
<td width="72">
<p>2.226</p>
</td>
<td width="83">
<p>1.656</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Huurtoeslag</p>
</td>
<td width="76">
<p>3.729</p>
</td>
<td width="66">
<p>3.729</p>
</td>
<td width="66">
<p>3.658</p>
</td>
<td width="66">
<p>2.060</p>
</td>
<td width="72">
<p>308</p>
</td>
<td width="83">
<p>0</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Besteedbaar inkomen</p>
</td>
<td width="76">
<p>22.591</p>
</td>
<td width="66">
<p>27.050</p>
</td>
<td width="66">
<p>29.337</p>
</td>
<td width="66">
<p>30.717</p>
</td>
<td width="72">
<p>32.322</p>
</td>
<td width="83">
<p>36.559</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="149">
<p>Marginale druk</p>
</td>
<td width="76">
<p>11%</p>
</td>
<td width="66">
<p>11%</p>
</td>
<td width="66">
<p>78%</p>
</td>
<td width="66">
<p>83%</p>
</td>
<td width="72">
<p>86%</p>
</td>
<td width="83">
<p>59%</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p><em> </em></p>
<p>Met name voor mensen met een inkomen tussen het minimumloon en iets boven modaal kan de marginale druk erg hoog zijn. Binnen de gezinssituatie die in de tabel wordt weergegeven zien we dat het besteedbaar inkomen van iemand waarvan het loon stijgt van het minimumloon naar een modaal inkomen met slechts €2.985,- toeneemt. Dit is een dermate kleine toename dat je je terecht de vraag kunt stellen of het wel de moeite waard is om hard te werken voor een carrière.</p>
<p>Daarnaast zien we dat er grote verschillen zijn in fiscale behandeling tussen groepen. Zo is de arbeidskorting in de loop der jaren flink verhoogd. Dat betekent dat het verschil in belastingdruk veel groter is geworden tussen werkenden en mensen met een uitkering of een vroegpensioenuitkering. Ook is het verschil in belasting- en premiedruk tussen zelfstandigen en werknemers erg groot, in het nadeel van werknemers. Voor mensen in de AOW-gerechtigde leeftijd geldt dat zij geen AOW-premie meer hoeven te betalen. Dat is weliswaar een flink fiscaal voordeel, maar door het zeer sterk oplopen van de arbeidskorting is het fiscale verschil met werkenden klein geworden. Op zichzelf is dat prima, mits het inkomensniveau van gepensioneerden koopkrachtig genoeg zou zijn, en dat is vooral voor de bijna één miljoen van de in totaal acht miljoen werknemers (12,5%) zonder aanvullend pensioen en de kwart van alle werknemers (!) met een klein aanvullend pensioen (tot € 5000 per jaar) steeds minder het geval door de stijgende lasten en achterblijvende indexering.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1546" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-26-300x225.jpg" alt="" width="300" height="225" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-26-300x225.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-26.jpg 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Bijna zes van de acht miljoen huishoudens ontvangen fiscale toeslagen (!), in plaats van dat we zorgen dat hun inkomens hoog genoeg zijn en dat collectieve voorzieningen als zorg en kinderopvang gewoon uit de belasting gefinancierd worden (in plaats van premies, eigen risico en eigen bijdragen) en dat de huren en energielasten betaalbaar zijn.</p>
<p>Fiscale toeslagen veroorzaken – ook zonder malversaties van de Belastingdienst – meer ellende dan alleen de armoedeval. Omdat ze uitgekeerd worden als voorschot en pas achteraf bekeken wordt of ze ook recht hebben en voor hoeveel worden bij 30% (!) van de huishoudens die toeslagen ontvangen deze teruggevorderd (soms pas na drie jaar!), omdat hun inkomen en/of huishoudenssituatie is veranderd. De flexibilisering van betaald werk is een belangrijke oorzaak. Hierdoor ontstaan veel problematische schulden, daar reserves juist bij deze inkomens ontbreken. Bij 20% (kindgebonden budget) tot 40% (huurtoeslag) blijkt er achteraf juist meer recht op toeslagen te zijn en volgen nabetalingen. Ondertussen zijn vaak problematische schulden ontstaan omdat de vaste lasten van kinderopvang, huur en zorg niet betaald konden worden. Zo’n 10-15% van huishoudens die wel recht hebben op toeslagen vragen ze niet eens aan. Slechts een minderheid van de huishoudens met een toeslag kregen de juiste toeslag.</p>
<p>Een hele fiscale kerstboom vol belastingtarieven, heffingskortingen en inkomenstoeslagen beoogde van Nederland een beschaafd, sociaal land te maken. Maar de keerzijde is dat iemand die probeert te ontsnappen aan de armoede, door meer te werken en carrière te maken, zijn of haar subsidies kwijtraakt en zo weinig overhoudt van al die ijver en ambitie. Wie arm is in Nederland en rijker probeert te worden, vindt de Belastingdienst op z’n weg<em>. ‘Als nivelleren een feest is, dan is de armoedeval de comazuiper die de dansvloer onderkotst’</em>, zo stelde Mathijs Bouman in een column terecht. Want wat heb je aan inkomensgelijkheid als het mensen in een afhankelijke positie houdt? Hoe durven we ons belastingstelsel ‘progressief’ te noemen, als in de praktijk de hoogste marginale tarieven door de laagste inkomens worden betaald?</p>
<p>Het schrappen van de fiscale toeslagen draagt niet alleen enorm bij aan de vereenvoudiging en uitvoerbaarheid van het stelsel, maar we maken ook een einde aan de armoedeval, er blijven niet zoals nu honderden miljoenen euro’s per jaar niet besteed omdat mensen het niet aanvragen (te complex, te veel risico’s) waardoor ze ten onrechte in armoede blijven en er wordt een eind gemaakt aan een van de belangrijke oorzaken van schulden bij huishoudens (door terugvordering van onterecht verkregen toeslagen bij onvoorspelbare, flexibele inkomens). Maar dan moeten we wel de vaste lasten structureel verlagen. Alleen een incidentele inkomensverbetering is daarvoor niet genoeg.</p>
<p>In plaats van progressieve belastingtarieven die onze rijkdom-verdeling eerlijker maakt, zijn er steeds noodgrepen gepleegd. Zo werd voor werkenden niet de lonen verhoogd, maar een inkomensafhankelijke arbeidskorting ingevoerd. Maar de laagste inkomens betalen te weinig belasting om van deze belastingkorting te profiteren, en denkt men nu na om deze korting voor hen ook als toeslag in te voeren <em>(‘verzilverbare arbeidskorting’</em>). In plaats van de AOW te verhogen en het aanvullend pensioen te verbeteren werd een inkomensafhankelijke ouderenkorting bedacht. In plaats van meer progressieve belastingtarieven werd er een inkomensafhankelijke algemene heffingskorting ingevoerd. Staat er ook een kind van u of uw partner bij u op hetzelfde adres ingeschreven, dan komt daar nog een zgn. inkomensafhankelijke combinatiekorting bij – in plaats van hogere (inkomens<em>on</em>afhankelijke) kinderbijslag. En werd er ook nog eens een inkomensafhankelijk kindgebonden budget – een toeslag, een uitkering dus – ingevoerd.</p>
<p><u>Belastingontwijking</u></p>
<p>Van de fiscale herzieningen van de afgelopen decennia hebben allereerst ondernemingen geprofiteerd. Het officiële tarief van de vennootschapsbelasting is gehalveerd en er is een internationaal systeem van belastingontwijking ontstaan dat grote bedrijven volop benutten. Ook om speciale <em>tax rulings</em> in Nederland af te dwingen, speciale afspraken met de Belastingdienst die vastleggen hoeveel belasting er betaald moet worden en welke fiscale constructies toegestaan zijn. De overheid wil ermee bereiken dat grote bedrijven zich in Nederland vestigen, die bedrijven proberen er zo laag mogelijke belastingen mee te krijgen. Vroeg in de coronacrisis kwam aan het licht dat Booking.com 2 miljard euro aan fiscaal voordeel had gekregen vanwege een ‘<em>innovatieregeling’</em>. En zo zijn er meer regelingen, véél meer. De belastingdruk voor grote ondernemingen is hierdoor in Nederland bijzonder laag, gemiddeld zo’n 9 procent, beduidend minder dan het officiële tarief van de vennootschapsbelasting. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) publiceerde in 2020 voor het eerst een vergelijkende studie over de winst- en vennootschapsbelasting van multinationale ondernemingen. En? Met de Britse Maagdeneilanden, Bermuda en de Kaaimaneilanden behoort Nederland tot de categorie belastingparadijzen.</p>
<p>De laatste jaren zijn er een flink aantal maatregelen genomen om af te komen van de reputatie van Nederland als belastingparadijs. Toch mogen we als land de vlag nog niet uithangen. Zo heeft Nederland onlangs nog de Spaanse woede op zijn hals gehaald door een verhuizing van het bedrijf <em>Ferrovial</em> naar Amsterdam. Hoewel ze claimen dat het voornamelijk gaat om betere regelgeving voor een dubbele notering op de beurs, verdenken de Spanjaarden de voordelige fiscale behandeling van bedrijven als echte reden voor de verhuizing. Zelfs nu klassiekers in de belastingontwijking, zoals de <em>Double Dutch with an Irish Sandwich</em>, niet langer bestaan en Nederland niet altijd meer zelf de eindbestemming van ontwijking is, zijn we nog altijd spin in het web. Nederland telt meer dan twaalfduizend brievenbusfirma’s, die tezamen een omvang hebben van meer dan vijf keer de Nederlandse economie. Nederland trekt in de statistieken nog altijd meer “<em>investeringen</em>” aan dan Duitsland en China samen, omdat een groot deel daarvan spookinvesteringen zijn. En er stroomde in absolute zin ook afgelopen jaar meer geld door Nederland dan door welk ander land ter wereld dan ook. Dat moet anders.</p>
<p><u>Begrotingspolitiek</u></p>
<p>Na 2008 sloegen de opeenvolgende kabinetten hard aan het bezuinigen om het begrotingsgat te dichten en de staatsschuld te verkleinen. Dat heeft Nederland zeker 5% aan economische groei gekost, berekende het Centraal Planbureau in 2016. Zonder die bezuinigingen was het bbp nu 35 miljard hoger geweest. In sommige terugblikken ter ere van tien jaar crisis werd gesuggereerd dat de bezuinigingen een keuze waren van het rechtse kabinet dat in 2010 aantrad (VVD/CDA, met gedoogsteun van de PVV). Echter, al in de herfst van 2009 kondigde het kabinet-Balkenende/Bos (CDA/PVDA/CU) aan flink te gaan bezuinigen om het begrotingstekort weg te werken, en ook het kabinet-Rutte/Asscher (VVD/PvdA) dat in 2012 aantrad bezuinigde hard. Door opeenvolgende kabinetten werd zo’n vijftig miljard euro structureel bezuinigd.</p>
<p>De pijnlijke conclusie van de Rekenkamer in 2016: de bezuinigingen waren bedoeld om de overheidsfinanciën op orde te brengen, maar de kans is groot dat de bezuinigingen daar geen positief effect op hebben gehad. In de woorden van de Rekenkamer: het is niet te zeggen of het begrotingstekort <em>dankzij</em> of <em>ondanks</em> de bezuinigingen gedaald is. Want minder economische groei betekent ook minder overheidsinkomsten. Bovendien leiden bezuinigingen tot een waterbedeffect: elders nemen de kosten toe. Van de vijftig miljard aan bezuinigingen kwam overigens slechts zeven miljard ten laste van het bedrijfsleven.</p>
<p>De Rekenkamer raadde het kabinet aan om alsnog de bezuinigingen goed te evalueren om <em>‘te weten wat wijs beleid is in moeilijke tijden’</em>. Toenmalig minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem liet echter weten een dergelijke evaluatie niet nodig te vinden. Nog steeds roepen de politici van Paars II dat zij niet anders konden dan bezuinigen op de portemonnee van burgers, terwijl zelfs het IMF, de Wereldbank en bijv. ook de ING erkennen dat door dit beleid de crisis juist verdiept en verlengd werd, en het herstel dus vertraagd, met een schade van honderdduizenden extra werklozen en een verlies van volgens het CPB 365.000 banen en een verlies aan nationaal inkomen van 16,5%, een verlies dat grotendeels structureel geworden is.</p>
<p>Inmiddels zijn de meeste economen het erover eens dat je in tijden van crisis juist niet moet bezuinigen. Is er eenmaal weer economische groei, dan nemen de staatsschuld en het begrotingstekort vanzelf snel af.<a href="#_ftn20" name="_ftnref20">[20]</a></p>
<p>Hoe slechter de economische situatie, hoe belangrijker een goed vangnet om ervoor te zorgen dat mensen niet helemaal door de bodem zakken. In economische termen is sociale zekerheid een van de <em>‘automatische stabilisatoren’</em>: de koopkracht blijft enigszins op peil, wat goed is voor bedrijven.</p>
<p>De huidige sociale zekerheid is echter een stuk uitgekleed in vergelijking met 2008. De maximale duur van de werkloosheidsuitkering is verminderd (van maximaal 38 naar 24 maanden, soms per CAO wel uitgebreid), mensen tot 27 jaar hebben minder snel recht op bijstand en ouderen moeten tegenwoordig eerst hun huis ‘opeten’ voordat ze recht hebben op bijstand.</p>
<p>Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid. Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken zou het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid moeten worden. Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang te gaan bezuinigen.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p>We bestrijden te grote inkomens- en vermogensongelijkheid door wetgeving en belastingen.</p>
<p><u>Wettelijk maximeren van topbeloningen en beloningsverschillen</u></p>
<p>Naast een uitbreiding en verscherping van de Wet Normering Topinkomens in de publieke sector (naar o.m. woningcorporaties, pensioenfondsen en hun uitvoeringsinstellingen en vermogensbeheerders, zorginstellingen en het Koningshuis), gaan we overal een wettelijk maximum invoeren van beloningsverschillen binnen één bedrijf of instelling. Bijvoorbeeld dat het hoogste loon (inclusief loon in natura en pensioen) in en bedrijf of instelling nooit meer dan twintig maal zo hoog mag zijn dan het laagste loon in dat bedrijf/instelling.</p>
<p>Bonussen beperken we ook, bijvoorbeeld door ze ook te maximeren op 10% van het gemiddelde loon in een bedrijf of instelling en te verplichten dat alle werknemers (inclusief bestuurders) daar op gelijke wijze (in euro’s, niet in procenten!) toegang toe hebben. De wetgeving voor gelijke beloning tussen genders wordt ook verscherpt.</p>
<p><u>Eerlijke, handhaafbare en simpele belastingen</u></p>
<p>In de loon- en inkomstenbelasting gaan we alle inkomen ongeacht hoe dat inkomen verdiend is (uit arbeid, uit kapitaal/bezit of uit bedrijf), gelijk behandelen – we schrappen het boxenstelsel. In plaats daarvan komen er meer (bijv. zes), progressief oplopende tariefschijven (bijv. voor de laagste inkomens 15%, voor de hoogste 75%).<a href="#_ftn21" name="_ftnref21">[21]</a> Deze tarieven worden ook effectief, ze worden niet meer verlaagd met kortingen, aftrekposten, vrijstellingen en andere faciliteiten.</p>
<p>Deze belastingverminderingen komen nu grotendeels terecht bij hogere inkomens. Het maakt ontduiking en ontwijking ook erg moeilijk als dat allemaal niet meer bestaat – uitvoering en handhaving wordt eenvoudiger, de transparantie wordt groter en belastingadviseurs moeten een wel zinvol beroep gaan kiezen.</p>
<p>We schrappen daarmee niet alleen de arbeidskorting (werk moet niet op kosten van de belastingbetaler, maar op die van werkgevers lonen!), de ouderenkortingen (de ouderdomsvoorzieningen moeten zelf hoog genoeg zijn), de algemene heffingskorting, de combinatiekorting, maar ook alle aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek en conform het advies van de commissie Borstlap de ondernemersaftrek op winst en verlies uit onderneming (dit betreft de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, meewerkaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, stakingsaftrek), en de zgn. ondernemingsfaciliteiten (dit betreft de mkb-winstvrijstelling, landbouwvrijstelling, milieu-investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving milieu-investeringen, kleinschaligheidsinvesteringsaftrek,  energie-investeringsaftrek, en herinvesterings-reserve). Dat ruimt lekker op en levert veel geld op.</p>
<p>Ook schrappen we de mogelijkheid voor zelfstandigen om te lenen van de eigen BV (incl. eigen woningschuld) en schrappen we de doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon bij DGA’s conform het IBO-rapport over vermogensongelijkheid uit juni 2022.</p>
<p>Bij elkaar leiden deze belastingfaciliteiten voor ondernemers nu tot grotere ongelijkheid en grote verschillen in lasten op arbeid afhankelijk van de vorm waarin deze arbeid wordt verricht. Ook leiden ze tot forse uitholling van de financiering van de sociale zekerheid en van de collectieve voorzieningen. Daarbij gaat het hier om forse bedragen die, mede door de groei van het aantal ondernemers, de laatste jaren duidelijk zijn gegroeid. Ze spelen een grote rol bij het vergroten van de ongelijkheid. We moeten stoppen om gedrag van ondernemers en ondernemingen te beïnvloeden met fiscale of andere subsidies.</p>
<p>De aftrekposten met betrekking tot verduurzaming worden vervangen door prijsmaatregelen en regulering. Prijsprikkels zijn veel effectiever, eenvoudiger uit te voeren en kosten de belastingbetalers niets, maar leveren juist inkomsten op.</p>
<p>Wat betreft de aftrekposten voor het eigen huis, zie het beginsel Solidaire Volkshuisvesting.</p>
<p>Bij inkomen telt voor de belastingheffing alles mee, ook de waardevermeerdering van bezit, en inkomen in natura, zoals auto’s van de zaak. Zonder uitzonderingen. Er wordt niet langer gewerkt met fictieve, maar met werkelijke rendementen.</p>
<p>De Directeur-Groot Aandeelhouder (DGA) wordt direct belast over de winst van zijn vennootschap in de inkomsten- en loonbelasting &#8211; de huidige mogelijkheden om inkomen en dus belastingheffing (schier eindeloos) uit te stellen vervallen daarmee, en tevens afschaffing van de aftrekmogelijkheden voor leningen aan de DGA. We stoppen ook met alle fiscale subsidiëring van schulden &#8211; we staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd nul euro, en we waarborgen een eerlijke vermogensetikettering (indien het vermogen voor het merendeel voor privé of voor de onderneming wordt aangewend, wordt het vermogen daar volledig in opgenomen voor de belastingheffing).</p>
<p>Bij de nieuwe tarieven worden de huidige premies voor volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) en de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke zorgpremie (ZVW) geïntegreerd. Een deel van de financiering van de AOW/ANW en de zorg (nu WLZ/ZVW) gaan we ook financieren door verhogingen van belastingen op kapitaal (zie hierna). De vrijstelling van pensioenen in de derde pijler (lijfrentes e.d.) vervalt. Dat zorgt bij elkaar voor een breder en eerlijker financiering, en maakt het stelsel nog een stap eenvoudiger.</p>
<p>Bij de transitie wordt gewaarborgd dat lagere en middeninkomens (tot bijv. anderhalf modaal) er qua koopkracht op vooruitgaan, in samenhang met maatregelen die hun lasten beperken en hun inkomens verhoogd worden.</p>
<p>De verhouding tussen de opbrengst van de inkomstenbelasting en die van andere belastingen, met name die op kapitaal, moet fors veranderen – het grootste deel moet uit andere belastingen komen. Daartoe voeren we in de eerste plaats een aparte vermogensbelasting in voor grote vermogens, met een hoger tarief naar mate het vermogen hoger is. Het vermogen exporteren naar een ander land wordt daarbij tegen een hoger tarief belast.</p>
<p>We veranderen daarnaast de vennootschapsbelasting. Nu is het tarief afhankelijk van het aantal werknemers van een bedrijf, wij maken er een progressieve winstbelasting van, oftewel een belasting waarvan het tarief toeneemt naarmate de winst hoger is. Dit heeft veel positieve effecten. Als het maken van steeds hogere winsten minder lucratief wordt, wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om de lonen te verhogen, om te investeren, of zelfs hun prijzen te verlagen. De gasprijs daalde direct toen de EU aankondigde om de winsten van energiebedrijven af te romen. Daarnaast kan een aparte belasting op grote vermogens van bedrijven die worden opgepot en op het opkopen van eigen aandelen, zoals nu in de VS voorgesteld, helpen de lonen te verhogen en/of de prijzen te verlagen, in combinatie met een forse, ook progressieve verhoging van de dividendbelasting.</p>
<p>Voor digitale techbedrijven voeren we bovendien een Digitaks in, dat een eind maakt aan hun belastingontwijking. Indien bedrijven vertrekken naar goedkope belastingparadijzen moeten ze een exit belasting betalen conform het initiatief wetsvoorstel daarover van GroenLinks.</p>
<p>We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief. Beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn zeker zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant.</p>
<p>We schrappen tegelijkertijd ook alle vrijstellingen in de vennootschapsbelasting, zoals de innovatie box (waar multinationals te makkelijk geld tegen maar 5% kunnen laten belasten), de deelnemersvrijstelling en de voordelen met betrekking tot herstructurering van schulden en verliezen, waarmee zelfs algehele belastingvrijstelling verkregen kan worden.</p>
<p>En we gaan een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren. De ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen (rente aftrekbaar, winsten belast) in de vennootschaps-belasting leidt tot allerlei fiscale constructies en tot overmatige schuldfinanciering. Een gelijke aftrek voor zowel eigen als vreemd vermogen haalt die perverse prikkel weg. Dit zal een domper zijn voor in Nederland gevestigde financieringsvennootschappen (de ‘brievenbus-bedrijven’), maar juist weer gunstig voor concernfinanciering vanuit Nederland van reële investeringen. Een gelijke vermogensaftrek is bovendien relatief gunstig voor het midden- en kleinbedrijf omdat het MKB verhoudingsgewijs met veel eigen vermogen is gefinancierd.</p>
<p>We wijzigen ook de erfenis- en schenkingsbelasting waarbij iedere Nederlander het recht krijgt om gedurende zijn leven bijv. 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen belastingvrij te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast: bijv. de eerste 500.000 euro met 40%, alles daarboven met 60%. Erfenissen zijn een belangrijke veroorzaker van onrechtvaardige bestendiging en vergroting van ongelijkheid. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers wordt eveneens geschrapt. Teneinde acuut faillissement te voorkomen zijn hierbij betalingsregelingen mogelijk. Eveneens wordt de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR) geschrapt, conform het IBO-rapport over vermogensongelijkheid.</p>
<p>Het nieuwe belastingstelsel betekent per saldo een forse lastenverzwaring, die neerslaat bij hoge inkomens en grote vermogens, en bij grote vervuilers, zowel bij huishoudens als bij bedrijven. Deze opbrengst gaat naar versterking van de publieke sector, verlaging van lasten en verhoging van inkomen voor lagere en middeninkomens. We gaan de handhaving daarbij enorm versterken en belastingontduiking zwaar straffen.</p>
<p>GroenLinks en de PvdA doen in een recente initiatiefnota meer dan 25 voorstellen om een eind te maken aan de rol van Nederland als facilitator van belastingontwijking. Het is van belang om voor eens en altijd af te rekenen met belastingontwijking en van het juk als belastingparadijs af te komen.</p>
<p>Ten eerste, pleiten we ervoor om de criteria van de Europese zwarte en grijze lijsten van belangparadijzen aan te scherpen. Deze definities zijn nu niet scherp genoeg. Het kabinet concludeert op basis van de bestaande definitie dat de geldstromen naar dergelijk fiscale gebieden gedaald zijn. Maar op de lijst van belastingparadijzen staan slechts twintig landen. Bovendien ontbreken notoire ontwijkingsoorden als Bermuda en de Kaaimaneilanden. Door meer landen die daadwerkelijk fungeren als belastingparadijs op te nemen in deze lijsten zullen maatregelen die zich richten tegen dergelijke bestemmingen van geldstromen ook echt alle belastingparadijzen raken.</p>
<p>Een ander vaak onderbelicht punt is de informatie-uitwisseling tussen belastingdiensten. Door te veel te focussen op brievenbusfirma’s slippen andere bedrijven, die ook gebruik maken van belastingontwijkingsconstructies, door het net. Een goed voorbeeld is farmagigant Pfizer. Dat heeft een keurig kantoor met medewerkers in Capelle a/d IJssel. Het geldt daarom niet als brievenbusfirma omdat er werkelijk werkzaamheden worden verricht. Toch zien we dat het kantoor intussen ook ingezet wordt als vehikel om belasting mee te ontwijken. Daarom stellen wij voor om informatie-uitwisseling tussen belastingdiensten en het tegengaan van belastingontwijking via investeringsverdragen veel breder te zien dan enkel een focus op brievenbusfirma’s.</p>
<p>Ten derde, bestrijd je belastingontwijking niet alleen door feitelijke structuren aan te pakken, maar ook door de ‘<em>infrastructuur’</em> die ontwijking mogelijk maakt, in te perken. Daarom pleiten wij ervoor de trustsector, die verder weinig reële waarde toevoegt, te verbieden. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s.</p>
<p>Ook is het van belang om een eind te maken aan geheime belastingdeals tussen de overheid en het grootbedrijf — zodat we niet langer afhankelijk zijn van goede onderzoeksjournalistiek voor gevallen als die van Pfizer. Daarnaast willen wij dat het belastingadviseurs onmogelijk gemaakt wordt om agressieve fiscale structuren op te zetten en dat het kabinet niet langer de deur openzet voor commerciële belangen in fiscale adviescommissies. Het kabinet Rutte IV laat de mogelijkheid om ontwijking verder aan te pakken, bewust liggen.</p>
<p>Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.</p>
<p>Er komen veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per drie jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, en ieder jaar bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude).</p>
<p>We scherpen vestigingseisen van multinationals aan (o.m. werknemers en kantoor in Nederland).</p>
<p>Belastingverdragen met derdewereldlanden gaan we solidair maken en voorzien van een antimisbruikbepaling.</p>
<p>Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.</p>
<p><u>Consumentenprijzen, BTW en accijnzen</u></p>
<p>De huidige prijsinflatie is vooral te danken aan een prijs-winstspiraal. We gaan dat tegen door hogere winst- en andere kapitaalbelastingen, en het nemen van prijsmaatregelen – een maximumprijs vaststellen zonder compensatie waar onredelijk hoge marges leiden tot hoge prijzen van producten en diensten die essentieel zijn voor burgers. Daartoe krijgt de overheid meer instrumenten, onder meer door de Prijzenwet vaker en in meer situaties te kunnen toepassen. Nu mag dat alleen maar in economische crises, we willen dat het altijd mogelijk moet zijn om een maximumprijs op te leggen indien de markt zelf er onvoldoende in slaagt om voor belangrijk gevonden producten en diensten de prijzen redelijk te houden in verhouding tot de kosten en de winstmarges.</p>
<p>De BTW op gezonde, duurzame en diervriendelijke producten moet omlaag, die op andere producten omhoog. Dan kan best, zoals ook het buitenland laat zien. We voeren een apart laag btw-tarief in voor producten die voldoen aan eisen van ecologische duurzaamheid (circulair gebruik van grond- en afvalstoffen, geen fossiele energie, bescherming van biodiversiteit, dierenwelzijn en gezondheid mensen, geen vervuiling) en van sociale rechtvaardigheid (geen kinderarbeid, eerlijke beloning en arbeidsvoorwaarden, bescherming arbeidsomstandigheden en positie werknemers, eerlijk belasting betalen) met behulp van een nieuw, door de overheid vastgesteld keurmerk voor Duurzaam en Eerlijk Ondernemen.</p>
<p>Ook gezonde producten (onder meer geen of weinig suiker en vet) worden onder het lage btw-tarief geplaatst. Er komt daartoe een speciaal door de overheid vastgesteld Gezond Voedsel keurmerk. Duurzame apparaten, diensten en producten komen zo onder het laagste btw-tarief<strong>, </strong>zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc. Vervuilend gedrag moet juist zwaarder belast worden, zoals vlees- en zuivelconsumptie, producten van intensieve landbouw e.d. Er komt een verbod op stunten met vleesprijzen. Al het vlees dat in Nederland verkocht wordt, beschikt als eerste stap minimaal over 2-sterren van het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming en alle zuivel tenminste over 1-ster van hetzelfde keurmerk, en dit scherpen we planmatig aan. Deze keurmerken worden geïntegreerd in de hiervoor genoemde door de overheid vastgestelde keurmerken. Zo sturen we de consumptie en maken we transities voor producenten mogelijk.</p>
<p>Accijnzen op ongezonde en/of verslavende producten (alcohol, tabak) gaan ook omhoog, ook die op drugs die niet langer verboden worden, maar streng gereguleerd worden – alleen beschikbaar op specifieke verkooppunten, met kwaliteitscontrole en legale productie en distributiekanalen, en alleen aan meerderjarigen. Reclame hiervoor wordt verboden.</p>
<p><u>Linkse begrotingspolitiek</u></p>
<p>Het inderdaad kostbare beginselprogramma is prima financierbaar. We halen het geld waar het zit. We zijn voor degelijke financiering van overheidsuitgaven, maar dan wel zonder neoliberale dogma’s en gericht op de langere, duurzame termijn. We stoppen met de overdreven spaarzaamheid.</p>
<p>Er is veel meer begrotingsruimte als we de afspraken over staatsschuld en financieringstekort niet meer zo idioot formuleren als nu gebeurt. We hoeven het vermogen van de overheid niet geforceerd op te krikken. Zorgen over de staatsschuld worden zeer overdreven. De Nederlandse overheid heeft altijd een netto-vermogen gehad, geen netto-schuld: de bezittingen zijn groter dan de schulden en gegarandeerde toekomstige inkomsten, m.n. de zekere inkomsten uit belastingen op pensioenen. Zo bezien heeft ons land helemaal geen staatsschuld.</p>
<p>We nemen de bezittingen en vorderingen van de overheid in aanmerking bij de herformulering van de staatsschuld. En we stappen af van de regel dat meevallers op de begroting alleen gebruikt mogen worden voor de aflossing van de staatsschuld.</p>
<p>Het financieringstekort hoeft ook niet per sé maximaal drie procent op jaarbasis te zijn. Gemiddeld drie procent voor een langere periode is prudent genoeg. Er is daarnaast geen enkele noodzaak tot het creëren van een begrotingsoverschot. Begrotingsoverschotten moeten gebruikt worden voor investeringen. Begrotingsdoelen moeten we afwegen tegen sociale doelen (werkgelegenheid, ongelijkheid, armoede en uitsluiting) en duurzaamheidsdoelen. Ja, dat moeten we Europees regelen, met een verandering van het stabiliteits- en groeipact, maar laten we daar maar eens assertief in zijn.<a href="#_ftn22" name="_ftnref22">[22]</a> Worden de Europese begrotingsregels niet aangepast, dan zit er niks anders op dan statelijke ongehoorzaamheid. We moeten niet te benauwd zijn om veranderingen af te dwingen, zolang het vetorecht nog bestaat. De EU zal sociaal zijn, of niet zijn.</p>
<p>Geen landen meer als zondebokken. Rond 2010 zorgde het conflict tussen de eurogroep en Griekenland voor een enorme omslag in de <em>framing</em> van de crisis. Toen Griekenland het epicentrum van de crisis werd, waren plotseling niet langer de banken en de financialisering van de economie de schuldigen, maar geld verbrassende overheden. En was de oplossing niet langer het aan banden leggen van de financiële industrie, maar moest de oplossing komen van overheidsbezuinigingen. Bij een volgende crisis zal het een hele kunst worden om niet opnieuw te gaan geloven dat het allemaal de schuld is van een dom land, Italië bijvoorbeeld. Italië is met de hoge staatsschuld de ideale zondebok. Hoe onverstandig het beleid van dat land misschien ook is (niet vanwege het laten oplopen van de staatsschuld, maar vanwege het gebrek aan goede plannen voor de besteding van het geld en de slechte en oneerlijke inning van belastingen), Italië is niet de oorzaak van een volgende crisis. Hoogstens een druppel die de emmer doet overlopen. Wie zich laat afleiden door zondebokken, komt niet toe aan het aanpakken van de werkelijke oorzaken.</p>
<p>Voorts moeten we in de EU Eurobonds invoeren: landen lenen geen geld op de ‘gewone’ geldmarkt, maar van de Europese Centrale Bank, waarbij landen in feite garant staan voor elkaar. Als staatsschulden oplopen gooit de private geldmarkt maar al te graag de rente voor staten omhoog. Daardoor loopt de staatsschuld verder op en ontstaat een eindeloze negatieve spiraal, die ook nu weer dreigt te ontstaan. Eurobonds voorkomen dat, want de ECB kan de rente in de hand houden. Ook de ECB zal voor verschillende landen verschillende tarieven rekenen, maar veel gereguleerder dan op de markt. Als je de rentevorming aan de markt overlaat geef je financiële markten de macht om landen af te straffen. Bij Italië kunnen Eurobonds het verschil zijn tussen wel en niet omvallen. Eurobonds betekenen voor landen als Nederland en Duitsland wel een iets hogere rente.</p>
<p>In tijden van financieel-economische crisis voeren we Keynesiaanse begrotingspolitiek. We bezuinigen niet op de sociale zekerheid, pensioenen of de werkgelegenheid en inkomens in de publieke sector, en we verhogen niet de lasten van huishoudens ten bate van lagere lasten op kapitaal – zoals na de crisis in 2008 en 2012 is gedaan. In tijden van crisis investeren we met duurzame investeringen, en breiden de werkgelegenheid in de publieke sector en de sociale zekerheid en bescherming (incl. sociale woningbouw) juist uit, opdat huishoudens niet door de bodem zakken.</p>
<p>De rentelast van de overheid kan beheerst worden door daar op te sturen (in plaats van op begrotingstekort of staatsschuld, sturen we op rentelast) met gerichte lastenverzwaringen waar geprofiteerd wordt in een crisis – er zijn altijd private winnaars in een crisis.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134451990"></a><strong>2.  </strong><strong>Een Zeker Inkomen</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Het beginsel Zeker Inkomen houdt in dat iedereen in ons land een voldoende hoog inkomen heeft om fatsoenlijk van te kunnen leven. Dat betekent onder meer dat men de noodzakelijke uitgaven voor wonen, energie, zorg, kinderopvang, onderwijs en om normaal mee te kunnen doen in het leven (inclusief sport, cultuur, verjaardagen, etc.) uit dat inkomen kan financieren. Dat vraagt naast een loonontwikkeling die een eerlijk deel van de winst opeist en tenminste de prijsontwikkeling compenseert en een voldoende hoog inkomensminimum, ook een beheersing van de individuele lasten door de overheid.</p>
<p>Daarnaast moet het inkomen ook zeker zijn, dus in beginsel met goede arbeidsvoorwaarden (zie daarvoor meer bij het beginsel Goed Werk) en voor hen die afhankelijk zijn van een uitkering of pensioen, solidaire en zekere polisvoorwaarden daarbij.</p>
<p>Voor mensen zonder voldoende eigen inkomen garanderen we een onvoorwaardelijk inkomensvangnet – en bij gepensioneerden blijft dat net als nu in de AOW inkomens- en vermogensonafhankelijk. Het inkomensvangnet moet daarbij ook niet afhankelijk zijn van je levensvorm – alleenstaand, of samenwonend, met wie dan ook, doet niet terzake voor de hoogte van het inkomensvangnet. Voor alle volwassenen geldt dat de overheid geen verschil maakt in de hoogte van de uitkering van het inkomensvangnet naar of en hoe je samenwoont. Dat garandeert ook voor de ontvangers daarvan dat ze zelf kunnen bepalen hoe en met wie ze willen wonen.</p>
<p>Het inkomensvangnet is voorts niet meer afhankelijk van verplichtingen en verboden met betrekking tot participatie of betaald werk. Dit blijkt niet alleen in de praktijk contraproductief, maar leidt ook middels strafkortingen tot juist meer armoede en vernedering. De focus moet van dwang, drang en sanctie naar facilitering, motivering en beloning. Betaald werk wordt een recht in plaats van een plicht. Activerend arbeidsbeleid wordt principieel vrijwillig en geheel onder eigen regie van de werkzoekende, zowel wat betreft waar en voor wie men werkt, hoeveel en wanneer men werkt, in welke arbeidsrechtelijke constructie dat is en met welke arbeidsbemiddeling dat is. We zorgen wel dat binnen dat uitgangspunt arbeidsbemiddeling goed en effectief is en dat onvrijwillige werkloosheid zoveel mogelijk voorkomen en zo kort mogelijk is.</p>
<p><strong><em>Ons Doel</em></strong></p>
<p>We streven naar een Nederland waarin alle volwassenen structureel een fatsoenlijk inkomen gegarandeerd hebben. Voor werknemers geldt daarbij een wettelijk minimumloon, dat middels de EU-richtlijn hierover tenminste 60% bedraagt van de mediane loonontwikkeling. Doordat we ook die loonontwikkeling bewust stimuleren vanuit de overheid, is er een hoog niveau van minimuminkomen. De prijsontwikkeling wordt daarbij ook jaarlijks wettelijk gecompenseerd.</p>
<p>Werkende jongvolwassenen verdienen ook tenminste het minimumloon en werkende minderjarige jongeren verdienen daarbij redelijke, hogere percentages daarvan. Het verdienmodel van sommige bedrijven door grotendeels jongeren met lage lonen in te zetten, en daarmee ouderen te verdringen en kinderarbeid teveel in te zetten, is daarmee verdwenen.</p>
<p>Voor zelfstandigen zonder personeel geldt daarbij ook een voldoende hoog wettelijk minimumtarief (op circa 30% van het wettelijk minimumuurloon), en de opdrachtgever betaalt de premie voor het voor alle werkenden verplichte opbouw van aanvullend pensioen. Voor zzp-ers is er daarvoor een apart pensioenfonds. Schijnconstructies met ondernemerschap en afwenteling van lasten van ondernemers op de belastingbetaler zijn onmogelijk gemaakt.</p>
<p>Er wordt veel gedaan om onvrijwillige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid te voorkomen. De inkomensvoorzieningen als dat toch gebeurt (WW, WIA) zijn verbeterd en verruimd.</p>
<p>Voor mensen zonder voldoende inkomen of vermogen (waarbij ruime vrijstellingsbedragen gelden) is er een Zekerheidsinkomen, dat de bijstand en Wajong vervangt. De term Zekerheidsinkomen geeft aan, dat je altijd zeker bent van dat inkomen. Er zijn geen nadere voorwaarden, verplichtingen of verboden aan verbonden, en je kan er ook niet op gekort worden, anders dan door hoge andere (eigen) inkomensbronnen. En het is individueel, dus hoe en met wie je woont, doet er niet toe. Iedereen zonder individueel voldoende hoog inkomen of vermogen, krijgt 70% van het wettelijk minimumloon.</p>
<p>Mensen zonder voldoende inkomen of vermogen worden – anders dan nu – wel heel goed geholpen met het verkrijgen van betaald werk. Niet verplicht, maar geheel vrijwillig, en met volledig eigen regie over welk werk, hoeveel werk, en waar je werkt, en over werk in loondienst of werk als (startend) ondernemer. Mensen met een Zekerheidsinkomen krijgen een vrijblijvend, maar wel motiverend, enthousiasmerend en faciliterend aanbod op hulp bij arbeidsbemiddeling, inclusief scholing en andere belemmeringen wegnemende faciliteiten. Ook anderen, zonder Zekerheidsinkomen, kunnen hiervoor gratis terecht bij een regionale, publieke werkwinkel. Bijvoorbeeld omdat je ander werk wilt, of meer of minder wil werken. Of omdat je ondernemer wil worden, of juist werknemer. Jij bepaalt!</p>
<p>Mensen met een beperking krijgen daarbij aangepaste ondersteuning, op maat, en uiteraard ook onder eigen regie, zonder enige dwang of drang. Voor hen zijn er ook meer mogelijkheden voor betaald werk – zie daarvoor ook bij het beginsel Goed Werk. Alle werkenden met een beperking ontvangen wettelijk verplicht hetzelfde functieloon als hun collega’s zonder beperking (nu ontvangen zij inkomensuppletie vanuit de Participatiewet tot het bijstandsniveau, met alle geldende voorwaarden en kortingen zoals die daarin nu gelden). Werkgevers ontvangen daarbij zo nodig loonkostensubsidie in plaats van loondispensatie.</p>
<p>De werkwinkels helpen bij het verwerven van betaalde arbeid voor mensen met een beperking, zij hebben allen een expertcentrum voor werken met een beperking, ook voor werkgevers.</p>
<p>Iedereen die volledig arbeidsongeschikt is of wordt, heeft met het Zekerheidsinkomen tenminste een fatsoenlijk inkomensniveau, zonder nadere voorwaarden, verplichtingen of verboden, zonder partnertoets of kostendelersnorm, en zonder aparte premie.</p>
<p>Voor gepensioneerden hebben we het basispensioen (AOW), dat net als het Zekerheidsinkomen gekoppeld blijft aan 70% van het wettelijk minimumloon, ook individueel gemaakt. Iedere gepensioneerde ontvangt dat dus, ook als men samenwoont. En de opbouweis is vervallen – daarmee is er voor migranten geen AOW-gat meer, en is er ook voor hen een Zeker Inkomen. Wel geldt dat men al hier rechtmatig moet verblijven voordat de pensioenleeftijd ingaat om in aanmerking te komen voor AOW. Dat is net als bij het Zekerheidsinkomen en de huidige AOW. Door het schrappen van de aparte AOW-premie en deze te verdisconteren in de nieuwe, progressieve belastingtarieven (zie bij beginsel Eerlijk (Herver-)Delen is de pensioenvoorziening ook eerlijker gefinancierd.</p>
<p>De pensioenleeftijd is de regeling inkomensafhankelijk gemaakt, waarmee lagere inkomens tenminste net zo lang AOW en aanvullend pensioen ontvangen en premie betalen voor aanvullend pensioen, als hogere inkomens.</p>
<p>Daarbij bouwt iedere werkende – zelfstandig ondernemer of werknemer – vanaf meerderjarigheid verplicht een goed, collectief dus solidair aanvullend pensioen op, dat als regel, feitelijk en niet als fictie, bij normale omstandigheden welvaartsvast is. Het pensioenakkoord is daartoe opengebroken. Daarmee bouwt iedere werkende een goede inkomensvoorziening op ter hoogte van 80% van het over de gehele loopbaan verdiende gemiddelde inkomen. Door de gedifferentieerde pensioenleeftijd naar inkomen en de collectieve arbeidstijdverkorting en betere regelingen voor zorgverlof (voor beide laatst genoemde zaken, zie bij het beginsel Goed Werk) is de opbouw van het aanvullend pensioen ongeacht inkomen en gender ook beter gegarandeerd en eerlijker verdeeld. Lagere inkomens genieten eerder en langer van hun pensioen, en genders hebben een meer gelijk opgebouwd pensioen.</p>
<p>Ook (meerderjarige) voltijds studenten (mbo, hbo, wo) hebben een inkomen, dat gelijk is aan het Zekerheidsinkomen, ongeacht hun woonsituatie. In stappen is dat op gelijk niveau gebracht. Het les- en collegegeld is vervangen door een systeem van wettelijke leerrechten, die recht geven op gratis onderwijs na het voortgezet onderwijs. Daarbij heb je meer leerrechten voor gecertificeerde na-, her- en bijscholing als je geen of minder hoger onderwijs hebt gevolgd.</p>
<p>Laaggeletterdheid komt nauwelijks meer voor dankzij een speciaal offensief, waarbij onder meer bibliotheken, welzijnswerk en scholen (met extra volwassenenonderwijs) betrokken zijn.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p>Een Zeker Inkomen betekent dat de lonen in ons land minimaal voldoende zijn om fatsoenlijk van te kunnen leven, en om armoede te voorkomen.</p>
<p>Armoede bestrijden op nationaal niveau gaat over de groep mensen die te weinig besteedbaar inkomen heeft om normaal te kunnen meedoen in onze samenleving. Dat zijn deels mensen met een uitkering (bijstand, Wajong, WIA, AOW) en deels mensen die werken (vooral flexwerkers – uitzendkrachten, 0-urencontracters, platformmedewerkers, schijnzelfstandigen – en arbeidsmigranten). Plus een kleine groep die niets heeft, waaronder een deel van de daklozen. En een groep die door problematische schulden te weinig inkomen over houdt. Een groot deel van deze armen is ook chronisch ziek en/of arbeidsongeschikt. Een ander belangrijk deel is éénoudergezin – vooral vrouwen. Een klein deel betreft gepensioneerden met (bijna) alleen AOW en geen eigen huis – ook in deze groep is de meerderheid vrouw en/of migrant (die hebben vaak ook nog een AOW-gat).</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1549" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-27-288x300.jpg" alt="" width="288" height="300" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-27-288x300.jpg 288w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-27.jpg 652w" sizes="(max-width: 288px) 100vw, 288px" /></p>
<p>Armoede en schulden doet de kosten van zorg, welzijn en veiligheid dramatisch stijgen. De directe kosten van schuldhulpverlening zijn ca. 500 miljoen euro per jaar. Maar de extra maatschappelijke kosten van problematische schulden zijn een veelvoud van dat bedrag. Het Nibud schat ze op € 11 miljard per jaar (verzuim, minder productiviteit, administratie, (jeugd)zorg, maatschappelijke opvang, maatschappelijk werk, inzet wijkteams, bijzondere bijstand, criminaliteit, etc.).</p>
<p>Armoede bestrijden heeft een inkomenskant en een (vaste) lastenkant. Dat is belangrijk te onderkennen want als je niet aan beide kanten maatregelen treft, ben je in de kortste keren weer in de problemen beland. Een hoger inkomen is bijv. snel weer betekenisloos als de lasten blijven stijgen.</p>
<p><u>Lastencrisis</u></p>
<p>De ongelijkheid in ons land manifesteert zich niet alleen in de inkomens- en vermogensverdeling maar ook aan de ontwikkeling en verdeling van (vaste) lasten.</p>
<p>Dit is te beheersen door inkomens (lonen én uitkeringen) niet alleen te koppelen aan de gemiddelde loonontwikkeling, maar ook aan de prijsontwikkeling. De angst voor een loonprijsspiraal is bij de huidige omstandigheden niet terecht. Er is nu sprake van een winstprijsspiraal, waarbij de winsten en de kartelachtige machtposities van grote bedrijven leiden tot hogere prijzen. Het aanpakken én dus afpakken van die winsten en kartelposities is noodzakelijke voorwaarde om de huidige inflatie te doen afremmen. Daarbij hoort naast verhoging van belastingen op inkomen uit vermogen én op grote vermogens, ook het beperken van patentrecht, het invoeren van vermogensaanwasdeling voor werknemers bij bedrijven (liefst in de vorm die ook zeggenschap aan deze werknemers geeft) en het voeren van linkse grondpolitiek (die speculatie en overmatige private winsten tegen gaat).</p>
<p>Bedrijven in Nederland hebben in het afgelopen jaar (2022) samen zo&#8217;n 327 miljard euro winst geboekt. Dat is het hoogste bedrag sinds statistiekbureau CBS eind vorige eeuw begon met meten. Het vorige record stond op 288 miljard en werd een jaar eerder genoteerd. Vooral in de laatste twee kwartalen van 2022 werden flinke winsten geboekt. Zo bleef er bij bedrijven onder de streep 85,0 miljard euro over in het vierde kwartaal. In het derde kwartaal werd met een totaalwinst van 85,1 miljard euro zelfs het beste resultaat ooit behaald. In de laatste maanden van vorig jaar ging vooral de winst in de horeca, luchtvaart en reisbureaus omhoog. Bedrijven in die sectoren hadden een jaar eerder nog te maken met lockdownbeperkingen. Ook energieleveranciers zagen de winst stijgen, vermoedelijk mede dankzij de hoge energieprijzen. In de cijfers van het CBS zijn de winsten van financiële bedrijven als banken en verzekeraars niet meegenomen.</p>
<p>Terecht spreekt de FNV van een prijs-winstspiraal en <em>graaiflatie</em>. Aandeelhouders en bestuurders van 49 ondernemingen, waaronder Ahold Delhaize, Randstad, ING, KPN en Unilever hebben buitenproportioneel veel geprofiteerd van de gemaakte winst, terwijl de salarissen van het personeel achterbleven. Dat concludeert FNV in een op 19 april 2023 gepresenteerd onderzoek <em>Stijgende prijzen &amp; hoge winsten.</em><a href="#_ftn23" name="_ftnref23">[23]</a> De FNV deed onderzoek naar de jaarcijfers van 2019 en 2022 van 49 bedrijven, genoteerd aan de Amsterdamse beurzen AEX en AMX. <em>“De winst van deze bedrijven kwam niet terecht bij het personeel, terwijl die wel geraakt worden door de hoge inflatie. Dat is onacceptabel”</em>, zegt Petra Bolster, lid van het dagelijks bestuur van FNV. Met name de uitkeringen aan die aandeelhouders steeg explosief en lag in 2022 maar liefst 59% hoger dan in 2019. De personeelskosten bleven hier ruim bij achter met een toename van 12%. De beloning van het bestuur steeg een stuk harder met 21%. Bolster<em>: “Het is tijd om dit te veranderen. De lonen kunnen omhoog en de belastingen voor deze bedrijven ook. Door wél geld uit te keren aan aandeelhouders en dit geld niet te investeren in hun bedrijf, brengen deze ondernemers de toekomst van het bedrijf in gevaar en dus de banen van hun werknemers.” </em></p>
<p>Uit het onderzoek van FNV, op basis van de openbare jaarverslagen van de bedrijven, blijkt dat tussen 2019 en 2022 de omzet van de 49 ondernemingen fors is gestegen met gemiddeld 21% . De bedrijven bleken daarnaast niet alleen in staat hun winst op peil te houden: de winst groeide zelfs harder dan de omzet, namelijk gemiddeld met 36%. Bolster: <em>“Deze cijfers laten zien dat in tijden van hoge inflatie de winstmarges van deze bedrijven juist gegroeid zijn. Van elke euro die binnenkomt, blijft er immers meer over als winst. Bedrijven weten hun marges bóvenop de stijgende kosten te verhogen. Dit lijkt steeds meer op ‘graaiflatie’: ondernemingen die de inflatie gebruiken om meer winst te maken. Het extra geld dat binnenstroomde, kwam bovendien niet terecht bij het hardwerkende personeel van deze bedrijven.” </em></p>
<p>Ook de winstmarges zijn flink gestegen. Van 7,5 cent per euro omzet in 2019 naar 8,5 cent per euro omzet in 2022. In totaal werd er in 2022 12,5 miljard euro meer winst gemaakt dan in 2019. Hiervan is 5,2 miljard toe te schrijven aan hogere marges. De uitkering aan aandeelhouder per euro omzet steeg nog harder. In totaal werd er in 2022 16,8 miljard euro meer uitgekeerd dan in 2019. Bolster: <em>“Uit dit onderzoek blijkt wederom dat er genoeg geld in huis is voor zowel investeringen als loonsverhogingen. Het is absurd als deze bedrijven hun hand gaan ophouden bij de overheid om bijvoorbeeld te kunnen voldoen aan innovatie- en klimaatbeleid.” </em></p>
<p>Opvallend is dat alle voedselgerelateerde bedrijven in het onderzoek het goed lijken te doen. Van de zeven onderzochte ondernemingen, van kunstmestproducent OCI tot Ahold Delhaize, stegen de winstmarges in meer of mindere mate. Terwijl de boodschappen voor gezinnen duurder worden, lijken deze bedrijven daarvan te profiteren.</p>
<p><em> <img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1551" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-28-300x169.jpg" alt="" width="300" height="169" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-28-300x169.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-28-768x432.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-28.jpg 780w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></em></p>
<p> </p>
<p>Van centrale bankiers wordt gezegd dat ze steevast bezig zijn de vorige crisis te bestrijden. Ere wie ere toekomt: daar blinken sommige media pas écht in uit. Het is niet eens de laatste crisis die zij erbij slepen. Te veel journalisten, de goede niet te na gesproken, lijken wat hun economische analyse betreft te zijn blijven hangen in de jaren tachtig van de vorige eeuw. In de kredietcrisis leidde dat tot – soms openlijke, soms stilzwijgende, maar altijd misplaatste – steun voor het aloude recept van bezuinigingen en loonmatiging. Nog altijd worstelen de zorg, het onderwijs en de Belastingdienst met de gevolgen van dat beleid. Zelfs in de lockdowns sprak hier en daar uit de kolommen heimwee naar de aangehaalde broekriem.</p>
<p>Dat het overgrote deel van de serieuze economen dit afraadt, is geen bezwaar. Er valt altijd wel een voormalig centraal bankier of een oud-oud-oud-minister van Financiën te vinden die je standpunt bevestigt. Nu is het een ander spook uit het verleden dat door de krantenkoppen waart: de loon-prijsspiraal. <em>‘Hoge inflatie en forse loonstijgingen zijn een gevaarlijke cocktail’</em>, waarschuwde het <em>AD</em> in maart 2023 nog. <em>‘Economen vrezen voor loon-prijsspiraal door hoge inflatie en forse loonstijgingen’</em>, maakte omroep WNL ervan. De Nederlandsche Bank concludeerde vorig jaar weliswaar al dat de kans daarop ‘<em>klein’</em> is, maar de titel boven het nieuwsbericht wekte ook hier weer een andere indruk: <em>‘Vermijden loon-prijsspiraal vergt aandacht van overheid, centrale banken en sociale partners.’ </em></p>
<p>Eerst de feiten. De reële lonen, dus rekening houdend met de gierende inflatie, staan flink in de min. Burgers zien de prijzen in de supermarkt omhoog vliegen. Hun koopkracht stijgt echter niet mee. Niks geen loon-prijsspiraal dus. Wat dan wel? Aan de vooravond van de coronacrisis, eind 2019, hadden beursgenoteerde ondernemingen in de eurozone al een gemiddelde winstmarge van 7,2 procent. Inmiddels is dat 8,5 procent. In de Verenigde Staten vestigden de vijfhonderd grootste bedrijven zelfs een nieuw record. Samen harkten zij het onwaarschijnlijke bedrag van 1800 miljard dollar binnen. Ze weten hun winst dus niet alleen op peil te houden, ze doen er doodleuk een schepje bovenop.</p>
<p>Na de vakbonden en wat kritische economen signaleren nu eindelijk ook het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Centrale Bank dat we kampen met ‘<em>graaiflatie’</em>. ECB-bestuurder Fabio Panetta sprak onlangs van een winst-prijsspiraal. Slechts de helft van de binnenlandse prijsdruk zou afkomstig zijn van de factor arbeid, ook al beslaan lonen het overgrote deel van de productiekosten. De rest van de inflatie hebben we te danken aan de onstilbare honger van bedrijven en hun aandeelhouders naar méér. Denk aan Unilever (25 procent meer winst in 2022) en Heineken (+31 procent).</p>
<p>De voor de hand liggende verklaring is marktmacht. Door een gebrek aan concurrentie zijn te veel bedrijven geen ‘<em>prijsnemer’</em> maar ‘<em>prijszetter’</em>. Wie internet wil, komt vrijwel automatisch uit bij KPN of Ziggo. Het betalingsverkeer wordt gedomineerd door ING, Rabobank en ABN Amro. Op de markt voor brievenbuspost is PostNL heer en meester. Die ongelijke economische verhoudingen waren er al vóór de huidige inflatiegolf, natuurlijk. Het is het psychologische aspect dat veranderd is. Klanten zijn het zicht kwijtgeraakt op wat een normale prijs is. Wordt de kaas bij Albert Heijn duurder door stijgende loonkosten, een hogere energierekening, de oorlog in Oekraïne? Of maakt de supermarktketen misbruik van alle verwarring? <em>‘Excuseflation’,</em> heet dat laatste. In goed Nederlands: <em>smoesflatie</em>.</p>
<p>Zo dolen wij rond in de prijzenmist. Zoekend, tastend, vol ingehouden woede en argwaan aan de kassa of ons niet stiekem een poot uitgedraaid wordt. Het huidige inflatiebeleid bewandelt zo bezien een omweg. Met renteverhogingen wordt gepoogd de werkgelegenheid, bestedingen en investeringen af te remmen. Een overheid die de meest drieste prijzen aan banden legt, zou wél snel helderheid scheppen, maar helaas is dat tot nu toe een brug te ver voor de gevestigde economische orde. Het Nederlandse bedrijfsleven publiceerde zijn nieuwste kwartaalresultaten. Nog meer megawinsten. Dat er een verband is tussen die jubelcijfers en de inflatie zal met een beetje mazzel zelfs doordringen tot de economische journalistiek – hopelijk niet pas over een jaar of veertig.</p>
<p><u>Werkende armen</u></p>
<p>Het is absurd dat er in ons rijke land volgens het cbs 220.000 werkende armen zijn. Door de inkomensontwikkeling van alle werkenden te stimuleren, en deze minimaal de prijsontwikkeling te laten volgen, en vervolgens de algemene loonontwikkeling te koppelen aan het minimuminkomensniveau, zorgen we ervoor dat ook in termen van besteedbaar inkomen het inkomensniveau structureel geborgd is.</p>
<p>Het minimum inkomen voor werkenden wordt door de overheid gegarandeerd door een aan de EU-richtlijn gekoppeld wettelijk minimuminkomen.</p>
<p><u>Te laag sociaal minimum, slechte inkomensvangnetten</u></p>
<p>Ook de hoogte van uitkeringen van de huidige inkomensvangnetten (bijstand, Wajong en AOW) zijn te laag om normaal van te kunnen leven. Dat vergroot de armoede en is een belemmering om weer uit de armoede te geraken.</p>
<p>Een groot probleem in de huidige inkomensvangnetten is voorts dat de bedragen die je kan krijgen afhangen van of je al dan niet alleen woont. Woon je met een partner (waarvoor verschillende definities bestaan in de sociale zekerheid en in de belastingen) dan telt je partnerinkomen mee voor de inkomenstoets bij het recht op je bijstand, Wajong en fiscale toeslagen en krijg je sowieso minder als uitkering in zowel bijstand, Wajong als AOW (50% in plaats van 70% van het minimumloon). Woon je met anderen samen dan je partner dan kun je daarenboven ook nog een kostendelerskorting krijgen in de bijstand.</p>
<p>Dit leidt er niet alleen toe dat mensen niet de keuzes kunnen maken die ze zelf willen bij al dan niet met anderen samen wonen en dat hiermee de bestaande woningnood nog eens versterkt wordt, het leidt ook tot enorme privacy-schendende, vernederende en intimiderende controles in de uitvoering – met inzet van anonieme kliklijnen, stigmatiserende en discriminerende algoritmes, inzet van (a-)sociale rechercheurs en camera’s, etc. Het FNV-zwartboek over de bijstand is ontluisterend en raadsleden vragen er bijna nooit naar. We kiezen daarom principieel voor het individueel maken van alle inkomensvangnetten. Dat leidt tot een groter beroep op deze regelingen en dus hogere uitgaven, ook in situaties waar bijv. een partner wel kan en wil bijdragen. Maar het tegengaan van deze economische afhankelijkheid en beïnvloeding van levensvormen met zijn stuitende controles weegt principieel zwaarder.</p>
<p>Een volgend groot probleem in speciaal de bijstand is de koppeling van het recht op bijstand aan de plicht om naar vermogen betaalde arbeid te zoeken en te verrichten, of op andere wijze in de samenleving te participeren (het paradoxale verplichte vrijwilligerswerk en de verplichte, onbetaalde dwangarbeid in de <em>tegenprestatie</em>). Die plicht is uitgewerkt in tal van gedetailleerde voorschriften, zoals sollicitatieplicht, de plicht om je in te schrijven bij verschillende uitzendbureaus (die tegenwoordig de feitelijk volledig geprivatiseerde arbeidsbemiddeling uitvoeren) en daar werk te aanvaarden, zelf te zorgen dat je bemiddelbaar bent voor betaalde arbeid – bijv. dat je er netjes uitzet (<em>Dress for succes</em> verplichte workshops) en dat je de Nederlandse taal spreekt, etc.</p>
<p>Kom je die verplichtingen niet op tijd of voldoende controleerbaar na, dan volgt een strafkorting of uiteindelijk zelfs het verlies van de uitkering. Anderzijds krijg je nauwelijks ondersteuning om betaalde arbeid te vinden en al helemaal geen onderwijs om je kansen te verbeteren. Bovendien moet je volledig beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, waardoor er vaak geen toestemming is om vrijwilligerswerk te doen (zonder toestemming vrijwilligerswerk verrichten kan weer leiden tot strafkorting) en thuis blijven (dus geen vakanties zonder toestemming).</p>
<p>Uit onderzoek staat vast dat alle dwang en drang om aan het betaalde werk te komen contraproductief werkt – mensen gaan in verzet en proberen juist meer betaald werk te voorkomen.</p>
<p>Ook bij deze plichten en verboden is er een enorme controle, die veel geld kost en de bijstand tot een mensonterende gevangenis maakt. Het beeld van de bijstand als trampoline is echt lachwekkend, als de werkelijkheid niet zo tragisch was. Het beeld van het vangnet is beter &#8211;  maar dan van een net waarmee je mensen vangt om gevangen te houden. De praktijk van de Participatiewet rechtvaardigt volop een parlementaire enquête over het <em>bijstandsschandaal</em>.</p>
<p>Bedenk ook: 50% van mensen die nu in de bijstand zitten (ca. 150.000 personen) is chronisch ziek of heeft een zodanige levenslange beperking dat de reguliere arbeidsmarkt voor hen uiterst ontoegankelijk is. Als ze voor hun 18<sup>e</sup> levensjaar al volledig (&gt;80%) arbeidsongeschikt zijn, komen ze in aanmerking voor de Wajong. Er zijn nu zo’n 250.000 mensen in de Wajong. Komen zij niet voor de Wajong in aanmerking, dan vallen zij nu in de bijstand als er onvoldoende inkomen is, met alle strenge voorwaarden en verplichtingen.</p>
<p>Er is daarom dringend een beter inkomensvangnet nodig, dat bij onvoldoende inkomen en/of vermogen een recht geeft op een hoog genoeg individueel inkomen zonder nadere voorwaarden, verplichtingen of verboden in verband met het aanvaarden van en het bemiddelen naar participatie en betaald werk.</p>
<p>Tegelijkertijd moeten we die van die uitkering ontkoppelde arbeidsbemiddeling veel beter maken. De prestaties zijn nu zeer slecht, en als er al uitstroom is naar betaalde arbeid, dan is het dat vaak in draaideurconstructies, al dan niet met behulp van verplicht onbetaald werk – in gewoon Nederlands is dat dwangarbeid. Die ook nog eens regelmatig ongezond en/of vernederend is. Scholing wordt nauwelijks toegepast, en specifieke hulp voor mensen met een beperking of chronische ziekte – ruim de helft van het huidige bijstandsbestand – is er ook maar zelden.</p>
<p>Alle aandacht gaat naar controle, handhaving en sanctionering in plaats van facilitering, motivering en beloning. Respectvolle bejegening is eerder uitzondering dan regel.</p>
<p>De conclusies over de participatiedoelstellingen van de Participatiewet in de officiële eindevaluatie van de Participatiewet door het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) – opmerkelijk genoeg werd het voorkomen van armoede daarin niet als te evalueren doelstelling onderzocht – waren voor alle doelgroepen vernietigend.</p>
<p><u>Geen Universeel Basisinkomen (UBI)</u></p>
<p>Veel mensen propageren als alternatief voor de bijstand een universeel basisinkomen (UBI). Maar niet alleen als alternatief voor de bijstand, het zou ook een oplossing zijn voor de armoedeval en wordt dan ook als alternatief gebracht voor de fiscale toeslagen. En ook als methode om vrijwilligerswerk, mantelzorg en zorg voor kinderen beter mogelijk te maken. Sommigen voorspellen daarbij zelfs dat betaalde arbeid steeds minder nodig zou zijn, en/of propageren dat, en promoten het UBI om die ontwikkeling te faciliteren. Last but not least zou een UBI de uitvoering enorm eenvoudiger maken en daarmee veel kosten besparen, met name ook op controles en handhaving.</p>
<p>Daarmee is het UBI ook een soort magische oplossing van bijna alle problemen. De regeling lijkt een doel in zichzelf lijkt te zijn geworden. Een regeling of een instrument mag echter nooit een doel in zichzelf zijn, dat is gevaarlijk omdat de echte doelen dan uit beeld kunnen verdwijnen, en contraproductieve effecten dan hun kans krijgen. Juist de discussie over het onvoorwaardelijk basisinkomen bewijst dat. Het instrument voorop stellen in een soms bijna religieus aandoend geloof in een wonderolie die alle problemen oplost, is opnieuw een technocratische ‘<em>oplossing’</em>. Terwijl juist het gebrek aan ideologie, aan waardengedreven idealen en normen, de kern van het probleem is.</p>
<p>Armoede bestrijden is wat anders dan armoedeval bestrijden. En ook wat anders dan onrechtvaardige ongelijkheid bestrijden. Het gaat om andere doelgroepen en om andere instrumenten. Er bestaat geen één simpele oplossing voor alle problemen en de illusie geven dat wel zo is brengt geen enkele oplossing dichterbij – integendeel zelfs. Wel hebben maatregelen in het ene domein effecten op het andere domein. Wil je én armoede, én armoedeval, én onrechtvaardige ongelijkheid bestrijden, dan moet je samenhangend beleid uitvoeren op tal van sectoren: sociale zekerheid, betaald werk, belastingen, volkshuisvesting, zorg, onderwijs, kinderopvang, etc. De bijstand én de fiscale toeslagen vervangen door een UBI van ongeveer het huidige bijstandsniveau zou miljoenen huishoudens juist enorm in nog ergere inkomensproblemen en armoede drukken.</p>
<p>In het UBI moeten voorts bijna 10 miljoen mensen extra een uitkering krijgen zonder dat zij dat nodig hebben, en dat is serieus geen goede besteding van de ca. 180 miljard euro per jaar (!) die dat extra zou kosten. Door verdedigers van het UBI wordt gesteld dat men dat geld weer ophaalt door het te verrekenen in de belasting, maar dit leidt tot een nog hogere belastingdruk dan al in dit programma wordt voorgesteld, terwijl het geld dat met deze belasting wordt opgehaald niet beschikbaar is voor de andere voorstellen in dit programma die wel helpen tegen armoede en onrechtvaardige ongelijkheid, maar onnuttig wordt uitgegeven aan een uitkering voor mensen die dat geld niet nodig hebben.</p>
<p>Anderen maken het nog gekker door de invoering van een UBI te koppelen aan de invoering van een vlaktax, een gelijk belastingtarief voor alle inkomens. Blijkbaar is voor hen de ongelijkheid in ons land – wereldkampioen ongelijkheid in vermogen én inkomen – nog niet groot genoeg. Het UBI is dan ook bedacht door neoliberale economen uit Chicago, zoals Friedmann. Het was bedoeld om in het kader van de natte droom van de neoliberale mini-overheid de sociale zekerheid, inclusief de arbeidsbemiddeling, af te schaffen en te vervangen door een mini-uitkering aan iedereen, en tegelijkertijd alle herverdeling van inkomen en vermogen te schrappen.</p>
<p>Met het vastlopen van de huidige complexe regelingen – in de sociale zekerheid en in de fiscaliteit en in alle regelingen met eigen premies, bijdragen en risico – trapt helaas een te groot deel van links Nederland in de val van simplistische, neoliberale oplossingen van het UBI. En natuurlijk, we moeten de systemen veel simpeler maken, en zorgen dat de regelingen weer de mensen waarvoor ze bedoeld zijn echt vooruit helpen in plaats van ze in de weg zitten en zelfs verder in de problemen brengen. Die kant van het UBI is beslist aantrekkelijk.</p>
<p>Maar met echt ruimere inkomens- en vermogensgrenzen kan bijna volledig regelvrije bijstand ook en veel goedkoper gerealiseerd worden, waarmee veel geld veel beter besteed kan worden. En in combinatie met fors hogere lonen, een eerlijker belastingstelsel met fors lagere armoedeval, en lagere vaste lasten wordt betaald werken veel lonender. En het belang van betaald werk, voor het individu, de economie én de samenleving als geheel, wordt niet gerelativeerd, integendeel. Waarom dat van belang is, zie het beginsel Goed Werk. We moeten van betaald werk zelfs een recht maken in plaats van een plicht, met veel meer banen, veel betere arbeidsbemiddeling en een recht op een publieke basisbaan. En tegelijkertijd maken we andere tijdsbestedingen (waaronder mantelzorg, zorg voor kinderen en vrijwilligerswerk) veel meer mogelijk, zonder goedkeuring en controles, met behoud van uitkering. De voordelen van een UBI (regelarm, geen terugvorderingen en controles) worden met het hieronder gepresenteerde alternatief, het Zekerheidsinkomen, ook voor 99% behaald.</p>
<p>Hetzelfde bezwaar als tegen het UBI hebben we tegen een onvoorwaardelijk basiskapitaal voor jongeren zoals GL (10.000 euro) en Sander Schimmelpenninck (100.000 euro) hebben voorgesteld. Het is te ongericht, en andere maatregelen zijn effectiever (in dit plan onder meer: eerlijke belastingen, vervanging les- en collegegeld door leerrechten, hogere lonen).</p>
<p>Met het Zekerheidsinkomen en het recht op betaald werk (gematerialiseerd in een recht op arbeidsbemiddeling en een recht op een basisbaan) wordt een symbiose gemaakt tussen de positieve aspecten van het idee van een basisinkomen en van een basisbaan, tussen bestaanszekerheid door middel van een goed inkomensvangnet en door middel van betaald werk.</p>
<p><u>WIA (Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen)</u></p>
<p>Er zijn nu zo’n 375.000 mensen met een WIA-uitkering, dat aantal stijgt hard, zo hard dat er een groeiende wachtlijst is voor de medische keuring in de toegang tot de regeling.</p>
<p>Van de mensen in de WIA heeft 40% een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten; een uitkering op grond van de WIA), die zijn duurzaam volledig (&gt;80%) arbeidsongeschikt verklaard, en de rest heeft een WGA-uitkering (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten; ook een regeling op grond van de WIA), die zijn tijdelijk en/of deels arbeidsongeschikt verklaard. De IVA-uitkering is 75% van je laatst verdiende salaris, tot je met pensioen gaat.</p>
<p>De WGA-uitkering hangt af van je arbeidsverleden en van hoeveel je nog wel kan werken (‘<em>arbeidsvermogen’</em>). Voor beide uitkeringen geldt een maximum-uitkering (4660 euro per maand). Voor de WGA beoordeeld na de medische keuring voor mate van arbeidsgeschiktheid een arbeidsdeskundige het resterende arbeidsvermogen, die bepaalt wat voor banen je nog wel zou kunnen doen en wat je daarmee kan verdienen. Is dat minder dan 65% van je laatstverdiende salaris, dan krijg je een WGA-uitkering.</p>
<p>Dat betekent dat met 35% of minder arbeidsongeschiktheid je dus nu niets ontvangt – velen kunnen echter hun werk niet meer doen.</p>
<p>De eerste twee jaar dat je ziek bent is de werkgever verplicht je loon door te betalen, maar dat geldt niet voor flexwerkers. Daarna krijg je of WIA, of bijstand. Afhankelijk van je arbeidsverleden duurt een WGA-uitkering tussen de 3 en 38 maanden. Soms is er dan nog een – lagere – vervolguitkering mogelijk, anders val je nu terug in de bijstand.</p>
<p>De gedachte achter de WIA was dat mensen nog zoveel mogelijk gedeeltelijk gaan werken naast hun WGA-uitkering. Dat gebeurt echter nauwelijks. Mensen die in de WAO zaten toen de WIA werd ingevoerd bleven in de oude regeling.</p>
<p><u>Ongelijkheid in levensverwachting</u></p>
<p>De enorme ongelijkheid in ons land komt het meest schrijnend tot uiting in verschillen in levensverwachting, en een uniforme pensioenleeftijd is daarom extreem onrechtvaardig. De hoogste inkomens in Nederland leven gemiddeld negen jaar langer leven dan de laagste inkomens. Mensen met een laag inkomen en een lage opleiding (basisonderwijs + vmbo) leven in ons land zelfs 25 jaar minder in goede gezondheid dan mensen met een hbo- of universitaire opleiding en een hoog inkomen. Laagopgeleiden beginnen gemiddeld eerder met werken en werken daardoor gemiddeld 10 jaar langer dan hoopopgeleiden. Ze betalen daardoor langer premies, betalen mee aan de studie van de hoogopgeleide en gaan gemiddeld eerder dood, dus krijgen minder lang een pensioenuitkering.</p>
<p><u>Pensioenen</u></p>
<p>Pensioenfondsen kregen de afgelopen decennia veel minder regels over het vermogensbeheer, waarna de risico’s en de kosten enorm toenamen. Op het eerste gezicht lijken pensioenen dé manier om werkenden een graantje mee te laten pikken van de hoge winsten en beleggingsrendementen. Toch is het eerder omgekeerd. Pensioenfondsen zijn zich de afgelopen decennia steeds meer gaan richten op snelle hoge rendementen, en daarmee dragen ook zij bij aan de financialisering van de economie, stelt de eerdergenoemde WRR-studie. De fondsen zijn beleggers in waardepapieren geworden in plaats van investeerders gericht op echte economische productie. Dat pensioenfondsen zich gedragen zoals ze zich gedragen heeft alles te maken met de Nederlandse regels rond pensioenen. Het systeem van dekkingsgraden en rekenrente zorgt ervoor dat de fondsen zich richten op een schijnwerkelijkheid. Langetermijninvesteringen zijn moeilijker meetbaar dan snel stijgende aandelenkoersen. Natuurlijk hebben we allemaal belang bij een goed pensioenrendement, maar niet bij lucht. Werd er twintig, dertig jaar geleden nog vooral in Nederland belegd in langjarige investeringen in bijvoorbeeld woningen, inmiddels zit bijna alle vermogen in buitenlandse waardepapieren. En de les uit het verleden is dat je een deel van dat geld altijd kwijtraakt.</p>
<p><u>Laaggeletterdheid </u></p>
<p>Laaggeletterdheid is in ons land een groot probleem, dat niet beperkt is tot anderstaligen. Maar liefst 2,5 miljoen volwassenen in Nederland hebben moeite met lezen, schrijven en/of rekenen, en twee derde is van Nederlandse afkomst. Laaggeletterdheid is een term voor mensen die grote moeite hebben met lezen, schrijven en/of rekenen. Mensen die laaggeletterd zijn, zijn geen analfabeten. Ze kunnen wel lezen en schrijven, maar beheersen niet het eindniveau vmbo of niveau mbo-2/3. Mensen die laaggeletterd zijn hebben onder meer moeite met formulieren invullen (zorgtoeslag, belasting, etc.), straatnaamborden lezen, reizen met openbaar vervoer, voorlezen aan (klein)kinderen, pinnen en digitaal betalen, werken met de computer, solliciteren, en begrijpen van informatie over gezondheid en zorg. Daardoor kunnen ze onvoldoende meedoen in onze samenleving. Zo’n 50% van de mensen met financiële problemen is laaggeletterd en laaggeletterden lopen jaarlijks ruim een half miljard euro aan inkomsten mis. De maatschappij heeft naar schatting jaarlijks ruim 1,1 miljard euro aan maatschappelijke kosten door laaggeletterdheid. Het is echter lastig om ze te bereiken, omdat schaamte hen vaak weerhoudt om hulp te zoeken.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p><u>Loonoffensief</u></p>
<p>Aan de inkomenskant is een fors loonoffensief nodig, met gekoppelde uitkeringen, als ook een einde aan de fors overmatige flexibilisering van betaalde arbeid.</p>
<p>Er is een wijdverbreid misverstand dat de overheid niet over de lonen gaat en/of geen of nauwelijks instrumenten zou hebben om daar invloed op uit te oefenen. Ons loonoffensief bewijst het tegendeel.</p>
<p>Allereerst verhogen we in dit loonoffensief het wettelijk minimumloon (WML) fors, naar 15 euro per uur (ongeveer 60% van het huidige mediane loon, conform de recente EU-richtlijn) voor iedere werknemer vanaf 18 jaar (in plaats van huidige 21 jaar). Dat zou een minimumloon betekenen van circa € 2385 per maand bruto impliceren bij een 36-urige werkkweek (in 2023 is dat € 1934 per maand).</p>
<p>Voor zo’n 40% van alle werkenden (!) geeft deze verhoging van het minimumloon een (fors) hoger loon, volgens het CPB. Ook de loonschalen net boven het huidige minimumloon gaan immers hierdoor omhoog en er zal ook een druk ontstaan om de schalen daarboven te verhogen, zeker met de toenemende, structurele arbeidsschaarste.</p>
<p>Door de verlaging van de leeftijdsgrens voor het WML naar 18 jaar gaan 18-20-jarigen ook 100% van het minimumloon ontvangen. Nu ontvangen 20-jarigen slechts 80% van het WML, 19-jarigen slechts 60% en 18-jarigen zelfs maar 50%. We verhogen daarbij het minimumjeugdloon naar 85% van het WML voor 17-jarigen (nu 39,5%), naar 70% voor 16-jarigen (nu: 34,5%) en naar 55% voor 15-jarigen (nu: 30%). Jongere kinderen mogen niet werken.<a href="#_ftn24" name="_ftnref24">[24]</a> De voorwaarden waaronder minderjarigen mogen werken scherpen we aan: we verbieden dat werkgevers meer dan een kwart van bepaalde functies laten vervullen door minderjarigen en we beperken het aantal uren dat een minderjarige per dag en per week mag werken, en verscherpen het verbod op arbeid in de avond/nacht en op gevaarlijk werk. Het zijn van zelfstandig ondernemer wordt eveneens beperkt tot meerderjarigen. Teveel vindt er nu met kinderarbeid verdringing van arbeid plaats. Het verbod op kinderarbeid is één van de grote resultaten van sociale strijd en we moeten de huidige uitholling daarvan keren.</p>
<p>Vervolgens voeren we een wettelijke koppeling in van de loonontwikkeling aan de inflatie. Dat betekent dat vakbonden in cao’s alleen hoeven te onderhandelen over loonstijgingen boven de inflatie en over andere onderwerpen. Zeker nu er sprake is van een winst-prijsspiraal door <em>graaiflatie</em> is dit meer dan terecht, en het voorkomt dat werknemers in slecht betaalde en vaak ook slecht georganiseerde sectoren nog verder op achterstand komen in termen van besteedbaar inkomen. En het prikkelt de overheid om ook de lastenstijging – inflatie – in toom te houden. Daartoe kan de overheid publieke zaken volledig collectief financieren (zorg, kinderopvang, onderwijs) en prijzen reguleren – denk aan de huren en de energieprijzen, maar ook door de btw op bijvoorbeeld duurzame en gezonde producten te verlagen, en als uiterste middel ook met inzet van de Prijzenwet, in het kader van het algemeen belang. Inflatie beteugelen we voorts door tegelijkertijd de winsten en bezit af te romen, door fors hogere belastingen op kapitaal en lagere lasten op arbeid – er zijn altijd profiteurs van een crisis. Door de wettelijke koppeling van de loonontwikkeling aan de prijsontwikkeling gaat indirect ook het wettelijk minimumloon steeds mee omhoog – deze is wettelijk gekoppeld aan de algemene loonontwikkeling.</p>
<p>Voor zelfstandigen-zonder-personeel (zzp-ers) voeren we een minimumtarief in van bijvoorbeeld 40 euro per uur. Daarmee wordt er ook een inkomensvloer gelegd voor zzp-ers. Zzp-ers met een laag inkomen zijn het putje van de arbeidsmarkt. Zzp-ers hebben nu nauwelijks bescherming en lopen veel risico’s en er heerst veel armoede. Werkgevers wentelen hun risico’s af door schijnconstructies met zzp-ers te construeren. Ondernemers wentelen hun risico’s af op de belastingbetaler, en we subsidiëren dat ook nog eens met zelfstandigenaftrek. En ook naast deze aftrek worden veel zelfstandigen (met en zonder personeel) fiscaal enorm bevoordeeld worden ten opzichte van werknemers. Bij de invoering van het minimumtarief vervalt dan ook de huidige fiscale zelfstandigenaftrek (waarom zou de belastingbetaler goedkope tarieven moeten blijven financieren?) en de opdrachtgever wordt verplicht de pensioenpremie te betalen bovenop het tarief. Dat maakt schijnzelfstandigheid voor opdrachtgevers een stuk minder lucratief en beschermt werkenden tegen schijnconstructies en de daarmee verbonden inkomensonzekerheid (geen minimumloon, geen loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, geen ontslagbescherming).</p>
<p>We verplichten beursgenoteerde bedrijven wettelijk tot vermogensaanwasdeling, tenminste deels in de vorm van niet verhandelbare aandelen die zeggenschap geven in de onderneming, bijv. met verplichte kapitaaldeelnamefondsen per onderneming. Dat versterkt de zeggenschap van werknemers en het bezit van werknemers. Voor niet-beursgenoteerde bedrijven komt er een wettelijk verplichte winstdeling.</p>
<p>In de publieke sector zetten we voorts de toon door forse loonverhogingen, te beginnen met bijv. € 200 per maand extra boven inflatie (een vast bedrag tikt meer door voor lagere inkomens – centen ipv procenten!). De publieke sector is veruit de grootste werkgever in ons land en door ons programma zal dat alleen maar toenemen. Daarmee zetten we de lonen in de marktsector fors onder druk, opdat de opbrengsten van de bedrijven minder naar de winst gaan en meer naar de werknemers. De publieke sector kent overigens geen vermogensaanwasdeling zoals we die elders in dit programma verplicht stellen voor de marktsector, en we zorgen er hiermee voor dat hogere lonen dit meer dan compenseren.</p>
<p>Lage lonen worden door de overheid nu zelfs gestimuleerd met het Lage Inkomen Voordeel (LIV), een fiscale subsidie voor werkgevers met werknemers met lage lonen. Deze houdt effectief de lonen laag, bijv. in de detailhandel. We gaan deze subsidie direct afschaffen (Rutte IV heeft de regeling weer verlengd…).</p>
<p><u>Hoger, gekoppeld sociaal minimum, hogere en individuele uitkeringen</u></p>
<p>Voor het inkomensvangnet voor mensen in armoede (nu: bijstand, Wajong, AOW) betekent de voorgestelde verhoging van het minimumloon met volledige koppeling aan het sociaal minimum een fors hoger uitkeringsniveau. Voor mensen in één van de inkomensvangnetten kom je met deze verhoging uit op een uitkeringsniveau van ca. 1630 euro bruto per maand. Uiteraard moet dan ook in het inkomensvangnet de leeftijdsgrens omlaag van 21 naar 18 jaar, en zonder huidige wachttijd van een maand voor 27-minners in de bijstand. De kosten van deze verhoging van minimumloon met volledige koppeling aan de uitkeringen bedragen circa 24 miljard euro per jaar (waarvan het meeste in de AOW, dat is veruit de grootste groep), waarvan ongeveer de helft weer terugverdiend wordt door hogere belastinginkomsten.</p>
<p>We behouden de koppeling van deze uitkeringen op 70% van het wettelijk minimumloon bij een volledige werkweek (nu: 36 uur, later 32 uur; zie bij beginsel Goed Werk), en de inkomensgrenzen voor de inkomensafhankelijke regelingen (zoals toeslagen) – zolang die nog bestaan.</p>
<p>We maken voorts de inkomensvangnetten (nu: bijstand, Wajong en AOW) individueel. Dat betekent dat uitkeringsbedragen voor een ieder individueel op 70% van het minimumloon bij een 36-urige werkweek worden vastgesteld, en er geen kortingen meer zijn vanwege partnerinkomen of ‘<em>kostendelers’</em>. Dat betekent een einde aan de intimiderende, en ernstige privacy-schendende controles op de leefvormen van de ontvangers van deze uitkeringen.</p>
<p><u>Een beter inkomensvangnet: het Zekerheidsinkomen</u></p>
<p>De bijstand en de Wajong worden geïntegreerd in een individueel <em>Zekerheidsinkomen</em>. Dit Zekerheidsinkomen blijft een inkomens- en vermogenstoets houden, maar die stellen we wel ruimer dan nu. Met ruime vrije giftengrens (bijvoorbeeld per jaar € 1800); het geheel vrij laten van vrijwilligersvergoedingen, smartengeld en terugbetalingen bij jaarafrekeningen of fouten bij derden; bij weer betaald gaan werken een tijdelijke vrijstelling (bijvoorbeeld voor 12 maanden 25% van inkomen uit arbeid vrij met een maximum van totaal inkomen tot modaal – hiermee creëren we een beloning op weer betaald gaan werken in plaats van een sanctie als je daar te weinig voor doet zoals nu); eigen bewoonde woningbezit geheel vrijstellen; en een redelijk bedrag aan reserve aan spaargeld en goederen (bijv. € 100.000) ook vrijstellen. Ook vervalt in het Zekerheidsinkomen de controle op de besteding van de uitkering, dat gaat de Staat niets aan. Dus geen verplichte inzage in bankafschriften e.d. meer.</p>
<p>Dit Zekerheidsinkomen wordt verstrekt zonder nadere voorwaarden, verplichtingen en verboden in verband met participatie of (verkrijgen van) betaald werk. De uitkering wordt daarmee geheel ontkoppelt van de arbeidsbemiddeling en wordt landelijk verstrekt, net als de AOW en de kinderbijslag bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) – een instantie die weinig uitvoeringsproblemen kent (in tegenstelling tot de Belastingdienst en het UWV.</p>
<p>Door het vervallen van de plicht tot betaalde arbeid bij het individueel Zekerheidsinkomen is ook het ongestraft en zonder toestemming uitvoeren van vrijwilligerswerk en zorgtaken voor iedereen met behoud van dit Zekerheidsinkomen mogelijk. Zonder controles en zonder verantwoording vanuit de overheid. Dit is een belangrijke verbetering in de waardering van deze onbetaalde arbeid en een bijdrage aan het beter mogelijk maken van vrijwilligerswerk en zorgtaken, en kan ook de betere verdeling van zorgtaken ten goede komen. Natuurlijk kunnen mensen door het vervallen van plicht tot (betaalde) arbeid ook gewoon lui op de bank blijven hangen, maar gegeven dat dwang en drang contraproductief werkt en de andere positieve effecten van het vervallen van deze plicht, en de overtuiging dat de meeste mensen wél een zinvolle dagbesteding zullen willen, nemen we dat op de koop toe. Het principieel kiezen voor eigen regie en geen dwang of drang is belangrijker en kosten-efficiënter. Het zal maar zeer beperkt tot meer uitgaven aan de bijstand leiden. De kosten vallen naar verwachting nagenoeg weg tegen de besparingen op de uitvoering en van de overbodig geworden controles.</p>
<p>Ook de tegenprestatie in de huidige Participatiewet verwerpen we principieel en wordt met de invoering van het Zekerheidsinkomen afgeschaft. Een inkomensvangnet behoort tot een basiszekerheid, waar iedereen belasting voor betaalt. Een tegenprestatie vragen is vernederend en stigmatiserend, en het helpt betrokkenen niets.</p>
<p>Met het Zekerheidsinkomen ontstaat er voor jongeren met een beperking ook een rechtvaardig inkomensvangnet. Ten opzichte van de Wajong gaat de uitkering weliswaar omlaag van 75 naar 70% van het minimumloon, maar doordat het minimumloon fors omhoog gaat met ca. 40% is de uitkering toch substantieel hoger dan nu. Bovendien telt voor deze groep de verlaging van de zorgkosten meestal zwaar in de verhoging van het besteedbaar inkomen. Omdat de Wajong-ers ook recht krijgen op een Zekerheidsinkomen vervalt voor hen de keuring, dat verminderd de wachtlijsten bij die keuring. De uitkering is immers niet meer afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid (overigens heeft 98% van de mensen in de Wajong een volledige uitkering).</p>
<p><u>Betere rechtsbescherming </u></p>
<p>We trekken ook de Fraudewet Sociale Verzekeringen in, en het aparte bestuursrecht voor ontvangers van een uitkering of voorzieningen door de overheid vervalt. De gewone rechtbank wordt bevoegd (in plaats van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep). Daardoor versterkt de rechtspositie van deze cliënten tegen een te vaak onbetrouwbaar gebleken overheid. Zo vervalt de omgekeerde bewijslast, moet altijd inhoudelijk en ook op maat gekeken worden door de rechter, kunnen fouten niet meer aangemerkt worden als fraude en moeten sancties altijd proportioneel zijn.</p>
<p>We verbeteren de toegang tot het recht en verruimen de gratis rechtsbijstand, en met betere beloning voor de sociale advocatuur.</p>
<p>We verbieden discriminerende, oncontroleerbare en te ruime (zonder concrete verdenking) opsporing in de sociale zekerheid en aanverwante regelingen met algoritmen, kliklijnen, sociale rechercheurs en ontmantelen het door gemeenten met SZW opgezette Inlichtingenbureau. In plaats van de nadruk op de zeer beperkte sociale zekerheidsfraude geven we prioriteit aan het bestrijden en bestraffen van de enorme fiscale fraude.</p>
<p><u>Ontkoppelde, vrijwillige en betere arbeidsbemiddeling</u></p>
<p>Maar anders dan veel voorstanders van een onvoorwaardelijk basisinkomen willen we niet tegelijkertijd de arbeidsbemiddeling schrappen. Integendeel, we gaan daar juist fors in investeren door een nieuwe, publieke arbeidsbemiddeling in het leven te roepen met regionale werkwinkels, die gratis bemiddelen voor iedereen die (meer of ander, al dan niet betaalde) arbeid zoekt en voor werkgevers die werkenden zoeken. De huidige arbeidsbemiddeling van het UWV en bij gemeenten gaat daarin op, en de werkwinkels worden tripartite bestuurd door sociale partners (vanwege hun rol bij de WW) en gemeenten. Nu zijn er veel problemen en is er veel vertraging bij overgang van UWV naar gemeenten – ze hebben belang om de kosten op de ander af te wentelen en geen prikkel voor goede dienstverlening. Mensen in het nieuwe inkomensvangnet, het individuele Zekerheidsinkomen, krijgen een aanbod tot arbeidsbemiddeling, maar zoals gezegd, geen dwang en drang. Wel veel betere faciliteiten en eigen regie. Iedereen die dat wil, krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact en aandacht is. We stoppen met draaideurconstructies als Flextensie en werken zonder loon. Er komt een keurmerk voor de kwaliteit van bemiddeling naar werk, inclusief handhaving van de kwaliteit via een meer onafhankelijke inspectie SZW. We bevorderen een integrale aanpak van problemen bij mensen.</p>
<p>We investeren voorts fors in preventie van onvrijwillige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. We verbeteren de wettelijke bescherming in arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen en versterken de handhaving daarvan. Iedere werknemer krijgt periodiek een onafhankelijke gezondheidscheck en loopbaangesprek bij een regionale werkwinkel.</p>
<p>Scholing moet weer een belangrijk instrument worden bij de arbeidsbemiddeling. Nu vindt dat bijna niet meer plaats. We voeren eindelijk een leerrechtensysteem in, waarmee ook volwassenen gratis kunnen leren. Iedereen krijgt bij geboorte of immigratie een gelijk aantal leerrechten. Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs) is gratis en kost geen leerrechten. Gebruik van initieel tertiair onderwijs (mbo, hbo, wo) kost leerrechten, waarbij een hoger onderwijsniveau meer leerrechten kost. Beroepsonderwijs in vorm van werkend leren wordt daarvan vrijgesteld – gedurende zo’n leerweg gebruik je geen leerrechten, heb je recht op minimum(jeugd)loon en ontvangt de werkgever daarvoor tenminste 50% loonsubsidie in geval van aangewezen tekortberoepen. De leerrechten kunnen voorts gebruikt worden voor gecertificeerde bij- en nascholing of voor omscholing. Deze scholing wordt zoveel mogelijk op maat vormgegeven. Alleen arbeidsrelevante scholing wordt gecertificeerd. Er komen ook zogeheten tweede kans beroepsbegeleidende leerweg (BBL)-trajecten. Met een combinatie van opleiding, uitkering, aanvulling van de oude werkgever en inkomen bij de nieuwe werkgever krijgen mensen bij dreigende werkloosheid de kans om omgeschoold te worden zonder dat zij ineens (een groot deel van) hun inkomen kwijt zijn. Ook komt er geoormerkt budget voor scholing in de WW, met name gericht op langdurig werklozen. Dit leerrechtensysteem komt in de plaats van het huidige les- en collegegeld, waarmee het mbo en het hoger onderwijs veel toegankelijker wordt, en ook in plaats van het huidige STAP-budget, dat nu veel gebruikt wordt voor onzinnige cursussen en nu ook geen recht is – het wordt nu verdeeld op basis van wie zich het eerst meldt, met voortdurende ICT-overbelasting zodra het periodiek wordt opengesteld.</p>
<p>Volgen van relevante scholing door werknemers wordt verplicht deel van de beloningssystematiek, de werkgever wordt wettelijk verplicht daartoe voldoende gelegenheid te geven onder werktijd. De werkgever wordt daarmee verplicht te zorgen dat werknemers actief brede en waardevolle scholing krijgen die gekwalificeerd is. Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor gratis scholing richting betaald werk. De transitievergoeding bij onvrijwillig ontslag kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor extra leerrechten. Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld.</p>
<p>De financiering van de leerrechten geschiedt tripartite door de overheid en een werkgevers- en werknemerspremie. De bestaande sectorale opleidingsfondsen worden geïntegreerd in het nieuwe leerrechtensysteem. Ook de gelden voor duurzame inzetbaarheid uit het pensioenakkoord (800 miljoen euro) worden hierbij betrokken – deze gelden worden (anders dan in het pensioenakkoord) structureel gemaakt. Dit nieuwe leerrechtensysteem biedt miljoenen burgers kans op (behoud van) betaald werk, verminderd de arbeidstekorten en verlaagt aanzienlijk de individuele kosten van tertiair onderwijs.</p>
<p><u>WW en WIA</u></p>
<p>Bovenop het stevige inkomensvangnet voor allen (Zekerheidsinkomen en AOW – het enige verschil wordt dat bij de AOW net als nu geen inkomens- en vermogenstoets plaatsvindt) blijven er aparte, aanvullende inkomensvangnetten voor werkenden: de WW en de WIA.</p>
<p>Werkgevers krijgen de verplichting om bij dreigende werkloosheid mensen tijdig te begeleiden naar ander werk. Doen ze dat niet dan krijgen ze een boete.</p>
<p>En de minimale WW-duur verlengen we van 3 naar 6 maanden. Daarmee krijgen mensen die hun baan verliezen meer tijd om een andere baan te vinden.</p>
<p>Tevens moet er een vorm van deeltijd-WW komen in tijden van crisis, waarbij werknemers tenminste 80% van hun inkomen houden en werkgevers dit solidair financieren.</p>
<p>We verbeteren de WIA met een verlaging van de grens voor een WGA-uitkering van 35% naar 10%. Die grens is nu veel te hoog, waardoor teveel gedeeltelijk arbeidsongeschikten hun WGA-uitkering mislopen.</p>
<p>En we richten een onafhankelijke, betere beoordeling van mate van arbeidsgeschiktheid in bij de regionale werkwinkels (i.p.v. bij het UWV).</p>
<p>We veranderen daarenboven de systematiek voor de bepaling van het recht op een WGA-uitkering opdat niet meer de hoogste inkomens meer kans op een uitkering krijgen: de resterende verdiencapaciteit bepalen we niet langer door uit te gaan van 65% van het laatst verdiende loon, maar van 85% van het modale loon.</p>
<p>We verruimen voorts de inkomenstoets in de WIA net als bij het Zekerheidsinkomen.</p>
<p>De subsidieregelingen voor loondoorbetaling bij ziekte voor mensen met arbeidsbeperking worden tegelijkertijd verbeterd en deze komen ook beschikbaar voor 55-plussers.</p>
<p>Met de invoering van het Zekerheidsinkomen is geen aparte regeling meer nodig voor arbeidsongeschiktheid bij zzp-ers voor een uitkering op het niveau van het sociaal minimum, zoals was voorzien in het pensioenakkoord.</p>
<p><u>AOW en pensioen</u></p>
<p>We schrappen we de opbouwplicht van AOW, daarmee vervalt het AOW-gat voor migranten. Om te voorkomen dat er AOW-toerisme ontstaat gaan voor de AOW dezelfde toegangseisen qua nationaliteit en status gelden als nu in de bijstand (en die blijven ook bij het Zekerheidsinkomen).</p>
<p>De AOW-verhoging ten gevolge van het hoger sociaal minimum (door het hogere minimumloon) en de individualisering van de uitkring werkt door in lagere aanvullende pensioenen omdat de AOW daar als franchise geldt. Dit maakt de zekerheid van aanvullende pensioenen wel groter en ook de totale stabiliteit van de ouderdomsvoorziening groter – het aandeel daarin van het omslag gefinancierde stelsel (AOW) wordt groter ten koste van het kapitaal gefinancierde stelsel (aanvullend pensioen). Dit is tevens een nivellering die ten goede komt aan de arme ouderen met geen of zeer klein aanvullend pensioen. Door aanvullend pensioen ook gewoon te gaan belasten kan deze nivellering nog verder versterkt worden en de verhoging van de AOW beter gefinancierd worden.</p>
<p>We gaan de pensioenleeftijd inkomensafhankelijk te maken. Die voor lagere inkomens (op basis van gemiddeld inkomen per jaar vanaf 18 jaar t/m 60 jaar) gaat daarbij omlaag. De kosten van een vroegere pensioenleeftijd voor de lagere inkomens verhalen we door een lagere vrijstelling (franchise) in de werkgeverslasten bij beroepen waarin statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerder arbeidsongeschiktheid is – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken. Deze maatregel helpt enorm de ongelijkheid te verkleinen.</p>
<p>We gaan voorts alle werkenden (werknemers en zelfstandigen) verplicht vanaf 18 jaar aanvullend pensioen op laten bouwen. Nu bouwen teveel flexwerkers en schijnzelfstandigen weinig tot niets op. Dat geeft grote risico’s op armoede na pensionering en maakt flexwerk te goedkoop voor werkgevers en opdrachtgevers. Ook dit voorstel werkt denivellerend.</p>
<p>Er komt meer kans op indexering en minder op korting van aanvullende pensioenen als we een minder risicovol vermogensbeheer (wettelijk gereguleerd, incl. toepassing van de Wet Normering Topinkomens publieke sector op pensioenfondsen én hun uitvoeringsorganisaties, incl. externe vermogensbeheerders) toepassen. Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler. Met het huidige pensioenvermogen en de huidige premies is een rendement van 2,5% boven op de inflatie al genoeg om de toekomstige pensioenen te garanderen, inclusief indexatie, de vergrijzing en hogere leeftijdsverwachting. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Door bijvoorbeeld te beleggen in huurwoningen is een constant rendement van 4-5% mogelijk. Datzelfde geldt voor rendement uit hypotheken: zouden niet banken maar pensioenfondsen de hypotheekleningen verstrekken, dan kwam de hypotheekrente terecht bij (toekomstige) gepensioneerden in plaats van bij de aandeelhouders van banken.</p>
<p>Pensioenfondsen moeten ook breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. Het is ook in het belang van de deelnemers van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie.</p>
<p>We moeten daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn. Producten met een te hoog risicoprofiel worden uitgesloten en verboden. Zoals bijvoorbeeld hedgefondsen, private equity en derivaten. Ook niet duurzame en niet sociale investeringen worden wettelijk uitgesloten en verboden. Valutarisico liever ook zoveel mogelijk uitsluiten. Geen valutarisico betekent dat je dat risico ook niet hoeft af te dekken. Pensioenfondsen moeten zich zoveel mogelijk richten op goed renderende investeringen in onze Europese economie. Woningen, hypotheken, bedrijven groot en klein. We maken van onze pensioenfondsen weer gewoon publieke investeerders. Dat zorgt er ook voor dat de absurde kosten die private vermogensbeheerders nu in rekening brengen bij pensioenfondsen – 14 miljard euro in één jaar! – fors omlaag gaan.</p>
<p>We gaan voorts de collectieve aanvullende pensioenen niet individualiseren. Daartoe breken we het Pensioenakkoord open. Wel moet er betere collectieve (mede)zeggenschap komen bij de pensioenfondsen. We zien af van de invoering van individuele pensioenpotjes in ons stelsel van aanvullend pensioen (het ondermijnd de solidariteit) en van de vervanging van de doorsneepremie – als iedereen pensioen opbouwt is dat niet nodig. In ieder geval dient het zgn. invaren van oude pensioenrechten in het nieuwe systeem zorgvuldig en rechtvaardig te gebeuren. Dat is nu onvoldoende gegarandeerd in het Pensioenakkoord. Vooruitlopend op de invoering van de wet dient per direct de huidige rekenrente te worden afgeschaft en wordt een meer reële rente toegepast. De premiebegrenzing vervalt – als dat nodig is moet ook premieverhoging en bijstorten van werkgevers mogelijk blijven. Het eenzijdig beleggen van de risico’s bij gepensioneerden en/of werkenden is niet solidair.</p>
<p><u>Studiefinanciering</u></p>
<p>Op termijn brengen we ook de studenten (incl. mbo) onder de werking van het Zekerheidsinkomen. Naast het vervallen van les- en collegegeld voor alle leeftijden, krijgen voltijds studenten van 18 jaar tot en met 27 jaar eerst weer een basisbeurs van 500 euro per maand, ongeacht hun woonsituatie. Daarenboven ontvangen studenten met een laag ouderlijk inkomen een aanvullende beurs, die maximaal tezamen met de basisbeurs gelijk is aan de hoogte van het verhoogde sociaal minimum.</p>
<p>We verhogen de basisbeurs (met gelijke verlaging van het maximum van de aanvullende beurs) jaarlijks met 100 euro per maand, totdat de basisbeurs gelijk is aan het sociaal minimum en dus aan het Zekerheidsinkomen. Alsdan wordt de aparte studiefinanciering afgeschaft en krijgt deze groep studenten ook recht op het Zekerheidsinkomen, voor hen het aloude ideaal van studieloon.</p>
<p>We gaan instroom van studenten uit het buitenland beter reguleren. Binnen de EU gaan we regelen dat er geen recht is op gelijke studiefinanciering en gelijke studiekosten in het gastland, maar volgens de regels en met financiering van het land van herkomst. Daarnaast gaan we een programma opzetten voor enerzijds goede studenten uit het buitenland in Nederlandse tekortberoepen en anderzijds een programma gericht op studenten uit arme landen als vorm van ontwikkelingssamenwerking, gepaard gaande met samenwerking tussen onderwijsinstellingen in het land van herkomst.</p>
<p><u>Offensief tegen laaggeletterdheid</u></p>
<p>En er moet een fors offensief tegen laaggeletterdheid komen. Dat moet voor deze grote groep mensen die nu onvrijwillig langs de kant staan belemmeringen wegnemen. We zorgen voor een publiek gefinancierd landelijk aanbod van basiseducatie voor laaggeletterden, gericht op basisvaardigheden op het terrein van in ieder geval taal, rekenen en digitale vaardigheden, waaronder het kunnen beoordelen van informatie op betrouwbaarheid.</p>
<p>Gemeenten moeten taakstellingen en geoormerkte middelen daarvoor krijgen. Er komen speciale, gratis, laagdrempelige en aantrekkelijke scholen voor basiseducatie in alle gemeenten met een extra inzet op de wijken waar dit probleem het grootst is, met een open digitaal interactief ondersteuningskanaal en een landelijk kwaliteitskader. Bij de opzet wordt samengewerkt met volwassenenonderwijs, bibliotheken en buurtwerk/wijkcentra, en met scholen in het PO en VO: scholen bemiddelen actief voor taalonderwijs voor ouders van hun leerlingen wanneer zij constateren dat die inzet nuttig kan zijn. Er komen aparte diploma’s voor de verschillende taalniveaus met een bescheiden bonus/beloning bij het behalen daarvan.</p>
<p>Ook gaan we veel meer werk van toegankelijk volwassenenonderwijs maken. We organiseren een landelijk netwerk met volwassenenonderwijs: van tweede kans voortgezet onderwijs, van specifieke cursussen tot hoger onderwijs voor volwassenen – ondersteund door een ruim aanbod van digitaal afstandsonderwijs. Voor lage inkomens wordt dit gratis toegankelijk.</p>
<p>Bibliotheken worden gratis en worden gepromoot met taal- en leescafés, quizzen, publieke dictees e.d. We investeren in moderne bibliotheken, met moderne media en digitale toegang, die nauw samenwerken met scholen en het taalonderwijs. Bibliotheken worden leesbevorderingscentra. Iedere wijk en ieder dorp moet verplicht een fysieke, goed toegankelijke bibliotheekvoorziening hebben. Daartoe krijgen gemeenten extra geld. Jongeren tot 25 jaar en inkomens tot 130% van het sociaal minimum krijgen een gratis abonnement op een onafhankelijk dagblad (al dan niet digitaal) naar keuze.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134451991"></a><strong>3.  </strong><strong>Goed Werk</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Werk (betaalde arbeid) is een belangrijke bron van bestaanszekerheid. Maar werk is veel meer dan inkomen. Betaald werk geeft natuurlijk in de eerste plaats een inkomen, maar werk is veel meer dan een inkomen. Het geeft zin, identiteit, structuur en sociale context aan je leven – het geeft dus binding. Mensen stellen zich vaak voor met hun naam én hun beroep. Zonder werk geen beroep, geen collega’s. Waar praat je over in je vrije tijd? En met wie? Werk is niet een ongemak wat we moeten verduren om inkomsten te kunnen generen, opdat we maar voldoende kunnen consumeren. Werk vormt ons tot wie we zijn – als er geen werk meer is, dan raakt dat ons ‘<em>zijn’</em>. Dat besef je pas goed als je het niet meer hebt.</p>
<p>Werkloosheid is geen economisch probleem, maar een sociaal en een ordeningsprobleem. Werk is in onze tijd hét middel tot erkenning, ontplooiing, sociale contacten en dagritme. Werk geeft mensen ook een onderhandelingspositie over je inkomen. Het maakt je minder afhankelijk. Het is belangrijk dat we blijven strijden voor goed en zinvol werk, met een goede, zekere rechtspositie, voor iedereen die dat wil. Het is daarom geen zegening als werk overbodig zou worden, al is het verdwijnen van vies, ongezond, en vervelend werk door automatisering en robotisering natuurlijk voor de meeste mensen niet iets om te betreuren.</p>
<p>En het is ook niet onvermijdelijk dat werk zou gaan verdwijnen. We kunnen er veel aan doen, de overheid heeft tal van instrumenten daarvoor. Het is belangrijk dat onze overheid weer zijn rol pakt als het gaat om het vergroten van het aantal en het eerlijker verdelen van banen. Te lang is gedacht dat alleen de markt banen zou kunnen maken, en de overheid alleen zou kunnen faciliteren. De sociaaldemocratie staat voor de maakbaarheid van goed betaald, zeker en eerlijk verdeeld werk.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>De overheid moet streven naar volledige werkgelegenheid, voor iedereen <em>die wil en kan werken</em>. In de publieke sector kan en moet zij dat rechtstreeks doen, in de marktsector kan zij dat bevorderen door gunstige voorwaarden te scheppen (o.m. door investeren in arbeid goedkoper te maken) en afspraken te maken. Daarbij is het macro-economisch beleid belangrijk voor de creatie van banen.</p>
<p>Arbeidstekorten zijn met een mix van maatregelen ondanks de structurele vergrijzing minimaal. Betaalde arbeid loont beter, is eerlijker verdeeld, aantrekkelijker door meer professionele autonomie, minder overbodige bureaucratie en betere, zekere arbeidsvoorwaarden, is beter bereikbaar door betere arbeidsbemiddeling, meer preventie van onvrijwillige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid en betere facilitering van mensen met een arbeidsbeperking, en de aansluiting tussen vraag en aanbod is verbeterd door aanpassingen in het beroepsonderwijs en gereguleerde arbeidsmigratie en snellere, effectievere integratie.</p>
<p>Voor iedereen is er betaald werk beschikbaar. Een recht op een publieke basisbaan is daarbij het individuele sluitstuk.</p>
<p>Voor mensen met een beperking zijn er goede regelingen die ook voor hen het recht op betaald werk garanderen, waarbij werkgevers verplicht worden voldoende werk beschikbaar te maken, waarbij ze veel beter geholpen worden. Sluitstuk voor werk voor deze doelgroep is de sociale werkvoorziening, die veel betere arbeidsvoorwaarden kent en structureel toegankelijk is.</p>
<p>Een vast arbeidscontract voor onbepaalde duur is weer de norm, met voldoende rechtsbescherming en goede secundaire arbeidsvoorwaarden. Er zijn wettelijk slechts zeer beperkte uitzonderingen op mogelijk. Aan uitbuiting van arbeidsmigranten is een eind gemaakt, Nederland is geen lage lonenland meer. In plaats van op concurrentie van arbeidsvoorwaarden wordt er gestuurd op hoogwaardige arbeid en solidaire arbeidsvoorwaarden.</p>
<p>Vakbondswerk en het stakingsrecht is beter gegarandeerd. Het is weer de norm dat werknemers zich collectief in echte vakbonden organiseren.</p>
<p>Betaald werk is eerlijk en slim verdeeld, zodat niet de één bezwijkt onder de werkdruk en de ander onvoldoende uren maakt om een zeker inkomen en voldoende opbouw van pensioen te kunnen bereiken, en er ook een ontspannen samenleving mogelijk is, met voldoende tijd om naast betaald werk ook zorg voor kinderen en/of anderen mogelijk te maken en gelijk te kunnen verdelen, en er ook voldoende tijd is voor vrijwilligerswerk en voor ontspanning.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p><u>Arbeidstekorten en werkdruk</u></p>
<p>Door vergrijzing en ontgroening zal er steeds meer een tekort aan arbeid ontstaan, al is er nu ook een mismatch tussen vraag en arbeid qua competenties op de arbeidsmarkt. De belangrijkste mismatch is echter dat het onvoldoende loont voor bedrijven om te investeren in arbeid. Zoals we hiervoor hebben aangetoond worden bedrijven met kapitaal slapend rijk en bevorderen onze belastingen dat ze dat kunnen blijven doen. Met de voorgestelde herverdeling via belastingmaatregelen wordt het voor werkgevers en werknemers veel aantrekkelijker om weer te kiezen voor arbeid.</p>
<p>Er zijn door arbeidsmarktdeskundigen al een hele reeks voorstellen gedaan om de krapte die er op de arbeidsmarkt nu al is het hoofd te bieden. Zodra het woord arbeidsmarkt valt gaat het al snel niet meer over al die dingen waarom werk voor ons zo belangrijk is, afgezien van het geld dan. Niets over de betekenis die we willen hebben of het plezier dat het kan verschaffen. Moet je daarom niet dat hele concept arbeidsmarkt ter discussie stellen? Eind 2022 verscheen er een boek van Paul de Beer, hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging, dat vanwege de titel de aandacht trok: <em>De mythe van de arbeidsmarkt.</em> <em>‘In werkelijkheid kan de arbeidsmarkt nooit werken als de oliemarkt, de bloemenmarkt of de smartphonemarkt’</em>, staat op de achterflap. In het boek geeft hij daar een reeks voorbeelden van. Hij komt met cijfers die laten zien dat in landen waar het minimumloon steeg het aantal banen toenam. Dan klopt de gangbare theorie dat lage lonen voor meer werkgelegenheid zorgen dus niet, concludeert hij.</p>
<p>Het hele idee dat CEO’s van grote ondernemingen veel verdienen omdat hun deskundigheid zo schaars is, of in verhouding staat tot hun arbeidsproductiviteit, schiet hij aan flarden. Op basis van onderzoek stelt De Beer vast dat werkzoekenden of mensen die zoeken naar een baan zich slechts in geringe mate laten leiden door financiële prikkels. Andere factoren, zoals de machtsverhoudingen of persoonlijke relaties, blijken een grotere rol te spelen bij de verdeling van arbeid, het toekennen van beloningen, en welke baan wel of niet op basis van een flexibele arbeidsovereenkomst wordt vervuld.</p>
<p>De Beer stelt dat de vraag wat voor werk we willen, ook een politieke is. Daarmee ontsnap je meteen aan het idee dat arbeid niet meer is dan wat zich op een markt van vraag en aanbod afspeelt. De Beer: <em>‘Je kunt natuurlijk niet tot op detailniveau vastleggen welk soort bedrijvigheid er moet zijn, maar je kunt wel randvoorwaarden stellen aan het soort banen dat wenselijk is, en welke we geleidelijk moeten zien kwijt te raken.’</em> Wat De Beer betreft moet daarom in een nieuw Plan van de Arbeid worden opgenomen dat werk zowel ecologisch als sociaal duurzaam moet zijn. Met dat laatste bedoelt hij dat je geen werk wil dat in de buurt komt van uitbuiting, of gewoon ronduit slecht is. Als alle banen die niet door de beugel kunnen verdwijnen, zijn er straks meer mensen beschikbaar voor de sectoren die we essentieel vinden. Een typisch voorbeeld van het soort werk dat kan verdwijnen is volgens hem het werk in de huidige glastuinbouw. De sector draagt fors bij aan de CO₂-uitstoot en de arbeidsomstandigheden zijn erbarmelijk. Dat levert in de toekomst overigens nog niet de arbeidskrachten op die we nodig hebben, want de sector draait vooral op tijdelijke arbeidsmigranten. Maar De Beer geeft voorbeelden waar dat wel zo is. Willen we nog het werk van al die pakketbezorgers als er niets verbetert aan hun arbeidsvoorwaarden, of het werk in de distributiecentra? De horeca schreeuwt om personeel, maar willen we in die behoefte voorzien als de werkomstandigheden onder de maat zijn? Is er, vanwege de milieu-impact, nog ruimte voor het soort werk dat bij Tata Steel wordt verricht? Hij benadrukt daarbij dat we het vooral hebben over de arbeidsmarkt van de toekomst. Hij verwacht dan ook niet dat veel mensen in bijvoorbeeld de zware industrie hun banen verliezen als die vanwege hogere milieunormen moeten verdwijnen. <em>‘Veruit de meesten zijn dan al met pensioen’</em>, legt De Beer uit. <em>‘In de klassieke banen in de industrie, de landbouw en de vervoerssector zitten relatief veel ouderen.’</em></p>
<p>De volgende suggestie van de hoogleraar is om arbeidsrelaties hechter (‘<em>duurzamer’</em>) te maken. Dat betekent dat er afscheid worden genomen van het idee dat het goed is dat werknemers regelmatig van baan wisselen, het soort dynamiek dat veel economen zien als een kenmerk van een goed functionerende arbeidsmarkt. Het is nu juist deze dynamiek die er volgens de hoogleraar de afgelopen jaren ervoor heeft gezorgd dat er in enkele sectoren geworsteld wordt met openstaand vacatures. In het afgelopen jaar (2022) zijn maar liefst 1,5 miljoen mensen van baan gewisseld. <em>‘Omdat het gemiddeld drie maanden duurt voor een vacature wordt vervuld, zorgt alleen al dat wisselen van banen ervoor dat er gemiddeld over het jaar bijna 400.000 openstaan.’ </em>De Beer: <em>‘Met andere woorden: een groot deel van dat probleem wordt al opgelost als werknemers vaker op hun plek zouden blijven.’</em> Hij heeft nog een krasser voorbeeld. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek CBS) blijkt dat ieder kwartaal extreem veel jongeren van onder de 35 die in de zorg werken de sector verlaten. Als gedurende één kwartaal geen jongeren zouden vertrekken, zijn zo ongeveer alle vacatures in de zorg vervuld. Je lost het tekort aan banen dus in elk geval niet op door het ontslagrecht te versoepelen en flexibele arbeid de norm te laten zijn, benadrukt de hoogleraar. Je moet voorkomen dat nieuwe werknemers zich uitgesloten voelen en daarom snel weer vertrekken. Zorgen dat je mensen de kans geeft door te groeien binnen het bedrijf, in plaats van dat ze hun volgende stap bij een andere werkgever maken. Het werk zo aantrekkelijk maken dat een oudere op zijn of haar 67<sup>ste</sup> het liefst doorwerkt en deeltijders worden verleid langer dan vijftien of twintig uur per week te werken. Verder moeten we het perspectief op werken voor wie ook nu nog aan de kant staat aantrekkelijker maken.</p>
<p>De hoogte van het loon is wel een factor, en er zijn genoeg redenen de inkomens te verhogen, maar De Beer waarschuwt er toch voor dat niet te overschatten. Voor veruit de meeste werknemers weegt de kwaliteit van het werk zwaarder. <em>‘Veel mensen vinden het werk in bijvoorbeeld de zorg en het onderwijs gewoon niet aantrekkelijk genoeg’</em>, Dat is ook de reden dat veel mensen die met hun opleiding in die sectoren aan de slag kunnen, dat toch niet doen, of snel weer vertrekken.</p>
<p>Werkdruk is een groot en groeiend probleem. De helft van de verpleegkundigen overweegt iets anders te gaan doen vanwege de werkdruk. Per dag zitten bijna 5000 agenten ziek thuis door werkstress. Een op de vijf leraren kampt met burn-outklachten. Onderkant formulierVoor degenen die zich een burn-out werken geldt naast feitelijke werkdruk ook dat veel overwerken, ook in de privé-tijd normaliseert en voor sommigen zelfs een statussymbool lijkt. Het is een van de redenen dat de productiviteitsstijging in de wereld stagneert. </p>
<p>En betaald werk alleen is niet meer zaligmakend. Het leven is meer dan werken, we willen ook tijd voor onze kinderen, mantelzorg, vrijwilligerswerk, vrije tijd en ontspanning. De sociale strijd heeft de arbeidsduur beperkt, vakantie en vrije zaterdag gerealiseerd, zorgverlof, etc. Maar de scheiding tussen werk en vrije tijd wordt steeds diffuser, het werk dringt steeds meer de vrije tijd in. De verdeling van werk en zorgtaken is ook heel scheef. Waar de ene werknemer dreigt te bezwijken onder werkdruk en jonge gezinnen klagen over te weinig tijd voor zorgtaken voor hun kinderen én voor hun mantelzorg behoevende ouders, zitten anderzijds veel mensen die graag weer zouden werken of meer uren zouden willen werken onvrijwillig teveel thuis op de bank. Tweeverdieners zijn de norm geworden, maar ook uit noodzaak om de stijgende vaste lasten nog te kunnen financieren. Onvrijwillige alleenverdieners hebben het nakijken. Hoe belangrijk werk ook is, leven is meer dan werk alleen. Dat moet en kan beter. We zullen naar meer dwingende en effectieve verdeling van werk moeten.</p>
<p>De econoom John Maynard Keynes voorspelde dat aan het eind van de 20<sup>ste</sup> eeuw de werkweek zou zijn verkort tot 15 uur per week. En Joke Smit die vijftig jaar geleden met haar artikel <em>Het onbehagen van de vrouw</em> aan de basis stond van de tweede feministische golf, zag heel veel redenen voor een 5-urige werkdag. Niet alleen zou het vrouwen economisch onafhankelijker maken, ook zouden de zorgtaken beter worden verdeeld, kinderen evenwichtiger opgroeien en zouden ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid afnemen. Sinds haar publicatie zijn weliswaar meer vrouwen gaan werken, maar de werkweek zelf is nauwelijks verder verkort. Integendeel, veel vrouwen zijn in navolging van mannen ook workaholics geworden.</p>
<p>Het congres van de PvdA stemde in 1983 al voor een 25-urige werkweek. In 1987 werd daar helaas al weer afscheid van genomen in het rapport <em>Schuivende Panelen</em>, teneinde de PvdA voor VVD en CDA een meer aanvaardbare coalitiepartner te maken. In 2015 pleitte staatssecretaris Martijn van Dam voor een 36-urige werkweek, maar hij kreeg nauwelijks steun. In Duitsland heeft de vakbond in de metaalsector een doorbraak gerealiseerd naar een 28-urige werkweek.</p>
<p>Ruim 220.000 mensen werken niet wegens zorgtaken<a href="#_ftn25" name="_ftnref25">[25]</a>, waarvan 211.000 vrouwen. Op dit moment is er recht op 16 weken doorbetaald zwangerschapsverlof voor de moeder en wie vader wordt, heeft recht op twee dagen doorbetaald kraam- of vaderschapsverlof en drie extra dagen onbetaald verlof. Verder hebben alle Nederlandse werknemers het recht om ouderschapsverlof op te nemen: 26 keer het aantal werkuren in de week voor zowel vader als moeder, op te nemen in de eerste acht levensjaar van het kind.  Deze regeling is bedoeld om de combinatie van arbeid en zorg te vergemakkelijken, maar het verlof is onbetaald: je moet het je dus kunnen veroorloven, om tijdelijk in inkomen achteruit te gaan. </p>
<p>Voor een ruimhartiger vaderschaps- en ouderschapsverlof zijn veel argumenten aan te dragen. Het is beter voor de baby, die op minder jonge leeftijd naar de crèche hoeft en een meer betrokken vader krijgt.  De arbeidsparticipatie van vrouwen zou omhooggaan wanneer zij in eerste instantie langer bij hun baby kunnen blijven; zorgtaken raken blijvend beter verdeeld tussen vaders en moeders; en discriminatie op de arbeidsmarkt tegen vrouwen zou dalen op het moment dat een werkgever weet dat zowel een man als een vrouw een tijd uit de running zal zijn in het geval van voortplanting. En, door ouderschapsverlof betaald te maken wordt het voor iedereen toegankelijk: dit kan helpen sociale en economische ongelijkheid tegen te gaan. Het is dus goed voor het kind, voor de emancipatie én voor de gelijkwaardigheid binnen relaties en in de maatschappij om ouders allebei de kans te geven (even)veel tijd met hun pasgeboren baby door te brengen. Daar komt bij dat het kostwinnersmodel terecht uit de mode raakt en ook vaders meer en beter betrokken willen zijn bij de opvoeding van hun kinderen. Naast dat dit meer banen voor anderen laat, draagt dit bij aan een meer ontspannen arbeidsbestel, waarin erkend wordt dat kwaliteit van leven niet bestaat uit werk alleen.</p>
<p><u>Volledige werkgelegenheid voor iedereen die wil en kan werken</u></p>
<p>Het is belangrijk dat we blijven strijden voor goed en zinvol werk, met een goede, zekere rechtspositie, voor iedereen die dat wil. We zijn ervan overtuigd dat de meeste mensen ook betaald willen werken, met name hen die onvrijwillig geen werk (meer) hebben. Maar dan moet dat werk wel lonen, en ook moet je zelf grip en zeggenschap hebben over je werk en dus een goede onderhandelingspositie hebben tegenover de kapitaalverschaffers.</p>
<p>We nemen afscheid van het ideaal van een bepaalde evenwichtswerkloosheid: doelstelling wordt dat iedereen <em>die betaald werk wil en kan</em> daartoe ook in de gelegenheid wordt gesteld. We hebben bij het beginsel Een Zeker Inkomen tevens afscheid genomen van dwang en drang bij betaald werk, en daarmee van het verplichtend activerend arbeidsmarktbeleid.</p>
<p><u>De overheid en de publieke sector als ventiel tegen onvrijwillige werkloosheid</u></p>
<p>Om te voorkomen dat de economie in een spiraal naar beneden raakt, is het aan de overheid om te blijven investeren. Dat is goed voor de werkgelegenheid, goed voor de koopkracht, en er is veel nuttigs te doen: het energiezuinig maken van woningen, grootschalige duurzame energie, wijken opknappen, infrastructuur up-to-date maken, nieuwe woningen bouwen, ons land verduurzamen.</p>
<p>De publieke sector maken we in plaats van de marktsector het ventiel tegen onvrijwillige werkloosheid in tijden van economische neergang. Nu verdwijnt er bij crises vaak veel geld in te rijke portemonnees van private werkgevers die dat lang niet altijd nodig hebben. In tijden van stijgende werkloosheid vergroten we de werkgelegenheid en de sociale vangnetten in plaats van daarop te bezuinigen.</p>
<p>De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, hebt veel eigen regel- en budgetruimte, en je verdient ook goed, en bent als regel in vaste dienst. Publieke banen zijn echte banen, belangrijk voor onze welvaart en ons welzijn. Er bestaat dus ook niet zoiets als ‘echte’ banen (markt) en surrogaat­banen (publiek). Werk in de publieke sector is voor de economie net zo van belang als werk in de private sector. Of het een politieagent of een commerciële beveiliger is die zijn geld uitgeeft, maakt voor de binnenlandse bestedingen niets uit, en we kunnen in de publieke sector beter garanderen dat het geld ook aan arbeid besteed wordt en niet aan andere, private doelstellingen.</p>
<p>Als linkse partij zijn we ideologisch voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. Het maakt economisch niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient. En er is geen objectieve maatstaf voor de optimale omvang van de publieke sector. Naarmate producten dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids-) productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw. Bovendien zijn er ernstige tekorten aan goed opgeleide professionals bij overheden en publieke sectoren, met hoge werkdruk en te lage kwaliteit als gevolg.</p>
<p>Het probleem in Nederland is niet dat de collectieve uitgaven te hoog zijn, maar dat de collectieve lasten zo oneerlijk zijn verdeeld. Er is genoeg ruimte om te investeren, als we ook bereid zijn tot die eerlijke verdeling. Een euro besteed door de overheid levert gemiddeld genomen meer werkgelegenheid op dan een euro besteed door de markt. Dat heeft met drie dingen te maken: de overheid kan sturen op werkgelegenheid, de markt doet dat niet; de publieke sector bestaat vaker uit diensten en dat is arbeidsintensiever; en publieke bestedingen vloeien minder weg naar het buitenland.</p>
<p><u>Robotisering</u></p>
<p>Door robotisering zullen banen verloren gaan, maar veel meer banen zullen erdoor veranderen, en er zullen ook nieuwe banen bijkomen. Robotisering biedt kansen als ze meer gericht wordt op hoe ze ook voor lager en middelbaaropgeleiden hun werk juist aantrekkelijker kunnen maken met een hogere productiviteit. Bijvoorbeeld met collaboratieve robots (<em>cobots</em>), die het routinewerk doen en die het precisiewerk aan de mens laten, door <em>augmented reality</em> (AR) waarbij extra informatie slim toegevoegd wordt maar de mens het werk blijft doen, en met slimme brillen (smart glass) die de onderhoudsmonteur toont waar zich een storing bevindt en hoe deze op te lossen. Medewerkers met een lagere opleiding kunnen zo complexe taken uitvoeren. De systemen kunnen ook inspelen op mensen met geheugenproblemen, mensen die moeilijk beslissingen kunnen nemen, mensen met concentratieproblemen, mensen die lastig omgaan met onverwachte gebeurtenissen, etc. Op deze wijze kan AR de arbeidsparticipatie van mensen met een lichte beperking enorm helpen, maar het wordt nog nauwelijks toegepast. </p>
<p><u>Zekerheid voor werkenden</u></p>
<p>Nederland is onder invloed van het neoliberalisme Europees kampioen flexwerken geworden. De afgelopen 15 jaar is het aantal flexwerkers met 75% toegenomen en zij vormen nu ruim 40% van alle werkenden: 2,6 miljoen flexibele arbeidscontracten (uitzendwerk, oproepcontract, payroll, etc.) en 1,1 miljoen zzp-ers. De overheid stimuleerde de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Dat zou ons concurrerender maken – de kenniseconomie met lage lonen… Terwijl men dacht dat dit productiviteit zou vergroten, werd die daardoor juist lager.</p>
<p>De overheid gaf het verkeerde voorbeeld in de publieke sector. Een recente column van Mirjam de Rijk in De Groene gaf precies weer wat er gebeurt: <em>“</em><em>Voor ICT’ers en financiële deskundigen gold het al veel langer: nul gewone sollicitanten op een vacature, wel allerlei detacherings- en bemiddelingsbureaus die mensen aanbieden. En ja, wat doe je dan als organisatie? Toch maar iemand inhuren, vaak jarenlang, zelfs al kost dat veertienduizend of achttienduizend euro per maand. Pakweg de helft van dat bedrag is voor de ingehuurde zelf, de andere helft is kassa voor het uitlenende bureau. </em></p>
<p><em>Inmiddels heeft dit fenomeen ook leerkrachten en zorgverleners bereikt. En hoe! Hongerige bemiddelings- en detacheringsbureaus (een sjiek woord voor uitzendbureau) schuimen sociale media af op zoek naar accounts van docenten en verpleegkundigen, ook als overduidelijk is dat ze in vaste dienst zijn bij een school of zorginstelling, en proberen hen daar vervolgens weg te lokken.</em> <em>‘Graag kom ik met jou in contact om elkaar beter te leren kennen.’ ‘Bij ons kies je zelf de scholen waar je wil werken, en je werktijden. Ook bepaal je zelf de inschaling.’</em> <em>Was getekend Maandag, Derec, Randstad of een van de vele anderen. Soms gaat het om een detacheringsconstructie, soms om zzp-schap met een bemiddelingsfee en andere opslagen voor het bureau. Op Twitter is inmiddels een trend ontstaan om screenshots van deze brutale invitaties te plaatsen, voorzien van een witheet antwoord (‘aasgieren!’).</em></p>
<p><em>Er zijn vanzelfsprekend ook mensen die op de uitnodigingen ingaan. En neem ze het eens kwalijk. Meer geld, meer grip op je tijd, eindelijk een nette reiskostenvergoeding. Scholen en zorginstellingen gaan, ten einde raad, massaal met de bureaus in zee. Je wil nu eenmaal geen klassen naar huis sturen vanwege personeelsgebrek, en operaties afzeggen ook niet. In de operatiekamers van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis bestaat inmiddels veertig procent van het personeel uit ‘PNIL’, verzamelnaam voor ‘personeel niet in loondienst’.</em></p>
<p><em>Opgeteld betekenen al die op zichzelf begrijpelijke beslissingen dat de vaste krachten het nóg zwaarder krijgen: voor hen blijven de rotklussen en vervelendste diensten over, met alle scheve ogen en vicieuze cirkels van dien. Door het toenemende aantal PNIL’ers worstelen veel scholen en zorginstellingen met hun begroting. Want een ingehuurde kost al gauw anderhalf keer zo veel als een werknemer in loondienst. En mocht een instelling de ingehuurde in de loop van de tijd weten te verleiden om in dienst te komen, dan moet een flinke som geld betaald worden aan de uitzender/bemiddelaar.</em></p>
<p><em>Wat te doen? Dilemma, dilemma, klinkt het alom. Maar het woord dilemma is net iets te populair de laatste tijd. Presenteer iets als een lastig dilemma, en je hoeft geen beslissingen te nemen. Effectieve klimaatmaatregelen? Dilemma! Woekerwinsten aanpakken? Dilemma! Het is verhulde besluiteloosheid. Want reken maar dat er best wat aan te doen is, aan de opmars van PNIL. Het tegengaan van schijn-zzp, bijvoorbeeld, staat al sinds 2016 in de ijskast en blijft daar als het aan het kabinet ligt nog tot 2025 in. Dat maatregelen óók nadelen hebben, betekent niet dat je ze niet moet nemen.</em></p>
<p><em>Minister Helder van Zorg komt voorlopig niet veel verder dan een ‘bewustmakingscampagne’ voor mensen in de zorg die het zzp-schap overwegen: let op, er komt heel wat bij kijken, hoor! Dat is het individualiseren, of misschien moet je zeggen liberaliseren van het probleem.</em></p>
<p><em>Misschien beter om de oorzaken aan te pakken, door zowel in onderwijs als zorg werk te maken van goed werkgeverschap. En hoe hinderlijk ook voor de managers, daar hoort anno nu ook rekening houden met de persoonlijke wensen en omstandigheden van werknemers bij. Een beetje cru als dat pas gebeurt als mensen gedetacheerde of zzp’er worden.</em></p>
<p><em>Beginnen bij de oorzaken betekent ook een rijksoverheid die niet grossiert in incidenteel, tijdelijk geld, want daarmee is het lastig structureel personeel aannemen. En ja, het betekent ook hogere salarissen. Weg dus met de regel dat de salarissen in de publieke sector niet sneller kunnen stijgen dan die in de markt. Dat komt immers neer op ‘als het bedrijfsleven het koopkrachtverlies niet compenseert, dan doen wij dat ook niet’. Een proefproces tegen de detacheringsbureaus, hun methodes en hun verdienmodel, kan wellicht ook. Tot die tijd is er voor hen de hashtag #aasgieren.”</em></p>
<p>En in private sector werd zzp-schap door de overheid gestimuleerd met de zelfstandigenaftrek. Zo’n 10% van alle werkenden wordt nu volgens de Inspectie SZW uitgebuit met onderbetaling, te lange werktijden, illegale tewerkstelling, onveilige en ongezonde arbeidsomstandigheden. Deze groep kent hogere instroom in WW, bijstand en WIA. Er is sprake van cumulatie van arbeids- en bestaanszekerheidsrisico’s. Dit vinden we het sterkst bij flexcontracten en schijnconstructies met zzp-ers.</p>
<p>Zzp-ers met een laag inkomen zijn het putje van de arbeidsmarkt. Ze hebben nauwelijks bescherming en lopen veel risico’s en er heerst veel armoede. Werkgevers wentelen hun risico’s af door schijnconstructies met zzp-ers te construeren. Ondernemers wentelen hun risico’s af op de belastingbetaler. Anderzijds zijn er veel zelfstandigen (met en zonder personeel) die fiscaal enorm bevoordeeld worden ten opzichte van werknemers.</p>
<p><u>Uitbuiting van arbeidsmigranten</u></p>
<p>Dit geldt in nog sterkere mate voor arbeidsmigranten die inmiddels bijna alle laaggeschoolde, zware en/of ongezonde arbeid verrichten in ons land. Dit betreft vooral Oost-Europeanen, die zwaar uitgebuit worden in sectoren als de glastuinbouw, slachterijen, de bouw, de transportsector, de schoonmaakindustrie, distributiecentra, bakkerijen, groente en fruitverwerking, etc. Werkgevers trachten niet alleen sociale premies te ontwijken, maar maken deze werknemers ook zeer afhankelijk door ook op te treden als verhuurder van hun meestal zeer slechte huisvesting, organisator van transport voor het woon-werkverkeer, intermediair naar hun zorgverzekeraar (vaak met inname van de zorgpas) tot en met inname van paspoort en fysieke en mentale bedreiging. De Inspectie SZW (het treurige restant van de vroegere Arbeidsinspectie) treedt nauwelijks op bij gebrek aan middelen en de slachtoffers durven niet assertief te zijn.</p>
<p>Arbeidsmigranten leven in ongezonde getto’s in de volkswijken, dicht opeen in onhygiënische omstandigheden met veel overlast voor de omgeving, en eindigen steeds meer dakloos in stadsparken. Waar gemeenten ruim baan geven voor de vestiging van deze lage lonen bedrijven, die vaak ook nog behoorlijk milieuvervuilend en/of klimaat-belastend zijn, en die vaak ook nog financieel weinig waarde toevoegen zeker als de maatschappelijke kosten daarbij in ogenschouw worden genomen, geven diezelfde gemeenten meestal niet thuis als het gaat om het organiseren van adequate huisvesting en welzijn voor deze arbeidsmigranten. Op rijksniveau ontbreekt bijna iedere vorm van regie, regulering en andere interventie. Nederland zou moeten ophouden dit soort sectoren te faciliteren en moeten inzetten op hoogwaardige arbeid. Alle gelul over kenniseconomie ten spijt gebeurt dat nauwelijks.</p>
<p>Terwijl de samenleving de prijs betaalt, profiteren werkgevers van arbeidsmigratie. Week in week uit zien we dat arbeidsmigranten in vieze ruimtes, kleine kamers en onder gevaarlijke omstandigheden worden gehuisvest, soms wel met meer dan tien mensen in één kamer. Onmenselijk voor de arbeidsmigrant, onwenselijk voor de vaak kwetsbare wijken waarin dit gebeurt en het legt extra druk op het grote tekort aan betaalbare woningen. De huisvesting van arbeidsmigranten is een nationale schande. Ook zien we geregeld dat de ene gemeente van nieuwe bedrijvigheid profiteert, terwijl de andere gemeente de huisvesting moet oplossen. We moeten toe naar een leefbare situatie voor arbeidsmigranten en de wijken waarin zij wonen. De huisvesting moet op orde en gemeenten moeten kunnen ingrijpen. Ook moet het voor arbeidsmigranten makkelijker worden om misstanden te melden. Hierdoor moet de grote afhankelijkheidsrelatie met de werkgever doorbroken worden.</p>
<p>In plaats van zelf mensen in dienst te nemen kiezen sommige bedrijven ervoor om mensen op het allergoedkoopste sociale zekerheidsniveau in te huren. Zo zijn mensen niet in dienst van een Nederlands uitzendbureau, maar wordt er tijdelijk ingeleend vanuit een uitzendbureau elders in Europa. De inleenkrachten worden verloond door het buitenlandse bedrijf en de sociale premies worden afgedragen in dat land (A1-payrolling of A1-verloning). De eerste 18 maanden is deze constructie legaal en kunnen sociale zekerheidskosten ontdoken worden, het is echter ongewenst dat werkenden weinig bescherming opbouwen en vaak gaat het ook om schijndetachering. Vorig jaar is in de gehele EU het hoogste aantal verblijfsvergunningen uitgegeven voor werkgerelateerde redenen: 1,3 miljoen, waarvan er bijna 1 miljoen door Polen. Via deze route kunnen ook mensen van buiten de EU, zogenaamde ‘<em>derdelanders’</em>, legaal aan het werk in Nederland. Van deze groep registeren zich tienduizenden mensen per jaar in ons land. Het is duidelijk dat deze route veelvuldig wordt misbruikt en zorgt voor oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Dat moet stoppen.</p>
<p>De expatregeling staat in Nederland ook wel bekend als de 30%-regeling. Het is een belastingregeling voor buitenlandse werknemers die een <em>&#8216;specifieke deskundigheid&#8217;</em> hebben die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Als dat het geval is, betalen zij over maximaal 30 procent van hun loon geen belasting. Om geheel gebruik te kunnen maken van de regeling moet de expat tijdelijk in Nederland werken en een minimaal brutosalaris van bijna 56.000 euro verdienen. Voor een expat jonger dan 30 jaar met een masterdiploma, is die drempel bijna 43.000 euro. Dat kan een groot voordeel opleveren, want in plaats van een belastingtarief van 49,50 procent, geldt voor hen een tarief van 34,65 procent. De expatregeling werd na de Tweede Wereldoorlog in het leven geroepen om Amerikaanse bedrijven te lokken. In Nederland gold toen een loonbelastingtarief van meer dan 70 procent, waardoor ons land aanvankelijk niet aantrekkelijk was. Met een fikse belastingkorting werd dat opgelost. De expatregeling kwam onder vuur te liggen en werd in 2017 geëvalueerd. Bedrijven als Booking, Adyen, Marktplaats, Johnson &amp; Johnson, Patagonia en Uber kwamen op het ministerie van Financiën bijeen, bleek uit een Wob-verzoek. De discussie leidde ertoe dat per 1 januari 2019 de looptijd van de expatregeling werd verkort van acht naar vijf jaar. </p>
<p>Als het aan de FNV ligt, mag de expatregeling direct worden afgeschaft. Volgens de vakbond is de regeling in de huidige vorm een excessieve compensatie voor met name de hogere inkomens. &#8220;<em>De regeling is in het leven geroepen om werknemers aan te trekken die schaars zijn. Maar om dat te toetsen, wordt alleen gekeken naar het inkomen&#8221;,</em> zegt FNV-bestuurder Amrit Sewgobind. &#8220;<em>We zien het als een verdienmodel voor bedrijven om mensen binnen te halen voor de belastingkorting. En daarmee verdringen zij anderen op de arbeidsmarkt.&#8221;</em></p>
<p><u>Positie vakbonden en het stakingsrecht</u></p>
<p>Werkgevers maken om goede cao’s te vermijden ook gebruik van <em>‘gele bonden’</em>, vakbonden die opgericht zijn door werkgevers en/of van deze werkgevers zeer financieel afhankelijk zijn. We moeten het LIV afschaffen en een wet tegen gele bonden maken. Cao’s mogen alleen met reguliere vakbonden tot stand komen. Het toepassen van een <em>‘enquêtetool’ </em>mag niet in de plaats treden van het overleg met reguliere vakbonden. Met name in sectoren waar een lage organisatiegraad is én werknemers een zwakke rechtspositie hebben zie je nu werkgevers te vaak de reguliere vakbonden buiten spel zetten. Daar moet hard tegen worden opgetreden.</p>
<p>In de zomer van 2021 legden de FNV, het CNV en de Europese koepel van vakbonden, het EVV, opnieuw een klacht neer bij de Raad van Europa over de manier waarop Nederlandse rechters het stakingsrecht toepassen. Volgens de vakbonden is het recht van werknemers om te staken in het geding. Sinds 2015 hebben lagere rechtbanken 57 procent van de stakingen die voorlagen, via een kort geding beperkt of volledig verboden. Daarvóór was het percentage ook al hoog: bij iets meer dan 40 procent van de kort gedingen werd in het voordeel van de werkgever geoordeeld. Hoe kan het dat staken steeds meer onder druk is komen te staan? </p>
<p>Laten we eerst eens kijken wat staken nu eigenlijk is: een vorm van collectieve actie, waarbij werknemers vanwege een arbeidsconflict gezamenlijk hun werk voor onbepaalde tijd neerleggen. Staken is onderdeel van de onderhandelingsrelatie tussen werknemers en werkgevers. Wanneer zij niet tot overeenstemming kunnen komen over een cao, collectief plan of ander werkgerelateerd onderwerp, dan is stoppen met werken het laatste wettelijke pressiemiddel dat werknemers hebben.</p>
<p>Met het recht op staken en collectief onderhandelen, erkent de wetgever dat er een ongelijke machtsverhouding is tussen werkgevers en werknemers. Ongelijk, doordat werknemers voor het verwerven van hun inkomen afhankelijk zijn van werkgevers. Werknemers bepalen niet of ze worden aangenomen, hoe hoog hun loon is, hoe lang hun arbeidscontract duurt en hoeveel uur ze werken. Ze hebben ook geen zeggenschap over de verdeling van de winsten van het bedrijf en kunnen hun werkgever niet ontslaan of uitbetalen. De wetgever corrigeert deze economische machtsongelijkheid gedeeltelijk door werknemers het recht te geven om collectief – gezamenlijk dus – te onderhandelen en in actie te komen. </p>
<p>In het arbeidsrecht zien we dit op meerdere manieren terug. Zo is het ontslagrecht een vorm van contractrecht, maar anders dan bij civiel contractrecht zijn er in het ontslagrecht beperkende clausules die de werknemer als contractpartij bescherming bieden. Eenzelfde redenering geldt voor het cao-recht. Een cao, een <em>‘collectieve arbeidsovereenkomst’</em>, wijkt af van het overeenkomstrecht doordat het de contractvrijheid beperkt ten gunste van werknemers. In de arbeidsrechtelijke literatuur heet dit ook wel ‘<em>ongelijkheidscompensatie’</em>. </p>
<p>Ook bij het stakingsrecht wordt de ongelijke machtsverhouding gecompenseerd door werknemers te beschermen tegen ontslag als ze tijdens een staking weigeren te werken. Bovendien beperkt het stakingsrecht werkgevers in het inhuren van externe vervangende arbeidskrachten om de vrijgekomen arbeidsplaatsen op te vullen. </p>
<p>Het arbeidsrecht wijkt hierdoor sterk af van grote delen van het civiel recht. Een belangrijk uitgangspunt van het civiel recht is dat de materiële belangen van partijen beschermd moeten worden. Vaak is het de taak van de rechter om vast te stellen of een eigendom of belang is geschaad, en wie daarvoor verantwoordelijk is. De centrale vraag bij een geschil over bijvoorbeeld het snoeien van een overhangende appelboom door de buurman, is of de eigenaar schade is berokkend. Bij het stakingsrecht gaat het niet om de bescherming van eigendom of het beperken van schade, maar juist om het recht om schade tóe te brengen. </p>
<p>De klacht die de vakbonden bij de Raad van Europa hebben neergelegd, gaat precies over het verschil tussen stakingsrecht en civiel recht: rechters onderkennen te weinig dat het stakingsrecht fundamenteel anders is dan het civiel recht. Het beperken van schade en beschermen van eigendom is in het stakingsrecht juist <em>niet</em> wat er getoetst moet worden. De vakbonden menen dat rechters hiervan te weinig doordrongen zijn en dat hierdoor het stakingsrecht wordt ingeperkt.  </p>
<p>Als de uitzonderingspositie van het stakingsrecht genegeerd wordt, dan kan een staking al beperkt of verboden worden voordat die überhaupt heeft plaatsgevonden – iets wat ook steeds vaker bij demonstraties gebeurt. Net als het demonstratierecht is ook het stakingsrecht een mensenrecht, maar in Nederland kunnen we daar minder op rekenen dan in veel omringende landen. Het Nederlandse stakingsrecht is in feite een ‘<em>rechtersrecht’</em> doordat het niet geregeld is in wetten. Het recht om te staken heeft zich in Nederland vooral ontwikkeld doordat groepen werknemers gingen staken, werkgevers vervolgens naar de rechter stapten en de rechter zich er dan over moest buigen om een uitspraak te doen.  </p>
<p>Rechters hebben zo in de loop der tijd zogenaamde ‘<em>spelregels’</em> geformuleerd waaraan werkgevers en georganiseerde werknemers moeten voldoen. Ze hanteren deze spelregels om te beoordelen of een staking rechtmatig is. Zo weegt mee of een staking tijdig is aangekondigd, zodat de werkgever nog voorbereidingen heeft kunnen treffen, en of er een ultimatum is gesteld, zodat de werkgever de mogelijkheid heeft om de eisen in te willigen. Hoewel deze spelregels misschien redelijk klinken, blijft het problematisch dat een recht getoetst wordt voordat de gebeurtenis zelf heeft plaatsgevonden. Het wordt nog ingewikkelder bij een spelregel als: <em>‘actie en actievorm moeten in verhouding staan tot de eisen.’</em> Of: ‘<em>beperkingen kunnen geoorloofd zijn indien ze maatschappelijk gezien noodzakelijk zijn.’</em> Of: <em>‘partijen moeten uitonderhandeld zijn.’</em> </p>
<p>De spelregels komen niet uit de lucht vallen, maar zijn gebaseerd op het Europees Sociaal Handvest (ESH) uit 1961 van de Raad van Europa – na de Tweede Wereldoorlog opgericht om vrede en mensenrechten te bestendingen. Het verdrag formuleert rechten en vrijheden bij onder andere onderwijs, huisvesting, gezondheid en arbeid. Ook het recht op collectief onderhandelen – cao’s afsluiten onder andere – is in dit Handvest vastgelegd. In artikel 6, lid 4 van het ESH wordt het stakingsrecht geregeld: <em>‘het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangenverschillen met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten.’</em> Artikel G van het ESH geeft vervolgens een aantal beperkingen weer. Deze moeten rechtmatig zijn en <em>‘in een democratische samenleving noodzakelijk voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.’</em></p>
<p>Nederland heeft het ESH bij de totstandkoming in 1961 ondertekend, maar pas in 1980 werd het verdrag hier ook bekrachtigd, en het zou nog tot 1986 duren voordat de rechter oordeelde dat het stakingsrecht uit het ESH directe werking heeft in Nederland. <em>‘Directe werking’</em> wil zeggen dat inwoners van een land zich erop kunnen beroepen, net als op nationale wetgeving.<strong> </strong>De aanleiding voor dit oordeel was een staking bij de Nederlandse Spoorwegen. De NS, toen nog een overheidswerkgever, wilde een loonsverlaging doorvoeren en de inflatiecompensatie schrappen. NS-werknemers pikten deze inkomensverlaging niet en staakten. De NS vroeg de rechter om de staking te verbieden, maar deze oordeelde – voor het eerst dus – dat de staking rechtmatig was op basis van het Europees Sociaal Handvest. Het stakingsrecht zoals dat in Nederland wordt toegepast, is dus een mix van de spelregels die in de loop der tijd door rechters zijn ontwikkeld, en van het recht dat in het Europees Sociaal Handvest verankerd ligt.</p>
<p>Al sinds begin jaren 1980 leveren deze spelregels gedoe op, en wordt Nederland regelmatig op de vingers getikt doordat het stakingsrecht te beperkt wordt uitgelegd. In 2003 en 2005 gebeurde dit voor het laatst. Toen oordeelde het Europees Comité voor Sociale Rechten, dat toeziet op de naleving van het ESH, opnieuw dat Nederlandse rechters stakingen te snel verbieden. Pas in 2014 en 2015 gaf de Hoge Raad gehoor aan deze tik op de vingers in zijn uitspraken over stakingen bij Enerco en Amsta. De Hoge Raad oordeelde dat de spelregels niet langer een zelfstandige voorwaarde mochten zijn bij het besluit of een staking rechtmatig is. Ze mochten alleen een rol spelen bij een eventueel vervolgoordeel over stakingsbeperking, als die maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is. Deze beperking is gebaseerd op het eerdergenoemde artikel G. Maar anders dan verwacht, lijkt het erop dat stakingen door dit nieuwe toetsingskader nog sneller verboden of beperkt worden. Waar vóór 2014 al 40 procent van de zaken aan de lagere rechtbank werd voorgelegd, is dat nu 57 procent.</p>
<p>In de praktijk blijkt dat rechters door de uitspraak van de Hoge Raad strenger oordelen over wat <em>‘maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk’</em> is, en of de beperking <em>‘in een democratische samenleving noodzakelijk [is] voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.’</em></p>
<p>Zo oordeelde het gerechtshof Amsterdam in 2016 dat er sprake was van een <em>‘maatschappelijk dringende noodzakelijkheid’</em> toen deze een staking van het KLM-grondpersoneel verbood <em>‘gedurende de drukste periode van het jaar.’</em> Met als belangrijkste reden dat de capaciteit om vluchten af te handelen in <em>‘deze periode vrijwel geheel wordt benut en er geen ruimte is om vertragingen op te vangen.’</em> Eind 2018 verbood de rechter een staking bij PostNL tegen de hoge werkdruk en lage lonen, omdat de bezorging van <em>‘met het oog op de feestdagen gekochte cadeaus en verstuurde kaarten […] met de acties van FNV in het gedrang’ kwam. Oók speelde mee dat de bezorging ‘medische hulpmiddelen en medische correspondentie omvat[te] en dat die bezorging geen uitstel kan dulden.’</em> Een laatste voorbeeld van de toepassing van het <em>‘maatschappelijke noodzakelijkheidsoordeel’</em>, is de aangezegde staking in een lopend cao-conflict bij autofabrikant VDL NedCar, die in 2019 beroep aantekende. De rechter oordeelde dat een beperking van het stakingsrecht geoorloofd was omdat <em>‘er een concreet en reëel risico is dat BMW [de enige klant van VDL NedCar op dat moment] om die reden zal beslissen om haar productie bij VDL Nedcar na 2022 en 2023 niet te continueren.’</em></p>
<p>Wat opvalt aan deze voorbeelden is dat wat als <em>‘maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk’</em> wordt gezien, gelijk staat aan het bedrijfsproces zo min mogelijk verstoren. Staken mag, maar alleen als de zomervakantie voorbij is en alle kerstkaarten bezorgd zijn. Rechters gaan eraan voorbij dat het hinderen van dat bedrijfsproces, en de economische schade die dit veroorzaakt, juist de kern en het doel van staken zijn. Het is niet toevallig dat er in het ESH geen verbod staat op het veroorzaken van economische schade en ongemak.</p>
<p>Er zijn drie redenen waarom Nederlandse rechters de neiging hebben om de belangen van werkgevers voorrang te geven boven die van werknemers. De eerste is al genoemd: rechters zijn ervoor opgeleid om <em>‘schade te beperken’</em> en dat staat haaks op de gedachte achter het recht op staken, waarbij een immanente machtsongelijkheid wordt rechtgetrokken door een zekere vorm van dwang én schade toe te laten.</p>
<p>Een tweede reden is dat het idee dat werknemers gedeelde belangen hebben, niet sterk aanwezig is in Nederland. Werknemers spelen een kleine rol in <em>‘het verhaal van Nederland’</em>. Er wordt veel gepraat over ondernemers, de ‘<em>BV Nederland’</em>, en meer abstracte begrippen zoals ‘<em>werkgelegenheid’</em>, ‘<em>de flexibele schil’</em> en <em>‘koopkracht’</em>. Maar over werknemers hoor je vrij weinig. Het idee dat werknemers mensen zijn zoals jij en ik, dat we met meer dan 8 miljoen zijn en dat we met z’n allen belang hebben bij een goed en stabiel loon en redelijke werkuren, is niet echt onderdeel van onze collectieve identiteit. Er wordt weinig gestaakt in vergelijking met andere Europese landen, ook als we de huidige stakingsgolf meetellen. En als er dan een keer gestaakt wordt, dan gaat een groot deel van de publieke aandacht naar de overlast die wordt veroorzaakt. We lezen over treinen die niet rijden, lege schappen, stinkend huisvuil en miljoenen euro schade. Maar we horen nauwelijks over de réden van de staking: dat de werkdruk zo hoog is dat mensen ziek worden van hun werk, dat ze niet genoeg verdienen om rond te komen. Die aandacht is best begrijpelijk, want het is onhandig om op een leeg perron te staan, maar het laat ook goed zien dat wij gewend zijn vooral het belang van de consument en de werkgever in ogenschouw te nemen. </p>
<p>De derde en laatste reden dat het recht om te staken in Nederland in het geding is, is dat de economie steeds meer wordt gezien als een aparte sfeer waar democratische processen geen onderdeel van horen uit te maken. Sinds de jaren 1980 is het economisch beleid en denken sterk gericht geweest op deregulering van de arbeidsmarkt, privatisering van staatsbedrijven en het vergroten van de wereldwijde kapitaalmobiliteit. Dit heeft er onder andere voor gezorgd dat de democratische mogelijkheden om in te grijpen in economische processen, zijn verminderd. Sterker nog: het idee dat het normaal is om de vrijheid van bedrijven in te perken ten gunste van de belangen van anderen – burgers, werknemers, consumenten, de natuur – is weggezakt. De opvatting dat werknemers niet alleen plichten hebben – goed en integer werk leveren bijvoorbeeld – maar ook rechten – op een behoorlijke levensstandaard, sociale voorzieningen en zeggenschap – is nauwelijks meer deel van het maatschappelijk debat. </p>
<p>Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat collectieve acties, zoals stakingen, haast excessief lijken. Terwijl staken juist laat zien dat werknemers deelnemen aan de samenleving en zich actief inzetten voor hun werk, maar wel op basis van rechtvaardige omstandigheden. Het recht op staken en democratie zijn innig met elkaar verbonden: staken is niet alleen een bevochten onderdeel van een democratische samenleving, zoals we in ESH lezen, maar het versterkt de democratische samenleving ook. Staken laat zien dat mensen zich kunnen en willen verenigen, en dat ze optimistisch zijn over hun mogelijkheden om de wereld vorm te geven.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p><u>Aanpak werkdruk en tekorten aan arbeid</u></p>
<p>Om de tekorten op de arbeidsmarkt op te lossen investeren we in de eerste plaats extra in het beroepsonderwijs, en moderniseren en faciliteren het lerend werken en stages. We zorgen voorts dat het aanbod aan beroepsopleidingen beter afgestemd wordt op de vraag van werkgevers. We zorgen dat er veel meer opleidingsgeld naar de laag opgeleiden gaat.</p>
<p>Wij sluiten aan bij de inzet van de vakbeweging tijdens Rutte II voor herverdeling van werk door te kiezen voor een verplichte collectieve arbeidstijdverkorting door invoering van de 32-urige werkweek. Tot en met anderhalf modaal wordt daarbij het huidig inkomen gegarandeerd.</p>
<p>En we vergroten het zorgverlof naar tien dagen kraamverlof en vier maanden ouderschapsverlof voor beide partners, overeenkomstig het voorstel van de Europese Commissie, en wel volledig doorbetaald en volgens het Noorse model: iedere partner heeft een individueel recht en als één van die partners zijn of haar verlof niet opneemt vervallen bij die partners vakantiedagen.</p>
<p>De collectieve arbeidsverkorting vergroot enerzijds de vraag naar arbeid en dus de tekorten, maar zal anderzijds ook de bereidheid en mogelijkheden voor vrouwen om meer voltijds (dus: 32 uur per week) te werken vergroten, zeker in combinatie met de uitbreiding en modernisering van het zorgverlof. Dit pakket zal veel beter werken dan voltijdsbonussen. Het pakket maakt vrouwen financieel veel meer zelfstandiger, o.m. doordat ze veel meer aanvullend pensioen zullen opbouwen en bij verlies van partner meer zelfstandig inkomen zullen hebben, zonder dat er dwang of drang opgelegd wordt.</p>
<p>De overheid moet veel gerichter sturen welke arbeid we <em>wel</em> willen: duurzaam en sociaal: publieke banen in de zorg, onderwijs, welzijn, kinderopvang, veiligheid en uitvoeringsorganisaties; banen in de duurzaamheidstransities en in de woningbouwopgave; banen in bedrijvigheid die bijdragen aan onze brede welvaart, zoals in de kenniseconomie; en welke arbeid we <em>niet</em> willen: lage lonenarbeid, ongezond werk, banen in energie-intensieve, biodiversiteit bedreigende en/of vervuilende bedrijvigheid.</p>
<p>We zetten in op bedrijvigheid met hoogwaardige arbeid en maatschappelijk ondernemerschap als norm. De economie moet opereren binnen harde ecologische en sociale grenzen. We dwingen dat nationaal af met wetgeving.</p>
<p>Dat betekent eveneens een einde aan economische groei als doel, en een transitie naar kwalitatieve groei, in termen van brede welzijnsgroei. Het betekent ook een einde aan sectoren als de glastuinbouw, de intensieve veeteelt, kunstmestfabrieken en wellicht ook staalproductie in ons land. En aan de rol als doorvoerland, met weinig toegevoegde waarde en veel vervuiling en overlast. De distributieknooppunten als de Rotterdamse haven en Schiphol moeten niet meer inzetten op groei, maar op een kwalitatieve, duurzame transitie, met enkel duurzaam transport en daarin een voorlopersrol spelen. We stoppen met het ruim baan geven aan de distributiecentra, de enorme blokkendozen die nu steeds meer ons landschap ontsieren en alleen kunnen bestaan met op arbeidsmigratie en uitbuiting gebaseerde lage lonenarbeid. In plaats daarvan zetten we in op een kenniseconomie, duurzame productie en duurzame bestedingen. Uiteraard doen we de transitie zorgvuldig: werknemers krijgen een werkgarantie met alle hulp die nodig is voor de overstap.</p>
<p>Bedrijvigheid die strategisch belangrijk is in de EU moet ook door de overheid worden opgezet en/of gefaciliteerd. Denk dan aan wapenindustrie, geavanceerde chipproductie, de winning van zeldzame metalen en de productie van duurzame vervangers daarvoor, maar ook bijv. de productie en ontwikkeling van medicijnen, vaccinaties, beschermingsmaterialen en medische apparatuur. Uiteraard geldt er dan dat de overheid ook zeggenschap heeft, ook over de winst, de investeringen, het bestuur, etc. In tijden van oorlog, zelfs als je niet rechtstreeks in de oorlogsvoering betrokken bent zoals nu in de illegale oorlog van de Russische Federatie tegen Oekraïne, kan dat nog meer. De overheid kan dan daartoe ook bedrijven nationaliseren op grond van speciale wetgeving.</p>
<p>Het eerder genoemde loonoffensief, de verbetering van de rechtspositie van werkenden en de verlaging van de lasten op arbeid, de forse verlaging van de marginale druk (waardoor meer bruto inkomen niet grotendeels wegvalt door hogere belastingen en minder fiscale toeslagen) voor grote groepen werkenden, alsmede de gratis en betere kinderopvang, helpen natuurlijk ook zeer om de ongewenste arbeidstekorten te beperken. Arbeid wordt voor zowel werkenden als voor werkgevers lonender. Ook de verbetering van de arbeidsbemiddeling, de regelingen voor mensen met een arbeidsbeperking, de extra preventie van ziekte en arbeidsongeschiktheid en het leerrechtensysteem helpen uiteraard ook.</p>
<p>Bij het beginsel Migratie Als Een Kans stellen we maatregelen voor die gerichte arbeidsmigratie bevorderen bij tekortberoepen, en de inburgering naar werk van erkende vluchtelingen sneller en beter moeten doen verlopen.</p>
<p><u>Meer werk in de publieke sector</u></p>
<p>Om de huidige tekorten aan kwaliteit van dienstverlening in de publieke sector te verbeteren zijn ca. 300.000 extra publieke banen nodig. Hiervoor – bij het beginsel Een Zeker Inkomen – is al een fors hogere beloning voorgesteld in de publieke sector. Daarnaast investeren we in minder werkdruk en meer eigen professionele autonomie.</p>
<p>In het onderwijs verminderen we de werkdruk en realiseren meer aandacht per leerling. Met kleinere klassen (bijvoorbeeld: gemiddeld 23 leerlingen, in achterstandswijken gemiddeld 12 leerlingen). En met meer onderwijsassistenten (per klas tenminste één), meer vakleerkrachten (bijv. voor bewegings- en voor cultuuronderwijs) en iedere school krijgt tenminste een schoolconciërge. En er komt meer specialistische begeleiding in kader van passend onderwijs.</p>
<p>In de zorg moeten we de norm voor huisartsen verlagen, bijvoorbeeld van 2300 naar 1800 cliënten, en hun meer assistenten geven, er komen tenminste 70.000 extra professionals in de verpleeghuiszorg, en 100.000 extra (wijk)verplegers, thuiszorgmedewerkers (incl. huishoudelijke hulp), activiteitenbegeleiders en medewerkers in de dagopvang bij. En er komen extra banen voor maatschappelijk werkers, behandelaars en begeleiders in de jeugdzorg, de GGZ en in de forensische zorg, meer professionals in de spoedeisende hulp, meer ambulancemedewerkers en andere zorgprofessionals. Tevens investeren we snel in meer opleiding (ook inservice, werkend leren), betere facilitering ter bevordering van de arbeidsparticipatie en in tijdelijke arbeidsmigratie. Daarmee verlagen we de werkdruk, zorgen we voor meer banen en betere beloning, en verbeteren we de kwaliteit van zorg. </p>
<p>De veiligheidssector zit verstopt. De rechtsstaat en de toegang tot het recht komen steeds meer in het geding. De hele rechtsketen dreigt door tekorten verstopt te raken. Extra banen moeten deze tekorten opheffen. We verbeteren de veiligheid, de toegang tot het recht en de werking van de rechtsketen. We zorgen onder meer voor duizenden extra wijkagenten, extra rechercheurs, specialisten op bijv. bestrijding van cybercriminaliteit, meer rechtshulp en rechters, militairen, marechaussees, douaniers, maar ook voor conducteurs, toezichthouders, wijkconciërges, en inspecteurs van toezichthouders (denk aan de Belastingdienst, de Arbeidsinspectie, de Privacy-waakhond, de Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspectie voor milieu en van landbouw, Omgevingsdiensten, etc.).</p>
<p>Ook zijn er extra banen nodig in de publieke uitvoeringsdiensten (o.m. Belastingdienst, UWV, SVB, DUO, CBR, COA, IND, Rijkswaterstaat, Werkwinkels, etc.), de welzijnssector, bibliotheken, het openbaar vervoer, publieke energiebedrijven en netbeheerders, etc.</p>
<p>De overheid is de grootste directe en indirecte werkgever en moet in de bedrijfsvoering ook de werkgelegenheidsdoelstelling weer zwaar laten meetellen, vooral ook waar het gaat om laaggeschoold werk. Denk aan conciërges, conducteurs, klassenassistenten, huishoudelijke hulp, burger/klantcontacten, buurtwachten, brugwachters, vuurtorenwachters, etc. In de publieke sector moeten we de waarde van werk ook breder bezien dan alleen bedrijfsmatig. Indachtig het motto van de sociale New Yorkse bakkerij Greyston: ‘<em>we don’t hire people to bake brownies, we bake brownies to hire people’</em>. Arbeid als de voornaamste waarde. En de overheid als ‘<em>employer of last resort’.</em><a href="#_ftn26" name="_ftnref26">[26]</a> We moeten de schoonmakers, de hoveniers voor het openbare groen, de beveiliging, het caterings- en kantinepersoneel weer zelf in dienst nemen, loketten heropenen en uitbreiden, conducteurs en wijk- en schoolconciërges weer in dienst nemen. Waar de administratie en andere ondersteuning nodig en nuttig is, kan baansplitsing plaatsvinden, waarbij deze taken door lager geschoolden worden overgenomen. In de banenplannen voor de publieke sector worden aparte doelstellingen en instrumenten opgenomen voor laaggeschoolde arbeid.</p>
<p>Ook sommige privatiseringen, zoals bij het openbaar vervoer, de nutsbedrijven en de post, pakken slecht uit voor laaggeschoolden. Het arbeidsintensieve karakter van deze sectoren en de concurrentiestrijd geven nu een voortdurende prikkel tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden. En dus tot het gevaar van een volgende race naar de bodem, zoals we die ook in de thuiszorg hebben gezien. Bij de toekomst van dit soort sectoren moeten de banen en goede arbeidsvoorwaarden, samen met de kwaliteit voor de cliënten centraal worden gesteld door daar de regels op toe te spitsen.</p>
<p>Aparte aandacht is nodig voor werkgelegenheid voor onderhoud en beheer bij de overheid. Dat is sterk verwaarloosd. We investeren daarom hier extra in, o.m. met veel extra banen. Het gaat daarbij niet alleen om infrastructuur als wegen, rails, bruggen, tunnels, dijken en waterkeringen, maar zeker ook om ICT. De kennis en ervaring op dit terrein bij overheden zijn in ons land bijna geheel weg geprivatiseerd. We richten een nieuw, sterk, toonaangevend ICT-expertcentrum voor de publieke sector en voor vitale publieke belangen op. Dat ook gericht is op versterking van de beveiliging en van de privacy van burgers. Met het introduceren van digitalisering is beheer en onderhoud vaak een ondergeschoven kind. Het gevolg is zelf-repeterende fouten, ergerlijke missers in informatiesystemen en beveiligingslekken, die enorme schade kunnen aanrichten waardoor de in eerste instantie geboekte efficiency winst, wordt omgezet in dikke verliezen. Als het gaat om ICT is het grondig uitvoeren van testen geen raketwetenschap, maar een zaak van een arbeidsintensief nagaan van de processen en de beoogde resultaten daarvan. We gaan investeren in veel banen voor beheer, onderhoud en testen van ICT in de publieke sector en hoge eisen stellen aan de werking ervan in gereguleerde sectoren, zoals de financiële sector.</p>
<p>En we stellen een Uitvoeringskamer in, dat onafhankelijk en openbaar adviseert en onderzoek doet vooraf en tijdens de uitvoering van grote projecten en van onderhoud en beheer door overheden. Het wordt een pendant van de Algemene Rekenkamer, met gelijksoortige positionering en bevoegdheden.</p>
<p>We gaan voorts behoud van werkgelegenheid als verplichtende voorwaarde koppelen aan grote overheidsinvesteringen, waaronder de duurzaamheidstransities (energie/klimaattransitie, circulaire economie en herstel van biodiversiteit en natuur). Mensen die hun baan verliezen ten gevolge van die transities worden met een speciaal transitiefonds geholpen naar nieuwe banen.</p>
<p><u>Robotiseringsbeleid</u></p>
<p>De overheid moet ook investeren in een ambitieuze robotagenda waarin een mensgericht technologieontwerp centraal moet staan, samen met bedrijven door technologieontwikkelaars en kennisinstituten, naast scholing en opleiding, centraal moet staan. Robotisering moet gericht zijn op veranderingen van werk, niet op verlies van werk. We gaan de gewenste ontwikkelingen en toepassingen subsidiëren.</p>
<p><u>Extra aandacht voor werk voor laaggeschoolden</u></p>
<p>We geven extra aandacht aan banen voor laaggeschoolden, met o.m. baansplitsing en fiscale dienstencheques (zoals in België). Een dienstencheque is een waardebon waarmee particulieren op een belastingvriendelijke manier huishoudelijke diensten kunnen kopen. Ze hebben tot doel laaggeschoolden werk te laten doen dat daarvoor vaak zwart werd gedaan.</p>
<p><u>Een recht op een publieke basisbaan</u></p>
<p>Iedere publieke instelling en non-profitorganisatie kan bij nieuwe, publieke, regionale werkwinkels basisbanen voor Rijksbekostiging aanmelden. De enige toetsing is of ze geen bestaande betaalde arbeid verdringen. Er is genoeg werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, en noem maar op. Zo leggen we ook een vloer in de arbeidsmarkt. Anders dan bij de oude Melkertbanen is doorstroming naar een andere baan geen doel – basisbanen zijn echte banen. Er is niets mis met gesubsidieerd werk. Deze basisbanen worden met regie van de werkzoekende op maat gemaakt, zo nodig met ondersteuning als werkplekaanpassing, jobcoaching, etc. Al deze basisbanen krijgen een vast contract, tenminste minimumloon, loondoorbetaling bij ziekte en opbouw aanvullend pensioen – alles op kosten van het Rijk, en dus niet meer op kosten van gemeenten. De werkwinkels bemiddelen ook voor de vervulling van de basisbanen. Daarbij ontbreekt iedere dwang en drang, de werkzoekende kiest en beslist daar zelf over.</p>
<p>De kritiekpunten op de huidige basisbanen (weinig interesse bij private werkgevers, teveel plichten en regels, geen volwaardig werk, te weinig financiering, slechte rechtspositie met te laag loon, geen pensioen en geen vast werk, verdringing van bestaande betaalde arbeid) worden met deze uitwerking weggenomen.</p>
<p><u>Werk, mee kunnen doen en inkomen voor mensen met een beperking</u></p>
<p>De sociale werkvoorziening (SW) wordt als ontwikkelingsbedrijven weer opengesteld. Zij helpen mensen waartoe de arbeidsmarkt een afstand heeft om hetzij in dienst van deze ontwikkelingsbedrijven zelf, of bij andere werkgevers gedetacheerd betaald te werken. Mensen bepalen zelf of en hoe ze gebruik maken van de mogelijkheden van een sociaal ontwikkelingsbedrijf. Iedere arbeidsregio krijgt er één. Ze worden door het Rijk bekostigd en de werkenden (al dan niet gedetacheerd) hebben tenminste het minimumloon en een cao-loon, een vast contract, opbouw aanvullend pensioen, recht op begeleiding en ontwikkeling, en loondoorbetaling bij ziekte.</p>
<p>De sociale ontwikkelingsbedrijven vormen ook expertcentra voor deze doelgroep bij de regionale werkwinkels die de arbeidsbemiddeling en loopbaanbegeleiding (incl. gezondheidscontroles) uitvoeren. Zij geven advies aan mensen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers. De bestaande regelingen voor garantiebanen en beschut werk vervallen. Het is nu allemaal veel te complex met allemaal aparte voorwaarden en regelingen. Er zijn nu verschillende indicaties en bijbehorende geldstromen die het bemoeilijken om mensen aan het werk te helpen: beschut werk, garantiebanen (werkplekken bij bedrijven voor arbeidsgehandicapten, toegezegd door het bedrijfsleven), recht op job coaching. Allemaal met de beste bedoelingen georganiseerd. Maar als je vastlegt wie in aanmerking komen, sluit je ook mensen uit. Het blijkt alleen maar lastiger te zijn geworden. Beter is: één regeling en dan per individu maatwerk laten organiseren met meer budget- en regelvrijheid voor de uitvoerende, goed opgeleide professional. Inclusief werkgeverschap voor mensen met een beperking wordt de norm.</p>
<p>We voeren een bindend quotum in voor het aantal mensen met een arbeidsbeperking bij de overheid en bedrijven met 25 of meer werknemers. We vervangen loondispensatie<a href="#_ftn27" name="_ftnref27">[27]</a> door één duidelijke loonkostensubsidieregeling, zodat alle werkenden met een beperking hetzelfde functieloon verdienen als hun collega’s zonder beperking. Werkgevers worden goed ondersteund met regelingen als aangepaste werkplekken, de no-riskpolis voor loondoorbetaling bij ziekte en jobcoaching. Werkgevers van mensen met een arbeidsbeperking ontvangen een bonus hiervoor. Ze worden actief benaderd door de werkwinkels/expertcentra om aan het quotum te voldoen en hen daarbij te helpen. In hun jaarverslag moeten werkgevers erover rapporteren. De Inspectie SZW ziet toe op handhaving van het quotum en legt bestuurlijke boetes op bij het niet voldoen daaraan. We stellen in aanbestedingen door overheden en publiek bekostigde instellingen een norm voor <em>social return on investment</em> verplicht.</p>
<p>Om de participatiemogelijkheden voor mensen met een beperking echt te vergroten wordt het VN Verdrag voor mensen met een beperking wettelijk afdwingbaar, met een nationale uitvoeringswet die normen vaststelt. Met een recht op schadevergoeding bij overtreding. Daartoe wordt een plan vastgesteld met budget voor investeringen om dit ook voor 2030 mogelijk te maken. Alle openbare ruimten en gebouwen, woningen, horeca, winkels, het openbaar vervoer, informatievoorziening<a href="#_ftn28" name="_ftnref28">[28]</a>, verkiezingen, etc. moet voor mensen met een beperking wettelijk verplicht maximaal toegankelijk worden gemaakt.  Het zorgvervoer heeft daartoe ook een structureel hoger budget nodig. Waar mogelijk worden trainingen verzorgd om mensen zoveel mogelijk zelfstandig te laten reizen.</p>
<p><u>Werkgeverslasten beter richten op meer werk</u></p>
<p>We gaan werkgeverslasten verlagen en prikkels invoeren voor meer werk. Dat doen we door de franchise (vaste korting per werknemer) in de grondslag voor werkgeverslasten te verhogen zodat bedrijven met meer werknemers een relatief voordeel genieten ten opzichte van kapitaalintensieve bedrijven, en dat nog meer te doen voor laaggeschoold werk. Volgens de directeur van werkgeversorganisatie AWVN is het mogelijk om hiermee zelfs 250.000 banen te creëren aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Denk aan computerhulp aan huis, de piccolo terug in hotels, baliefuncties in de zakelijke dienstverlening.</p>
<p>De Ziektewet (loondoorbetaling bij ziekte) gaan we voor het kleinbedrijf voor het eerste half jaar een collectieve verzekering van maken.</p>
<p>We voeren premiedifferentiatie in de WW-premies in, waarbij werkgevers die grote aantallen werknemers de WW insturen meer premie betalen. Dat levert structurele werkgelegenheid op, zonder extra lasten voor de overheid.</p>
<p>De financiële verantwoordelijkheid voor het eerste halfjaar van de WW leggen we volledig bij werkgevers in het midden- en grootbedrijf. Daarmee wordt de structurele werkgelegenheid ook vergroot, terwijl daarbij het saldo voor de overheidsfinanciën positief uitvalt.</p>
<p>In beide gevallen worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers. Ontslaan wordt kostbaarder en dus ontmoedigd.</p>
<p>Het ontslagrecht wordt niet versoepeld, maar juist versterkt door te borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand. Rechters moeten een hogere, niet-wettelijk beperkte ontslagvergoeding toe kunnen kennen wanneer ze het arbeidscontract ontbinden op basis van wettelijke ontslaggronden. Concurrentiebedingen moeten voorts zwaarder gemotiveerd gaan worden om rechtsgeldig te zijn.</p>
<p><u>Vast en zeker werk, zonder uitbuiting</u></p>
<p>Voor zzp-ers voeren we een wettelijk minimumtarief in van 45 euro per uur (drie maal het wettelijk minimumloon), waarbij de huidige fiscale zelfstandigenaftrek vervalt (waarom zou de belastingbetaler goedkope tarieven moeten blijven financieren?) en de opdrachtgever de verplicht te stellen pensioenpremie moet betalen bovenop het tarief. Dat maakt schijnzelfstandigheid voor opdrachtgevers een stuk minder lucratief en beschermt werkenden tegen schijnconstructies en de daarmee verbonden inkomensonzekerheid (geen minimumloon, geen loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, geen ontslagbescherming). Met het Zekerheidsinkomen is geen verplichte invoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering op het niveau van het sociaal minimum, zoals voorzien in het Pensioenakkoord, meer nodig.</p>
<p>We gaan flexwerk – conform de voorstellen van de cie. Borstlap – beperken tot uitzendwerk (alle andere contractvormen worden verboden, waaronder nul-urencontracten en payrolling) en wordt uitzendwerk wettelijk beperkt tot tijdelijk (maximaal zes maanden) werk voor opvang van piek en ziek (nu is bijna al het werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt flexwerk). De beloning en het pensioen mag daarbij nooit lager zijn dan bij degenen die soortgelijk werk uitvoeren met een regulier arbeidscontract. De uitzonderingen voor seizoensarbeid vervallen. Uitzendwerk maken we ook duurder dan nu en daardoor minder aantrekkelijk dan vast werk door hogere werkgeverspremies, loondoorbetalingsplicht bij ziekte (de huidige regeling waarbij uitzendkrachten de eerste tweede dagen ziekte geen loon krijgen vervalt) en verplichte opbouw aanvullend pensioen. Het doorlenen van uitzendkrachten wordt verboden. Zo regelen we dat bedrijfsrisico’s (geen orders, leegstand, onderbezetting) niet meer afgewenteld worden op deze werknemers.</p>
<p>Door middel van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi, artikel 12, lid 1) gaan we vooruitlopend op nieuwe wetgeving werkgevers direct al gaan verplichten ten minste 85 % van de werknemers rechtstreeks in dienst te nemen. Door deze maatregel kunnen werkgevers niet langer misbruik maken van de A1 payrolling route om sociale zekerheidskosten te omzeilen. Bovendien zullen werknemers beter beschermd worden, te kampen krijgen met minder ongevallen (zoals nu al het geval is bij werknemers vast in dienst) en niet langer als speelbal worden gebruikt tussen inlener en uitzender. Hiermee volgen we het voorbeeld van Duitsland met de vleessector en Spanje met de bouw. Voor bedrijven die vasthouden aan flex als verdienmodel is geen toekomst meer.</p>
<p>Daarenboven pakken we malafide uitzendbureaus met een vergunnings- en waarborgsoplicht (tenminste 100.000 euro, strafbaarstelling van bestuurders bij illegale praktijen. De vergunning moet jaarlijks worden vernieuwd en door een publieke dienst onder SZW verleend worden, met verzwaarde vergunningseisen voor risicosectoren. Op deze manier kan de overheid veel meer controle voeren op wie toegang krijgt tot de uitzendmarkt en actief malafide uitzenders weren. De voornemens van het kabinet voor een certificeringsplicht, waarbij uitzenders een certificaat krijgen door private uitvoerders, gaan niet ver genoeg. Ook in Europa creëren we normen voor uitzendbureaus, zodat enkel fatsoenlijke uitzendbureaus nog op de interne markt kunnen opereren. Hiervoor herzien we de Europese uitzendrichtlijn.</p>
<p>Tijdelijke reguliere arbeidscontracten mogen niet meer driemaal maar slechts tweemaal voor maximaal 2 jaar verlengd worden, waarna 5 jaar een verbod geldt, teneinde werkgevers te dwingen tot een vast contract als er sprake is van structureel werk. De huidige onderbrekingsmogelijkheid vervalt.</p>
<p>Er komen beperkingen aan het beschikbaar moeten zijn bij arbeidscontracten en er komen voorschriften over minimum termijn voor oproep te gaan werken als er geen vaste werkdagen zijn.</p>
<p>Ruim 2,5 miljoen werkenden gaan door al deze maatregelen er fors op vooruit in inkomen en bestaanszekerheid.</p>
<p>Alle werkenden krijgen ook een <em>Eerlijk Werk Ombudsman</em>, een publiek loket waar op een laagdrempelige wijze inzicht in rechten verkregen kan worden en ondersteuning geleverd kan worden bij het effectueren van rechten, en die ook optreedt als door het niet naleven van afspraken een publiek belang wordt getroffen. Daaronder valt ook het bestrijden van de nog altijd omvangrijke discriminatie op de arbeidsmarkt.</p>
<p>We voeren snel de uitvoering van de adviezen van de commissie Roemer tegen uitbuiting van arbeidsmigranten in. Dit betreft:</p>
<ul>
<li>alle arbeidsmigranten moeten geregistreerd staan in de Basis Registratie Personen (BRP). De werkgever wordt hiervoor verantwoordelijk en aansprakelijk;</li>
<li>arbeidsmigranten moeten zelfstandige huisvesting hebben;</li>
<li>er komt een verbod op de combinatie van werkgever en huurbaas;</li>
<li>er wordt streng gehandhaafd op hygiëne en gezondheidsregels, ook bij het vervoer;</li>
<li>werkgevers en uitzendbureaus mogen niet meer tussen de zorgverzekeraar en de verzekerde arbeidsmigrant zitten en de zorgpas moet in bezit zijn van de arbeidsmigrant. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst loopt de verzekering nog door zolang de arbeidsmigrant nog in ons land verblijft;</li>
<li>werkgevers en opdrachtgevers worden aansprakelijk voor goede naleving van alle voorschriften;</li>
<li>en er komen zowel landelijke als gemeentelijke informatieloketten voor arbeidsmigranten in hun eigen taal.</li>
</ul>
<p>Voor degenen die zich hier permanent vestigen, geldt dat minimale taalkennis en deelname aan de Nederlandse samenleving essentieel is voor het welzijn van arbeidsmigranten, de veiligheid op de werkvloer en sociale cohesie in Nederland. We willen daarom dat gedegen taalonderwijs ter beschikking wordt gesteld aan arbeidsmigranten die langer blijven. Aangezien werkgevers ook de vruchten plukken van arbeidsmigratie, moeten zij in het kader van goed werkgeverschap worden verplicht om deze taallessen te faciliteren tijdens werktijd. Ook moet er aandacht zijn voor kinderen van arbeidsmigranten. Zo kan extra aandacht voor de taalontwikkeling op school bijdragen aan het voorkomen van taalachterstanden die kunnen volgen bij het verhuizen naar een ander land.</p>
<p>Gemeenten moeten grip krijgen op huisvesting. We voeren een aparte vergunningplicht voor verhuur aan arbeidsmigranten, naar het voorbeeld van vergunningen voor verhuur aan studenten. Dit willen we regelen in de Wet goed verhuurderschap. Hierdoor krijgen gemeenten meer mogelijkheden om eisen te stellen aan huisvesting en om verhuurders te weren. Ook moeten gemeenten meer inzicht krijgen in waar arbeidsmigranten wonen, zodat zij beter kunnen handhaven. Werkgevers worden medeverantwoordelijk gemaakt voor de inschrijving van arbeidsmigranten in de Registratie Niet-Ingezetenen (voor korter dan vier maanden verblijf) en de Basisregistratie Personen (BRP). Als de arbeidsmigrant niet staat ingeschreven, volgt er een boete voor de werkgever en wordt er toeristenbelasting geheven. Registratie is op basis van het woonadres in Nederland en verhuizingen moeten gemeld worden, zodat de lokale overheid goed zicht houdt op wie er in hun gemeenten wonen. Bij inschrijving in het BRP dienen gemeenten de arbeidsmigranten te wijzen op hun rechten en plichten in Nederland, waaronder de leerplicht voor kinderen tot 16 jaar.</p>
<p>Verder moet bij het toelaten van nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding ook worden gekeken naar de impact van huisvesting bij andere gemeenten. Te vaak worden de lusten door de ene gemeente genoten en worden de lasten door de andere gedragen. Er komt een <em>impact assessment</em>, waarbij inspraak mogelijk is van omliggende gemeenten.</p>
<p>Het volstaat niet om alleen op betere huurcontracten in te zetten. Waar het rapport van Roemer het nalaat, moeten we de kern van dit verdienmodel aanpakken zodat het niet meer lucratief is om werkenden op deze manier uit te buiten. Het is voor uitzenders voordelig om huisbaas te zijn, omdat ze de kosten voor huisvesting mogen inhouden op het loon en hierdoor minder belasting betalen. Ze verdienen hier vaak meer aan dan via het tewerkstellen van mensen. Op dit moment mag nog 25% van minimumloon worden ingehouden om huisvestingskosten mee te betalen (artikel 13 wet minimumloon). In de Europese richtlijn voor toereikende minimumlonen staat opgenomen dat inhoudingen voor huisvestingskosten discriminatoir en illegitiem zijn. Die moeten we dan ook verbieden en handhaven. Als de inhouding niet meer mogelijk is, dan is het voor de werkgever ook niet meer aantrekkelijk om huisbaas te zijn. Die combinatie gaan we ook verbieden.</p>
<p>Er moet een Europees sociale zekerheidsnummer worden ingevoerd, zodat direct gecontroleerd kan worden waar iemand sociaal verzekerd is en of de werkgever überhaupt wel premies afdraagt. Je moet sociale premies betalen in het land waar door de werknemer feitelijk gewerkt wordt.</p>
<p>We maken een einde aan fiscale of andere subsidies om werknemers naar Nederland te halen. We schaffen de expatregeling af. Ook de ET-regeling<a href="#_ftn29" name="_ftnref29">[29]</a> die een (oneigenlijk) kostenvoordeel oplevert voor werkgevers die buitenlandse werknemers in dienst nemen schaffen we af. Werkgevers mogen verschillen in premies en fiscale regelingen nooit misbruiken als verdienmodel ten koste van bescherming van werkenden. Zo gaan we sociale dumping tegen.</p>
<p>Sectoren die afhankelijk zijn van lage lonen en/of laag betaalde arbeidsmigranten faciliteren we niet meer. We moeten veel scherper zijn in wat voor soort bedrijvigheid we hier willen, niet alleen vanuit ecologisch duurzaam perspectief, maar ook vanuit sociale rechtvaardigheid.</p>
<p>De Arbeidsinspectie luidde vorig jaar (2022) de noodklok. Arbeidsmigranten worden in groten getale uitgebuit. Tegelijkertijd is de Arbeidsinspectie in Nederland tandeloos. Ondanks de wijdverspreide misstanden heeft in 2019 nog maar 4% van de meldingen bij de Arbeidsinspectie geleid tot een onderzoek. Dat het ook anders kan laat België zien. Daar werden tussen 2016 en 2021 ruim 950 opsporingsonderzoeken gestart naar arbeidsuitbuiting, tegenover 79 in Nederland. De boetes die nu worden opgelegd zijn een lachertje. Daarom moeten op overtredingen van arbeidswetten afschrikwekkende boetes, stilleggingen, dwangsommen en bestuurs- of beroepsverboden komen te staan. In navolging van België moet arbeidsuitbuiting daarnaast zelfstandig strafbaar worden gemaakt, waardoor daders ook via het strafrecht kunnen worden berecht.</p>
<p>Ook moeten sectoren waar in het verleden veel misstanden hebben plaatsgevonden onder verscherpt toezicht worden geplaatst. Dit geldt bijvoorbeeld voor distributiecentra, waar in 2022 bleek dat vier op de vijf distributiecentra veiligheids- en gezondheidsregels hebben overtreden. Maar ook voor slachthuizen, waar malafide uitzendbureaus knokploegen hebben ingeschakeld en mensen worden gestraft voor het laten staan van de afwas.</p>
<p>We moeten dichter op de praktijk staan en eerder inspringen, door de toegang voor vakbonden tot de werkvloer te garanderen en internationaal sterker samen te werken, bijvoorbeeld door signalen te delen en gezamenlijke inspecties uit te voeren. De aangekondigde uitbreiding van de toezicht capaciteit in de uitzendbranche is een goede eerste stap, maar onvoldoende in het licht van de uitdagingen waar we voor staan. Daarom willen we dat de Arbeidsinspectie wordt uitgebreid met 180 extra Fte’s, een verdubbeling van het voornemen van het kabinet. Daarnaast kiezen we voor een integrale aanpak handhaving op lokaal niveau, waarbij bevoegdheden van de arbeidsinspectie, belastingdienst, FIOD, gemeente en politie geclusterd worden zodat bij misstanden bij een bedrijf of in een woning ook daadwerkelijk effectief kan worden ingegrepen.</p>
<p><u>Stakingsrecht en positie vakbonden versterken</u></p>
<p>We gaan het stakingsrecht wettelijk goed regelen (het veroorzaken van schade mag niet meer leiden tot beperkingen; het beperken van het stakingsrecht mag alleen bij maatschappelijk cruciale sectoren in geval daardoor essentiële maatschappelijke functies zeer in het gedrang komen – denk aan defensie, politie, noodzakelijke zorgverlening) en de vakbondsfaciliteiten uitbreiden. Deze worden in de wet limitatief opgenomen.</p>
<p>Vakbonden moeten te allen tijde toegang hebben tot werknemers op de bedrijven en instellingen.</p>
<p>In het onderwijs krijgen alle jongeren goede voorlichting over het belang van vakbonden.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134451992"></a><strong>4.  </strong><strong>Economische Zeggenschap</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>In de democratisch-socialistische samenleving die we nastreven is de economie gedemocratiseerd en dus de macht van het bedrijfsleven en hun aandeelhouders en die van andere grote vermogensbezitters beperkt.</p>
<p>Handelsverdragen, de Europese Unie en het monetaire stelsel zijn dienstbaar gemaakt aan sociale en ecologische bescherming. In plaats van groei en winstmaximalisatie op de korte termijn staat bevordering van het brede welzijnsbegrip op de langere termijn centraal.</p>
<p>Bedrijven en instellingen zijn steeds meer als coöperatie van werkenden georganiseerd, waarbij de eenzijdige macht van aandeelhouders gebroken is.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>De meerderheid van bedrijven is omgevormd tot werknemerscoöperatie zonder aandeelhouders van buiten het bedrijf. Werknemers delen standaard mee in de winst, onder meer met meer zeggenschap.</p>
<p>Internationale verdragen bevorderen brede welzijn, ook in de internationale verhoudingen, in plaats van eenzijdig vrijhandel.</p>
<p>Bedrijven in ons land houden zich verplicht aan hoge normen van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ons land is gidsland op dit terrein.</p>
<p>In de door de overheid (grotendeels) gefinancierde sectoren is marktwerking geheel uitgebannen en verboden.</p>
<p>In de resterende marktsectoren is de markt streng gereguleerd met door de overheid ingestelde onafhankelijke marktmeesters, die het publiek belang en dat van de burger en consument centraal stelt. Het voorkomen en bestrijden van economische machtsconcentratie en van manipulatie van consumenten met onjuiste of onbetrouwbare informatie en de bescherming van de privacy van burgers is effectief gereguleerd en wordt streng gehandhaafd.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p>De Amerikaanse econoom en oud-minister (onder Clinton) Robert Reich schreef al in 2008 dat we in de fase van <em>‘superkapitalisme’</em> leven in zijn gelijknamige bestseller. Aandeelhouderswaarde is allesoverheersend geworden. De analyse van de Amerikaanse econoom sluit aan bij die van de Britse econome Noreena Hertz. In haar boek <em>De stille overname</em>. <em>De globalisering en het einde van de democratie</em> zette ze aan het begin van deze eeuw uiteen hoe de opkomst van de vrije markt heeft uitgewerkt: de macht van het bedrijfsleven heeft de democratie uitgehold. We moeten dus de macht van het bedrijfsleven, dat volgens Reich per definitie amoreel is, en hun aandeelhouders, beknotten, de economie democratiseren en de rijkdom herverdelen. Dat moet de overheid doen, die daartoe democratisch gelegitimeerd is. Via wetgeving en belastingheffing kan dat ook effectief, en we moeten ons daarbij niet laten gijzelen door de open grenzen en globalisering, in een <em>race to the bottom</em>. En dat vraagt dus ook een andere Europese Unie, andere handelsverdragen en een nieuw Bretton Woods (monetair stelsel).</p>
<p>Dat vraagt ook een andere economie, zoveel mogelijk coöperatief georganiseerd, met hoogwaardige arbeid, dat in kader van de brede welzijnsdoelstelling – en dus niet alleen het korte termijn aandeelhoudersbelang – echte toegevoegde waarde biedt.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p>We stimuleren arbeiderszelfbestuur in werkcoöperaties met een hogere franchise (vrijstelling) voor werkgeverslasten en een collectieve regeling voor loondoorbetaling bij ziekte.</p>
<p>We verplichten bedrijven tot vermogensaanwasdeling in de vorm van niet verhandelbare aandelen die zeggenschap geven in de onderneming, bijv. met verplichte kapitaaldeelnamefondsen per onderneming.</p>
<p>De regelgeving voor maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt tegelijkertijd versterkt. Bedrijven worden wettelijk verplicht om misstanden zoals alle vormen van kinderarbeid, moderne slavernij, andere mensenrechtenschendingen en alle milieu- en klimaatschade aan te pakken. Bedrijven moeten hun productieketens in kaart brengen en mogelijke misstanden. Mochten er misstanden worden gevonden, dan dient een bedrijf deze aan te pakken en in sommige gevallen ook te herstellen. Een onafhankelijke toezichthouder moet toezien op de naleving van de wet. Bij bewuste ontduiking van deze regels zijn ook bestuurders van ondernemingen aansprakelijk. Ondernemingen moeten in hun publiek jaarverslag verplichte onderdelen opnemen over hun sociaal en duurzaamheidsbeleid.</p>
<p>Marktwerking wordt uitgesloten in publiek belangrijke sectoren, zoals onderwijs, kinderopvang, zorg, welzijnswerk, schuldhulpverlening, bewindvoering, deurwaarders, kredietregistratie, veiligheid, rechtspraak, arbeidsvoorziening, sociale zekerheid, energieproductie en -distributie, openbaar vervoer, drinkwatervoorziening en waterbeheer, natuurbeheer, sociale woningbouw, e.d. Deze sectoren zijn c.q. worden exclusief terrein voor de publieke sector, waarbij winstdoelstellingen en -uitkeringen verboden zijn, en coöperaties de verplichte organisatievorm, iedereen in loondienst is met in beginsel een vast contract, aanbestedingen uitgesloten dus verboden zijn (we werken in plaats daarvan met duurzame subsidierelaties) en de publieke belangen en die van cliënten met regelgeving en subsidievoorwaarden worden beschermd. De Autoriteit Consument en Markt is in deze sectoren niet meer bevoegd. Bij disfunctioneren kan de bevoegde overheid aanwijzingen geven en/of onder curatele stellen.</p>
<p>Waar er wel marktwerking blijft, moet het marktmeesterschap van de overheid versterkt worden, vooral uit oogpunt van consumentenbelangen. Monopolies, kartelvorming, prijsafspraken zijn al verboden maar kennen nog teveel geitenpaadjes, maar ook moet de aansprakelijkheid van ondernemingen en hun bestuurders versterkt worden in geval van onjuiste claims over hun producten of dienstverlening, evenals de positie van consumenten om hun recht te halen bij het in gebreke blijven van bedrijven. We versterken de capaciteit en de instrumenten van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en geven tegelijkertijd de opdracht dit veel strenger en intensiever te handhaven. Burgers kunnen klachten gaan deponeren bij de ACM en deze moet in het openbaar rekenschap geven van wat daarmee gebeurt.</p>
<p>Reclame wordt aan strenge regels gebonden en verbannen in de publieke omroep, in het onderwijs en in het openbaar vervoer. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) krijgt opdracht boetes te geven voor reclames die misleidend zijn en/of hun claims niet kunnen bewijzen. Daarvoor komt ook een meldpunt bij de ACM. In navolging van tabak komt er ook een verbod op reclame voor ongezonde producten, waaronder met teveel suiker.</p>
<p>Reclame en productinformatie moet betrouwbaar zijn, met aansprakelijkheid van de producent als dat niet zo is, en productaansprakelijkheid moet veel minder eenvoudig als nu uitgesloten kunnen worden. Dat geldt des te meer voor digitale aanbieders. We zetten ons in om de misstanden die nu wekelijks bij consumentenprogramma’s te zien zijn aan te pakken met extra regelgeving en handhaving. Met scherpe en intensieve inspecties en hoge, effectieve boetes.</p>
<p>We maken vijandige overnames moeilijker door werknemers een blokkerende stem te geven bij alle overnames en fusies, door een wachttijd in te voeren en door financiering door eigen vermogen te eisen. Nu worden overnames vaak gefinancierd via schuld, en dat is slecht voor het bedrijf en voor de economie als geheel. De investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn. Dit wordt vooraf getoetst. Excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen wordt wettelijk beperkt.</p>
<p>We beperken het patentrecht in duur en ook waar het algemeen belang teveel in het geding is, zoals nu bij de farmaceutische industrie en bij internetbedrijven als zoekmachines, sociale media en softwarebedrijven.</p>
<p>We verbeteren de huurbescherming van zelfstandige winkeliers en de rechtspositie van franchisenemers, en we passen de mededingingswetgeving aan, zodat de macht van grote inkopers tegenover kleine zelfstandigen wordt ingeperkt. Bij overheidsopdrachten garanderen we dat kleine ondernemers dezelfde kansen krijgen als grote bedrijven.</p>
<p>Handelsverdragen en de Europese Unie worden hervormd opdat vrijhandel effectief beperkt wordt door kaders van onder meer mensen- en arbeidersrechten, eerlijke ontwikkeling van arme landen en ecologische grenzen. Het begrotingspact in de EU wordt daartoe ook hervormd, waarbij sociale (mate van ongelijkheid binnen en tussen lidstaten, en van onvrijwillige werkloosheid, gezonde levensverwachting, dakloosheid, sociale bescherming, etc.) en ecologische (uitstoot broeikasgassen, biodiversiteit, vervuiling, dierenwelzijn en preventie tegen andere bedreigingen van gezondheid) doelen nevengeschikt zijn aan begrotingsdoelen en onderwerp zijn van transparante belangenafweging in de politiek. Dit wordt opgenomen in een nieuw EU verdrag, dat ook eigen belastingheffing mogelijk maakt, ook een sociale pijler kent en geen vetorecht meer kent.</p>
<p>De privacy van burgers moet veel beter worden beschermd en het internet moet meer worden gereguleerd. Overheden en publieke instellingen moeten zelf controle houden over hun databestanden. Er komt wettelijk gegarandeerde zeggenschap en transparantie over de koppeling van databestanden in publieke sectoren. Het medisch beroepsgeheim wordt niet aangetast. We draaien het mogelijk maken van het verkopen van je data door je bank terug. Burgers krijgen zeggenschap en controle over wat er met hun data gebeurt en er komen strenge wettelijke voorwaarden voor het omgaan met deze data. Bij het gebruik van algoritmes en databestanden wordt transparantie wettelijk verplicht. Stigmatiserend gebruik van algoritmes, bijv. bij het bestrijden van fraude, wordt verboden. Algoritmes mogen niet leiden tot uitsluiting op de arbeidsmarkt of verzekeringen.</p>
<p>We ondersteunen de ontwikkeling van een <em>‘publiek internet’</em>, met waardengedreven publieke en non-profit platforms, waardoor informatie en communicatie, en daarmee datastromen, niet langer via commerciële platforms hoeft te gaan. Zo bevorderen we een divers en pluriform internet met verschillende typen spelers. We gaan de digitale infrastructuur veel steviger reguleren. Dit geldt des te meer in het geval platformbedrijven nutsfuncties vervullen. De huidige kaders voor wetgeving en regulering lopen achter bij de alledaagse realiteit van algoritmische lock-ins, ongebreidelde verknopingen van datastromen, vervagende grenzen tussen de private infrastructuur en gebruikersvoorwaarden met een onduidelijke status. Het dwingend en niet transparant goedkeuren van delen van je data en surfgedrag op websites wordt verboden. Zelfregulatie is evident onvoldoende gebleken.</p>
<p>We verbieden de handel in persoonsgegevens (met inbegrip van gepersonaliseerde reclame), biometrische massasurveillance, <em>social scoring </em> en de ongerichte onderschepping van telecommunicatie.</p>
<p>Platformbedrijven moeten voor hun diensten voldoen aan dezelfde eisen als hun concurrenten: cao-naleving (Picnic), verbod op schijnzelfstandigheid (Deliveroo, Uber), beroepsvoorschriften (Uber) en belastingvoorschriften als btw en toeristenbelasting (AirBNB).</p>
<p>We voeren naar Frans voorbeeld een aparte belasting in op digitale diensten (Digitaks) en voeren wetgeving in om monopolyposities (zoals Google bij zoekmachines en Facebook bij sociale media) te breken. Dat kan o.m. met interoperabiliteit, het verbieden van koppelingen (zoals die nu door de Europese Commissie is verboden tussen het besturingssysteem Windows en de zoekmachine Internet Explorer), en door te verbieden dat toegang tot platforms of data uniek is – zoals nu Facebook bepaalt welk aanbod van andere partijen is toegestaan. Dataportabiliteit maakt het gebruikers mogelijk een alternatief voor Facebook te kiezen zonder gegevens te verliezen en dus zonder virtuele vrienden te verliezen.</p>
<p>We nemen maatregelen om jongeren beter te beschermen tegen potentieel beschadigende content en verslavend internetgedrag, en om burgers te misleiden met ‘<em>fakenews’</em> – dat moet wel zeer transparant en controleerbaar gebeuren, onafhankelijk van de overheid – en bewuste manipulatie van de democratie. <strong><br /></strong></p>
<h2><a name="_Toc134451993"></a><strong>5.  </strong><strong>Getemde en Gecontroleerde Financiële Industrie</strong></h2>
<p><strong><em> </em></strong></p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>De financiële industrie en het geldstelsel staat ten dienste van de burgers. Ze zijn geen bedreiging voor de stabiliteit van de economie.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>De financiële sector is veel kleiner geworden. Speculatie en afwenteling van risico’s op de belastingbetaler kan niet meer plaatsvinden.</p>
<p>Schulden bij huishoudens en het kleinbedrijf zijn sterk teruggebracht en als regel niet meer risicovol of onbeheersbaar. Met preventie, vooral ook door veel meer risico bij kredietverschaffers zelf, en snelle hulpverlening plus sociale incasso, en een eenmalig schuldenpardon is er geen schuldencrisis meer bij huishoudens.</p>
<p>Schuldfinanciering met leningen is ook voor bedrijven onaantrekkelijk geworden.</p>
<p>Handel in schulden van huishoudens is verboden.</p>
<p>Het bankenstelsel is hervormd in een stelsel van kleine banken, met ook coöperatieve banken en een staatsbank, waarin het belang van de burger (klant) centraal staat. Zakenbanken zijn geheel gescheiden van normale banken.</p>
<p>Geldcreatie vindt gecontroleerd plaats, waarbij het algemeen belang centraal staat.</p>
<p>Verzekeraars en andere partijen in de financiële industrie zijn streng gereguleerd, met het oog op bescherming van het algemeen belang en dat van hun klanten.</p>
<p><strong><em>Analyse </em></strong></p>
<p>De financiële industrie is nu in ons land veel te groot met grote risico’s. De financiële sector is in ons land vier maal zo groot als ons nationaal inkomen, nergens ter wereld is die verhouding zo uit balans. Dat geeft enorme risico’s – voor huishoudens die gebruik maken van hun diensten; voor de nutsfuncties in het betalingsverkeer die banken uitvoeren; en voor de belastingbetalers die net als in 2008-2012 weer zou moeten bijpassen als het mislukt. Het faciliteert ook op grote schaal belastingontwijking, het zo desastreus uitpakkende superkapitalisme en zelfs criminele organisaties met witwassen en belasting ontduiken.</p>
<p>Ooit kreeg de historicus van ons heden, Adam Tooze, de vraag voorgelegd hoe hij uit de diarree van tekens die het heden produceert de veelzeggende pareltjes wist te halen. Zijn antwoord luidde: let op de radicale uitspraken die komen uit de keurige, welbespraakte monden van leden van het establishment. Als voorbeeld gaf Tooze rapporten van de in en in keurige Bazelse Bank voor Internationale Betalingen die bij monde van huiseconoom Hyun Song Shin na de crisis van 2008 lieten weten dat een financiële sector die meer dan drie procent van het bruto binnenlands product (bbp) beslaat de economische groei van dat land belemmert. Dat komt doordat er dan stomweg te veel parasieten zijn die alleen maar leegzuigen in plaats van bijdragen. Als je dan bedenkt dat voor 2008 de bijdrage van de financiële sector in landen als Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk tussen de zeven en tien procent bedroeg, en in landen als Ierland en Luxemburg een onwaarschijnlijke vijftien tot twintig procent, weet je dat dit opruiende taal is.</p>
<p>In plaats van de focus te richten op reductie van overheidsschulden moeten we die richten op reductie van private schulden, voor een duurzame, stabiele economische groei. De wereld is in wezen een systeem van met elkaar verbonden balansen. Van banken, van burgers, van bedrijven. Het bezit van de een is het krediet van de ander, en zo bestaat een complex systeem van communicerende financiële vaten, groot en klein. Het krediet groeit en is nu wereldwijd 250 procent van het bbp. Van afbouw van leningen en van het verkleinen van de hefboom is sinds Lehman geen enkele sprake. Integendeel. De langdurig lage rentes zorgen ervoor dat er geld wordt geleend voor projecten of activiteiten die bij een hogere rente helemaal niet zouden zijn gestart. Het is dan ook zeer de vraag of het nieuwe bezit dat tegenover al dat extra krediet staat, in dat grote systeem van communicerende balansen, van goede kwaliteit is en van goede kwaliteit blijft. Als wereldwijd de productiviteitsstijging geen gelijke pas houdt met de groei van het krediet, dan gaat dat fout.</p>
<p>Niet alleen  huishoudens, ook de niet-financiële bedrijven hebben met 137% van het bruto binnenlands product (bbp) een forse schuld. Dat hoeft niet ernstig te zijn als die schuld wordt aangewend voor investeringen die op termijn rendabel zijn en daardoor bijdragen aan de reële economische groei. Een probleem is dat steeds meer leningen worden afgesloten waarbij bedrijven min of meer fungeren als financiële instellingen. Ze lenen of geven aandelen uit om andere bedrijven op te kopen en weer van de hand te doen als ze die met winst kunnen worden verkocht. Een bekend verschijnsel is de investeringsmaatschappij die investeert in andere bedrijven door aandelen of certificaten van aandelen op te kopen.</p>
<p>Een extreem voorbeeld daarvan is de <em>private equity</em>, vaak een activistisch beleggingsfonds dat in feite speculeert in het opkopen van bedrijven, deze reorganiseert en onderdelen daarvan met winst doorverkoopt of met een schuldenlast verzelfstandigt. Een nieuw verschijnsel is een <em>spac</em> (special purpose acquisition company), een lege vennootschap die op de effectenbeurs aandelen uitgeeft om bedrijven over te nemen. We zien hier een verschijnsel dat vooral dient om louter door middel van geld meer winst te creëren zonder dat het bijdraagt aan de reële economie; dus niet gericht op het leveren van goederen en diensten. Het handelen in waardepapieren zonder relatie met de reële economie, leidt weliswaar tot een groter bbp, maar kan een groot gevaar opleveren voor de maatschappij omdat ze tot een economische crisis kan leiden, groter dan de recente bankencrisis. We moeten dit soort bedrijven veel strenger reguleren. Het lange termijnperspectief van bedrijven wordt ondermijnd door excessen van private equity-partijen en door activistische aandeelhouders. Die jagen bedrijven op om onderdelen af te stoten of onderdelen te verkopen zonder oog voor de belangen van werknemers of klanten. Gezonde bedrijven gaan daardoor op termijn kapot.</p>
<p>We moeten de uitwassen van dit Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme bestrijden: de investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn; excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen moeten onmogelijk worden gemaakt; de invloed van werknemers moet worden vergroot; en de kosten en het verdienmodel van private equity-partijen moeten transparant worden.</p>
<p>Problemen bij een kleine Amerikaanse bank met nog geen één procent marktaandeel zorgden begin 2023 voor een prompte bezwering van de Amerikaanse president Biden dat het spaargeld van alle Amerikanen veilig is, en door de overheid gegarandeerd zou worden. De Zwitserse regering heeft intussen het failliete Credit Suisse laten overnemen door UBS, waarbij de overheid garant staat voor astronomische bedragen. En voor zover de EU dacht dat zij ontzien zou worden, was daar vlak daarna onrust rond Deutsche Bank. Wie houdt wie voor de gek? De financiële crisis van 2008 ligt toch achter ons? We hadden met nieuwe regelgeving banken toch veiliger gemaakt? Ja, er kwamen heel veel regels, maar wat de insiders al lang wisten: het fundament blijft fragiel. Wat ook nog steeds geldt: (hoge) winsten worden op veel plaatsen privaat geïncasseerd, maar verliezen worden naar de schatkist doorgeschoven. Garanties houden het systeem overeind. Daarmee is de gijzeling van de publieke sector door banken, ondanks plechtige beloften na de financiële crisis van 2008, nog onverminderd van kracht. Toezichthouders en beleidsmakers durven falende instellingen niet failliet te laten gaan uit angst voor de repercussies.</p>
<p>In 2008 hadden we ook geleerd dat het niet verstandig is om voor essentiële publieke infrastructuur, zoals het betalingsverkeer, afhankelijk te zijn van de financiële gezondheid van commerciële partijen. De parlementaire enquête financieel stelsel – de commissie-De Wit – had het nog wel zo mooi opgeschreven. Die les krijgen we weer in maart 2023. Op korte termijn lijken we geen grote bancaire problemen in Nederland te moeten verwachten. Het is aannemelijk dat de EU zaken beter heeft geregeld; toezicht en regelgeving zijn scherp.</p>
<p>Maar er is ook geen reden om rustig te gaan slapen. Een simpel voorbeeld: banken worden grotendeels gefinancierd met direct opvraagbaar geld – ons spaargeld, ook wel deposito’s genoemd. Maar in de digitale wereld van vandaag met apps op onze smartphone kan iedereen zonder enige vertraging zijn geld verplaatsen. Een gerucht volstaat om een ‘<em>bankrun</em>’ te veroorzaken, waarbij deposito’s (spaargelden) collectief worden weggehaald en de bank klem komt te zitten. De snelheid waarmee dit kan, en kan uitwaaieren over het gehele bancaire landschap, heeft met de informatietechnologierevolutie ongekende vormen aangenomen. Het in de hand houden hiervan lijkt onmogelijk, ondanks het bestaan van garanties die spaarders rust zouden moeten geven. Dit probleem is niet opgelost met strenger toezicht en bijtende regulering, terwijl die wel direct raakt aan de manoeuvreerruimte voor banken zelf.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p>Hypotheken hebben veruit het grootste aandeel in de private kredieten in ons land, en bij de beginselen Eerlijk (Herver)Delen en Een Fijn Huis doen we voorstellen om deze sterk te beperken. Ook bij andere kredieten dan hypotheken vergroten we het risico van de kredietverlener, opdat deze voorzichtiger wordt en onverantwoorde kredieten en daaruit volgende problematische schulden worden voorkomen.</p>
<p>Zo moeten we de Faillissementswet wijzigen opdat bij faillissement van natuurlijke personen geen beslag meer gelegd kan worden op toekomstig inkomen en kan er op meer goederen geen beslag meer gelegd worden voor verkoop – met een uitzondering in geval van kennelijk misbruik en met mogelijkheid voor verplichte budgethulpverlening in geval dat anders herhaling dreigt.</p>
<p>Kredieten aan personen die al geregistreerd staan (in het publiek te maken) BKR worden wettelijk nietig verklaard, en de zorgplicht van kredietverstrekkers kan niet meer overgaan op incassobureaus.</p>
<p>We verbieden ook de commerciële handel in schulden, beperken de rente en incassokosten fors, maken gerechtsdeurwaarders weer publieke instanties zonder winst en nevenactiviteiten, reguleren dat schuldenaren altijd maar één deurwaarder kunnen hebben met regio-gebonden deurwaarders, reguleren incassobureaus met vergunningen en waarborgsommen, alsmede aansprakelijkheid en strafbaarstelling van hun bestuurders bij overtreding.</p>
<p>We moeten schuldhulpverlening (incl. bewindvoering) volledig publiek maken: schuldhulpverlening mag niet meer uitbesteed worden aan commerciële partijen, en bewindvoerders komen verplicht in dienst bij gemeenten. Er komt een kwaliteitssysteem met verplichte certificaten voor bewindvoerders en schuldhulpverleners.</p>
<p>We beperken schulden bij overheden door één centraal Rijks incassotraject (incl. het CJIB), met één incassobeleid voor alle overheden, met een hogere beslagvrije voet en met afwijking ten gunste van schuldenaar wanneer menselijke maat dat vergt; en een maatregel waardoor uitkeringen, toeslagen en andere verstrekkingen worden op een gelijk tijdstip uitbetaald.</p>
<p>Ter preventie van problematische schulden bij huishoudens verhogen we de leeftijdsgrens voor het aangaan van een krediet van 18 naar 21 jaar, komt er structureel meer financiële scholing in onderwijs, organiseren we meer aanbod van financiële coaching bij (opnieuw) gaan werken en zorgen we voor meer regulering en verbod van krediet- en gokreclame. Ook verbieden we achteraf betalen en in termijnen betalen zonder krediettoetsing.</p>
<p>In iedere gemeente komt er verplicht een publiek, onafhankelijk Geldloket voor onafhankelijk, gratis financieel advies en formulierenhulp.</p>
<p>Er komt verplichte, uitgebreide gemeentelijke vroegsignalering en hulpaanbod bij betaalachterstanden vaste lasten en bij risicovolle levensevents (arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, scheiding, overlijden partner e.d.) en er komt automatische wettelijke kwijtschelding van lokale lasten bij inkomen op of onder 130% van het sociaal minimum (incl. waterschappen, rioollasten en afvalstoffenheffing) en bij toekenning van schuldhulpverlening.</p>
<p>We integreren de nu opeenvolgende systemen van minnelijke en rechterlijke schuldsanering in één nieuw systeem van gemeentelijke schuldhulpverlening en schuldsanering.</p>
<p>Gemeenten krijgen daarin de bevoegdheid om alle maatregelen te nemen die nu ook kunnen bij de rechter, met beroepsmogelijkheid  voor schuldenaar en schuldeisers bij de rechter (zonder schorsende werking).</p>
<p>Er komt een wettelijk toegangsrecht tot schuldhulpverlening van schuldenaren met risicovolle/problematische schulden met wettelijke, korte beslistermijnen.</p>
<p>Bij toelating schuldhulpverlening komt er direct een schuldenmoratorium (= bevriezing van schuld, dus geen verhoging meer door rente en kosten) en een verbod op huisuitzetting, op stopzetting levering energie en water, op beëindiging zorgverzekering en beëindiging van telefoon/internetlevering.</p>
<p>Er komt ook een recht op onafhankelijke, gratis juridische, financiële en sociale bijstand voor de schuldenaar met wettelijk een goede rechtsbescherming met bezwaar en beroep.</p>
<p>Binnen een korte termijn moet er door de gemeente een individueel (op maat) gemaakt schuldhulpverleningsplan opgesteld worden, niet alleen zoals nu gericht op het oplossen van de schulden voor schuldeisers maar óók op nieuw perspectief voor een duurzaam schuldenvrij bestaan van de schuldenaar.</p>
<p>Een nationaal schuldenfonds maakt het opkopen van schulden mogelijk. Budgetbeheer of bewindvoering kan door de gemeente worden opgelegd en in eigen beheer worden uitgevoerd (verbod op uitbesteding. Bij schuldsanering is er altijd bewindvoering.</p>
<p>De beslagvrije voet wordt fors verhoogd tot 100% van het sociaal minimum – dat is niet voor niets gedefinieerd als het sociaal minimum. Inwonende kinderen – ongeacht de leeftijd – hoeven niet meer bij te dragen.</p>
<p>We halveren de maximum schuldsaneringstermijn naar 1,5 jaar, met ieder half jaar een maand schuldenaflospauze. Deze termijn kan worden verlengd bij niet nakoming verplichtingen schuldenaar (in plaats van beëindiging, daar schiet niemand wat mee op). Na afloop van de schuldsaneringstermijn vervalt net als nu restschuld en er komt verplichte nazorg om herhaling te voorkomen. We investeren fors in dit nieuwe systeem bij gemeenten.</p>
<p>Last but not least komt er een eenmalig schuldenpardon dat alle problematische schulden die op dat moment al tenminste 5 jaar bestaan, bij wet kwijtscheldt.</p>
<p>Met de beperking van hypotheken en kredieten zal ook de financiële sector sterk krimpen. Dat willen we nog verder bevorderen door hogere buffers bij banken te eisen. Banken mogen elke euro op de balans nog altijd 25 keer uitlenen. Dat is veel te riskant. We  gaan de buffers fors verhogen. De gewogen risico-eisen worden eveneens verhoogd. In de risicomodellen van banken moeten harde ondergrenzen aan het kapitaal worden gesteld, de zogenaamde kapitaalvloeren. Daarmee temmen we de ‘<em>Wolf on Wall Street’</em>.</p>
<p>We voeren voorts een verbod in op te risicovolle producten, verplichten tot een harde scheiding tussen nuts- en zakenbankfuncties (aparte spaarbanken).</p>
<p>De huidige bonuswetgeving voor bestuurders en medewerkers van banken wordt verscherpt: een bonus mag niet 20% maar maximaal nog maar 10% van het vaste salaris bevatten en mag niet gerelateerd zijn aan doelstellingen die speculatie bevorderen of anderszins strijdig zijn met het algemeen belang.</p>
<p>We stellen het belang van klanten centraal bij banken met regels over minima aan aantallen kantoren, persoonlijk contact en advies, geldautomaten, gebruik van contant geld, eerlijk sparen, etc.</p>
<p>Het moet eenvoudiger worden om van bank over te stappen. Banken moeten bij overstap van een klant onder meer hetzelfde rekeningnummer blijven gebruiken en automatische incasso’s continueren.</p>
<p>Betaalgegevens zijn van de klant, niet van de bank. Banken beschikken alleen over de gegevens, omdat zij een nutsfunctie hebben: het veilig en goed laten verlopen van het betalingsverkeer. Banken mogen betaalgegevens niet verkopen aan derden. De gedragscode waarin de omgang met betaalgegevens is geregeld wordt aangescherpt, waarbij de bescherming van privacy voorop staat.</p>
<p>Er komt een wettelijke acceptatieplicht voor contant geld in al het betaalverkeer. Contant geld blijft beschikbaar.</p>
<p>Banken dragen nog steeds te weinig bij aan de overheidsfinanciën. Banken betalen geen BTW, daarom verhogen we de bankenbelasting, en die voor zakenbanken extra. Daarnaast voeren we in Europees verband een belasting in op speculatieve transacties met aandelen (Financial Transaction Taks – FTT – of ook wel Tobin-tax genaamd).</p>
<p>De bankenunie moet afgemaakt worden door de invoering van een door banken zelf gefinancierd Europees depositogarantiestelsel (DGS), zodat overheden onder druk van spaarders niet in de verleiding komen falende banken alsnog te redden. Hierbij moet er altijd een mogelijkheid moet zijn klanten van die bedrijven te redden in bepaalde omstandigheden. Met de invoering van een Europees Deposito Garantiestelsel zorgen we ervoor dat de Europese bankenunie naast Europees toezicht en een Europees steunfonds stevig op drie pijlers rust.</p>
<p>Ook de verstrengeling tussen banken en overheden moet verder worden doorbroken. Staatsobligaties moeten een eerlijkere weging krijgen in de Europese en internationale financiële regelgeving. Ook wordt het aandeel staatsobligaties op een bankbalans gemaximeerd.</p>
<p>Als we ditmaal, bij de huidige dreigende nieuwe bankencrisis, de les van de vorige financiële crisis serieus nemen, moet er iets veranderen. We zouden moeten toewerken naar een publiek verankerd betaal- en spaarsysteem. Het kunnen aanhouden van een betaalrekening bij de centrale bank (DNB en de ECB) biedt hiertoe een voor de hand liggende mogelijkheid. Onder specialisten is dit onderdeel van de discussie over <em>central bank digital currencies</em> (CBDC). In essentie is dit een digitaal alternatief voor contant geld (bankbiljetten en munten). Een dergelijke bankrekening biedt een veilige omgeving voor sparen en betalen en een anker voor het financiële systeem. De uitwerking van deze optie kan op verschillende manieren plaatsvinden. De logistieke en procesmatige kant van de bankrekeningen kan worden ondergebracht bij een aparte organisatie waarbij de middelen te allen tijde veilig geparkeerd zijn bij de centrale bank. Overigens zijn er complementaire alternatieven, van een ‘<em>veilige’</em> Rijkspostspaarbank 2.0 tot fondsen die louter in korte termijn liquide overheidspapier mogen beleggen.</p>
<p>Hoe we het ook inrichten, er komt dan een systeem voor betalen en sparen dat beschikbaar is in goede en slechte tijden. En banken komen dan in de gezonde positie dat ze niet op steun en garanties kunnen vertrouwen. Ze zullen zich robuuster moeten gaan financieren om serieus genomen te worden (met dus veel minder direct opvraagbaar geld en met meer lang lopende obligaties en eigen vermogen). Regeringen kunnen altijd nog besluiten dat een bank in de problemen het waard is om te redden. Maar dat is dan een weloverwogen besluit en geen afgedwongen garantie. Dat is beter voor het vertrouwen in de politiek en de publieke zaak, en uiteindelijk ook voor de economie en de banken zelf.</p>
<p>We sturen aan op meer kleine banken, die met nutsfuncties moeten coöperatief zijn opgezet, naast één staatsbank, die niet op winst maar op het publiek belang en dat van hun cliënten gericht zijn. Voor bedrijven richten we een aparte staatsbank op, die leningen verstrekt die voor deze bedrijven de noodzakelijke transities mogelijk maken.</p>
<p>Als ondanks deze systeemwijzigingen een bank gered moet worden, wentelen we dat niet meer af op huishoudens die belasting betalen. Allereerst worden aandeelhouders en bestuurders aangesproken. De leiding moet dan plaatsmaken. Bij wanbeleid volgt vervolging, we schikken niet meer. Er een extra bankenbelasting voor een fonds om redding te financieren. De garantiestelling voor tegoeden bij commerciële banken wordt niet verruimd.</p>
<p>Het is nodig de rol van banken en van de overheid bij geldcreatie aan de orde te stellen en het gebruik van digitale geldmiddelen als bitcoins te verbieden. Geldschepping moet de samenleving dienen: daarom een goede democratische controle op geldschepping, het voorkomen van financiële zeepbellen en het creëren van ruimte voor publieke bestedingen. We stimuleren dat geld in de productieve economie terechtkomt en ontmoedigen speculatie.</p>
<p>Sommige verzekeraars verkeren in zwaar weer. Er mogen geen dividenden worden uitgekeerd door verzekeraars als buffers onder druk staan. De Nederlandsche Bank moet hierop toezicht houden. Collectieve schadeafhandeling is slecht geregeld in Nederland. Woekerpolishouders en derivatenbezitters blijven te lang met ellende zitten. Er moet een juridische mogelijkheid komen om sneller tot collectieve oplossingen te komen.</p>
<p>De accountants hebben bewezen zichzelf niet te kunnen reguleren. We voeren regels en verscherpt toezicht in om te waarborgen dat de controle op rechtmatigheid en op een getrouw beeld geven op juiste wijze plaatsvindt. Accountants moeten een ondoorlaatbare muur hebben tussen accountantswerkzaamheden en advieswerkzaamheden.</p>
<p>Fiscalisten, accountants en vermogensbeheerders ontspringen nog te vaak de dans bij belastingontduiking. In de praktijk worden deze mensen dan zelden strafrechtelijk vervolgd, terwijl hier wel mogelijkheden voor bestaan. Dat moet anders, omdat dit de mensen zijn die de ingewikkelde constructies bedenken om de fiscus om de tuin te leiden. We moeten de mogelijkheden verruimen om de adviseurs te vervolgen die meewerken aan belastingontduiking en agressieve belastingontwijking.</p>
<p>(Semi-)overheidsinstellingen moeten ook minder speelruimte krijgen op financieel terrein met een verplichte, externe toets op investeringen en contracten. De BNG wordt voor de publieke sector de verplichte bankier.</p>
<p> </p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134451994"></a><strong>6.  </strong><strong>Solidaire Volkshuisvesting</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>De overheid zorgt voor goede, betaalbare volkshuisvesting en zorgt dat ongelijkheid door woningbezit sterk wordt verminderd.</p>
<p>Woningbezit bevorderen we niet door bevorderen van schulden, maar door bevorderen van sparen, gericht op mensen met lagere en middeninkomens, niet op bezitsvermeerdering van hen die toch al het meeste bezitten.</p>
<p>Huurders worden goed beschermd, dakloosheid en leegstand effectief voorkomen. Het algemeen belang weegt zwaarder dan de eigendomsrechten van woningbezitters en verhuurders.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>Nederland kent weer een brede sociale woningsector, die ook voor middeninkomens toegankelijk is, en die niet meer wordt belast, maar gesubsidieerd. Lage en middeninkomens worden met individuele huursubsidie geholpen tot maximale huurquota – een maximum percentage van het netto inkomen dat aan huurlasten wordt besteed. Alle huren zijn gereguleerd, met een eerlijker en moderner puntenstelsel. De huur(verhoging) is alleen gerelateerd aan de gehuurde kwaliteit, niet meer aan het inkomen van de huurder.</p>
<p>De huurbescherming is versterkt, flexhuur is verboden.</p>
<p>De woningnood is opgelost, en de woningkwaliteit – inclusief verduurzaming en fysieke toegankelijkheid in een vergrijzende samenleving  – is hoog en beantwoordt de vraag naar type woningen. Er is geen langdurige leegstand meer, noch langdurige braakligging van voor woningbouw benodigde gronden. Dakloosheid is nagenoeg uitgebannen.</p>
<p>Woningbezit is niet meer een verdienmodel. De fiscale regels voor huurders en woningbezitters werken denivellerend. Marktwerking is in de vrije huursector sterk gereguleerd met het oog op het algemeen belang en dat van huurders. Woningbezit wordt niet meer voor hogere inkomens, en niet meer via schulden maar via sparen bevorderd.</p>
<p>Volkshuisvesting is weer een belangrijke overheidstaak geworden, met sterke instrumenten voor de verschillende overheden.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p><u>Woningnood en de aanval op de sociale huursector</u></p>
<p>Onder Rutte II werd de collectieve Volkshuisvesting enthousiast afgebroken door de toenmalige minister van Wonen, de VVD-er Stef Blok. Volgens hem had hij deze ministerpost overbodig gemaakt, ‘<em>de woningmarkt is af, de marktwerking kan verder zijn werk doen’</em>. De afbraak van de Volkshuisvesting is bij uitstek een neoliberaal project, en gelukkig is – anders dan bij de zorg – wel een kanteling te zien nu Rutte IV zegt wel weer terug te willen naar Volkshuisvesting en ook concrete stappen daartoe neemt, al is het glas nog lang niet halfvol. Al toen Blok zijn uitspraak deed stegen de wachtlijsten voor sociale huurwoningen, en hadden steeds meer mensen, vooral jongeren, geen kans meer op een huur- én koophuis, en moest men langer bij ouders blijven wonen. En ook toen al waren er honderdduizenden woningen tekort en tegelijk staan er tienduizenden woningen leeg. Blok lardeerde zijn uitspraak met de analyse dat de woningmarkt steeds beter functioneert, daarom is een minister niet meer nodig. Met die woningmarkt bedoelt hij dat de huizenprijzen stijgen, de huren stijgen, en er meer verhuisd wordt. Maar in een woningmarkt kun je niet wonen. Dezelfde denkfout maakte onlangs <em>De Nederlandsche Bank (DNB)</em> toen zij stelde dat betere huurbescherming in de vrije sector de woningmarkt dreigt te verstoren doordat mensen in die vrije sector nu al zo weinig doorstroomden – alsof er voldoende, betaalbare woningen voor hen beschikbaar zouden zijn.</p>
<p>Het aantal sociale huurwoningen van woningcorporaties nam sinds 2009 met 260.000 af, van 2,27 miljoen naar 2,09 miljoen in 2020, door verkoop en door ‘<em>liberalisatie’</em>. Terwijl het aantal mensen dat op zo’n woning is aangewezen in diezelfde periode met enkele honderdduizenden toenam. Dat heeft te maken met inkomensstagnatie, met de zorgpolitiek (langer zelfstandig thuis wonen, minder tehuizen en opvanghuizen voor ouderen, psychiatrisch patiënten, gehandicapten), met de komst van vluchtelingen, met de strengere huizenkoopregels en de vermindering van vaste arbeidscontracten (waardoor mensen met onzeker werk minder snel een hypotheek krijgen).</p>
<p>Niet voor niets is <em>“bevordering van voldoende woongelegenheid voorwerp van zorg der overheid” </em>volgens artikel 22, tweede lid, van de Grondwet. Een fatsoenlijk dak boven je hoofd is een grondrecht. Maar dat grondrecht op betaalbaar wonen staat onder druk. Er heerst enorme woningnood: er is nu een tekort van ruim 300.000 woningen.<a href="#_ftn30" name="_ftnref30">[30]</a> Dat aantal dreigt verder op te lopen. Dertigers wonen bij hun ouders op zolder, gezinnen bivakkeren op campings, gescheiden stellen delen noodgedwongen hetzelfde huis. In tien jaar tijd verdubbelde de dakloosheid.<a href="#_ftn31" name="_ftnref31">[31]</a></p>
<p>En terwijl het aantal sociale huurwoningen daalde, stegen de huren. In korte tijd zijn de huren fors gestegen; in 2020 kregen huurders nog de grootste huurverhoging in zes jaar tijd voor hun kiezen.<a href="#_ftn32" name="_ftnref32">[32]</a> Tussen 2012 en 2015 namen de huren van sociale woningen – gecorrigeerd voor inflatie – toe met gemiddeld veertig euro per maand, oftewel 480 euro per jaar.  In dezelfde drie jaar daalde het netto jaarinkomen van huurders met negenhonderd euro. Sinds 2009 betalen huurders gemiddeld zelfs bijna negenhonderd euro meer huur, bij 2200 euro minder netto inkomen (alle bedragen gecorrigeerd voor inflatie. Inmiddels zijn jongeren en singles vaak meer dan de helft van hun inkomen kwijt aan huren. De woningnood heeft de machtspositie van vastgoedspeculanten, huisjesmelkers en pandjesbazen verder versterkt, ten nadele van hun huurders. Zij proberen zich te verrijken aan de woningnood.</p>
<p>Wie echt weinig geld heeft krijgt een huurtoeslag om de huurprijs te verzachten, maar die huurtoeslag compenseert voor toeslaggerechtigden gemiddeld slechts 35 procent van de huurprijs.</p>
<p>Huishoudens met een gezamenlijk bruto inkomen van 40.000 euro (huishoudens met meer dan 1 persoon 44.000 euro) of meer kunnen sinds begin 2011 niet meer terecht in de sociale huur, en zijn aangewezen op een koopwoning of een huurwoning van een particuliere verhuurder. In veel steden betaal je voor commerciële huurwoningen gauw 1500 euro of meer per maand en koopwoningen zijn onbetaalbaar.</p>
<p>Voor de helderheid: de stijgende huren van de afgelopen jaren zijn niet het gevolg van toenemende kosten van het bouwen of onderhouden van woningen. Die kosten namen tot de huidige crisis juist sterk af: grond werd goedkoper, de rente daalde, bouwkosten daalden. De stijgende huren komen ook niet doordat huurders eindelijk de werkelijke kosten gingen betalen, terwijl ze daarvóór gematst werden door subsidies. Van subsidie op huurwoningen is al dik twintig jaar geen sprake – waarover straks meer. De stijgende huren zijn louter het gevolg van politieke keuzes, van (neoliberaal) beleid.</p>
<p>De hoofdlijn van dit neoliberaal beleid is dat de ‘<em>markt’</em> – dat wil zeggen vastgoedontwikkelaars en beleggers – het werk van woningcorporaties zo veel mogelijk moet overnemen. En dat doen ze alleen als er meer aan te verdienen is, dus moesten de huren omhoog. Bovendien konden hogere huren ook helpen om de koopwoningmarkt, tijdens de kredietcrisis van 2008 nog in katzwijm, uit het slop te trekken. In de zomer van 2011 zinspeelde toenmalig minister Piet Hein Donner er al op in zijn <em>Woonvisie</em>: hoe hoger de huren, hoe aantrekkelijker een koophuis, hoe eerder de huizenprijzen weer zouden stijgen.</p>
<p>Hogere huren zijn echter niet rechtstreeks af te dwingen. Een van de belangrijkste instrumenten die het kabinet daarom inzette om te zorgen voor ‘<em>meer marktconforme’</em> huren is de heffing die verhuurders van sociale huurwoningen sinds 2013 aan de staat moeten betalen, en die pas nu wordt afgeschaft. Die <em>verhuurdersheffing</em>, van 1,7 miljard per jaar, kwam neer op zo’n zevenhonderd euro per sociale huurwoning per jaar. Te verhalen op de huurders – hetzij door de huren te verhogen, hetzij door woningen te verkopen. De heffing gold alleen voor verhuurders van woningen met een maandhuur van minder dan 710 euro (de grens voor de definitie van sociale woningen), voor duurdere huurwoningen geldt de heffing niet. De heffing werd ooit ambtelijk bedacht als tijdelijke belasting voor álle vastgoedeigenaren, als een manier om de staatskas te vullen na het redden van de banken in de financiële crisis. Het werd een permanente heffing voor sociale verhuurders. Per 1 januari 2023 is de heffing eindelijk afgeschaft.</p>
<p>De tweede belangrijke maatregel van het kabinet-Rutte II was het veranderen van het puntenstelsel (officieel ‘<em>woningwaarderingsstelsel’</em>), het systeem waarmee de maximale huurhoogte wordt bepaald. De belangrijkste wijziging was de vervanging van de punten voor de locatie van de woning door punten naarmate de WOZ-waarde van de woning steeg. Dat gaf voor veel woningen veel meer ruimte voor huurverhoging.</p>
<p>Eerder al ging het energiegebruik van de woning meer meetellen. De energiebesparing die een geïsoleerd huis oplevert wordt daardoor voor de huurder per saldo een kostenpost, want gemiddeld mag de huur meer omhoog dan het aan besparing aan energielasten oplevert – nog los van het feit dat energielabels van woningen notoir onbetrouwbaar zijn om de energiezuinigheid van een woning te kwalificeren. Is een woning volgens dit puntenstelsel meer dan (nu) 763 euro huur waard, dan kan de woning worden ‘<em>geliberaliseerd</em>’, de eigenaar is vrij om zelf de huurhoogte vast te stellen zodra de huidige huurder eruit gaat. Ongeveer een miljoen van de sociale huurwoningen kan sinds de puntenverandering geliberaliseerd worden.</p>
<p><em>Per saldo is deze regeerperiode een verschrikking geweest voor huurders en ook een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de sociaal-democratie’</em>, schreef Anita Engbers terecht in 2016 in <em>Socialisme &amp; Democratie</em>, het blad van het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Engbers, voorzitter van de inmiddels uit frustratie gestopte werkgroep huurders van de PVDA, liep zich de vijf jaar daarvoor het vuur uit de sloffen om haar partij duidelijk te maken hoe funest al die maatregelen voor huurders zijn. Als beloning kreeg ze bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 de zestigste plaats van de PvdA-Kamerlijst.</p>
<p>Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) stelde al in 2015 samen met het Nibud vast dat achttien procent van de huurders, een half miljoen huishoudens, te weinig geld overhoudt om in de meest noodzakelijke levensbehoeften te voorzien. Dat aantal is hard gestegen: in 2002 was het nog maar vijf procent en in 2012 dertien. De toename sinds 2012 heeft sterk te maken met de stijgende huren, stelt het PBL vast. Het Nibud en het planbureau baseren zich in hun onderzoek op de algemene noodzakelijke kosten voor levensonderhoud. Zou je daarnaast rekening houden met onvermijdelijke uitgaven die voor een deel van de mensen geldt, zoals voor zorg of voor het afbetalen van oude schulden, dan is het percentage nog een stuk hoger, stelt het Nibud. Inmiddels leeft 28% van de huurders van sociale woningen, 724.000 huishoudens, onder de armoedegrens van het SCP. Eind 2021 hadden 113.000 huishoudens een achterstand bij het betalen van de huur. De koepel van woningcorporaties, Aedes, verwacht dat dit aantal in de huidige inflatie/koopkrachtcrisis snel en veel zal toenemen. Het Nibud meet de betaalbaarheid bewust af aan de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud en niet aan de ‘<em>woonquote’</em> of ‘<em>huurquote’</em>: het percentage van het inkomen dat mensen aan wonen of huur (inclusief energielasten) besteden. Want iemand met een maandinkomen van duizend euro die veertig procent ‘<em>verwoont’</em> houdt te weinig over om van te leven, terwijl iemand met een inkomen van vijfduizend euro die vijftig procent daarvan aan wonen besteedt, toch genoeg overhoudt.</p>
<p>Het zou niet eerlijk zijn de huurpolitiek van de laatste jaren louter op het conto te schrijven van de twee partijen die in Rutte II regeerden. Een groot deel van het parlement steunde de maatregelen. Bovendien werd de lijn – de sociale huur is er alleen voor de laagste inkomens, meer markt, hogere huren – al eerder ingezet. Hoe kon het gebeuren dat juist in een tijd dat de inkomens van veel huurders door de crisis daalden er massaal steun was om de huren te verhogen en middeninkomens de sociale huur uit te jagen?</p>
<p>Om te beginnen zijn huurders slachtoffer geworden van de slechte naam en het slechte gedrag van woningcorporaties. Rechts heeft al heel lang de pest aan corporaties, maar door de schandalen die tussen 2005 en 2012 aan het licht kwamen – Maserati’s als dienstauto, grondspeculatie, derivatenhandel en megalomane projecten – hielden de corporaties geen vrienden meer over. Het resulteerde in een monsterverbond tussen links en rechts. Rechts omdat het altijd al vond dat deze semi-publieke instellingen eigenlijk de markt van commerciële bedrijven afsnoepen, links omdat het tabak had van de woeste avonturen en de zelfverrijking van sommige corporatiedirecteuren. Met name de verhuurdersheffing kan niet los worden gezien van de verdomhoek waar corporaties dankzij hun eigen gedrag – althans het gedrag van sommigen en het gebrek aan correctie bij anderen – in zaten. Alleen moesten de huurders die heffing grotendeels betalen.</p>
<p>De misstappen van corporaties waren een gevolg van de ‘<em>verzelfstandiging’</em> in de jaren negentig, daarover laat het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie in 2014 geen misverstand bestaan. Van oudsher werden corporaties in de gaten gehouden door hun huurders en leden (het waren toen grotendeels verenigingen) en bij tijd en wijle door het parlement. Maar in de jaren negentig, op de golven van de ‘derde weg’ in de sociaal-democratie en de ‘<em>deregulering en marktwerking’</em> van de paarse kabinetten, gebeurde wat in die jaren met veel publieke instellingen gebeurde: ze werden zelf een beetje markt. Woningcorporaties kregen voortaan geen subsidie meer, moesten hun eigen broek ophouden, gingen ‘<em>maatschappelijk ondernemen’</em>. Het gedrag en het beleid van de organisaties werden sterk afhankelijk van de toevallige directeur. Een deel van de 350 corporaties die Nederland rijk is, maakte daar een puinbak van. Sinds de nieuwe Woningwet van 2015 zijn de taken van corporaties sterk ingeperkt en is de controle versterkt. De ondemocratische stichtingsvorm, geprofessionaliseerde bestuurders, enorme schaalvergroting bleven echter. Velen zijn verworden tot niet meer dan ordinaire vastgoedbedrijven, met weinig binding met hun huurders.</p>
<p>In de tweede plaats speelde marktwerking een grote rol bij de huurverhogingen en de marginalisering van de sociale woningsector. De excessen van corporaties leidden ertoe dat zij geen marktje meer mochten spelen. Maar intrigerend genoeg nam het idee dat huisvesting zoveel mogelijk aan de markt moet worden overgelaten in dezelfde periode eerder toe dan af.</p>
<p>Een eeuw lang was er in Nederland weinig discussie over: wonen was gewoon te belangrijk om aan de markt over te laten. ‘<em>Langzamerhand was het bewustzijn levendig geworden dat geen volksbelang meer behartiging verdient dan dat der huisvesting’</em>, zo begint de toelichting op de Woningwet uit 1901. Om te vervolgen met: ‘<em>Dat particulieren in dezen alles zouden kunnen tot stand brengen, daarvan was men reeds geruimen tijd de onmogelijkheid beginnen in te zien.’</em> Het was een liberaal kabinet dat de Woningwet instelde en daarmee landelijk de volkshuisvesting initieerde. Geen armenhuisvesting of arbeidershuisvesting, zoals in sommige andere landen, maar <em>volkshuisvesting</em>: voor iedereen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de corporaties en de gemeentelijke woningbedrijven de motor van de wederopbouw: zorgen voor voldoende en betaalbare huurwoningen zonder er winst op te maken. In de jaren zestig laaide de strijd even op, want kon de markt het langzamerhand niet overnemen? Maar de linkse wind in de jaren zeventig en de kostbare stadsvernieuwing in de jaren zeventig en tachtig, waar woningcorporaties een grote bijdrage aan leverden, deden dat geluid snel weer verstommen.</p>
<p>In de jaren negentig kwam het marktdenken de corporaties binnen, en een decennium later kwamen ook de basiskenmerken van de volkshuisvesting – geen winst maken op huurders, een sociale huursector die er ook voor de middengroepen is – steeds meer ter discussie te staan. Decennialang waren we er met z’n allen juist zo trots op dat we hier nauwelijks huisjesmelkers hadden, trots op onze gemengde wijken. Maar opeens gingen heel veel partijen mee in het idee dat je huisvesting zoveel mogelijk aan de markt moet overlaten. Veelzeggend is de naamgeving van de studierichting. Emeritus hoogleraar Hugo Priemus, in 1970 initiator van de afstudeerrichting volkshuisvesting in Delft: ‘<em>Toen in 2002 de bachelor/masterstructuur werd ingevoerd, dreigde de master real estate te gaan heten. Ik heb hemel en aarde moeten bewegen om er op het nippertje nog real estate and housing van te kunnen maken.’</em></p>
<p>De bewoordingen en accenten in de verkiezingsprogramma’s van 2012 verschilden, maar de tendens bij het gros van de partijen was meer markt in het wonen. De markt moet de prijs bepalen, de overheid compenseert hoogstens de laagste inkomens met huurtoeslag. Wonen heet dan ook geen wonen meer, laat staan volkshuisvesting, het gaat om ‘<em>de woningmarkt’</em>.</p>
<p>Naast het slechte imago van corporaties en de liefde voor de markt was er nog iets heel anders wat de maatregelen tegen de sociale huur aanwakkerde. Je zou het polderpolitiek kunnen noemen, of <em>‘gelijk oversteken’</em>. In de aanloop naar de verkiezingen van 2012 ontstond steeds meer draagvlak om iets aan de hypotheekrenteaftrek te doen. Die aftrek was het neoliberale deel van het parlement en het Centraal Planbureau (CPB) niet zozeer een doorn in het oog omdat het oneerlijk is (hoge inkomens profiteren veel meer dan lage) of veel belastinginkomsten scheelt, maar omdat het ‘<em>marktverstorend’</em> is. Maar dan is de sociale huur ook ‘marktverstorend’: de huren zijn immers lager dan het geval zou zijn als je het vrije spel van vraag en aanbod zijn gang zou laten gaan. Het ei van Columbus was om er een pakketje van te maken: de huren verhogen en de hypotheekrenteaftrek enigszins beperken. Het ‘gelijk oversteken’ werd overigens beslist geen gelijk oversteken, mede door de sterke rentedaling voor koopwoningen. De ‘koopquote’, het percentage van hun netto inkomen dat mensen met een koopwoning kwijt zijn aan hun huis, daalde tussen 2012 en 2015 van 22,2 naar 20,1 procent. De huurquote steeg in diezelfde periode van 23,8 naar 26,7 procent.</p>
<p>Behalve het gelijk oversteken deed ook een ander politiek mechanisme z’n werk, het mechanisme van <em>‘het kan altijd nog erger’</em>. Minister Blok wilde de corporaties eigenlijk dwingen een miljoen woningen te verkopen, zo bleek voorjaar 2013 uit een uitgelekt stuk. Wat hem betrof zouden corporaties alleen nog huurwoningen beheren voor de allerlaagste inkomens (grofweg 22.000 bruto voor alleenstaanden, 30.000 voor meerpersoonshuishoudens, de huurtoeslaggerechtigden). Alle overige woningen, en de huurhoogte daarvan, moesten overgelaten worden aan de vrije krachten van vraag en aanbod. Daarbij vergeleken vielen de uiteindelijke maatregelen mee.</p>
<p>Niet te onderschatten is ook de verandering in de getalsmatige verhouding tussen kopers en huurders. Die verhouding veranderde van veertig procent koop versus zestig procent huur in de jaren tachtig, naar zestig procent koop versus veertig procent huur eind jaren nul. Met alle electorale effecten van dien. Huurders zijn zwaar ondervertegenwoordigd in het kader én kiezers van zowel PvdA als GL. Bovendien bestaat de huurderspopulatie steeds meer uit mensen die minder goed voor zichzelf op kunnen komen, dat is anders dan toen “<em>iedereen</em>” nog huurde.</p>
<p>Huurders worden ook steeds meer verdacht gemaakt. Staatssecretaris Enneüs Heerma (CDA) moest er eind jaren tachtig al niets van hebben: mensen die in een goedkope sociale huurwoning wonen, terwijl ze gezien hun inkomen meer kunnen betalen. De ‘<em>scheefwoners’</em> werden de afgelopen jaren hét argument om geen sociale huurwoningen bij te bouwen of ze zelfs te verkopen. Scheefwoners kregen de schuld van de wachtlijsten: als zij die woningen niet langer bezet hielden, zouden er goedkope woningen zat zijn. In de tijd van Heerma werden scheefwoners vooral verleid, bijvoorbeeld met forse subsidies voor koopwoningen (premie A, B, C), maar de afgelopen jaren kregen huishoudens met een inkomen van meer dan 33.600 euro bruto (2013) een extra huurverhoging (het gemiddelde bruto huishoudinkomen in Nederland is 59.000 euro), de zgn. <em>inkomensafhankelijke huurverhoging</em>. Het gros van de scheefwoners betaalt helemaal niet weinig huur in relatie tot het inkomen, hun aantal neemt ook snel af (overigens vooral door dalende inkomens), ze hebben vaak geen alternatief om naartoe te verhuizen, en een gezamenlijk bruto jaarinkomen van zo’n 44.000 euro is ook geen vetpot.</p>
<p>Naast deze feitelijke bezwaren tegen inkomensafhankelijke huurverhogingen zit er ook een principiëlere kant aan de discussie over scheefwoners. Veel mensen reizen regelmatig scheef. Hun inkomen laat een eersteklas treinkaartje toe, maar toch reizen ze potdomme tweedeklas! Of lezen scheef: een boek lenen in de bibliotheek terwijl ze dat boek gezien hun inkomen ook zouden kunnen kopen. Als scheefheid bestaat uit het gebruikmaken van een gesubsidieerde voorziening terwijl je inkomen dat niet strikt noodzakelijk maakt, dan is bibliotheekgebruik en tweedeklas reizen schever dan scheefwonen: corporaties krijgen al sinds de jaren negentig geen subsidie meer, bibliotheken en de spoorwegen wel. Het frame van de scheefwoner gaat uit van de ideologie dat de publieke zaak (zelfs als het geen overheidsgeld kost) er slechts moet zijn voor degenen die het anders echt niet kunnen betalen. In extremo leidt dat tot gescheiden voorzieningen voor arm en rijk, tot minder draagvlak voor belastingheffing, en tot slechtere kwaliteit van publieke voorzieningen – die zijn dan immers toch alleen voor armelui. ‘<em>Services for only the poor are mostly poor services’.</em></p>
<p>Eerlijk is eerlijk, het was niet minister Blok die bepaalde dat de sociale huur er voortaan alleen nog moest zijn voor mensen met een laag inkomen. Die eer komt Neelie Kroes toe. Als eurocommissaris Mededinging richtte de voormalig VVD-minister vanaf 2005 haar pijlen op de Nederlandse sociale huursector. De woningcorporaties kregen weliswaar geen subsidie meer, maar hun leningen werden nog wel door de staat geborgd, en ze betaalden minder voor de grond dan commerciële bedrijven. Kortom, dit was ‘<em>staatssteun’</em>, concurrentievervalsend richting de commerciële huursector. De IVBN, de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, stookte het vuurtje op. In de definitie van de (neo)liberalen is alles wat door de (semi-)publieke sector gebeurt maar wat de markt ook zou willen doen concurrentievervalsing. Ook als de markt het tegen heel andere voorwaarden zou doen, bijvoorbeeld hogere huren. Het werd een jarenlang getouwtrek, waarbij toenmalig PvdA-minister Eberhard van der Laan uiteindelijk de overeenkomst met Brussel sloot: corporaties mochten in negentig procent van hun sociale huurwoningen vanaf 1 januari 2011 alleen nog huishoudens toelaten met een inkomen van minder dan toen 33.000 euro bruto – die groep is voor commerciële verhuurders niet interessant.</p>
<p>De wetenschappelijke literatuurstudie die gemaakt werd ten behoeve van de parlementaire enquête naar de corporatiesector (2014) is weinig verhullend over het gemak, misschien zelfs de gretigheid, waarmee Nederland inging op de pijlen van Kroes. Andere Europese landen stelden geen inkomensgrenzen vast. ‘<em>Het feit dat Nederland direct kiest voor inkrimping van de sector kan worden beschouwd als indicator van het smeulend ongenoegen over het functioneren van de corporatiesector en de behoefte van diverse partijen de sector te verkleinen’</em>, aldus de studie. Het was ook niet ‘<em>Brussel’</em> dat bepaalde dat de inkomensgrens 33.000 euro moest zijn: dat bepaalde Nederland zelf en Nederland had de grens dus ook veel hoger kunnen leggen. En dat kan uiteraard nog steeds.</p>
<p>Met de afspraak tussen kabinet en Brussel kwam in feite een einde aan 110 jaar volkshuisvesting. Er is altijd wel wat politieke discussie geweest over een brede of een smalle sociale huursector, maar 110 jaar lang, vanaf de Woningwet van 1901, zijn er nooit wettelijke eisen gesteld aan wie er in sociale huurwoningen mocht wonen. Sommige corporaties hanteerden wel inkomensgrenzen, maar zij konden die aanpassen aan de plaatselijke situatie en aan de mate waarin er alternatieven waren voor hogere inkomensgroepen. Begin jaren tachtig waren de huurders van sociale woningen nog behoorlijk regelmatig verdeeld over de zogeheten inkomens-decielen: twintig procent van de huishoudens in de sociale huur behoorde tot de dertig procent hoogste inkomens. Opmerkelijk genoeg kwam die brede toegang ter discussie te staan op een moment dat er juist minder reden was dan ooit om de doelgroep te beperken – er ging immers al nauwelijks subsidie meer naartoe.</p>
<p>Eén van de argumenten van degenen die de sociale huursector in Nederland een kopje kleiner willen maken is dat Nederland de grootste sociale huursector ter wereld heeft. Maar dat we afwijkend zijn met onze sociale woningen is misschien zelfs wel deel van ons succes. Overigens zegt het percentage sociale huurwoningen ook op een andere manier weinig: Duitsland en Zwitserland hebben minder officiële sociale huur, maar wel veel betaalbare private verhuur.</p>
<p>Het beeld van de scheefwoner als dader heeft sinds een paar jaar gezelschap van ‘<em>het middensegment’</em> als slachtoffer: mensen die door hun inkomen niet in de sociale huur terecht kunnen én om wat voor reden dan ook niet kunnen of willen kopen. De afgelopen jaren was de meest gehoorde oplossing daarvoor het verkopen van sociale huurwoningen aan beleggers, zodat zij de woningen aan het middensegment zouden gaan verhuren. Met als goede tweede het ‘<em>liberaliseren’</em> van sociale huurwoningen door corporaties, oftewel het verhogen van huur zodat ze niet meer tot de sociale huur zouden behoren en dus niet meer onder de regels van Kroes zouden vallen. Beide opties gaan ten koste van sociale huurwoningen. Het middensegment werd steeds meer een alibi om de sociale huursector af te breken.</p>
<p>Het is bovendien vreemd om te veronderstellen dat het middensegment ‘<em>middenhuren’</em> van zevenhonderd tot duizend euro zou kunnen of moeten betalen. Het gaat over huishoudens vanaf 40.000 euro bruto, dat is netto ongeveer 2680 euro per maand. En dan zevenhonderd tot duizend euro, voor kale huur! Dergelijke huren heten tegenwoordig ‘<em>middenhuur’</em>, terwijl het vóór Blok gangbaar was om huren boven de zeshonderd euro ‘hoog’ te noemen. De grootste mythe van de huidige huurpolitiek is dat huishoudens met een inkomen van pakweg 40.000 euro rijke stinkerds zouden zijn die best op de vrije markt een woning kunnen bemachtigen.</p>
<p><u>De woningmarkt als versneller van ongelijkheid en woningnood</u></p>
<p>Er is ondertussen één groep die uitermate content is met het woonbeleid van de afgelopen jaren: de beleggers. Een beleggers-adviseur een jaar geleden: <em>‘Beleggen in huurwoningen is booming. Het levert enorme rendementen op.’</em> Niet alleen Nederlandse beleggers deden dit, ook Chinese en Amerikaanse beleggers kwamen op de kluif af. Beleggen in bestaande huurwoningen leverde rendementen op van acht procent. Tenminste, als je het louter met eigen vermogen financiert. Betaal je de woningen deels met geleend geld, dan kan het rendement oplopen tot 25 procent. En nee, dan gaat het niet alleen over Amsterdam en Utrecht, maar ook over Breda, Pijnacker, de stad Groningen, Zwolle. De afgelopen jaren kochten beleggers al tienduizenden woningen van corporaties op.</p>
<p>De stijging van de prijzen voor koopwoningen is ook het gevolg van desastreus beleid. Hoge huizenprijzen betekenen hoge woonlasten. Door de lage rente viel het niet meteen op, maar de koopprijs moet uiteindelijk wel betaald worden. De Nederlandse woonkosten behoren tot de hoogste van Europa – niet alleen in euro’s maar ook als percentage van het besteedbare inkomen.</p>
<p>In 2013 kwam een onderzoekscommissie van de Tweede Kamer met een brisant rapport. De ‘<em>commissie-huizenprijzen’</em> onderzocht onder leiding van D66-Kamerlid Kees Verhoeven waarom de huizenprijzen in Nederland tussen 1995 en 2008 bijna drie keer zo hoog waren geworden, van gemiddeld 93.000 euro naar 254.000 euro. Namen de inkomens in die dertien jaar zo hard toe? Was de kwaliteit zoveel beter geworden, stegen de bouwkosten? Het antwoord bleek ontluisterend: de prijsstijgingen waren voor het overgrote deel het gevolg van de verruimde leenmogelijkheden. Door het afschaffen van veel regels voor hypotheken konden mensen vanaf begin jaren negentig steeds hogere bedragen lenen en kwamen er allerlei constructies om de hypotheekrenteaftrek maximaal te benutten. De prijzen stegen doordat mensen in staat waren hogere schulden op zich te nemen.</p>
<p>Voor iedereen die pleit voor het opnieuw verruimen van de hypotheekmogelijkheden – bijvoorbeeld omdat starters door de huidige prijzen moeilijk aan de bak komen – is dit rapport verplichte literatuur. Meer leenmogelijkheden lijken op individueel niveau een oplossing, maar drijven de huizenprijzen alleen maar verder op. De commissie pleitte tevergeefs voor het Canadese systeem, waarbij de maximale hoogte van de hypotheek (als percentage van het inkomen of de woningwaarde) daalt als de huizenprijzen sterk stijgen, en stijgt als de huizenprijzen dalen. Dit mechanisme helpt de woningmarkt te stabiliseren. De commissie van vier partijen (naast D66 ook PVDA, VVD en CDA) maakt ook korte metten met het beeld dat stijgende huizenprijzen gunstig zijn. ‘<em>Mensen wanen zich rijker, maar uiteindelijk betekent het dat je meer betaalt voor evenveel huis’</em>, zegt Ed Groot, ex-Tweede Kamerlid voor de PvdA. ‘<em>Alleen ontwikkelaars, grondeigenaren en de financiële industrie profiteren van de hogere prijzen. De kosten zijn voor de koper.’</em></p>
<p>Blijdschap over stijgende prijzen was eerst verklaarbaar vanuit het leed van de ‘<em>onderwaterstaanders’</em>: mensen die door de prijsdalingen na 2008 een hogere hypotheek hebben dan hun huis waard is. Voor hen zijn prijsstijgingen noodzaak, zeker als ze willen of moeten verkopen. Maar ook in de jaren dat nog niemand van ‘<em>onder water staan’</em> gehoord had, werd het als goed nieuws beschouwd als huizenprijzen stegen. Het is een intrigerend fenomeen: als televisies of auto’s goedkoper worden is iedereen blij, voor huizen geldt dat niet. De verklaring lijkt op het eerste gezicht simpel: huizen zijn weliswaar een gebruiksgoed, maar worden ook steeds meer als spaar- en beleggingsobject gezien. En zoals je niet wil dat de waarde van je schilderij of zilver daalt, zo wil je ook niet dat de waarde van je huis daalt. Maar schilderijen kunnen in waarde stijgen zonder dat gewone stervelingen daar de prijs voor betalen, bij stijgende woningprijzen betaalt iedere volgende huizenkoper de prijs voor de waardestijging van de vorige.</p>
<p>Starters krijgen door stijgende huizenprijzen moeilijker een hypotheek en zien hun woonkosten toenemen. Maar ook bestaande huiseigenaren hebben vaak geen baat bij prijsstijgingen. Wie een schilderij verkoopt kan van de opbrengst op vakantie gaan, maar wie een huis verkoopt heeft meestal weer een nieuw huis nodig, dat ook in prijs gestegen is. Spekkoper zijn alleen diegenen die kleiner gaan wonen of naar een goedkopere regio of wijk verhuizen – maar dat laatste is nou net niet de trend. Mensen zien alleen de winst op hun huidige huis, maar realiseren zich niet dat ze door dezelfde prijsstijgingen meer kwijt zijn aan hun volgende woning. Neem het voorbeeld van iemand die in het verleden een huis kocht van een ton en dat nu voor twee ton verkoopt, om vervolgens een groter huis te kopen dat in diezelfde tijd ook in prijs verdubbelde – van 150.000 euro naar 300.000 euro. Diegene moet 100.000 euro extra bijlenen, in plaats van 50.000 als de prijzen niet gestegen waren.</p>
<p>Dat prijzen zich ook heel anders kunnen gedragen, blijkt in Duitsland. In dezelfde periode dat de huizenprijzen in Nederland met honderden procenten stegen, volgden de prijzen in Duitsland slechts de inflatie. En dat heeft alles met het Duitse woningbeleid te maken. In Duitsland werd de hypotheekmarkt niet gedereguleerd. Kopers moeten een deel van de koopprijs sparen voordat ze kunnen kopen en dat sparen wordt via belastingkorting gestimuleerd. Een meerderheid van de Duitsers huurt. De huren zijn er lager dan in Nederland, dankzij huurprijsregulering en dankzij de lagere huizenprijzen.</p>
<p>De PvdA was in de jaren negentig, met premier Wim Kok, sterk voorstander van deregulering van hypotheken. Het zou het eigen woningbezit bevorderen en daarmee vermogensvorming van lagere en middeninkomens mogelijk maken. Een grote misrekening. Het heeft de vermogensongelijkheid juist sterk vergroot. Door de stijgende huizenprijzen die het gevolg waren, staken mensen zich in steeds grotere schulden. Bovendien ontstonden door de prijsstijgingen grote verschillen tussen mensen die op een ‘goed’ en op een ‘slecht’ moment een huis kochten. Wie aan het begin van een <em>boom bust-cyclus </em>koopt is spekkoper, wie aan het eind koopt, is verliezer.</p>
<p>Grote vermogensverschillen geven mensen met geld ook extra snelheid op de huizenmarkt. En die snelheid is in geliefde gebieden steeds vaker doorslaggevend, want verkopers geven de voorkeur aan kopers die niet eerst de hypotheek rond moeten krijgen. In heel Nederland wordt inmiddels zestien procent van de woningen uit het handje gekocht, in Amsterdam heeft zelfs een kwart van de kopers geen hypotheek nodig.</p>
<p>Meer vermogende Nederlanders zijn vaker bezitter van één, of zelfs meerdere koophuizen. Voor de grote groep middeninkomens is het huis een belangrijke vorm van vermogen, maar het vermogensverschil met de groep die geen huis bezit is enorm. Zo heeft een eigenwoningbezitter gemiddeld genomen 14 keer (!) meer vermogen dan een huurder, mede dankzij gunstige overheidsregelingen zoals de hypotheekrenteaftrek.</p>
<p>Alman Metten, ex-Europarlementariër voor de PvdA en publicist over ongelijkheid, schreef al veel eerder dat de vermogensongelijkheid veel groter is dan ons door o.m. het CBS werd voorgespiegeld, ondanks dat ook het CBS inmiddels erkend – na jaren van ontkenning en relativering – dat de vermogensongelijkheid in ons land enorm is. Metten wijst er met name op dat inkomen uit bezit de kloof tussen huurders en woningbezitters vergroot. Zijn conclusies:</p>
<ul>
<li>De kloof tussen arm en rijk valt grotendeels samen met de kloof tussen huurders en woningbezitters;</li>
<li>Woningbezitters hebben (ook volgens CBS) 2x meer inkomen en 15x meer bezit dan huurders;</li>
<li>Doordat veel inkomen uit bezit lang is genegeerd, is de inkomensongelijkheid zwaar onderschat. Recente ontwikkelingen corrigeren dit;</li>
<li>Ons belastingstelsel vermindert de ongelijkheid niet maar versterkt deze nog. Woningbezitters worden ruim 20x zo sterk fiscaal ondersteund als huurders;</li>
<li>Als de laatste door de regering gebruikte definitie van inkomen wordt gebruikt, die inkomen uit bezit vollediger recht doet, dan is het inkomen van woningbezitters zelfs 4x zo hoog als dat van huurders.</li>
</ul>
<p>Als we  inzomen op de verhouding tussen huurders en woningbezitters, die qua bezit en inkomen zo enorm van elkaar verschillen, dan zien we dat het overheidsbeleid in de laatste decennia de kloof tussen deze twee groepen zelfs systematisch heeft vergroot.</p>
<p>Niet alleen is de huurbescherming beperkt en werd de sociale verhuur ook nog eens belast met 2 miljard euro per jaar (hetgeen bewust en bedoeld de huren verhoogde!), maar huurtoeslagen maken slechts een fractie uit van de fiscale voordelen waar woningbezitters van kunnen genieten. Die fiscale voordelen bestaan niet alleen uit de hypotheekrenteaftrek, maar ook uit het ontbreken van belasting over de waardetoename van de woning, en uit de lage belasting over de huurwaarde. Zo was in 2019 de totale huurtoeslag € 1 miljard, terwijl de jaarlijkse fiscale voordelen voor woningbezitters €21,6 miljard bedroegen<a href="#_ftn33" name="_ftnref33">[33]</a>. In 2021 steeg de hypotheekrenteaftrek na jarenlange afname weer naar € 25,4 miljard, terwijl het eigen woningforfait (de enige belasting op woonbezit) daalde naar € 8,2 miljard.<a href="#_ftn34" name="_ftnref34">[34]</a> Daarmee droeg de overheid voor meer dan een kwart bij aan het verschil in het complete of integrale inkomen tussen huurders en woningbezitters. Nu Rutte-IV eindelijk ook waardestijging van bezit als inkomen erkent, wordt zowel de omvang van de kloof tussen huurders en woningbezitters duidelijk, als de toename ervan en mate waarin de overheid er zelf aan bijdraagt.</p>
<p>Via erfenissen wordt deze vermogensongelijkheid doorgegeven aan volgende generaties. Dat is van alle tijden, maar de stijgende huizenprijzen versterken dit effect: een erfenis van een huis van een miljoen vergroot de verschillen méér dan een erfenis van een huis van een ton. De Franse econoom Thomas Piketty laat in zijn veelgeprezen <em>Kapitaal in de 21ste eeuw</em> zien dat de grote vermogensverschillen voor het overgrote deel bestaan uit woonvermogen. Die ongelijkheid wordt vaak geduid als generatiekwestie: de babyboomers werden rijk over de ruggen van de jongeren. Inmiddels is echter de vermogensoverdracht van rijke ouders naar hun kinderen in volle gang. De mogelijkheid om belastingvrij een ton te schenken aan je kinderen, de jubelton, versterkte tot dit jaar de ongelijkheid in woonvermogens en woonkansen.</p>
<p>De vermogensverschillen bínnen generaties zijn veelal groter dan die tússen generaties. De mechanismen van de huidige woningmarkt zorgen ervoor dat wie rijk is nóg rijker kan worden van woningen, en wie arm is steeds hogere hypotheekschulden aangaat. In die omstandigheden zijn lage en middeninkomens meer geholpen met betaalbare huurwoningen dan allerlei kunst- en vliegwerk om het eigen woningbezit te bevorderen. Als je de fiscale voordelen voor woningbezitters zou afschaffen, benadeel je mensen die géén eigen huis hebben ook niet langer, want sparen via een huis is dan niet voordeliger dan andere spaarvormen.</p>
<p>De toenemende geografische verschillen in woningprijzen vertalen zich ook in de kapitaalkrachtigheid van gemeenten. In Amsterdam stroomde de afgelopen jaren het geld bijvoorbeeld binnen. De gemeente is eigenaar van het overgrote deel van de bouwgrond in de stad en bij veel projecten is de helft van de verkoopprijs voor de stad. Schematisch gesteld: een nieuwbouwwoning die verkocht wordt voor vier ton kost twee ton om te bouwen, en er gaat twee ton naar de gemeente. Als het geld afkomstig is van vermogende woningkopers zullen weinigen er rouwig om zijn dat de stad er een flinke graan van meepikt. Maar het is wrang dat de stad ook rijk wordt doordat haar inwoners zich in steeds hogere schulden steken.</p>
<p>De lage rente, de toenemende vermogensongelijkheid en het grotendeels vrijgeven van de huurprijzen zorgden ervoor dat een toenemend aantal huizen gekocht wordt in het kader van <em>buy to let</em>: kopen om te verhuren. De invloed die dat heeft op de huizenprijzen in de geliefde steden en wijken wordt zwaar onderschat. Hoge bieders beïnvloeden de prijs over de hele linie. Voor mensen met vermogen is buy to let een uiterst gunstige belegging. Verhuren was met de lage rentes een ideaal alternatief voor sparen. Maar ook met deels geleend geld rendeerde buy to let goed. Deze nieuwe lichting pandjesbazen biedt hoge prijzen, wie een huis wil kopen om er zelf te wonen had al gauw het nakijken.</p>
<p>De opmars van buy to let maakt de huizenprijzen extra fragiel. Als er elders of met andere beleggingen meer te verdienen is, trekken de financiers weer weg, dalen de huizenprijzen, en komen mensen met hypotheken onder water te staan. Het vervelende van sterke prijsstijgingen is dat ze de kans op grote prijsdalingen vergroten – en daarmee op nieuwe onderwaterstaanders. Hoe groot de kans op forse prijsdalingen is weet niemand. Want dat is misschien nog wel het grootste probleem van de woningmarkt: het is een <em>black box</em>, ook voor wie zegt er verstand van te hebben. De commissie-huizenprijzen sprak voor haar onderzoek met bijna honderd ingewijden en dat leverde een boeiend inzicht op. ‘<em>De commissie heeft geconstateerd dat zelfs onder ervaren deskundigen de meningen soms ver uiteenlopen over hoe de woningmarkt feitelijk werkt, wat de belangrijkste drijvende krachten zijn en hoe de aanpassingsmechanismen werken.’</em></p>
<p>Maar één conclusie durft de commissie wel te trekken. <em>‘Het moment en de snelheid van een prijsomslag zijn niet te voorspellen. Ervaring en onderzoek leren echter dat langdurige prijsstijgingen die (ver) boven de inflatie gaan, worden gevolgd door (forse) correcties.’</em> En dat is precies wat mensen zich van nature niet kunnen voorstellen: Als woningprijzen stijgen, denken mensen dat dat altijd zo zal zijn, en als ze dalen, denken mensen dat ook dat nooit ophoudt.</p>
<p>De fluctuaties in de huizenwaarde en de hoge schulden maken de Nederlandse economie ‘<em>volatiel’</em>, waarschuwde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 2016. De Nederlandse economie is daardoor kwetsbaarder en wispelturiger dan die van andere landen. Dat komt grotendeels door het psychologische effect dat huizenwaarden en schulden hebben. Stijgen de huizenprijzen sterk, dan voelen mensen zich rijk en slaan ze aan het consumeren – waardoor de afzet van bedrijven stijgt. Dalen daarentegen de huizenwaarden, dan gebeurt het omgekeerde. Daardoor kwam de economische crisis in Nederland harder aan en liet het herstel langer op zich wachten dan in landen om ons heen, stelt de WRR.</p>
<p>De raad onderzocht op verzoek van de regering hoe de samenleving zich kan wapenen tegen volgende financiële crises. Het belangrijkste is dat we minder afhankelijk worden van de financiële industrie, aldus de WRR. En als Nederland érgens afhankelijk is van de financiële industrie, dan is het via de hoge hypotheekschuld. Uitgedrukt in percentage van het bbp nam de schuld van huishoudens (voor het overgrote deel hypotheekschuld) tussen 1993 en 2009 toe van nog geen 50 procent naar zo’n 120 procent. Ook na de crisis van 2008 is de hypotheekschuld gestegen, van 615 miljard in 2008 naar 664 miljard in 2016 (cijfers CBS). Aangezien een toenemend deel van de kopers koopt zonder hypotheek is de toename van de hypotheekschuld van de overige kopers des te groter. Nederland is in Europa koploper als het gaat om het aandeel van de bevolking met een woninghypotheek: <a href="https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83834NED/table?dl=69859">ongeveer de helft van de huishoudens heeft er een</a>. Nederlandse huishoudens hebben inmiddels samen voor bijna <a href="https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84100NED/table?ts=1668160208660">800 miljard</a> euro aan hypotheekschuld, oftewel bijna 90% van het bruto binnenlands product (bbp). Het overgrote deel van deze schuld staat uit bij Nederlandse financiële instellingen.</p>
<p>De overheid stimuleert dat mensen hoge schulden aangaan, bijvoorbeeld met de hypotheekrenteaftrek en de nationale hypotheekgarantie. De WRR waarschuwt dat Nederland een blinde vlek lijkt te hebben voor <em>‘het verband tussen het belastingregime enerzijds en de verwevenheid tussen financiële sector en samenleving anderzijds’</em>. Arnoud Boot, die het WRR-onderzoek leidde: ‘<em>Het beleid is doordrenkt met het stimuleren van schuld, het kán eigenlijk niet slechter dan hoe Nederland het doet.’</em></p>
<p>De maatregelen die Nederland na de crisis van 2008 nam zijn volstrekt onvoldoende, vindt de raad. Nieuwe hypotheken moeten tegenwoordig in dertig jaar worden afgelost en de maximale hypotheekrenteaftrek gaat ieder jaar met een half procent omlaag, net zo lang tot hoge inkomens evenveel kunnen aftrekken als lage inkomens (in 2042 kan iedereen 38 procent van de rente aftrekken). Als het aan de WRR ligt wordt de hypotheekrenteaftrek helemaal afgeschaft, althans voor nieuwe hypotheken, en wordt het eigen huis voortaan belastingtechnisch als vermogen behandeld.</p>
<p>Ook moet het maximale bedrag dat geleend mag worden in verhouding tot de woningwaarde sterk omlaag. Vóór de crisis van 2008 konden mensen 120 procent van de koopprijs lenen. Nu is dat teruggebracht naar 101 procent, maar dat is nog veel te veel, vindt de WRR. Boot: ‘<em>Verlaging daarvan is echt de enige manier om te zorgen dat huizen niet onder water komen te staan en hypotheken geen molenstenen worden.’</em></p>
<p>De stijgende huizenprijzen drijven ook de huren op. Zoals hierboven vermeld bepaalt sinds Rutte II de WOZ-waarde in belangrijke mate de huurprijs van sociale huurwoningen. Als de prijzen van koopwoningen stijgen (en dus de WOZ-waarden), stijgen de huren. Bovendien bepaalt de WOZ-waarde ook sterk of een huurwoning ‘geliberaliseerd’ mag worden – de huurprijs is dan niet langer gereguleerd. Door de manier waarop huur en koop (of eigenlijk huurbeleid en koopbeleid) op elkaar inwerken ontstaan meerdere vicieuze cirkels. Stijgende WOZ-waarden zorgen voor stijgende huren, waardoor het weer lucratiever wordt om woningen op te kopen voor verhuur (buy to let), wat de woningprijzen weer verder opdrijft, waardoor de WOZ-waarden verder stijgen, waardoor de huren weer verder toenemen, et cetera. De tweede vicieuze cirkel is dat huurders steeds moeilijker een huis kunnen kopen, door stijgende huizenprijzen en hogere huren, waardoor ze minder kunnen sparen voor een koophuis. Daardoor blijven veel huurders afhankelijk van commerciële verhuurders, die daardoor hogere huren kunnen vragen, waardoor sparen nog moeilijker wordt, enzovoort.</p>
<p>Door de prijsstijgingen kunnen gemeenten (en andere grondeigenaren) steeds meer geld vragen voor bouwlocaties. Daardoor hebben gemeenten het idee dat ze geld ‘laten liggen’ als ze de grond voor minder van de hand doen, bijvoorbeeld aan woningcorporaties. De stijgende huizenprijzen kunnen gemeentelijke grondbedrijven de financiële ruimte bieden om een deel van de grond extra goedkoop van de hand te doen, maar het effect in sommige gemeenten is eerder omgekeerd: hoe meer ze van commerciële ontwikkelaars kunnen krijgen, hoe vaker de bouw van betaalbare huur in het gedrang komt.</p>
<p>Volgens de leer van de vrije markt leiden hogere prijzen tot meer aanbod, in dit geval de bouw van woningen. En als er eenmaal genoeg aanbod is, zou de prijs weer moeten dalen, tot ongeveer de kostprijs. Maar in de periode dat de huizenprijzen in Nederland de pan uitrezen, daalde het nieuwe aanbod juist. In 1995 werden er nog 94.000 woningen opgeleverd, in 2003 was dat gedaald tot nog geen 60.000. Dit intrigeerde de commissie-huizenprijzen misschien nog wel meer dan de prijsstijgingen. Bouwers, ontwikkelaars en gemeenten, zo ontdekte de commissie, hebben belang bij hoge woningprijzen en dus bij schaarste. Bewust en onbewust wordt er daardoor te weinig gebouwd.</p>
<p>In tijden van stijgende woningprijzen is het voor zowel ontwikkelaars als grondeigenaren (waaronder gemeenten) bovendien financieel gunstig om de bouw van woningen uit te stellen: straks krijg je er nog meer voor. En doordat het rijk zich had teruggetrokken uit alles wat met ruimtelijke ordening en woningbouw te maken heeft, liet de landelijke overheid het gebeuren. De prijsstijgingen van de afgelopen jaren hebben ook niet tot toenemende nieuwbouw geleid. Er wordt weliswaar meer gebouwd dan op het dieptepunt van 2014 (slechts 43.000 opgeleverde woningen, door de economische crisis en doordat woningcorporaties nauwelijks meer bouwden), maar met 74.000 woningen in 2021 schiet het nog altijd niet op.</p>
<p>Overigens is het ook maar zeer de vraag of het tweede deel van de economische theorie opgaat, namelijk dat prijzen zullen afnemen als het aanbod eenmaal toeneemt. Volgens Maarten van Poelgeest, oud-wethouder in Amsterdam, is in de geliefde steden en wijken zelfs het omgekeerde aan de hand. Hoe meer er gebouwd wordt, hoe aantrekkelijker de stad wordt. Er komen meer voorzieningen, er komt meer levendigheid. Nieuw aanbod maakt dan de vraag dus juist weer groter – en de huizenprijzen hoger.</p>
<p>Discussies over het woonbeleid kenmerken zich de afgelopen jaren door een focus op effectbestrijding. Is het voor starters moeilijk een koopwoning te bemachtigen? Dan moeten de hypotheekregels maar soepeler. Worden vermogensverschillen door woningbezit steeds groter? Dan moeten ook lage inkomens de kans krijgen met die vermogensopbouw mee te doen. Zijn er te weinig huurwoningen voor middeninkomens? Dan moeten beleggers financieel gestimuleerd worden om huurwoningen aan te bieden. Het is effectbestrijding die nieuwe problemen creëert en bestaande problemen verergert.</p>
<p>Een fundamentelere aanpak bestaat uit het opheffen van de belastingvoordelen voor huizenbezitters, het aanpakken van speculanten en het zorgen voor meer betaalbare huurwoningen – door middengroepen toegang te geven tot sociale huur, door meer te bouwen en door particuliere huren te reguleren.</p>
<p>Nog één keer de commissie-huizenprijzen, over de situatie vóór 2008: <em>‘Waarschuwingen voor risico’s en oververhitting kwamen van verschillende kanten: wetenschappers, columnisten, belangenbehartigers, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en De Nederlandsche Bank (DNB). De waarschuwingen kwamen echter laat, waren niet luid genoeg en vonden geen gewillig oor, vanwege het optimisme ingegeven door de constante stijging van de huizenprijzen.’</em></p>
<p><u>Flexwonen en flexhuur</u></p>
<p>Flexwoningen zijn woningen die voor een beperkte duur geëxploiteerd worden. Meestal vijf of tien jaar, tegen een economische exploitatieduur van vijftig jaar voor sociale huurwoningen. Die tien jaar is op dit moment ook het maximum bij tijdelijke exploitatie, maar er wordt gewerkt aan een verlenging naar vijftien of zelfs twintig jaar. De voorstanders van flexwonen stellen dat je met deze strategie meer tempo kan maken dan met de klassieke woningbouw: je zoekt een stuk grond dat minstens tien jaar beschikbaar is. Daarna doorloop je een verkorte vergunningprocedure. Vervolgens bestel je een partij <em>prefab-units</em> bij een fabriek – bijvoorbeeld van systeembouwers Jan Snel, Barli of De Meeuw – en drie tot zes maanden later kunnen de huurders erin. In theorie kan binnen een half jaar het hele traject van initiatief tot oplevering doorlopen worden. Vergelijk dat eens met ontwikkeltijden van gemiddeld vijf tot zeven jaar voor een gewoon woningbouwproject. Dan lijkt er toch veel tijd te winnen?</p>
<p>De praktijk is echter dat ontwikkeltijden van twee jaar of korter alleen gehaald worden bij de bouw van huisvesting voor arbeidsmigranten in het buitengebied, nabij de agrarische of industriële bedrijven waar ze werken. De belangrijkste redenen daarvoor zijn dat de werkgever een sterk belang heeft bij de realisatie van de huisvesting, er veel goedkope grond beschikbaar is en er weinig mensen in de omgeving wonen die hinder ondervinden, dus bezwaar kunnen maken. In de stad duurt het realiseren van flexwoningen vrijwel altijd een stuk langer en is ook het afbreukrisico van projecten veel groter. Daar is de concurrentie om de schaarse grond groot. De inpassing in de omgeving is complexer en er wonen veel mensen in de buurt die iets van de bouwplannen vinden, zelfs al blijven de woningen er maar tien jaar staan. De gerealiseerde flexprojecten met <em>prefab-units</em> staan in steden dan ook vrijwel altijd op (oude) bedrijventerreinen, in de buurt van de ring of invalswegen. Geen erg aangename woonomgeving, met weinig voorzieningen en groen in de buurt.</p>
<p>Een veel aantrekkelijker optie in de stad is transformatie van een kantoorgebouw, onderwijsgebouw of bejaardenhuis tot woonruimte. Omdat het gebouw er al staat, is de ontwikkeltijd relatief kort: omwonenden hebben zelden bezwaar tegen transformatie. De meeste transformatieprojecten liggen ook redelijk centraal ten opzichte van het stadscentrum en voorzieningen die het leven voor huurders een stuk aangenamer maken. Het Utrechtse bedrijf Socius, voortgekomen uit een zelfbeheerproject van een voormalig onderwijsgebouw, beheert een groot aantal transformatieprojecten van kantoren uitgevoerd in panden van gemeenten, woningcorporaties en universiteiten. Sommige mensen denken dat industrieel <em>(prefab)</em> bouwen en flexwonen hetzelfde is. Dat is een misverstand. Je kan prima prefab bouwen voor een levensduur van vijftig jaar of langer. Veel woningbouwprojecten uit de jaren 1960/1970 van de twintigste eeuw kwamen uit woningfabrieken. Prefab kan de bouwtijd verkorten, de betaalbaarheid en kwaliteit verbeteren: dat geldt zowel voor tijdelijke woningen als voor woningen die een leven lang meegaan. Door moderne ontwerp- en productieprocessen kan prefab tegenwoordig ook een veel gevarieerder uiterlijk hebben dan vroeger, al wordt het dan natuurlijk wel weer wat duurder.</p>
<p>Flexwoningen zijn vrijwel altijd klein: meestal tussen de 20 en 30 m². Hebben gewone woonwijken een variatie in woningtypen, bestemd voor verschillende typen huishoudens, bij deze projecten gaat het bijna alleen om eenkamerwoningen voor singles. Meestal in de vorm van gestapelde prefab-dozen aan twee zijden van een middengang. Bij non-profit initiatiefnemers hebben de huurders vaak ook nog de beschikking over een aantal gemeenschappelijke voorzieningen zoals huiskamer, recreatieruimten, wasserette. De all-in huur ligt meestal tussen € 500,- en € 600,- per maand. Dat is duurder dan vergelijkbare woningen die vijftig jaar blijven staan. De kosten van planontwikkeling, het neerzetten en aansluiten van de units, de inrichting van het terrein, het verwijderen van units en aansluitingen aan het eind van de exploitatie en de huurderving bij het vullen en leegmaken van het complex bedragen al gauw € 20.000 tot € 30.000. Als je dat afschrijft over tien jaar in plaats van vijftig jaar moet je per maand € 125,- tot € 150,- extra huur vragen om die investering terug te verdienen. De huurder wordt niet alleen via de huur met hogere kosten geconfronteerd. Een korte exploitatieduur betekent voor de huurder sneller verhuizen en je stoffering afschrijven over een kortere periode. Ook dat kan aardig in de papieren lopen. Als je met een huurcontract voor onbepaalde duur wegens sloop je huis uit moet, heb je recht op een verhuiskostenvergoeding en een vervangende woning. Omdat vrijwel alle flexwoningen op een flexcontract verhuurd worden, heb je die zekerheid nu niet. <em>By the way</em>: behalve klein en duur mogen tijdelijke woningen ook nog eens van een lagere kwaliteit zijn. Het Bouwbesluit stelt lagere eisen voor isolatie, geluidbelasting, daglichttoetreding, buitenruimte, plafondhoogte en je mag steilere trappen maken.</p>
<p>Hebben flexwoningen ook voordelen? Dat kan, met name als de eigenaar of de beheerder daar zijn best voor doet. Als je bij de toewijzing selecteert op achtergrond of lifestyle kunnen de bewoners iets aan elkaar hebben. Marketing mensen zeggen: ze vormen een community. Bij flexwoonprojecten van woningcorporaties wordt vaak ingezet op een ‘<em>magic mix’</em> van dragende en vragende bewoners. Dragende bewoners zijn dan meestal studenten of andere jongeren die aangeven het leuk te vinden om hun buren af en toe te helpen. De vragende bewoners zijn jonge statushouders, uitstromers uit de GGZ of de maatschappelijke opvang. Dit soort formules vragen om een intensieve begeleiding door beroepskrachten. Je komt ze dan ook nooit tegen in de commerciële sfeer. Een ander voordeel van flexwoningen is dat – door de kleine afmetingen van de huizen – gemeenschappelijke voorzieningen in de plint gemakkelijker te exploiteren zijn dan in normale appartementencomplexen. Denk aan horeca, een wasserette, een sportschool of een bewaakte fietsenstalling die ook reparaties doet.</p>
<p>Als je op dit moment spoedzoeker bent in Amsterdam of Utrecht lijkt het wel of het tijdelijke huurcontract de standaard is en het contract voor onbepaalde duur de uitzondering. Dat is een droevige revolutie, want twee decennia geleden was er op dit punt nog helemaal niets. Toen kwamen in 2006 de campuscontracten voor studenten. Bedacht door de (sociale) studentenhuisvesters om de doorstroming in hun complexen op gang te houden en te voorkomen dat de ‘<em>oudere jongere’</em> steeds meer plekken van de echte student ging overnemen. Bij een campuscontract moet je uiterlijk een half jaar na het beëindigen van je studie verhuizen, zonder recht op vervangende woonruimte. Vijftien jaar geleden was de gedachte: het gaat om een kansrijke groep jongeren en als je op tijd begint met zoeken, kan je gemakkelijk een ander huis vinden. Anno 2020 ligt dat in een aantal regio’s anders. Het zou daarom logisch zijn om een vangnetbepaling in de wet op te nemen voor huurders die ondanks alle inspanningen binnen de termijn geen vervangende woonruimte kunnen vinden.</p>
<p>Die gegarandeerde vervangende woonruimte is er wél bij tijdelijke huurcontracten voor specifieke woningtypen: voor grote gezinnen (acht of meer personen), met voorzieningen voor een handicap of voor oudere bewoners. Deze tijdelijke contracten – door de <em>Wet doorstroming huurmarkt 2015 </em>mogelijk gemaakt – kunnen beëindigd worden zodra de huurder niet meer tot de doelgroep behoort. De verhuurder –altijd een woningcorporatie – dient de huurder dan wel een passende andere woning aan te bieden. Dit is vanuit maatschappelijk oogpunt een redelijk evenwichtige contractvorm, die echter wettelijk beperkt zou moeten worden tot de sociale huursector. Ook zou de definitie van de passende andere woning beter verankerd moeten worden: hij moet passend zijn bij de oude woning  qua buurt, grootte, kwaliteit en prijs.</p>
<p>Dan is er sinds de Wet doorstroming huurmarkt ook het vijfjaarcontract voor jongeren tot 28 jaar in de sociale huur. De Amsterdamse corporatie De Key, die zich tegenwoordig specifiek op jongeren richt, gebruikt het inmiddels standaard. Het mag alleen gebruikt worden in gelabelde jongerencomplexen. Maar dat is een formaliteit. Het idee achter dit contract is dat een deel van de jongeren onder de 28 studeert en nog een laag inkomen heeft, maar daarna een mooi betaalde baan krijgt, gaat samenwonen en in no-time twee keer modaal verdient. Die horen in deze logica niet meer in de sociale huur thuis. Maar dan zouden jongeren van 28+ die nog wél in de doelgroep van sociale huur thuishoren, hierna gewoon een contract voor onbepaalde duur aangeboden moeten krijgen, of een passende vervangende woning met zo’n regulier contract. Helaas: dié logica is niet in de wet verankerd.</p>
<p>De lijst wordt nog langer. Als je een plan hebt om een complex te renoveren of te slopen, kan je als verhuurder een vergunning aanvragen om voor maximaal zeven jaar het complex tijdelijk te verhuren op grond van de <em>Leegstandwet</em> (1981). Zo kan je het complex, op het moment dat de werkzaamheden beginnen, in één keer leegmaken. Met als bijkomend voordeel dat je de huurders met tijdelijke contracten geen vergoeding en vervangende woonruimte hoeft aan te bieden. Dit contract wordt vrijwel uitsluitend door woningcorporaties gebruikt, want commerciële verhuurders renoveren en slopen nooit (…). Maar ook corporaties halen vervelende geintjes uit. Zo betalen de tijdelijke huurders vaak méér huur dan hun voorgangers, terwijl het juist logisch zou zijn dat ze minder betalen. Ze hebben immers minder woongenot door het achterstallig onderhoud. Het zou dan ook logisch zijn om een afslag op de huur in de wet op te nemen die hoger wordt naarmate de contractduur korter is. Overigens biedt in dit soort situaties tijdelijke verhuur de bewoner wel meer bescherming dan een gebruiksovereenkomst (anti-kraak): dat is écht een rechteloze situatie.</p>
<p>En dan komen wij bij de overtreffende trap. De favoriet van de huisjesmelker: het tweejaarcontract (ook weer Wet doorstroming huurmarkt). Zonder enige voorwaarde qua type woning, type huurder of komende ingreep in de woning. Gewoon: als je dat als verhuurder handig vindt, mag je hem gebruiken. Qua rechteloosheid steekt dit contract de Angelsaksische landen naar de kroon. De enige beperking is dat bij voortzetting het contract na twee jaar moet worden omgezet in een contract voor onbepaalde duur. In een overspannen woningmarkt is de logica van de verhuurder: altijd opzeggen, zodat je bij de volgende huurder nóg meer kan vragen. Het is een mysterie waarom een meerderheid van de Tweede Kamer met deze aanslag op de huurbescherming akkoord is gegaan. Het initiatiefwetsvoorstel van Nijboer (PvdA) en Ceders (CU) wil dit weer schrappen, maar VVD en CDA plegen sabotage, gesouffleerd door minister De Jonge. </p>
<p>Promovenda Carla Huisman deed aan de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek naar tijdelijke huurcontracten. Haar conclusie: <em>‘De positie van huurders is de laatste jaren in Nederland steeds onzekerder geworden. En het ergste moet nog komen.’</em> Alle tijdelijke huurcontracten hebben voor de verhuurder het voordeel dat de huur bij mutatie verhoogd kan worden als de maximale huurprijs hoger is dan de huurprijs van de vorige bewoner. Dat is een gevaarlijke perverse prikkel. Zeker in het geliberaliseerde segment kan je in een opgaande markt tot een paar honderd euro per maand méér vragen als een oude huurder vertrekt. Ook hoef je bij tijdelijke huurcontracten geen verhuiskostenvergoeding te betalen bij sloop of renovatie.</p>
<p>Voor de huurder heeft het tijdelijke contract eigenlijk alleen maar nadelen. Je loopt het risico dat je na een beperkte tijd weer moet verhuizen, zonder vergoeding en zonder zekerheid op vervangende woonruimte. Daardoor is het niet de moeite waard om te investeren in de inrichting van je woning. Het is ook riskant om je als huurder te organiseren: je huisbaas heeft via het beëindigen van het huurcontract de mogelijkheid om je te dumpen. En bij tweejaarcontracten kan je geconfronteerd worden met chantage: méér betalen of vertrekken.</p>
<p>Hoe werkt dat flexwonen voor verschillende doelgroepen in de praktijk? De meeste flexwoningen zijn tot nu toe gerealiseerd voor twee doelgroepen: arbeidsmigranten en studenten.</p>
<p>Er zijn gespecialiseerde ontwikkelaars-beheerders voor flexwonen ten behoeve van arbeidsmigranten. Zij opereren meestal in het landelijk gebied, in samenwerking met bedrijven die veel gebruik maken van buitenlandse flexwerkers en seizoenskrachten. De ontwikkelaars, waarvan zeker 95 procent een commerciële achtergrond heeft, zijn meestal gelieerd aan uitzend- en wervingsbureau’s. De contractvorm is gewoonlijk gebaseerd op logies gekoppeld aan een arbeidscontract bij een werkgever in de regio. Word je ontslagen dan word je dus ook direct dakloos. Typische voorbeelden zijn flexwonen.nu in de kuststreek en KAFRA housing in Limburg en Brabant. Hun aanbod is gericht op buitenlandse seizoenwerkers en personeel dat zich nog niet definitief in Nederland heeft gevestigd. Die laatste groep groeit overigens ook snel, komt deels in de sociale huur terecht maar vaak ook in een koophuis op het platteland.</p>
<p>Na een aantal excessen in de afgelopen twintig jaar is de Stichting Normering Flexwonen (SNF) opgericht die een norm ontwikkeld heeft voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Er is echter geen sprake van een wettelijke verplichting: aanbieders die voldoen aan de SNF-norm kunnen zich laten certificeren. Ook moet je geen al te hoge verwachtingen hebben van het ambitieniveau van de eisen: bewoners moeten 10 m2 woonruimte ter beschikking hebben, inclusief 3,5 m2 slaapruimte. Er moet minimaal één douche en toilet zijn per acht personen. Slaapruimte mag gedeeld worden met meerdere personen. En dat is ook de overwegende situatie. Toch is de SNF-norm al een flinke stap vooruit ten opzichte van: niets. Een recente corona-uitbraak in een migrantenhuisvesting van een slachterij in het Duitse grensgebied, laat zien dat hoge bewoningsdichtheden en meermanskamers een risico vormen voor de volksgezondheid.</p>
<p>In de begintijd van de projectmatige huisvesting van arbeidsmigranten werd er op grote schaal gebruik gemaakt van recreatieparken en de transformatie van oude bedrijfspanden. De laatste jaren is er een snelle groei van het aandeel prefab-units, zowel stapelbaar als chalets. Een opvallend kenmerk van commerciële projecten voor arbeidsmigranten is de grootschaligheid: ze zijn meestal een factor tien groter dan flexwoonconcepten van woningcorporaties.</p>
<p>Andere commerciële ontwikkelaars-beleggers zijn gespecialiseerd in de studentenmarkt. Zij werken met name in de grotere (studenten)steden. Een deel opereert in het – relatief luxe – nieuwbouwsegment. Voorbeelden zijn Change= en <em>StudentExperience</em>: mini-appartementjes van 20 – 25 m² voor een huur van € 25,-/m² met allerlei voorzieningen in de plint van het gebouw die vaak verplicht afgenomen moeten worden. Bij Change= betaal je bijvoorbeeld € 97,- per maand voor de ‘<em>community’</em> voorzieningen. Klinkt hip, maar is feitelijk gedwongen winkelnering voor een sportschool of restaurant. De huurdersorganisatie vecht deze post dan ook aan. Als student of starter ben je in dit soort complexen al gauw € 700,- kwijt voor je huisvesting. Een variant op deze strategie is <em>The Student Hotel</em> dat zich met name richt op de buitenlandse student die een of twee jaar in Nederland verblijft. Al deze formules hebben gemeen dat de bewoner geen regulier huurcontract heeft, maar een vorm van <em>short stay</em> overeenkomst.</p>
<p>Een ander type belegger – type Prins Bernhard – is gespecialiseerd in het verkameren van stadspanden (‘<em>omzetten’</em>), dan wel in het opknippen van stadspanden in mini-appartementjes (‘<em>splitsen’</em>). Het voordeel voor de eigenaar is dat je niet in één keer een bedrag van € 50 tot € 100 miljoen hoeft te investeren. Je kan je portefeuille stap voor stap opbouwen. De klassieke pandjesbaas verhuurt ook aan iedereen die veel wil betalen. In de studentensteden natuurlijk de student, maar in Schiedam of Vlaardingen ook aan de arbeidsmigrant, gescheiden mensen of andere spoedzoekers uit het souterrain van de woningmarkt. De bouwkundige kwaliteit van de opgeknipte panden is vaak beroerd: slechte geluidsisolatie en ventilatie, brandgevaarlijk, vaak gedeelde sanitaire voorzieningen. Piet Hein Donner maakte het in de paar maanden dat hij het ministerschap wonen waarnam (2010/2011) mogelijk om met maximaal vijf zelfstandige woningen één toilet te delen (!). Mini-appartementjes worden vaak verhuurd op basis van tweejaarcontracten, maar ook wel uitgepond. De kopers lopen een groot risico op ellende in de toekomst: je zit in een vereniging van eigenaren met mensen die vaak niet willen of kunnen investeren in een pand met vele gebreken.</p>
<p>Een laatste commerciële tak van sport zijn de leegstandsbeheerders. Zij bezitten zelf meestal geen vastgoed, maar regelen anti-kraak bewoning voor kantoorpanden en woningen die leegstaan in afwachting van sloop, renovatie of verkoop. Formeel is dit geen verhuur: de bewoners hebben een gebruiksovereenkomst, ook wel bruikleen- of om-niet contract genoemd. Qua huurdersrechten is dat het afvoerputje van de woningmarkt: je kan binnen een paar weken op straat staan zonder recht op vervangende woonruimte. Dat blijkt ook weer tijdens de coronacrisis. Op aandringen van de Woonbond zijn afspraken gemaakt met de brancheorganisaties van sociale en commerciële verhuurders en de leegstandsbeheerders om tijdens de epidemie te voorkomen dat mensen op straat komen te staan. Verreweg de meeste incidenten worden sinds die tijd gemeld door anti-kraak bewoners. Daar zitten ook woningen van corporaties bij die de laatste paar jaar voor sloop of renovatie anti-kraak geëxploiteerd worden. Woningen in dit soort situaties zouden nooit op basis van gebruikscontracten beschikbaar gesteld mogen worden, maar uitsluitend op basis van een tijdelijk huurcontract of contract voor onbepaalde termijn.</p>
<p>Daarmee komen we bij het sympathieke deel van de flexwoonprojecten, doorgaans gericht op de meest kansloze groepen woningzoekenden: de uitstromers uit de GGZ en maatschappelijke opvang. De vluchters voor huiselijk geweld. Asielzoekers met een verblijfsstatus. En gescheiden mensen die opeens een huis(je) nodig hebben maar nog niet ingeschreven staan als woningzoekende voor sociale huur. Bij de aanbieders in dit segment vind je opvallend weinig commerciële partijen, maar veel woningcorporaties en andere non-profit organisaties uit de zorg- en welzijnssector. En soms ook gemeenten. Sommige kleinschalige projecten richten zich op een hele specifieke doelgroep, bijvoorbeeld <em>Skaeve huse</em> of begeleid wonen voor jongeren. Een aardig voorbeeld is de Vlindertuin in Zwolle, een initiatief van woningcorporatie SVZ, gericht op uitstroom uit de maatschappelijke opvang. De 28 <em>prefab</em>-eenheden zijn met 35 m² ook wat groter dan het absolute minimum en een sociaal beheerder houdt een oogje in het zeil. In Drachten liet daklozenopvang Zienn vijf <em>tiny houses</em> in de tuin van zijn sociaal pension plaatsen, als tussenvorm tussen de daklozenopvang en helemaal zelfstandig wonen. En in Dordrecht kwamen de vijf <em>skaeve huse</em> van corporatie Trivire naast de plaatselijke bajes terecht. Anderen mikken juist op een <em>magic mix</em> van diverse doelgroepen, met deels ook dragende bewoners. Relatief grootschalige voorbeelden van dat concept zijn Place2BU (Portaal/Mitros Utrecht) en Riekerhaven (De Key Amsterdam). Allebei ongeveer 500 kleine gestapelde <em>prefab</em>-eenheden voor een mix van jonge Nederlandse huurders en jonge statushouders. In Utrecht ook uitstromers uit de maatschappelijke opvang en GGZ. Potentiële dragende huurders krijgen een intakegesprek waarin ze getest wordt of ze interesse hebben om samen te wonen met andere jongeren die een steuntje in de rug nodig hebben. Dat is het grootste vraagteken van deze formule: in een overspannen woningmarkt zal iedereen die woonruimte nodig heeft deze vraag met ‘<em>ja’</em> beantwoorden. Maar de praktijk zal moeten leren of dit ook echt gebeurt. Een aardig idee bij deze projecten is dat statushouders kleine betaalde beheertaken op zich kunnen nemen, als eerste stap richting betaald werk.</p>
<p>Tenslotte zijn er nog enkele gemeenten die zelf investeren in huisvesting voor spoedzoekers. Zeer daadkrachtig is Purmerend. Wethouder Thijs Kroeze laat daar met steun van de voltallige gemeenteraad 200 <em>prefab</em>-eenheden van 30 m² neerzetten op drie locaties voor een periode van 10 tot 15 jaar. Het gaat om restlocaties langs invalswegen en op bedrijventerreinen die op dit moment nog niet hun definitieve bestemming kunnen krijgen. 70 Procent van de woningen gaat naar spoedzoekers uit de gemeente die niet in aanmerking komen voor urgentie. De overige 30 procent wordt toegewezen via het WMO-loket. De gemeente neemt ook de volledige investering voor zijn rekening. En dat is een unicum.</p>
<p>De conclusie is dat met name de combinatie flexwonen en een geliberaliseerde woningmarkt een bedreiging vormt voor hurend Nederland. Het zet de deur open voor véél minder huurbescherming en het nóg sneller opdrijven van de huren. Omdat de wetgeving dit soort ontwikkelingen op dit moment geen strobreed in de weg legt, veel beleidsmakers en een deel van onze volksvertegenwoordiging en bestuurders denken dat flexwonen juist de remedie is voor alle kwalen, moet er nu echt paal en perk aan gesteld worden.</p>
<p><u>Gentrificatie</u></p>
<p>De Rotterdamwet betekent dat bepaalde mensen niet zelf mogen bepalen waar ze willen wonen. Natuurlijk was er in sommige wijken echt wel iets aan de hand, er waren zelfs wijken waar de politie angst had om naar binnen te gaan. Maar het verdrijven van bewoners in plaats van het oplossen van de problemen van de inwoners is principieel een verkeerde keuze. Onderzoek in opdracht van de Eerste Kamer naar acht jaar ervaring met de Rotterdamwet laat bovendien zien dat er geen aantoonbare verbeteringen waren in leefbaarheid en veiligheid.</p>
<p>Gentrificatie van wijken zet arme mensen verder op achterstand.  Gentrificatie van wijken is in essentie het verwijderen van (kans)arme huishoudens uit arme wijken, het bouwen voor kapitaalkrachtige en kansrijke huishoudens in die wijken, en het aantrekkelijk maken van die wijken voor die laatstgenoemde doelgroepen – met het slopen van sociale huurwoningen, het bouwen van dure koopwoningen en het steunen van hippe winkels en horeca in plaats van Turkse winkels en theehuizen. Gentrificatie is opwaardering van wijken door een sociaal onrecht. Gentrificatie is de ruimtelijke uiting van klassenongelijkheid. De problemen in arme wijken zijn juist vaak het resultaat van verwaarlozing, doordat de overheid en woningcorporaties er jarenlang niet investeerden in de openbare ruimte, de woningen en de mensen.</p>
<p>Gentrificatie als beleidsinstrument lost problemen in buurten niet op, maar verschuift kwetsbare bewoners naar andere buurten waar nieuwe concentraties ontstaan. Met gentrificatie wordt niet geïnvesteerd in de levenskansen van mensen, bijvoorbeeld via opleiding of werk, maar in stenen. Woningen worden opgeknapt en verkocht, maar dat komt de vorige bewoners nauwelijks ten goede. Pas als koopkrachtige mensen ergens komen wonen, wordt een buurt opgeknapt, met brede stoepen en mooie tegels. Alsof de oude bewoners het investeren niet waard zijn. Gentrificatie draagt bij aan een sociale, economische en ruimtelijke kloof. De nieuwe bewoners, die meestal kopen, profiteren van de stijgende huizenprijzen. Huurders niet.</p>
<p>Dit versterkt de toch al grote vermogensongelijkheid in Nederland. Ruimtelijk zorgt gentrificatie aanvankelijk voor meer diversiteit in de buurt, maar op langere termijn vergroot het de kloof tussen de duurste en goedkoopste buurten in een stad. Daardoor groeien stigma, segregatie en machtsongelijkheid: de problemen van de armere bewoners verdwijnen uit het zicht, terwijl sociale, economische en culturele machten zich concentreren op de zichtbare plekken.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p>Als je de woonlasten structureel wil verlagen en meer stabiel wil maken moet je in de eerste plaats stoppen met iedere subsidie aan woningbezit. Geen hypotheekrenteaftrek meer voor nieuwe hypotheken en een versnelde afbouw van de aftrek voor bestaande hypotheken<em>.</em> Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf. Hypotheken vormen veruit het grootste aandeel van de kredieten in ons land. Nergens ter wereld worden zoveel en zo ruim hypotheken verstrekt. Woningbezit is in ons land, in tegenstelling tot de rest van de wereld, grotendeels op schulden gebaseerd. Dat wordt aantrekkelijk gemaakt door enorme fiscale subsidiëring (25 miljard euro per jaar!) en ruime regelgeving. Deze subsidie en regelgeving drijft de prijzen van woningen enorm op en heeft in 2008-2012 tot een enorme crisis geleidt, met dramatische gevolgen voor onze economie, de belastingbetaler en de woningbezitters die hun hypotheek niet meer konden betalen. Dit dreigt zich te herhalen, want er is nauwelijks iets geleerd en veranderd. Vanuit het buitenland wordt terecht vaak met argwaan gekeken naar dit piramidespel. De enorme hypotheekschulden geven ook een enorm risico bij een volgende crisis: meer dan twee derde van het juridisch bezit van de 90% huishoudens met de slechtste vermogensposities is inmiddels belegd met schulden. Veel beter is: langer huren, geld sparen (ook via de pensioenfondsen, zoals hierna aangegeven) en op latere leeftijd met een kleinere hypotheek kopen (of blijven huren).</p>
<p>In plaats van op particulier woningbezit moeten we betaalbare huur van coöperaties en coöperatief woningbezit stimuleren. We kunnen woningbezit voor lagere en middeninkomens voorts mogelijk maken met een opdracht aan de pensioenfondsen dat zij investeren in woningen voor hun deelnemers. Deze deelnemers kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld deel van hun premie te gebruiken voor het sparen voor de koop van hun woning, die tot dan eigendom blijft van het pensioenfonds, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Bij waardeoverdracht tussen pensioenfondsen blijven de opgespaarde rechten in stand. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Om de ongelijkheid te bestrijden worden hogere inkomens van deze regeling uitgesloten. Ook maken we een subsidieregeling voor deze vorm van sparen voor woningbezit voor lagere inkomens.</p>
<p>We moeten pensioenfondsen ook verplichten tot het oprichten van een gezamenlijke verhuurorganisatie van woningen voor hun gezamenlijke pensioendeelnemers, waarvan zij aandeelhouders worden. Dat blijven ze ook zolang men deelnemer en/of huurder blijft. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken.</p>
<p>Naast het schrappen van subsidie op schulden voor woningbezit moeten we de hypotheekverstrekker risicodrager maken in situaties dat de hypotheeknummer zijn hypotheek niet meer kan betalen – bij inleveren van de woning gaat de schuld wettelijk teniet. Dat zal de verstrekking van risicovolle hypotheken enorm doen beperken.</p>
<p>Ook moeten we de hypotheekregels aanscherpen waardoor je meer eigen geld moet inbrengen, en de afbetaling binnen redelijke termijn verplicht is, waarbij er zwaardere eisen gesteld worden aan de kredietwaardigheid.</p>
<p>Daarenboven moeten we waardevermeerdering van woningen en huurinkomsten zwaarder belasten, om aan de enorme bevoordeling van woningbezitters een einde te maken. In de hier gepresenteerde belastingplannen wordt inkomen in de vorm van waardevermeerdering van bezit gelijk belast met andere vormen van inkomen in een progressief, effectief tarief – zonder vrijstellingen en aftrekposten. Dat vervangt het eigenwoningforfait.</p>
<p>Al deze maatregelen zullen de prijzen van woningen enorm en structureel doen dalen. De huidige subsidiëring en ruime leenmogelijkheden hebben een enorm prijsopdrijvend effect gehad. Daarnaast moeten we maatregelen nemen die de prijsopdrijving door mogelijkheden voor speculatie met woningbezit fors doen beperken. Wonen moet weer gaan om een goede plek voor jezelf, niet om je vermogen te doen vergroten.</p>
<p>Speculatie en huisjesmelkers zijn bronnen van prijsopdrijving bij koop en huur van woningen. We moeten een actief anti-woningspeculatiebeleid voeren. Huisjesmelkers pakken we aan met een nationaal vergunningstelsel voor woningverhuurders. We tolereren niet dat rotte appels het systeem ondermijnen, door bv. teveel mensen in een huis, opsplitsing in piepkleine appartementjes of illegale verhuur via bv. AirBNB. Een Inspectie Volkshuisvesting kan dan boetes opleggen aan eigenaren die zich niet aan de regels houden en vergunningen intrekken. Er moeten snel meer mogelijkheden komen voor gemeenten om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen, bijvoorbeeld met beperking van onderverhuur aan toeristen en expats, door bevoordeling van inwoners in de gemeente, door een woonplicht, etc. Ook moeten gemeenten beperkingen kunnen stellen aan het kopen voor dure verhuur, bijv. door een maximum prijs per m² in te stellen of het kopen voor verhuur gericht toe te wijzen of te verbieden.</p>
<p>Er moet ook een aparte huisjesmelkerstaks komen: een extra belasting voor iedereen die meer dan twee huizen bezit. En een aparte leegstands- en braakliggingsbelasting voor onroerend goed dat niet gebruikt wordt, als ook een planbatenheffing op waardestijging van de grond als de bestemming veranderd – de opbrengst is voor gemeenten ten behoeve van meer (sociale) woningbouw.</p>
<p>Gemeenten moeten gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust kunnen opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten. Het voorkeursrecht voor aankoop van onroerend goed door gemeenten moet daartoe worden uitgebreid door agrarisch gebied daaraan toe te voegen en de vergoeding te baseren op de gebruikswaarde van de grond in plaats van zoals nu op de marktwaarde in vrij economisch verkeer. Ook de onteigening door overheden van onroerend goed in het algemeen belang wordt eenvoudiger gemaakt, en goedkoper door ook hier bij de vergoeding uit te gaan van de gebruikswaarde van de grond. Bij langdurige leegstand moet de gemeente woningen en andere gebouwen kunnen vorderen en voor bewoning geschikt maken en verhuren op basis van de Leegstandswet. We verbieden daarbij gebruiksovereenkomsten (antikraakwonen). Kraken moet weer legaal worden bij langdurige leegstand.</p>
<p>Erfpachtconstructies passen in linkse grondpolitiek. Ze helpen de prijzen van woningen en dus ook de huren laag te houden. Er komt verplichte erfpacht bij gemeenten. Dat is een solidair instrument om prijzen en dus ook huren betaalbaar te houden.</p>
<p>Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren. Het recht op passende, betaalbare huurwoning in eigen woon- of werkgemeente moet worden versterkt, met concrete, meetbare maximale wachttijden. De gemeente moet in de woonvisie aangeven hoe zij die omlaag brengen, met prioriteit voor mensen die urgent een dak boven hun hoofd dreigen te verliezen of al verloren hebben. De gemeente houdt de voortgang daarvan bij en rapporteert daarover openbaar. De provincie en ook het rijk krijgen aanwijzingsbevoegdheden als gemeenten in gebreke blijven. En overheden moeten vooral optreden als we iets signaleren. Inwoners krijgen het recht om hun gemeente daarop aan te spreken en zo nodig bij de rechter af te dwingen.</p>
<p>We moeten tegelijkertijd de mogelijkheden van gemeenten voor lokaal woonbeleid ten behoeve van betaalbaar wonen verruimen. Gemeenten krijgen meer ruimte om de Onroerend Zaak Belasting (OZB) vorm te geven, met bijvoorbeeld hogere tarieven bij dure huizen. We willen overigens beslist geen andere verruiming van gemeentelijke belastingen omdat de ongelijkheid tussen gemeenten met veel en weinig armere inwoners nu al te groot is. Gemeenten krijgen de mogelijkheid en meer bevoegdheden om weer zelf te bouwen.</p>
<p>In de derde plaats (na afschaffen subsidie op woningbezit en beperking schulden voor woningbezit, en beperking mogelijkheden voor speculatie met woningbezit en bouwgrond) moeten we woningprijzen drukken door meer aanbod van betaalbare woningen, nu er door decennia neoliberaal beleid een enorm woningtekort is.</p>
<p>We moeten de komende 10 jaar tenminste 100.000 nieuwe woningen bouwen, onder regie van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Deze moet daartoe nieuwe bevoegdheden en instrumenten krijgen om dat ook af te dwingen. Procedures om te bouwen moeten sneller verlopen. Tenminste 70% van de woningen moeten betaalbare, sociale huurwoningen zijn. Deze komen ter beschikking van mensen met inkomens tot anderhalf modaal (met het loonoffensief ca. 72.000 euro per jaar). Hiermee herstellen we de brede sociale huursector.</p>
<p>We schrappen de categorie ‘middenhuur’ – die huur is voor middeninkomens onbetaalbaar. Omdat private investeerders dit onvoldoende rendabel zullen vinden, gaan we over tot grotendeels publieke ontwikkeling van deze woningbouw.</p>
<p>Daartoe krijgen de woningcorporaties weer subsidie in plaats van belastingen (met prestatieafspraken) en krijgen ook gemeenten meer geld en instrumenten om zelf woningen te bouwen, met een gemeentelijk bouwbedrijf.</p>
<p>De jaarlijkse bouwopgave wordt per regio nader gepreciseerd. Het Rijk neemt dit op in de jaarlijks vast te stellen visie op ruimtelijke ordening, geïntegreerd met andere opgaven die claims geven en beperkingen stellen op de schaarse ruimte (incl. milieuruimte): natuur, klimaatadaptatie, energietransitie, circulaire economie, duurzame mobiliteit, kringlooplandbouw, etc. (zie elders in deze notitie). De minister krijgt daarbij doordrukmacht, de inspraak wordt efficiënter georganiseerd (opdat vergunningen sneller kunnen worden afgegeven) en het individuele belang (nimby) weegt minder zwaar dan het algemeen belang bij procedures. </p>
<p>We herstellen hiermee de brede volkshuisvestingstaak voor het Rijk. Landelijke regie met regionale verschillen is nodig. Er moet snel enorm gebouwd gaan worden. Niet in groene, open ruimte en natuur (zonder dat de dorpen op slot gaan overigens), maar vooral in de stad. Met een divers, aan de woningvraag tegemoetkomend woningaanbod. Gecombineerd met een effectief spreidingsbeleid. Het is bizar dat de politiek spreekt van een wooncrisis en geen idee heeft hoe ze de bouw kan opschroeven¸ maar tegelijkertijd bij de bouw van iedere nieuwe woning in Zuid-Limburg een bijdrage eist voor de sloop van een oude woning. Spreidingsbeleid zorgt voor een efficiëntere verdeling van de woningvoorraad.</p>
<p>Met effectief spreidingsbeleid haal je enerzijds wat druk van het ventiel van de Randstad af. Anderzijds help je krimpende regio&#8217;s, waar nu de scholen, bibliotheken en andere belangrijke voorzieningen hun deuren moeten sluiten. Waar de vergrijzingsdubbel zo hard toeslaat omdat juist de jongeren vertrekken en niet meer terugkomen. Efficiënte ruimtelijke herverdeling kan daarom een cruciaal beleidsinstrument zijn. Om de wooncrisis te lijf te gaan en om de leefbaarheid in zowel de grote steden die kraken in hun voegen als de leeglopende krimpgebieden op peil te houden. Pak het alleen niet halfslachtig aan. Je moet niet een enkele dienst overhevelen, maar zorgen voor het hele pakket aan banen, mensen, voorzieningen en duurzame infrastructuur. </p>
<p>Gemeenten mogen grond niet meer tegen marktprijzen verkopen aan woningbouwcorporaties teneinde lage huren mogelijk te maken.</p>
<p>We definiëren sociale woningbouw tot alleen woningen verhuurd door woningbouwcorporaties. Andere woningen (sociale koop; verhuur door private partijen) tellen niet meer mee voor de ambitie om betaalbare huurwoningen te bouwen – deze blijven vaak niet duurzaam beschikbaar voor betaalbare prijzen. Sociale huurwoningen komen beschikbaar voor lagere inkomens (tot anderhalf modaal). Voor verkoop van deze woningen is toestemming nodig van ministerie van Volkshuisvesting. Deze wordt alleen gegeven indien voor elke verkochte sociale huurwoning er aantoonbaar twee van de laagste categorie worden teruggebouwd.</p>
<p>Er moet tevens een spoedwet komen ter voorkoming en oplossing van dakloosheid volgens het principe van Housing First! Er worden voor 2025 150.000 prefab/ systeembouw-woningen gebouwd met een normaal vast huurcontract. Iedere gemeente krijgt daartoe een taakstelling. Deze zijn bedoeld voor iedereen die dakloos wordt c.q. dreigt te worden, en/of op urgentielijst staat (incl. statushouders taakstelling). Oorzaken van dakloosheid moeten weggenomen worden: meer GGZ-opvang en -begeleiding; adequaat urgentiebeleid bij toewijzing woningen; vroegsignalering bij ‘life-events’ die risicovol zijn (echtscheiding, werkloosheid, etc.); en een wettelijk verbod op huisuitzetting (zeker bij huishoudens met kinderen) zonder alternatieve beschikbare huisvesting, en wanneer schuldhulpverlening wordt aanvaard. Ook het afsluiten van energie en water wordt verboden zonder alternatieve oplossing voor betrokkenen. Vanuit onderdak wordt er passende integrale zorg en begeleiding aangeboden (zoals GGZ, SHV, verslavingszorg, jeugdzorg, etc.).</p>
<p>Er moet ook een spoedwet komen die per direct corporaties verplicht om mensen die kleiner willen wonen een aanbod daartoe te doen met maximaal een gelijke huur. Dit bevorderd de doorstroming. Een verbod op onderhuur moet nietig worden in alle huurcontracten.</p>
<p>Bij de woningopdracht moet er apart aandacht zijn voor de effecten van de te snel en te extreem en te rigide doorgevoerde extramuralisering van de zorg (langer thuis wonen). Dat geldt voor de afbouw van zowel verpleeg- en verzorgingshuizen als van psychiatrische ziekenhuizen. We investeren extra in betaalbare, levensloopbestendige woningen, ook voor mensen met een beperking. Ook voor 18+-jongeren met een licht verstandelijke beperking of autisme krijgen de gemeente en de woningbouwcorporatie daarbij een bouwplicht. Gemeenten zijn nu niet altijd bereid tot het betalen van een woningaanpassing voor een cliënt met een beperking. De cliënt wordt dan alternatieve woonruimte met hogere woonlasten aangeboden, waardoor de cliënt in financiële problemen kan komen. Een woningaanpassing moet daarom weer een recht in plaats van een voorziening worden, met objectieve criteria en ruimte voor maatwerk ten gunste van de cliënt. De financiering hiervan blijft bij gemeenten, zodat ze geprikkeld worden om voldoende levensloopbestendige woningen te laten (ver)bouwen, als eis in hun woonvisie. </p>
<p>Na de verhuurdersheffing moeten we ook de vennootschapsbelasting en de ATAD-heffing voor woningcorporaties afschaffen, en deze heffingen vervangen door een forse, structurele rijkssubsidie van miljarden euro’s. Deze krijgen ze met verplichtingen voor voldoende bouw van betaalbare huurwoningen, waarbij inkomens tot anderhalf modaal toegang krijgen tot sociale huurwoningen, voor renovatie, verbetering en verduurzaming van hun woningen (met speciale aandacht voor het ook levensloopbestendig maken), en voor lagere huren. Corporaties mogen hiermee ook weer investeren in woningen voor middeninkomens (<em>‘</em><em>services for only the poor, are mostly poor services’</em>) en in wijkvoorzieningen.</p>
<p>We moeten voorts de regels van de Autoriteit Wonen en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) enigszins versoepelen, er wordt nu bijv. uitgegaan van te hoge rentes. En we moeten en een verevening uitvoeren tussen woningcorporaties opdat reserves aangewend kunnen worden waar de grootste opgaven bestaan.</p>
<p>In de vierde plaats moeten we de huur meer en beter reguleren. Alle huur moet gaan vallen onder het systeem van de huurbescherming met toepassing van het zgn. puntensysteem (WWS: woningwaarderingssysteem). De liberalisatiegrens vervalt dus. Daarmee wordt ook alle huur gemaximaliseerd.</p>
<p>We moeten tegelijkertijd ook dat puntensysteem moderniseren, waardoor normale basisvoorzieningen niet meer tot extra punten leiden, en de WOZ-waarde eruit verdwijnt (wordt vervangen door het oude systeem, waarbij extra punten worden toegekend wat betreft locatie e.d.), zodat de veel te hoge huizenprijzen niet langer meer doorwerken in de huurprijs. De woonomgeving mag best meetellen, maar dan gebaseerd op de werkelijke woonomgeving, niet de grillige ontwikkeling van de huizenprijzen van de markt, van speculatie en van fiscale politiek. Woningcorporaties moeten hiervoor worden gecompenseerd.</p>
<p>Daarnaast moeten we de inkomensafhankelijke huurverhoging en het concept van <em>‘passend wonen’</em> schrappen. We gaan niet mee in het opjagen en stigmatiseren van huurders. Niet zgn. ‘<em>scheefwoners’</em> zijn het probleem, maar het tekort aan betaalbare woningen. Woningcorporaties worden ook hiervoor gecompenseerd.</p>
<p>Woningdelen helpt om de woningnood te bestrijden, niet als een plicht maar als een recht: er komt een afdwingbaar recht tot onderhuur en woningdelen. In de sociale zekerheid en fiscaliteit worden sancties op woningdelen (kostendelersnorm, partnertoets, verzameltoets) afgeschaft, zoals hiervoor al voorgesteld.</p>
<p>We moeten ook de rechtsbescherming en zeggenschap van huurders versterken (inclusief van kamers/onzelfstandige woonruimtes) en flexhuurcontracten verbieden, zonder uitzonderingen.<a href="#_ftn35" name="_ftnref35">[35]</a> Tijdelijke huurcontracten worden omgezet in vaste contracten. Flexcontracten bedreigen de woonzekerheid. We stoppen daarmee door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. De huurovereenkomsten voor bepaalde tijd voor de duur van twee of vijf jaar verdwijnen. Studenten, jongeren en promovendi hebben recht op vervangende huisvesting (en een verhuiskostenvergoeding). Ook de positie van huurders en gebruikers van recreatieparken en campings moet worden versterkt, opdat ze niet meer zomaar weggejaagd kunnen worden bij verkoop door de eigenaar. Hetzelfde geldt bij volkstuintjes. Recreatiewoningen waar al langdurig normale bewoning wordt gedoogd, moet voor de huidige bewoners gelegaliseerd worden.</p>
<p>Corporaties zijn te vaak teveel vastgoedondernemers geworden. Hun maatschappelijke positionering moet in de wetgeving worden versterkt. Corporaties moeten weer coöperatieven worden, verenigingen van huurders met een maatschappelijke doelstelling en gebonden aan regelgeving, die o.m. nondiscriminatoire toegang en respectering van urgentietoewijzingen garandeert – men moet verplicht bijdragen aan huisvesting van lage inkomens en statushouders. De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, met een statutair beperkt werkgebied, zonder gemeentegrensoverschrijding). De markttoets voor corporaties moet worden afgeschaft. Sociale woningbouw behoort principieel geen concurrentietoets te hebben. Niet de woningmarkt, maar het woonrecht staat hier centraal.</p>
<p>De zeggenschap van huurders moet versterkt worden in corporaties met o.m. instemmingsrecht voor huurprijs-, renovatie- en onderhouds- en het financieel beleid. We moeten zorgen voor huurteams in alle steden en de bezuinigingen terugdraaien op de huurcommissies, en zorgen dat huurders daar altijd gehoord worden voordat een beslissing wordt genomen. De huurder moet daarbij recht op gratis rechtsbijstand hebben. En: we maken het vormen van nieuwe woningcoöperaties makkelijker en faciliteren dat actief.</p>
<p>Al deze maatregelen zullen woonprijzen en ook huurprijzen betekenisvol structureel doen verlagen. En in samenhang met de inkomensverbeteringen die in dit voorstel zijn gedaan worden huren veel beter betaalbaar. Maar het zou zeer onverstandig zijn om geen mogelijkheden meer te hebben om huurders ook zelf nog subsidie te kunnen geven. Lage inkomens en negatieve vermogens (meer schulden dan bezit) concentreren zich bij huurders. Middenhuur is een onzinbegrip – deze huren zijn nu veel te hoog voor de meeste middeninkomens. De huurquote (percentage van netto inkomen dat aan huur besteed wordt) is nu voor veel mensen 40% of hoger.</p>
<p>Daarom moeten we – anders dan we concluderen bij de zorg- en kinderopvangtoeslag – de huurtoeslag <em>niet</em> afschaffen, maar vervangen door een inkomens- en huurafhankelijke huursubsidie verstrekt door de nieuwe minister van Volkshuisvesting. Het parlementair onderzoek naar het kinderopvangtoeslag leert dat de Belastingdienst niet geschikt is voor de uitvoering van uitkeringen en dat het verstandig is dat de verantwoordelijkheden voor beleid en uitvoering in één hand liggen – bij huursubsidie dus bij de minister van Volkshuisvesting. Deze nieuwe huursubsidie moet worden gebaseerd op het inkomen in het jaar voorafgaand aan het jaar van toekenning, waarbij bij grote inkomensachteruitgang op verzoek het huidige jaar als peiljaar kan worden genomen. Zo wordt terugvordering bij wisselende inkomsten voorkomen.</p>
<p>De nieuwe huursubsidie wordt in vergelijking met de huidige huurtoeslag verhoogd en uitgebreid, zodanig dat huurders tot modaal nooit meer zelf aan huur hoeven te betalen dan een kwart van hun besteedbaar inkomen en niet meer dan een derde van het besteedbaar inkomen voor inkomens daarboven tot anderhalf modaal. Daarbij wordt uitgegaan van alleen het inkomen van degenen die contractpartners zijn in het huurcontract (de huidige toeslagpartner-regeling vervalt daarmee). Iedereen vanaf 18 jaar krijgt dit recht, ook bij onzelfstandige woonruimtes (kamerhuur). Net zoals bij een hypotheek voor woningbezitters worden zo tot inkomens van anderhalf modaal de maximale woonlasten hard begrensd.</p>
<p>Het wijkbeleid in de grote steden moet ook weer worden opgetuigd, met een programma waarbij wooncorporaties een natuurlijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. We gaan hier – net als in apart beleid voor krimpgebieden – fors in investeren, en stellen daarvoor miljarden euro’s per jaar ter beschikking. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- opbouw- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid.</p>
<p>We trekken per direct de Rotterdamwet en het daaraan verbonden discriminerende beleid in. Die wet bepaalt dat er in specifieke achtergestelde wijken geen mensen meer bij mogen die geen inkomen uit werk hebben.</p>
<p>In plaats van arme mensen te verdrijven uit hun wijken gaan we weer staan voor hulp van mensen in de wijken waarin ze zelf willen wonen, gaan we een nieuwe ronde van roemruchte sociaaldemocratische stadsvernieuwing aan, waarbij – ook in die traditie – nauw samenwerken en optrekken met de bewoners en hun organisaties, herstellen we de Vogelaarswijken en herstellen we het welzijnswerk. We realiseren volwaardige zeggenschap én onafhankelijke ondersteuning voor bewoners bij plannen voor hun woning, buurt en stad. En in plaats van sociale woningen te slopen gaan we die juist bouwen en renoveren voor lage en middeninkomens, ook in de rijkere wijken. Er komt een Bloemendaalwet in plaats van een Rotterdamwet!</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134451995"></a><strong>7.  </strong><strong>Solidaire Goede Zorg</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Noodzakelijke en nuttige zorg moet van hoge kwaliteit zijn, voor iedereen toegankelijk zijn, solidair gefinancierd, gespeend zijn van marktwerking, en de ongelijkheid in gezondheid en levensverwachting verkleinen.</p>
<p>Goede, toegankelijke en solidaire zorg is een sociaal grondrecht en bij uitstek een publieke voorziening.</p>
<p>Goede zorgpreventie is daarbij een belangrijke voorwaarde.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>De noodzakelijke en nuttige zorg wordt volledig, via één publiek loket, solidair gefinancierd via duurzame subsidierelaties uit de opbrengst van eerlijke, progressieve belastingen. Er zijn geen aparte premies, eigen risico of eigen bijdragen voor de publieke zorg. Verzekeraars en gemeenten hebben daarin geen rol meer.</p>
<p>De publieke zorg wordt verzorgd door niet-commerciële aanbieders – zorgcoöperaties zonder winstoogmerk, waarbij iedereen in loondienst is. Er is geen marktwerking en geen concurrentie, maar verplichte en gereguleerde effectieve samenwerking.</p>
<p>De collectieve zorgkosten worden beheerst door veel meer echte zorgpreventie, sturen op efficiëntie en effectiviteit in plaats van op volume en profijt voor de aanbieder (of zijn eigenaren/financiers), samenwerken, vermijden van overbodige bureaucratie, betere poortwachter werking voor dure zorg en gerichte maatregelen voor lagere prijzen voor medicijnen.</p>
<p>De kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg is hoog, waarbij de specifieke problemen in de ouderenzorg, de ggz en de jeugdzorg zijn opgelost. Er zijn geen wachtlijsten, de cliënt/patiënt heeft keuzevrijheid en eigen regie en zijn privacy wordt beschermd. De rechtsbescherming van cliënten, met name in de jeugdzorg, is sterk verbeterd. Alle zorg is empirisch bewezen werkelijk werkende zorg.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p><u>De individualisering van zorgkosten ondermijnt de solidariteit</u></p>
<p>Bij de invoering van de zorgverzekering in 2006 werd ook de fiscale zorgtoeslag ingevoerd. In de Zorgverzekeringswet (ZVW) werd de oude tweedeling tussen non-profit ziekenfondsen voor de lagere inkomens en de (betere) private zorgverzekeringen voor de inkomens daarboven vervangen door een stelsel voor alle burgers met een verplichte basisverzekering en een vrijwillige aanvullende verzekering. De uitvoering werd in handen gelegd van commerciële verzekeraars, die een acceptatieplicht en een risicoselectie-verbod opgelegd kregen en moesten concurreren om de gunst van verzekerden. Zorgaanbieders moesten tegelijkertijd concurreren om via het proces van zorginkoop gecontracteerd te worden door zorgverzekeraars, en werden steeds meer zorgondernemers in plaats van non-profitinstellingen.</p>
<p>Iedereen moet nu vanaf 18 jaar premie betalen voor de basisverzekering. Deze is deels nominaal – <em>niet</em> afhankelijk van het inkomen – en deels inkomensafhankelijk – deze laatste wordt voor de meeste mensen ingehouden op het loon door de werkgever en door deze afgedragen aan de zorgverzekeraar. Op inkomen uit vermogen (behoudens uit lijfrentes) wordt geen premie ingehouden – renteniers betalen dus alleen nominale premie. Daarnaast zijn er voor sommige zorgkosten (bijv. hulpmiddelen) eigen bijdragen verschuldigd, én is er voor sommige zorgkosten (niet bijv. huisartsen, wijkverpleging) eerst een eigen risico: dat bedrag moet je eerst zelf betalen op jaarbasis.</p>
<p>Om de kosten van nominale premie, eigen bijdragen en eigen risico te kunnen betalen werd voor de lagere en middeninkomens een <em>zorgtoeslag</em> geregeld. Op de zorgtoeslag werd in het afgelopen decennium echter fors bezuinigd, pas met de huidige inflatie/koopkrachtcrisis wordt hij weer meer verhoogd dan de reguliere indexering. Een poging om de nominale premie ook inkomensafhankelijk te maken in Rutte II werd door de VVD geblokkeerd, toen de achterban daartegen in opstand kwam – in plaats daarvan werden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting nog meer inkomensafhankelijk (die voor de laagste inkomens gingen omhoog, voor hogere inkomens juist omlaag). Het eigen risico is in de loop der jaren fors verhoogd, van € 150 per jaar in 2006 naar € 385 nu (sedert 2018 is het bedrag op dat niveau bevroren). De helft van de mensen is jaarlijks het hele eigen risico kwijt, de andere helft verbruikt een deel ervan. Verzekeraars mogen in ruil voor korting op nominale premie ook een hoger vrijwillig eigen risico toepassen – dit is erg verleidelijk én gevaarlijk voor lage inkomens. Er is sprake van dat dit vrijwillig eigen risico afgeschaft gaat worden.</p>
<p>De redenering achter het eigen risico wisselt: soms is de argumentatie dat het een rem zet op het zorggebruik, soms dat het de basispremie laag houdt doordat zieken een deel van hun kosten zelf betalen. De eerste redenering is opmerkelijk omdat het bij het eigen risico om zorg gaat waar een verwijzing van de huisarts voor nodig is. Blijkbaar vindt de huisarts doorverwijzing noodzakelijk, maar het eigen risico moet er vervolgens voor zorgen dat dit advies van de huisarts niet wordt opgevolgd. De tweede redenering is ook opmerkelijk, omdat ziekte daarin klaarblijkelijk wordt gezien als eigen schuld of eigen verantwoordelijkheid: het is kennelijk beter om de kosten door zieken te laten betalen en niet door alle premiebetalers gezamenlijk.</p>
<p>Inmiddels wordt een derde van alle zorgkosten niet-inkomensafhankelijk opgebracht. Oftewel, of je vijftienhonderd euro per maand verdient of vijftienduizend, je betaalt hetzelfde. Het gaat dan om de premie voor de verplichte basisverzekering en de aanvullende verzekering, om het betaalde eigen risico en alles wat mensen rechtstreeks aan zorg uitgeven, onder meer aan eigen bijdragen. Ook in de Wet op de Langdurige Zorg (WLZ) is, anders dan bij haar ruimere voorganger, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), een nominale, dus inkomens<em>on</em>afhankelijke basispremie ingevoerd, die de helft van de kosten dekt. Zorg is daarmee in een heel andere categorie terechtgekomen dan onderwijs, dat bijna volledig via de belastingen gefinancierd is en tot aan het mbo gratis is voor de gebruiker.</p>
<p>Uit onderzoek van het RIVM en het CBS blijkt dat er op een aantal gebieden grote verschillen zijn in zorggebruik tussen laag- en hoogopgeleiden (gecorrigeerd voor gezondheidsverschillen): lage inkomens gaan minder vaak naar de tandarts, naar de fysiotherapeut en naar de specialist. De eerste twee zitten niet in het basispakket en vergoeding is dus afhankelijk van een aanvullende verzekering, voor bezoek aan een specialist wordt het eigen risico aangesproken. De zorgverzekeraars houden gedetailleerd bij in hoeverre de poliskeuze en de keuze voor een aanvullende verzekering samenhangt met leeftijd of geslacht van de verzekerden, maar niet of die keuzes samenhangen met inkomen of de hoogte van de opleiding.</p>
<p>Naast financiële drempels kan ook de complexiteit van het zorgstelsel leiden tot ongelijke toegang. En de complexiteit van het Nederlandse zorgstelsel is het afgelopen decennium sterk toegenomen, constateert de Algemene Rekenkamer. Complexiteit is altijd in het voordeel van mensen die zichzelf toch al goed kunnen redden, het zet mensen die minder mondig of slim zijn op achterstand.</p>
<p>Een andere vorm van ongelijkheid wordt veroorzaakt door de grote verschillen in de zorg die gemeenten bieden (de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, WMO) en de eigen bijdrage die ze ervoor vragen. In de ene gemeente krijg je de aanleg van een traplift vergoed, in de andere niet, in de ene gemeente is er veel hulp beschikbaar om als verstandelijk beperkte toch zelfstandig te kunnen wonen, in de andere vrijwel niets. Deze verschillen zijn voor het overgrote deel niet terug te voeren op verschillende behoeften van gebruikers, maar op financiële keuzes.</p>
<p>Als mensen minder zorg krijgen dan nodig heet dat in beleidsjargon <em>zorgmijding</em>. Een term die suggereert dat het aan de patiënt of hulpbehoevende ligt dat hij of zij de zorg niet tot zich neemt. ‘<em>Zorgmijder’</em> doet denken aan junks en daklozen, aan verwarden die niet door hebben dat ze hulp nodig hebben, aan zorgbehoevenden die zich opsluiten achter de geraniums terwijl de hulpverleners in groten getale op de stoep staan. Of aan doktersangst of over-optimisme. Zorgmijding bestaat, maar voor mensen waar geen zorg voor is of die de benodigde zorg niet kunnen betalen, is ‘<em>zorgtekort’</em> of geldtekort misschien een adequatere term. In 2016 publiceerde het blad <em>Binnenlands Bestuur</em> een onderzoek waaruit bleek dat ruim een kwart van alle hulpbehoevenden afziet van gemeentelijke zorg of ondersteuning vanwege de gestegen kosten.</p>
<p>Het aantal mensen dat geen aanvullende verzekering heeft is de afgelopen tien jaar flink gestegen: van zeven procent in 2006 naar zestien procent nu. Dat betekent dat ruim twee miljoen volwassenen zelf de tandarts en fysiotherapie betalen – of er niet naartoe gaan. Volgens onderzoek van het CBS gaat dertig procent van de mensen met een laag inkomen niet naar de tandarts wegens de kosten – bij hoge inkomens is dat tien procent.</p>
<p>Het onderzoeksinstituut Nivel deed in opdracht van het ministerie een onderzoek naar zorgmijding en ontdekte dat het percentage mensen dat niet naar de specialist gaat terwijl de huisarts hen daarnaar heeft doorverwezen, tussen 2008 en 2013 fors toenam: van 18 naar 27 procent. Maar, schrijft de minister in een reactie hierop aan de Tweede Kamer, het is niet bewezen dat dit komt door de verhoging van het eigen risico die in diezelfde periode plaatsvond. Want het eigen risico ging in 2013 harder omhoog dan in 2012, terwijl de sterkste toename van de ‘vervolgzorg-mijders’ (zo heten ze echt) in 2012 plaatsvond. Bovendien: <em>‘Het afzien van (vervolg)zorg is niet per se ongewenst. Soms gebruiken mensen terecht geen (vervolg)zorg omdat bijvoorbeeld zonder zorg de klacht vanzelf overgaat.’</em></p>
<p>Hoe bewijs je of mensen ongezonder worden door minder of minder goede zorg? Dat vergt niet alleen uiterst nauwkeurig maar ook zeer langdurig onderzoek. Maar dat onderzoek vindt nu niet plaats. Het onderzoek dat wel plaatsvindt is te kenschetsen als ‘<em>exculpating by association’</em>, oftewel vrijpleiten-door-associatie. Zo wordt in beleidsstukken graag aangehaald dat lagere inkomens korter leven door hun ongezondere leefgewoonten. Dat is waar, maar het betekent niet dat die kortere levensverwachting niet ook te maken kan hebben met ongelijke toegang tot zorg. Bovendien is het de vraag of verslechteringen in de zorg pas erg zijn als mensen er letterlijk zieker door worden of er korter door leven. Er is ook nog zoiets als kwaliteit van leven. Daar kun je als samenleving ook geld voor over hebben.</p>
<p>Door velen wordt de stelling verkondigd dat de zorg in ons land door de vergrijzing onbetaalbaar en onuitvoerbaar (door gebrek aan zorgpersoneel) dreigt te worden. Hoge zorgkosten zouden ook slecht zijn voor de economie. Ingezet wordt op een beperking van het pakket in de verplichte basisverzekering, op (nog!) meer mantelzorg (alsof die niet te leiden heeft van de vergrijzing) en digitalisering (e-health), en voor de langdurige zorg dat mensen langer thuis <em>moeten </em>blijven wonen.</p>
<p>De zorgkosten bedroegen in 2021 ca. 125 miljard euro, een forse stijging vooral door de coronacrisis, ruim een kwart van de totale overheidsuitgaven. Tegelijkertijd blijkt al jaren dat de groei van de zorgkosten gelijk opgaat met de groei van ons bbp, het nationaal inkomen wat we met elkaar verdienen. De zorgkosten bedragen ca. 13 procent van het bruto binnenlands product. Gezien het belang dat mensen hechten aan goede gezondheidszorg is dat eigenlijk een koopje. De voorspelling van het Centraal Planbureau (CPB) dat de zorgkosten de komende 25 jaar verder zullen stijgen, hangt nauw samen met de verwachting dat we in die 25 jaar ook rijker worden, en wie rijker wordt hecht aan betere – en dus duurdere – zorg. Die rijkdom schept echter ook ruimte om meer zorg te betalen. Bovendien worden veel producten in de loop van de tijd goedkoper – telefoons, vliegvakanties, huisinrichting, informatie – en ook dat schept ruimte voor toenemende zorgkosten. Overigens kunnen die collectieve zorgkosten fors verlaagd worden, gelet op de enorme prijsopdrijvende prikkels in het huidige zorgstelsel (zie verderop in deze notitie).</p>
<p>Dat het aantal zorgwerkers enorm is en de behoefte stijgt is wel een reëel probleem. Maar de fixatie op beteugeling van de zorgkosten belemmert een oplossing. In het vorige decennium is fors bezuinigd op de salarissen van zorgwerkers, en de marktwerking vergroot het probleem – de scherpe prijs die zorgverzekeraars uitonderhandelen met zorgaanbieders gaat vaak ten koste van het personeel. Ook de werkdruk, de bureaucratie en het gebrek aan professionele autonomie spelen een grote rol, maar ook hier is het de marktwerking die in zijn staart bijt – er moet enorm veel verantwoord worden. Dat speelt ook bij de WMO-zorg, waarbij zorgverleners soms wel tot op de minuut moeten verantwoorden wat ze doen, er veel controle met controleurs in plaats van vertrouwen georganiseerd wordt en aanvragers met bijv. een levenslange chronische ziekte of beperking niettemin gedwongen worden jaarlijks dat opnieuw aan te tonen. En bij care en cure voelen professionals zich beknot in hun regelruimte om patiënten/cliënten goed te helpen en wordt steen en been geklaagd over de bureaucratisering van de zorg – de frustratie in de sector is groot. Allen wijzen daarbij naar gemeenten en verzekeraars.</p>
<p>Iedereen in de zorg klaagt voorts over de werkdruk. Arbeidstekorten lopen op, waardoor vaak duurdere zzp-ers moeten worden ingehuurd, na jarenlange verwaarlozing van arbeidsvoorwaarden (met bevriezing of zelfs verlaging van lonen en ingewisseld worden door goedkopere krachten) en opleiding.</p>
<p>Vooral in de care verdwenen banen. Kort na de financiële crisis van 2008 was het mede aan de zorg te danken dat de werkloosheid in Nederland nauwelijks steeg: er werden van 2009 tot 2012 veel nieuwe mensen aangenomen om de werkdruk te verlichten en de kwaliteit van de zorg (geen pyjamadagen meer!) te verbeteren. Die werkgelegenheid verdween onder Rutte II even snel als ze gekomen was. Daarnaast leverden werkenden in de zorg inkomen in. Soms om daarmee bezuinigingen voor patiënten en cliënten te voorkomen, zoals het akkoord dat het kabinet in april 2013 sloot met werkgevers en vakbonden in de zorg. Een deel van de bezuinigingen uit het kersverse regeerakkoord werd daarmee teruggedraaid, bekostigd door het inleveren van loon door werknemers.</p>
<p>Ook de groeiplafonds van de ggz en de ziekenhuizen kosten salaris. Toen de ggz-instellingen in 2012 een plafond opgelegd kregen, werden de lonen meteen voor twee jaar (in 2013 en 2014) bevroren. In de ziekenhuizen gebeurde dat niet, maar gaan de groeiplafonds wel vaak ten koste van het verplegend personeel.</p>
<p>Sinds de marktwerking in de zorg onderhandelen de zorgverzekeraars met zorginstellingen over hun prijs, en zo’n scherpe prijs gaat vaak ten koste van het personeel. De FNV bekeek de jaarverslagen van 299 instellingen voor verpleging en verzorging en zag dat de loonkosten als deel van de totale kosten daalden van 70,26 procent in 2013 naar 67,39 procent in 2015.</p>
<p>Dan het argument dat hoge collectieve zorgkosten slecht zouden zijn voor de economie. Tot een paar jaar geleden rolde dit uit de modellen van het CPB. Die modellen gingen er in navolging van neoklassieke economen vanuit dat hoge belastingen en (zorg)premies de lust tot werken verminderen en daarmee de economische groei frustreren. Het CPB heeft deze modellen inmiddels aangepast, omdat is gebleken dat het arbeidsethos veel minder afhangt van het nettoloon dan gedacht. Zorg is bovendien net als andere sectoren ook een <em>‘motor van de economie’</em>: er wordt geproduceerd, er worden behoeften bevredigd en er verdienen 1,3 miljoen mensen hun geld mee, dat ze vervolgens weer uitgeven aan de bakker, de aannemer of een nieuwe auto.</p>
<p>Nu de CPB-modellen zijn aangepast maakt het economisch ook weinig meer uit of de zorgkosten collectief of individueel worden opgebracht. Dat is een hard gelag voor wie de afgelopen jaren met de CPB-rapporten in de hand pleitte voor het individualiseren van de zorgkosten. Het verhogen van het eigen risico, hogere eigen bijdragen of een kleiner basispakket wordt weer wat het hoort te zijn: een ideologische keuze. Wie vindt dat kosten voor ziekte en hulpbehoevendheid een eigen verantwoordelijkheid zijn, of misschien zelfs eigen schuld (‘<em>dan had je je er maar beter tegen moeten verzekeren’</em>), of dat zorg een ‘<em>consumptiegoed’</em> is waarbij het inkomen nu eenmaal bepaalt hoeveel je ervan kunt consumeren, zal kiezen voor het individualiseren van de zorgkosten. Maar haal de economie er niet bij.</p>
<p>Voor Nederland als geheel zijn de zorgkosten dus beslist niet onbetaalbaar, gezien het overzichtelijke percentage van het nationaal inkomen dat ze beslaan. Maar voor sommige mensen zijn ze dat wel, en dat heeft alles te maken met de verdeling van de kosten. Het argument dat ‘<em>een gemiddeld gezin nu al meer dan een vijfde van het inkomen kwijt is aan zorg’</em> wordt vaak gebruikt om bezuinigingen te bepleiten. Het zou echter vooral een reden moeten zijn om de zorgkosten anders te verdelen. Want als de zorgkosten evenredig verdeeld zouden zijn over alle inkomens, dan zouden ze hoogstens zo’n 13 procent van het inkomen beslaan.</p>
<p>Steeds meer mensen maken zich ongerust over de zorg, blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). ‘<em>Er is serieuze ontevredenheid, die niet zelden gebaseerd is op eigen ervaringen (als familie, buurtgenoot en beroepsmatig)’</em>, stelt het SCP vast in het rapport <em>Zorgen over de zorg</em>. De zorgen gaan vooral over de bezuinigingen, de veranderingen in de zorg en de hoge zorgkosten. En dan gaat het niet over de ‘betaalbaarheid van de zorg’ waar de overheid het vaak over heeft. Het SCP-rapport: ‘<em>Men maakt zich wel zorgen over de betaalbaarheid, maar dan voor zichzelf of voor kwetsbare groepen</em>.’</p>
<p>De hoge kosten voor het gemiddelde gezin hebben alles te maken met de individualisering van de zorgkosten én de manier waarop het collectieve deel van de zorgkosten is verdeeld. Individuele zorgkosten drukken per definitie harder op lage dan op hoge inkomens, en het collectieve deel van de zorgkosten wordt vrijwel louter gefinancierd uit de inkomensafhankelijke premies op arbeid, en dan vooral op de middeninkomens. De premies op arbeid zijn een overblijfsel uit het verre verleden, toen het ziekenfonds er vooral was voor ‘<em>loontrekkenden’</em>.</p>
<p>De eenvoudigste manier om de zorglasten eerlijker te verdelen is om ze uit de algemene belastingen te betalen, zoals met onderwijs ook gebeurt. Daardoor drukken ze veel minder op arbeid dan in het huidige systeem, want een grot deel van alle belastinginkomsten in Nederland komt uit omzetbelasting, accijnzen, vennootschapsbelasting en allerhande andere niet-arbeidgerelateerde belastingen. Naarmate een groter deel van het nationaal inkomen wordt verdiend met kapitaal (vermogen, winst), en dat is de huidige trend, wordt het steeds onlogischer om de zorgkosten louter te financieren via premies of belastingen op arbeid.</p>
<p><u>Collectieve zorgkosten: gereguleerde marktwerking tussen zorgverzekeraars</u></p>
<p>Overigens zijn de oorzaken van de stijging van de absolute kosten van de zorg nooit goed onderzocht. Het temmen van de kostenstijging in de zorg was een belangrijk doel van de in 2006 ingevoerde zorgverzekering. Het omgekeerde gebeurde. Hoewel velen juist wijzen naar het nieuwe systeem, en met name de ‘<em>gereguleerde marktwerking’</em> daarin, als <em>oorzaak</em> van de kostenstijging, wilde het ministerie van VWS dat nooit onderzoeken. </p>
<p>Marktwerking drijft de kosten op verschillende manieren op. Verzekeraars geven aan dat de winsten die zij maken noodzakelijk zijn om weerstand op te bouwen bij onverwachte tegenvallers, maar hun reserves liggen inmiddels op een niveau dat circa tweemaal hoger ligt dan de eisen van De Nederlandsche Bank. Dat zorgverzekeraars claimen verlies te draaien komt omdat zij eerst te hoge marges afromen voor o.m. deze reserveringen.<a href="#_ftn36" name="_ftnref36">[36]</a> </p>
<p>Verzekeraars en zorginstellingen moeten grote financiële buffers aanleggen, omdat hun nering – in ieder geval in theorie – ieder moment naar de concurrent kan vertrekken (de hoogte van de verplichte financiële buffer van een ziekenhuis neemt zelfs toe naarmate er in de buurt meer private klinieken zijn).<a href="#_ftn37" name="_ftnref37">[37]</a> Marktwerking veroorzaakt dus dat zorgverzekeraars aan solvabiliteitseisen moeten voldoen en er daardoor miljarden euro’s aan reserves nutteloos op de plank ligt. Verzekeraars besteden jaarlijks ruim 250 miljoen aan reclame en marketing en dat gaat steeds meer ook gelden voor zorgverleners.</p>
<p>Voorstanders van marktwerking gaan er vanuit dat hier veel kostenvoordelen tegenover staan, omdat zowel verzekeraars als zorgverleners zich geprikkeld voelen om zo efficiënt mogelijk te werken. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) haalt die stelling echter hard onderuit, in het rapport <em>Strengthening health system governance</em>. In het hoofdstuk over Nederland wordt ons zorgsysteem minutieus gefileerd. Het is een grote fout om efficiency te verwarren met kostenmatiging, stellen de onderzoekers van het Europese Observatory van de WHO. De gereguleerde marktwerking leidde op sommige punten tot grotere efficiëntie, maar als ondertussen het aantal behandelingen sterk wordt opgevoerd, stijgen de kosten. En in een marktsysteem hebben zowel de zorgaanbieders als de verzekeraars belang bij het opvoeren van het volume, aldus de WHO.</p>
<p>De gereguleerde marktwerking in de zorg levert een bizarre constructie op, van verzekeraars die niet meer mogen concurreren op prijs (wie stelt die dan vast?) en polisvoorwaarden, maar alleen op kwaliteit van de dienstverlening en op de aanvullende verzekering. Ze mogen daar echter geen reclame over maken en ook geen marketingkosten maken. Verzekerden mogen ook nog steeds kiezen tussen verzekeraars, maar hoe ze weten waarom ze een bepaalde verzekeraar zouden moeten kiezen? Verzekeraars worden gewantrouwd door het overgrote deel van de verzekerden, de zorgprofessionals en de zorgaanbieders, maar hun positie bij het contracteren van zorg wordt versterkt. Waarom verzekeraars daarbij nog zouden kiezen voor doelmatige zorg blijft volstrekt onduidelijk, ze mogen ook geen winst meer uitkeren, maar moeten die investeren in de gezondheidszorg. Er wordt geheel aan voorbijgegaan dat zorgverzekeraars inmiddels gewoon onderdeel geworden zijn van de financiële industrie en alle daaraan verbonden problemen – de wolf is los. De prikkels die tot de huidige waterbedeffecten en tekorten leiden worden volstrekt genegeerd.</p>
<p>Op tal van plekken in de zorg is er inmiddels een waterbedeffect: hoe harder er op het ene gebied gedrukt wordt, hoe meer het waterbed op andere plekken omhoog veert. Huisartsen kregen het in korte tijd van alle kanten drukker: met mensen die eigenlijk sociale problemen hebben maar daarvoor geen aanspreekpunt meer hebben, met behandelingen van diabetici en andere chronisch zieken die vroeger naar een ziekenhuis werden doorverwezen, en met mensen die vroeger in een tehuis geplaatst werden, maar tegenwoordig thuis moeten blijven wonen. En harder werken is tot daar aan toe, maar minder goede zorg kunnen bieden is erger. Er zijn steeds meer schrijnende situaties. Ook huisartsen hebben steeds meer te weinig tijd, en steeds meer stoppen daarom zelfs uit frustratie.</p>
<p>Het waterbed stulpt ook uit bij de eerstehulpposten van de ziekenhuizen. Alles komt daar samen: mensen die vanwege het hoge eigen risico te lang wachten voor ze hulp zoeken en met spoed alsnog geholpen moeten worden, ouderen die langer thuis wonen en vaker vallen, geestelijk zieken die vaker op straat verkeren en acuut zorg nodig hebben. En deze patiënten kómen niet alleen bij de eerste hulp, ze zijn er vaak ook moeilijk weg te krijgen: veel mensen kunnen niet naar huis omdat ze er te slecht aan toe zijn, maar plekken in een verpleegtehuis of een ggz-instelling zijn niet te vinden. Met als gevolg dat ziekenhuispersoneel eindeloos aan het bellen en regelen is. Doordat veel specialisten ingezet moeten worden op de spoedzorg ontstaan er voor de ‘<em>gewone’</em> behandelingen wachtlijsten, wat er weer toe leidt dat meer mensen op de spoed terechtkomen. Er wordt gruwelijk onderschat dat een deel van de mensen het niet redt zonder betaalde hulp. Helpen om het dagelijks leven te leiden: het klinkt misschien futiel maar het is voor veel mensen van levensbelang.</p>
<p>Een heel ander soort waterbedeffect is dat ziekenhuizen ‘<em>dure’</em> patiënten doorverwijzen naar andere ziekenhuizen, onder het mom dat dit andere ziekenhuis betere zorg kan bieden. Want nu dure medicijnen voor bijvoorbeeld kankerbehandeling sinds 2012 onder het ziekenhuisbudget vallen én de ziekenhuizen zich moeten houden aan het kostenplafond krijgen academische ziekenhuizen opvallend vaak ‘<em>dure’</em> patiënten doorverwezen.</p>
<p>Toen de Zorgverzekeringswet (ZVW) in 2006 werd ingevoerd werd gesteld dat de behoeften en wensen van de gebruikers van het systeem — de patiënten — centraal zouden staan. Als surrogaat voor deze rol van patiënten is de zorgverzekeraar naar voren schoven. In theorie misschien een aardige gedachte, in de praktijk blijkt dit toch echt anders uit te pakken en leidt het tot de paradoxale situatie dat de patiënt de verzekeraar — nota bene zijn vertegenwoordiger in het stelsel — nauwelijks meer vertrouwt.</p>
<p>Verzekeraars hebben te maken met twee groepen mensen die eigenlijk volstrekt tegengestelde belangen hebben: aan de ene kant patiënten die tegen elke prijs zo goed mogelijk willen worden behandeld, en aan de andere kant de veel grotere groep gezonde premiebetalers die zo min mogelijk premie af willen dragen. In feite vormen de zorgverzekeraars dus de hefboom bij de solidariteit die tussen gezonde premiebetalers en patiënten zou moeten bestaan. Met gefixeerde budgetten hebben zorgverzekeraars moeite die balans goed te vinden en is het zelfs de vraag of zij dit ooit naar behoren kunnen doen.</p>
<p>Professionals en patiënten kunnen helemaal niets tegen de verzekeraars inbrengen. Patiënten zijn sowieso de grote afwezigen in veel verhalen over de zegeningen van marktwerking. Er wordt vaak uitsluitend over consumenten gesproken en daarmee doelt men op alle verzekerden: gezonde mensen, die we hierna de premiebetalers zullen noemen, én de patiënten, die beroep moeten doen op zorg die door kostenbesparingen plotseling buiten het basispakket valt.</p>
<p>De terminologie van consumenten verhult een verschil in belangen; in een sociaal systeem overbrugt solidariteit deze belangen, maar in een context van marktwerking wordt dit een belangenconflict. De premiebetaler wil een kleiner pakket als dit een lagere premie impliceert, de patiënt heeft zorg nodig en dus een ruimer pakket.</p>
<p>Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) signaleert dit verschil niet, aangezien zij stelt dat de inkoopmacht van de verzekeraars nuttig is ‘<em>zolang de gevolgen ten goede komen aan de consument’</em>. Bedoelt de NZa hier de premiebetaler of de patiënt? Vermoedelijk de eerste; maar door het onderscheid niet te maken raken de mensen die zorg nodig hebben buiten beeld. Het lijkt erop dat het hele stelsel voor de premiebetaler is ingericht, waarbij de patiënt op zijn best een stoorzender is in een anders zo soepel lopend systeem.</p>
<p>Voorstanders van gereguleerde marktwerking benadrukten destijds dat verzekerden de macht zouden krijgen <em>‘met de voeten te stemmen’</em>, zoals dat heet, en zorgverzekeraars te corrigeren. Dat leek een sterk argument, want in het oude stelsel ontbrak die invloed goeddeels. Wie in het ziekenfonds zat — de meerderheid van de bevolking — had sowieso niets te kiezen. Sinds 2006 kunnen burgers vrij kiezen tussen zorgverzekeraars, die vaak meerdere polissen aanbieden en hen niet mogen weigeren voor de basispolis. In de praktijk maken weinig mensen er gebruik van. Het overstappercentage varieert al jaren slechts tussen de 6 en 7% en bijna driekwart van de totale bevolking stapte sinds 2006 nooit over.</p>
<p>Ongeveer 70 procent van de bevolking heeft een collectieve zorgpolis. Dat betekent dat van de circa 1,1 miljoen Nederlanders die dit jaar van verzekeraar wisselden, de meeste die keus niet zelf maakten, uit overtuiging. Zij volgden gewoon hun werkgever, die in de meeste gevallen vooral wil dat de polis goedkoop is. Er is nul transparantie, behalve over de prijs van polissen. Wat het verschil in kwaliteit is tussen verschillende polissen — geen burger heeft een idee. Ze kunnen kiezen uit zwarte dozen. Niettemin wordt er veel geld besteed aan reclame en acquisitie (vergoedingen aan tussenpersonen en intermediairs): zo’n 36 plus 217, dus in totaal 253 miljoen euro per jaar. De agressiefste verzekeraars zijn de grote vier: Zilveren Kruis Achmea, CZ, VGZ en Menzis.</p>
<p>De kostenbeheersing in de zorg wordt volledig gestuurd door prijsprikkels. Zorgverzekeraars moeten zo scherp mogelijk inkopen, verzekerden moeten kosten en baten van de verschillende polissen tegen elkaar afwegen. De overheid heeft slechts een beperkte rol. Zij creëert de randvoorwaarden waarbinnen zorgverzekeraars moeten opereren: een voor iedereen toegankelijk basispakket en een verbod op selectie aan de poort. Om dit laatste te bewerkstelligen worden zorgverzekeraars met veel ‘<em>dure’</em> verzekerden gecompenseerd door zorgverzekeraars met minder risico’s. Met deze voorwaarden moet de toegankelijkheid en betaalbaarheid van het stelsel als geheel gegarandeerd zijn. Het lijkt een mooie constructie: de overheid stelt randvoorwaarden, daarbinnen doet de markt zijn werk.</p>
<p>Bij de vormgeving van de ZVW is uitgebreid aandacht besteed aan de risico’s die een grotere rol voor zorgverzekeraars met zich mee zou kunnen brengen. Er werd vooral gevreesd voor risicoselectie en concurrentie op prijs in plaats van op kwaliteit. Om deze zorgen te ondervangen kwam er een acceptatieplicht voor zorgverzekeraars en een verbod op premiedifferentiatie: iedereen moet als verzekerde worden geaccepteerd en iedereen moet een gelijke polis met dezelfde premie krijgen. Formeel houden alle verzekeraars zich aan de wet maar in de praktijk blijken sommige de doelstelling van de wet te omzeilen. Zo hoeft er maar één onderdeel te verschillen en er is al geen sprake meer van ‘dezelfde’ polis. Dat biedt talloze mogelijkheden om op basis van gezondheidsrisico’s obstakels op te werpen. Soms worden potentiële klanten subtiel afgeschrikt. Nadat ze hun geboortedatum hebben ingetypt, krijgen ouderen bijvoorbeeld het bericht dat zij zich alleen schriftelijk en niet via de website kunnen aanmelden. Wel een belemmering, maar inderdaad geen weigering.</p>
<p>Omgekeerd wordt ook geadverteerd voor polissen voor een specifieke doelgroep — zoals hoogopgeleiden. Formeel geen polis op basis van gezondheidskenmerken (dat is verboden), maar feitelijk wel: statistisch gezien is deze groep gezonder. Verzekeraars kunnen aan iedereen die tot een bepaalde groep behoort, kortingen aanbieden. Bijv. voor hoogopgeleiden, voor studenten of voor ‘<em>young professionals’</em>, die gemiddeld lagere risico’s kennen. Premiedifferentiatie, hoewel wettelijk verboden, vindt op grote schaal plaats. Pas sinds kort is deze collectiviteitskorting verboden.</p>
<p>De wijze waarop de zorgverzekeraars de kosten proberen te beteugelen leidt tot aantasting van het fundament van onze zorgverzekering: onderlinge solidariteit. De spotjes en advertenties waarmee de verzekeraars ieder jaar in november en december nieuwe klanten proberen te trekken, roepen ons op om vooral kritisch te kiezen: <em>‘Betaal alleen voor wat je nodig hebt.’</em> Verzekeringen waren ooit bedoeld om risico’s te spreiden: ik betaal nu mee aan jouw fysiotherapie en later betaal jij voor wat ik nodig heb. Die solidariteitsgedachte is in het huidige stelsel ver te zoeken. Wanneer wij mensen bewust blijven stimuleren om toch vooral hun eigen belangen te behartigen, zal die egoïstische mentaliteit nog verder doordringen tot de haarvaten van onze samenleving.</p>
<p>Van machtsevenwicht door marktwerking is totaal geen sprake. Verzekeraars zijn oppermachtig, terwijl de NZa en de minister ook nog een behoorlijke vinger in de pap hebben. Alle drie gebruiken de premiebetaler als mascotte — <em>‘wat wij doen is goed voor de mensen, want lekker goedkoop’</em> — om de zorgverleners, zorginstellingen en patiënten voor het blok te zetten en de mond te snoeren. De premiebetaler (‘<em>consument’</em>) als woordvoerder voor de gezonde mensen ontneemt patiënten de legitimiteit en ruimte om hun stem te verheffen.</p>
<p>Het eerder genoemde WHO onderzoek signaleert nog een groot aantal andere nadelen van het Nederlandse systeem. Verzekeraars blijken bijvoorbeeld te weinig verstand te hebben van de zorg om op een goede manier met ziekenhuizen te kunnen onderhandelen. In een marktsysteem is de kans ook groter dat spelers toetreden ‘<em>met dubieuze motieven’</em> en dat er prikkels zijn die ‘<em>conflicteren met het publieke belang’</em>. De integriteit van spelers in de zorg is vaker ter discussie komen te staan, door een aantal schandalen rond zorginstellingen en de manier waarop de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) haar taak uitoefende. Ook ontbreekt een belangrijke voorwaarde voor marktwerking: grote inzichtelijkheid in de kosten, en dat komt juist weer doordat marktpartijen als verzekeraars hun informatie niet graag prijsgeven, stelt de WHO.</p>
<p>De maatregelen die ervoor zorgden dat de zorgkosten sinds 2013 tot de coronacrisis nauwelijks meer toenemen, hebben in elk geval alles behalve met marktwerking te maken. De kosten in de care (de ondersteuning en verzorging van ouderen en gehandicapten) daalden door de toegang te beperken, de kostenstijging in de cure (de ziekenhuizen, GGZ-instellingen en huisartsen) werd beperkt door via groeiplafonds in feite het budgetteringssyteem weer in te voeren. Daarnaast stelde de minister ook maximumprijzen vast voor een deel van de medicijnen en voor tandartsbehandelingen, nadat de vrije prijsvorming volkomen uit de hand liep. ‘<em>Misschien is het tijd dat ook de meest fundamentalistische believers toegeven dat het experiment met marktwerking in de gezondheidszorg is mislukt’,</em> schreef Marcel Levi, toen directeur-bestuurder van het AMC, al in 2016 in het blad <em>Medisch Contact</em>. Hij wil af van het ‘<em>elkaar tegenwerken en beconcurreren, zoals het evangelie van de marktwerking voorschrijft’</em>. Er is juist veel meer samenwerking nodig in de zorg. Inmiddels predikt ook Rutte IV meer samenwerking, maar hoe zich dat verhoudt met de ook nog steeds beleden marktwerking en concurrentie is volstrekt onduidelijk.</p>
<p><u>Collectieve zorgkosten: concurrentie tussen (steeds vaker: commerciële) zorgaanbieders</u></p>
<p>Misschien nog wel een groter probleem dan de gereguleerde marktwerking tussen zorgverzekeraars is die tussen zorgaanbieders. Marktwerking frustreert samenwerking niet alleen omdat zorgverleners elkaars concurrenten zijn, maar ook omdat in een ‘<em>markt’</em> samenwerking al gauw beschouwd wordt als kartelvorming – en dat is verboden. Zoals bij de twee thuiszorgorganisaties, eentje ten noorden en eentje ten zuiden van het Noordzeekanaal, die het zonde vonden dat hun medewerkers vaak lang in de file stonden om bij patiënten aan de andere kant van het kanaal te komen en afspraken om de klanten aan de andere kant van het kanaal over te laten aan hun collega-organisatie. De toenmalige NMa (Nederlandse Mededingingsautoriteit, inmiddels opgevolgd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM)) legde de thuiszorgorganisaties miljoenenboetes op wegens het beperken van de concurrentie.</p>
<p>Het is in ieders belang zijn als ook aanbieders van thuiszorg onderling afspraken maken, zodat medewerkers hun baan houden, cliënten kunnen blijven rekenen op hun vertrouwde hulpverlener en zorgaanbieders weten waar zij aan toe zijn. Dat is echter een ‘<em>marktverdelingsafspraak’</em> en die zijn in principe verboden: dergelijke afspraken nemen de prikkel weg om te innoveren en op prijs te concurreren – alsof een verdere verlaging van salarissen in de thuiszorg nog verantwoord zou zijn.</p>
<p>Concurrentie kan ook tot gevolg hebben dat maatschappelijk gewenste voorzieningen niet gerealiseerd worden. Bijvoorbeeld: een woningcorporatie wil samen met een aanbieder van thuiszorg een complex ouderenwoningen bouwen. Het is in dat geval logisch dat de thuiszorgorganisatie garanties vraagt dat ouderen die zorg nodig hebben deze ook bij die organisatie zullen afnemen. Ook dat is nu een in principe verboden marktverdelingsafspraak.</p>
<p>De heringevoerde <em>goodwill</em> van de huisarts laat goed zien wat marktwerking ook meer fundamenteel doet: het ondermijnen van gemeenschapszin en het publieke belang. Goodwill is dat een startende huisarts een bedrag betaalt aan de vertrekkende collega om zijn patiënten te mogen overnemen. Van oudsher was de goodwill-som de pensioenvoorziening van de vertrekkende arts. Echter in de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd deze pensioenconstructie niet meer als passend gezien. De gedachte was dat de lokale gemeenschap ook iets te zeggen zou moeten hebben bij de opvolging van een huisarts en dat niet het geld van de meestbiedende opvolger bepalend mocht zijn. Dus werd er een pensioenfonds in het leven geroepen, waar alle huisartsen verplicht aan deel moesten nemen.</p>
<p>Bovendien werd er per gemeente een vestigingscommissie ingesteld met daarin vertegenwoordigers van de lokale huisartsen, de gemeente, patiëntenorganisaties en verzekeraars. Deze gezamenlijke commissies hadden het laatste woord bij het aanwijzen van de opvolger. Zo konden de belangen van de huisarts en van de lokale gemeenschap tegen elkaar worden afgewogen. En uiteraard werd goodwill vragen verboden. De huisdokter was een publieke functionaris, ingebed in de lokale gemeenschap en de patiënten waren geen handelswaar, die aangeboden konden worden aan de meestbiedende.</p>
<p>Dat was toen, lang geleden. In de 1990-er jaren kwam het idee, dat de zorgsector gezien moest worden als een markt, waar de aanbieder een zorgproduct aanbiedt aan de vragende zorgconsument. De producenten moeten concurreren om de gunst van de vrager, dat brengt de kosten omlaag en de kwaliteit omhoog. Ook over de huisartsenzorg werd deze marktlogica heen gelegd, en daar paste de vestigingscommissie niet in. Lokale inbedding en medezeggenschap waren relikwieën uit de jaren 1960, een sta in de weg voor innovatie en competitie. Weg er mee dus, de mededingingswet werd van toepassing en de vestigingscommissies werden afgeschaft met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006. Ondertussen zitten we met een al te bekend patroon: het door de gemeenschap betaalde pensioen (de pensioenpremie is verwerkt in de publiek gefinancierde tarieven) is gebleven, echter diezelfde gemeenschap is de zeggenschap over de huisartsenzorg kwijtgeraakt.</p>
<p>De parallel met banken en bankiers is treffend: de risico’s publiek, de opbrengsten privaat. Huisartsen en bankiers: voor hun bestaanszekerheid staat de samenleving garant en vanuit deze comfortabele zekerheid kunnen ze risicoloos de opbrengsten in eigen zak steken.</p>
<p>Het was de tijd waarin de financiële dienstverlening aan de regels van de markt werd onderworpen, pensioenfondsen vrij mochten gaan beleggen, waarin het toezicht op de banken werd versoepeld en waarin de Postbank, die in overheidshanden was en zich toelegde op dienstverlening aan de burgers, geprivatiseerd werd. Allemaal heel bewust genomen maatregelen die gerechtvaardigd werden met het idee dat regels en bemoeizucht van buiten af het zegenrijke vrije spel der marktkrachten maar in de weg zouden staan. Daarbij werd in moreel opzicht de gedachte aangewakkerd dat bankiers en zorgverleners ondernemers moesten zijn: het honorarium, letterlijk ereloon, werd vervangen door een inkomen dat samenhing met de gehaalde omzet. En die omzet werd dan geheel toegeschreven aan de inspanningen van die ene bankier of huisarts. De wolf in ons is toen heel bewust aangemoedigd en de gemeenschapszin in ons als ouderwets betiteld.</p>
<p>Zo gelooft Rijkman Groenink tot op de dag van vandaag dat het alleszins redelijk en moreel gerechtvaardigd is dat hij zo’n grote bonus meekreeg en zo is er bij goodwill vragende huisartsen dezelfde legitimatie: zo doen we het toch allemaal, het is mijn individuele verdienste, het zou zonde zijn zo’n goed lopend bedrijf dat ik zelf heb opgebouwd voor niks weg te geven. Zij zien zich niet als hebzuchtige wolven, maar als hardwerkende ondernemers die beloond worden voor hun prestaties.</p>
<p>Maar het wegnemen van instituties, die sociaal gedrag bevorderen en het gezamenlijk belang behartigen, was een bewuste, politieke beslissing. De moraal van individuele prestaties die beloond werden naar gelang de omzet, en niet meer naar gelang de toegevoegde waarde, komt uit de koker van de Chicago School of Economics en druppelde langzaam maar zeker door in steeds meer maatschappelijke sectoren: van markteconomie naar marktsamenleving.</p>
<p>Op een subtiele manier zijn ons denken en onze mentaliteit doordrongen geraakt van de logica van de markt ten nadele van het besef van onderlinge afhankelijkheid. En werd de financiële opbrengst belangrijker dan de toegevoegde waarde. Meningen en mentaliteit zijn geen vanzelfsprekendheid, daarover vindt ideologische strijd plaats. Het resultaat van die ideologische strijd slaat neer in de hoofden van mensen. De wolf in ons allemaal is losgelaten en aangemoedigd.</p>
<p>Het systeem van marktwerking in de zorg heeft ook perverse effecten naar zorgverleners. Zie de terugkomst van de kosten van goodwill bij huisartsen (waarom schaffen we die niet weer gewoon af, in plaats van ze te beperken), die afgewenteld worden op het collectieve systeem, en de kosten van het huidige maatschap-systeem bij medisch specialisten.</p>
<p>Meer in het algemeen zijn de netto-inkomsten van sommige zorgondernemers ver boven wat de Wet Normering Topinkomens als norm stelt in de publieke sector. Deze wet wordt ook omzichtig omzeild: zo kreeg Loek Winter, de topman van de inmiddels failliet gegane ziekenhuizen van zijn MC Groep in Amsterdam en Lelystad, een aanstelling van 7,5 dag per week (geen typefout!). Een week heeft weliswaar maar 7 dagen maar op deze manier kon hij meer salaris binnen de regels ontvangen! Ondertussen werd de oorzaak van het faillissement gelegd bij de hoge inhuurkosten van het personeel. Tegelijkertijd is er in de hele zorg dramatisch bezuinigd op zowel het aantal arbeidsplaatsen, de salarissen als de overige arbeidsvoorwaarden aan de onderkant van de arbeidsmarkt in de zorg, zoals in de thuiszorg en de huishoudelijke zorg. De vlucht naar het zzp-schap is vooral veroorzaakt door de bezuiniging op de arbeidsvoorwaarden. Nu er weer personeelstekort is, kunnen zorgwerkers meer geld verdienen als zzp-er.</p>
<p>Er zitten nogal wat tegenstrijdigheden in het huidige zorgbouwwerk. Het systeem gaat er vanuit dat je als financier (de verzekeraars) pas goed onderhandelt met zorgverleners als je de concurrentie van andere verzekeraars in je nek voelt. Maar het effect daarvan is dat verzekeraars soms zorgverleners dusdanig het vel over de neus halen dat zorgbehoevenden en zorgpersoneel het gelag betalen. Het zorgbouwwerk gaat er ook vanuit dat je als zorgverlener pas echt je best doet als je met andere zorgaanbieders concurreert om de gunst van de klant, maar in de praktijk moeten zorgverleners vooral de verzekeraars te vriend houden, soms ten koste van zorgbehoevenden. Het bouwwerk gaat er vanuit dat je als zorgbehoevende pas ophoudt met naar dokters gaan als je er zelf voor (bij)betaalt. Maar voor je het weet willen premiebetalers dan juist <em>‘waar voor hun geld’</em> en eisen ze een doorverwijzing naar een specialist of maken ze in december nog snel de fysiobehandelingen op waar ze ‘<em>recht’</em> op hebben. De steeds assertievere houding van <em>‘zorgconsumenten’</em> die steeds meer ontaardt in agressie jegens zorgverleners is ook een rechtstreeks gevolg hiervan.</p>
<p>Terwijl de zorgkosten sinds 2001 sterk stegen de uitgaven voor preventie niet mee stegen en sinds kort zelfs dalen. Verzekeraars hebben nu eenmaal geen belang bij preventie-activiteiten, omdat de baten bij anderen terechtkomen. In Engeland, waar in de geestelijke gezondheidszorg alles is gericht op de zogeheten ‘<em>vroegsignalering’</em> en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn, heeft duidelijk te maken met de NHS, de <em>National Health Service</em>, waardoor anders dan hier, al het zorggeld uit één pot komt en er in de hele ‘<em>keten’</em> vanuit dezelfde ideeën wordt samengewerkt.</p>
<p>Dat de zorgkosten niet ‘<em>onbetaalbaar’</em> of ‘<em>slecht voor de economie’</em> zijn, neemt niet weg dat het van groot belang is om er niet méér miljarden aan te besteden dan nuttig en nodig is. En daar valt nog veel te verbeteren. Niet door bot te bezuinigen, kosten te individualiseren of de toegang tot zorg te beperken op de manier waarop dat de afgelopen jaren gebeurde, maar door heel precies te kijken waar onnodige zorgkosten vandaan komen.</p>
<p>Het grote manco van het huidige Nederlandse systeem is dat zorgverleners betaald worden voor volume en niet voor goede zorg. En mensen gaan zich gedragen naar het financieringssysteem. In het boek <em>Zorginnovatie</em> beschreef zorgeconoom Schrijvers het <em>cappuccinomodel</em>. Zijn voorstel is om het inkomen van zorgverleners vooral te baseren op de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast krijgen ze een klein bedrag per ingreep of per consult (de melk) en ook nog een klein bedrag bij uitzonderlijk goede prestaties of bij innovaties (het schuim). Dat is de manier waarop nu bijvoorbeeld huisartsen al betaald worden. Kleine bedragen voor de geleverde productie zijn genoeg om mensen scherp en actief te houden, leerde Schrijvers uit de gedragseconomie, terwijl grote bedragen overproductie stimuleren.</p>
<p>In dit model kunnen de verzekeraars worden omgevormd tot uitvoeringskantoren, bijvoorbeeld per landsdeel of regio. Zij verdelen het geld over de zorgverleners en instellingen. Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget.</p>
<p>Volgens Gert Westert, hoogleraar kwaliteit van zorg aan het Radboud Universitair Medisch Centrum, geciteerd door Mirjam de Rijk in ‘<em>De kosten in de zorg’ </em>in <em>De Groene </em>kan er in ziekenhuizen zeker twintig procent worden bespaard als artsen anders worden betaald én elkaar veel meer aanspreken op hun manier van werken. Hij gaat er vanuit dat in de cure zo’n dertig procent van de zorg niet of nauwelijks te maken heeft met het medische nut ervan maar slechts voortkomt uit het aanbod. <em>‘De vraag om zorg voegt zich naar het beschikbare aanbod. De specialist die tegen de patiënt zegt: “Ik zie u graag over drie maanden even terug” omdat hij dan ruimte heeft in zijn agenda, niet omdat het medisch noodzakelijk is.’</em> In Scandinavië, waar artsen en specialisten in loondienst zijn, wordt er minder snel geopereerd, stelde hij vast. Zo blijkt er bijvoorbeeld in veel gevallen een alternatief voor galblaasverwijderingen mogelijk.</p>
<p>Door inzicht te krijgen in verschillen tussen regio’s en tussen zorgverleners in hoe ze handelen bij aandoeningen kan er veel meer onderling gesprek ontstaan over wat werkt en wat niet werkt, denkt Westert: ‘<em>Zonder die informatie blijft het mistig in de zorg.</em>’ Hij krijgt er tot nu toe echter weinig handen voor op elkaar. ‘<em>Er wordt in Nederland eerder gesneden in dat wat juist voor mensen waardevol kan zijn, zoals de ouderenzorg, dan in behandelingen die onnodig zijn. Ik ben daar echt verbaasd over.</em>’ Het systeem van concurrerende verzekeraars bemoeilijkt de informatie-uitwisseling, constateert hij: ‘<em>Dat merk ik bij mijn ambitie om een zorgatlas van Nederland te maken. Verzekeraars geven gewoon de informatie niet vrij, omdat het bedrijfsgeheim is.</em>’ Bij zijn pleidooi voor het onderling vergelijken van zorgbehandelingen heeft Westert het trouwens beslist niet over de manier van vergelijken die de laatste tijd in een aantal media populair is, namelijk van de prijzen die ziekenhuizen voor bepaalde behandelingen vragen. Die prijskaartjes zijn nu ‘<em>volstrekt artificieel’</em> en als zorginstellingen worden gedwongen om van iedere behandeling de werkelijke kosten te berekenen, betekent dat alleen maar een berg extra bureaucratie.</p>
<p>Een andere belangrijke oorzaak van de stijgende collectieve zorgkosten is dure nieuwe medische technologie. Van een groot deel van die technologieën is nooit bewezen dat ze beter werken dan de oude, goedkopere. Zo heeft ieder zichzelf respecterend ziekenhuis inmiddels voor operaties een Da Vinci-robot, zonder dat ooit vast is komen te staan dat de resultaten daarvan beter zijn dan het chirurgische handwerk. Westert: ‘<em>Medische technologie is net iets te vaak</em> <em>toys voor de boys</em>. <em>Er wordt gedaan alsof medische technologie een autonome ontwikkeling is, maar het is natuurlijk gewoon een beslissing of je zo’n robot aanschaft.’</em> Het zou een belangrijke rem op de zorgkosten kunnen zijn als nieuwe, duurdere technieken pas worden vergoed als ze aantoonbaar voordeel hebben voor de kwaliteit van leven of de levensverwachting van de patiënt, stelt hij. Dat zouden we direct moeten doen.</p>
<p>Het is voorts meermalen bewezen dat een concentratie van zorgaanbod om complexe behandelingen van ingewikkelde aandoeningen goed uit te voeren onontkoombaar is. Maar daar is ons systeem momenteel helemaal niet op ingericht. Immers: ziekenhuizen moeten concurreren met elkaar en willen daarom allemaal zoveel mogelijk specialismen in huis: iedereen een 24-uurs spoedeisende hulp, een intensive care en kleine stukjes complexe zorg tussen veel grotere stukken minder complexe zorg. Ze hebben zoveel mogelijk CT-scans en MRI’s en willen bovendien allemaal een PET-scan en een operatierobot voor zichzelf. Vanuit het oogpunt van kwaliteit is dit nauwelijks verantwoord en daarnaast is het extreem kostbaar. Pogingen om bijvoorbeeld hoogcomplexe zorg te concentreren in een kleiner aantal, regionaal slim gepositioneerde ziekenhuizen die door de aard van hun activiteiten wel een intensive care, goed geoutilleerde spoedeisende hulp en dure scanapparatuur kunnen hebben, stranden op de beperkte mogelijkheden voor regionale samenwerking binnen een stelsel van marktwerking. Zo wordt nu kartelvorming in verband met een gelijk speelveld in de markt verboden. Door het voorstel om de marktwerking compleet uit te bannen in de zorg en samenwerking te verplichten wordt hieraan tegemoet gekomen.</p>
<p>Misschien wel het grootste probleem is dat het Nederlandse zorgsysteem langzamerhand voor niemand meer te begrijpen is. Het drijft zowel hulpbehoevenden als de 1,3 miljoen mensen die in de zorg werken tot wanhoop. En dat geldt niet minder voor alle instanties en ambtenaren die tot taak hebben de boel te controleren of zorgbeleid te maken. Het <em>zorglabyrint</em> kost bakken vol energie: van het jaarlijks kiezen van de beste zorgpolis tot de opwinding over een onbegrijpelijke rekening van een zorgverlener, of het doolhof waar je in terechtkomt als je voor een hulpbehoevend familielid uit moet zoeken waar hij of zij terecht kan – en wat daarvoor betaald moet worden. Zorgorganisaties hebben, als ze werk doen dat valt onder de WMO (Wet maatschappelijke opvang) te maken met tientallen verschillende aanbestedingsmethoden, inhoudelijke eisen en controle-eisen van evenzovele gemeenten. Doen ze werk dat valt onder de zorgverzekeringswet (ZVW), dan moeten ze dealen met verschillende verzekeraars die allemaal hun eigen kwaliteitscriteria, onderhandelingsmethode en controlesysteem hanteren. En wie pech heeft, heeft zowel met de verzekeraars als met de gemeenten als met de zorgkantoren (die het geld van de Wet langdurige zorg toekennen) te maken. Door het voorstel om te werken met één loket en één collectieve financieringsbron voor <em>alle</em> publieke zorg, zonder verzekeraars en gemeenten, met alleen publieke zorgaanbieders, zonder private bijdragen (premies, eigen risico, eigen bijdragen) wordt hiervoor een oplossing geboden.</p>
<p>Zorginstellingen worden nu geacht van al hun behandelingen de precieze kosten in kaart te brengen, zodat verzekeraars en patiënten via de prijs kunnen bepalen welke zorginstelling het efficiëntst of in ieder geval het goedkoopst is. Probleem is alleen dat het voor zorginstellingen vrijwel onmogelijk is om al hun handelingen en al hun kosten te koppelen aan individuele patiënten en behandelingen. Dan moet de specialist die twee minuten langskomt omdat een collega even wil overleggen over een patiënt daarvoor tijd schrijven op die patiënt, en ieder karretje dat in het ziekenhuis wordt verplaatst moet worden toegerekend aan aparte behandelingen. De zogeheten diagnose-behandel-combinatie (DBC) werd opgevolgd door de DOT, wat staat voor ‘<em>Diagnose Behandel Combinatie Op weg naar Transparantie’</em>. De enorme toename van deze bureaucratie is volgens sommigen de belangrijkste oorzaak van de kostenstijging. De verzekeraars trekken zich ook weinig aan van DBC’s of DOT’s. Zij stellen aan het begin van het jaar een bedrag per zorginstelling vast, en het is vervolgens aan de ziekenhuizen om de behandelingen als het ware toe te rekenen aan dat budget. Vandaar de eerder genoemde ‘<em>artificiële prijskaartjes’</em>. Maar deze prijskaartjes bepalen wél hoeveel eigen risico iemand kwijt is aan de behandeling.</p>
<p>Een vervelende bijwerking van de gereguleerde marktwerking in de zorg is de massale en extra bureaucratie. De registratie van duizenden DBC’s en verrichtingen met telkens wisselende definities die soms zelfs met terugwerkende kracht worden ingevoerd om het systeem maar draaiende te houden leiden tot een enorme registratiedruk bij zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Tel daarbij op de administratieve last die zorgprofessionals ondervinden bij het registreren van talloze parameters die zouden bijdragen aan het kwantificeren van kwaliteitsindicatoren en dan begrijp je de wanhoop die zich af en toe meester maakt van artsen en verpleegkundigen die nauwelijks meer aan hun ‘echte’ werk toekomen. Dat moet stoppen.</p>
<p>De zorgverzekeraars zijn sinds 2015 ook verantwoordelijk voor het betalen van de wijkverpleging en dat pakte dramatisch uit. In het nieuwe systeem heeft de wijkverpleegkundige een spilfunctie. Net als de huisarts mag hij of zij indicaties stellen en dus bepalen hoeveel zorg iemand nodig heeft. Verzekeraars willen de zorguitgaven in de hand houden en hebben er belang bij dat wijkverplegers geen al te <em>‘dure’</em> diagnoses stellen. Daar wordt stevig op gecontroleerd, met als gevolg minutenzorg, alles gebaseerd op wantrouwen. Er wordt gestuurd op kostenbeheersing en op het voorkomen van fouten. Of eigenlijk vooral: op het afschuiven van de aansprakelijkheid voor fouten en budgetoverschrijdingen via contracten, protocollen, codes en controles. De spilfunctie voor de wijkverpleegkundige komt door het geïnstitutionaliseerde wantrouwen niet van de grond. Een standaard-zorgvraag bestaat niet en laat zich dus moeilijk vangen in protocollen en productcodes. Als wijkverpleegkundigen de ruimte krijgen om het maatwerk te leveren dat van hen verlangd wordt, kan dat leiden tot meer zelfredzaamheid van ouderen en kostenefficiëntere zorg.</p>
<p>In plaats van de nadruk te leggen op contracten en indicaties, moeten we meer kijken naar wat werkt. Hoe help je iemand met een hersenbloeding het best? In de huisartsenzorg, die wordt gezien als goede manier om mensen weg te houden uit de duurdere ziekenhuiszorg, is dat heel normaal. De wijkverpleegkundige kan die functie ook hebben. Maar dan moet hij wel zijn werk kunnen doen. Er moet meer vertrouwen zijn. Niet vooral producten monitoren en minuten registreren. Maar met verzekeraars als contracterende partijen zal dat niet lukken.</p>
<p>De zorgverzekeraar ziet vooral misstanden bij verpleegkundigen die geen contract hebben met de verzekeraar. Net als in andere takken van zorg bewaken verzekeraars de budgetten door contracten af te sluiten met zorgaanbieders. Daarin maken ze afspraken over hoeveel zorg de verzekeraar inkoopt bij de instelling. Handig voor verzekeraars, die dan zeker weten dat de kosten niet uit de klauwen lopen. Vanwege de vrije artsenkeuze kunnen patiënten ook kiezen voor een zorgaanbieder die geen contract heeft met hun zorgverzekeraar. Bij niet-gecontracteerde zorginstellingen hebben verzekeraars minder grip op de kosten. De verzekeraar is verplicht om in elk geval een deel van die zorgkosten – zo’n 75 procent – te vergoeden.</p>
<p>Dat zorgverzekeraars en het ministerie niet blij zijn met deze constructie is geen geheim. Het ministerie probeerde in 2014 de wet te wijzigen. Verzekeraars zouden niet-gecontracteerde zorg niet meer hoeven te vergoeden. Maar dat plan sneuvelde in de Eerste Kamer. Verzekeraars gooiden het daarna over een andere boeg. Zilveren Kruis Achmea lanceerde in het voorjaar 2017 het plan om wijkverplegers zonder contract geen indicaties meer te laten stellen.</p>
<p>Veel mensen associëren bureaucratie met de overheid, maar de marktwerking in de zorg heeft de bureaucratie alleen maar vergroot. GGZ Nederland berekende dat van de 6,5 miljard die de GGZ jaarlijks kost, er 1,4 miljard opgaat aan administratie en verantwoording.</p>
<p>Ook is er geen evenwicht in de relatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. In de zorg klagen driekwart van de zorgverleners dat zorgverzekeraars hun belemmeren in het geven van goede zorg. Als ze de zorgverzekeraar niet tegemoetkomen, krijgen ze minder betaald, kunnen ze een boete krijgen of verliezen ze hun contract. Zorgaanbieders klagen dat zij sinds 2014 te maken hebben met fikse kortingen waarbij zij de keuze hebben om geen contract af te sluiten, met alle risico’s van dien, of te ‘<em>tekenen bij het kruisje’</em>. Op deze manier worden de kosten beheerst door zorgaanbieders te dwingen onder de kostprijs te werken. Buiten de patiënt om hebben zorgverzekeraars afspraken gemaakt over een maximumaantal behandelingen per zorgverlener.</p>
<p>De felste kritiek op de zorgverzekeraars komt van kleine zorgverleners als de paramedici (logopedisten, fysiotherapeuten, diëtisten, oefentherapeuten, etc.) en psychotherapeuten — ZZP’ers of in dienst van kleine zorginstellingen. Volgens hen hebben de verzekeraars te veel macht gekregen en misbruiken ze die bij de zorginkoop. Een van de belangrijkste oorzaken daarvan is dat vier zorgverzekeraars zo’n 90 procent van de markt in handen hebben, na vele fusies en overnames in de afgelopen twee decennia. In bijna elke regio hebben één of twee verzekeraars materieel een monopolie. Dat resulteert volgens de NZa, die er onderzoek naar deed, in standaardcontracten voor kleine zorgaanbieders, waarbij niet of amper over de prijs te onderhandelen valt. Ze willen zich organiseren om meer marktmacht tegenover de verzekeraar te kunnen stellen, maar dat wordt hen met steun van de ACM onmogelijk gemaakt.</p>
<p>Al in 2015 stelde een internationale onderzoeksgroep van gezondheidsbeleidsexperts vast dat de administratieve kosten van Nederlandse ziekenhuizen, op de Verenigde Staten na, het hoogst waren van alle onderzochte landen: bijna twintig procent. De overheidsbemoeienis en de bureaucratie namen sinds de invoering van de gereguleerde marktwerking alleen maar toe, stelt het eerder genoemde rapport van de WHO. Er moest regelmatig worden ingegrepen bij uitwassen van de marktwerking (te veel verkregen geld terugeisen van ziekenhuizen, voorkomen dat er een grote groep onverzekerden zou ontstaan, de misère rond de diagnose-behandel-combinaties) en er kwam een hele batterij van instanties om de markt in goede banen te leiden. Veel mensen associëren bureaucratie met de overheid, maar de marktwerking in de zorg heeft de bureaucratie alleen maar vergroot.</p>
<p>De commercialisering van het zorgaanbod leidt daarbij tot steeds extremere misstanden, die eigenlijk geen <em>‘uitwas’</em> meer zijn, maar de kern van het huidige zorgsysteem raakt, zoals Mirjam de Rijk in De Groene aantoont.<a href="#_ftn38" name="_ftnref38">[38]</a> <em>‘Een nog geweldiger beleving voor zowel de zorgverlener als de cliënt.’ </em><em>‘Nooit eerder in de geschiedenis investeerde een bedrijf zoveel om de problemen voor ouderen, hun dierbaren en hun verzorgers op te lossen.’ </em><em>‘Goed nieuws! hsk en Mentaal Beter bundelen hun krachten om de mentale gezondheid van Nederland op een nog hoger plan te brengen.’ </em>Afgaande op de persberichten en sites van grote investeerders is het een feest voor de samenleving als zij zorginstellingen opkopen. En dat opkopen gebeurt de laatste jaren in rap tempo. Huisartsen, de ggz, de ouderenzorg, fysiotherapiepraktijken, tandartsen: steeds vaker komen zorgverleners in handen van private equity en internationale beursgenoteerde bedrijven. Als patiënt of cliënt heb je er vaak geen weet van, want de naam op de gevel wordt bewust niet veranderd. Het eigendom daarentegen wel en dat heeft grote maatschappelijke gevolgen.</p>
<p>In 2021 kochten investeerders in Nederland voor 2,7 miljard euro aan zorgorganisaties op en in 2022 voor 2,5 miljard euro, blijkt uit de cijfers van adviesbureau Deloitte. De kopers zijn vaker grote internationale partijen en bij twee derde van de overnames was de koper een private equitybedrijf. Deloitte houdt alleen de overnames bij van minstens vijf miljoen euro, dus in werkelijkheid zijn de totalen hoger. Veel huisartsenpraktijken, fysiotherapeuten en psychologen gaan namelijk voor minder dan vijf miljoen over de toonbank.</p>
<p>Dat de belangstelling van private equity-partijen voor de zorg zo toeneemt, komt volgens Matthijs van Thiel de Vries van Deloitte vooral doordat er <em>‘heel veel geld is bij die partijen’.</em> Bovendien was geld lenen tot voor kort vrijwel gratis. En investeerders hébben niet alleen veel geld, ze lenen vooral ook heel veel geld: overnames zijn vaak voor minstens de helft gefinancierd met leningen. <em>‘Gezondheidszorg is een aantrekkelijke investering met weinig risico’</em>, concludeert Van Thiel de Vries. <em>‘De vraag naar zorg neemt alleen maar toe.’ </em>Ook nu de rente stijgt zal het opkopen niet snel verminderen, verwacht hij, want veel kopers hebben hun financiering al vooruit geregeld. Bureaus als Deloitte die deze overnames begeleiden – het bureau noemt zichzelf <em>‘onbetwist marktleider in transacties in de zorg’</em> – varen er wel bij. Naast een vast bedrag krijgen zij een percentage van de overnamesom.</p>
<p>Van oudsher zijn zorgaanbieders in Nederland instellingen zonder winstoogmerk (vaak stichtingen) of zelfstandige zorgverleners (huisartsen, fysiotherapeuten, tandartsen). Die laatsten maken weliswaar winst, maar dat is in feite loon. Dat verandert radicaal met de komst van private equity-partijen en beursgenoteerde bedrijven; zij hebben winst als expliciet doel. Private equity-bedrijven kopen met vermogen van kapitaalbezitters – particulieren, verzekeraars, pensioenfondsen – en met leningen. Beursgenoteerde bedrijven financieren overnames vaak via aandelen. Private equity-bedrijven staan ook wel bekend als ‘<em>sprinkhaankapitalisten’</em>, omdat ze snel geld willen verdienen en hun prooi vervolgens weer van de hand doen. Het verschil met beursgenoteerde bedrijven is echter minder groot dan vaak wordt gedacht. Ook die doen aan kopen-en-weer-verkopen, en beide streven ze naar snelle groei en hoge rendementen.</p>
<p>Hoe deze investeerders geld verdienen aan de Nederlandse gezondheidszorg, verschilt per sector. Een rondgang legt elf verdienmodellen bloot, waarbij regelmatig langs de randen van de wet gezeild wordt. Ook wordt duidelijk dat er weinig over is van het adagium dat er op de zorg geen winst gemaakt mag worden. Daartoe worden door deze commerciële partijen de krenten uit de pap genomen en de verliesposten aan de niet-commerciële partijen en de overheid gelaten.</p>
<p>De geestelijke gezondheidszorg (GGZ) is misschien niet de eerste sector waaraan je zou denken als het gaat om winstgevendheid. Hoe valt er nou te verdienen aan de ggz? Toch is juist hier private equity aan een opmars bezig. Een van Nederlands grootste ggz-ketens, <em>Mentaal Beter</em>, werd twee jaar geleden opgekocht door Apax. Dit private equitybedrijf heeft een totaal aan wereldwijd geïnvesteerd kapitaal van vier miljard euro en is in Nederland ook eigenaar van Opdidakt, AlleskITs, Vitalmindz, De Gezonde Zaak en de hsk-groep. Deels gaat het hier om ggz en jeugdzorg, deels om arbodiensten. Apax betaalde voor Mentaal Beter 190 miljoen euro. De formule waarmee ze deze investering terugverdienen is simpel. De investeerders richten zich op de ‘<em>lichte’</em> ggz-zorg, en bieden die vaak digitaal aan. Daardoor zijn niet alleen weinig gebouwen nodig, het levert relatief ook hoge vergoedingen op voor relatief goedkope behandelingen die worden bekostigd door zorgverzekeraars en gemeenten. De ggz-aanbieder Mindler van een Zweedse investeringsmaatschappij werkt zelfs alleen maar met digitale psychologen. Het bedrijf betrad in 2019 de Nederlandse markt en deed zeker in coronatijd goede zaken. Zo blijft de zwaardere en duurdere ggz-zorg over voor de oorspronkelijke ggz-organisaties, vaak stichtingen zonder winstoogmerk. Dit zogeheten <em>‘cherry picking’</em> is een belangrijke veroorzaker van de wachtlijsten in de ggz, constateerde de Rekenkamer in 2020. Investeerders vissen de lucratieve krenten uit de pap en de mensen die de meeste zorg nodig hebben, belanden op eindeloze wachtlijsten.</p>
<p>Tot voor kort konden exploitanten van ggz-zorg ook veel verdienen met wat in jargon ‘<em>dbc-upcoding’</em> heet: het aantal behandelingen zó uitkienen dat je in een fors hogere vergoedingsklasse komt, en vervolgens de behandeling stoppen. Daar heeft het ministerie inmiddels een stokje voor gestoken: sinds begin vorig jaar is er een ander vergoedingensysteem waarin ‘<em>upcoding’</em> veel minder loont.</p>
<p>Een tweede verdienmodel zijn hoge huren in woon-zorgcomplexen. Tien jaar geleden besloot het kabinet-Rutte II om de bejaarden- en verzorgingshuizen zoetjesaan te gaan sluiten, en verpleeghuizen alleen nog te reserveren voor zeer hulpbehoevende ouderen. <em>‘U vindt dat toch veel fijner, en trouwens: voor ons is het veel goedkoper’</em>, was de kenmerkende boodschap. Ouderen zouden voortaan zo lang mogelijk thuis blijven wonen, met zorg aan huis.</p>
<p>Daarmee lag het veld open voor commerciële exploitanten. Want lang niet iedereen kan of wil thuis blijven wonen (traplopen, eenzaamheid), en voor zorgverleners is het ook best onhandig om al die aparte woningen af te reizen. Dus verrezen er al gauw overal particuliere ‘<em>woonlandschappen’</em>, ‘<em>zorgsuites’</em> en andere woon-zorgcomplexen – soms in het gebouw dat voorheen het verzorgingstehuis was. Dat was ook precies de bedoeling van het kabinet: de markt de ruimte geven. Minister Blok van Wonen reisde niet voor niets internationale vastgoedbeurzen af om grote beleggers naar Nederland te lokken.</p>
<p>Het verdienmodel van de commerciële woon-zorgcomplexen is eenvoudig: hoge huren en servicekosten vragen voor de woningen, en de zorg overlaten aan de plaatselijke huisarts, thuiszorg en andere zorgverleners. Tenzij er ook aan de zorgvergoeding goed te verdienen is (zie hierna het derde verdienmodel). Niet alleen private equity en grote beleggers sprongen trouwens in het gat, maar ook goedbedoelende kleine zorgondernemers. Gemeenten gaven hun graag korting op het vastgoed, want wie is er niet dol op maatschappelijke ondernemers? Inmiddels zijn veel van die initiatieven opgekocht door grote investeringsmaatschappijen, vooral vanwege het waardevolle vastgoed.</p>
<p>Winst maken op zorg-met-verblijf (intramuraal) is in Nederland verboden, maar in de woon-zorgcomplexen wonen de mensen officieel ‘<em>thuis’</em>. Dan geldt het winstverbod niet en dus bepaalt de verhuurder de prijs. Een appartement in een particulier woon-zorgcomplex kost per maand al gauw 2000 euro aan huur en servicekosten, oplopend tot 6000 euro of meer. Wie dat niet kan betalen, moet alsnog thuis blijven wonen, hoe ‘<em>zorgongeschikt’</em> dat huis ook is. Veel commerciële zorgexploitanten zijn gevestigd in landen die belastingontwijking faciliteren.</p>
<p>Gré Wiskerke is directeur-bestuurder van Leyhoeve Zorg BV, met woon-zorgcomplexen in Tilburg en Groningen. Dat alleen de beter bedeelden in de Leyhoeve kunnen wonen, vindt ze <em>‘wel een punt’</em>. <em>‘Maar de tweedeling in de maatschappij is er nu eenmaal.’ </em>Leyhoeve Zorg levert de zorg aan de huurders van de appartementen van Leyhoeve Vastgoed BV. Beide bv’s zijn eigendom van de Amerikaanse investeringsmaatschappij Heitman. De opening in 2016, toen de Leyhoeve nog niet was opgekocht door Heitman, werd opgeluisterd door een zeer enthousiaste staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA), die verzekerde dat ‘<em>iedereen’</em> hier terechtkon. Heitman is in Nederland een relatief kleine speler; veel groter zijn Orpea en Korian, twee Franse beursgenoteerde ondernemingen met beide een omzet van zo’n vier miljard euro. Orpea, Europees marktleider in de commerciële ouderenzorg, heeft in Nederland inmiddels zo’n 120 complexen; de meesten zijn bekend onder de naam Dagelijks leven. Korian heeft er zo’n vijftig.</p>
<p>Voor investeerders is de Nederlandse ouderenzorg een groeimarkt. Er valt hier namelijk nog een wereld te winnen. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld privatiseerde premier Thatcher de ouderenzorg al in de jaren tachtig. Daar is bijna tachtig procent van de ouderenzorg commercieel. In Nederland is dat nog maar vijftien procent. Ook de zorgverzekeraars beleggen trouwens in commerciële woon-zorgcentra. Zij hebben miljarden euro’s aan reserves en dat geld moet worden belegd. De vastgoedpoot van Syntrus Achmea kocht vorig jaar 32 woon-zorgcomplexen van Orpea.</p>
<p>Begin vorig jaar verscheen in Frankrijk het boek <em>Les fossoyeurs</em>, ‘<em>De doodgravers’</em>, over hoe ouderen in huizen van Orpea worden verwaarloosd. Vanaf dat moment ging het hard. Want Orpea bleek niet alleen ouderen te verwaarlozen, het heeft zich ook onder valse voorwendselen overladen met schuld – 9,5 miljard euro – om alle nieuwe aankopen te betalen. Waaronder de 120 woon-zorgcomplexen in Nederland. Het aandeel, ooit 150 euro waard, kelderde naar bijna nul. Jan Willem Goudriaan van de Europese vakbond voor Zorg en Welzijn die Orpea nauwlettend volgt, is verbaasd dat het schandaal in Nederland zo weinig aandacht kreeg. Het zal ermee te maken hebben dat de woon-zorgcomplexen van Orpea hier nauwelijks bekend zijn onder die naam. De onderneming gebruikt hier voor haar huizen de namen Dagelijks Leven en September. Orpea is ook eigenaar van thuiszorgorganisatie Allerzorg. In België gaan tien Orpea-complexen dicht, maar de Nederlandse tak van Orpea komt voorlopig met de schrik vrij. Want net als banken die in financiële nood zijn, is het bedrijf <em>too big to fail</em>: de Franse overheid kan het niet laten gebeuren dat 85.000 ouderen op straat komen te staan. cdc, het investeringsbedrijf van de Franse staat, neemt samen met enkele andere investeerders Orpea over. Het nieuwe consortium gaat flink snoeien, maar Nederland wordt als groeiparel gezien: prachtig vastgoed en mooie zorgvergoedingen als je de klanten zorgvuldig selecteert. Orpea heeft inmiddels toestemming van de Autoriteit Consument en Markt om ook de woon-zorgorganisaties Thuismakers en Compartijn over te nemen.</p>
<p>Als je het goed uitkient, valt ook aan de ouderenzorg zelf goed te verdienen. De krenten in de pap zijn hier de licht dementen. Een zorgorganisatie krijgt ruim 7500 euro per maand van de overheid voor iemand met dementie, als diegene thuis woont. Dus ook in het woon-zorgcomplex, want dat is officieel ‘<em>thuis’</em>. <em>‘Als je alleen de licht dementen toelaat en die mensen wonen ook nog eens efficiënt bij elkaar in hetzelfde gebouw, kun je daar heel goed aan verdienen’</em>, zegt een ingewijde. De exploitant van het woon-zorgcomplex int in dit geval de zorgvergoeding (van de overheid) én de huur-plus-servicekosten (van de bewoner). Ook hier geldt het winstverbod niet, het gaat immers om officieel zelfstandig wonenden. Het traditionele verpleeghuis houdt op deze manier alleen de zwaarste en minst ‘<em>rendabele’</em> hulpbehoevenden over.</p>
<p>De commerciële zorgbedrijven trekken ook personeel weg bij de niet-commerciële zorginstellingen, constateert Bert de Haas, FNV-bestuurder Zorg. <em>‘Op zich zou je als bond blij moeten zijn wanneer mensen beter betaald krijgen en minder zwaar werk hoeven doen, maar het effect is vooral dat het werk in de niet-commerciële zorginstellingen alleen maar zwaarder wordt en de budgetten daar nog meer knellen.’</em></p>
<p>Opmerkelijk is dat Argonaut, het bedrijf dat beslist (officieel: adviseert) over het wel of niet afgeven van een indicatie voor de Wet langdurige zorg – en daarmee over de vraag of er recht is op een hogere zorgvergoeding – via een kerstboompje aan bv’s eigendom is van private equity-maatschappij Bain Capital (totaal beheerd vermogen: 160 miljard dollar).</p>
<p>De opmars van grote, rendement zoekende investeerders in de ouderenzorg is een internationale trend. <em>Caring for profit</em> heet het rapport dat het <em>European Network of Corporate Observatories (enco)</em> maakte over de vercommercialisering van de gezondheidszorg in Europa. ‘<em>Commodificatie’</em> noemt enco het: het tot handelswaar maken van de zorg. <em>Investigate Europe</em>, een samenwerkingsverband van onderzoeksjournalisten, inventariseerde in 2021 hoe commerciële partijen in Europa de ouderenzorg overnemen. Vooral in Spanje en Engeland gaat het hard; in beide landen is zo’n tachtig procent commercieel.</p>
<p>Maar er is ook een tegenbeweging. In Schotland werkte de regering van premier Sturgeon aan de oprichting van een National Care Service, zodat wonen en zorg voor ouderen in publieke handen komt. In Noorwegen werkt een regeringscommissie aan voorstellen voor het decommercialiseren van de ouderenzorg.</p>
<p>Zo ver is het in Nederland helaas nog niet. Het kabinetsprogramma Wonen en Zorg voor Ouderen dat onlangs het licht zag, problematiseert op geen enkele manier de hoge huren in de commerciële woon-zorgcomplexen en de rol van private equity en beleggers. De 290.000 ouderenwoningen die er volgens het kabinet vóór 2030 bij moeten komen, zullen vooral door de markt worden gerealiseerd en geëxploiteerd. En of de wetgeving rond maximale huurprijzen van minister De Jonge soelaas biedt voor ouderen is nog maar de vraag, want voor ‘<em>zorgwoningen’</em> mogen verhuurders veel meer rekenen.</p>
<p>Ook gezelschap en ondersteuning voor ouderen die daadwerkelijk nog thuis wonen, blijkt een goed verdienmodel voor grote investeerders. Neem het wereldwijd opererende HomeInstead, dat in Nederland 43 vestigingen heeft en thuiswonende ouderen en andere zorgbehoevenden voorziet van ‘<em>caregivers’</em>: voor een praatje, kleine huishoudelijke werkzaamheden, even samen naar buiten. HomeInstead is een van de vele commerciële bedrijven die in dit zorggat zijn gesprongen. Het verdienmodel bestaat vooral uit het onderbetalen van medewerkers. De organisatie krijgt voor een uur zorg een vergoeding van vijftig euro of meer (van de overheid, de zorgverzekeraar of rechtstreeks van de cliënt als deze geen indicatie heeft). De <em>caregivers</em> krijgen daarvan echter slechts 13,34 euro bruto per uur. De winst is voor HomeInstead en voor de franchisenemer (HomeInstead werkt met franchises). Het bedrijf, een van oorsprong Amerikaanse Holding, is officieel gevestigd in Zwitserland en heeft wereldwijd 65.000 caregivers, van China tot Australië.</p>
<p>Opvallend is hoeveel commerciële zorgexploitanten, vaak via een ingenieus netwerk van verschillende identiteiten, gevestigd zijn in landen die bekendstaan als facilitator van belastingontwijking en -ontduiking. Heitman, het Amerikaanse investeringsbedrijf dat de Leyhoeve exploiteert, is bijvoorbeeld gevestigd in Luxemburg. Net als de ietwat obscuur klinkende <em>Central &amp; Eastern Europe Care Services Holding</em>, voor honderd procent dochter van Orpea, die de woon-zorgcomplexen in Nederland exploiteert. Orpea heeft veertig verschillende entiteiten in Luxemburg geregistreerd, en 37 daarvan zijn nooit vermeld in jaarverslagen of andere publicaties. Dat ontdekte <em>Cictar</em>, een Australische onderzoeksgroep gespecialiseerd in belastinggedrag en corruptie van grote bedrijven. <em>‘Als ergens tien bv’s of meer omheen hangen, weet je als accountant eigenlijk al dat er iets mis is’</em>, waarschuwt Dick de Waard, voormalig accountant en inmiddels hoogleraar accountancy in Groningen.</p>
<p>Bergman Clinics, DC-klinieken, Equipe: <em>‘zelfstandige behandelcentra’</em> (zbc’s) zijn misschien wel de bekendste vorm van commerciële zorgverleners. Deze zbc’s doen net als de commerciële ggz-instellingen alleen de relatief makkelijke behandelingen, het stukgoed: heupoperaties, staaroperaties, scans. Behandelingen waarvoor geen dure afdelingen als een intensive care nodig zijn en waarvoor de zorgverzekeraars wel een hoge vergoeding betalen. Officieel mogen organisaties die medisch-specialistische zorg leveren geen winst maken, maar daar hebben de zbc’s een eenvoudige oplossing voor: hun specialisten zijn ‘<em>onderaannemers’</em>, en voor onderaannemers geldt het winstverbod niet. De Zweedse investeringsmaatschappij Triton betaalde twee jaar geleden honderden miljoenen voor een meerderheidsbelang in Bergman Clinics. De totale waarde van Bergman Clinics werd op dat moment geschat op minstens 750 miljoen euro.</p>
<p>Investeerders azen ook op huisartspraktijken. Onder de naam Co-med, Co-dokters en tot voor kort Quin kopen ze huisartspraktijken op. De verdienformule: zo veel mogelijk patiëntenvragen digitaal afhandelen, waardoor je uiteindelijk nog maar één huisarts nodig hebt op tienduizend patiënten, terwijl het normaliter ongeveer één op tweeduizend is. En aangezien je van de zorgverzekeraars een vast bedrag per patiënt krijgt, schiet dat lekker op. <em>‘Kralen rijgen’</em> wordt het stuk-voor-stuk opkopen van praktijken genoemd.</p>
<p>De landelijke huisartsenvereniging (LHV) heeft de ontwikkeling een tijdlang enigszins gelaten over zich heen laten komen, gevoelig voor het argument van investeerders dat het allemaal bedoeld was om het huisartsentekort te helpen oplossen. Inmiddels is de LHV kritischer. <em>‘We horen steeds vaker dat gewone huisartsen overboden worden door een private equity-maatschappij, dat het helemaal niet om praktijken gaat waarvoor geen huisarts te vinden is’</em>, zegt bestuurslid Hilly ter Veer. Bovendien, het typische van huisartszorg is dat ze kleinschalig en dichtbij is en dat is nou net wat de opkopers onderuithalen. De Inspectie en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben een onderzoek ingesteld naar de kwaliteit, toegankelijkheid en bereikbaarheid van de commerciële huisartsketens.</p>
<p>Eén van de bekendste kralenrijgers, Quin, heeft de praktijken weer verkocht na een storm van negatieve publiciteit over onbereikbaarheid, gebrek aan artsen en slechte zorg. En dat terwijl de huidige minister van sociale zaken, Karien van Gennip, in 2021 (ze was toen directeur van zorgverzekeraar VGZ) nog zo enthousiast was over deze <em>disruptor. </em>Samen met Quin-oprichter Bart Malenstein trad ze op in een podcast van Business Insider. Malenstein richt zich inmiddels met Quin louter op digitale zorg: het afhandelen van klachten via een app.</p>
<p>Stel dat je de producent bent van orthopedische hulpmiddelen als braces en aangepaste schoenen. Het Duitse Ottobock bijvoorbeeld, met een jaaromzet van meer dan een miljard euro. Wat is er dan mooier dan dat je ook de adviseurs opkoopt die patiënten advies geven over de aanschaf van die hulpmiddelen? Ottobock, deels eigendom van een Zweedse investeringsmaatschappij, kocht vorig jaar het Nederlandse Livit, dat via honderden spreekuurlocaties patiënten adviseert over de aanschaf van hulpmiddelen. Hetzelfde gebeurde met Proreva, een andere Nederlandse organisatie voor advies op het gebied van hulpmiddelen: Proreva werd vorig jaar opgekocht door het beursgenoteerde IJslandse bedrijf Össur, dat medische hulpmiddelen produceert (omzet 666 miljoen per jaar).</p>
<p>Mark van Houdenhoven, directeur van de Maartenskliniek in Nijmegen, verbaast zich erover dat dit soort <em>‘verticale integratie’</em> tot nu toe nauwelijks discussie oproept. Niet bij de politiek, niet bij de zorgverzekeraars, niet bij patiënten. Terwijl de onafhankelijkheid van de adviseurs in gevaar komt én de zorgkosten toenemen als mensen onnodig dure hulpmiddelen aangesmeerd krijgen.</p>
<p>Over onafhankelijkheid gesproken. Begin 2022 namen zes medisch microbiologen ontslag toen hun lab (<em>pamm</em>, pathologie en medische microbiologie), dat diagnostiek doet voor Brabantse ziekenhuizen, overgenomen werd door een Luxemburgse multinational Eurofins. De microbiologen vreesden voor hun medische onafhankelijkheid en zegden hun baan op.</p>
<p>De krapte aan personeel in de zorg is een goudmijn voor bemiddelingsbureaus, uitzendbureaus en detacheerders. Zij leveren zorgverleners aan zorgorganisaties. Dergelijke bureaus vragen honderd procent of meer bovenop de beloning van degene die via hen wordt uitgeleend. Een zorgverlener, officieel zzp’er, die via de bemiddelaar bijvoorbeeld 90 euro per uur kost, krijgt daarvan hooguit de helft, de rest gaat naar het bemiddelingsbureau. Op het eerste gezicht lijkt dit op het verdienmodel van HomeInstead, maar anders dan bij de caregivers krijgen de zorgverleners in dit geval normaal betaald. Het is de inhurende zorginstelling die op de blaren zit en veel meer geld kwijt is dan voor vast personeel. Jaarlijks wordt zo’n drie miljard euro aan zorggeld verdeeld via bemiddelings-, detacherings- en uitzendbureaus. En inderdaad, veel daarvan zijn in handen van grote investeerders.</p>
<p>Wie in de tandartsstoel plaatsneemt, zal het zich meestal niet realiseren, maar gerede kans dat de praktijk afgelopen jaren in handen is gekomen van een private equity-firma. Vaak behouden de praktijken hun oorspronkelijke naam, maar ergens op de site is meestal wel te vinden dat ze onderdeel zijn van ketens als TopMondzorg, Dental Clinics, Ivory of Adent (allemaal eigendom van het Noorse Nordic Capital), van Colosseum Dental (van een Zwitsers private equitybedrijf) of een van de anderen. <em>‘Buy, build, sell’</em> heet het verdienmodel in de mondzorg. Het opkopen en weer doorverkopen bestaat grofweg uit twee fases: eerst worden individuele tandartspraktijken opgekocht, soms door een ondernemende tandarts, zodat er een kleine keten ontstaat. De kleine keten wordt vervolgens weer doorverkocht aan een grote keten van een private equity-fonds. Hoe groter de keten, hoe meer een ‘<em>tandartsstoel’</em> bij doorverkoop oplevert (waarbij het vanzelfsprekend niet letterlijk om de stoel gaat). Om een idee te geven: een tandartsstoel van een ‘<em>éénpitter’</em> levert bij verkoop pakweg anderhalf keer de bruto jaarwinst op (de winst vóór aftrek van financieringskosten, belasting en afschrijvingen). Maar maakt de stoel deel uit van een grote keten, dan krijg je voor dezelfde stoel bij doorverkoop acht keer de bruto jaarwinst. Hoe groter de keten, hoe makkelijker het is om voor zo’n overname geld te lenen, vertelt Matthijs Thiel de Vries van Deloitte. Banken hebben nu eenmaal veel vertrouwen in grotere bedrijven. <em>‘Ik zit al aan m’n derde eigenaar’</em>, lacht implantoloog Jeroen Pepplinkhuizen, die zijn praktijk tien jaar geleden verkocht en er daarna is blijven werken. De praktijk is inmiddels van Colosseum Dental Group, <em>‘de grootste dentale serviceorganisatie van de wereld’</em> (aldus de site) met achthonderd tandartspraktijken in twaalf landen, waaronder veel in de VS. <em>‘Het is een puur piramidespel’</em>, vindt tandarts Vincent Guicherit uit Gorinchem. De hoge overnamesommen zijn nooit terug te verdienen met behandelingen, maar alleen door weer door te verkopen. <em>‘En dat houdt een keer op. Het is een soort minen, op het juiste moment in- en uitstappen.’</em> In de tussentijd voeren de ketens de omzet per patiënt op, en daarmee de zorgkosten. Kleine tandartspraktijken zetten jaarlijks zo’n 250 euro om per patiënt, grote ketens 350 euro per patiënt, blijkt uit cijfers van het cbs. De patiënt, mits aanvullend verzekerd, merkt het niet direct maar de premie stijgt wel. In de mondzorg in Nederland wordt jaarlijks zo’n drie miljard euro omgezet en dat bedrag neemt snel toe. De ketens hebben inmiddels een stevige vinger in de pap bij de KNMT, de beroepsvereniging van tandartsen – de voorzitter is een tandarts die zijn praktijk aan een keten verkocht. Als tegenwicht hebben tandartsen inmiddels een brancheorganisatie van <em>‘onafhankelijke en ketenvrije’</em> tandartsen opgericht. Ondanks de lobbyinspanningen van de KNMT wordt de Tweede Kamer kritischer over de rol van de grote commerciële ketens. Want de tandarts zou net als de huisarts de ‘<em>poortwachter’</em> moeten zijn om te zorgen dat alleen wordt doorverwezen als het echt noodzakelijk is, maar dat is een lege huls als de tandarts en de specialistische zorg in dezelfde handen zijn.</p>
<p>Je hoeft niet per se zelf de zorgorganisatie te bezitten om er toch veel aan te verdienen. Een toenemend deel van de zorgkosten wordt besteed aan informatietechnologie en administratieve systemen. Neem Zorgdomein, het verwijssysteem waarmee tachtigduizend zorgverleners werken. Zorgdomein kwam vier jaar geleden in handen van een Amerikaanse vermogensbeheerder, die de aandelen vorig jaar weer doorverkocht aan de Rabobank. Voor iedere verwijzing betaalt degene naar wie wordt verwezen een bedrag aan de Rabobank. Ziekenhuizen zijn er veel geld aan kwijt. <em>‘Het is een soort virtuele tolweg, in private handen’</em>, vindt Mark van Houdenhoven, naast CEO van de Maartenskliniek ook hoogleraar economische bedrijfsvoering van de gezondheidszorg in Nijmegen. Het beheren van dit soort essentiële digitale infrastructuur zou een basistaak van de overheid moeten zijn, vindt hij. <em>‘Het is immers een soort nutsvoorziening.’ </em></p>
<p>Het palet aan verdienmodellen levert al met al een even groot palet aan problemen voor de samenleving op. De opmars van commerciële partijen stuwt met extra behandelingen en hoge vergoedingen de kosten van de zorg omhoog. Miljarden aan zorggeld, publiek geld, vloeien naar private equity-bedrijven en beleggers, de winst moet ergens van betaald worden. De niet op winst gerichte instellingen komen in de problemen doordat zij alleen de ingewikkelder behandelingen en de zwaardere patiënten en cliënten overhouden. De commerciëlen trekken personeel weg bij de andere instellingen. Bovendien geldt de ijzeren wetmatigheid dat naarmate er een groter deel van de koek (het totale budget dat er in Nederland is voor de zorg) naar kapitaalverschaffers gaat, er een kleiner stuk van de koek overblijft voor het personeel. De commerciële ouderenzorg en commerciële ouderenhuisvesting versterkt de segregatie tussen rijke en arme ouderen. De zorg wordt met de intrede van grote financiële spelers ook steeds afhankelijker van ontwikkelingen in <em>‘de financiële markten’</em>: de rente, de aandelenkoersen, of aantrekkelijke rendementen die elders gloren. Durfkapitalisten kunnen hun bezit zomaar weer van de hand doen als de opbrengsten door bijvoorbeeld veranderde regelgeving tegenvallen, of als er elders meer te verdienen valt.</p>
<p>En dan is er nog de sluipende, subtiele, maar o zo funeste invloed die commercialisering heeft op de mensen die in de zorg werken<em>. ‘Ik heb het bij mezelf gezien’</em>, vertelt iemand die is overgestapt van de reguliere naar de commerciële zorg. <em>‘Ik was altijd gericht op de beste zorg, maar toen er een aanbod kwam van een commerciële partij waar ik twee of drie keer zoveel kon verdienen, heb ik het toch gedaan. En dan is je belangrijkste doel plots niet meer de beste zorg verlenen, maar zo snel mogelijk groei realiseren. Bij zo’n commercieel bedrijf wordt je brein echt anders.’</em></p>
<p>De invoering van alle systeemwijzigingen in de zorg zijn gepresenteerd als een politiek compromis, maar vormen bij uitstek een voorbeeld van neoliberale, technocratisch gemaakte politiek. Alsof er geen alternatief zou zijn. Het is hoog tijd om de conclusie te trekken dat er een nieuw, eerlijker, effectiever en ook efficiënter zorgstelsel urgent nodig en mogelijk is – dit zorgstelsel is uitbehandeld.</p>
<p><u>De problemen in de <em>‘care’ </em></u></p>
<p>Op de <em>care</em>, de zorg voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen die niet gericht is op behandeling en genezing maar op verzorging, de afgelopen decennia veel meer is bezuinigd dan op de <em>cure</em>: de ziekenhuizen, specialisten en medicijnen: minder huishoudelijke hulp; minder begeleiding en dagbesteding voor mensen met een beperking, dementerenden en anderen; minder ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking in een tehuis; minder wijkverpleging.</p>
<p>De redenering achter de veranderingen in de care is bekend. <em>Stap één</em>: het is zowel voor mensen zelf als voor de kosten fijner als zorgbehoevenden in de eigen omgeving verzorgd worden in plaats van in een tehuis of instelling. <em>Stap twee</em>: gemeenten zijn dichterbij, daarom is het handiger als gemeenten verantwoordelijk worden voor dat deel van de zorg, de <em>‘zorg zonder verblijf’</em>. <em>Stap drie</em>: omdat gemeenten meer ‘<em>maatwerk’</em> kunnen leveren, kan er op die zorg flink bezuinigd worden. Cruciaal daarbij is dat de gemeentelijke zorg, anders dan de vroegere  AWBZ-zorg, geen recht is maar een ‘<em>voorziening’</em>. Dat betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen welke zorg ze leveren en voor wie, het budget is voortaan ‘<em>taakstellend’</em>.</p>
<p>De keuze voor bezuinigen op care heeft ook te maken met de betrokkenheid van het rijk, denkt Marijke Vos, voorzitter van Sociaal Werk Nederland: ‘<em>Sinds welzijn de verantwoordelijkheid van gemeenten is, is het voor het rijk buiten beeld. Eenzaamheidsbestrijding, activering, mensen helpen zichzelf ondanks hun beperkingen toch te ontwikkelen, sociale vaardigheden, preventie, het is allemaal van het bordje van het rijk af.’ </em></p>
<p>Het is nog niet zolang dat in Nederland allerlei vormen van hulp en ondersteuning ‘<em>zorg’</em> heten. Dagbesteding, huishoudelijke hulp en hulp bij zelfstandig wonen heetten voorheen allemaal ‘<em>welzijn’</em>. Maar begin jaren tachtig van de vorige eeuw kwam welzijn onder vuur te liggen. Moest de overheid zich daar eigenlijk wel mee bezighouden, met het welzijn van mensen? Steeds meer welzijnswerk afficheerde zich om tactische redenen als ‘<em>zorg’</em>. Maar de benaming ‘<em>zorg’</em> biedt geen bescherming meer tegen bezuinigingen. Sterker nog, voor je het weet word je afgewogen tegen die andere zorg, de medische zorg, en dan is de keuze gauw gemaakt. Overal in Europa wordt op de langdurige zorg bezuinigd. Welzijn is het arme neefje van de zorg, heeft een lagere status. Terwijl de maatschappij schreeuwt om meer sociale zorg. Linkse politiek zou juist het welzijnswerk en daaraan gerelateerde zorg weer in ere moeten herstellen. Ook moet de indicatie passend zijn, dus niet zoals nu vaak gebeurt, aan chronisch zieken en ouderen zeer kortlopende Wmo-indicaties afgeven – dat is onnodig bureaucratisch en belastend.</p>
<p>De bezuinigingen op de care treffen in de praktijk met name de lage en middeninkomens. Dat komt doordat vooral zij gebruik maakten van de zorg die tot 1 januari 2015 uit de AWBZ werd bekostigd. De hogere inkomens kozen minder vaak voor AWBZ-zorg omdat de inkomensafhankelijke eigen bijdrage het voor hen vaak goedkoper maakte om de zorg zelf in te kopen.</p>
<p>Alleen wie 24 uur per dag zorg nodig heeft, heeft tegenwoordig nog recht op een plaats in een tehuis of andere verblijfsinstelling. Wie al in een tehuis zat, mag daar blijven. Maar de komende jaren sterft deze populatie langzaam uit en worden nog veel meer tehuizen gesloten. Het bezuinigde bedrag loopt daardoor nog op, en Rutte IV wil er zelfs nog een schep bovenop doen, ondanks het feit dat het aantal mensen boven de tachtig en daarmee het aantal hulpbehoevenden sterk toeneemt.</p>
<p>Op zichzelf is het een mooi perspectief: gehandicapten, chronisch zieken, bejaarden of geestelijk zieken die zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen, ondersteund door professionele zorg waar nodig. En even mooi is het idee om alles wat niet per se in dure ziekenhuizen of door dure specialisten gedaan hoeft te worden over te laten aan huisartsen, maatschappelijk werk en andere nabije en goedkopere mensen. Het probleem is alleen dat er op alle zorg die thuis blijven wonen mogelijk maakt ook bezuinigd wordt: van de huishoudelijke hulp tot de hulpmiddelen en van de dagopvang tot het maatschappelijk werk. Bovendien bleek in de afgelopen jaren dat beleidsmakers een iets te rooskleurig beeld hebben van zorgbehoevenden, alsof bijna iedereen zich met een steuntje in de rug prima kan redden.</p>
<p>Veel gemeenten bedingen schandalig lage tarieven in de aanbesteding van thuiszorg, waarbij marktpartijen door taakopsplitsing en minutenzorg proberen de kosten nog verder te verlagen. Daarbij wordt de cao in de thuiszorg ontdoken, en wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van flexwerk, soms ook met zzp-ers. Dan wordt er ook geen pensioen opgebouwd en zijn de zorgwerkers niet of slecht verzekerd. Onder Rutte II zijn 67.000 thuiszorgmedewerkers hun baan kwijtgeraakt. Het gaat daarbij vooral om laaggeschoold werk, dat toch al in de hoek zit waar de klappen op de arbeidsmarkt vallen. Vele gemeenten besteden de zorg vooral aan op basis van prijs, niet op kwaliteit.</p>
<p>Dientengevolge gingen vele thuiszorginstellingen failliet. Vaak verschuilen de wethouders zich achter de bezuinigingen die met de decentralisaties gepaard gingen. Gemakshalve werd daarbij vergeten dat ze zelf via de VNG akkoord waren gegaan met deze opzet. Nadat de kritiek aanhield, met name ook georganiseerd door FNV Zorg en Welzijn, kwam er een commissie die o.l.v. oud-CNV-voorzitter Doekle Terpstra een gedragscode opstelde voor de salariëring van thuiszorgmedewerkers, in een poging de neerwaartse spiraal van steeds lagere tarieven te keren. Die code kwam er. Met vooral afspraken dat gemeenten niet alleen tegen de laagste prijs zorg inkopen, maar ook mikken op een duurzaam samenwerkingsverband met zorginstellingen, met aandacht voor kwaliteit bij de aanbesteding en een duidelijke verantwoording door de gemeenten welk tarief ze bereid zijn te betalen: met een opbouw van de te verwachte kosten. De code is nog vrijblijvend, en dat blijken de gemeenten ook zo te zien. Pas na hernieuwde politieke druk vanuit de Tweede Kamer, lijken de gemeenten zich nu gewonnen te geven.</p>
<p>De decentralisaties in de zorg gingen gepaard met een neoliberaal verhaal over een <em>participatiesamenleving</em>, als alternatief voor de verzorgingsstaat. Rechten en vangnetten verdwenen, en tegelijkertijd zijn er meer plichten. Daarbij wordt een groter beroep op de <em>zelfredzaamheid</em> van burgers gedaan. Cruciaal daarbij is dat de gemeentelijke zorg, anders dan de vroegere AWBZ-zorg, geen recht van de burger meer is maar een ‘<em>voorziening’</em>. Dat betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen welke zorg ze leveren en voor wie, het budget is voortaan ‘<em>taakstellend’</em>.</p>
<p>Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen. Maar calculerend gedrag op dat terrein is niet altijd wenselijk vanuit het publieke, algemeen belang. Het stimuleren van individueel kostenbewustzijn heeft een neveneffect. De burger wordt gereduceerd tot een consument. Een consument die vooral zijn eigen belang moet behartigen. Deze mentaliteit is inmiddels dieper in onze samenleving geworteld dan goed voor ons is. Zij is ook zichtbaar bij bestuurders van (semi)publieke instellingen die de geleidelijke aanpassing van hun salaris aan de Balkenende-norm aanvechten bij de rechter onder de titel dat zij <em>‘ook rechten’</em> hebben. De nadruk op eigen verantwoordelijkheid van de burger leidt ook tot het aansprakelijk stellen van de burger als die een fout maakt. Er is een bijna maniakale nadruk op rechtmatigheid bij de overheid.</p>
<p>En hoe werkt dat uit als de overheid tegelijkertijd propageert dat bij een zorgvraag eerst wordt gekeken wat de betrokkene zelf en zijn netwerk (familie, buren, vrienden) nog kunnen en dat de professionele hulp de gaten vult?  De overheid kan niet het ene moment oproepen om vooral het eigen belang na te streven en het volgende moment oproepen om je toch vooral om je naasten te bekommeren. Het is of het een of het ander. Wat ons betreft zet de overheid in op het laatste. Dat betekent dat de geest van het kortzichtige eigenbelang terug in de fles moet. Van zelfredzaamheid dus naar samenredzaamheid. Emancipatorische concepten als eigen kracht zijn volstrekt ontspoord in neoliberale concepten van eigen verantwoordelijkheid en een plicht tot mantelzorg van familie, buren en vrienden.</p>
<p>De werkelijkheid is dat veel zorgvragers mensen om zich heen hebben die graag dingen voor ze doen. Maar dan moet de overheid wel daarin zijn nieuwe rol pakken en niet de bezuinigingsopdracht centraal stellen. Er is niets tegen, integendeel, om de omgeving, die vaak toch al hulp verleent, bij de zorg te betrekken. Maar je kan geen mantelzorg afdwingen. De vrijwillige solidariteit is in Nederland gelukkig nog altijd groot, maar vrijwillige solidariteit zal altijd ingebed moeten zijn in collectieve solidariteit (wat de VVD afgedwongen solidariteit noemt). Al was het maar omdat niet iedereen een netwerk heeft. Dat is waar onze voorgangers in de sociaaldemocratie de verzorgingsstaat voor hebben opgebouwd.</p>
<p>Veel zorgvragen vragen professionele hulp en ondersteuning en kunnen niet worden afgeschoven op de nu sterk overbelaste mantelzorgers. Bovendien zijn veel mantelzorgers zelf ouderen, en kunnen zij in toenemende mate zelf geen beroep doen op mantelzorg, nu de arbeidsparticipatie van vrouwen gelukkig stijgt. Ook moet erkend worden dat veel zorgvragers onvoldoende eigen kracht hebben om het zelf te regelen.</p>
<p>De decentralisatie van zorg naar de gemeenten is tot dusver in de praktijk vooral een administratieve herordening gebleken in plaats van een inhoudelijke verbetering. Mensen worden van het ene loket naar het andere doorgestuurd, het beleid is versnipperd en veel overheids- en zorginstanties willen de werkelijkheid aan de onderkant van de samenleving niet kennen.</p>
<p>Een deel van de cliënten is vereenzaamd. Zij beschikken niet over hulpvaardige familie of een bloeiend sociaal netwerk. Kinderen wonen steeds vaker op betrekkelijk grote afstand van hun ouders en kunnen daardoor niet eenvoudig bijspringen. Wanneer kinderen zelf nog een gezin grootbrengen, wordt mantelzorg aan hun ouders verlenen een loodzwaar karwei.</p>
<p>Het is voor bureaucraten allesbehalve eenvoudig om te bepalen in hoeverre familie en sociaal netwerk ondersteuning kunnen en willen verlenen. Subjectieve inschattingen zijn hierbij onvermijdelijk. In min of meer vergelijkbare gevallen kunnen uitgebrachte adviezen — afhankelijk van de persoon van de voor de beoordeling eindverantwoordelijke gemeenteambtenaar — substantieel verschillen. Mensen die de weg weten en brutalen hebben samen meer dan de halve wereld. Zij zullen vaak meer ondersteuning claimen en ontvangen dan binnen de beperkingen van het beschikbare budget op objectieve gronden noodzakelijk is. Minder assertieve of gezagsgetrouwe cliënten zullen zich sneller voegen naar wat bureaucraten beslissen. Dat was ook al zo via de AWBZ gefinancierde ondersteuning. Maar daar hadden hulpbehoevenden tenminste nog recht op wettelijk omschreven zorg. Dat is nu niet meer zo.</p>
<p>De verschillen tussen gemeenten zijn groot en hebben niets met het beloofde maatwerk te maken: maatwerk betekende altijd minder zorg. Zorg kwam ook niet dichterbij, het verdween. Gemeenten hebben alleen maar financieel gestuurd en ontberen iedere deskundigheid om op kwaliteit te kunnen sturen. Inmiddels keert de wal het schip en klagen gemeenten over miljoenentekorten.</p>
<p><u>Code Zwart in de jeugdzorg</u></p>
<p>Groot probleem bij gemeentelijke zorgwijkteams: hulpverleners kunnen dan wel in één team zitten, de geldstromen blijven gescheiden. Hun werk wordt betaald door de eigen organisatie, niet uit het budget van het wijkteam. Organisaties houden dus hun eigen financiële belang, zeker nu er stevig bezuinigd wordt. Echt samenwerken kan pas als er ook één geldstroom is. Ook angst voor privacywetgeving over het uitwisselen van gegevens zit ware teamvorming in de weg.</p>
<p>Groot probleem lijkt ook de deskundigheid van leden in het wijkteam. Jeugdzorginstellingen claimen dat de gemeenten de diagnose voor zware jeugdzorg te laat vast stellen, in een poging om lichtere, goedkopere trajecten te laten werken. Dat gebeurt ook tegen de achtergrond van een toenemende medicalisering van gedragsproblemen bij jongeren, mondiger ouders en de invoering van het passend onderwijs, waarbij specialistische hulp op scholen voor speciaal onderwijs minder beschikbaar is. Jeugdzorginstellingen stellen dat de late diagnose de problematiek bij jongeren doet verergeren en daardoor behandeling juist moeilijker en kostbaarder maakt.</p>
<p>Hoe wijdverbreid de constructie inmiddels ook is, de wijkteams zijn nog altijd mikpunt van kritiek. Ze werken te bureaucratisch, zijn lastig vindbaar voor de zorgvrager, hebben onvoldoende oor voor de wensen van de burger, ze weten zich geen raad met specifieke kwetsbare groepen, ze wisselen onderling onvoldoende kennis uit en ze maken een potje van de privacy van burgers. Van duizenddingendoekje naar windvanger, dat lijkt de huidige status van het wijkteam. Wat opvalt, is dat de kritiek bepaald bekend in de oren klinkt. Schotjesgeest, bureaucratie, slechte communicatie en gebrek aan klantgerichtheid, was dat niet precies wat er schortte aan de zorg en ondersteuning toen deze nog uit de collectieve gaarkeukens van de AWBZ werden opgediend? Met de decentralisatie lijken de problemen van weleer simpelweg naar een microniveau verplaatst.</p>
<p>Gemeenten en jeugdzorgaanbieders zijn verstrikt geraakt in een woud van contractverhoudingen. De focus ligt niet op zorg, maar op kostenbeheersing en het voorkomen van fouten via contracten en protocollen. Gesprekken tussen zorg- en gemeentebestuurders lopen in toenemende mate via accountants. Een bizarre, perverse ontwikkeling.</p>
<p>Bovendien leiden al die regels nergens toe, ze leiden tot financiële schijnzekerheid. Zorginstellingen hebben nu te maken met de tucht van de markt: elk jaar opnieuw moeten ze met elkaar de concurrentiestrijd aangaan om een contract te krijgen met de gemeente. Ze werken met minimale winstmarges en zijn vooral bezig met overleven. Tegelijkertijd moeten ze voldoen aan de bureaucratie van de overheid, die probeert grip te houden op de zorguitgaven. De situatie sinds de transitie is het slechtste van twee werelden: Marktwerking zonder vrijheid van de markt; en bureaucratie zonder de zekerheid van een overheid.</p>
<p>De Jeugdzorg is in acute en diepe crisis. In september 2022 vroegen de Inspectie van Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd <em>“met klem” </em>om maatregelen<em>, &#8220;omdat de overheid faalt bij haar taak om kwetsbare kinderen te beschermen&#8221;.</em> <em>&#8220;De kwaliteit in de jeugdzorg holt achteruit. Problemen worden groter en het zijn er steeds meer.&#8221;</em> Dat meldde <em>Nieuwsuur </em>in mei vorig jaar, maar het had net zo goed een tekst van tientallen jaren geleden kunnen zijn. De problemen in de jeugdzorg waren in de jaren 1980 al groot en de beloftes vanuit de politiek om deze op te lossen zijn sindsdien amper veranderd, blijkt uit onderzoek. <em>&#8220;Het is continu dezelfde taal. De grammatica blijft hetzelfde, alleen het vocabulaire verandert ietsjes&#8221;</em>, zegt onderzoeker Sharon Stellaard. Voor haar promotieonderzoek aan de Vrije Universiteit is ze in de geschiedenis gedoken van het jeugdzorgbeleid in Nederland. <em>Boomerangbeleid</em>, noemt ze het patroon dat ze ontdekte. Het leidt ertoe dat de jeugdzorg niet of nauwelijks verbetert.</p>
<p>Dat de problemen al tientallen jaren spelen én dat de manier waarop daarover wordt gesproken nauwelijks is veranderd, blijkt onder meer uit wetsvoorstellen. In de wet op de jeugdhulpverlening van 1989 ging het over een <em>&#8220;samenhangend aanbod afgestemd op de behoefte&#8221;</em>. In 2005 was <em>&#8220;een passend en samenhangend zorgaanbod&#8221;</em> de oplossing, in de wet in 2015 stond <em>&#8220;effectievere hulp afgestemd op de behoeften&#8221;</em> centraal en in 2020 waren <em>&#8220;behoefte in beeld hebben&#8221;</em> en <em>&#8220;aanbod dat past bij de vraag&#8221; </em>het antwoord op de problemen.</p>
<p><em>Nieuwsuur </em>vindt in het archief tal van tv-fragmenten over de problemen in de jeugdzorg. Zo zegt een hulpverlener in een uitzending van Achter het Nieuws in 1987 al dat bezuinigingen in de jeugdzorg voor problemen zorgen. <em>&#8220;Alsof je tegen een kind zegt: je moet nodig een paar nieuwe schoenen, maar het mag niks kosten.&#8221; </em>Zeventien jaar later &#8211; in 2004 &#8211; vertelt toenmalig hoofd Inspectie Jeugdzorg Joke de Vries in het NOS Journaal gefrustreerd over de inrichting van de Jeugdzorg: <em>&#8220;Het is natuurlijk van de gekke dat er zoveel hulpverleners zich met een gezin bemoeien. Dat zou veel beter gestroomlijnd kunnen worden.&#8221;</em></p>
<p>Na 40 jaar <em>‘hervormen’</em> zijn de problemen van kinderen, ouders en scholen alleen maar verergerd, en is de uitvoering nog complexer én duurder gemaakt. De echte problemen zijn tot nu toe niet aangepakt. Er is te weinig aandacht voor de context waarin kinderen opgroeien en teveel wordt aangenomen dat de problemen bij de kinderen zelf zitten. En: alle systeemwijzigingen ten spijt, vindt er nauwelijks echte innovatie plaats en is er nauwelijks sprake van nieuwe jeugdzorgverlening – er wordt nog steeds jeugdzorg ingekocht bij dezelfde aanbieders, die ook zijn blijven hangen in hun oude repertoire. Daardoor sluit het jeugdzorgaanbod nog steeds niet aan bij de vraag. De bestuurlijke verantwoordelijkheden zijn nog steeds versnipperd, en de eigen (ook commerciële!) belangen van de zorgaanbieders prevaleren. De positie van de meest kwetsbare kinderen leidt steeds meer tot slachtoffers. En de kosten rijzen de pan uit, waarop Rutte IV met het plan kwam om te gaan bezuinigen en een eigen bijdrage in te voeren.</p>
<p>De Jeugdwet van 2015 richtte zich meer op de lichte zorg, in de hoop het beroep op zware zorg te reduceren. Tot dan toe was er het Bureau Jeugdzorg (BJZ) als onafhankelijke toegangspoort. Dat mocht zelf geen zorg leveren en moest los van zorgaanbieders bepalen wat nodig was. Een gemedicaliseerd model dat niet leidde tot vraagsturing, maar sturing van de vraag. Paste jouw vraag niet bij het behandelaanbod van de zorgaanbieder, dan had je überhaupt geen recht op jeugdzorg. BJZ was er zelf gekomen als reactie op de jeugdhulpadviesteams, die in de ogen van de toenmalige beleidsbeoordelaars subjectief handelden. Wat zien we nu? Voor het oplossen van de huidige problemen gaan we naar regionale aansturing van specialistische zorg en regionale expertteams. Vergelijkbare sturingsinstrumenten als in 1989, die toen ook niet werkten.</p>
<p>De wachtlijsten blijven groeien, en zijn onaanvaardbaar lang geworden. Een diagnose stellen, zoals autisme of een ontwikkelingsachterstand, kan al een half jaar wachten betekenen, en een adequaat traject kent vaak een nog langere wachttijd – als het kind bijvoorbeeld verstandelijk gehandicapt blijkt, is er nu een wachttijd van twee (!) jaar. De ouders overleven dat nauwelijks, als ze werken hebben ze een groot probleem, want hun kind is niet welkom op de reguliere kinderopvang. Deze kinderen slapen amper, en de ouders hebben daar een dagtaak aan. Ze lopen vast, worden zelf ziek en zijn de wanhoop nabij. Huiselijk geweld is dan heel voorspelbaar. Ze zitten thuis en de tijd staat stil én slaat door. Het is een stille ramp die de samenleving op termijn veel kost. Als je niks doet, worden dit later de lastige mensen. De ongemotiveerden, de depressieven, de relschoppers, de onbegrepenen, degenen die in de jeugdzorg belanden. Agressie is tenminste iets dat iedereen begrijpt. Ouders durven niet langs consultatiebureaus te gaan omdat ze bang zijn dat ze hun kind zullen afnemen. Geen denkbeeldige angst, zoals bleek bij het toeslagenschandaal. Inmiddels is duidelijk dat dit echt niet alleen bij die ouders speelt. Een medewerker van de crisisopvang in Rotterdam zegt al in 1995 in het programma <em>TweeVandaag</em>: <em>&#8220;We zitten zo ontzettend vaak vol. We krijgen 1500 aanmeldingen voor de crisisopvang per jaar, maar we kunnen er jaarlijks zo&#8217;n 500 opnemen.&#8221;</em></p>
<p><em>&#8216;Code Zwart&#8217;</em>, noemen jeugdbeschermers de status van de jeugdzorg anno 2023.<a href="#_ftn39" name="_ftnref39">[39]</a> CDA-wethouder Bredemeijer in Den Haag ziet dagelijks hoe het misgaat: <em>&#8220;Kinderen worden bij lichte problemen al doorverwezen naar allerlei vormen van jeugdzorg. Er wordt in onze gemeente geflyerd om reclame te maken voor vormen van jeugdzorg. Het is een verdienmodel geworden.&#8221; </em></p>
<p>De afgelopen jaren is de jeugdzorg enorm gegroeid: bijna 1 op de 7 kinderen krijgt een vorm van jeugdzorg. En er is vooral een explosieve groei in de lichtere vormen. De kosten stegen daardoor explosief, tot 5,6 miljard vorig jaar. De afhandeling kost ook meer tijd omdat de hulpvragen steeds complexer worden. De gemeenten hebben in 2022 zo&#8217;n 60 miljoen euro extra moeten uitgeven aan de jeugdzorg. Alleen al voor dyslexie betalen we als maatschappij honderden miljoenen euro’s per jaar. Deze vorm zou je kunnen schrappen omdat het geen zorg is, maar meer iets dat valt onder onderwijs. In plaats van de jongeren staat het verdienmodel van commerciële aanbieders van jeugdzorg centraal. En dat terwijl jongeren met zwaardere en specialistische hulpvragen wegkwijnen, omdat ze soms maanden op een wachtlijst staan met levensbedreigende situaties tot gevolg. </p>
<p>Door een groot tekort aan jeugdbeschermers moeten kinderen die psychische hulp nodig hebben steeds langer wachten. Een van hen is de vierjarige Shane. Hij lijdt aan de eetstoornis Arfid, waardoor hij uit zichzelf nauwelijks eet. Hij staat al ruim een jaar op de wachtlijst voor gespecialiseerde psychische hulp. Moeder Juanita Derksen voelt zich machteloos. <em>&#8220;Hoe langer je wacht, hoe harder hij achteruit gaat. Je staat met de rug tegen de muur.&#8221;</em></p>
<p>In de wachtkamer bij de jeugdzorg zie je de verzorgingsstaat wankelen: kleine problemen in het groot, of grote problemen in het klein. Ouders die het eten uit hun mond sparen om hun kinderen te voeden. Ouders die nachtdiensten draaien en zitten te knikkebollen. Ouders die er soms vijf uur zitten te wachten omdat ze geen geld hebben om op en neer te reizen naar huis met het openbaar vervoer als het kind wordt behandeld. Ouders zonder kap over de buggy die aankomen met een doorweekt kind. Ouders die elke week zeggen dat ze de luiers vergeten zijn. Alleenstaande moeders die in auto’s wonen. Of een kind dat in de armen van de psycholoog in slaap valt, want zijn moeder huurt een stukje van een woonkamer en moet elke avond wachten totdat de bewoners naar bed gaan, want ze slapen op de bank.</p>
<p>Dat dit soort problemen blijft bestaan, wijt Stellaard aan het <em>&#8216;pleisters plakken&#8217;</em>: elke nieuwe hervorming moet de problemen die het vorige beleid heeft veroorzaakt oplossen. Maar dat lukt telkens niet<strong><em>. </em></strong><em>&#8220;De jeugdwet van 2015, bijvoorbeeld, richtte zich meer op de lichte zorg om de zware zorg af te vlakken. Nu zie je dat de lichte hulp juist het probleem is: er gaat te veel geld naartoe en wordt onbeheersbaar</em>.&#8221; <em>&#8220;Dat zie je herhaaldelijk gebeuren: onze nieuwe oplossingen zorgen voor nieuwe problemen, maar oude problemen blijven ook terugkeren.&#8221; </em>Al sinds 2021 wordt er onderhandeld over nieuwe hervormingen, maar gemeenten, jeugdzorg, instellingen en het ministerie komen er niet uit, al helemaal niet met de ingeboekte bezuinigingen à 374 miljoen euro van Rutte IV. En de coalitie houdt ieder debat in de Tweede Kamer tegen zolang de onderhandelingen nog lopen… </p>
<p>De onderhandelaars zetten in op het schrappen van lichtere vormen van jeugdzorg, waarvan commerciële instellingen nu vaak de krenten uit de pap nemen met bijv. veel dyslexie trajecten en de zware trajecten laten zitten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Volksgezondheid ruziën over de vraag wie het risico draagt bij toekomstige overschrijdingen van het budget. Komt die rekening bij het Rijk of de gemeente te liggen? ‘<em>Normaliseren’</em> van jeugdzorg moet de medicalisering van ‘<em>normale’</em> problemen van opgroeiende jongeren tegengaan, zo is de gedachte.</p>
<p>In de afgelopen jaren is er van ‘<em>normaliseren’</em> niet veel terecht gekomen. Integendeel, in plaats van op de rem van de medicalisering werd er na de decentralisatie stevig op het gaspedaal getrapt. Heel erg verwonderlijk was dat niet. Hoe dichter de verwijzer bij de zorgvrager staat, des te groter de kans dat een zorgvraag wordt ingewilligd. Zeker vlak na de decentralisatie, was de kwaliteit van de doorverwijzing door de gemeente niet erg hoog, zoals diverse Rekenkamerrapporten hebben gemeld.<a href="#_ftn40" name="_ftnref40">[40]</a>  Recent begint het besef door te breken dat de doorverwijzing van zorgvragers meer inzet van onafhankelijke experts vergt.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p>We voeren een nieuw zorgstelsel in, waarbij alle nodige en nuttige zorg, inclusief maatschappelijke ondersteuning, jeugd- en ouderenzorg in één wet volledig publiek wordt, volledig gefinancierd uit de belastingen en zonder eigen bijdragen en zonder eigen risico.</p>
<p>De financiering gebeurt op basis van een periodiek vastgestelde nationale en regionale zorgvisies, via publieke regionale zorgkantoren, via één geldstroom op basis van duurzame subsidierelaties (zoals in het onderwijs) – geen inkoop en aanbesteding meer.</p>
<p>De bekostiging loopt via regionale zorgkantoren, die ook zorgen voor de financiële planning. Zorgverzekeraars kunnen zich desgewenst geheel of gedeeltelijk omvormen tot zo’n regionaal zorgkantoor. De transitie vindt op gelijke wijze plaats als bij de opheffing van de PBO’s. Er is dus nadrukkelijk geen nationalisatie en dus ook geen schadeloosstelling aan de orde. Er zijn geen budgetplafonds meer, maar de overheid kan via de zorgkantoren wel voorwaarden stellen aan de uitgaven ter bevordering van efficiëntie en doelmatigheid en van kwaliteit.</p>
<p>De zorgvisie beschrijft een effectief en efficiënt, samenhangend en samenwerkend, kwalitatief goed aanbod van zorg, met lokale basiszorgcentra en woonzorgcentra, goede thuiszorg en verpleegzorgcentra, regionale 2<sup>e</sup> lijnzorg en nationale dure, zeer gespecialiseerde zorg (incl. ggz en jeugdzorg). Overlap en waterbedeffecten worden zo voorkomen.</p>
<p>Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) en soms ook nog eens met één of meerdere gemeenten te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget.</p>
<p>Bij de opstelling van de regiovisie worden echt onafhankelijke patiënten- en cliëntenorganisaties (anders dan de huidige Patiëntenfederatie) betrokken, evenals relevante gemeenten en zorgaanbieders.</p>
<p>In plaats van concurrentie moeten zorgaanbieders samenwerken. We verplichten in de zorgvisies tot effectieve en efficiënte samenwerking.</p>
<p>Er komt zo een regionaal afgestemd aanbod van samenwerkende zorgaanbieders: met dure specialisatie in hoogwaardige centra en een breed aanbod van basiszorg (incl. GGZ); waarin cure en care elkaar effectief en efficiënt aanvullen; waarin ingezet wordt door tijdige interventie dure specialistische hulp te voorkomen; en waarin het langer thuis met zorg kunnen wonen (als recht, niet als plicht!) ook adequaat gefaciliteerd wordt.</p>
<p>Er is voor deze zorg geen rol meer voor zorgverzekeraars en gemeenten. Verzekeraars beperken zich tot niet collectief vergoede zorg en gemeenten beperken zich tot het leggen van verbindingen met armoede- en schuldenbeleid en met het woonbeleid.</p>
<p>Evenmin is er nog een rol voor het CAK, het CIZ en de NZa. Dat ruimt lekker op. Het geld voor deze instituties valt aan de zorg toe. Nu worden teveel mensen van ene loket naar het andere gestuurd. Het zorglandschap is nu ook teveel gespreid over verschillende partijen met ieder eigen (budget)regels: zorgverzekeraars, zorgkantoren, het CAK, de gemeenten. Naast veel kostbare (in tijd en geld) bureaucratie (ook bij de zorgaanbieders, die vaak met meerdere partijen te maken hebben) zorgt dit ook voor strategisch gedrag tussen bijv. gemeenten en zorgverzekeraars over wie de rekening moet betalen.</p>
<p>En hiermee vervallen ook de beruchte keukentafelgesprekken met de gemeente. Eigen kracht en zelfredzaamheid wordt een recht, geen plicht. Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen.</p>
<p>Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. De gemeenten spelen hierbij geen rol meer. De verstrekking verloopt via de regionale zorgkantoren. We versimpelen de procedures rondom het PGB.</p>
<p>De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof.</p>
<p>Zorg die door de overheid wordt gefinancierd wordt volledig gedefinieerd als een publieke voorziening, zonder marktwerking. De vrije marktwerking geldt er dan niet meer en de Autoriteit Markt en Consument heeft er dus ook niets meer te zeggen. Marktwerking frustreert samenwerking niet alleen omdat zorgverleners elkaars concurrenten zijn, maar ook omdat in een ‘markt’ samenwerking al gauw beschouwd wordt als kartelvorming – en dat is verboden.</p>
<p>Zorgaanbieders mogen geen winstoogmerk hebben en ook geen winstuitkeringen doen – dit geldt ook voor maatschappen aan de eigenaren/zorgaanbieders zelf. De omvorming wordt afgedwongen door dit als subsidievoorwaarde op te nemen.</p>
<p>Iedereen in de publieke zorg komt in loondienst, bij voorkeur in een zorgcoöperatie. Specialisten komen verplicht in loondienst, bij huisartsen schaffen we de goodwill af. Huisartsen, apothekers, tandartsen, paramedici, ambulancediensten en andere zorgaanbieders die nu als ondernemer werken moeten ook in loondienst komen bij hun eigen onderneming, tegen een soort ‘gebruikelijk loon’, zonder aparte private vermogensopbouw. Activiteiten die zij verrichten in niet-publieke zorg, bijv. gefinancierd door zorgverzekeraars en/of patiënten zelf, moeten in een financieel gescheiden entiteit plaatsvinden, en er moet toestemming daarvoor zijn van de zorginspectie en transparant zijn in een openbaar register. Dit opbrengst van deze maatregel wordt teruggeploegd in de zorg, door deze mee te nemen bij de hiervoor genoemde extra investering in de zorg.</p>
<p>We versterken de poortwachterfunctie in de zorg bij huisartsen en wijkverpleegkundigen door hen substantieel meer tijd daarvoor te geven. De toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg krijgt een brede, maar strakkere poortwachter bij huisartsen en wijkverpleegkundigen. Indicaties vinden alleen plaats op basis van tenminste een persoonlijk gesprek met de patiënt door de huisarts of de wijkverpleegkundige. Diagnostisch onderzoek wordt gesubsidieerd. Spoedeisende hulp is alleen beschikbaar als het ook spoedeisend is.</p>
<p>Hulpmiddelen kopen we zoveel mogelijk centraal in op indicatie van huisarts of (wijk)verpleegkundige. Er wordt daarbij ook gewerkt met centrale uitleenmagazijnen. Brillen en gehoorapparaten worden verstrekt door erkende opticiens en audiciens binnen bepaalde vergoedingsregels. We stoppen met steeds opnieuw indiceren als het duidelijk is dat de voorzieningen of hulpmiddelen levenslang nodig zijn.</p>
<p>Ook grijpen we in bij de farmaceutische industrie opdat er lagere medicijnprijzen komen en het medicijngebruik zoveel mogelijk wordt beperkt. We beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie. We volgen de voorstellen uit de initiatiefnota van GL, PvdA en SP hierover van eind 2017.</p>
<p>Ontkoppel onderzoek en ontwikkeling van medicijnen van het in de handel brengen daarvan. Dat doen we met de volgende maatregelen:</p>
<ul>
<li>de instelling van een onafhankelijk (niet aan de farmaceutische industrie gelieerd) Nationaal Fonds Geneesmiddelenonderzoek. In overleg met patiëntenorganisaties kan daarmee door overheid en wetenschap prioriteiten bepalen voor geneesmiddelenonderzoek;</li>
<li>bij het overdragen van licenties stellen we als overheid voorwaarden aan de fabrikant die de toegankelijkheid – ook in prijs – garanderen;</li>
<li>we versterken innovatieve modellen voor ontwikkeling van medicijnen, met een eerlijke prijs en rendement, zoals Fair Medicine;</li>
<li>we investeren in publieke ontwikkelingstrajecten van medicijnen voor specifieke groepen patiënten, met afspraken over prijzen en over de beschikbaarheid van verkregen data;</li>
<li>waar de farmaceutische industrie niet kan leveren (ze prefereren levering aan landen waar hogere prijzen betaald worden) gaan we zelf productielijnen (helpen) opzetten, in coöperatieve bedrijven;</li>
<li>de Autoriteit Consument en Markt krijgt meer bevoegdheden om misbruik van macht door de farmaceutische industrie aan te pakken, bijv. bij excessief hoge prijzen en rendementen. En die mogelijkheden moeten ook beter gebruikt worden;</li>
<li>agressieve en excessieve marketingtactieken van de farmaceutische industrie leggen we aan banden. Belangenverstrengeling tussen artsen, zorginstellingen, patiëntenorganisaties en fabrikanten wordt streng verboden en gehandhaafd. Niet met zelfregulering, zoals nu, maar door de overheid.</li>
<li>we investeren in onafhankelijke patiëntenvoorlichting. Er komt een verbod op commerciële sponsering van patiëntenorganisaties – in plaats van deze sponsoring organiseert de overheid adequate subsidiëring. Artsen mogen alleen andere dan generieke medicijnen voorschrijven, indien zij dat – in verantwoording naar het zorgkantoor – medisch kunnen verantwoorden;</li>
<li>in plaats van het huidige transparantieregister over betalingen tussen de farmaceutische industrie, artsen en apothekers, dat nu door henzelf beheerd wordt, komt er een publiek beheerd register, dat voor iedere zorgverlener en iedere geneesmiddelenfabrikant verplicht wordt, goed gecontroleerd wordt en waarbij sancties volgen aan het onjuist invullen ervan;</li>
<li>we gaan de octrooiwetgeving aanpassen – deze beschermen nu teveel de winsten van fabrikanten op al ontwikkelde medicijnen, in plaats van dat ze de ontwikkeling van nieuwe medicijnen stimuleren. Patenten moeten voor een veel korte periode dan de huidige 20 jaar gelden, niet verlengd moeten worden bij slechts marginale wijzigingen, en aan strengere voorwaarden moeten voldoen. Hier zetten we ons ook internationaal voor in;</li>
<li>op korte termijn zetten we waar nodig dwanglicenties in. Door een dwanglicentie kan de overheid (of iemand die door overheid is aangewezen) gebruik maken van een octrooi voordat dit is afgelopen, zonder toestemming van de octrooihouder. Daarmee wordt het monopolie doorbroken en kunnen generieke middelen eerder toegang krijgen. Dit generieke middel dat via een dwanglicentie verkregen wordt, kan afkomstig zijn uit een ander land of in Nederland geproduceerd worden. En de octrooihouder ontvangt een redelijke vergoeding, volgens internationale richtlijnen. Dwanglicenties toepassen kan ook de prijsonderhandeling onder druk zetten omdat de positie van de overheid wordt versterkt.</li>
</ul>
<p>Fabrikanten besteden het overgrote deel van hun onderzoeksbudget aan de doorontwikkeling van bestaande geneesmiddelen. We zetten in op de grootst mogelijk gezondheidswinst, in plaats van therapeutische meerwaarde. Verschillende toelatingsmaatregelen kunnen ervoor zorgen dat we dat weer omdraaien:</p>
<ul>
<li>we stellen meer voorwaarden aan medicijnen die worden toegelaten tot de markt. Data moeten beter worden geregistreerd en er moet gekeken worden naar de meerwaarde die een nieuw middel heeft ten opzichte van bestaande geneesmiddelen. Wanneer een fabrikant een nieuw middel op de markt brengt wordt dat middel toegelaten op basis van onderzoeksgegevens die de fabrikant zelf aanlevert. Toelating zou verbonden moeten zijn aan striktere voorwaarden voor registratie van data, zowel in de trial fases als daarna. Ook het effect van nieuwe geneesmiddelen moet veel strakker geregistreerd worden. Fabrikanten moeten verplicht worden onderzoek te doen naar biomarkers. Er is op dit moment geen vergoeding voor onderzoek naar diagnostische testen en analyse van patiënten materiaal. De ontwikkeling van voorspellende testen moet gestimuleerd worden. Vergoeding van deze testen is via reguliere bekostiging op dit moment lastig. Er moet een experimenteerartikel komen voor gepersonaliseerde medicijnen;</li>
<li>door eigen bereidingen van apothekers wettelijk goed te regelen, ontstaat er een alternatief voor te dure geneesmiddelen;</li>
<li>prijsonderhandelingen en de voorwaarden van vergoeding door de overheid van medicijnen moeten altijd – anders dan nu – openbaar zijn.</li>
</ul>
<p>De extreem hoge prijs van sommige geneesmiddelen zet de beschikbaarheid van geneesmiddelen onder druk. De prijzen moeten gewoon omlaag. Door wetten te veranderen en beter samen te werken kan dat ook. Er zijn verschillende mogelijkheden om dat voor elkaar krijgen:</p>
<ul>
<li>de huidige manier waarop maximumprijzen voor geneesmiddelen worden vastgesteld is niet representatief. Door in Nederland het ‘<em>Noorse model’</em> te hanteren, waarbij de maximumprijs gebaseerd wordt op het gemiddelde van de drie laagste prijzen van de tien landen waar mee vergeleken wordt, zal de maximumprijs lager uitvallen. Hierdoor kunnen de maximumprijzen van geneesmiddelen met honderden miljoenen naar beneden;</li>
<li>de vergoedingslimieten van het Geneesmiddelen Vergoedings Systeem (GVS) zijn sinds 1998 niet meer opnieuw berekend. Omdat er nu veel meer generieke middelen met een aanzienlijk lagere prijs dan het origineel, beschikbaar zijn, kan een nieuwe berekening tot een flinke besparing leiden;</li>
<li>als geneesmiddelen voor nieuwe, maar niet geregistreerde indicaties worden gebruikt zou een lagere prijs moeten gelden en of een beperking van de duur van het octrooi;</li>
<li>door prijsonderhandelingen met een geheime uitkomst, die de minister voert met de industrie, is niet transparant hoeveel wordt betaald voor een geneesmiddel. Er kan tot lagere prijzen gekomen worden door andere aanbieders toe te laten en door meer informatie met elkaar te delen;</li>
<li>samen sta je sterker. Dus als ziekenhuizen en landen meer mogelijkheden hebben om samen te werken, kunnen zij een beter blok vormen tegen de farmaceuten. Gezamenlijke inkoop, een grotere inkoopmacht, zorgt voor eerlijkere prijzen;</li>
<li>we hevelen dure geneesmiddelen over naar het ziekenhuisbudget. In het ziekenhuis is sprake van meer mogelijkheden voor monitoring van effecten van deze middelen en een doelmatigere inkoop omdat ziekenhuizen lagere prijzen kunnen bedingen. Daarnaast is een belangrijk voordeel van de overheveling van specialistische middelen dat de voorschrijvend specialist niet uitgelokt wordt om zijn voorschrijfbeleid te laten bepalen door een keuze voor middelen die niet onder het ziekenhuisbudget vallen, in plaats van het meest optimale middel te kiezen;</li>
<li>ziekenhuizen moeten vergoeding van medicijnen ontvangen op basis van netto inkoopprijs en niet op basis van lijstprijs. Op dit moment kunnen ziekenhuizen winst maken op inkoop van dure geneesmiddelen. Sinds 2012 is er een wijziging van de beleidsregel dure geneesmiddelen, opgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Vanaf dat moment worden geneesmiddelen niet meer vergoed op basis van de netto inkoopprijs, maar op basis van de lijstprijs. Korting blijft dus onzichtbaar. Daarnaast vormt deze mogelijkheid een prikkel voor ziekenhuizen om dure middelen te kiezen, waarop immers winst gemaakt kan worden. Als zorgverzekeraars op basis van nacalculatie toch gaan vergoeden betekent dat een overschrijding van het budget of verdringing van andere zorg binnen het ziekenhuis. Zorgverzekeraars hebben niets gedaan aan doelmatigheid, zij hadden kunnen weten dat een aantal behandelingen onnodig zijn maar hebben gewoon betaald. Zelfs als een richtlijn van de beroepsgroep een bepaalde behandeling onzin vindt, wordt deze toch uitgevoerd én vergoed. De NZa ziet niet toe op doelmatige inkoop door zorgverzekeraar. In plaats van dit systeem voeren we regionale (onafhankelijke) beoordelingscommissies in die bindend advies geven.</li>
</ul>
<p>We gaan medicijngebruik beperken:</p>
<ul>
<li>We gaan artsen beter voorlichten. Artsen doen hun best, maar schrijven soms toch een duurder medicijn voor, terwijl er goedkopere varianten beschikbaar zijn met dezelfde werking.. Betere voorlichting, leidt tot beter voorschrijven;</li>
<li>het voorschrijven van een medicijn is maatwerk. Soms kunnen doses naar beneden, of kan een patiënt zelfs helemaal stoppen met het nemen van een medicijn, terwijl de fabrikant de arts dwingt om toch hogere doses voor te blijven schrijven. Onafhankelijk onderzoek naar de effectiviteit en veiligheid van kortdurender gebruik van geneesmiddelen is nodig;</li>
<li>er komt tenminste jaarlijs een check door de huisarts op dosering en continuering of beëindiging medicijngebruik en het innemen en zo mogelijk, veilig hergebruik van geleverde medicijnen.</li>
</ul>
<p>We voeren daarenboven ook een aparte belasting in voor de farmaceutische bedrijven om (ontwikkeling en productie van) medicijnen te financieren.</p>
<p>Alle gesubsidieerde zorg wordt – binnen bovenstaande kaders – weer een recht, in plaats van een voorziening.</p>
<p>Er moet veel meer gebruik gemaakt worden van het vergunningenstelsel volgens de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) om tot een intelligente planning van dure voorzieningen voor complexe medische zorg binnen regio’s te komen.</p>
<p>De regelgeving moet aangepast worden om innovatieve initiatieven voor gedeconcentreerde zorg voor chronische aandoeningen door huisartsen met participatie van specialisten mogelijk te maken. Voor een adequate aanpak van chronische aandoeningen hebben we een gedeconcentreerde zorgvoorziening nodig die dicht bij de mensen staat en laagdrempelig toegankelijk is. Dat kan door bijvoorbeeld in gemeentes en buurten van steden centra te hebben waar onder regie van de huisarts maar met specialistische inbreng eerstelijnszorg en consultatieve tweedelijnszorg voor chronische ziekten wordt geleverd. Een aantal specialisten kunnen dan bijvoorbeeld op invitatie van de huisarts een dagdeel in de week tegelijkertijd aanwezig zijn om ingewikkelde patiënten multidisciplinair te zien. Ook samenwerking tussen huisartsen onderling en met apotheken en artsen in een ziekenhuis en wijkverpleegkundigen.</p>
<p>We zorgen ook voor meer kleinschaligheid in de zorg. Er zijn te grote conglomeraten ontstaan die te machtig zijn. Zorg moet regionaal georganiseerd worden, met een netwerk van kleinere basisziekenhuizen, dichtbij de mensen.</p>
<p>De bureaucratische verantwoording wordt tot een minimum beperkt. Geen uitgebreide DBC’s en productcodes meer en geen minutenregistraties. Minimale protocollen en richtlijnen. Geen uitsplitsing van bevoegdheden van verplegers in de regelgeving. Institutioneel wantrouwen naar professionals in de zorg wordt vervangen door vertrouwen en hen een medeverantwoordelijkheid te geven in een efficiënt en doelmatig beheer. Een coöperatieve organisatievorm helpt daarbij om elkaar aan te spreken.</p>
<p>De wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) zijn veel te lang. Teneinde de stijging in de doorgeleiding naar gespecialiseerde GGZ tot staan te brengen is moeten we in de geestelijke gezondheidszorg alles richten op de zogeheten ‘<em>vroegsignalering’</em> en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn.</p>
<p>Bij TBS-patiënten geldt het belang van een snelle behandeling des te meer – de oude regeling dat veroordeelden met een vrijheidsstraf en TBS met dwangverpleging in beginsel na een derde van hun vrijheidsstraf geplaatst moeten worden in een forensisch psychiatrisch centrum gaan we herinvoeren (de zgn. Fokkensregeling). Door een gebrek aan afdoende capaciteit bij GGZ-instellingen om patiënten die beveiligde zorg nodig hebben op te kunnen nemen worden patiënten zonder strafrechtelijke titel steeds vaker met een zorgmachtiging in een forensisch psychiatrisch kliniek of tbs-kliniek geplaatst, hetgeen de capaciteitsproblemen bij tbs-klinieken weer vergroot. Vanwege het stigma van tbs-klinieken belemmert dit ook de uitstroom en resocialisatie van deze patiënten zonder strafrechtelijke titel.</p>
<p>Innovatie in de zorg wordt bevorderd met een landelijk expertisecentrum, dat goede praktijken breder beschikbaar maakt en geld beschikbaar stelt voor innovatieve experimenten en onderzoek. Er is o.m. meer aandacht en geld nodig voor bestrijding van depressies, voor onderzoek naar en begeleiding van dementerenden en voor ziekten die nog onvoldoende begrepen worden, zoals long-Covid.</p>
<p>We investeren fors in zorgpreventie – alle beleid en wetgeving wordt in het vervolg getoetst op implicatie voor de zorg en de gezondheid. We vervangen het beleid van zelfregulering met preventieakkoorden door regelgeving en overheidsbeleid.</p>
<p>Een beter leefmilieu en meer bestaanszekerheid dragen enorm bij aan verlaging van de zorggroei. We investeren fors in meer kennis en bewustwording van de risico’s van luchtinfectie-ziekten en zoönoses. En op het verminderen van risico’s op vallen en andere gevaren voor minder valide mensen in een vergrijzende samenleving. De investeringen in dit plan in betere arbeidsomstandigheden en voorkomen van arbeidsongeschiktheid, en het verlagen van werkdruk teneinde burn-out te voorkomen, zijn ook zeer van belang in het kader van bestrijding van onnodige zorgkosten.</p>
<p>We beperken het aanbod van ongezond voedsel en drinken in de omgeving van kinderen en jongeren (scholen, sportaccommodaties) en in supermarkten en organiseren daar meer betaalbaar, gezond aanbod. We nemen wettelijke maatregelen voor een veel lager percentage van vet, suiker en zout in producten, in plaats van het veel te slappe akkoord dat daarover nu is afgesproken.</p>
<p>Bewezen effectieve programma’s tegen verslavingen en voor een gezonde leefstijl worden ondergebracht in de publiek bekostigde zorg. We stimuleren sporten, met meer sport, spel en beweging op school, en geven iedere jongere een gratis lidmaatschap van een sportclub.</p>
<p>Kinderen die niet gevaccineerd zijn volgens het rijksvaccinatieprogramma worden niet toegelaten tot scholen en de kinderopvang. Door de combinatie met de leerplicht is er daar sprake van verplichte vaccinatie in het algemeen belang.</p>
<p>We investeren meer in onderzoek naar preventie en genezing van ernstige ziekten en compenseren daarbij meer dan volledig het vervallen van fiscale subsidiëring van giften daarvoor.</p>
<p>We investeren in sport met goede sportaccommodaties en door veel meer bewegingsonderwijs (zie elders in deze notitie). Sportbeoefening wordt bevorderd. De financialisering van de sport wordt tegengegaan. Te grote topbeloningen aan topsporters, bestuurders en sportmakelaars veroorzaken een te grote ongelijkheid, zorgen voor een te grote financiële in plaats van sportieve oriëntatie, met risico’s voor corruptie en matchfixing, dopinggebruik en onsportiviteit, en verbindingen met criminelen, witwassers en oneerlijk verdiend geld. Er wordt met bijv. voetballers gehandeld als handelswaar – moderne, maar niet minder laakbare mensenhandel. We ontwikkelen beleid om deze trend te keren – sport hoort weer om de sport, de sporters en de fans te gaan en die moeten hun sport terugveroveren op het grote geld. Daar hoort dan ook bij dat de overheid zelf wel investeert en faciliteert. Supportersgeweld (ook verbaal) wordt streng aangepakt, met o.m. door de strafrechter uit te spreken stadion- en omgevingsverboden.</p>
<p>Naast het terugdraaien van de decentralisaties in de zorg moeten we extra aandacht geven aan de thuiszorg en huishoudelijke hulp, waar een enorme verschraling heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd zijn de verzorgingshuizen en verpleeghuizen versneld afgebouwd. Dagbesteding is vrijwel vernietigd terwijl iedereen, de minister van volksgezondheid onder Rutte III voorop, steeds meer aandacht vraagt voor eenzaamheidsproblematiek. De klachten over de kwaliteit van de verpleeghuiszorg waren aanleiding tot een extra miljarden investering aan het eind van Rutte II, maar de problemen zijn nog niet opgelost. De jarenlange ondermijning van de arbeidsvoorwaarden, en het ontslag van juist de laagste inkomens in de zorg met o.m. 67.000 ontslagen in de thuiszorg onder Rutte II, zijn debet aan het huidige enorme tekort aan zorgwerkers. We hebben de ouderenzorg grotendeels afgebroken, zonder dat er goede zorg thuis tegenover stond. Zorg dichtbij vergt een wijkteam dat nauw samenwerkt met de wijkverpleegkundige en huisarts, om de oudere zo goed mogelijk te begeleiden. In de praktijk gebeurt dat maar sporadisch. Dat moet nu snel geregeld worden als verplichte norm. De tekorten in de dagbesteding, woonvormen en zorgverlening aan cliënten met meervoudige problematiek worden met een actieplan opgelost. In de woonopdracht aan gemeenten (zie elders in deze notitie) komt verplichte aandacht voor woonvormen voor ouderen en mensen met een beperking in relatie met een gezond, fijn leven en waar nodig goede dagbesteding en zorgverlening – huishoudelijk hulp, thuiszorg, maaltijdvoorziening, dagbesteding en wijkverpleging. Dat wordt georganiseerd in coöperaties, met veel zeggenschap voor de bewoners. Daarbij is er keus in al dan niet gemengd wonen met mensen buiten de doelgroep.</p>
<p>In de thuiszorg gaan we weer terug van taakgerichte zorg naar persoonsgerichte zorg in zelfsturende teams, zonder minutenzorg en afvinklijstjes, maar met meer tijd en aandacht voor een persoonlijke relatie met de cliënt. Resultaatsbekostiging (‘schoon huis’) wordt weer vervangen door indicatie van het benodigde aantal uren.</p>
<p>We moeten daarnaast investeren in betere verpleeghuizen met voldoende capaciteit en meer verpleegbedden voor kortdurende opnames. Inmiddels staan meer dan 20.000 mensen op de wachtlijst voor het verpleeghuis, komen de bouwplannen voor seniorenhuisvesting niet van de grond, en wordt het eerder lastiger dan makkelijker om personeel te vinden dat in de ouderenzorg wil werken. En dat terwijl in Nederland sprake is van een dubbele vergrijzing en de vraag naar zorg toeneemt. Het huidige kabinet wil het aantal verpleeghuisplekken bevriezen op 130.000. Dat betekent dat de toekomstige uitbreiding van verpleeghuiszorg volledig via verpleegzorg thuis moet worden geleverd. Dat is niet realistisch, en geeft enorme risico’s voor grote verschraling van zorg.</p>
<p>We moeten het manifest van Hugo Borst en Carin Gaemers <em>Scherp op Ouderenzorg</em> en het daarop gebaseerde plan voor liefdevolle verpleeghuiszorg onderschrijven en uitvoeren, met als criterium twee professionele zorgverleners per groep van 6 tot 8 bewoners in alle verpleeghuizen. De al toegezegde investering van ruim 2 miljard wordt alleen verstrekt als men ook voldoet aan de kwaliteitseisen. De bedrijfsvoering moet veel efficiënter, de kwaliteit van leven moet omhoog.</p>
<p>Het eerste wat er per direct in de jeugdzorg moet gebeuren is dat de <em>caseload</em> omlaag gaat bij jeugdzorghulpverleners – dat is het aantal gezinnen of jongeren die een jeugdbeschermer onder zich heeft. Nu is dat aantal tweemaal hoger dan haalbaar is om het werk adequaat te doen, zo blijkt uit onderzoek.</p>
<p>Dat we de financiering van de jeugdzorg, net als de rest van de publieke zorg via één loket gaan regelen, helpt ook veel om van de huidige bureaucratie af te komen en jeugdzorgprofessionals meer tijd voor de zorg zelf te geven. Daarbij zorgen we voor één cao voor de gehele jeugdzorg.</p>
<p>Vervolgens moeten jeugdzorghulpverleners zelf veel meer bevoegdheden krijgen om te zorgen dat wat zij nodig achten ook echt gaat gebeuren. Dat kan in een niet-commerciële omgeving, zonder aanbestedingen en inkopen (nu gaat ook veel kostbare tijd verloren doordat jeugdzorghulpverleners offertes moeten aanvragen die dan weer beoordeeld moeten worden door een gemeentelijke accountmanager). Daarom moeten ook de jeugdzorgaanbieders publieke instellingen worden, zonder winstmotief. En we moeten jeugdzorg veel kleinschaliger organiseren, midden in de samenleving, zo open mogelijk en zo thuis mogelijk.</p>
<p>In 2015 was het idee dat het leggen van de verantwoordelijkheid bij het laagste bestuurlijke overheidsniveau (de gemeente) tot de beste jeugdzorg zou leiden. Met de decentralisatie zou het eindelijk mogelijk worden om de jeugdzorg te ontkokeren, te normaliseren, te demedicaliseren, problemen zo vroeg mogelijk te signaleren en ouders/opvoeders, kinderen en jongeren adequaat te helpen. De decentralisatie heeft deze verwachtingen niet kunnen waarmaken. Veel gemeenten hebben zich losgemaakt van inhoudelijke visie en zijn zich de afgelopen jaren tegenover de jeugdzorg gaan opstellen als manager en inkoper, waarbij ze met bureaucratische controle krampachtig stuurden op kostenbeheersing. Het afknijpen van de professionals werkte ‘<em>penny wise, pound foolish’</em>. Er zijn sinds de decentralisatie miljoenen weggevloeid naar het visieloze, gigantische aanbestedingscircus, het deprofessionaliseren van de jeugdzorg, de faillissementen van menig jeugdzorgorganisatie en het totaal versnipperde proces van trial and error in de afgelopen jaren. Er zijn bakken met geld besteed aan consultancy, handige en overmatig winstmakende jeugdzorgorganisaties, het ziekteverzuim van personeel in de sector, en last but not least aan kinderen, jongeren en ouders die steeds niet goed geholpen werden en verder in de problemen raakten. Het bereiken van de doelen van de Jeugdwet is veruit de meeste gemeenten tot nu toe nooit gelukt. Want demedicaliseren, normaliseren, preventiever werken én de focus op zelfredzaamheid vraagt in de eerste plaats om te investeren in de professionals die dit moeten bereiken. Het geld moet naar de vakmensen en niet naar de managers, en het moet met duidelijke kaders als richtlijnen en een beroepscode moeten duidelijk maken wat de verschillende hulpvormen zijn en wat de resultaten daarvan horen te zijn. Er bestaat in de jeugdzorg geen snelle oplossing en er komt alleen goede jeugdzorg wanneer de focus op kostenbesparing vermindert. Sturen op kosten betekent minder kwaliteit, maar sturen op kwaliteit verlaagt kosten!</p>
<p>De overtuiging van de maakbaarheid van opvoeden en opgroeien, die achter veel gedrag en beleid zit moet daarbij worden tegengegaan. Ieder verschil met de statistische (en niet erg realistische) standaard wordt nu gezien als potentieel probleem dat vroegtijdig moet worden ‘<em>gesignaleerd’</em> en gemedicaliseerd. Het kind is te licht, te zwaar, te kort, te lang, te druk (ADHD) of te stil (spectrum). Dit misverstand leidt niet alleen tot een verhoogde instroom van cliënten naar de jeugdzorg, maar ook tot totaal overspannen verwachtingen van diezelfde jeugdzorg. Er mag niets fout gaan en er mag geen onderscheid gemaakt worden tussen fout gegaan en fout gedaan. Als er iets fout gaat, dan moet dat ‘<em>consequenties’</em> hebben, waarmee bedoeld wordt dat mensen in de uitvoering moeten worden aangepakt en dat de uitvoering wordt gereorganiseerd. Als er ook maar iets verkeerd gaat, trekt de volkswoede over de sector. Dit leidt tot grote druk op de mensen die het werk moeten doen en heeft een onvoorstelbare bureaucratie tot gevolg. Maar dit is wel de realiteit van de achtergrond in werkdruk die professionals in de jeugdzorg ervaren. Én het is de essentie van het ziekteverzuim en de uitstroom van mensen uit de sector. Het maakt dat een gemeenschappelijke realistische visie broodnodig is. Want de kern van het vak is humane betrokkenheid bij mensen die worstelen met vragen over opvoeden en opgroeien, in combinatie met kennis en vaardigheden uit de mens- en maatschappijwetenschappen. We moeten ook veel meer investeren in die kennis – er bestaat maar weinig empirisch bewijs van de resultaten van behandelingen in de jeugdzorg. Degenen die de verantwoordelijkheid dagelijks nemen, moeten ook het recht hebben aan te geven wat zij daarvoor nodig hebben. Dit vraagt om de zeggenschap van ouders, opvoeders, kinderen en jongeren zelf: wat hebben zij nodig en wat kunnen en willen zij daarvan zelf en met hun informele sociale omgeving organiseren. Daarvoor hebben zij erkenning, steun, ruimte, vrijheid, tijd en keuzemogelijkheden nodig. En professionals en ervaringsdeskundigen moeten daarbij goed gepositioneerd worden.</p>
<p>In het manifest <em>‘Jeugdsprong’</em> van FNV Zorg en Welzijn en de Stichting Beroepseer uit september 2021 wordt daarom terecht gepleit dat jeugdzorg hulp op maat moet bieden door professionals die samen met het gezin veel mandaat en zeggenschap hebben. We organiseren en investeren in structurele ervaringsdeskundigheid in de uitvoering. We faciliteren dat professionals kunnen werken volgens bestaande beroepscodes en richtlijnen. Denk aan evidenced based en practice based werken in combinatie met praktische wijsheid. Hierbij mogen kosten en inkoop de professionele afwegingen en het handelen niet belemmeren. We investeren in mogelijkheden waarmee professionals zoveel mogelijk aan kunnen sluiten bij de motivatie en de doelen van jeugdige en gezin. Analyseer dit en maak een plan waarin aandacht is voor de werkrelatie. Een verbeterde professionele houding verhoogt de kwaliteit van de jeugdzorg en zorgt voor minder kosten. Gebruik bewezen werkzame interventies en laat niet-werkzame interventies los. We onderzoeken waarom professionals wel, of juist niet werken conform richtlijnen. Het is belangrijk dat gestimuleerd wordt dat mensen wetenschappelijk verantwoord werken.</p>
<p>Hogescholen en universiteiten moeten professionals opleiden die nieuwsgierig zijn naar kennis, werkwijzen en vaardigheden en dit op zo’n manier aanbieden dat professionals het zich eigen kunnen maken. Zorgorganisaties moeten hun medewerkers enthousiasmeren om conform actuele kennis en richtlijnen te werken. We verankeren en verduurzamen inhoudelijke leerprogramma’s zoals <em>StroomOp</em> als onderdeel van scholing en ontwikkeling.</p>
<p>Problemen bij kinderen beginnen vaak al eerder dan wanneer ze bij jeugdzorg terechtkomen. Bij kinderen tussen nul en vijf. Elke gemeente krijgt nu subsidie voor de eerste duizend dagen van een kind. <em>Een Kansrijke Start</em>, heet dat programma. Maar een kansrijk vervolg is er onvoldoende. Eerder diagnosticeren mét eerder een passend traject voorkomt later veel problemen. Daarin moeten we veel meer investeren.</p>
<p>In de ‘<em>gewone’</em> zorg zijn we vertrouwd met de functie van de huisarts in de eerste lijn: deze luistert, diagnosticeert, behandelt lichte klachten zelf en verwijst zo nodig door. In de jeugd- en gezinshulp bestaat zo’n vertrouwde eerste lijn nog steeds niet. Die moet er eindelijk komen en deze rol moet vervuld gaan worden door lokale Jeugd- &amp; Gezinsteams. In zo’n Jeugd- en Gezinsteam vindt de triage, de basiszorg en de ‘<em>toegang’</em> naar alle vormen van leeftijd,-en problematiek-overstijgende hulp en ondersteuning voor kind en gezin plaats. Hier worden beslissingen genomen of hulp en steun nodig is en in welke vorm. Ook bij eventuele verwijzingen blijft dit het casemanagement en het aanspreekpunt voor het gezin, de kinderen en jongeren. Vanwege deze belangrijke functie van eerstelijns organisaties moeten aan deze Jeugd- en Gezinsteams (JGT) hoge kwalitatieve eisen gesteld worden die landelijk worden bepaald en voorgeschreven. Elke gemeente dient hoogwaardige professionele eerstelijns Jeugd- en Gezinsteams in te richten. Hier worden alle vragen en zorgen over opgroeien en opvoeden gecentraliseerd, worden adviezen en lichte kortdurende hulp gegeven en wordt indicatie en doorverwijzing geregeld, ook naar (hoog)specialistische hulp. Het Jeugd- en Gezinsteam is zichtbaar aanwezig in de wijk. Het team werkt zoals de huisarts: gezinnen en jongeren die vragen hebben of problemen ervaren kunnen er terecht. Professionals in het team geven bij simpele vragen een advies. Bij problemen onderzoeken zij wat er speelt, bieden zelf hulp, of zorgen voor een verwijzing naar anderen of gespecialiseerde hulp. Het gezin/de jongere krijgt een vaste professional uit het team op wie ze altijd terug kunnen vallen en die betrokken blijft, ook bij verwijzing. Dit eerstelijns Jeugd- en Gezinsteam wordt een door het Rijk opgelegde verplichte decentrale private non-profit basisvoorziening, die elke gemeente conform landelijke basisnormen dient in te richten. In deze lokale, laagdrempelige, multidisciplinaire teams werken professionals met tenminste de volgende expertises samen: de Jeugd Ggz, Jeugd Gehandicapten, Jeugdzorg en opvoedhulp, Jongerenwerk en Veiligheid. Er is sprake van multidisciplinaire triage, uitvoering en verwijzing. Ook acute, ernstige (gewelds)problematiek kan voor intake en indicatiestelling terecht bij dit team.</p>
<p>De lokale Jeugd- en Gezinsteams kunnen onafhankelijk werken, vanuit richtlijnen en evidence based methodieken, met ruimte voor praktische wijsheid. Ze hebben geen ambtelijke aanstelling, omdat ze in dat geval arbeidsrechtelijk zouden vallen onder het instructierecht van de gemeente. Dat staat haaks op hun beroepsgeheim, hun gebondenheid aan het kwaliteitsregister, hun aansprakelijkheid via het tuchtrecht en hun autonome vrijheid om vanuit praktische wijsheid voor het gezin of de jongere het beste te kiezen en te doen.</p>
<p>De eerstelijns jeugdzorgprofessionals kunnen -waar nodig- doorverwijzen naar (hoog) specialistische hulp. Ze doen dat onafhankelijk en zijn daarom nooit in dienst van of gedetacheerd door organisaties van de (hoog)specialistische lijn.</p>
<p>De ‘<em>casemanager’</em> van het Jeugd- en Gezinsteam is het vaste gezicht voor het gezin. Deze geeft zowel advies als begeleiding en adviseert over verwijzing naar hulp die het team zelf niet kan geven. Na verwijzing volgt de casemanager het gezin en het verloop van de hulp, en grijpt in als hulp te lang duurt of onvoldoende is. Deze bevoegdheid helpt met het afschalen en beëindigen van zorg en het op tijd terugschakelen naar de eerstelijn of civil society.</p>
<p>We handhaven daarbij in de wet de huisartsen, jeugdartsen en specialisten als verwijzer en schrappen de zogenaamde medische route dus niet. We versterken de Praktijk Ondersteuners Huisarts. Het is goed dat huisartsen standaard een POH Jeugd en POH GGZ hebben, die vroeg signaleren, laagdrempelig zijn en op tijd hulp kunnen inroepen. Hiermee vormen huisartsenzorg en sociaal domein sámen een toegankelijke en sterke ‘<em>eerstelijn’</em>. Wel moet het Jeugd- en Gezinsteam in contact staan met deze medische verwijzers en de POH’s en met hen samenwerken, zowel in het algemeen als in individuele gezinnen en/of jongeren.</p>
<p>Het Jeugd- en Gezinsteam vormt een spin in het web van alle lokale instellingen en organisaties waar ouders, opvoeders, kinderen en jongeren mee te maken hebben. Denk aan scholen (Zorg Advies Teams), huisartsen, GGD en Jeugdgezondheidszorg en politie, maar ook aan sociaal werk, kinderdagverblijven en naschoolse opvang. Al deze instellingen weten het team te vinden en kunnen er makkelijk een beroep op doen. Dit vraagt om een langjarige benadering in de organisatie van dit team en de bijbehorende professionals. Deze inrichting gaat uit van stabiliteit en continuïteit. Niet met een systeem van aanbesteden, maar met een duurzame subsidierelatie.</p>
<p>De reikwijdte van de jeugdzorg(plicht) is nu te onduidelijk en vraagt om precieze afbakening. Er moet duidelijk zijn wat van het team Jeugd- &amp; Gezin verwacht mag worden en wat van anderen als ouders/opvoeders, het onderwijs, de volwassenen-GGZ, zorgverzekeraars en andere gemeentelijke frontlijnprofessionals. De richtlijnen voor deze afbakeningen kunnen jeugdzorgprofessionals het best zelf ontwikkelen. Het is belangrijk dat zij meer duidelijkheid verschaffen in de vorm van minimumnormen (de jeugdzorg die altijd geleverd wordt) en standaarden. De Jeugd- en Gezinsteams hebben zeggenschap over de keuzes rond het aanbod van (hoog)specialistische hulp in de eigen regio.</p>
<p>De Jeugd- en Gezinsteams leggen inhoudelijk en op gelijke wijze verantwoording af aan de zorgkantoren.</p>
<p>De (hoog)specialistische zorg moet aansluiten op de vraag van de eerstelijns jeugdzorg-professionals en hun cliënten.</p>
<p>Net als alle nodige en nuttige publieke zorg gaat de financiering via de regionale zorgkantoren, die daartoe extra expertise krijgen en gebonden zijn aan de indicering door de jeugd- en gezinsteams van professionals. De inkoop van (hoog)specialistische jeugdzorg is nu nog een taak van gemeenten. Dit werkt niet: de benodigde vakkennis ontbreekt, de schaal is te klein en de kosten zijn onvoorspelbaar. Gemeenten menen zich soms zelfs te moeten bemoeien met besluiten om (hoog) specialistische zorg bij een cliënt bij te schakelen, omdat dat nu eenmaal, op korte termijn (!), duurder is. Hiermee gaat de financier op de stoel van de zorgprofessional zitten en dat moet absoluut vermeden worden.</p>
<p>Net als andere zorg wordt ook (hoog)specialistische jeugdzorg niet meer ingekocht maar gefinancierd met duurzame subsidierelaties met publieke, niet-commerciële instellingen in de vorm van zorgcoöperaties. De zorgkantoren stimuleren de ontwikkeling van onafhankelijke kwaliteitskeurmerken en -eisen en innovatie.</p>
<p>De (hoog)specialistische zorgaanbieders zijn dienstbaar aan de eerstelijn en zijn beschikbaar met expertise en advies op maat. De eerstelijn blijft casemanager, ook na doorverwijzing. De aanbieders moeten hulp zoveel mogelijk decentraal en kleinschalig uitvoeren, zo dicht mogelijk bij het kind en zoveel mogelijk thuis. Daarom is het van belang dat de (hoog)specialistische aanbieders investeren in het ontwikkelen van alternatieven, inclusief tijdige en passende (om)scholing van personeel.</p>
<p>Jeugdbescherming is aan de orde als er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de jeugdige en wanneer deze ontwikkelingsbedreiging onvoldoende afgewend kan worden met hulpverlening in het vrijwillig kader. De ontwikkel belangen van het kind worden daarbij als uitgangspunt genomen, waarbij bij voorkeur vanuit de bestaande gezinssituatie gewerkt wordt.</p>
<p>Veiligheidsexpertise dient onderdeel te zijn van het eerstelijns Jeugd en Gezinsteam. Dit team moet in staat zijn tijdig te herkennen als de veiligheid van kinderen in gevaar komt, kennis hebben van de meeste passende interventies en kunnen afwegen wanneer het gedwongen kader van een Onder Toezicht Stelling (OTS) van meerwaarde/noodzakelijk is.</p>
<p>De optie ‘<em>drang’</em> verdwijnt als onwettige tussenvorm tussen vrijwillige hulpverlening en wettelijk opgelegde jeugdbeschermingsmaatregelen.</p>
<p>Het melden van ernstige bedreigingen moet duidelijker, en langs minder schijven dan nu het geval is. <em>Veilig Thuis </em>wordt samengevoegd met de Raad voor de Kinderbescherming. Deze instantie krijgt de functie van instantie waar gemeld moet worden, naast de functie die hij al vervult: het beoordelen en onderzoeken van meldingen en advisering van de kinderrechter over maatregelen (rekest en onderzoeksfunctie). Deze Raad vervult een onafhankelijke functie: meldingen registreren, onderzoeken, beoordelen en &#8211; waar noodzakelijk &#8211; op basis daarvan een advies over de te nemen maatregelen voor te leggen aan de kinderrechter. Het is beslist niet de bedoeling dat de Raad maatregelen mee uitvoert. Wel is zij overlegpartner om juridische kinderbeschermingsmaatregelen te helpen voorkomen. Het is van belang dat de Raad aan waarheidsvinding doet (zoals beschreven in <em>“Actieplan verbetering feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen”</em>). De Raad moet daarbij in staat zijn (en de middelen hebben) om multidisciplinaire teams samen te stellen. Hierbij valt te denken aan klinische, gedragsdeskundige, medische, forensische en juridische expertise. Het is aan te bevelen grootschalige audits te doen naar de kwaliteit van rapportages en waarheidsvinding. De Raad voor de Kinderbescherming, gezinsvoogdijinstellingen en ketenpartners nemen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het tijdig signaleren en monitoren van benodigde hulpverlening voor groepen die nu een verhoogd risico lopen op hulpverlening binnen het gedwongen kader van jeugdbeschermingsmaatregelen en uithuisplaatsingen.</p>
<p>Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wil een eerlijke balans tussen de betrokken partijen in een rechtszaak waarborgen. Ouder(s) en kind(eren) krijgen daarom <em>ieder </em>kosteloze juridische bijstand door een gespecialiseerd familie/jeugdrechtadvocaat zodra er sprake is van contacten met de jeugdbeschermingsketen. In kinderbeschermingszaken is de verzoekende instantie namelijk een professionele (overheids-)instantie die de kennis en middelen tot haar beschikking heeft om deskundig onderzoek te (laten) verrichten, juristen in huis heeft en ook over de middelen beschikt om een advocaat in te schakelen. Het gezin dat te maken krijgt met een verzoek tot een kinderbeschermingsmaatregel, heeft deze middelen niet vanzelfsprekend tot zijn beschikking. De kinderrechter moet zelf inhoudelijk oordelen en niet bij voorbaat uitgaan van de beoordeling door de aanvragende instantie. Er komt een overzichtelijk algemeen toegankelijke richtlijn, die zowel geldt voor de verzoekende instantie als de kinderrechter en toeziet op het besluitvormingsproces in kinderbeschermingszaken. Daar gaat nu teveel mis. Zo blijken zgn. vrijwillige uithuisplaatsingen onder druk plaats te vinden en worden financiële omstandigheden te vaak opgevoerd zonder dat bezien wordt of die omstandigheden ook verbeterd kunnen worden. De kinderrechter kan daartoe in de toekomst ook maatregelen voor opleggen, bijv. in kader van schuldsanering en aanvullende bijstand. De ouder(s) en kind(eren) moeten kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces en moeten zelfstandig in de gelegenheid worden gesteld om zijn of haar standpunten naar voren te brengen. Door hen verstrekte informatie en bewijsmiddelen moeten worden meegenomen in de besluitvorming. De ouder(s) en kind(eren) moeten, als er een maatregel wordt opgelegd, een rechtsmiddel hiertegen kunnen aanwenden. Dat geldt ook wanneer zij spijt hebben van vrijwillige uithuisplaatsing. Uitgangspunt is dat uithuisplaatsing zoveel mogelijk moet worden voorkomen, en dat aangetoond moet worden dat andere oplossingen onvoldoende veiligheid bieden. De bewijslast ligt bij degene die uithuisplaatsing vraagt, en niet meer bij ouders en/of het kind da nu vaak moet aantonen dat het thuis wel veilig is. Uit onderzoek blijkt dat in de laatste jaren minder vaak onafhankelijke diagnostiek wordt verricht. Met als belangrijkste reden dat de financiering van een dergelijk onderzoek niet van de grond komt. Een besluit moet zijn gebaseerd op een voldoende feitelijke grondslag. Daarom mag het recht op diagnostiek en/of contra-expertise geen lege huls zijn vanwege financiële problemen. Er dient te worden geïnvesteerd in de instanties die het deskundigenonderzoek financieren en instanties die het deskundigenonderzoek uitvoeren.</p>
<p>De door de rechter opgelegde maatregel (een Ondertoezichtstelling of een voogdij) wordt uitgevoerd door een publieke beschermingsorganisatie; de gecertificeerde instelling. Die organisatie wordt door het Rijk gefinancierd, is regionaal georganiseerd, en wordt lokaal uitgevoerd. Deze organisatie voert van rechtswege de regie en dus ook het casemanagement. Om de lijn met de eerste lijn te houden, stellen we voor dat de veiligheidsprofessional uit het eerstelijnsteam, in deze situatie, bij uitzondering, wèl in dienst kan zijn van de gecertificeerde veiligheidsorganisatie als vooruitgeschoven post. Zo kan deze zowel voor als na de maatregel betrokken zijn en blijven bij het gezin. Dit voorkomt verschillende gezichten, maar ook het ongerechtvaardigd doorschuiven van gezinnen met zware casuïstiek van vrijwillig naar gedwongen kader. Er kan voor niemand onduidelijkheid bestaan over de status van de hulp: voor de maatregel werkt de veiligheidsprofessional in vrijwillig kader met het gezin, na de maatregel is de vrijwilligheid eraf. We stoppen de woekering van (digitale) informatie over ouders, kinderen, jongeren die zonder hun medeweten en zeggenschap online wordt verzameld en gedeeld en die niet zorgvuldig bijgehouden en gecorrigeerd kan worden. We schaffen daarom in ieder geval zo spoedig mogelijk de Verwijsindex risicojongeren (VIR) af, en de overheid formuleert strenge eisen over het woekeren van digitale informatie over ouders, jongeren en kinderen. Gecorrigeerde (concept) rapporten moet met zich meebrengen dat oudere versies vernietigd worden en dat de client inzage heeft in zijn eigen digitale dossier.</p>
<p>Voor de jeugdreclassering (ook onderdeel van de gecertificeerde instelling) is een andere weg af te leggen: via politie of leerplicht wordt een kind middels een proces-verbaal aangemeld voor een straf-/of leerplichtzitting. De Raad voor de Kinderbescherming doet een onafhankelijk onderzoek doet over de gewenste afdoening. Een jeugdreclasseringmaatregel wordt door de rechter toegewezen aan de gecertificeerde instelling. De jeugdreclassering werkt in opdracht van de rechtbank en heeft van rechtswege de regie. Ook hier is sprake van rechtstreekse bekostiging van het Rijk, regionaal werkgeverschap, lokale uitvoering, en platte organisaties. We investeren fors in de wijkpolitie en jeugdwelzijnswerk om ook hier preventief te zijn. Het onderwijs wordt hier nauw in betrokken. Er komt een actieplan voor de kwetsbare wijken waar jongeren de grootste risico’s lopen te vervallen in criminaliteit, met speciale aandacht voor de drugshandel en wapengebruik (waaronder messen).</p>
<p>We beëindigen de gesloten jeugdzorg (de zgn. JeugdzorgPlus) voor kinderen die een gevaar vormen voor zichzelf of hun omgeving. De kinderrechter kan die nu opleggen aan kinderen die suïcidaal zijn, zichzelf beschadigen, een ernstige drugsverslaving hebben of bijvoorbeeld erg agressief zijn. In 2020 zaten ruim 1800 kinderen voor korte of langere tijd in de gesloten jeugdzorg. Uit onderzoek<a href="#_ftn41" name="_ftnref41">[41]</a> blijkt dat de meeste kinderen meer beschadigd raken in deze gesloten inrichtingen dan dat ze er geholpen worden. Ze maken veel geweld en repressie mee in deze 16 gesloten jeugdzorginstellingen, waaronder isolatie, houden daar traumatische herinneringen aan over en doen nieuwe angsten op. Het blijkt een onveilige plek te zijn die herstel en ontwikkeling in de weg staat, zeker als het verblijf langer duurt, wat vaak voorkomt. De kinderen wisselen vaak van groep terwijl het kinderen zijn die al lastig mensen vertrouwen en moeilijk contact aangaan. En het onderwijs is er beperkt. Daardoor beginnen ze na de gesloten jeugdzorg vaak met een achterstand in de samenleving. Het is hard nodig dat er snel alternatieve behandelingen worden gerealiseerd, in kleinere, meer huiselijker woongroepen (nu zijn JeugdzorgPlus instellingen vaak gehuisvest in voormalige jeugdgevangenissen). Een goed voorbeeld is Amsterdam (‘de Koppeling’): Sinds 2018 vormen politie, gemeente en onderwijs met de jeugdhulpinstellingen daar samen de beweging <em>‘Radicaal stoppen met dwang en drang’</em>. Als iemand zich grote zorgen maakt over een jongere die onder een brug slaapt en nergens een plek vindt, zoekt men oplossingen zonder hem gesloten te plaatsen. Iedereen heeft zich gecommitteerd aan de opdracht. Werken met kinderen en gezinnen met complexe en meervoudige problemen is topsport en topsporters verdienen optimale ondersteuning. Het vraagt specifieke training. Het relationele werken moet centraal staan. Medewerkers moeten leren om achter het gedrag van kinderen te kijken en vanuit de relatie af te stemmen op wat een kind nodig heeft. Zoals meisjes die te maken hebben met seksespecifieke problematiek en mensenhandel. Kinderen waar je nog geen relatie mee hebt opgebouwd lopen weg, worden weer verkracht in kelderboxen, onttrekken zich aan traumabehandeling, gaan weer zwerven en dingen doen die niet goed zijn voor henzelf of anderen. Daarvoor kan tijdelijk een deur op slot moeten. Maar als iemand een suïcidepoging doet, dan is dat nooit een reden voor afzondering. Professionals moeten juist dan erbij blijven ze niet alleen laten. Onderwijs gaat zoveel mogelijk door, al zal dat niet voor iedereen meteen lukken. Sommige hebben nog bescherming, rust of behandeling nodig. Maar zodra het kan gaan ze naar de school van herkomst of naar de school van de toekomst. Als het nodig is gaat er iemand mee of worden ze gehaald of gebracht. Onderwijs is de beste vorm van zorg voor kinderen. Je moet zorgen dat ze hun talent ontdekken en kunnen blijven leren. Isolatie is nooit goed.</p>
<p>We organiseren een dialoog tussen burger, professional en beleidsmakers over de optimale ontwikkeling en opvoeding van kinderen en over de gewenste ondersteuning daarbij. We zien elke klacht als een kans om de zorg beter te maken. We organiseren intervisie en reflectie op alle niveaus en betrekken hier ervaringsdeskundigen bij. We maken één voorportaal voor alle klachtroutes in de jeugdzorg, waarin zorgvuldig gekeken wordt waar de klacht thuishoort, en we verplichten klachtinstanties onderling naar elkaar te verwijzen en samen te werken. Klagers krijgen het recht op onafhankelijke cliëntondersteuning waarbij ervaringsdeskundigen de lead krijgen. We passen de individuele aansprakelijkheid van de professional (het huidige tuchtrecht) aan door ook de organisatiecontext mee te nemen in het oordeel over aansprakelijkheid. Bestuurders en managers moeten ook aansprakelijk kunnen worden gesteld als zij het professionals onmogelijk maken om hun werk te doen, conform de professionele standaarden. We brengen structureel de klachten in kaart. Ook in de informele klachtenprocedure. We organiseren een platform waar jeugdprofessionals ervaringen kunnen delen. En klager en beklaagde moeten gebruik kunnen maken van juridische bijstand, zoals sociale advocatuur en juridische bijstand. Gratis voor de klager en gefaciliteerd door werkgevers voor de beklaagde.</p>
<p>Het is erg belangrijk te kijken naar de context waarin kinderen opgroeien en die hun problemen verergert. Daarbij wordt terecht veel gewezen op de prestatiedruk en competitie in het onderwijs. Dat is veel te veel een hindernisloop, waarin ouders volop <em>second opinions</em> eisen bij een niet perfect genomen hindernis, en waarin vermogende ouders makkelijk 500 euro per vak neertellen voor commerciële bijlesprogramma’s en zo de kinderen  van niet vermogende ouders op nooit meer in te halen achterstand zetten.</p>
<p>Overigens is armoede zelf geen veroorzaker van de groei van de jeugdzorg. Gedragsproblemen bij jongeren uit arme gezinnen komen niet vaker bij jeugdzorg – sterker nog, de groei van de jeugdzorg blijkt vooral plaats te vinden in de wijken waar de inkomens het hoogst zijn. Er is geen enkel empirisch bewijs dat armoede vaker tot gedragsproblemen leidt. Armoede wordt vaak in verband gebracht met criminaliteit, maar dat verband is vervuild door etnische profilering.</p>
<p>Een andere belangrijke context zijn de onrustbarende stijgende aantallen vechtscheidingen. In 60 tot 70 procent van de gezinnen die jeugdbeschermers begeleiden, is er sprake van een complexe scheiding, aldus het ministerie van Justitie. De jeugdbeschermers schakelen voor de gezinnen hulp in, maken afspraken over de omgang met de kinderen en proberen ouders aan die afspraken te houden. Een vaak schier onmogelijke opdracht. Jaarlijks gaan in Nederland de ouders van ongeveer 70.000 minderjarige kinderen uit elkaar. Ruim 7000 scheidingen worden gezien als een complexe scheiding of vechtscheiding. Ouders hebben dan aanhoudende, ernstige conflicten en verliezen het belang en welzijn van hun kinderen uit het oog. Naar schatting hebben jaarlijks tussen de 10.000 en 14.000 kinderen ernstige hinder van de scheiding van hun ouders. Uit onderzoek blijkt dat de rechter deze kinderen vaker onder toezicht plaatst. Ze krijgen dan een jeugdbeschermer toegewezen. Op dat moment zitten ouders vaak al in wat de <em>“we gaan samen ten onder-fase”</em>, waarin de voormalige geliefden elkaar het licht in de ogen niet meer gunnen. De jeugdbeschermers schakelen voor de gezinnen hulp in, maken afspraken over de omgang met de kinderen en proberen ouders aan die afspraken te houden. Een vaak schier onmogelijke opdracht. Beide ouders doen in de praktijk vaak hun uiterste best om de hulpverlener een kant te laten kiezen. Ook de minister voor Rechtsbescherming ziet de toename van complexe scheidingen die bij de jeugdbescherming belanden als een probleem. Hij vindt hun hulp vaak niet passend en zoekt nu alternatieven om gezinnen te helpen. De minister wil een route waarbij specialistische expertise eerder beschikbaar is om ouders te helpen en hen te bewegen hun ernstige conflicten op te lossen. Het gaat ook om het wegnemen van onzekerheid over onderdak, het aanpakken van schulden en persoonlijke problemen die tot een verharding van het conflict kunnen leiden. Dat is een goede route, maar het duurt – alweer – veel te lang door oneindig te polderen. De voorstellen in dit programma over een verbod op huisuitzetting en voor een schuldenoffensief zullen al veel helpen. Daarnaast moet er een casemanager komen met doordrukmacht om tijdig escalatie te voorkomen.</p>
<p>We zorgen we voor een structurele oplossing van de 18-plus overgangsproblematiek, door het mogelijk te maken deze zorg ook na meerderjarigheid te verlengen.  We maken een verlengde jeugdzorg tot 27 jaar mogelijk. De jeugdzorg laat daarin een jongere pas los als aan de volgende vijf voorwaarden is voldaan:</p>
<ul>
<li><em>Support: </em>er is minimaal één volwassene duurzaam beschikbaar op wie de jongere kan terugvallen en die een stabiel en steunend netwerk biedt;</li>
<li><em>Wonen: </em>de jongere heeft een passende, betaalbare en stabiele woonplek;</li>
<li><em>School &amp; Werk: </em>de jongere gaat naar school en/of heeft een baan die voldoende basis biedt voor een toekomstige loopbaan;</li>
<li><em>Inkomen: </em>de jongere heeft voldoende inkomen en een plan op het voorkomen en/of oplossen van schulden;</li>
<li><em>Welzijn: </em>de jongere is fysiek en mentaal in balans en heeft een plan op signaleren van disbalans. Er is (indien nodig) zorg beschikbaar tot 27 jaar.</li>
</ul>
<p>Een apart probleem hier is dat het meestal niet mogelijk is om een indicatie met de grondslag verstandelijke beperking te krijgen indien deze beperking niet voor het 18<sup>e</sup> jaar is vastgesteld. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet is gebeurd. Zo is een deel van deze cliënten opgegroeid en opgevangen door ouders of binnen het eigen netwerk. Op het moment dat ouders en het netwerk dat niet meer aan kunnen, wordt een indicatie aangevraagd. Migranten behoren tot een andere groep cliënten, waarbij vaak niet voor het 18<sup>e</sup> levensjaar een verstandelijke beperking is vastgesteld of daarover geen gegevens beschikbaar zijn. We maken in deze gevallen alsnog indicatie mogelijk voor jeugdzorg voor 18-plussers.</p>
<p>Er is ook een tekort aan pleegzorgouders. We moeten pleegzorgouders goed subsidiëren en faciliteren, opdat dit veel aantrekkelijker wordt.</p>
<p>We zorgen voor jongeren voor een duurzame, landelijk dekkende, preventie-infrastructuur buiten de jeugdzorg. In zo’n structuur zijn doeltreffende preventieve hulp en steun beschikbaar via de voorzieningen waar jongeren en hun gezin in hun dagelijks leven mee te maken hebben: bij de jeugdgezondheidszorg, de kinderopvang, in het onderwijs, bij de (huis)arts en op de sportclub. Dit betekent lange termijn organiseren en faciliteren. En in de tussentijd moeten we niet de kinderen en gezinnen die jeugdzorg nodig hebben uit het oog verliezen.</p>
<p>De bestaanszekerheid van gezinnen in brede zin vergroten, zoals we in ons beginselprogramma voorstellen, helpt zeer. Ernstige en chronische bestaansonzekerheid, zoals armoede en slechte huisvesting, hebben via (chronische) stress een giftige uitwerking op de ontwikkelkansen van kinderen. Bestaansonzekerheid is schadelijk en de schade die het op lange termijn veroorzaakt, is vaak onomkeerbaar. Ruim een kwart van de bevolking leeft nu in bestaansonzekerheid.<a href="#_ftn42" name="_ftnref42">[42]</a> Meer specifiek zetten we een preventieve infrastructuur op door de programma’s <em>‘Kansrijke Start’</em> en <em>‘De Gezonde School’</em> duurzaam te verankeren en het bereik ervan te verhogen. We vullen beide programma’s met interventies die zijn gericht op jeugdzorg en interventies uit de database <em>‘effectieve jeugdinterventies’</em>, waardoor de druk op jeugdzorg vermindert. We verplichten dat gemeenten scholen faciliteren om mee te doen aan het programma <em>‘Gezonde school’</em>. Het onderwijs moet onderdeel zijn of worden van het sociaal weefsel in de wijk. Werken aan het welbevinden is essentieel in primair én voortgezet onderwijs. Rijk en gemeenten moeten de bevindingen van het programma <em>‘Met andere ogen’</em> overnemen.</p>
<p>Het ministerie van VWS dient de Gezondheidsraad te vragen om -in aansluiting op zijn advies <em>De ouder-kindrelatie en jeugdtrauma’s</em>– periodiek te adviseren welke preventieve interventies moeten worden opgenomen in de landelijke preventie-infrastructuur.</p>
<p>De professionals die deel uitmaken van het eerstelijnsteam voor jeugd en gezin worden de vooruitgeschoven post o.a. bij kinderopvang, op scholen en bij huisartsen.</p>
<p>We ontwikkelen zorgstructuren en opvoedondersteuning door kraamzorg, verloskundigen, kinderopvang, naschoolse opvang, voorschool, leerplicht en de schoolarts. En we zorgen dat de preventieve interventies vanuit gemeenten aansluiten bij de preventieve interventies binnen onderwijs, kinderopvang, kraamzorg, jeugdgezondheidszorg en sociaal werk. Er komt een actieplan voor bevordering van de mentale gezondheid van jongeren.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<h2><a name="_Toc134451996"></a><strong>8.  </strong><strong>Emancipatorisch en Goed Onderwijs en Kinderopvang</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Gelijke kansen in het onderwijs kunnen alleen gerealiseerd worden in een samenleving waarin ook te grote ongelijke uitkomsten in termen van (besteedbaar) inkomen, bezit, rechtszekerheid, invloed, gezondheid, levensverwachting en woonsituatie en -omgeving effectief door de overheid worden tegengegaan.</p>
<p>Om bestaande maatschappelijke ongelijkheden met goed, emancipatorisch onderwijs en met pedagogisch-goede kinderopvang, ook wanneer er gestuurd wordt buiten het onderwijs op meer gelijke uitkomsten, niet te reproduceren of zelfs te versterken, is het zo vroeg mogelijk bestrijden van achterstanden, uitstel van selectie, veel beter en meer, completer onderwijs met betere leraren en leeromgevingen , en open houden van leerroutes noodzakelijk.</p>
<p>Onderwijs en kinderopvang zijn bij uitstek sociale grondrechten en een publieke taak. Marktwerking hoort daarin niet thuis. De financiering geschiedt van het initieel onderwijs en het publieke volwassenenonderwijs geschiedt geheel uit de opbrengst van eerlijke, progressieve belastingen, en is zodanig, dat parallelle commerciële activiteiten geen bestaansrecht hebben. Er is geen les- en collegegeld meer en alle activiteiten en voorzieningen worden publiek, collectief bekostigd.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>Alle basis en voortgezet onderwijs en alle kinderopvang is verplicht publiek gefinancierd, zonder marktwerking en zonder winst en zonder eigen bijdragen. Ook het overgrote deel van het initiële beroepsonderwijs en het hoger onderwijs, inclusief de open universiteit, is publiek gefinancierd, zonder winst en zonder eigen bijdragen van onderwijsdeelnemers. Door het niveau van financiering hebben commerciële concurrenten nauwelijks bestaansrecht.</p>
<p>Alle basisscholen zijn geïntegreerd met goede kinderopvang, waaronder gratis voorschool en peuterspeelzalen. Alle scholen in het voortgezet onderwijs zijn goed geïntegreerd met buitenschoolse opvang.</p>
<p>Selectie in het onderwijs vindt niet eerder plaats dan 15/16 jaar. In een middenschool wordt niveaugedifferentieerd onderwijs gegeven. Na je 15<sup>e</sup>/16<sup>e</sup> levensjaar volgt er selectie naar meerdere vervolgsporen, ook met beroepsonderwijs en werkend leren. Er is aanzienlijk minder prestatiedruk.</p>
<p>Scholen hebben voldoende, goede leraren en financiën en goede leermiddelen en schoolgebouwen zonder wachtlijsten. Het meeste geld en de beste leraren gaan naar de scholen waar de pedagogische leeromgeving het grootst is. Het bieden van kansen wordt beloond, het rendementsdenken is aan banden gelegd.</p>
<p>Scholen zijn georganiseerd in coöperaties van leraren en hun ondersteuners. Leraren zijn veel meer dan nu weer eigenaar van het onderwijsleerproces. Tegelijkertijd stuurt de overheid op hoge kwaliteit, meer gelijke kansen en volledig, compleet onderwijs.</p>
<p>In het basis en voortgezet onderwijs is er een toelatingsrecht. Alle scholen zijn neutraal wat betreft levensovertuiging of religie. Er is een nationaal curriculum dat verplicht aangeeft waarin en waarover onderwijs gegeven wordt. Dat gaat uit van een breed, volledig vakkenpakket, en hoge kwaliteitsnormen. Daartoe is de onderwijstijd aanzienlijk uitgebreid.</p>
<p>Er is een volwassen, pedagogisch verantwoorde schoolcultuur, met veel contact met ouders. Voor kinderen die aangepast onderwijs nodig hebben is het regulier onderwijs veel beter inclusief geworden, maar voor hen die anders geen onderwijs zouden kunnen krijgen, is er beter en toegankelijker speciaal onderwijs.</p>
<p>Het beroeps- en hoger onderwijs is op hoog niveau, met veel meer begeleiding en hoogwaardig onderwijs en (onafhankelijk) onderzoek. Beroepsonderwijs is kwalitatief en kwantitatief meer gericht op de vraag op de arbeidsmarkt en werkend leren wordt bevorderd. De rechtspositie en medezeggenschap van studerenden is versterkt.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p><u>Gelijke kansen en onderwijs</u></p>
<p>Piketty ontmaskert het meritocratische discours, dat lang het debat domineerde. In dat discours staan eigendom, ondernemerschap en meritocratie centraal, en stelt dat de huidige ongelijkheid rechtvaardig is omdat ze voorkomt uit in vrijheid gekozen verloop van zaken waarin eenieder dezelfde kansen heeft om toegang tot de markt en tot eigendom te verkrijgen, en waarin iedereen ‘als vanzelf’ mee profiteert van het groeiende kapitaal van de rijken (de zgn<em>. ‘Trickle Down’</em>-theorie), en waarin de rijken ook het meest ondernemend zijn, het meest verdienstelijk en het nuttigst voor de samenleving.</p>
<p>Piketty laat zien dat er een groeiende, enorme kloof bestaat tussen dit meritocratische discours en de werkelijkheid die de achtergestelde groepen in onze samenleving aan den lijve ondervinden waar het gaat om toegang tot onderwijs en rijkdom, en daarmee ook zelfs tot elementaire basisvoorzieningen als een dak boven je hoofd en medische zorg, ook leidend tot schokkende ongelijkheden in levensduur. De winnaars in het huidige systeem worden zonder bewijsvoering tot rechtvaardige winnaars verklaart en de verliezers worden gestigmatiseerd tot klaplopers, sukkels en profiteurs. Daarin is de huidige samenleving zelfs harder dan de pre-industriële samenleving.</p>
<p>Een te beperkte focus op alleen maar gelijkheid van kansen, terwijl de ongelijkheid in inkomen en vermogen/bezit buiten beschouwing wordt gelaten, versterkt alleen maar de ongelijkheid: meer kansen zal – zeker zonder substantiële positieve discriminatie – alleen maar leiden dat de meest kansrijken daar het meest van profiteren. Pleiten voor gelijke uitkomsten is voor (neo)liberalen geen optie, want dat zou mensen maar lui maken. Ook voor sociaaldemocraten was het lang not done, want ‘<em>we zijn immers geen communisten’</em>. Maar ongelijke uitkomsten zorgen voor machtsverschillen, waarmee startposities gemanipuleerd kunnen worden. Ook sociaaldemocraten gingen geloven dat de winnaars dat ook verdiend hadden, zij waren immers de besten gebleken, en dus gingen we te pas en vooral te onpas steeds meer ‘<em>excellentie’</em> benoemen, ook in het onderwijs.</p>
<p>Het is heel makkelijk om in <em>‘gelijke kansen’</em> iets vooruitstrevends te zien, maar als de dagelijkse omstandigheden zo uiteenlopen dat voor écht gelijke kansen radicale veranderingen nodig zijn en als politici <em>‘weinig of niets te zeggen hebben over de concrete politieke voorwaarden die daarvoor nodig zijn’</em>, dan is praten over gelijke kansen in de woorden van filosofe Lorna Finlayson een ‘<em>geruststellend maar ronduit belachelijk idee’</em>. In een competitieve neoliberale marktsamenleving zijn gelijke kansen vooral een excuus om een groeiende sociaaleconomische kloof te legitimeren. Daar worden gelijke kansen een stok om ‘<em>achterblijvers’</em> mee te slaan, denken winnaars dat ze hun succes volledig aan zichzelf te danken hebben en voelen verliezers zich steeds minder thuis bij die zelf-feliciterende kaste van winnaars, zoals filosoof Michael Sandel in zijn boek ‘<em>Tyranny of Merit’</em> laat zien.</p>
<p>Zelfs het miljonairsblad Quote roept links Nederland op om de bestrijding van ongelijkheid tot speerpunt te maken. Het is niet dat we het ons niet kunnen veroorloven om armoede uit ons land te verbannen, het is de hebzucht van degenen die enorme hoeveelheden kapitaal verzamelen en de onwilligheid van onze overheid om tot correctie en dus tot fiscale herverdeling over te gaan, die veroorzaakt dat deze schandalige misstand blijft bestaan.</p>
<p>Ook het recente SCP rapport <em>Eigentijdse Ongelijkheid</em> van 7 maart 2023<a href="#_ftn43" name="_ftnref43">[43]</a> trapt in de val van de meritocratische leugen door <em>klasse</em> primair te definiëren in termen van kansen en mogelijkheden, waardoor automatisch veel nadruk op de toekomst komt te liggen. Klasse speelt zich echter ook in het heden af: het bepaalt of mensen nú genoeg geld hebben om naar de supermarkt te gaan en daar eten te kopen. Of dat ze financieel sterk genoeg staan om belangrijke levensbeslissingen te nemen, zoals het kopen van een huis of het krijgen van kinderen. Of dat ze die besluiten juist voor onbepaalde tijd moeten uitstellen wegens gebrek aan financiële mogelijkheden. Leeftijd is daarbij belangrijk: wat heeft iemand van 65 die financieel uitstekend af is aan alle kansen die een uitgebreid sociaal netwerk of kennis van de laatste digitale ontwikkelingen hem zouden bieden? Hij heeft een koophuis, hij heeft vermogen, meer heeft hij niet nodig. Volgens het rapport zou een fysiek aantrekkelijke en hoogopgeleide twintiger met een studieschuld die de helft van zijn inkomen aan huur kwijt is tot een iets hogere klasse behoren dan een gepensioneerde babyboomer met een afbetaald huis en een paar miljoen op de bank. De twintiger is namelijk kansrijk; en kansen en potentie, dat is waar alles om draait bij de methode die het SCP hanteert. Bovenstaand voorbeeld is een effectieve illustratie van de aanpak van de onderzoekers, die drijft op de huidige mode om werkelijk alles te definiëren in termen van kansen. Het SCP is dermate geobsedeerd door kansen en groeimogelijkheden, dat ze de positie van de rijkste en meest vermogende groep definiëren als achtergesteld. Als je het zo bekijkt, gaat het rapport helemaal niet over ‘<em>eigentijdse ongelijkheid’</em>; het handelt vooral over de (mogelijke) toekomst.</p>
<p>Het SCP gebruikt in haar rapportages over klassenongelijkheid een methode waarbij niet alleen verschil in economische positie bepalend is voor de klassenindeling in de samenleving, maar ook de ongelijke verdeling van hulpbronnen. Die hulpbronnen worden met een beroep op de Franse socioloog Pierre Bourdieu aangeduid als ‘<em>kapitaal’</em>. Zo spreekt het SCP van cultureel kapitaal als ze het hebben over de mate waarin iemand bekend is met bepaalde maatschappelijke codes en normen die toegang geven tot de betere banen, en over sociaal kapitaal als het gaat om toegang tot sociale netwerken. Zelfs als het gaat over ‘<em>economisch kapitaal’</em> schaart het SCP daar niet alleen inkomen en vermogen onder, maar bijvoorbeeld ook onderwijsniveau.</p>
<p>Zoals Dylan van Rijsbergen schreef op <em>Jacobin.nl </em>op 20 maart 2023 in een terechte kritische recensie van het SCP-rapport<a href="#_ftn44" name="_ftnref44">[44]</a> is de selectie van deze methode een politieke keuze. Het SCP verantwoordt deze keuze echter enkel door te verwijzen naar ander wetenschappelijk onderzoek. Instituten als het Planbureau zijn gehecht aan een imago van politiek neutraal expertisecentrum, terwijl er geen wetenschap met een grotere politieke lading bestaat dan de sociologie. Dat het begrip <em>‘economisch kapitaal’</em> volgens het SCP ook onderwijsniveau omvat, verantwoorden de onderzoekers bijvoorbeeld met een verwijzing naar de ‘<em>human capital</em>-theorie’ van de Amerikaanse econoom Gary Becker. Zijn werk veronderstelt een direct verband tussen opleidingsniveau, inkomen en productiviteit: hoe hoger het opleidingsniveau hoe productiever. Volgens Becker bevat dit mechanisme de voornaamste verklaring voor het feit dat hoopgeleiden doorgaans meer geld verdienen. Die conclusie lijkt op het eerste gezicht de bestaande inkomensverschillen effectief te legitimeren. In de praktijk zijn de correlaties tussen die variabelen echter zwak, om van causatie maar te zwijgen. Het SCP weegt <em>‘zacht kapitaal’</em>, zoals sociaal en cultureel kapitaal en bijvoorbeeld ook opleidingsniveau, relatief zwaar ten opzichte van ‘<em>hard kapitaal’</em> zoals vermogen en inkomen. Deze keuze heeft een aantal wonderlijke gevolgen: zo menen de onderzoekers dat drie van de zeven sociaal-economische klassen uit hun systeem een vergelijkbare positie innemen: de jonge kansrijken, de rentenierende bovenlaag en de werkende middengroep. In het visuele overzicht en de tabellen die als bijlage bij het rapport zijn gevoegd, staan de jonge kansrijken vanuit een klein procentueel verschil zelfs bóven de rentenierende bovenlaag. Hier komen we terug bij het eerder besproken voorbeeld van de fysiek aantrekkelijke en hoogopgeleide twintiger die in een klasse boven (of vergelijkbaar met) de rijke pensionaris terecht is gekomen. Omdat de pensionaris over minder sociaal en cultureel kapitaal beschikt, komt deze in de hiërarchie die het rapport hanteert netto ongeveer op dezelfde positie – zelfs iets onder – de jonge kansrijke terecht.</p>
<p>Het bezit van zacht kapitaal is vanouds het onderscheidend kenmerk van de middenklasse. De Amerikaanse journalist en activist Barbara Ehrenreich definieerde in haar klassieke boek <em>Fear of Falling</em> (1987) de <em>professional middle class</em> als een werkende groep die een eigen, redelijk welvarende niche had ingenomen door opleidingskwalificaties te verzamelen. In tegenstelling tot de bovenklasse waren zij niet in het bezit van een significante hoeveelheid financieel vermogen. Vermogen gaat via het erfrecht over van generatie op generatie, waardoor klasse en status automatisch voor de familie behouden blijven. De juiste diploma’s moet elke generatie echter steeds opnieuw behalen. De middenklasse loopt om die reden continu het risico op neergang van sociale status. Via zacht kapitaal (bijvoorbeeld door kinderen te helpen bij hun studie) kunnen hoogopgeleide ouders de risico’s op sociale neergang voor hun kinderen verkleinen. Zacht kapitaal is echter altijd kwetsbaar: er kunnen dingen gebeuren – ziekte, ongelukken, psychische problematiek of gewoon ongeschiktheid voor cognitief leren – die de kracht ervan tenietdoen. Zacht kapitaal levert ook alleen maar wat op als het omgezet kan worden in hard kapitaal, en dat kan alleen maar door betaalde arbeid te verrichten: het is geen passief inkomen. Hoewel het SCP spreekt van de ‘<em>accumulatie’</em> van dit soort zacht kapitaal, staat die niet in enige verhouding tot de accumulatie van vermogen. Goed belegd inkomen groeit gemiddeld altijd harder dan inkomen dat via arbeid verdiend kan worden; zoals de hiervoor genoemde Franse econoom Thomas Piketty in een langjarige studie onweerlegbaar heeft aangetoond. De wereld van de bovenklasse is die van het harde, financiële kapitaal, in die van de middenklasse is zacht kapitaal veel belangrijker, omdat ‘<em>echt’</em> vermogen meestal buiten hun bereik ligt. Het SCP kijkt naar de Nederlandse samenleving door de bril van die middenklasse. Die bril vertekent echter.</p>
<p>Hoewel het SCP in haar rapport wel melding maakt van het bestaan van de vermogende bovenlaag, de allerrijkste 1% van Nederland, verdwijnt deze uit hun klasse-schema. Dit is een groep wier inkomen bijna volledig bestaat uit inkomsten uit aanmerkelijk belang, zoals dividend op aandelen. Passief inkomen dus. Deze groep bezit dan ook maar liefst driekwart van het aanmerkelijk belang van heel Nederland. Het gaat hier om een buitengewoon machtige klasse van grootbezitters, maar het SCP keurt haar geen plek waardig. Door de hierboven beschreven middenklasseblik, volledig beheerst door een wereld die van zacht kapitaal aan elkaar hangt en geobsedeerd door levenskansen en potentie, vindt het SCP de 1% simpelweg niet relevant. Dat is een keuze die belangrijke politieke consequenties heeft. Het komt de bovenklasse goed uit om onzichtbaar te zijn. Het komt haar ook bijzonder goed uit dat de discussie over ‘de kloof’ vooral gevoerd wordt als die tussen hoog- en laagopgeleiden.</p>
<p>In zijn boek <em>Understanding Class</em> uit 2015 verdeelde de marxistische socioloog Erik Olin Wright theoretici over klasse onder in drie groepen: de eerste groep ziet klasse vooral als het resultaat van de cumulatieve uitkomsten van verschillende achtergronden, zoals het SCP dat doet. De tweede groep is iets radicaler, want deze ziet klasse als het resultaat van in- en uitsluiting van mensen: sociale sluiting of <em>opportunity hoarding.</em> Max Weber is hier belangrijk, maar ook Bourdieu. Deze denkers zien klasse als een relationeel proces: de ene klasse heeft het beter omdát de andere het slechter heeft. De reden is dat de eerste schaarse zaken naar zich toe trekt (bijvoorbeeld opleidingskwalificaties, maar ook sociaal en cultureel kapitaal). De laatste groep theoretici die Wright onderscheidt gaat uit van macht en exploitatie. Hier vinden we onder andere Karl Marx en Wright zelf terug. Mensen worden rijker omdat ze anderen uitbuiten, omdat ze zich de meerwaarde van het werk van anderen toe-eigenen. Ook hier is het proces weer relationeel, maar er is ook een onderlinge afhankelijkheid: de uitbuiter heeft de uitgebuite nodig.</p>
<p>Ondanks de verwijzingen naar Weber en Bourdieu handelt de studie van het SCP in de kern toch vooral over individuele achtergronden van mensen. Bij Bourdieu bijvoorbeeld heeft cultureel kapitaal een uitsluitende functie, waarbij het doel van de dominante groep is om mensen buiten de welvarende groep te houden. Voor Becker bestaat menselijk kapitaal nu eenmaal; het maakt deel uit van het geraamte van de sociale wereld, hetgeen betekent dat mensen het zullen moeten verwerven. Het SCP trekt zo de radicale angel uit het denken van Bourdieu, die zich bewust was van de mate waarin de middenklasse haar eigen mogelijkheden bewaakt en daartoe barrières opwerpt voor nieuwkomers. Over Marx en exploitatie spreekt het SCP al helemaal niet. Erik Olin Wright meent dat de ontwikkeling van sociologische theorie gekenmerkt wordt door voortdurende verrechtsing: waar in de jaren zeventig nog veel aandacht was voor marxisme en exploitatie, legden sociologen vanaf de jaren tachtig steeds meer de nadruk op weberiaanse concepten. Zo kwamen we uiteindelijk terecht bij de moderne studies naar achtergronden, kansen en ‘<em>rugzakjes’</em>. ‘<em>Eigentijds’</em> is een codewoord voor een hippe liberale visie van een wereld die enkel zou bestaan uit kansarmen en kansrijken.</p>
<p>Waarom besteedt het SCP eigenlijk opeens weer aandacht aan klasse? Met de economische crisis, de opkomst van de Occupy-beweging met de slagzin <em>‘Wij zijn de 99%’</em>, en de publicatie van het beroemde boek <em>Kapitaal in de 21<sup>ste</sup> eeuw</em> van Thomas Piketty, ontstond aan het begin van het vorige decennium plotseling weer veel aandacht voor ongelijkheid, specifiek vermogensongelijkheid. In de jaren daarvoor stelden instituten zoals het SCP Nederland juist voor als een land met een relatief grote sociaal-economische gelijkheid; hierbij werd voornamelijk naar inkomen gekeken. Piketty’s nadruk op financieel vermogen bracht de rijke bovenlaag echter in verlegenheid. Dit had er vooral mee te maken dat Piketty uit enorme hoeveelheden data tot een systemische conclusie over het kapitalisme kwam. Hij vatte deze samen met de formule R &gt; G, waarbij R stond voor de totale groei van rente op vermogen (winst, dividend, rente enzovoorts) en de G voor de totale groei van de economie. Wanneer het kapitalisme gewoon zijn gang zou blijven gaan, dan zou dit mechanisme volgens Piketty automatisch leiden tot gigantische vermogensverschillen, vergelijkbaar met de situatie aan het einde van de negentiende eeuw. Werk loont simpelweg niet zoveel als rente op vermogen. De Franse econoom pleitte daarom voor een wereldwijde verhoging van de vermogensbelastingen. Een radicale, systeemkritische boodschap die het kapitaalkrachtige deel van Nederland niet goed uitkwam, en die bovendien inging tegen de neoliberale consensus die in de decennia daarvoor was gesmeed. Piketty’s boodschap ging daarnaast in tegen het beeld van Nederland als middenklasse-samenleving: een samenleving waar opwaartse mobiliteit mogelijk was als mensen maar toegang kregen tot de juiste (zachte) hulpbronnen.</p>
<p>Het was geen toeval dat het SCP in 2014 voor het eerst in lange tijd weer een rapport<a href="#_ftn45" name="_ftnref45">[45]</a> uitbracht waarin het begrip klasse een belangrijke rol speelde. De discussie over Piketty’s conclusies werd in die tijd volop gevoerd: GroenLinks-lijsttrekker Jesse Klaver had de econoom zelfs uitgenodigd om zijn verhaal in de Tweede Kamer te komen vertellen. Het rapport leek in te haken op diezelfde discussie over klasse; in werkelijkheid introduceerde het SCP in dit rapport de hierboven beschreven methode, met haar grote nadruk op de verschillende vormen van zacht kapitaal. Een keuze die haaks op de bevindingen van Piketty stond: al dit zachte kapitaal zou in zijn formule immers op zijn best ‘G’ kunnen versterken, de groei van de economie. Laat die nu net historisch gezien altijd achterlopen op de ‘R’. De ingreep van het SCP was evident ideologisch van aard. Het rapport neutraliseerde de kritiek van Piketty, door zijn potentieel explosieve verhaal over klasse en kapitalisme te vertalen naar een verhaal over kansenongelijkheid.</p>
<p>Het is dus geen verrassing dat het SCP in haar laatste rapport expliciet verwijst naar ‘<em>levelling up</em>’ als een strategie om de problematiek van de onderste klasse te verlichten. ‘<em>Levelling Up</em>’ was de slogan waarmee Boris Johnson als leider van de Britse conservatieven campagne voerde in 2019. De Tory’s wilden door specifieke beleidsingrepen de onderste klassen vooruit helpen, zodat ze meer toegang kregen tot hulpbronnen. Ze zetten dat begrip expliciet af tegen <em>‘levelling down’</em> (het aanpakken van de bezitters van grote hoeveelheden kapitaal), een strategie waar de Labour Party toen campagne voor voerde. Het rapport <em>Eigentijdse Ongelijkheid</em> levert dus een ideologisch gekleurd beeld van de klassenstructuur in Nederland op. Met het SCP-rapport in de hand kunnen de allerrijksten opgelucht ademhalen, want het gesprek gaat niet langer over hen. Als er al sprake is van klassenstrijd, dan zijn zij niet de klassenvijand, want zij zijn onzichtbaar. In plaats daarvan worden nu zelfs arme studenten tot een kansrijke elite omgetoverd. De ‘klassenstrijd’ zal voornamelijk plaatsvinden tussen hoog- en laagopgeleiden, geheel volgens het schema dat rechtse partijen doorgaans goed uitkomt en dat helemaal past in de cultuurstrijd die zij reeds voeren. Eigentijdser kan het niet.</p>
<p>Het SCP heeft de meeste zorgen over <em>‘de onzekere </em>werkenden’ en <em>‘het precariaat‘. </em>Een op de zes Nederlanders behoort tot een van deze groepen. Zij hebben het financieel het slechtst, zijn het ongezondst en hebben de meeste mentale problemen. Maar zij hebben óók het minste vertrouwen in hun medemens en de politiek. Zij blijven relatief vaak thuis bij verkiezingen. Een op de drie onzekere werkenden zei vooraf ‘<em>niet’</em> of ‘<em>misschien’</em> te gaan stemmen voor de Tweede Kamer, in 2021. In het precariaat was dat aandeel nog groter: 43 procent. En wie wel stemt, neigt vaker naar flankpartijen als de PVV en SP. De belangrijkste boodschap van het planbureau: erken dat ongelijkheid een complex probleem is dat je niet alleen bestrijdt met economische maatregelen. Want dan ga je eraan voorbij, zegt auteur Cok Vrooman, <em>„dat mensen minder kansen krijgen vanwege hun gezondheid, of omdat ze anders zijn of bepaalde contacten niet hebben”.</em> Dat is de ultieme ontkenning van dat gezondheidsverschillen en andere niet-economische verschillen te maken hebben met economische machtsverschillen, in enorme verschillen in uitkomsten wat betreft extreme rijkdom én armoede. In plaats van daar echt wat aan te doen (volgens het SCP moet je wel erg optimistisch zijn als je alleen de uitkeringen verhoogt!) adviseert het SCP anoniem solliciteren. Vrooman denkt dat de overheid misschien wel een slechte antenne heeft voor waar deze groepen tegen aan lopen – of ontbreekt het de SCP-onderzoekers aan een goede antenne om de werkelijkheid te begrijpen?</p>
<p>Het CBS is naast het SCP ook een uitstekende propagandist van de meritocratische leugen. Wie als dubbeltje is geboren, heeft in Nederland een flinke kans om later een kwartje te worden. Ruim negen van de tien kinderen die in 1995 opgroeiden in een relatief arm gezin, wisten zich in de 25 jaar daarna aan die armoede te ontworstelen, blijkt uit cijfers die het CBS bijna gelijktijdig publiceerde.<a href="#_ftn46" name="_ftnref46">[46]</a> Slechts 9,6 procent van hen leefde rond 2020 nog in een huishouden onder de lage-inkomensgrens. Hoe deden zij dat? Dat zou vooral de verdienste van het onderwijs zijn. De afgelopen decennia werd het hoger onderwijs steeds toegankelijker. Werd de universiteit enkele tientallen jaren geleden nog vooral bevolkt door jongelui die zelf uit de elite kwamen, inmiddels is het doodnormaal dat ook jongeren uit lagere sociaaleconomische klassen gaan studeren. Dat zie je terug in het aantal hoogopgeleiden dat Nederland telt. Dat groeide van 11 procent in het begin van de jaren tachtig tot zo’n 42 procent nu. En die trend is in de hele onderwijsketen zichtbaar: van de studenten met een diploma op mbo-4-niveau stroomt bijvoorbeeld al jarenlang zo’n veertig procent door naar het hbo. Ook zij mogen zich een paar jaar later hoogopgeleid noemen. Die hoger-opgeleiden vinden (uitzonderingen daargelaten) vrij gemakkelijk een goedbetaalde baan, omdat Nederland in de afgelopen decennia steeds meer een kenniseconomie is geworden. Bedrijven staan te springen om mensen met specialistische kennis en zijn bereid daarvoor te betalen. Een hoger opleidingsniveau leidt meestal tot meer inkomen. Tel daar de vrouwenemancipatie bij op, en het verhaal is compleet. Niet alleen werken dochters meer dan hun moeders in 1995, dat blijven ze ook steeds vaker doen als ze in een relatie zitten. De man is minder vaak de enige kostwinner, blijkt namelijk uit andere CBS-cijfers. Bij zo’n 60 procent van de paren werken beide partners, met een hoger gezinsinkomen tot gevolg.</p>
<p>Maakt dat Nederland een waanzinnig gaaf land, de ultieme meritocratie waar je altijd kunt opklimmen als je maar hard genoeg werkt? De <em>‘Dutch dream’</em> van het CBS en het SCP is maar de helft van het verhaal. Doordat andere mensen juist dalen op de economische ladder, blijft het percentage armen al jaren vrij stabiel: tussen de 5,5 en 7 procent van de bevolking. En het heeft wel degelijk invloed waar je wieg stond. Zo klimt slechts 15 procent van de jongeren uit een arm gezin later op naar de hoogste inkomensgroep. Onder kinderen uit rijke gezinnen is dat bijna 40 procent. Dat komt onder meer doordat het CBS enkel de inkomens vergeleek. Zou je daar de vermogens bij optellen, dan krijg je een heel ander plaatje. Bezit is namelijk veel schever verdeeld, en wordt vaak van generatie op generatie overgedragen. En bezit accumuleert sneller en wordt door de belastingen ook nog eens extra bevoordeeld, zoals we hiervoor uitvoerig hebben aangetoond. Dat geeft het rijkere deel van het land een flinke voorsprong en hun kroost een grotere kans op financieel succes in de toekomst.</p>
<p>Arme gezinnen ervaren juist extra drempels: hun kinderen krijgen vaker een te laag schooladvies. De bijlesgeneratie behoudt een voorsprong. Ook bedenkt de elite steeds nieuwe manieren om zich te onderscheiden van de rest. Wie de middelen heeft, brengt zijn kinderen naar een betere school of koopt studiebegeleiding in. En op de universiteiten wonnen de laatste jaren bijvoorbeeld de <em>university colleges</em> aan populariteit, relatief dure studierichtingen waarmee met name jongeren uit welvarende gezinnen hun diploma’s verder opplussen. Zo behoudt de ‘<em>bijlesgeneratie’</em> een voorsprong, juist nu de massa oprukt.</p>
<p><u>Minder en latere selectie</u></p>
<p>Niettemin blijft goed onderwijsbeleid gericht op gelijke kansen aanvullend op een beleid dat gericht is op veel minder ongelijke uitkomsten toch belangrijk – nu bevestigd en vergroot het onderwijs eerder de gelijkheid van kansen.</p>
<p>Ons onderwijssysteem werkt als een meedogenloze sorteermachine, waarbij kinderen van hoopopgeleide ouders in het voordeel zijn. In het huidige onderwijs worden de kaarten voor je toekomst al geschud op je twaalfde levensjaar. Dat is idioot vroeg, sociaal wreed en internationaal ook volstrekt ongebruikelijk. Daar helpt geen Cito-toets aan (al hebben objectieve toetsen geen vooroordelen en mensen wel, hetgeen ook uit alle onderzoek blijkt). De kloof tussen vmbo-scholen en havo-vwo-scholen is symbolisch voor de rigide tweedeling in ons onderwijs. Zelden zit een vmbo en een havo in hetzelfde gebouw, of zelfs maar in dezelfde wijk. Op havo-vwo-scholen zitten in meerderheid kinderen van hoogopgeleide, witte ouders, op vmbo-scholen voornamelijk kinderen van lager (praktisch) opgeleiden, van allerlei herkomst. Stapelen van opleidingen wordt tegelijkertijd steeds moeilijker gemaakt (bijv. door de eis dat vmbo-ers een extra vak moeten volgen om door te kunnen stromen naar het havo, in plaats van al op het vmbo examineren in een extra vak mogelijk te maken), of door het leenstelsel ontmoedigd. We laten zo een hoop talent liggen, en veel leerlingen laten we zitten met frustraties en verloren illusies over gelijke kansen. Zo klonen de ouders zichzelf in hun kinderen en houden we de sociale ongelijkheid keurig in stand.</p>
<p><u>Inclusief onderwijs</u></p>
<p>De Wet passend onderwijs voor kinderen die extra of speciale aandacht nodig hebben, werkt niet: 20.000 kinderen zitten inmiddels al thuis. Ze zijn uitgevallen op school en kunnen nergens anders terecht. Het aantal thuiszitters groeit al jaren. Een zorgelijke ontwikkeling. De beloftes zijn niet nagekomen. Terwijl de wet passend onderwijs, ingevoerd in 2014, moest zorgen voor een ommezwaai. Het aantal thuiszitters moest naar nul. Dat is niet gelukt. Sterker: de wet werkt al jaren niet naar behoren. Dat bleek begin april 2023 tijdens een Kamerdebat met de onderwijswoordvoerders opnieuw. Ze zijn zeer kritisch op de wet. Zij niet alleen. Belangenorganisatie Ouders en Onderwijs waarschuwde de afgelopen jaren in verschillende rapporten dat het passende onderwijs minder maatwerk biedt dan ooit beloofd werd. Het passende onderwijs moet ervoor zorgen dat kinderen met leer- en gedragsproblemen zo lang mogelijk in het reguliere onderwijs blijven. Idee daarachter: het speciaal onderwijs ontlasten en de bureaucratie en het aantal thuiszitters verminderen. Bovendien zou het voor de meeste kinderen zelf beter zijn om in ‘<em>gewone’</em> klassen onderwijs te krijgen dan in klassen met veel leerlingen met problemen. Geen van die doelstellingen is behaald. De zogenoemde zorgplicht zorgt voor problemen. Die komt erop neer dat scholen zelf met een oplossing moeten komen voor kinderen die extra ondersteuning nodig hebben. Maar in de praktijk blijkt dat lastig omdat de juiste plek of ondersteuning niet gevonden wordt. Bovendien kampen veel scholen met een lerarentekort waardoor het aantrekken van extra personeel – belangrijk voor zorgleerlingen – zo goed als onmogelijk is. Belangenorganisatie Ouders en Onderwijs vraagt de minister om meer personeel beschikbaar te stellen en de klassen kleiner te maken, maar in de huidige aanpak van het lerarentekort zit onvoldoende perspectief.</p>
<p>Ook het speciaal onderwijs is sinds de invoering van de wet niet ontlast. Het aantal aanvragen neemt al jaren toe. Met alle gevolgen van dien, want de problemen van de leerlingen zijn vaak complexer omdat ze te lang in het reguliere onderwijs blijven hangen.</p>
<p>Te veel kinderen zitten thuis en leerkrachten ervaren in klassen met kinderen met functiebeperking nog enorm veel werkdruk. Kinderen vallen daardoor tussen wal en schip en krijgen niet het onderwijs dat ze nodig hebben. Begeleiding op school is voor mensen met een beperking soms lastig te regelen. De scholen hebben te weinig kennis en expertise in huis om kinderen passend onderwijs te bieden en hen goed te begeleiden. Scholen moeten nog een cultuuromslag doormaken, de transformatie heeft op veel scholen niet plaatsgevonden. Veel leerlingen krijgen hierdoor geen passende ondersteuning. Scholen geven aan onvoldoende middelen te hebben om leerlingen extra te ondersteunen. Dat heeft ook te maken met een funeste herschikking van middelen. Bij de verdeling van het geld over de regio’s wordt niet meer gekeken naar het aantal zorgindicaties, maar het aantal leerlingen in de regio is nu leidend. Het leidt in sommige regio’s tot een bezuiniging van 34%.</p>
<p>De samenwerkingsverbanden in het passend onderwijs zijn te stroperig en leveren leerlingen die extra voorzieningen of aandacht nodig hebben om te kunnen meedoen aan het onderwijs onvoldoende op. De weg naar een samenwerkingsverband of gemeentelijke jeugdteams blijkt complex. Niemand voelt zich eindverantwoordelijk voor een leerling. Er is te weinig structuur, samenwerkingsverbanden werken zeer lokaal en iedere regio heeft haar eigen uitdagingen. Er is niemand met doorzettingsmacht. Regels en geldstromen zijn wel veranderd, maar niemand lijkt de weg te kennen naar de juiste loketten. Scholen hebben bijvoorbeeld geen middelen om kinderen te testen, waardoor kinderen vaak (te) lang zonder juiste ondersteuning op school blijven zitten.</p>
<p>Binnen veel gemeenten of regio’s bestaat geen goede structuur voor het volgen van schoolverlaters ZML (zeer moeilijk lerend)/ VSO (Voortgezet Speciaal Onderwijs). Hierdoor raken deze jongeren uit beeld. Ook ‘<em>thuiszitters’</em> raken uit beeld. Dit gaat vooral om jongeren met autisme die een vrijstelling hebben gekregen van de leerplicht, maar vervolgens thuisblijven en waarvoor geen enkele instantie zich meer verantwoordelijk voelt.</p>
<p>De overgang van VSO-PRO (Praktijkonderwijs)-Entree (niveau 1) –of MBO 1 naar werk loopt niet goed voor veel jongeren. Voor de transitie van school naar werk is voor mensen met een beperking vaak veel ondersteuning nodig, niet in alle gemeenten is dit goed geregeld. Veel jongeren vallen uit op school of vlak na het verlaten van school. Na een eerste stage of baan raken deze jongeren vaak ook nog uit beeld. Hierdoor komen er steeds meer <em>NUG-ers</em> (niet-uitkeringsgerechtigden die niet studeren en niet werken).</p>
<p><u>De lasten van commerciële kinderopvang</u></p>
<p>Net als in de zorg is de markt van aanbieders in de kinderopvang geprivatiseerd naar steeds meer commerciële aanbieders. In 2005 werd in ons land de kinderopvang geprivatiseerd. In 2009 leende een Amerikaanse investeerder 455 miljoen euro, legde daar zelf 45 miljoen bij en kocht niet minder dan vijfhonderd Nederlandse kinderdagverblijven. De schuld die de investeerder maakte, werd afgeschoven op de crèches. Dat dwong hen om in te zetten op maximale winst in plaats van op de beste pedagogische kwaliteit voor de kinderen. In <em>De slag om Nederland</em> besteedde de VPRO destijds aandacht aan deze handel in de kinderopvang. Het overkwam talloze kinderopvangbedrijven in Nederland, sinds die in 2005 aan de markt werden overgelaten. In 2011 blijkt dat 44 procent van de kinderopvanglocaties in handen is van 5 procent van alle kinderopvangondernemers. En dat het aantal stichtingen zonder winstoogmerk is gedaald van meer dan zestig procent in 2003 naar dertig procent in 2010. In 2018 ging de privatisering ook gelden voor peuterspeelzalen.</p>
<p><em>KidsFoundation</em>, in tegenstelling tot wat de naam suggereert, is met de opvang van meer dan 60.000 kinderen in filialen als <em>Zus en Zo</em>, <em>Kits</em> en <em>Smallsteps</em> het grootste kinderopvangbedrijf van Nederland. Het bedrijf is eigendom van een zogeheten private-equitybedrijf, een onderneming die bedrijven opkoopt om ze met winst weer door te verkopen. Dit Canadese moederbedrijf, <em>Onex</em>, kocht de kinderopvanggigant in 2018 voor bijna een kwart miljard euro. De Volkskrant onthulde dat de aandelen van <em>KidsFoundation</em> via een brievenbus zijn ondergebracht op de Kaaimaneilanden om belastingheffing hier te ontduiken.</p>
<p>Vragen bij marktwerking in de kinderopvang zijn niet nieuw. Kort na de introductie daarvan leidden ze ertoe dat de OESO scherpe kanttekeningen plaatste bij het Nederlandse marktexperiment &#8211; waar de peuterscholen nu dus ook aan worden blootgesteld. In 2006 wees deze club van rijke landen erop dat de beste kinderopvang juist geleverd lijkt te worden door landen &#8211; destijds waren dat Zweden, Denemarken, Frankrijk en Nieuw Zeeland &#8211; die de kinderopvang <em>niet </em>aan de markt overlaten. De belangrijkste verklaring: als je kiest voor marktwerking, stel je het belang van het kind niet centraal. Dat komt onder andere doordat de markt te langzaam werkt. De tijd die nodig is om <em>‘de rotte appels’</em> onder de crèches uit de mand te halen, is vaak meer dan de paar jaar die een kind doorbrengt op zo’n crèche. Tegen de tijd dat de markt zijn werk heeft gedaan, is het kwaad voor veel kinderen al geschied.</p>
<p>Een ander groot bezwaar van de OESO is dat ouders niet goed in staat zijn om de pedagogische kwaliteit te beoordelen én dat ze er niet zo heel veel waarde aan hechten. Zodoende gaan de crèches elkaar niet beconcurreren op pedagogische kwaliteit, maar op nabijheid, prijs, uitstraling, langere openingstijden of flexibiliteit. Zaken die niet primair in het belang zijn van het kind.</p>
<p>Een derde nadeel dat volgens de OESO aan marktwerking kleeft, is dat het ongelijkheid in de hand werkt. Mensen die veel kunnen betalen krijgen dan betere kwaliteit dan mensen die zich dit niet kunnen permitteren. Daarbij: het wordt voor crèches aantrekkelijker om zich te vestigen in rijkere buurten. Dat is onwenselijk als je je bedenkt dat kinderen in de eerste twee tot vier levensjaren de belangrijkste breinontwikkeling van hun leven doormaken. En dat die ontwikkeling sterk afhankelijk is van de kwaliteit van de zorg en van de mate waarin kinderen uitgedaagd worden om – spelenderwijs – hun hersens te gebruiken.</p>
<p>Deze bezwaren van de OESO werden destijds genegeerd in Den Haag. De GGD bewaakte de kwaliteit, was de redenering. Tot het Sociaal en Cultureel Planbureau in 2012 opmerkte dat deze toezichthouder de belangrijkste pijler van de kwaliteit &#8211; de interacties tussen leidsters en kinderen – niet meenam in de controles. De GGD bleek zich vooral te richten op de <em>‘papieren kwaliteit’</em>: ‘<em>Een pedagogisch beleidsplan hebben, het opleidingsniveau van de leidsters of de ratio leidster-kind.</em>’ Daarmee werd de sterkste troef van de overheid – de vrije markt zal geen afbreuk kunnen doen aan de pedagogische kwaliteit, want de GGD houdt de wacht – in één keer uit handen geslagen. Het ministerie van Sociale Zaken trok zich de kritiek aan en kwam met maatregelen die per 1 januari 2018 ingaan: de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang. Ook werd een nieuw meetinstrument opgetuigd waarmee de GGD de pedagogische kwaliteit wél echt zou kunnen meten. Alleen blijkt na onderzoek dat dit instrument niet op wetenschappelijk verantwoorde wijze gevalideerd is.</p>
<p>Onderzoek uit 2017 van de Universiteit Utrecht laat zien dat er grote verschillen zijn in de kwaliteit van kinderopvang tussen kinderopvangorganisaties die het maatschappelijk belang voorop stellen zonder winstoogmerk en commerciële kindercentra waar de financiële belangen centraal staan. Het onderzoek laat zien dat grootschalige commerciële instellingen met veel vestigingen gemiddeld de slechtste pedagogische kwaliteit leveren. De emotionele kwaliteit is relatief ook laag en de aandacht voor de brede ontwikkeling van kinderen en de taalverwerving is relatief beperkt. De beste kwaliteit leek daarentegen geleverd te worden door de middelgrote, betrokken, stichtingen zonder winstoogmerk met een duidelijke maatschappelijke missie. Dat wil zeggen: ze zetten zich actief in voor meer integratie en het bestrijden van kansenongelijkheid. Deze hebben de beste educatieve kwaliteit. Ze zijn het meest sensitief naar kinderen en zijn sterk gericht op een brede ontwikkeling. De overheid verliest door de privatisering grip op een sector die door de Wereldbank, Europese Unie en UNICEF wordt aangewezen als dé plek om de kloof tussen kansarme- en kansrijke kinderen te verkleinen.</p>
<p>De kosten van kinderopvang worden door ouders, werkgevers en de rijksoverheid samen betaald. Werkgevers betalen hun deel via de premies sociale verzekeringen, ouders de inkomensafhankelijke eigen bijdrage en de overheid de kinderopvangtoeslag. Ouders betalen afhankelijk van hun inkomen. De overheid vult aan met de kinderopvangtoeslag, die door de belastingdienst wordt uitgekeerd aan de ouders. Peuterspeelzalen worden gesubsidieerd door gemeenten. Ouders betalen daarvoor een ouderbijdrage. Sinds 2013 kunnen werkende ouders ook voor betaling aan de peuterspeelzaal een toeslag aanvragen. </p>
<p>Om de hoogte van de kinderopvangtoeslag vast te stellen hanteert de overheid maximum uurtarieven voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang. Daarvan krijgen ouders tussen de 33 en 96 procent vergoed, afhankelijk van hun inkomen. Daar zijn weer zeventig (!) inkomensschalen voor. Als ouders meer gaan verdienen, komen ze in een hogere schaal en raken ze toeslag kwijt. Dat moedigt niet aan om meer te gaan werken. Als ouders toch een salarisverhoging of betere baan accepteren, maar hun inkomensstijging niet op tijd doorgeven, werden ze in het verleden al gauw aangemerkt als ‘fraudeur’.</p>
<p>Het overgrote deel van de kinderopvang hanteert een hoger tarief dan de overheid vergoedt. Dit heeft grote consequenties voor de betaalbaarheid, vooral voor de lage inkomens. Omdat de werkelijke tarieven al jaren boven de maximum uurtarieven die de overheid hanteert liggen – zeker bij de buitenschoolse opvang (BSO) – vallen de kosten voor ouders vaak hoger uit. Het overheidstarief is bovendien niet toegesneden op de praktijk waarin de personeelskosten substantieel hoger zijn naarmate het kind jonger is.</p>
<p>Door het toeslagenschandaal, dat begon met de kinderopvangtoeslag (maar nu ook de huur- en zorgtoeslag heeft bereikt), heeft Rutte IV in het regeerakkoord opgenomen dat de kinderopvang bijna gratis wordt voor ouders die werken. Zij gaan 4% van een maximum uurbedrag betalen, ongeacht hun inkomen, vanaf 2025. De overheid betaalt 96% van dat maximum uurtarief aan de kinderopvangorganisatie. De kinderopvangtoeslag vervalt daarbij. Alles bovenop het maximum uurtarief – dat dus niet een hard maximum is – moet door ouders zelf worden betaald.</p>
<p>Vooral rijke gezinnen gaan er van profiteren. Werkende ouders met lagere inkomens krijgen de kosten voor kinderopvang nu al grotendeels vergoed. In het nieuwe plan gaat dat ook gelden voor hogere inkomens. Het Sociaal en Cultureel Planbureau concludeert dat de bijna gratis kinderopvang weinig oplevert. De Brancheorganisatie Kinderopvang is er bang voor dat de kwaliteit verslechtert als de kinderopvang straks gratis is. De vrees is dat er te veel sprake is van vrijblijvendheid, terwijl goede kinderopvang juist structuur en regelmaat nodig heeft. De verwachting is dat de vraag naar kinderopvang in 2025 explosief stijgt, waardoor er nóg langere wachtlijsten ontstaan. Volgens het ministerie van SZW dreigt het tekort aan gekwalificeerde medewerkers in de kinderopvang in 2031 door het bijna gratis maken te stijgen van 7000 naar 29.000 medewerkers. Gevolg: minder medewerkers per kind, kortere openingstijden en waarschijnlijk langere wachtlijsten.</p>
<p>Omdat kinderopvangorganisaties een hogere prijs mogen blijven rekenen, lopen met name ouders met lagere inkomens (die nu 96% van hun kosten vergoed krijgen via de kinderopvangtoeslag) het risico dat zij straks juist veel meer zelf moeten gaan betalen, zo waarschuwde het SCP. Doordat ouders met hoge- en middeninkomens straks meer geld overhouden, vrezen experts dat kinderopvangaanbieders hun tarieven nog verder boven de maximum-uurprijs laten uitstijgen. Dat zou ouders met een laag inkomen relatief hard treffen. Terwijl kinderopvang vooral kan bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uit lagere sociaaleconomische milieus. Juist de kinderen die opvang het meeste nodig hebben, dreigen via deze maatregel uit het systeem gedrukt te worden. Bij voorjaarsnota 2023 liet Rutte IV weten te bezuinigen door de hele maatregel uit te stellen tot 2027…</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p>We maken een eind aan de marktwerking in de kinderopvang. Beter is het om de kinderopvang net als onderwijs een basisvoorziening wordt voor alle ouders, en dat het niet meer gekoppeld is aan de arbeid van ouders. Kinderen worden nu een of twee dagen per week gebracht, wat betekent dat zij steeds in wisselende groepen zitten. Kinderen zijn gebaat bij continuïteit en dat wordt nu bedreigd. De verwachting is dat als kinderopvang een publieke basisvoorziening wordt, er meer ouders gebruik van zullen maken. Het allerbelangrijkste voor ouders is dat ze weten dat ze een goede kwaliteit hebben en als het een basisvoorziening is, wordt de kwaliteit beter door meer continuïteit, meer status, betere salariëring, net zoals een voorziening als het onderwijs.</p>
<p>Als je kinderopvang ziet als een middel om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen en achterstanden te bestrijden, dan moet je die opvang voor álle kinderen toegankelijk maken, ook voor kinderen van niet-werkende ouders.</p>
<p>En je moet de kinderopvang organisatorisch, financieel en inhoudelijk verbinden met de school, inclusief de buitenschoolse opvang en de voorschool, en met de <em>‘rijke schooldag’</em>. De schooldag met lessen wordt dan verrijkt met spel en sport en cultuurbeoefening, en met (gratis en gezonde) maaltijden, maar ook met gratis huiswerkbegeleiding en bijspijkerlessen. Dat vraagt om het volledig publiek maken van de kinderopvang – we moeten stoppen met het financieren van commerciële kinderopvang. Kinderopvang mag geen winst meer uitkeren en het moet volledig ingebed zijn op school in een goede pedagogische omgeving met hoge kwaliteitsstandaarden. Voor de invoering moet een verantwoord tijdpad worden genomen, waarbij ook de tekorten worden weggewerkt. Andere opvang wordt niet meer door de overheid gefinancierd. Alleen dan kan de kinderopvangtoeslag ook verantwoord worden afgeschaft.</p>
<p>Al in de vroegste jaren wordt nu ongelijkheid in kansen opgelopen. Het huidige voorschoolse onderwijs wordt steeds minder door kinderen van ouders met een laag inkomen/lage opleiding bezocht, ook door de oplopende kosten. We maken dit voorschoolse onderwijs daarom gratis, d.w.z. volledig collectief uit de belastingen gefinancierd, net zoals we dat met de kinderopvang gaan doen. De voorschoolse educatie moet – voor tenminste 16 uur per week – beschikbaar worden voor alle kinderen vanaf twee jaar.</p>
<p>Meer gelijke kansen vraagt voorts om uitstel van studiekeuze tot 15/16 jaar met een investerings- en innovatieplan en -budget voor meer niveaudifferentiatie en verschillende werkvormen. De valbijl na groep 8 van het basisonderwijs moet vervangen worden door een open systeem waarin klimmen altijd mogelijk is daar ook effectief bij helpt. Een kind zou nooit gevangen moeten zitten een laatje. Het moet voortdurend de mogelijkheden hebben om van niveau te wisselen, om te ontdekken wat het kan en te tonen waar het goed in is. De gelegenheid om inzinkingen te herstellen ook, om te stapelen dus. Niet het feit dat leerlingen van uiteenlopend niveau bij elkaar in de klas zitten is het probleem, maar het feit dat alle leerlingen op hetzelfde moment moeten leren. Er komt een extra budget en inzet om succesvolle aanpak te verspreiden en experimenten uit te voeren. Voor het zover is dat het nieuwe systeem kan worden ingevoerd, herstellen we tenminste de brede scholen en maak een einde aan categorale scholen, met meerjarige brede brugklassen, opdat je al op je eigen school kunt schuiven en stapelen.</p>
<p>Na je 15<sup>e</sup>/16<sup>e</sup> levensjaar volgt er selectie naar meerdere vervolgsporen, ook met beroepsonderwijs en werkend leren. We erkennen dat het niet realistisch is dat iedereen een vwo-opleiding kan volgen, hoeveel ondersteuning hij of zij ook krijgt. De samenleving is divers en dus zal ook het onderwijs dat moeten zijn. Daar ligt echter wel meteen een nieuwe uitdaging. Diversiteit mag niet ontaarden in hoogwaardig onderwijs voor degene die het kan betalen, en inadequaat onderwijs voor de rest. We weten dat kleinschalig en intensief onderwijs resultaat oplevert. We weten ook dat het duur is. Daarom zorgen we dat het meeste geld en de beste leraren naar juist deze leerlingen gaat.</p>
<p>Tekorten van leraren moeten worden aangepakt met minder werkdruk en meer collega’s. In de bekostiging moet het meeste geld en de beste leraren en leermiddelen gaan naar de moeilijkste leerlingen/scholen met de grootste pedagogische uitdagingen, in plaats van de huidige rendementsbekostiging en het huidige onderwijsachterstandenbeleid. Nu wordt ook juist de gymnasiumleraar in plaats van de vmbo leraar het best beloond. We moeten daarentegen het meeste geld en de beste betaalde leraren plaatsen bij scholen met de grootste pedagogische uitdaging. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die dan ook. Nu zijn juist op de scholen met de laagste opleidingsniveaus vaak, behoudens een enkele idealist, de leraren werkzaam die overbleven op de arbeidsmarkt. Op deze scholen is het percentage onbevoegd gegeven lessen en het ziekteverzuim onder leraren veel hoger, en met lagere salarissen. Leerlingen op het vmbo hebben net zoveel of zelfs meer recht op universitair geschoolde leraren en leraren die zo goed zijn dat ze de scholen voor het uitkiezen hebben als hun leeftijdgenoten op het havo en vwo.</p>
<p>In plaats van premies op zo snel mogelijk doorstromen willen we een premie op het bieden van kansen. Bij scholen met een extra pedagogische uitdaging ontvangt men een toeslag en een kleinere lestaak, zodat er meer individuele begeleiding gegeven kan worden. De bekostiging moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien, en dit moet niet zoals nu juist risico’s voor een school opleveren. Concurrentie tussen scholen wordt zoveel mogelijk vervangen door samenwerking.</p>
<p>Onderwijs moet weer om onderwijs draaien, zodat leraren niet zich druk hoeven te maken over statistieken en financiering. Het rendementsdenken in het onderwijs leidt nu tot uitwassen waarin resultaatgerichtheid gemengd met student- of leerling-vriendelijkheid leidt tot een situatie waarin zoveel mogelijk leerlingen zo snel mogelijk aan een diploma geholpen wordt om de financiering rond te krijgen. Daarom worden resultaten opgepoetst, zelfs met fraude zoals in 2017 (wederom) bleek op een onderdeel van het ROC Zadkine. Wat veel meer gebeurd is dat bewust het niveau verlaagd wordt. Het gaat niet om kwaliteitsverbetering, maar om resultaatsverbetering. Daardoor wordt het onderwijs ook geteisterd door een managementcultuur, met managers en bestuurders die weinig met onderwijs hebben. Het grootste probleem is dat het in de scholen niet meer om het onderwijs gaat, dat is bijzaak geworden, schrijft docent Lucas Zandberg in zijn onderwijsroman <em>De Rendementsdenker</em> (2017). Centraal staan rendement, enquêtes, prestigeprojecten, slagingspercentages. Experts op het gebied van window dressing.</p>
<p>We formuleren een andere definitie van rendement. Op dit moment bestaat het rendement van een school uit het aantal leerlingen dat zonder vertraging slaagt voor het eindexamen. De zogenaamde doorstroom en uitstroom. Daar worden scholen op beoordeeld en afgerekend. Nog altijd lopen scholen een financieel risico als ze leerlingen de mogelijkheid geven het te proberen op een hoger niveau. Scholen worden afgerekend op rendement en examencijfers, dus twijfelgevallen, omlopers en laatbloeiers zijn een risico. Het leidt er soms toe dat een leerling naar een lager schooltype wordt verwezen, terwijl hij met wat extra tijd en begeleiding het hogere schooltype misschien wel had kunnen halen. Dat is nu gunstig voor het rendement. <em>Om stapelen tot een succes te maken moet er juist een premie komen op het bieden van kansen, niet op rendement</em>. In plaats van de ambitie van de leerling is nu het (voor)oordeel van de leraar over kans op succes teveel leidend, en bij dat oordeel wordt de school geprikkeld geen risico te nemen. Dat mechanisme houdt de tweedeling in ons onderwijs in stand. Een definitie van rendement moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien.</p>
<p>Kwaliteit van onderwijs begint bij kwaliteit van leraren. We investeren in de kwaliteit van de lerarenopleidingen en hun nascholing en versterken de kwaliteit van zijinstromers, zowel vakinhoudelijk als pedagogisch-didactisch. We investeren fors in de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep, zowel wat betreft salaris en werkdruk (zoals eerder in dit betoog aangegeven), als wat betreft positionering.</p>
<p>De leraar moet veel meer eigenaar van het onderwijsleerproces worden en dus ook daarover veel meer zeggenschap hebben. We willen de vorming van onderwijscoöperaties tot norm maken, een publieke soort maatschap, van leraren die zelf de school besturen binnen wettelijke kaders en doelen, en met volwassen medezeggenschap van onderwijsdeelnemers en hun ouders.</p>
<p>Scholen kunnen eigen pedagogisch-didactisch verschillende profielen hebben binnen de wettelijke kaders (ze moeten wel voldoen aan wetenschappelijke inzichten over leren en ontwikkelingspsychologie, en brede vorming bieden), zijn plat georganiseerd, en met veel regel- en budgetruimte. De overheid stuurt wel op kwaliteit, toegankelijkheid en meer gelijke kansen. We streven naar scholen met menselijke maat. Geen grote scholen, maar voor schaalvoordelen kunnen voor bepaalde dienstverlening, zoals HRM, corporaties tussen scholen worden opgericht. Bekostiging gaat rechtstreeks naar afzonderlijke scholen. Kleinere scholen krijgen meer bekostiging, zodat ze met behoud van kwaliteit overeind kunnen blijven. Scholen kunnen zich in ook coöperatief verband organiseren om bijv. uitwisseling van personeel en andere samenwerking te organiseren.</p>
<p>We willen minder prestatiedruk in het onderwijs. Natuurlijk moet er getoetst worden, maar dat kan veel minder, en vooral ook minder bij jonge kinderen. Huiswerk zoveel mogelijk afschaffen. Plezier in leren moet een prioriteit zijn.</p>
<p>Scholen moeten ondersteund worden bij het creëren van een volwassen schoolcultuur. Scholen moeten veilig zijn, met fatsoenlijk gedrag (geen discriminatie, pesten, agressie; wel respect en tolerantie), aanwezigheid als norm, waar leraren en leerlingen zich prettig voelen.</p>
<p>De leerling krijgt de gelegenheid om zelfstandigheid en veerkracht te ontwikkelen. We erkennen anderzijds dat veel jongeren soms de behoefte hebben bij de hand genomen te worden en investeren dus veel meer in begeleiding. Als het goed is kennen scholen het cognitieve niveau van hun leerlingen. Dat beeld zou gecomplementeerd moeten worden: welke bijkomende ondersteuning heeft deze leerling nodig om de opleiding met succes te voltooien?</p>
<p>De verschillen in kwaliteit tussen scholen moeten veel minder groot worden. Zwakke scholen moeten eerder onder toezicht worden geplaatst. Kinderen zijn anders de dupe. Uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs (<em>De Staat van het Onderwijs</em>, april 2017) blijkt dat basisscholen twee schooltypen in schooladvies kunnen uitmaken. De te grote autonomie van scholen vergroot de kansenongelijkheid enorm. In landen waar dit beter gaat is er een nationaal curriculum en zit de overheid boven op het onderwijs. Scholen moeten niet als bedrijf functioneren. Teveel willen ze tegen lage kosten veel diploma’s uitdelen. Ze hebben nu geen baat bij dure, academisch opgeleide leerkrachten. Doubleren kost geld en staat slecht op vergelijkingssites. Liever laten ze leerlingen glansrijk een lager schooltype doorlopen. Dat verkleint de kansen van kinderen. De overheid moet niet langer naar de schoolbesturen kunnen verwijzen – goed onderwijs is in de allereerste plaats een verantwoordelijkheid van de overheid. Een minister kan ook niet Albert Heijn de schuld geven van verslechterde volksgezondheid. De lat moet hoger voor de scholen. Met beter opgeleide en beter betaalde leraren met minder werkdruk, minder grote groepen leerlingen en minder administratieve last moet dat ook kunnen. Zwakke scholen moeten sneller gesloten worden. Kinderen zijn anders de dupe.</p>
<p>In het publiek bekostigde basis en voortgezet onderwijs komt er op iedere school een toelatingsrecht. Scholen mogen leerlingen niet meer afwijzen, ook niet vanwege de religieuze identiteit van de school. Bij capaciteitsproblemen kan er tijdelijk een stop worden toegestaan, maar de school moet dat met extra publieke middelen zo snel mogelijk oplossen.</p>
<p>Gemengde scholen wat betreft ouders met diverse achtergrond (opleiding/inkomen, culturele/etnische afkomst, religie/levensbeschouwing, etc.) verdienen de voorkeur om jonge mensen te leren met diversiteit om te gaan. Scholen moeten religieus neutraal zijn. Denominatie (religieuze identiteit) wordt geschrapt als aparte bekostigings- en oprichtingsgrond. Scholen hebben niet de vrijheid om vanwege religieuze of andere redenen verplichte lesstof, zoals evolutiewetenschap, geschiedenis van de Holocaust en seksuele voorlichting, achterwege te laten. Godsdienstonderwijs en godsdienstactiviteiten zijn altijd vrijwillig en worden niet bekostigd. Godsdienst, afkomst, gender, seksuele geaardheid en gedrag, etc. mag nooit een reden zijn om leerlingen of leraren niet toe te laten/aan te nemen, uit te sluiten, te schorsen, uitschrijven of ontslaan. Integendeel, scholen hebben een expliciete opdracht discriminatie in welke vorm dan ooit tegen te gaan.</p>
<p>De taal- en rekenvaardigheid, maar ook de kennis in andere vakken in het basis, voortgezet en beroepsonderwijs moet substantieel omhoog. Teveel leerlingen ontberen nu basale, noodzakelijke kennis en vaardigheden. Er komt daartoe een actieplan met investeringen en hogere normen.</p>
<p>Het succes van de oude HBS staat model voor de eis van een groot en breed vakkenpakket. Dat paste bij het verheffingsideaal van Thorbecke, die in 1863 de HBS oprichtte, en dat past nog steeds bij ons verheffingsideaal. In de drie- of vijfjarige opleiding was veel aandacht voor exacte vakken, de moderne talen (Nederlands, Frans, Engels en Duits) waren verplicht, de HBS voerde economie-onderwijs in (staatshuishoudkunde en handelsrekenen). Sommige leerlingen kregen wel les in 35 vakken, zoals plant- en dierkunde, mechanica en kosmografie. Kennis is een fantastisch wapen om onzin en leugens op afstand te houden. Maar er is ook meer dan alleen cognitieve kennis. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen, met muziek, theater, beeldende vorming en bewegingsonderwijs. Voor meer onderwijstaken (meer bewegingsonderwijs, meer cultureel onderwijs, meer burgerschapsvorming, meer onderwijs in gezonde leefstijl, meer digitale vaardigheden, meer taal- en rekenonderwijs, een breder vakkenpakket, etc.) komt uiteraard ook meer (uiteraard bekostigde) onderwijstijd, en extra specialistische onderwijsprofessionals.</p>
<p>Meer onderwijstijd betekent niet dat kinderen langer moeten leren door te luisteren. Het leren op school moet leren van de nieuwste inzichten over ontwikkelingspsychologie, zoals mooi beschreven in <em>Het tienerbrein</em>, van hoogleraar in de neuropsychologie aan de VU, Jelle Jolles (november 2016). Kinderen leren weinig van passief luisteren, maar veel door te ervaren. Klassieke kennisoverdracht is ontzettend belangrijk, maar dat gebeurt het effectiefst door andere werkvormen. Brede vorming, met ook veel aandacht voor sport en beweging, voor muziek, drama en andere vormen van cultuur stimuleert het leren enorm – niet alleen voor gymnasiasten, maar voor alle kinderen, dus ook op wat nu havo, vmbo en mbo is. Kinderen worden nu te vaak en op veel te jonge leeftijd afgescheept met de mededeling: leren is niets voor jou, ga maar naar het vmbo. Mbo-ers hebben veel moeite om door te stromen naar het hbo, omdat het onderwijs dat hun wordt geboden te schraal en te smal is. Dat heeft niets te maken met slimheid, maar met een gebrek aan kennis en ervaringen, vaak door een andere sociale achtergrond. Als je in een galerijflat opgroeit met ouders met weinig opleiding, is een schoolcarrière niet vanzelfsprekend. Hoe ver je komt op school ligt niet zomaar vast in de genen, het is vooral de omgeving die bepalend is. Als er meer in je geloofd wordt en je gestimuleerd en geïnspireerd wordt, kom je verder. Dat is juist bij vmbo-leerlingen van belang. Daar hebben de ouders vaak niet de middelen en moet de school het dus doen. Groepswerk is belangrijk en geef leerlingen de ruimte om oude kennis aan nieuwe problemen te koppelen, door creatief te denken, risico’s te nemen, met elkaar te discussiëren.</p>
<p>Daarbij helpt het als er veel meer contact is tussen ouder, kind en leraar, ook voor tieners ouder dan 15 jaar. Geen 7 minuten op een ouderavond, maar uren. Liefst met het kind erbij. En dat er mensen worden ingevlogen voor lezingen over hoe je omgaat met leermotivatie of met angst, of over pesten of drugs. Leraren krijgen voor dit soort taken meer tijd in hun aanstelling. Meer contact betekent overigens niet dat ouders kunnen vragen en leraren vervolgens moeten draaien. Leraren en de school hebben een eigen verantwoordelijkheid. Leerlingen en ouders zijn geen consumenten, ze zijn partners in de opvoeding en ontwikkeling, ieder met zijn eigen rol. Meer contact kweekt meer begrip en zorgt voor betere communicatie en samenwerking.</p>
<p>We investeren in moderne schoolgebouwen, gezonde schoolkantines en innovatieve goede leermiddelen, die bij voorkeur zelf door leraren collectief mede worden ontwikkeld.</p>
<p>We zorgen dat scholen een veilige plek zijn. Bij sommige scholen wordt er door criminelen geprobeerd jongeren bij hun criminaliteit te betrekken. Dit tegengaan moet een prioriteit van de politie zijn. Scholen en jeugdzorg werken daarmee goed samen. Er komt meer toezicht op en om de schoolterreinen met de hiervoor genoemde extra conciërges.</p>
<p>Alle schoolgebouwen en al het onderwijs moeten toegankelijk zijn voor studenten met een fysieke beperking. Mensen met een verstandelijke of andere geestelijke beperking moeten ook na het voortgezet onderwijs zoveel mogelijk toegang hebben tot beroepsonderwijs.</p>
<p>We brengen daarom de aanbevelingen uit het advies van de Onderwijsraad <em>‘Steeds inclusiever’ </em>(2020)<a href="#_ftn47" name="_ftnref47">[47]</a> snel in praktijk. Bij inclusiever onderwijs gaat het om een combinatie van drie elementen:</p>
<ul>
<li>leerlingen met een beperking krijgen de benodigde ondersteuning en toerusting om naar school te kunnen,</li>
<li>hun school is dichtbij huis, en</li>
<li>leerlingen volgen onderwijs samen met leerlingen zonder een beperking.</li>
</ul>
<p>De doelgroep wordt afgebakend tot leerlingen met een beperking, zodat er gericht beleid gevoerd kan worden. Daarbij is het uitgangspunt de ondersteuning en toerusting die een leerling nodig heeft, en niet de medische classificatie. De medicalisering van leerproblemen moet worden teruggedrongen. Teveel kinderen krijgen medicijnen zonder goede diagnostiek. Zo’n diagnose is moeilijk, daar moet minimaal een kinderpsychiater of kinderneuroloog aan te pas komen. Vaak is meer structuur geven een betere oplossing dan medicijnen. Een op de tien kinderen, vooral jongens, krijgen tegenwoordig de diagnose adhd, terwijl uit onderzoek aan de VU blijkt dat maximaal 2 à 3% van alle kinderen adhd heeft.<a href="#_ftn48" name="_ftnref48">[48]</a></p>
<p>Om te borgen dat álle scholen klaarstaan voor leerlingen met een beperking, komt er een landelijke norm voor de lichte ondersteuning en toerusting voor het primair en voortgezet onderwijs, een minimumondersteuning die iedere school moet bieden. Deze wordt ontwikkeld door professionals uit de praktijk samen met wetenschappelijke experts.</p>
<p>Voor een betere borging wordt daarnaast de huidige zorgplicht in het primair en voortgezet onderwijs  verbreedt, zodat die ook ondersteuning en toerusting omvat bij overgangen in loopbaan en leefwerelden. Ook voor het middelbaar beroepsonderwijs komt er een zorgplicht. Bij inschrijving komt er bij speciale leerbehoeftes een landelijk aanmeldpunt, dat de inspectie onderwijs ondersteunt bij de handhaving van de zorgplicht – scholen mogen niet aanmelding van deze kinderen proberen te voorkomen.</p>
<p>Er komt een wettelijk hoorrecht voor de betrokken leerlingen opdat zij kunnen meepraten en meebepalen over welke ondersteuning zij nodig hebben. Er komt een vast aanspreekpunt en vertrouwenspersoon voor leerlingen in het VO. Dit omdat een leerling vele leraren heeft en elke leraar vele leerlingen. Het is nog niet overal goed geregeld. Het vaste aanspreekpunt wordt onderdeel van het programma van eisen aan schoolbesturen.</p>
<p>We gaan meer maatwerk mogelijk maken voor leerlingen met zeer complexe ondersteuningsbehoefte, zoals hoogbegaafden en ernstig meervoudig beperkte leerlingen (EMB; een combinatie van grote verstandelijke beperking – IQ&lt;35 –, een lichamelijke beperking en bijkomende stoornissen). We gaan daarbij onder meer flexibiliteit geven met de onderwijstijd en faciliteren afstandsonderwijs voor thuiszitters met als doel weer zoveel mogelijk aan onderwijs deel te nemen.</p>
<p>Wanneer onderwijs en jeugdzorg niet tot een passend aanbod komen moet er een instantie zijn die dat kan opleggen. Leerplichtambtenaren krijgen doorzettingsmacht om kinderen met een beperking op scholen te plaatsen.</p>
<p>Het speciaal en regulier onderwijs moet dichter bij elkaar worden gebracht. Door beide schoolsoorten op een locatie onder te brengen kunnen mengvormen ontstaan en wordt thuisnabij en gezamenlijk onderwijs ook mogelijk voor leerlingen die zwaardere ondersteuning en toerusting nodig hebben. Bovendien kunnen faciliteiten en expertise worden gedeeld. Om de expertise op scholen verder te vergroten geven we inclusiever onderwijs, inclusief speciaal onderwijs, nadrukkelijk een plaats in het curriculum van initiële lerarenopleidingen en in nascholingsprogramma’s.</p>
<p>De overheid heeft de taak om regelgeving, bekostiging en toezicht in lijn te brengen met de doelen van inclusiever onderwijs. Dat betekent onder andere dat scholen in het primair en voortgezet onderwijs rechtstreeks worden bekostigd voor alle lichte onderwijsondersteuning en -toerusting. Samenwerkingsverbanden blijven bekostiging ontvangen om scholen te helpen bij zwaardere ondersteuning en zorg-onderwijscombinaties. Daarbij vindt een verevening plaats omdat er nu te vaak veel te grote reserves worden aangehouden.</p>
<p>Het (voortgezet) speciaal onderwijs blijft mogelijk voor leerlingen voor wie inclusief, passend onderwijs ondanks al het bovenstaande niet mogelijk is. Het aantal thuiszitters moet drastisch omlaag.</p>
<p>We laten het recht op passend onderwijs ook gelden voor kinderen in gesloten jeugdzorginstellingen, zolang dat nog bestaat.</p>
<p>We maken een actieplan met investeringen in de capaciteit en kwaliteit voor het leerlingenvervoer voor het speciaal onderwijs. Daar gaat nu teveel mis, omdat er louter op prijs wordt aanbesteed. Dit leerlingenvervoer gaan we publiek organiseren. De medewerkers komen ook in publieke, vaste dienst, en moeten voldoen aan hoge kwaliteitsnormen om met deze leerlingen goed om te gaan. Gemeenten worden verantwoordelijk en aansprakelijk voor de kwaliteit.</p>
<p>We zorgen voor gratis gezond eten en drinken op school, inclusief ontbijt en lunch. Voor iedereen, teneinde stigmatisering te voorkomen. Volgens gegevens van de GGD neemt obesitas en diabetes alarmerend toe onder kinderen, met name bij kinderen uit gezinnen met lagere inkomens. Er zijn grote, vooral sociaaleconomisch gedreven verschillen in de gezondheid, reeds waarneembaar op jonge leeftijd. Kinderen eten te weinig groente, teveel fast food en bewegen te weinig. Naast voedsel- en bewegingslessen (incl. zwemles tot en met behalen zwemdiploma’s A, B en C), regels in school over wat er te koop is en tegen roken, alcohol en drugs, is het belangrijk ouders erbij te betrekken. Hun kennis, vaardigheden en achtergronden spelen een grote rol bij of hun kinderen echt gezonder gaan eten en leven. Ons beleid om armoede uit te bannen maakt hen dat ook mogelijk. Daarbij horen ook schoolactiviteiten om zelf gezond voedsel te kweken en onderwijs in gezond en ecologisch duurzaam leven.</p>
<p>We investeren fors in het beroepsonderwijs, en moderniseren en faciliteren het lerend werken veel beter. Goed praktijkonderwijs met de modernste machines is duur. Maar we moeten ons realiseren dat 60% van onze leerlingen nu naar het vmbo gaat. Goed opgeleide vakmensen leveren de samenleving bovendien veel op, terwijl voortijdige schooluitval met alle gevolgen van dien de samenleving handenvol geld kost.</p>
<p>Stages die betaalde arbeid verdringen worden verboden en dat verbod wordt actief gehandhaafd.</p>
<p>Het beroepsonderwijs (t/m het hoger onderwijs) zal adequater moeten reageren op de snel veranderende eisen van de arbeidsmarkt. Wij willen dat het mbo-aanbod per regio afgestemd wordt op de regionale economie en de dynamiek van de arbeidsmarkt. We werken daarmee aan een herstructurering van het aanbod van het beroepsonderwijs opdat niet tot werkloosheid, maar juist voor banen waar tekorten zijn of dreigen wordt opgeleid. Dat gebeurt in overleg met sociale partners in de regio en met medezeggenschap van de mbo-studenten. Werkgevers die medezeggenschap krijgen in het beroepsonderwijs moeten ook stageplekken realiseren.</p>
<p>Voor veel studenten, maar ook voor het bedrijfsleven, is werkend leren, de zgn. beroepsbegeleidende leerweg (BBL) belangrijk. Wij willen met gerichte (loonkosten)subsidies deelname aan de BBL bevorderen. Scholen en bedrijven zijn samen verantwoordelijk voor beschikbaarheid van leerwerkplekken.</p>
<p>Mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties krijgen gericht extra overheidsgeld om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is.</p>
<p>Stapelen van diploma’s is een belangrijk principe voor sociale mobiliteit. Jongeren krijgen een doorstroomrecht: een diploma geeft zonder extra voorwaarden recht op vervolgonderwijs. De aansluiting wordt verbeterd, extra toegangseisen vervallen en er komen goede schakelprogramma’s. Er komt extra geld voor extra begeleiding, bijlessen en coaching van studenten die doorstromen van mbo naar hbo, in het laatste jaar mbo en het eerste jaar hbo, en voor meer professionele studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding.</p>
<p>We gaan in het hoger onderwijs de begeleiding intensiveren. We schaffen het bindend studieadvies af en de studiefinanciering wordt niet meer afhankelijk van de studieprestaties. In het onderwijs zelf moeten de universiteiten en hogescholen zorgen voor voldoende studievoortgang, waarbij maatwerk nodig is. We gaan de toegang tot de masteropleidingen in het hoger onderwijs selectiever maken. We beperken de invloed van de private financiering van het wetenschappelijk en hbo onderzoek</p>
<p>We investeren extra in cultuur. Het budget wordt verdubbeld. De huidige manier om subsidies te verdelen wordt herzien: we schaffen de grote nadruk op de eigen inkomstennormen af. Ook pakken we de onnatuurlijke scheiding tussen de rechtstreekse financiering van de Rijksoverheid en de cultuurfondsen van het ministerie aan. We stemmen het versnipperde beleid van rijk, gemeenten en provincies beter op elkaar af.  </p>
<p>Kinderen hebben recht op cultuur. Voor cultuur- en muziekonderwijs en beeldende vorming komt structureel meer geld beschikbaar zodat kinderen en jongeren kennis kunnen maken met kunst door zowel zelf creatief bezig te zijn als door kunstuitingen te bezoeken. Zij moeten daar al vroeg kennis mee kunnen maken via kunst-, cultuur en muziekonderwijs, beeldende vorming en media-educatie. Kinderen leren informatie te zoeken, te filteren en kritisch te bekijken.</p>
<p>Iedereen die 18 jaar wordt, krijgt een cultuurvoucher. Zo geven we jonge mensen de mogelijkheid om hun eigen smaak en visie te ontwikkelen en krijgen kunst- en cultuurorganisaties (inclusief musea) een breed en divers publiek voor de toekomst.</p>
<p>Basis- en voortgezet onderwijs moeten echt gratis worden. We nemen schoolmaterialen, boeken en hulpmiddelen op in de onderwijsbekostiging van basis en voortgezet onderwijs, zodat ouders en leerlingen die niet zelf hoeven aan te schaffen. Het verbod op de zgn. vrijwillige eigen schoolbijdrage wordt versterkt en de controle geïntensiveerd. Alle activiteiten georganiseerd door deze scholen moeten gratis voor iedereen zijn, dus ook excursies, schoolreizen, schoolzwemmen, sportdagen, huiswerkbegeleiding en examentraining, etc. We zorgen dat de bekostiging dit goed dekt, zodat commerciële concurrentie geen kans meer krijgt en de sluipende privatisering van ons onderwijs wordt tegengegaan. Scholen krijgen budget om bijspijkerlessen op school aan te bieden, zodat elke leerling die dat nodig heeft er gebruik van kan maken. Ook kunnen scholen de mogelijkheid bieden aan leerlingen met een achterstand om een weekend- of zomerschool te volgen, en een verlengde schooldag met een veilig en actief verblijf op school ook in het voortgezet onderwijs, in samenwerking met het jongerenwerk in de wijk. Zo zorgen we dat elk kind, ongeacht de portemonnee van de ouders, gelijke kansen in het onderwijs heeft. Hiervoor komt apart budget in het kader van het opnieuw in te voeren wijkbeleid voor kansarme wijken (zie elders in deze notitie).</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134451997"></a><strong>9.  </strong><strong>Groene Rechtvaardigheid</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Ecologische verduurzaming is urgent noodzakelijk om de leefbaarheid van onze planeet voor de mens en veel andere levensvormen te kunnen behouden. Daarbij gaat het om het beheersen en terugdringen van door de mens veroorzaakte klimaatverandering, de bescherming en vergroting van biodiversiteit en natuur, het voorkomen van uitputting van eindige grond- en hulpstoffen, het tegengaan van vervuiling van bodem, water en atmosfeer en van zoönoses en bedreigingen van onze gezondheid.</p>
<p>We beschermen al het leven, en geven dat een eigen Grondwettelijke rechtsbescherming. Dierenwelzijn bevorderen we als beschavingsnorm.</p>
<p>De lusten en lasten van deze transities zijn eerlijk verdeeld en voor alle huishoudens betaalbaar. Alle bedrijvigheid is ecologisch verduurzaamd. De ruimtelijke ordening is gebaseerd op deze verduurzaming en op noodzakelijke aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>Nederland is in 2050 klimaatneutraal – we stoten geen broeikasgassen meer uit, en alle brandstof is hernieuwbaar – en volledig circulair – alle afval wordt hergebruikt, nieuwe grondstoffen zijn nauwelijks meer nodig. In plaats van subsidies wordt dit vooral gereguleerd door wettelijke normering en prijsmechanismen.</p>
<p>De biodiversiteit is groot en de natuurontwikkeling en klimaatadaptie zijn leidend bij de inrichting van ons land. De landbouw is volledig natuurinclusief, en we zijn gidsland op het terrein van dierenwelzijn en bescherming van leven. Onze ruimtelijke ordening is daartoe sterk door de overheid gestuurd en heeft ons landschap ingrijpend veranderd, met veel nieuwe kansen, vooral ook buiten de Randstad.</p>
<p>Bodem, water en atmosfeer zijn schoon, vrij van gif- en andere schadelijke stoffen. De gezondheid van onze inwoners is daardoor ook enorm verbeterd. Ook zoönoses komen niet meer voor.</p>
<p>De energievoorziening voor huishoudens is vrijwel kosteloos geworden door energiebesparing en decentrale, hernieuwbare zelf opgewekte energie. De belastingen op energie en op mobiliteit zijn eerlijk en progressief.</p>
<p>Mobiliteit is volledig duurzaam. Alle subsidiëring van fossiele en vervuilende bedrijvigheid is beëindigd. Landbouw en industrie zijn volledig duurzaam met nieuwe verdienmodellen. Sommige industrie en de intensieve veeteelt is daarbij beëindigd. Er zijn meer boeren, met betere verdienmodellen die niet meer gebaseerd zijn op schaalvergroting en intensivering, en die boeren meer bestaanszekerheid geven.</p>
<p> </p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p><u>Ernstige urgente crises</u></p>
<p>De leefbaarheid van onze planeet is in het geding, althans in ieder geval voor ons mensen. We moeten onze parasitaire levenswijze zien te veranderen in een symbiotische levenswijze met onze planeet. Anders staan ons veel rampen te wachten. De Aarde overleeft het wel, sommige levensvormen ook, maar wij mensen mogelijk niet. We moeten de arrogantie, waarin we ons als goudvissen in een kom de meester van de oceaan wanen, laten varen in onze omgang met onze aarde, de enige blauwe levensbel in een onmetelijk zwart, dood, koud universum.</p>
<p>We stevenen af op de eerste door de mens veroorzaakte grote uitstervingscrisis van het leven. Klimaatverandering wordt voor het eerst vooral door menselijk ingrijpen veroorzaakt. De Aarde warmt sinds de industriële revolutie steeds sneller op. Het is geen probleem voor de verre toekomst, de effecten zijn nu al steeds meer merkbaar: extreme warmte, en zowel meer extreme droogte als extreme neerslag, meer verwoestende bosbranden, meer orkanen, een stijgende zeespiegel, stervende koraalriffen, voedselcrises en heviger smog. Deze natuurrampen veroorzaken hongersnood en watertekort en daardoor worden conflicten veroorzaakt en verergert, en dit alles veroorzaakt weer ongekende migratiestromen. Denk aan de oorlog in Syrië, die begon met een opstand toen arme boeren naar de steden trokken toen hun land niet meer genoeg opbracht om te overleven.</p>
<p>Sven Jense, secretaris-generaal van de Nationale Energiecommissie: “<em>Het ecosysteem aarde, waar wij als mensen onderdeel van zijn, reageert op warmte zoals ons lichaam reageert op koorts. Eén graad en je wordt onrustig. Twee graden betekent zweten, spierpijn, bibberen, geen zin meer in eten. Met drie graden, of een lichaamstemperatuur van 40˚C krijg je hallucinaties, ijlende koortsdromen. Vier graden wordt gevaarlijk. Heb je vijf of zes graden koorts dan gaan de eiwitten in je hersenen stuk of stopt je hart. De koorts van de aarde bedraagt nu 1,2 graden, en het ziektebeeld is zeer verontrustend. Want als de koorts eenmaal boven de twee a drie graden komt is vanwege kantelpunten &#8211; zoals methaan-emissies uit ontdooiend permafrost &#8211; genezing vrijwel onmogelijk. De broeikasgassen die nu al in de lucht zitten in combinatie met ongewijzigde uitstoot leiden tot een stijging van zo&#8217;n vijf graden over zo’n 80 jaar. Leven op aarde voor mensen is dan nog maar zeer beperkt mogelijk.” </em></p>
<p>Dit decennium is volgens het recente 2023 IPCC rapport<a href="#_ftn49" name="_ftnref49">[49]</a> bepalend of de opwarming nog beperkt kan worden tot gemiddeld 1,5 of 2 graden. Maar CO₂-uitstoot van de huidige fossiele infrastructuur brengen ons al voorbij de 1,5 graden. Bij ongewijzigd beleid zal de stijging van de temperatuur in 2100 zo’n 3 graden zijn. De huidige opwarming is al 1,2 graad. Dit leidt nu al tot meer weersextremen (hitte, droogte, of juist veel neerslag). Het zijn vooral de kwetsbaarste mensen in arme landen die de dupe zijn van meer natuurgeweld.</p>
<p>Pas in 2015, in het Klimaatakkoord van Parijs, kreeg de 1,5 graad een belangrijker status – geholpen door een wetenschappelijk VN-rapport, vlak daarvoor uitgekomen. Conclusie: opwarming van 2 graden is echt niet ‘<em>veilig’</em> te noemen, nu al zijn de gevolgen van klimaatverandering zeer ingrijpend in sommige delen van de wereld. Het leidde tot het meest markante resultaat in mondiale klimaatonderhandelingen: de opwarming moet ruim onder de 2 graden blijven en liefst worden beperkt tot 1,5 graad, vergeleken met de temperatuur voor de industriële revolutie. Op de laatste klimaattoppen, in Glasgow en Egypte, is die inzet bevestigd. De premier van Barbados sprak in Glasgow van een ‘<em>doodvonnis’</em> voor eilandstaten als dat niet lukt.</p>
<p>Wat voor de eilandstaten al duidelijk was, werd in een IPCC-rapport in 2018 van harder bewijs voorzien. Zo verdwijnt bij 2 graden opwarming meer dan 99 procent van de koraalriffen, bij 1,5 heeft meer dan 10 procent nog de kans te overleven. Bij 1,5 graad is het aantal mensen in de wereld dat met waterproblemen te maken heeft de helft lager dan bij 2 graden. Honderden miljoenen mensen minder krijgen te maken met voedselschaarste. De kans op zeer hete dagen in koelere streken en extreme regenval door cyclonen neemt toe. De grote ijskappen op Antarctica en Groenland kunnen instabiel worden bij een opwarming tussen 1,5 en 2 graden. Dat kan leiden tot meerdere meters zeespiegelstijging. Daar komt bij dat afname van biodiversiteit en verslechtering van ecosystemen een stuk harder gaat bij 2 graden dan bij 1,5.</p>
<p>Het IPCC rapport uit 2023 geeft veel aandacht aan deze klimaatschade in kwetsbare landen. Zo is de mortaliteit door weersextremen in kwetsbare gebieden vijftien keer groter dan in rijke landen. Voor Nederland is de zeespiegelstijging misschien nog het meest relevant. En die stijging is wereldwijd sinds 1900 gemiddeld toegenomen. Van 1,3 millimeter per jaar tot ongeveer 3,7 millimeter per jaar nu. Een deel van de zeespiegelstijging is al onafwendbaar. Ook na een afbouw van de uitstoot van broeikasgassen zal de zeespiegel nog duizenden jaren verhoogd blijven.</p>
<p>Een snelle en scherpe uitstootreductie van CO₂ en methaan is nodig en gelukkig ook nog mogelijk. Hoe langer we wachten, hoe moeilijker en duurder het wordt. Reeds nu zijn er slachtoffers te betreuren, en die zullen bij ongewijzigd beleid steeds meer vallen, en vooral bij de kansarmen in de wereld.</p>
<p>Er gaat nog steeds meer geld naar fossiel dan naar hernieuwbare energie. Er is tot op heden dus nog veel te weinig gedaan om de uitstoot écht naar beneden te brengen. En dat geldt volgens het IPCC voor haast alle vlakken. Het beleid, technologie, financiën, overal is versnelling nodig. Op het gebied van financiën wordt vooral de mate waarin fossiel nog altijd voorrang krijgt op hernieuwbare bronnen als belemmering genoemd. Dat is nog vaak het geval. Het rapport maakt duidelijk dat de voordelen van klimaatbeleid ruimschoots opwegen tegen de kosten. En vergeet ook niet de bijkomstige voordelen van bijvoorbeeld schonere lucht door over te stappen op schonere energiebronnen. De economische waarde daarvan wordt ingeschat op eenzelfde orde van grootte als de kosten van het klimaatbeleid. Al is er veel focus op de klimaatdoelen van 1,5 en 2 graden, het rapport maakt duidelijk dat elke fractie van een graad telt. De risico’s nemen daarboven steeds sneller toe, dus juist bij het uit het zicht raken van de doelstellingen moeten we extra hard aan de bak. Het IPCC is een toonaangevende instantie als het gaat om klimaatrapporten.</p>
<p>Maar er is meer aan de hand dan alleen een klimaatcrisis. Ook de biodiversiteit staat door de mens ernstig onder druk. Grondstoffen worden steeds schaarser, en afval (met name plastics) wordt een steeds groter probleem. Vervuiling van lucht, water en bodem bedreigt ons leven.</p>
<p>Effectieve, snelle vergroening en verduurzaming van (industrie-, landbouw- en diensten-) productie en distributie is nodig. Met klimaatbeleid, energietransitie, circulaire economie, biodiversiteit en natuurherstel. Hiervoor zijn urgente, ambitieuze programma’s nodig.</p>
<p><em>“Een duurzaam Nederland &#8211; in lijn met de comparatieve voordelen van een nieuwe wereld die klimaatneutraal opereert &#8211; zal er radicaal anders uitzien. De Nederlandse voetafdruk is te groot, of het nu de productie of de consumptie betreft. Redenen te over om te veranderen, van de solidariteit van een rijke samenleving tot het welbegrepen eigenbelang van een economie die niet langer kan profiteren van fossiele brandstoffen of de overlevingsdrang van land in een laaggelegen delta. Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Bij Elsschot voorkwam het onheil, bij het klimaat zorgt het juist voor onheil. Aan de politiek de uitdaging draagvlak te creëren en een weg te banen.”</em> (Laura van Geest in het voorwoord van het IBO-rapport Klimaat, 13 maart 2023).</p>
<p><u>Klimaattransitie</u></p>
<p>Een studiegroep ambtenaren van verschillende ministeries<a href="#_ftn50" name="_ftnref50">[50]</a> hadden vlak voor de publicatie van dit laatste IPCC-rapport een advies gepubliceerd waarin werd geconcludeerd dat de nationale klimaatdoelstellingen voor 2030 (60% reductie van CO₂-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990) ver uit beeld zijn en dat er veel meer, en snel ook, nodig is, en dat de huidige beleidsmix is sterk gericht op subsidies en vrijwillige aanpassingen. Om het tempo van de transitie te versnellen is daarom aanvullend normerend en beprijzend beleid nodig.</p>
<p>Ook Kees Vendrik, voorzitter van het door het kabinet ingestelde Nationaal Klimaat Platform (NKP) dat in plaats gekomen is van de klimaattafels, schrijft dit in zijn eerste advies (april 2023): <em>“</em><em>Het gestelde klimaatdoel voor Nederland in 2030 (-55/-60%) is nog niet binnen bereik. En de kans om de mondiaal afgesproken 1,5oC doel te realiseren, wordt snel kleiner. Tijd is kostbaar en uitstel is niet verantwoord. De stikstofcrisis maakt duidelijk dat uitstel leidt tot extra kosten en maatschappelijke polarisatie en de ruimte verkleint voor politiek handelen later. De klimaatcrisis vraagt van het kabinet een concreet toekomstperspectief met duidelijke doelen en een samenhangend instrumentarium, ook voorbij 2030. Met langjarig consistent beleid biedt het kabinet burgers en ondernemers duidelijkheid over de normen waaraan ze moeten gaan voldoen en de prijzen waarmee ze kunnen rekenen. Dat hebben ze nodig om zelf in actie te komen.” </em>En: “<em>De klimaat- en energietransitie vraagt om stevig en consistent beleid dat de systeemverandering in gang zet die de beoogde emissiereducties in 2030 en 2050 kan realiseren. Maar ingrijpende (systeem)verandering confronteert individuele ondernemers en burgers met veel onzekerheid. Voor de uitvoering van stevig beleid is het belangrijk dat burgers en ondernemers snappen dat ingrijpende maatregelen perspectief bieden op een duurzamer, mooier en toekomstbestendig Nederland. De proteststem van burgers lijkt in de kern (ook) een roep om mee te doen. Er is behoefte aan een samenhangend verhaal dat de doelen tastbaar maakt en beleidsinstrumenten – zoals beprijzing, normering en subsidies &#8211; plaatst in een breder sociaal-maatschappelijk perspectief. De overheid kiest nu nog vaak voor een faciliterende rol in de klimaat- en energietransitie, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde. Voor het vormgeven van ingrijpende, systemische verandering is dit niet voldoende. De klimaatcrisis vraagt van het kabinet een langjarig consistent beleid met scherpe doelen en een helder tijdpad. Stevig beleid dat in samenspraak met burgers en ondernemers vorm krijgt. Daarmee geeft het kabinet richting aan de transformatie van maatschappelijke systemen en biedt het een kader waarbinnen bedrijven, investeerders en financiële instellingen hun koers kunnen kiezen. Dit geldt zowel de opbouw van duurzame bedrijven die vaak nog opereren in markten met oude spelregels die hen benadelen, als de uitfasering van industriële activiteiten die niet passen in een duurzaam toekomstperspectief.”</em></p>
<p><u>Biomassa</u></p>
<p>In Nederland wordt steeds vaker energie opgewekt door het verbranden van biomassa. Dat is niet altijd even duurzaam. Afvalhout wordt massaal verbrand voor de productie van elektriciteit, terwijl dat voorheen werd gebruikt voor de productie van spaanplaat, compost en andere producten. Dat blijkt uit een rapport in opdracht van Greenpeace, Natuur &amp; Milieu, WNF en IUCN.<a href="#_ftn51" name="_ftnref51">[51]</a> Het is duurzaam om zoveel mogelijk afval te hergebruiken, maar bio-energie zorgt er juist voor dat dit in Nederland steeds minder gebeurt. Bio-energiecentrales kopen al het hout op. Dat leidt niet tot minder CO₂, want er wordt hout verbrand dat anders als spaanplaat in een huis of keukenblok zou verdwijnen. Snoeihout werd vroeger gebruikt voor compost maar eindigt nu ook in de verbrandingsoven. Eén van de negatieve effecten is dat de import van veen toeneemt. Dat is schadelijk voor de natuur en zorgt voor veel CO₂-uitstoot.</p>
<p>Biomassa is een term voor materiaal van plantaardige of dierlijke herkomst, zoals hout, mais en andere landbouwgewassen, mest, wol, voedselresten (gft-afval) of plantaardige olie. Het kan worden gebruikt als grondstof, voor bijvoorbeeld bouwmateriaal, kleding, papier, meubels en voedsel. Het kan ook ingezet worden als energiebron, door verbranding, vergassing of vergisting van bijvoorbeeld afval, mest of hout. Wanneer biomassa als energiebron wordt gebruikt, wordt dat gerekend tot hernieuwbare energie. De biomassa groeit namelijk weer terug. Bij verbranding van biomassa komt CO₂ vrij, maar groeiende planten en bomen nemen tijdens de groei deze CO₂ weer op. Dit gaat echter veel langzamer dan nodig is. In Nederland is biomassa nu de meest gebruikte hernieuwbare energiebron, en dat wordt niet bijgehouden door de groei van nieuwe planten en bomen.</p>
<p>Energie uit biomassa is er in vele soorten:</p>
<ol>
<li><em>verbranding in speciale biomassacentrales</em>. Dit zijn installaties specifiek ingericht op het opwekken van energie uit biomassa. In deze centrales wordt biomassa verbrand, meestal voor warmtelevering aan een warmtenet. Deze centrales draaien vaak op houtige biomassa: houtsnippers of –pellets. Een aantal centrales levert naast warmte ook elektriciteit. Door subsidies en een grote beoogde rol voor biomassa in de energietransitie is het aantal biomassacentrales in Nederland de laatste jaren toegenomen;</li>
<li><em>stoken van biomassa(-afval) bij bedrijven</em>. Sommige <strong>bedrijven</strong>wekken met behulp van biomassa warmte of elektriciteit op. Als het gaat om kleinschalige installaties worden hiervoor vaak afvalstromen gebruikt, zoals afvalhout, slachtafval of papierslib. Het bedrijf gebruikt de opwekte warmte of elektriciteit vaak zelf voor verwarming of productieprocessen. Sectoren waar dit gebruikt wordt zijn veehouderijen en de glas- en tuinbouw. Door subsidies komen er bij bedrijven steeds vaker grotere biomassa-ketels. Een deel van de warmte van bedrijven wordt gebruikt in warmtenetten voor woningen;</li>
<li><em>inzet van biomassa in aangepaste kolencentrales</em>. In <strong>aangepaste kolencentrales</strong>kan biomassa (mee) gestookt worden. Een grote kolencentrale heeft erg veel biomassa nodig om een bepaalde hoeveelheid energie op te wekken;</li>
<li><em>verbranding in afvalinstallaties</em>. Ongeveer de helft van de energie die bij <strong>afvalverbranding</strong>wordt opgewekt, telt als hernieuwbare energie. Dit wordt zo gerekend omdat min of meer de helft van ons afval van biologische oorsprong is. De energie wordt gebruikt als warmte of als elektriciteit;</li>
<li><em>in woningen, bijvoorbeeld in een open haard en hout- of pelletkachel</em>; en door vergisting of vergassing van biomassa tot biogas. Ongeveer een miljoen huishoudens in Nederland maken gebruik van biomassa voor (een deel) van hun warmte. Ze hebben bijvoorbeeld een open haard of pelletkachel in huis. Vaak is dit niet de belangrijkste warmtebron, maar is de open haard, houtkachel of pelletkachel vooral een gezellige toevoeging aan een woonkamer. Die haarden en houtkachels zorgen voor een aanzienlijke uitstoot en luchtvervuiling – In Nederland is 23% van alle fijnstof afkomstig uit sfeerverwarming. We gaan de uitstoot reguleren. Het is mogelijk om je huis hoofdzakelijk met biomassa te verwarmen, met een biomassaketel. Deze kan de gasketel in je huis vervangen. Dit kan een oplossing zijn om moeilijk te isoleren huizen in het buitengebied, toch van het gas af halen. Andere duurzame opties of warmtenetten zijn dan vaak geen optie.</li>
</ol>
<p>Uit biomassa kunnen vloeibare en gasvormige brandstoffen worden gemaakt. Uit onder andere koolzaad-, zonnebloem-, palmolie en zelfs gebruikte frituurvetten uit keukens kan <em>biodiesel</em> worden gemaakt. Dit kan probleemloos vermengd worden met diesel, maar er zijn auto’s die volledig op biodiesel kunnen rijden. Het is ook mogelijk om <em>bio-ethanol</em> te maken. Hiervoor wordt bijvoorbeeld suikerriet of –biet gebruikt. Bio-ethanol wordt vaak met benzine gemengd. De meeste auto’s kunnen op die mix probleemloos rijden. <em>Biogas</em> kan worden gemaakt door natte biomassa te vergisten. Dit gebeurt met afval- en reststromen: afval, slib en mest. Deze (natte) biomassa wordt onder zuurstofloze omstandigheden door bacteriën omgezet, waarbij biogas ontstaat. Vaak gebeurt dit bij bedrijven op het terrein, zoals bij boerderijen. Een andere methode is vergassing, maar deze technieken zijn nog in ontwikkeling. Voor biogas wordt geen houtige biomassa gebruikt. Als het biogas eenmaal is gemaakt, zijn er verschillende manieren om het in te zetten. Het kan in een ketel worden verbrand, om warmte te winnen. In warmtekrachtkoppeling-installaties (WKK-installaties) kan uit biogas warmte én elektriciteit worden gewonnen. Door het biogas aan te passen en te verbeteren, is er nog meer mogelijk met het gas. Het kan bijvoorbeeld CO₂ leveren aan kassen. Een belangrijke toepassing van verbeterd biogas is <em>groen gas</em>. Groen gas kan in ons gasnetwerk als vervanging voor aardgas worden gebruikt, maar het kan ook als basis dienen voor autobrandstof.</p>
<p>Bij het verbanden van biomassa komt CO₂ vrij. De vraag is hoe biomassa dan toch als CO₂-neutrale energiebron beschouwd kan worden. De gedachtegang hierachter is dat het gebruik van biomassa voor energie een gesloten cirkel vormt: bij verbranding van biomassa komt CO₂ vrij, maar deze wordt weer opgeslagen door groeiende bomen en planten. Het vastleggen van de vrijgekomen CO₂ bij verbranding in nieuwe planten en bomen, kost tijd. In de tussentijd verblijft de vrijgekomen CO₂ in de lucht en kan het toch een klimaateffect hebben. Dit wordt de koolstofschuld genoemd. Een flink deel van de (wetenschappelijke) discussie rond biomassa draait om deze kwestie. Verder kan biomassa een klimaateffect hebben wanneer er door oogst van biomassa ontbossing optreedt, wat ook tot CO₂-uitstoot leidt. Naast de CO₂ na verbranding, is er ook sprake van CO₂-uitstoot tijdens de productie en winning van biomassa. Dit worden ketenemissies genoemd. Er komt bijvoorbeeld CO₂ vrij door gebruik van (vaak fossiele) energiebronnen; vrachtwagens moeten rijden voor de vervoer, machines zijn nodig voor landbouw of houtoogst, enzovoorts. Deze uitstoot tijdens de productieketen moet worden meegeteld.</p>
<p>Sommige vormen van biomassa hebben negatieve invloed op de natuur en de biodiversiteit. Denk bijvoorbeeld aan palmolie en soja, waarvoor grote stukken oerwoud worden gekapt. Ook houtoogst dichter bij Nederland kan negatieve gevolgen hebben. Er is vrees dat houtoogst voor energie uit biomassa zou kunnen leiden tot verlies van gebieden met hoge biodiversiteit zoals oerbos. Ook op grote schaal oogsten van resthout uit productiebossen of snoeihout uit natuurlijke bossen of stro uit landbouw kan voor problemen zorgen, bijvoorbeeld met de bodemkwaliteit.</p>
<p>Nederland heeft strenge duurzaamheidsregels voor biomassa die wordt gebruikt voor energieproductie. De strengste ter wereld, die gelden voor hout uit Nederland én geïmporteerd hout. Ze schrijven onder andere voor dat:</p>
<ol>
<li>Alleen hout uit onvermijdelijke reststromen wordt gebruikt en er altijd meer hout bijgroeit dan wordt geoogst, zodat koolstofvoorraden niet worden aangetast en geen langdurige koolstofschuld ontstaat.</li>
<li>De bodemkwaliteit in stand wordt gehouden</li>
<li>Geen natuurlijk bos wordt gekapt of wordt omgevormd tot bosplantage</li>
<li>De CO₂-ketenemissies (oogst, drogen, transport) veel lager zijn dan wanneer fossiele energiebronnen worden gebruikt.</li>
<li>Het bos duurzaam wordt beheerd.</li>
</ol>
<p>Wat volgens deze eisen in de praktijk voor energie mag worden gebruikt is het gedeelte van de houtoogst uit productiebos dat niet bruikbaar is als zaaghout. Bijvoorbeeld het deel van boomstammen dat te dun is (‘toppen’). Het kan zelfs om hele bomen gaan, wanneer het bomen zijn die bijvoorbeeld te krom, te dun of rot zijn om als zaaghout te worden gebruikt. Ondanks de strenge regels, zijn er zorgen over deze duurzaamheidseisen: zijn ze streng genoeg? Worden ze goed gecontroleerd en nageleefd? De meeste twijfel bestaat rond houtpellets die uit de Baltische Staten (Estland, Letland, Litouwen) en de Verenigde Staten worden geïmporteerd voor bij- en meestook in kolencentrales. Er zijn aanwijzingen van organisaties en journalisten, waarin wordt gesteld dat er wel degelijk natuurbos sneuvelt voor biomassa en dat hout wat als grondstof ingezet kan worden toch als pellets in energiecentrales belandt. Zie bijvoorbeeld het rapport van SOMO.<a href="#_ftn52" name="_ftnref52">[52]</a> Dit zou niet alleen in strijd zijn met de Nederlandse regels, maar ook met de Europese wet. Volgens het PBL is het niet duidelijk of dit structureel plaatsvindt en zou dit beter onderzocht moeten worden.</p>
<p>Hebben we biomassa voor energie echt nodig? In het Klimaatakkoord is een belangrijke rol weggelegd voor biomassa in de verduurzaming van de Nederlandse energievoorziening. Biomassa wordt in het energiebeleid vooral gezien als tussenoplossing, tot het moment dat andere duurzame opties goedkoper en verder ontwikkeld zijn. Zo kunnen in het zware wegtransport en de scheepvaart biobrandstoffen de tijd overbruggen totdat er omgeschakeld kan worden naar aandrijving door elektriciteit of groene waterstof. Biomassa wordt ook gezien als een belangrijke tussenoplossing voor warmtenetten, tot alternatieven zoals geothermie (aardwarmte) goedkoper en voldoende beschikbaar zijn (dat is overigens verre van zeker – aardwarmte winnen heeft soms ook bevingsrisico’s en is soms duur). Niet iedereen is ervan overtuigd dat biomassa zo&#8217;n grote rol zou moeten spelen. Tegenstanders van biomassa als energiebron, zoals sommige natuurorganisaties, vinden dat de subsidies voor biomassa direct gestopt moeten worden. De SER heeft in 2020 geadviseerd om biomassa meer in te zetten als grondstof. De inzet als energiebron moet waar dat kan af worden gebouwd, mits de klimaatdoelen daardoor niet in gevaar komen. Uit een advies van het PBL uit 2020 blijkt dat het te snel afbouwen van biomassa voor warmte ertoe kan leiden dat de klimaatdoelen niet worden gehaald.</p>
<p><u>Verduurzaming van de industrie</u></p>
<p>De Nederlandse industrie is goed voor ruim 40% van het Nederlandse energiegebruik. Van die energie wordt 82% nog steeds opgewekt met fossiele brandstoffen en slechts 12% met hernieuwbare bronnen. Een groot deel hiervan wordt gebruikt in de procestechnologie, waaronder de petrochemische, farmaceutische en voedselindustrie. Door het grote aandeel van de procesindustrie binnen de Nederlandse economie behoort Nederland tot de landen met het hoogste energieverbruik per inwoner. Het echt grote energiegebruik zit in de basisindustrie. Niet alleen voor verhitting in processen, maar ook voor de productie van materialen: kunststoffen uit olieproducten, reductie van ijzererts tot ruw ijzer, productie van aluminium en chloor door elektrolyse van zouten en omzetting van aardgas in ammoniak. Ongeveer een kwart van het Nederlandse energiegebruik wordt gebruikt voor het produceren van materialen. Dat is hoog vergeleken met andere landen, omdat Nederland veel basisindustrie heeft. </p>
<p>De toekomst van de Nederlandse industrie moet richting 2050 bezien worden vanuit Europees perspectief. De vestigingsplaatsfactoren veranderen door de overgang van fossiel naar hernieuwbaar. Het is van belang hier tijdig op voorbereid te zijn. Toekomstige schaarste in koolstof en andere materialen vraagt voor een energiesysteem volgens de ontwerpprincipes om een sterkere inzet op circulariteit (van zowel plastics als CO₂). In 2050 zal de Nederlandse industrie er, hoe dan ook, anders uitzien dan nu. Het is waarschijnlijk dat het gebruik van fossiele brandstoffen beperkt of zelfs geheel uitgefaseerd is, door autonome mondiale ontwikkelingen en klimaat- en circulariteitsbeleid. De vraag naar koolstof zal voor een breed scala aan producten echter niet verdwenen zijn. Omdat de koolstof van fossiele bronnen grotendeels wegvalt, is het noodzakelijk dat de koolstof ergens anders vandaan komt. Dat kan uit hergebruikt materiaal (gerecycled plastic), biomassa, of de lucht. Dit heeft invloed op de energievraag en de import en duurzaamheid van grondstoffen. Het expertteam Klimaat heeft de bestaande scenario’s doorgenomen voor de vier energie-intensieve industriesectoren die momenteel grotendeels op fossiele brandstoffen draaien en alle een grote uitstoot hebben. De industriesectoren zijn ijzer en staal, raffinage, chemie en kunstmest. Samen vertegenwoordigen deze sectoren ongeveer 80 procent van de huidige industriële energie- en grondstoffenvraag. Het expertteam constateert dat de bandbreedte tussen de bestaande scenario’s erg groot is. Om de gevolgen van verschillende scenario’s voor het energiesysteem te kunnen onderzoeken schetst het expertteam twee ontwikkelpaden. Huidige stand van zaken, marktvooruitzichten en transitiebeelden vormen de basis voor deze ontwikkelpaden. Eén ontwikkelpad is gebaseerd op plannen en ontwikkelingen die zich lijken af te tekenen. De ander leidt tot een significant lager energie- en grondstoffengebruik, maar behoudt (eind)productie voor Nederland. Voor dit ontwikkelpad is mede gebruik gemaakt van beleidsinterventies in beleidskaders die nog volop in ontwikkeling zijn. De varianten zijn gekozen om de dilemma’s zichtbaar te maken, en vertegenwoordigen niet een bandbreedte.</p>
<p>Deze ontwikkelpaden leveren een aantal knelpunten en conclusies op. De energievraag loopt sterk uiteen – bijna een factor twee. De grote variatie is ook het geval bij scenario’s in andere studies en reflecteert de grote onzekerheid. Toch zijn er conclusies te trekken door het verkennen van ontwikkelpaden. De relaties tussen sectoren leveren dilemma’s op en competitie tussen schaarse hulpbronnen. Bij raffinage kunnen biomassa en plastic afvalstromen die koolstof leveren voor synthetische brandstoffen schaars worden, en hun duurzaamheid kan onder druk komen te staan. Bovendien loopt de energievraag sterk op, hetgeen aan de grenzen van de benodigde capaciteit van hernieuwbare elektriciteit (voor groene waterstofproductie) raakt. Een lagere vraag naar brandstoffen vermindert deze spanning.</p>
<p>De sleutel ligt in circulariteit en vermindering van laagwaardig gebruik. De vraag naar fossiele brandstoffen zal sterk gaan dalen door elektrificatie in de industrie, in wegtransport en door toenemend gebruik van hernieuwbare brandstoffen in lucht- en scheepvaart. De koolstof- en energiebehoefte bij transformatie van de bestaande fossiele bunkerbrandstofproductie naar grootschalige productie van synthetische brandstoffen maakt import van waterstof noodzakelijk.</p>
<p>Als fossiele import helemaal moet verdwijnen met behoud van de chemie, dan zijn er grote stappen op circulariteit en/of biomassa-import nodig. De integratie tussen raffinage en chemie (met name plastics) blijft, maar verandert substantieel. Als de vraag naar producten uit de chemische industrie groeit en de fossiele raffinagecapaciteit daalt, stijgt de vraag naar koolstof uit andere bronnen. Sturing op vraag naar plastics beperkt de uitdaging, terwijl sturing op productontwerp (<em>circular by design</em>) bij kan dragen aan hogere aandelen recyclage. Circulariteit, deels energie-intensief, is een noodzakelijke deeloplossing. Via meer recycling, gebruik van biomassa, en op termijn CO₂ uit de lucht kan mogelijk lokaal koolstof gewonnen worden. Dit levert mogelijk een duurzamere sector en een kleinschaligere chemische productie.</p>
<p>Voor kunstmest en staal zijn er opties om halffabricaten te importeren, maar daardoor verplaatst de energie-intensieve productie. De duurzaamheid hiervan hangt af van de vraag waarnaar toe dit verplaatst. Is dit naar gebieden met goede mogelijkheden voor hernieuwbare energie- en groene waterstofproductie, of niet. Voor kunstmest gaat er volgens het expertteam waarschijnlijk ammoniak ingevoerd worden, vooral voor de Europese markt. Voor ijzer en staal gaat meer schroot verwerkt worden. Voor de vraag naar nieuw staal zijn er meerdere opties. Bij een gelijkblijvende of grotere Nederlandse productie is er een duidelijk hogere waterstof- en daarmee elektriciteitsvraag. Dit kan leiden tot spanningen met andere sectoren binnen en buiten de industrie die ook gaan elektrificeren. Productie van staal in Europa voorkomt afhankelijkheid van landen buiten Europa.</p>
<p>Het maakt veel uit welk ontwikkelpad wordt ingezet. Het eerste pad leidt tot een industriële energievraag van rond de 1300 Petajoule (PJ), het tweede pad leidt tot een vraag van ca. 600 PJ. De analyses laten zien dat een systeemtransformatie in de industrie nodig is. Vanwege de energievraag van de huidige industrie, de consequenties voor duurzaamheid en de schaarse ruimte, is vanuit de ontwerpprincipes moeilijk voor te stellen dat de huidige omvang van de industrie in Nederland in stand blijft. Een aantal recente ontwikkelingen laat dit ook al zien. Maatregelen om de broeikasgasuitstoot naar nul te krijgen vragen om een inzet op meerdere <em>‘enabling conditions’</em>. Om daar te komen doet het expertteam de volgende aanbevelingen. Net als bij ontwikkelpad Elektriciteit en Waterstof is de inzet op elektrificatie waar mogelijk en het voeren van beleid op infrastructuur ook toepasbaar op de industrie. Daarnaast zijn er een aantal specifieke aanbevelingen:</p>
<p>Vraag naar materialen verminderen lijkt haalbaar en maakt de dilemma’s rondom de ontwerpprincipes minder prangend. Dit vergt gericht beleid op vraagreductie,  normering om circulariteit te stimuleren en productontwerp voor circulariteit te bevorderen. Een sterke overheidsregie is daarbij noodzakelijk;</p>
<p>Zonder sterke en sturende inzet op circulariteit, wordt de transitie naar een klimaatneutrale koolstof-intensieve industrie in Nederland moeilijk om te realiseren. Het beleid op circulariteit zou moeten worden gekoppeld aan klimaatbeleid zodat perverse prikkels, bijvoorbeeld voor emissies in de keten, worden voorkomen. En het is urgent om werk te maken van circulariteitsbeleid.</p>
<p>Handelsstromen gaan veranderen, waarmee ontwerpprincipes onder druk kunnen komen te staan. Borg duurzaamheid en rechtvaardigheid in ketens, alsmede in wat je importeert. Dit geldt al voor biomassa, maar zal ook voor waterstof, ammoniak, en andere grondstoffen en halffabricaten moeten gaan gelden. Normering voor meer gebruik van natuurlijke en circulaire materialen is onderdeel hiervan.</p>
<p>Voer industriebeleid. Dit vraagt van de overheid niet om maatwerk op basis van de industrie van nu, maar om maatwerk op basis van een industrievisie voor de periode 2040-2045.</p>
<p>Stem deze industrievisie, en de inzet van instrumenten in Nederland, af op het beleid van de Europese Unie en de ons omringende landen.</p>
<p><em>‘De Grote Twaalf’</em> worden ze op het ministerie van Economische Zaken en Klimaat genoemd: de twaalf industriereuzen die samen driekwart van de broeikasgasuitstoot van de hele vaderlandse industrie voor hun rekening nemen. In volgorde van klimaatimpact: Shell Nederland, Tata Steel, Dow Benelux (chemie), Yara Sluiskil (kunstmest), ExxonMobil, OCI Nitrogen (kunstmest), BP, Zeeland Refinery, Air Liquide (industriële gassen), Air Products (idem), Sabic (plastics) en Nobian Chemicals (vroeger Akzo). Sinds de onderhandelingen over het Klimaatakkoord (2018) worden ze nauw bij de Haagse klimaatplannen betrokken. Het kabinet noemt het vergroenen van de industrie de ‘hoeksteen van het klimaatbeleid’. De industriereuzen zelf geven echter weinig blijk van hun enorme verantwoordelijkheid. Acht van de Grote Twaalf stoten nog net zo veel of zelfs meer CO₂ uit als voor het Klimaatverdrag van Parijs in 2015, zo blijkt uit onderzoek door <em>De Groene Amsterdammer.</em><a href="#_ftn53" name="_ftnref53">[53]</a> De oliebedrijven Shell, BP en ExxonMobil, bijvoorbeeld, zijn alle drie sinds 2017 gemiddeld per jaar meer gaan uitstoten. De grootste positieve inspanningen zijn geleverd door Tata en Yara, die allebei hun emissies met gemiddeld vier procent hebben verminderd. De hele industriesector kwam in de afgelopen tien jaar niet verder dan een daling van twee procent (aldus de nationale emissieregistratie van het RIVM). Ter vergelijking: in diezelfde periode werd de voetafdruk van Nederlandse burgers 25 procent kleiner. We werden Europees kampioen zonnepanelen (een groei van achttienhonderd procent sinds 2013), vervingen gasketels door warmtepompen (groei: 450 procent), ruilden brandstofauto’s in voor elektrische (groei: 475 procent), isoleerden onze woningen en sloten massaal (75 procent van de huishoudens) een groen energiecontract af. Wij burgers zijn er ook nog niet, maar door onze massale investeringsbereidheid liggen we nu wel al een straatlengte voor op de industrie.</p>
<p>Voor het bereiken van de reductiedoelstellingen voor CO₂ hangt veel af van de industrie. Deze zit nu op min zeventien procent en heeft de grootste opgave dus nog voor zich, terwijl de meeste tijd (33 jaar) inmiddels is verstreken. Die urgentie signaleert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ook. <em>‘De industriële emissies worden gedomineerd door een beperkt aantal bedrijven’</em>, schrijft het in zijn recentste <em>‘Klimaat- en Energieverkenning’</em>. <em>‘De aard en het tijdstip van de realisatie van emissiereductieprojecten bij deze bedrijven hebben grote invloed op de precieze emissies in 2030, en juist de afzonderlijke projecten zijn met grote onzekerheden omgeven.’</em> Anders gezegd: het lot van de Nederlandse klimaatpolitiek ligt in handen van een paar grote bedrijven. En die gaven tot nu toe niet thuis.</p>
<p>Op papier ligt de klimaatneutrale economie van Nederland bijna voor het grijpen: vrijwel alle ovens en krakers van de industrie kunnen met elektriciteit worden verhit, in plaats van met aardgas zoals nu. Onder andere daarvoor bouwen we windmolenparken op zee. Om ook op windstille en bewolkte dagen groene stroom te kunnen leveren aan installaties die 24 uur per dag moeten aanblijven, slaan we de overtollige elektriciteit van gunstiger dagen op in waterstof. Omdat de bouw van zowel nieuwe hoogspanningsmasten en verdeelcentra als waterstoffabrieken en -leidingen nog jaren in beslag zal nemen, mag de industrie voorlopig haar overtollige CO₂ opslaan in lege aardgasvelden onder de Noordzee. Het enige wat nodig is, zijn investeringen. In werkelijkheid houden industrie en overheid elkaar gegijzeld en voeren ze, vijf minuten voor twaalf, een <em>danse macabre</em> uit. De overheid zegt dat ze het hoogspanningsnet en de waterstofinfrastructuur wel wil uitbouwen, maar pas zodra ze weet hoe groot de behoefte is. Hoeveel terawatt had u graag willen hebben? vraagt netwerkbeheerder Tennet aan de industrie. Kunnen we nog niet zeggen, reageert de industrie, want we gaan pas investeringsplannen maken als we zeker weten dat uw infrastructuur op tijd klaar is. Er is vorig jaar haastig een ambtelijk orgaan opgericht met het doel het verdwaasde danspaar uit elkaar te trekken en op de klok te wijzen.</p>
<p>Het was Milieudefensie die de industrie in 2022 dwong om eindelijk haar kaarten op tafel te leggen. Milieudefensie vroeg tien grote uitstoters om hun duurzaamheidsplannen. <em>‘In vrijwel alle bedrijven werden we vervolgens ontvangen op directieniveau’,</em> vertelt campagneleider Peer de Rijk. Sinds haar Goliath-overwinning op Shell, twee jaar geleden (de rechter vonniste dat het olieconcern zijn uitstoot in 2030 met bijna de helft moet hebben verminderd), heeft de milieuorganisatie een stok achter de deur. <em>‘Daarna heeft het Duitse New Climate Institute op ons verzoek alle openbare bronnen verzameld die licht konden werpen op de duurzame investeringsplannen van de ondernemingen, van persberichten tot jaarverslagen en toespraken van de CEO’s. Tot slot hebben we onze bevindingen nog eens aan de bedrijven voorgelegd. Die hadden geen kritiek op onze methode. De meeste waren zelfs heel toeschietelijk, gek genoeg omdat ze zelf het gevoel hebben dat ze goed bezig zijn.’ </em>De gedegen inventarisatie vertelt echter een ander verhaal. De onderzochte bedrijven hebben nog geen elektrische ovens en ketels besteld, waardoor de noodzakelijke technische doorontwikkeling van deze apparaten geen sprongen maakt, maar stilstaat. En ook hun waterstoffabrieken lijken voorlopig op luchtkastelen. De Britse oliegigant BP zegt dit jaar een beslissing te zullen nemen over de bouw van een groene waterstoffabriek in de Rotterdamse haven, maar deze bespaart slechts zestien procent van de CO₂-uitstoot. Dow kondigde ook aan zo’n fabriek te willen bouwen, maar deze gaat waterstof maken uit methaan, waarbij alsnog CO₂ vrijkomt.</p>
<p>Waterstof is, technisch gezien, dé oplossing voor de zware industrie. Als Tata in IJmuiden overschakelt op het ‘direct gereduceerd ijzer’-procedé om staal te maken, dan kan het zijn ovens verhitten met waterstof. En kunstmestproducent Yara in Zeeland kan zijn uitstoot met negentig procent reduceren, zegt het bedrijf zelf, als het aardgas vervangt door groene waterstof. Maar de hoeveelheden die beide bedrijven zullen opeisen, zijn gigantisch. Bovendien moet vanaf 2030 alle waterstof die in de EU wordt geproduceerd ‘<em>groen’</em> zijn, dat wil zeggen: gemaakt met duurzame elektriciteit en niet met aardgas. Het PBL becijfert dat de elektriciteitshonger van de industrie tussen nu en 2030 waarschijnlijk <em>verdrievoudigt</em> en dat bijna de helft van die toename nodig zal zijn om groene waterstof te maken. Waterstof stelt ons dus vooral voor een praktische uitdaging: is er in 2030 wel voldoende groene stroom? En kunnen alle fabrieken wel tijdig worden aangesloten op het elektriciteitsnet, dat in elk geval op dit moment zwaar overbelast is?</p>
<p><em>‘Behalve Shell heeft nog geen enkel bedrijf een investeringsbeslissing genomen op het gebied van waterstof’</em>, zegt Martien Visser, lector energietransitie aan de Hanzehogeschool in Groningen. <em>‘Er zullen voor 2030 vast wel meer investeringen worden aangekondigd, maar het bouwen van fabrieken en opslagfaciliteiten kost jaren. Er moet eigenlijk een projectorganisatie voor komen, zoals voor aardgas. Tot nu toe wordt het aan de markt overgelaten. Dat duurt langer en zorgt voor afstemmingsproblemen: alle commerciële partijen moeten het gevoel hebben dat het hun winst gaat opleveren – is er één die daarover twijfelt, dan kan de keten niet worden gesloten.’</em></p>
<p>Behoedzaamheid wisselt in de plannen echter af met lichtvaardigheid. Zoals bij FrieslandCampina, dat zich klimaatneutraal rekent met de onbewezen veronderstelling dat het grasland van zijn melkveehouders voldoende koolstof zal opnemen. En bij Yara, dat koolstof wil opslaan in koolzuurhoudende frisdranken – wat gebeurt er als die flesjes of blikjes worden opengemaakt? En bij de oliesector en de chemie die deels gokken op het verstoken van biomassa – onmogelijk aan te slepen uit de eigen Nederlandse natuur. De terloopse verwijzingen, door bijna alle bedrijven, naar compensatie van hun CO₂-uitstoot door het planten van bomen, is bovendien in een dubieus licht komen te staan door het recente demasqué van Verra, de grootste aanbieder van CO2-compensatie ter wereld, die voor negentig procent van zijn regenwoud-compensatiekredieten geen werkelijke emissiereducties kon laten zien.</p>
<p>De belangrijkste plannen waar schot in lijkt te zitten, zijn die voor het afvangen en ondergronds opslaan van CO₂ (CCS). Wat niet vreemd is, omdat bedrijven hiervoor hun bedrijfsvoering niet dramatisch hoeven aan te passen. Alleen gaat hun kooldioxide nu niet de lucht maar de bodem in. Het milieurisico is dat de koolstof uit de bodem gaat lekken. Voorstanders zeggen dat dit nooit veel zal zijn en dat het aardgas dat oorspronkelijk uit die velden kwam, veel desastreuzer was. Een ander reëel gevaar is een ‘lock-in’: volgens tegenstanders houdt Carbon Capture and Storage (CCS) de fossiele economie in stand. Want waarom zou de industrie in andere, schonere technieken investeren zolang de opslagcapaciteit nog niet vol is?</p>
<p>De Drie Musketiers waren de inspiratiebron voor de namen van de eerste CCS-projecten in Nederland, waarbij CO2 in lege gasvelden in de Noordzee wordt opgeslagen. De namen symboliseren hun sterke verbondenheid: <em>Porthos</em> moet gaan afrekenen met de koolstof van Air Liquide, Air Products, ExxonMobil en Shell in het Rotterdamse havengebied, <em>Aramis</em> (een initiatief van Shell en Total) moet zorgen voor de transportleidingen en <em>Athos</em> moet het noordelijker gelegen Tata Steel erbij trekken. Over Porthos en Aramis valt in de loop van dit jaar een beslissing, maar de toekomst van Athos is onzeker sinds Tata zijn plannen heeft omgegooid: in tegenstelling tot de andere grote uitstoters wil de staalfabriek <em>direct</em> overgaan op een schonere productietechniek, zonder de tussenstap van CCS.</p>
<p>CCS is ook de enige grootschalige ontwikkeling waarbij de overheid en de industrie wél al eensgezind optrekken – een andere, waarschijnlijk onbedoelde, parallel met de Drie Musketiers, die feitelijk ook met z’n vieren waren (de vierde was D’Artagnan). Het rijk heeft een maximale subsidie van 2,1 miljard euro in het vooruitzicht gesteld, uit te keren vanaf het moment dat de projecten daadwerkelijk CO₂ uit de lucht halen.</p>
<p>Kwalijk vindt Milieudefensie dat de grootste vervuilers blijkbaar niet of nauwelijks hebben nagedacht over de CO₂-uitstoot die ze <em>indirect</em> veroorzaken. Al hun plannen zijn gericht op het verminderen van broeikasgassen uit hun eigen schoorstenen. Dat er bij de winning van hun grondstoffen en bij de distributie en het gebruik van hun producten ook CO₂ vrijkomt, krijgt geen aandacht.</p>
<p>Wat de industrie zelf uitstoot, maakt eigenlijk maar een kwart uit van haar totale bijdrage aan de klimaatcrisis. De andere driekwart van haar <em>carbon footprint</em> wordt veroorzaakt door onder andere mijnbouw, de productie van componenten, het transport van haar producten en de verwerking van haar afval (de grootste bron van methaan). De directe emissies zijn alleen de afdruk van haar tenen, niet van haar hele voet. Bij chemiebedrijven als Lyondell, Dow en Akzo zijn het de ingekochte grondstoffen die de meeste schade veroorzaken. Bij FrieslandCampina zijn het de koeien die de melk leveren. Bij Yara is het het lachgas dat uit de uitgestrooide mest opstijgt. Bij de oliemaatschappijen is de indirecte vervuiling het grootst van allemaal, door het gebruik van hun producten in auto’s en vliegtuigen. De megatonnen CO₂ die de Grote Twaalf rapporteren (zie de grafiek), zouden eigenlijk met een factor vier moeten worden vermenigvuldigd om een eerlijk beeld te geven van de <em>werkelijke</em> impact die de industrie heeft op het klimaat.</p>
<p>Waarom is dit van belang? Omdat de grootste producenten niet alleen invloed hebben op de atmosfeer, maar ook op de economie. Zij bepalen immers ook het gedrag van hun toeleveranciers en van hun afnemers. Als ze overschakelen op een schonere productiemethode kan de rest niks anders doen dan volgen. Dat is de reden waarom het Europese klimaatbeleid zich op de eerste plaats richt tot de grootste veroorzakers: het is gemakkelijker om het gedrag van een handvol grote ondernemingen te beïnvloeden dan dat van een half miljard consumenten.</p>
<p>Bovendien is het verduurzamen van de <em>hele</em> keten een voorwaarde voor een circulaire economie. In 2050 wordt er nauwelijks nog afval geproduceerd en worden grondstoffen op grote schaal hergebruikt, zo luidt de officiële kabinetsdoelstelling die tot nu toe in de schaduw leefde van het klimaatbeleid. Minister Jetten wil nu, zo blijkt uit een aantal stukken, de twee doelen met elkaar verzoenen.</p>
<p>De industrie heeft twee gezichten. Een ernstig gezicht naar buiten, als ze zegt dat ze in 2050 helemaal klimaatneutraal wil zijn. En een stoïcijns gezicht achter de schermen, als ze de politiek onder druk zet om niet te hard van stapel te lopen. In een kritisch rapport, onlangs door <em>Follow the Money</em> onder de aandacht gebracht, evalueerde TNO de gesprekken in 2018 over een klimaatakkoord. Grote bedrijven waren daar in het voordeel, door de agendasetting, door de geformuleerde doelen en door hun numerieke overmacht. Het kabinet had het evenwicht kunnen herstellen als het een handtekening van alle partijen onder het akkoord had geëist, maar in plaats daarvan negeerde het de protesten van de milieubeweging en de vakbeweging, die weigerden hun fiat te geven.</p>
<p>Nog voor de zomer van 2023 stuurt klimaatminister Rob Jetten een uitgewerkt plan naar de Kamer voor de besteding van de miljarden uit het nieuwe klimaatfonds – wéér een geldpot. <em>‘Hij zal echter heel kritisch naar de aanvragen kijken’</em>, wil zijn woordvoerder er wel alvast over zeggen. <em>‘Hij gaat geen gemeenschapsgeld verkwisten. Als een emissiereductie ook op een andere manier kan worden bereikt, dan heeft dat zijn voorkeur. En hij zal er speciaal over waken dat het zoet en het zuur met elkaar in evenwicht zijn.’ </em>Dat klinkt als een koerswijziging, na jaren van wortels voeren zonder dreiging van een stok. De verwachting stijgt verder doordat de minister zich gaat laten adviseren door een nieuwe denktank, de klimaatraad, met louter wetenschappers, dus zonder vertegenwoordigers van de industrie. Ook het toezicht op de uitvoering van de afspraken uit het Klimaatakkoord – tot nu toe vooral overgelaten aan de industrie zelf – gaat als het aan Jetten ligt grondig op de schop.</p>
<p><em>‘De boodschap van jullie grafiek</em><a href="#_ftn54" name="_ftnref54">[54]</a><em> over de uitstoot van de Grote Twaalf’</em>, zegt Reyer Gerlagh, hoogleraar klimaateconomie in Tilburg<em>, ‘is dat alleen maar praten met de industrie niet heeft geholpen. Ze leek wel een stel kinderen: zeurend om vergoedingen zonder zelf verantwoordelijkheid te nemen.’ </em>Inmiddels is de situatie dramatisch veranderd, zegt hij. <em>‘Dachten de bedrijven voorheen: laat maar praten, nu denken ze: o help!’</em> Allereerst door de hoge koolstofprijs. De Europese Green New Deal joeg de prijs van een ton CO₂ in het emissiehandelssysteem ETS omhoog van 25 naar 80 euro, een prijs waarbij steenkool duurder werd dan aardgas. Maar door de oorlog in Oekraïne is aardgas ook duurder geworden en dreigt de transitie al weer te stagneren. <em>‘De overheid moet nú haar waterstofplannen versneld gaan uitvoeren, in plaats van bedrijven te compenseren voor de gestegen aardgasprijs. Dan wordt waterstof goedkoper dan aardgas en zullen de Yara’s en Tata’s vanzelf volgen.’</em></p>
<p>De plannen voor een grote groene waterstoffabriek worden naar voren gehaald, meldde minister Rob Jetten maart 2023. De fabriek, die in 2031 operationeel moet zijn, wordt de eerste van deze omvang in de wereld. Als de opschaling van waterstof niet snel genoeg gaat ‘<em>knalt’</em> de koolstofprijs misschien wel naar tweehonderd euro, denkt Gerlagh. <em>‘Bedrijven die dit niet meer kunnen opbrengen, zullen dan hun fabrieken in Europa moeten sluiten. Ze kunnen natuurlijk ergens anders verder gaan met vervuilen, maar dan stuiten ze op een tariefmuur als ze hun producten in de EU willen verkopen.’</em></p>
<p>Op Economische Zaken en Klimaat wordt intussen genuanceerder gedacht over het vertrek van bedrijven uit Nederland dan een paar jaar geleden. In beginsel wil het ministerie alle grote industrieclusters graag behouden, maar niet meer tegen elke prijs. Onlangs kondigden Jetten en zijn collega Micky Adriaansens, die het bedrijfsleven in haar portefeuille heeft, een <em>‘Nationaal Programma Verduurzaming Industrie’</em> aan, dat een duurzame infrastructuur belooft, maar ook groene voorwaarden dicteert aan bedrijven die daarvan willen profiteren.</p>
<p>Een andere ommezwaai is het toepassen van dwang als verleiden niet helpt. Als de minister daadwerkelijk <em>‘zoet en zuur met elkaar in evenwicht’</em> gaat brengen, vindt hij economen en de milieubeweging aan zijn zijde. Econoom Bas Jacobs, bijvoorbeeld, was een groot voorvechter van de invoering van een koolstofbelasting. Die is er vorig jaar gekomen. Gevraagd naar wat de volgende fase zou kunnen zijn, zegt hij: <em>‘Geboden en verboden: je móet deze grondstoffen gebruiken, je mág geen afval meer produceren. Dwingende regelgeving bestaat al op allerlei milieugebieden.’ ‘Je merkt bij economen een omslag’</em>, licht zijn collega Reyer Gerlagh toe. <em>‘Ze zien dat het vaak sneller en goedkoper is om normen op te leggen dan om financiële prikkels te organiseren. Puur economisch geredeneerd: aan geboden kleven minder uitvoeringskosten dan aan subsidies en belastingen.’ </em>‘<em>Normeren is een no-brainer’,</em> vindt ook Faiza Oulahsen, hoofd klimaat bij Greenpeace Nederland. <em>‘En het is bepaald geen nieuw concept. De overheid deed het met koelkasten, waardoor het gat in de ozonlaag is verdwenen, en ze doet het met auto’s, die straks niet meer op fossiele brandstoffen mogen rijden. Een fabriek is ook gewoon een apparaat waaraan je eisen kunt stellen.’</em></p>
<p><u>Waterstof</u></p>
<p>Waterstof is een opslagmogelijkheid voor energie, waarbij echter veel energie verloren gaat. Terecht pleit het Expertteam Klimaat in april 2023 om volop in te zetten op elektrificatie, en kritisch te zijn over de grote waterstofambities. <em>“Duurzame (groene) waterstof is een onmisbaar onderdeel van het energiesysteem, maar op energiegebied niet erg efficiënt. Het aandeel waterstof in de toekomstige Nederlandse energievoorziening is onzeker en zal waarschijnlijk beperkt zijn. Waterstof speelt vooral een rol in flexibiliteit om het wisselende aanbod van zon en wind op te vangen. De waterstofketen die hiervoor ontwikkeld wordt is een no-regret optie die de flexibiliteit levert om het grote Nederlandse potentieel aan goedkope hernieuwbare elektriciteitsproductie te kunnen ontsluiten. Waterstof kan ook ingezet worden voor de energievoorziening van moeilijk te elektrificeren sectoren. De inzet van waterstof in de energie- en vooral grondstoffenbehoefte van de op koolstof gebaseerde industrie en de vraag naar brandstoffen voor de scheep- en luchtvaart is onzeker. Het is ook afhankelijk van de industriële activiteit in 2050, de Nederlandse en Europese kaders en het industriebeleid in omliggende lidstaten.”</em></p>
<p>Een overzicht van alle aangekondigde waterstofprojecten in Nederland, samengesteld door de Topsector Energie, telt maar liefst 150 pagina’s. Met namen als GreenH2UB, H2-Fifty, SeaH2Land en NortH2 hebben grote multinationals als Shell, BP, Orsted, Nouryon en Vattenfall, maar ook kleine partijen als de Hydrogen Mill in Sint Philipsland projecten in de pijplijn. De huidige totale waterstofvraag in Nederland zo&#8217;n 1,5 miljoen ton. Als je dat uit windstroom zou willen maken, heb je ongeveer 15 gigawatt aan opgesteld windvermogen op zee nodig. Hoe groot de vraag uiteindelijk precies wordt, weet niemand. Dat hangt van heel veel factoren af. Er is bijvoorbeeld veel onzekerheid over het gebruik van waterstof door zwaar transport en in synthetische brandstoffen voor de scheep- en luchtvaart. Onderzoeksbureau CE Delft verwacht dat voor de waterstofplannen in 2050 zo’n 400 à 450 terrawattuur aan groene stroom nodig zal zijn. Dat is vier keer zoveel als het totale elektriciteitsverbruik in Nederland op dit moment. Dan kom je op 100 gigawatt aan windenergie die je nodig hebt. Groene waterstof is nu nog drie keer zo duur als grijze waterstof.</p>
<p>De duizelingwekkende hoeveelheden wind- en zonnestroom die nodig zijn, gaan vele tientallen miljarden kosten. Aan de aanleg van 100 gigawatt aan windturbines in de Noordzee alleen al hangt een kostenplaatje van €100 miljard. De aansluiting op het elektriciteitsnet zou nog eens vele miljarden kosten, net als de bouw van de elektrolysers. De kans dat waterstof vanaf de Noordzee het goedkoopst zal zijn, is niet zo groot. Als de industrie overgaat op groene waterstof gaan velen er daarom van uit dat de waterstof uiteindelijk geïmporteerd moet worden. Maar ook import is niet goedkoop. Waterstofproductie op zee in Nederland kost nu best veel geld, omdat de stroom nog relatief duur is in vergelijking met stroom uit zonne-energie uit het Midden-Oosten of Afrika. Maar tegelijkertijd zijn de transportkosten van waterstof ook best hoog. Als het gas in Rotterdam aankomt, is het ongeveer even duur als produceren op de Noordzee. nergens in Europa zijn op dit moment bedrijven die op grote schaal elektrolysers bouwen.</p>
<p>Om de kosten en de kansen te spreiden, en de ontwikkeltijd naar massaproductie van groene waterstof te verkorten, is een krachtige Europese innovatie- en uitrolstrategie rond waterstofproductie nodig. Daarin kan Nederland best één van de actieve spelers zijn. De Europese Commissie lijkt vast van plan een dergelijke strategie te ontwikkelen gezien het <em>Fit for 55</em> pakket. Het zou voor de EU al van een forse ambitie getuigen om in het komende decennium een programma op te starten om verspreid over Europa met primair Europese technologie 10-20 elektrolyse­­systemen te bouwen van enkele tientallen MW, snel gevolgd door een ronde met grotere systemen, ordegrootte 100 MW. De Commissie lijkt echter een nog veel hogere ambitie te hebben, waardoor de capaciteit in Nederland van 3 tot 4 GW misschien toch mogelijk wordt.</p>
<p>Afgezien van de elektrolysecapaciteit is bij zuiver groene waterstof de permanente beschikbaarheid van duurzame stroom een groot probleem. Het zal niet moeilijk zijn om in 2030 af en toe bij veel zonneschijn of harde wind enige uren een duurzaam vermogen van 3 tot 4 GW beschikbaar te stellen. Het probleem is echter dat de investeringskosten van elektrolysers zeer hoog zijn en dat ze daarom liefst continue moeten draaien. Als de benodigde elektriciteit op andere uren met aardgas wordt opgewekt, verkleurt het groen van de waterstof al snel naar grijs.</p>
<p>Het Expertteam Klimaat adviseert het beleid en de uitvoering te baseren op een visie over de eindbeelden van de samenhangende onderdelen van het energiesysteem, met als aandelen van 70% directe elektriciteit, minimaal 10-15% waterstof en 10-15% warmte en biomassa en deze visie regelmatig her te beoordelen en bij te sturen waar ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. Dit vereist stimulering van elektrificatie, waarbij waterstof als een noodzakelijke energiedrager beschouwd kan worden die alleen ingezet wordt waar direct gebruik van elektriciteit onmogelijk is. De uitbreiding van elektriciteitsnetten moet daarbij benaderd worden vanuit de gewenste situatie in 2040-2045: een nul-emissiesysteem. Netbeheerders moeten daarbij de ruimte te krijgen om planmatig te werken vanuit de verwachte vraag in de visie. Daarmee kan infrastructuurontwikkeling tijdens de energietransitie worden versneld en wordt het risico op vertragende netcongestie beperkt. Dit kan plaatselijk tot overdimensionering leiden. Als de infrastructuur tekort schiet, zijn de kosten echter veel hoger dan de kosten van de plaatselijke overdimensionering. De noodzaak van een omslag van een vraag- naar een aanbodgestuurd elektriciteitssysteem moet erkend worden en daarop moet het beleid gericht worden. De flexibele elektriciteitsvraag moet daarbij gestimuleerd worden.</p>
<p><u> </u></p>
<p><u> </u></p>
<p><u>Duurzame landbouw &amp; visserij en beter dierenwelzijn</u></p>
<p>Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het is absurd dat in een dichtbevolkt land dat drijft op diensten bijna 60 procent van het grondgebied in beslag wordt genomen door een uitermate vervuilende activiteit: de intensieve landbouw. Deze heeft grote nadelige maatschappelijke en milieueffecten. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid.  Dat moet minder, duurzamer, natuurlijker.</p>
<p>Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector, daarvoor lenen de productieomstandigheden in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. De gangbare, industriële landbouw kan de wereld op den duur niet voeden. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Burgers maken zich zorgen over klimaatverandering, maken zich zorgen over gezondheidsrisico’s en ergeren zich aan de landschapsvervuiling en schendingen van dierenwelzijn, natuurbeschermers zien dat er zich een <em>&#8216;ecologische ramp&#8217;</em> voltrekt in het agrarische gebied. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren.</p>
<p>Het stikstofprobleem dat heel Nederland nu zo bezighoudt, komt niet zomaar uit de lucht vallen. Het is het gevolg van politieke keuzes die door opeenvolgende kabinetten consequent jaar in jaar uit gemaakt zijn. De belangrijkste keuze was, om het agrarische bedrijfsleven zo veel mogelijk de vrije hand te geven, om zo goed mogelijk in te spelen op het spel van vraag en aanbod.</p>
<p>In de landbouwsector werd het idee van de vrije markt omarmd. Er moest toch vooral met een concurrerende kostprijs voor de wereldmarkt worden geproduceerd. Randvoorwaarden, gesteld door de Europese Unie, zoals melkcontingentering, mestwetgeving en fosfaatnormen werden in de Nederlandse politiek en door de boerenvoormannen eerder als lastig, dan als constructief ervaren. Ondertussen kon deze doelstelling alleen maar in stand worden gehouden, door de boeren enorme subsidies te geven, betaald door Europa, dus uiteindelijk betaald door de Europese en dus de Nederlands burgers.</p>
<p>In de vrijemarkteconomie heerst het recht van de sterkste. Het gevolg is, dat grote bedrijven steeds groter worden en de kleine bedrijven verdwijnen. Zo ook in de landbouw. In 1985 waren er nog 96.000 melkveehouders in Nederland. In 2022 waren dat er afgerond 15.000. In een kleine veertig jaar is dus 85 procent van de melkveehouders verdwenen. De 15 procent overgebleven bedrijven zijn stuk voor stuk grote bedrijven, die met een klein aantal mensen eenzelfde productie realiseren, als alle bedrijven samen veertig jaar geleden, toen de melkcontingentering werd ingevoerd.</p>
<p>In Duitsland hebben ze daar een woord voor : <em>das Bauernsterben</em>. Het verschijnsel dat boeren in een hoog tempo al dan niet gedwongen moeten stoppen met hun bedrijf is dus niet iets dat nu in één keer ontstaat, om de stikstofproblemen op te lossen. Nee, het is een proces dat al jarenlang gaande is als gevolg van het tot op heden gangbare beleid. Bij onveranderd beleid, zal het Bauernsterben onverminderd doorgaan.</p>
<p>De groei van de 15 procent succesvolle bedrijven is mogelijk gemaakt door overname van kleine, minder succesvolle bedrijven, de bouw van grote stallen en van dure melkinstallaties. In deze reeks van groei, gestuurd door de wetten van de vrije economie hebben een aantal partijen veel geld verdiend. Dat zijn de banken en hun aandeelhouders, die het kapitaal aan de boeren hebben verschaft, zodat zij konden investeren in groei. Verder de voerleveranciers en hun aandeelhouders, die het krachtvoer hebben verkocht, om hoge producties mogelijk te maken. En ook de leveranciers van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, waardoor het gras nog sneller ging groeien. Dan zijn er de mechanisatiebedrijven, die door de verkoop van steeds grotere trekkers het bewerken van steeds grotere oppervlakten land mogelijk maakten.</p>
<p>En de leveranciers van melkinstallaties en melkrobots, die het mogelijk maakten met steeds minder mensen, steeds meer koeien te melken. Vergeet ook niet de gespecialiseerde bouwbedrijven, die door de bouw van steeds grotere en modernere stallen het houden van meer koeien op één bedrijf mogelijk maakten. En de zuivelindustrie, die de geproduceerde melk van toegevoegde waarde voorziet en over de hele wereld distribueert. En ten slotte de dierenartspraktijken, die middels bedrijfsbegeleidingsabonnementen en vaccinatieschema’s, alsook de verkoop van medicijnen en bestrijdingsmiddelen het houden van veel dieren op een kleine oppervlakte mogelijk maakten.</p>
<p>In deze rij noemen we niet de boer. Is dat verrassend? Hij zal in veel gevallen zijn bedrijfsvermogen hebben zien toenemen. Maar zijn beschikbaar inkomen en de hoeveelheid vrije tijd zeker niet. Daar komt bij dat door de enorme schaalvergroting en de waardestijging van zijn bedrijf de bedrijfsovername door de volgende generatie ernstig wordt bemoeilijkt.</p>
<p>In veel gevallen is daardoor de overnemende partij de bank, of een belegger in onroerend goed, waarvan een van de kinderen de landerijen vervolgens pacht.</p>
<p>Op zichzelf is dit verschijnsel, dat het gevolg is van vrije markt en de daarop volgende schaalvergroting niet bijzonder en heeft zich de afgelopen decennia ook in allerlei andere bedrijfstakken voltrokken. Het bijzondere in het verhaal over de boeren is, dat de Nederlandse samenleving op onevenredige wijze de prijs betaalt voor de moderne productiemethoden en de schaalvergroting van de boeren.</p>
<p>Die prijs bestaat uit de afname van de levenskwaliteit van de burgers, die wordt veroorzaakt door de verschraling van het platteland. De afname van de biodiversiteit, waardoor de belevingswaarde is verminderd. De afname van de leefbaarheid van de dorpen, door het stoppen en/of vertrekken van boerenbedrijven en daarmee de boerenfamilies. De afname van de waterkwaliteit door vermesting van de sloten en uiteindelijk het drinkwater. De afname van de kwaliteit van de ademlucht door ammoniak en fijnstof. En niet in de laatste plaats door de afname van de biodiversiteit in de laatste stukjes natuur die ons nog resten.</p>
<p>Het is opmerkelijk dat dit laatste, de afname van de soortenrijkdom in de natuurgebieden, uiteindelijk het argument is, om het roer om te gooien, terwijl de andere eerder genoemde zaken, waarbij het gaat om de gezondheid en de levenskwaliteit van de mensen, de burgers, in het verleden nooit de aanleiding zijn geweest tot ingrijpen over te gaan. Daarnaast is het evenzo opmerkelijk, dat juist Europese regelgeving onze overheid moet dwingen maatregelen ter bescherming van mens en natuur te treffen. Het heeft er alle schijn van dat onze eigen politici en bestuurders de afgelopen jaren niet waren opgewassen tegen de krachten van de grote spelers in het veld, de <em>agrobusiness</em>, zodat de hiervoor geschilderde ontwikkelingen veel te lang door konden gaan, ten koste van grote maatschappelijke offers: de leefbaarheid van ons mooie land en de gezondheid van de eigen bevolking.</p>
<p>De vraag die dus nu heel terecht gesteld mag worden is deze: Voor wie en waarvoor demonstreren de boeren nu eigenlijk? Is het om de stikstofmaatregelen van tafel te gooien en om op bestaande voet door te gaan? Of demonstreren de boeren voor een betere toekomst voor zichzelf, waarbij ook de komende generaties boeren een kans hebben op een zelfstandig en gezond boerenbedrijf in een gezonde omgeving voor boer en burger?</p>
<p>Maar in het laatste geval moet het roer dus echt om en ontkomen we niet aan ingrijpende maatregelen. Een van de maatregelen, zal noodgedwongen de reductie van schadelijke stikstofverbindingen door de agrarische sector moeten behelzen. Hoe dit in detail zal moeten? Het zal in ieder geval op een zorgvuldige manier, met respect voor boer en burger moeten worden gerealiseerd.</p>
<p><u>Dierenwelzijn</u></p>
<p>De intensieve veehouderij kent steeds meer structurele misstanden: megastallen, langeafstandstransporten (tegenwoordig ook om strenge regelgeving te ontlopen), stalbranden, dierziekten, mestoverschotten en risico’s voor de volksgezondheid en voor de klimaatverandering.</p>
<p>Doordat het dier wordt aangepast aan de houderij in plaats van andersom, wordt ook het dierenwelzijn ernstig aangetast. Dieren worden te krap gehouden, met te weinig uitdaging of afleiding, kalf en koe worden bij de geboorte gescheiden, kalveren en lammetjes onthoornd, zeugen in kraamkooien gestald, staarten bij biggen geamputeerd en snavels bij kippen gekapt. Varkens worden in het slachthuis met heftig prikkend koolstofdioxidegas bedwelmd, met een afschuwelijke en verstikkende doodsstrijd tot gevolg. Kippen bereiken het slachthuis vaak met blaren op borst en poten doordat ze zo snel mogelijk en dus hardhandig in kratten worden gepropt. Hanen, bokken en stieren worden massaal jong gedood omdat ze niet gewild zijn bij de productie. Bij de meeste biggen worden staarten gecoupeerd, zonder pijnstilling.</p>
<p>De fractievoorzitter van de Partij van de Dieren, Esther Ouwehand,  verwoordde het indringend bij het debat in de Tweede Kamer over de instelling van een ‘<em>landbouwtransitiefonds’</em> (in de media ‘<em>stikstoffonds’</em> genoemd) van 25 miljard (!) euro: <em>“Een van de elementen die steeds terugkomen in deze discussie, is dat het zo lastig zou zijn om draagvlak te vinden en dat er zo veel protest zou zijn van de burgers, de bevolking en de boeren. Ja, dat heeft het kabinet ook zelf laten voortbestaan. Het gaat erom dat we in Nederland 500 tot 600 miljoen dieren per jaar fokken, exploiteren en door het slachthuis jagen. Wat had je dan gedacht? Dat de mest die al die dieren produceren geen schade zou aanrichten aan onze natuur, aan ons grondwater, aan het klimaat? Vertel gewoon waar het begint. Het begint ermee dat we hier toestaan, accepteren en gedogen dat we weerloze dieren ieder jaar zwanger laten worden, een kalf laten dragen en dat vervolgens laten baren, om dat kalf vervolgens bij haar weg te halen. Dat is om te beginnen al een moreel probleem. Die kalfjes belanden in de kalvermesterijen. Veel van die dieren zijn zo ziek dat ze de eindstreep niet eens halen. Vertel wat er met de dieren gebeurt en wat er ten grondslag ligt aan de grote problemen voor het klimaat en voor omwonenden, zoals stankoverlast. Dit zijn morele problemen die we niet durven te adresseren. Kijk naar de varkens en vertel over de varkens. De helft van de dieren in de Nederlandse veehouderij heeft longontsteking of, nog veel pijnlijker, borstvliesontsteking. Vertel mensen dat dit een moreel probleem is en dan hebben we draagvlak voor het fors inkrimpen van de veestapel. Vertel dat 90% van de varkens in de Nederlandse veehouderij die worden vetgemest, leeft in volautomatische systemen. Dat betekent dat er geen mens aan te pas komt. De lucht wordt gefilterd, het voer gaat automatisch en volgens de wet moet er één keer per dag iemand langskomen om te kijken of die systemen nog werken. Als alleen al het luchtsysteem uitvalt, dan stikken alle dieren. We vinden dat niet acceptabel. We weten dat de meerderheid van Nederland dat niet acceptabel vindt. Kijk naar de kippen. Iedere ochtend moet de kippenboer door zijn stal lopen om de dode dieren op te rapen. Die dieren waren dus ziek, hebben zichzelf om allerlei redenen niet in leven kunnen houden en daar is geen verzorging aan te pas gekomen; die mochten daar gewoon creperen. 30 miljoen dieren per jaar komen niet eens levend de stal uit. Dit ligt ten grondslag aan het stikstofprobleem: de manier waarop wij met dieren denken om te kunnen gaan in dit land. Vertel dat gewoon. Vertel gewoon dat al die problemen waar we voor staan één gemeenschappelijke deler hebben, namelijk dat we zo veel dieren in stallen proppen in Nederland. Dierenwelzijn, stankoverlast, vervuiling van ons grondwater, vervuiling van ons drinkwater, verlies van onze vruchtbare bodems, verlies van de biodiversiteit die we nodig hebben voor een gezonde landbouw in de toekomst, gezondheidsschade voor omwonenden — je hebt gewoon direct een verhoogd risico op longontstekingen als je in de buurt woont van geitenhouderijen — en dan hebben we het nog niet eens gehad over de dreiging van zoönoses; Nederland zit op een tikkende tijdbom met deze veehouderij. Er ligt een rapport van de commissie-Bekedam. We zijn allemaal geschrokken van wat er kan gebeuren als een dierziekte overspringt op de mens, en dat was nog maar corona. Dat was nog maar een voorproefje van wat ons te wachten staat als we die risico&#8217;s niet fors inperken. Dat alles heeft één gemene deler: de dieren in de veehouderij. Het probleem is dus niet technocratisch, wat ik het CDA heel vaak heb horen zeggen. Het probleem is dat we niet durven in te grijpen, niet omdat de boeren zelf dit zo graag willen — dat is de tragiek van het verhaal — maar omdat de agro-industrie hier belang bij heeft. Ik hoorde mevrouw Van der Plas al spreken over de kritische massa boeren die we zouden kwijtraken. Dat is precies wat de agro-industrie zegt. Boeren zouden heel graag met een gezond verdienmodel door willen. De enige die belang hebben bij deze belachelijke aantallen dieren in Nederland zijn de slachthuizen, de veevoerbedrijven, de stallenbouwers en de Rabobank. Die hebben het over een kritische massa boeren die zou moeten blijven bestaan, de boeren zelf niet. Die gaan ten onder in dit systeem. (…) </em><em>We weten van vleeskuikens bijvoorbeeld dat ze ergens uit een ei komen en in een stal worden gestort. Zes, zeven of acht weken later worden ze eruit gehaald. Al die tijd leven ze op strooisel en hun eigen uitwerpselen. We weten dat ze zo zijn doorgefokt dat veel van die dieren op zeker moment niet eens meer goed kunnen staan en niet goed bij het water en het voer kunnen komen. Veel van die dieren creperen daar gewoon. Dat geldt ook voor legkippen.”</em></p>
<p><u>Klimaatrechtvaardigheid</u></p>
<p>Klimaatbeleid moet sociaal rechtvaardig zijn. Eigenlijk zou een hamburger fors duurder moeten zijn. Een vliegticket is veel te goedkoop. En kijk, pas nu de gasprijs tot alarmerende hoogte is geklommen maken we serieus werk van energiebesparing. Voor economen is het evident: de prijsprikkel is een krachtig instrument om het gedrag van consumenten bij te sturen. Willen we de duurzaamheidsdoelen behalen, dan zullen we onze schadelijke gewoonten moeten beprijzen terwijl we groene alternatieven subsidiëren. Vandaar dat zoveel economen voorstander zijn van een CO₂-belasting. Maar economen hoeven geen verkiezingen te winnen. Er is een reden waarom ieder voorstel voor een vleestaks sneuvelt in politiek Den Haag: vooral de populistische partijen die zeggen op te komen voor de minderbedeelden, de SP en PVV voorop, zijn faliekant tegen. En welke lijsttrekker durft een verkiezingscampagne in te gaan met de belofte dat een retourvlucht naar Barcelona straks twee keer zo duur is? Moeten biefstuk en vliegvakanties soms weer elitair worden? Kunnen de rijken gewoon doorgaan met hun vervuilende praktijken, terwijl de hardwerkende Nederlander gedwongen wordt om soberder te leven? Dat voelt oneerlijk. Voor menige politicus vormen de gele hesjes nog altijd een potent schrikbeeld. De moraal van dat Franse verhaal is dat er maatschappelijke onvrede ontstaat wanneer duurzaamheidsmaatregelen (in dit geval een verhoging van de benzineprijs) zonder overleg worden uitgestort op de bevolking. De Fransen op het platteland, die zijn aangewezen op de auto omdat er simpelweg geen fatsoenlijk openbaar vervoer beschikbaar is, werden de dupe van de groene agenda die was bedacht door de bestuurders in Parijs. De onderzoekers van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) noemen de <em>gilet jaunes</em> meermaals in het rapport <em>Rechtvaardigheid in het klimaatbeleid</em> dat in februari 2023 verscheen. Die protesten illustreren namelijk dat het voor het draagvlak funest is wanneer klimaatbeleid als onrechtvaardig wordt gezien. We willen allemaal dat de vervuiler betaalt, maar terwijl huishoudens de energierekening zien oplopen, boeken oliemaatschappijen recordwinsten. Ook dat voelt oneerlijk. Het duurzaamheidsdebat gaat een nieuwe fase in, signaleert de WRR. Het gesteggel over de ernst van de klimaatcrisis is voorbij. De gevolgen van de stijgende temperatuur zijn elk jaar voelbaar en afgezien van een paar verstokte pseudo-sceptici en klimaatontkenners (In de Kamer vertegenwoordigt door het extreemrechtse smaldeel) is iedereen het erover eens dat er iets moet gebeuren. Nu is de uitdaging om handen en voeten te geven aan de ambitie om binnen drie decennia klimaatneutraal te zijn.</p>
<p>Daar zijn natuurlijk kosten mee gemoeid. Niet alleen zijn investeringen nodig om de CO₂-uitstoot terug te dringen, het kost ook geld om de dijken te verstevigen en steden te vergroenen – om ons, kortom, aan te passen aan het leven op een warmere planeet. Daarbij komt nog de economische schade als gevolg van de stormen, hittegolven en droogtes die alleen maar extremer zullen worden. De kernboodschap van de adviesraad, <em>‘dat er in klimaatbeleid stelselmatige aandacht moet zijn voor rechtvaardigheid bij het verdelen van klimaatkosten’</em>, voelt een beetje als een open deur. Milieuactivisten en vakbondsleiders hameren er al jaren op dat het klimaatvraagstuk onlosmakelijk verbonden is met het verdelingsvraagstuk. In de Europese Green Deal zijn miljarden ingeruimd voor een <em>just transition fund,</em> bedoeld om worstelende lidstaten of regio’s een steuntje in de rug te geven. Bij klimaatmarsen scanderen demonstranten dat ze <em>climate justice</em> willen – en wel nu. En op internationale conferenties eisen arme landen die nu al geraakt worden door klimaatrampen genoegdoening van de rijke staten die hun rijkdom hebben te danken aan het verbranden van olie, kolen en gas.</p>
<p>Het verdelingsvraagstuk is altijd al de inzet van politieke strijd geweest. Het verschil bij klimaatbeleid is dat het niet zozeer gaat over de verdeling van welvaart als wel over de verdeling van de pijn. Willen we de planetaire grenzen respecteren, dan ontkomen we er niet aan te tornen aan sommige naoorlogse verworvenheden. Of zoals de Franse president Emmanuel Macron het na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne verwoordde: <em>‘Misschien komt het tijdperk van de overvloed en onbezorgdheid ten einde.’ </em>Eric Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat in het vorige kabinet, formuleerde zijn missie een stuk praktischer. Hij was op ‘<em>tonnenjacht’</em>. Het klimaatakkoord moest dan ook in kaart brengen waar zo veel mogelijk megatonnen CO₂ gereduceerd konden worden, het liefst tegen zo laag mogelijke kosten. Het resultaat was dat de elektriciteitssector de grootste reductieopgave kreeg, terwijl de landbouw werd ontzien, omdat het voor boeren ingewikkelder en duurder is om de vervuiling te bestrijden. Hier werd geredeneerd volgens het principe van het <em>‘grootste nut’</em>, aldus de WRR, waarbij <em>‘het behalen van maximaal effect’</em> de graadmeter is. Hoe meer de tijd begint te dringen, hoe groter de verleiding wordt om, onder het mom van <em>‘lange halen, gauw thuis’</em>, te grijpen naar generieke maatregelen. Het gevaar laat zich raden: door de nauwe focus op broeikasgassen raakt het verdelingsvraagstuk ondergesneeuwd. Dat is precies waar het nu vaak schuurt, constateert de WRR: de discussie over rechtvaardigheid komt pas achteraf op tafel.</p>
<p>Het gaat niet alleen om de boekhoudkundige rekensom, maar ook om de perceptie van burgers. Zoals het een wetenschappelijke adviesraad betaamt, is het rapport voorzichtig met het voorschrijven van beleid. In plaats daarvan onderscheiden de onderzoekers vier verschillende perspectieven op rechtvaardigheid. Naast het <em>‘grootste nut’ </em>is er bijvoorbeeld het principe van <em>‘gelijke monniken, gelijke kappen’</em>. Dat was de logica achter het proefballonnetje waarmee Barbara Baarsma afgelopen zomer (2022) ophef veroorzaakte. Wat nou, opperde de hoogleraar toegepaste economie, als we iedere burger een persoonlijk CO₂-budget geven? Iedereen krijgt evenveel uitstootrechten en wanneer iemand rechten over heeft kan die ze verkopen aan iemand die tekortkomt, waardoor CO₂-handel volgens Baarsma een nivellerend effect kan hebben. Waar zo’n soort benadering aan voorbij gaat, waarschuwt de WRR, is dat de monniken in werkelijkheid helemaal niet zo gelijk zijn. Het zal een miljonair waarschijnlijk weinig pijn doen om wat extra CO₂-rechten te kopen om zijn overdadige consumptie in stand te houden, terwijl een bijstandsouder zich genoodzaakt ziet om koolstofkredieten in de verkoop te doen om de maandlasten te kunnen betalen.</p>
<p>Eerlijker zou het zijn als er rekening wordt gehouden met draagkracht en solidariteit – het derde perspectief. Dat is bijvoorbeeld de gedachte achter het voorstel van GroenLinks en de PvdA om te experimenteren met gratis openbaar vervoer voor lagere inkomens. Door de gestegen prijzen van trein- en buskaartjes zouden meer mensen kampen met ‘<em>vervoersarmoede’</em>. De vierhonderd miljoen die het zou kosten om dat te bestrijden, willen de linkse partijen ophalen door rijke burgers en bedrijven extra te belasten. Het is een maatregel die zowel ongelijkheid tegengaat als de klimaatdoelen dichterbij moet brengen. Het gevaar van zulke ‘<em>solidaire’</em> maatregelen, aldus de WRR, is dat die op gespannen voet kunnen staan met het <em>‘grootste nut’</em>-principe. Anders gezegd: de eerlijke optie is vaak niet de meest efficiënte manier om de CO₂-uitstoot terug te dringen.</p>
<p>Ten slotte is er nog het klassieke principe van <em>‘de vervuiler betaalt’</em>, dat appelleert aan een basaal gevoel van rechtvaardigheid: wie troep maakt, moet dat zelf opruimen. Het vormt het idee achter allerlei vormen van milieuheffingen, of het nu gaat om een CO₂-belasting of een vliegtaks. De andere kant van de medaille is dat <em>‘de verduurzamer verdient’</em>. Zo worden de aanschaf van elektrische auto’s en zonnepanelen gestimuleerd met allerlei subsidies en belastingvoordelen. Op die manier krijgen we de homo economicus op het groene pad, is de gedachte. Ook hier ontwaart de WRR een valkuil: zelfs dit ogenschijnlijk eerlijke principe leidt niet automatisch tot rechtvaardige uitkomsten. Want terwijl de toch al welgestelde Tesla-rijder profiteert van subsidies op elektrische auto’s zien huishoudens in slecht geïsoleerde huurwoningen een extra CO₂-heffing direct terug op hun energierekening. Of neem de discussie rondom de salderingsregeling voor zonnepanelen. Die regeling heeft ervoor gezorgd dat Nederland kampioen zon-op-dak is geworden. Een neveneffect is alleen dat de stroomprijs voor mensen die zich geen zonnepanelen kunnen veroorloven extra hoog is geworden. Oftewel: indirect betalen de armen mee aan de zonnepanelen van de rijken.</p>
<p>Nog los van de hoofdpijn die sommige voorstellen ongetwijfeld veroorzaken bij de Belastingdienst is het de vraag of het verstandig is om voor iedere duurzaamheidsmaatregel een aparte compensatieregeling te bedenken. Misschien verraden de zorgen over ‘<em>energiearmoede’</em> en ‘<em>verkeersarmoede’</em> een dieperliggend probleem: dat de welvaart in Nederland sowieso schrijnend oneerlijk verdeeld is. Of zoals Tim ’S Jongers, de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, schreef in een column voor <em>De Correspondent</em>: <em>‘Als we niet willen dat er bij elke transitie een nieuwe armoede bij komt, dan is het zaak dat armoede als een breed probleem wordt gedefinieerd en aangepakt, en de samenleving financieel veerkrachtiger wordt, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen.’</em></p>
<p>Wat minstens zo belangrijk is om te blijven benadrukken is dat de mensen in sociale huurwoningen die regelmatig een gehaktbal eten en eens per jaar met het vliegtuig op vakantie gaan, niet de voornaamste veroorzakers zijn van de klimaatcrisis. Een heffing op vlees voelen zij weliswaar direct in hun portemonnee, omdat een relatief groot deel van hun budget op gaat aan boodschappen, maar het is het consumptiepatroon van de mensen die niet wakker liggen van stijgende inflatie dat een veel grotere aanslag vormt op het milieu. Iemand die behoort tot de rijkste één procent van de Nederlanders stoot gemiddeld 39 keer zo veel uit als iemand die behoort de laagste inkomensgroep, zo becijferde onderzoeksbureau Ecorys eind 2022. Zo bezien is het klimaat misschien nog wel het meest gebaat bij een stevige miljonairstaks.</p>
<p><u>Energiebelastingen</u></p>
<p>De Nederlandse gas- en stroombelasting zijn nu regressief opgezet om uitsluitend huishoudens, gebouwen en kleine bedrijven te belasten en grote bedrijven te ontzien. Terwijl de industrie verantwoordelijk is voor bijna de helft van de CO₂-uitstoot van Nederland, betaalt deze minder dan 10 procent van de energiebelasting. Het zijn voornamelijk burgers die de portemonnee moeten trekken. Zij hoesten meer dan de helft van die energiebelasting op, ook al zijn zij door gasverbruik, elektriciteitsverbruik en benzine voor de auto slechts voor een kwart van de uitstoot verantwoordelijk. Uit een onderzoek uit 2017 van de TU Delft en de Universiteit van Amsterdam kwam zelfs een ontluisterend feit naar voren: mensen met een lager inkomen betaalden meer aan klimaatbeleid dan de rijkste tien procent. De gasbelasting was in 2022 0,45 euro/m³ voor huishoudens en 0,04 – 0,06 euro/m³ voor ETS bedrijven. Omgerekend naar CO₂ prijs is deze 0,45 euro/m³, gelijk aan 225 euro per ton CO₂, de ETS-prijs voor CO₂ schommelt tussen de 60 en 70 euro/tn, dus een factor 4 verschil. Een jaar geleden was de ETS prijs nog onder de 20 euro/tn zelfs en de ETS heffing wordt alleen betaald boven het plafond, dat langzaam naar beneden komt en pas in 2050 iedere ton CO₂ zal belasten. Onder dit plafond wordt geen CO₂ heffing betaald, dus de gemiddelde prijs voor grote bedrijven is momenteel nog steeds 10-20 euro/tn CO₂.</p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="198">
<p>Gas</p>
</td>
<td width="123">
<p>Verbruik</p>
<p>[m3/jaar]</p>
</td>
<td width="151">
<p>Belasting (incl. ODE)</p>
<p>[€/m3]</p>
</td>
<td width="113">
<p>CO₂ prijs</p>
<p>[€/tn]</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Huishoudens</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 170.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,45</p>
</td>
<td width="113">
<p>225</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>MKB</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 1000.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,15 &#8211; 0,45</p>
</td>
<td width="113">
<p>75 &#8211; 225</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Tuinders (verlaagd tarief)</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 1000.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,10</p>
</td>
<td width="113">
<p>50</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Industrie (&gt;10 MW thermisch)</p>
</td>
<td width="123">
<p>&gt; 10.000.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,037 &#8211; 0,06</p>
</td>
<td width="113">
<p>&#8211; 30</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Huishoudens betalen dus voor hun warmte momenteel ruim 10x zo veel belasting per kg uitstoot als industrie en MKB een factor 5 tot 10! Samen betalen huishoudens en MKB ongeveer 90% van het totaal aan energiebelasting en industrie minder dan 10%. En dat terwijl de industrie verantwoordelijk is voor 50% van de Nederlandse CO₂ uitstoot. Warmte is een primaire levensbehoefte en met een hoge gasprijs (&gt; 2 euro/m³) en een hoge gasbelasting is het wachten op de eerste bejaarde die gestorven is doordat hij/zij de gasrekening niet meer kon betalen (in andere landen is dit al gebeurd).</p>
<p>Voor de elektriciteitsbelasting geldt hetzelfde verhaal. Huishoudens en MKB betalen gemiddeld 5-10x zo veel als de industrie. De grootverbruikers betalen nagenoeg niks aan elektriciteitsbelasting op dit moment. De jaarlijkse opbrengst aan energiebelasting is rond 6,5 miljard per jaar, afhankelijk van het verbruik.</p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td width="198">
<p>Elektriciteit</p>
</td>
<td width="123">
<p>Verbruik</p>
<p>[MWh/jaar]</p>
</td>
<td width="151">
<p>Belasting (incl. ODE)</p>
<p>[€/kWh]</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Huishoudens</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 50</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,08</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>MKB</p>
</td>
<td width="123">
<p>&lt; 10.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,035 – 0,08</p>
</td>
</tr>
<tr>
<td width="198">
<p>Industrie (&gt;1 MW elektrisch)</p>
</td>
<td width="123">
<p>&gt; 10.000</p>
</td>
<td width="151">
<p>0,0011 – 0,035</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Vanaf 2023 geldt:</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1554" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-29-300x158.png" alt="" width="300" height="158" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-29-300x158.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-29.png 680w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>De gasbelasting is bedacht om de prijs van aardgas (voor de oorlog ongeveer 0,30 euro/m³) kunstmatig hoog te maken, zodat mensen hun huizen zouden gaan isoleren door middel van een terugverdienmodel. Met een kale prijs van boven de 2 euro/m³ is er dus eigenlijk geen noodzaak meer voor gasbelasting bij huishoudens. Het creëert alleen maar energiearmoede voor huurders, die geen mogelijkheden hebben om hun woning te isoleren. Huurders betalen gemiddeld 800-1200 euro per jaar aan energiebelasting (gas en elektriciteit) en krijgen er niks voor terug behalve een eenmalige box van 70 euro. Mensen in een koopwoning kunnen nog goedkope leningen en subsidie krijgen, maar huurders staan machteloos. Zij wonen ook nog eens veel vaker in slecht geïsoleerde woningen, en de huurprijs stijgt door het woningwaarderingsstelsel (‘puntenstelsel’) vaak ook nog eens met meer dan de energiekostenbesparing als de verhuurder wel isoleert. Die subsidies en goedkope leningen aan woningbezitters worden bovendien ook nog eens voor een groot deel opgebracht door huurders, middels de Opslag Duurzame Energie (ODE) in de elektriciteitsbelasting. Het merendeel van die opbrengst gaat via subsidies (Stimulering Duurzame Energie, SDE) naar bedrijven die nu nog veel vervuilen in termen van uitstoot van broeikasgassen.</p>
<p><u>Fossiele subsidies</u></p>
<p>Een bedrag van €17,3 miljard aan fossiele subsidies in 2019. Het door Alman Metten in 2021 berekende getal leek onwaarschijnlijk groot en deed veel stof opwaaien. Met nieuwe gegevens blijkt het zelfs een forse onderschatting te zijn geweest.<a href="#_ftn55" name="_ftnref55">[55]</a> De gemiste belastingen op fossiele brandstoffen blijken in sommige jaren op te lopen tot €30 miljard, meer dan 14% van de belastingen die wél geïnd zijn. Doordat de korting toeneemt met het verbruik, missen juist de grootste energieverbruikers een sterke prikkel om zuiniger met energie om te gaan.</p>
<p>In een rapport voor de Tweede Kamer<a href="#_ftn56" name="_ftnref56">[56]</a> heeft de regering zelf aangegeven dat voor 2019 de belastingkorting op fossiele brandstoffen minstens €4,3 miljard per jaar zou bedragen. Eerder onderzoek van Alman Metten uit 2021<a href="#_ftn57" name="_ftnref57">[57]</a> toonde aan dat de lacunes in de regeringsopgave met behulp van openbare gegevens gedicht konden worden. Dit onderzoek kwam voor 2019 uit op een bedrag aan gemiste overheidsinkomsten door belastingsubsidies van €17,3 miljard. Omdat de regeringsopgave geen rekening houdt met de BTW die op de gemiste energiebelasting betaald had moeten worden, zijn deze bedragen overigens niet helemaal vergelijkbaar. Inclusief BTW komt de regeringsopgave hoger uit. De bedrijven die goed zijn voor 40% van het totale elektriciteitsverbruik, betalen minder dan 1% van de totale belasting op elektra. Dat is één van de echte problemen. Met de CBS-gegevens die nu beschikbaar zijn, kan een nauwkeuriger berekening van de belastingsubsidies op fossiele brandstoffen worden gemaakt voor 2019, met een even nauwkeurige berekening voor 2020, en vrij nauwkeurige schattingen voor de belastingsubsidies voor 2021 en 2022.</p>
<p>Op het eerdere onderzoek naar de omvang van de fossiele belastingsubsidies kwam een fundamentele vraag en vier punten van kritiek. De fundamentele vraag was: zijn belastingsubsidies wel echte subsidies? Niet iedereen kan zich een voorstelling maken van belastingsubsidies. <em>Gewone</em> subsidies staan in de rijksbegroting, en die ziet elke ontvanger terug op zijn rekening. Belastingsubsidies zijn tamelijk onzichtbaar, het zijn geen bedragen die je ontvangt, maar die je niet hoeft te betalen. Dat kan de indruk wekken dat ze voor de overheid gratis zijn. Niets is minder waar: <em>Het effect is hetzelfde. </em>Er zijn echter twee belangrijke bezwaren tegen subsidiëren op deze manier. Doordat ze zo weinig zichtbaar zijn, zijn ze een makkelijker lobbyobject voor ondernemingen. Het leidt bijna nooit tot publiciteit en voor kritische parlementariërs is er nauwelijks eer aan te behalen. Juist door dit weinig transparante karakter is de omvang van deze vorm van subsidies vele malen groter dan van de meer openlijke subsidies in de Miljoenennota. Bovendien moet de belasting die door belastingsubsidies niet geheven wordt alsnog door andere belastingplichtigen worden opgebracht.</p>
<p>Dan het eerste kritiekpunt. De <em>benchmark</em>, het referentietarief dat hieronder het <em>normale tarief </em>genoemd<em> </em>zal worden, en waartegen alle kortingen berekend worden, zou willekeurig zijn. Het gaat hier dan specifiek over degressieve tarieven en het dieselvoordeel in de accijns. Voor energieproducten waarvoor maar één tarief geldt, zoals voor kolen, speelt dit probleem niet. Daar is een product wel of niet belast. In het advies dat de regering aan de OESO/IAE heeft gevraagd over hoe zij belastingsubsidies nu moest berekenen, zeggen dezen echter dat “<em>a potential benchmark that would allow the Netherlands to track the impacts would be measuring all tax rates against the full rate that is levied on households</em>”. Het zorgvuldig opvolgen van dat advies bij de degressieve tarieven en vrijstellingen heeft in het onderzoek van 2021 tot het bedrag van €17,3 miljard geleid. Een doorslaggevend argument om bij degressieve tarieven het hoogste tarief van schijf 1 als normaal tarief te nemen, is niet alleen dat alle huishoudens dat tarief betalen, maar ook 57,2% van de bedrijven bij elektriciteit, en zelfs een ongelooflijke 99,2% van de bedrijven bij aardgas. <em>In die context een ander tarief als normaal proberen te bestempelen is niet geloofwaardig.</em> Ook de regering heeft natuurlijk een bepaald tarief gebruikt om tot de door haar vastgestelde belastingsubsidies te komen. Helaas is zij echter niet transparant over welk dat dan is.</p>
<p>Een tweede kritiekpunt was dat niet alle elektriciteit fossiel wordt opgewekt, en daarom zijn niet alle belastingsubsidies fossiele subsidies. Metten vindt dat terechte kritiek en corrigeert dit in zijn nieuwe publicatie.</p>
<p>Een derde kritiekpunt betrof dat gootverbruikers in Europees verband CO2-belasting (ETS) betalen. Daarmee zouden hun subsidies moeten worden verminderd. Ook dit erkent Metten. Daarom zijn de Europese CO2-belasting en ook de nationale CO2-heffing in de nieuwe berekening mee genomen.</p>
<p>Het vierde en laatste kritiekpunt betrof dat het eerste onderzoek maar partieel zou zijn, omdat de hoge opbrengsten van belastingen op fossiele energie veronachtzaamd worden. Dit onderzoek gaat inderdaad om <em>wat er niet aan belastingen binnenkomt</em>, en niet om wat er wel binnenkomt. Het gaat er ook om dat een kleine minderheid van bedrijven extreem bevoordeeld wordt, en dat de grootste afnemers en vervuilers de geringste lasten voor dat verbruik en die vervuiling dragen. Zoals de OESO/IEA ook opmerkt, de(ze) degressieve structuur resulteert in een <em>subsidiëring door huishoudens</em> (en door bedrijven die kleinverbruikers zijn, voegt Metten daaraan toe) <em>van industriële afnemers</em>. Daardoor betalen huishoudens en ondernemingen in schijf 1 bijvoorbeeld 83% van de energiebelasting op aardgas, terwijl ze er slechts 13% van afnemen (in 2020). Bij elektriciteit is de belastingbevoordeling nog duidelijker. De bedrijven in schijf 4 die meer dan 10 miljoen KWh per jaar afnemen, zijn goed voor 40% van het totale verbruik, maar betalen minder dan 1% van de totale belasting op elektra. Dat is één van de echte problemen.</p>
<p>Voor 2019 en 2020 is nu een nauwkeuriger berekening mogelijk, omdat CBS op verzoek van de ministers van Financiën en EZK de verbruiksgegevens voor gas en elektra per belastingschijf heeft verzameld en gepubliceerd, met voor aardgas ook de vrijstellingen (voor elektra zijn de vrijstellingen uiteindelijk met behoorlijke zekerheid zelf berekend). De tabellen zijn zeer inzichtelijk, en het is de moeite waard deze te bekijken. Inmiddels heeft ook de regering voor de hier besproken jaren haar inschatting van de verleende belastingsubsidies gepubliceerd, o.a. in de Miljoenennota 2022-2023. De bevindingen van dit onderzoek zullen daarmee worden vergeleken, evenals de mogelijke oorzaken van de verschillen.</p>
<table>
<tbody>
<tr>
<td>
<p><strong>Box 1: Een toelichting op de meest gebruikte begrippen.</strong></p>
</td>
</tr>
<tr>
<td>
<p><em>Vrijstelling</em> betekent dat er helemaal geen belasting wordt geheven. Dit geldt voor de lucht- en scheepvaart, voor raffinaderijverbruik, voor energie-intensieve processen en voor de productie en een deel van de consumptie van elektriciteit.</p>
<p><em>Tariefkortingen</em> bestaan voor het verbruik van aardgas, elektriciteit en diesel. Zowel aardgas als elektriciteit kennen een getrapte tariefstructuur van de energiebelasting. Het verbruik tot 170.000 m3 respectievelijk tot 10.000 kWh (kilowattuur) wordt belast in schijf 1, de volgende 830.000 m3 respectievelijk 40.000 kWh in schijf 2, de daaropvolgende 9 miljoen m3 respectievelijk 9.950.000 kWh in schijf 3, en het verbruik dat dan nog rest in schijf 4. De tarieven nemen per belastingschijf sterk af, zodanig dat in 2019 voor 1 m3 aardgas 22x zoveel betaald werd als in schijf 4, en voor 1 kWh in schijf 1 zelfs 131x zoveel als in schijf 4. In 2022 zijn deze verschillen teruggelopen, maar de energiebelasting is in schijf 1 nog steeds bij aardgas 12x hoger dan in schijf 4 en bij elektriciteit 61x hoger. In 2023 blijft de verhouding bij aardgas hetzelfde, maar neemt hij bij elektra weer toe, tot 110x.</p>
<p><em>Aansluitingskorting </em>is de belastingkorting met een vast bedrag waar de totale belastingrekening op elektriciteit wordt verminderd van elke afnemer met een ‘verblijfsfunctie’. In de praktijk zijn dat alle huishoudens en bedrijven.</p>
<p><em>Bedrijven</em> wordt in de tabellen van CBS (en in navolging daarvan hier) in brede zin gebruikt, inclusief sectoren als zorg en onderwijs. In de praktijk behoren alleen universiteiten en academische ziekenhuizen tot de grotere energieafnemers.</p>
</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<p> </p>
<p>Deel A, presenteert hieronder eerst de belastingsubsidies waarover geen verschil van mening is tussen het laatste onderzoek van Metten en de recentste opgaves van de regering. Daarna laat deel B de subsidies in de energiebelasting zien waarvan alleen de omvang omstreden is, en in deel C volgt de totale gemiste energiebelasting, nog zonder de gemiste BTW. Voor de vergelijkbaarheid van de cijfers tussen dit onderzoek en de regeringscijfers wordt de BTW apart gepresenteerd, aangezien alle regeringscijfers exclusief BTW zijn. Deel D laat de gemiste BTW op de gemiste energiebelasting zien, en deel E het totaal aan gemiste belastingen op fossiele brandstoffen, ofwel de totale fossiele subsidies. Tenslotte geeft deel F de verschillen en de oorzaken daarvan tussen de regeringsopgaves en de resultaten van Metten zijn laatste onderzoek, en volgen in deel G de conclusies.</p>
<p><em>Deel A. Fossiele subsidies: niet-omstreden deel.</em> Tabel 1 laat de niet-omstreden fossiele subsidies zien, waarbij ook de SDE++ subsidies en de Europese en nationale CO2-heffingen betrokken zijn. De Europese heffing leidt tot een vermindering, de nationale tot een toename in 2021, omdat er toen meer uitstootrechten zijn uitgedeeld dan gebruikt. Alle cijfers zijn nog zonder BTW.</p>
<p><em>Tabel 1. Niet-omstreden fossiele (belasting)subsidies (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1558" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-30-300x156.png" alt="" width="300" height="156" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-30-300x156.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-30.png 642w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><sup>*</sup>Schatting op basis van de ontwikkeling van het aantal vliegbewegingen ten opzichte van 2020.<br /><sup>**</sup>Slechts met de afgegeven beschikkingen tot en met SDE<sup>++</sup>2020. Het werkelijke bedrag in met name 2022 zal dus veel (waarschijnlijk meer dan €500 mln) hoger zijn.<br /><sup>***</sup>Dit is de waarde van het overschot aan uitstootrechten dat in 2021 aan bedrijven is uitgedeeld. Verwacht wordt dat de waarde van de gratis uitgedeelde rechten in 2022 de ontvangen heffingen wederom zullen overtreffen.</p>
<p><em>Deel B. De omvang van de gemiste overheidsinkomsten op aardgas en elektriciteit.</em> Als er geen vrijstellingen en degressieve tarieven zouden bestaan, zou al het verbruik van gas en elektra belast worden tegen het tarief van Schijf 1. Het verschil tussen de opbrengst als alle verbruik in schijf 1 valt, en de werkelijke belastingopbrengst, is de belastingsubsidie. Tabel 2 laat de omvang van de belastingsubsidie zien voor gas en elektra, en hoe die berekend is.</p>
<p><em>Tabel 2. Gemiste energiebelasting (EB) op aardgas en fossiel opgewekte elektriciteit.</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1561" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-31-300x127.png" alt="" width="300" height="127" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-31-300x127.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-31-768x326.png 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-31.png 911w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>*gecorrigeerd voor<strong> </strong>transmissieverliezen </p>
<p>**gecorrigeerd voor aansluitingskorting. </p>
<p>***aandeel fossiel in totaal. Bron: CBS, Belastingdienst, eigen berekening</p>
<p> </p>
<p>De gemiste energiebelasting op aardgas en fossiel opgewekte elektriciteit ligt dus van 2019 tot 2021 ruim boven de €20 miljard, en zakt alleen in 2022 naar €12 miljard. Dit laatste heeft echter te maken met de wijze waarop dit onderzoek de aansluitkorting op elektriciteit behandelt. Anders dan de Miljoenennota, die de aansluitkorting als zelfstandige belastingsubsidie opvoert, heeft deze studie, in lijn met de voorafgaande, de belastingtarieven met de aansluitingskorting verminderd. Dat gebeurde door het hoogste tarief in een schijf te vermenigvuldigen met het maximumverbruik in die schijf, daar de aansluitkorting van af te trekken, en zo vervolgens het tarief per kWh te bepalen. Deze methode verlaagt vooral het tarief van schijf 1 en 2, en heeft als consequentie dat de berekende subsidie afneemt. In deze methode vermindert de aansluitkorting dus het totaal van de belastingsubsidies, terwijl hij in de Miljoenennota deze juist verhoogt. Hoewel ook bedrijven ervan profiteren, is de verhoging van de aansluitkorting in 2022 toch vooral een sociale maatregel, doordat hij in euro’s wordt uitgekeerd. Daardoor profiteren lage inkomens hier het sterkst van.</p>
<p><em>Deel C. Totaal van gemiste energiebelasting.</em> Om het totaal van gemiste energiebelasting te krijgen, moeten de niet-omstreden fossiele subsidies, het accijnsvoordeel op diesel en de gemiste energiebelasting op gas en elektra worden opgeteld. Tabel 3 geeft de resultaten.</p>
<p><em>Tabel 3. Gemiste energiebelasting op fossiele brandstoffen (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1564" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-32-300x59.png" alt="" width="300" height="59" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-32-300x59.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-32.png 633w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>*De tabel accijnsvoordeel diesel is weggelaten. Hij is berekend door het dieselverbruik in miljoen liters te vermenigvuldigen met het accijnsvoordeel van diesel (zonder BTW), en van het resultaat het aantal dieselauto’s vermenigvuldigd met het dieselnadeel in de motorrijtuigenbelasting af te trekken.</p>
<p><strong><em>Betekenis</em></strong><em>:</em> als al het verbruik van aardgas en elektra tegen het energiebelastingtarief van schijf 1 wordt belast, dan lopen de totale fossiele subsidies in de jaren 2019 tot 2021 op tot ruim €25 miljard. Het jaar 2022 laat een veel lager bedrag zien, door het aanzienlijk lagere aardgasverbruik, en door de hogere compensaties die aan huishoudens en bedrijven zijn verleend, die hier niet als fossiele subsidies worden beschouwd. Bedacht dient te worden dat alle huishoudens, en het overgrote deel van de bedrijven, al belasting betalen volgens schijf 1. Het subsidiebedrag van tabel 3 komt dus vrijwel uitsluitend ten goede aan de bedrijven die belasting betalen in de schijven 2, 3 en 4 (een verwaarloosbaar deel van vrijstellingen valt nog bij bedrijven in schijf 1).</p>
<p><strong><em>Deel </em></strong><em>D. Regering loopt ook veel BTW mis door energiebelasting niet of tegen lager tarief te heffen. </em>De regering geeft bij de gemiste belastinginkomsten niet apart de gemiste inkomsten uit BTW op, die het resultaat zijn van het niet- of minder belasten van fossiele brandstoffen. Toch gaat het hier om zeer substantiële bedragen. BTW wordt immers ook geheven over energiebelasting, dus als energiebelasting niet of beperkt geheven wordt bij grote verbruikers, dan vallen er BTW-inkomsten weg die er bij heffing tegen het normale tarief wel zouden zijn. De omvang van de niet geheven BTW op energiebelasting is eenvoudig vast te stellen. Het is 21% van de gemiste energiebelasting in de jaren 2019-2021, en 15% van de gemiste energiebelasting in 2022 (vanwege de heffing tegen het lage tarief van 9% in de tweede helft van 2022).</p>
<p>Bedacht dient echter te worden dat in de praktijk het voornamelijk de huishoudens zijn als uiteindelijke consumenten die deze gemiste BTW betalen. Bedrijven kunnen namelijk de BTW die zij op hun aankopen betalen verrekenen met de BTW die zij op hun verkopen moeten heffen, en wat zij eventueel daarop tekortkomen kunnen zij van de belastingdienst terugkrijgen. Uitzondering zijn de van BTW-heffing vrijgesteld bedrijven, zoals banken maar ook sportverenigingen, die omdat zij geen BTW hoeven te heffen, deze ook niet kunnen verrekenen. Zij betalen dus BTW alsof ze ook eindverbruiker zijn. Zij zijn goed voor 5% van het gasverbruik en 10% van het elektriciteitsverbruik van bedrijven.</p>
<p>Het einde aan de belastingbevoordeling van grote energieverbruikers zou dus niet alleen tot een enorme verhoging van de belastinginkomsten van de overheid leiden, maar ook een aanzienlijk deel van de hogere lasten bij de huishoudens/consumenten leggen. Aangezien de BTW het zwaarst drukt op de lagere inkomens die hun totale inkomen uitgeven, in tegenstelling tot de hogere inkomens, zijn er maatregelen nodig die deze ongelijkheid-vergrotende effecten neutraliseren. In de conclusie zal daar meer aandacht aan besteed worden.</p>
<p>Op welke gemiste energiebelasting wordt nu ook BTW gemist? Behalve op gas en elektra gaat het ook om BTW over de accijns op kerosine, en op BTW over het accijnsvoordeel op diesel.</p>
<p><em>Tabel 4. Gemiste BTW op gemiste energiebelasting (€ mln).  </em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1567" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-33-300x64.png" alt="" width="300" height="64" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-33-300x64.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-33.png 695w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><sup>*</sup>1<sup>e</sup> helft jaar 21%, 2<sup>e</sup> helft 9%. Gerekend is met 15% voor het jaar.</p>
<p><em>Deel E. Totaal aan gemiste energiebelasting en gemiste BTW. </em>Het totaal aan gemiste belastinginkomsten uit fossiele brandstoffen wordt getoond in Tabel 5. Dit zijn de bedragen die de overheid zou ontvangen als ze alle fossiele brandstoffen voor al het verbruik hetzelfde, zonder onderscheid, zou belasten. Dit zijn dus ook de kosten voor de overheid van alle privileges die zij verleend heeft, ofwel van de fossiele subsidies.</p>
<p><em>Tabel 5. Totaal aan gemiste energiebelasting en BTW (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1568" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-34-300x44.png" alt="" width="300" height="44" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-34-300x44.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-34.png 669w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><em>Deel F. Verschillen met de regeringscijfers uit de recentste Miljoenennota. </em>De verschillen tussen de meest recente regeringsopgaves en het recente onderzoek van Metten concentreren zich op de vrijstellingen en degressieve tarieven voor het aardgas- en elektraverbruik, en op het accijnsvoordeel voor diesel. Over de andere posten is geen verschil van mening. Het subsidie-element daarvoor is meestal simpel vast te stellen, omdat er maar één tarief is, dat wel of niet geheven wordt. In het laatste geval is de subsidie gelijk aan het niet-geheven bedrag.</p>
<p>Over de dieselsubsidie is niet zozeer een verschil van mening, maar de regering vindt het ingewikkeld om te berekenen. De hier gehanteerde oplossing, het dieselverbruik in het wegverkeer te vermenigvuldigen met het dieselvoordeel in de accijns, en het resulterende bedrag verminderen met door dieselrijders meer betaalde motorrijtuigenbelasting, lijkt eenvoudig genoeg. De regeringsopgave is nu (inclusief de brandstofvrijstellingen voor lucht -en zeevaart, die in de laatste Miljoenennota niet expliciet genoemd worden):</p>
<p><em>Tabel 6. Regeringsopgave belastingsubsidies (€ mln).*</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1569" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-35-300x114.png" alt="" width="300" height="114" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-35-300x114.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-35.png 642w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>*Alleen voor de in dit artikel genoemde posten, en gecorrigeerd voor het aandeel niet-fossiel </p>
<p>**De regering heeft inderdaad geen vrijstelling elektra opgenomen, alhoewel er een duidelijk vermeldde outputvrijstelling voor de elektriciteitsopwekking met wkk voor eigen gebruik is. Zowel input als output is hier dus vrijgesteld.<br /><sup>#</sup>Om cijfers vergelijkbaar te maken, gecorrigeerd voor het aandeel niet-fossiele brandstof.<sup> </sup></p>
<p><sup>## </sup>Totaal van tabel 1.</p>
<p>Ten opzichte van de eerste publicatie van de regering in 2020 en van Metten in 2021 zijn de gevonden belastingsubsidies in de opgaven flink gestegen, maar de uitkomsten verschillen nog steeds aanzienlijk. Tabel 7 vergelijkt de totalen en het belang van vrijstellingen en degressieve tarieven.</p>
<p><em>Tabel 7. Vergelijking fossiele subsidies volgens regeringsopgave en dit onderzoek (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1571" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-36-300x94.png" alt="" width="300" height="94" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-36-300x94.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-36.png 541w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Deze tabel laat zien dat de verschillen tussen regering en dit onderzoek vooral in de vrijstellingen zitten. Meer dan de helft van het verschil is hierdoor te verklaren. Een deel hiervan wordt verklaard, doordat de regering geen vrijstellingen voor elektra vermeld. Uit de toelichting op de tabel van het elektriciteitsverbruik en uit gegevens van de Belastingdienst blijkt echter duidelijk dat door warmtekrachtkoppeling (wkk) opgewekte elektriciteit voor eigen gebruik is vrijgesteld. De omvang van die vrijstelling is ruim 18 miljard kWh.. Met behulp van de daar bekende verdeling van de vrijstelling over de belastingschijven bij de grootste begunstigde, de glastuinbouw, is berekend hoeveel belast verbruik in de schijven overblijft om de kosten van de degressieve tarieven juist te kunnen bepalen.</p>
<p>De belangrijkste andere categorie die verantwoordelijk is voor het verschil is de BTW, die de regering niet meegerekend heeft. Het effect van de degressieve tarieven wordt in dit onderzoek zelfs lager ingeschat dan de regering doet.</p>
<p><em>Tabel 8. Belangrijkste bronnen van verschillen tussen opgave regering en dit onderzoek (€ mln).</em></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1575" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-37-300x76.png" alt="" width="300" height="76" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-37-300x76.png 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-37.png 566w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>De verschillen tussen de opgave van de regering in de Miljoenennota 2023 en de methode van dit onderzoek hebben de volgende oorzaken:</p>
<p><em>De regering neemt niet alle vrijstellingen mee.</em> Over hoe dat mogelijk is, licht de regering een tip op. In de toelichting waarom zij de omvang van het verbruik van raffinaderijen niet kan weergeven, meldt ze dat ze het simpelweg niet weet, omdat het niet geregistreerd wordt (en dus ook niet gecontroleerd). De belastingdienst, bron van de meeste cijfers, houdt alleen bij wat belast wordt. Dit betekent dat bedrijven als Shell niet alleen genieten van belastingvrijdom op de olie- en aardgasinput, maar ook niet worden lastiggevallen met registratie en controle op oneigenlijk gebruik. Zij hebben dus niet alleen een vrijstelling op het aardgasgebruik voor de elektriciteitsproductie, maar ook op de resulterende elektriciteit en warmte. Officieel is dat om dubbele belasting te voorkomen, maar wat resulteert is dubbele niet-belasting. Zo meldt de regering de outputsubsidie op met warmtekrachtkoppeling (wkk) geproduceerde (warmte en) elektriciteit niet. Blijkens gegevens van de Belastingdienst en de toelichting bij de CBS tabellen is er een vrijstelling op met wkk geproduceerde elektriciteit voor eigen gebruik. Hier maken met name glastuinders en de chemische industrie gebruik van. Zij hebben dus niet alleen een vrijstelling op het aardgasgebruik voor de elektriciteitsproductie, maar ook op de resulterende elektriciteit en warmte. Officieel is dat om dubbele belasting te voorkomen, maar wat resulteert is dubbele niet-belasting. Een opmerkelijk en belangrijk hiaat in de verslaggeving over vrijstellingen.</p>
<p><em>De vrijstellingen die de regering wel meeneemt berekent ze niet tegen het normale tarief</em> maar, blijkens een schriftelijke mededeling van het Ministerie van EZK, tegen tarieven met korting. Aangezien het merendeel van de vrijstellingen in schijf 4 met bijna symbolisch lage tarieven vallen, lijken de kosten van de vrijstellingen bescheiden. Dat is echter volledig het gevolg van de keuze van het (lage)vergelijkingstarief.</p>
<p><em>De accijnskorting op diesel vult de regering nog niet in</em>.</p>
<p><em>Zij negeert de gemiste BTW die op de gemiste energiesubsidie betaald had moeten worden.</em></p>
<p>Daar staat tegenover dat <em>de aansluitkortingen op de elektriciteitsrekening bij de regering het totaalbedrag van de subsidie verhogen, terwijl ze het in dit onderzoek verlagen.</em></p>
<p><em>Deel G. Conclusies:</em></p>
<p><strong><em>Er is een misverstand in de politiek en in de publieke opinie over het karakter van belastingsubsidies</em></strong><strong><em>.</em></strong> Belastingsubsidies zijn niet gratis. De niet-geheven belasting moet elders, door anderen worden opgebracht. De €30 miljard aan energie- en omzetbelasting die de regering niet heft bij energie-intensieve bedrijven is gelijkwaardig aan €30 miljard aan uitgedeelde subsidie, nadat eerst alle gebruikers hetzelfde tarief (van schijf 1) hebben betaald. Belastingsubsidies zijn met andere woorden vooral een minder zichtbare vorm van subsidie.</p>
<p><strong><em>De regering zegt ook zelf van de degressieve tarieven af te willen</em></strong>. Zij is daar echter nog niet aan begonnen. Zij zou kunnen beginnen de schijven 3 en 4 af te schaffen, waar slechts een klein aantal bedrijven van profiteren, die goed zijn voor een groot deel van het totale verbruik. Deze bedrijven vallen dan met hun totale verbruik in schijf 2, wat nog steeds <em><strong>korting</strong></em> oplevert op het tarief dat alle huishoudens en een grote meerderheid van bedrijven betaalt. Omdat bij aardgas een groot deel van het verbruik in schijf 3 en 4 is vrijgesteld, zou de opbrengst van alleen energiebelasting daar een bescheiden €375 miljoen zijn. Bij elektra neemt de opbrengst echter met een forse €3.782 miljoen toe (cijfers 2019). Als er geen compensatie wordt verleend aan de huishoudens en de bedrijven in schijf 1, kunnen niet alleen de overheidsinkomsten sterk toenemen, maar wordt de koopkracht van huishoudens en de bedrijven in schijf 1 aangetast. zolang energie-intensieve bedrijven niet voldoende bespaard hebben op hun verbruik van fossiele brandstoffen, leiden hogere tarieven voor energiegrootverbruikers tot hogere prijzen voor eindproducten. Dat is een argument voor een stevige belastingprikkel, om de uitfasering van fossiele brandstoffen zoveel mogelijk te versnellen. Met de verschuiving naar niet-fossiele brandstoffen vallen immers ook de kostprijsverhogende belastingen weg. Tot het zover is, moet echter wel het tarief van schijf 1 verlaagd worden, om de hogere kosten voor huishoudens en weinig energie verbruikende bedrijven op te vangen. Dat kan ook, omdat huishoudens en bedrijven in schijf 1 meer betalen dan de externe kosten (vervuiling) die zij veroorzaken. Omdat bedrijven in schijf 2 ook in schijf 1 al belast zijn voor het maximum verbruik van die schijf, profiteren zij mee van zo’n tariefsverlaging. Een verlaging van het tarief van schijf 1 zou minder dan € 1 miljard per jaar kosten.</p>
<p><strong><em>Energiecrisis laat zien dat bedrijven kunnen overleven door te besparen.</em></strong><strong><em><br /></em></strong>Belastingsubsidies op energie drastisch verlagen of afschaffen, om door middel van een prijsprikkel tot grote energiebesparing en vermindering van de aantasting van milieu en gezondheid te komen, zou de energie intensieve bedrijven wegjagen naar andere landen of continenten, zo beweren lobbyisten. Er bestaat echter zoiets als een <em>“natuurlijke experiment”</em>, en we maken daar nu een belangrijke van mee. Een natuurlijk experiment speelt zich niet in een laboratorium af maar in de werkelijkheid, en is daar uniek door. Door de energiecrisis zijn de gas- en elektraprijzen ook voor grootverbruikers drie tot vier keer zo hoog worden, hoger dan ze met een normale energiebelasting zouden worden, en toch verdwijnt geen enkel bedrijf naar de VS, waar de gasprijzen een vijfde zijn van hier. Slechts één energie-intensief bedrijf is failliet gegaan, maar dat verkeerde ook voor de huidige energiecrisis al in de problemen. In plaats van verhuizen, onvermijdelijk volgens lobbyisten, blijken bedrijven met de huidige prijsprikkel ineens ook drastisch op energie te kunnen besparen, en dat zonder instorting. Er is dus nog een alternatief voor verplaatsen, namelijk blijven &#8211; en besparen op energieverbruik. Wie naar de bedrijven kijkt die het betreft kan ook niet verbaasd zijn. Niet alleen zijn ze energie-intensief, maar ook kapitaalintensief. Ze hebben relatief weinig personeel, maar wel specialistisch of hooggeschoold. Verplaatsing betekent kapitaalvernietiging, en waar vind je elders een plek die even goed gesitueerd is, met voldoende gekwalificeerd personeel, en met de zekerheid dat de hogere tarieven die je in Nederland ontvlucht jou daar niet vervolgens inhalen? Kortom, om in sprookjes te geloven moet je goedgelovig zijn. Lobbyisten worden ingehuurd om ze te vertellen, maar niemand is gedwongen te luisteren.</p>
<p>Dat <strong><em>ook de overheid belastingsubsidies als gratis beschouwt</em></strong>, wordt het best geïllustreerd door de wijze waarop vrijstellingen geregistreerd worden: namelijk niet. Hier worden miljarden in wel erg goed vertrouwen uitgedeeld. De tegenstelling met hoe huishoudens met toeslagen of bijstand behandeld worden kan niet groter. Belastingvrijstellingen moeten niet alleen geregistreerd worden, maar waar de Europese energiebelastingrichtlijn lidstaten de optie laat om toch te belasten, moet Nederland dat ook doen.</p>
<p>Met één vorm van compensatie voor hogere lasten is afgelopen jaar geëxperimenteerd, namelijk een flink <strong><em>hogere aansluitingskorting</em></strong> voor elektra. Ook dat kan als een natuurlijk experiment beschouwd worden. Hoewel ook bedrijven recht op deze korting hebben, heeft hij het meeste betekenis voor huishoudens met lage inkomens, omdat het om een vast bedrag in euro’s gaat. Voor dit jaar is de verhoging weer teruggedraaid, maar het is een eenvoudig en doeltreffend instrument gebleken.</p>
<p>De structuur van de belasting op energiedragers ademt een tijd waarin alles was toegestaan om bedrijven aan te trekken, en waarin milieu en gezondheid een ondergeschikte rol speelde. Het gevolg is dat elke prijsprikkel om energie te besparen ontbreekt. Maar daarnaast zijn ook de belastingen lager naarmate het energieproduct vervuilender is. Verbazingwekkend dat nu milieu en gezondheid een steeds grotere rol spelen, die belastingstructuur nog onaangetast is. De Europese Commissie heeft in 2021 het voorstel voor herziening van de volstrekt achterhaalde energiebelastingrichtlijn uit 2004 uitgebracht, die onder andere belasting naar energie-inhoud bevat. Het herzieningsvoorstel is veelbelovend, maar wat de minimumtarieven betreft nog veel te bescheiden. Hoewel de Nederlandse regering het initiatief steunt, is er in de Raad en het Parlement geen enkele voortgang in de behandeling ervan. De regering zou daarom met gelijkgestemde landen wellicht zelf al stappen kunnen zetten. Een belangrijke oorzaak van de onveranderlijkheid van de structuur van de belasting op energie is de lobby van de grootverbruikers van energie. Hun lobby-argumenten zijn weinig origineel: voor de noodzaak van de belastingsubsidies wordt altijd met het werkgelegenheidsargument geschermd. Nu werkeloosheid is omgeslagen in arbeidsschaarste, is daar het argument bijgekomen van onafhankelijkheid van andere landen of continenten. Lobbyisten weten altijd weer iets nieuws te bedenken, daar worden ze immers voor betaald. Het is aan politici en de media om door hun strategieën van tegenhouden, vertragen en twijfel zaaien heen te prikken.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p>De minister voor Klimaat en Energie heeft in het voorjaar van 2022 het Expertteam Energiesysteem 2050 ingesteld om bouwstenen aan te leveren voor <em>het Nationaal Plan Energiesysteem 2050</em>. Dat is een plan voor de transitie van het energiesysteem als onderdeel van de klimaatneutrale samenleving die in 2050 gerealiseerd moet zijn. Nederland is nog verre van klimaatneutraal en staat voor grote uitdagingen om dat doel voor 2050 te bereiken, zo stelt het Expertteam terecht in zijn advies van april 2023. Het noemt een klimaatneutraal Nederland in 2050 “<em>ambitieus, maar het kan.” </em>Besluiten over investeringen, infrastructuur, ruimtegebruik, innovatie en beleid moeten we vanaf nu nemen met dit perspectief als leidraad, in samenhang met Europese ontwikkelingen en met een doorkijk naar 2100. De transitie vraagt om duidelijke tussendoelen. <em>“Klimaatneutraliteit in 2050 betekent dat we zo vroeg mogelijk, in de periode 2040-2045, een CO2-neutraal energiesysteem hebben. Dat betekent geen netto-uitstoot meer uit het elektriciteitssysteem per 2035. Dit is mogelijk als we een duidelijke visie hebben, nu snelheid maken en durven door te zetten. De transitie is omvangrijk, maar het eindpunt is aantrekkelijk.” </em>Volgens het Expertteam maakt een klimaatneutraal energiesysteem ons land <em>“stiller, schoner en groener</em>”. <em>“Als de energietransitie samengaat met meer respect voor de grenzen van onze planeet en er meer gewicht wordt toegekend aan brede welvaart gaan we anders leven. We reizen minder. En als we reizen doen we dat vaker met het openbaar vervoer, te voet en met de fiets. Ook wonen we in compacte groene steden en dorpen met voorzieningen op loopafstand en de economie is gericht op welvaart én welzijn. We kopen anders, hergebruiken vrijwel alles, en voeden ons plantaardiger. De totale energievraag gaat omlaag.” </em>(…) <em>“Een klimaatneutraal Nederland in 2050 is alleen haalbaar als we het huidige transitietempo fors opvoeren. Lastige keuzes, zoals beleid gericht op vermindering van energievraag, zijn de afgelopen decennia vaak vermeden. Dat zal niet meer kunnen. Er is een langetermijnvisie voor 2050 nodig die leidend is voor een integraal overheidsbeleid. Omdat de levensduur van veel investeringen tot na 2050 strekt, gaat deze langetermijnvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling verder, richting 2100.”</em></p>
<p>Dat aanvullend beleid nodig is om de afgesproken 60 procent CO<sub>2</sub>-reductie in 2030 voor elkaar te krijgen, bleek al in november 2022 uit onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het IBO-rapport biedt oplossingen en komt vlak voor de verkiezingen met opvallende aanbevelingen. Het rapport adviseert strengere normeringen voor elke sector, waarbij de grootste afname in CO₂-uitstoot bereikt kan worden op het gebied van verkeer, transport en de landbouw. De voorgestelde maatregelen zouden in totaal tot 22 megaton emissiereductie in 2030 leiden. We gaan deze maatregelen invoeren. De ambtenaren concluderen en adviseren het kabinet onder meer:</p>
<ul>
<li><em>Gebouwde omgeving</em>: het beleid voor koopwoningen kent weinig normering en is grotendeels gebaseerd op vrijwilligheid. De huidige energieprijzen zorgen voor extra verduurzaming, maar gaan naar verwachting weer dalen. Daardoor is de terugverdientijd van verduurzaming onzeker. En de voorgenomen bijmengverplichting van groen gas levert naar verwachting niet het beoogde resultaat. Daarnaast slaat de CO₂-reductie in de rekensystematiek deels in andere sectoren neer, waardoor groen gas zeer beperkt bijdraagt aan de opgave in de gebouwde omgeving. Daarom moet de energiebelasting op gas omhoog en die op elektriciteit omlaag; vanaf 2025 moet elke koopwoning geïsoleerd zijn, huizenkopers moeten verplicht hun woning binnen 2 jaar isoleren; de isolatie-eisen voor woningen moeten worden aangescherpt – een woning moet in 2033 minimaal energielabel B hebben en huurwoningen met de slechtste energielabels moeten in 2028 van de markt verdwijnen;</li>
<li><em>Landbouw en landgebruik</em>: Momenteel wordt niet direct gestuurd op broeikasgasreductie en lijken stevige kaders te ontbreken in de regionale en landelijke afspraken, wat verduurzaming in de weg zit. Emissiereductie in de veehouderij en akkerbouw kan deels via (management)technische maatregelen. Sturen op de omvang van de veestapel is onvermijdelijk. Het is daarbij belangrijk om ook de Nederlandse consumptievoetafdruk te verlagen. Beprijzing in de glastuinbouw wordt al aangepast, maar verdere aanscherping is nodig. Daarom moet volgens deze ambtenaren de veestapel voor 2030 met 30% verminderen met een maximum van 1,7 dier per hectare; er moet een hogere belasting komen op vlees en zuivel; voedsel moet meer gebaseerd zijn op plantaardige eiwitten; voedselverspilling moet worden tegengegaan; ook de agrarische sector moet emissiebelasting gaan betalen; veevoer moet genormeerd worden; glastuinbouw moet extra beprijst worden; oppervlaktewaterstanden in veenweidegebieden moeten genormeerd worden;</li>
<li><em>Mobiliteit</em>: Verduurzaming van personenauto’s, bestelauto’s en vrachtwagens kan zorgen voor een belangrijke stap richting klimaatneutraliteit, maar gaat met het huidig beleid niet snel genoeg. Aanvullend normeren en beprijzen kan zorgen voor grote stap richting volledig elektrische nieuwverkoop rond 2030. Grotere inzet op biobrandstoffen en vermindering van de gereden kilometers kan de huidige fossiele van het wegverkeer versneld reduceren richting 2030. Daarom moeten vanaf 2025 alle leaseauto’s elektrisch zijn; de aanschafbelasting voor vervuilende auto’s moet omhoog; de vliegbelasting moet omhoog, met hoe verder je vliegt een hoger tarief; de luchtvaart moet meer duurzame (bio)brandstof gebruiken;</li>
<li><em>Industrie</em>: De schoorsteenemissies in de industrie worden al via de EU en de nationale CO₂-heffing beprijsd. De heffing is te laag om de reductie uit het Coalitieakkoord te realiseren. Momenteel wordt geen belasting geheven over het non-energetisch verbruik van brandstoffen, zoals het gebruik van kolen bij staalproductie. Als de Europese energieprijzen hoger zijn dan in bijvoorbeeld de VS en China, kan dit bij additionele maatregelen leiden tot verplaatsing naar het buitenland. Aanvullende beprijzing kan de verduurzaming versnellen, maar tijdige realisatie van energieinfrastructuur en vlotte vergunningverlening zijn hiervoor randvoorwaardelijk. Daarom moet de grote industrie, waaronder afvalverbrandingsinstallaties meer gaan betalen voor CO₂-uitstoot; verplichten aandeel gerecyclede en duurzame plastics;</li>
<li><em>Elektriciteit</em>: Verdere verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening en -infrastructuur is randvoorwaardelijk voor de daling van de uitstoot in de andere klimaatsectoren. De emissies in de elektriciteitssector dalen de komende jaren stevig door het verbod op kolen bij stroomopwekking en het sterk uitrollen van hernieuwbare elektriciteit. De verdere verduurzaming van de elektriciteitssector loopt echter tegen knelpunten aan in de productie en het transport van elektriciteit. Het internationale karakter van de elektriciteitsmarkt en het belang van leveringszekerheid maken de precieze emissies moeilijk te ramen. Sturen op deze emissies is dus ingewikkeld. Daarom moeten we normeren richting een klimaatneutrale elektriciteitssector in 2035; en stimuleren opslag batterijen bij zonneparken en normeren zon op dak.</li>
</ul>
<p>In totaal leidt het advies tot een lastenverzwaring voor bedrijven en huishoudens van 7 miljard euro, zo schatten de ambtenaren.</p>
<p>Elektriciteit moet het belangrijkste element van het energiegebruik worden, zo stelt terecht het Expertteam Klimaat. Investeringen in adequate elektriciteitsnetten zijn cruciaal. Andere energiedragers, zoals waterstof, spelen een beperkte rol. Het is nodig om te sturen op maximale elektrificatie, de energievraag af te stemmen op het aanbod, en op een klein maar noodzakelijk deel andere CO₂-neutrale energiedragers. De transitie wordt gemakkelijker als de totale energievraag wordt beperkt. We moeten rekening houden met schaarste in mensen, middelen, ruimte en materiaal.</p>
<p>Er zijn terecht ambitieuze doelen gesteld voor de duurzame elektriciteitsproductie, vooral windenergie op zee. In toenemende mate zal volgens het Expertteam Klimaat het aanbod op bepaalde momenten groter zijn dan de vraag naar elektriciteit, of andersom. Nu nog zijn gascentrales beschikbaar om bij te springen als de vraag naar elektriciteit groter is dan het beschikbare aanbod van wind- en zonne-energie. Dit regelbaar vermogen moet volgens het Expertteam uiterlijk in 2035 klimaatneutraal zijn. Flexibiliteit van de vraag naar elektriciteit en goede verbindingen met omringende landen verminderen de noodzaak van dit regelbaar vermogen. Toch blijft regelbaar vermogen noodzakelijk, maar omdat het steeds minder wordt ingezet neemt de winstgevendheid af. Daarom moet er op tijd duidelijkheid zijn over onder andere de financieringsmogelijkheden van bijvoorbeeld waterstofcentrales.</p>
<p>Het elektriciteitsverbruik zal volgens het Expertteam Klimaat in 2050 ten minste twee- tot driemaal zo hoog zijn als nu. Het tijdig en op de juiste plaats realiseren van adequate elektriciteitsnetten ziet het Expertteam Klimaat als de hoofdopgave van de vernieuwing van het energiesysteem. Energie-infrastructuur wordt een vestigingsplaatsfactor in een breder ruimtelijk perspectief voor Nederland.</p>
<p>We moeten veel meer inzetten op energiebesparing. Het potentieel daarvoor wordt veel te weinig benut. Alle nieuwe bedrijvigheid die veel extra energie nodig heeft wordt in beginsel niet meer toegelaten. We verhogen het energiebesparingsdoel voor 2030 van 32,5% naar 45%. De schoonste energie is de energie die we niet hoeven op te wekken. En we kunnen niet zonder, willen we de doelstelling van maximaal 1,5 graad opwarming halen en nog ergere  klimaatrampen voorkomen. De transitie is alleen haalbaar bij forse energiekrimp. Dat vraagt om een economisch structuurbeleid dat gericht is op onder meer extensivering (vermindering) van energiegebruik, met name in de industrie. De huidige verplichting voor energiebesparing bij industrie wordt niet gehandhaafd. Dat gaan we direct veranderen en hard handhaven. Er moet een Noodwet voor verplichte energiebesparing bij bedrijven komen opdat huishoudens niet verstoken worden van energie. Daarbij gaan o.m. de meest energie-intensieve bedrijven verplicht dicht, worden er maxima gesteld aan verwarming en airconditioning, moeten winkels hun deuren sluiten, wordt terrasverwarming verboden, wordt verlichting in lege gebouwen verboden, etc. Alles wordt uit de kast gehaald om energie te besparen. We stoppen met het faciliteren van veel energie en water slurpende datacenters in ons land.</p>
<p>Fossiele energiebronnen moeten in een circulaire economie volledig vervangen worden door hernieuwbare energiebronnen. We beëindigen het gebruik van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas. De in de Klimaatwet gestelde doelen daarvoor worden bindend en vatbaar voor rechterlijke toetsing. De aardgaswinning wordt direct gestaakt, ook in velden buiten Groningen. Er komt geen winning van schaliegas. We faseren de gascentrales zo snel mogelijk uit.</p>
<p>Met een grote financiële sector en de ligging in een delta is Nederland zowel financieel kwetsbaar voor klimaatverandering als in de positie om een verandering van het financiële systeem mede in gang te zetten, zo beklemtoont het expertteam Klimaat. De overheid kan die verandering stimuleren door eisen te stellen aan het kennisniveau van financiers over duurzaamheid, transitieplannen verplicht te stellen en in het toezicht tegenover klimaat gerelateerde risico’s hogere kapitaalseisen te zetten. Ook betere economische prikkels verhogen de aantrekkelijkheid van duurzame investeringen. Daarbij kan de overheid ook meer zelf mee investeren.</p>
<p>We zetten in op normeringen, belastingen en een leidende rol van de energie-infrastructuur om tot structurele (gedrags-)verandering te komen en investeerders zekerheid te bieden; we gebruiken subsidies en geven informatie om de transitie voor burgers en bedrijven praktisch mogelijk te maken op een rechtvaardige manier, waarbij iedereen mee kan doen. Het expertteam klimaat: “<em>Het binnenlands gebruik van (fossiele) energie kan via normering en beprijzing sterk dalen. Samen met onze buurlanden kan de overheid de energiebelastingen afstemmen om gebruik in chemische industrie en bunkerbrandstoffen te verlagen. Heldere normen zorgen ervoor dat burgers en bedrijven beter weten welke gedragsveranderingen van hen in 2050 en de weg daarnaartoe worden verwacht. Beprijzen geeft transparantie over de prijs die burgers en bedrijven moeten betalen en zorgt voor een prikkel om vervuilend gedrag te verminderen. Voor huishoudens met lage inkomens kan compensatie nodig zijn vanuit het principe van rechtvaardigheid.”</em></p>
<p>De energie-infrastructuur van Nederland moet leidend worden voor de ruimtelijke, sociale en economische ontwikkeling, en niet meer volgend zoals nu. Infrastructuur heeft een sturende werking op gedrag van burgers en bedrijven. Met de aanleg van nieuwe en verzwaring van bestaande energienetwerken worden nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor burgers en bedrijven. Daarvoor moeten netbeheerders ook investeringsruimte en (wettelijke) ruimte krijgen. Ook voor burgers, corporaties en gemeentes is juridische ruimte nodig zodat ze zelf met lokale duurzame energiesystemen aan de slag kunnen gaan en lokaal maatwerk mogelijk wordt. De energie-infrastructuur geeft ook het verdienvermogen van Nederland vorm. De energie-infrastructuur zou dus een prominente plaats moeten krijgen in de nieuwe Nota Ruimte (2024) van het kabinet.</p>
<p>Een succesvolle energietransitie vereist keuzen. De energietransitie zal plaatsvinden in een omgeving en een periode van aanzienlijke schaarste. Er is weinig ruimte in de boven- en de ondergrond, de arbeidsmarkt is zeer krap en er is schaarste aan materialen. Dit vereist een scherpe prioritering. Niet alles kan, dus prioritering is nodig naar wat het meeste bijdraagt aan de integrale visie. Inzet van alle beschikbare kennis en ruimte geven aan innovaties kan bijdragen aan het minder beknellend maken van de schaarste-elementen.</p>
<p>We verbieden reclame voor fossiele energie. Pensioenfondsen mogen wettelijk niet meer investeren in fossiele bedrijven.</p>
<p>De kolencentrales moeten snel dicht. Alleen echte duurzame biomassa kan gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd worden. Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht.</p>
<p>Er is veel discussie over biomassa, maar er zijn een aantal punten waar voor- en tegenstanders het in grote lijnen over eens zijn. Liever biomassa gebruiken als grondstof, dan als energiebron. De belangrijkste rol is weggelegd voor biomassa als grondstof voor meubels, papier of bouwmaterialen. Ook in de chemie kan het een belangrijke rol spelen. Biomassa gebruiken voor energie moet vooral gebeuren daar waar weinige alternatieven zijn, zoals in de lucht- of scheepvaart. Veel partijen zijn het ook eens dat de subsidies voor biomassa teveel gericht zijn op energie-inzet en te weinig op inzet op gebruik als grondstof en in de chemie, waar de rol van biomassa op de lange termijn groter is. Daarom schrappen we deze subsidies. Niemand wil hele bomen die geschikt zijn voor bouwmaterialen opbranden in energiecentrales. Gebruik van houtige biomassa blijkt te moeilijk te controleren te zijn – daar stoppen we mee. Bovendien is de energiewinning uit het verbranden van hout veel onrendabeler dan stoken op kolen of gas. De directe CO₂-uitstoot is bij biomassa ongeveer twee tot drie keer zo groot als bij de opwekking van dezelfde hoeveelheid stroom door gas en een derde tot de helft groter dan bij kolen. Ondanks dat biomassa afkomstig is vanuit de natuur, levert houtige biomassa een bijdrage aan het broeikaseffect. Gebruik van reststromen voor energieopwekking is een goed idee, als het fossiele bronnen vervangt en er geen betere toepassingen voor zijn. Denk aan dun hout, krom hout of zaagsel dat niet anders gebruikt kan worden.</p>
<p>We investeren niet in kernenergie, dat is niet duurzaam. Kernsplitsing is geen fossielvrij proces (bij de winning van uranium komt wel degelijk CO₂ vrij) en heeft een fors, gevaarlijk afvalprobleem, nog los van de risico’s bij de opwekking, met name in oorlogstijd en bij terroristische aanslagen, en is zeer duur. Het is niet verstandig daar nu fors op in te zetten. Het kabinet moet ook volgens het Expertteam Klimaat <em>„nog maar eens goed nadenken”</em> over zijn voorgenomen besluit om twee kerncentrales in Zeeland neer te zetten. Het team vindt kernenergie terecht duur en overbodig voor het energiesysteem van de toekomst. Volgens voorzitter Bernard ter Haar van dit Expertteam Energiesysteem 2050 is de discussie over kernenergie erg ideologisch geworden. <em>„Wij willen daar afstand van houden. Wij hebben geprobeerd een niet-ideologisch verhaal te houden, op basis van gezond verstand en feiten”</em>, zei de voormalige topambtenaar bij de presentatie van hun rapport. Volgens Ter Haar is het nooit duidelijk wanneer nieuwe kerncentrales uiteindelijk kunnen draaien. <em>„Het valt altijd weer tegen en wij vinden dat er in 2035 een energieneutraal elektriciteitssysteem moet zijn. Dan is de kans groot dat we die centrales daarna moeten gaan inpassen.” </em>Rond 2035 zal Nederland beschikken over veel windparken op zee, waardoor slechts op een beperkt aantal momenten extra stroom nodig is. Bij een overvloedig aanbod van wind- en zonne-energie zullen kerncentrales niet zonder meer volcontinu kunnen draaien, waardoor ze duur zullen zijn.  <em>„Als de kerncentrales vol moeten gaan draaien [om rendabel te zijn], dan is dat vermoedelijk niet voor de Nederlandse markt.” </em>De experts vinden ook de voorgenomen locatie, het Zeeuwse Borsele, ongelukkig gekozen, omdat het stroomnet er toch al zwaar wordt belast. <em>„Daar centrales vestigen is onhandig, omdat op die plaats veel opgewekte stroom van windparken op zee binnenkomt.”</em> Kernenergie is kortom overbodig en duur,  want in 2030 zal er voldoende zon- en windenergie kunnen zijn (wind en zon vullen elkaar aan – is er geen wind, dan wel vaak zon, en vice versa, en zonneparken bij windparken op zee zijn een goedkoper, sneller realiseerbaar en groener en veiliger alternatief) en is er bovendien voldoende grootschalige batterijopslag – er is nu al een enorm aanbod aan plannen daarvoor zonder een cent subsidie!). En dan hebben we het nog niet over de potentie van bi-directione elektrische (accu) systemen, die tegen 2030 naar verwachting 40 dagen windstilte en geen zonneschijn kunnen opvangen. En perovskite zonnepanelen kunnen nu al zelfs bij kunst/daglicht 5 tot 10% rendement bereiken. Kernenergie is een dure, onnodige, gevaarlijke rechtse hobby.</p>
<p>Kernfusie is al decennia een technische illusie gebleken. Het is goed om daar naar onderzoek te blijven verrichten, maar voor onze huidige urgente problemen is daar ook niet de oplossing van te verwachten.</p>
<p>CO₂-opslag is uiteindelijk geen oplossing, maar kan wel tijdelijk soelaas bieden, maar we moeten onze focus en subsidie vooral richten op CO₂-hergebruik. Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar is, en – anders dan het expertteam Klimaat adviseert – alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.</p>
<p>De industrie in Nederland (en in de rest van West-Europa) gaat veel ingrijpender veranderen dan nu veelal wordt gedacht. De relatief grote omvang van de zeer energie-intensieve industrie werd mede mogelijk door de relatief grote hoeveelheid fossiele brandstoffen uit eigen bron. Dit specifieke voordeel kan niet vervangen worden door eigen opwekking van duurzame energie, omdat andere Europese landen eveneens veel duurzame energie kunnen opwekken. Het oude industriemodel is niet meer bruikbaar, ook al blijven andere relatieve voordelen van Nederland bestaan, zoals de ligging en de immateriële infrastructuur.</p>
<p>We gaan, anders dan waar de industrie nu van uitgaat, grote waterstofprojecten niet subsidiëren. We moeten NortH2 niet subsidiëren, ook niet wat betreft het aanleggen van het leidingen – de sector moet dat zelf financieren. Hiervoor zou een megawindpark in de Noordzee boven Groningen gebouwd moeten worden. Dit park levert de stroom voor de productie van de waterstof. Deze waterstof is vooral bedoeld als goedkope chemische grondstof en voor de chemische- en kunstmestindustrie.</p>
<p>Groene waterstof kan wel goed dienen als bufferbrandstof, om tijdelijke tekorten bij productie met zon en wind op te vangen. Een waterstofcentrale kan zo’n dip opvangen, als een soort chemische accu voor zon- en windenergie.</p>
<p>Bij tekorten aan gas gedurende de transitie gaan we energie-intensieve productie zoals ammoniak (kunstmest), aluminium, staal en chemie bij noodwet beperken of zelfs stilleggen. Dit geldt ook voor de glastuinbouw (incl. sierteelt).</p>
<p>Met procesintensificatie, een verzamelnaam voor radicaal andere, veel meer duurzame en efficiënte processen en apparaten, kan fors op energie worden bespaard. Onderzoek uit 2020 van adviesbureau Royal Haskoning-DHV liet zien dat de grote industrie de uitstoot van CO₂ met meer dan 3 miljoen ton kan verminderen door energiebesparing. Dat komt overeen met de uitstoot van 400.000 huishoudens (auto, verwarming, elektriciteit), ­ofwel meer dan alle inwoners van Amsterdam. Voor alle duidelijkheid: het gaat om maatregelen die zich binnen vijf jaar terugverdienen door besparingen op de energierekening. Netto leveren ze dus een besparing op. Een voorbeeld is isolatie. Vaak is op onderdelen als flenzen of afsluiters geen isolatie aanwezig. De daken van verwarmde tanks worden niet standaard van isolatie voorzien, terwijl dit ruim 40 procent energie kan besparen. Waar wel isolatie is, blijkt die vaak beschadigd, soms ook zonder dat het van buiten te zien is. Allemaal punten waar met een gerichte aanpak veel te winnen is. De industrie is daar nu te laks. De aandacht binnen de industrie is eerder gericht op nieuwe producten of processen. Daarnaast stellen grote concerns vaak strikte rendementseisen aan inzet van kapitaal: investeringen krijgen alleen goedkeuring als ze zich binnen twee of drie jaar terugverdienen. Energiebesparing in de industrie ­levert geld op, maar er zijn andere investeringen die nu meer en/of eerder rendement opleveren. Energiebesparing draagt ook bij aan minder milieuschade en zorgt voor werkgelegenheid bij het toepassen van schone technologie.</p>
<p>Alle reden om deze mogelijkheid juist prioriteit te geven vanuit de overheid. Tot nu toe accepteren we dat in de industrie nog grootschalig inefficiënte technieken worden toegepast. We investeren vervolgens heel veel belastinggeld in dure, vaak milieu-schadende technieken, om een soortgelijke hoeveelheid energie te leveren. Het energiebesparingsbeleid voor de grote industrie is sinds de jaren negentig gebaseerd op convenanten. Dat gaat met zachte hand. Dit blijkt niet effectief, er wordt te weinig besparing gerealiseerd ten opzichte van de afgesproken doelen. Tijd voor een andere aanpak. Kleinere bedrijven zijn al wettelijk verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Dit draagt bij aan een groeiend bewustzijn en deze aanpak werpt vruchten af. Maar de grote industrie is in ­Nederlandse wetgeving van deze verplichting uitgezonderd, omdat ze ook onder het Europese emissie­handelssysteem valt. Dat systeem werkt onvoldoende om tot besparingen te komen. We heffen per direct de uitzondering van de industrie op de investeringsverplichting in energiebesparing op en gaan deze verplichting strak handhaven.</p>
<p>Elders in dit programma wordt ook een verandering van de energiebelasting voorgesteld, waarbij de huidige vrijstellingen voor grootverbruikers vervallen. Eveneens willen we een hoge CO₂-heffing en een ETS-heffing. Dit zal de industrie aanzienlijk prikkelen te investeren in energiebesparing, energieefficiëntie en verduurzaming van hun energiegebruik. Het zal zonder twijfel ook leiden tot vertrek of beëindiging van sommige energie-intensieve bedrijvigheid, maar daar staat nieuwe, duurzame en slimme bedrijvigheid tegenover. De betrokken werknemers krijgen een inkomensgarantie en worden desgewenst naar ander werk begeleid.</p>
<p>We bieden energie-intensieve bedrijven die hun CO₂-uitstoot willen terugdringen investeringszekerheid door middel van <em>carbon </em><em>contracts for difference </em>(CCfD’s), die de kloof overbruggen tussen de  geldende prijs van CO2-emissies en de werkelijke kosten van emissiereductie. Restwarmte-uitstoot wordt belast opdat het rendabel wordt deze te benutten.</p>
<p>We stellen daarenboven bindende duurzaamheidsnormen vast voor datacentra, waaronder energie-efficiënte koeling, minimaal watergebruik, hergebruik van restwarmte en verlenging van de levensduur van hardware. In afwachting daarvan stellen we per direct een moratorium in.</p>
<p>We stellen ecodesignregels vast die het dataverbruik van online films, video’s, games en advertenties aan banden leggen, evenals dat van slimme apparaten. We voeren ecodesignregels in voor software om het gebruik van systeembronnen, energie en data te beperken. Deze regels moeten <em>software bloat </em>aanpakken door paal en perk te stellen aan niet-essentiële vooraf geïnstalleerde software, door voor te schrijven dat dergelijke software door de gebruikers kan worden verwijderd en door te verbieden dat software onnodig op de achtergrond draait. Niet-essentiële softwarefuncties die een aanzienlijke hoeveelheid werkgeheugen, opslag of rekenkracht vergen, dienen optioneel te zijn. Functionele updates moeten omkeerbaar zijn.</p>
<p>We bevorderen vrije en open software die gebruikers in staat stelt de code aan te passen aan de capaciteit van hun hardware en aan hun behoeften, zonder onnodige ballast.</p>
<p>We verbieden cryptomunten – naast het grote data- en energiebeslag zijn deze munten gevaarlijk voor de financiële stabiliteit, schulden van huishoudens en worden ze gebruikt voor witwassen van criminaliteit en witwassen.</p>
<p>We ontwikkelen een meetlat voor de rekenintensiteit van kunstmatige intelligentie (AI), voeren een rapportageverplichting in voor AI-ontwikkelaars en bevorderen het gebruik van de meetlat als criterium bij de aankoop van AI door overheden.</p>
<p>We moeten onze economie geheel verduurzamen naar een circulaire economie. Dat is een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Grondstoffen dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking op onze planeet en de toenemende welvaart in de wereld. Door onze parasitaire levenswijze worden bovendien ecosystemen, het klimaat en onze gezondheid bedreigt met de afvalstoffen van die levenswijze.</p>
<p>We gaan naar een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Met een zuiniger gebruik van eindige grondstoffen, en met een productieconcept waarin hergebruik, reparatie en recycling uitgangspunt is, en waarin ook energie teruggewonnen wordt uit materialen en afval(verwerking). Een <em>donut</em>-economie, waarin de groei begrensd is door lijnen van ecologische duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. En waarin groei niet meer alleen gemeten wordt in welvaart, maar ook in welzijn, geluk, ecologie en gezondheid. Met ook nieuwe verdienmodellen, waarin je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, en waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Voor iedere sector van onze economie komen er wettelijke doelstellingen, instrumenten en financiering, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050.</p>
<p>Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kan een circulaire economie 10% afname van onze CO₂-uitstoot en 20% waterbesparing in de industrie opleveren, maar ook meer leveringszekerheid van grondstoffen (25% minder import van primaire grondstoffen), als ook ruim 50.000 nieuwe banen en zeven miljard euro extra voor de Nederlandse economie.</p>
<p>Dat vraagt wel een enorme transitie. Deze moet eerlijk en rechtvaardig plaatsvinden, opdat huishoudens met een laag en middeninkomen daar niet de rekening van betalen. Het moet hen financieel mogelijk gemaakt worden duurzaam te leven. Voor wat betreft de verduurzaming van woningen en het energiegebruik van huishoudens worden elders in dit programma voorstellen gedaan.</p>
<p>Een circulaire economie is veel meer dan alleen recycling. Het begint met zuiniger omgaan met grondstoffen door anders te denken over producten en productieprocessen. Is het product het beste antwoord op de behoefte en kunnen bij de productie minder of andere grondstoffen worden gebruikt? In het ontwerp van producten en diensten moet al rekening gehouden worden met hergebruik, reparatie en recycling. Er moet ook energie teruggewonnen worden uit materialen en afval storten en verbranding zonder energieterugwinning moet zoveel mogelijk worden voorkomen. We gaan de nieuwe ontwerp richtlijn voor reparatie en garantie al vooruitlopend in nationale regelgeving omzetten:</p>
<ul>
<li>Verplichte reparatie binnen wettelijke garantietermijn (verkopers moeten reparatie aanbieden);</li>
<li>Meer reparatie buiten wettelijke garantietermijn (consumenten krijgen recht op reparatie door producent bij technisch herstelbare producten);</li>
<li>Online reparatieplatform (moet het voor consumenten makkelijker maken in contact te komen met verkopers en producenten voor reparatie);</li>
<li>Europese kwaliteitsnorm voor reparatiediensten.</li>
</ul>
<p>Veel grondstoffen zijn onttrokken aan de aarde en opgeslagen in gebouwen, infrastructuur en in producten als televisies, folders en flessen. De gebouwde omgeving kan worden gezien als een mijn, waar kostbare grondstoffen uit kunnen worden herwonnen (urban mine). Materialen als papier, staal en glas worden al veel gerecycled. Maar er zijn nog meer materialen en producten die worden afgedankt, die kunnen worden hergebruikt en waaruit grondstoffen kunnen worden gerecycled. Afgedankte elektronica bijvoorbeeld bevatten veel zeldzame aard- en edelmetalen, die nog nauwelijks worden gerecycled.</p>
<p>Waar ook meer mee kan en moet is bij beton. De voorraad van beton in gebouwen en werken – zoals viaducten en bruggen &#8211; is enorm. Het vrijkomende beton wordt bijna volledig gerecycled, maar het overgrote deel van het materiaal verdwijnt in laagwaardige ophogingen en wegfunderingen. Bij de productie van beton komen echter veel broeikasgassen vrij en in dergelijke ophogingen kan ook zand of grind worden gebruikt. Belangrijke uitdaging voor de bouwsector is om de grote voorraad beton hoogwaardiger te recyclen. Oftewel meer toepassen in beton. Daarnaast kunnen architecten in de ontwerpfase beter inspelen op mogelijkheden van hergebruik van gebouwen en onderdelen daarvan. Bijvoorbeeld door modulair te ontwerpen, waardoor een gebouw makkelijk is af te breken in modules en onderdelen van een gebouw makkelijk kunnen worden hergebruikt.</p>
<p>Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten.</p>
<p>We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Deze vormen van landbouw leveren meerwaarde voor boer, dier, maatschappij, natuur en milieu. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030.</p>
<p>Daarbij is een hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) per 2020 met hogere kwaliteitsnormen nodig. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken.</p>
<p>Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.</p>
<p>Landbouw moet in 2040 geheel klimaatneutraal zijn. De uitstoot van CO₂, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.</p>
<p>We gaan niet een stikstofmarkt invoeren en veel belastinggeld besteden aan uitkoop van intensieve veeboeren en andere stikstof-uitstotende bedrijven, maar uitstoot van stikstof belasten en hen helpen – ook financieel – om zich om te vormen naar wel duurzame bedrijvigheid, met een duurzaam verdienmodel. Wij willen naar een volledige transitie naar kringlooplandbouw, met niet minder boeren maar met veel minder dieren, en overheidsbetaling voor natuur- en landschapsbeheer.</p>
<p>Wij willen dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen.</p>
<p>Het stikstofarrest van de Raad van State wordt direct en strikt uitgevoerd – niet door ontwijktrucs. We gaan versnellen in plaats van vertragen: 50% procent minder stikstofuitstoot en driekwart van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op een gezond niveau in 2025 in plaats van 2030, conform de eis van natuurorganisaties. Natuurvergunningen worden bij te hoge stikstofuitstoot ingetrokken, uitbreiding aantal dieren verboden, uitrijden van mest sterk beperkt. De betrokken boeren krijgen financiële en andere hulp om de transitie naar kringlooplandbouw en/of andere duurzame bedrijvigheid te kunnen meemaken, eventueel op een andere plek, of hun bedrijf te beëindigen. Als we dat niet doen zal heel Nederland op slot gaan met een geraamde schade van 100 miljard euro.<a href="#_ftn58" name="_ftnref58">[58]</a></p>
<p>In de industrie en mobiliteit gaan we stikstofuitstoot ook belasten. De grootste uitstoters gaan dicht of moeten fors krimpen (kunstmestfabrieken, hoogovens, Schiphol, etc.).</p>
<p>We bevorderen duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw wordt de norm. Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg.</p>
<p>Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw.</p>
<p>De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op zo kort mogelijke termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja en de toepassing van kunstmest.</p>
<p>Er moet een einde komen aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Intensieve veehouderij draagt bij aan de klimaatcrisis, de crisis in de biodiversiteit en vormt een ernstige bedreiging van onze gezondheid. Om nog maar niet te spreken over dierenwelzijn. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – met een krimp van tweederde ten opzichte van 2020 uiterlijk in 2030. Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s<a href="#_ftn59" name="_ftnref59">[59]</a> van de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen. De toekomst ligt in gemengd boerenbedrijf met natuurinclusieve akkerbouw, voedselbossen en extensieve veeteelt, gecombineerd met betaald natuur- en landschapsbeheer en andere, niet-vervuilende bedrijvigheid (zoals zorgboerderijen). Plantaardige vervangers van dierlijke producten krijgen Btw-verlaging of zelfs vrijstelling, de Btw op dierlijke producten waarvoor plantaardige vervangers zijn gaat omhoog. Veevoer gaat genormeerd worden naar uiteindelijk zonder ingevoerde soja en kunstmest.</p>
<p>De Nederlandse intensieve veehouderij wordt vaak genoemd als voorbeeld voor de rest van de wereld. Onze productiemethoden zijn geperfectioneerd op efficiëntie en het dierenwelzijn is ondanks bovenstaande misstanden beter dan in veel andere landen. Maar dat het elders nog slechter is, kan geen excuus zijn om weg te kijken. Als gidsland en als een van de grootste producenten ter wereld van vlees en zuivel, moet Nederland streven naar een voorbeeldfunctie wat betreft duurzaamheid, volksgezondheid en dierenwelzijn.</p>
<p>De normen voor dierenwelzijn moeten fors worden verhoogd en strak gehandhaafd. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen. Weidegang voor koeien en voldoende buitenruimte voor varkens en pluimvee worden wettelijk verankerd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen mishandeling op slachterijen en verplicht pijnloos slachten (en geen uitzondering voor religieus slachten); geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden, en zeker niet bij temperaturen boven 22 graden Celsius.</p>
<p>Er komt een verbod op het houden en fokken van (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht. Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.</p>
<p>Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt. Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren.</p>
<p>Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector (als onderdeel van een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid), opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Slachthuizen worden permanent gevolgd met camera’s. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit.</p>
<p>Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau. De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis.</p>
<p>Er moet verder onderzoek plaatsvinden naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. In een toekomstige zoönose-uitbraak (ziekte die overdraagbaar is van dier op mens, zoals Q-koorts en covid), stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, hierom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken.</p>
<p>We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Verkoop van gewassen, planten en bloemen die met pesticiden gekweekt zijn wordt in Europa eveneens verboden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Pesticiden veroorzaken ernstige ziektes bij mensen op en rondom de boerderijen en bijv. de bloembollenvelden, zoals Parkinson en leukemie.</p>
<p>Een progressieve belasting op pesticiden (zolang er nog geen Europees verbod is) en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop.</p>
<p>Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid. We zijn tegen het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven. We blijven het voorzorgprincipe hanteren tegen genetische modificatie van gewassen.</p>
<p>Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren en verzet tegen verscherping staken. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. Zo belonen we de innovatieve vissers. Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis. Bodemberoering voor visserij (zoals bij platvis en garnalen) wordt verboden.</p>
<p>Plezierjacht wordt verboden. Beheersjacht wordt alleen onder strenge voorwaarden toegestaan bij ernstige schade of bedreiging van de volksgezondheid of veiligheid, wanneer alternatieven hebben gefaald. Stroperij is niet alleen internationaal, maar ook in Nederland een probleem. We willen een harde aanpak van de stroperij, met hoge boetes en een goede pakkans door voldoende groene buitengewone opsporingsambtenaren. Nederland zet zich in tegen de stroperij van en handel in wilde dieren en planten.</p>
<p>Er worden steeds meer innovatieve alternatieven ontwikkelt voor dierproeven. Wij staan achter de ambitie om Nederland in 2025 wereldleider in proefdiervrije innovatie te maken. Daartoe wordt een actieplan opgesteld.</p>
<p>We willen wettelijk vastleggen welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. Die zogenaamde positieflijst bestaat al voor zoogdieren, maar voor ander categorieën zoals vogels, vissen en reptielen gaan we dit ook vastleggen.</p>
<p>In de nationale visie op de ruimtelijke ordening krijgen naast de volkshuisvesting de duurzaamheidstransities en -adaptaties (klimaat, circulariteit, biodiversiteit en schone lucht/bodem/water) prioriteit. We sluiten aan bij de visie van wetenschappers van de Universiteit Wageningen.<a href="#_ftn60" name="_ftnref60">[60]</a> De kaart van Nederland kleurt daarin opvallend groen; er is geen plaats ingeruimd voor kerncentrales, agroparken of varkensflats. Dat komt doordat de onderzoekers hebben gezocht naar natuurlijke oplossingen voor de problemen waarmee Nederland wordt geconfronteerd: de klimaatopwarming, de stijging van de zeespiegel, de afbraak van biodiversiteit. We stellen een – periodiek te actualiseren – bindende visie vast met hoe ons land er eind deze eeuw moet uitzien met tussendoelen.</p>
<p>‘<em>Wij gaan uit van processen die met de natuur meewerken, niet daartegenin’</em>, zegt ecoloog Wieger Wamelink. De zeespiegelstijging wordt opgevangen met een robuustere duinenrij, boeren gaan over op kringlooplandbouw, bredere rivieren voeren hoogwaterpieken af, bossen vangen CO<sub>2</sub> op. Het is een optimistische visie waarin haalbare mogelijkheden worden gegeven om de dreigende crises op te vangen, van zeespiegelstijging, verdroging, extreme regenval, afnemende biodiversiteit, vervuiling van bodem, (drink)water en atmosfeer, risico op zoönoses, woningnood tot regionale ongelijkheid.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1577" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-38-260x300.jpg" alt="" width="260" height="300" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-38-260x300.jpg 260w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-38.jpg 763w" sizes="(max-width: 260px) 100vw, 260px" /></p>
<p>De veranderopgaven in Nederland moeten slim gecombineerd worden. De keuzes die we maken voor het toekomstbeeld voor 2120 zijn daarom gebaseerd op vijf principes die elkaar versterken:</p>
<ul>
<li><em>Natuurlijk systeem aan de basis.</em> Het bodemtype, de hoogteverschillen en de watersystemen in Nederland zijn bepalend voor de toekomstige ruimtelijke inrichting. Het natuurlijke systeem is uitgangspunt voor de oplossingen die aangedragen worden voor een klimaatbestendig en biologisch divers Nederland.</li>
<li><em>Optimaal benutten van water. </em>Om de biodiversiteit en kwaliteit van de natuurlijke omgeving te vergroten en elke druppel water optimaal in te zetten, moet ons watermanagement gericht zijn op het maximaal vasthouden, benutten, bergen en dan pas afvoeren van water.</li>
<li><em>Natuurinclusieve samenleving. </em>Bij alle keuzes op het gebied van energie, landbouw, circulaire economie, leefbaarheid, verstedelijking en watermanagement, houden we rekening met de natuur. We kijken naar de gevolgen van menselijk handelen voor natuur, het beschermen <em>‘oude natuur’</em> strikt(er) en zetten in op natuurlijke processen, mogelijk in combinatie met technische oplossingen. We zien ruimte voor het ontstaan van nieuwe natuur, maken optimaal benut van de baten voor de mens (ecosysteemdiensten) en werken aan ecologische verbindingen die flora en fauna helpen hun verspreiding te verschuiven.</li>
<li><em>Circulaire economie. </em>Een natuurlijkere toekomst voor Nederland is gebaseerd op het principe dat het land over 100 jaar niet alleen klimaatneutraal is, maar zelfs klimaatpositief waarmee we meer broeikasgassen willen vastleggen dan uitstoten. Dat vraagt om een transitie richting een circulaire economie gericht op duurzaamheid, met een focus op de dienstensector en een sterk ontwikkelde kringlooplandbouw. Ook op zee.</li>
<li><em>Meebewegende (adaptieve) ruimtelijke inrichting. </em>De noodzakelijke aanpassingen aan de gevolgen van klimaatverandering, de energietransitie, en verdere verstedelijking, leiden tot sterke veranderingen in de (natuurlijke) omgeving en biodiversiteit. Om een veilige, leefbare, welvarende en duurzame toekomst te garanderen, moet Nederland slim met de natuur meebewegen en natuurlijke processen optimaal benutten in de ruimtelijke inrichting, zoals bijvoorbeeld door Bouwen met Natuur oplossingen voor hoogwaterveiligheid.</li>
</ul>
<p>De manier waarop we het land (en wateroppervlak) inrichten en gebruiken hangt in de eerste plaats af van wat de natuur kan dragen. Het ene gebied leent zich voor een slimme combinatie van landbouw en energieopwekking, in andere delen gaat verstedelijking samen met de ontwikkeling van nieuwe natuur. Weer elders verdient het beschermen van bestaande natuur voorrang en wordt niet gekozen voor meervoudig landgebruik. Dit leidt tot de volgende contouren voor het Nederland naar waar we moeten streven voor het jaar 2120:</p>
<ul>
<li><em>Blauwgroen landschap: </em>De stedelijke omgeving en het agrarisch landschap worden dooraderd met blauwgroene landschapselementen, zoals groenbuffers langs rivierstromen en stedelijke bossen. Dit maakt het landschap niet alleen visueel aantrekkelijk, het vergroot het areaal natuur, bos en open water, het vergroot de biodiversiteit en laat ons profiteren van ecosysteemdiensten. Zo levert het verkoeling, vruchtbare bodems en mogelijkheden voor recreatie.</li>
<li><em>Circulaire landbouw</em>: De Nederlandse landbouw is in 2120 volledig circulair. Rond de steden komen er meer bomen die voedsel leveren en voedselbossen, die naast voedselproductie, van belang zijn voor het vastleggen van koolstof en het leefklimaat in de stad. Landbouw, tuinbouw en veehouderij spelen slim in op verzilting, vernatting en weersextremen. De producenten hebben zich bovendien aangepast aan het veranderende voedingspatroon van de Nederlander, dat flexitarisch dan wel vegetarisch is. Insecten en zeewier staan al een tijd op het menu. Het totaal aan landbouwgrond is in 2120 gehalveerd ten opzichte van nu en de veehouderij is dan tot een derde van de productie geslonken. Een deel van de voedselproductie is verplaatst naar zee.</li>
<li><em>Biobased </em>economie: Nederland heeft zich ontwikkeld tot een klimaatneutraal, zelfs klimaatpositief land. De Nederlandse economie van 2120 is gericht op duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en ecosysteemdiensten. Biobased producten en energie worden gemaakt uit biomassa. De uitstoot van broeikasgassen wordt massaal teruggedrongen en CO₂ wordt maximaal vastgelegd in bossen, bodems, grasland en natte natuur. Het areaal bossen is verdubbeld in 2120 ten opzichte van nu. Bodems zijn vruchtbaar, nemen veel water op en houden het vast om later te benutten. Afval bestaat niet meer als zodanig, maar is dé nieuwe grondstof: vrijwel alles dat we gebruiken, wordt opnieuw gebruikt. Energie is goedkoop en duurzaam en wordt volledig opgewekt door zon, wind, aardwarmte en biomassa.</li>
<li><em>De stad</em>: In 2120 is het stedelijk oppervlakte van Nederland toegenomen. Steden produceren meer energie en water dan ze verbruiken. Ze fungeren als spons en zijn maximaal groen en blauw voor optimale leefbaarheid en verkoeling. Ook de gebouwen zijn natuurinclusief en houtbouw is gemeengoed. Gezuiverd afvalwater uit steden wordt gebruikt voor drinkwater, proceswater voor industrie en irrigatie voor de landbouw. Regenwater wordt optimaal benut. De laatste decennia voor 2120 is de watervraag in heel Nederland afgenomen door waterbesparende teeltvormen en waterbesparende maatregelen. Het rivierengebied biedt – naast ruimte voor water en natuur – ook plaats aan drijvende woningen. Op de klimaatdijken langs de rivieren, die veel breder zijn dan de dijken die we nu kennen, kunnen woningen worden gebouwd en kan energie worden opgewekt.</li>
<li><em>Beleid</em>: Beleidskeuzes worden getoetst op hun effecten op de natuur en biodiversiteit. Natuur als leidend principe is verankerd in mens en wet. Integraal afwegen en natuurinclusief werken is de norm. Internationale afspraken wegen zwaar mee. Van vrijblijvendheid is geen sprake meer.</li>
</ul>
<p>Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten. We investeren in het aaneensluiten van het netwerk van alle natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, versneld en in volle omvang. Er komen twee grote natuurgebieden in Nederland bij: de Markerwadden en het Oostvaarderswold in Flevoland. Het NP De Utrechtse Heuvelrug wordt verdubbeld. Daarnaast worden nieuwe nationale landschappen aangewezen. Er wordt meer en meer divers bos aangelegd, ook om aan de CO₂-reductie doelstellingen te voldoen, maar ook voor bosbouw voor duurzame bouw. Het bosareaal in Nederland (nu 11 procent van het landoppervlak) wordt verdubbeld, conform de aanbevelingen van de Wageningse onderzoekers. Bomen worden vooral bijgeplant op de Veluwe, in Noordoost-Nederland, de Achterhoek en Noord-Brabant. Ook voedselbossen in en rond de steden. Er komt een Autoriteit Boom- en Bosbeheer die toestemming moet geven indien er bomen gekapt worden.</p>
<p>De kustlijn inclusief duinen en aangrenzend natuurgebied houden we puur; bebouwing wordt uitgesloten. In natuurgebieden zoals de Noordzee, de Waddenzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Delta is geen plaats voor schadelijke economische activiteiten als gasboring, zandsuppletie (met uitzondering voor versterking van de duinenkust, zie verderop in deze notitie) of landaanwinning. De Westerschelde wordt niet meer verder verdiept. Dertig procent van de Noordzee wordt zee-reservaat, gesloten voor visserij en andere schadelijke activiteiten. Om de Waddenzee beter te beschermen, komt er één beheerder voor de Waddenzee.</p>
<p>In bestemmingsplannen komt de mogelijkheid om waardevolle landschappen met natuurinclusieve landbouw te beschermen naar analogie van waardevolle dorps- en stadsgebieden en stedelijke monumenten. Daarbij kunnen de eigenaren of beheerders subsidie krijgen.</p>
<p>De toegankelijkheid van natuurgebieden voor wandelaars, fietsers en ruiters wordt gewaarborgd, daar waar en wanneer dat ecologisch verantwoord is. Rond steden ontwikkelen we meer groene recreatiegebieden. Waarden als stilte, nachtelijke duisternis en de weidsheid van het landschap worden beschermd. Om waardevolle, open gebieden te behouden moet bebouwing in die gebieden duurder worden. Daarom wordt een openruimteheffing ingevoerd.</p>
<p>De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt, waarbij Staatsbosbeheer weer wordt genationaliseerd en geen winst meer hoeft te maken met bosbouw. Natuur verhuist van het ministerie Economische Zaken naar een apart klimaat, natuur en milieuministerie.</p>
<p>Bescherming van biodiversiteit en het behoud en terugkeer van bijzondere flora en fauna worden bevorderd. Bijen en weidevogels krijgen speciale aandacht. De zalm keert weer terug in onze rivieren. Wolven en lynxen krijgen de ruimte – als toppredatoren beheren zij de wildstand in plaats van de jacht. Houders van gedomesticeerde dieren krijgen vergoeding bij schade door deze predatoren mits zij voldoende beschermingsmaatregelen hebben getroffen – waarvoor subsidie beschikbaar is.</p>
<p>We beschermen ons land tegen overstromingen en wateroverlast, waar mogelijk door rivieren meer ruimte te geven en hun natuurwaarden te versterken, in plaats van dijken te verzwaren. Tegen langdurige droogte wordt geïnvesteerd in meer wateropslag, minder verstening, minder intensief watergebruik en minder waterverspilling. Ook in de stad komt er meer groen en stadslandbouw wordt bevorderd. Bevers, otters en dassen blijven beschermd, maar kunnen verplaatst worden bij bedreiging van essentiële infrastructuur (dijken, spoorwegen).</p>
<p>De zeespiegel zal in onze Noordzee eind deze eeuw tot zeker 1,2 meter stijgen ten opzichte van nu als de temperatuurstijging wereldwijd niet tot beneden 1,5 graad ten opzichte van 1990 wordt gebracht. Die kans dat dat niet gebeurt is bijna al uitgesloten. Integendeel, bij ongewijzigd beleid schieten we daar ver over heen. De eerder genoemde Wageningse onderzoekers rekenen met 1,5 meter zeespiegelstijging, het KNMI houdt rekening met 2 meter als het smelten van de ijskap op Antarctica versnelt – waar vele signalen reeds op wijzen. Zonder aanpassingen aan deze zeespiegelstijging zullen de duinen en dijken in Zeeland en Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Groningen (samen ongeveer de helft van ons land) grote risico’s lopen op doorbraken – ook bij rivierdijken door opstuwing door de zee; zullen grote delen van de Randstad, Zeeland en het Noorden verzilten of veranderen in moerasgebieden – doordat in deze lage gebieden na zware regenval het water niet meer weggepompt kan worden; en komen uiterwaarden meer en langer onder water te staan – de wateroverlast zal steeds verder stroomopwaarts kruipen. Zonder stevigere dijken kunnen Zeeland, Zuid-Holland en Flevoland lange tijd onder water komen te staan als dijken doorbreken of overspoelen, net als de gebieden rond de rivieren. Het duurt dan erg lang &#8211; eerder een jaar dan een maand &#8211; om het water weer weg te pompen.<a href="#_ftn61" name="_ftnref61">[61]</a> De Waddeneilanden zullen deels verdwijnen en gaan <em>&#8216;wandelen&#8217;</em> richting de kust. De Waddenzee zal nooit meer beloopbaar zijn. &#8220;<em>Aan de Noordzeekant schuren de eilanden door de stijgende zeespiegel af en dat zand slaat in de Waddenzee neer. Zo verschuiven de eilanden dus richting onze kust. Bij 5 meter stijging zullen ze ook kleiner worden. Daar wil je dan niet meer op wonen. De Waddenzee &#8216;verzuipt&#8217;, de biodiversiteit daar verdwijnt.&#8221; </em></p>
<p>Om de zeespiegelstijging op te vangen, wordt de natuurlijke duinvorming langs de kust gestimuleerd, conform de aanbeveling van de Wageningse onderzoekers. Ter bescherming van de Nederlandse kust worden hybride dijken aangelegd van natuurlijke oorsprong, zoals duinen en schelpdierbanken en wordt zand opgespoten (zandsuppletie). Hoe hoger de stijging van de zeespiegel, hoe meer zand opgespoten moet worden. Voor een absolute stijging van anderhalve meter is jaarlijks gemiddeld 46 miljoen kuub zand nodig, bijna vier keer zoveel als er nu gesuppleerd wordt. Dit wordt gewonnen uit de zeebodem, in langgerekte geulen op meer dan twintig meter diepte. Golven nemen het zand mee naar het strand waar de wind het tegen de duinen plakt. Duinen zijn prachtige zeewaterkeringen. Het is een zelfhelend systeem.</p>
<p>Door de zeespiegelstijging zal de stormvloedkering in de Oosterschelde vaker dicht moeten. Terwijl de getijdenwerking in de Zeeuwse wateren essentieel is. Die getijdewerking gaan we door de achterdeur binnenhalen met een open doorgang naar de Westerschelde bij de Kreekraksluizen onder Bergen op Zoom. Dan krijg je een gedempt getij.</p>
<p>We moeten in Nederland meer met minder land en meer met water gaan doen, onder andere door de bodem, de waterkolom en het wateroppervlak van de Noordzee verder te benutten. De Noordzee heeft Nederland veel te bieden. Het is niet alleen een grote producent van hernieuwbare energie, maar ook van eiwitten uit zeewier, schelpdieren en vis. De energie- en voedselwinning in het Noordzeegebied wordt gecombineerd met natuurontwikkeling. Afhankelijk van de hoofdfunctie die een bepaald deelgebied van de Noordzee heeft, bijvoorbeeld bescherming van de zeebodem, is een andere vorm van gebruik er niet toegestaan als dat die de hoofdfunctie verstoort. De Noordzee leent zich uitstekend voor de productie van duurzame energie, door windmolen- en zonneparken op zee. Langs de fundamenten van de windmolenparken kunnen natuurlijke rifbouwers, zoals de platte oester en de zandkokerworm, werken aan kunstmatige riffen waar verschillende plant- en diersoorten goed gedijen. Op de fundamenten van de installaties die in de vorige eeuw voor olie- en gaswinning zijn gebruikt, worden drijvende eilanden ontwikkeld voor de opslag van waterstof in oude gasvelden. Drijvende eilanden, waarop ook havens, ICT-infrastructuur en zonneparken worden aangelegd, hebben het grote voordeel dat ze meebewegen met de zeespiegel, verplaatsbaar en weer te verwijderen zijn. In 2120 eten mensen veel minder eiwitten van runderen en varkens, wat de voedselproductie in en op zee een flinke boost geeft. In de Noordzee worden – met name bij de windmolenparken – mosselen, platte oesters en zeewier gekweekt (aquacultuur). De visserij is volledig duurzaam; bijvangst en bodemverstoring blijven tot een minimum beperkt. Scheepvaart is in 2120 een van de duurzaamste vormen van transport. Schepen varen met ondersteuning van wind op batterijen en produceren nauwelijks meer onderwatergeluid. Potentiële verontreiniging van de Noordzee wordt direct bij de bron aangepakt en dankzij verbeterde waterzuiveringsinstallaties komen nauwelijks nog schadelijke stoffen in het zeewater terecht. Door stijging van de watertemperatuur begroet de Noordzee nieuwe zuidelijke zoogdieren en vissoorten, zoals de tuimelaar, gestreepte dolfijn, blauwe haai, zeebaars en zonnevis. Het aantal noordelijke soorten neemt af of verplaatst naar diepere wateren. De biodiversiteit in de kustzone is in 2120 rijker dan in de eeuw daarvoor. Soorten als mul, goudbrasem, ansjovis, zeebaars, bruinvis, tuimelaar en bultrug komen algemeen voor en ook de zeearend heeft er zijn plek gevonden. Door een verbreding van de riviermondingen waar zoet rivierwater en zout zeewater zich mengen, ontstaan nieuwe leefgebieden voor planten en dieren. De kust is ook over honderd jaar nog een enorme toeristische trekpleister. Natuur en recreatie worden er meer en meer duurzaam gecombineerd bij vervanging van oude woningen. Extra recreatiewoningen mogen in de kustgebieden niet meer gebouwd worden.</p>
<p>Door actief natuurbeheer wordt de biodiversiteit van de Waddenzee (Werelderfgoed) zo goed mogelijk behouden. Voor de tientallen wadvogelsoorten zijn rust-, rui- en broedgebieden en ook foerageergebieden aangelegd. Geholpen door een stijging van de zeewatertemperatuur laten zuidelijkere soorten als de tapijtschelp, het kortsnuitzeepaardje, de flamingo, tuimelaar, stekelrog en pijlstaartrog zich meer en meer zien in het Waddengebied. Een deel van de westelijke Waddenzee komt in 2120 bij eb niet meer droog te liggen. Door de zeespiegelstijging verdrinken een aantal wadplaten permanent. Om de ernstige gevolgen tegen te gaan voor visetende vogels die op de wadplaten broeden en voor zeehonden die er hun jongen werpen en zogen, worden vogeleiland Griend (ten zuidwesten van Terschelling) en andere wadplaten opgespoten. Tussen Vlieland en Texel vallen nog wel wadplaten droog; hier zijn veel vogels te vinden. Het opspuiten van slik bij Balgzand (de grootste wadplaat, ten oosten van Den Helder) beschermt de kust en zorgt voor behoud van de vogelrijkdom. In het oostelijk Waddengebied komen, ondanks de zeespiegelstijging, bij eb nog veel platen droog te liggen. Op de eilandkoppen en in de buitendelta’s liggen grote zandophopingen die door de stroming meegevoerd worden richting Waddenzee. Door de aanwas en erosie die de stijging van de zeespiegel veroorzaakt, wandelen de eilanden richting het zuidoosten. De vastelandskust van Friesland en Groningen kenmerkt zich door brede waterkerende landschappen in plaats van dunne dijken. We komen er wadplaten, kwelders (begroeide buitendijkse gebieden), brede dijken en kruidenrijke vegetatie tegen die overgaan in moerassen tussen dubbele dijkzones. In binnendijkse brakke gebieden vindt zilte teelt plaats.</p>
<p>De zuidwestelijke delta, waar Zeeland deel van uitmaakt, is in 2120 ruimtelijk sterk veranderd. Het is een groene oase te midden van Nederlandse en Belgische beboste steden. De duinen aan de Noordzeekust zijn in omvang verdubbeld. Dubbele dijken garanderen de veiligheid van de inwoners. Zoetwaterlandbouw en zouttolerante landbouw hebben er elk hun eigen plek. Door vernatting en het oprukkende zoute water bieden zilte teelt en aquacultuur (schelpdier en zeewier) een volwaardig nieuw landbouwperspectief. Landbouwgronden hebben er plaatsgemaakt voor dubbele dijksystemen. Het land tussen de dijken wordt onder meer ingezet voor schelpdier- en zeewierteelt. De zoet-zoutwaterovergangen in het gebied zijn behouden, wat een gunstig effect heeft op de biodiversiteit. Door afzetting van slib groeit het land mee, wat bijdraagt aan de natuurontwikkeling en waterveiligheid. In de monding van de Oosterschelde is een nieuwe stormvloedkering aangelegd die meer dynamiek van het water toestaat en de aanwas van platen en slikken (wadden) mogelijk maakt. Op plaatsen waar van meegroeien geen sprake is, wordt de aangroei gestimuleerd met zandpuffers (kleine zandopspuitingen). Door een verbinding met de Westerschelde bevindt zich meer slib in het systeem en dat betekent meer voedingsstoffen. Flora en fauna profiteren hiervan. Om de migratieroutes voor vissen te bevorderen, is de Oosterschelde door een zoet-zout overgang verbonden met het Volkerak-Zoommeer. Deze brakke of zoet-zoutovergangszones zijn een aantrekkelijke leefomgeving voor bijzondere flora en fauna. Grevelingen en Haringvliet zijn verbonden met de Noordzee en rivieren, waardoor zoet-zoutovergangen hersteld zijn en vissen er ongehinderd hun weg vinden van zee naar rivier. Dit heeft een positief effect op de populaties van vele vissoorten, waaronder verschillende soorten roggen en haaien, de steur, de paling en de zalm. De biodiversiteit in het gebied is toegenomen en er heeft zich een rijke, gevarieerde natuur ontwikkeld.</p>
<p>De Noord-Nederlandse kleigronden lenen zich uitstekend voor hoogwaardige kringlooplandbouw. Zoetwaterbekkens slaan het overtollige regenwater in de winterperiode op zodat het in de droge zomerperiode benut kan worden. Oprukkend zout water wordt met aparte waterlopen slim gescheiden van zoet water. Ook worden zoete stuwen ingezet om het zwaardere zoute water van het zoete te scheiden. Brede waterkerende landschappen garanderen de waterveiligheid in het gebied. In de meest kwetsbare laaggelegen gebieden fungeren dubbele dijken als verdediging. Hiertussen zet de zee slib af, waardoor de dijken meegroeien. Elders worden de waterkeringen aan de binnenzijde voorzien van natte moeraszones die zowel water voor de landbouw vasthouden als tegendruk bieden aan hoge zeewaterstanden.</p>
<p>In het westen van Nederland liggen in 2120 uitgestrekte veenmoerassen en grote wateren met natte teelten rond stedelijke enclaves. Dit zijn visueel aantrekkelijke gebieden en toeristen komen er graag. De voormalige rivierbeddingen lopen als groene linten door de natte veenweidegebieden en worden zeer gevarieerd gebruikt, voor zowel recreatie als kleinschalige stadslandbouw.</p>
<p>Nederland loopt in 2120 voorop op het gebied van natte (en zilte) teelten. De natte teelt levert onder meer riet, moerasbos, veenmos en cranberries, vormt geschikt leefgebied voor waterbuffels en draagt daarmee bij aan de productie van biomassa, vezels, isolatie- en constructiemateriaal, potgrond, medicijnen, veevoer, vlees en kaas. De inwoners van Noordwest-Europa eten minder vlees, waardoor minder grond nodig is voor melkveehouderij. De melkveehouderij heeft hierop op het juiste moment ingespeeld door samenwerking te zoeken met tuinbouw, aquacultuur en agrarisch natuurbeheer. Vernatting van de veenweidegebieden zorgt voor een natuurlijke tegendruk tegen zoutindringing, bodemdaling en veenoxidatie. Ook creëert het kansen voor nieuwe aangroei van veen voor de opslag van broeikasgassen. Het massaal doorspoelen van polders met kostbaar zoet water is niet meer nodig.</p>
<p>Er komt een nieuwe infrastructuur op poten te staan, waardoor het geen barrière meer vormt in de natuurlijke systemen en waterstromen. Het is volledig afgestemd op extremen en zo ontworpen en ingericht dat het in tijden van nood optimaal functioneert als evacuatienetwerk. In de polders is een multifunctioneel groenblauw netwerk gerealiseerd ten gunste van natuurlijke plaagbestrijding, gewasbestuiving en waterbuffering in geval van extreem weer.</p>
<p>Rond de steden komen er opvangbekkens voor water en groene gordels met (voedsel-)bossen, ook voor natuur en recreatie.</p>
<p>Door de klimaatopwarming zal het weer vaker extremen vertonen. Om hoogwaterpieken door overvloedige regenval beter op te kunnen vangen, krijgen de rivieren meer ruimte. Als rivieren door hoge zeespiegelstanden niet meer kunnen afvoeren, bieden de uiterwaarden ruimte voor berging. De rivieren hebben in 2120 een steeds grotere variatie in afvoer. Zo zal de IJssel extreem grote hoeveelheden water van de Rijn naar het noorden voeren. Het rivierbed van de IJssel is daarvoor in breedte verdubbeld. Om de extreme afvoer van de Maas op te vangen, worden de Maaskades verwijderd, waarna het hele Maasdal weer kan mee stromen. Woningen die te vaak onder water kwamen, zijn gesloopt. Deze ontwikkeling van IJssel en Maas is goed voor het herstel van de Nederlandse biodiversiteit. Ook gunstig is dat de dijken van de overige rivieren hierdoor niet verhoogd hoeven te worden. Door het verhogen van het waterpeil in de moerassige zones die aan de binnenzijde van de dijken zijn aangelegd, ontstaat tegendruk bij hoge rivierstanden. Deze brede zones kunnen bovendien water opslaan en vergroten ook de biodiversiteit. De vruchtbare rivierkleigronden bieden mogelijkheden voor kringlooplandbouw. Naast melkveehouderij ontstaat er ruimte voor akkerbouw en fruitteelt. De Maas en de Waal worden (weer) met elkaar verbonden.</p>
<p>De Biesbosch is uitgebreid naar het westen en oosten, wat de wateropvangcapaciteit van het gebied heeft vergroot. Dit is nodig vanwege hogere rivierafvoeren, de hogere zeespiegel en het openstellen van onder meer Grevelingen en Haringvliet. De Biesbosch is topnatuur geworden met paaiplaatsen voor fint en broedlocaties voor de visarend. Geholpen door de temperatuurstijging laten ralreiger en kroeskoppelikaan zich hier ook weer in Nederland zien. In delen van de Biesbosch is plaats voor extensieve (vlees)veehouderij.</p>
<p>Door het aanleggen van ‘<em>vooroevers’</em>, langgerekte eilanden langs de kust, worden de dijken beschermd en krijgt het IJsselmeer twee peilstanden: een vast peil voor de scheepvaart langs de randen en een dynamisch peil in het midden. Dat is goed voor de natuurontwikkeling. Tussen de Noordoostpolder en het vaste land wordt een nieuw randmeer aangelegd. Dat gebeurt om te voorkomen dat aangrenzende natuurgebieden zoals de Weerribben verdrogen. Destijds bij de aanleg van de polder is dat vergeten. Het zand voor de oevers dat uit het IJsselmeer gewonnen is, heeft diepe koele geulen gecreëerd waar spiering zich in hete zomers kan terugtrekken. Het IJsselmeer is en blijft een belangrijke zoetwatervoorraad voor drinkwater en hoogwaardige landbouw. Wel is de watervraag in de decennia voor 2120 in heel Nederland afgenomen, onder meer door waterbesparende teeltvormen en waterbesparende maatregelen in industrie en huishoudens. De zee en de IJssel bepalen het peil en de condities van het IJsselmeer. De Afsluitdijk blijft bestaan, de Houtribdijk (tussen Lelystad en Enkhuizen) wordt opgeknipt, waardoor eilandjes ontstaan met bruggen ertussen. In de monding van de IJssel is een zoetwaterdelta ontwikkeld.</p>
<p>Op de Noordzee komen windmolen- en zonneparken die energie leveren. Voormalige booreilanden worden gebruikt voor de opslag van CO<sub>2</sub> en de productie van waterstof, een andere duurzame energiebron. Op en rond windmolenparken is ruimte voor aquacultuur: de teelt van oesters, mosselen en zeewier als nieuwe bron van eiwit.</p>
<p>Eilanden in zee bieden plaats aan industriële activiteiten en transport. Bij Rotterdam bijvoorbeeld kan een drijvende haven worden aangelegd voor de overslag van lading van grote zeeschepen op kleinere vaartuigen. Delen van de Noordzee worden natuurgebied, de visserij is volledig duurzaam.</p>
<p>Het groeiend aantal Nederlanders – in de toekomstvisie van de Wageningse onderzoekers wordt uitgegaan van 20 miljoen inwoners in 2120 – zal vooral worden gehuisvest in steden in Oost-Nederland en Brabant. Niet in de Randstad, die kampt met bodemdaling en kwetsbaar is voor overstromingen als de zeespiegelstijging doorgaat. Nieuwe economische centra worden niet meer in de Randstad ontwikkeld, maar op de hoger gelegen zandgronden; verdere groei van de woon-werkgebieden verschuift geleidelijk  richting het oosten van het land. Dit versterkt de samenwerking met aangrenzende Duitse deelstaten, met name op het gebied van arbeidsparticipatie en onderwijs. Dit leidt tot meer economische activiteit en meer verstedelijking. We investeren extra in grensoverschrijdend vervoer in de grensregio’s en er komt een apart gekozen bestuur voor deze grensregio’s met eigen bevoegdheden. In plaats van de Randstad gaan we de groei vooral laten plaatsvinden in Twente, de Achterhoek, Drenthe, Brabant en Limburg. Langs de rand van de Maas in Noord-Brabant is op de kaart een stedenrand ingetekend; de <em>Randzandstad</em>. Die bestaat vooral uit kleinere steden. Voor een metropool als Londen is in Nederland geen plaats. Nederland is een land van kleine steden, daar zijn mensen gelukkiger. De Randstad blijft desalniettemin een belangrijk brandpunt van economische en sociaaleconomische ontwikkeling (vanwege de haven-, kennis-, logistieke en bestuurlijke functie van dit deel van Nederland). De steden zelf worden natuurlijker ingericht met groene daken, bomen en waterpartijen. Daarmee wordt verkoeling in de stad gebracht. Het ontwerp van steden is niet meer gebaseerd op wat bouwtechnisch mogelijk is, maar is circulair en gaat uit van natuurlijke processen, met veel aandacht voor het optimaliseren van de leefbaarheid en klimaatbestendigheid. Voor de bouw wordt vooral hout gebruikt, als duurzame vervanger van beton. Regenwater wordt maximaal opgevangen: op en in gebouwen, in tuinen en in de groene openbare ruimte. De kwaliteit van landschap, natuur en recreatie nemen toe en de waterveiligheid van Nederland blijft gegarandeerd. Tussen stad en buitengebied worden betere groenblauwe verbindingen ontwikkeld. Bovendien wordt het stedelijk gebied bebost en met bos, waaronder voedselbos en <em>agroforestry</em>, omzoomt. Niet alleen met het oog op recreatiemogelijkheden en biodiversiteit, maar ook om het hitte-eiland-effect in de stad te verminderen. Veel open water in en om de stad is van belang voor watermanagement in de stad, en draagt ook bij aan de leefomgeving van de stadsbewoners en het klimaat in de stad. Meer welzijn, minder fijnstof is het credo.</p>
<p>Zoveel mogelijk voedsel voor een zo laag mogelijke prijs en een redelijk inkomen voor de boer; dit was meer dan een halve eeuw de strekking van het Nederlandse en Europese landbouwbeleid. Nederland heeft zich daarmee ontwikkeld tot de tweede agrarische exportnatie ter wereld. Maar om aan de milieu- en klimaatafspraken én de toenemende vraag naar voedsel en andere agrarische producten en grondstoffen te voldoen, is een drastische koerswijziging nodig. De toekomst van de Nederlandse land-, tuin-, bosbouw en veehouderij wordt volgens de Wageningse onderzoekers bepaald door:</p>
<ul>
<li><em>Kringlooplandbouw: </em>zuinig gebruik van grondstoffen en energie, lage belasting van klimaat, milieu en natuur en een goede opbrengst voor de boer.</li>
<li><em>Natuurvriendelijke veehouderij: </em>kleinere veestapel, emissiearme stallen, natuurvriendelijke mestverwerking, nieuwe technieken voor mestopslag en bemesting en aanpassing van diervoeding voor een uitstootreductie van methaan.</li>
<li><em>Precisielandbouw: </em>minder mest op de akkers, veelvuldiger gebruik van groene meststoffen, minder ploegen, meer permanent gras en meer planten die CO2 vasthouden.</li>
<li><em>Energiezuinige glastuinbouw: </em>energiebesparende technieken, omschakeling van gas naar duurzame energie en hergebruik van energie.</li>
<li><em>Klimaatslim en natuurinclusief beheer </em>van venen, bossen en akkers: onder water zetten van veengebieden, bebossen van gronden, teelt van droogte- en zouttolerante gewassen en het maximaal vastleggen van koolstof in landbouwbodems.</li>
</ul>
<p>De vruchtbare kleigronden in Zeeland, de polders, Noord-Holland, Friesland en Groningen behouden hun bestemming als akkerbouwgrond. Hier zullen vooral gewassen worden geteeld voor menselijke consumptie. Het is zonde om op vruchtbaar land gras te laten groeien voor koeien. Het areaal landbouwgrond (nu 54 procent van het landoppervlak) wordt gehalveerd. Dat wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de uitbreiding van de voedselproductie op zee. Boeren gaan minder produceren, maar ze krijgen wel een betere prijs voor hun producten.</p>
<p>Vooral de veehouderij wordt drastisch teruggeschroefd, tot eenderde van de huidige omvang. Dat is een noodzakelijke maatregel om de klimaatopwarming binnen de perken te houden, aldus de Wageningse onderzoekers. De veehouderij is een grote uitstoter van broeikasgassen. De onderzoekers gaan ervan uit dat Nederlanders in 2120 minder vlees eten of regulier vlees vervangen door kweekvlees. Daar investeren we in.</p>
<p>Veenweidegebieden worden vernat. Daardoor zijn ze niet meer geschikt voor melkveehouderij, maar wel voor ‘<em>natte’</em> teelten zoals cranberry’s en riet. Nu wordt in deze gebieden de waterstand kunstmatig laag gehouden voor de landbouw. Daardoor oxideert het veen, wat leidt tot extra uitstoot van CO<sub>2</sub>. Voor boeren is nog steeds ruimte in het Nederland van 2120, maar wel op de goede plek.</p>
<p>De grootste uitdaging voor de hoge zandgronden in het oosten van Nederland, Brabant en de Veluwe is het tegengaan van verdroging. De afgelopen hete zomers hadden regio’s als Twente en de Achterhoek veel last van droogte. Een manier om dat te voorkomen is door water vast te houden en het beter te laten infiltreren in de bodem. De hogere zandgronden zijn cruciaal voor het watersysteem. Door hier maximaal water vast te houden en te vertragen, worden beken en rivieren ontlast bij neerslagpieken en piekafvoeren. Door beken maximaal te verlengen wordt water langzamer afgevoerd, waardoor het meer tijd krijgt om weg te zakken. Ook wordt het grondwater maximaal aangevuld. Er zijn regionaal grote infiltratiegebieden ingericht waar het regenwater maximaal wordt vastgehouden in plaats van afstroomt. Naaldbossen worden vervangen door open gebieden met loofbomen en kruidenrijke graslanden die meer biodiversiteit kennen en minder water laten verdampen. In de landbouwgebieden op de hoge zandgronden is weer ruimte gemaakt voor groenblauwe dooradering. Beekdalen – met zo mogelijk moerasbos – zijn daar een mooi voorbeeld van. Ze vergroten de biodiversiteit en de veerkracht van het systeem, wat de kringlooplandbouw ten goede komt. Het maximaal verlengen van de waterlopen zorgt ervoor dat water langzamer wordt afgevoerd en meer kans heeft in de bodem te trekken. Door bovenstroomse delen te dempen, worden kwelsystemen gevoed. In de buurt van het stedelijk gebied bieden die volop recreatie. De landbouw verhuist van de hoge zandgronden naar lagere delen. In de landbouwgebieden in de buurt van steden wordt de landbouw gemengd met bomenteelt van bomen die voedsel leveren, dichtbij de steden zijn voedselbossen waar mensen naast voedsel ook natuur en rust kunnen vinden.</p>
<p>De overheid moet levens en gezondheid van haar burgers te beschermen en tevens zich te houden aan Europese wetgeving waaraan ze zich heeft gecommitteerd. Burgers kunnen dat in het vervolg bij de rechter gaan afdwingen. De normen voor de luchtkwaliteit, zoals voor geur (ammoniak), de hoeveelheid en samenstelling van (ultra-)fijnstof en fijnstof van bio-industrie, stikstofoxiden en roet, worden aangescherpt tot het niveau dat is vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Gemeenten hebben een belangrijke de taak bij de handhaving en geven inwoners inzicht in de controle. Normen op het gebied van geluid, trillingen, stank, en andere overlastgevers moeten altijd vastgesteld gaan worden op basis van de beste (en meest recente) wetenschappelijke inzichten. Bedrijven die installaties vervangen krijgen geen nieuwe vergunning als zij niet de best beschikbare, duurzame technieken toepassen. We gaan de handhaving verscherpen.</p>
<p>Zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid in april 2023 in een onderzoek naar de uitstoot van Tata Steel (IJmuiden), Chemours (Dordrecht) en de asfaltfabriek APN (Nijmegen) concludeert<a href="#_ftn62" name="_ftnref62">[62]</a>, is een toetsing aan de best beschikbare technieken (BBT) niet altijd voldoende om te zorgen dat de concentraties van schadelijke stoffen in de buurt van de fabriek onder de veilige grenzen voor milieu en gezondheid blijven. Voor de bescherming van omwonenden is het daarom meer van belang, als tweede aspect, om te toetsen of de concentraties van schadelijke stoffen in de omgeving van de fabriek de norm voor langdurige blootstelling niet overschrijden (zulke normen zijn er alleen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen en een aantal andere veel voorkomende schadelijke stoffen zoals fijnstof). Bij deze toets kan rekening worden gehouden met alle relevante activiteiten, zowel die onder de vergunningsaanvraag vallen als emissies door derden.</p>
<p>Het toetsen van de concentratie van schadelijke stoffen op leefniveau (immissie) aan de grenswaarde, en het op basis daarvan waar nodig beperken van de emissies krijgt vergeleken met de inzet op BBT op dit moment minder aandacht bij vergunningverlening en handhaving. Dat moet echt veel beter, met eigen continue waarnemingen en niet alleen van het bedrijf zelf zoals nu bij dit soort hoog risicobedrijven, en daarbij moet het voorzorgprincipe worden toegepast – bij twijfel, niet toestaan. Dit geldt met name bij zgn. persistente stoffen, stoffen die niet of nauwelijks afbreken in het milieu en menselijk lichaam.</p>
<p>Een derde aspect betreft de controle door de vergunningverlener op de juistheid en volledigheid met als doel de vergunning te laten aansluiten op de daadwerkelijke uitvoering. Ook na het verlenen moet de vergunning daarom regelmatig gecontroleerd worden op compleetheid en correctheid op basis van de meest recente inzichten, en op tijdige implementatie van aanwijzingen voor verbetering – de vergunningen moeten steeds geactualiseerd worden om de risico’s zo klein mogelijk te maken.</p>
<p>De omgevingsdiensten – die over deze uitstoot de toezichthouder zijn – moeten veel beter worden toegerust voor hun taken, er moet meer geïnvesteerd worden in onderzoek, en er moet resoluut worden opgetreden – bij te grote risico’s moet het bedrijf of het productieonderdeel gesloten kunnen worden. Bij zware overtredingen moet ook strafrechtelijk vervolging plaatsvinden van bestuurders. Bedrijven krijgen de verplichting hun uitstoot altijd zo laag mogelijk te houden, ook al is deze nog beneden de in de vergunning aangegeven maximumwaarde. Bedrijven en omgevingsdiensten moeten transparant zijn over incidenten, zorgen en klachten, en pro-actief omwonenden informeren.</p>
<p>We belasten vervuiling. Zo gaan we stikstofuitstoot belasten en voeren we een verpakkingsbelasting in (samen met een uitbreiding van de statiegeldregeling) en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor alle verpakkingen worden verplicht gesteld. Ieder product moet een productlabel krijgen waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is. Alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics. We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken termijndoelen.</p>
<p>We zullen economische prikkels moeten gaan regelen tegen watervervuiling en waterverspilling. Zo moeten ook boeren verontreinigingsheffing gaan betalen (ze zijn nu vrijgesteld daarvan) voor de uitstoot van meststoffen en pesticiden. En er komt een juridisch bindende toets op water en klimaat voor bouw- en andere ontwikkelprojecten. Het waterpeil in veenweidegebieden moet omhoog teneinde verdere inklinking van de bodem met onder meer funderingsschade te voorkomen.</p>
<p>Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Bedrijven mogen niet meer nanoplastics lozen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. Hiervoor is al aangegeven dat de normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen (zoals PFAS) door bedrijven in bodem, water en atmosfeer veel strikter moeten worden gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, worden vervolgd.</p>
<p>Grootgebruikers van schoon drinkwater gaan daarvoor meer betalen – nu hoeven ze boven de 300 kuub niets meer te betalen, dat maximum verdwijnt en wordt vervangen door een progressief tarief. Boven de 300 kuub ga je naarmate je meer gebruikt juist meer betalen. Dat bevorderd hergebruik en niet inzetten van drinkwater waar ook ongezuiverd water gebruikt zou kunnen worden bij bedrijven. Woningen krijgen verplicht een voorziening voor ongezuiverd water voor gebruik van toilet, tuin, etc. door opvang en hergebruik van afvalwater en op te vangen regenwater. We investeren in snelle aanleg van meer wateropvang en drinkwatervoorzieningen. Per dag verbruiken we ruim 128 liter aan water per persoon in huis. Bijna een kwart daarvan om de wc mee door te trekken. Een glas koemelk kost ook 120 liter water. Dus terugdringen van zuivelgebruik levert veel op. En vleesgebruik ook: 1 kilo rundvlees kost 15.000 (!) liter water. Per dag brengen we in ons land 1,7 miljoen dieren naar de slachtbank.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1579" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-39-300x228.jpg" alt="" width="300" height="228" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-39-300x228.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-39.jpg 667w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1580" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-40-300x226.jpg" alt="" width="300" height="226" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-40-300x226.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-40-1024x770.jpg 1024w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-40-768x577.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-40.jpg 1124w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Na de recente explosie van de energieprijzen is er ook een tijdelijke energietoeslag via gemeenten en een tijdelijk prijsplafond met subsidies via private energiebedrijven in het leven geroepen, waarbij er groot risico bestaat dat er met deze subsidies fossiele vervuilers en hu winsten met publiek geld gefinancierd worden, en ook veel huishoudens niet bereikt worden terwijl andere huishoudens teveel dan nodig ontvangen. Rutte IV wil zelf ook deze regelingen vervangen door meer gerichte subsidies die ook meer in lijn zijn met de klimaattransitie, dus met energiebesparing en vervanging van fossiele door duurzame energiebronnen.</p>
<p>In plaats van de huidige regelingen gaan we met toepassing van de Prijzenwet per direct de gasprijzen voor huishoudens bevriezen. Er komt een maximum prijs voor huishoudens gebaseerd op gemiddeld tarief voor woning per soort woning (tussen/hoekwoning, appartement hoek/rijtje/onder dak, vrijstaand) en samenstelling huishouden. Er is met de huidige winstniveaus geen compensatie nodig van de energiebedrijven en die is bij de Prijzenwet ook niet vereist.</p>
<p>Gemeenten krijgen daarnaast extra middelen voor bijzondere bijstand ten behoeve van huishoudens die hun energielasten nu zien stijgen boven de 10% van hun netto inkomen. Waar energiebedrijven onverhoopt omvallen komt er via een Spoedwet de verplichting om zonder prijsverhoging deze klanten over te nemen bij andere leveranciers, naar keuze van de betreffende consument. We versterken daarin ook de solvabiliteitseisen en de rechtsbescherming voor consumenten bij energieleveranciers. Eventuele compensatie voor de energieleveranciers wordt gefinancierd door een extra belasting op de winst en reserves van energieleveranciers en andere partijen in de energiemarkt. We gaan na hoe de energieleveranciers weer publiek bezit kunnen worden en zetten daartoe zo spoedig mogelijk de eerste stappen. We verbieden speculatie met inkoop van energie.</p>
<p>We nemen stappen om de marktwerking te beperken en het publieke belang beter te beschermen bij de energievoorziening. Per direct mogen er alleen nog maar vaste contracten worden aangeboden die beschermen tegen prijswisselingen. Ook worden eigenaren van gasopslag verplicht die op aanwijzing van de Rijksoverheid te vullen. Energieleveranciers die staatssteun nodig hebben worden verplicht daarbij zeggenschap over te dragen.</p>
<p>In 2050 zijn volgens het Expertteam Klimaat bijna alle wijken energieneutraal of zelfs energiepositief, de andere wijken gebruiken (netto) nog maar weinig energie. Het uitgangspunt is dat de totale energiebehoefte van de wijk zo laag mogelijk is (warmte, elektriciteit, koeling en lokale mobiliteit). Op die manier kunnen met elkaar samenhangende lokale energiesystemen worden opgezet. Voor rechtvaardigheid is het belangrijk om prioriteit te geven aan het verbeteren van slecht geïsoleerde woningen in collectief bezit. De transitie versnelt bij het combineren van energiebeleid met maatregelen voor sociale en maatschappelijke opgaven en groene, duurzame en mensgerichte ruimtelijke keuzes, zo stelt het Expertteam terecht. Waar mogelijk worden de verbeteringen op het gebied van energie gekoppeld aan andere opgaven in de wijk, zoals de ruimtelijke en sociale wensen. Het toekomstig energiesysteem in de wijken is voornamelijk op elektriciteit gebaseerd, mogelijk gecombineerd met lokale warmtebronnen. Er is opslag van elektriciteit en &#8211; als er warmtenetten zijn – van warmte en koude. De energievoorziening bestaat uit lokale systemen, <em>loosely coupled</em><a href="#_ftn63" name="_ftnref63">[63]</a> met het nationale energiesysteem. Aardgas is uitgefaseerd.</p>
<p>Op langere termijn maken we de energieleverantie aan huishoudens daarom een zaak van uitsluitend energiecoöperaties in handen van de huishoudens die deze energie ontvangen (en zoveel mogelijk ook leveren). Daarbij worden wettelijke regels gesteld voor duurzaamheid, leveringszekerheid, prijsstabiliteit en bestemming eventuele winst. Daken van openbare gebouwen worden ter beschikking gesteld aan deze coöperaties voor opwekking duurzame energie. Er wordt hiertoe een op te stellen stappenplan gerealiseerd. Er komt nationaal programma voor spoed-isolatie van woningen in wijken waar de huishoudens behoren tot de 25% laagste inkomens én de 50% grootste gasgebruikers.</p>
<p>Het expertteam Klimaat <em>“verwacht steden, dorpen en bedrijfsterreinen die stiller en schoner zijn, met meer ruimte voor groen en blauw, met veel gedeelde voorzieningen. De stad is compacter met een hogere bewoningsdichtheid, automobiliteit speelt een minder dominante rol. Er zijn veel hoogwaardige openbare, vaak collectieve voorzieningen op fiets- en loopafstand van de woningen. Het landelijk gebied is gevarieerder: er is minder veeteelt, andere gewassen worden verbouwd, ook als grondstof voor natuurlijke materialen. Bossen, bodems, grasland en natte natuur houden CO</em><em>₂</em><em> maximaal vast. De elektrische (deel)auto speelt, naast het openbaar vervoer, een belangrijke rol. Gebouwen verbruiken veel minder energie. In principe is elk gebouw energiearm en uitgerust met een warmtevoorziening en koeling. De gebouwen worden slim aangestuurd op basis van data. Zo wordt alle opgewekte energie zo efficiënt mogelijk ingezet. Elektrische auto&#8217;s, samen met buurtaccu&#8217;s, worden gebruikt om het  elektriciteitsnet te balanceren. Gebouwen spelen ook een rol bij klimaatadaptatie. Groene daken, voedsel verbouwen of recreatie op daken is normaal. Gebouwen zien er anders uit doordat natuurlijke materialen de norm zijn. Dit geeft ontwerpers nieuwe inspiratie en gebruikers een prettige beleving.”</em></p>
<p>Voor de bebouwde omgeving adviseert het Expertteam Klimaat een integrale aanpak gericht op het aanpakken van energiearmoede. Op dit moment is er vaak een apart beleid voor verschillende aspecten van de gebouwde omgeving. Isolatie, anders verwarmen, koelen of mobiliteit: ieder onderdeel wordt apart beoordeeld. Het expertteam beveelt aan deze versnipperde aanpak plaats te laten maken voor een aanpak waarbij al deze elementen in hun onderlinge samenhang ontwikkeld worden tot een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050. Koude, warmte, isolatie en elektriciteit voor gebouwen, openbare ruimte en mobiliteit krijgen gebiedsgericht integraal vorm. Om daar te komen beveelt het expertteam een aantal stappen aan.</p>
<p>Alle plannen en investeringsbeslissingen in wijken moeten worden getoetst aan een energieneutrale toekomst in 2050. Zet de gehele energievoorziening centraal: mobiliteit, elektriciteit, koude, en warmte (incl. isolatie). Maak van deelaspecten zoals isolatie, aardgasvrij of een warmtenet geen doel op zichzelf. Het gaat om een geheel, waarbij netto zo min mogelijk energie wordt gebruikt. Ingrepen op het gebied van energie worden steeds direct gekoppeld aan de ruimtelijke en sociale aspecten. Neem daarbij de klimaatneutrale situatie in 2050 als uitgangspunt en werk daarnaartoe. Voorkom een fossiele lock-in. Bepaal een moment, bijvoorbeeld 2040, waarop aardgas niet langer ingezet mag worden voor de energievoorziening in de gebouwde omgeving.</p>
<p>Verlaag de energievraag via subsidies, informeren, normering en verplichting. Ook het beoogde EU-eindbeeld 2050 schrijft voor dat gebouwen in 2050 nog maar weinig energie verbruiken. Laat het einddoel en het tijdpad tot 2050 zien, inclusief de steeds strengere normen. Stimuleer belanghebbenden om zo veel mogelijk in één stap naar de maximale energiezuinigheid voor het hele gebouw (bij collectief bezit) of het aan te pakken gebouw of delen daarvan (bij individueel bezit). Maak het aantrekkelijk (regelgeving/instrumenten) voor bewoners, bedrijven en corporaties, om daar direct naartoe te werken. Dit levert een technisch haalbare reductie op van 70% voor ruimteverwarming en warm tapwater. Volgens de <em>“Paris proof energierantsoen</em>”-methode is er in Nederland 360 PJ beschikbaar3 aan energie voor de gebouwde omgeving. Ten opzichte van het huidige energieverbruik betekent dit een besparing van 60-70% aan energieverbruik.</p>
<p>Isoleer slecht geïsoleerde woningen in collectief bezit in hoog tempo, veel sneller dan tot nu toe het geval is. Daarmee worden meteen stappen gezet in energiearmoedebestrijding en innovatie. Als veel woningen tegelijk worden verbeterd, kunnen ondernemingen het aanbod industrialiseren, waarbij kant en klare pakketten op de bouwplaats worden gemaakt. Hierdoor dalen de kosten en zijn ook minder arbeidskrachten nodig.</p>
<p>Stimuleer, zoals Europa eist, lokale productie van energie. Stimuleer ook voldoende opslagcapaciteit voor de korte termijn en seizoensopslag van elektriciteit en warmte.</p>
<p>Focus op verwarmingssystemen die met lage temperatuur (LT) werken. Deze systemen zijn toekomstbestendiger dan hoge temperatuursystemen. LT-systemen beschikken over meer bronnen en maken een efficiëntere toepassing van een warmtepomp mogelijk.</p>
<p>Zorg dat burgers zo snel mogelijk een volwaardige partij (zowel als consumenten als producenten, de zgn. <em>”handelende prosumenten”</em>) kunnen zijn op de energiemarkten, waarbij zij flexibiliteit kunnen leveren, kunnen handelen in energie, bijvoorbeeld met de buren, en ook samen kunnen opslaan. Flexibele prijzen per uur kunnen hierbij helpen. Maak de weg vrij voor coöperaties. Schep mogelijkheden in de wetgeving en fysiek voor sociaal ondernemen in de wijk. Dit heeft ook een positieve impact op de lokale economie, de acceptatie van de energietransitie en het vergroot de sociale cohesie. Hierdoor verandert ook de rol van energiebedrijven, van verkopers van energie naar dienstverleners voor (groepen) burgers.</p>
<p>Maak de voordelen van energietransitie zichtbaar. Dat kan met voorbeeldwoningen in de wijk die inzichtelijk maken hoe comfortabel een woning na renovatie is. Deel ter inspiratie beelden en ervaringen over goede projecten, zoals de wijk Lombok in Utrecht en de Weense wijk Sonnwendviertel.</p>
<p>Zorg dat iedereen mee kan komen met de energietransitie en zorg dat bewoners een stem hebben in de keuzes op lokaal niveau.</p>
<p>Stuur met de vormgeving en inrichting van nog aan te leggen infrastructuur het gedrag van mensen richting gewenste invulling aan mobiliteit.</p>
<p>Het terugbrengen van de energievraag van gebouwen gaat gepaard met een sterke toename van materiaalgebruik. Stimuleer daarom natuurlijke materialen en circulaire toepassingen op dit gebied en treedt op als <em>launching customer </em>voor innovaties.</p>
<p>Er komt per direct een verbod op nieuwe huurcontracten van woningen met de slechtste energielabels (C en hoger), en een verbod op huurverhoging van woningen met een label slechter dan A. Deze maatregelen worden stapsgewijs aangescherpt opdat in 2030 alle huurwoningen tenminste een A+++ label hebben en huurwoningen met de slechtste energielabels moeten in 2028 van de markt verdwijnen. Het energielabel en de verduurzaming van de woning mogen geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. In plaats van duurzaamheidspunten wordt een niet-duurzame woning aangemerkt als een gebrek waarvoor huurkorting geldt. Huurders van nog niet voldoende geïsoleerde woningen (label B en slechter) krijgen een wettelijke korting op de feitelijk betaalde huur van een kwart van de huurprijs van 75 euro per maand per slechter label-stap (dus label C 150 euro korting, etc.), zodat verhuurders een prikkel krijgen voor verduurzaming. Woningcorporaties krijgen daarvoor compensatie mits men tijdig verduurzaamt (overigens zijn de meeste huurwoningen met een slecht energielabel in handen van commerciële verhuurders). Er komen bindende afspraken met corporaties en andere verhuurders voor het energieneutraal maken van 200.000 woningen per jaar, te beginnen bij de woningen met de slechtste energielabels (meestal bij de meest armste huishoudens). Woningcorporaties en -coöperaties krijgen mogelijkheid om de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos te lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties.</p>
<p>Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun WOZ-belastingtarieven lager vast te stellen bij een groener energielabel. We gaan de vaststelling en handhaving van de energielabels van woningen onafhankelijk en kwalitatief beter maken.</p>
<p>Ook voor woningbezitters moeten er stapsgewijs strengere eisen aan energielabels voor deze woningen komen. Huizenkopers moeten verplicht hun woning binnen 2 jaar isoleren; de isolatie-eisen voor woningen moeten worden aangescherpt – een woning moet in 2030 minimaal energielabel B hebben.</p>
<p>Woningeigenaren worden tegelijkertijd door een ‘<em>ontzorgloket’</em> ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning. Middeninkomens met een eigen woning krijgen de mogelijkheid om hiervoor renteloze leningen af te sluiten bij een speciaal fonds. Anders dan Rutte III voorstelde, maar in overeenstemming met het voorstel van Milieudefensie, komt er daarbij geen maximum bedrag (zo wordt financiering ook voor oude of grote woningen mogelijk, met hoge isolatiekosten), is de looptijd 30 in plaats van 25 jaar, is de lening renteloos, is er geen toetsing van kredietwaardigheid en geldt een brede kwijtscheldingsmogelijkheid voor lage inkomens als de besparing op de energierekening lager zijn dan de terugbetaling van de lening (onrendabele top). Jaarlijks wordt de terugbetaling in dat jaar vastgesteld, gebaseerd op het inkomen van de bewoner van de woning. Iedere bewoner betaalt dus naar draagkracht: Voor de laagste 40% van inkomens in Nederland (tot ca. 95% modaal) behoeft er alleen terugbetaald worden bij reductie van de energierekening, uitgaande van de ‘kale’ gasprijs en de energiebelasting zoals die nu in 2022 geldt. De hoogste 20% inkomens (boven 1,5 modaal) moeten de hele lening terugbetalen. De groep inkomens daartussen betaald het bedrag van de energiereductie terug plus 50% van het resterende bedrag. De renteloze lening is gebouwgebonden, dus het gaat om een lening op de woning, in de vorm van een voucher, ter waarde van de isolatie- en verduurzamingskosten voor die specifieke woning. De voucher kan enkel bij isolatiebedrijven verzilverd worden. Deze lening is alleen beschikbaar voor woningeigenaren die in hun woning wonen, inclusief VVE’s.</p>
<p>We ontkoppelen de prijs voor warmtenetten van de gasprijs. In een nieuwe warmtewet wordt het beheer verplicht publiek (in vorm van non-profit warmtecoöperatie van aangesloten huishoudens binnen regels van nationale en lokale overheden) en de rechtsbescherming van huishoudens versterkt.</p>
<p>Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt.</p>
<p>We geven prioriteit aan het versneld uitvoeren van het vergroten van de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk in ons land. Er komt een Autoriteit Elektrificering die hiertoe doordrukmacht krijgt. Grootschalige zonneweides en windturbinelocaties op land worden alleen daar gebouwd waar het net dat aankan, waar er geen alternatieven zijn (energiebesparing, wind en zon op zee, zonnepanelen op daken) en waar andere duurzaamheidsdoelen en gezondheid van mensen geen te groot risico lopen. Voorwaarde is ook dat functies gecombineerd worden in zonneweiden, bijv. met natuurontwikkeling, watersopslag en/of recreatie. We investeren in grootschalige toepassingen van zonnepanelen – verplicht op daken waar dit kan, op bermen van autosnelwegen, zo mogelijk ook geïntegreerd op dakpannen, wegdekken, rails (zoals nu al gebeurt in Zwitserland), en tussen en rond windparken op zee.</p>
<p>De klimaattransitie – fossiele energie vervangen door hernieuwbare groene energie – moet worden gedreven door prijsmaatregelen, met de CO₂-heffing en het ETS-stelsel, waarbij ook import van buiten de EU belast wordt, zodat er een gelijk speelveld is. Prijsmaatregelen werken veel beter dan subsidies. De subsidies in het kader van de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) moeten daarom worden geschrapt, die vergroten bovendien de ongelijkheid tussen huishoudens en bevoordelen de grootverbruikers, ook en vooral in het bedrijfsleven. Daarmee kan ook de oneerlijke Opslag Duurzame Energie (ODE) in de energiebelasting vervallen.</p>
<p>We moeten voorts het regressieve energiebelastingstelsel vlakmaken. Nederland verbruikt jaarlijks 35-40 miljard m3 aan aardgas, en dit levert ongeveer 3,5 &#8211; 4 miljard euro jaarlijks op aan gasbelasting. Met een vlak belastingtarief van 0,10 euro/m3 levert dat hetzelfde op en betaalt de industrie ook eerlijk mee aan de energietransitie. Omgerekend is dit 50 euro/tn aan CO₂ heffing, dus ook in lijn met de huidige ETS koers. Met een vlak belastingtarief betalen bedrijven eerlijk mee aan de energietransitie, wordt onnodige energiearmoede voorkomen en krijgen bedrijven ook een terugverdienmodel met een basisprijs van 50 euro/tn CO₂, mocht de gasprijs weer gaan dalen.</p>
<p>Ook de belasting op elektriciteit moeten we vlak en eerlijk maken. Nog steeds staan alle supermarkten te koelen met open koelkasten, hebben winkels de deur open staan en worden terrassen verwarmd, pure verspilling van elektriciteit en warmte. Omdat stroom koolstofvrij is, kan volstaan worden met een lage belasting van 0,02 euro/kWh. Met een jaarlijks stroomverbruik van Nederland van 125 TWh per jaar levert 0,02 euro/kWh een bedrag op van 2,5 miljard euro, waarin bedrijven ook netjes meebetalen. Momenteel betalen grote bedrijven maar 0,001 euro/kWh aan stroombelasting (som van stroom + ODE belasting) en kleine verbruikers 0,07 euro/kWh. Zonder hervorming van dit oneerlijke stelsel zal de energietransitie onvoldoende snel plaatsvinden en worden burgers in huurwoningen de energiearmoede in gedrongen.</p>
<p>Samenvattend schaffen we het regressieve energie belasting stelsel af en voeren een vlak en eerlijk tarief in. Voor gas kan dit 0,10 euro/m3 zijn en voor stroom 0,02 euro/kWh. Bij 0,10 euro/m³ gaan huishoudens en MKB er op vooruit en is voor tuinders geen achteruitgang. Voor huishoudens is er een directe lastenverlichting van circa 600-800 euro per jaar mogelijk. Dit klinkt wellicht marginaal, maar voor huurders met een laag inkomen is dit het verschil tussen wel of geen eten op dit moment. Samen met een prijsplafond voor gas, snellere isolatie van (bij voorrang de sociale) huurwoningen en nationalisering van de energiesector (zie elders in dit programma) kunnen de laagste inkomens beschermd veel beter beschermd worden tegen een absurde energierekening.</p>
<p>De opbrengst van de heffingen op de uitstoot van bedrijven wordt aan de inwoners teruggegeven met een vast bedrag per huishouden (een <em>Klimaatinkomen</em>) en niet aan de bedrijven. Naar schatting komt dit bedrag op ca. 500 euro per jaar per huishouden. Daarmee worden huishoudens gecompenseerd voor de extra lasten van de energietransitie, die deels doorwerkt in hogere prijzen.</p>
<p>We moeten tegelijkertijd een einde maken aan vrijstellingen van energiebelastingen, zoals de vrijstellingen voor energie-intensieve processen, de zogenoemde inputvrijstellingen energie- en kolenbelasting voor energieopwekking en de inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal gebruik, en aan de kortingen voor energiebelasting (glastuinbouw) en van belasting op kerosine (luchtvaart) en gaan fossiele brandstoffen in lucht- en scheepvaart veel zwaarder belasten.</p>
<p>We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), in fietsen en in openbaar vervoer. De ruimtelijke ordening wordt daarop aangepast.</p>
<p>We verlagen de OV-kosten door iedere burger voor 49 euro per maand onbeperkt reizen met alle openbaar vervoer te geven, net als in Duitsland. Kinderen reizen gratis. De OV-bedrijven worden hiervoor gecompenseerd. We maken het openbaar vervoer niet geheel gratis omdat we onnodige mobiliteit willen vermijden. We maken geen aparte regelingen voor lage inkomens omdat we stigmatisering willen vermijden en we door onze plannen voor inkomensverbetering en lastenvermindering bij deze inkomensgrepen dat ook niet meer nodig is. Ook aparte regelingen voor studenten en ouderen zijn daarom niet meer nodig.</p>
<p>We investeren de komende 15 jaar bijv. 10 miljard per jaar extra in beter en meer openbaar vervoer. Beter openbaar vervoer impliceert ook toegankelijk (voor mensen met een beperking) en veilig (met meer conducteurs/stewards en beveiligers) openbaar vervoer. Al het openbaar vervoer moet uiterlijk in 2030 wettelijk verplicht direct toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, ook voor mensen met visuele beperking. Deze maatregelen worden gefinancierd uit verhoging van de belastingen op vliegen (zie hierna) en komt in de plaats van lagere accijns op benzine en diesel voor auto’s zoal die door Rutte IV is ingevoerd.</p>
<p>En we maken een eind aan de marktwerking in het openbaar vervoer. We richten een nationaal OV-bedrijf op die alle openbaar vervoer in Nederland gaat verzorgen. Bestaande OV-bedrijven kunnen daarin opgaan. Personeel krijgt aanbieding om te gaan werken bij het nieuwe staatsbedrijf, dat ook het railnet gaat beheren, met garantie van tenminste dezelfde arbeidsvoorwaarden. Aan hun concessies wordt bij verlopen ervan een einde gemaakt. Regionale en stedelijke verbindingen worden verzorgd op basis van provinciale en gemeentelijke plannen, binnen nationale kaders.</p>
<p>Er komen extra trein- en andere railverbindingen. In de Randstad extra metroverbindingen in Amsterdam (o.m. onder/over ’t IJ) en Rotterdam (o.m. onder Nieuwe Maas), buiten de Randstad (o.m. Twente-Emmen-Groningen), meer internationale verbindingen (o.m. Nijmegen-Kleef en HSL-lijnen via Lelylijn naar Hamburg &amp; Scandinavië en Amsterdam-Berlijn) en extra goederenlijnen (verbinding Betuwelijn naar Roergebied, IJzeren Rijn van Antwerpen naar Duitsland via Limburg).</p>
<p>We breiden bus- en tramverbindingen uit en verhogen de frequenties. Er komen hoogwaardige minimum bereikbaarheidsnormen, met name ook buiten de Randstad. Deze komen in plaats van rendabiliteitsnormen. Het openbaar vervoer is een publiek goed, geen plek voor rendementsdenken.</p>
<p>In Europees verband moet er een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor continentale hogesnelheidslijnen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder.</p>
<p>We maken continentale vluchten fors duurder, verbieden vluchten waar goede railalternatieven bestaan (alle binnenlandse vluchten plus Londen, Parijs, Keulen, Brussel, Frankfurt; dit scheelt al 100.000 vluchten!) en zetten een stop op de groei van luchthavens: Lelystad Airport gaat definitief niet open, Schiphol moet terug naar maximaal 250.000 vluchtbewegingen<a href="#_ftn64" name="_ftnref64">[64]</a>, en regionale luchthavens mogen niet groeien, maar moeten dicht. Privévliegtuigen worden in beginsel niet meer toegelaten. Nachtvluchten worden verboden. De sprookjes over duurzaam vliegen zijn vooralsnog voor de komende decennia luchtkastelen. Deze krimp maakt vliegen wel weer haalbaar binnen de grenzen van natuurvergunning en gezondheidsnormen. Luchtvaart is grote uitstoter van stikstof, CO₂ en fijnstof en veroorzaakt veel geluidsoverlast. Al het luchtverkeer boven 250.000 vluchten is bestemd voor 10 miljoen overbodige overstappers via Schiphol en korte vluchten die niet door de  snelle trein vervangen kunnen worden. Zo’n 70% van de passagiers op Schiphol bestaat uit overstappers, die economisch niets toevoegen en ons milieu wel zwaar belasten. Terwijl de bereikbaarheid er niet op vooruitgaat. De krimp is mogelijk met behoud van een goede bereikbaarheid van alle voor Nederland belangrijke bestemmingen. Er zijn veel minder overstappers nodig. Schiphol blijft een kleinere hub met een groot netwerk. Het internationaal vervoer van Nederland komt niet in de knel. Economisch is er nauwelijks nadeel.</p>
<p>Er moet een aparte ticketbelasting komen voor veel-kilometer-vliegers. En een kerosinebelasting op alle vliegbewegingen, die zwaarder is voor privé- en zakenvliegtuigen. Zo maken we de luchtvaartkrimp ook eerlijker.</p>
<p>De internationale scheepvaart stoot enorm veel CO₂-emissies uit. En terwijl het wagenpark steeds sneller elektrificeert blijft de scheepvaart achter. Sterker nog, de meeste internationale schepen gebruiken stookolie, een extreem vervuilende brandstof. Bij de verbranding komt veel CO₂ vrij, maar ook schadelijke stoffen als zwart roet, fijnstof, zwavel- en stikstofverbindingen. Waar we ook van af moeten in de scheepvaart zijn de <em>scrubbers</em>. Om te voorkomen dat na het verbranden van de stookolie zwaveloxiden de lucht in worden gepompt worden deze scrubbers ingezet om deze stoffen af te vangen. Of <em>‘te wassen’</em>, zoals het ook wel wordt genoemd. Omdat veel schepen nog goedkope hoogzwavelige stookolie gebruiken zijn ze verplicht om scrubbers aan boord te hebben. Er is trouwens veel kritiek op. Het blijkt namelijk dat veel schepen het ‘<em>scrubwater’</em>, dat vol zit met schadelijke metalen en PAK’s<a href="#_ftn65" name="_ftnref65">[65]</a> niet aan land brengen maar op zee overboord kieperen. Hup de zee in. Een ander groot probleem op zee is de herrie, onder andere afkomstig van scheepsschroeven. Uit recent onderzoek van de Universiteit van Bristol blijkt dat dolfijnen, om boven dat lawaai uit te komen, veel meer geluid moeten maken. Het is het zoveelste bewijs dat dieren in zee last hebben van het menselijk geluid (zoals geluid van scheepsschroeven, maar ook boortorens en de bouw van windmolens). Alle schepen moeten zachter en met ‘<em>stillere’</em> schroeven gaan varen om de herrie op zee te verminderen.</p>
<p>Eén van de grote problemen bij het verduurzamen van de scheepvaart is dat er eigenlijk nog geen duidelijke oplossing in beeld is. Voor de auto is het bijvoorbeeld zonneklaar dat die in de toekomst elektrisch gaat worden. Maar voor scheepvaart zijn er heel veel opties, die allemaal zo hun voor- en nadelen hebben.</p>
<p>Neem: <strong><em>biodiesel</em></strong>, diesel uit biomassa, die vaak wordt bijgemengd met diesel uit aardolie. Laten we meteen maar het grootste voordeel noemen: het wordt al gebruikt. Het is voorradig, en goed te mengen met bunkerolie. En daardoor zijn er bijna geen aanpassingen aan een schip voor nodig. Maar dan het grootste nadeel: lang niet alle vormen van diesel uit biomassa zijn duurzaam te noemen. Biodiesel uit rest- en afvalstoffen bespaart bijvoorbeeld CO₂-uitstoot, maar biodiesel gewonnen uit speciaal geteelde oliehoudende gewassen – denk palmolie – kan indirect juist voor méér CO₂-uitstoot zorgen. Net zo belangrijk: wat meng je precies bij? Als je biodiesel voor 70 procent uit fossiele brandstoffen bestaat, hebben we daar niet zo veel aan. En ook bij de verbranding van biodiesel komen stikstofoxiden vrij. Hoe duurzaam de diesel ook is vervaardigd, het blijft een bron van vervuiling en gezondheidsrisico’s.</p>
<p>Of neem <em>LNG</em>, vloeibaar aardgas: een stuk schoner dan de stookolie waarop schepen nu varen, maar wel nog steeds fossiel én met flinke methaanuitstoot. De Europese Commissie en het Nederlandse ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn het erover eens dat LNG <em>voor nu</em> het beste alternatief is voor bunkerolie. Er zitten zeker voordelen aan varen op LNG. Zo is het veel schoner dan bunkerolie (ongeveer alles is schoner dan bunkerolie, maar oké): LNG stoot 25 procent minder CO₂ uit, 85 procent minder stikstofoxiden, 90 procent minder fijnstof en 98 procent minder zwavel. Bovendien bestaan de technologie en de infrastructuur al: wie wil, kan nú gaan varen op LNG. Een kwart van de schepen die nu worden gebouwd, zal op LNG gaan varen. Natuurlijk, LNG is nog steeds een fossiele brandstof.  En dat is direct ook de grootste en terechte kritiek van milieuorganisaties. Schepen bouw je voor zeker dertig jaar. Dat betekent nog ten minste tot 2050  schepen die fossiel varen en uitstoot veroorzaken. Bovendien: LNG stoot dan minder CO₂ uit dan bunkerolie, maar er lekt bij de winning, verwerking én verbranding van LNG methaan de atmosfeer in  –  een sterker broeikasgas dan CO₂,  wat betekent dat LNG misschien zelfs <em>slechter </em>voor het klimaat is dan bunkerolie. Die methaanlek zou je dus overal in de keten moeten aanpakken. Een ‘<em>transitiebrandstof’</em> wordt LNG door industrie en politiek genoemd: bij gebrek aan de directe beschikbaarheid van schonere alternatieven is het volgens hen nu de ‘<em>beste’</em> keuze. Maar wanneer is die transitie precies voorbij, en waar bewegen we eigenlijk naartoe?</p>
<p><strong><em>Methanol</em></strong> is een kleurloze vloeistof – een soort giftiger variant van alcohol. Het goedje wordt volop gebruikt in de chemische industrie, bijvoorbeeld om kunststof of verf mee te vervaardigen, of als oplosmiddel. En: je kunt er dus ook op varen. Het voordeel van methanol is dat er al een infrastructuur voor is, dat wil zeggen: we weten hoe we het veilig moeten produceren, vervoeren en opslaan. Sommige schepen testen al methanol: er zijn bijvoorbeeld veerboten in Scandinavië die op een mix van methanol en fossiele brandstoffen varen. Op dit moment wordt wereldwijd zeker 100 miljoen ton methanol per jaar geproduceerd. Voornamelijk uit aardgas en aardolie – fossiel en vervuilend dus. Een kleiner deel wordt gemaakt van biomassa en huisvuil: potentieel schoon, mits de biomassa niet uit gekapte gewassen bestaat. Slechts een heel klein deel van de wereldwijde methanolproductie – zo’n 1 miljoen ton – is echt duurzaam. Of je duurzaam vaart op methanol hangt dus af van hoe de methanol geproduceerd is. Voordeel is wel dat je met dezelfde tank verschillende soorten methanol kunt mengen, en zo steeds groener zou kunnen varen met hetzelfde schip. En dan nog een dingetje met de motor: voor de ontsteking van methanol is een dieselmotor nodig, en bij die verbranding komen – daar zijn onze vijanden weer – stikstofoxiden en CO₂ vrij. </p>
<p>Of <em>ammoniak</em>. Op het eerste gezicht is het de perfecte opvolger van bunker (stook-)olie: er komt bij verbranding geen koolstofdioxide (CO₂) vrij, het kan vrij gemakkelijk gekoeld  worden vervoerd, én het is ook nog eens relatief goedkoop. Ammoniak wordt al volop gebruikt in andere sectoren, bijvoorbeeld voor industriële koeling, kunstmest of in schoonmaakmiddelen. Wereldwijd zijn er in havens grote opslagfaciliteiten voor ammoniak. En er zijn dus al strikte regels voor én er is ervaring met het gebruik. Geen uitstoot van CO₂, maar wel stikstofoxide (NO<em>x</em>) en lachgas (N₂O). Stikstofoxiden zijn luchtverontreinigend. Op zee geen ramp, maar wel een probleem langs de kust – vooral de Nederlandse– en in andere kwetsbare gebieden. Op die plekken leidt een verhoogde concentratie van stikstof tot verzuring van de bodem. Lachgas, een zeer sterk broeikasgas, is een nog deprimerender verhaal: het is waar dan ook schadelijk. Bovendien is ammoniak zeer giftig. Bij hevige blootstelling perforeert het je maag, verscheurt het je slijmvliezen en bijt het je ogen weg. Een dampwolk van ammoniak in de haven, dat wil je niet. Je ziet de rampenfilm al voor je. Hoe vervoer je dat veilig op een schip? Ammoniak wordt momenteel ook niet duurzaam geproduceerd.  Bovendien is de infrastructuur er nog lang niet om op grote schaal ammoniak te tanken in havens.</p>
<p>Een ander alternatief, <strong><em>waterstof</em></strong>. Waterstof wordt wel gezien als de beste schone brandstof voor schepen. De verbranding ervan in een brandstofcel stoot geen broeikasgassen of andere vervuilende stoffen uit, alleen waterdamp en warmte. Als je waterstof verbrandt in een motor, komen er nog steeds geen broeikasgassen vrij, maar wel… heb je ze weer: stikstofoxiden. Daarom zijn brandstofcellen met waterstof het schoonste alternatief voor lange vaarroutes. Ook fijn: waterstof is in theorie oneindig op te wekken. Toch zijn rederijen terughoudend. Schepen kunnen waterstof vervoeren als vloeistof of in gasvorm, maar het spul is zwaar explosief. Het kleinste vonkje of beetje frictie kan de stof al laten ontbranden. Daarbij moet het in vloeibare vorm worden gekoeld tot min 253 graden Celsius. Waterstof is goedkoop te produceren, maar juist dat koelen maakt het goedje stukken duurder. En waterstof neemt, zelfs in vloeibare vorm, veel meer ruimte in dan bunkerolie. Bovendien geldt ook voor waterstof: het is pas duurzaam als de waterstof met groene energie wordt opgewekt. En precies daar is nu een schrijnend gebrek aan. Vrijwel alle huidige waterstof is gemaakt uit fossiele brandstoffen.</p>
<p>Tot slot <em>batterijen</em>: die zouden prima kunnen werken voor korte afstanden, maar wil je ermee van Rotterdam naar Shanghai varen dan is de gedachte dat je er je hele schip mee moet volhangen, en kan je geen containers meer meenemen. Voor binnenvaartschepen op rivieren en kanalen zijn batterijen een prima toekomstplan. Sterker nog, de eerste elektrische binnenvaartschepen bestaan al. Tijdens het laden en lossen op hun diverse stops kunnen de schepen hun stekker aan wal inpluggen. Daar moeten natuurlijk wel stopcontacten  voor zijn en een schip moet helemaal worden (om)gebouwd voor elektrische aandrijving, maar toch: het is relatief veilig, makkelijk en op de lange termijn goedkoop. Ook voor veerboten, vissersboten en andere schepen die korte afstanden varen is het ideaal. Maar stel, je wil van Rotterdam naar Shanghai varen, dan lijken batterijen vrij hopeloos. Je zou het hele schip ermee moeten volhangen om zo’n afstand te kunnen varen, waardoor je geen ruimte meer overhoudt voor goederen, zo wordt vaak gesteld. Maar met een elektrisch schip heb je veel minder vermogen nodig. Besparingen met een factor 10 ten opzichte van het dieselvermogen zijn mogelijk. De grootste <em>’standaard’</em> elektromotor is 20MW. Met twee van die monsters kan je prima een HAL cruiseschip (inclusief het hotelbedrijf) varen (en dat gebeurt dus ook). De hoofdmotor eruit. Dan heb je bijna een lege machinekamer. Ruimteprobleem opgelost. Een permanente magneet (PM) elektromotor rechtstreeks op de schroefas. Omvormer die gevoed wordt uit een generator en een accubank. De accubank als container. Kan met een container. Ideale oplossing voor containerschepen! Gebeurt ook al!<a href="#_ftn66" name="_ftnref66">[66]</a> De batterijen kan je als ballast, dus laag in het schip plaatsen – ballast heb je als schip sowieso nodig. Andere, ondersteunende oplossingen zijn: economische vaart, energie uit de golven halen onderweg in plaats van flink te stampen, rustig manoeuvreren, e.d., dan heb je minder zware motoren nodig. Uitwijken doe je toch al door stuurboord uit te gaan in plaats van vol achteruit. Je kan voorts enorm veel energie besparen door slimmer te verwarmen en koelen, en het roer voorzien van een elektromotor (voorbeeld Stena lines Ierland, alles elektrisch. Of de nieuwe boot van Damen voor Waternet. Ook alles elektrisch). De ontwikkeling van batterijen gaat voorts steeds sneller, met meer vermogen, minder verlies en steeds beter beschikbare grondstoffen. Lithium kan gewonnen worden uit zeewater voor 5 euro per kg. Kobalt hoef je niet te gebruiken in een accu. Gewoon nikkel werkt ook. Wordt het ietsje groter van. De rest kan elektrisch. De Nul, een groot Belgisch baggerbedrijf heeft nog een mooie truc uitgehaald. Een 30MW baggerschip. Alles met hoogspanning dus hoog rendement en klein. Elektrisch met accu’s en een stekker voor naar de transformator van de windmolens! In dit soort ontwikkelingen zit de duurzame toekomst van de scheepvaart. Uiteraard moeten de batterijen dan wel geladen zijn met groene stroom.</p>
<p>De lijst hierboven is niet uitputtend. Zo zijn er experimenten om schepen aan te drijven met wind, zodat ze minder of zelfs helemaal geen brandstof hoeven te gebruiken.<a href="#_ftn67" name="_ftnref67">[67]</a></p>
<p>We zetten vol in op elektrificatie van de scheepvaart met groene stroom – op het water en aan de wal. We investeren in havenfaciliteiten daarvoor. Voor nieuwe schepen gaan we verbieden dat er een hoofdmotor in komt. De eis wordt direct tenminste hybride diesel-elektrisch gaan varen. En dan gaan de accu’s het vanzelf steeds meer overnemen als die goedkoper en kleiner worden. De scheepvaart wordt onder de werking van het ETS gebracht en krijgt ook een CO₂-heffing. Ook privéjachten met fossiele brandstoffen gaan we zwaarder belasten. Er komen strenge normen voor geluid van schepen onder water. We gaan op de Noordzee streng handhaven op verbod van lozen van giftige stoffen, o.m. na scrubben. Niet-duurzame cruiseschepen worden per direct geweerd. Binnenvaart, slepers, baggerschepen en veerboten moeten voor 2030 elektrisch zijn.</p>
<p>Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu. We vervangen de motorrijtuigenbelasting en de aanschafbelasting (bpm) door een systeem van rekeningrijden, gedifferentieerd naar plaats en tijd. Alle nieuwe personenauto&#8217;s die in 2030 op de markt komen, moeten van de EU 100% elektrisch zijn. Deze auto&#8217;s rijden dan op elektriciteit uit een batterij, waterstof-brandstofcel of zonnepanelen. Vanaf 2025 verplichten we daarop vooruitlopend dat alle leaseauto’s elektrisch zijn. De aanschafbelasting voor vervuilende auto’s gaat snel omhoog. We zorgen snel voor implementatie van de EU norm voor (snelle) laadpalen langs de snelwegen (iedere 60km). Auto&#8217;s op het belangrijkste Europese wegennet moeten in 2026 minstens iedere 60 kilometer kunnen worden opgeladen. Het gaat om stations met minstens 400 kW-laadvermogen en meerdere laadpunten. Tegen 2028 moet het vermogen per laadstation toenemen tot 600 kW. Vrachtwagens en bussen moeten volgens de EU over vijf jaar om de 120 kilometer zijn op te laden langs de helft van de Europese hoofdwegen. De laadstations voor trucks en bussen krijgen een vermogen van 1400 kW tot 2800 kW. Om de 200 kilometer moet een chauffeur in 2031 waterstof kunnen tanken. Er worden uitzonderingen gemaakt voor afgelegen gebieden, eilanden en wegen met &#8216;zeer weinig verkeer&#8217;. Betalen aan de laadpaal moet ook makkelijker en inzichtelijker worden.</p>
<p>We investeren niet meer in nieuwe of verbreding van autosnelwegen. Amilesweerd blijft behouden en wordt beschermd. </p>
<p>Alle fossiele subsidies worden geschrapt, inclusief fiscale vrijstellingen en kortingen en kredietexportverzekeringen.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134451998"></a><strong>10.             </strong><strong>Migratie Als Een Kans</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Migratie gebeurt om verschillende motieven: werk, studie, liefde, vluchten voor gevaar bij geweld, rampen, onderdrukking of honger en gebrek. Naar een ander land verhuizen is een ingrijpende beslissing, die mensen niet licht nemen. Met zulke sterke motieven heeft het weinig zin en is het vaak schrijnend om mensen niet toe te laten. Het steeds moeilijker maken van de toegang tot ons land werkt daarom niet – de misstanden bij pogingen om toch binnen te komen worden alleen groter en er vallen steeds meer slachtoffers.</p>
<p>In plaats van het verdienmodel van mensensmokkelaars te bevorderen en ons te laten chanteren door dubieuze regimes in transitlanden kiezen we voor regulering van veel meer legale migratie.</p>
<p>Eenmaal hier organiseren we snelle en effectieve integratie, met vertrouwen en dus niet met dwang. Met veel gratis publiek georganiseerde facilitering van (taal)onderwijs en zo snel mogelijk werk, en met goed georganiseerde opvang en huisvesting.</p>
<p>Met onze vergrijzing hebben we steeds grotere arbeidstekorten – migratie geeft daarbij een deel van de oplossing, en is daarom niet bedreigend, maar juist een kans. Onze geschiedenis laat bij uitstek zien dat de impuls van nieuwe migranten ons vooral steeds verder gebracht heeft in onze ontwikkeling. Mits we het goed organiseren, kunnen we dat prima aan.</p>
<p>Met goede scholing en arbeidservaring, en niet het risico lopen van gesloten grenzen na remigratie, kan migratie ook een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van de landen van herkomst, na terugkeer van een deel van de migranten.</p>
<p>Voor de regio’s waar nu het grootste deel van de vluchtelingen worden opgevangen – vaak zelf arme landen met veel eigen problemen – betekent een veel ruimhartiger opvang hier een verlichting, ook voor de daar verblijvende vluchtelingen. Migratie goed en ruimhartig organiseren is een vorm van internationale solidariteit. Voor het aanpakken van problemen elders in de wereld, zie het beginsel Internationale Solidariteit.</p>
<p><strong><em>Ons Doel</em></strong></p>
<p>Legale migratie is veel makkelijker, veiliger en ruimer dan nu. Mensen kunnen aan de buitengrenzen, havens en luchthavens, en op onze ambassades zo nodig een visum aanvragen. Je hebt geen visum meer nodig om een veerboot of vliegtuig hier naar toe te kunnen nemen.</p>
<p>We werven gericht arbeidsmigranten van buiten de EU. Arbeidsmigratie binnen de EU (Schengen) en andere migratie binnen Schengen blijft vrij. Uitbuiting van arbeidsmigranten is gericht tegengegaan en uitgebannen.</p>
<p>Vluchtelingen worden meer in ons land en in de EU opgevangen. We ontlasten gecontroleerd de overbelaste opvang in de regio’s dicht bij de landen van herkomst.</p>
<p>Integratie, met scholing, opvang, werk en huisvesting zijn effectief en efficiënt georganiseerd, kleinschalig, op maat, en met eigen regie. We investeren in betrokkenheid van de omgeving hierbij, waarmee het draagvlak en de effectiviteit enorm zijn toegenomen.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p><u>Arbeidsmigratie binnen de EU </u></p>
<p>De arbeidsmigratie binnen de EU heeft een aantal andere problemen blootgelegd. Niet alleen dat een deel van de werkgevers en uitzendbedrijven hen stelselmatig uitbuiten, maar ook dat het heeft gezorgd voor een type werk dat wordt gekenmerkt door slechte betaling, extreme flexibiliteit en beroerde arbeidsvoorwaarden. Dat geldt bovendien voor economische bedrijvigheid waarvan we ons kunnen afvragen of we die nog wel moeten willen (glastuinbouw, bezorgdiensten), maar ook voor werk dat wordt gedaan door wat SP’er Ron Meijer de ‘<em>onmisbaren’</em> noemt. Goede voorbeelden zijn de zorg, de schoonmaakbranche en de bevrachters op Schiphol. Dit is dan ook het moment om werkgevers meer onder druk te zetten. Laat ze werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt beter betalen en arbeidsvoorwaarden verbeteren, zodat mensen die nu nog aan de kant staan een fatsoenlijke baan kunnen krijgen.</p>
<p>Daarnaast zou de integratie van statushouders in Europa meer prioriteit moeten krijgen, zodat zij hun capaciteiten veel sneller kunnen benutten. Maar daarmee zijn we er niet. Gezien de demografische ontwikkelingen in de EU, met een krimpende en sterk vergrijzende bevolking, is arbeidsmigratie – of we dat leuk vinden of niet – in alle lagen van de arbeidsmarkt onvermijdelijk. Het beleid zal alleen succesvol zijn als het onderdeel is van een veel breder pakket van sociale maatregelen dat niet alleen de belangen van het kapitaal dient, maar ook die van arbeid. Al was het alleen maar omdat het politieke draagvlak voor migratie in de houdgreep van het rechts-populisme zit.</p>
<p>Voor negen van de tien migranten is er geen plicht tot inburgeren. Van meet af aan gold de inburgeringsplicht niet voor nieuwkomers uit andere EU-lidstaten. Dit is de grootste groep die vorig jaar bijvoorbeeld 106.000 personen telde. Ook arbeidsmigranten en studenten van buiten de EU en hun gezinsleden zijn vanwege het tijdelijk karakter van hun verblijf niet inburgeringsplichtig. In 2021 deed men vanuit die groep 46.660 aanvragen. Daarnaast zijn minderjarigen (leerplicht) en 67-plussers op grond van hun leeftijd vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Uit de jaarrapportage arbeidsmigranten blijkt dat er momenteel in totaal zo&#8217;n 611.000 Europese arbeidsmigranten in Nederland zijn, van wie ruim 375.000 uit Oost-Europa.</p>
<p>De grootste groep arbeidsmigranten komt uit Polen. Het werk dat de Polen hier verrichten wordt door hen veelal met volle overgave gedaan en dat weten de Nederlandse werkgevers. Niet zelden gaat het om fysiek zwaar werk dat ook nog eens gekoppeld is aan flexibele arbeidscontracten. Denk aan het seizoenswerk, het werken in de vleessector of in de bouw. De Polen maken lange dagen en hebben daarom geen tijd om de Nederlandse taal te leren. Maar ook de werkgevers zijn vaak &#8211; gelet op het tijdelijke karakter van het werk &#8211; niet geneigd om in deze werknemers te investeren qua inburgering. Dat wordt al snel als te kostbaar gezien. Een deel van deze migranten keert inderdaad na het gedane werk terug naar het herkomstland. Gemiddeld één op de twee EU-migranten en één op de drie migranten van buiten de EU vertrekken binnen drie jaar (CBS). Maar zoals het SCP-rapport uit 2018 aantoonde wil een ruime meerderheid van de Polen langer in Nederland verblijven en hier bouwen aan een toekomst. Vooral de groep van 25-35 jarigen wil zich verder ontwikkelen wat werk en opleiding betreft en ook hun gezinsleven opbouwen. Maar krijgen ze wel kansen geboden? Als je de Nederlandse taal niet machtig bent is het lastig om ander werk te vinden en bemoeilijkt het je om je weg te vinden in de maatschappij. Maar ook vice versa is er een probleem. De maatschappij kan moeilijk met de migrant communiceren met alle gevolgen van dien. Denk maar aan het gesprek dat je als ouder hebt met de school waar je kinderen zitten. Dat is niet alleen voor de migranten maar ook voor de school lastig en levert problemen op. Maar ook als het gaat om de rechten en plichten die je als migrant hier in Nederland hebt, is het van belang dat je de taal machtig bent. De consequenties van die onkunde vullen de kranten regelmatig. Kijk maar naar de gebrekkige en zelfs mensonterende huisvesting en onderbetaling van arbeidsmigranten. De arbeidsmigranten mogen dan wel werk hebben maar ze hebben moeite met integreren en verworden dan tot een soort tweederangsburgers.</p>
<p>Het is volgens de adviesraad migratie een gemiste kans dat de Wet inburgering geen aandacht besteedt aan deze migranten. Er zijn zeker goede redenen, zowel juridische (EU-burgers) als maatschappelijke (tijdelijke seizoenarbeiders) om niet iedere nieuwkomer tot inburgering te verplichten, maar waarom zouden we EU- en arbeidsmigranten geen gedifferentieerde integratievoorzieningen aanbieden? In plaats van verplichting, zouden meer verleid moeten worden om op vrijwillige basis een integratiecursus te volgen. Dan volstaat niet het huidige leenstelsel waarbij kosten voor een inburgeringscursus tot boven de € 10.000 oplopen. Dat vergt een andere koers, waarbij inburgering aansluit op de rest van de samenleving en nadrukkelijk wordt gezien als maatschappelijke investering die rendement gaat opleveren.</p>
<p>In Duitsland is deze koerswijziging al ingezet. Niet alleen krijgt iedere migrant die zich in  Duitsland vestigt een integratiecursus aangeboden, maar ook worden volgens de afspraken in het recente Duitse coalitieakkoord bijvoorbeeld alle beperkingen weggenomen voor toegang tot de arbeidsmarkt voor iedereen die rechtmatig in Duitsland verblijft, waaronder dus ook asielzoekers in procedure. Het beleid in ons buurland dankt zijn succes mede aan de vrijheid die lokale autoriteiten hebben om federaal beleid te interpreteren en uit te voeren. Niet alleen gemeenten, maar ook arbeidsbureaus en maatschappelijke organisaties kunnen hun beleid daardoor afstemmen op de lokale behoefte. Wat de inburgering van migranten ook ten goede komt, is dat buitenlandse kwalificaties snel worden erkend. Bovendien betaalt de Duitse overheid het gros van de kosten van de inburgering. De eigen bijdrage voor een les is meestal € 2,20, terwijl een gezinsmigrant in Nederland gemiddeld € 13,50 per les kwijt is. Hoewel er in Duitsland geen slaagplicht is voor inburgering, haalt meer dan de helft van de cursisten in Duitsland het B1-niveau (gevorderd), terwijl dit aantal in Nederland niet meer dan enkele procenten bedraagt. Duitsland behaalt dus betere resultaten. Met Duitsland als voorbeeld moet Nederland daarom komen tot nieuwe keuzes.</p>
<p><u>Vluchtelingenopvang in de regio</u></p>
<p><em>‘Opvang in de regio’</em> is al decennia het mantra van vele westerse regeringen en politieke partijen om vluchtelingen niet in het eigen land te willen opvangen. Het wordt gepresenteerd als een oplossing, die het al net zolang niet biedt. De motieven variëren: vanuit solidariteit met vluchtelingen en eerste opvanglanden, om de komst van vluchtelingen naar Europa (en Nederland) te voorkomen en/of om vluchtelingen direct terug te sturen naar waar ze vandaan komen. Opvang in de regio is geen nieuw idee. Politieke aantrekkingskracht hiervoor bestaat al decennia. Denemarken stelde het in de jaren tachtig voor. Nederland volgde begin jaren negentig met plannen van staatssecretaris Kosto (PvdA). In 2003 presenteerde de Britse premier Blair zijn <em>New Vision on Refugees</em> en in het jaar daarna kwam Duitsland met het plan van Schilly met de beruchte Turkije-deal. Naar aanleiding van het grote aantal vluchtelingen in 2015 stelde het Nederlandse kabinet de <em>‘stip-aan=de-horizon’</em>-brief op.</p>
<p>Wereldwijd zijn er meer dan 100 miljoen mensen op de vlucht, 1 op de 100 wereldburgers. Tien jaar geleden was dit nog 1 op 167 mensen. Door oorlog, geweld, vervolging en mensenrechtenschendingen waren er eind 2021 zo&#8217;n 89 miljoen mensen op drift. Vooral de Russische invasie van Oekraïne maar ook de andere noodsituaties zoals in Afrika en Afghanistan hebben het cijfer begin 2022 over de dramatische mijlpaal van 100 miljoen geduwd. Ongeveer 85% (!) wordt opgevangen in minder ontwikkelde landen in de regio van de herkomstlanden. Dit hoge percentage is al jarenlang stabiel en drukt zwaar op betrokken landen. Kinderen zijn goed voor 30% van de wereldbevolking, maar 41% van alle mensen op de vlucht is kind. Veruit de meeste mensen zijn op de vlucht binnen de eigen landsgrenzen (53 miljoen), zoals in DR Congo, Jemen of Colombia. Daarnaast staken iets meer dan 27 miljoen mensen de grens over op zoek naar veiligheid. Het aantal vluchtelingen steeg o.m. in Oeganda, Tsjaad en Soedan. Tot slot hadden 4,6 miljoen mensen een asielaanvraag lopen en verlieten 4,4 miljoen Venezolanen hun land. De meeste vluchtelingen komen al jaren uit vijf landen: Syrië (6,7 miljoen), Venezuela (4,6 miljoen), Afghanistan (2,7 miljoen), Zuid-Soedan (2,4 miljoen) en Myanmar (1,2 miljoen). In absolute aantallen ving Turkije de meeste vluchtelingen op (3,8 miljoen), gevolgd door Colombia (1,8 miljoen), Oeganda (1,5 miljoen), Pakistan (1,5 miljoen) en Duitsland (1,3 miljoen). In Libanon is een op de vier inwoners een Syrische vluchteling. Ter vergelijking: in Europa verblijft zo’n 8% van het totaal aantal mensen dat wereldwijd op de vlucht is. Nederland ontving in 2020 ruim 19.000 asielaanvragen.<a href="#_ftn68" name="_ftnref68">[68]</a> Kortom, opvang in de regio is sinds jaar en dag een realiteit.</p>
<p>Eén van de gedachten achter het opvangen van vluchtelingen in de regio is dat dit terugkeer naar het land van herkomst makkelijker maakt. Maar veilige en snelle terugkeer is vaak geen reële optie. De crises in de landen van herkomst zijn veelal langdurig en complex van aard en fragiele post-conflictsituaties maken grootschalige terugkeer van vluchtelingen dan ook vaak onmogelijk. Ongeveer 15,7 miljoen vluchtelingen verblijven bijvoorbeeld langer dan vijf jaar in zogenoemde <em>‘protected refugee situations’</em> in de regio. Daarvan keerden in 2019 slechts 317.200 mensen terug. Sommigen zien kans om verder te vluchten naar Europa, en nemen daartoe veel risico’s. Hervestiging via de UNHCR is slechts beperkt tot een ‘<em>lucky few</em>’. Meer dan 10% van de vluchtelingen is niet veilig in de regio en zou eigenlijk direct elders bescherming moeten krijgen. Maar in 2019 worden slechts 63.696 van de 1.4 miljoen kwetsbare vluchtelingen via de UNHCR hervestigd in Europa en landen als Canada en Australië. Overigens wordt ‘<em>opvang in de regio’</em> in het politieke debat ook wel eens uitgelegd als ‘externalisatie of <em>‘external processing’</em>. Maar dan gaat het om het terugsturen van asielzoekers naar locaties buiten de EU zoals bijvoorbeeld naar Noord-Afrikaanse landen. Daar wordt dan de asielprocedure uitgevoerd <em>door</em> de EU lidstaten.</p>
<p>Van Heuven Goedhart, de eerste Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, zei in 1955 al: ‘<em>refugee camps should burn holes in the conscience of those who are privileged to live in better conditions</em><em>’</em>.  Inmiddels verblijft 60% van de vluchtelingen in stedelijke gebieden in plaats van in opvangkampen. Velen van hen verkeren in nijpende omstandigheden. Niet iedereen is geregistreerd of heeft papieren. Verblijfsomstandigheden zijn slecht en de hygiëne bedroevend. Vaak is er een beperkte toegang tot voorzieningen zoals zorg, onderwijs en werk en heerst er een grote mate van onveiligheid zoals risico’s op verkrachting, uitbuiting en detentie. Vluchtelingen zitten gevangen in compleet uitzichtloze situaties. En toch proberen zij het beste te maken van hun leven. Daarbij kunnen zij, en de landen die hen opvangen, zeker nog meer ondersteuning gebruiken. </p>
<p>Volgens het Vluchtelingenverdrag is bescherming meer dan alleen het bieden van eerste humanitaire crisisopvang in de vorm van onderdak, water en voedsel. Het betekent ook het creëren van een toekomstperspectief: zowel duurzame veiligheid als economische zelfstandigheid. De landen die de meeste vluchtelingen opvangen hebben het vaak al zwaar en kunnen deze lasten niet alleen dragen. Het belang van meer samenwerking en betere verantwoordelijkheidsverdeling tussen landen van eerste opvang, landen van herkomst en asiellanden is erkend in het <em>Global Compact for Refugees.</em></p>
<p>Nederland speelt binnen de EU al langere tijd een voortrekkersrol als het gaat om betere bescherming in de regio. Jaarlijks investeert Nederland 128 miljoen euro in de rechtspositie van, het onderwijs en de werkgelegenheid voor vluchtelingen en ontheemden. Deze ontwikkelingsgerichte inzet is een goede stap. Maar er is veel meer (EU) geld nodig. Zo is bijvoorbeeld maar voor 57% procent voldaan aan de financieringsbehoefte van regionale bescherming voor Syriërs. En geld alleen is niet voldoende: ook het hervestigingsquotum zal drastisch ophoog moeten. Dat geldt ook voor Nederland, waar het kabinet in 2019 het aantal te hervestigen vluchtelingen uit de kampen op voordracht van het UNCHR juist verlaagde van 750 naar 500<a href="#_ftn69" name="_ftnref69">[69]</a>. Daarmee ontlast je namelijk daadwerkelijk de regio en bescherm je de meest kwetsbare vluchtelingen.</p>
<p>Het is niet realistisch, en vanuit solidair oogpunt ook niet wenselijk om te verwachten dat verbetering van de beschermingscapaciteit in de regio tot gevolg heeft dat het aantal asielaanvragen in Europa of Nederland tot een nulpunt daalt. Zelfs als de situatie voor vluchtelingen in de regio verbetert, zullen er altijd vluchtelingen zijn die ook in de buurlanden vervolgd worden. Dat kan zijn vanwege hun politieke activiteiten of hun geloof. Ook zullen er altijd  andere redenen zijn om door te reizen en hier asiel aan te vragen. Afschaffen van de nationale asielprocedures is dan ook geen optie. Het vluchtelingenrecht bepaalt dat altijd individueel moet worden beoordeeld of terugkeer veilig genoeg is, en de geboden bescherming voldoende perspectief biedt voor een menswaardig bestaan. Dat is de kern van vluchtelingenbescherming, waar ook ter wereld.</p>
<p><u>Het VN-vluchtelingenverdrag</u></p>
<p>Bij de zoektocht naar oplossingen voor de vluchtelingenproblematiek en het ervaren gebrek aan grip op asielmigratie, weerklinkt in Nederland met enige regelmaat de roep om het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties (VN) op te zeggen of aan te passen. Omdat dit verdrag uit 1951 niet meer van deze tijd zou zijn. Omdat het nooit bedoeld zou zijn geweest voor de huidige aantallen vluchtelingen en omdat het Nederland zou beperken om eigen keuzes te maken in het asielbeleid. In het regeerakkoord van Kabinet-Rutte III was afgesproken om een studie te laten uitvoeren naar de vraag of het Vluchtelingenverdrag nog wel <em>‘bij de tijd zou zijn’</em> om <em>‘een duurzaam juridisch kader te vormen voor het internationale asielbeleid van de toekomst.’</em> Op basis van een door Donner en Den Heijer uitgevoerde verkenning, concludeerde het kabinet dat opzegging of wijziging van het verdrag weinig toegevoegde waarde heeft. Inzet op verbetering van de Europese asielsamenwerking is nuttiger. Is daarmee de kous af? Nee, toch niet, het voorstel tot opzeggen of wijzigen komt namelijk steeds weer terug.</p>
<p>Waarom heeft het dan zo weinig zin om het verdrag op te zeggen of aan te passen? Het Vluchtelingenverdrag zelf kent geen herzieningsprocedure om het verdrag aan te passen. Nederland zou daarom via de Algemene Vergadering van de VN om een aanpassing van het verdrag moeten verzoeken. Alle betrokken verdragspartijen moeten het vervolgens eens zijn met die aanpassingen. In het verdrag en ook in het Protocol van 1967 – waarin de werkingssfeer van het verdrag werd uitgebreid – is wel geregeld dat een land zelf uit het verdrag kan stappen. Maar omdat het verdrag (en het protocol) onderdeel uitmaken van de verdragen van de Europese Unie, moeten die verdragen ook gewijzigd worden, of het moet komen tot een Nexit.</p>
<p>Opzegging of wijziging van het Vluchtelingenverdrag betekent dat Nederland diplomatieke schade op het wereldtoneel lijdt en zich op politiek en economisch vlak isoleert in Europa. Inhoudelijk levert het daarbij ook nog eens niets op. In het Unierecht, en via het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens is het asielrecht namelijk veel meer uitgewerkt en gaan de afspraken ook verder dan de rechten en verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag. De definities zijn bijvoorbeeld breder: ook mensen die vluchten voor grootschalig willekeurig geweld krijgen bescherming. Het Unierecht bepaalt hoe de asielprocedure moet worden ingericht en welke waarborgen daarbij gelden. Die waarborgen staan niet expliciet in het Vluchtelingenverdrag. Ook zonder Vluchtelingenverdrag is Nederland hoe dan ook aan deze Europese afspraken gebonden.</p>
<p>Het is belangrijk dat Nederland partij is en blijft bij het Vluchtelingenverdrag. Multilaterale verdragen vormen een belangrijk onderdeel van de internationale rechtsorde. Na de Tweede Wereldoorlog en de oprichting van de VN is er een aantal mensenrechtenverdragen opgesteld. Het Vluchtelingenverdrag is een van die fundamentele verdragen. Het heeft als kernwaarde dat als een land een burger niet langer bescherming kan of wil bieden, een ander land deze bescherming ‘overneemt’ en dat die persoon niet wordt teruggestuurd naar een land waar hij of zij gevaar loopt.</p>
<p>De bescherming van vluchtelingen is niet enkel een Europees maar juist een mondiaal vraagstuk. Het merendeel van de vluchtelingen &#8211; zo’n 85 procent &#8211; zoekt toevlucht in de vaak armere regio&#8217;s rondom het land van herkomst. Het is dan ook van belang dat deze landen hun grenzen openhouden, bescherming blijven bieden en zich hierbij gesteund weten door de rest van de wereld. Het Vluchtelingenverdrag vormt de (enige) breed gedeelde normatieve grondslag voor het gezamenlijk realiseren van vluchtelingenbescherming op basis van internationale solidariteit. Internationale verdragen maken fatsoenlijke, beheersbare afspraken mogelijk tussen landen met heel verschillende belangen: die van eerste opvang, bestemmings- en asielverlenende landen, landen van herkomst. Het belang van het Vluchtelingenverdrag als uitgangspunt voor deze afspraken is bij het opstellen van het <em>Global Compact on Refugees</em> in 2018 nogmaals bevestigd.</p>
<p>Nederland is sinds 1956 aangesloten bij het Vluchtelingenverdrag, dat samen met andere normatieve multilaterale verdragen het fundament vormt van de internationale rechtsorde. Artikel 90 van de Grondwet geeft de regering zelfs expliciet de taak om de internationale rechtsorde te bevorderen. Hieronder valt ook het waarborgen van mensenrechten en het bevorderen van de naleving van internationale regels. De werking van het Vluchtelingenverdrag verzwakken of opzeggen gaat daarmee in tegen de geest van de Nederlandse Grondwet. En die Grondwet dient bij uitstek het nationaal belang.</p>
<p>Het opzeggen van het Vluchtelingenverdrag is daarmee een &#8211; op het oog stoere – maatregel, die vooral diegenen treft die echt bescherming nodig hebben gezien de realiteit van de opvang in de regio, die wederkerige afspraken op de tocht zet <em>(‘als jij niet meer meedoet, waarom zou ik dan nog meedoen?’</em>) en die afbreuk doet aan de werking van de internationale rechtsorde.</p>
<p><u>De Deense aanpak: het criminaliseren van vluchtelingen</u></p>
<p>Het is onbegrijpelijk dat de Deense sociaaldemocraten niet uit de Europese fractie zijn gegooid. Ze criminaliseren vluchtelingen en handelen in strijd met het Vluchtelingenverdrag. Al in 2016 werd in Denemarken een wet aangenomen die het mogelijk maakte om juwelen, geld en andere waardevolle voorwerpen van asielzoekers bij de grens in beslag te nemen, met als argument dat daarmee hun opvang betaald kon worden. En ze wil Syrische statushouders terug wil gaan sturen naar de regio Damascus, omdat het daar inmiddels rustig en veilig genoeg zou zijn ondanks bewijzen dat terugkeerders gemarteld en vermoord worden. En als klap op de vuurpijl wil men, net als de rechtse regering in het VK, vluchtelingen, bijv. uit Syrië en Afghanistan afvoeren naar Rwanda (dat eerder 4000 asielzoekers accepteerde uit Israël tegen betaling).</p>
<p>Het is beschamend dat Lodewijk Asscher serieus overwoog het Deense asielbeleid tot voorbeeld te nemen, nadat de man uit zijn fractie die de volkshuisvesting had helpen slopen, Jacques Monasch, al eerder tot rechts migratiebeleid had opgeroepen. Al deze maatregelen zijn erop gericht om het streven van de zich sociaaldemocratische noemende minister-president Mette Frederiksen naar ‘<em>zero</em>’ asielzoekers te verwezenlijken. Door de afschrikkende werking hoopt de regering dat asielzoekers wel twee keer nadenken voordat ze naar Denemarken komen. Als we naar de cijfers kijken, dan lijkt dat beleid succesvol. Na een piek van 21.000 in 2015 is het aantal meer dan gedecimeerd tot iets meer dan 1.500 in 2020. Daarmee gaan de sociaal-democraten verder dan eerdere voorstellen van de radicaal-rechtse <em>Dansk Folkeparti</em> (een soort PVV). Dit radicale beleid, dat inmiddels fel is bekritiseerd door de UNHCR en waarbij de Europese Commissie ook zegt fundamentele vragen te hebben, staat haaks op de principes van het Vluchtelingenverdrag van 1951. Het basisidee daarvan is namelijk dat mensen wier asielverzoek wordt goedgekeurd daarmee worden toegelaten tot de nieuwe samenleving om daar een nieuw leven op te bouwen als nieuwe burgers. Dat bevordert het integratieproces en maakt het mogelijk toekomstplannen te maken voor henzelf en hun kinderen.</p>
<p>Met de wet die het mogelijk maakt Syriërs terug te sturen, kunnen statushouders die minder dan tien jaar in het land verblijven, hoe goed ze ook zijn geïntegreerd, alsnog de deur worden gewezen. Het gevolg laat zich raden: tweederangs-burgerschap, permanente onzekerheid en marginalisering. Ook het Rwanda-plan druist in tegen de grondregels van het internationale vluchtelingenverdrag, omdat het asielzoekers deels overlevert aan regimes van landen, die – zacht gezegd – weinig op hebben met mensenrechten, en omdat het plan vluchtelingen zelfs na erkenning van het asielverzoek in feite aan hun lot overlaat. Denemarken gaat hier overigens maar één stap verder dan de Europese Unie. De Turkijedeal en daaropvolgende afspraken met Afrikaanse landen als Tsjaad en Mali om migranten tegen te houden die via de Sahara naar Noord-Afrika willen reizen, zijn evenzeer vormen van externalisering van het migratie- en vluchtelingenbeleid. Met de bedoeling het hun zo moeilijk mogelijk te maken om in Europa asiel aan te vragen. Ondanks de internationale kritiek is de kans dat het Deense voorbeeld door andere EU-lidstaten zal worden gevolgd dan ook helemaal niet denkbeeldig. Het idee dat het aantal asielzoekers zoveel mogelijk moet worden beperkt en dat afschrikking daarbij helpt, beperkt zich immers niet tot Kopenhagen. Dat nota bene een sociaaldemocratische regering dergelijke radicale xenofobe maatregelen neemt, wordt vaak vooral gezien als een strategische keuze om radicaal-rechts de wind uit de zeilen te nemen. Los van de vraag of dat ook echt werkt (de partij van Frederiksen won in 2019 slechts één zetel, terwijl de radicale socialisten en sociaalliberalen er respectievelijk zeven en acht wonnen), gaat dat idee voorbij aan een specifieke Scandinavische sociaaldemocratische visie op burgerschap. Zo steunen de sociaal-democraten ook de <em>‘ghetto deal’</em> van de vorige (rechtse) regering om bewoners van als ‘<em>ghetto’</em> aangemerkte wijken – met meer dan 50 procent immigranten – strenger te straffen, inclusief familieleden van criminelen. Verder is het plan om een deel van de goedkope woningen af te breken en bewoners te dwingen zich elders te vestigen. Dat de regering vooral geobsedeerd is door het – maar zeer ten dele door feiten ondersteunde – beeld van islamisering en parallelle samenlevingen verklaart waarom arme autochtone wijken met rust worden gelaten.</p>
<p>Deze mix van afschrikking en gedwongen eenzijdige assimilatie wortelt in sociaaldemocratische idealen die zich in de jaren dertig in landen als Noorwegen, Zweden en Denemarken ontwikkelden. Centraal stond het idee van de ‘<em>folkhemmet’</em>, de staat als het huis van het volk. Deze vorm van socialisme legde meer nadruk op de etnische en sociale overeenkomsten tussen burgers dan op klassentegenstellingen. De staat werd gezien als heropvoeder en burgers die zich daaraan onttrokken (de ‘<em>asocialen’</em>) werden geconfronteerd met eugenetische maatregelen, inclusief gedwongen sterilisatie. Dat lot trof ook culturele minderheden als de Sami. Inmiddels heeft zich een tweede <em>‘sociale kwestie’</em> aangediend en zijn de vermeende <em>‘onaangepaste’</em> autochtonen van weleer vervangen door immigranten, die opnieuw met een extreem repressief beleid worden aangepakt.</p>
<p><u>De mythe van de aanzuigende werking van onze verzorgingsstaat</u></p>
<p>Migranten komen niet naar Nederland voor een uitkering, maar om te werken of om samen te kunnen zijn met hun gezin. Voor asielzoekers speelt het vinden van bescherming een rol. Voor veel migranten zijn het <em>&#8216;vinden van betere arbeidsperspectieven’ </em>maar ook de <em>‘aanwezigheid van sociale netwerken’</em> in Nederland van invloed op hun migratie keuze.</p>
<p>Het is een mythe dat migranten vertrekken om goede sociale voorzieningen elders te krijgen. Voor ‘<em>bijstandstoerisme’</em> of ‘<em>een aanzuigende werking’</em> van onze verzorgingsstaat bestaan weinig aanwijzingen. Migranten gaan niet massaal naar landen met de meest ontwikkelde verzorgingsstaat of met de meest gunstige sociale zekerheid zoals bijvoorbeeld de Scandinavische landen die kennen. Integendeel: velen reizen af naar Spanje (zoals de Roemenen) of het Verenigd Koninkrijk (bijvoorbeeld de Polen). Dat zijn juist landen met betrekkelijk beperkte verzorgingsstaat voorzieningen en een relatief laag bijstandsniveau. Veel migranten, veelal jong en vaak ook in de gezinsvormende fase van hun leven, hebben meestal helemaal geen gedetailleerde kennis over onze verzorgingsstaat. Net als de meeste mensen oriënteren zij zich hier pas op wanneer het aan de orde is in een bepaalde levensfase. En wie alleen naar Nederland zou komen voor een uitkering komt bedrogen uit. Je kán helemaal geen bijstandsuitkering aanvragen als je de grens passeert. Asielzoekers krijgen onderdak en leefgeld van 59 euro per week. Europese migranten kunnen hun verblijfsrecht verliezen als ze zich melden bij de sociale dienst. En ook een WW-uitkering wacht niet op je aan de grens. Daarvoor moet je als migrant &#8211; net als iedereen &#8211; een arbeidsverleden hebben opgebouwd.  </p>
<p>Het aantal Oost-Europese migranten &#8211; de grootste groep migranten op dit moment in Nederland &#8211; met een bijstandsuitkering is betrekkelijk gering. Het gaat om 1,8 procent in vergelijking tot 2,3 procent onder burgers van Nederlandse origine, al is er wel een lichte stijging. Oost-Europese arbeidsmigranten maken wel vaker gebruik van een WW-uitkering. Dit heeft te maken met hun kwetsbare positie op de arbeidsmarkt: ze werken veelal in de laaggeschoolde en flexibele sectoren van de arbeidsmarkt. Ook voor Nederlanders met dezelfde kenmerken geldt dat zij vaker een WW-uitkering hebben. Veel migranten die werkloos worden vertrekken echter ook weer uit Nederland en doen geen beroep op WW.</p>
<p>Voor hoger opgeleide arbeidsmigranten kunnen bepaalde voorzieningen die de verzorgingsstaat biedt wel cruciaal zijn voor de keuze van het bestemmingsland. Omdat het vaak (jonge) gezinnen zijn, gaat dat dan vooral om goede gezondheidszorg, kinderopvang en onderwijs voor de kinderen, verlofregelingen etc.. Maar juist op deze elementen van de verzorgingsstaat scoort ons land helemaal niet zo goed. Kennismigranten met kinderen voelen zich daarom sneller aangetrokken tot de Scandinavische landen waar de voorzieningen betaalbaarder en professioneler zijn. Ook Duitsland streeft Nederland op dit punt inmiddels voorbij.</p>
<p>In het verleden kwamen migranten evenmin naar Nederland om van de verzorgingsstaat te genieten. Eind jaren zestig werden ongeschoolde werknemers geworven, en stortte de economische sector waarin zij werkten kort daarna in. De toen nog royalere verzorgingsstaat keerde relatief veel uitkeringen uit, voornamelijk voor arbeidsongeschiktheid. Maar vergeleken met toen én met de ons omringende landen, is het Nederlandse sociale zekerheidstelsel inmiddels behoorlijk versoberd. Asielstatushouders, de kleinste groep migranten, vragen wel relatief vaker een bijstandsuitkering aan. Dit is veelal terug te voeren op de gevolgen van hun vluchtervaringen en de gebrekkige aansluiting met de arbeidsmarkt, en de zeer gebrekkige hulp daarbij.</p>
<p><u>Criminalisering van illegaliteit</u></p>
<p>Geen enkel land, ook Nederland niet, weet een sluitend migratiebeleid te realiseren. Voor sommige migranten is terugkeer geen optie uit angst of schaamte. Sommigen verkiezen goedkope arbeid in het irreguliere circuit boven het gebrek aan perspectief in eigen land. Schattingen uit 2017-2018 geven aan dat er tussen de 23.000 en 58.000 migranten zonder geldige verblijfstitel in Nederland zijn. Een forse afname vergeleken met het in 1997 geschatte aantal van 194.000. Een mogelijke verklaring voor die afname is dat het leven hier voor deze personen alleen maar lastiger is geworden. Ook wordt een deel van het werk dat ze toen deden, na de EU uitbreiding nu door (reguliere) EU-arbeidsmigranten gedaan.</p>
<p>Het strafbaar maken van irregulier verblijf voegt in de praktijk weinig toe aan het bestaande instrumentarium van regels. De voorwaarden voor vreemdelingenbewaring bijvoorbeeld, zijn al zo ruim geformuleerd dat in het belang van de openbare orde iedere migrant zonder geldige verblijfstitel kan worden vastgezet met het oog op uitzetting. Daarnaast is het een feit dat (gedwongen) terugkeer in de praktijk behoorlijk weerbarstig is, want terugkeer hangt vooral af van medewerking van landen van herkomst. Dat probleem wordt dus niet zo maar door het strafrecht opgelost. Daar komt nog bij dat de irreguliere migrant die de openbare orde verstoort of een strafbaar feit pleegt, al onder het strafrecht valt.</p>
<p>De Europese Terugkeerrichtlijn bepaalt bovendien dat vertrek zwaarder weegt dan het opleggen van een straf voor irregulier verblijf. Dit betekent dat als je kan terugkeren naar je herkomstland, de uitvoering van een vrijheidsstraf moet stoppen. Met andere woorden het effect van iemand opsluiten is relatief beperkt.</p>
<p>Irreguliere migranten blijven bovendien veelal buiten het zicht van de overheid en hebben vaak geen vaste woon- of verblijfplaats. Daardoor zijn ze niet vindbaar. De overheid kan hen dan ook geen bericht sturen over bijvoorbeeld een strafbeschikking en moet de zaak seponeren of de persoon dagvaarden. Dat betekent weer extra werk voor het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht, werk dat uiteindelijk weinig effect heeft. Personen worden bij verstek veroordeeld maar horen hier nooit van, doordat ze niet te vinden zijn. Daardoor heeft het strafrecht, per saldo, nauwelijks een afschrikwekkende werking.</p>
<p>Strafbaarstelling van irregulier verblijf kan voorts alleen als het aan de migrant ligt dat deze niet vertrekt: zonder schuld geen straf. Zowel ‘<em>ontoerekenbaarheid’</em> als ‘<em>overmacht’</em> kunnen bijvoorbeeld een reden zijn dat je geen straf krijgt opgelegd. Het buiten schuld niet kunnen verkrijgen van reisdocumenten, medische omstandigheden of een dreigende schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bij uitzetting, kan leiden tot ‘<em>overmacht’</em> zoals het strafrecht dit kent. En dat betekent dat er dan geen straf wordt opgelegd.</p>
<p>Behalve de geringe meerwaarde en de beperkende factoren zijn er ook nog (onbedoelde) negatieve neveneffecten van strafbaarstelling. Sinds 1998 regelt in Nederland de Koppelingswet dat migranten zonder geldige verblijfstitel geen aanspraak kunnen maken op publieke voorzieningen. Internationale verdragen geven hen wel recht op medisch noodzakelijke zorg en rechtsbijstand. Minderjarige kinderen hebben ook recht op onderwijs. Als er dan gedreigd wordt met strafrechtelijke vervolging is de kans groot dat deze migranten nog meer onder de radar willen blijven en bijvoorbeeld geen medisch noodzakelijke zorg willen. Dat brengt weer risico’s mee voor de volksgezondheid. Ook wil je niet dat er kinderen in Nederland leven die niet naar school gaan uit angst om ontdekt te worden door de overheid. Strafbaarstelling kan met andere woorden leiden tot verdere marginalisering van een al kwetsbare groep.</p>
<p>De rechter is tenslotte tegenwoordig behoorlijk overbelast met werk. Grote andere zaken zoals cybercrime, georganiseerde misdaad, uitbuiting en mensenhandel vragen terecht aandacht. Het heeft dan weinig zin om de rechter extra te belasten met een strafrechtelijke aanpak van migranten zonder geldige verblijfstitel, een aanpak die geen toegevoegde waarde blijkt te hebben.</p>
<p><u>Gecontroleerd en veilig organiseren in plaats van ontmoedigen</u></p>
<p><em>‘</em><em>Bulgaarse politie vindt achttien overleden migranten in een achtergelaten vrachtwagen’</em>. Een bericht uit februari 2023. Het Openbaar Ministerie heeft 191 personen verhoord in een onderzoek naar marteling en afpersing van honderden Eritrese asielzoekers. En dit. Voor de kust van Calabrië spoelen de lichamen van honderden Iraniërs, Pakistanen en Afghanen aan, onder wie veertien kinderen. Ze leden begin 2023 schipbreuk voor de Italiaanse kust. Vorig jaar (2022) vroegen bijna een miljoen ontheemden om toegang tot de Europese Unie. Dat de druk aan de buitengrenzen verder zal toenemen ligt voor de hand. De vluchtelingen uit Oekraïne of de aardbevingsslachtoffers in Turkije en Syrië nog daargelaten.</p>
<p>Wat zich aan de EU-grenzen aan tragedies afspeelt, tart iedere verbeelding. Fort Europa als dystopie – een magneet voor mensensmokkelaars, met afpersing als bijeffect en verdrinking op zee of stikken in smokkelauto’s tot gevolg. Op dezelfde stranden waar de toerist z’n tenen in de branding steekt, spoelen de lijken aan van mensen die een veilig heenkomen zochten. Dat valt niet meer te verdragen, noch met elkaar te rijmen. Volgens de UNHCR werden in 2021 op zee zo’n 3.231 migranten als dood of vermist geregistreerd. De meesten verdwijnen anoniem in de golven. Een enkele uitzondering daargelaten: in 2015 spoelde een driejarig jongetje aan op een Turks strand. Hij werd geïdentificeerd als de Koerdische Aylan Kurdi. Toen was dát het beeld dat de ‘<em>wereld wakker schudde’</em>. Alleen niet al te lang. De tragedies aan de grenzen herhalen zich sindsdien met ijzeren regelmaat. Aylan Kurdi leefde wel voort als naamgever van een reddingsschip van <em>Sea-Eye</em>, dat vluchtelingen uit de Middellandse Zee oppikt. Uitgerekend die schepen worden de laatste jaren tegengewerkt. Ze worden door autoriteiten buitengaats gehouden als er vluchtelingen aan boord zijn genomen. De kapitein wordt vervolgd voor medeplichtigheid aan illegale migratie.</p>
<p>De crisis escaleert. De laatste EU-top over migratie leverde niet meer op dan extra geld voor grensbewaking. Voorwaarts op de ingeslagen weg dus, van hogere muren en harder optreden, van clandestiene pushbacks en schemerige detentiecentra. Het debat over échte hervorming zit nu al acht jaar vast. Het enige effect van het huidige beleid, zo weten migratie-experts, is dat pogingen om Europa te bereiken er nog dodelijker door zullen worden. Landen die migratie écht onder controle hebben zijn op de vingers van één hand te tellen – en geen hand die je graag schudt. Denk aan Noord-Korea of Saoedi-Arabië. Migratiebeleid gaat in beginsel allang niet meer over de vraag óf mensen komen, maar hoe. En of ze ook de vrijheid voelen om te vertrekken – de paradox van fort Europa is dat het mensen die binnen wisten te raken ook voor altijd insluit. Ook de meest gemotiveerde migrant vermijdt de rubberboot liever.</p>
<p>Politici krijgen wel vaker het verwijt dat ze hun beloftes niet nakomen. Op het gebied van migratie is de kloof tussen wat de politiek wil en de realiteit bijzonder groot. Den Haag wordt teruggefloten door de rechter. Brussel komt pas in actie wanneer er een crisis is, maar zoekt al acht jaar naar een duurzaam migratiebeleid. En op de situatie aan de buitengrenzen van Europa krijgen politici evenmin vat. Nu eens is er een oorlog waar mensen vandaan vluchten, dan weer een aardbeving. Nederland kreeg vorig jaar (2022) 47.991 asielaanvragen te verwerken, het hoogste aantal sinds 2016. Afgelopen zomer was dit zichtbaar bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, dat overvol raakte – al is dit vooral een capaciteitsprobleem. In een noodgreep, om de crisis het hoofd te kunnen bieden, schortte het kabinet vorig jaar de mogelijkheid op voor gezinsleden van statushouders om naar Nederland te komen. Kan niet en mag niet, zeiden alle juristen toen al, maar het kabinet zette door. In februari 2023 werd de maatregel alsnog afgeschoten door de Raad van State. Cynisch gezegd: het kabinet heeft die nareizende gezinsleden met een juridisch kansloze maatregel wel een half jaar langer buiten Nederland weten te houden.</p>
<p>Ook buiten Nederland bemoeit premier Mark Rutte zich met het migratiebeleid. Zo riep hij, samen met de Oostenrijkse bondskanselier Karl Nehammer, de EU-top van februari 2023 in het leven. Daar ging het ook over door de Europese Unie gefinancierde grensbarrières, een onderwerp dat al jaren tot opgewonden debat leidt. Voorstanders als Hongarije vinden een muur onmisbaar, tegenstanders als Portugal wijzen er terecht op dat muren nooit werken. De grenskwestie werd voorlopig met Brusselse taalacrobatiek beslecht. In de conclusies van de top roepen de regeringsleiders de Commissie op <em>„onmiddellijk aanmerkelijke EU-middelen vrij te maken”</em> om landen te helpen hun <em>„grensbewaking en infrastructuur te versterken.” </em>Volgens Nehammer kunnen landen die een grensmuur willen bouwen vanaf nu in Brussel geld krijgen voor grensbewakers en patrouillewagens. Hier wordt 2,7 miljard euro voor uitgetrokken, zei Rutte. Het grenshek moeten landen uit eigen zak betalen. Waar sommige landen hartstochtelijk pleitten voor EU-gelden voor hekwerken, legden andere de nadruk op het terugsturen van uitgeprocedeerde asielzoekers. De conclusies van het overleg bevatten een hele catalogus aan maatregelen gericht op vermindering van de toestroom van asielzoekers die geen kans maken op een verblijfsvergunning. Ook bevatten ze toenaderingspogingen tussen de grenslanden en de landen, zoals Nederland, die een probleem hebben met secundaire immigratie. Zo wordt migratie uitdrukkelijk als Europese zaak omschreven. Premier Rutte was na afloop tevreden. <em>„We hebben goede resultaten geboekt en wat ik nog veel mooier vond, is dat het wantrouwen in het debat [tussen grenslanden en de rest] zowel in gesprekken achter de schermen als in de conclusies is geadresseerd. Dat is ontzettend belangrijk, daarmee heb je een nieuw momentum te pakken. Dat is in twaalf jaar niet gebeurd.” </em>Maar Rutte waarschuwde ook dat het er nu om gaat de maatregelen daadwerkelijk uit te voeren. De leiders spraken af dat migratie op de agenda blijft. Vlak voor de verkiezingen kwam het de VVD-premier goed van pas dat hij zich met migratie kan profileren – al mag hij van de coalitie niet zover gaan als zijn eigen partij zou willen, en het bleek niet echt te helpen.</p>
<p>Er zullen meer grenshekken komen, maar dat zal vrijwel zeker niet helpen om de migratie te dempen. Tot nu toe lijkt het erop dat hekken de migranten vooral tijdelijk of plaatselijk tegenhouden. Maar na vaak meerdere pogingen zijn migranten uiteindelijk bijna allemaal succesvol. Het zwaarbewaakte, vier meter hoge dubbele hek waarmee de Hongaarse premier Viktor Orbán zijn land en de EU zegt te beschermen is met ladders, connecties en voldoende geld uiteindelijk te trotseren, berichtte <em>NRC </em>vanuit Servië. En de gewelddadige <em>pushbacks</em> waar de Kroatische en Griekse grensbewaking zich schuldig aan maakt houden die linie evenmin dicht. Wat de beperkende maatregelen wel doen, is de pogingen Europa te bereiken dodelijker maken. Meer dan 30.000 migranten zijn sinds 2014 omgekomen op hun reis naar en door Europa. </p>
<p>In Italië wilde de nieuwe, neofascistische premier Giorgia Meloni optreden tegen reddingsboten van ngo’s, die migranten zouden lokken – maar het aantal aankomsten over zee neemt sinds haar aantreden toe. En wat de Britten ook aan maatregelen verzinnen, ook daar stijgt het aantal bootmigranten. <em>„Niets wat de regering tot nu toe heeft geprobeerd, heeft gewerkt”, </em>concludeerde <em>The Economist. </em>Nederland lijkt erop aan te sturen dat de EU zo snel mogelijk migratie-afspraken maakt met Tunesië, naar het voorbeeld van de Turkijedeal uit 2016. Tunis moet ervan worden overtuigd dat het migranten die naar Europa willen reizen, moet tegenhouden. Het Noord-Afrikaanse land, in 2011 nog kort de hoop van de Arabische Lente, glijdt in versneld tempo af naar een autocratie. President Kais Saied kent zichzelf steeds meer bevoegdheden toe. In april 2023 is oppositieleider Rached Ghannouchi gearresteerd. Over sub-Saharaanse migranten verkondigt Saied de ‘<em>omvolkingstheorie’</em> en zegt hij dat er een plan zou zijn om de demografische samenstelling van Tunesië te veranderen – ook bij uiterst-rechts in Europa is dit een populaire samenzweringstheorie. De Italiaanse premier Giorgia Meloni deed in het recente verleden gelijkaardige uitspraken. Ook de Italiaanse regering staat met migratie voor een grote uitdaging. Al 27.500 bootvluchtelingen bereikten tijdens de eerste drie maanden van 2023 de Zuid-Europese kusten, tegen 16.000 in dezelfde periode vorig jaar. En in de zomermaanden zal het aantal bootvluchtelingen alleen maar stijgen.</p>
<p>In 2016 sloten EU-landen een deal met Turkije om vluchtelingen buiten Europa te houden. Mensenrechtenorganisaties proberen nu terecht te voorkomen dat er meer van dat soort deals worden gesloten. Vier mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, stellen Nederland aansprakelijk voor de volgens hen mensonterende gevolgen van de Turkije-deal uit 2016, in maart 2023. Die deal hield in dat Turkije vluchtelingen die naar Europa reisden tegenhield in ruil voor geld. Vluchtelingen die toch kwamen konden worden teruggestuurd. Het leidde tot overvolle kampen en schrijnende toestanden op bijvoorbeeld het Griekse eiland Lesbos. De afspraak dat iedere teruggestuurde vluchteling naar Turkije door de EU vervangen zou worden door een andere vluchteling in Turkije te hervestigen in de EU werd ook niet nagekomen.</p>
<p>De mensenrechtenclubs willen met hun stap vergelijkbare deals voorkomen. Die zijn niet denkbeeldig. Recent reisde minister-president Rutte naar de Italiaanse premier Giorgia Meloni om te overleggen over mogelijke deals met landen als Tunesië en Libië. Want steeds meer migranten en vluchtelingen steken de zee over. Velen verdrinken daarbij. Dit soort deals zijn schandalig. Volgens het Vluchtelingenverdrag heeft ieder mens recht om asiel aan te vragen. Maar daarvoor moet je een land wel kunnen bereiken. Precies dat moest die Turkije-deal onmogelijk maken. Dat zullen ook eventuele toekomstige deals met landen als Libië of Tunesië doen: mensen tegenhouden nog vóór ze voet op onze bodem zetten. Het doel van dergelijke deals is dus eigenlijk: mensen buiten ons juridische territorium houden. En dus onze eigen wetten voor de omgang met vluchtelingen omzeilen. Dat is pervers. Je kunt dan niet langer beweren dat je de rechtsorde beschermt. Het doel is niet: mensen redden van mensensmokkelaars of de verdrinkingsdood – dat wordt vaak gezegd, maar dat is misleidend. Want er komen steeds meer mensen op gammele bootjes, omdat er geen alternatief is. Dan helpt het niet om onze grenzen nog geslotener te maken.</p>
<p>Met steeds meer grenshekken, bijvoorbeeld in Hongarije en Griekenland, maken we het steeds moeilijker Europa via land binnen te komen. Dan nemen migranten en vluchtelingen hachelijker routes en kunnen mensensmokkelaars nog meer geld vragen. Eind februari 2023 nog stierven 59 mensen die op een boot vanuit Turkije naar Italië probeerden te komen. Ondertussen schuiven Europese politici de schuld op mensensmokkelaars en vervolgt Italië burgers die migranten redden.</p>
<p>Mensen buiten ons rechtssysteem houden, dat doen we ook met zogeheten <em>pushbacks</em>. Migranten en vluchtelingen bij de grens met geweld terugduwen voor ze asiel hebben kunnen aanvragen. Zodat ze niet in onze procedures terechtkomen en wij ze fatsoenlijk moeten behandelen. Die Turkije-deal was in feite één grote pushback-operatie, op structureel niveau. En dan willen we nog meer van dit soort deals, met landen als Libië? Wij weten dat die tot grove misstanden gaan leiden. Libië is geen land waar orde heerst, allerlei partijen gaan hiervan profiteren. De UNHCR en Amnesty International hebben al vaak gerapporteerd dat migranten daar in een soort concentratiekampen worden gemarteld, verkracht en afgeperst. Ook de situatie in Tunesië verslechterd snel, reden waarom daar nu zoveel vluchtelingen het risico van een hachelijke overtocht nemen.</p>
<p>Áls je al zulke deals sluit, moet je er wel bij blijven staan en echt willen weten wat er daarna gebeurt. Je moet daar verantwoordelijkheid voor nemen. En de afspraken ook echt nakomen. Bij de Turkije-deal deden we dat niet. In Griekenland liep het enorm uit de hand. Maar wij wendden onze blik af. Nederland wast haar handen in onschuld zoals Pilatus wanneer hij doet wat het volk wil: het offeren van een onschuldig slachtoffer. We hielden ons niet bezig met hoe het de vluchtelingen en migranten verder verging. Bij de herverdeling van vluchtelingen over Europa gaven de Europese landen, waaronder Nederland, niet thuis. We schoven het probleem en de verantwoordelijkheid van ons af, naar Turkije en Griekenland. En lieten deze landen in de kou staan. In de discussies blijft trouwens nog een groep onbenoemd op wie we de verantwoordelijkheid ook afschuiven: grenswachters, militairen, politieagenten. Wij dragen als Nederlandse burgers verantwoordelijkheid voor het werk dat onze Koninklijke Marechaussee uitvoert in het kader van Frontex. Staan we stil bij de vraag of wij de grensbewakers misschien niet óók ‘<em>ontmenselijken’</em> als uitvoerders van kil beleid? Iemand moet vuile handen maken als we willen dat de grenzen dicht blijven. In onze naam.</p>
<p>In filosofische discussies wordt voor de politiek die we met die dichte grenzen, <em>pushbacks</em> en Turkije-deals bedrijven de term ‘<em>biopolitiek’</em> gebruikt, de ‘politiek van het naakte leven’. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben heeft daar veel over geschreven. Hij bedoelt: als mensen niet toegelaten worden tot het rechtssysteem, hebben ze niets meer dan hun naakte lijf. Ze worden gereduceerd tot hun naakte bestaan, een lichaam. Ze zijn geen burger of rechtspersoon meer. <em>“De eigenlijke vraag is daarom bij de huidige vreemdelingenpolitiek niet: hoe krijg vluchtelingen hun recht? Maar: hoe komen vluchtelingen überhaupt aan rechten?” </em>Ook voor de Duits-Joodse filosofe Hannah Arendt was dit een kritiek punt. Rechten zijn pas rechten als je ze kunt claimen, zei ze. Ze had het niet zo op het discours van ‘<em>onvervreemdbare mensenrechten’</em>. Dat klinkt mooi, maar daar heb je in de praktijk niks aan, zei ze. Het komt aan op de vraag of je je rechten ook kunt opeisen. De vraag is dus: hoe krijgen migranten en vluchtelingen toegang tot ons recht? Met het huidige vreemdelingenbeleid creëren wij vogelvrijen: mensen met wie je kunt doen wat je wilt omdat ze geen rechten kunnen claimen. Dat is een grof schandaal. Na de Tweede Wereldoorlog wilden we juist dat ook stateloze mensen rechten hadden. Dat niemand rechteloos was. Met zulke Turkije-deals ondergraaft Europa zijn ideologische grondslag. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (Rome, 1942) werd bekend door zijn boek <em>Homo sacer</em>. De soevereine macht en het naakte leven uit 1995. Het is een eerste deel uit wat een reeks van negen boeken zou worden. ‘<em>Homo sacer’</em> is een begrip uit het oude Romeinse recht. Het stond voor de mens die vogelvrij was verklaard, of ‘<em>heilig’</em> (sacer), en niet onder het menselijke of goddelijke recht viel. De homo sacer mocht daarom door iedereen straffeloos worden gedood; hij genoot geen rechten. Volgens Agamben is de vluchteling tegenwoordig ook zo’n <em>homo sacer</em>. Vluchtelingen leven in een soort grensgebied van het recht, een juridisch niemandsland, genieten geen volledige bescherming van de mensenrechten die ze juist zo nodig hebben, want ze gelden niet als burgers. Ze worden gereduceerd tot naakt leven, tot zoe, een Grieks begrip waarmee Agamben doelt op het louter natuurlijke leven. Ze worden verbannen uit de <em>bios</em>, een andere Griekse term waarmee hij duidt op het politieke leven waarin je rechten kunt claimen. Vluchtelingen zijn veroordeeld tot een leven op de drempel tussen die twee levensvormen in, het burgerrechtelijke en het naakte, onbeschermde. Voor zijn ideeën over het naakte leven laat Agamben zich inspireren door de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984), die veel heeft geschreven over ‘<em>biopolitiek’</em>. Dat gaat over de manier waarop machthebbers of politieke systemen het biologische, naakte leven van mensen beschermen, controleren en beïnvloeden, en soms zelfs vernietigen. Ook Auschwitz ziet Agamben als een vorm van biopolitiek.</p>
<p>Uiteindelijk worden de aantallen asielzoekers niet bepaald door de pogingen ze tegen te houden. Veel doorslaggevender is wat er in de herkomstlanden gebeurt. Heel Europa merkt de gevolgen van wereldwijde conflicten, onzekerheid, inflatie en klimaatverandering, waardoor mensen naar dit relatief rijke continent willen komen. En hun aantal zal de komende jaren naar verwachting hoog blijven of zelfs verder stijgen. De afgelopen jaren ondervond Europa al de gevolgen van enkele conflicten aan de buitengrenzen. De Syrische Burgeroorlog en de Russische invasie van Oekraïne leverden miljoenen vluchtelingen op. Op de EU-top werd de verwoestende aardbeving in Turkije niet met het migratiedossier in verband gebracht; alle aandacht gaat uit naar hulpverlening aan de getroffenen. Maar de natuurramp maakt de buitengrenzen niet stabieler. Honderdduizenden mensen zijn ontheemd geraakt en er is heel weinig vooruitzicht op snel herstel. Een deel van de vluchtelingen zal op zoek gaan naar betere omstandigheden in Europa, bewakingsdrones of niet. Zoals de Portugese premier António Costa tijdens de EU-top zei: <em>als de Middellandse Zee migranten niet kan tegenhouden, hoe groot is dan de kans dat een hek dat wel kan?</em></p>
<p>Om uit die dodelijke patstelling te komen, sloot Duitsland onlangs een interessante deal met Gambia. In ruil voor toegang tot de Duitse arbeidsmarkt voor Gambianen, belooft Banjul illegale Gambianen uit Duitsland terug te nemen. Het is een experiment, met een niet al te groot Afrikaans land. Maar het is binnen Europa ook een <em>out-of-the-box</em> oplossing, die uitzicht kan bieden. Zowel op gereguleerde toegang als op ordelijke terugkeer. Het kan een lichtpuntje zijn.</p>
<p>Het probleem is niet dat migranten die geen kans maken op een vluchtelingenstatus Europa bereiken, maar dat ze – eenmaal aangespoeld – er vaak niet over peinzen terug te gaan. Voor de illegale overtocht hebben ze doodsangsten uitgestaan en duizenden euro’s geleend die terugbetaald moeten worden, veelal aan familie. Ook als het Europese bestaan tegenvalt, is terugkeer geen optie, dan liever nog een bestaan in de marge. Vergelijk het met de gemilitariseerde zuidgrens van de VS: hekken houden migranten daar evenmin tegen. Maar eenmaal de horde genomen, gaan weinigen meer terug, ondanks werkloosheid of heimwee. Zo bezien is het niet zo’n gek idee om de veerboten tussen Marokko en Spanje gewoon weer voor iedereen, ongeacht paspoort, open te stellen. Zo snijd je smokkelaars de pas af. Eerdere ervaringen met massale migraties leren dat open grenzen sowieso beter werken. Tussen 1840 en 1914 vertrokken meer dan vijftig miljoen Europeanen naar de Amerika’s, in de hoop op een beter bestaan. Nauwelijks grenscontroles destijds. En zelfs toen die werden ingesteld, met de ingebruikneming in 1892 van Ellis Island, in de baai van New York, werd hooguit één procent geweigerd. Toch besloot een derde na verloop van tijd weer terug te keren: omdat de straten niet met goud geplaveid bleken, ze hun draai niet konden vinden of omdat ze voldoende verdiend hadden voor hun oude dag.</p>
<p>Natuurlijk, deze vergelijking gaat deels mank. De VS, Argentinië en Brazilië waren destijds geen verzorgingsstaten. Migranten moesten hun eigen broek ophouden. Maar het is niet zo dat sociale voorzieningen automatisch een aanzuigende werking hebben. Hoewel velen in 2013, PvdA-minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher voorop, in 2013 nog waarschuwden dat <em>‘de dijken breken’</em> als de arbeidsmarkt voor Roemenen en Bulgaren open zou gaan, heeft het recht op vrije migratie binnen de EU niet tot ontwrichting geleid. Weliswaar is er sprake van verdringing op de arbeidsmarkt, maar de vrees dat Oost-Europa leeg zou lopen is niet bewaarheid.</p>
<p>Niet zo vreemd als we bedenken dat als je geen werk hebt, de toegang tot sociale zekerheid beperkt is en bijgevolg West-Europa erg duur is. Juist de arbeidsmarkt blijkt de migratie dus aardig te reguleren. Dat zagen we al eerder in de jaren zestig met ‘<em>gastarbeiders’</em> uit Marokko, Tunesië en Turkije. Velen werden door het bedrijfsleven geworven, maar de meesten kwamen spontaan. Tuk op avontuur en verzekerd van een baan in de toenmalige hoogconjunctuur. Toen de economie in 1967 even inzakte, keerden velen prompt terug. Dat sterkte toenmalige politici en ambtenaren in hun overtuiging dat <em>‘tijdelijke gastarbeid’</em> werkt.</p>
<p>Hun gelijk hield stand totdat het kersverse kabinet Den Uyl in 1975, na het uitbreken van de oliecrisis, de werving stopte en aankondigde de grenzen voor arbeidsmigranten te sluiten. Net als nu werkte dat restrictieve vreemdelingenbeleid averechts. Turken en Marokkanen realiseerden zich opeens dat bij terugkeer de deur weleens voorgoed dicht zou kunnen vallen. Hun opgebouwde sociale en juridische rechten zouden ze dan kwijtraken. Logisch dus dat ze bleven. In plaats van terug te keren, maakten ze gebruik van hun recht om gezinsleden naar Nederland te halen. Niet toen onze economie hoogtijd vierde, maar gedurende een van de langste recessies die Nederland in de twintigste eeuw heeft gekend. Met alle sociale problemen van dien. Alle reden om die fout niet weer te maken en een systeem van open grenzen te overwegen, geflankeerd met een graduele entree tot sociale zekerheid.</p>
<p>Hoogleraar geschiedenis van migratie en integratie aan de Universiteit Leiden, lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen (KNAW) en directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam, Leo Lucassen, schrijft het al jaren: Immigranten worden gezien als probleem, maar zie ze eens als oplossing. Zet ze in waar ze nodig zijn. Maar dan moet onze mindset wel om. Zijn de vluchtelingen nu zeehondjes of wolven? De meeste voor- en tegenstanders van een ruimhartiger opvang zitten nog altijd opgesloten in het <em>‘zielig of bedreigend’</em>&#8211; denkraam volgens Lucassen. Maar vluchtelingen zijn meer zijn dan het etiket dat ontvangende landen of hulporganisaties hen opplakken &#8211; hoe goedbedoeld soms ook. Zoals een Syrische vluchteling laatst een journalist toebeet: <em>„Ik wil niet worden gereduceerd tot een hulpbehoevend slachtoffer, ik ben veel meer”</em>. Daar had hij groot gelijk in. De Syriërs zijn in de kracht van hun leven. Zij zijn vaak goed opgeleid en hebben lef en initiatief getoond door een lange en gevaarlijke reis te ondernemen teneinde de ellende thuis te ontvluchten, maar ook om in Europa hun leven weer op te bouwen. Want gezien de uitzichtloze situatie in Somalië, Irak, Afghanistan en Syrië zullen de meesten zich hier hoogstwaarschijnlijk permanent vestigen. Ook al zal een aantal de hoop op remigratie koesteren, de geschiedenis leert dat de werkelijkheid die verlangens vaak inhaalt. Het is van belang om, nu zij toch hier zijn en hier zullen blijven, zoveel mogelijk te profiteren van hun menselijk kapitaal. Dat is in het belang van de nieuwkomers en in ons welbegrepen eigenbelang. Dat betekent dat we niet alleen opvangplekken moeten zoeken, maar dat we hen ook onmiddellijk moeten screenen op wat ze kunnen en willen. Welke opleiding hebben ze afgerond en met welke diploma’s? Welke talen spreken ze? Welke bijscholing is er nodig en hoe kunnen we ervoor zorgen dat ze aan het werk komen in sectoren waar nu tekorten zijn? Dat scheelt uitkeringen, bevordert de integratie en versterkt de (vergrijzende) Europese economie.</p>
<p>Natuurlijk geldt dat niet voor iedereen. Mensen uit Somalië en Eritrea, landen waar onderwijs en normaal bestuur al decennia geleden zijn weggevaagd, kampen met grote integratieproblemen. Het zal minstens een generatie duren voordat zij zich een betere positie hebben verworven. Maar van veel anderen kan het menselijk kapitaal sneller worden benut. Deze visie lijkt langzaam maar zeker meer gehoor te krijgen, nu de arbeidstekorten structureel toenemen. Zo verklaarde de baas van Daimler al zeer geïnteresseerd te zijn in goed opgeleide vluchtelingen. En ook werkgeversvereniging VNO-NCW liet al in 2015 weten met het kabinet te willen overleggen om te bekijken hoe vluchtelingen uit Syrië snel aan werk kunnen worden geholpen.</p>
<p>Veel landen, Nederland voorop, hebben echter geen goed <em>trackrecord</em> in dit opzicht. In de jaren negentig van de vorige eeuw, toen de aantallen vluchtelingen bijna twee keer zo hoog waren als nu, duurde het jaren voordat beslissingen werden genomen op asielverzoeken. En ook daarna was er weinig oog voor wat de ex-vluchtelingen in huis hadden. Met als gevolg dat Iraanse chirurgen uit arren moede maar taxichauffeur werden of, erger, thuis op de bank verpieterden. Gelukkig doen hun kinderen het nu vaak bovengemiddeld goed op school, gestimuleerd door ouders die de waarde van onderwijs kennen. Maar intussen hebben we wel een hele generatie verloren laten gaan. Een proactief arbeidsmarkt beleid zou een ‘<em>aanzuigende werking’</em> hebben en werd dus niet gevoerd. Deze mantra vormt samen met ‘<em>precedentwerking’</em> een constante in het naoorlogs Nederlandse vreemdelingenbeleid.</p>
<p>Een land dat na de oorlog een efficiënt integratiesysteem heeft opgezet, is Israël. Dat zag zich namelijk geconfronteerd met een cultureel en taalkundig zeer gevarieerde immigrantenpopulatie (van Marokko tot Jemen tot Rusland). Wat je ook moge vinden van de staat Israël en de politieke en demografische gevolgen van de <em>Aliyah</em> (de terugkeer van Joden naar het land Israël) voor de oorspronkelijke Arabische en Palestijnse bevolking aldaar, de bijna twee miljoen immigranten die zich daar tussen 1948 en 1990 vestigden, hebben in hoge mate geprofiteerd van de centraal geregelde opvang. Een optimale integratie en allocatie van menselijk kapitaal stonden daarbij centraal. Met name hoger opgeleiden kregen onmiddellijk een intensieve cursus Hebreeuws in de zogenoemde <em>Ulpan</em> scholen. Tegelijkertijd werden hun vaardigheden in kaart gebracht. Aanvankelijk opgevangen in ‘<em>absorptie’</em> kampen en golfplaten huisjes, kregen de immigranten een bescheiden financiële ondersteuning met als tegenprestatie een actieve participatie in door de overheid aangeboden taalcursussen en bijscholing. Vervolgens werden ze verspreid over het land en daar geplaatst waar ze, mede gelet op hun beroepservaring, het meest nodig waren.</p>
<p>Dichter bij huis is er het voorbeeld van de 300.000 repatrianten uit Nederlands-Indië die na de oorlog massaal de wijk naar Nederland namen (drie procent van de toenmalige bevolking). Hoewel het eenzijdige assimilatiebeleid later veel kritiek heeft gekregen, was ook hier alles erop gericht hen zo snel mogelijk in huizen en aan het werk te krijgen. De regering, onder leiding van Willem Drees, stond bepaald niet te wachten op deze vluchtelingen uit de voormalige kolonie. Het land (destijds 10 miljoen inwoners) was namelijk ‘<em>overvol’</em> en Nederlanders werden actief aangespoord hun geluk overzee te zoeken. Achter de schermen deden bureaucraten er alles aan het aantal vluchtelingen, met name zij die te veel <em>‘Indisch bloed’</em> hadden, zo klein mogelijk te houden. Maar ‘<em>frontstage</em>’ benadrukte Drees dat het Nederlanders waren die terugkeerden naar het vaderland, vandaar de term ‘<em>repatrianten’</em>, ook al waren de meesten hier nog nooit geweest. Die positieve ‘<em>spin’</em> van de overheid was hard nodig, want de woningnood was torenhoog en het land was bijna aan de bedelstaf na de aftocht van de Duitse troepen. De beslissing om vijf procent van de woningwetwoningen voor de Indische groep te reserveren, na de aanvankelijke opvang in contractpensions en kampen, leidde dan ook tot gemor onder de Nederlandse bevolking. Aangezien de werkloosheid na de oorlog aanvankelijk steeg, tot vijf procent in 1952, spanden gemeentelijke arbeidsbureaus zich zeer in om de repatrianten zo snel mogelijk aan het werk te krijgen. Met speciale Indische adviseurs om de integratie op de arbeidsmarkt te bevorderen.</p>
<p>Natuurlijk zijn er grote politieke en culturele verschillen tussen deze twee voorbeelden en de huidige vluchtelingen. Ze hebben echter met elkaar gemeen dat het in ieders belang is (inclusief dat van de vluchteling zelf) om nieuwkomers zo snel mogelijk aan het werk te helpen en optimaal van hun kwaliteiten te profiteren. Of we nu staan te juichen bij de huidige komst van vluchtelingen of er fel tegen zijn, als ze er eenmaal zijn, profiteer er dan ook van. Want het mes snijdt hier aan twee kanten.</p>
<p>Een essentiële voorwaarde is wel dat we onze <em>mindset</em> drastisch moeten veranderen. Niet langer moeten we vluchtelingen primair als een probleem, bedreiging of object van naastenliefde beschouwen, maar allereerst moeten we hen zien als een bron van menselijk kapitaal. In het geval van de Syriërs, maar hetzelfde geldt voor veel Iraniërs en Irakezen, gaat het om overwegend hoogopgeleiden uit de rijkere bovenlaag wier woonwijken door Assad systematisch werden gebombardeerd, omdat hij hen als een bedreiging voor zijn dictatoriale regime beschouwt.</p>
<p>Het vergrijzende en demografisch krimpende Europa kan deze mensen goed gebruiken. Zo daalde de bevolking van Duitsland tussen 2010 en 2014 met 1,5 miljoen. De <em>braindrain</em> voor Syrië kan, hoe cynisch wellicht ook, een <em>braingain</em> voor Europa betekenen. Dan moet het mentale roer wel om. Zelfs indien dit jaar (2023) het aantal vluchtelingen van buiten Europa zou, dan maken ze over een paar jaar hooguit één procent van de Europese bevolking uit, inclusief de vluchtelingen die er al zijn.</p>
<p>Rest de vraag wat te doen met degenen die niet worden erkend als vluchteling. Een oplossing die duizenden doden scheelt en mensmokkelaars het brood uit de mond stoot, is hen gewoon toelaten, maar het sociale verzekeringsstelsel afschermen. De grens dus niet aan de buiten-, maar aan de binnenkant. Als ze een baan vinden en premies betalen, bouwen ze vanzelf geleidelijk sociale rechten op. De honderden miljoenen die we nu uitgeven aan de bewaking van de buitengrenzen door Frontex en aan symbolische hekken, kunnen we dan inzetten voor een goede controle van de arbeidsmarkt &#8211; teneinde te voorkomen dat de nieuwe arbeidsmigranten door werkgevers worden uitgebuit en autochtonen oneerlijke concurrentie wordt aangedaan.</p>
<p>Is het juist openstellen van de grenzen luchtfietserij? Het is in wezen niet anders dan de vrijheid van beweging en toegang tot de arbeidsmarkt die we binnen de EU al kennen. En dat werkt heel redelijk. Zo hebben sinds 1 januari 2014 Roemenen en Bulgaren geen werkvergunning meer nodig, maar het door Lodewijk Asscher in september 2013 in een paginagrote ingezonden brief voorspelde <em>‘breken van de dijken’</em> is uitgebleven. Dat is niet zo vreemd, want zij die hier geen werk vinden, hebben niet zomaar recht op een uitkering en merken dat het leven in West-Europa erg duur is. Dit leidt tot veel pendelen; alleen degenen die succesvol zijn op de arbeidsmarkt kunnen het zich veroorloven zich permanent te vestigen. De houdbaarheid van het sociale stelsel komt niet in gevaar. Sterker nog, per saldo blijken Oost-Europeanen netto bij te dragen aan het sociale stelsel.</p>
<p>Is een uitbreiding van dit interne EU-principe politiek onhaalbaar is, dan valt wat betreft arbeidsmigranten te denken aan het (Canadese) puntensysteem of aan een <em>green card-stelsel</em>. Duidelijk is in ieder geval dat het huidige beleid vooral onbedoelde effecten heeft. Het houdt arbeidsmigranten niet tegen, maar voorkomt vooral dat ze niet meer weggaan &#8211; ook als ze niet aan de bak komen. Daarvoor hebben ze te veel betaald aan mensensmokkelaars en te grote risico’s genomen. In plaats van door te gaan op de weg van afschrikking, is de huidige vluchtelingencrisis een uitgelezen kans het Europese migratiebeleid fundamenteel te herijken.</p>
<p><u>Draagvlak voor ruimhartiger migratiebeleid</u></p>
<p>Geen term die je zo vaak hoort in het migratiedebat als ‘<em>draagvlak’</em>, veelal op bezorgde toon uitgesproken. Dit draagvlak-pessimisme is echter onterecht: er is namelijk ook steun voor migratie, en die is zelfs redelijk stabiel. Wel is onderhoud van het draagvlak permanent nodig. En dat kan, door migranten niet steeds af te schilderen als een bedreiging en door in te zetten op het verminderen van het bredere maatschappelijk ongenoegen.</p>
<p>Het maatschappelijk draagvlak voor immigratie in Nederland is al jarenlang behoorlijk stabiel, met een kleine meerderheid vóór en een forse minderheid tegen, blijkt uit studies (SCP, Universiteit Groningen). Ook Europees onderzoek laat stabiliteit zien: tussen 2012 en 2016  is het negatieve sentiment ten aanzien van migratie niet toegenomen, zeker niet in de West-Europese en Zuidelijke landen. Deze maatschappelijke steun verschilt wel per type migrant. Het Sociaal Cultureel Planbureau stelt in de sociale staat van Nederland dat voor personen die vanwege de politieke situatie hun land verlaten, de deur bijna altijd openstaat. Dat vindt 87% in 2017/2018.</p>
<p><img decoding="async" loading="lazy" class="alignnone size-medium wp-image-1583" src="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-41-300x242.jpg" alt="" width="300" height="242" srcset="https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-41-300x242.jpg 300w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-41-768x619.jpg 768w, https://gerardbosman.com/wp-content/uploads/2023/05/afbeelding-pvda-beginselmanifest-41.jpg 830w" sizes="(max-width: 300px) 100vw, 300px" /></p>
<p>Het <em>aantal </em>migranten op zichzelf blijkt niet bepalend voor het draagvlak. Vaak gaat het over het ‘<em>absorptievermogen’</em>. Maar de samenleving is geen keukendoekje of spons; wat een samenleving aan kan is geen vaststaand, statisch gegeven. Mensen wennen naar verloop van tijd aan elkaar; er ontstaat een vorm van <em>‘alledaagse diversiteit’</em>.</p>
<p>Cruciaal is hoe migranten vervolgens worden ingebed in de samenleving. Als zij een baan en inkomen hebben, vinden mensen de aanwezigheid van migranten vaker prima, omdat ze een waardevolle bijdrage aan de samenleving leveren. Dat verklaart waarom in Canada bijvoorbeeld &#8211; waar meer migranten werken &#8211;  er een minder geprikkeld gesprek is over migratie. En wederzijds contact pakt ook positief uit &#8211; zelfs bij mensen die aanvankelijk negatief zijn ten aanzien van migranten. Veel van de buurten waar tijdens de ‘<em>vluchtelingencrisis’</em> azc’s zijn gekomen, staan helemaal niet negatiever ten aanzien van migranten, ook waarschijnlijk omdat er veel aandacht is voor het samenleven in de buurt.</p>
<p>Hoewel het maatschappelijk draagvlak behoorlijk stabiel is, zijn de verschillen qua opvattingen wel toegenomen: sinds de ‘<em>vluchtelingencrisis’</em> zijn mensen die politiek rechts van het spectrum staan negatiever geworden ten opzichte van immigratie en zij die links van het spectrum staan positiever. Ook zijn er grote en groeiende verschillen als het gaat om opleidingsniveau van mensen en hun visie op het brede thema migratie. Hoger opgeleiden, en dan vooral de academici, en lager opgeleiden staan hier behoorlijk tegenover elkaar, terwijl de middelbaar opgeleiden steeds meer op de lager opgeleiden gaan lijken. Hoger opgeleiden zien in processen van globalisering vooral kansen, lager opgeleiden vooral onzekerheid.</p>
<p>Polarisatie ontstaat ook door hoe politici en media migratie ‘framen’. Als migranten worden afgeschilderd als een potentiële bedreiging &#8211; ‘<em>profiteurs’</em> of ‘<em>gelukszoekers’</em> &#8211; in plaats van als een waardevolle bijdrage of als ‘mensen die hulp nodig hebben’, ontstaat er een voorkeur voor een restrictiever beleid. Hetzelfde geldt voor het schetsen van beelden als  ‘<em>overspoeld door vluchtelingen’</em>, ‘<em>vluchtelingenstromen’</em> of ‘<em>massamigratie’</em> &#8211;  alsof er sprake is van een oncontroleerbare natuurramp. Politici worden zo niet de vertolker van de stem van het volk maar de aanjager van onvrede. Die framing verklaart waarschijnlijk ook waarom mensen het aantal migranten, het aantal asielaanvragen en het aantal moslims enorm overschatten. Nee, er zijn in Nederland geen 19% moslims maar 6%. Nee, we hebben hier niet 20% migranten maar 11%.</p>
<p>Negatieve gevoelens ten aanzien van migratie komen niet altijd door migratie; ze zijn ook een spiegel van maatschappelijk ongenoegen. Minder steun voor migratie in een land betekent vaak dat er weinig sociaal vertrouwen is in de samenleving. Mensen zijn bang om hun baan of maatschappelijke positie kwijt te raken, of vrezen dat voor hun kinderen. Ze denken of ervaren dat ze met migranten in competitie zijn om schaarse middelen, zoals banen en huisvesting. Wie dus denkt dat het draagvlak voor migratie enkel met migranten te maken heeft schiet mis: het gaat net zo goed over het totaal aan onvrede dat zich uitstrekt van gebrek aan maatschappelijke erkenning tot wantrouwen ten aanzien van de overheid. Of zoals de sociaal-psycholoog Postmes concludeert: <em>‘De kern van hun zorg op migratiegebied ligt dus niet bij migranten als groep, maar bij hoe de overheid ‘ons’ behandelt’</em>.</p>
<p>Draagvlak, kortom, heeft minder te maken met <em>‘aantallen migranten’</em> maar meer met de behoefte aan controle, de wijze van politieke framing, de maatschappelijke inbedding van migranten én met de bredere ontwikkelingen in de samenleving, zoals toenemende ongelijkheid. Wie bezorgd is over het mogelijk tanende draagvlak voor migratie moet al die thema’s aanpakken. Dat is bij uitstek een taak voor linkse politiek. Draagvlak voor solidaire politiek is nooit een gegeven, maar een opdracht voor linkse politici.</p>
<p><u>Inburgering en integratie zonder dwang, maar door geven van vertrouwen</u></p>
<p>De dwang in het huidig inburgeringsbeleid, opgezet door PvdA-er Asscher in Rutte II, past helaas in een sociaaldemocratische traditie om het gedrag te wijzigen van wat wijlen Jacques van Doorn lang geleden ‘<em>de proletarische achterhoede’</em> noemde. Anderen drukken zich minder diplomatiek uit en spreken over ‘<em>tokkies’</em>, ‘<em>asocialen’</em>, of ‘<em>onderklasse’</em>, zoals de bekende Britse auteur Theodore Dalrymple. Kortom, zij hebben het over het ‘<em>lompenproletariaat’</em>, door Marx en Engels gewantrouwd omdat dit door een gebrek aan klassenbewustzijn een sta-in-de-weg zou vormen voor de emancipatie van de fatsoenlijke arbeiders.</p>
<p>Zelfs de sociaaldemocratische held van het wethoudersocialisme, Floor Wibaut (een groot voorbeeld van Asscher), die in 1926 de krotten in Amsterdam voor werkenden verving door prachtige sociale woningen in de Amsterdamse School, vond dat deze verheffing niet geschikt was voor de <em>‘ontoelaatbaren’</em>, <em>gezinnen die door hun levenswijze ongeschikt blijken’</em>.<a href="#_ftn70" name="_ftnref70">[70]</a> Deze ‘<em>ontoelaatbaren’</em> moesten heropgevoed worden in het Zeeburgerdorp, die landtong in Amsterdam-Oost. Daar hield een woningopzichter alles in de gaten. De vrouwen moesten hun huis schoonhouden en regelmatig het beddengoed wassen; de mannen moesten aan het werk en van de drank, de kinderen moesten netjes praten en braaf hun huiswerk doen. Als bewoners zich misdroegen, kregen ze een aantekening in het grote boek van de opzichter. Zoals op elke plek waar de armoede zo diep is, stikte het op Zeeburgerdorp van de geesteszieken: van de verwarden tot de afgestompten.</p>
<p>Arie Querido, later Eerste Kamerlid voor de PvdA, werkte er als psychiater. Hij introduceerde de sociale psychiatrie in Nederland met zijn studie naar de bewoners van Zeeburgerdorp. Hier waren de mensen ronduit achterlijk, constateerde hij. Citaat: <em>‘Dit openbaart zich in een volslagen gebrek aan interesse buiten den engsten belangenkring; in een onvermogen om ook maar korten tijd vooruit te denken; in zorgeloosheid en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel; in zelfingenomenheid, licht geraakte eigenwijsheid, in het slaafs volgen van een ingeslepen sleur.’ </em>De oplossingen voor deze ‘<em>onmaatschappelijken’</em>? Die moesten vooral gezocht worden in meer controle en dwang. <em>‘Wil men eenig resultaat boeken,’</em> zei Querido op een congres van psychiaters in 1937, <em>‘dan zal men moeten beginnen het zieke gezin te isoleeren.’</em> Het liefst ergens in de bossen &#8211; dan zouden de mannen leren zagen en de vrouwen leren naaien. Arbeidstherapie noemde hij dat. Querido voorzag wel één moeilijkheid: hier zal niemand vrijwillig aan meewerken. En dus moest er een wettelijke regeling komen om deze <em>‘asocialen en onvolwaardigen’</em> onder toezicht te stellen. Die regeling kwam er nooit. Goddank, vond hij zelf later ook. <em>‘Onze plannen van toen deugden absoluut niet,’</em> zei Querido aan het eind van zijn leven.</p>
<p>De heropvoedingsdorpen &#8211; er waren er velen in Nederland &#8211; werden uiteindelijk gesloten en vergeten. Niemand was eigenlijk tevreden. Zeeburgerdorp had de gemeente veel geld gekost, met nauwelijks resultaat. De bewoners waren getekend door de vernedering. De opzichters schaamden zich. <em>‘Eigenlijk mankeerde er maar één ding aan die mensen,’ </em>herinnerde een van hen zich jaren later. <em>‘Ze waren aan de verkeerde kant van de maatschappij geboren.’ </em>Als we nu terugkijken op deze zwarte geschiedenis, dan is het schrijnend om te zien hoe blind de sociaaldemocraten waren. Kwade bedoelingen hadden ze niet. Ze wilden achtergestelden helpen, maar uiteindelijk bestreden ze symptomen (smerig beddengoed, dronken vaders, brutale kinderen), en geen oorzaken (armoede en gebrek). Binnen een halve eeuw zouden de meeste bewoners van Zeeburgerdorp overeind zijn geholpen door dezelfde overheid die hen zo had vernederd. Er woonde een oudere groenteman met reuma, een bouwvakker ontslagen na een staking, een diabeet die niet meer kon werken, een man die scharrelde in vuilnisemmers en een vrouw die Querido nog omschreef als <em>‘een prikkelbare, kwaadaardige slons.’ </em>De verzorgingsstaat zou ál deze oudere, gehandicapte en werkloze Zeeburgerdorpers de bestaanszekerheid geven die ze toen niet hadden. En ja, zelfs zo’n ‘<em>prikkelbare, kwaadaardige slons’</em> was daar vermoedelijk mee geholpen.</p>
<p>Jesse Frederik verzuchtte in zijn Den Uyllezing van 2017: <em>“</em><em>Dat was de sociaaldemocratie op haar best. We pakten oorzaken aan met oplossingen die even groots als meeslepend waren:</em></p>
<ul>
<li><em>Ouderen waren arm, want ze hadden geen geld, dus gaven we ze geld (Noodwet van Drees, 1946)</em></li>
<li><em>Mensen woonden in krotten, want ze hadden geen woningen, dus bouwden we woningen (de Volkshuisvesting, 1920)</em></li>
<li><em>Er heerste armoede, want mensen hadden geen inkomen, dus gaven we ze een inkomen (de WW, Algemene bijstandswet, 1965)</em></li>
<li><em>Mensen kregen geen werk, want er waren geen banen, dus maakten we banen (conjunctuurpolitiek, 1945-1976).</em></li>
</ul>
<p><em>Dat was <u>echte</u> verheffing.</em> <em>Wie dan de afgelopen dertig jaar overziet, moet constateren dat de sociaaldemocratie hierin heeft verzaakt. We zijn weer terug bij af. We zijn weer bij de <u>‘onmaatschappelijkheidsbestrijding.’</u> We hebben het vooral over symptomen, niet over oorzaken. We wantrouwen de mensen die om hulp vragen, net als we dat in de jaren twintig deden. Wie voor een uitkering komt, wordt behandeld als aspirant-oplichter. Wie zijn rekeningen niet betaalt, die zal wel niet deugen. En wie werkloos is, die heeft dat aan zichzelf te danken. Ja, soms vinden we het zielig dat mensen achterblijven. Dan maken we geld vrij voor nog meer hulpverleners, of we komen met nóg een potje, nóg een plannetje, nóg een proefballonnetje. Maar echte ideeën hebben we niet meer. In ieder geval niets dat zo groots, zo meeslepend en zo simpel is als de bijstand of de AOW.”</em></p>
<p>Net als het verplichtende <em>‘activerend arbeidsmarktbeleid’ </em>kozen we bij het integratiebeleid onder Rutte II weer voor dwang. De huidige migranten, en met name degenen op de onderste treden van de maatschappelijke ladder, zoals een deel van de Marokkaanse en Antilliaanse Nederlanders, behoren in zekere zin tot de nieuwe proletarische achterhoede. Hoe hebben eerdere ervaringen met de <em>‘sociale verheffing’</em> van zulke maatschappelijk omstreden groepen uitgepakt? Wanneer we de sociaal-democratische ideologie van de jaren 1920 tot 1960 vergelijken met die van de huidige tijd, valt op dat in beide gevallen de groepen in kwestie werden afgeschilderd als burgers die niet konden of wilden meekomen. Nederlanders in de slechtste wijken van grote steden, zoals de Haagse Schilderswijk of het Amsterdamse Bickerseiland, zijn tot aan de culturele revolutie van de jaren 1960 als de ultieme anderen beschouwd – en behandeld. Niet alleen door de (lagere) middenklasse en de elite, maar ook door ‘<em>fatsoenlijke’</em> arbeiders en hun politieke spreekbuis: de socialistische beweging. De ongeschoolde en onaangepaste bewoners van de volkswijken moesten worden heropgevoed in de juiste kernwaarden.</p>
<p>Deze opvatting klinkt luid door in de beleidsbrief van Asscher indertijd. Hoewel integratie volgens hem een zaak van ons allemaal is, legt hij de bal vooral bij de nieuwkomers, in het bijzonder bij de Marokkanen. Hun waarden zouden niet deugen, zij moeten meer meedoen en zelfredzaam zijn. Zij zijn verantwoordelijk voor de rotzooi die hun jongens uithalen. Pas als zij de door Nederlanders <em>‘gedeelde kernwaarden’</em> verinnerlijken, bijvoorbeeld door een handtekening te zetten onder een participatiecontract, krijgen ze de medaille die allang in de kast zou hangen bij de proletarische achterhoede uit het verleden. Afgezien van de miljoenen Nederlanders die het niet zo nauw nemen met die kernwaarden (van bankiers tot zwartrijders) of deze in het geheel niet delen (SGP’ers over homo’s en vrouwen), is de tegenstrijdige handreiking van Asscher weinig aantrekkelijk: <em>‘jullie deugen niet, maar we eisen dat jullie erbij willen horen, dus word zoals wij’</em>.</p>
<p>Dat zo’n benadering niet werkt, bewijst de historicus Diederick Klein Kranenburg in zijn proefschrift over de Haagse Schilderswijk, waaruit blijkt hoezeer de armste inwoners decennialang met de nek werden aangekeken door de arbeiders in de betere delen van de stad. Zowel de vooroorlogse SDAP als de naoorlogse PvdA wisten geen greep op deze bewonersgroepen te krijgen en hun pogingen tot verheffing maakten geen schijn van kans. Een van de weinigen die door het schild van hun diepgewortelde wantrouwen tegen de buitenwereld en zijn instituties wist heen te breken, was de leider van het in 1926 opgerichte buurthuis De Mussen. Jacob de Bruijn kwam uit een communistisch nest in Leiden, en trad als enige de Schilderswijkers veertig jaar lang op gelijke voet tegemoet. Door zijn langdurige inzet wist hij het vertrouwen van jongeren en hun ouders te winnen. Pas toen kon het goede voorbeeld dat hij probeerde te geven – met de duidelijke grenzen die hij stelde – langzaam beklijven. Verheffing door vertrouwen te bieden, niet door bevoogding van bovenaf. Ze zijn niet anders gewend dan door buitenstaanders in de steek te worden gelaten, dus verlaten hun cocon van wantrouwen niet zomaar. Het is die kernwaarde die wij zouden moeten verinnerlijken, willen we een stap verder komen in het per definitie moeizame proces van integratie. Pas dan wordt het echt <em>‘een zaak van ons allemaal ’</em>.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p><u>(Arbeids-)Migratie binnen de EU</u></p>
<p>Er moeten betere EU-richtlijnen en betere nationale uitvoering daarvan komen. Nu worden te vaak sociale premies en sociale regelgeving ontweken. De werkgever moet verplicht gaan aantonen dat hij voor al zijn werknemers dezelfde loonkosten en sociale en pensioenpremies betaalt en dus geen kosten bespaart door die voor een deel van zijn werknemers in een ander land te betalen.</p>
<p>We beperken <em>niet</em> de vrije arbeidsmigratie binnen de EU, en bevorderen (tijdelijke) gereguleerde arbeidsmigratie voor tekortberoepen bij ons uit arme landen buiten de EU, waarbij men met opleiding en startgeld terug kan keren naar land van herkomst. Dat komt in de plaats van de huidige volstrekt overbodige expatsubsidie.</p>
<p><u>Vluchtelingen en asielzoekers</u></p>
<p>Migratie zien we als kans in de strijd tegen nationale arbeidstekorten en voor eerlijke ontwikkeling. Ook asielzoekers kunnen daar een bijdrage aan leveren. We stoppen met het opbouwen van Fort Europa, met een Berlijnse Muur rondom. We breken de muren en hekken af. We treden hard op tegen mensenrechtenschendingen bij de grensbewaking aan de buitengrenzen van de EU en van de Schengenlanden, zoals met de pushbacks in Griekenland, de martelkampen in Libië, het geweld tegen vluchtelingen in Bulgarije, Hongarije en Kroatië en aan de grens met Marokko, en het niet toelaten van schepen met vluchtelingen in havens van Italië en Malta. We sluiten geen overeenkomsten met landen van herkomst voor het terugsturen van afgewezen vluchtelingen indien daar voorwaarden aan gesteld worden waarbij kritiek op mensenrechten in dat land minder mogelijk wordt en/of de controle op mensen uit dat land in Nederland groter kan worden. En we sluiten evenmin overeenkomsten met landen om migranten daar, net buiten de EU, te houden. Dit leidt tot zeer bedreigende situaties voor migranten en tot afhankelijkheid van dubieuze regimes, zoals in Libië, Marokko, Tunesië en Turkije.</p>
<p>We vervangen het restrictieve en ontmoedigende asielbeleid door gereguleerde, veilige asielmogelijkheden, met loketten in de regio van herkomst en veel betere, gratis ondersteuning bij integratie voor alle vreemdelingen die hier komen. Zo kunnen mensen bij EU-kantoren ter plekke geregistreerd en gescreend worden. Vluchtelingen die aan de criteria voldoen, kunnen dan legaal en veilig komen. Daar komt geen smokkelaar aan te pas. Zo worden de kampen in de regio ontlast. Het aantal te hervestigen vluchtelingen op voordracht van het UNCHR uit kampen <em>‘in de regio’ </em>verhogen we van 500 naar 5000 per jaar. We blijven uiteraard lid van alle internationale verdragen over vluchtelingen, juist nu, nu de wereld zo onveilig is.</p>
<p>Met investeringen in de publieke sector, inclusief de sociale woningbouw, kunnen we dat als één van de rijkste landen ter wereld makkelijk aan. Ruimere asielregels en betere asielmogelijkheden zorgen voor minder druk op de buitengrenzen en maken benodigde capaciteit beter planbaar. Het ondermijnd ook het verdienmodel van mensensmokkelaars en uitbuiters van migranten, en zorgt voor veilige reizen.</p>
<p>Asiel en migratie gaan net als inburgering vallen onder ministerie SZW (in plaats van Justitie). We investeren fors in aanmeldcentra (in regio’s van herkomst, en in ons land op meerdere, centraal gelegen en goed bereikbare plaatsen), asielopvang (met voldoende buffercapaciteit) en de COA-organisatie, in betere en snellere beoordeling door IND, in dagbesteding met onderwijs en werk voor asielaanvragers, en in huisvesting, werk en onderwijs voor statushouders. Gemeenten worden verplicht daarin mee te werken.</p>
<p>Door vluchtelingen niet meer als last, maar als een kans te zien, is een beroep op het oneerlijke en onuitvoerbare Dublin-verdrag over verdeling van statushouders en het terugsturen van afgewezen asielzoekers c.q. het illegaal hier verblijven niet meer nodig.</p>
<p>Procedures worden korter en humaner. De lijst van veilige landen moet onafhankelijker worden vastgesteld. Procedures moeten niet moedwillig vertraagd worden om vluchtelingen en hun gezinsherenigers te ontmoedigen. Als je niet terug kan omdat je land van oorsprong je niet toelaat, moet je een aparte tijdelijke vergunning krijgen. We beëindigen gevangenneming van mensen zonder verblijfsvergunning, zeker als daar kinderen bij betrokken zijn. Voor hen komt een humane opvang. Door de ruimere mogelijkheden voor arbeidsmigratie zal het probleem van mensen zonder vergunning overigens veel kleiner worden.</p>
<p>Kinderen die hier geboren zijn of al hier geworteld zijn, moeten als regel met hun verzorgende ouder(s) een verblijfsvergunning krijgen. De verantwoordelijk bewindspersoon voor migratie herkrijgt zijn discretionaire bevoegdheid om mensen in afwijking van de regels toch toe te laten. Gezinshereniging maken we eenvoudiger.</p>
<p><u>Beter en sneller inburgeren voor alle migranten</u></p>
<p>In ieder geval zal Nederland de ontvangst van nieuwkomers meer integraal moeten gaan benaderen. Niet alleen het ongedaan maken van de beperking van de beschikbaarheid van asielzoekers voor de arbeidsmarkt moet deel uitmaken van dat gesprek, maar ook zou aan arbeidsmigranten bijvoorbeeld een minimaal inburgeringspakket (taalles en verkort burgerschapsonderwijs) aangeboden kunnen worden. Het idee van welkomstcentra naar Canadees model, taalcafés en een algemeen welkomstpunt in de gemeente (RNI-loket), waar gezins- en arbeidsmigranten met vragen beter op weg geholpen kunnen worden, zijn eveneens een goed voorbeeld.</p>
<p>De WRR en het aanjaagteam van Roemer adviseerden eerder al om met ontvangst- en inburgeringsvoorzieningen te komen voor alle migranten, inclusief kennis-, arbeids- en EU-migranten. Gemeenten spelen daarbij een sleutelrol en hebben daarvoor ondersteuning nodig. Een nieuw model inburgering zal zeker meer gaan kosten dan het huidige inburgeringsbeleid. Maar een goede integratie levert op de langere termijn veel voordelen op. Dat betaalt zich niet alleen terug in hogere arbeidsparticipatie en lagere uitkeringsafhankelijkheid, maar ook in betere maatschappelijke betrokkenheid en integratie. Werkgevers van kennis- en arbeidsmigranten moeten hier zeker ook  bijdragen. Een Nederlands inburgeringsmodel met Duitse en Canadese elementen waarbij duidelijke kansen en mogelijkheden in plaats van onmogelijkheden worden geboden zou zeker een win-win situatie voor het individu én voor de samenleving betekenen. Dat daarbij de kosten voor de baten uit gaan, spreekt voor zich.</p>
<p>Werk wordt direct voor asielzoekers mogelijk. De werkwinkels helpen hier actief bij. Er moet ook een extra inzet voor statushouders komen &#8211; huisvesting waar ook werk is, gratis en publiek georganiseerd taalonderwijs, inburgering en beroepsmatige scholing, vooral voor tekortberoepen van goede kwaliteit, arbeidsbemiddeling op maat, allemaal te beginnen in de kleinschalig te organiseren asielopvang die zoveel mogelijk georganiseerd wordt in gemeenten waar zij later ook kunnen werken en wonen, met zoveel mogelijk betrokkenheid van andere burgers uit die gemeenten. Het inburgeringsonderwijs wordt ook opengesteld voor immigranten uit de EU en de deelname daarin is gratis en wordt aangemoedigd.</p>
<p>We maken korte metten met het aanwijzen van vreemdelingen, soms zelfs tot in de derde generatie, als zondebokken van in werkelijkheid door falend beleid veroorzaakte tekorten aan voorzieningen.</p>
<p>We bestrijden racisme en discriminatie krachtig met wetgeving en handhaving. Illegaliteit wordt niet meer strafbaar. Uitbuiting wel.</p>
<p>Na inburgering krijgt men per direct alle rechten gelijk aan Nederlander. Inburgering gaan we weer volledig publiek en gratis organiseren. We schaffen de potsierlijke participatieverklaring af.</p>
<p>We breken met de verplichtende vormen van participatie en gedwongen vormen van <em>‘verheffing’</em>. En daarmee van het integratiebeleid zoals PvdA minister Asscher dat in 2013 formuleerde.</p>
<p>Dubbele nationaliteiten zijn geen probleem maar een kans om het overmatig nationalisme te keren, en we maken dat weer volop mogelijk.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134451999"></a><strong>11.             </strong><strong>Een Veilig en Vrij Bestaan in een Democratische Rechtsstaat en in een Verbonden Samenleving</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Iedereen heeft het recht op een veilig en vrij bestaan, beschermd in een democratische rechtsstaat, waar macht en geweld democratisch gecontroleerd en gelegitimeerd worden binnen wetten, waaronder de universele mensenrechten.</p>
<p>Iedereen heeft daarbij recht op de beleving en bescherming van zijn eigen identiteiten, en we zijn waakzaam en weerbaar tegen alle vormen van discriminatie en fascisme.</p>
<p>We zijn solidair met onderdrukte minderheden en bevorderen hun emancipatie.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>Nederland is veiliger, door meer preventie en beheerste repressie, en gerichte aanpak van zware misdaad en bedreiging van de rechtsstaat.</p>
<p>De vrije uitoefening van democratische grondrechten is ruim mogelijk. De rechtsstaat staat open voor rechtsbescherming voor iedereen zonder drempels. De veiligheidsdiensten en de rechtsspraak zijn een voorbeeld van diversiteit en onbevooroordeeld zijn.</p>
<p>Discriminatie en fascisme worden niet getolereerd. Er is kennis en begrip gekweekt voor de achtergronden hiervan, inclusief racisme, antisemitisme, homofobie en islamofobie. Iedere kan zijn eigen identiteiten uitdragen en beleven, zonder risico van bedreiging of afkeuring.</p>
<p>De indirecte democratie en haar instituties zijn versterkt, en worden maar zeer beperkt aangevuld met vormen van directe democratie – de risico’s van directe democratie worden goed begrepen en beheerst.</p>
<p>De overheid is weer betrouwbaar en deskundig en staat naast haar burgers. Ze is transparant, controleerbaar en kan bij misdrijven zelf vervolgd worden.</p>
<p><strong><em>Analyse</em></strong></p>
<p><u>‘<em>Woke’ </em>en progressieve identiteit</u></p>
<p><em>Woke</em> (Afro-Amerikaans-Engelse variant van woken; wakker geworden) is een term die verwijst naar het bewust zijn van racismeproblematiek en sociaal onrecht jegens minderheden in de samenleving.</p>
<p>Is er eigenlijk nog wel iemand die <em style="font-weight: inherit;">zichzelf</em> woke noemt? Het woord zoemt rond, maar altijd als beschuldiging. Wie ertegen ten strijde trekt, krijgt aandacht. Het is heerlijk scoren met voorbeelden van doorgeslagen progressiviteit, het ene nog dwazer dan het andere.</p>
<p>Begin mei 2023 ging NRC-redacteur Bas Heijne met de Amerikaans-Duitse filosoof Susan Neiman in het Rotterdamse debatcentrum Arminius in debat over haar boek <em style="font-weight: inherit;">Links is niet woke</em>. Neiman beschouwt zichzelf als links, socialist zelfs. Haar pamflet is een oproep aan links zich af te keren van zelfbetrokken identiteitspolitiek – <em>tribalisme</em>, zoals zij het noemt. Zijzelf beroept zich op het universalisme. Mensen moeten zich niet enkel gaan zien in het licht van kenmerken die ze toevallig hebben meegekregen, geslacht, geaardheid, kleur. En ook niet alleen betekenis vinden in hun slachtofferschap. Dat de werkelijkheid vaak achterblijft bij die verheven idealen van gelijkheid en solidariteit, mag geen reden zijn om ze daarom maar op de vuilnishoop van geschiedenis te gooien.</p>
<p>Integendeel. Niet opgeven, luidt haar boodschap. Niet terugvallen in identiteitspolitiek. Gewoon nóg feller opkomen voor de idealen van de Verlichting!</p>
<p>Het essay van Neiman raakt een snaar, het wordt in Nederland goed verkocht. Heijne is minder enthousiast. Waar de Verlichting voor staat, dat kan Neiman uitleggen als geen ander. Dat heeft ze dan ook al vaak gedaan. Terecht hekelt ze het luie oordelen over grote figuren uit het verleden, zoals Abraham Lincoln, met de morele maatstaven van nu. Het gaat er niet om dat zij nog niet zover waren als wij, het gaat erom dat ze ons verder hebben gebracht.</p>
<p>Maar waar dat woke nou precies vandaan komt, daar verdiept ze zich nauwelijks in. Het blijft een schimmige tegenstander. Wie haar boek leest krijgt de indruk dat men op de universiteiten gewoon de verkeerde denkers heeft gelezen, op een dwaalspoor is gebracht door Michel Foucault en de nazi-aanhanger Carl Schmitt. Zij zijn het die het universalisme als een vorm van hypocrisie ontmaskerden, en in ieder streven naar rechtvaardigheid een verborgen machtsmotief ontdekten.</p>
<p>Er zit iets van teleurstelling in Neimans kritiek op misleide jongeren die ze vaagjes met „<em>woke</em>” aanduidt – waarom hebben ze haar klassiek linkse wereldbeeld verraden, waarbij iedereen voor iedereen geacht werd op te komen? Waarom houden ze zich bezig met identiteitsdingetjes en haarkloverijen over het juiste taalgebruik, ophef over culturele toe-eigening, terwijl er zo veel grotere problemen zijn? Neiman geeft er geen antwoord op, in ons gesprek kwam ze vooral met de overbekende voorbeelden van zelotengedrag op de universiteit en in de culturele sector. Ook hekelde ze de blinde meegaandheid van de gevestigde instituties, die niet aan de verkeerde kant van de geschiedenis willen staan en daarom „<em>diversiteit</em>” nog als enig criterium hebben. Ja hoor, absurde voorbeelden genoeg. Maar is dat de kern van wat er gaande is?</p>
<p>Heijne heeft eerder betoogd dat wat tegenwoordig ‘<em>woke’</em> wordt genoemd, in wezen gewoon een voortzetting is van de grote emancipatiebewegingen van de vorige eeuw. Dat was de eeuw waarin Susan Neiman opgroeide. Er werd gestreden voor reële doelen, voor rechten, voor gelijkheid voor de wet, gelijke betaling, betere arbeidsomstandigheden, openstelling van het huwelijk voor iedereen. In onze eeuw ontstond een gevoel van deceptie. Wettelijk was enorme vooruitgang geboekt, maar in werkelijkheid waren veel beloften nog niet ingelost. Daarbij heb je niet alleen wetten en regels nodig, maar ook gedragsverandering, bewustwording, andere manieren van kijken. Het ging nu, kortom, niet langer om concrete doelen, maar om mentaliteiten, structuren, de manier waarop er gekeken en gehandeld wordt, hoe je gezien wordt of juist helemaal niet gezien wordt. Dat besef is diep in de samenleving doorgedrongen, de bewegingen <em>Black Lives Matter</em> en <em>#MeToo</em> gaan juist hierover. Dat er vooruitgang is geboekt, moest ook Neiman toegeven.</p>
<p>Dat bijvoorbeeld <em>„taal ertoe doet”</em> in de omgang tussen mensen, en dat je dus op je woorden moet letten. Dat is niet exclusief een progressieve obsessie. Kijk naar wat er in het verkiezingsprogramma van de BBB staat: „<em>We praten niet meer over hoogopgeleiden of laagopgeleiden. We praten alleen nog over theoretisch opgeleiden en praktisch opgeleiden.” </em>Dit is gewoon heel erg woke, Caroline, zo stelde Heijne terecht.</p>
<p>Een belangrijk aspect dat door Neiman volledig over het hoofd gezien wordt in haar oproep tot universalisme: individualisering. Het ‘<em>ik’</em> is de afgelopen decennia veel belangrijker geworden – en daarmee ook identiteit. Dat primaat van het ‘<em>ik’</em> is door de haar zo innig gekoesterde Verlichting in gang gezet. Voor een zaal vraag ik de aanwezigen tegenwoordig weleens wie van hen zich <em style="font-weight: inherit;">vrijer</em> voelt dan zijn ouders of grootouders. Er gaat altijd een ruime meerderheid aan handen omhoog. Wie kan dat niet als een zegen zien?</p>
<p>Maar als het <em>‘ik’</em> steeds belangrijker wordt, verandert de relatie tussen jou en de maatschappij. De wereld wordt steeds subjectiever bekeken. Dat is wat er aan de hand is. Hoe de samenleving zich tegenover jou gedraagt, wordt maatgevend. Kleur en geaardheid zijn weliswaar, zoals Neiman beweert, volkomen toevallig, maar wanneer een samenleving wel degelijk onderscheid maakt op juist die kenmerken, is het wel heel gemakkelijk om ze als betekenisloos af te doen. Wat je persoonlijk aangaat, gaat ook de wereld aan – en andersom.</p>
<p>Daarom is het ook nogal zelfgenoegzaam het contact dat een individu zoekt met mensen die aspecten van zijn leefwereld en gevoelsleven delen af te doen als tribalisme. Bovendien is die neiging niet specifiek voor minderheden, ze is algemeen. Ook „<em>boeren</em>” zijn een identitaire magneet. We zijn <em style="font-weight: inherit;">allemaal</em> tribaal geworden.</p>
<p>Je kunt het verpersoonlijken van alles vreselijk vinden, betreuren omdat grote structurele kwesties uit zicht verdwijnen, maar het is gewoon een uitloper van ons individualisme. Het is ook de steen waarover iedere oproep tot nieuwe gemeenschap en solidariteit struikelt. Als je wilt genezen, moet je eerst de kwaal begrijpen.</p>
<p>Neiman wil iets terugdraaien wat niet terug te draaien is. Haar oproep klinkt bevlogen, Heijne zet er zo zijn handtekening onder, maar door dat vage <em>woke</em> als tegenstander te kiezen, maakt ze het haar medestanders wel heel gemakkelijk. Het zijn weer de anderen die verdwaald zijn, niet jijzelf. Het zijn anderen die moeten veranderen, niet jijzelf.</p>
<p>Deze week werd in de VS een peiling gepubliceerd waarin Republikeinen mochten aangeven wat ze van hun volgende presidentskandidaat verwachten. 85 procent verlangt van hun kandidaat dat hij afrekent met „<em style="font-weight: inherit;">woke ideas</em>”. Van een linkse partij mag een principieel andere keuze verwacht worden.</p>
<p><u>Het extreemrechtse gevaar</u></p>
<p>Nog te veel mensen onderschatten hoe gevaarlijk het extreemrechtse riool is: het is een gewelddadig allegaartje dat de samenleving ondermijnt en zijn genoegdoening haalt uit de vernedering van progressieve vrouwen, vluchtelingen, biculturele Nederlanders, LHBTI’ers. Op Twitter domineren ze, en ze beheersen de tactiek van uitsluiting als geen ander: door progressieve tegenstanders maar vaak en massaal genoeg aan te vallen, haken bange omstanders vanzelf af om zich in veiligheid te brengen. Het is een manier om individuen sociaal te isoleren en tot stilte te intimideren. De dynamiek die daarbij ontstaat is fascinerend en verontrustend tegelijk: wildvreemden projecteren ideeën en plakken zelfgeschreven etiketten op je waardoor er in hun hoofd een monsterlijke karikatuur ontstaat waar ze blind in gaan geloven. De afgelopen jaren zijn deze intimidatietechnieken van extreem-rechts en andere boze burgers goeddeels genegeerd. Dit begon jaren geleden al in de krochten van het internet, op sites als het inmiddels opgeheven Het Vrije Volk – waar gefantaseerd werd over de executie van linkse politici, <em>‘nazislamitische hoeren’</em>, als Jolande Sap en Ineke van Gent – en verspreidde zich naar andere podia en het parlement waar ze zich inmiddels vertegenwoordigd weten door partijen als de PVV, FvD, JA21, BVNL en BBB. Verwend door dat gedoogbeleid, vinden ze nu dat de regels niet voor hen gelden. Of het nu gaat om terreurboeren die asbest dumpen, Staphorsters die anti-Zwarte Piet-demonstranten belagen, Sylvanahaters die lynchfilmpjes maken, ‘<em>moederharten’</em> die schrijvers voor pedo uitmaken of fakkeldragers die in heksen geloven. Zíj voelen zich miskend en dus hebben ze het recht om je verrot te schelden en te belagen. Maar jíj hebt geen recht op weerwoord, want dat is een beknotting van hun vrijheid en ‘<em>polarisatie’</em>. Eigen vrijheid en veiligheid eerst. Het is alsof je een bokswedstrijd met geboeide handen ingaat. Op zo’n manier wordt de stap naar eigenrichting en brandende fakkels wel erg klein. Het is puur misbruik maken van de vrijheid van meningsuiting, die we niet langer meer tolereren. We stoppen met tolerantie voor intolerantie.</p>
<p>Het fascistische gedachtegoed verspreidt zich opnieuw als gif door ons land en in Europa en Amerika. Er werden antisemitische teksten geprojecteerd op onder meer het Anne Frankhuis, waarin de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank in twijfel werd getrokken. En dit is geen incident. David Icke werd net op tijd door Femke Halsema geweerd uit de stad, maar zijn aanhangers liepen dezelfde dag met prinsenvlaggen en andere neonazistische symbolen in een colonne de veerpont op. Al jaren waarschuwt de AIVD voor extreemrechts gevaar, maar het is niet alleen te lezen in hun jaarboeken. Waar enkele antifascisten zichzelf tegen doxing en bedreigingen moeten beschermen bij tegendemonstraties door hun gezicht te verbergen, lopen de neonazi’s van Voorpost vol trots op de Dam. Daar waar elk jaar de Dodenherdenking plaatsvindt. Het is een pijnlijk gegeven dat neonazi’s zich meer thuis voelen in de hoofdstad dan de tientallen mensen die vreedzaam in verzet komen tegen de normalisatie ervan. Tijdens de coronapandemie was duidelijk dat de groep Samen Voor Nederland fascisten graag verwelkomt bij hun demonstraties op het Museumplein. Het antisemitistische FvD vond zijn oorsprong in Amsterdam en hun vlag wappert fier naast NSB-symbolen. Maar ook in de Amsterdamse gemeenteraad maakte Annabel Nanninga van JA21 furore, terwijl ze herhaaldelijk misselijkmakende grappen over de Holocaust tweette.</p>
<p>Mensen in de lhbtq+-gemeenschap-gemeenschap, vluchtelingen, moslims en mensen van kleur worden steevast ontmenselijkt en weggezet. De omvolkingstheorie wordt besproken bij de NPO, terwijl de VVD-minister Dilan Yeşilgöz van Justitie en Veiligheid zich drukker lijkt te maken over ‘<em>het wokeisme’</em> dan extreemrechts. Ondertussen houdt ons politieapparaat vreedzame antifascisten aan, terwijl neonazi’s op steenworp afstand kunnen blijven demonstreren in Amsterdam. De wereld op zijn kop.</p>
<p>Extreemrechts organiseert zich en steekt overal de kop op. Journalisten, wetenschappers en politici worden verdacht gemaakt, bedreigd en in de hoek gezet. Complottheorieën waarin de Holocaust ontkend wordt, worden verspreid in de Tweede Kamer. Het wordt tijd dat we daar een vuist tegen maken. </p>
<p><u>Het gebrek aan openbaarheid bij de overheid</u></p>
<p>Stukken van de overheid worden nog steeds achtergehouden en stukken worden zelden binnen de termijn aangeleverd: zelfs de meest eenvoudige WOB (Wet Openbaarheid Bestuur – onlangs vervangen door de Wet Open Overheid, WOO)-verzoeken kosten gemiddeld 111 dagen in plaats van de wettelijke termijn van 21 dagen. Maar in die gevallen komt informatie nog, maar wel vaak veel te laat voor een journalist of een burger om die te kunnen gebruiken. Het kan nog erger: in 2019 gebeurde het 38 keer dat de overheid door de rechter een dwangsom opgelegd kreeg en die moest betalen, omdat de termijn die door de rechter werd vastgesteld om de stukken te leveren, niet gehaald werd. (Overigens, die dwangsom, dat is gewoon uw belastinggeld.) In 2020 gebeurde het maar liefst 47 keer en in 2021 97 keer. Deze cijfers zijn nog van voor de recentere zeer complexe en grote WOO-verzoeken over corona bij het ministerie van VWS en bij andere delen van de overheid. Dat ministerie is onlangs door het adviescollege Overheidsinformatie en Informatiehuishouding op de vingers getikt voor de omgang met WOO-verzoeken. Het ministerie overtreedt dan nu ook structureel de wet en betaalt de dwangsommen gewoon. Van de 182 uitspraken waarbij de regering veroordeeld is, zijn er slechts 10 gepubliceerd. De rest was voor de antwoorden op Kamervragen niet openbaar. Het is nog steeds onduidelijk hoeveel van die rechterlijke uitspraken nu wel zijn uitgevoerd. Het overzicht leest overigens wel als een overzicht van alle bestuurlijke probleemdossiers in Nederland. Het feit dat de uitspraken niet gepubliceerd worden is op zichzelf problematisch: burgers kunnen niet zien waarvoor de overheid veroordeeld is en wanneer een burger bijvoorbeeld gelijk gekregen heeft bij een zaak tegen de belastingdienst: daar kunnen andere zich dan op beroepen. Er zijn talloze voorbeelden van rechtszaken die burgers graag geweten zouden hebben. De belastingdienst kent wél alle zaken en heeft dus een enorme voorsprong. Slechts 5% van de uitspraken wordt op dit moment gepubliceerd. Ook hier leidt onvolledige informatie tot een achterstand voor de burger. En ook hier raakt het niet publiceren van vooral schriftelijke uitspraken de grondwet, die voorschrijft dat uitspraken in het openbaar gedaan worden. Samengevat: de gebrekkige informatievoorziening door de overheid maakt het controlerende werk van media ontzettend moeilijk. Het ontneemt bestuurlijke problemen aan het zicht van de samenleving. Het brengt bovendien individuele burgers ernstig in de problemen, wanneer ze bijvoorbeeld een conflict met de belastingdienst hebben.</p>
<p>Niet verstrekken van informatie aan leden van het parlement mag de regering nu doen op grond van “<em>het belang van de Staat</em>” (artikel 68, Grondwet). Let hier op de uitzonderingsgrond: de regering mag zelf bepalen wat het belang van de staat is. Als een minister of staatssecretaris een beroep wil doen op het belang van de staat, hoeft hij dit alleen maar te melden in de ministerraad en die moet akkoord gaan. De afgelopen jaren heeft de regering gepoogd het belang van de staat tot het maximum op te rekken. In 2019 probeerde de regering intern beraad bij de ministeries eronder te brengen en daar kun je ongeveer alle interne discussie ter voorbereiding op een besluit onder de uitzonderingsgrond brengen. Het was niet toevallig dat die discussie speelde terwijl de regering krampachtig probeerde stukken over het toeslagenschandaal niet naar de kamer te sturen. In oktober 2020 stuurde de regering de explosieve memo-Palmen witgelakt naar de Kamer: de adviezen waren <em>‘persoonlijke beleidsopvattingen’</em> en hoefden dus volgens de regering niet openbaar gemaakt te worden. De inperkingen uit 2019 waren dan ook klinkklare onzin volgens vier hoogleraren die op verzoek van het parlement een advies uitbrachten in 2020. En voor meer willekeurige documenten gebeurde hetzelfde, vooral wanneer het de regering uitkwam. De sms’jes die Omtzigt stuurde aan staatssecretaris Van Huffelen over het toeslagenschandaal over de Catshuisregeling? Die vallen er inderdaad onder: het is in het belang van de staat dat ze nooit openbaar worden. De regering verwart hier natuurlijk het belang van de huidige regering met het belang van de staat. Hetzelfde speelt bij het achterhouden van de opnames van de OMT-vergaderingen – de Kamer mag ze zelfs niet vertrouwelijk beluisteren of inzien – en het achterhouden van al het berichtenverkeer tussen ministers. Eerder werden berichten tussen bewindspersonen openbaar gemaakt wanneer het de regering wél uitkwam. Maar voor een Kamerlid is het frustrerend dat er nog geen manier bestaat om te checken of het belang van de staat terecht ingeroepen wordt. Het enige middel om te escaleren is een motie van wantrouwen, voor iets wat je niet weet wat het is. En zelfs als de motie van wantrouwen slaagt, dan treedt de minister af, maar daarmee heb je nog niet de beschikking over de informatie, zo merkte de regering niet zo subtiel op.</p>
<p><u>Grondwettelijke toetsing van wetten</u></p>
<p>We zitten nu nog steeds met de situatie dat onze wetten niet aan de grondwet mogen worden getoetst en dat is 175 jaar later nog steeds onwenselijk. Wetten en daarmee de meeste klassieke grondrechten kunnen in Nederland wel getoetst worden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en ander internationale verdragen, maar niet aan de eigen grondwet. Elke wet is een wet omdat hij afgedwongen kan worden: als je je er niet aan houdt, krijg je met sancties te maken. Maar voor onze eigen grondwet geldt dat niet: die kan niet worden afgedwongen bij een rechter. Daarmee lijkt het meer een aanbeveling of een aansporing te zijn dan een wet. En dus zien we voor onze ogen gebeuren dat de grondwet genegeerd kan worden door bestuurders, zonder noemenswaardige gevolgen voor diezelfde bestuurders en zonder mogelijkheden om verhaal te halen voor burgers. Omdat er geen gang naar de rechter mogelijk is, moeten schendingen van de grondwet politiek opgelost worden. En die mogelijkheid zit op dit moment totaal vast in een politiek systeem waar de coalitiepartijen de regering blijven steunen, wat er ook gebeurt. Want de grondwettelijke toetsing in het parlement op de regering functioneert gewoonweg onvoldoende.</p>
<p>En toch is een minister strafbaar als hij wetten of de grondwet schendt door besluiten te nemen die strijdig zijn met de grondwet of wanneer hij opzettelijk nalaat om uitvoering te geven aan bepalingen in de grondwet of wetten, die hij moet uitvoeren. Ook bij grove schuld is hij strafbaar: deze ambtsmisdrijven staan allemaal netjes in het wetboek van strafrecht. Maar deze bepaling is een dode letter gebleken. De procedure is juridisch onmogelijk. Het gevolg is dat er al ongeveer 150 jaar geen politicus voor ambtsmisdrijven veroordeeld is. De kamer heeft al in 2015 geconstateerd dat een betere procedure gewenst is. In 2021 is daarover een rapport verschenen van de commissie-Fokkens. Voorts hebben ook de Pikmeer-arresten bij de Hoge Raad ertoe geleid dat functionarissen van de overheid een grote mate van strafrechtelijke immuniteit bezitten bij het uitoefenen van exclusieve overheidstaken.</p>
<p><strong><em>Programma</em></strong></p>
<p><u>Veiligheid</u></p>
<p>Hiervoor zijn al extra banen voorgesteld om de tekorten in de veiligheidssectoren aan te pakken.</p>
<p>Toezicht concentreren we in een versterkte bundeling van geheel onafhankelijke toezichthouders, conform het advies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Er moeten veel meer inspecties plaatsvinden en die moeten effectief en onafhankelijk zijn, en dus niet gebaseerd zijn of leunen op zelfregulatie. Misstanden zoals bij de Voedsel- en Warenautoriteit moeten stevig worden aangepakt.</p>
<p>We verlagen de griffierechten en investeren in gratis rechtsbijstand en juridisch advies. De democratische rechtsstaat valt of staat met toegang tot het recht voor een ieder.</p>
<p>En we verleggen de focus. Veel criminaliteit is nu drugsgerelateerd. In plaats van steeds meer inzet op repressie, dat aantoonbaar niet werkt, zetten we in op legalisering en regulering van in Nederland gecontroleerd geteelde en geproduceerde drugs. Die zijn alleen voor meerderjarige ingezetenen van ons land verkrijgbaar. Import- en export wordt bestreden, wat makkelijker is als er een legaal, betaalbaar en veilig alternatief is. Met informatie en voorlichting, vooral gericht op jongeren, en betaalde hulp bij afkicken wordt verslaving tegengegaan. Verkoop mag niet dichtbij scholen, kinderopvang, sportaccommodaties, jeugd- en buurtcentra en jeugdzorginstellingen plaatsvinden en alleen in gecertificeerde, gecontroleerde speciaalwinkels.</p>
<p>Maar ook meer in het algemeen zetten we minder eenzijdig in op strafrecht, en meer op preventie en reclassering, met een prioriteit aanpak van veelplegers, zeden- en levensdelicten, zware, georganiseerde criminaliteit, wapenbezit, milieucriminaliteit en grootschalige fraude/witwassen, de zgn. witte boorden-criminaliteit.</p>
<p>Daklozen, verslaafden, ‘verwarde personen’, mensen zonder verblijfsvergunning, worden niet meer achtervolgd met boetes en opsluitingen, maar begeleid, gericht op oplossing van hun problemen.</p>
<p>Kinderrechten worden weer hard gegarandeerd.</p>
<p>We investeren ook in de organisaties, scheidden justitie weer van de politie, en decentraliseren een deel van de aansturing van de nationale politie.</p>
<p>We ontlasten de rechtspraak ook door veel procedures niet meer in eerste instantie door de rechter te laten afdoen, zoals bij echtscheiding en schuldhulpverlening.</p>
<p>Inzet van politie voor openbare orde en veiligheid bij commerciële evenementen, waaronder commerciële sportevenementen, moet voortaan betaald worden. Vaak worden grote winsten en/of salarissen verdiend, en het gaat niet aan om de vaak problematische veiligheid daarbij af te wentelen op de belastingbetaler. Supportersgeweld gaan we veel strakker aanpakken, ook met veel hogere straffen. Gemaakte kosten, ook van inzet van politie en justitie, verhalen we op daders.</p>
<p>Bij de versterking van defensie zorgen we voor meer inzet op personeel, met een betere uitrusting, beloning en rechtspositie. De investeringen in defensie moeten fors worden verhoogd om aan de actuele bedreigingen en Europese ambities te voldoen. We streven naar veel meer Europese defensiesamenwerking en willen de afhankelijkheid van de VS aanzienlijk verminderen.</p>
<p><u>Democratische rechtsstaat</u></p>
<p>Directe democratie verdraagt zich slecht met vertegenwoordigende democratie. Ze dreigt gauw te ontaarden in een dictatuur van de meerderheid, waarbij de belangen en argumenten van de minderheid er niet toe doen. Directe democratie is zeer gevoelig gebleken voor eenzijdige informatie en opinievorming. Zie de ervaringen met recente referenda over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne en over de Europese Grondwet. Vertegenwoordigende democratie met evenredige vertegenwoordiging, een lage kiesdrempel en bescherming van rechten van politieke minderheden geeft meer kans op een betere weging van het publieke belang. We voeren geen referendum in, behalve op lokaal niveau voor kwesties die alleen dat lokale niveau betreffen. Daarvoor komen hoge drempels: de aanvraag voor zo’n lokaal referendum moet gesteund worden door tenminste 40% van kiesgerechtigde inwoners, en de uitslag is pas geldig bij een deelname van tenminste 50% van de stemgerechtigden.</p>
<p>Wel voeren we een uitgebreider burgerinitiatiefregeling in. En we<em> faciliteren via loting samengestelde burgerraden op lokaal niveau. Deze krijgen een adviesrecht aan gemeenteraden. </em>Burgerparticipatie bij totstandkoming van beleid wordt verder bevorderd. Daarvoor komt een speciaal ondersteunings- en innovatieprogramma en -budget.</p>
<p>We versterken de representatieve, gekozen democratie met:</p>
<ul>
<li>meer geld voor onderzoek en ondersteuning van volksvertegenwoordigers in ieder gekozen orgaan.</li>
<li>een veel betere vergoeding van hun werkzaamheden op lokaal en provinciaal niveau.</li>
<li>versterking van de positie van politieke partijen, met eisen aan democratische organisatie en financiële transparantie. Private financiering van politieke partijen mag slechts zeer beperkt en moet volledig transparant plaatsvinden. Dat moet ook voor lokale partijen gelden. Partijen moeten leden hebben, die ook volledige zeggenschap hebben conform de regels voor een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid.</li>
</ul>
<p>De Tweede Kamer gaat in het bijzonder meer tijd besteden aan wetgevingsoverleg, teneinde de kwaliteit van wetgeving te verbeteren, en aan de verantwoording van de uitvoering. Grote wetgevingsprojecten krijgen rapporteurs en aparte wetgevingsoverleggen, verplicht in het Reglement van Orde. Over de uitvoering komen er tenminste per departement en bij grote, nieuwe projecten verplicht aparte uitvoeringsoverleggen, met onderzoek en hoorzittingen van cliënten en uitvoerders, en rapporteurs. En we voeren ook een adviesplicht en uitvoeringstoetsplicht in bij de (implementatie van) Europese richtlijnen, evenals rapporteurs in het parlementair proces.</p>
<p>We maken een einde aan de praktijk dat (delen van) door het parlement aanvaarde wetgeving geheel niet worden ingevoerd, door invoering van een uiterste termijn waarbinnen aangenomen wetgeving moet worden ingevoerd, met een periodieke meldingsplicht van nog niet ingevoerde regelingen aan het parlement.</p>
<p>Te vaak wordt nu begrotingsgeld uitgegeven terwijl er (nog) geen parlementaire goedkeuring en een wettelijke basis voor is. Dat wordt verboden en zelfs strafbaar gesteld.</p>
<p>De Kamervoorzitter krijgt meer bevoegdheden om te zorgen dat debatten niet slechts de waan van de dag volgen.</p>
<p>De belangen van de minderheid in het parlement behoeven speciale aandacht van de voorzitter. Een derde van de Kamer kan de voorzitter overrulen.</p>
<p>Er komt geen verzwaring van de kiesdrempel. Dat beperkt teveel een goede representatie.</p>
<p>Er komt een lobbyregister. Het nevenwerkzaamheden en neveninkomstenregister wordt veel sterker gehandhaafd, met boetes en bekendmaking bij overtredingen. We verscherpen het lobbyverbod voor oud-politici en maken overtredingen daarvan strafbaar.</p>
<p>De informatiepositie van volksvertegenwoordigers wordt versterkt, ambtelijke notities en verslagen mogen niet meer worden achtergehouden. De Rutte-doctrine wordt ingetrokken. Ambtenaren – ook van uitvoeringsorganisaties moeten rechtstreeks door Kamerleden benaderd en gehoord kunnen worden. Bij niet tijdig leveren van door het parlement gevraagde informatie door het parlement, krijgt het parlement bij beslissing van tenminste een derde van de leden van de betreffende Kamer het recht om de informatie in te laten vorderen door justitie.</p>
<p>De voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer treden op tegen seksuele intimidatie in de Tweede Kamer, ook ten aanzien van personeel in de fracties. De positie van klagers wordt versterkt. De initiatiefwet voor verplichte vertrouwenspersonen van GL en PvdA moet ook gaan werken voor fracties in het parlement en de beide Kamers.</p>
<p>We bevorderen de beginselen van goed en deugdelijk bestuur. In 2009 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninklijkheidsrelaties (BZK) de beginselen van goed en deugdelijk bestuur vastgesteld. In de praktijk blijkt dat bestuurders en ambtenaren die nauwelijks of niet toepassen in de dagelijkse praktijk. Het resultaat is een afnemend vertrouwen in de overheid. In zijn publicatie <em>“Groter denken, kleiner doen”</em> geeft Herman Tjeenk Willink hiervan vele illustraties. Ook bij het Toeslagenschandaal is dit pijnlijk aangetoond. We streven naar een herijking van de beginselen en een verbinding met de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen met de rechtsstaat. De beginselen zijn: openheid en integriteit, participatie, behoorlijke contacten met burgers, doelgericht en doelmatig, legitimiteit, zelfreinigend en lerend vermogen, verantwoording, menselijke maat en proportionaliteit.</p>
<p>Iedere regeling krijgt via de Algemene Bestuurswet automatisch, ook zonder expliciet beroep daarop, een hardheidsclausule, en de beslissende overheidsorganisatie moet altijd afwegen of een individuele beslissing niet onredelijk hard uitwerkt. Algoritmes mogen niet discriminerend en moeten altijd controleerbaar zijn. Uitvoering mag niet uitbesteed worden met als doel openbaarheid en controle te voorkomen.</p>
<p>Op iedere brief of mail van de overheid moet een telefoonnummer staan, loketfuncties moeten fors worden uitgebreid en hersteld, en iedere beslissing moet een duidelijke en simpele bezwaar- en beroepsprocedure vermelden. Die procedures moeten redelijke termijnen hebben voor de beslissing op bezwaar en beroep, en die termijnen moeten ook gehandhaafd worden. Iedere burger heeft daarbij recht op onafhankelijke bijstand en moet online zijn dossiers real time in kunnen zien. De informatiehuishouding moet veel beter, de huidige Archiefwet moet streng worden gehandhaafd. De capaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens moet per direct drastisch worden uitgebreid om de huidige achterstanden en tekorten in te lopen.</p>
<p>We gaan de slachtoffers van de schandalen van de kabinetten onder leiding van VVD-premier Rutte (toeslagen, Gronings gas, bijstand, IND/COA, Q-koorts, etc.) ruimschoots en snel compenseren. We schrappen alle bureaucratie en nemen daarbij voor lief dat er hier en daar teveel wordt uitgekeerd. De slachtoffers moeten allen binnen een jaar volledig en ruimhartig gecompenseerd en schadeloos gesteld worden. Voor de slachtoffers van het Toeslagenschandaal volgen we daarbij het voorstel van de SP om de beoordeling in één dag te regelen, waarbij gedupeerden door een soort wasstraat gaan, en alle stappen in één dag doorlopen. Daarbij dient er een harde deadline gesteld te worden die bijv. stelt dat alle claims gehonoreerd worden die niet voor 2025 afgehandeld zijn – het kabinet koerst nu op 2030, of nog later, en dat is na het misdadig vernietigen van de levens van deze mensen echt onaanvaardbaar te lang. Voorts moet deze afhandeling geheel onafhankelijk van de Belastingdienst plaatsvinden. En de aangenomen motie van Marijnissen en Omtzigt uit mei 2022 moet alsnog worden uitgevoerd: een speciale procedure moet binnen 6 maanden – liefst sneller – duidelijkheid geven over herziening van een besluit tot uithuisplaatsing (of dat nu vrijwillig of gedwongen plaatsvindt maakt daarbij niet uit). De Groningse regio dient daarenboven ruimhartig compensatie te krijgen voor de economische schade en het gebruik als wingewest, conform de eisen van Groningen en Noord-Drenthe. Er komt een Wet herstel Gronings cultuurlandschap naar analogie van voorheen de Wet Stedelijke Vernieuwing. Er komen parlementaire enquêtes naar het bijstandsschandaal en het asielopvangschandaal, en aparte voorstellen voor de slachtoffers van deze schandalen. Er komt aanvullend onderzoek naar de gevolgen van het niet optreden om de risico’s van Q-koorts en onvoldoende bescherming tegen Covid-19, met ook hier aparte procedures voor compensatie. Waar mogelijk worden private partijen (zoals de NAM, geitenboeren, individuele de wet overtredende ambtenaren en bestuurders) aansprakelijk gesteld en strafrechtelijk vervolgd. Er moeten harde lessen geleerd worden, met publieke diepgravende onderzoeken. Met de slachtoffers stellen we ervaringspanels in, zowel ten behoeve van goede en snelle uitvoering, als voor toekomstige verbeteringen. Deze panels kunnen gevraagd en ongevraagd advies geven, ook aan het parlement.</p>
<p>De speciale wetgeving voor uitbraken zoals de covid-19 pandemie dient niet langer te duren dan nodig. In plaats van te sturen op belasting van de zorg en iedere keer dan snel de maatregelen weer te versoepelen, moet er gestuurd worden op zo min mogelijk besmettingen. Ook lichte besmettingen kunnen grote, langdurige gezondheidsproblemen veroorzaken (long-covid-19). Iedereen moet beschermd kunnen meedoen, juist ook degenen met de meeste risico’s (ouderen, chronisch zieken, etc.). Het is schandelijk dat sommigen hen als <em>‘dor hout’</em> kwalificeren wat opgeofferd mag worden vanwege economie en vrijheid voor anderen. Gelukkig is de vaccinatiebereidheid in ons land hoog. Doel moet zijn tenminste 95% van alle inwoners van 12 jaar en ouder gevaccineerd te krijgen, zo nodig met verleiding en zachte drang. Verplichting tot vaccinatie gaat te ver, zeker bij zo’n hoge vaccinatiebereidheid. Maar voordelen en ruimere, makkelijke toegang – bij horeca, evenementen, maar ook bij onderwijsinstellingen en kinderopvang, bij bezoek aan verpleeghuizen, etc. – is aanvaardbaar. Ruimere toegang kan controle impliceren op vaccinatie of een betrouwbare test en bij het ontbreken daarvan geen fysieke toegang (onderwijs dan op afstand). Als zou blijken dat gevaccineerden toch te besmettelijk zijn, dan moeten zij ook getest worden. Vaccinatie moet gratis blijven en laagdrempelig, en dat laatste vraagt extra inzet – ook meertalig – in wijken en groepen die minder vertrouwen hebben in de vaccins. Waar grote risico’s worden gelopen, bijv. in zorg of onderwijs, kunnen extra beschermingsmaatregelen gelden. Goed beschermingsmateriaal (FFP-maskers) wordt in Nederland gefabriceerd, met voldoende voorraad en gratis verstrekt.</p>
<p>Het testen moeten we bij toekomstige uitbraken publiek organiseren, niet meer privaat uitbesteden. De GGD’s krijgen daartoe meer financiële armslag. Ook de callcenters bij het vaccineren en contact- en brononderzoek moeten niet meer uitbesteed worden. Kwaliteit, bescherming privacy, effectiviteit staan voorop. De privatisering van het centraal laboratorium, waar vroeger door de overheid vaccins gemaakt konden worden en testen gecontroleerd konden worden, draaien we terug. Ook het contactonderzoek na besmetting  organiseren we veel beter en publiek. De vrijblijvendheid moet er vanaf, evenals bij de quarantaineregels en de controle bij grensoverschrijding (luchthavens, havens, internationale treinen; bij autoverkeer vooral EU-buitengrenzen plus uit rode gebieden). Bij regionale uitbraak volgen er direct strenge maatregelen in die regio om verdere verspreiding te voorkomen.</p>
<p>We investeren in voldoende apparatuur, beschermingsmateriaal voor zorgverleners en IC-bedden, als ook in long-stayvoorzieningen.</p>
<p>We vervangen de OMT adviesstructuur door een bredere advisering, met het Red-team als voorbeeld. Deze advisering is openbaar. We maken een einde aan informele besluitcircuits, zoals de Catshuisberaden.</p>
<p>We investeren in onderzoek naar Long-Covid, en naar behandelingen daartegen. Long-Covid wordt erkend als ziekte die toegang geeft tot inkomensregelingen bij arbeidsongeschiktheid. Werkenden die Long-Covid hebben opgelopen mede ten gevolge van onvoldoende bescherming op de werkplek krijgen een veel ruimere compensatie.</p>
<p>Bij regionale uitbraken en beperkingen kunnen economische steunmaatregelen ook regionaal verstrekt worden. Belastinguitstel leidt niet tot vrijstelling, maar er worden zo nodig wel ruime afbetalingsregelingen vastgesteld. Er wordt niet meer steun verstrekt aan bedrijven die flexwerkers ontslaan, die bonussen en dividend uitkeren en/of eigen aandelen opkopen (ook niet aan multinationals), die buitensporig hoge topbeloningen blijven verstrekken, en die niet aan duurzaamheidseisen voldoen. Bij grote steun, zoals aan KLM, verkrijgt de Staat meer bezit en zeggenschap.</p>
<p>We versterken het recht op demonstratie door zwaardere eisen te stellen aan een verbod of inperkingen, en we zorgen dat er een eind komt aan de ongelijke behandeling van demonstranten, zoals nu waar klimaatdemonstranten, natuurbeschermers, maar ook bijvoorbeeld <em>Black Lives Matter</em>, veel zwaarder aangepakt worden dan bijv. demonstrerende boeren. Elders in dit programma versterken we ook het stakingsrecht.</p>
<p>Het bedreigen en aanvallen van politici, journalisten en hulpdiensten wordt zwaar bestraft. Demonstraties en protesten bij deze mensen thuis worden verboden, evenals hen hinderen bij hun werk. Het gebruik van zwaar materieel bij demonstraties, zoals tractoren en vrachtwagens, wordt verboden en met directe inbeslagname gehandhaafd. Het lastigvallen van bezoekers en cliënten bij abortusklinieken wordt ook verboden.</p>
<p>De plan- en onderzoeksbureaus van de overheid en het CBS worden wat betreft de wetenschappelijke pluriformiteit en onafhankelijkheid versterkt. Er komt een aparte onafhankelijke Uitvoeringskamer, die vooraf toetst of voorstellen voldoende uitvoerbaar zijn. De Algemene Rekenkamer krijgt de bevoegdheid om geen goedkeurende verklaring te geven. Deze kan worden overruled door een besluit van de gezamenlijke Eerste en Tweede Kamer. Er komen verplicht rekenkamers voor lagere overheden.</p>
<p>We versterken de publieke controle door extra middelen voor onafhankelijke, journalistiek, met als speerpunten voor versterking de lokale, regionale en Europese politiek en onderzoeksjournalistiek. De publieke omroep wordt versterkt met meer digitale mogelijkheden. Reclame op de publieke omroep wordt vervangen door extra bekostiging. De overheid moet scherp gehouden worden door kritische journalistiek. Niet alleen landelijk, maar ook lokaal. We stellen meer subsidies beschikbaar voor (onderzoeks-)journalistiek, we introduceren een beschikbaarheidsbijdrage voor regionale nieuwsvoorzieningen en we verlagen de btw op kranten.</p>
<p>We moeten een betere regeling voor klokkenluiders maken – de definitie van een maatschappelijke misstand moet breder, de drempel om te melden moet omlaag en er moet een ruim fonds zijn om klokkenluiders schadeloos te stellen, waarbij het geld verhaald kan worden op de verantwoordelijken van de misstanden. Ook zzp-ers, stagiairs en vrijwilligers moeten beschermd worden, ook als zij geen vergoeding meer krijgen, en ook getuigen en onderzoekers.</p>
<p>We versterken de democratische rechtsstaat door een substantiële versterking van het recht op openbaarheid, beter dan nu in de Wet op de openbare overheid. We maken het niet tijdig reageren op informatieverzoeken strafbaar, ook voor (politiek) bestuurders. De afwijzingsgronden voor openbaarheid moeten verder worden beperkt, evenals de geheimhoudingstermijnen. Alle rechterlijke uitspraken in kader van de WOO moeten direct gepubliceerd gaan worden. We moeten het niet verstrekken van informatie aan een lid van het parlement beperken tot die gevallen waarin de staatsveiligheid in het geding is, of waarin private belangen van personen of niet-natuurlijke rechtspersonen zo ernstig geschaad worden, dat de publieke belangen bij openbaarmaking aan een volksvertegenwoordiger en dus het recht op democratische controle daar onvermijdelijk voor moet wijken. Daarbij geldt een bewijs- en motiveringsplicht van de regering, die getoetst wordt door een Autoriteit Openbaarheid Bestuur. Deze nieuwe toezichthouder gaat ook toetsen bij beroepen op de WOO, en ook bij lagere overheden.</p>
<p>De positie van de Nationale Ombudsman en van de Kinderombudsman worden ook versterkt. Gemeenten en provincies sluiten zich aan bij een regionale onafhankelijke, bij wet ingestelde Regionale Ombudsman. Burgers krijgen meer rechtsbescherming tegen besluiten van gemeenten, maar procedures worden verkort en er wordt een eind gemaakt aan het eindeloos kunnen doorprocederen. Alle ombudsmannen krijgen het recht de Tweede Kamer te adresseren, waarna die daarover een debat moet houden.</p>
<p>We voeren een Grondwettelijke toetsing in van wetten. De Raad van State wordt daartoe gesplitst in een adviesorgaan van de wetgever en een Constitutioneel Hof. Elders in dit programma hebben we al voorgesteld het aparte bestuursrecht te schrappen en dit bij de gewone rechter, met in laatste instantie de Hoge Raad als hoogste rechter onder te brengen. Dat vergroot enorm de rechtsbescherming van de burger tegenover de overheid. Ook het parlement kan rechtsvragen aan dit Constitutioneel Hof gaan stellen. Daarbij moeten we het ook niet moeilijker maken voor burgers om wetten te toetsen door representativiteitseisen te stellen aan hun organisaties, zoals onlangs door een rechtse meerderheid in de Tweede Kamer aan de regering werd gevraagd. Gelukkig weigert de minister van Rechtsbescherming, Weerwind, deze motie uit te voeren. We gaan nog een stap verder: we willen de eis van representativiteit helemaal wettelijk uitsluiten.</p>
<p>Om Bermudadriehoek van onaantastbaarheid voor strafrechtelijke vervolging van overheden, hun bestuurders en ambtenaren af te schaffen, moeten we naast het invoeren van een toetsingsmogelijkheid van wetten aan de Grondwet, ook de procedure voor ambtsmisdrijven effectief maken en de Pikmeerarresten moeten we via een wetswijziging gedeeltelijk ongedaan maken. De parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen maakte de urgentie van deze wijziging nog recent duidelijk: <em>“Belangengroeperingen zijn ondertussen hard op zoek naar effectieve manieren om invloed uit te oefenen op de Groningse gaswinning. Druk uitoefenen of een moreel appel doen op de oliemaatschappijen (en zelfs op de Staat) haalt niet veel uit. Uiteindelijk vinden zij onverwacht een achilleshiel bij de oliemaatschappijen: het forceren van een rechterlijke beslissing dat het Openbaar Ministerie moet onderzoeken of de NAM strafrechtelijk kan worden vervolgd. Dat blijkt een echte gamechanger.” </em>In het Groningse gasgebouw gaat het om private gasbedrijven. In het kinderopvangtoeslagschandaal heeft de regering jarenlang tenminste 13 wetten overtreden. Daar is helemaal niemand voor vervolgd. Sommige mensen die het slachtoffer waren in het kinderopvangtoeslagschandaal, dat mede kon ontstaan door die langjarige overtreding van wetten, zijn wél veroordeeld. Het is de onrechtvaardigheid ten top, die enorm het cynisme en het wantrouwen tegen de overheid en de politiek voedt.</p>
<p>We hervormen de Algemene Bestuursdienst. We zetten zwaarder in op vakinhoudelijke deskundigheid. We dringen de circulatie op ambtelijke topfuncties terug. En we stellen dwingende beperkingen aan de inzet van consultants bij de overheden, die leiden tot ondermijning van de deskundigheid bij de overheden zelf en tot onnodig hoge beleidskosten. Bij beleids- en uitvoeringsambtenaren wordt ervaringskennis een belangrijk criterium. Zij moeten regelmatig zijn waar hun doelgroep verblijft en daarmee in gesprek zijn. Mensen met zgn. ‘spreidstand’-ervaring (ervaring in de wereld van hoger opgeleiden én in de wereld van de doelgroep krijgen voorkeur.</p>
<p>Kabinetsleden moeten voor hun benoeming ondervraagd gaan worden door de gezamenlijke Staten-Generaal op onder meer deskundigheid en integriteit. Zij behoeven ieder individueel een vertrouwensmeerderheid in de gezamenlijke Staten-Generaal.</p>
<p>De Eerste Kamer blijft bestaan, maar krijgt een terugzendrecht. De Eerste Kamer wordt iedere twee jaar voor de helft opnieuw gekozen door de leden van de Provinciale Staten. Daarmee worden regeringen gedwongen altijd een actuele, ruime meerderheid te vinden in het parlement. De Eerste Kamer is daarbij een politiek orgaan, dat zelf bepaalt hoe men besluit. Er is dus geen beperking tot de kwaliteit van wetgeving en uitvoerbaarheid. Wel kan de dialoog tussen regering en beide Kamers, en de wisselwerking daarbij tussen de Kamers, een kwaliteitsverhogende en draagvlak verbredende effect bevorderen.</p>
<p>Gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen tussentijds door hen zelf of hun bestuur ontbonden worden voor tussentijdse verkiezingen. We voegen de taken en bevoegdheden van de waterschappen bij de provincies. Waterschappen zijn een vreemd element van functioneel bestuur, waardoor integrale beleidsafweging bemoeilijkt wordt, en nog steeds ondemocratisch, door de zgn. geborgde zetels voor onder meer boeren. De goede uitvoering van de taken die nu bij de waterschappen liggen wordt gebord door dit dwingend op te nemen in de Provinciewet en daar een periodieke nationale toetsing op te laten plaatsvinden, met aanwijzingsbevoegdheden van het Rijk. De waterschapsbelasting wordt daarbij eerlijker, en dus minder zwaar voor huishoudens.</p>
<p>De bestuurskracht van kleine gemeenten wordt versterkt met meer geld en met het kunnen aantrekken van hoog genoeg geschoold personeel. Gemeentelijke fusies zijn veel te ver doorgeschoten – efficiency en bestuurskracht wogen zwaarder dan verbondenheid en gevoelde representatie. Initiatieven van onderop voor verkleining van gemeenten moeten we in beginsel gaan steunen, met betere facilitering. Gemeenschappelijke regelingen tussen lagere overheden worden voorzien van een verplichte dualistische structuur zoals in gemeenteraden. De bestuurders en volksvertegenwoordigers in de organen van een gemeenschappelijke regeling worden gekozen door en uit de bestuursorganen die zij vertegenwoordigen.</p>
<p>De burgemeester en de Commissaris van de Koning gaan openbaar gekozen worden door de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten. De kabinetsformateur wordt door de Tweede Kamer benoemd en ontslagen.</p>
<p>De staatsrechtelijke rol van de Koning wordt ook in formele zin beperkt tot representatieve en extern vertegenwoordigende functies. De Grondwet wordt ontdaan van de suggestie dat wetten bij de gratie van een God verkondigd worden. Leden van Koninklijk Huis betalen gewoon belasting en hun inkomen wordt gebracht onder de maximum norm voor topbeloningen in de publieke sector. Van staatsvoorzieningen kan geen gebruik gemaakt worden voor privédoeleinden en paleizen en landgoederen zijn publiek bezit en worden zoveel mogelijk ook voor publiek toegankelijk (en niet beperkt voor privé jacht of wildbeheer). Dat is gewoon normaal en fatsoenlijk . De huidige regelingen zijn bizar onrechtvaardig en suggereert meer macht dan er feitelijk is en/of geoorloofd is bij een erfelijk ambt. Op termijn streven we naar afschaffing van de monarchie, bijv. bij het einde van de ambtstermijn van de huidige Koning.</p>
<p>We zetten in op verdere democratisering van de Europese Unie:</p>
<ul>
<li>Er komt een aparte Europese Senaat met leden gekozen door en uit de leden van de nationale parlementen van de lidstaten. Deze zetelt in Straatsburg.</li>
<li>Het Europees Parlement wordt dan niet langer meer gekozen per lidstaat, maar op Europese lijsten van Europese partijen, en zetelt alleen in Brussel.</li>
<li>Het Europees Parlement kiest de voorzitter van de Europese Commissie, en moet akkoord gaan met de benoeming van de andere leden ervan, waarin niet langer iedere lidstaat vertegenwoordigd is.</li>
<li>De voorzitter van de Europese Raad van ministers moet met instemming van de Europese Senaat gekozen worden.</li>
<li>Het vetorecht wordt drastisch beperkt, meerderheidsbesluitvorming wordt de norm.</li>
<li>De bevoegdheden van Europees Parlement worden uitgebreid.</li>
<li>De controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering wordt versterkt met meer bevoegdheden van de Europese Rekenkamer.</li>
<li>De rechtspositie van de Europarlementariërs wordt gelijk ongeacht de lidstaat waar zij vandaan komen en substantieel versoberd.</li>
<li>Lidstaten die zich niet houden aan de handhaving van mensenrechten en/of de waarden en principes van de democratische rechtsstaat (zoals onafhankelijke rechtspraak en pers, vrijheid van vergadering, meningsuiting en demonstratie, onafhankelijke wetenschap) worden gekort op hun subsidies en, als dat niet helpt, hun stemrecht en vervolgens hun lidmaatschap ontnomen. <strong><br /></strong></li>
</ul>
<p><u>Verbonden in diversiteit, lerend van onze geschiedenis, actief tegen iedere discriminatie</u></p>
<p>We maken ruimhartig excuses voor misstanden uit het verleden zoals de politionele acties in Indonesië, de behandeling van de Zuid-Molukkers daarna in Nederland en de slavernij. Bij de eerste twee horen een ruimhartige financiële tegemoetkoming aan slachtoffers en hun nabestaanden, net als die van Srebrenica. Ten aanzien van de slavernij investeren we extra in de bestrijding van hedendaagse slavernij en in aandacht voor slavernij, racisme en uitbuiting in het onderwijs. We richten een apart Slavernijmuseum op, net als een Mondiaal Geschiedenismuseum. In het onderwijs wordt ook aandacht gegeven aan mondiale geschiedenis (met daarbinnen aandacht voor de Europese en nationale geschiedenis). Keti Koti, de Surinaamse viering van de bevrijding van de slavernij op 1 juli, wordt net als 1 mei, Dag van de Arbeid en 5 mei, Bevrijdingsdag, een Nationale feestdag met betaald verlof.</p>
<p>We bestrijden actief het hedendaags fascisme. De wetgeving tegen fascistische, racistische, discriminatoire en antisemitische uitlatingen wordt verscherpt en de handhaving versterkt. Ook in de politieke arena’s zijn die uitlatingen niet toelaatbaar. Het parlement stelt een eigen onafhankelijke waakhond daarvoor in, die openbaar rapporteert. Er behoort geen tolerantie te zijn tegen antitolerantie.</p>
<p>We maken veel meer werk van strijd tegen discriminatie (incl. racisme, homofobie, islamofobie en antisemitisme), huishoudelijk geweld, besnijdenis van vrouwen, gedwongen huwelijken, kindhuwelijken, eerwraak, mensenhandel, femicide en seksuele intimidatie, waaronder intimidatie op straat. Daartoe investeren we in onderwijs en bewustwordingscampagnes, voeren we een strak handhavingsbeleid in scholen, sport, sociale media en de openbare fysieke ruimte. We investeren ook in meer en betere opsporing, gemakkelijke melding en aangifte en slachtofferhulp. We straffen snel en effectief. De vrijheid van godsdienst, meningsuiting en vereniging worden beperkt door het verbod op discriminatie, het recht op menselijke integriteit en het verbod tot oproepen tot geweld. Institutionele vormen van discriminatie worden met wortel en tak uitgeroeid. Algoritmes moeten daartoe transparant zijn en mensen in publieke dienst, waaronder de politie, worden op staande voet ontslagen bij discriminerende uitlatingen of gedragingen. Een hoofdoek mag geen reden meer zijn om mensen uit te sluiten van beroepen, ook niet bij de politie – het VK bewijst dat dit prima kan zonder de neutraliteit van de politie te schaden. Anderzijds moet drang en dwang voor het dragen van kleding sterk worden bestreden – we dragen dit sterk uit, ook op scholen, en bieden laagdrempelige en veilige hulp aan slachtoffers. Het uitoefenen van die drang of dwang wordt strafbaar. Hoe je je kleedt, bepaal je alleen zelf. Etnisch profileren wordt hard bestreden. Ieder bedrijf en organisatie moet verplicht vertrouwenspersonen aanstellen. We bestrijden actief bemoeienis van landen van herkomst met migranten en mensen van buitenlandse afkomst in ons land (zoals nu vooral uit Turkije, Marokko, Rusland, Eritrea), inclusief bemoeienis (waaronder financiering van) met religieuze instellingen en organisaties alhier.</p>
<p>We bestrijden actief de intimidatie van andersdenkenden, het giftig seksisme en racisme op social en andere media en in de openbare ruimte, en maken dat strafbaar – óók in de politieke arena. Social media bedrijven worden aansprakelijk voor de uitingen op hun platforms.</p>
<p>We verbieden de (neo-)fascistische politieke partijen en media die deze praktijken tot hun handelsmerk maken en stellen bij wet regels aan de interne democratie, transparantie over financiën en respect in woord en gedrag voor de democratische rechtsstaat en de universele mensenrechten. In een Wet op de Politieke Partijen worden hiervoor strikte normen gesteld, evenals in de Mediawet. Dit leidt ertoe dat partijen als FvD en PVV en een omroep als ON niet meer op de huidige manier kunnen blijven bestaan. Daarenboven verscherpen we de regels voor bestuurlijke integriteit in de politiek, de handhaving én de sancties bij overtreding daarvan, ook in de lokale en provinciale politiek.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<h2><a name="_Toc134452000"></a><strong>12.             </strong><strong>Internationale Solidariteit</strong></h2>
<p> </p>
<p><strong><em>Beginsel</em></strong></p>
<p>Internationale solidariteit impliceert verkleining van onrechtvaardige, te grote ongelijkheid tussen volkeren en landen.</p>
<p><strong><em>Doel</em></strong></p>
<p>Nederland is actief in de wereld om onrecht en misstanden, en de gevolgen van rampen te bestrijden en te voorkomen. Dat doen we met eerlijke handel, ontwikkelingssamenwerking, actieve diplomatie en zo nodig, gewapend optreden.</p>
<p>De koopman heeft in het de relatie met andere landen en regimes definitief verloren van de dominee. We zetten in op lange termijn doelen voor vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling, in plaats van korte termijn handel en profijt.</p>
<p>Er is een groot bewustzijn van de kwetsbaarheid van onze democratische rechtsstaat en universele mensenrechten in de wereld. Van naïef militant eenzijdig pacifisme is geen sprake meer. We zijn weerbaar tegen externe bedreigingen.</p>
<p><strong><em>Analyse &amp; Programma</em></strong></p>
<p>We moeten als Nederland en EU veel meer actief zijn in de wereld, zeker in aangrenzende regio’s, om oorlog en vervolging tegen te gaan – met hard en soft power. Armoede, honger, uitbuiting, oorlog, onveiligheid, discriminatie, klimaat- en andere natuurrampen moeten we zoveel mogelijk uitbannen en voorkomen.</p>
<p>We verdubbelen het budget voor ontwikkelingssamenwerking en ontdoen het van vervuilende bestedingen (zoals migratie). We ontkoppelen ontwikkelingssamenwerking van eigen (handels-)belang en zorgen dat de middelen effectief besteed worden, door vooral samen te werken met lokale ngo’s. Handelsverdragen, nieuwe en bestaande, leggen we onder een Eerlijke Handel toets, evenals het industrie- en landbouwbeleid. De huidige CETA- en Mercosur-verdragen kunnen die toets der kritiek niet doorstaan. De mogelijkheden en kansen van arme landen zijn doorslaggevend voor het nieuwe beleid.</p>
<p>Corruptie en mensenrechtenschendingen accepteren we niet – er komt een nieuwe, assertieve diplomatie en buitenlands beleid. Illiberale en autoritaire regimes in Afrika, het Midden-Oosten en elders (buiten de eerder genoemde agressieve staten Rusland, China, Iran, Syrië en Noord-Korea, onder meer Myanmar, Eritrea en Venezuela) zullen we niet meer met fluwelen handschoenen behandelen.</p>
<p>We stellen de apartheidspolitiek van Israël actief aan de kaak, evenals de illegale bezetting en kolonisatie van de Palestijnse gebieden – duurzame vrede vraagt de garantie van een veilig, vreedzaam, democratisch en zeker bestaan van de Israëli’s én Palestijnen met westerse veiligheidsgaranties voor beide partijen. Het geweld van beide kanten moet worden beteugeld. Beide partijen moeten daarbij onder druk worden gesteld, zonder taboes. We werken niet samen met het Israëlische leger zolang dit niet veranderd.</p>
<p>Lidstaten van de EU en NATO die niet de democratische rechtsstaat en universele mensenrechten garanderen (zoals nu met name Hongarije en Turkije, maar ook Polen heeft hier werk te doen), worden uit deze organisaties gezet – desnoods door een nieuw verdrag zonder hen te organiseren. Daarvoor ontvangen ze geen subsidie meer en verliezen ze stemrecht. Op de lange termijn helpt geloofwaardigheid het beste om de universele mensenrechten en het internationaal recht te kunnen blijven handhaven.</p>
<p>Anderzijds zijn alle landen op het Europese subcontinent welkom bij de Europese Unie die de democratische rechtsstaat en alle regels van de Unie onderschrijven en implementeren. Daarbij hoort ruimhartige, maar wel gecontroleerde hulp om hieraan te voldoen. Uiteindelijk moeten alle lidstaten ook de euro invoeren en de Schengen bepalingen implementeren. Dit zorgt voor eenduidig bestuur en normering en helpt bij democratische controle op Europees niveau door het Europees Parlement en het Europees Hof van Justitie.</p>
<p>Ook in de andere handelsrelaties scherpen we het beleid aan: democratische rechtsstaat en mensenrechten gaan boven de koopman. De onderdrukking van rechten van vrouwen en lhbti+ -ers, en van etnische of andere minderheden in een land wordt niet geaccepteerd.</p>
<p>We maken niet weer dezelfde fout als we deden met de Russische Federatie bij China. Zolang de onderdrukking van vrijheid en democratie daar doorgaat, en de dreiging voor agressie – nu vooral naar Taiwan en in de Zuid Chinese Zee – doorgaat, beperken we de toegang van China tot de Europese markten, in het bijzonder bij gevoelige infrastructuur, waaronder universiteiten. We maken ons in de EU zoveel en zo snel mogelijk onafhankelijk van Chinese grondstoffen en goederen.</p>
<p>We financieren vanuit het rijke westen de aanpak van de klimaattransitie en klimaatadaptatie in het zuiden – wij hebben het grootste aandeel in de veroorzaking van de problemen, terwijl de rampzalige gevolgen vooral daar plaatsvinden. Ook zonder VN-verdrag daarover nemen we onze verantwoordelijkheid. We geven daarbij prioriteit aan de armste en meest bedreigde landen (Afrika, Bangla Desh, eilandstaten, etc.). Met zoveel mogelijk landen in Afrika en de Afrikaanse Unie sluiten we een speciaal ontwikkelingspact, waarbij ook de versterking van de democratische rechtsstaat &amp; respect voor de mensenrechten, vrede &amp; veiligheid en bestrijding van corruptie speerpunten zijn. Ook met landen in Zuid- en West-Azië maken we zo’n pact. Daarbij geven we ons ook rekenschap van onze koloniale ereschuld. Maar we maken onze hulp ook afhankelijk van het respecteren van genoemde speerpunten.</p>
<p>We verhogen ook de defensie-uitgaven in EU- en NATO-verband, en treden we ook militair assertiever op om conflicten en ernstige schendingen van mensenrechten en internationaal recht te beëindigen en te voorkomen, met name in de regio’s rondom Europa. We nemen geen eenzijdige stappen voor ontwapening, maar dwingen die tweezijdig af vanuit een positie van kracht.</p>
<p>Met de aanval van de Russische Federatie op Oekraïne zitten we weliswaar niet formeel, maar wel materieel in een oorlogseconomie. Dat vraagt buitengewone bevoegdheden van de overheid. Alles moet uit de kast gehaald worden om de dreiging van de Russische Federatie voor onze vrije wereld te beschermen. Hier is geen compromis mogelijk, alleen een militaire overwinning zal ons tegen genocide, oorlogsmisdaden en verlies van vrijheid, universele mensenrechten en democratische rechtsstaat beschermen. De wapenindustrie moet op volle toeren draaien (7/24) om snel voldoende kracht op te bouwen tegenover de autoritaire en de vrije wereld bedreigende regimes van met name de Russische Federatie, Belarus, Iran, Syrië, China en Noord-Korea. Ook de export van strategische goederen en kennis naar deze en andere totalitaire en/of agressieve landen moet compleet verboden worden – bij twijfel, niet doen, met strakke handhaving en zware straffen op overtreding. Tegelijkertijd leggen we de wapenexport aan strenge, gecontroleerde banden om te voorkomen dat wapens in verkeerde handen komen.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><a href="#_ftnref1" name="_ftn1">[1]</a> <a href="https://www.wetenschappelijkbureaugroenlinks.nl/artikelen/samen-onze-toekomst-handen-nemen">https://www.wetenschappelijkbureaugroenlinks.nl/artikelen/samen-onze-toekomst-handen-nemen</a> en <a href="https://www.wbs.nl/index.php/nieuws/samen-onze-toekomst-handen-nemen">https://www.wbs.nl/index.php/nieuws/samen-onze-toekomst-handen-nemen</a></p>
<p><a href="#_ftnref2" name="_ftn2">[2]</a> <a href="https://www.wetenschappelijkbureaugroenlinks.nl/artikelen/pvdagroenlinks-heeft-een-nog-beter-verhaal-nodig">https://www.wetenschappelijkbureaugroenlinks.nl/artikelen/pvdagroenlinks-heeft-een-nog-beter-verhaal-nodig</a></p>
<p><a href="#_ftnref3" name="_ftn3">[3]</a> Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk de bronnen te vermelden. Waar dat toch niet blijkt te zijn gelukt, mijn oprechte excuses.</p>
<p><a href="#_ftnref4" name="_ftn4">[4]</a> In deze paragraaf is dankbaar gebruik gemaakt van de zeer goede recensie van Jan Overwijk in <em>de Nederlandse Boekengids</em></p>
<p><a href="#_ftnref5" name="_ftn5">[5]</a> Gedoeld wordt op de verplichte tegenprestatie zonder loon door Tilburgse bijstandsontvangers bij de NS-werkplaats in Tilburg, waarbij chroom-6 werd gebruikt zonder adequate bescherming, met het risico op longkanker.</p>
<p><a href="#_ftnref6" name="_ftn6">[6]</a> Lees over de geschiedenis daarvan: Leen Hoffmans, <em>Waar is arbeid gebleven</em>, <em>Honderd jaar sociaaldemocratisch werkgelegenheidsbeleid</em>, Elikser 2017</p>
<p><a href="#_ftnref7" name="_ftn7">[7]</a> Onlangs nog negatief in het nieuws door het verdedigen op de publieke omroep van illegale, vernederende en stigmatiserende controles op ontvangers van bijstand in volkswijken.</p>
<p><a href="#_ftnref8" name="_ftn8">[8]</a> Het rapport <em>Van Waarde</em> formuleerde vier centrale waarden: bestaanszekerheid, goed werk, verheffing en binding. Het belang van zeggenschap van mensen over hun eigen leven kan gezien worden als een vijfde, overkoepelend, thema. De keuze voor deze thema’s waarop de focus moet komen te liggen, was geïnspireerd op thema’s die van oudsher als urgent worden gezien binnen de sociaal-democratie. De opstellers hadden daarnaast ook lang gesproken over de mogelijkheid de veranderde levensloop als thema aan te wijzen. Over de noemer van de laatste twee thema’s (verheffing en binding) was men het overigens niet meteen eens.</p>
<p>Verheffing staat natuurlijk voor het sociaaldemocratische streven naar emancipatie, raakt aan onderwijs, maar heeft ook te maken met doorgeven aan anderen van wat het leven de moeite waard maakt. En iedereen heeft nog wel iets wat hij wil doen of bereiken in zijn leven. De term verheffing werd eigenlijk wat te ouderwets bevonden. ‘<em>Binding’</em> – ook wel ‘<em>verbinding’</em> – was bedoeld als een, ietwat moraliserend, tegenwicht aan individualisering: we hebben altijd elkaar nodig om onze samenleving vorm te geven, maar dat besef lijkt soms weg te zijn. Binding is diffuus, en kan zowel positief zijn (het samen verbeteren van de wijk, voor elkaar zorgen in lichte gemeenschappen als negatief (bijvoorbeeld in beknottende geloofsgemeenschappen). ‘<em>Veiligheid’</em>, ‘<em>duurzaamheid’</em> en ‘<em>integratie’</em> waren eerst benoemd als aparte thema’s, maar werden later onder ‘bestaanszekerheid’ en ‘binding’ geschaard. De groep opstellers (‘<em>De Kompasgroep’</em>) besteedde daarnaast veel aandacht aan maatschappijanalyse en aan het sociaal-democratische mensbeeld: elk van de leden had zijn eigen expertisegebied. Voor de liefhebber: veel bijdragen uit de Kompasgroepbijeenkomsten zijn gebundeld in <em>Tegenwicht. Waarom waarden ertoe doen</em>, dat tegelijk verscheen met het manifest <em>Van Waarde</em>. Op datzelfde moment verscheen ook <em>Vooruit. De verzwegen politiek van het dagelijks leven</em> (Menno Hurenkamp &amp; Monika Sie Dhian Ho), een bundeling van de interviews die voor het onderzoek waren afgenomen.</p>
<p><a href="#_ftnref9" name="_ftn9">[9]</a> <a href="https://www.pvda.nl/den-uyl-lezing/">https://www.pvda.nl/den-uyl-lezing/</a></p>
<p><a href="#_ftnref10" name="_ftn10">[10]</a> Denkers als de Zweed Andreas Malm, de Brit Jason Moore, de Indiër Raj Petel en de Japanner Kohei Saito hebben met boeken als <em>Fossil Capital, Anthropocene or Capitalocene, A History of the World in Seven Cheap Things </em>en <em>Marx in the Anthropocene</em>.</p>
<p><a href="#_ftnref11" name="_ftn11">[11]</a> Ook het beginselprogramma van GL uit 2008 is hoognodig aan bijstelling toe. De huidige ‘<em>uitgangspunten’</em> (<a href="https://bergendal.groenlinks.nl/standpunten/beginselprogramma-en-verkiezingsprogramma">https://bergendal.groenlinks.nl/standpunten/beginselprogramma-en-verkiezingsprogramma</a>) richten zich vooral op een groen en progressief profiel, maar sociaaleconomisch links wordt node gemist. Neem deze stelling over de publieke sector: <em>‘Concurrentie en private initiatieven op deze terreinen zijn wenselijk om de publieke sector kostenbewust en klachtgericht te laten werken.’ </em>Niet voor niets kreeg de toenmalige GL-leider Femke Halsema in die tijd de prijs voor de beste liberaal van de JOVD.</p>
<p><a href="#_ftnref12" name="_ftn12">[12]</a> (Voor veel cijfers, zie <a href="https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83834NED/table?dl=6964E">https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83834NED/table?dl=6964E</a>)</p>
<p><a href="#_ftnref13" name="_ftn13">[13]</a> (zie:  <a href="https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Policy-Brief-Ongelijkheid-en-herverdeling.pdf">https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Policy-Brief-Ongelijkheid-en-herverdeling.pdf</a>)</p>
<p><a href="#_ftnref14" name="_ftn14">[14]</a> In het 2<sup>e</sup> kwartaal 2022 werd een record aan dividend uitgekeerd, nog nooit was het zoveel wereldwijd én in Nederland – in ons land werd omgerekend $ 9,4 miljard in het 2<sup>e</sup> kwartaal 2022 uitgekeerd aan dividend. In Europa werd gecorrigeerd voor valutaeffecten maar liefst 29% meer aan dividend uitgekeerd dan vorig jaar en bij ING was het dividend zelfs vijfmaal hoger dan in 2021.</p>
<p><a href="#_ftnref15" name="_ftn15">[15]</a> Totale uitgaven overheid minus wat daarvan terecht komt bij huishoudens – als salarissen in de publieke sector en via uitkeringen in de sociale zekerheid. Die laatsten zitten al in de 358 miljard voor huishoudens.</p>
<p><a href="#_ftnref16" name="_ftn16">[16]</a> In 2019 keerden Nederlandse bedrijven 210 miljard euro aan dividend uit. Van die 210 miljard kwam 16,7 miljard terecht bij Nederlandse huishoudens en 2,8 miljard bij de overheid, die immers ook aandelen heeft (in bijvoorbeeld Schiphol en KLM). Het grootste deel van de 210 miljard ging naar buitenlandse aandeelhouders (141 miljard). Ook keren bedrijven dividend uit aan elkaar. Bedrijven in Nederland krijgen echter ook dividend uit het buitenland, van hun buitenlandse dochterbedrijven. En aangezien bij de berekening van het nationaal inkomen deze twee bedragen (het dividend naar het buitenland en het dividend uit het buitenland) gesaldeerd worden, stroomt er netto geen inkomen van Nederland naar het buitenland. Daarmee zijn buitenlandse aandeelhouders geen antwoord op de vraag waar de rest van ons nationaal inkomen blijft. Dat er zoveel dividend in en uit Nederland stroomt, heeft veel te maken met brievenbusfirma’s of ‘<em>doorstroombedrijven’</em>, opgericht om via Nederland belasting te ontwijken. Daar valt veel over te zeggen, maar het verklaart niet waar een deel van het nationaal inkomen blijft. Of er in deze tijd van kelderende koopkracht nog ergens geld te vinden is? Ja, dat is er!</p>
<p><a href="#_ftnref17" name="_ftn17">[17]</a> <a href="https://mirjamderijk.nl/2022/09/21/het-gapende-gat-in-onze-portemonnee/">https://mirjamderijk.nl/2022/09/21/het-gapende-gat-in-onze-portemonnee/</a></p>
<p><a href="#_ftnref18" name="_ftn18">[18]</a> Was het in 2019 exact 130 miljard? Vast niet. Al was het maar omdat alle economische maten, dus ook het ‘netto nationaal inkomen’, uitgaan van bepaalde aannames. Maar of het nou iets meer of minder is dan 130 miljard, feit is dat een fors deel van het nationaal inkomen op een versluierde manier bij aandeelhouders terechtkomt. Boven op het dividend dat zij krijgen.</p>
<p><a href="#_ftnref19" name="_ftn19">[19]</a> Op de VEB-website wordt ook uitgelegd waarom aandelenopkoop gunstiger is dan het uitgekeerd krijgen van dividend: over dividend moet belasting worden betaald, over de revenuen van aandeleninkoop niet. Dat aandeelhouders profiteren van zo’n aandeleninkoop komt doordat de beurswaarde erdoor stijgt en de winst voortaan over minder aandelen wordt verdeeld: de winst per aandeel neemt toe. In 2021 besteedden alleen al de AEX-bedrijven 26,9 miljard euro aan de opkoop van eigen aandelen (VEB). Hoe hoog het bedrag is dat alle Nederlandse bedrijven ervoor aanwenden en welk deel van de 130 miljard daarnaar wegvloeit, is niet bekend. Het CBS noch De Nederlandsche Bank, het CPB of de AFM houdt dat bij. In de Verenigde Staten besloot president Joe Biden onlangs om een belasting van één procent in te voeren op de inkoop van eigen aandelen.</p>
<p><a href="#_ftnref20" name="_ftn20">[20]</a> Zie ook: <a href="https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/19/de-rekening-van-rutte/">https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/19/de-rekening-van-rutte/</a> en <a href="https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/17/ing-heeft-gelijk-overheidsbeleid-in-de-periode-2011-2017-kostte-volgens-het-cpb-ongeveer-365-000-banen/">https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/17/ing-heeft-gelijk-overheidsbeleid-in-de-periode-2011-2017-kostte-volgens-het-cpb-ongeveer-365-000-banen/</a></p>
<p><a href="#_ftnref21" name="_ftn21">[21]</a> Denk bijvoorbeeld aan de volgende tarieven:</p>
<p>-tot 130% WML   (bij voorgestelde invoering is dat € 36.504 per jaar)                 15%</p>
<p>-tot modaal (met voorgesteld loonoffensief ca. € 48.000 per jaar)                      25%</p>
<p>-tot 1,5 modaal (met voorgesteld loonoffensief ca. € 72.000 per jaar)                35%</p>
<p>-tot 2 x modaal (met voorgesteld loonoffensief ca. € 96.000 per jaar)                 45%</p>
<p>-tot € 150.000 per jaar                                                                                              60%</p>
<p>-boven € 100.000 per jaar                                                                                         80%</p>
<p><a href="#_ftnref22" name="_ftn22">[22]</a> In 2008 ging de Europese Unie in eerste instantie enigszins gematigd om met die regels, maar al gauw ging Europa (Duitsland en Nederland voorop) er hard in: ondanks de crisis moest en zou er bezuinigd worden. Volgens sommigen vooral om Griekenland een lesje te leren en daarmee een voorbeeld te stellen voor andere zuidelijke landen, volgens anderen uit angst dat financiële instellingen anders moeilijk gingen doen, of gewoon om ideologische redenen: hoe kleiner de overheid, hoe beter. In tijden van crisis biedt een begrotingstekort van drie procent echter geen enkel soelaas. Ter illustratie: eind 2009 had Nederland al een begrotingstekort van ruim vijf procent, terwijl er een jaar ervoor nog een begrotings<em>overschot</em> was. Zo snel kan het gaan. De staatsschuld, in 2008 nog extreem laag (44 procent van het bbp) overschreed in 2011 al de Europese norm.</p>
<p><a href="#_ftnref23" name="_ftn23">[23]</a> deb59d3d-d2e5-40b8-94bb-742ffb735a03.pdf</p>
<p><a href="#_ftnref24" name="_ftn24">[24]</a> Daar zijn nu wel uitzonderingen op: klusjes in en rond het huis (oppassen, auto wassen e.d.), licht niet-industrieel werk (vakkenvullen supermarkt, reclamedrukwerk bezorgen), meehelpen in winkel of landbouwbedrijf van ouders (max. 12 uur per week, max. 2 uur per schooldag), meewerken aan een uitvoering (binnen regels: modeshow, toneel spelen, reclamespot), stage lopen. Er zijn ook duidelijke verboden: werken in een fabriek; werken met of in de omgeving van machines; werken met gevaarlijke en/of giftige stoffen; dingen tillen die zwaarder zijn dan 10 kilo; dingen duwen of trekken van meer dan 20 kilo; achter de kassa werken; vrachtwagens laden of lossen; zelf kranten bezorgen (helpen bij het verspreiden van folders en huis-aan-huisbladen mag wel); werken in de horeca als daar alcohol wordt geserveerd; (sinds kort:) werken als maaltijdbezorger op de fiets of op een e-bike. Voor kinderen jonger dan 13 jaar geldt een bijna compleet werkverbod – alleen bij werkstraffen en onder voorwaarden meewerken aan een uitvoering is toegestaan.</p>
<p><a href="#_ftnref25" name="_ftn25">[25]</a> <a href="https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/33/ruim-220-duizend-mensen-werken-niet-vanwege-zorgtaken">https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/33/ruim-220-duizend-mensen-werken-niet-vanwege-zorgtaken</a></p>
<p><a href="#_ftnref26" name="_ftn26">[26]</a> De term is van de PvdA commissie Melkert, die in november 2013 met haar rapport <em>‘De bakens verzetten – De economie terug naar de mensen’</em> kwam. De commissie stelde de retorische vraag waarom de overheden tijdens de crisis wel de rol van <em>‘banker of last resort’</em> spelen, maar niet de <em>‘employer of last resort’</em>.</p>
<p><a href="#_ftnref27" name="_ftn27">[27]</a> Loondispensatie betekent dat werkgevers een deel van het loon niet hoeven te betalen indien er sprake is van verminderde productiviteit/beschikbaarheid bij een arbeidsbeperking. Voor zover werknemers daardoor onder het sociaal minimum komen ontstaat er voor hen recht op aanvulling uit de bijstand. Maar dat impliceert ook alle voorwaarden uit de huidige Participatiewet (zoals partnertoets, kostendelersnorm, vermogenstoets, etc. Bovendien is de regeling zeer stigmatiserend, betrokkenen worden niet als ‘normale’ werknemers behandeld.</p>
<p><a href="#_ftnref28" name="_ftn28">[28]</a> Dat impliceert dat tenminste dat alle overheidscommunicatie en alle publieke mediakanalen toegankelijk moeten zijn voor mensen met een audio, visuele en/of lichte verstandelijke beperking.</p>
<p><a href="#_ftnref29" name="_ftn29">[29]</a> <a href="https://www.fnv.nl/getmedia/19e375ea-23da-4d7a-a231-c5947fd39826/Factsheet-ET-regeling.pdf">https://www.fnv.nl/getmedia/19e375ea-23da-4d7a-a231-c5947fd39826/Factsheet-ET-regeling.pdf</a></p>
<p><a href="#_ftnref30" name="_ftn30">[30]</a> Atlas voor Gemeenten. (2022). Atlas voor gemeenten 2022 – Wonen – Atlas Research.</p>
<p><a href="#_ftnref31" name="_ftn31">[31]</a> CBS. (2019). Aantal daklozen sinds 2009 meer dan verdubbeld (cbs.nl).</p>
<p><a href="#_ftnref32" name="_ftn32">[32]</a> CBS. (2020). Grootste huurstijging in zes jaar (cbs.nl).</p>
<p><a href="#_ftnref33" name="_ftn33">[33]</a> Voor onderbouwing zie: <a href="https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/kloof-armrijk-en-huurderhuiseigenaar-valt-steeds-meer-samen">https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/kloof-armrijk-en-huurderhuiseigenaar-valt-steeds-meer-samen</a></p>
<p><a href="#_ftnref34" name="_ftn34">[34]</a> <a href="https://esb.nu/kort/20072411/lage-rente-drukte-hypotheekrenteaftrek-maar-aftrek-loopt-nu-weer-op">https://esb.nu/kort/20072411/lage-rente-drukte-hypotheekrenteaftrek-maar-aftrek-loopt-nu-weer-op</a></p>
<p><a href="#_ftnref35" name="_ftn35">[35]</a> Steeds meer mensen geraken in woononzekerheid door de enorme toename van flexhuur. Er zijn steeds meer vormen van onzeker wonen gekomen: bruikleen en antikraak, tijdelijk contract onder de Leegstandswet, huur ‘naar aard van korte duur’, campuscontract, shortstay, hospitaverhuur, tussenhuur en huisbewaring, onderhuur of bewoning zonder contract, tijdelijk contract, jongerencontract (bron: Bond Precaire Woonvormen).</p>
<p><a href="#_ftnref36" name="_ftn36">[36]</a> Marcel Levi, was in zijn column in Medisch Contact glashelder: zorgverzekeraars maken helemaal geen verlies maar creëren alleen maar ‘<em>een cosmetisch negatief resultaat omdat ze elk jaar een enorme voorziening nemen op een mogelijk verlies in het volgende jaar (wat er telkens niet is)’</em>. Voor alle zorgverzekeraars tezamen zouden die voorzieningen optellen tot een bedrag van ruim 1,5 miljard euro per jaar. Daar kun je veel leuke dingen mee doen. Levi baseert zich op de inzichten van Frida van den Maagdenberg, lid van de raad van bestuur van het AMC, waar ze onder meer belast is met financiën en bedrijfsvoering. Zie: <a href="https://www.medischcontact.nl/opinie/blogs-columns/column/dubbele-bodem-1.htm">https://www.medischcontact.nl/opinie/blogs-columns/column/dubbele-bodem-1.htm</a>.</p>
<p>Zo staat het ook in de Marktscan 2016: ‘<em>De zorgverzekeraars hebben de nominale premie in 2014 en 2015 gematigd om zo een deel van de gunstige resultaten terug te geven aan hun verzekerden</em>.’ Frida van den Maagdenberg benadrukt: ‘<em>Hier staat dus dat dit niet ten laste van de reserves kwam, en dat kan ook niet want in een latere paragraaf blijkt dat die juist zijn toegenomen.</em>’ Merkwaardig is daarom dat de NZa in de marktscan van 2017 iets heel anders concludeert: ‘<em>De verzekeraars hebben in 2016 verlies gemaakt op de basisverzekering. Dit komt onder andere doordat verzekeraars de toename in zorguitgaven niet volledig vertalen naar een premiestijging, maar het tekort deels aanvullen vanuit hun financiële reserves. Dit doen ze al enige jaren. Als het kapitaal dicht bij de kapitaaleis komt, zullen zorgverzekeraars de premies moeten verhogen om daarmee de kosten te dekken.’</em> Van den Maagdenberg: ‘<em>Tekorten aanvullen doen ze helemaal niet “al enige jaren” vanuit de reserves. Nogmaals: dat doen ze vanuit de resultaten – dus: vanuit de winst – en dat is toch echt wat anders dan een reserve.’ </em>In een reactie doet de NZa dit af als ‘<em>een kwestie van semantiek’</em>. Van den Maagdenberg kan de gang van zaken niet anders duiden dan dat verzekeraars ‘<em>hun resultaten drukken en dat ze dat framen als het interen op hun reserves. Dat wekt de indruk dat hun solvabiliteit in gevaar kan komen, maar dat is helemaal niet het geval: jaren achtereen nemen ze ten laste van de winst een voorziening op, en dus gaat de solvabiliteit weliswaar minder omhoog, maar niet omlaag!’</em></p>
<p>Over de omvang van deze verplichte reserves staat in de NZa-marktscan 2017 dat de meeste zorgverzekeraars een buffer hanteren van rond de 125 tot 130 procent van de ingevolge Solvency II vereiste kapitaaleis. De NZa concludeert dat ‘in de praktijk nagenoeg alle zorgverzekeringsconcerns voldoen aan de kapitaaleis’. Van den Maagdenberg: ‘<em>In de marktscan 2017 staat precies om wat voor bedragen het hierbij gaat: de kapitaalseis bedraagt bijna 7 miljard, de daadwerkelijke reserves bedragen bijna 11 miljard. Dat is ongeveer 4 miljard boven de minimumeis en 2 miljard boven de door de verzekeraars zelf vastgestelde buffers. In 2016 was de solvabiliteit 155 procent. Sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet zijn er geen verliezen geleden, maar zijn de reserves met zo’n 3 miljard gestegen.’</em> Zorgeconomen (vreselijk woord) en de zorgverzekeraars stellen dat het verstandig is om een ruime buffer te houden, om te voorkomen dat premies veel fluctueren. Van den Maagdenberg nuanceert dat beeld: ‘<em>Let op: die solvabiliteit van 155 procent is “een gewogen gemiddelde”!</em> <em>Het argument dat sommige verzekeraars minder financiële ruimte hebben, verliest daarmee aan kracht. Dat zou immers betekenen dat andere verzekeraars nog meer ruimte hebben om de premie te verlagen. Er is 4 miljard euro ruimte om de premies te verlagen als je uitgaat van de minimumnorm, en 2 miljard ruimte als je uitgaat van de door de zorgverzekeraars zelf gehanteerde buffers – dat is veel geld.’</em></p>
<p><a href="#_ftnref37" name="_ftn37">[37]</a> Zorgverzekeraars zijn slechts mondjesmaat bereid tot het verstrekken van voorschotten of gebruiken dit zelfs als breekijzer in onderhandelingen met ziekenhuizen. Het geld dat ziekenhuizen en andere zorginstellingen in de tussentijd nodig hebben, lenen ze in de regel bij de bank. En omdat we zo nodig in een marktstelsel moeten opereren komen daar tegenwoordig de volledige financieringskosten van huisvesting, verbouwing en investering ook nog eens bij. Voor een gemiddeld ziekenhuis lopen de rentelasten dan al snel op tot enkele miljoenen euro’s per jaar. Doordat de overheid zich daarnaast steeds verder terugtrekt worden de eisen qua solvabiliteit en financieringsratio’s voor instellingen steeds hoger. In de afgelopen tien jaar is de solvabiliteit toegenomen van gemiddeld 8% tot 20%. Daarmee hebben de gezamenlijke zorginstellingen een kleine € 12 miljard op de bank staan dat niets staat te doen in tijden van krapte en bezuinigingen.</p>
<p><a href="#_ftnref38" name="_ftn38">[38]</a> <a href="https://www.groene.nl/artikel/binnenlopen-met-bejaarden-2023-04-05">https://www.groene.nl/artikel/binnenlopen-met-bejaarden-2023-04-05</a></p>
<p><a href="#_ftnref39" name="_ftn39">[39]</a> <a href="https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/politiek/artikel/5353790/wordt-code-zwart-kabinet-van-ooijen-jeugdzorg-als-we-nu-niets-doen">https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/politiek/artikel/5353790/wordt-code-zwart-kabinet-van-ooijen-jeugdzorg-als-we-nu-niets-doen</a></p>
<p><a href="#_ftnref40" name="_ftn40">[40]</a> <a href="https://metadossierjeugd.nvrr.nl/">https://metadossierjeugd.nvrr.nl/</a></p>
<p><a href="#_ftnref41" name="_ftn41">[41]</a> <a href="https://nos.nl/artikel/2413540-onderzoek-meeste-jongeren-komen-beschadigd-uit-gesloten-jeugdzorg">https://nos.nl/artikel/2413540-onderzoek-meeste-jongeren-komen-beschadigd-uit-gesloten-jeugdzorg</a></p>
<p><a href="#_ftnref42" name="_ftn42">[42]</a> Raad voor Volksgezondheid &amp; Samenleving, Gezichten van een onzeker bestaan, Den Haag, 2021.</p>
<p><a href="#_ftnref43" name="_ftn43">[43]</a> <a href="https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/03/07/eigentijdse-ongelijkheid">https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/03/07/eigentijdse-ongelijkheid</a></p>
<p><a href="#_ftnref44" name="_ftn44">[44]</a> <a href="https://jacobin.nl/scp-rapport-kapitaal-klasse/">https://jacobin.nl/scp-rapport-kapitaal-klasse/</a></p>
<p><a href="#_ftnref45" name="_ftn45">[45]</a> <a href="https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2014/12/12/verschil-in-nederland-2014">https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2014/12/12/verschil-in-nederland-2014</a></p>
<p><a href="#_ftnref46" name="_ftn46">[46]</a> <a href="https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/11/meeste-mensen-ontstijgen-armoederisico-van-hun-ouders">https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/11/meeste-mensen-ontstijgen-armoederisico-van-hun-ouders</a></p>
<p><a href="#_ftnref47" name="_ftn47">[47]</a> <a href="https://www.onderwijsraad.nl/publicaties/adviezen/2020/06/23/steeds-inclusiever">https://www.onderwijsraad.nl/publicaties/adviezen/2020/06/23/steeds-inclusiever</a></p>
<p><a href="#_ftnref48" name="_ftn48">[48]</a> Bron: <em>Het tienerbrein</em>, van hoogleraar in de neuropsychologie aan de VU Jelle Jolles, november 2016.</p>
<p><a href="#_ftnref49" name="_ftn49">[49]</a> <a href="https://www.ipcc.ch/report/sixth-assessment-report-cycle/">https://www.ipcc.ch/report/sixth-assessment-report-cycle/</a></p>
<p><a href="#_ftnref50" name="_ftn50">[50]</a> <a href="https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8a1597dba8caf5a78d9d3f61081602200722b66f/pdf">https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8a1597dba8caf5a78d9d3f61081602200722b66f/pdf</a></p>
<p><a href="#_ftnref51" name="_ftn51">[51]</a> <a href="https://www.greenpeace.org/static/planet4-netherlands-stateless/2018/06/Biomassa-als-grondstof-of-als_brandstof.pdf">https://www.greenpeace.org/static/planet4-netherlands-stateless/2018/06/Biomassa-als-grondstof-of-als_brandstof.pdf</a></p>
<p><a href="#_ftnref52" name="_ftn52">[52]</a> <a href="https://www.somo.nl/nl/wood-pellet-damage/">https://www.somo.nl/nl/wood-pellet-damage/</a></p>
<p><a href="#_ftnref53" name="_ftn53">[53]</a> <a href="https://www.groene.nl/artikel/de-danse-macabre-van-industrie-en-overheid">De danse macabre van industrie en overheid – De Groene Amsterdammer</a>, Luuk Sengers en Evert de Vos, 12 april 2023</p>
<p><a href="#_ftnref54" name="_ftn54">[54]</a> Zie voor de grafiek het artikel in De Groene in noot 41</p>
<p><a href="#_ftnref55" name="_ftn55">[55]</a> <a href="https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/belastingvoordelen-voor-fossiele-brandstoffen-nog-veel-groter">https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/belastingvoordelen-voor-fossiele-brandstoffen-nog-veel-groter</a></p>
<p><a href="#_ftnref56" name="_ftn56">[56]</a> <a href="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/09/14/kamerbrief-over-financiele-prikkels-voor-fossiele-brandstoffen-in-nederland">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/09/14/kamerbrief-over-financiele-prikkels-voor-fossiele-brandstoffen-in-nederland</a></p>
<p><a href="#_ftnref57" name="_ftn57">[57]</a> <a href="https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/subsidie-voor-fossiele-brandstoffen-ongekend-groot">https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/subsidie-voor-fossiele-brandstoffen-ongekend-groot</a></p>
<p><a href="#_ftnref58" name="_ftn58">[58]</a> <a href="https://www.change.inc/agri-food/vollenbroek-waarschuwt-door-bbb-beleid-100-miljard-schade-en-land-tien-jaar-op-slot-2-39747">Vollenbroek waarschuwt: door BBB-beleid 100 miljard schade en land tien jaar op slot | Change Inc.</a></p>
<p><a href="#_ftnref59" name="_ftn59">[59]</a> AMVB = Algemene Maatregel van Bestuur – een wettelijke regeling die door de regering zonder instemming met het parlement kan worden vastgesteld, indien een formele wet de regering daartoe precies omschreven de mogelijkheid toe geeft. Soms is daarbij wel vooraf een voorafgaande informatieplicht aan het parlement vereist (als de wet in formele zin dat expliciet voorschrijft), de zogenoemde ‘<em>voorhangprocedure</em>’. Het parlement kan er dan vooraf wel over debatteren met de regering en desgewenst moties over indienen.</p>
<p><a href="#_ftnref60" name="_ftn60">[60]</a> <a href="https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/">https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/</a> , gebaseerd op: <a href="https://www.wur.nl/nl/dossiers/dossier/nederland-in-2120.htm">https://www.wur.nl/nl/dossiers/dossier/nederland-in-2120.htm</a></p>
<p><a href="#_ftnref61" name="_ftn61">[61]</a> <a href="https://nos.nl/nieuwsuur/collectie/13917/artikel/2451244-dit-zijn-de-gevolgen-voor-nederland-als-de-zee-2-of-5-meter-stijgt">https://nos.nl/nieuwsuur/collectie/13917/artikel/2451244-dit-zijn-de-gevolgen-voor-nederland-als-de-zee-2-of-5-meter-stijgt</a></p>
<p><a href="#_ftnref62" name="_ftn62">[62]</a> <a href="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/04/13/rapport-ovv-industrie-en-omwonenden">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/04/13/rapport-ovv-industrie-en-omwonenden</a></p>
<p><a href="#_ftnref63" name="_ftn63">[63]</a> Met ‘Loosely coupled’ wordt de notie aangemerkt die het innovatief vermogen van een systeem koppelt aan de mogelijkheid onderdelen te vervangen of toe te voegen zonder dat het hele systeem instabiel wordt. Ook te operationaliseren in termen van regelgeving die burgers en bedrijven duidelijkheid geeft hoe ze zelf creatief kunnen zijn, minder dan dat de regelgeving het gebruiken van specifieke technologische toepassingen voorschrijft. Dus geen beleid gericht op stimulering van ‘warmtepompen’ maar liever sturen op optimalisatie van het achterliggende doel (radicale CO₂ reductie).</p>
<p><a href="#_ftnref64" name="_ftn64">[64]</a> <a href="https://www.eerlijkovervliegen.nl/schiphol-kan-naar-250-000-vluchten-krimpen-zonder-verlies-van-bereikbaarheid/">https://www.eerlijkovervliegen.nl/schiphol-kan-naar-250-000-vluchten-krimpen-zonder-verlies-van-bereikbaarheid/</a></p>
<p><a href="#_ftnref65" name="_ftn65">[65]</a> Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Deze zijn potentieel kankerverwekkend.</p>
<p><a href="#_ftnref66" name="_ftn66">[66]</a> <a href="https://zeroemissionservices.nl">https://zeroemissionservices.nl</a></p>
<p><a href="#_ftnref67" name="_ftn67">[67]</a> <a href="https://windenergie-nieuws.nl/18/bureau-veritas-geeft-principiele-goedkeuring-voor-deels-op-wind-voortgestuwd-containerschip/">https://windenergie-nieuws.nl/18/bureau-veritas-geeft-principiele-goedkeuring-voor-deels-op-wind-voortgestuwd-containerschip/</a></p>
<p><a href="#_ftnref68" name="_ftn68">[68]</a> <a href="https://www.unhcr.org/62a264e17/2021-global-trends-report">https://www.unhcr.org/62a264e17/2021-global-trends-report</a></p>
<p><a href="#_ftnref69" name="_ftn69">[69]</a> <a href="https://verblijfblog.nl/het-nederlandse-uitnodigingsbeleid-weer-teruggeschroefd/">https://verblijfblog.nl/het-nederlandse-uitnodigingsbeleid-weer-teruggeschroefd/</a></p>
<p><a href="#_ftnref70" name="_ftn70">[70]</a> Jesse Frederik verhaalde hierover in zijn roemruchte Den Uyllezing in december 2017. Hij kreeg een staande ovatie, maar de lessen zijn nog steeds onvoldoende geleerd. <a href="https://decorrespondent.nl/7731/lees-en-luister-waarom-ik-me-een-sociaaldemocraat-voel-maar-nooit-pvda-heb-gestemd/1f8bb788-244b-041e-35ed-b5913d7df86d">https://decorrespondent.nl/7731/lees-en-luister-waarom-ik-me-een-sociaaldemocraat-voel-maar-nooit-pvda-heb-gestemd/1f8bb788-244b-041e-35ed-b5913d7df86d</a></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Moties voor PvdA congres 4 februari 2023</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2022/11/16/moties-voor-pvda-congres-4-februari-2023/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 16 Nov 2022 14:14:30 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1454</guid>

					<description><![CDATA[Extra geld en beter systeem voor leerlingenvervoer speciaal onderwijs   Overwegende dat: De actie van de LBVSO aantoont dat er schrijnende misstanden zijn bij het&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p><strong>Extra geld en beter systeem voor leerlingenvervoer speciaal onderwijs</strong></p>
<p> </p>
<p>Overwegende dat:<br /><br /></p>
<p>De actie van de LBVSO aantoont dat er schrijnende misstanden zijn bij het leerlingenvervoer voor het speciaal onderwijs,</p>
<p>Dat hun eisen, te weten:</p>
<p>* Op korte termijn inzet van WMO-vervoer op schoolspitsuren, extra inhuur van particuliere taxi&#8217;s en bedrijven door gemeenten, inhuur van zzp-ers, een efficiëntere indeling van busjes;</p>
<p>* Op iets langere termijn een ander systeem dan de huidige decentralisatie en aanbesteding, begeleiders weer terug als norm in de busjes, meer vaste chauffeurs die de kinderen kennen, en een kortere reistijd voor deze kinderen;</p>
<p>onze volle ondersteuning verdienen</p>
<p>Verzoekt:</p>
<p>Ons Tweede Kamerfractie om samen met het CLB te kijken hoe ze de inwilliging van deze eisen urgent kunnen bevorderen, en daarover binnen een half jaar te rapporteren aan de Ledenraad of het Congres,</p>
<p>En gaat over tot de orde van de dag.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Rapport Ledendemocratie</strong></p>
<p> </p>
<p>Overwegende dat:<br /><br /></p>
<p>Het rapport ledendemocratie van de permanente werkgroep ledendemocratie nog steeds niet met de leden is besproken,</p>
<p>Draagt het partijbestuur op per direct een breed debat over het rapport ledendemocratie onder de leden te organiseren, waarbij een duidelijke procesgang met besluitvorming in het congres uiterlijk 1e helft 2023 wordt gepresenteerd,</p>
<p>En gaat over tot de orde van de dag</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Afkeuring gesloten Integraal Zorgakkoord</strong></p>
<p> </p>
<p>Overwegende dat:<br /><br /></p>
<p>Rutte IV met een aantal organisaties in de zorg een Integraal Zorgakkoord heeft afgesloten,</p>
<p>Terecht huisartsen en werknemersorganisaties, waaronder FNV Zorg &amp; Welzijn, dit akkoord niet hebben ondertekend,</p>
<p>Het akkoord onder meer voorziet in een beperking van het basispakket, terwijl dat juist moet worden uitgebreid (mondzorg, paramedisch, voorbehoedsmiddelen,</p>
<p>Het akkoord niet voorziet in een duurzaam betere financiering van de zorg, door bijv. marktwerking af te schaffen bij verzekeraars en zorgaanbieders, iedereen in loondienst te plaatsen, de farmaceutische industrie reguleren en echte inzet op preventie (niet met accent op leefstijl, maar bijv. op bestrijding vervuiling, zoönoses, gevaarlijke situaties, e.d.),</p>
<p>Het akkoord ook niet voorziet in een duurzaam beter perspectief op voldoende werkers in de zorg, m.n. door onvoldoende beloning en te weinig regelruimte/overmatige verantwoordingsbureaucratie, </p>
<p>Toegewerkt zou moeten worden naar een publiek zorgstelsel dat volledig collectief (via belastingen) ipv individueel (met premies, eigen risico, eigen bijdragen) wordt gefinancierd met een strenge maar rechtvaardige poortwachter voor duurdere zorg,</p>
<p>Verzoekt:</p>
<p>Verzoekt onze Tweede Kamerfractie geen steun te geven aan dit akkoord en actief tezamen met de critici in de zorg en andere linkse partijen te werken aan een alternatief;</p>
<p>En gaat over tot de orde van de dag</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Verbetering Wet Toekomst Pensioenen</strong></p>
<p>Het congres van de PvdA, bijeen te Den Bosch op 4 februari 2023,</p>
<p>Overwegende dat:</p>
<p>Dat de PvdA ingestemd heeft met het door sociale partners gesloten pensioenakkoord,</p>
<p>Dat de uitwerking van dat akkoord in het voorstel van Wet Toekomst Pensioenen terecht vooralsnog door onze Tweede Kamerfractie als onvoldoende beoordeeld is, ;</p>
<p>Verzoekt onze Eerste Kamerfractie om:</p>
<p>* de &#8216;persoonlijke pensioenpotjes&#8217; en afschaffing doorsneepremie zo mogelijk uit wetsvoorstel te halen (een pensioenplicht voor alle werkenden regelt de intergenerationele solidariteit veel beter en de beoogde transparantie wordt in dit wetsvoorstel niet bereikt),</p>
<p>* en tenminste eerlijk &#8216;invaren&#8217; van opgebouwde pensioenaanspraken (d.w.z.: zonder afbreuk van die rechten) te garanderen met individueel beroepsrecht van deelnemers bij de rechter;</p>
<p>Verzoekt onze Eerste Kamerfractie om alleen met het wetsvoorstel in te stemmen:</p>
<p>* als niet alle werkenden in loondienst plus alle zzp-ers vanaf hun eerste werkdag vanaf 18 jaar gaan meedoen in een collectief aanvullend pensioen;</p>
<p>* als er geen regeling komt die de AOW-leeftijd eerder laat ingaan voor mensen die al tenminste 45 jaar hebben gewerkt in loondienst en voor mensen die een bepaalde, bij CAO vast te stellen minimumduur werken in beroepen waar statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerdere arbeidsongeschiktheid is. De kosten van deze regeling voor een vroegere pensioenleeftijd verhalen we door een lagere vrijstelling (franchise) in de werkgeverslasten bij deze beroepen – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te we verbeteren de inkomenspositie van gepensioneerden en maken de regeling van de pensioenleeftijd eerlijker;</p>
<p>* indien de huidige boetevrijstelling bij eerdere pensionering niet wordt verhoogd en structureel gemaakt. Toeslagen voor werknemers die zwaar of onregelmatig werk verrichten moeten worden vrijgesteld van belasting indien ze gebruikt worden voor extra pensioenopbouw;</p>
<p>* als vooruitlopend op de invoering niet eerder de indexering wordt aangepast en er een betere regeling komt die meer recht doet aan het perspectief van een beter indexeringsregime conform het Pensioenakkoord;</p>
<p>* indien het vermogensbeheer van pensioenfonds niet weer gereguleerd wordt opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn. Producten met een te hoog risicoprofiel worden daarbij uitgesloten en verboden. Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler. Met het huidige pensioenvermogen en de huidige premies is een rendement van 2,5% boven op de inflatie al genoeg om de toekomstige pensioenen te garanderen, inclusief indexatie, de vergrijzing en hogere leeftijdsverwachting. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Pensioenfondsen moeten breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. Het is ook in het belang van de deelnemers van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie. We maken van onze pensioenfondsen weer gewoon publieke investeerders. Dat scheelt ook in de nu extreem hoge beheerskosten. De inkomens bij pensioenfondsen en hun uitvoeringsorganisaties gaan vallen onder de Wet Normering Topinkomens.</p>
<p>Verzoekt het partijbestuur samen met onze Eerste en Tweede Kamerfracties een ledendebat te organiseren over de uitwerking van het bovenstaande; ;</p>
<p>En gaat over tot de orde van de dag.</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Herinvoering wettelijke automatische prijscompensatie</strong></p>
<p> <br /><br /></p>
<p>Overwegende dat:<br /><br /></p>
<p>De loonontwikkeling de afgelopen decennia ver achter gebleven is bij de groei van de economie en de winst, en dat die ontwikkeling nog steeds doorzet en tot onrechtvaardige, schadelijke en gevaarlijke ongelijkheid leidt,</p>
<p>De loonontwikkeling bij de huidige inflatie nu ook sterk achter blijft bij de lasten van huishoudens,</p>
<p>De FNV daarom terecht eist dat de wettelijke automatische prijscompensatie in ere wordt hersteld,</p>
<p>Er geen angst behoeft te zijn voor een loon-prijsspiraal nu de werkloosheid structureel laag is, de economie nog steeds groeit, met een schadelijke stijgende winst-prijsspiraal, </p>
<p>Verzoekt:</p>
<p>Verzoekt onze Tweede Kamerfractie alles te doen wat nodig is om de wettelijke automatische prijscompensatie te herstellen,</p>
<p>En gaat over tot de orde van de dag</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Schuldenoffensief</strong></p>
<p>Overwegende dat:<br /><br /></p>
<p>deze zomer al 600.000 huishoudens problematische schulden hebben (schulden die niet meer op eigen kracht kunnen worden opgelost) en dat dat aantal door de huidige inflatie, stijgende lasten en achterblijvende inkomens dreigt te exploderen,</p>
<p>de aanpak van Rutte IV volstrekt onvoldoende is,</p>
<p>dat de schuldenindustrie welig tiert en veel geld verdient, terwijl schuldenaars onvoldoende worden geholpen,</p>
<p>dat meer risico bij kredietverleners leggen één van de instrumenten is om problematische schulden te beperken,</p>
<p>dat de positie van schuldenaars moet worden verbeterd,</p>
<p>Verzoekt:</p>
<p>onze Tweede Kamerfractie het initiatief te nemen tot aanvullende wetgeving voor een schuldenoffensief met daarin onder meer:<br />* wijziging van Faillissementswetgeving waarbij door de rechter bij persoonlijk faillissement geen claim meer op toekomstig inkomen wordt toegewezen behoudens bij herhaaldelijk misbruik hiervan en waarbij de rechter indien er risico bestaat op herhaling maatschappelijke begeleiding als voorwaarde kan opleggen;<br />* er een wettelijk verbod komt tegen het commercieel verhandelen van schulden van huishoudens, de rente bij schulden beperkt wordt tot maximaal 2% boven de wettelijke rente en incassokosten niet meer mogen bedragen dan 25 euro bovenop de aantoonbaar gemaakte noodzakelijke kosten voor incasso;<br />* bewindvoerders moeten in dienst komen van gemeenten (geen privaat verdienmodel meer) en dienen naast de belangen van de schuldeisers ook het weer perspectief krijgen van de schuldenaar op een duurzaam schuldenvrij bestaan als opdracht te krijgen;<br />* er bij betaalachterstanden van tenminste huur, energie, water en zorgverzekering er een wettelijk meldingsplicht is voor de schuldeiser bij de gemeente die daar dan verplicht schuldhulpverlening aanbiedt, waarna bij aanvaarding van die hulp direct een verbod op uitzetting/afsluiting/opzegging geldt en een schuldenmoratorium voor alle schuldeisers;<br />* het leefgeld bij schuldsanering wordt verhoogd tot tenminste een niveau waarbij de noodzakelijke vaste lasten en andere noodzakelijke kosten daarvan betaald kunnen worden;<br />* er een wettelijk toegangsrecht komt tot schuldhulpverlening en -sanering, met goede rechtsbescherming en monitoring van resultaten en termijnen;<br />* bij niet-nakoming van verplichtingen door de schuldenaar er geen uitzetting meer volgt uit de hulpverlening of sanering, maar juist verlenging van de termijn;<br />* er een eenmalig wettelijk schuldenpardon komt voor iedereen die al langdurig in problematische schulden zit,</p>
<p>En gaat over tot de orde van de dag</p>
<p> </p>
<p> </p>
<p><strong>Motie debat vrijhandelsverdragen nav CETA-verdrag</strong></p>
<p>Overwegende dat:<br /><br /></p>
<p>Overwegende dat de wijzigingen die in het CETA verdrag door Rutte IV zijn aangebracht onvoldoende zijn om terug te komen van de eerdere afwijzing van dit verdrag door de fractie van de Tweede Kamer,</p>
<p>Overwegende dat dit oordeel gedeeld wordt door bijna alle ngo’s van FNV, de volledige milieubeweging tot en met de Consumentenbond, en door de volledige progressief-linkse oppositie, inclusief de beoogde fusiepartner in de komende periode in de Eerste Kamer, GroenLinks,</p>
<p>Overwegende dat onze Eerste Kamerfractie met hun voorstem in de Eerste Kamer CETA aan een meerderheid hebben geholpen,</p>
<p>Verzoekt het partijbestuur in onze partij, liefst samen met GL, de FNV en ngo’s, een debat te organiseren over het sluiten van handelsverdragen gericht op duurzame en eerlijke handel,</p>
<p>En gaat over tot de orde van de dag.</p>
<p> </p>
<p><strong>Motie eisen aan politieke partijen</strong></p>
<p>Het congres van de PvdA, bijeen te Den Bosch op 4 februari 2023,</p>
<p>Constaterende dat:</p>
<ul>
<li>politieke partijen de kern vormen van ons democratisch bestel</li>
<li>kabinet als vervolg op de Staatscommissie met een Wet op de Politieke Partijen wil komen</li>
</ul>
<p> </p>
<p>Overwegende dat:</p>
<p>-ondemocratische en (neo)fascistische partijen die de rechtsstaat niet respecteren een bedreiging vormen voor onze democratie</p>
<p>-dat D66 aangekondigd heeft met een verbodsmogelijkheid wil komen voor zulke partijen</p>
<p>-dat de eisen aan transparantie over financiële beïnvloeding van politieke partijen door buitenlandse mogendheden en commerciële bedrijven nu onvoldoende effectief zijn, en dat die onder meer effectieve sancties vereisen.</p>
<p>-dat er ten onrechte geen eisen zijn aan interne democratie van politieke partijen, en dat minimaal voldaan moet worden aan de eisen daarover zoals die gelden bij verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid,</p>
<p> </p>
<p>Roept de Tweede Kamerfractie op:</p>
<p>initiatieven te nemen c.q. te ondersteunen die zo snel mogelijk:</p>
<ul>
<li>een verbodsmogelijkheid geven aan ondemocratische en (neo)fascistische partijen die onze rechtsstaat niet respecteren en/of die bedreigen;</li>
<li>scherpere eisen stelt aan de financiële transparantie bij politieke partijen met een verscherpte handhaving en effectieve sanctionering;</li>
<li>minimumeisen stelt aan de interne ledendemocratie bij politieke partijen, tenminste vergelijkbaar bij die bij verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid;</li>
</ul>
<p>En gaat over tot de orde van de dag.</p>
<p> </p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Wet Toekomst Pensioenen, beter niet doen op deze manier</title>
		<link>https://gerardbosman.com/2022/11/16/wet-toekomst-pensioenen-beter-niet-doen-op-deze-manier/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Beheerder]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 16 Nov 2022 13:50:21 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Geen categorie]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://gerardbosman.com/?p=1451</guid>

					<description><![CDATA[In 2019 hebben kabinet Rutte III en sociale partners een akkoord gesloten over herziening van het pensioenstelsel, waarover we al decennia bakkeleien. Een kijkje in&#8230;]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p>In 2019 hebben kabinet Rutte III en sociale partners een akkoord gesloten over herziening van het pensioenstelsel, waarover we al decennia bakkeleien. Een kijkje in de voorgeschiedenis van ons pensioenstelsel kun je nemen via: <a href="https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/longread-hoe-pensioenfondsen-lijnrecht-tegenover-de-toezichthouder-kwamen-te-staan">https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/longread-hoe-pensioenfondsen-lijnrecht-tegenover-de-toezichthouder-kwamen-te-staan</a>.</p>
<p>Voor de FNV was en is dit akkoord een beladen dossier. Nog in 2019 organiseerde de FNV twee stakingsdagen met protestmanifestaties voor een beter pensioenstelsel. De meerderheid van de achterban steunde het akkoord, waar de huidige FNV-voorzitter, oud-SP-senator Tuur Elzinga, zich persoonlijk voor had ingezet. Niettemin was 76% voor en 23% van de leden tegen, met name gepensioneerden waren tegen. In het ledenparlement van de FNV was de stemverhouding 64 stemmen voor en 40 tegen. Eerder dit jaar werd de voorzitter van het FNV Senioren geroyeerd als FNV-lid. Veel kaderleden van FNV Senioren voeren nog steeds actie tegen het akkoord, er is veel woede en frustratie. Veel gepensioneerden hebben hun lidmaatschap opgezegd.<a href="#_ftn1" name="_ftnref1">[1]</a></p>
<p>Ook binnen de PvdA is het Ouderen Netwerk PvdA tegen, zie: <a href="https://ouderennetwerk.pvda.nl/nieuws/ouderen-netwerk-pvda-stelt-wijzigingen-voor-in-ontwerp-wet-toekomst-pensioenen/">https://ouderennetwerk.pvda.nl/nieuws/ouderen-netwerk-pvda-stelt-wijzigingen-voor-in-ontwerp-wet-toekomst-pensioenen/</a>. Het pensioenakkoord werd politiek behalve door de coalitiepartijen van Rutte III en IV ook gesteund door PvdA en GL. De rest van de oppositie is grotendeels tegen, waarbij met name SP en 50Plus (in de Eerste Kamer) de leiding nemen van het verzet.</p>
<p><strong>Uitstel of afstel</strong></p>
<p>Dit voorjaar werd door het kabinet de uitwerking van het pensioenakkoord in een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend, de Wet Toekomst Pensioenen. Om in de Eerste Kamer een meerderheid te krijgen hiervoor is de steun van tenminste of GL, of PvdA nodig. In de Tweede Kamer treden deze fracties gezamenlijk op m.b.t. dit wetsvoorstel. De inzet van het kabinet om de wet per 1 januari 2023 in te voeren, is onlangs verlaten. De Tweede Kamer wil voor de behandeling meer tijd nemen. Inmiddels zijn er al wel meerdere debatten aan besteed en wordt er gekoerst op invoering per 1 juli 2023.</p>
<p>De Tweede Kamer gaat na indringende verzoeken van m.n. onafhankelijk TK-lid Omtzigt – die 1,5 uur sprak in zijn eerste termijn over het wetsvoorstel (zonder enige interruptie van de coalitie) – nu eerst een artikelsgewijze behandeling doen, waarschijnlijk in de week van 28 november, alvorens de tweede termijn zal plaatsvinden (met eventuele indiening van moties) en de stemmingen gehouden worden. Het lijkt erop dat de Eerste Kamer dan na het Kerstreces met de behandeling zal aanvangen.</p>
<p>De vraag is hoe snel die behandeling zal gaan. Op 30 mei 2023 kiezen de leden van Provinciale Staten (plus een kiescollege voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius) een nieuwe Eerste Kamer, dus op 23 mei is de laatste vergaderdag van de huidige Eerste Kamer. Als de peilingen niet zeer veranderen dan zal na de verkiezingen er geen meerderheid meer zijn voor het wetsvoorstel. Behoudens GL en PvdA, en de SGP, zijn alle andere partijen zeer tegen dit wetsvoorstel, en vertraging van de behandeling is daarom voor deze oppositie een middel om van uitstel tot afstel te komen. PvdA en GL (Henk Nijboer en Senna Maatoug) hebben in de Tweede Kamer aangegeven niet te willen vertragen, maar wel een zorgvuldige behandeling te eisen. Het compromis nu met de artikelsgewijze behandeling is door hen bij de coalitie afgedwongen. Ook hebben ze een aantal verbeteringen afgedwongen, zonder dat ze tot nu toe een eindoordeel hebben gegeven.</p>
<p>De PvdA-fractie in de Eerste Kamer (woordvoerder Ferd Crone) heeft ook gezegd dat men zich het recht voorbehoudt een eigen afweging te maken. Daarbij speelt een rol dat juist de Eerste Kamer waakt over de kwaliteit van de wetgeving en de uitvoerbaarheid, en daar zijn serieuze zorgen over. Het voorstel zelf is alleen al 500 pagina’s en het gaat om een enorme herverdeling van 1500 miljard euro met bijna 200 pensioenfondsen en uitvoeringsorganisaties, waarbij bekend is dat er nu al administratieproblemen zijn. Bovendien zijn er serieuze twijfels over de rechtmatigheid van en rechtsbescherming bij de overgang van het pensioengeld van het ene naar het andere systeem. Bovendien ontbreken nog veel relatieve doorrekeningen over de gevolgen, vooral ook in relatie met de huidige hoge inflatie. De minister en de coalitie stellen daar tegenover dat de wet pas geïmplementeerd wordt in uiterlijk 2027 en dat er, mocht dat nodig zijn, nog genoeg ruimte is om te repareren. En ook brengt men in dat de toekomst nu eenmaal onzeker is, zeker nu, maar dat ook in het huidige systeem veel risico’s zitten. De coalitie stelt, samen met sociale partners, PvdA en GL en de pensioenfondsfederatie dat dit stelsel alles afwegende beter is dan het huidige, en dat er nu eenmaal compromissen inzitten. Na bijna twee decennia debatten wil men nu eindelijk dit proces afronden. Duidelijk is dat, als het wetsvoorstel sneuvelt, we weer terug bij af zijn. Dat biedt overigens ook nieuwe kansen.</p>
<p><strong>Individueler, transparanter en eerlijker?</strong></p>
<p>De belangrijkste verandering die het wetsvoorstel beoogt is dat de pensioenopbouw individueler, transparanter en eerlijker wordt. Het element ‘persoonlijk’ is ideologisch geladen – het zijn vooral de neoliberale partijen als VVD en D66 die een hekel hebben aan verplichtingen en gebrek aan keuzevrijheid, gesteund door werkgevers en commerciële verzekeraars (deze laatsten kijken al decennia verlekkerd naar de Nederlandse pensioenmiljarden). Linkse partijen en de vakbeweging benadrukken juist het belang van verplichte, georganiseerde solidariteit en waarschuwen voor de individuele risico’s bij het opheffen daarvan.</p>
<p>Volgens de nieuwe Pensioenwet wordt het pensioen gebaseerd op de betaalde premie plus de beleggingswinst. Daardoor is geen sprake meer van een toezegging en kunnen de pensioenen eerder omhoog (indexering). Maar ook omlaag, als sprake is van beleggingsverliezen. Om grote schommelingen te voorkomen, leggen pensioenfondsen een solidariteitsreserve aan om uitschieters te dempen. De tegenstanders van het wetsvoorstel noemen het daarom een ‘casinopensioen’. Iedereen die premie aan een pensioenfonds heeft betaald, krijgt een eigen rekening waarop de totaal betaalde premie staat plus de beleggingswinst en het behaalde of te behalen pensioen. Daarbij rekent het pensioenfonds met de gemiddelde levensverwachting. Wie eerder sterft, laat zijn pensioengeld na aan het fonds dat daarmee pensioen betaalt aan degene die langer dan gemiddeld leeft. Het pensioenvermogen blijft collectief belegd, al verschilt dat per leeftijdsgroep: risicovol voor jongeren, veiliger voor ouderen.</p>
<p>Iedereen erkent eigenlijk ook wel dat verplichte solidariteit en risicodeling per saldo betere resultaten oplevert voor de gezamenlijke pensioendeelnemers. Dus het wetsvoorstel voert maar in beperkte mate keuzevrijheid in, over een deel van het vermogensbeheer van jouw pensioen. De keuzevrijheid is groter voor jongeren, die kunnen verkeerde resultaten nog in hun verdere pensioenopbouw herstellen, zo is de gedachte. Maar de verplichtstelling blijft, en er blijft één pensioenpot per pensioenfonds, met de meeste risico’s gedeeld. Het is te betwisten of met dit compromis de pensioenopbouw transparanter en eerlijker wordt, maar zeker wordt het complexer!</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Beleggen met geleend geld voor jongere pensioendeelnemers</strong></p>
<p>In reactie op kritiek van m.n. Omtzigt deed minister Schouten in het debat een nieuwe toezegging,  over het maximale beleggingsrisico waaraan jongeren blootgesteld mogen worden. Zo’n beperking was er in het wetsvoorstel eerst niet, waardoor jongeren in theorie voor één ingelegde euro meer dan duizend euro kunnen winnen of verliezen. Het fonds laat hen dan als het ware geld ‘lenen’ van oudere werknemers en gepensioneerden in het fonds, voor wie het beleggingsrisico lager is. „Hun potjes kunnen dan leeg raken”, zei Omtzigt. „Dat is fnuikend.” Schouten wil fondsen niet de mogelijkheid afnemen om jongeren méér risico te laten nemen dan wat ze inleggen. Volgens doorrekeningen leidt dat tot betere resultaten. Wel staat ze ervoor open om daar een maximum aan te verbinden. De VVD en de pensioenfondsen zijn bij deze wijzigingen bang dat de fondsen een te strak keurslijf krijgen – de situatie per fonds verschilt enorm.</p>
<p><strong>Afschaffing doorsneepremie of pensioenplicht? </strong></p>
<p>Samenhangend met een individueler pensioen schaft men de ‘doorsneepremie’ af. Nu gaat een deel van de inleg van jonge werknemers nog naar oude werknemers. Aan die subsidie komt een einde. Het pensioen wordt daarmee eerlijker, vinden de voorstanders van de wet, en sluit beter aan op de moderne arbeidsmarkt. Vroeger bleven mensen meer bij één werkgever of in één bedrijfstak, bij hetzelfde fonds. Dan wordt de ongelijkheid vanzelf opgelost, want de jongeren worden ook ouderen, en over de loopbaan heen is er geen ongelijkheid. Nu is het echter erg nadelig om als 45-jarige je vaste baan en pensioenregeling te verruilen voor het zzp-schap. Je hebt de jong-naar-oud-subsidie dan wel betaald, maar zult er niet meer van profiteren. Nu mensen steeds meer verschillende loopbanen hebben bij verschillende werkgevers en soms onderbroken met zzp-er zijn, waarbij soms minder of zelfs geen pensioen wordt opgebouwd, pakt dit steeds oneerlijker uit. Straks krijgt iedereen zijn eigen inleg. In de nieuwe regeling is de subsidie van jong naar oud vervallen.</p>
<p>Tegenstanders stellen m.i. terecht dat deze nieuwe regeling niet nodig is, als iedereen verplicht aanvullend pensioen opbouwt. Met name flexwerkers, jongeren en zzp-ers bouwen nu geen aanvullend pensioen op en omdat het aandeel van deze groep werkenden de afgelopen decennia in de totale beroepsbevolking enorm is toegenomen – ons land is kampioen flexwerken en schijnconstructies in Europa, met 19<sup>e</sup> eeuwse arbeidsverhoudingen. Bijna 940.000 werknemers in loondienst (ca. 1 op de 8 werknemers) en het merendeel (94%) van de 1,1 miljoen zzp-ers bouwt geen pensioen op bij een pensioenfonds. Een pensioenplicht was ook de inzet van FNV, PvdA en GL.</p>
<p>Onder dreiging van een tegenstem van PvdA/GL tegen het wetsvoorstel zijn sociale partners en het kabinet akkoord gegaan met het opnemen van een verplichting dat het aantal werknemers zonder pensioenregeling in vijf jaar tijd gehalveerd moet zijn. Als die halvering over drie jaar onvoldoende op schema ligt, zijn de werkgeversclubs en bonden bereid tot „aanvullende afspraken”, waarbij ook een „algemene pensioenplicht” onderzocht kan worden. Tegelijk blijken de sociale partners twee concrete maatregelen om die halvering te bereiken níét te steunen. Vorige maand noemden ze die nog als optie. Zo zou de uiterlijke leeftijd waarop werknemers beginnen met hun pensioenopbouw, wettelijk verlaagd kunnen worden van 21 naar 18 jaar, schreven werkgevers en bonden in een eerdere brief. Daarnaast zouden uitzendkrachten ook over de eerste acht weken van hun baan pensioen kunnen gaan opbouwen – wat nu nog niet gebeurt. Uit die eerdere brief werd al duidelijk dat de werkgeversachterban nog geraadpleegd moest worden over deze voorstellen. Nu blijkt dat die niet akkoord is gegaan. PvdA en GL hebben amendementen ingediend om deze voorstellen toch op te nemen en dreigen bij wegstemmen ervan het hele wetsvoorstel niet meer te steunen. De tegenstanders van de wet stellen dat een pensioenplicht ook met de wijzigingen te vaag en onzeker blijft, en wijzen er terecht op dat bij invoeren van zo’n plicht het afschaffen van de doorsneepremie niet meer nodig is.</p>
<p><strong>Geen gegarandeerde pensioentoezegging – meer kans op indexatie?</strong></p>
<p>Een andere belangrijke wijziging is, ik noemde het hiervoor al, dat niet langer er een gegarandeerde pensioentoezegging is, nu meestal (incl. de AOW) een pensioen van 70% van het gemiddelde loon van een werknemer over heel zijn/haar loopbaan. Dat veranderd in een zgn. beschikbare premieregeling, waarbij de pensioengarantie nooit de ingelegde premie overstijgt. In het huidige systeem wordt weliswaar veel zekerheid gesuggereerd, maar formeel is die altijd onder de voorwaarde van het resultaat van het vermogensbeheer. En deze rendementen zijn sterk afhankelijk van de conjunctuur en inflatie.</p>
<p>Daarop werd de laatste decennia gereageerd door strenge regels op te leggen over wanneer een fonds mocht indexeren (c.q. wanneer dat niet mocht), en over wanneer er zelfs kortingen op de uitkeringen of premieverhogingen moesten plaatsvinden. Zo streng, dat uitgegaan moest worden van een rendement van de dagrente, alsof die ook zo zou zijn in de eerstvolgende 40 jaar. Die regeling werd ingevoerd in een situatie van hogere markrentes, en de pensioenfondsen dachten dat ze zo veel meer ruimte creëerden voor het aanwenden van buffers voor indexering. Maar toen daalde de rente, en werd deze zelfs negatief, en toen pakte het precies andersom uit. Het is in zekere zin ironisch dat het wetsvoorstel nu de systematiek wijzigt om weer van meer risico te kunnen uitgaan – de pensioengarantie is formeel veel lager, dus de buffers zijn nu rekenkundig veel meer beschikbaar voor indexering – en dat nu juist de rentes weer snel stijgen. Omgekeerd waren in de afgelopen periode van lage, zelfs negatieve rente, de rendementen op beleggingen juist torenhoog, en dalen die juist nu, bij de stijgende rente. Honderden miljarden euro’s zijn inmiddels alweer verdampt, maar de dekkingsgraden stijgen omdat de rente stijgt, en een groter deel van de buffers onder het nieuwe systeem aangewend mag worden voor indexering.</p>
<p>In de aanloop naar het nieuwe stelsel hebben PvdA/GL afgedwongen dat fondsen nu al mogen uitgaan van het nieuwe systeem voor hun indexeringsbeslissingen, en het PFZW, ABP en PMT hebben dat inmiddels gedaan. Bij vertraging van de nieuwe invoering van het systeem dreigt de minister weer terug te gaan naar het oude systeem, en worden indexeringen weer moeilijker te worden. Pensioenfondsen dringen om deze reden aan op een snelle (positieve) beslissing over het wetsvoorstel in het parlement.</p>
<p>Maar terecht hebben tegenstanders erop gewezen dat voor reëlere regels om te kunnen indexeren je ook alleen die zgn. rentereken regels kunt wijzigen, in plaats van een heel nieuw systeem op te bouwen. Zo zou je uit kunnen gaan van de gemiddelde rente over de afgelopen 10 jaar, dat zou al veel helpen, en is eenvoudig uit te voeren. Met gelijkblijvende premies zou een rendement van ca. 2,5% boven de inflatie voldoende zijn om de vergrijzing, de stijgende levensverwachting én de indexering te kunnen financieren. Bij verhoging van de AOW, zeker als het meestijgt met de verhoging van het WML naar 14 euro per uur, verbetert overigens de dekkingsgraad enorm, omdat er veel minder hoeft te worden aangevuld (de AOW geldt als franchise bij de hoogte van het aanvullend pensioen). De pensioenen kunnen dan bij de meeste fondsen geïndexeerd worden.</p>
<p>De nieuwe wet leek een goede oplossing in de jaren dat sprake was van grote beleggingswinsten terwijl de pensioenen niet verhoogd konden worden door de lage rente. Net nu de wet moet worden ingevoerd, is het andersom: dit jaar stijgt de rente en zijn de beleggingen op papier veel minder waard. De totale waarde daalde van 1.800 miljard euro begin dit jaar naar 1.440 miljard euro eind september. Door de hogere rente staan vrijwel alle pensioenfondsen er op papier echter plots goed voor. Schouten betoogd dat het nieuwe systeem niet op de waan van de dag beoordeeld moet worden – de storm die nu over de financiële markten raast. Het systeem moet decennia meekunnen, in goede en slechte tijden. De situatie kan heel anders zijn, ten goede of ten kwade, wanneer een pensioenfonds ‘overgaat’ en dat kan tot 2027. Haar voorganger Wouter Koolmees, die het wetsvoorstel in de steigers zette, betoogde al dat bij de overgang pensioenen lager zouden uitvallen als het fonds minder dan 95 eurocent per toegezegde pensioeneuro in kas had. Dat was toen een reële situatie voor veel grote fondsen, nu niet meer, hooguit voor een enkel klein fonds. De tegenstanders betogen dat het rampjaar 2022 bij uitstek niet geschikt is om nu dit soort beslissingen te nemen.</p>
<p><strong>Regulering vermogensbeheer opnieuw invoeren</strong></p>
<p>Om risico’s bij het loslaten van de dekkingsgraad te voorkomen stel ik voor om het vermogensbeleid van pensioenfondsen weer te reguleren, zoals dat voor de Paarse kabinetten ook was. Helaas heeft dit idee in het parlementaire debat nog nauwelijks aandacht, al heeft de SP dit wel geagendeerd.  Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet m.i. saaier, degelijker en simpeler. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Door bijvoorbeeld te beleggen in huurwoningen is een constant rendement van 4-5% mogelijk. Datzelfde geldt voor rendement uit hypotheken: zouden niet banken maar pensioenfondsen de hypotheekleningen verstrekken, dan kwam de hypotheekrente terecht bij (toekomstige) gepensioneerden in plaats van bij de aandeelhouders van banken. Pensioenfondsen moeten breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. Het is ook in het belang van de deelnemers van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie.</p>
<p>We moeten daarom het vermogensbeheer van pensioenfondsen weer reguleren opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn. Producten met een te hoog risicoprofiel worden daarbij uitgesloten en verboden. Zoals bijvoorbeeld hedgefondsen, private equity en derivaten. Ook niet duurzame en niet sociale investeringen worden wettelijk uitgesloten en verboden. Valutarisico liever ook zoveel mogelijk uitsluiten. Geen valutarisico betekent dat je dat risico ook niet hoeft af te dekken.</p>
<p>Pensioenfondsen moeten zich zoveel mogelijk richten op goed , sociaal en duurzaam renderende investeringen in onze Europese economie. Woningen, hypotheken, bedrijven groot en klein. We maken van onze pensioenfondsen weer gewoon publieke investeerders. Dat is goed voor de pensioendeelnemers, die dan een zekerder en geïndexeerd pensioen krijgen, beter voor de Nederlandse economie en beter voor een duurzame samenleving.</p>
<p>En het zal ook de enorme kosten voor vermogensbeheer drastisch verminderen. De vermogensbeheerkosten zijn nu ruim 23 procent van de jaarlijkse premiegelden. En vermogensbeheerkosten vormen 24,5 procent van de totale pensioenuitkeringen. De Nederlandse pensioenfondsen betaalden in 2021 maar liefst €14,5 miljard aan uitvoeringskosten. Dat is bijna €4,3 miljard meer dan in 2020, wat ook al een recordjaar qua kosten was. De stijging komt voornamelijk door prestatievergoedingen voor het vermogensbeheer, oftewel hogere bonussen. Per deelnemer waren de totale uitvoeringskosten zo’n €1500 in 2021. Daarvan gaat ruim €100 naar pensioenbeheerkosten, zoals voor administratie, controle en advies. De rest is voor beheerkosten en transactiekosten, waarbij prestatievergoedingen dus het grootste deel uitmaken. In totaal maken de bonussen meer dan de helft uit van de uitvoeringskosten voor pensioenfondsen.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Transitie voor huidige pensioendeelnemers</strong></p>
<p>Doordat er een compleet ander stelsel komt, en ervoor gekozen is om iedereen tegelijk te laten overgaan (geen keuze!) omdat het anders uitvoeringstechnisch volgens de fondsen niet te doen is moeten de opgebouwde pensioenaanspraken worden ‘ingevaren’ in het nieuwe stelsel. Straks, bij het opknippen van de pot, tussen 2024 en 2027, moeten fondsen hun verre toekomstbeloftes dus gaan omrekenen naar een bedrag in het hier en nu. Al het geld dat werknemers en gepensioneerden de afgelopen decennia gespaard hebben, wordt overgezet naar de persoonlijke potjes. Het waren toekomstbeloftes, het worden euro’s in het hier en nu. De grote vraag bij dat omrekenen: wat is eerlijk?</p>
<p>De wet schrijft twee mogelijke rekenmethodes voor: de relatief simpele ‘standaardmethode’ en de ‘vba-methode’, die verfijnder is én ingewikkelder. De afgelopen weken, in de technische debatten, liet Pieter Omtzigt zien dat die tweede methode tot extreme uitkomsten kan leiden, waarbij mensen veel minder geld meekrijgen dan nu voor hen gereserveerd is. Ook andere partijen waren kritisch op deze vba-methode. Daarop heeft Schouten de wet aangepast. In principe moeten fondsen nu de standaardmethode gebruiken. Pas als ze kunnen aantonen dat ze daarmee niet uit de voeten kunnen, mogen ze de vba-methode gebruiken. Ook zijn in die laatste methode meer waarborgen gebouwd, om extreme uitkomsten te voorkomen. Maar er ontbreken berekeningen over hoe het gaat uitpakken.</p>
<p><strong>Onzekerheden over uitkomsten nieuw stelsel</strong></p>
<p>Er was een commissie parameters ingesteld die rekenmodellen gaat geven, en deze komen waarschijnlijk eind november. Maar die moeten dan eigenlijk eerst weer doorgerekend worden bij verschillende scenario’s voor verschillende fondsen. Omtzigt pleit daarom voor uitstel tot na die berekeningen (dan zitten we inmiddels zeker in februari 2023), anders zou het parlement ‘geblinddoekt’ een beslissing nemen, hetgeen gretig omarmd wordt door tegenstanders van de wet. De minister en coalitie blijven roepen dat we nu al kunnen beslissen, en PvdA/GL hebben wel gevraagd om tenminste te wachten tot het rapport van de commissie parameters. Kabinet en coalitie stellen dat de Kamer ook niet op de stoel moet gaan zitten van de fondsbesturen, die volgens het wetsvoorstel de belangen van de verschillende generaties bij het invaren evenwichtig moeten afwegen, waarbij DNB toezicht moet houden.</p>
<p><strong>Compensatie ‘pech-generatie’</strong></p>
<p>Uit eerdere berekeningen bleek dat zonder compensatie met name de 40-50-jarigen erbij inschieten, de zgn. pech-generatie. Het wetsvoorstel verplicht tot ‘adequate’ compensatie van deze groep. Fondsen willen hun ruimere buffers onder dit nieuwe systeem hiervoor inzetten, maar met name organisaties van gepensioneerden verzetten zich daartegen fel, zij willen dat die buffers gebruikt worden voor het laten plaatsvinden van achterstallige indexeringen, die naar hun niet bevreemdende opvatting ten onrechte onder het oude systeem niet werden uitgevoerd. De voorstanders van het wetsvoorstel stellen dat met achterstallige indexeringen juist de jongeren en huidige werkenden benadeeld worden.</p>
<p>Ook als de economie er slecht voorstaat op het moment dat pensioenfondsen overstappen op het nieuwe stelsel, wordt de overgang ingewikkelder. Als hun financiële reserves verdampt zijn, hebben zij minder geld om de veertigers en vijftigers te compenseren. Dan lijken pijnlijke keuzes onvermijdelijk. Zoals een pensioenverlaging vlak voor het moment van overgang – wat het vertrouwen in het nieuwe stelsel direct zou beschadigen. Of een forse premieverhoging voor werkenden.</p>
<p><strong>Dreigende rechtszaken bij ‘invaren’</strong></p>
<p>Onduidelijk is hoe groot de groep gepensioneerden is die zich bij overgang zal verzetten, maar rechtbanken – verenigd in de Raad voor de Rechtspraak – vrezen een stortvloed aan rechtszaken van ontevreden werknemers en gepensioneerden, die bijvoorbeeld niet over willen naar het nieuwe systeem, of vinden dat zij te weinig geld in hun persoonlijke potje krijgen. Regeringsadviseur de Raad van State verwacht dat het aantal rechtszaken wel mee zal vallen. Maar de organisaties van gepensioneerden staan klaar, met model-formulieren om bezwaar te maken. De keuze om het oude pensioengeld mee te nemen, is uniek in de wereld.</p>
<p>Bij pensioenhervormingen in andere landen, zoals Denemarken, werd dat geld alleen overgeheveld als een deelnemer dat zélf wil. In Nederland krijgen werknemers en gepensioneerden geen keuze voorgelegd.</p>
<p>Ook is er geen mogelijkheid om individueel bezwaar te aan te tekenen bij je pensioenfonds. Tot frustratie van onder meer SP, PVV en Pieter Omtzigt. Mensen moeten meer inspraak krijgen, zei Omtzigt in de Kamer. Hij noemde dat een „veiligheidsklep” die een eerlijke uitkomst kan bevorderen. Maar minister Schouten vindt het belangrijk om in één keer helemaal over te gaan op het nieuwe systeem. Zij wil voorkomen dat pensioenfondsen nog zeventig jaar twee pensioensystemen naast elkaar in de lucht moeten houden – het oude en het nieuwe. Ook de fondsen zelf vinden dat duur en inefficiënt.</p>
<p><strong>Afschaffen individueel bezwaarrecht</strong></p>
<p>Het individueel bezwaarrecht wordt door het wetsvoorstel bij het fonds vervangen door een adviesrecht van het verantwoordingsorgaan en een goedkeuringsrecht van de deelnemersraad. Er komt een externe geschillencommissie. En er komt 10 miljoen euro beschikbaar voor de rechtspraak om eventuele procedures af te wikkelen. Tegenstanders fulmineren m.i. terecht tegen het vervallen van het bezwaarrecht.</p>
<p><strong>Administratie niet op orde</strong></p>
<p>Pensioenfondsen hebben hun administratie lang niet allemaal op orde. Met soms grote gevolgen: mensen krijgen een hoger of lager bedrag dan waar ze recht op hebben. Of ze horen vlak voor hun pensioendatum dat ze een lager pensioen krijgen dan hen jarenlang is voorgespiegeld. De oorzaak: verkeerde gegevens in de systemen, of fouten in de communicatie. Exacte cijfers zijn er niet, maar uit recent onderzoek van toezichthouder AFM valt af te leiden dat jaarlijks zeker tienduizenden fouten ontdekt worden. De toezichthouder richtte zich alleen op het jaar 2019 en op reeds ingegane pensioenuitkeringen. Bij 20.000 pensioenuitkeringen bleek een verrekening of terugvordering te zijn doorgevoerd. Ouder onderzoek van de AFM, uit 2010, laat nog schokkender cijfers zien. Bijna twee op de drie bedrijfstakpensioenfondsen bleken pensioenaanspraken niet correct weer te geven op het jaarlijkse pensioenoverzicht aan werknemers en gepensioneerden – al ging het in de meeste gevallen om kleine foutjes.</p>
<p>Dit onderwerp kwam nauwelijks aan de orde in het debat. Terwijl het bij de overgang op het nieuwe stelsel cruciaal is dat bij álle fondsen álle gegevens foutloos zijn. Want die bepalen hoeveel geld iedereen in zijn persoonlijke potje krijgt. Als dat misgaat, en iemand krijgt te weinig, dan is dat moeilijker te compenseren dan nu. Je kunt die compensatie immers niet meer uit die ene gezamenlijke pensioenpot halen.</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Risico uit EU voor handhaven verplichtstelling?</strong></p>
<p>Tegenstanders, Omtzigt voorop, betogen ook dat de individualisering van de pensioenpotjes de wettelijke verplichtstelling kan doen verdwijnen, doordat de Europese Commissie dan de uitzonderingsvrijstelling voor Nederland voor marktwerking bij pensioenen dan zou kunnen intrekken. De minister en de Raad van State zien dat risico niet.</p>
<p><strong>Kosten transitie</strong></p>
<p>De omzetting van het collectieve pensioenvermogen naar individuele ‘rekeningen – aandelen in de gezamenlijke pot – vergt enorm veel werk. Dat is voer voor duurbetaalde specialisten. Die zijn schaars en duur. Er is al veel geld uitgegeven in de aanloop naar dit debat bij de voorbereiding op het nieuwe systeem door pensioenfondsen. Schouten beaamt dit maar plaatst het ook in perspectief. Afgezet tegen het totale vermogen gaat het hooguit om een enkel procent. Maar dat is toch zo’n 15 miljard.</p>
<p><strong>Nabestaandenpensioen</strong></p>
<p>Ook is er kritiek op het Nabestaandenpensioen in het wetsvoorstel. In het nieuwe pensioenstelsel komen er minder verschillen. Het nabestaandenpensioen bij overlijden na pensionering is op basis van opbouw en de hoogte is 70% van het opgebouwde ouderdomspensioen. Het nabestaandenpensioen bij overlijden voor pensionering is op risicobasis (dat betekent dat het stopt als je uit dienst gaat) en is maximaal 50% van het salaris, ongeacht hoelang je in dienst was. Een wezenpensioen loopt door tot de leeftijd van 25 jaar. Een wees van wie beide ouders zijn overleden, ontvangt een dubbel wezenpensioen (40% in plaats van 20%). Het nabestaandenpensioen wordt voor iedereen diensttijdonafhankelijk. Nu kan dat in de pensioenregeling nog diensttijdafhankelijk zijn. Ben je werkloos geworden, dan ben je gedurende een uitloopperiode van 3 maanden of tijden de WW-periode nog wel verzekerd van nabestaandenpensioen. Daarna niet meer. De CU heeft gevraagd om een mogelijkheid om deze periode te verlengen door sociale partners in de pensioenregeling, tot maximaal 6 maanden.</p>
<p>De WTP gaat dus uit van een risico dekking bij overlijden voor pensioendatum en kapitaal dekking na pensioendatum. Voor iemand met een modaal salaris (35.000 euro) leidt dit tot de volgende situatie:</p>
<p>Salaris                                35.000                 Risico partner pensioen 50% = 17.500 euro</p>
<p>Franchise                           15.000</p>
<p>Pensioen Grondslag       20.000</p>
<p>Ouderdomspensioen     14.000                 (80% middelloon is ongeveer 70% eindloon)</p>
<p>Partner pensioen               9.800                (70% van ouderdomspensioen)</p>
<p>Overlijden vlak voor pensioendatum levert dus een partner pensioen dat levenslang 7.700 5 euro hoger is dan bij overlijden vlak na pensioendatum.</p>
<p><strong>Pensioenleeftijd </strong></p>
<p>In het pensioenakkoord waren ook afspraken opgenomen over de pensioenleeftijd. Dat betreft de AOW-leeftijd en de regelingen voor vroegpensioen. Wat betreft de AOW-leeftijd is een matiging van de wettelijke periodieke verhoging afgesproken – in plaats van dat de gemiddelde stijging van de levensverwachting (op basis van cbs-cijfers) één-op-één doorwerkt in de stijging van de AOW-leeftijd, is die nu gewijzigd in dat deze voor tweederde daarin doorwerkt. Dat is overigens minder dan de oorspronkelijke eis van de vakbeweging en PvdA/GL, waarbij de doorwerking slechts voor de helft zou doorwerken. Deze wetswijziging is inmiddels gerealiseerd.</p>
<p>Daarnaast was afgesproken dat er gestudeerd zou worden op een regeling voor een eerdere AOW-leeftijd voor zware beroepen en/of voor werknemers die al 45-jaar werken. Dit heeft nog niet tot iets concreets geleid. Probleem is de uitvoering, omdat registraties van arbeidsverleden zeer incompleet blijken te zijn. Toch is er alle aanleiding om hier iets te doen gegeven de enorme ongelijkheid in levensverwachting. Mensen met een laag inkomen en een lage opleiding (basisonderwijs + vmbo) leven 15 jaar minder in goede gezondheid dan mensen met een hbo- of universitaire opleiding en een hoog inkomen. Mannen met een lage opleiding leven ± 5,8 jaar korter. Bij vrouwen is dat ± 4,3 jaar. Als je kijkt naar verschillen in levensverwachting tussen inkomensgroepen dan blijkt dat de hoogste inkomens leven in Nederland gemiddeld 7,5 jaar langer dan de laagste inkomens. Kijken we naar de levensverwachting in goede gezondheid, dan loopt het verschil zelfs op tot ruim 18 jaar!</p>
<p>Mensen met een hbo- of wo-diploma leven gemiddeld 72 jaar in goede gezondheid, praktisch opgeleiden slechts ruim 53 jaar. Dat betekent dat je met een laag inkomen veel minder lang van je pensioen kunt genieten. Wie na zijn 50<sup>ste</sup> een zwaar beroep uitoefent – metselaar, timmerman of verpleegkundige bijvoorbeeld – veroudert in een jaar tijd biologisch niet 12, maar 28 maanden. Praktisch opgeleiden beginnen gemiddeld eerder met werken en werken daardoor gemiddeld 10 jaar langer dan hoopopgeleiden. Ze betalen daardoor langer premies, betalen mee aan de studie van de hbo- of wo-opgeleide en gaan gemiddeld eerder dood, dus krijgen minder lang een pensioenuitkering.</p>
<p>De bedrijfsartsenvereniging NVAB heeft al gewaarschuwd dat het voor sommige werknemers nu al moeilijk is om de pensioenleeftijd te halen. Ze kampen vaker met aandoeningen. Het kan om fysiek zwaar werk gaan, maar ook bij veel stress en bij onregelmatige werktijden met ploegen- en nachtdiensten. Het is geen luxe wens van werknemers die zwaar werk doen, om eerder te stoppen. Hoewel het nuttig zou zijn om nog veel meer onderzoek te doen, weten we dat de gemiddelde levensverwachting in Nederland, waaraan de AOW-leeftijd gekoppeld is, voor grote groepen Nederlanders niet is weggelegd.</p>
<p>Werknemers die decennia lang volcontinudiensten hebben gewerkt, lopen zoveel extra gezondheidsrisico’s, dat zij veel vaker op jongere leeftijd te kampen krijgen met gezondheidsproblemen en dat de kans op eerder overlijden ook groter is. En meer dan een miljoen mensen in Nederland zitten in dergelijke ploegendiensten. Bij de politie en brandweer, in zorgberoepen, in de industrie, in de transportsector, noem maar op. <br />werknemers die misschien geen nachtdiensten draaien, maar wel zwaar en dikwijls ook nog eens slecht betaald werk verrichten, lopen ook extra gezondheidsrisico’s. Zeker als zij ook nog eens wonen in de wat mindere wijken, naast snelwegen en onder andere bezwarende omstandigheden. Het zijn bovendien werknemers die niet pas na hun universitaire studie, dus op 24- of 25-jarige leeftijd zijn begonnen met werken, maar reeds op hun 17<sup>e</sup> aan de slag waren als monteur, stratenmaker of havenwerker.</p>
<p>Voor al deze werknemers geldt niet dat zij het juist uitdagend vinden om tot 70 jaar of langer actief te zijn in hun beroep. Voor al deze werknemers was het dus een ramp om te zien dat de AOW-leeftijd van 65 jaar werd opgeschoven naar – inmiddels – 67 jaar, maar nog meer om te zien dat de overheid alle mogelijkheden om afspraken tussen sociale partners te maken waardoor de pijn hiervan zou kunnen worden verzacht, torpedeerde. Vroegpensioenregelingen zijn niet meer mogelijk en de RVU-boete werd geïntroduceerd (zie ook hierna). Zij zijn gewoon op en versleten als zij de 60 jaar zijn gepasseerd en hun wens om eerder te stoppen is volstrekt legitiem.</p>
<p>Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) komen er als we niets veranderen tot 2030 ruim 600.000 kwetsbare ouderen bij. Een gelijke regeling van de AOW-leeftijd voor alle werknemers op basis van gemiddelde levensverwachting is bij deze grote verschillen in levensverwachting zeer onrechtvaardig.</p>
<p>Ten onrechte speelt deze onrechtvaardigheid nauwelijks een rol tot nu toe bij de behandeling van de WTP. Weliswaar gaat het hier om een AOW-wijziging, maar het was wel een belangrijk onderdeel van het Pensioenakkoord. Onze PvdA zou niet moeten instemmen met het WTP-onderdeel van dit akkoord, als niet tenminste ook dit onderdeel van het Pensioenakkoord wordt verzilverd. Mijn voorstel is een die de AOW-leeftijd eerder laat ingaan voor mensen die al tenminste 45 jaar hebben gewerkt in loondienst en voor mensen die een bepaalde, bij CAO vast te stellen minimumduur werken in beroepen waar statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerdere arbeidsongeschiktheid is.</p>
<p>En als dat allemaal echt niet uitvoeringstechnisch niet zou kunnen, dan een regeling op basis van het gemiddelde inkomen als pensioendeelnemer, waarbij lage inkomens een pensioenleeftijd verlaging hebben die overeenkomt met de gemiddelde lagere levensverwachting bij deze lage inkomens.</p>
<p>De kosten van deze regeling voor een vroegere pensioenleeftijd verhalen we door een lagere vrijstelling (franchise) in de werkgeverslasten bij deze beroepen – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te we verbeteren de inkomenspositie van gepensioneerden en maken de regeling van de pensioenleeftijd eerlijker.</p>
<p><strong>Vroegpensioen</strong></p>
<p>Voorts is er een regeling afgesproken voor mensen met ‘zwaar werk’. Dat is eigenlijk geen regeling voor mensen met zwaar werk, maar een regeling voor vroegpensioen waar in beginsel iedereen, ongeacht de zwaarte van zijn werk, gebruik van kan maken. Als ten minste een aantal “mitsen” is ingevuld. Deze regeling voor vroegpensioen die bedacht is, is tijdelijk; hij geldt van 2021 tot 2025. De regeling houdt in dat werknemers die in dit tijdvak een leeftijd bereiken van drie jaar voor hun AOW-leeftijd, kunnen stoppen met werken<a href="#_ftn2" name="_ftnref2">[2]</a>.</p>
<p>Dat kon voor 2021 natuurlijk ook al, maar vanaf 2021 mag de werkgever aan de werknemer per jaar afgerond € 22.000 uitkeren zonder dat hij daarover de zogeheten RVU-boete hoeft te betalen. De RVU-boete is in 2006 door het kabinet Balkenende III ingesteld en wordt geheven over uitkeringen die aan werknemers worden gedaan die eerder dan op hun AOW-leeftijd stoppen met werken. Met deze boete werd beoogd om het eerder stoppen met werken onaantrekkelijk te maken; de AOW-leeftijd werd immers verhoogd en voorkomen moest worden dat er nieuwe VUT- of prepensioenachtige regelingen zouden worden ingesteld om toch eerder met werken te kunnen stoppen.</p>
<p>In het pensioenakkoord is overeengekomen dat deze boete niet betaald hoeft te worden over uitgekeerde bedragen tot €22.000 per jaar, voor een periode van maximaal drie jaar. De €22.000 is het bedrag dat gelijk staat aan een bruto AOW-uitkering voor alleenstaanden. Werkgevers zijn niet verplicht om die uitkeringen aan werknemers te doen. Een werknemer die drie jaar voor hun AOW-leeftijd willen stoppen met werken, kan die € 22.000 per jaar van zijn werkgever krijgen, als hij dat zelf kan afspreken met zijn werkgever of als daarover in zijn cao afspraken zijn gemaakt. In een cao kan natuurlijk nader bepaald worden wie wel en wie geen aanspraak kan maken op de uitkering. Daarbij kunnen criteria gesteld worden die de mogelijkheid vooral voor werknemers met zwaar werk open stellen. Zo is het bedacht. En in een aantal cao’s zijn dergelijke afspraken ook gemaakt, wat leidde tot een geheven loftrompet.</p>
<p>De praktijk laat zien dat de overeengekomen regeling onvolkomen is, en wel om drie redenen:<br /><br /><em>1. €22.000 per jaar is te weinig<br /></em></p>
<p>Alleen een uitkering ter hoogte van de AOW, is voor werknemers die stoppen met werken niet genoeg om van te leven. Daar moet geld bij. Volgens de partijen bij het pensioenakkoord kunnen werknemers geld uit hun pensioenpot naar voren halen om de uitkering van € 22.000 aan te vullen. Geld uit je pensioenpot naar voren halen, betekent echter dat je minder van je pensioenkapitaal overhoudt voor de periode vanaf de AOW-leeftijd, waarvoor het eigenlijk bedoeld was. <br />Lager betaalde werknemers hebben bovendien vaak een veel kleiner pensioenkapitaal en kunnen zich sowieso niet veroorloven om hiervan drie aar aanvulling op de € 22.000 te betalen. Voor hoger betaalde werknemers met zwaar werk betekent € 22.000 een grote inkomensterugval. Aanvulling hiervan uit hun eigen pensioenpot betekent ook in hun geval dat hun pensioenuitkering na het bereiken van de AOW-leeftijd ongeveer 5% tot 7% lager zal zijn. Levenslang.</p>
<p><em>2. Drie jaar eerder stoppen is drie jaar geen pensioenpremie</em></p>
<p>Een werknemer die niet tot aan zijn AOW-leeftijd doorwerkt, maar drie jaar eerder wil stoppen, mist ook drie jaar pensioenpremie. Dat betekent dat de pensioenpot, waaruit hij geacht wordt geld naar voren te halen, drie jaar lang niet wordt aangevuld en dus kleiner is. Voor ongeveer een kwart van de werknemers in Nederland geldt bovendien dat zij een zogeheten “verzekerde regeling” met “defined contribution” (vaste premie-inleg en een pensioenuitkomst die afhangt van rendementen) hebben, met een “oplopende premiestaffel”. De overheid heeft decennia geleden namelijk bedacht dat het geld dat voor een jonge werknemer wordt ingelegd in pensioen, veel langer kan renderen en dat om die reden voor jongere werknemers minder pensioenpremie mag worden betaald. Het gevolg is dat de overheid oplopende premiestaffels voorschrijft, waarbij voor jongere werknemers pakweg 7% of 8% van hun pensioengrondslag aan premie wordt betaald, maar voor 60-plussers meer dan 30%. Een werknemer met zo’n verzekerde regeling die drie jaar eerder wil stoppen, mist dus drie “dure jaren” pensioenpremie. Maar ook de driekwart werknemers die hun pensioen bij pensioenfondsen opbouwen en voor wie meestal een doorsneepremie geldt (altijd dezelfde pensioenpremie, ongeacht de leeftijd) missen dus drie jaar pensioenpremie als zij eerder stoppen.</p>
<p><em>3. De boetevrijstellingsregeling is tijdelijk</em></p>
<p>Wanneer sociale partners in bedrijven en sectoren al samen besluiten om gebruik te maken van de boetevrijstelling om oudere werknemers inderdaad die drie maal €22.000 (= €66.000 per werknemer!) uit keren, zullen zij ook het gesprek moeten voeren over waar dit dan van betaald moet worden. Het antwoord is “uit de loonruimte”. Dat wil zeggen dat in het totale budget dat voor het op peil houden c.q. verbetering van arbeidsvoorwaarden beschikbaar is, een keuze gemaakt moet worden om voldoende middelen te hebben voor het doen van deze eerder-stoppen uitkeringen. Werknemers, vakbondsleden, zullen het misschien prima vinden om met een lagere loonsverhoging genoegen te nemen. Maar niet als daarmee alleen geld wordt gespaard voor een eerder-stoppen regeling voor collega’s die vóór 1962 geboren zijn. Dat ligt anders, als er perspectief is dat ook jongere werknemers in de toekomst gebruik kunnen maken van mogelijkheden om eerder te stoppen. Maar dat perspectief heeft de wetgever nog niet gecreëerd. Het organiseren van solidariteit tussen generaties wordt daardoor bemoeilijkt.</p>
<p>Het is een opgave om werkgevers ervan te overtuigen dat er een regeling moet komen die eerder stoppen mogelijk maakt. Kleinere werkgevers die toevallig een relatief groot aantal werknemers in dienst hebben zien de financiële bui al hangen. Maar ook voor grotere werkgevers zijn niet automatisch enthousiast. Er zijn subsidiemogelijkheden, maar de eisen waaraan moet worden voldaan om subsidie te krijgen, zijn lang niet voor elk bedrijf of voor elke bedrijfstak in te vullen. Het begint al met het feit dat er brancheorganisaties moeten zijn die de aanvraag doen. De administratie die gevoerd moet worden, is immens. Er moeten plannen van aanpak worden geschreven waarin ook gewerkt wordt aan “duurzame inzetbaarheid”; de meest recente term voor wat vroeger “goed personeelsbeleid” heette. Activiteiten die in een bedrijf of bedrijfstak reeds zijn ontplooid om het werk voor oudere werknemers te verlichten (denk aan generatiepact-achtige regelingen), komen niet voor subsidie in aanmerking; de subsidiegelden stimuleren daarmee niet de vooroplopende bedrijfstakken en bedrijven, maar belonen de achterblijvers. En de besteding van elke ontvangen euro moet met accountantsverklaringen worden verantwoord. En ook de subsidiepotten zijn er maar tijdelijk.</p>
<p>Bedrijfstakken waarin in cao-afspraken wordt ingespeeld op de RVU-boetevrijstelling, zien dat maar weinig werknemers van de regeling gebruik maken. Dat komt soms door de voorwaarden die in de bedrijfstak zijn gesteld. Als je moet kunnen aantonen dat je 40 jaar in een bedrijfstak moet hebben gewerkt, maar het werknemersbestand bestaat voornamelijk uit vrouwen waarvan er heel veel enkele jaren niet hebben gewerkt omdat ze jonge kinderen hadden, valt de deelname aan de regeling uiteraard tegen. Maar het komt vooral omdat werknemers opzien tegen de financiële aderlating van een lager inkomen en een lager pensioen die het gevolg is van de huidige voorwaarden.</p>
<p>Waar moet op worden ingezet? Wat beslist zou helpen, is als de boete voor “eerder stoppen” niet alleen voor de eerste € 22.000 per jaar zou worden afgeschaft, maar voor een veel hoger bedrag. Dat voorkomt dat werknemers die geen uitgesproken zwaar werk doen, door de werkgever in de watten gelegd worden en met grote bedragen naar huis kunnen. Verhoging van het boetevrije bedrag maakt het wel mogelijk om afspraken te maken waardoor werknemers toch met een fatsoenlijk inkomen eerder kunnen stoppen, zonder dat hun pensioenuitkering daardoor ernstig wordt aangetast. En het kost de overheid nauwelijks iets. Wat op langere termijn ook zou kunnen helpen, is dat werknemers die een toeslag ontvangen vanwege de zwaarte of onregelmatigheid van hun werk, en deze fiscaal vriendelijk kunnen inzetten om te sparen voor pensioen. Hoe langer je die toeslag ontvangt, hoe meer mogelijkheden je hebt om eerder te stoppen en een lage uitkering vanuit je pensioenpot aan te vullen.</p>
<p>Wat in elk geval noodzakelijk is, is de RVU-boetevrijstelling (nogmaals: waarbij het bedrag dus zal moeten worden verhoogd), ook na 2024 in stand te houden. Extra prettig zou het zijn als in alle bedrijven en sectoren een weegsysteem zou bestaan, waarmee de zwaarte van beroepen kan worden vastgesteld, zodat de juiste mensen van eerder-stoppenregeling kunnen profiteren.</p>
<p>Voor de vervroegde AOW-ers op basis van mijn voorgestelde algemene regeling voor een gedifferentieerde pensioenleeftijd, en óók voor iedereen vanaf de reguliere AOW-leeftijd, zou er ook een mogelijkheid moeten zijn om met deeltijdpensioen te gaan, waarbij volledig AOW uitbetaald wordt. Werkgevers mogen dan het brutoloon aan deze werknemers verminderen met deze AOW-uitkering.</p>
<p><strong>Conclusie</strong></p>
<p>De WTP geeft een slechte uitwerking van het Pensioenakkoord en laat ook zien dat onderdelen van dit akkoord echt slecht uitpakken. Zeker in de huidige grote onzekerheid, hoge inflatie en dreigende recessie lijkt het verstandig om dit nu niet door te zetten en ons te beperken tot:</p>
<ul>
<li>betere rekenrenteregels voor indexering en kortingen,</li>
<li>de invoering van een wettelijke pensioenplicht voor alle werknemers en zzp-ers,</li>
<li>een vermindering van risico’s bij vermogensbeheer door speculatieve en risicovolle beleggingsproducten uit te sluiten, alsmede om bij te dragen aan de transitie naar een duurzame economie en oplossing van de woningnood voor huurders, met name ook voor hun deelnemers,</li>
<li>inkomens bij pensioenfondsen en hun uitvoerders (incl. vermogensbeheerders) onder de werkingssfeer brengen van de Wet Normering Topinkomens,</li>
<li>de AOW-leeftijd te differentiëren naar arbeidsverleden en/of (gemiddeld) inkomen om recht te doen aan de grote verschillen in (gezonde) levensverwachting,</li>
<li>de vrijstelling voor de RVU-boete te verhogen en deze structureel te maken, en toeslagen voor zwaar/onregelmatig werken mogelijkheid voor deeltijdpensioen te introduceren,</li>
<li>een betere regeling te treffen voor het nabestaandenpensioen.</li>
</ul>
<p>Omgekeerd zou de PvdA niet moeten instemmen met de WTP indien niet tenminste de bovenstaande zaken goed geregeld zijn. Daarbij moet tenminste ook een eerlijk en transparant ‘invaren’ van oude rechten gegarandeerd zijn, alsmede goede rechtsbescherming.</p>
<p>Zie daartoe mijn motie in de Ledenkamer voor het PvdA congres op 4 februari 2023.</p>
<p> </p>
<p>Gerard Bosman, 16 november 2022</p>
<p><a href="#_ftnref1" name="_ftn1">[1]</a> <a href="https://www.pensioenbelangen.nl/nieuws/1556-telegraaf-voortbestaan-fnv-in-gevaar-door-seniorenruzie">https://www.pensioenbelangen.nl/nieuws/1556-telegraaf-voortbestaan-fnv-in-gevaar-door-seniorenruzie</a></p>
<p><a href="#_ftnref2" name="_ftn2">[2]</a>  Het gaat om alle werknemers die geboren zijn vanaf 1 september 1954 tot en met 31 december 1961.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
