Een schuldenoffensief

  1. We komen met een Schuldenoffensief, dat echt de bakens verzet en probleemschulden voorkomt en saneert. We gaan risico meer bij kredietverstrekkers leggen door:
    • bij faillissement geen beslag meer toe te staan op toekomstig inkomen (1 maal in de 6 jaar) en de lijst van bezittingen die je mag houden bij faillissement te moderniseren;
    • bij het inleveren van het onderpand (de woning) de hypotheekschuld te laten vervallen. Tegelijkertijd worden de normen om in aanmerking te komen voor een hypotheek aangescherpt en de hypotheekrenteaftrek voor nieuwe hypotheken vervalt, waarbij tegelijkertijd gezorgd wordt voor veel meer betaalbare huur.
  2. We verzwaren de regulering van reclame voor kredietverstrekking, besteden in het funderend onderwijs aandacht aan financiële planning en verplichten alle gemeenten tot de instelling van een Geldloket waar gratis financieel advies, hulp en informatie verkregen kan worden.
  3. Sociale incasso vanuit de rijksoverheid (vaak de grootste schuldeiser) gaan we organiseren door maatwerk toe te passen bij incasso door het Rijk, met één incassobureau voor alle Rijksdiensten (dus incl. CJIB) en één beleidslijn voor het afschrijven van oninbare vorderingen. 
  4. We verplichten dat Gemeentelijke Kredietbanken met lage rentes werken (maximaal de rente waarvoor gemeenten zelf kunnen lenen plus aantoonbare kosten).
  5. De beslagvrije voet wordt verhoogd naar 95% van het verhoogde sociaal minimum.
  6. We gaan de zorgplicht vergroten van crediteuren ten tijde van het aangaan van koop-, leen- en huurovereenkomsten. Het commercieel verhandelen van schulden van huishoudens wordt verboden. De zorgplicht van banken e.a. blijft ook bij uitbesteding van incasso bij de oorspronkelijke partij in stand, ook wat betreft aansprakelijkheid.
  7. Gemeentelijke vroegsignalering moet verplicht georganiseerd worden. We verplichten de woningcorporaties, zorgverzekeraars, energieleveranciers en waterbedrijven dat zij bij twee maanden achterstand melding doen bij de gemeente. De gemeente moet dan zorgen dat hulpverleners contact leggen met de bewoners, om hen te ondersteunen om weer grip te krijgen op hun geld. Gemeenten moeten ook kijken hoe ze nóg vroeger in actie kunnen komen. Door bijvoorbeeld samen met corporaties en nutsbedrijven alert te zijn op ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals echtscheiding of verlies van een naaste. Corporaties en andere bedrijven kunnen hun klanten dan in contact brengen met instanties die hen hierbij ondersteunen.
  8. We voeren een vergunningsplicht in voor private incassobureaus in om onoorbare praktijken tegen te gaan en bij overtreding deurwaarders te kunnen sanctioneren. Private incassobureaus die woekertarieven rekenen pakken we aan met forse boetes en bij herhaling het intrekken van de vergunning. Incassokosten worden wettelijk beperkt en de voorwaarden om ze in rekening te mogen betrekken worden verstrekt.
  9. Deurwaarders moeten in onafhankelijke publieke dienst komen zoals in Zweden. Ze mogen geen eigen belang hebben bij het innen van schulden. Per huishouden kan er maar één deurwaarder zijn. We draaien de verhoging van de deurwaarderskosten terug.
  10. Schulden mogen niet meer commercieel verhandeld worden, schulden aangegaan met iemand die geregistreerd staat als met problematische schulden worden nietig verklaard.
  11. De huidige gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de schuldsanering via de rechter (Wsnp) en (het vrijwillige schuldenbewind bij) private bewindvoerders (Wcbm) worden geïntegreerd in een geheel nieuw volledig publiek schuldhulpverlening- en schuldsaneringsstelsel, waarbij de gemeenten de verantwoordelijkheid krijgen, opdat er sneller en beter gehandeld wordt:
    • Er geldt een toelatingsrecht en soms zelfs (via de rechter) wordt gedwongen hulpverlening mogelijk.
    • De gemeente moet binnen zes weken een hulpverleningsplan vaststellen, op maat opgesteld gegeven de specifieke situatie van de schuldenaar, waarbij er direct een voor iedereen bindend schuldenmoratorium ontstaat: alle schulden worden bevroren en incasso’s kunnen alleen via de gemeente plaatsvinden en alleen in overeenstemming met het plan.
    • De gemeente kan bewindvoering en budgetbeheer instellen en schulden overnemen.
    • Bewindvoerders moeten verplicht bij de gemeente in dienst en gediplomeerd/gecertificeerd zijn.
    • Het plan moet naast op het maximaal betalen van de schulden ook gericht zijn op het bieden van nieuw perspectief voor de schuldenaar.
    • De rechtspositie van de schuldenaar wordt verbeterd en er komt een recht op onafhankelijke cliëntadvies.
    • Hulpverleners moeten goed opgeleid zijn en ruime regel- en budgetruimte hebben.
    • Gemeenten krijgen hiertoe ruime extra middelen, dit wordt gefinancierd met een hogere bankenbelasting.
    • Schuldenaren en schuldeisers kunnen over besluiten van de gemeente in beroep bij de rechter. Zo’n beroep heeft geen schorsende werking.
    • Na één jaar (in plaats van de huidige drie jaar) worden resterende schulden kwijtgescholden, tenzij de schuldenaar onvoldoende meewerkt, dan wordt deze termijn verlengd (in plaats van, zoals nu, de schuldhulpverlening te staken – dat helpt niets, veroorzaakt alleen maar meer maatschappelijke kosten en zo leuk is het niet in de schuldsanering).
  12. Voor schuldenaren die al vijf jaar of langer leven op de beslagvrije voet  komt er een schuldenpardon. Nieuwe schulden maken voor mensen met problematische schulden wordt uitgesloten. Het Bureau Krediet Registratie (BKR) wordt daartoe genationaliseerd.

Gerard Bosman, januari 2021

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Een eerlijk en goed pensioen

  1. In de AOW vervalt de opbouweis. De Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) vervalt daarmee. De AOW wordt voorts individueel: dat impliceert dat de huidige korting bij samenwonenden (50% in plaats van 70% van het WML) vervalt. Deze AOW-verbeteringen en de verhoging van de AOW-uitkering door de stijging van de WML worden deels gefinancierd door het vervallen van de premievrijstelling voor AOW-ers en de afschaffing van de ouderenkorting. Deze wijzigingen werken in combinatie met andere wijzigingen in de belastingen zo uit, dat iedereen, ook ouderen, tot tenminste anderhalf modaal erop vooruitgaat.
  2. De verhogingen en verbeteringen van de AOW vergroten het aandeel van het omslagstelsel (1e pijler: AOW) en verkleinen het aandeel van het kapitaalstelsel (2e pijler: aanvullend pensioen) in ons pensioenstelstel, waarmee dat stelsel in tijden van structureel lage rentes (o.m. door de vergrijzing/ontgroening) beter toekomstbestendig is, en de aanvullende pensioenen weer geïndexeerd kunnen worden in plaats van gekort.
  3. Alle werkenden in loondienst en zzp-ers gaan verplicht een collectief aanvullend pensioen opbouwen in de 2e pijler, vanaf hun eerste werkdag.
  4. De omkeerregeling (waarbij geen belasting betaalt wordt over de pensioenpremie en het pensioenvermogen, maar wel over de pensioenuitkering) blijft in stand, maar wordt beperkt tot verplichte collectieve pensioenregelingen – 2e pijler; het individuele 3e pijler pensioen valt daardoor buiten dit fiscale voordeel).
  5. We gaan de pensioenpremie bruteren en opnemen in het loon. Dan betaalt de werknemer zelf voor zijn eigen pensioen en heeft dan dus ook zelf de zeggenschap erover. De governance van pensioenfondsen moet daarop worden aangepast: dus geen werkgevers meer in bestuur.
  6. De bevriezing van de AOW-leeftijd wordt verlengd van 2022 naar 2030. Daarna gaan we over naar een systematiek waarbij de AOW-leeftijd meebeweegt met de helft van de verandering van de gemiddelde levensverwachting (in plaats van met een derde van die verandering, zoals het Pensioenakkoord stelt).
  7. Daarenboven gaat de AOW-leeftijd eerder in voor mensen die al tenminste 45 jaar hebben gewerkt in loondienst. voor mensen die een bepaalde, bij cao vast te stellen minimumduur werken in beroepen waar statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerdere arbeidsongeschiktheid is. De kosten daarvan verhalen we door een lagere franchise in de werkgeverslasten bij deze beroepen – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken. Voor deze groepen, en ook voor iedereen vanaf 65 jaar komt er ook een mogelijkheid om met deeltijdpensioen te gaan, waarbij volledig AOW uitbetaald wordt. Werkgevers mogen het brutoloon aan deze werknemers verminderen met deze AOW-uitkering. .
  8. Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler. Met het huidige pensioenvermogen en de huidige premies is een rendement van 2,5% boven op de inflatie al genoeg om de toekomstige pensioenen te garanderen, inclusief indexatie, de vergrijzing en hogere leeftijdsverwachting. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Door te beleggen in huurwoningen bijvoorbeeld is een constant rendement van 4-5% mogelijk. Datzelfde geldt voor rendement uit hypotheken: zouden niet banken maar pensioenfondsen de hypotheekleningen verstrekken, dan kwam de hypotheekrente terecht bij (toekomstige) gepensioneerden in plaats van bij de aandeelhouders van banken. Pensioenfondsen moeten breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. Het is ook in het belang van de leden van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie. We moeten daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn:
  9. Producten met een te hoog risicoprofiel worden uitgesloten en verboden. Zoals hedgefondsen, private equity en derivaten.
  10. Premie in euro’s, dan ook investeren in euro’s. Het kleine beetje extra rendement dat te halen is met investeren in landen buiten de eurozone weegt niet op tegen de risico’s. Geen valutarisico betekent dat je dat risico ook niet hoeft af te dekken. Er zijn voldoende goed renderende investeringen in onze Europese economie. Woningen, hypotheken, bedrijven groot en klein. We maken van onze pensioenfondsen weer gewoon publieke investeerders.
  11. We sluiten een akkoord met de pensioenfondsen waarbij zij zich verplichten tot het oprichten van een gezamenlijke verhuurorganisatie van woningen voor hun gezamenlijke pensioendeelnemers, waarvan zij aandeelhouders worden.
  12. We sluiten voorts een akkoord met de pensioenfondsen opdat zij investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van de hypotheek op hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Dat percentage is hoger naarmate het inkomen lager is. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken.
  13. Binnen de pensioensector wordt de Wet Normering Topinkomens van toepassing op inkomens van bestuurders in besturen en uitvoerende organisaties. Bonussen worden gemaximeerd en onderworpen aan de beperkingen die ook voor banken gelden.
  14. Ieder pensioenfonds kent een Raad van Toezicht, samengesteld op basis van voordracht door het verantwoordingsorgaan. De verantwoordingsorganen krijgen directe zeggenschap over premie, indexatie en de toe te passen projectie rendementen. Het bestaande adviesrecht wordt vervangen door recht van amendement. Er komt directe zeggenschap van verantwoordingsorganen over de wijze van overgang van het oude stelsel naar het nieuwe stelsel door een goedkeuringsrecht. De verantwoordingsorganen bestaan uitsluitend uit direct gekozen vertegenwoordigers van deelnemers (waaronder slapers) en gepensioneerden. De besturen van pensioenfondsen worden samengesteld voor tenminste1/3 door voordracht vanuit verantwoordingsorganen, 1/3 % door voordracht vanuit vakbonden en1/3 door voordracht vanuit de Raad van Toezicht.
  15. Omdat het karakter van pensioenfondsen verandert naar vermogensbeheer gaat het primaire toezicht over van De Nederlandse Bank naar de Autoriteit Financiële Markten.

Gerard Bosman, januari 2021

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Een Plan voor de Volkshuisvesting

  1. Het Rijk en de provincies herkrijgen hun regie- en kaderstellende verantwoordelijkheid voor volkshuisvesting met bijbehorende doordrukmacht. We zorgen dat procedures om te bouwen sneller verlopen. Er komt een Nationaal Plan tegen de Woningnood: We bouwen de komende 10 jaar tenminste één miljoen huurwoningen, waarvan circa een derde sociale huurwoningen (waarvan een substantieel deel met huur van beneden 400 euro per maand). Gemeenten zijn daaraan gebonden in hun woonvisie. Provincies houden toezicht op voldoende bouw. Het gaat hierbij niet alleen om aantallen, maar ook om prijzen. We starten een apart project voor leerwerkbedrijven in de bouw met gemeenten, corporaties en onderwijsinstellingen om de tekorten aan arbeidsplaatsen te helpen op te lossen.
  2. Bij de woningopdracht komt er apart aandacht voor de effecten van de te snel en te extreem en te rigide doorgevoerde extramuralisering van de zorg (langer thuis wonen). Dat geldt zowel voor de afbouw van verpleeghuizen als van psychiatrische ziekenhuizen. Om het buiten-de-murenbeleid een succes te maken, moet er ook beleid en geld zijn voor buiten de muren. Dat moet dan ook eerst gereed zijn: naast de medische zorg ook maatschappelijke dagbesteding, activiteitenbegeleiding, betaalbare aangepaste woonruimte, iemand die op ze let en voorkomt dat ze wegkwijnen in eenzaamheid en/of verward over straat lopen, etc.
  3. Veel verzorgingshuizen zijn gesloten en de resterende gaan samen met verpleeghuizen. De leeftijd voor opname daar wordt steeds hoger en de opnameduur steeds korter. Ook belanden kwetsbare ouderen vaak onnodig in het ziekenhuis. Velen denken dat de meeste ouderen langer zelfstandig willen wonen. Maar 98 procent van de bevolking wil dat de verzorgingshuizen blijven, en 90% van mensen van 70-75 jaar die iemand kenden die niet meer zelfstandig woont, kiest niet voor langer zelfstandig wonen. Omdat kwetsbare ouderen daar onderdak, eten en verzorging vinden, en ook veiligheid, gezelschap en gezelligheid. Veiligheid betekende snelle medische hulp als je die nodig hebt. En fysieke veiligheid: in een woonwijk ben je als oudere kwetsbaar. Wat kun je als iemand met slechte bedoelingen aan de deur komt? Gezelschap betekende vergelijkbare mensen in vergelijkbare omstandigheden in de directe omgeving. Mensen met vergelijkbare gespreksonderwerpen. Gezelligheid betekende voldoende mogelijkheden tot ontspanning met bijvoorbeeld een winkel, een kapper en een horecagelegenheid in de directe omgeving. Moderne nieuwe woonvormen voor ouderen die hieraan voldoen gaan we krachtig bevorderen. Hiertoe worden onder landelijke regie regionale plannen gemaakt, en gemeenten moeten in hun woonvisie daar aanvullende richtlijnen over opstellen. Ook voor 18+-jongeren met een licht verstandelijke beperking of autisme krijgt de gemeente en de woningbouwcorporatie een bouwplicht. Gemeenten zijn voorts nu niet altijd bereid tot het betalen van een woningaanpassing voor een cliënt met een beperking. De cliënt wordt dan alternatieve woonruimte met hogere woonlasten aangeboden. Hierdoor komt de cliënt in financiële problemen. Een woningaanpassing wordt daarom weer een recht in plaats van een voorziening, met objectieve criteria en ruimte voor maatwerk ten gunste van de cliënt. De financiering hiervan blijft bij gemeenten, zodat ze geprikkeld worden om voldoende levensloopbestendige woningen te laten (ver)bouwen, als eis in hun woonvisie.
  4. De huurtoeslag wordt vervangen door een nieuw systeem van huursubsidie waarbij inkomensafhankelijke huursubsidie verkregen wordt gebaseerd op het inkomen van twee jaar daarvoor, tenzij er sprake is van een grote inkomensdaling. We zorgen dat met lagere huren en breder beschikbare huurtoeslag de huur voor lagere inkomens (tot modaal) niet meer bedraagt dan 25% van het besteedbaar inkomen en voor middeninkomens (t/m anderhalf modaal) niet meer bedraagt dan een derde van het besteedbaar inkomen.
  5. Alle huur gaat vallen onder het systeem van de huurbescherming met toepassing van het zgn. puntensysteem (woningwaarderingssysteem). Daarmee wordt ook de huur gemaximaliseerd. We gaan ook dat puntensysteem moderniseren, waardoor normale basisvoorzieningen niet meer tot extra punten leiden, de WOZ-waarde vervalt eruit (wordt vervangen door het oude systeem, waarbij extra punten worden toegekend wat betreft locatie e.d.), zodat de veel te hoge huizenprijzen niet langer meer doorwerken in de huurprijs, en een duurzaam huis (goed geïsoleerd en geventileerd, gasloos) mag niet tot meer huurprijs leiden dan de energiebesparing die het oplevert, zodat de woonlasten na verduurzaming niet meer – zoals nu – stijgen.
  6. We schrappen de inkomensafhankelijke huurverhoging en het concept van ‘passend wonen’. We gaan niet mee in het opjagen en stigmatiseren van huurders. Niet zgn. ‘scheefwoners’ zijn het probleem, maar het tekort aan betaalbare woningen.
  7. We schaffen de verhuurdersheffing af, evenals de vennootschapsbelasting en de ATAD heffing voor woningcorporaties, en veranderen dit in een rijkssubsidie van 2 miljard euro structureel. Deze krijgen ze met verplichtingen voor voldoende bouw van betaalbare huurwoningen, waarbij inkomens tot anderhalf modaal toegang krijgen tot sociale huurwoningen, voor renovatie, verbetering en verduurzaming van hun woningen (met speciale aandacht voor het ook levensloopbestendig maken) en voor lagere huren. Corporaties zijn te vaak teveel vastgoedondernemers geworden. Ze worden weer coöperaties van huurders, die niet belast maar gesubsidieerd worden. Huurders moeten instemmingsrecht krijgen op het huurbeleid. We zorgen voor huurteams in alle steden en draaien de bezuinigingen terug op de huurcommissies. De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, statutair werkgebied, geen gemeentegrensover-schrijding). De markttoets voor corporaties wordt afgeschaft. We lossen de problemen van Vestia op met een eenmalige rijkssubsidie, opdat hun huurders niet nog langer de prijs betalen voor het voormalige wanbeleid.
  8. Corporaties/coöperaties moeten anticyclisch kunnen interveniëren. Wanneer de prijzen gedaald zijn tot nabij de gebruikswaarde, kunnen zij woningen opkopen. Dit zorgt voor doorstroming op de koopmarkt, stabiliseert de prijzen, en vergroot het coöperatieve segment waar de prijzen gereguleerd zijn. De corporatie/coöperatie verloot het gebruiksrecht van de woningen vervolgens onder haar leden, waarna de bewoner een aandeel in de coöperatie koopt ter grootte van de gebruikswaarde van de woning. Op deze manier bouwt een bewoner wél vermogen op, maar profiteert hij of zij niet van een eventuele overwaarde. Aan de andere kant wordt het hebben van overwaarde minder belangrijk wanneer bewoners kunnen doorstromen naar andere betaalbare coöperatieve koopwoningen die passen bij de levensfase waarin ze zitten. Anticyclische investeringen door coöperaties en corporaties maken de woningmarkt stabieler waardoor de pieken en dalen minder uitgesproken worden.
  9. Corporaties krijgen ook meer ruimte om te investeren in de buurt. Het Rijks-wijkbeleid in de grote steden moet weer worden opgetuigd, waarbij wooncorporaties een noodzakelijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. We gaan hier 1 miljard euro structureel in investeren. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan initiatieven voor gezonde leefstijl en goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid.
  10. We trekken de Rotterdamwet in en stoppen met het daaraan verbonden beleid, dat leidt tot gentrificatie van wijken. Gentrificatie van wijken is in essentie het verwijderen van (kans)arme huishoudens uit arme wijken, het bouwen voor kapitaalkrachtige en kansrijke huishoudens in die wijken, en het aantrekkelijk maken van die wijken voor die laatstgenoemde doelgroepen – met het slopen van sociale huurwoningen, het bouwen van dure koopwoningen en het steunen van hippe winkels en horeca in plaats van Turkse winkels en theehuizen, om op die manier gemengde wijken te bevorderen. Gentrificatie is opwaardering van wijken door een sociaal onrecht. Gentrificatie is de ruimtelijke uiting van klassenongelijkheid. Gentrificatie als beleidsinstrument lost problemen in buurten niet op, maar verschuift kwetsbare bewoners naar andere buurten waar nieuwe concentraties ontstaan. Met gentrificatie wordt niet geïnvesteerd in de levenskansen van mensen, bijvoorbeeld via opleiding of werk, maar in stenen. Woningen worden opgeknapt en verkocht, maar dat komt de oude bewoners nauwelijks ten goede. Pas als koopkrachtige mensen ergens komen wonen, wordt een buurt opgeknapt. Alsof de oude bewoners het investeren niet waard zijn. De nieuwe bewoners, die meestal kopen, profiteren van de stijgende huizenprijzen. Huurders niet. Dit versterkt de toch al grote vermogensongelijkheid in Nederland. Ruimtelijk zorgt gentrificatie aanvankelijk voor meer diversiteit in de buurt, maar op langere termijn vergroot het de kloof tussen de duurste en goedkoopste buurten in een stad. Daardoor groeien stigma, segregatie en machtsongelijkheid: de problemen van de armere bewoners verdwijnen uit het zicht, terwijl sociale, economische en culturele macht zich concentreren op de centrale plekken. In plaats van arme mensen verdrijven uit hun wijken gaat onze partij weer staan voor hulp van mensen in de wijken waarin ze zelf willen wonen, gaan we een nieuwe ronde van roemruchte sociaaldemocratische stadsvernieuwing aan, waarbij – ook in die traditie – nauw samenwerken en optrekken met de bewoners en hun organisaties, herstellen we de Vogelaarswijken en herstellen we het welzijnswerk. En in plaats van sociale woningen te slopen gaan we die juist bouwen en renoveren, ook in de rijkere wijken! Wijken met een gedifferentieerde samenstelling bevorderen we niet met discriminatoir verwijderen van arme, kansarme huishoudens, maar door hun te helpen in hun ontwikkeling en perspectief, onder meer door juist in rijkere wijken meer sociale huurwoningen te realiseren. 
  11. We stoppen met het flexwonen door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. De huurovereenkomsten voor bepaalde tijd voor de duur van twee of vijf jaar verdwijnen. Studenten, jongeren en promovendi hebben recht op vervangende huisvesting (en een verhuiskostenvergoeding). We verbieden gebruiksovereenkomsten (antikraak-wonen). Bij leegstand wordt verhuurd op basis van de Leegstandswet. Er komt een boete op leegstand van langer dan een jaar. 
  12. We sluiten een akkoord met de pensioenfondsen waarbij zij zich verplichten tot het oprichten van een gezamenlijke verhuurorganisatie van woningen voor hun gezamenlijke pensioendeelnemers, waarvan zij aandeelhouders worden.
  13. We sluiten voorts een akkoord met de pensioenfondsen opdat zij investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van de hypotheek op hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Dat percentage is hoger naarmate het inkomen lager is. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken.
  14. Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren. Het recht op passende, sociale huurwoning in eigen woon- of werkgemeente wordt versterkt, met concrete, meetbare maximale wachttijden. De gemeente moet in de woonvisie aangeven hoe zij die omlaag brengen, met prioriteit voor mensen die urgent een dak boven hun hoofd dreigen te verliezen of al verloren hebben. De gemeente houdt de voortgang daarvan bij en rapporteert daarover openbaar. De provincie en ook het rijk krijgen aanwijzingsbevoegdheden als gemeenten in gebreke blijven. En overheden moeten vooral optreden als we iets signaleren.
  15. We versterken tegelijkertijd de mogelijkheden van gemeenten voor lokaal woonbeleid ten behoeve van betaalbaar wonen. Gemeenten krijgen meer ruimte om de OZB vorm te geven, met bijv. hogere tarieven bij dure huizen. We willen geen andere verruiming gemeentelijke belastingen om gemeenten met meer lage inkomens te beschermen. Gemeenten krijgen mogelijkheid en meer bevoegdheden om weer zelf te bouwen.
  16. We gaan het voorkeursrecht van gemeenten voor een actieve grondpolitiek versterken. Gemeenten mogen grond niet meer tegen marktprijzen aan woningbouwcorporaties verkopen – dit helpt lagere huren mogelijk te maken. Gemeenten kunnen gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten. Erfpachtconstructies passen in linkse grondpolitiek en worden dus eerder uitgebouwd dan afgebouwd. Ze helpen de prijzen van woningen en dus ook de huren laag te houden.
  17. Er komen meer mogelijkheden voor gemeenten om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen, bijv. met beperking onderverhuur aan toeristen en expats, door bevoordeling inwoners in de gemeente, door een woonplicht, etc. Ook kunnen gemeenten beperkingen stellen aan kopen voor dure verhuur, bijv. door een maximum prijs per m² in te stellen of kopen voor verhuur gericht toe te wijzen en te verbieden.
  18. We voeren een actief anti-woningspeculatiebeleid. Huisjesmelkers pakken we aan. We tolereren niet dat rotte appels het systeem ondermijnen, door bv. teveel mensen in een huis, opsplitsing in piepkleine appartementjes of illegale verhuur via bv. AirBNB. Gemeenten kunnen dan boetes opleggen aan eigenaren die zich niet aan de regels houden en vergunningen intrekken. Er komt een aparte huisjesmelkerstaks: een extra belasting voor iedereen die meer dan tien huizen bezit.
  19. Gemeenten moeten ook verplicht – al dan niet in regionaal verband – daklozenopvang realiseren. Oorzaken van dakloosheid moeten weggenomen worden: meer GGZ-opvang en -begeleiding; adequaat urgentiebeleid bij toewijzing woningen; vroegsignalering bij ‘life-events’ die risicovol zijn (echtscheiding, werkloosheid, etc.); en een wettelijk verbod op huisuitzetting (zeker bij huishoudens met kinderen) zonder alternatieve beschikbare huisvesting, en wanneer schuldhulpverlening wordt aanvaard. We komen met een noodplan met systeembouw voor woningen voor daklozen, waar daklozen kunnen wonen totdat er een passende reguliere woning voor hen beschikbaar is en zij daaraan toe zijn – Housing First. Vanuit onderdak wordt er passende integrale zorg en begeleiding aangeboden (zoals GGZ, SHV, verslavingszorg, jeugdzorg, etc.).
  20. We stoppen met het criminaliseren van kraken, maken een einde aan antikraakbewoning en verscherpen de leegstandswet. Bij langdurige leegstand kan de gemeente woningen en voor woning geschikt te maken andere gebouwen vorderen.
FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Een sociaaldemocratisch belastingstelsel

Inkomsten- en loonbelasting en premies volksverzekeringen (incl. ZVW)

  1. Het boxenstelsel wordt afgeschaft. We gaan alle inkomen, ongeacht of dat nu uit arbeid, eigen bedrijf of uit eigen vermogen komt, gelijk behandelen. Daarmee worden de huidige lagere tarieven voor inkomen uit bedrijf en inkomen uit eigen vermogen geschrapt, hetgeen de ongelijkheid verminderd. Inkomen uit vermogen wordt niet meer op basis van een fictief rendement, maar op basis van het werkelijk genoten rendement aangeslagen. Dat betekent dat kleine spaarders erop vooruitgaan, en grote vermogensbezitters fors meer gaan betalen. Voor het bepalen van het werkelijk rendement wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van het vermogen plus de opbrengst van verkoop van het vermogen in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. De wijzigingen beteken een belangrijke vereenvoudiging, die belastingontwijking helpt voorkomen en de uitvoerbaarheid vergroot. Deze wijzigingen geven een belangrijke bijdrage aan vermindering van ongelijkheid.
  2. De Directeur-Groot Aandeelhouder (DGA) gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap. De huidige mogelijkheden om inkomen (schier eindeloos) uit te stellen vervallen. In 2013 al constateerde de commissie-Van Dijkhuizen, die onderzoek deed naar een ander belastingstelsel, dat bedrijfseigenaren op ‘grote schaal gebruikmaken van de mogelijkheid winst in te houden.’ Een conservatieve schatting liet zien dat bedrijfseigenaren ongeveer 13,4 miljard euro winst konden uitdelen, maar daarvan slechts 3,6 miljard euro uitkeerden. DGA’s lenen nu excessief bij de eigen vennootschap om zo belastingheffing te ontkomen (nu voor gezamenlijk 55 miljard euro!). DGA’s delen zo geld niet uit als dividend en zetten het ook niet in als ondernemingsvermogen, maar wenden het voornamelijk aan voor private consumptie. We gaan de aftrekmogelijkheden voor leningen aan de DGA afschaffen. Directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) stellen nu bovendien een hoog inkomen en dus belastingheffing uit, en doen gemiddeld slechts eens in de zeven jaar aangifte, terwijl de fiscus met alle andere belastingplichten wel jaarlijks afrekent. DGA’s zitten zo hun geld op te potten totdat het weer aantrekkelijker wordt om het uit te keren, in plaats van het geld in de economie te besteden. Dit is slecht voor het economisch herstel en onrechtvaardig naar de andere belastingbetalers. Het is tijd nu eindelijk eens deze onrechtvaardige ongelijkheid te beëindigen.
  3. De premies volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) en de nominale en inkomensafhankelijke premies Zorgverzekeringswet (ZVW) vervallen en worden op voor de Rijksbegroting budgettair neutrale wijze verdisconteerd in de tarieven voor de inkomsten- en loonbelasting, behoudens de opbrengst van het vervallen van de huidige premievrijstelling voor AOW-ers. Deze laatstgenoemde opbrengst wordt gebruikt voor de financiering van de hiervoor genoemde verhogingen en verbeteringen van de AOW. De fiscalisering van deze premies impliceert dat arbeid goedkoper wordt en dat renteniers en andere bezitters van vermogen of van een groot belang (>5%) in een onderneming ook gaan meebetalen. Dit verminderd de ongelijkheid en er is een belangrijke vereenvoudiging mee gemoeid.
  4. De huidige inkomensafhankelijke algemene heffingskorting wordt vervangen door lagere en meer progressieve tarieven. Voor de Rijksbegroting gebeurt dit budgettair neutraal. Er komen daarbij meer schijven: 1e schijf inkomen tot en met het (te verhogen) minimumloon, 2e schijf inkomen vanaf WML t/m 125% van dat WML, 3e schijf inkomen vanaf 125% WML t/m modaal, 4e schijf vanaf modaal t/m anderhalf modaal, 5e schijf van anderhalf modaal t/m tweemaal modaal, 6e schijf van tweemaal modaal t/m € 100.000, 7e schijf van € 100.000 tot € 150.000, 8e schijf boven € 150.000. Het maximumtarief (8e schijf) wordt 80% (incl. verdiscontering premies volksverzekeringen/ZVW). De andere tarieven worden zodanig vastgesteld dat er voor inkomens tot anderhalf modaal netto een inkomensverbetering is, bovenop die van de verhoging van het WML, welke verbetering groter is naarmate het inkomen lager is. Door het vervallen van het boxenstelsel (zie hiervoor) gaan de nieuwe tarieven gelden voor alle inkomen, ongeacht de bron of herkomst van dat inkomen. Door deze nieuwe, sterk progressieve tarieven dragen de sterke schouders veel meer de zwaarste lasten en wordt de ongelijkheid verminderd.
  5. De huidige arbeidskorting wordt vervangen door een arbeidstoeslag voor alleen inkomens tot 125% van het WML. Deze toeslag beoogt betaald werk lonend te houden in relatie tot de verhoging van het sociaal minimum, en wordt zodanig vastgesteld dat deze negatieve werkgelegenheidseffecten ten gevolge van die verhoging compenseert. Voor zover deze vervanging een inkomensachteruitgang betekent wordt deze tot anderhalf modaal gecompenseerd met de nieuwe tarieven (zie hiervoor). Dit verkleint de armoedeval en zet deze subsidie beter in op die groepen voor wie het lonend maken van betaald werk ten opzichte van een uitkering relevant is.
  6. De ouderenkorting (incl. de alleenstaanden-ouderenkorting) vervalt in een aantal stappen die corresponderen met de verhoging van de AOW (ingevolge de verhoging van het sociaal minimum) en de wijzigingen in de AOW, zodanig dat ouderen met een inkomen tot anderhalf modaal er netto niet op achteruit gaan. De opbrengst van deze maatregel wordt gebruikt voor de hiervoor genoemde verhogingen en verbeteringen van de AOW. Dit is een belangrijke fiscale vereenvoudiging die de effectiviteit van tarieven bevorderd, en de armoedeval verminderd.
  7. De jonggehandicaptenkorting vervalt in een aantal stappen die corresponderen met de verhoging van het sociaal minimum (en daarmee van de Wajong-uitkering/Zekerheidsinkomen), zodanig dat de ontvangers van deze korting er in netto inkomen erop vooruit gaan. Dit draagt bij aan effectieve belastingtarieven en vereenvoudiging van het stelsel.
  8. De inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget worden budgettair neutraal geïntegreerd in de kinderbijslag, waarbij ouders met kinderen met een inkomen tot anderhalf modaal, geabstraheerd van andere wijzigingen die ook plaatsvinden, er niet op achteruitgaan. Dit vereenvoudigt het stelsel, maakt de tarieven meer effectief, verminderd de armoedeval en draagt bij aan de oplossing van problemen met de huidige toeslagen (zie hierna).
  9. De fiscale zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag verdwijnen, evenals de fiscale aftrek van bijzondere ziektekosten en studie- en opleidingskosten. Deze worden overbodig doordat we alle individuele, private bijdragen voor publieke zorgverlening (premie, eigen risico, eigen bijdragen) en publieke kinderopvang schrappen. We gaan de publieke zorg net als onderwijs uit de belastingopbrengst betalen. Naast het vervallen van de zorgpremies (ZVW, WLZ) vervalt ook het eigen risico in de Zorgverzekeringswet (ZVW) en de eigen bijdragen in de Wet Langdurige Zorg (WLZ) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en voor medicijnen. Het Centraal Administratie Kantoor (CAK), dat nu de eigen bijdragen in de WLZ en WMO int, kan daarmee worden opgeheven. De aftrek voor kosten van tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten blijft.
  10. De huurtoeslag wordt vervangen door een nieuw systeem van huursubsidie waarbij inkomensafhankelijke huursubsidie verkregen wordt gebaseerd op het inkomen van twee jaar daarvoor, tenzij er sprake is van een grote inkomensdaling. We zorgen dat met lagere huren[i] en breder beschikbare huurtoeslag de huur voor lagere inkomens (tot modaal) niet meer bedraagt dan 25% van het besteedbaar inkomen en voor middeninkomens (t/m anderhalf modaal) niet meer bedraagt dan een derde van het besteedbaar inkomen. We beperken de definitie van een toeslagpartner tot fiscale partners (inkomens van anderen tellen daardoor niet meer mee voor het bepalen van het recht op huursubsidie). De vervanging van de huidige fiscale toeslagen voorkomt schulden (door terugvordering vormen ze nu de grootste oorzaak van problematische schulden), voorkomt dat (zoals nu) grote groepen rechthebbenden deze niet aanvragen en draagt bij aan vermindering van de armoedeval (je houdt netto meer over bij verhoging van bruto inkomen). Het is ook een belangrijke vereenvoudiging en verbetering van de uitvoerbaarheid.
  11. De hypotheekrenteaftrek wordt sneller afgeschaft. De hypotheekrenteaftrek vervalt voor nieuwe hypotheken en voor inkomens boven de € 100.000 (deze laatste groep ontving in 2010 de helft van de € 10 miljard die jaarlijks de hypotheekrenteaftrek kost – helaas geen recentere cijfers). Bij oversluiten en verhuizen blijft de hypotheekrenteaftrek alleen in stand voor oudere hypotheken als het inkomen niet hoger is dan anderhalf modaal, de hypotheek niet verhoogd wordt, en er niet overgestapt wordt naar een meer risicovoller hypotheekvorm. Tegelijkertijd vervalt voor hen die geen recht hebben op hypotheekrenteaftrek het eigenwoningforfait, voor zover het betreft de enige zelf bewoonde woning en voor zover de WOZ-waarde daarvan niet hoger is dan een half miljoen euro. In 2030 vervalt de gehele hypotheekrenteaftrek. De hypotheekrenteaftrek vergroot nu de ongelijkheid en drijft de prijs van woningen op. De enorme omvang van hypotheekschulden, vele malen groter dan andere landen, geeft nu bovendien een groot risico bij huishoudens en banken ingeval van een crisis. Afschaffing van hypotheekrenteaftrek draagt veel bij aan effectieve belastingtarieven. Volgens het CPB (april 2020) zal afschaffing van de hypotheekrenteaftrek een welvaartsstijging van 0,5% van het bbp opleveren (zo’n 3 á 4 miljard euro per jaar) en de huizenprijzen in 5 jaar 11% doen verlagen.
  12. Ook de andere aftrekposten voor de eigen woning worden geschrapt. Er komt een vrijstelling voor heffing over inkomen uit vermogen ter hoogte van de gemiddelde WOZ-waarde van koopwoningen (2020: € 332.000) per huishouden bovenop de huidige persoonlijke vrijstelling (2020: € 30.846) – dat betekent dat ook huurders en door eigenaar-bewoners van een woning beneden die gemiddelde WOZ-waarde hiervan profiteren (cf. voorstel uit algemene heroverweging ‘Ruimte voor Wonen’).
  13. In plaats van hypotheekrenteaftrek komt er een inkomensafhankelijke fiscale subsidie op woonsparen voor inkomens tot anderhalf modaal en een eenmalige inkomensafhankelijke koopsubsidie voor inkomens tot modaal voor woningen tot aan de grens voor sociale koop. Deze grens verhogen we naar de grens voor de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Verkoop van sociale koopwoningen in strijd met de voorwaarden daarvan wordt onverbindend, waarbij de verkoper aansprakelijk wordt voor de rechtsgevolgen daarvan. Het budget voor deze subsidies is gelijk aan het budget voor de huurtoeslagen.
  14. De fiscale aftrekposten voor reiskosten voor werk worden geschrapt, en de cataloguswaarde van door de werkgever verstrekte private vervoersmiddelen, behoudens de fiets, wordt volledig als belastbaar inkomen meegeteld (de huidige bijtellingen vervallen daarmee). We gaan duurzaam vervoer anders bevorderen (zie bij verduurzaming). Dit is een belangrijke fiscale vereenvoudiging die de effectiviteit van tarieven bevorderd.
  15. De aftrekposten voor giften en vrijwilligerswerk blijven. Vrijwilligersvergoedingen van ANBI-instellingen tot € 100 per maand kunnen anders dan nu ook collectief per instelling als fiscale aftrek verstrekt worden. Vrijwilligersvergoedingen tellen niet mee bij het toetsingsinkomen voor de huurtoeslag, voor WW-uitkeringen en voor het Zekerheidsinkomen. Daarmee bevorderen we giften en vrijwilligerswerk.
  16. De aftrekposten voor alimentatie en van lijfrentepremies en inleggelden voor lijfrentes vervallen. Er is geen reden om dit te subsidiëren met belastingaftrek. Dit is een belangrijke fiscale vereenvoudiging die de effectiviteit van tarieven bevorderd.
  17. De aftrekposten voor inkomen uit bedrijf voor ondernemers worden beperkt tot strikt zakelijke kosten hoger dan € 1000 aankoopkosten en die geen betrekking hebben op werkruimte thuis, relatiegeschenken, representatie, congressen en seminars, reis- en verblijfkosten, communicatiemiddelen (telefoon, digitaal, etc.), literatuur, kleding (anders dan huidige aftrekbare werkkleding), persoonlijke verzorging, aktetassen e.d., apparatuur en instrumenten die niet tot het ondernemingsvermogen behoren, verhuizing en huisvesting, geldboeten, vervoersmiddelen met uitzondering van fiets en gebruikskosten van die vervoersmiddelen, zakelijke reiskosten en vaartuigen. Deze aftrekposten geven nu veel mogelijkheden tot misbruik en belastingontwijking en vergroten de ongelijkheid. Ondernemers moeten niet afhankelijk zijn van structurele fiscale overheidssubsidie, maar nu echt zelf hun broek ophouden. Dit is een belangrijke fiscale vereenvoudiging die de effectiviteit van tarieven bevorderd.
  18. De ondernemersaftrek op winst en verlies uit onderneming (zelfstandigenaftrek, startersaftrek, meewerkaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, stakingsaftrek) worden afgeschaft, evenals de ondernemingsfaciliteiten (mkb-winstvrijstelling, de landbouwvrijstelling, de milieu-investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving milieu-investeringen, de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, de energie-investeringsaftrek, en de herinvesteringsreserve). Bij elkaar leiden deze aftrekposten nu tot grotere ongelijkheid en grote verschillen in lasten op arbeid afhankelijk van de vorm waarin deze arbeid wordt verricht, hetgeen een grote prikkel geeft tot zelfstandig ondernemerschap in plaats van werknemer, met een zeer beperkte bestaanszekerheid, en doordat de regelgeving de handhaafbaarheid bemoeilijkt, tot schijnconstructies. Ook leidt het tot forse uitholling van de financiering van de sociale zekerheid en van de collectieve voorzieningen. De fiscale voordelen voor zelfstandigen (zowel zelfstandig IB-ondernemers als DGA’s) leiden tot lagere collectieve inkomsten als gevolg van lagere ontvangsten van belastingen en premies. Dit gaat om forse bedragen die, gezien de volumeontwikkeling van ondernemers, de laatste jaren duidelijk zijn gegroeid. De aftrekposten met betrekking tot verduurzaming worden vervangen door andere maatregelen, zie daarvoor hieronder bij verduurzaming. De inkomenspositie van zzp-ers wordt ondersteund met maatregelen, zie daarvoor hierboven bij lonen en uitkeringen.
  19. We stoppen met alle fiscale subsidiëring van schulden. We staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd 0 euro, en waarborgen een eerlijke vermogensetikettering (indien het vermogen voor het merendeel privé of voor de onderneming wordt aangewend, wordt het vermogen daar in volledigheid opgenomen).

Vermogensbelasting

  1. We voeren naast de bestaande belasting op inkomen uit vermogen ook een aparte vermogensbelasting in van 2% voor miljonairs en van 4% voor miljardairs. Dit is een belangrijke bijdrage aan verkleining van de enorme ongelijkheid in ons land en verstevigt de financiering van onze collectieve voorzieningen.

Erfenis- en schenkingsbelasting

  1. Iedere Nederlander krijgt het recht om gedurende zijn leven 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast: de eerste 500.000 euro met 40 procent, alles daarboven met 60 procent. Erfenissen zijn een belangrijke veroorzaker van onrechtvaardige bestendiging en vergroting van ongelijkheid.
  2. De vrijstelling voor het kopen van een huis voor je kinderen wordt geschrapt. Dat is een onrechtvaardige subsidie van arm naar rijk en draagt bij aan schadelijke prijsopdrijving op de woningmarkt.
  3. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers wordt eveneens geschrapt.

Vennootschaps- en dividendbelasting

  1. Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting (terug naar de niveaus aan het begin van deze eeuw; dus van 25 naar 35% resp. van 20 naar 29%) en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft, maar verhoogd van 15 naar 25%. De tarieven maken we progressief: hoe hoger de winst en het dividend, hoe hoger het tarief. We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief, beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn tenminste net zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant. Indien bedrijven vertrekken nar goedkope belastingparadijzen moeten ze een exitbelasting betalen conform het initiatief wetsvoorstel daarvoor van GroenLinks.
  2. We schrappen ook alle vrijstellingen, zoals de innovatiebox (waar multinationals te makkelijk geld maar tegen 5% kunnen laten belasten) en de deelnemersvrijstelling en voordelen met betrekking tot herstructurering van schulden en verliezen, waarmee zelfs algehele belastingvrijstelling verkregen kan worden.
  3. We gaan ook een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren. De ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen (rente aftrekbaar, winsten belast) in de vennootschapsbelasting leidt tot allerlei fiscale constructies en tot overmatige schuldfinanciering. Een gelijke aftrek voor zowel eigen als vreemd vermogen haalt die perverse prikkel weg. Dit zal een domper zijn voor in Nederland gevestigde financieringsvennootschappen (‘brievenbussen’), maar juist weer gunstig voor concernfinanciering vanuit Nederland van reële investeringen. Een gelijke vermogensaftrek is bovendien relatief gunstig voor het midden- en kleinbedrijf omdat het MKB verhoudingsgewijs met veel eigen vermogen is gefinancierd.
  4. De nieuwe Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) wordt geschrapt.

Belastingontwijking en -ontduiking tegengaan

  1. We starten een fors offensief tegen belastingontwijking en -ontduiking, met onder meer:

-Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.

-Veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per 3 jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude ieder jaar).

-Aanscherpen van vestigingseisen multinationals (o.m. werknemers en kantoor in NL).

-Belastingverdragen met derdewereldlanden solidair maken en voorzien van antimisbruikbepaling.

-Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.

-Trustkantoren (die nu vooral werken voor brievenbusfirma’s) verbieden we. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s.

-Het Koningshuis gaat gewoon belasting betalen.

Gerard Bosman, januari 2021


[i] We gaan huren verlagen door:

  • Meer betaalbaar te bouwen: er komen de komende tien jaar 100.000 nieuwe woningen bij, waarvan circa een derde sociale huurwoningen (waarvan een substantieel deel met huur van beneden 400 euro per maand). Gemeenten zijn daaraan gebonden in hun woonvisie. Provincies houden toezicht op voldoende bouw. Het gaat hierbij niet alleen om aantallen, maar ook om prijzen.
  • Alle huur gaat vallen onder het systeem van de huurbescherming met toepassing van het zgn. puntensysteem (woningwaarderingssysteem). Daarmee wordt ook de huur gemaximaliseerd. We gaan ook dat puntensysteem moderniseren, waardoor normale basisvoorzieningen niet meer tot extra punten leiden, de WOZ-waarde vervalt eruit (wordt vervangen door het oude systeem, waarbij extra punten worden toegekend wat betreft locatie e.d.), zodat de veel te hoge huizenprijzen niet langer meer doorwerken in de huurprijs, en een duurzaam huis (goed geïsoleerd en geventileerd, gasloos) mag niet tot meer huurprijs leiden dan de energiebesparing die het oplevert, zodat de woonlasten na verduurzaming niet meer – zoals nu – stijgen.
  • We schaffen de verhuurdersheffing af, evenals de vennootschapsbelasting en de ATAD heffing voor woningcorporaties, en veranderen dit in een rijkssubsidie van 2 miljard euro structureel. Deze krijgen ze met verplichtingen voor voldoende bouw van betaalbare huurwoningen, waarbij inkomens tot anderhalf modaal toegang krijgen tot sociale huurwoningen, voor renovatie, verbetering en verduurzaming van hun woningen (met speciale aandacht voor het ook levensloopbestendig maken) en voor lagere huren.
  • Corporaties/coöperaties moeten anticyclisch kunnen interveniëren. Wanneer de prijzen gedaald zijn tot nabij de gebruikswaarde, kunnen zij woningen opkopen. Dit zorgt voor doorstroming op de koopmarkt, stabiliseert de prijzen, en vergroot het coöperatieve segment waar de prijzen gereguleerd zijn. De corporatie/coöperatie verloot het gebruiksrecht van de woningen vervolgens onder haar leden, waarna de bewoner een aandeel in de coöperatie koopt ter grootte van de gebruikswaarde van de woning. Op deze manier bouwt een bewoner wél vermogen op, maar profiteert hij of zij niet van een eventuele overwaarde. Aan de andere kant wordt het hebben van overwaarde minder belangrijk wanneer bewoners kunnen doorstromen naar andere betaalbare coöperatieve koopwoningen die passen bij de levensfase waarin ze zitten. Anticyclische investeringen door coöperaties en corporaties maken de woningmarkt stabieler waardoor de pieken en dalen minder uitgesproken worden.
  • Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren. Het recht op passende, sociale huurwoning in eigen woon- of werkgemeente wordt versterkt, met concrete, meetbare maximale wachttijden. De gemeente moet in de woonvisie aangeven hoe zij die omlaag brengen, met prioriteit voor mensen die urgent een dak boven hun hoofd dreigen te verliezen of al verloren hebben. De gemeente houdt de voortgang daarvan bij en rapporteert daarover openbaar. De provincie en ook het rijk krijgen aanwijzingsbevoegdheden als gemeenten in gebreke blijven. En overheden moeten vooral optreden als we iets signaleren.
  • We versterken tegelijkertijd de mogelijkheden van gemeenten voor lokaal woonbeleid ten behoeve van betaalbaar wonen. Gemeenten krijgen meer ruimte om de OZB vorm te geven, met bijv. hogere tarieven bij dure huizen. We willen geen andere verruiming gemeentelijke belastingen om gemeenten met meer lage inkomens te beschermen. Gemeenten krijgen mogelijkheid en meer bevoegdheden om weer zelf te bouwen.
  • We gaan het voorkeursrecht van gemeenten voor een actieve grondpolitiek versterken. Gemeenten mogen grond niet meer tegen marktprijzen aan woningbouwcorporaties verkopen – dit helpt lagere huren mogelijk te maken. Gemeenten kunnen gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten. Erfpachtconstructies passen in linkse grondpolitiek en worden dus eerder uitgebouwd dan afgebouwd. Ze helpen de prijzen van woningen en dus ook de huren laag te houden.
  • Er komen meer mogelijkheden voor gemeenten om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen, bijv. met beperking onderverhuur aan toeristen en expats, door bevoordeling inwoners in de gemeente, door een woonplicht, etc. Ook kunnen gemeenten beperkingen stellen aan kopen voor dure verhuur, bijv. door een maximum prijs per m² in te stellen of kopen voor verhuur gericht toe te wijzen en te verbieden.
  • We voeren een actief anti-woningspeculatiebeleid. Huisjesmelkers pakken we aan. We tolereren niet dat rotte appels het systeem ondermijnen, door bv. teveel mensen in een huis, opsplitsing in piepkleine appartementjes of illegale verhuur via bv. AirBNB. Gemeenten kunnen dan boetes opleggen aan eigenaren die zich niet aan de regels houden en vergunningen intrekken. Er komt een aparte huisjesmelkerstaks: een extra belasting voor iedereen die meer dan tien huizen bezit.
FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Een Plan voor de Arbeid 2021

  1. We gaan sturen op volledige werkgelegenheid voor iedereen die betaald werk wil en kan, met goed en eerlijk werk – met een goede rechtspositie en beloning. We stappen af van het onterechte idee van een evenwichtswerkloosheid. Onvrijwillige werkloosheid leidt tot hoge, vermijdbare maatschappelijke kosten en persoonlijk drama. In tijden van crises scheppen we anticyclisch extra publiek werk en breiden we de scholingsinspanningen en de inkomensbescherming uit. Publieke banen als schokdempers om de bestedingen op peil te houden en de kosten van werkloosheid te vermijden. Het helpt ook tegen te grote inflatie of deflatie. Dit financieren we met solidariteitsheffingen waar nog wel veel geld verdiend wordt en met neokeynesiaans begrotingsbeleid dat tijdelijk extra begrotings- en financieringstekorten toestaat (tot 100% bnp) – hetgeen nu ook minder risicovol is dankzij structureel lagere rentes door de vergrijzing/ontgroening. Daarmee voorkomen we grote maatschappelijke kosten van crises en verkorten we de herstelperiodes. Betaalde arbeidskrachten zullen hierdoor en door de vergrijzing/ontgroening een schaarser goed worden, hetgeen een opwaartse druk geeft op de lonen en daarmee van de binnenlandse bestedingen – hetgeen ook weer werkgelegenheid bevordert. We sturen naar duurzame bestedingen, opdat de groei zich niet vertaald in negatieve milieueffecten. Alleen groei die zich binnen milieugrenzen (klimaat, circulaire economie, biodiversiteit/dierenwelzijn, gezondheid) en sociale grenzen (armoede/private schulden, ongelijkheid, werkloosheid, dakloosheid, gezonde levensverwachting, gelijke kansen) begeeft draagt bij aan onze brede welvaart.
  2. We investeren structureel 15 miljard extra per jaar aan 300.000 extra banen en aan beter betaalde banen in de publieke sector, bovenop de effecten van het hoger WML. Door verlaging van werkdruk gepaard gaande met meer autonomie en minder bureaucratie voor professionals, en de verbetering van de lonen worden de huidige kwantitatieve en kwalitatieve tekorten weggenomen en de onvrijwillige werkloosheid enorm verlaagd. Een deel van deze investeringen vloeien terug door hogere belastingopbrengsten en minder uitkeringen. Ongeveer een derde gaat naar het onderwijs/kinderopvang, een derde naar de zorg en een derde naar de rest van de collectieve sector (politie/justitie, defensie, welzijn, uitvoeringsorganisaties, openbaar vervoer, overheden, etc.). Veel van deze banen bleken in de covid-19 crisis vitale beroepen te zijn. De overheid publiceerde zelfs een lijst – het wordt tijd om dat ook te erkennen door minder werkdruk en een betere beloning en rechtspositie te realiseren. Bij de rijksoverheid organiseren we meer inhoudelijke deskundigheid en ervaring, zonder dat dit ten koste gaat van de onafhankelijkheid. Er komt meer aandacht en waarborgen voor uitvoerbaarheid en evaluatie van beleid.
  3. Van deze 300.000 extra banen worden tenminste een vijfde deel gereserveerd voor lager en middelbaar opgeleiden, zoals wijk- en schoolconciërges, bewakers van fietsstallingen, speeltuinmedewerkers, conducteurs, personeel voor stationsloketten en treincatering in het openbaar vervoer, beveiligers, schoonmakers, hoveniers, catering- en kantinepersoneel, loketmedewerkers, etc. Hierbij gelden de volgende bijzonderheden:
    • Een deel van deze extra banen wordt gecreëerd door baansplitsing, voor laag- en middelbaar geschoolde ondersteuning van hoger geschoolde professionals (bijv. assistenten in zorg en onderwijs/kinderopvang).
    • Bij de bedrijfsvoering in de publieke sector gaat maatschappelijk nuttige werkgelegenheid als doel voor aan het doel van efficiënte bedrijfsvoering en dat wordt in de bekostiging mogelijk gemaakt en beloond.
    • Alle privatiseringen en verzelfstandigingen van de laatste 25 jaar, die tot verlies van werk hebben geleid of waarbij verslechteringen van arbeidsvoorwaarden hebben plaats gevonden, worden opnieuw op hun nut en noodzaak onderzocht. Bij de toekomst van dit soort sectoren moeten de banen en goede arbeidsvoorwaarden, samen met de kwaliteit voor de cliënten centraal worden gesteld door daar de regels op toe te spitsen. Plannen als van de NS nu om tot meer stations zonder werknemers te komen, treincatering af te schaffen of zelfrijdende treinen gaan we blokkeren.
  4. We voeren de financiële dienstencheque in naar Belgisch model. Concreet: particulieren kunnen tegen het (verhoogde) WML per uur met een subsidie van 20% voor maximaal het wettelijk minimumloon maal twaalf per kalenderjaar dienstencheques afnemen, voor het inhuren van mensen voor huishoudelijk werk (schoonmaken, wassen, strijken, boodschappen doen, klein verstelwerk, bereiden van maaltijden, hulp bij verplaatsingen e.d.). Deze bedragen worden verhoogd met de premie voor een verplichte pensioenopbouw. Doel is werkgelegenheid te creëren voor laaggeschoolden en het terugdringen van zwartwerk.
  5. We vervangen het Groeifonds van Rutte III door een Nationaal Breedwelvaartsfonds van 60 miljard euro:
    • Doel is niet primair economische groei (dat is slechts een middel), maar brede welvaartsbevordering. Een bijdrage leveren aan economische groei is geen voorwaarde.
    • Groeibevordering die alleen privaat neerslaat wordt uitgesloten.
    • Prioriteit ligt bij investeringen in de kennis- en innovatiestructuur, de duurzaamheidstransities (klimaat/energie; biodiversiteit; circulaire economie; gezond en veilig milieu), digitalisering/robotisering/kunstmatige intelligentie, oplossen woningnood en leefbaarheid, en vermindering private schulden.
    • Het fonds wordt mede gebruikt voor sectorspecifieke steun voor herstel na de huidige covid-19 crisis, ook voor de cultuursector en met speciale aandacht voor het mkb.
    • Deze en andere overheidsinvesteringen worden steeds gekoppeld aan werkgelegenheidsdoelstellingen voor nieuwe extra, goede banen en aan garanties voor begeleiding en scholing naar vervangend werk waar banen bij transities verloren gaan.
    • Het fonds wordt een wettelijk verankerd begrotingsfonds waarop het budgetrecht van het parlement volledig op van toepassing is.
    • Waar het bedrijfsleven van de investeringen meeprofiteert, is er van die zijde cofinanciering.
  6. We voeren een recht op betaald werk in. Dat recht bestaat in de eerste plaats uit een recht op gratis, goede arbeidsbemiddeling voor iedere werkzoekende en loopbaanbegeleiding voor iedere werkende. Dat vraagt een ander systeem. Het huidige systeem werkt averechts: het ontmoedigt en stigmatiseert, verdringt bestaande arbeid, lost problemen niet op, is niet inclusief, en het resultaat is per saldo contraproductief. Centraal probleem is het ontbreken van eigen regie, met teveel uitgaan van wantrouwen en verplichtingen/verboden/sancties, inzetten van ineffectieve of zelfs contraproductieve instrumenten, nauwelijks scholing en oplossing van werk-belemmerende omstandigheden/complexe problemen, niet gericht zijn op goed, duurzaam en eerlijk werk, onvoldoende financiële middelen en regelruimte, onvoldoende kwaliteit bemiddelaars en ontbrekend netwerk. De contouren van een nieuw stelsel zijn:
    • We verschuiven het paradigma principieel van wantrouwen naar vertrouwen, in de overtuiging dat de meeste mensen graag betaald willen werken. We concentreren de ondersteuning op intrinsiek gemotiveerde werkzoekenden en werkgevers. Beleidsambities zoals ‘sluitende aanpakken’ en ‘iedereen een traject’ laten we daarmee los. Iedereen die wil krijgt een – gratis – traject. Met de zogenoemde ‘niet-willers’ onder werkgevers en werklozen kun je in gesprek gaan om de motivatie te peilen en te bevorderen, maar zonder de disciplinerende context van waaruit dat met het huidige beleid gebeurt. Onbetaalde dwangarbeid, zoals met de huidige tegenprestatie of onbetaalde werkervaringstrajecten, wordt verboden als instrument. Dat voorkomt ook verdringing van betaald werk.
    • Ook impliceert het uitgangspunt van eigen regie een grotere keuzevrijheid voor werklozen ten aanzien van de doelen die zij zich kunnen stellen en de invulling van trajecten waar ze aan deelnemen. Mensen zouden hierbij moeten worden ondersteund door een breed participatiebegrip – ze doen er ook toe als ze geen betaald werk hebben – en zouden professionele en transparante adviezen moeten krijgen in situaties dat zij – of hun werkgevers – onvoldoende zicht op de mogelijkheden hebben die er zijn.
    • Ook voor werkgevers geldt dat het belangrijk is dat zij regie hebben over de manier waarop ze invulling kunnen geven aan werk voor kwetsbare groepen.
    • We ontkoppelen de arbeidsbemiddeling organisatorisch, juridisch en financieel van het verkrijgen van een uitkering. Dit maakt dat de arbeidsbemiddeling, anders dan nu, gericht wordt op goed, eerlijk en duurzaam werk dat aansluit bij de wensen van de werkzoekende en van de werkgever die werknemers zoekt, in plaats van mensen zo snel mogelijk uit de uitkering te krijgen, zoals nu, waarbij hoe groter de problemen zijn om werk te kunnen krijgen, des te minder je geholpen wordt. We willen dat de arbeidsbemiddeling gestuurd wordt op de kwaliteit en effectiviteit van die bemiddeling zelf en de tevredenheid daarover van werkzoekenden en werkgevers.
    • We integreren de huidige arbeidsbemiddeling bij gemeenten en het UWV in één nieuwe organisatie, regionale werkwinkels, één per arbeidsregio. De huidige overgang van dossiers van UWV naar gemeenten blijkt in de praktijk nogal eens zand te strooien in de arbeidsbemiddeling, mede doordat de dienstverlening van het UWV niet aansluit op de gemeentelijke dienstverlening. Het is effectiever en efficiënter de arbeidsbemiddeling te integreren in één organisatie met één aanspreekpunt. Iedereen die (meer, beter, ander) werk zoekt en iedere werkgever die duurzaam werknemers zoekt, kan hier terecht.
    • De te verlenen ondersteuning moet inclusief zijn, dus prioriteit geven aan mensen die wel willen, maar kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt en/of moeilijk zelfstandig betaalde arbeid kunnen verwerven of behouden. Het is gericht op het wegnemen van belemmerende factoren, en daarbij wordt samengewerkt met gemeenten en relevante instellingen. De arbeidsbemiddeling kan loonkostensubsidie, een no-risk polis bij ziekte, subsidie voor aanpassen van de werkplek, een jobcoach, en andere ondersteuning verstrekken indien men dat nuttig acht voor het verkrijgen van goed, duurzaam en eerlijk werk.
    • Scholing behoort nadrukkelijk tot het instrumentarium, daartoe werken de werkwinkels samen met instellingen voor beroeps- en volwassenenonderwijs.
    • De werkwinkels krijgen ook tot taak om gratis loopbaanbegeleiding aan te bieden. Deze hulp moet proactief zijn, gericht op behoud van werk. Onvrijwillige werkloosheid (door beëindiging of verandering van werk, door verandering van persoonlijke omstandigheden of door gezondheidsproblemen) voorkomen is het hoofddoel. Iedere werkende krijgt een periodieke (2-jaarlijkse) loopbaankeuring en gezondheidscheck, gericht op het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid, met eventueel advies voor en ondersteuning bij aanpassingen van werk(plek). Dit laatste kan een bijdrage leveren aan kleinere gezondheidsverschillen en verschillen in levensverwachting tussen laag en hoogopgeleiden, verschillen die nu enorm zijn en schreeuwen om een aanpak. De adviezen zijn niet verplichtend, maar de keuring kan bij cao of bij ontbreken daarvan met instemming van ondernemingsraad c.q. de meerderheid van het personeel, verplicht worden. Scholing is ook hier beschikbaar. Daartoe wordt een nieuw leerrechtensysteem afgesproken (zie hierna).
    • De werkwinkels worden tripartite bestuurd door sociale partners en gemeenten.
    • Het nieuwe stelsel zal langdurige uitval krachtig moeten tegengegaan. Daarvoor is integrale, effectieve, individuele begeleiding en ondersteuning zodat werkenden die met werkloosheid of arbeidsongeschiktheid te maken krijgen of daarmee worden bedreigd, tijdig naar ander, passend werk kunnen overschakelen en uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk weer aan het werk komen. Iedereen die dat wil, krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact is. Re-integratieprogramma’s zinvol moeten zijn, dat wil zeggen dat ze mensen daadwerkelijk voorbereiden op doorstroom naar de arbeidsmarkt. Ze moeten zich dus richten op het vergroten van kennis, vaardigheden en competenties die ook daadwerkelijk op de arbeidsmarkt worden gevraagd. Arbeidsbemiddeling is een professioneel vak, dat vraagt om goed opgeleide professionals, ondersteund door toegepast onderzoek naar wat werkt en wat niet werkt.
    • We investeren structureel 1 miljard euro extra in deze nieuwe arbeidsbemiddeling en loopbaanbegeleiding.
  7. In de tweede plaats impliceert een recht op betaald werk dat er altijd een aanbod is voor vrijwillige, inclusieve publieke basisbanen:
    • Banen die op maat gemaakt worden (voltijds of in deeltijd, werktijden, thuiswerkmogelijkheden) en passen bij de mogelijkheden die werkzoekenden hebben, normaal betaald (tenminste het wettelijk minimumloon en opbouw aanvullend pensioen).
    • Met een vaste aanstelling (dus zonder uit- of doorstroomdoelstelling) en daarbij horende normale rechtspositie.
    • Het bestaande beschut werk gaat hierin op.
    • Er komt een toets om verdringing van reguliere banen door deze basisbanen te voorkomen.
    • Er is bij deze basisbanen geen toegangsselectie en geen uitstroom- of doorstroomdoelstelling, maar er is wel ondersteuning om je verder te ontwikkelen.
    • De werkwinkels zorgen in overleg met alle overheden, publieke instellingen en non-profit verenigingen en stichtingen het aanbod van deze banen. Deze worden door het rijk in een open-eind regeling gefinancierd, waarbij de besparing op de uitkering van mensen die deze banen vervullen wordt ingezet. Dit maakt het aantrekkelijk om je als publieke of non-profit werkgever te melden met basisbanenmogelijkheden en garandeert een aanbod dat ‘bottom-up’ tot stand komt voor maatschappelijk nuttige taken.
    • Resultaat is dat niemand meer onvrijwillig werkloos is of wordt. In de publieke sector moeten we de waarde van werk ook breder bezien dan alleen bedrijfsmatig. Indachtig het motto van de sociale New Yorkse bakkerij Greyston: ‘we don’t hire people to bake brownies, we bake brownies to hire people’. Arbeid als de voornaamste waarde. En de overheid als ‘employer of last resort’. Het geeft zin aan het bestaan en werk voor mensen is goed voor de samenleving als geheel.  De werkgarantie wordt wettelijk vastgelegd.
  8. Werkgevers moet het gemakkelijk en aantrekkelijker gemaakt worden om mensen met een beperking in dienst te nemen en te houden, door een proactieve, faciliterende dienstverlening met zo weinig mogelijk bureaucratie:
    • De bestaande regelingen voor facilitering van werk aan mensen met een arbeidsbeperking (zoals garantiebanen en beschut werk, jobcoach, no-riskpolis bij ziekte, subsidie voor aanpassing van de werkplek en loonkostensubsidie) worden geïntegreerd in één regeling. Nu kennen deze regelingen ieder zijn eigen voorwaarden, indicaties en geldstromen. Dat bemoeilijkt om mensen aan betaald werk te helpen: als je vastlegt wie in aanmerking komt, sluit je altijd mensen uit.
    • Er wordt aan iedere werkwinkel een expertisecentrum voor werken met een beperking gevestigd in samenwerking met de sociale werkvoorziening in de arbeidsregio.
    • De dienstverlening is gericht op individueel maatwerk voor de betrokken werkzoekende of werknemer en de betrokken werkgever, met een ruime regel- en bestedingsvrijheid voor de arbeidsbemiddelende professional, zonder aparte toegangsvoorwaarden voor ieder instrument. De persoon met een arbeidsbeperking en de werkgever hebben steeds maar één contactpersoon, voor alle vragen en ondersteuning.
  9. In tegenstelling tot het kabinetsvoorstel handhaven wij ten aanzien van garantiebanen de afzonderlijke doelstellingen voor de overheid en de publieke sector. Daarbij gaan we de door Rutte III voorgestelde bolus-malusregeling ter vervanging van de quotumheffing per 2022 wel invoeren. Deze regeling voorziet erin dat werkgevers die wel voldoende mensen met een arbeidsbeperking aanstellen tenminste netto niet meer betalen, en als men nog beter presteert een beloning krijgen (ongeveer 5000 euro per gerealiseerde extra baan). Anders dan het huidige voorstel willen we die bonus alleen bij vaste banen van voldoende omvang (tenminste 25,5 uur) verstrekken. Werkgevers die ondermaats presteren gaan meer betalen.
  10. Mensen met een beperking die gaan werken maar minder kunnen werken en/of minder productief zijn, ontvangen het normale functieloon en rechtspositie – de werkgever wordt daarbij met loonkostensubsidie gecompenseerd. De bestaande loondispensatie in de Wajong, waarbij het loon niet wordt aangevuld tot het minimumloon, maar tot de bijstandsnorm, met alle kortingen en normen die daarbij horen en waarbij geen aanvullend pensioen en WW-recht wordt opgebouwd, wordt afgeschaft.
  11. We gaan de keuring voor arbeidsongeschiktheid ten behoeve van een WIA-uitkering onafhankelijker inrichten, nu is de keuringsarts gebonden aan het beleid en belang van het UWV. We brengen deze functie onder bij de werkwinkels. We verhogen de WGA-uitkeringen.
  12. We voeren voorts verplichtende regels en minimumnormen in voor overheden en instellingen in de publieke sector om bij aanbestedingen normen voor realiseren van werk voor mensen met een arbeidsbeperking te eisen en te handhaven (social return on investment).
  13. Voor werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt de instroom bij SW-instellingen (sociale werkvoorziening) weer wordt opengesteld en die er verplicht in iedere arbeidsregio weer moet komen. De bestaande rechtspositieongelijkheid tussen verschillende groepen van SW-werknemers wordt beëindigd door iedereen een goede cao-rechtspositie (tenminste WML, aanvullend pensioen en een vaste aanstelling) te geven. De SW-instellingen krijgen daartoe voldoende Rijkssubsidie. Ze worden omgevormd tot ontwikkelbedrijven, die iedereen met een beperking of te grote afstand tot de arbeidsmarkt ondersteunt en helpt aan passend, betaald werk. Er worden daartoe substantiële extra middelen ter beschikking gesteld. Begeleiding van mensen met een arbeidsbeperking en hun werkgevers vraagt aanvullende, hoge competenties. Daarin wordt fors geïnvesteerd met een extra structureel budget van 250 miljoen euro. Ervaringsdeskundigen worden uitgebreid betrokken.
  14. We gaan een half miljard structureel meer investeren in beroepsonderwijs en in scholing voor werkenden. Het aanbod en de inrichting van het initieel beroepsonderwijs moet beter afgestemd worden op de vraag van werkgevers. Praktijkleren, dat in buitenland succesvol is juist voor lager opgeleide werkenden, is in ons land relatief onderontwikkeld. We gaan het werkend leren en stages extra bevorderen met een aparte studiekostenregeling met loonkostensubsidie en ondersteuning van werkgevers. ROC’s (mbo-instellingen) met veel leerlingen uit achterstandsituaties ontvangen gericht extra overheidsgeld om voortijdig schooluitval te voorkomen. De leerplicht wordt verlengd totdat er een startkwalificatie is behaald, behoudens waar er door een beperking dat niet haalbaar is.
  15. Er vinden nu voorts te weinig gerichte investeringen plaats in met name kennis, kunde en vaardigheden tijdens de loopbaan, en dan met name bij minder hoog opgeleiden. Deze onderinvesteringen leiden tot onderbenutting van het persoonlijk menselijk kapitaal als van de daarvan te verwachten maatschappelijke baten. Het leidt zowel tot arbeidstekorten (er kan geen geschikt personeel gevonden worden) als tot werkloosheid (mensen kwalificeren zich niet voor de beschikbare banen). Ook op het toppunt van onze recente hoogconjunctuur stonden er nog steeds ruim 1 miljoen mensen onvrijwillig langs de kant, terwijl tegelijkertijd het aantal vacatures recordhoogtes bereikte. De middelen voor scholing en ontwikkeling van werkenden nu vooral terecht komen bij diegenen die dat het minst nodig hebben (hoger opgeleid, jonger, vast contract) – werkenden die leren het meest nodig hebben (wat lager opgeleid, wat ouder, veelal met een flexcontract), leren daardoor het minst. Werkenden ervaren nu ook nauwelijks de noodzaak tot scholing en ontwikkeling, of pas wanneer het bij dreigend ontslag vaak al te laat is. En het onderwijsaanbod is ook gebrekkig en voornamelijk gericht op initiële scholing en op relatief langdurige diploma-gevende trajecten. We lullen al een leven lang over levenslang leren, maar het is nog steeds niet gelukt om daar invulling aan te geven. Dat terwijl we zien dat het niet tijdig volgen van bij- en herscholing, of omscholing, wanneer aan bestaand werk een einde dreigt te komen, een belangrijke oorzaak is van onvrijwillige werkloosheid. We gaan daarom eindelijk een wettelijk stelsel van leerrechten invoeren:
    • Iedereen krijgt bij geboorte (en bij immigratie na gelijkstelling aan of verkrijging van Nederlanderschap) een gelijk aantal leerrechten. Bij migratie op latere leeftijd is er correctie op leerrechten, afhankelijk van genoten vooropleiding.
    • Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs) is gratis en kost geen leerrechten. Gebruik van initieel tertiair onderwijs kost leerrechten, waarbij hoe hoger het niveau, het meer leerrechten kost. De leerrechten kunnen voorts gebruikt worden voor bij- en nascholing of voor omscholing.
    • Volgen van scholing wordt in de beloningssystematiek beloond.
    • Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor scholing richting betaald werk.
    • De transitievergoeding kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor leerrechten.
    • Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld.
    • De financiering van de leerrechten geschiedt tripartite door de overheid en een werkgevers- en werknemerspremie.
    • De bestaande sectorale opleidingsfondsen worden geïntegreerd in het nieuwe leerrechtensysteem. Ook de gelden voor duurzame inzetbaarheid uit het pensioenakkoord (800 miljoen euro) moeten hierbij betrokken worden – deze gelden worden (anders dan in het pensioenakkoord) structureel gemaakt.
  16. We dringen de overmatige flexarbeid fors terug:
    • Nulurencontracten worden verboden.
    • De bewijslast of iemand een werknemer is wordt omgedraaid.
    • De ‘ketenregeling’ wordt weer beperkt van drie naar twee jaar (als je langer bij een werkgever in dienst bent, dan moet je in vaste dienst worden genomen), met uitzondering voor seizoensarbeid.
    • We beperken het aantal contractsvormen tot drie: werknemer, uitzendkracht en zelfstandige. Hoe de gezagsrelatie feitelijk is, gaat de contractrelatie bepalen, waarbij geldt dat iemand een werknemer is, tenzij de werkgever/opdrachtgever bewijst dat dit anders ligt. De feitelijk werkgever wordt ook de juridisch werkgever (van belang bij bijv. platformbedrijven).
    • Als platformbedrijven betrokken zijn bij het beheer van de geldstroom voor de betaling van de werkzaamheden moeten zij ook zorgdragen voor de afdracht van (loon)belasting en sociale premies. Ook bij bemiddeling van zelfstandigen moet de bemiddelde partij de fiscale afdrachten gaan verrichten.
  17. We verhogen het wettelijk minimumloon (WML) met telkens 10% per 2022, 2023, 2024 en 2025, met behoud van de koppeling aan het sociaal minimum, waardoor de AOW, bijstand, Wajong, WAO/WIA, en WW meestijgen (voor toeslagen en LIV zie hierna). Daarbij gelden de volgende bijzonderheden:
    • Er wordt een WML per uur ingevoerd conform het initiatiefwetsvoorstel van de PvdA.
    • De minimumleeftijd voor het WML wordt verlaagd van 21 naar 18 jaar.
    • Voor minderjarige werkenden gaan we uit van treden van 20%-punt per leeftijdsjaar van het verhoogde WML.
    • We gaan uit van de doorwerking van deze verhogingen van het WML in de andere lonen conform de verkenning van het CPB hierover van 11-12-2020.
    • Deze verhoging wordt deels gecompenseerd door hogere belastinginkomsten.
  18. Tegelijkertijd met het verhogen van het WML worden de werkgeverslasten verlaagd met een tijdelijke, aflopende loonkostensubsidie voor banen tot tweemaal modaal, ter hoogte van de door CPB berekende extra loonkosten van het hogere WML (zie CPB, Kansrijk arbeidsmarktbeleid, update minimumloonbeleid, april 2020), per jaar met 20% aflopend. De huidige Lage Inkomens Voordeel (LIV) in de werkgeverslasten verdwijnt daarbij. De lastenverlichting wordt alleen verstrekt voor vaste banen (incl. voorlopige aanstelling met uitzicht op vaste dienst).
  19. We voeren een wettelijk minimumtarief in voor zzp-ers van € 30 per uur. Hieruit moet ook de verplichte aanvullende pensioenpremie betaald worden.
  20. We vervangen de huidige bijstandsuitkering krachtens de Participatiewet (incl. IOAW en IOAZ) en de Wajong door een Zekerheidsinkomen, dat voor ieder huishouden het inkomen aanvult tot het (hogere) sociaal minimum, zonder nadere verplichtingen en verboden. Hierbij gelden nog de volgende bijzonderheden:
    • De kostendelersnorm vervalt.
    • Voor een gezamenlijk huishouden worden alleen fiscale partners in aanmerking genomen.
    • Er geldt een vermogensvrijstelling van € 100.000 plus de waarde van de eigen bewoonde woning.
    • Er geldt een giftenvrijstelling van € 100 per maand, en teruggave bij de jaarafrekening van periodiek te betalen kosten (zoals bij energie) en opbrengsten van verkoop van roerende goederen, die niet met dat doel zijn ingekocht, worden vrijgesteld bij een herformulering van wat als inkomen gezien wordt (en leiden dus niet meer tot kortingen).
    • De uitkering wordt juridisch, financieel en organisatorisch ontkoppelt van de arbeidsbemiddeling. Daarmee vervallen o.m. de huidige sollicitatieverplichting, meewerkingsplicht, de tegenprestatie, de taaleis, en de inlichtingenplicht anders dan opgave van inkomen en vermogen (die men online zelf per maand kan wijzigen en achteraf gecontroleerd wordt).
    • De uitkering wordt landelijk verstrekt.
    • Het Zekerheidsinkomen maakt de in het pensioenakkoord overeengekomen invoering van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zzp-ers overbodig.
    • Mensen die duurzaam (tenminste een half jaar) uitstromen naar betaald werk zodat ze geen Zekerheidsinkomen meer ontvangen alsdan een premie van € 2000.
  21. Het Zekerheidsinkomen betekent ook een enorme besparing aan uitvoeringskosten van deze verplichtingen en de controle daarop. We trekken de sanctiewet sociale zekerheid in, schaffen algoritmen als opsporingsmethode af (die werkt in de praktijk discriminerend) en heffen het inlichtingenbureau rechtmatigheidscontrole gemeenten op (ook bij de zorg). Door het opheffen van veel verplichtingen is er ook veel minder te controleren. Wat overblijft aan informatieplichten wordt niet meer gecontroleerd met privacy schendende methoden, en de bewijslast wordt niet meer omgedraaid. Fouten worden onderscheiden van opzettelijke fraude. Sancties worden proportioneel. We gaan het zeer eenvoudig maken om wijziging gegevens door te geven, zowel digitaal als telefonisch of via geldloketten bij iedere gemeente (zie hierna).
  22. De bijzondere bijstand blijft in stand bij gemeenten voor aanvullend maatwerk om armoede en problematische schulden te voorkomen, zonder inkomensgrenzen. De huidige beperkende regels daarbij vervallen. De toekenning geschiedt op basis van een door de gemeenteraad vastgestelde gemeentelijke verordening, waarbij een hardheidsclausule en bezwaar- en beroepsprocedure verplicht zijn. Gemeenten ontvangen van het Rijk een doeluitkering voor de bijzondere bijstand met een progressief stelsel, gebaseerd op de inkomensverdeling in gemeenten. Deze wijziging geschiedt voor het Rijk budgettair neutraal.
  23. We maken de toegang tot de WW makkelijker. Nu moet je 26 weken aaneengesloten gewerkt hebben in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag om voor WW in aanmerking te komen, daar komen veel flexwerkers niet aan. We schrappen de voorwaarde dat het aaneengesloten moet zijn. En we verlengen de WW-duur – de minimumduur van 3 naar 8 maanden (dat geeft meer ruimt om te voorkomen dat mensen in de schulden komen door een te snelle terugval in inkomen) en de maximumduur weer terug van 2 naar 3 jaar (in tijden van crisis moet je de bescherming uitbreiden). Daarnaast voeren we een permanente regeling in voor deeltijd-WW. We voeren premiedifferentiatie in bij de WW waarbij naarmate er meer instroom is een hogere premie verschuldigd is.
  24. We zorgen voor eerlijke beloningsverhoudingen:
    • Met een Wet op maximale beloningsverschillen binnen één bedrijf/organisatie, met een wettelijke norm voor maximale beloningsverschillen en afwijkingsmogelijkheden alleen met instemming van OR/meerderheid personeel.
    • De werkingssfeer van de Wet normering topinkomens wordt uitgebreid naar o.m. woningcorporaties, pensioenfondsen (incl. hun uitvoeringsorganisaties), het Koningshuis, zorgaanbieders en alle instellingen die geheel of grotendeels afhankelijk zijn van overheidsbekostiging, en bestaande vrijstellingen vervallen direct – schijnconstructies zoals nu bij de publieke omroep worden uitgesloten.
    • Voor verbetering beloning in publieke sector zie onder werk.
  25. Er komt een verplichte moderne collectieve vermogensaanwasdeling, waarmee werkenden bij bedrijven meedelen in de vermogensopbouw bij het bedrijf en bij aandeelhouders. Bij voorkeur in vormen waarmee ook zeggenschap verkregen wordt. De hoogte is bij bedrijven die dividend uitkeren tenminste gelijk aan de hoogte van de dividenduitkering.
  26. Er komt meer betaald zorgverlof: 10 dagen kraamverlof en 4 maanden ouderschapsverlof voor beide partners, overeenkomstig het besluit van het Europees Parlement, en wel volledig doorbetaald (met een maximum inkomen van tweemaal modaal) en volgens het Noorse model: iedere partner heeft een individueel recht en als één van die partners zijn of haar verlof niet opneemt vervallen bij die partners vakantiedagen.
  27. We voeren een tijdelijk coronaverlof in, waarmee werknemers recht krijgen op extra betaald verlof als dat nodig is om thuis kinderen op te vangen, en een recht op thuis werken als de aard van de werkzaamheden dat mogelijk maken. De werkgevers worden voor het coronaverlof gecompenseerd.
  28. Eerlijk werk gaat ook over betere rechten van arbeidsmigranten en geen oneerlijke concurrentie over de ruggen van werknemers. Werknemers in de EU moeten zeker zijn van een eerlijk loon, waar ze ook werken en waar zo ook vandaan komen. De handhaving moet worden versterkt, o.m. met een Europese arbeidsinspectie, waartoe recent besloten is. De aanpassing van de Europese detacheringsrichtlijn daarover wordt strikt uitgevoerd en in de EU strijden we voor scherpere richtlijnen, waarbij geen sectoren meer worden uitgezonderd (zoals nu de transportsector), de periode waarin de richtlijn niet van toepassing is, wordt beperkt tot maximaal een maand en ook sociale premies betaald moeten worden in het land waar feitelijk gewerkt wordt. Ook de mogelijkheid voor lidstaten om keten- en brievenbusconstructies niet te verbieden, moet worden geschrapt. Zolang dat nog niet zo is, moeten we dat in ieder geval in ons land wel verbieden.  
  29. We maken een einde aan de misstanden bij de huisvesting van seizoenarbeiders. We voeren direct de adviezen van de Commissie Roemer uit:
    • Alle arbeidsmigranten moeten geregistreerd staan in de Basis Registratie Personen (BRP).
    • Arbeidsmigranten moeten zelfstandige huisvesting hebben.
    • Er komt een verbod op de combinatie van werkgever en huurbaas.
    • Er wordt streng gehandhaafd op hygiëne en gezondheidsregels, ook bij het vervoer.
    • Werkgevers en uitzendbureaus mogen niet meer tussen de zorgverzekeraar en de verzekerde arbeidsmigrant zitten. De zorgpas moet in bezit zijn van de arbeidsmigrant. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst loopt de verzekering nog door zolang de arbeidsmigrant nog in ons land verblijft.
    • Uitzendbureaus krijgen opnieuw weer een vergunningplicht, nu blijkt dat er op grote schaal fraude wordt gepleegd met arbeidsmigranten. Zij moeten vooraf een waarborgsom storten, die vervalt bij ontneming van de vergunning. Bestuurders van uitzendbureaus moeten een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) hebben en aan wettelijke criteria voldoen. Er komen maatregelen tegen turboliquidaties en doorstart van malafide uitzendbureaus.
    • Werknemers komen zoveel mogelijk in vaste dienst.
    • Werkgevers en opdrachtgevers worden aansprakelijk voor goede naleving van alle voorschriften.
    • Er komen zowel landelijke als gemeentelijke informatieloketten voor arbeidsmigranten in hun eigen taal.
  30. We versterken de positie van werknemers in het ontslagrecht. We gaan borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand.

Gerard Bosman, januari 2021

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Motie een goed en solidair pensioen voor iedereen

De PvdA in congres bijeen in januari 2021,

Overwegende dat:

  • Minister Koolmees in zijn recente kamerbrief en antwoorden op vragen over de uitvoering van het pensioenakkoord vasthoudt aan zijn neoliberale uitgangspunten;
  • De PvdA fractie het pensioenakkoord op hoofdlijnen steunt;
  • De PvdA fractie voorwaarden verbindt aan haar steun aan het pensioenakkoord;
  • In het pensioenakkoord is voorzien in het gebruik van projectierendement als objectieve, eerlijke en deugdelijke maatstaf voor berekening van premie en indexatie;
  • De FNV heeft opgeroepen om de instrumenten van het pensioenakkoord waar mogelijk in de overgangsfase alvast te benutten
  • De voorgestelde tijdelijke verlaging van de grenzen naar 90% bij handhaving van de risicovrije rekenrente geen recht doet aan een stabiel en vertrouwenwekkend stelsel.

Constaterende dat:

  • Gepensioneerden en deelnemers een indexatie en koopkracht achterstand hebben van circa 20% terwijl de premies stijgen;
  • Toepassing van het gemiddelde projectierendement voor premie en indexatie ruimte biedt voor stabiele premies en beperkte indexatie;
  • Deelnemers en pensioengerechtigden hun vertrouwen in het nieuwe stelsel dreigen te verliezen;
  • De PvdA heeft geëist dat invoering van het pensioenakkoord evenwichtig en solidair dient te zijn.

Verzoekt de fractie van de PvdA om bij haar inbreng en het debat over de uitwerking van het pensioenakkoord initiatief te nemen om toepassing van projectierendement conform pensioenakkoord voor premie en indexatie af te dwingen.

Toelichting

Het pensioenakkoord is op vele punten een verbetering ten opzichte van het bestaande stelsel.

Het behoudt de solidariteit mits dat ook bij de uitwerking wordt zeker gesteld.

Het kan zorgen voor een eerlijke en evenwichtige overgang zonder dat met grote bedragen wordt geschoven tussen en binnen generaties. Maar dat dient wel te worden zeker gesteld. Onder andere door die overgang te doen op basis van de ingelegde premie en de werkelijk behaalde rendementen of ter controle tegen het projectierendement per leeftijdscohort. Dan is er ook geen enkele reden om het individuele bezwaarrecht uit te schakelen.

Het akkoord voorziet in minder snelle verhoging van de AOW leeftijd en samen met onze AOW verhoging voor betaalbare premies. Het akkoord voorziet in meer ruimte voor eerder stoppen voor mensen met een zwaar beroep en op termijn na 45 jaar te hebben gewerkt.

Het akkoord zorgt ook dat niet langer met twee maten zal worden gemeten bij het berekenen van de premie en het bepalen van de dekkingsgraad voor indexatie.

Het akkoord beperkt de risicohouding van pensioenfondsen door die beter af te stemmen op de samenstelling van de fondsen naar leeftijd. Dat voorkomt speculatief zakenbankier gedrag.

En tenslotte gaat het pensioenakkoord zorgen voor veel grotere transparantie. Daarmee wordt voorkomen dat er nog langer sprake zal zijn van subsidiëren van hoge pensioenen door kleine pensioenen.

Het is dan ook terecht dat de PvdA het akkoord op hoofdlijnen steunt en samen op trekt met de FNV.

Maar er is nog veel niet of half geregeld. Het is bijvoorbeeld niet uit te leggen dat de uitgangspunten deugen voor 2026 en later, maar in 2021 en de andere overgangsjaren niet.

Daarom vraagt de FNV en daarom vragen de pensioenfondsbesturen om de uitgangspunten ook tijdens de overgangsperiode te kunnen toepassen. In dat geval is een gekunstelde constructie met “90%” dekkingsgraad niet nodig en hebben we ook in 2022 geen last van de doorgeslagen neoliberale risicovrije marktrente. Die heeft namelijk niks te maken met de werkelijke rendement verwachtingen, niet voor gepensioneerden en zeker niet voor jongeren. Die kunstmatige constructies zorgen ervoor dat jongeren te maken krijgen met onnodige premie verhogingen of verlaging van hun pensioenopbouw. En ze dreigen voor gepensioneerden tot, ook volgens de pensioenfondsen, volstrekt onnodige kortingen te leiden.

Deze motie vraagt onze fractie om de daad bij het woord te voegen en samen met de FNV op te trekken.

Pas de uitgangspunten van het pensioenakkoord per direct toe in de vorm van projectierendement per leeftijd. Dan kan de grens van de gemiddelde dekkingsgraad gewoon zoals afgesproken naar 100%.

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Motie luchtvaart

De PvdA in congres bijeen in januari 2021,

Constaterende dat:

  • de PvdA in haar verkiezingsprogramma stelt dat de luchtvaart moet verminderen en dat de luchtkwaliteit voor omwonenden van grote industrieën, zoals Tata Steel of Schiphol, moet verbeteren.
  • de heer Benschop, CEO van Schiphol en prominent PvdA-lid, in een interview met het Parool d.d. 26 december 2020 aangeeft dat hij vindt dat zowel Lelystad Airport geopend moet worden als dat Schiphol moet groeien.
  • het verkiezingsprogramma nu de volgende onduidelijk geformuleerde zinsnede hanteert ‘Positie luchthavens opnieuw gewogen. In het licht van deze vermindering van de luchtvaart, de overlast van de luchtvaart op bewoners en de werkgelegenheid, zal de positie van Schiphol én de regionale luchthavens opnieuw gewogen moeten worden.’ 

Overwegende dat:

  • de lobby door PvdA-leden, zoals de CEO van Schiphol maar ook anderen, al eerder van invloed is geweest op politieke beslissingen.
  • een vermindering van luchtvaart en overlast op dit moment alleen bereikt kan worden via een krimp van het aantal vliegbewegingen. Van duurzamere luchtvaart is immers nog lang geen sprake.

Spreekt, in het verlengde van ons verkiezingsprogramma, uit dat:

  • het aantal vliegbewegingen op Schiphol beperkt moet worden tot 400.000, dat Lelystad Airport niet open gaat en dat er geen groei is op regionale vliegvelden.

En gaat over tot de orde van de dag.  

Rosanne Rootert, mede namens Linksom en netwerk PvdA Duurzaam

Toelichting

De luchtvaart zorgt voor een aanzienlijk deel van de CO2-uitstoot, maar is helaas niet meegenomen in het Parijs-akkoord. Het is daarom aan nationale overheden om zelf paal en perk te stellen aan de luchtvaart om daarmee klimaatverandering te voorkomen.

Vanwege corona wordt er nu veel minder gevlogen. De heer Benschop geeft in het Parool-interview aan dat Schiphol pas over een paar jaar weer op het oude aantal vluchten zal zijn. Desondanks zegt hij dat ‘de politieke roep om de voor november 2021 geplande opening van Lelystad Airport opnieuw uit te stellen of helemaal te schrappen (…) averechts zal werken’. Dat werkt volgens hem ‘rucksichtslose groei met pretvluchten op Schiphol en overlast in de omgeving juist in de hand’. Hij wil dat na het corona-herstel Schiphol alsnog mag groeien. Hij spreekt over ‘gematigde groei’, maar ook gematigde groei is geen krimp. Ook zegt hij dat Schiphol samen met luchtvaartmaatschappijen, afhandelaren en bedrijven één systeem vormt. Schiphol is echter voor 70% van de Nederlandse Staat (en zelfs voor 92% in overheidshanden). Schiphol zou daarom altijd een belangenafweging moeten maken die niet alleen om groei en economische belangen draait maar ook om de veiligheid en gezondheid van burgers en omgeving.

In een tijd dat steeds meer Nederlanders zich zorgen maken over klimaatverandering en het dus ook voor de hand ligt dat zij minder zullen gaan vliegen, is het onbestaanbaar dat Schiphol blijft groeien en Lelystad open moet, alleen om het aantal overstappers voor internationale vluchten verder te vergroten. Als Schiphol terug gaat naar 400.000 vliegbewegingen zal het niet meer in overtreding zijn met het niet-aanvragen van een natuurvergunning wegens stikstofuitstoot. Het komt dan ook overeen met de eis van de milieuorganisatie Mobilization for the Environment (MOB) en de bewonersorganisaties rondom Schiphol.

De komende decennia is krimp de enige mogelijkheid om vliegen duurzamer te maken. KLM en Schiphol noemen biobrandstof vaak als oplossing voor een duurzamere luchtvaart. Dat is voor nu echter een schijnoplossing. Biobrandstof wordt bij KLM tot nu toe maar voor maximaal 0,18 procent bijgemengd. KLM heeft gezegd in 2030 voor 14 procent op biobrandstof te willen vliegen. De grondstoffen daarvoor zijn er echter eenvoudigweg niet.

Voor ons als partij is behoud van werkgelegenheid erg belangrijk. Qua economische positie van Schiphol, en dus ook het behoud van banen, is groei niet nodig. De Werkgroep Toekomst Luchtvaart acht 340.000 vluchtbewegingen voldoende om Schiphol te laten functioneren als spil tussen het Nederlandse bedrijfsleven en wereldwijde economische centra.

Ons programma heeft de titel ‘een eerlijker en fatsoenlijker Nederland’. Laten we dat vooral ook op onszelf toepassen. Te vaak lobbyen partijleden achter de schermen voor economische belangen van de grote industrie. Zo berichtte Follow The Money op 18 december 2020 over de lobby voor Lelystad Airport door PvdA-prominenten en eerder in 2020 uitte een hoogleraar al kritiek op de niet-transparante lobby vanuit de CEO van Schiphol richting de minister van I&W.

Op sociale media zorgden zowel het FTM-artikel als het Parool-interview voor veel verontwaardiging. In een tijd dat de integriteit van onze partij vanwege de toeslagenaffaire ter discussie staat, is het des te belangrijker om ons te ontdoen van de zweem van achterkamertjespolitiek.

Het wordt tijd dat we overlast, gezondheidsklachten en milieuschade niet meer voor lief nemen. ‘Zonder een duurzame toekomst geen bestaanszekerheid’ staat in ons programma. Dat komt bijna nergens meer naar voren dan in deze kwestie. Het is juist nu tijd de PvdA om niet meer te kiezen voor de ‘gebalanceerde’ formulering. We moeten nu de durf te hebben om stelling te nemen tegen de lobby en de invloed van de grote industrie en om te kiezen voor transparantie van democratische processen en het welzijn van onze burgers en van toekomstige generaties. Laten we die verantwoordelijkheid nemen.

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Motie inkomensondersteuning bij crisis

Motie inkomensondersteuning bij huidige crisis

De PvdA in congres bijeen in januari 2021,

Overwegende dat de covid-19 pandemie nog lang economisch schade lijkt te veroorzaken,

Van oordeel dat naast de inzet om zoveel mogelijk mensen aan het werk te houden met ontslagverboden bij steun, werk-naar-werk trajecten en crisisbanen, er ook een aanvullende tijdelijke inkomensgarantie gewenst is,

Roept onze Tweede Kamerfractie op om te bevorderen dat er ook een inkomensgarantie is voor iedere werkende die getroffen wordt door de crisis, zo lang als nodig is, zoals bijv. door GroenLinks met het crisisinkomen is voorgesteld,

alsmede om ook solidariteitsheffingen ingevoerd worden bij hen die juist profiteren van de crisis en/of met hoge inkomens/vermogens die hierdoor niet geraakt worden;

En gaat over tot de orde van de dag.

Rik Hindriks, Louis Plas en Gerard Bosman

Toelichting

Zie bijv.: https://joop.bnnvara.nl/nieuws/groenlinks-bepleit-crisisinkomen-tot-1-juli-2021

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Motie vaccinatie en testen covid-19

De PvdA in congres bijeen in januari 2021,

Overwegende dat een derde golf van infecties met covid-19 te allen tijde voorkomen moet worden,

Roept onze Tweede Kamerfractie op om:

  1. Voorstellen te doen die met bijv. testbeleid en vaccinatie bevorderen dat de economie weer open kan op een verantwoorde, veilige manier,
  2. Een aparte organisatiestructuur met speciale tijdelijke volmachten en/of bevoegdheden onder centrale leiding te bevorderen voor het met de hoogste urgentie vaccineren, het (snel)testen, het opsporen van besmettingen en het in quarantaine plaatsen en controleren van besmette personen;
  3. Te bevorderen dat er een heldere, controleerbare indammingsstrategie komt waarbij ook het niet reizen duidelijk en controleerbaar een plaats heeft, gericht op het snel naar beneden brengen van het reproductiegetal tot een zeer lage waarde (bijv. <0,3);

En gaat over tot de orde van de dag

Toelichting

Zie de adviezen van het RED-team c19NL: https://www.c19redteam.nl/

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Motie huurders in de PvdA

Motie huurders in de PvdA

De PvdA in congres bijeen in januari 2017

Constaterende:

-dat de Werkgroep Huurders vanaf 2012 binnen de partij de aandacht heeft gevestigd op de specifieke belangen van huurders en woningzoekenden;

dat de werkgroep zich nadrukkelijk heeft gemanifesteerd als landelijke werkgroep;

dat er bij veel partijgenoten veel waardering is voor de kennis en de inzet van de werkgroep;

dat de werkgroep inbreng heeft geleverd voor het verkiezingsprogramma waar goed gebruik van is gemaakt;

dat er echter helaas op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer geen bewezen huurdersbelangenbehartiger staat (anders dan die van wethouders en woningcorporaties) die de taal van huurders spreekt;

Er kennis van genomen hebbende dat de Werkgroep Huurders in oktober 2020 is gestopt bij gebrek aan ervaren steun vanuit het partijbestuur;

Spreekt uit dat het voor de PvdA als volkspartij essentieel is om meer werk te maken van de directe samenwerking met huurders en woningzoekenden en hun organisaties;

Draagt het partijbestuur op om met een plan te komen voor een doorstart van de Werkgroep Huurders met actieve huurders waarbij het partijbestuur helder aangeeft wat de rol en positie van de werkgroep is binnen de partij en hoe zij die rol definiëren in relatie tot de partijdemocratie en de volksvertegenwoordiging,

En gaat over tot de orde van de dag.

Gerard Bosman

Anita Engberts

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail