Inleiding

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 concrete voorstellen voor het PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

“Waar visie ontbreekt, komt het volk om” – Joop den Uyl

Ons nieuwe programma moet ervoor zorgen dat onze PvdA weer de politieke agenda bepaalt. Bij de komende verkiezingen krijgen we de kans om de publieke zaak weer voorop te zetten, om de markt te temmen, om een einde te maken aan de schrijnende ongelijkheid en discriminatie, om onze economie en manier van leven duurzaam te maken. We moeten laten zien dat ook andere waarden een rol spelen dan alleen de individuele of economische. We moeten het radicale alternatief presenteren als we weer een partij van waarde willen zijn.

We geven nieuwe energie aan de progressieve beweging. We geven moed en inspiratie aan de vele mensen die, juist nu het weer crisis is, het vertrouwen in de overheid en hun medeburgers verliezen. De macht niet meer alleen bij de 1% rijksten, maar bij  ons allen. Dat is de democratie waar onze ambitieuze ideeën invulling aan geven.

Radicale keuzes

De kern van politiek is een strijd van ideeën. In het geval een progressieve partij is de kern van de strijd ideeën die verandering brengen en werken naar een betere toekomst. Een progressieve beweging is de uitdager van de status quo. Niet de beschermer. Gebaseerd op waarden als solidariteit, rechtvaardigheid, gelijkheid en verantwoordelijkheid. Vrijheid is een groot goed, maar is gebonden aan de rechten en waardigheid van anderen.

Dat doen we door het agenderen van progressieve ideeën. Radicale ideeën. Ambitieuze ideeën. Ideeën die gevoel van urgentie weergeven. Linkse politiek in Nederland gaat echt veel te veel om waardes als haalbaarheid en begrotingsevenwicht. Het zuigt alle energie uit de progressieve beweging. Als je jouw agenda bepalend wil laten zijn moet je jouw waarden radicaal en met trots uitdragen. Onbeschaamd.

Een progressieve partij brengt ideeën die verandering brengen en werken aan een betere toekomst voor iedereen. Een progressieve beweging daagt de status quo van het neoliberale denken uit, dat de burgers niet beschermt.

En dan leven we in een tijd waar ondanks de economische groei de koopkracht amper stijgt, maar de ongelijkheid – in inkomen, vermogen, gezondheid, levensverwachting, kansen – enorm is en nog steeds stijgt. Waar bedrijven en grote vermogensbezitters duidelijk steeds minder belasting betalen. Waar de vervuilers onze planeet vernietigen en die last niet dragen. Waar er sprake is van een plutocratie in een enorm rijk land naast schrijnende armoede. Waar ondanks dat rijke land en hoogconjunctuur er sprake is van enorme tekorten in de publieke dienstverlening, en er ook hier toch private partijen niettemin geld wegsluizen voor eigen, private doeleinden. Waar de overheidsschuld obsessief is gereduceerd, terwijl private schulden gevaarlijk hoog zijn. Kortom, het is werkelijk een ongekende reeks aan kansen voor open doel.

Aansprekend alternatief

Als sociaaldemocratie moeten we vooral een aansprekend en wervend alternatief bieden voor het neoliberalisme, dat we als sociaaldemocraten de afgelopen decennia via de zgn. Derde Weg bijna sluipend teveel zijn gaan internaliseren. Terwijl het neoliberalisme staat voor alles wat waarvoor sociaaldemocraten niet zouden moeten staan. Voor bezuinigingen en een kleine overheid en dito publieke sector, een overheid die de vrije kapitalistische markt zoveel mogelijk ongemoeid laat met deregulering, liberalisering en privatisering, want de overheid wordt vooral gezien als een probleem, en niet als een oplossing. En daarmee voor een Angelsaksisch economisch model, gericht op korte termijn maximum aandeelhouderswaarde als belangrijkste doel. Waarin gesteld wordt dat hebzucht prima is, omdat de rijkdom van de rijksten op termijn ook zou doordruppelen naar de middenklasse en de lagere inkomens. Waarin de gemeenschap zelfs ontkend werd, als toppunt van het aanbeden individualisme, met calculerende burgers die vooral zelf verantwoordelijk én aansprakelijk zijn voor hun succes en falen. Die burgers worden dan ook geacht zelfredzaam te zijn, met eigen kracht. Dat gaat gepaard met een cynisch mensbeeld, waarin burgers gewantrouwd en dus zwaar gecontroleerd moeten worden als ze wel een beroep doen op overheidsvoorzieningen.

Als sociaaldemocraten zijn we juist voor een activistische, herverdelende, sterk regulerende overheid en een grote publieke sector. De overheid moet marktmeester zijn en onrechtvaardigheden actief bestrijden, en het maatschappelijk, duurzame lange termijn belang boven het individuele, korte termijn belang stellen. Een overheid die op basis van de beginselen van deugdelijk bestuur[1] het maatschappelijk en duurzame lange termijn belang boven het individuele en korte termijn belang stelt. Voor ons is de overheid een oplossing, en geen probleem.

Wij kiezen daarmee voor een Rijnlands model, met een gemengde en circulaire economie, waarin de schadelijke effecten van kapitalisme, marktwerking en concurrentie worden beperkt door die overheid, op basis van democratische besluitvorming, met respect voor minderheden en binnen de kaders van de rechtsstaat, inclusief de universele mensenrechten. Dat strekt zich ook uit tot de internationale verhoudingen, steeds meer van belang in een globaliserende wereld waar digitale techniek grenzen heeft doen verlagen. De democratische rechtsstaat moet ook worden versterkt – onze democratie, onze rechtsbescherming, onze privacy en onze veiligheid staat onder druk door extreemrechts en neoliberaal gedachtengoed.

Emancipatie is opnieuw en steeds meer nodig in een wereld waarin uitsluiting en uitbuiting groeien. Emancipatie van burgers is geen calculerend burgerschap, maar baseert zich op solidair, sociaal en ecologisch verantwoordelijk burgerschap. In een gemeenschap die niet uitsluit, maar mensen insluit en maximaal verheft naar hun talenten en mogelijkheden. ‘De meeste mensen deugen’ en daarom gaan we uit van een positief mensbeeld en richten ons op de facilitering, motivering en verleiding van mensen in plaats van op wantrouwen, controle en sancties.

Opstaan tegen de zondebokkenstrategie

Door deze waarden en idealen weer centraal te stellen kan onze PvdA en de sociaaldemocratie het discours weer laten gaan over de echte problemen van deze samenleving in plaats van de op uitsluiting gerichte identiteitsissues, die rechts en extreemrechts ons als problemen voorspiegelen. Nationalistische politiek, gebaseerd op uitsluiting en nostalgie naar een nooit bestaand verleden is een populistische valstrik. Juist voor de middengroepen en de lagere inkomens en voor de emancipatie en bescherming van de rechten van minderheden, en voor de gelijkheid ongeacht gender, seksuele identiteit, etnische afkomst of al dan niet een beperking. We moeten de zondebokkenstrategie ontmaskeren en laten zien dat niet de zondebokken, maar de neoliberalen en nationalistisch-conservatief rechts met hun schadelijke en immorele ideologie de veroorzakers zijn van de maatschappelijke problemen.

Een vreedzame, (sociaal)democratische revolutie

Als sociaaldemocraten zijn we voor een vreedzame, (sociaal)democratische revolutie, indachtig de door Herman Tjeenk Willink in zijn terecht veel geroemde boekje ‘Groter denken, kleiner doen’ geciteerde woorden van Hans van Mierlo: “je moet de revolutie realiseren voordat zij uitbreekt.” Dat er radicale wijzigingen nodig zijn om hele normale dingen te bereiken zegt meer over de huidige status quo dan over degenen die deze wijzigingen voorstellen. Radicaal zou zijn om de uitdagingen van deze tijd (armoedecrisis, wooncrisis, klimaatcrisis, zorgcrisis, onderwijscrisis, schuldencrisis) als sociaaldemocraat te negeren en een positie in te nemen die deze uitdagingen niet het hoofd biedt. De radicalen zijn degenen die de uitdagingen negeren.

Maak geen programma gebaseerd op electorale overwegingen, zorg dat het electoraat andere overwegingen maakt. Alleen dode vissen zwemmen met de stroom mee. Wij willen de stroom van richting veranderen, linksom!

Een nieuwe, zelfbewuste agenda voor sociaaldemocratische politiek

De coronacrisis heeft de crisis in de mondiale samenleving verscherpt. Duidelijk is dat gezondheid ook een probleem is van ongelijkheid en uitsluiting. Racisme staat ook opnieuw boven aan de agenda. Onze Nieuwe Tien over Rood nodigt het electoraat uit bewust keuzes te maken voor een Partij van de Arbeid die kiest voor een duidelijk sociaal en duurzaam alternatief. Linksom en zelfbewust.

1. We bannen armoede en problematische schulden uit, met een Zekerheidsinkomen, een fors hoger minimumloon en sociaal minimum en een schuldenoffensief met een geheel nieuwe schuldenaanpak.

2. We maken veel werk van meer, goed en eerlijk werk met onder meer een recht op werk, werkwinkels, basisbanen, een eind aan overmatig flexwerk, eerlijke beloningsverhoudingen en een 32-urige werkweek.

3. We gaan migratie en integratie effectief en rechtvaardig reguleren met meer vluchtelingen én meer arbeidsmigranten, een betere opvang en een nieuwe wijkaanpak tegen gentrificatie.

4. We voeren een nieuw eerlijk, effectief en eenvoudig belastingstelsel in dat kapitaal meer en arbeid minder belast, zorgt dat de sterkste schouders echt de zwaarste lasten draagt en dat de armoedeval oplost.

5. We zorgen voor betaalbaar en goed wonen met minder markt, meer overheidsingrijpen en een brede sociale huursector, met woningzekerheid en meer zeggenschap van huurders.

6. Duurzaam Links: We gaan eerlijk en snel naar een circulaire, duurzame economie, met schone energie, hergebruik van grondstoffen en materialen, duurzame mobiliteit, een natuurinclusieve landbouw, meer overheidsregie op ruimtelijke ordening en natuur en een schone bodem, atmosfeer en drinkwatervoorziening.

7. We zorgen voor een enorme versterking van onze publieke sector, met een nieuw solidair zorgstelsel, een onderwijs met meer kwaliteit en gelijke kansen centraal stelt en een veiligheidssector die veiligheid en rechtsbescherming voor iedereen beter kan garanderen.

8. We worden de markt weer meester: terug naar het Rijnlandse model, met onder andere meer overheidsregulering, met een handelsbeleid voor eerlijke en duurzame handel en met meer consumentenbescherming.

9. We versterken onze democratische rechtsstaat met onder meer een versterking van de vertegenwoordigende democratie, bescherming en bevordering van openbaarheid en een aantal staatsrechtelijke hervormingen.

10. We voeren een linkse begrotingspolitiek en we hebben een plan om uit de huidige en volgende crises te komen, met andere begrotingsregels, meer overheidsinvesteringen, uitbreiden van de sociale zekerheid, eerlijke steunmaatregelen en een solidaire financiering.

Stembusakkoord

Dit nieuwe programma voor onze PvdA moet zoveel mogelijk de kern worden van een inhoudelijk stembusakkoord met GL en SP. Daarbij moet er de afspraak worden gemaakt dat we elkaar niet eenzijdig loslaten na de verkiezingen, met name niet in de onderhandelingen naar een nieuw kabinet, en dat we de pijlen in de verkiezingsstrijd niet op elkaar richten, maar op onze gezamenlijke opponenten ter rechterzijde. Betrouwbaarheid is de achilleshiel van linkse samenwerking. Onze PvdA moet daarvoor instaan. We willen eindelijk weer een progressief kabinet, dat ingrijpende progressieve stelselwijzigingen realiseert en directe, betekenisvolle en herkenbare stappen zet ter concretisering daarvan.

En nu de discussie!

We hopen op veel spannende, interessante discussies in en buiten onze partij over deze agenda, en dat het geloof in de maakbaarheid van onze samenleving en van onze idealen weer zal boven komen.

Vrolijk voorwaarts!

Linksom! in de PvdA


[1] Beginselen goed bestuur: openheid en integriteit, participatie, behoorlijke contacten met burgers, doelgericht en doelmatig, legitimiteit, zelfreinigend en lerend vermogen, verantwoording (BZK, 2009)

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Samenvatting

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 Concrete Voorstellen voor het PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

1. We bannen armoede en problematische schulden uit.

1A. Een Zekerheidsinkomen in plaats van bijstand en Wajong. We voeren een Zekerheidsinkomen in ter vervanging van de Participatiewet en de Wajong[1] (ieder huishouden dat minder verdient dan het sociaal minimum krijgt het inkomen aangevuld tot dat minimum als negatieve inkomstenbelasting, zonder nadere voorwaarden en verplichtingen, (en dus ook geen tegenprestatie), met een ruimhartige partner- en vermogenstoets, geen kostendelersnorm en een ruime bijverdienregeling.

1B: Verhoging wettelijk minimumloon en sociaal minimum, verbeteringen AOW, WW en WIA. We verhogen stapsgewijs het minimumloon naar 14 euro per uur met behoud van huidige koppeling aan het sociaal minimum. We zorgen dat werken blijft lonen door een inkomensafhankelijke arbeidstoeslag. De AOW, WW en WIA blijven in stand. Door verhoging sociaal minimum stijgt ook de AOW-uitkering. De opbouweis wordt bij de AOW geschrapt. In plaats van een aparte AOW-premie komt er volledig fiscale financiering. De uitkeringsduur in de WW wordt verlengd naar minimaal acht maanden en maximaal drie jaar. Bij de WIA wordt de keuring onafhankelijk van de uitkeringsinstantie en wordt het afkeuringspercentage gecorrigeerd opdat lage inkomens niet langer nadeel daarvan ondervinden.

1C: Een schuldenoffensief. En we geven prioriteit aan een schuldenoffensief dat private schulden beperkt door veel meer risico bij kredietverleners te leggen, de schuldenindustrie ingrijpend te reguleren, veel meer te doen aan financiële voorlichting (in onderwijs, maar ook met een gratis Geldloket in alle gemeenten, verplichte vroegsignalering van risicovolle schulden en door de schuldhulpverlening veel effectiever te organiseren, met een integratie van de huidige regelingen (Wgs, Wsnp en Wcbm) in één nieuwe regeling met schuldsanering in drie jaar en een schuldenpardon voor problematische schulden na vijf jaar.

2. We maken werk van meer, goed en eerlijk werk.

2A: Een modern Plan voor de Arbeid. We komen met een modern Plan voor de Arbeid met onder meer veel meer betaald werk: 300.000 extra publieke banen en betere publieke arbeidsvoorwaarden, een publieke sector waarin (goed) werk met name voor lager geschoolden belangrijker is dan een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering, voeren fiscale dienstencheques in voor huishoudelijke diensten door laaggeschoolden, maken arbeid goedkoper ten opzichte van investeren in kapitaal en koppelen werkgelegenheidsdoelstellingen aan de grote overheidsinvesteringen (verduurzaming, woningnood). Er komen gerichte maatregelen voor werk voor ouderen en tegen arbeidsdiscriminatie.

2B: Geen plicht, maar een recht op betaald werk met geheel nieuw systeem van arbeidsbemiddeling en scholing voor werkenden en werkzoekenden. We vervangen de plicht door een recht op betaald werk, met een veel effectiever ingerichte en toegeruste gratis arbeidsbemiddeling voor iedereen die (meer of beter) werk zoekt, met regionale werkwinkels waar deze taken van UWV en gemeenten in op gaan. Motivering en verleiding, facilitering en beloning staan centraal. De werkwinkels gaan ook een belangrijke rol spelen voor bij- na- en omscholing van werkenden en werkzoekenden, samen met instellingen voor beroepsonderwijs. Er komt een periodieke loopbaan- en gezondheidscheck en een stelsel van leerrechten voor het gratis volgen van dit onderwijs. Iedereen krijgt bij geboorte of immigratie gelijk aantal studierechten, dat gecorrigeerd wordt voor niveau van gevolgde initiële onderwijs (lager geschoolden krijgen zo meer leerrechten). Deze leerrechten worden tripartite gefinancierd door overheid, werkgever en werknemer. We investeren extra in beroepsonderwijs, met name ook waar er tekorten op de arbeidsmarkt zijn of dreigen.

2C: Werk voor mensen met een arbeidsbeperking en uitvoering VN-verdrag handicap. De werkwinkels hebben allen een expertisecentrum voor werk voor mensen met een beperking en/of grote afstand tot de arbeidsmarkt. De huidige sociale werkvoorziening gaat daarin op, en wordt opnieuw opengesteld voor nieuwe instroom. We maken de regelingen voor beschut werk en garantiebanen effectiever. Werkgevers krijgen loonsubsidie, in plaats van dat werkenden met een beperking een uitkeringssuppletie moeten krijgen. Basisbanen, gesubsidieerde arbeid voor maatschappelijk nuttige taken die geen reguliere arbeid verdringen, worden een afdwingbaar recht voor hen die geen reguliere arbeid kunnen vinden. Ook bij beschut werk, garantiebanen en basisbanen geldt het wettelijk minimumloon en opbouw aanvullend pensioen. We gaan de uitvoering van het VN-verdrag handicap versnellen en afdwingbaar maken.

2D: Rechtvaardige en eerlijke beloning. Goed werk betekent ook rechtvaardige en eerlijke beloning. We willen hogere lonen voor huidige lagere en middeninkomens, en minder grote beloningsverschillen binnen een bedrijf/instelling: we stellen een wettelijk maximum aan die beloningsverhoudingen (bijv. 1:20). Werknemers bij bedrijven krijgen een moderne vermogensaanwasdeling, gekoppeld aan meer zeggenschap. Het huidige Lage Inkomens Voordeel (LIV) wordt afgeschaft. Er komt een wettelijk afdwingbaar recht op gelijke beloning ongeacht gender, met bewijslast voor de werkgever.

2E: Stop de flex! We maken een einde aan de doorgeslagen flexibilisering van betaald werk en herstellen de norm van vast werk. Voor flexwerk komt er een 10% hoger minimumloon, er komt een minimumtarief van € 30 per uur voor zzp-ers, uitzendkrachten krijgen dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn, de maximumduur van aaneengesloten flexwerk wordt teruggebracht van 3 naar 2 jaar, de rechtszekerheid van flexwerkers voor loondoorbetaling wordt versterkt, er komt een verbod op 0-urencontracten, we beperken het aantal mogelijke arbeidscontractvormen en de feitelijke uitvoering van werk gaat de contractvorm bepalen (met een je bent werknemer, tenzij, benadering), we verzwaren de verplichtingen van platformbedrijven, er komt een arbeidsombudsman, we zorgen voor gelijke belasting voor alle werkenden (dus ook zelfstandigen, al dan niet met personeel) door alle fiscale ondernemers- en ondernemingsfaciliteiten te laten vervallen (incl. de DGA’s[2]: de DGA gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap als arbeidsinkomen), alle flexwerkers en zzp-ers gaan verplicht aanvullend collectief pensioen opbouwen, flexwerkers gaan vanaf dag één recht op transitievergoeding opbouwen, de Arbo wet gaat ook gelden voor zzp-ers, de collectieve regeling voor ziekteverzuim in MKB gaat alleen gelden voor vast werk, in publieke sector komt norm voor ‘vast werk, tenzij’, en werken zonder loon door bijv. stagairs wordt verboden. We gaan onder geen voorwaarde akkoord met de voorstellen van commissie Borstlap voor flexibilisering van vast werk (‘interne flex’).

2F: Werk eerlijker verdelen, meer ruimte voor zorgtaken en andere tijdsbesteding. We gaan betaald werk ook eerlijker verdelen en daardoor ook meer ruimte geven voor goede balans van werk en andere tijdsbesteding, minder overbelasting, en voor eerlijker verdelen van zorgtaken: we voeren een verplichte collectieve arbeidstijdverkorting in met een 32-urige werkweek (te verdelen over vier of vijf werkdagen). Daarnaast vergroten we het volledig betaald zorgverlof naar 10 dagen kraamverlof en 4 maanden ouderschapsverlof voor beide partners. We bevorderen de arbeidsparticipatie van vrouwen door in de publieke sector banen in beginsel als voltijds aan te bieden en dat ook fiscaal voor werkgevers aantrekkelijk te maken. De kinderopvang wordt een gratis publieke voorziening.

2G: Een beter pensioenakkoord. We willen verbeteringen op het Pensioenakkoord: alle werkenden gaan verplicht collectief aanvullend pensioen opbouwen, er komen geen keuzemogelijkheden in dat pensioen, de doorsneepremie blijft in stand, we verhogen de rekenrente naar ca. 2% in combinatie met regulering vermogensbeheer, en beslissingen over kortingen en indexeringen worden niet per jaar, maar op basis van meerjarige, duurzame cijfers genomen. De bevriezing van de AOW-leeftijd wordt verlengd naar 2030 en daarna niet voor een derde, maar voor de helft gekoppeld aan de stijging van de gemiddelde levensverwachting. Eerder stoppen wordt mogelijk na 45 jaar werken en voor beroepen met statistisch hogere sterftekans en/of hogere kans op arbeidsongeschiktheid. Voor deze beroepen en voor alle 65-plussers komt er een recht op deeltijdpensioen, waarbij volledig AOW uitbetaald wordt.

2H: Een eerlijke arbeidsmarkt op terrein van arbeidsmigratie. We schaffen de expatsubsidie af. We bestrijden oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden en uitbuiting van arbeidsmigranten. Met een betere handhaving en verscherping van regels. Combinatie van werkgeverschap en huurbaas wordt wettelijk verboden. De rechtspositie van de huurder wordt versterkt. Er komt een vergunningplicht voor uitzendbureaus met strikte, geïntensiveerde handhaving.

3. We gaan migratie en integratie effectief en rechtvaardig reguleren met meer toegelaten vluchtelingen én arbeidsmigranten.

3A: Bestrijden oorzaken van vluchtelingenstromen. We investeren meer in het bestrijden van de oorzaken van vluchtelingenstromen. Dat vraagt om een zelfbewuste Europese Unie, die effectief en proactief vrede, de universele mensenrechten en de democratische rechtsstaat bevorderd en zo nodig handhaaft – met soft en zo nodig ook hard power. De EU moet een gezamenlijk buitenlands beleid voeren, en naar een gezamenlijke defensie toewerken, binnen NAVO-verband. Het bestrijden van ongelijkheid in de wereld, het helpen voorkomen en bestrijden van ecologische crises en het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties moet – naast vrede, mensenrechten en democratische rechtsstaat – de kern vormen van ons buitenlands beleid.

3B: Meer vluchtelingen opvangen met eerlijke en veilige procedures. De toelatingscriteria en -procedures voor vluchtelingen moeten eerlijker en meer onafhankelijk worden. Worden uiterste termijnen overschrijden buiten oorzaak van asielvragers, dan krijgen zij vergunning. Zij die geen recht hebben, moeten worden teruggestuurd. Als dat niet kan omdat land van herkomst dat niet toelaat, krijg je een aparte tijdelijke vergunning. We sluiten geen illegalen op. Kinderen die hier geboren zijn of langer dan 5 jaar wonen, krijgen met hun gezinsgenoten verblijfsvergunning. De asielopvang wordt vergroot, met meer kleinschalige opvang en betrokkenheid van de buurt, de veiligheid van de asielzoekers en de omgeving wordt verbeterd en er komt een goede, gratis dagbesteding en scholing. We gaan veel meer vluchtelingen opvangen: Nationaal beginnen we met 10.000 per jaar voor de komende kabinetsperiode, met voorrang voor ouderloze kinderen. De asieldruk op onze buitengrenzen en (lucht)havens beperken we door jaarlijks veel meer vluchtelingen uit de kampen toe te laten, die veilig gratis naar EU gebracht worden. Toelating geschiedt zoveel mogelijk naar de lidstaat van keuze van de vluchteling. De lasten worden in EU-verband naar draagkracht eerlijk over alle EU-lidstaten verdeeld. Het Dublin-verdrag vervalt daarmee. Daarnaast vergroten we de financiële hulp aan vluchtelingenkampen. Asielaanvragen gaan we faciliteren aan de buitengrenzen van de EU, op internationale (lucht)havens en in vluchtelingenkampen in Afrika en Azië. Daar komen asielkantoren die vluchtelingen registreren, beoordelen en screenen.

3C: Tijdelijke arbeidsmigratie van buiten de EU faciliteren en reguleren. Arbeidsmigratie vanuit buiten de EU gaan we faciliteren en reguleren. We zullen structureel tekorten aan arbeid hebben als we dat niet doen. Lidstaten stellen programma’s vast voor in welke sectoren of beroepen arbeidskrachten nodig zijn, welke eisen daarbij gesteld worden en welke ondersteuning daarbij geboden wordt. We zetten Europese arbeidsbureaus op in Afrika voor werving en selectie van arbeidsmigranten, waarbij een veilige en gratis reis gegarandeerd wordt, en scholing gefaciliteerd wordt. Deze arbeidsmigranten krijgen een tijdelijke verblijfsvergunning met beperkte toegang tot sociale zekerheid (wel zorg, geen bijstand). Tijden hun verblijf krijgen migranten scholing en ondersteuning bij de voorbereiding van hun terugkeer. Blijft men langer dan vijf jaar, dan kan de vergunning door de lidstaat omgezet worden in een definitieve verblijfsvergunning met volledige rechten. Terugkeer wordt gekoppeld aan bilaterale hulpprogramma’s voor de landen van herkomst – een soort Marshallplan voor Afrika. Zo bepalen we zelf wie er komen, niet de smokkelaars. Veel politici doen alsof deze oplossing niet bestaat. Ze hitsen ons liever op met moskeeverboden, boerkaverboden en Zwarte Pieten nostalgie. Ze zeggen dat de tekorten in onze verzorgingsstaat ontstaan door migranten, in plaats van fout beleid van diezelfde politici. Zij misleiden daarmee de kiezer en maken onze maatschappij kapot door mensen tegen elkaar op te zetten. Migratie is te managen, het is een kwestie van politieke wil, humaniteit en rechtvaardigheid om dat te organiseren.

3D: Inburgering beter organiseren en discriminatie en bescherming mensenrechten beter aanpakken. We gaan de Wet Inburgering 2021 op een aantal belangrijke punten aanpassen: met gratis, publiek georganiseerde leerroutes, huisvesting en plaatsing waar ook werk is, geen dwang en sancties maar motivering en facilitering, en scholing en maatschappelijke begeleiding ook voor EU-migranten. Gemeenten krijgen meer tijd en geld. We gaan integratie veel beter organiseren en faciliteren. Integratie begint met dat andere mensen zich welkom voelen en niet gediscrimineerd worden. We gaan de antidiscriminatie-wetgeving aanscherpen en de handhaving verbeteren – het doelbewust negatief neerzetten van een specifieke groep burgers vanwege hun afkomst, etniciteit, godsdienst, seksuele geaardheid of een beperking, wordt strafbaar. De boetes op uitsluiting van mensen vanwege het behoren tot zo’n groep burgers worden verhoogd. Er komt een aparte Ombudsman voor klachten over discriminatie. De bescherming en handhaving van individuele mensenrechten behoeft eveneens verscherping. De aanpak van seksuele intimidatie en seksueel en huishoudelijk geweld moet een financiële en justitiële prioriteit worden, de slachtoffers moeten we beter opsporen en beschermen en we moeten het welzijnswerk er beter op toerusten om slachtoffers te motiveren hulp te zoeken. Taalbeheersing is enorm belangrijk om mee te kunnen doen. Er komt aparte aandacht voor activiteiten die speciaal gericht zijn op mensen en vooral ook vrouwen met een andere afkomst, en op hoe deze te verleiden en te motiveren zijn daaraan deel te nemen.

3E: Heroptuiging van het wijkbeleid en de welzijnssector; tegengaan van gentrificatie van wijken. Het wijkbeleid in de grote steden moet weer worden opgetuigd, waarbij wooncorporaties een noodzakelijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. We gaan hier – net als in apart beleid voor krimpgebieden – fors in investeren. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- opbouw- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan initiatieven voor gezonde leefstijl en goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid. We trekken de Rotterdamwet in, die leidt tot ongewenste gentrificatie van wijken. Wijken met een gedifferentieerde samenstelling bevorderen we niet met discriminatoir verwijderen van arme, kansarme huishoudens, maar door hun te helpen in hun ontwikkeling en perspectief, onder meer door juist in rijkere wijken meer sociale huurwoningen te realiseren. 

4. We voeren een nieuw eerlijk, effectief en eenvoudig belastingstelsel in.

4A: Doelen en uitgangspunten. We gaan het belastingstelsel drastisch hervormen. Het huidige stelsel vergroot de toch al enorme ongelijkheid in inkomen en vermogen in ons land, maakt arbeid te duur, veroorzaakt een armoedeval, maakt belastingontwijking te gemakkelijk en loopt vast door zijn complexiteit. Dat moet precies andersom. De belastingmix moet veel evenwichtiger: het aandeel van de belastingopbrengst van belastingen op kapitaal moet omhoog, die op arbeid omlaag. De belastingen moeten leiden tot meer herverdeling van inkomen en vermogen van arm naar rijk, met name waar het betreft inkomen en vermogen dat niet verkregen is door eigen verdienste. En het stelsel moet eenvoudig en eenduidig zijn, ook om ontduiking en ontwijking van belasting tegen te gaan. Het resultaat zal een lastenverlichting voor lage inkomens en een lastenverzwaring voor hoge inkomens, grote vermogens en het grootbedrijf. Per saldo gaat de wijziging tientallen miljarden aan extra belastingopbrengsten opleveren. Dit saldo wordt nog verder verhoogd doordat bij uitvoering van onze Nieuwe Tien over Rood er meer werk en meer – duurzame – bestedingen zullen zijn, met dito meer belastinginkomsten. Dit saldo wordt gebruikt voor de financiering van onze overige voorstellen.

4B: Inkomsten- en loonbelasting progressiever maken. In de inkomsten- en loonbelasting gaan we niet naar meer gelijke tarieven, richting vlaktaks, maar juist naar méér tariefschijven. Het stelsel moet juist progressiever, met stijgende tarieven naar mate het inkomen stijgt. De laagste inkomens gaan 0% betalen, de hoogste inkomens – bijv. vanaf 2 miljoen euro per jaar – gaan 80% betalen. We gaan ook alle soorten inkomens gelijk belasten (nu betaal je veel minder over inkomen uit kapitaal dan uit arbeid), en schaffen daarmee het huidige boxenstelsel af. Inkomen uit kapitaal gaat weer belast worden op basis van het werkelijke rendement, niet meer op basis van een fictief rendement. Als maatstaf voor werkelijk rendement wordt het verschil in waarde in het voorafgaande belastingjaar genomen. En we schaffen alle vrijstellingen, kortingen en aftrekposten af – deze fiscale voordelen hollen de effectieve tarieven uit, en ze komen vooral terecht bij de hogere inkomens. Er is daarbij sprake van veel belastingontwijking en -ontduiking. Daarbij worden de arbeidskortingen vervangen door een arbeidstoeslag voor alleen de lagere inkomens en de hypotheekrenteaftrek (voor nieuwe hypotheken) door fiscaal gesubsidieerd bouwsparen. In het nieuwe stelsel worden de inkomsten uit vermogen 50/50 over de fiscale partners verdeeld en opgeteld bij hun individuele inkomsten uit arbeid. Ook dit helpt om belastingontwijking te voorkomen. En het vermindert de ongelijkheid met éénverdienershuishoudens, evenals de hiervoor bepleitte afschaffing van aftrekposten. Voorts schaffen we de huidige fiscale toeslagen voor zorg, huur, kinderopvang en het kindgebonden budget af. In plaats hiervan vervangen we de premies in de zorg, het eigen risico in de zorg, en de eigen bijdragen in de zorg en kinderopvang door volledig fiscale financiering, verhogen we de kinderbijslag maar maken die inkomensafhankelijk, en stellen we een maximum huur in als percentage (30-35%) van het besteedbaar inkomen (zie hoofdstuk V). De premies voor de volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) vervallen, deze kosten worden – net als die van de publieke zorg en de kinderopvang – in het vervolg rechtstreeks door de overheid uit alle belastingopbrengsten gefinancierd. Daarmee verlagen we de lasten op arbeid en worden de lasten eerlijker verdeeld. Deze enorme stelselwijziging zal uiteraard zorgvuldig in stappen gezet moeten worden, waarbij bij de verdere invulling van tarieven de inzet is om te komen tot een verbetering van het besteedbaar inkomen tot ca. anderhalf modaal.

4C: Vermogensbelasting en erfenis- en schenkingsbelasting. We voeren een aparte vermogensbelasting in voor miljonairs, bijv. 1% voor vermogens tussen 1 en 2 miljoen en 2% voor vermogens boven 2 miljoen euro. De erfenis- en schenkingsbelasting wordt voor grote erfenissen verzwaard. Iedere Nederlander krijgt het recht om gedurende zijn leven 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast (bijv.: de eerste 500.000 euro met 40%, alles daarna met 60%). De vrijstelling voor het kopen van een huis voor je kinderen wordt geschrapt. Dat is een onrechtvaardige subsidie van arm naar rijk en verhit de woningnood onnodig. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers wordt eveneens geschrapt.

4D: Vennootschapsbelasting en dividendbelasting, fiscale constructies DGA’s. Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting (terug naar de niveaus aan het begin van deze eeuw; van 25 naar 35% resp. van 20 naar 29%) en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft, maar substantieel verhoogd, tenminste terug naar niveau van begin deze eeuw. De tarieven maken we meer progressief: hoe hoger de winst en het dividend, hoe hoger het tarief. Voor het mkb verhogen we de tarieven minder sterk. We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. We stoppen met alle fiscale subsidiëring van schulden. Bij bedrijven verdwijnt daardoor de bevoordeling van vreemd (geleend) vermogen boven eigen vermogen. Ook in deze belasting voor bedrijven vervallen in beginsel alle vrijstellingen, kortingen en aftrekposten, en de mogelijkheden om belasting uit te stellen. We gaan Directeur-Groot Aandeelhouders (DGA’s) veel zwaarder belasten. Zij profiteren nu ovenevenredig van vrijstellingen en andere fiscale uitzonderingen. We gaan de huidige fiscale ondernemingsfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) en ondernemersfaciliteiten (incl. die voor DGA’s) schrappen. De DGA gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap als arbeidsinkomen. Ook het eigen vermogen van DGA’s moet worden belast boven een bepaalde grens (bijv. eenmaal de jaaromzet) met een gelijk tarief als de inkomstenbelasting bij inkomen uit kapitaal. De aftrekposten voor auto’s, zakenetentjes, e.d. worden geschrapt. Het doorschuiven van vermogens in het successierecht voor ondernemers moet zwaarder worden aangeslagen.

4E: Belastingontwijking – en ontduiking aanpakken. We gaan de belastingontwijking en -ontwijking aanpakken met het openbaar maken van  rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) opdat deze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden, met veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per 3 jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude ieder jaar), met het aanscherpen van vestigingseisen multinationals (o.m. werknemers en kantoor in Nederland), met belastingverdragen met derdewereldlanden solidair maken en voorzien van antimisbruikbepaling, met de verplichting voor bedrijven om in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen, en met het verscherpen van het toezicht op trustkantoren die nu werken voor brievenbusfirma’s. We saneren de sector met strenge regels en door illegale praktijken harder aan te pakken. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s en trustkantoren.

5. We zorgen voor betaalbaar en goed wonen.

5A: Minder markt, meer overheidsregie en -interventie. De markt is bij de enorme woningnood niet de oplossing, maar het probleem. De oplossing ligt bij meer overheid. We versterken de overheidsregie en de brede volkshuisvestingstaak voor het Rijk, met o.m. een minister(ie) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Duurzaamheid. Er is een Nationaal Actieplan tegen de Woningnood nodig, waarbij we per jaar 100.000 woningen bouwen, waarvan tenminste ca. een derde sociale huurwoningen. We zorgen dat procedures om te bouwen sneller verlopen met een speciale Woningcrisiswet.

Daarbij moet de kwaliteit van wonen en de verduurzaming van woningen meegenomen worden, evenals de levensloopbestendigheid. Het aanbod moet ook divers zijn en tegemoetkomen aan de vraag van woningzoekenden. Centraal staat het aloude sociaaldemocratische ideaal dat iedereen recht heeft op een goede, betaalbare en passende woning in een buurt die kansen biedt. Huisvesting is meer dan een dak boven je hoofd. Een succesvolle progressieve woonagenda combineert financiële waarden en omgevingswaarden. In nieuwbouw staat woningkwaliteit voorop en beslissen bewoners democratisch over het ontwerp van hun buurt zodat een huis een thuis kan worden. En een goede woning is in onze tijd tenminste een energiezuinige woning.

We bouwen in beginsel niet in groene, open ruimte en natuur, maar vooral in en nabij de steden. Het Rijk en de provincies herkrijgen hun regie- en kaderstellende verantwoordelijkheid, ook wat betreft locaties voor woningbouw, met bijbehorende doordrukmacht. Gemeenten zijn gebonden aan de landelijke en provinciale normen, en de provincies houden toezicht op realisering. Het gaat daarbij om normen in aantallen, betaalbaarheid, kwaliteit (waaronder energieneutraliteit en levensloopbestendigheid), diversiteit en leefbaarheid.

We versterken het voorkeursrecht voor gemeenten voor een actieve grondpolitiek om sociale doelstellingen te realiseren. Gemeenten krijgen meer mogelijkheden om OZB-tarieven te differentiëren, maar er komen geen andere gemeentelijke belastingen. Gemeenten krijgen mogelijkheden om meer zelf te bouwen en corporaties op te richten, meer mogelijkheden om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen en meer mogelijkheden voor anti-speculatiebedingen. Er komt een aparte huisjesmelkerstaks: een extra belasting voor commerciële partijen die meer dan tien huizen bezitten. Er komen maximale wachttijden op een passende sociale huurwoning. Gemeenten moeten prioriteit geven aan woningen voor daklozen – Housing First. Er komt een noodplan met tijdelijke systeembouw voor de ruim 40.000 daklozen, meer preventie en begeleiding.

5B: Minder nadruk op en minder en andere subsidie/stimulering van woningbezit. Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor zijn huis. Op kosten van de belastingbetaler. We moeten stoppen met alle huidige subsidie aan woningbezit – uiteraard wel in een afbouw naar de mate waarin betaalbare huur ter beschikking komt. Geen hypotheekrenteaftrek meer voor nieuwe hypotheken en een versnelde afbouw van de aftrek voor bestaande hypotheken. De vrijstelling in de erfenis en schenkingsbelasting voor een woning voor kinderen vervalt ook. Ook verzwaren we de normen om in aanmerking te komen voor een hypotheek: je moet zelf meer geld inbrengen. Dat is behalve in ons land overal de norm. 

De huidige enorme hypotheekschulden geven ook een enorm risico bij een volgende crisis: meer dan twee derde van het juridisch bezit van de 90% huishoudens met de slechtste vermogensposities is inmiddels belegd met schulden. Een nieuwe bankencrisis zal het gevolg zijn. Niet genoeg mensen realiseren zich dat de Nederlandse koopwoningmarkt is gebouwd op extreem royale hypotheekschulden. Prijsopdrijving, blootstelling aan risico’s en meer volatiliteit zijn de gevolgen. Vanuit het buitenland wordt terecht vaak met argwaan gekeken naar dit piramidespel.

Veel beter is: langer huren, geld sparen en op latere leeftijd met een kleinere hypotheek kopen (of blijven huren). Nederland heeft op macroniveau zowel een flinke koopsector als genereuze pensioenen. Op microniveau zijn het vooral jongvolwassenen die geen van beide hebben. Zij hebben geen toegang tot een koopwoning, en bouwen bovendien nauwelijks pensioen op. Hiervoor liggen twee oplossingen voor de hand.

Ten eerste zouden de pensioenfondsen meer kunnen investeren in betaalbare huurwoningen. Gezamenlijk zouden ze hiervoor een verhuurorganisatie kunnen oprichten, waarvan zij aandeelhouder worden. Huurwoningen zijn een aantrekkelijke langetermijninvestering voor de pensioenfondsen. Hoewel betaalbare huurwoningen een lager rendement hebben, is het rendement wel stabiel. We gaan dit opnemen in het aan te passen pensioenakkoord.

Ten tweede zouden de pensioenfondsen kunnen investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken. Voor lage en lagere middeninkomens kan de overheid de keuze voor woonvermogen met een subsidie ook voor hen bereikbaarder maken. Ook dit gaan we opnemen in het pensioenakkoord.

Een nieuwe crisis op de woningmarkt komt – de vraag is alleen wanneer. Wat zou helpen is als woningcorporaties en nieuw op te richten coöperaties anticyclisch kunnen interveniëren. Wanneer de prijzen gedaald zijn tot nabij de gebruikswaarde, kunnen zij woningen opkopen. Dit zorgt voor doorstroming op de koopmarkt, stabiliseert de prijzen, en vergroot het coöperatieve segment waar de prijzen gereguleerd zijn. De coöperatie verloot het gebruiksrecht van de woningen vervolgens onder haar leden, waarna de bewoner een aandeel in de coöperatie koopt ter grootte van de gebruikswaarde van de woning. Op deze manier bouwt een bewoner wél vermogen op, maar profiteert hij of zij niet van een eventuele overwaarde. Aan de andere kant wordt het hebben van overwaarde minder belangrijk wanneer bewoners kunnen doorstromen naar andere betaalbare coöperatieve koopwoningen die passen bij de levensfase waarin ze zitten. Anticyclische investeringen door coöperaties en corporaties maken de woningmarkt stabieler waardoor de pieken en dalen minder uitgesproken worden. Woningcorporaties zouden er goed aan doen nu alvast een plan te maken voor de volgende ineenstorting van de woonprijzen.

We schaffen de overdrachtsbelasting af voor starters, behalve voor tweede en meerdere woningen – daar wordt deze vervijfvoudigd.

5C: Prioriteit geven aan brede, betaalbare sociale huursector met zeggenschap voor huurders. We geven prioriteit aan herstel van brede sociale huursector. Woningcorporaties mogen ook voor middeninkomens (tot tweemaal modaal) bouwen. De huidige plannen voor wijziging van inkomensgrenzen voor een sociale huurwoning moeten van tafel en worden vervangen door verhoging tot anderhalf modaal. We schaffen de markttoets voor corporaties en de liberalisatiegrens af en brengen zo alle woningen onder de huurbescherming van het puntenstelsel. In dat puntenstelsel wordt de WOZ-waarde geschrapt. De huur mag jaarlijks niet meer stijgen dan de inflatie en nu het crisis is wordt deze tijdelijk wettelijk bevroren. Er komt een afdwingbaar recht op woningdelen. In de sociale zekerheid en fiscaliteit worden sancties op woningdelen (kostendelersnorm, fiscale verzameltoets) afgeschaft en vervangen door een bonus (woningdelingssubsidie).

We schrappen de verhuurdersheffing, de vennootschapsbelasting en andere heffingen op corporaties en vervangen deze door afspraken over lagere huren en een investeringsplicht (nieuwbouw, renovatie, verduurzaming, levensloopbestendig) en herstel van het oorspronkelijk karakter van corporaties. Woningcorporaties zijn veel te veel vastgoedondernemingen geworden in plaats van sociale verhuurders. Teveel corporatiebestuurders zien woningen in de eerste plaats als een economisch goed, als een object dat waarde vertegenwoordigt dat te gelde gemaakt kan worden. Een lage huur op een dure plek is dan dus kapitaalverspilling. En dan worden huurverhogingen en het meegaan met de marktgekte plots gezien als “normaliseren”. De publieke waarde is privaat kapitaalbezit geworden, ook als het van een corporatie is. Ze moeten daarom verplicht weer coöperaties worden: verenigingen van huurders met werkelijke zeggenschap van huurders. Huurders en hun organisaties moeten instemmingsrecht krijgen op het huurbeleid, waaronder het huurprijsbeleid. We zorgen voor huurteams in alle steden en draaien de bezuinigingen terug op de huurcommissies. Gemeenten kunnen ook zelf nieuwe corporaties of coöperaties oprichten. De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, statutair werkgebied, geen gemeentegrensoverschrijding). Verkoop van sociale woningen wordt zolang de woningnood voortduurt verboden, behoudens indien voor elke verkochte sociale huurwoning er aantoonbaar twee van de laagste categorie worden teruggebouwd. Corporaties krijgen meer ruimte en taakstellingen om te investeren in wijkvoorzieningen.

We gaan de huren structureel verlagen en begrenzen. Tot anderhalf modaal gaan we een maximale huur invoeren van een derde van het besteedbaar inkomen (huurquote, vgl. NIBUD-systematiek bij hypotheken).  We introduceren subsidie van het Rijk ter compensatie van verhuurders die door de inkomensbegrenzing van de huren niet de WWS-puntentelling huur in rekening kunnen brengen. We schrappen de huidige inkomensafhankelijke huurverhoging die een schandelijke stigmatisering van middeninkomens tot scheefwoners impliceert.

5D: Stop flexwonen! We stoppen het flexwonen door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. En we gaan zeker niet akkoord met constructies als ‘Passend Wonen’. De huurovereenkomsten voor bepaalde tijd verdwijnen. Studenten, jongeren en promovendi hebben recht op vervangende huisvesting (en een  verhuiskostenvergoeding). We verbieden gebruiksovereenkomsten (antikraak wonen). Bij leegstand wordt verhuurd op basis van de Leegstandswet. Er komt een boete op leegstand van langer dan een jaar. 

5E: Eerlijke verduurzaming van woningen. Goede isolatie en ventilatie is belangrijk voor het energieneutraal maken van woningen, maar ook voor verbetering van het wooncomfort – denk aan de vele huurwoningen met schimmelproblemen. Verhuurders moeten hierin investeren. Voor goede isolatie en ventilatie mag geen huurverhoging worden gevraagd. De punten voor verduurzaming worden daartoe geschrapt uit de WWS. Alleen goed geïsoleerde en geventileerde huurwoningen worden vervolgens (en dus niet daarvoor!) van het gas afgehaald. Goede oplossingen voor vervanging van gas moeten zich eerst bewezen hebben en er moeten garanties zijn dat de combinatie van huur en energielasten voor huurders van woningen tot en met anderhalf modaal structureel lagere woonlasten opleveren. Het energielabel en de verduurzaming van de woning moeten geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. Bij de vervanging van gas krijgen huurders van sociale huurwoningen eenmalig een bedrag van het Rijk om de kosten van vervanging van apparatuur en inventaris voor koken te financieren.

Er komen bindende afspraken met coöperaties en verhuurders voor het energieneutraal maken van woningen per jaar voor de realisering van de doelstelling om in 2050 alle woningen van het gas af te hebben en goed geïsoleerd en geventileerd te hebben. Er komt een verbod op het verhuren van woningen met de slechtste energielabels (vooral in bezit bij particuliere verhuurders), voorafgegaan door een verbod op huurverhoging van woningen met een energielabel C of lager totdat ze minstens label B hebben. Deze verboden worden stapsgewijs aangescherpt. Woningcorporaties en -coöperaties moeten de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos kunnen lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties. Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun WOZ-belastingtarieven lager vast te stellen bij een groener energie-label. Woningeigenaren worden door een gemeentelijk ‘ontzorgloket’ ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning.

Gemeenten (of coöperaties) kunnen met hulp van het Rijk duurzaamheidsfondsen oprichten die koopwoningen verbeteren, en in ruil daarvoor een aandeel nemen in de woning. De eigenaar kan ervoor kiezen de investeringen terug te betalen en weer volledig eigenaar te worden, of de woning deels eigendom te laten blijven van het fonds. In ruil voor de gratis woningverbetering wordt deze woning onderdeel van een gereguleerd en sociaal koopsegment.

6. Duurzaam links: We gaan eerlijk en snel naar een circulaire, duurzame economie, zonder fossiele energie, met herstel van biodiversiteit, dierenwelzijn en natuur en een schone, gezonde bodem, water en atmosfeer.

6A. Klimaat en energietransitie: We gaan snel de Europese en nationale klimaatwetten uitvoeren, waarbij we concrete normen zoveel mogelijk afdwingbaar maken, ook voor burgers. We steunen verduurzamingsplannen echter alleen als ze ook sociaal plaatsvinden, met – anders dan nu – een eerlijke verdeling van lasten en lusten. Huishoudens moeten minder, en bedrijven meer betalen – onder meer met een CO₂-heffing voor de industrie.

We gaan de energiebelasting eerlijk verduurzamen: Een progressieve energiebelasting naar schaal van energieconsumptie en tarieven gebaseerd op uitstoot CO₂, zodat duurzame elektriciteit niet belast wordt, met kolen opgewekte elektriciteit extra zwaar belast wordt en met aardgas opgewekte elektriciteit even zwaar belast wordt als direct gebruik van aardgas. Vervuilers en fossiel grootverbruikers veel zwaarder belasten, huishoudens lager belasten. Lage inkomens krijgen een hogere belastingvrije voet voor de energiebelasting. Huidige vrijstellingen, juist vaak van de grootste vervuilers (zoals de luchtvaart) worden afgeschaft.

De opslag duurzame energie (ODE) in de energiebelasting wordt afgeschaft. De subsidies voor verduurzaming worden anders gefinancierd, o.m. uit een hogere energiebelasting op vervuilende productie. Subsidies voor verduurzaming energieverbruik (SDE+) komen in het vervolg vooral ten goede aan de lage en middeninkomens. En ze mogen niet gebruikt worden voor CO₂-opslag (CCS) of niet-duurzame biomassa. Bedrijven moeten daarin zelf investeren. De milieu-investeringsaftrek wordt geschrapt. Hiervoor in de plaats komt het innovatie- en werkgelegenheidsfonds zoals onze TK-fractie dat heeft voorgesteld.

We beëindigen zo snel mogelijk de aardgaswinning, en compenseren de schade in Groningen snel. Alleen echte duurzame biomassa kan voor zolang er onvoldoende andere duurzame energiebronnen zijn in die transitieperiode gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd (‘cascadering’) worden. Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht. De overige subsidies voor gebruik van biomassa worden alleen nog toegekend indien er voldaan wordt aan de strenge duurzaamheideisen en er geen andere alternatieven beschikbaar zijn. We investeren niet in kernenergie, ook niet in extreem dure en onbewezen technieken daarbij (uitgezonderd wetenschappelijk onderzoek). De kerncentrale in Borssele gaat uiterlijk in 2025 dicht.

Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. Uiterlijk in 2030 wordt dit verplicht. Er komt subsidie voor de aanleg van publiek beheerde warmtenetten. Warmtenetten worden verplicht door gemeenten beheerd. Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar is, en alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.

6B: Circulaire economie, afval en recycling: We willen in 2050 niet alleen een fossielvrije energievoorziening, maar een volledig circulaire economie: een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Een circulaire economie is veel meer dan alleen recycling. Het begint met zuiniger omgaan met grondstoffen door anders te denken over producten en productieprocessen. Is het product het beste antwoord op de behoefte en kunnen bij de productie minder of andere grondstoffen worden gebruikt? In het ontwerp van producten en diensten moet al rekening gehouden worden met hergebruik, reparatie en recycling. Er moet ook energie teruggewonnen worden uit materialen, en afval storten en verbranding zonder energieterugwinning moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

Voor iedere sector van onze economie komen er wettelijke doelstellingen, instrumenten en financiering, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050. We streven daarbij naar een breed maatschappelijk akkoord met sociale partners, overheden en de milieubeweging. Er komen verplichtende richtlijnen voor recycling van materialen en producten, onder meer voor elektronica en beton. Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten. Dat gaan we stimuleren. We gaan ook veel meer gebruik maken van duurzame bosbouw voor duurzame houten gebouwen. Het bosareaal hiervoor in ons land wordt tenminste verdubbeld. We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken meetbare en voor de burger afdwingbare termijndoelen. Onderdeel van deze aanpak is: we voeren de verpakkingsbelasting opnieuw in en verdubbelen de opbrengst, statiegeldregelingen voor alle plastic en blikverpakkingen worden verplicht gesteld en alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics.

6C: Keurmerk en btw: Er komt een apart door de overheid beheerd en gehandhaafd keurmerk voor eerlijke en duurzame producten, en een verplicht productlabel van de ecologische en sociale belasting van een product en zijn verpakking. Sociale, duurzame en gezonde producten gaan onder het lage Btw-tarief vallen, alle andere producten onder het hoge tarief.

6D: Duurzame mobiliteit: We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), fietsen en openbaar vervoer, en we bevorderen duurzame mobiliteit. Investeringen moeten uit een apart staatsfonds gefinancierd worden, waar de overheid nu bijna gratis voor kan lenen. Het OV wordt fors goedkoper, zodat het in prijs aanzienlijk wint van gemotoriseerd individueel vervoer. Ook moeten er concrete maatregelen worden genomen voor het beprijzen van particulier vervoer met rekeningrijden gedifferentieerd naar tijd en plaats en het belasten van fossiele brandstoffen in de scheep- en luchtvaart. We maken continentale vluchten duurder (met een extra belasting) en zetten een stop op de groei van iedere luchthaven: Lelystad uitbreiding gaat niet door, Schiphol en regionale luchthavens mogen niet groeien. Waar al een snelle treinverbinding is, worden vluchten gestaakt, naar mate dat er voldoende capaciteit is.

6E: Duurzame landbouw: Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het moet minder vervuilend, duurzamer, natuurlijker. De huidige landbouw draagt bij aan de opwarming van de Aarde, maar zorgt ook voor een voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit (stikstof!), en via vervuiling en besmetting (zoönoses!) is de huidige landbouw ook nog eens rechtstreeks een bedreiging van onze gezondheid. Maar een landbouwtransitie kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector in een druk bevolkt land als Nederland. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren.

We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met zoveel mogelijk lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur, en minder dieren en meer dierenwelzijn in de veeteelt. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030. We sluiten daartoe een Plattelandsakkoord, in de geest van het Klimaatakkoord, met betrokkenheid van boeren, burgers en overheden op het platteland en natuur- en milieuorganisaties.

Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken. Het systeem dwingt de boeren nu tot grootschaligheid en export, terwijl dat een doodlopende weg is. Boeren die willen overstappen naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw moeten gesteund worden, zij die daarin niet meewillen moeten uitgekocht worden.

Landbouw niet meer primair gericht op export, maar op de binnenlandse markt. Expertise gaan we juist meer exporteren, opdat ook in de Derde Wereld een betere situatie ontstaat en we niet lokale productie daar wegconcurreren. Geen oneerlijke handelsverdragen en oneerlijke EU-landbouwsubsidie meer. De macht van de inkopers en de supermarkten moet daarbij gebroken worden zodat er een eerlijke prijs ontstaat, waarin de kosten van milieubelasting verdisconteerd zijn. Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.

Er komt een einde aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – te beginnen met een halvering in de komende 10 jaar en een volledige beëindiging van intensieve veeteelt binnen 30 jaar. Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen.

De uitstoot van CO2, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt verder belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen. Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg. Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw. De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja. Wij willen dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling is voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen. De ontheffing van Nederland in de EU om meer fosfaat uit te mogen rijden wordt direct beëindigd.

De normen voor dierenwelzijn worden verhoogd en strak gehandhaafd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen. Er komt per direct een verbod op het houden en fokken van nertsen en andere (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht. Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.

Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt. Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren. Slachterijen gaan verplicht werken met vast personeel en investeren in kwaliteit. Er komen strenge kwaliteitsnormen en scherpe handhaving. Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector, opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit. Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau, en moet zoveel mogelijk worden afgebouwd. De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis. We pleiten voor verder onderzoek naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. In een toekomstige zoönose-uitbraak stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, daarom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken.

We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Een progressieve belasting op pesticiden en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop.

Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. We zijn geen voorstander van het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven. Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid.

Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. De puls-visserij is nog niet bewezen duurzaam. Zo belonen we de innovatieve vissers. Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis.

6F: Ruimtelijke ordening, natuur en biodiversiteit: We moeten de regie van de rijksoverheid op ruimtelijke ordening weer herstellen, zonder terug te keren in verstikkende wetgeving. Er komt weer een minister(ie) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Duurzaamheid. We gaan de Omgevingswet aanpassen uit oogpunt van uitvoerbaarheid en handhaving milieuregels, met ook gezondheidsnormen en met meer landelijke en provinciale taakstellingen en projecten. Er komt een landelijke visie voor de toekomstige ruimtelijke ordening van Nederland over 50-100 jaar die kaders stelt voor antwoorden op o.m. de zeespiegelstijging, meer extreme rivierwaterstanden en meer extreem weer (zowel droogte als juist veel regen en storm) en die uitstootreductiedoelstellingen realiseert, de biodiversiteit substantieel doet toenemen en de woningbehoeften en mobiliteitsbehoeften accommodeert, ook in relatie tot het nabijgelegen buitenland. Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten. Er komt een plan voor herstel van de biodiversiteit. De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt. Er komt een limitatieve lijst van dieren die als huisdier gehouden mogen worden.

6G: Bescherming gezonde leefomgeving: Burgers moeten handhaving van normen voor gezonde leefomgeving kunnen afdwingen. De normen voor luchtkwaliteit worden verhoogd naar de WHO-normen. Normen voor geluid worden verscherpt en beter gehandhaafd, o.m. ten aanzien van mobiliteit (vliegverkeer, wegverkeer).

Het stikstofbeleid wordt aangescherpt met o.m. gedwongen uitkoop van veetelers, sluiting van alle kolencentrales en herstel en uitbreiding van natuurgebieden. Er worden bronmaatregelen genomen om de productie van ernstig giftige, kankerverwekkende PFAS-stoffen te verbieden.

Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. De normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen door bedrijven in bodem, water en atmosfeer moeten veel strikter worden gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, worden vervolgd.

7. We zorgen voor een enorme versterking van onze publieke sector.

7A. De publieke sector als geheel.

We versterken en moderniseren de publieke sector. We investeren 15 miljard structureel extra in meer banen en betere arbeidsvoorwaarden in de publieke sector. Publieke dienstverlening organiseren we zonder marktwerking, met politiek gelimiteerde regie. Daar heerst geen concurrentie, maar samenwerking. We herstellen het vertrouwen in de professionals en stoppen met micromanagement en bureaucratische controles. Professionals krijgen ruime regel- en budgetruimte. De organisaties in een moderne publieke sector hebben een menselijke maat, zijn plat met weinig overhead en onnodige bureaucratie en liefst coöperatief georganiseerd, mogen geen winstoogmerk hebben en opereren binnen publieke kaders en toezicht. De relatie tussen cliënten en professionals staat centraal bij de kwaliteit van dienstverlening en deze moeten niet in individuele consumentrelaties worden vormgegeven – we moeten het individualisme in onze samenleving bestrijden waarin burgers tot consumenten gereduceerd worden en de Staat/publieke sector tot een ‘BV Nederland’.

Bij onvoldoende prestaties en/of wanbeleid gaan publieke instellingen niet dicht of failliet, maar worden ze tijdig onder toezicht geplaatst. Zorg, onderwijs en kinderopvang zijn een recht, geen voorziening. Die rechten moet afdwingbaar zijn. We stoppen met het eisen van zelfredzaamheid. De keuzevrijheid in collectieve arrangementen beperken we. We stoppen met de individualisering van kosten van publieke dienstverlening. We gaan zorg, onderwijs en kinderopvang volledig collectief via de belastingen financieren. Zonder aparte premies, eigen bijdragen en eigen risico.

7B. Een solidair, toegankelijk en efficiënt zorgstelsel van hoge kwaliteit.

Het zorgstelsel wordt ook in de media voornamelijk beoordeeld op het rechtse criterium van beheersing van de collectieve kosten. Deze focus is rechts, aangezien nooit meegewogen wordt in hoeverre collectieve kostenbeheersing tot individuele kostenstijging leidt. Als we van alles uit het verzekerde pakket gooien, is rechts trots op kostenbeheersing. Links zou daartegen in moeten brengen dat dit leidt tot tweedeling in de zorg, omdat zorgbehoevende mensen deze onverzekerde ingrepen voortaan zelf moeten bekostigen. De toegankelijkheid en kwaliteit van en het werken in de zorg blijven te vaak onbesproken. De bewering dat de zorgkosten sneller stijgen dan ons nationaal inkomen – wat we met elkaar verdienen in dit land (het bbp) is niet waar, in werkelijkheid stijgt ons bbp al zes jaar op rij sneller dan onze zorguitgaven. Conclusie: de groei van de zorguitgaven is prima financierbaar en helemaal niet onhoudbaar. Gezien het belang dat mensen hechten aan goede gezondheidszorg is het percentage van ons bnp dat de zorg ons kost eigenlijk een koopje. De voorspelling van het Centraal Planbureau (CPB) dat de zorgkosten de komende 25 jaar verder zullen stijgen, hangt nauw samen met de verwachting dat we in die 25 jaar ook rijker worden, en wie rijker wordt hecht aan betere – en dus duurdere – zorg. Die rijkdom schept echter ook ruimte om meer zorg te betalen. Meer zorgkosten is ook helemaal niet slecht voor de economie, zoals neoklassieke economen stellen. Zorg is net als andere sectoren ook een ‘motor van de economie’: er wordt geproduceerd, er worden behoeften bevredigd en er verdienen 1,3 miljoen mensen hun geld mee, dat ze vervolgens weer uitgeven aan de bakker, de aannemer of een nieuwe auto.

Maar voor sommige mensen is de zorg inmiddels wel onbetaalbaar geworden, en dat heeft alles te maken met de verdeling van de kosten. Het argument dat ‘een gemiddeld gezin nu al meer dan een vijfde van het inkomen kwijt is aan zorg’ wordt vaak gebruikt om bezuinigingen te bepleiten. Het zou echter vooral een reden moeten zijn om de zorgkosten anders te verdelen. Wie vindt dat kosten voor ziekte en hulpbehoevendheid een eigen verantwoordelijkheid zijn, of misschien zelfs eigen schuld (‘dan had je je er maar beter tegen moeten verzekeren’), of dat zorg een ‘consumptiegoed’ is waarbij het inkomen nu eenmaal bepaalt hoeveel je ervan kunt consumeren, zal kiezen voor het individualiseren van de zorgkosten. Het is een politieke keuze, geen wetenschappelijke of economische keuze. Onze PvdA moet in haar verkiezingsprogramma duidelijk maken dat stijgende individuele zorgkosten een politieke, ideologische keuze zijn. En dat wij staan voor een links, solidair alternatief, met solidariteit tussen arm en rijk en tussen ziek en gezond. Dat de zorgkosten collectief prima financierbaar zijn – ook als je fors daarin extra investeert, als je bereid bent het geld daarvoor te halen waar het zit, en tegelijkertijd de zorg veel efficiënter en effectiever organiseert. Want er worden nu miljarden euro’s verspild door een inefficiënt zorgstelsel en perverse prikkels.

We stoppen radicaal met marktwerking in de zorg en vervangen concurrentie door samenwerking. De Autoriteit Consument en Zorg (ACM) wordt onbevoegd in de zorg. Zorgaanbieders moeten geen winstgedreven ondernemers zijn en mogen geen winstuitkeringen doen. Iedereen in de publiek gefinancierde zorg komt in loondienst, bij voorkeur in een zorgcoöperatie. Zorg moet regionaal georganiseerd worden, dichtbij de mensen. De vrije keuze van patiënten en cliënten voor een zorgverlener gaan we wettelijk waarborgen. Hun rechtsbescherming gaan we versterken, evenals de privacybescherming.

Voor commerciële zorgverzekeraars is er in de publiek gefinancierde zorg geen rol meer. Wel krijgen zij het aanbod om zich om op regionale basis om te vormen tot een publiek gefinancierd en publiek aangestuurd zorgkantoor. De publiek gefinancierde zorg gaan we niet meer inkopen of aanbesteden, maar vormgeven in een subsidierelatie. Die subsidierelaties worden gebaseerd op basis van door een per zorgregio periodiek vastgestelde regionale zorgvisie. Die vaststelling wordt gedaan door de gezamenlijke gemeenten in die zorgregio met behulp van een gemeenschappelijke regeling. De regionale zorgvisie behoeft ministeriële goedkeuring – onthouding daarvan kan alleen op basis van strijdigheid met de wet of strijdigheid met een periodiek door het parlement vastgesteld landelijk zorgkader. Alle publiek gefinancierde zorg gaat zo gefinancierd worden met één samenhangende regeling en één loket (het publieke regionale zorgkantoor).

We gaan de zorg volledig financieren door een eerlijke, rechtvaardige belastingheffing. Zorgpremies (zowel de nominale als de inkomensafhankelijke), eigen bijdragen en eigen risico verdwijnen. Dan kan ook de zorgtoeslag geschrapt worden. Welke zorg nuttig en/of nodig is, blijft een zaak van politieke besluitvorming, op basis van deskundig advies. Linkse politiek bepleit daarbij een zo breed mogelijk pakket van voldoende bewezen werkende zorg. Mond/tandartszorg en paramedische behandelingen horen daarbij, evenals preventieve behandelingen en anticonceptie.

Er komt een andere bekostigingssystematiek in de zorg. De huidige budgetplafonds vervallen. We gaan niet meer bekostigen op basis van het aantal verrichtingen, maar gaan werken met het zgn. cappuccinomodel: de bekostiging wordt vooral gebaseerd op basis van de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast wordt er een kleine opslag verstrekt per ingreep of consult (de melk) en ook nog een opslag bij uitzonderlijk goede prestaties of innovaties (het schuim). Zorgkantoren krijgen de bevoegdheid – met instemming van de gemeenten in de zorgregio – subsidievoorwaarden te stellen die efficiëntie, doelmatigheid en kwaliteit bevorderen. Ook de minister van zorg – met instemming van het parlement – kan daartoe in het nationale zorgkader verplichtende voorwaarden opnemen. Tot die voorwaarden behoren in ieder geval: ingrepen moeten voldoende bewezen medisch nut hebben; een efficiënte verdeling van dure voorzieningen voor complexe medische zorg, waarbij onder meer gedeconcentreerde zorg voor chronisch zieken door huisartsen met participatie van specialisten wordt aangeboden; dure medische technologie wordt alleen toegepast als die bewezen meerwaarde voor kwaliteit van leven en/of de levensverwachting van de patiënt oplevert ten opzichte van chirurgisch handwerk; en verplichte toepassing van bewezen ICT-technologie op het direct met elkaar kunnen communiceren in de hele zorg, de beveiliging en de bescherming van de privacy. We beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie.

We versterken de poortwachtersfunctie van huisartsen en wijkverpleegkundigen voor toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg, die daartoe meer capaciteit krijgen. Het CIZ wordt opgeheven. Diagnostisch onderzoek wordt bekostigd. Spoedeisende zorg wordt alleen bekostigd als het ook spoedeisend is. Indicaties vinden alleen plaats na tenminste een persoonlijk gesprek door de huisarts/wijkverpleegkundige zelf. Indicaties moeten passend zijn wat betreft de duur van te verlenen zorg. Huisartsen krijgen een rol in het signaleren van zorgaanbieders die hun werk niet goed doen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg krijgt ook taak de effectiviteit van de zorgverlening te beoordelen. Deze kwaliteitsoordelen worden openbaar gemaakt.

We investeren veel meer in preventie van gezondheidsproblemen (vergoeden effectieve behandelingen tegen verslavingen en van gezonde leefstijl, stimuleren gezond bewegen) en voeren daartoe ook meer regulering (verbieden van roken en ongezonde producten op scholen, zorg- en sportinstellingen, wettelijke maximumpercentages vet, suiker en zout, meer onderzoek naar preventie en genezing ernstige ziekten, vaccinatievereisten mogelijk maken bij scholen en kinderopvang) en beprijzing (differentiatie btw) in. Er komt een landelijk expertisecentrum voor de zorg.

We maken een eind aan de financiering en indicatie van zorg via gemeenten (WMO en Jeugdzorg). Zorgprofessionals bij niet commerciële zorgaanbieders moeten zelf de zorgindicatie verzorgen. De financiering moet landelijk geschieden, en het zorgaanbod moet worden gereguleerd in een provinciale of regionale zorgvisie, die politiek wordt besloten. Er komt snel een noodplan voor het oplossen van de tekorten in de jeugdzorg, de zorg voor mensen met een beperking, de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en de ouderenzorg. We vertragen en verminderen de extramuralisering van zorg. Niet iedereen wil en kan langer zelfstandig thuis wonen. En waar dat wel kan, moet er ook geld en ruimte zijn voor aanpassingen van woningen, nieuwe woonvormen, dagbesteding, etc. We investeren ook in de kwaliteit en de toegankelijkheid van het doelgroepenvervoer. Eigen kracht en zelfredzaamheid moet een recht, geen plicht zijn. Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen dan een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. We versimpelen de procedures rondom het PGB. De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof.

7C: Veel beter onderwijs, gebaseerd op gelijke kansen, rekening houdend met ongelijke startposities.

In het onderwijsbeleid voeren we een radicaal op gelijke kansen gericht beleid – nu vergroot het onderwijs eerder de gelijkheid van kansen. Dat vraagt in de eerste plaats om uitstel van studiekeuze tot 15/16 jaar met een investerings- en innovatieplan en -budget voor meer niveaudifferentiatie en verschillende werkvormen.

Al in de vroegste jaren wordt nu ongelijkheid in kansen opgelopen. Het huidige voorschoolse onderwijs wordt steeds minder door kinderen van ouders met een laag inkomen/lage opleiding bezocht, ook door de oplopende kosten. We maken dit onderwijs daarom gratis, d.w.z. volledig collectief uit de belastingen gefinancierd, net zoals we dat met de kinderopvang gaan doen. De voorschoolse educatie moet – voor tenminste 16 uur per week – beschikbaar worden voor alle kinderen vanaf twee jaar. Onderwijs en kinderopvang, inclusief de voorschool, worden geïntegreerd in publiek en collectief gefinancierde en georganiseerde kindercentra.

Deze centra worden onderwijscoöperaties met veel regel- en budgetruimte voor de onderwijsprofessionals. De leraar moet veel meer eigenaar van het onderwijsleerproces worden en dus ook daarover veel meer zeggenschap hebben. De lumpsum bekostiging wordt deels vervangen door meer overheidssturing opdat publiek geld ook overeenkomstig met het doel ervan effectief en efficiënt besteed wordt en er minder reserves nodig zijn. M.n. op terrein van het curriculum, personeel en huisvesting krijgt de overheid een grotere rol. Onderwijs moet weer om onderwijs draaien, zodat leraren niet zich druk hoeven te maken over statistieken en financiering.

We willen minder prestatiedruk in het onderwijs. Met minder toetsen. Huiswerk zoveel mogelijk afschaffen. Plezier in leren moet een prioriteit zijn. Tegelijkertijd breiden we de onderwijstijd uit. Er komt een veel breder vakkenpakket. De taal- en rekenvaardigheid, maar ook de kennis in andere vakken moet substantieel omhoog. Teveel leerlingen ontberen nu basale, noodzakelijke kennis en vaardigheden. Maar er is ook meer dan alleen cognitieve kennis. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen, met ook vaardigheden, muziek, theater, beeldende vorming en bewegingsonderwijs. Moderne leerpsychologische kennis moet leiden tot betere didactiek, dus o.m. niet alleen leren door luisteren. Daarbij helpt het als er veel meer contact is tussen ouder, kind en leraar, ook voor tieners ouder dan 15 jaar. Geen 7 minuten op een ouderavond, maar uren. Liefst met het kind erbij. En dat er mensen worden ingevlogen voor lezingen over hoe je omgaat met leermotivatie of met angst, of over pesten of drugs.

Hiervoor hebben we al aangegeven fors te investeren in werk in de publieke sector. In het onderwijs pakken we de forse tekorten van leraren aan met minder werkdruk en meer collega’s. We verminderen de werkdruk en realiseren meer aandacht per leerling. We realiseren kleinere klassen (gemiddeld 23 leerlingen, in achterstandswijken gemiddeld 12 leerlingen) en een kleinere lestaak (max. 1/3 van de aanstelling). Er komen ook meer onderwijsassistenten (per klas tenminste één), meer vakleerkrachten (bijv. voor bewegings- en voor cultuuronderwijs) en iedere school krijgt tenminste een schoolconciërge. Er komt meer specialistische begeleiding in kader van passend onderwijs. De salarissen van leraren in het PO en VO worden gelijk getrokken. We komen met een actieplan om sneller leraren op te leiden. Deze investeringen maken onderdeel uit van de eerder genoemde investering van 15 miljard euro per jaar in de publieke sector.

In de bekostiging moet het meeste geld en de beste leraren en leermiddelen gaan naar de moeilijkste leerlingen/scholen met de grootste pedagogische uitdagingen, in plaats van de huidige rendementsbekostiging en het huidige onderwijsachterstandenbeleid. In plaats van premies op zo snel mogelijk doorstromen willen we een premie op het bieden van kansen. Bij scholen met een extra pedagogische uitdaging ontvangt men een toeslag en een kleinere lestaak, zodat er meer individuele begeleiding gegeven kan worden. De bekostiging moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien, en dit moet niet zoals nu juist risico’s voor een school opleveren. Concurrentie tussen scholen wordt zoveel mogelijk vervangen door samenwerking. De verschillen in kwaliteit tussen scholen moeten veel minder groot worden. Zwakke scholen moeten eerder onder toezicht worden geplaatst. Kinderen zijn anders de dupe.

In het publiek bekostigde basis en voortgezet onderwijs komt er op iedere school een toelatingsrecht. Scholen mogen leerlingen niet meer afwijzen, ook niet vanwege de religieuze identiteit van de school. Bij capaciteitsproblemen kan er tijdelijk een stop worden toegestaan, maar de school moet dat met extra publieke middelen zo snel mogelijk oplossen.

Mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties krijgen gericht extra overheidsgeld om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is. En we verlengen de leerplicht voor jongeren die nog geen startkwalificatie hebben en wel de potentie hebben die te halen. Stapelen van diploma’s is een belangrijk principe voor sociale mobiliteit. Jongeren krijgen een doorstroomrecht: een diploma geeft zonder extra voorwaarden recht op vervolgonderwijs. De aansluiting wordt verbeterd, extra toegangseisen vervallen en er komen goede schakelprogramma’s. Er komt extra geld voor extra begeleiding, bijlessen en coaching van studenten die doorstromen van mbo naar hbo, in het laatste jaar mbo en het eerste jaar hbo, en voor meer professionele studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding.

We gaan het passend onderwijs beter afdwingen en faciliteren. Leerplichtambtenaren krijgen doorzettingsmacht om kinderen met een beperking op scholen te plaatsen. Er komt landelijk één wettelijke definitie van basiszorg dat de minimumondersteuning omschrijft die iedere school moet bieden. Scholen mogen dan niet langer leerlingen weigeren omdat ze niet in staat zouden zijn passend onderwijs te leveren. We brengen de bekostiging daartoe ook op orde. Erkend moet worden dat voor sommige leerlingen speciaal onderwijs een beter alternatief blijft. Daartoe blijven een aantal van deze scholen in regionaal verband in stand. Leerlingen met een (meervoudige) beperking die geen regulier onderwijs kunnen volgen, kunnen kosteloos onderwijs volgen of naar de dagbesteding. Voor het onderwijsdeel en de onderwijsondersteuning wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die ook, publiek bekostigd. De medicalisering van leerproblemen moet worden teruggedrongen.

Er komt een speciaal programma gericht op veel betere deelnamecijfers van studenten met een beperking in het mbo en het hoger onderwijs. De toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten met een beperking wordt een afdwingbaar recht, de instellingen krijgen daarvoor extra middelen.

Het komt nog steeds teveel voor dat studenten in het mbo en hbo geen stageplek krijgen door discriminatie, bijv. door een niet-westerse achternaam, een hoofddoek of vanwege hun genderidentiteit of -expressie. De onderwijsinstellingen zijn al verantwoordelijk voor het regelen van een stage. Daarenboven gaan we dat recht op stage afdwingbaar maken voor de studenten. En er komt een meldingsplicht voor discriminatie naar de Inspectie SZW.

We zorgen voor een publiek gefinancierd landelijk aanbod van basiseducatie voor laaggeletterden (er zijn 2,5 miljoen laaggeletterden in ons land, waarvan ruime meerderheid autochtoon), gericht op basisvaardigheden op het terrein van in ieder geval taal, rekenen en digitale vaardigheden, waaronder het kunnen beoordelen van informatie op betrouwbaarheid. Gemeenten moeten taakstellingen en geoormerkte middelen daarvoor krijgen. Er komen speciale, gratis, laagdrempelige en aantrekkelijke scholen voor basiseducatie in alle gemeenten met een extra inzet op de wijken waar dit probleem het grootst is (dit wordt onderdeel van de eerder genoemde nieuwe wijkaanpak), met een open digitaal interactief ondersteuningskanaal en een landelijk kwaliteitskader. Bij de opzet wordt samengewerkt met volwassenenonderwijs, bibliotheken en buurtwerk/wijkcentra, en met scholen in het PO en VO: scholen bemiddelen actief voor taalonderwijs voor ouders van hun leerlingen wanneer zij constateren dat die inzet nuttig kan zijn. Er komen aparte diploma’s voor de verschillende taalniveaus met een bescheiden bonus/beloning bij het behalen daarvan. Ook moeten we veel meer werk maken van toegankelijk volwassenenonderwijs. We organiseren een landelijk netwerk met volwassenenonderwijs: van tweede kans voortgezet onderwijs, van specifieke cursussen tot hoger onderwijs voor volwassenen – ondersteund door een ruim aanbod van digitaal afstandsonderwijs. Voor lage inkomens wordt dit gratis toegankelijk, en voor middeninkomens gaan gesubsidieerde tarieven gelden.

Bibliotheken worden gratis en gepromoot met taal- en leescafés, quizzen, publieke dictees e.d. We investeren in moderne bibliotheken, met moderne media en digitale toegang, die nauw samenwerken met scholen en het taalonderwijs. Bibliotheken worden leesbevorderingscentra. Iedere wijk en ieder dorp moet een fysieke, goed toegankelijke bibliotheekvoorziening hebben. Jongeren tot 25 jaar en inkomens tot 130% van het sociaal minimum krijgen een gratis abonnement op een onafhankelijk dagblad (al dan niet digitaal) naar keuze, gratis toegang tot muziekschool of andere culturele scholing, en een lidmaatschap bij een sportclub naar keuze. Musea worden gratis voor jongeren en minima. We verdubbelen ook het cultuurbudget en zetten een open digitale universiteit op naar het voorbeeld in het VK.

Al het onderwijs tot en met het mbo wordt gratis (het lesgeld in het mbo vervalt). Zgn. vrijwillige ouderbijdragen worden verboden. Excursies en leermiddelen worden in de bekostiging vergoed. We gaan ook de sluipende privatisering van het onderwijs tegen, door o.m. extra begeleiding in het reguliere onderwijs aan te bieden en te bekostigen. Zo zorgen we dat elk kind, ongeacht de portemonnee van de ouders, gelijke kansen in het onderwijs heeft. Dat gaan we volledig financieren uit de Rijksbegroting. 

De huidige studiefinanciering (rentedragende studielening en aanvullende beurs) vervangen we door een voor iedereen gelijke studentenuitkering van 1000 euro per maand plus een OV-studentenkaart (met gratis reizen in daluren) – ongeacht ouderlijk inkomen en of je thuis- of zelfstandig woont. De uitkering wordt gekort bij eigen inkomsten boven de 500 euro per maand. Er is geen partner- of vermogenstoets. Wij stellen voor in het hoger onderwijs het collegegeld te vervangen door een door de Belastingdienst te innen studieheffing over het na afloop verdiende inkomen voor een bepaalde, maximum periode. De heffing is hoger na rato van het dan verdiende inkomen en naar rato van de verbruikte studieduur.

7D: Meer veiligheid voor iedereen.

De veiligheidssector zit verstopt. De rechtsstaat en de toegang tot het recht komen steeds meer in het geding. De hele rechtsketen dreigt door tekorten verstopt te raken. De extra banen moeten deze tekorten opheffen. We verbeteren de veiligheid, de toegang tot het recht en de werking van de rechtsketen. In de veiligheids- en justitiesector investeren we ook in meer personeel en betere beloning, als onderdeel van de eerder genoemde investeringen in de publieke sector. We zorgen onder meer voor duizenden extra wijkagenten, extra rechercheurs, specialisten op bijv. bestrijding van cybercriminaliteit, meer rechtshulp en rechters, militairen, marechaussees, maar ook voor conducteurs, toezichthouders, wijkconciërges, en inspecteurs van toezichthouders (denk aan de Belastingdienst, de Arbeidsinspectie, de Privacy-waakhond, de Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspectie voor milieu en van landbouw, etc.).

En we verleggen de focus. Veel criminaliteit is nu drugsgerelateerd. In plaats van steeds meer inzet op repressie, hetgeen aantoonbaar niet werkt, zetten we in op legalisering en regulering van drugs. Maar ook meer in het algemeen zetten we minder eenzijdig in op strafrecht, en meer op preventie en reclassering, met een aparte inzet op veelplegers, met name bij jongeren. Uit onderzoek blijkt dat een ruime meerderheid van veroordeelden een verstandelijke beperking of stoornis heeft. Er moet daarom veel meer worden ingezet op effectieve behandeling, soms langdurig of zelfs levenslang. Gedurende die periode moet ook de bescherming van de samenleving tegen mogelijke recidive tenminste net zo zwaar gewogen worden als het belang van de cliënt in TBS.

Georganiseerde criminaliteit en de verbindingen daarmee met de bovenwereld (o.m. door witwassen), wapenhandel, terrorisme en belastingontduiking/witte boorden criminaliteit worden het speerpunt van repressie. Er komen meer mogelijkheden om financiële en vastgoedtransacties waarbij wordt witgewassen, aan te pakken, ook achteraf. Daklozen, verslaafden, mensen zonder verblijfsvergunning, worden niet meer achtervolgd met boetes en opsluitingen, maar begeleid, gericht op oplossing van hun problemen. Kinder- en mensenrechten worden weer hard gegarandeerd. We maken meer werk van strijd tegen discriminatie (incl. homofobie, islamofobie en antisemitisme), huishoudelijk geweld, besnijdenis van vrouwen, gedwongen huwelijken, kindhuwelijken, eerwraak, mensenhandel en seksuele intimidatie, waaronder intimidatie op straat. Dat laatste wordt eindelijk wettelijk strafbaar. We bestrijden actief etnische profilering bij de politie en bestrijden ook daar het institutioneel racisme.

We investeren ook in de organisaties, scheiden Justitie weer van de politie, en decentraliseren een deel van de aansturing van de nationale politie. Het geweldsmonopolie blijft bij de politie. Meer politiemenskracht moet de overmatige groei van buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) terugdringen. We ontlasten de rechtspraak ook door veel procedures niet meer in eerste instantie door de rechter te laten afdoen, zoals bij echtscheiding en schuldhulpverlening. We verlagen de griffierechten en investeren in gratis rechtsbijstand en juridisch advies.

Bij de versterking van defensie zorgen we vooral voor meer inzet op personeel, met een betere uitrusting, beloning en rechtspositie. De investeringen in defensie moeten substantieel worden verhoogd om aan de actuele bedreigingen en Europese ambities te voldoen. Naast de dreiging van het internationaal terrorisme is er buitenlandse dreiging voor onze veiligheid en/of behoud van onze democratische rechtsstaat vanuit o.m. Rusland, China, Syrië en andere delen van het Midden-Oosten en Venezuela. De inzet is gericht op bestrijding van dat terrorisme en het pacificeren van in de eerste plaats Europa, het Midden-Oosten (incl. een eigen entiteit voor de Palestijnen) en Afrika. Daarbij wordt defensie naast diplomatie en ontwikkelingssamenwerking ingezet. We streven naar veel meer Europese defensiesamenwerking en willen de afhankelijkheid van de VS verminderen. De 2% norm van de NAVO kan dan ondanks de extra ambitie worden verlaagd. De totale defensie-uitgaven moeten niet meer afhankelijk zijn van het nationaal inkomen, alleen de verdeling van die uitgaven over de lidstaten moet dat zijn. We combineren deze systeemwijziging met de hiervoor genoemde substantiële verhoging van het defensiebudget.

8. We worden de markt weer meester: terug naar het Rijnlandse model.

8A: Gereguleerde marktwerking. De markt is ontspoord in een Angelsaksische dodemansrit. We moeten terug naar het Rijnlandse model. We moeten de markt weer meester worden. Lange termijndoelen met balans in de belangen van alle stakeholders moeten centraal komen te staan, in plaats van alleen korte termijnbelangen van aandeelhouders. Naast het private winstbelang moeten ondernemingen zich rekenschap geven over hoe zij bijdragen aan de belangen van hun werknemers en aan publieke belangen, zoals een duurzame, circulaire productie – people, planet and profit. En dat over hun hele productie- en distributieketen. Ondernemingen moeten in hun publiek jaarverslag meer verplichte onderdelen opnemen over hun sociaal en duurzaamheidsbeleid.

De overheid neemt eigendom in bedrijven die van nationaal belang zijn. We maken vijandige overnames moeilijker door werknemers een blokkerende stem te geven bij alle overnames en fusies, door een wachttijd in te voeren en door financiering door eigen vermogen te eisen. Nu worden overnames vaak gefinancierd via schuld, en dat is slecht voor het bedrijf en voor de economie als geheel. De investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn. Dit wordt vooraf getoetst. Excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen wordt wettelijk beperkt.

We pakken kartelvorming en monopolies aan en we beperken het patentrecht in duur en ook waar het publieke belang teveel in het geding is, zoals nu bij de farmaceutische industrie en bij internetbedrijven als zoekmachines, sociale media en softwarebedrijven. We verbeteren de huurbescherming van zelfstandige winkeliers en de rechtspositie van franchisenemers, en we passen de mededingingswetgeving aan, zodat de macht van grote inkopers tegenover kleine zelfstandigen wordt ingeperkt. Bij overheidsopdrachten garanderen we dat kleine ondernemers dezelfde kansen krijgen als grote bedrijven.

Er moeten ook scherpere regels komen voor private equity bedrijven. Het lange termijnperspectief bij bedrijven wordt ondermijnd door excessen van private equity-partijen en door activistische aandeelhouders. Die jagen bedrijven op om onderdelen af te stoten of onderdelen te verkopen zonder oog voor de belangen van werknemers of klanten. Gezonde bedrijven gaan daardoor op termijn kapot. We moeten de uitwassen van dit Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme bestrijden: de investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn; excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen moeten worden beperkt; de invloed van werknemers moet worden vergroot; en de kosten en het verdienmodel van private equity-partijen moeten transparant worden.

Consumentenbelangen moeten veel beter worden beschermd. Dat vraagt o.m. strengere regulering en betere handhaving, waarbij de vrije mededinging beperkt kan worden. De Autoriteit Consument en Markt moet zich beperken tot puur private en niet grotendeels door overheid gesubsidieerde en/of gereguleerde sectoren (dus geen zorg, onderwijs, kinderopvang, etc.) en stelt consumenten- en publieke belangen zwaarder dan pure mededingingsbelangen. Ook moet het verbod op het georganiseerd onderhandelen over prijzen van zzp-ers vervallen. Het ACM moet proactief controleren op een nieuw door de overheid vastgesteld en gehandhaafd Keurmerk Duurzaam en Eerlijk Ondernemen. Geen zelfregulatie meer, maar harde zekerheid voor een faire beloning, goede arbeidsomstandigheden, geen uitbuiting, geen kinderarbeid, geen bijdrage aan onveiligheid, een schone, circulaire productie en distributie, geen schade aan biodiversiteit en geen vervuiling van lucht, water en bodem. Reclame en productinformatie moet betrouwbaar zijn, met aansprakelijkheid van de producent als dat niet zo is, en productaansprakelijkheid moet veel minder eenvoudig als nu uitgesloten kunnen worden. Dat geldt des te meer voor digitale aanbieders. We zetten ons in om de misstanden die nu wekelijks bij consumentenprogramma’s te zien zijn aan te pakken met extra regelgeving en handhaving. Met scherpe en intensieve inspecties en hoge, effectieve boetes.

We gaan de mogelijkheden voor een coöperatieve sociale onderneming bevorderen, door een lager vennootschapstarief en een eigenstandige rechtsvorm.

8B: Meer zeggenschap voor werknemers. Door de in hoofdstuk II voorgestelde collectieve vermogensaanwasdeling delen werknemers meer mee met de winst van ondernemingen. Daarbij maken we het aantrekkelijk om dit te doen in de vorm van aandelen voor werknemers, waardoor werknemers mede-eigenaar worden en ook zeggenschap verwerven. De rechten van de Ondernemingsraad (OR) worden versterkt, o.m. met een recht op het benoemen van een deel van de leden van de Raad van Commissarissen: De Raden van Commissarissen moeten tenminste drie leden hebben die andere onderwerpen bewaken dan de beleggersbelangen, waaronder tenminste een die specifiek let op werknemersbelangen. Tenminste de helft van de leden moeten bestaan uit andere dan vooral financieel georiënteerde types. Werknemers krijgen instemmingsrecht bij overnames en een sterke positie bij afhandeling van faillissementen, doorstarten, fusies en overnames. Het stakingsrecht gaan we wettelijk regelen.

Er komen maatregelen om de positie van vakbonden te versterken. Onderdelen van cao’s kunnen alleen voor leden gaan gelden, teneinde free-rider gedrag tegen te gaan. In het burgerschapsonderwijs wordt aandacht gegeven aan het belang van vakbonden en van organisatie van werknemers. Er wordt niet getornd aan de algemeenverbindendverklaring van cao’s. Nepbonden, bonden die in hoofdzaak afhankelijk zijn van financiële bijdragen van werkgevers, worden uitgesloten van het cao-overleg.

We versterken de positie van werknemers in het ontslagrecht, in plaats van de verslechteringen die Rutte III wil doorvoeren. We gaan borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand.

8C: Een minder op export gebaseerde economie en eerlijke handel in plaats van vrijhandel. Onze economie moet minder afhankelijk worden van het buitenland en dus van export en doorvoer. Binnenlandse bestedingen moeten veel meer de motor van onze energie worden. Teveel van de Nederlandse productie gaat naar buitenlandse consumenten. We moeten gericht beleid voeren op het verminderen van ons enorme handelsoverschot. Het is onjuist om goedkope lonen te verdedigen omdat die meer banen zouden betekenen. Ze betekenen weliswaar meer banen voor de export, maar die gaan ten koste van banen in de binnenlandse sector met een per saldo negatieve uitwerking op onze levensstandaard. Daarom moeten de lonen juist omhoog in de exportsector.

Eerlijke en duurzame handel moet volledige vrijhandel vervangen, ook in internationaal opzicht. We bevorderen actief eerlijke en duurzame handelsrelaties. We beoordelen handelsverdragen hierop zeer kritisch en staan geen aparte rechtssystemen hiervoor toe (geen ISDS, geen ICS). De vrijhandelsverdragen met Japan, Canada en de Zuid-Amerikaanse Mercosur-landen voldoen daar niet aan en kunnen dus niet zonder aanpassing daarop gesteund worden. Lidstaten en regio’s in lidstaten moeten op grond van economische problemen en achterstand tijdelijk ontheffing kunnen krijgen van het verbod op overheidssteun aan bepaalde bedrijven of sectoren. Daartoe worden objectiveerbare criteria en voorwaarden opgesteld, waaraan de Europese Commissie toetst.

Daarnaast verdubbelen we het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Dat budget wordt ontdaan van oneigenlijke zaken als migratie, Nederlandse handel en defensie. We zetten met name in op goed bestuur & democratische rechtsstaat, verduurzaming & tegengaan van effecten klimaatcrisis (droogte, wateroverlast, temperatuurstijging, extreem weer), emancipatie & non-discriminatie en de realisering van de VN-ontwikkelingsdoelen. Ernstige schending van mensenrechten betekent dat we geen handel bevorderen en overgaan tot sancties, liefst met zoveel mogelijk andere landen, bij voorkeur ook in EU-verband. Maar desnoods zetten we alleen de toon. De geloofwaardigheid van buitenlandse politiek moet terug. 

8D: Een minder op schulden gerichte economie met een kleinere, strak gereguleerde financiële sector. We willen ook een minder op schulden gerichte economie. De omvang van die schulden is internationaal vergeleken zorgwekkend groot, hetgeen ons zeer kwetsbaar maakt. Het is een rem op economische groei en een levensgevaarlijk gevaar voor de macro-economische stabiliteit. In plaats van de focus op reductie van overheidsschulden moeten we de focus richten op reductie van private schulden en daarmee een veel kleinere financiële sector, voor een duurzame, stabiele economische groei. We stoppen radicaal met het aantrekken van nieuwe financiële spelers uit het buitenland, zoals nu in de aanloop naar de Brexit gebeurt. Met de door ons bepleite beperking van hypotheken zal ook de financiële sector sterk krimpen. Dat willen we nog verder bevorderen door hogere buffers bij banken te eisen. Wij willen de buffers geleidelijk verhogen naar 10 procent van het kapitaal. De gewogen risico-eisen worden eveneens verhoogd. Hard eigen vermogen is beter dan vermogen dat kan worden omgezet in eigen vermogen (coco’s). Wij willen daarom stoppen met de fiscale bevoordeling van coco’s – een soort converteerbare obligatieleningen waarmee banken strengere kapitaalregels kunnen omzeilen. In de risicomodellen van banken moeten harde ondergrenzen aan het kapitaal worden gesteld, de zogenaamde kapitaalvloeren.

Ook meer regulering helpt om de ‘Wolf on Wall Street’ te temmen. We voeren een verbod in op te risicovolle producten, en verplichten tot een harde scheiding tussen nuts- en zakenbankfuncties (aparte spaarbanken). De huidige bonuswetgeving wordt verscherpt: een bonus mag niet 20% maar nog maar 10% van het vaste salaris bevatten en mag niet gerelateerd zijn aan doelstellingen die speculatie bevorderen of anderszins strijdig zijn met het algemeen belang. Ook de omvang per bank is nu te groot.

We willen streven naar een stelsel van kleinere banken, die bij problemen dan ook minder kostbaar gered kunnen worden. Kleinschaligheid helpt ook de focus meer op het klantbelang te leggen en de nutsfuncties van banken te versterken. We willen ook meer diversiteit in banken, waaronder een staatsbank en een echt coöperatieve bank. SNS Bank moet daarom beslist niet naar de beurs. Als een bank gered moet worden, wentelen we dat niet meer af op de belastingbetaler. De leiding moet dan plaatsmaken. Bij wanbeleid volgt vervolging, we schikken niet meer.

We stellen het belang van klanten centraal bij banken met regels over minima aan kantoren, persoonlijk contact en advies, geldautomaten, etc. Dit zal ook het verlies aan werkgelegenheid, met name voor lage en middelbaar geschoolde functies, deels kunnen compenseren. Het wordt eenvoudiger om van bank over te stappen – banken moeten o.m. zelfde rekeningnummer blijven gebruiken en automatische incasso’s continueren. Betaalgegevens zijn van de klant, niet van de bank. Banken beschikken alleen over de gegevens, omdat zij een nutsfunctie hebben: het veilig en goed laten verlopen van het betalingsverkeer. Banken mogen betaalgegevens niet verkopen aan derden. De gedragscode waarin de omgang met betaalgegevens is geregeld, willen wij aanpassen, waarbij de bescherming van privacy voorop staat.

Banken dragen nog steeds te weinig bij aan de overheidsfinanciën. Banken betalen geen btw. Wij willen de bankbelasting daarom verhogen. Daarnaast voeren we in Europees verband een belasting in op speculatieve transacties met aandelen (Financial Transaction Taks – FTT – of ook wel Tobin-tax genaamd). Wij willen de bankenunie vervolmaken door de invoering van een door banken zelf gefinancierd Europees depositogarantiestelsel (DGS), zodat overheden onder druk van spaarders niet in de verleiding komen falende banken alsnog te redden. Met de invoering van een Europees DGS zorgen we ervoor dat de Europese bankenunie naast Europees toezicht en een Europees steunfonds stevig op drie pijlers rust. Daarvoor is het wel nodig dat de bankbalansen eerst verder op orde worden gebracht. Ook de verstrengeling tussen banken en overheden moet verder worden doorbroken. Staatsobligaties moeten daarom een eerlijkere weging krijgen in de Europese en internationale financiële regelgeving. Ook wordt het aandeel staatsobligaties op een bankbalans gemaximeerd.

We willen een vervolg op de discussie over de rol van banken en van de overheid bij geldcreatie en stellen regels bij het gebruik van digitale geldmiddelen als bitcoins. Geldschepping moet de samenleving dienen: een goede democratische controle op geldschepping, het voorkomen van financiële zeepbellen en het creëren van ruimte voor publieke bestedingen. We stimuleren dat geld in de productieve economie terechtkomt en ontmoedigen speculatie.

Sommige verzekeraars verkeren in zwaar weer. Wij willen dat er geen dividenden mogen worden uitgekeerd als buffers onder druk staan. We bevorderen coöperatieve verzekeringen met echte zeggenschap van de deelnemers. Collectieve schadeafhandeling is slecht geregeld in Nederland. Woekerpolishouders en derivatenbezitters blijven te lang met ellende zitten. Wij willen een juridische mogelijkheid invoeren om sneller tot collectieve oplossingen te komen.

De accountants hebben bewezen zichzelf niet te kunnen reguleren. We voeren regels en verscherpt toezicht in om te waarborgen dat de controle op rechtmatigheid en op een getrouw beeld geven op juiste wijze plaatsvindt. Zij moeten een Chinese muur opzetten tussen accountantswerkzaamheden en advieswerkzaamheden. Fiscalisten, accountants en vermogensbeheerders ontspringen nog te vaak de dans bij belastingontduiking. In de praktijk worden deze mensen zelden strafrechtelijk vervolgd, terwijl hier wel mogelijkheden voor bestaan. Dat moet anders, omdat dit de mensen zijn die de ingewikkelde constructies bedenken om de fiscus om de tuin te leiden. We moeten de mogelijkheden verruimen om adviseurs te vervolgen die meewerken aan belastingontduiking en agressieve belastingontwijking.

(Semi-)overheidsinstellingen moeten ook minder speelruimte krijgen op financieel terrein met een verplichte, externe toets op investeringen en contracten. Mogelijk kan de BNG hierbij ook een rol spelen als verplichte bankier.

8E: Regulering van het internet. De privacy van burgers moet veel beter worden beschermd en het internet moet meer worden gereguleerd. Overheden en publieke instellingen moeten zelf controle houden over hun databestanden. Er komt wettelijk gegarandeerde zeggenschap en transparantie over de koppeling van databestanden in publieke sectoren. Burgers krijgen zeggenschap en controle over wat er met hun data gebeurt en er komen strenge wettelijke voorwaarden voor het omgaan met deze data.

Bij het gebruik van algoritmes en databestanden wordt transparantie wettelijk verplicht. Stigmatiserend gebruik van algoritmes, bijv. bij het bestrijden van fraude, wordt verboden. Er komt geen nieuw SyRI. Algoritmes mogen niet leiden tot uitsluiting op de arbeidsmarkt of verzekeringen.

We ondersteunen de ontwikkeling van een ‘publiek internet’, met waardengedreven publieke en non-profit platforms, waardoor informatie en communicatie, en daarmee datastromen, niet langer via commerciële platforms hoeft te gaan. Zo bevorderen we een divers en pluriform internet met verschillende typen spelers.

We gaan de digitale infrastructuur veel steviger reguleren. Dit geldt des te meer in het geval platformbedrijven nutsfuncties vervullen. De huidige kaders voor wetgeving en regulering lopen achter bij de alledaagse realiteit van algoritmische lock-ins, ongebreidelde verknopingen van datastromen, vervagende grenzen tussen de private infrastructuur en gebruikersvoorwaarden met een onduidelijke status. Zelfregulatie is evident onvoldoende gebleken. Het dwingend en niet transparant goedkeuren van delen van je data en surfgedrag op websites wordt verboden. Platformbedrijven moeten voor hun diensten voldoen aan dezelfde eisen als hun concurrenten: cao-naleving (Picnic), verbod op schijnzelfstandigheid (Deliveroo, Uber), beroepsvoorschriften (Uber) en belastingvoorschriften als btw en toeristenbelasting (AirBNB). 

We voeren naar Frans voorbeeld een aparte belasting in op digitale diensten (Digitaks) en voeren wetgeving in om monopolyposities (zoals Google bij zoekmachines en Facebook bij sociale media) te breken. Dat kan o.m. met interoperabiliteit, het verbieden van koppelingen (zoals die nu door de Europese Commissie is verboden tussen het besturingssysteem Windows en de zoekmachine Internet Explorer), en door te verbieden dat toegang tot platforms of data uniek is – zoals nu Facebook bepaalt welk aanbod van andere partijen is toegestaan. Dataportabiliteit maakt het gebruikers mogelijk een alternatief voor Facebook te kiezen zonder gegevens te verliezen en dus zonder virtuele vrienden te verliezen.

We nemen maatregelen om jongeren beter te beschermen tegen potentieel beschadigende content en verslavend internetgedrag, en om burgers te beschermen tegen misleiding met ‘fakenews’ – dat moet wel zeer transparant en controleerbaar gebeuren, onafhankelijk van de overheid – en bewuste manipulatie van de democratie.

9. We versterken onze democratische rechtsstaat.

9A: Meer inzetten op verbetering vertegenwoordigende democratie dan directe democratie: Directe democratie verdraagt zich slecht met vertegenwoordigende democratie. Ze dreigt gauw te ontaarden in een dictatuur van de meerderheid, waarbij de belangen en argumenten van de minderheid er niet toe doen. Directe democratie is zeer gevoelig gebleken voor eenzijdige informatie en opinievorming. Vertegenwoordigende democratie met evenredige vertegenwoordiging, een lage kiesdrempel en bescherming van rechten van politieke minderheden geeft meer kans op een betere weging van het publieke belang. We versterken de representatieve, gekozen democratie met meer geld voor onderzoek en ondersteuning van volksvertegenwoordigers in ieder gekozen orgaan, een veel betere vergoeding van hun werkzaamheden op lokaal en provinciaal niveau, versterking van de positie van politieke partijen, met eisen aan democratische organisatie en financiële transparantie, er komt een lobbyregister, het nevenwerkzaamheden en -inkomstenregister wordt veel sterker gehandhaafd, met boetes en bekendmaking bij overtredingen, er komt geen kiesdrempel, we versterken de rechten van parlementaire minderheden, en de informatiepositie van volksvertegenwoordigers wordt versterkt (en niet beperkt, zoals het huidige kabinet wil), ambtelijke notities en verslagen mogen niet meer worden achtergehouden.

We voeren geen referendum in, anders dan op lokaal niveau voor kwesties die alleen dat lokale niveau betreffen. Daarvoor komen hoge drempels (aanvraag gesteund door 40% van kiesgerechtigde inwoners, uitslag tenminste 50% voor van stemgerechtigden). Wel voeren we een uitgebreider burgerinitiatiefregeling in en faciliteren we via loting samengestelde burgerraden op lokaal niveau. Deze krijgen een adviesrecht aan gemeenteraden. En we gaan in wijken en dorpen vormen van gedeeltelijk zelfbeheer invoeren, bijv. op terrein van groenbeheer en -onderhoud. Daarbij is altijd ook publieke financiering en dus zeggenschap aanwezig. Burgerparticipatie bij totstandkoming beleid wordt verder bevorderd. Daarvoor komt een speciaal ondersteunings- en innovatieprogramma en -budget. De plan- en onderzoeksbureaus van de overheid en het CBS worden wat betreft de wetenschappelijke pluriformiteit en onafhankelijkheid versterkt. Er komt een aparte onafhankelijke Uitvoeringskamer, die vooraf toetst of voorstellen voldoende uitvoerbaar zijn. De Algemene Rekenkamer krijgt de bevoegdheid om geen goedkeurende verklaring te geven. Deze kan worden overruled door een besluit van de gezamenlijke Eerste en Tweede Kamer. Er komen verplicht rekenkamers voor lagere overheden.

9B: Staatsrechtelijke hervormingen: We voeren een Grondwettelijke toetsing in van wetten. De Raad van State wordt gesplitst in een adviesorgaan van de wetgever en in een bestuursrechter, die ook deze Grondwettelijke taak erbij krijgt. De Eerste Kamer blijft bestaan, maar krijgt een terugzendrecht. De Eerste Kamer wordt iedere twee jaar voor de helft opnieuw gekozen door de leden van de Provinciale Staten.

Gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen tussentijds door hen zelf of hun bestuur ontbonden worden voor tussentijdse verkiezingen. We voegen de taken en bevoegdheden van de waterschappen bij de provincies. De waterschapsbelasting wordt daarbij eerlijker, en dus minder zwaar voor huishoudens. Gemeenten worden in de komende kabinetsperiode niet meer tegen hun wil heringedeeld. De bestuurskracht van kleine gemeenten wordt versterkt met meer geld en mogelijkheden voor aantrekken van hoog genoeg geschoold personeel. Gemeenschappelijke regelingen tussen lagere overheden worden voorzien van een verplichte dualistische structuur zoals in gemeenten. De bestuurders en volksvertegenwoordigers in de organen van een gemeenschappelijke regeling worden gekozen door en uit de bestuursorganen die zij vertegenwoordigen.

De burgemeester en de Commissaris van de Koning worden openbaar gekozen door de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten. De kabinetsformateur wordt door de Tweede Kamer benoemd en ontslagen.

De staatsrechtelijke rol van de Koning wordt ook in formele zin beperkt tot representatieve en extern vertegenwoordigende functies. De Grondwet wordt ontdaan van de suggestie dat wetten bij de gratie van een God verkondigd worden. Leden van Koninklijk Huis betalen gewoon belasting en hun inkomen wordt gebracht onder de maximum norm voor topbeloningen in de publieke sector. Van staatsvoorzieningen kan geen gebruik gemaakt worden voor privédoeleinden en paleizen zijn publiek bezit en worden zoveel mogelijk ook voor publiek toegankelijk.

9C: Een democratischer Europese Unie. We zetten in op verdere democratisering van de EU: er komt een aparte Europese Senaat met leden gekozen door en uit de leden van de nationale parlementen van de lidstaten. Deze zetelt in Straatsburg. Het Europees Parlement wordt dan niet langer meer gekozen per lidstaat, maar op Europese lijsten van Europese partijen, en zetelt alleen in Brussel. Het EP kiest de voorzitter van de Europese Commissie, en moet akkoord gaan met de benoeming van de andere leden ervan, waarin niet langer iedere lidstaat vertegenwoordigd is. De voorzitter van de Europese Raad van ministers moet met instemming van de Europese Senaat gekozen worden. Het vetorecht wordt drastisch beperkt, meerderheidsbesluitvorming wordt de norm. De bevoegdheden van Europees Parlement worden uitgebreid. De controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering wordt versterkt met meer bevoegdheden van de Europese Rekenkamer. De rechtspositie van de Europarlementariërs wordt gelijk ongeacht de lidstaat waar zij vandaan komen en substantieel versoberd.

9D: Meer openbaarheid en betere rechtsbescherming van burgers tegen de overheid. We versterken de publieke controle door extra middelen voor onafhankelijke, journalistiek, met als speerpunten voor versterking van de lokale, regionale en Europese politiek en onderzoeksjournalistiek. De publieke omroep wordt versterkt met meer digitale mogelijkheden. Reclame wordt daar vervangen door extra bekostiging. We versterken de democratische rechtsstaat door een substantiële versterking van het recht op openbaarheid in de Wet op de openbaarheid, en een betere regeling voor klokkenluiders. De positie van de Ombudsman en van de Kinderombudsman worden ook versterkt. Gemeenten en provincies moeten zich aansluiten bij een regionale onafhankelijke, bij wet ingestelde Regionale Ombudsman. Burgers krijgen meer rechtsbescherming tegen besluiten van gemeenten, maar procedures worden verkort en aan het eindeloos kunnen doorprocederen wordt een eind gemaakt.

10. We voeren een linkse begrotingspolitiek en we hebben een plan voor de huidige en toekomstige crises.

10A: Andere begrotingspolitiek, andere begrotingsregels: We voeren een linkse begrotingspolitiek, maken een eind aan de schadelijke te grote zuinigheid bij de overheid. We zijn voor degelijke financiering van overheidsuitgaven, maar dan wel zonder neoliberale dogma’s en gericht op de langere, duurzame termijn. Hervormingen moeten voldoen aan eisen van sociale rechtvaardigheid en aan eisen van ecologische duurzaamheid. We nemen de bezittingen en vorderingen van de overheid in aanmerking bij de herformulering van de staatsschuld, dan is onze staatsschuld veel lager (voor de huidige crisis zelfs nul). We stappen af van de regel dat meevallers op de begroting alleen gebruikt mogen worden voor de aflossing van de staatsschuld.

Het financieringstekort hoeft ook niet per sé maximaal 3 procent op jaarbasis te zijn. Gemiddeld 3 procent voor een langere periode zou de inzet moeten zijn. Er is daarnaast geen enkele noodzaak tot het creëren van een begrotingsoverschot. Begrotingsoverschotten moeten gebruikt worden voor investeringen. Begrotingsdoelen moeten we afwegen tegen sociale doelen (werkgelegenheid, ongelijkheid, armoede en uitsluiting) en duurzaamheidsdoelen.

We hadden ooit de gulden financieringsregel dat overheden konden lenen voor rendabele investeringen. Die moeten we weer hanteren. En die leningen tellen dan niet mee voor het financieringstekort, de kost gaat voor de baat uit. Investeringen gaan we zoveel mogelijk doen via een Nationale Investeringsbank (NIB) 2.0, dat voor 51% ook gevoed wordt door pensioenfondsen. NIB 2.0 geeft weer obligaties uit, die ook door ECB gekocht kunnen worden. Bij de te financieren projecten moeten steeds ook concrete, meetbare doelen als het versterken van de werkgelegenheid, het beperken van ongelijkheid en het versterken van de bestaanszekerheid betrokken worden. Waar het bedrijfsleven van deze investeringen meeprofiteert, is er van die zijde cofinanciering.

En ja, dat moeten we Europees regelen, met een verandering van het stabiliteits- en groeipact, maar laten we daar maar eens assertief in zijn. Worden de Europese begrotingsregels niet aangepast, dan zit er niks anders op dan statelijke ongehoorzaamheid. We moeten niet te benauwd zijn om veranderingen af te dwingen, zolang het vetorecht nog bestaat. De EU zal sociaal zijn, of niet zijn.

Wij pleiten voor veel meer overheidsinvesteringen. Investeren in rendabele projecten, uiteraard. Rendabel, in die zin, dat we als samenleving daarin op langere termijn de vruchten van pakken. Rendabele doelen zijn bestemmingen die de economie en samenleving toekomstbestendiger maken. Zeker nu de rente zo laag is en voorlopig ook zal blijven moeten we nu ook in deze tijd van relatieve voorspoed als overheid fors investeren. Voor het eerst in de geschiedenis is de rente op staatsleningen bij alle looptijden negatief. Daarmee verdient de overheid voor het eerst door meer te lenen. Aflossen van staatsschuld kost juist geld. Aflossing is onnodig  en onwenselijk.

Wat nodig is, zijn minder besparingen (dat doen we o.m. door de AOW te verhogen en daarmee de aanvullende pensioenen te verlagen[1]), hogere consumptie (dat doen we door hogere inkomens te bevorderen) en hogere investeringen, zowel privaat (dat doen we door kapitaal aan te wenden voor speculatieve doeleinden of dood laten staan fiscaal onaantrekkelijk te maken en door anti-speculatie regelgeving) als publiek (dat doen we o.m. met onze investeringen in duurzaamheid en de oplossing van de woningnood. Dat zorgt voor een hogere welvaart voor huidige én toekomstige generaties.

10B: Een solidair, sociaal en solide Europa. Geen landen als zondebokken. Bij een volgende (inmiddels huidige) crisis moet de schuld niet bij een zogenaamd dom land gelegd worden, Italië bijvoorbeeld. Italië is met de hoge staatsschuld en de eigenwijze, populistische regering de ideale zondebok. Hoe onverstandig het beleid van dat land misschien ook is (niet vanwege het laten oplopen van de staatsschuld, maar vanwege het gebrek aan goede plannen voor de besteding van het geld en de slechte en oneerlijke inning van belastingen), Italië is niet de oorzaak van de huidige of een volgende crisis. Hoogstens een druppel die de emmer doet overlopen. Wie zich laat afleiden door zondebokken, komt niet toe aan het aanpakken van de werkelijke oorzaken.

We moeten in de EU Eurobonds invoeren: landen lenen geen geld op de ‘gewone’ geldmarkt, maar van de Europese Centrale Bank, waarbij landen in feite garant staan voor elkaar. Als staatsschulden oplopen gooit de private geldmarkt maar al te graag de rente voor staten omhoog. Daardoor loopt de staatsschuld verder op en ontstaat een eindeloze negatieve spiraal. Eurobonds voorkomen dat, want de ECB kan de rente in de hand houden. Ook de ECB zal voor verschillende landen verschillende tarieven rekenen, maar veel gereguleerder dan op de markt. Als je de rentevorming aan de markt overlaat geef je financiële markten de macht om landen af te straffen. Bij Italië kunnen Eurobonds het verschil zijn tussen wel en niet omvallen. Eurobonds betekenen voor landen als Nederland en Duitsland wel een iets hogere rente.

We ondersteunen de crisisvoorstellen van de Europese Commissie om te komen tot extra crisisfinanciering.

10C: (Neo-)Keynesiaanse beleid in tijden van crisis: De wereld ziet er ineens anders uit sinds plotseling het Covid-19 virus zich over de wereld heeft verspreid. Inmiddels zijn er tienduizenden dodelijke slachtoffers, en honderdduizenden ernstig zieken die lang moeten revalideren. Het heeft onze bestaansonzekerheid drastisch en met een schok enorm vergroot. Niet alleen wat betreft hoe het verder gaat met het virus – kunnen we het indammen, komt er en wanneer dan een werkend vaccin, hoe zit het met de immuniteit, komt er nog een tweede, derde (of zelfs nog meer) golf van infectie? – maar ook wat betreft onze economie: het aantal werklozen stijgt snel, bedrijven gaan failliet, ondanks alle maatregelen. En wat betekent de crisis voor de mogelijkheden om de duurzaamheidscrises (klimaat, biodiversiteit, vervuiling), de woningnoodcrisis, de ongelijkheidscrisis, etc. te bestrijden?

Deze Nieuwe Tien over Rood is grotendeels geschreven voor deze crisis uitbrak. Maar in deze toenemende onzekerheid is het in zekere zin geruststellend dat de analyses en oplossingsrichtingen overeind blijven, sterker nog, aan kracht winnen. We wijzen onder meer op:

-de noodzaak om de intensieve veeteelt te beëindigen, om de kans op toekomstige zoönoses te verminderen;

-de noodzaak om de zorg geheel anders in te richten, zonder marktwerking, met veel meer publieke regie en opbouw van reservecapaciteit;

-de noodzaak om de arbeidsmarkt beter te reguleren met meer werkzekerheid en veel minder flexwerk, opdat er meer baanzekerheid is, en de noodzaak om te komen tot veel betere arbeidsbemiddeling en (om)scholing van werkenden;

-de noodzaak om te komen tot een beter werkend inkomensvangnet voor iedereen, zonder veel voorwaarden, verplichtingen en sancties en met een fors hoger sociaal minimum;

-de noodzaak om onze economie anders in te richten, meer gericht op alle stakeholders, en niet alleen op korte termijn aandeelhoudersbelang, met minder private schulden die ons kwetsbaar maken, met maatregelen die belastingontwijking en overmatige beloning tegengaan, etc.;

-de noodzaak om onze publieke sector te herwaarderen, met oplossingen voor de werkdruk, en betere beloning;

-de noodzaak om de enorme inkomens- en vermogensongelijkheid aan te pakken, met een herwaardering van inkomens van vitale beroepen, het maximeren van beloningsverschillen, en een rechtvaardiger belastingstelsel, zonder armoedeval.

Helaas hebben we de recente periode van hoogconjunctuur weer niet gebruikt om het dak te repareren toen deze zon scheen. De private schulden zijn hoger dan voor de schuldencrisis die begon in 2008. Werkzekerheid is verder ondergraven door flexwerk te blijven bevoordelen. De Europese systemen zijn nog steeds niet euro-proof. Neoliberale concepten zijn verder doorgevoerd met als gevolg een enorme woningnood en een enorme ongelijkheid – in inkomen en vermogen, in levensverwachting en gezondheid, in kansen en mogelijkheden. Naast schrijnende armoede bestaat schaamteloze zelfverrijking. Generaties, etnische groepen en religies worden tegen elkaar opgezet. Het cement in de samenleving van onze verzorgingsstaat vertoont ernstige betonrot. De plannen voor verduurzaming dreigen door een oneerlijke uitwerking deze nog eens te versterken. Internationale solidariteit verwordt steeds meer tot onverholen eigen volk eerst. Zondebokken worden gezocht en gevonden.

Het is nu zaak de crisis ook te gebruiken als een kans om deze structurele misstanden nu wel aan te pakken. Gelukkig maken we tot nu toe niet weer dezelfde fout als na 2008 om niet een vangnet te bieden en niet de mensen te redden. In plaats van de overheid als bankier van last resort is de overheid nu terecht employer of lost resort. Verlenging van financiële steun – alleen nog in de vorm van lening en/of bij gift in ruil voor zeggenschap – aan grote bedrijven (>250 werknemers) moet gekoppeld zijn aan eisen van structurele aanpassingen op terrein van hun belastingontwijking, aan eerlijke beloningsverhoudingen en arbeidsverhoudingen, aan opschorting van dividenduitkeringen en bonussen, aan het aanspreken van eigen middelen, en last but not least aan concrete verduurzamingseisen. Juist nu moeten we doorpakken met het socialer, duurzamer en zekerder maken van onze samenleving. De eisen daartoe moeten niet worden opgeschort, maar aangescherpt. Laten we de kansen van de crisis niet missen, en daardoor volgende crises afwenden. Om met Churchill te spreken: Never let a good crisis go to waste.

In tijden van financieel-economische crisis voeren we (neo-)Keynesiaanse begrotingspolitiek. We bezuinigen niet op de sociale zekerheid, pensioenen of de werkgelegenheid en inkomens in de publieke sector, en we verhogen niet de lasten van huishoudens ten bate van lagere lasten op kapitaal.

In een crisis worden bedrijven terughoudend met investeringen en ook burgers houden de hand op de knip. Om te voorkomen dat de economie in een spiraal naar beneden raakt, is het aan de overheid om te blijven investeren. Dat is goed voor de werkgelegenheid, goed voor de koopkracht, en er is veel nuttigs te doen: het energiezuinig maken van woningen, grootschalige duurzame energie, wijken opknappen, infrastructuur up-to-date maken, nieuwe woningen bouwen. Dan moeten er op het moment van crisis wel concrete plannen klaar liggen die direct uitvoerbaar zijn. En die investeringen moeten dan niet afhankelijk gesteld worden van private cofinanciering, zoals in het verleden vaak werd gedaan. Dat werkt niet in tijden van crisis, de overheid zal zelf verantwoordelijkheid moeten nemen. Een deel van de investeringen kan prima door semipublieke instellingen zoals de woningcorporaties gedaan worden, mits zij er de ruimte voor krijgen.

En bij de investeringen moeten ook niet ineens allerlei wettelijke procedures buiten werking gesteld worden. Regeringen grijpen een crisis graag aan om te doen wat ze al lang wilden maar waar voordien geen draagvlak voor was. Partijen die zich al heel lang ergerden aan de uitgebreide inspraakmogelijkheden bij infrastructurele plannen grepen de vorige crisis aan om daar in één klap van af te komen. De Crisis- en herstelwet werd in de markt gezet als grote aanjager van werkgelegenheid in crisistijd en kleedde de inspraak van bewoners en milieuorganisaties grotendeels uit. Snelwegen, vliegvelden (Lelystad), grote mestvergistingsinstallaties: het moest allemaal snel aangelegd kunnen worden om de crisis te bestrijden. Het verzet van milieuorganisaties werd beperkt door hun voor te houden dat ook windmolens eerder gebouwd zouden kunnen worden. De Crisis- en herstelwet van 2010 was eerst tijdelijk maar werd drie jaar later permanent. Want ook dat is een les van de crisis: tijdelijke maatregelen zijn vaak een opmaat voor permanente maatregelen. Bij de huidige en volgende crises is het zaak ervoor te zorgen dat de crisis niet opnieuw misbruikt wordt.

Hoe slechter de economische situatie, hoe belangrijker een goed vangnet om ervoor te zorgen dat mensen niet helemaal door de bodem zakken. In economische termen is sociale zekerheid een van de ‘automatische stabilisatoren’: de koopkracht blijft enigszins op peil, wat goed is voor bedrijven. Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid. In de eerste plaats is het dan belangrijk dat je als overheid dan je rol pakt als employer of last resort. Versterk dus juist in crisistijd de publieke sector met meer banen, dat helpt ook nog eens bij het oplossen van maatschappelijke problemen die ook verergeren in tijden van crisis. Ook gesubsidieerde arbeid moet daarbij als sluitstuk helpen.

Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken zou het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid moeten worden. Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang te gaan bezuinigen. Een regeling voor deeltijd-WW – zoals nu de NOW-regeling voor loonkostenvergoeding voor bedrijven die ernstig te leiden hebben van de crisis – zorgt ervoor dat mensen toch hun baan behouden: ze blijven in dienst maar werken minder uren en krijgen voor de niet gewerkte uren een uitkering. De regeling moet worden volgehouden tot het einde van de crisis en altijd weer heropenbaar zijn voor een volgende crisis. Er moeten strenge voorwaarden zijn dat niemand – ook geen flexwerkers – wordt ontslagen, er geen dividend en bonussen uitgekeerd worden of eigen aandelen worden opgekocht, er geen belastingontwijking plaatsvindt, topbeloningen moeten worden gematigd en het bedrijf moet meewerken aan verduurzaming. En we voeren een extra inkomensvangnet nu in deze crisis in, het Toekomstinkomen, voor mensen die nu buiten de bestaande vangnetten vallen en mede als alternatief voor de regeling die het kabinet voorstelt voor ontslagen flexwerkers.

Het aantal zzp’ers is flink toegenomen na de laatste crisis. Zij hebben geen recht op WW of geld bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Broodfondsen, waarbij zzp’ers elkaar financieel ondersteunen, helpen in geval van crisis niet want dan zit iedereen in zwaar weer. Daarom zullen bij de huidige crisis bij ongewijzigd beleid daarom veel meer mensen in armoede vervallen. Het in hoofdstuk I voorgestelde gegarandeerd Zekerheidsinkomen met een hoger sociaal minimum helpt ook om mensen te behoeden voor armoede in tijden van crisis, en het bepleitte minimumtarief voor zzp-ers. De overmatige flexibilisering zal in tijden van crisis niettemin een groot risico blijven vormen, veel zzp-ers zullen onvoldoende hebben gespaard om te kunnen blijven investeren. De voorstellen in hoofdstuk II over het paal en perk stellen aan de overmatige flexibilisering heeft daarom grote urgentie. De overheid moet voor zzp-ers en voor het mkb in tijden van crisis ook risicoarme en goedkope investeringskredieten organiseren, zoals nu ook wordt gedaan.

En we moeten de gratis scholingsmogelijkheden voor mensen in de WW en de bijstand (te vervangen door het gegarandeerde zekerheidsinkomen) drastisch verruimen, juist in tijden van crisis. In plaats van de werklozen op te jagen naar werk dat er in tijden van crisis onvoldoende is, kunnen we beter zorgen dat mensen zich verder en beter scholen. Op termijn is dat veel beter voor de economie. Zie daarvoor ook de voorstellen in hoofdstuk II.

De maximum hypotheek maken we ook conjunctuur afhankelijk: het maximum (als percentage van het inkomen of van de woningwaarde) wordt lager bij sterk stijgende prijzen en hoger bij dalende prijzen. Dit helpt om de woningmarkt te stabiliseren. Door veel meer te investeren in betaalbare huren en het oplossen van de woningnood (zie hoofdstuk V), door drastisch schulden van huishoudens te saneren en te investeren in preventie van en hulpverlening bij schulden (zie hoofdstuk I), zorgen we dat huishoudens er bij een volgende crisis beter voor staan.

En we verhogen de vermogensbelasting voor miljonairs in tijden van crisis, omdat de inkomsten uit de belasting voor vermogensrendementsheffing dan drastisch zullen teruglopen – het rendement op vermogen in economisch is in slechte tijden laag of zelfs negatief. En we verhogen de progressieve vennootschapsbelasting op winst van bedrijven met een solidariteitsheffing op winst die niet geïnvesteerd wordt. Zo kunnen investeringen des te meer blijven plaatsvinden, maar worden dividenduitkeringen en opkopen van eigen aandelen, of het oppotten van winst in overmatige reserves in tijden van crisis extra ontmoedigd. In 2008 werd het tegenovergestelde gedaan: de vennootschapsbelasting werd verlaagd.  Zo blijft het stelsel solidair en zorgen we voor geld voor de publieke zaak.

Een van de grote problemen tijdens de vorige crisis was dat banken van schrik geen geld meer uitleenden. Doordat bedrijven gewend zijn om veel met leningen te financieren, ook hun ‘gewone’ uitgaven, had het opdrogen van de kredietverlening enorme gevolgen. Gemiddeld genomen zijn bedrijven tegenwoordig nog afhankelijker van leningen dan in 2008: de totale schuld van bedrijven is inmiddels hoger dan kort voor de vorige crisis. Een plotselinge opdroging van de kredietverlening is funest. De overheid moet blijven zorgen voor de beschikbaarheid van bedrijfskredieten in tijden van crisis. Daarbij helpt de hiervoor bepleitte publieke Nationale Investeringsbank 2.0. Deze kan in tijden van crisis bedrijfskrediet blijven leveren. Ook kan de ECB als voorwaarde stellen aan banken om in aanmerking te komen voor overheidssteun dat zij deze kredieten blijven verstrekken.

De 2600 miljard die de Europese Centrale Bank de afgelopen jaren in de financiële markten pompte leidden tot vastgoed- en aandelenbubbels en kwamen niet ten goede van de werkelijke economie. Het zou helpen als de discussie niet gaat over wel of niet stimuleren door de ECB, maar over de vorm waarin de ECB stimuleert. Een van de manieren om ervoor te zorgen dat het geld daadwerkelijk de economie versterkt is wat sommigen green quantitative easing noemen (groene geldverruiming). De ECB verstrekt dan grootschalig geld aan de Europese investeringsbank, die met dat geld de investeringen pleegt die nodig zijn voor de energietransitie. Waarbij de Europese investeringsbank zelf het initiatief neemt en niet afwacht of bedrijven met investeringsplannen komen, want dat valt zelfs tijdens hoogconjunctuur al tegen, laat staan in crisistijd. De afgelopen jaren werd als alternatief voor de Draghi-methode ook ‘helikoptergeld’ geopperd, oftewel het rechtstreeks uitdelen van geld aan mensen. Het voordeel van groene geldverruiming ten opzichte van helikoptergeld is echter dat je zeker weet dat het geld daadwerkelijk wordt uitgegeven en dat je er een groenere energie-infrastructuur voor terug krijgt.


[1] Ook de in kader Pensioenakkoord voorgestelde verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp-ers kan met dit Zekerheidsinkomen achterwege blijven.

[2] Directeur-Groot Aandeelhouders

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Hoofdstuk I. We bannen armoede en problematische schulden uit

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 concrete voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

Voorstellen:

1.      Voer een Zekerheidsinkomen voor ieder huishouden die minder verdiend dan sociaal minimum en niet een groot vermogen heeft, zonder andere voorwaarden, verplichtingen of verboden. De bijstand en de Wajong vervallen dan, en een aparte verplichte basis-AOV voor zelfstandigen is dan niet nodig. Aanvullende, bijzondere bijstand blijft mogelijk. De partnertoets wordt beperkt tot fiscale huishoudens.

We maken een harde, voldoende hoge inkomensvloer tegen armoede met een Zekerheidsinkomen: ieder[1] huishouden dat minder verdiend dan het sociaal minimum, betaalt geen belasting maar krijgt zijn inkomen zonder voorwaarden, verplichtingen en verboden anders dan ook een vermogenseis met een ruime vrijstelling[2] aangevuld tot het sociaal minimum voor het betreffende huishouden. O.m. arbeidsplicht, medewerkingsplicht, taaleis en tegenprestatie vervallen daardoor. Zie daarover ook in hoofdstuk II, voorstel 16.

Er hoeft geen nieuw duur opsporingssysteem meer voor controle op deze eisen worden opgezet, nu het werken met algoritmen in het bestaande SyRI-systeem door de rechter is verboden.[3] Het kabinet Rutte III heeft echter een spoedwet aangekondigd met een nog omvangrijker controlesysteem, de Wet Gegevensverwerking door Samenwerkingsverbanden. Naast overheidsdatabases kan de overheid met deze wet ook private databronnen aan elkaar koppelen. Wederom hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State fundamentele kritiek in hun negatieve adviezen.[4]

Het Zekerheidsinkomen is niet individueel, maar per huishouden. Niet de huidige praktijk van de Participatiewet, maar die van de Belastingdienst (‘fiscale partner’) wordt de norm voor een gezamenlijke huishouding. Door de koppeling hebben betrokkenen ook belang bij juiste registratie: anders zijn er ook nadelen of problemen met fiscale toedeling van inkomen, erfrecht, erfenisbelasting, etc. Veel privacy schendende controles zoals nu in de bijstand worden overbodig bij deze fiscale definitie van gezamenlijk huishouden.

Een postadres moet verder volstaan voor de toekenning van het Zekerheidsinkomen, om te voorkomen dat dak- en thuislozen niet in aanmerking komen.

De bijstand en de Wajong kunnen bij invoering van het Zekerheidsinkomen vervallen, met uitzondering van de bijzondere bijstand – die blijft bij gemeenten voor aanvullend maatwerk.

De in het pensioenakkoord en in het advies van de Commissie Regulering van Werk (de commissie Borstlap) voorziene verplichting van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen op het niveau van het sociaal minimum kan bij introductie van een Zekerheidsinkomen ook achterwege blijven. Door de beperkte partnertoets en de hoge vermogensvrijstelling vervalt de noodzaak van weer een aparte regeling met een eigen premieregime.

2.      De AOW, WW en WIA blijven in stand. In de AOW vervalt de opbouweis en de aparte AOW-premie. In de WW verlengen we de minimumduur van 3 naar 8 maanden, vervalt de toegangseis dat er aaneengesloten periode gewerkt moet zijn, en verlengen we de maximum WW-duur weer terug van twee naar drie jaar. In de WIA zorgen we voor keuring onafhankelijk van de uitkeringsinstantie en voor een correctie op de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid om huidige benadeling van lage inkomens te corrigeren.

Voor gepensioneerden blijft de AOW gelden: daarin is anders dan bij het Zekerheidsinkomen geen inkomens- en vermogenseis. In de AOW vervalt wel de opbouweis, waardoor het AOW-hiaat verdwijnt voor mensen die niet altijd in ons land hebben gewoond. De aparte AOW-premie vervalt (zie hoofdstuk IV) en we wijzigen de AOW-leeftijd (zie hoofdstuk II).

De WW en de WIA, net als andere werknemersverzekeringen blijven in stand.[5] De minimumduur van de WW verlengen we van 3 naar 8 maanden, dat geeft meer ruimt om te voorkomen dat mensen in de schulden komen door een te snelle terugval in inkomen, en we versoepelen de toegangsvoorwaarden. Nu moet je 26 weken aaneengesloten gewerkt hebben in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag om voor WW in aanmerking te komen, daar komen veel flexwerkers niet aan. We schrappen daarom de voorwaarde dat het aaneengesloten moet zijn. De maximumduur van de WW duur, die bij de vorige crisis vreemd genoeg verkort werd van drie naar twee jaar, brengen we weer terug naar drie jaar. We gaan ook sleutelen aan de WW-premie, zie hoofdstuk II.

De WIA blijft ongewijzigd, maar we gaan wel de keuring onafhankelijker inrichten, nu is de keuringsarts gebonden aan het beleid en belang van het UWV. Ook werkt nu de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid negatief uit voor de uitkeringshoogte van lagere inkomens. Dat gaan we aanpassen.

3.      Het minimumloon omhoog naar 14 euro per uur voor iedereen vanaf 18 jaar en het sociaal minimum stijgt mee. De kostendelersnorm en wachttijden in de bijstand vervallen.

We verhogen het minimumloon conform de FNV-eis van 14 euro per uur. Het sociaal minimum stijgt mee: de koppeling tussen minimumloon en sociaal minimum blijft op 70% voor een alleenstaande en op 100% voor een gezamenlijk huishouden. Daarmee stijgt het sociaal minimum naar € 1568 per maand voor een alleenstaande (+ € 367,57 t.o.v. het huidige niveau) en 2240 euro (+ € 604,40 t.o.v. het huidige niveau) per maand voor een gezamenlijk huishouden.

De verhoging van het sociaal minimum leidt tot deze hogere uitkeringen bij het Zekerheidsinkomen (nu nog bijstand en Wajong) en bij de AOW.

De kostendelersnorm en de lagere normen voor jongeren van 18-21 jaar vervallen, evenals de huidige wachttijden voor jongeren en sommige groepen anderen in de bijstand.

4.      Voer een ruime bijverdienstenregeling in bij uitkering op sociaal minimum en vervang generieke fiscale arbeidskorting door arbeidstoeslag voor alleen lage inkomens.

Betaald werk moet lonen: Als je werkt moet je meer verdienen dan in een uitkering, en je moet meer geld overhouden. Er komt een ruimere bijverdienstenregeling dan nu in de bijstand.[6] Bijv. bijverdiensten voor 50% vrijstellen in het eerste half jaar, 30% in het tweede half jaar en 20% voor het tweede jaar, met een maximum aan de vrijstelling tot aan de genoemde percentages van het wettelijk minimummaandloon. Kleine baantjes leiden vaak tot meer werk, maar dan moet je ze in het begin niet te zwaar belasten. Voor wat we rekenen tot inkomen, sluiten we aan bij de fiscale definitie daarvan – ander inkomen is dus geheel vrij.

We vervangen voorts de huidige fiscale arbeidskorting door een specifieke arbeidstoeslag voor alleen lage inkomens. We vervangen ook de inkomensafhankelijke fiscale toeslagen (zorg-, huur- en kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget) die nu voor een groot deel voor de armoedeval[7] verantwoordelijk zijn, zie daarvoor bij hoofdstuk IV.

5.      We vergroten het risico voor kredietverleners om problematische en risicovolle schulden meer te voorkomen, Bij faillissement leggen we geen beslag meer op toekomstig inkomen, bij inleveren woning vervalt hypotheek, de zorgplicht van crediteuren wordt vergroot en het commercieel verhandelen van schulden van huishoudens wordt verboden.

We gaan problematische en risicovolle private schulden te lijf door in de eerste plaats het risico van schulden meer bij kredietverstrekkers leggen door bij faillissement geen beslag meer toe te staan op toekomstig inkomen (bijv. eenmaal in de 6 jaar) en de lijst van bezittingen die je mag houden bij faillissement te moderniseren (in beginsel alleen registergoederen inleveren). Ook bij hypotheken komt er meer risico bij de kredietverstrekker. Bij het inleveren van het onderpand (de woning) vervalt de hypotheekschuld. We gaan de zorgplicht vergroten van crediteuren ten tijde van het aangaan van koop-, leen- en huurovereenkomsten. Het commercieel verhandelen van schulden van huishoudens wordt verboden. De zorgplicht van banken e.a. blijft ook bij uitbesteding van incasso bij de oorspronkelijke partij in stand, ook wat betreft aansprakelijkheid.

6.      Reclame voor kredietverstrekking wordt strenger gereguleerd, we investeren in onderwijs in financiële planning, iedere gemeente moet een Geldloket instellen voor gratis onafhankelijk financieel advies en we beperken het aanbod en reclame voor gokken.

Ook anderszins investeren we in preventie van problematische en risicovolle private schulden. We verzwaren de regulering van reclame voor kredietverstrekking, investeren in onderwijs in financiële planning op scholen en verplichten alle gemeenten tot de instelling van een Geldloket waar gratis, onafhankelijk financieel advies, hulp en informatie verkregen kan worden. We pakken ook gokverslaving aan. Reclames voor gokken worden verboden, waarschuwingen en voorlichting geïntensiveerd. Het aanbod van gokken wordt sterk beperkt en gereguleerd/gecontroleerd.

7.      Gemeentelijke vroegsignalering van risicovolle/problematische schulden wordt verplicht.

Gemeentelijke vroegsignalering moet verplicht georganiseerd worden. We verplichten de woningcorporaties, zorgverzekeraars, energieleveranciers en waterbedrijven dat zij bij twee maanden achterstand melding doen bij de gemeente. De gemeente moet dan zorgen dat hulpverleners contact leggen met de bewoners, om hen te ondersteunen om weer grip te krijgen op hun geld. Gemeenten moeten ook kijken hoe ze nóg vroeger in actie kunnen komen. Door bijvoorbeeld samen met corporaties en nutsbedrijven alert te zijn op ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals werkloosheid, echtscheiding of verlies van een naaste. Corporaties en andere bedrijven kunnen hun klanten dan in contact brengen met instanties die hen hierbij ondersteunen.

8.      Incasso vanuit overheid naar huishoudens met schulden wordt georganiseerd met één loket en één sociale beleidslijn, zonder hoge boetes en rentes en met kwijtschelding na maximaal drie jaar. Gemeentelijke Kredietbanken mogen maximaal rente rekenen tegen hun kostprijs en private incassobureaus met woekerrentes pakken we aan door ontneming van vergunning. De wettelijke maximumrente op schulden wordt verlaagd van 13% naar3%.

We voorkomen ook dat private schulden onnodig oplopen. Sociale incasso vanuit de overheid (vaak de grootste schuldeiser) gaan we organiseren door maatwerk toe te passen bij incasso door overheden, met één incassobureau voor alle overheden (dus incl. CJIB) en één beleidslijn voor het afschrijven van oninbare vorderingen. We stoppen met idioot hoge boetes en schelden in beginsel na drie jaar schulden kwijt als SHV daar al niet voor geholpen heeft. We verplichten dat Gemeentelijke Kredietbanken met lage rentes werken (maximaal de rente waarvoor gemeenten zelf kunnen lenen plus aantoonbare kosten). Iedere schuldenaar krijgt nog maar te maken met één deurwaarder, die niet commercieel moeten werken en dus in dienst komen bij Justitie. We voeren een vergunningsplicht in voor private incassobureaus inom onoorbare praktijken tegen te gaan en bij overtreding te kunnen sanctioneren. Private incassobureaus die woekertarieven rekenen pakken we aan met forse boetes en bij herhaling het ontnemen van hun vergunning. Schulden mogen niet meer commercieel worden verkocht. De zorgplicht van de kredietverstrekker blijft altijd in stand. We verlagen de wettelijke maximumrente op schulden van 13% naar 3%.

9.      De bestaande regelingen voor schuldhulpverlening (SHV) worden geïntegreerd in een nieuw stelsel, waarin de huidige Wgs, de Wsnp en de Wcbm (voor het SHV-deel) in opgaan. Er komt een toelatingsrecht tot SHV, een bindend schuldenmoratorium, een individueel hulpverleningsplan, publieke bewindvoering en budgetbeheer, en een betere rechtspositie van de schuldenaren. Na drie jaar worden resterende schulden kwijtgescholden. Bij onvoldoende medewerking van schuldenaar wordt deze termijn verlengd.

In plaats van de huidige Wgs, Wsnp en (het schuldenbewind bij) de Wcbm voeren we een geheel nieuw volledig publiek Schuldhulpverleningsstelsel in, volledig geïntegreerd. Dit voorkomt het opeenvolgen van procedures voor verschillende regelingen en ontlast de rechtbank. Wel moet de kwaliteit van de SHV bij gemeenten hiervoor drastisch omhoog. Er geldt een toelatingsrecht en soms zelfs (via de rechter) wordt gedwongen hulpverlening mogelijk. De gemeente moet binnen zes weken een hulpverleningsplan vaststellen, op maat opgesteld gegeven de specifieke situatie van de schuldenaar, waarbij er direct een voor iedereen bindend schuldenmoratorium ontstaat: alle schulden worden bevroren en incasso’s kunnen alleen via de gemeente plaatsvinden en alleen in overeenstemming met het plan. De gemeente kan bewindvoering en budgetbeheer instellen en schulden overnemen, in bijzondere situaties (bijv. in geval van te grote overlast en/of maatschappelijke kosten) kan dat ook zonder schuldhulpverleningsverzoek worden opgelegd. Daartoe komt een door het Rijk gevoed fonds. Bewindvoerders zijn bij de gemeente in dienst en moeten gediplomeerd zijn. Het plan moet naast op het maximaal betalen van de schulden ook gericht zijn op het bieden van nieuw perspectief voor de schuldenaar. Er is intensieve begeleiding gericht op het verkrijgen van houdingen en vaardigheden (in die volgorde) die de kans op recidive effectief verkleint. Eventuele kosten daarvan worden gefinancierd uit de bijzondere bijstand. Schuldhulpverleners moeten goed opgeleid zijn en ruime regel- en budgetruimte hebben. Gemeenten krijgen hiertoe ruime extra middelen. Schuldenaren en schuldeisers kunnen over besluiten van de gemeente in beroep bij de rechter. Zo’n beroep heeft geen schorsende werking. Na drie jaar worden resterende schulden kwijtgescholden, tenzij de schuldenaar onvoldoende meewerkt, dan wordt deze termijn verlengd (in plaats van, zoals nu, de schuldhulpverlening te staken).

10.  Er komt een schuldenpardon voor alle problematische schulden die na 5 jaar leven op minimumniveau resteren.

Er komt een schuldenpardon – een kwijtschelding van alle problematische schulden, als iemand al 5 jaar op niveau van beslagvrije voet heeft moeten leven. Dat geeft schuldenaren met uitzichtloze, problematische schulden een nieuw perspectief, en vergroot het risico van kredietverleners hetgeen bijdraagt aan schuldpreventie door vermijding van risicovolle kredietrelaties.

Toelichting

i.          Schandelijk veel armoede in een zeer rijk land

Nederland staat nummer 14 op de lijst van de rijkste landen ter wereld.[8] Alleen een aantal olie- en gasstaten (Qatar, Brunei, de VAR, Koeweit, Noorwegen), een aantal andere belastingparadijzen (Macau, Luxemburg, Singapore, Ierland, Hong Kong, Zwitserland en San Marino) en de Verenigde Staten (nummer 12) gaan ons voor.

Toch is er in ons land bittere armoede, toenemende problematische en risicovolle schulden, zijn mensen steeds meer afhankelijk van vormen van liefdadigheid (voedselbanken, kledingbanken, speelgoedbanken, etc.) en wordt het aantal daklozen groter. Bestaanszekerheid in zijn meest elementaire vorm van eten en drinken, een dak boven je hoofd met energielevering en een zorgverzekering zijn voor een deel van de bevolking niet meer bereikbaar. Armoede wordt ook steeds meer erfelijk, kinderen die in armoede opgroeien hebben een verhoogde kans op ook arm te blijven.

Het is een grote schande dat in ons rijke land er zoveel mensen in armoede leven en afhankelijk zijn van liefdadigheid. Afhankelijk van de definitie hebben we het over 6 tot ruim 8% van onze ruim 7 miljoen huishoudens (cijfers 2018), zo’n 420.000-600.000 huishoudens, zo’n 1 tot 1,1 miljoen mensen. Ongeveer de helft daarvan leeft in langdurige armoede (tenminste vier jaar). Van deze arme huishoudens maken tenminste 264.000 tot 280.000 kinderen deel uit, waarvan 110.000-170.000 in langdurige armoede. Je kunt het ook afmeten aan de stijgende vraag bij de Voedselbanken: ieder jaar stijgt de vraag, in 2018 6% meer.

ii.          Geldgebrek: te laag sociaal minimum, te lage bijstandsuitkeringen

De belangrijkste oorzaak van armoede is geldgebrek. Volgens het Nibud kwamen arme huishoudens in 2018 al € 217 per maand tekort, en dit tekort stijgt al jaren achter elkaar. Voor een gezin met twee kinderen loopt dat op tot € 275 per maand. Daarbij moet bedacht worden dat dit tekorten zijn op de normbudgetten die CBS, SCP en Nibud voor armoede berekenen. Deze normbudgetten (€ 1040-1135 per maand voor een alleenstaande, en € 1960-2100 voor een gezin met twee kinderen in 2018) waren nog veel hoger dan het sociaal minimum, de bijstandsuitkering (in 2018 respectievelijk € 943 en € 1346 per maand), waardoor mensen die daarvan afhankelijk zijn, nog veel meer tekortkomen. Bovendien gaan deze tekorten uit van erg lage normbedragen voor bijv. huur – in werkelijkheid zijn de vaste lasten voor velen hoger.

De bijstand was ooit bedoeld om inkomenszekerheid te verschaffen, een vangnet om te zorgen dat je niet in armoede zou vervallen. Misschien is het goed als we hier nog even in herinnering roepen hoe dat ging. In 1963 wist onze eerste vrouwelijke minister Marga Klompé (KVP) de Algemene bijstandswet door de Tweede Kamer te loodsen. Voortaan was een leven zonder armoede niet langer, zo schreef ze, ‘een zaak van barmhartigheid, maar van recht.’ En de uitkering moest vooral niet te karig zijn. ‘Een bloemetje op tafel hoort erbij,’ vond Klompé. Dat bloemetje dat kun je inmiddels wel vergeten, mensen kunnen niet meer hun vaste lasten, hun voedsel en kleding, de kosten van hun kinderen betalen.

iii.          Kortingen in de bijstand: kostendelersnorm en partnertoets

Sommigen hebben ook nog kortingen: de kostendelersnorm. Door deze norm worden bijstandsgerechtigden nu gekort op hun uitkering als er meerdere personen in huis wonen, tenzij het gaat om degene met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, jongeren tot 21 jaar, studenten en commerciële onderverhuurders/kamerbewoners. Normaal is de bijstand gebaseerd op 70% van het minimumloon, als er 1 persoon extra woont is dat 50%, bij 2 extra personen 43,33%, bij 3 extra personen 40% en bij 4 of meer extra personen 38%.

De argumentatie voor de korting is dat men kostenvoordeel geniet bij een gezamenlijk woonadres en dat er anders door stapeling van uitkeringen achter één voordeur een behoorlijk totaalinkomen kan ontstaan. Het voorbeeld van de regering daarbij was dat van een gezin met één kostwinner tegen een modaal salaris en een gezin met volwassen inwonende kinderen die allemaal in de bijstand zitten. De familie Bijstand was beter af dan de familie Kostwinner. Dat voorbeeld was natuurlijk niet helemaal eerlijk, want als die kostwinner ook die volwassen inwonende kinderen had, konden die kinderen ook bijstand aanvragen of, beter nog, werken, waardoor het totaalinkomen van de familie Kostwinner wel degelijk hoger zou zijn geweest dan dat van de familie Bijstand. Daarnaast kun je afvragen hoeveel van dit soort families Bijstand er eigenlijk zijn. 

In de praktijk[9] leidt het tot grote problemen, met name bij oudere inwonende kinderen, al dan niet vanwege een (arbeids)beperking of zorg, en bij inwonende ouder(s), bijv. vanwege mantelzorg. Het is ook een groot probleem bij gepensioneerden met onvolledige AOW en geen ander inkomen, die aangewezen zijn op aanvullende bijstand, en bij hen die samenwonen of gehuwd zijn met een (nog) niet toegelaten vreemdeling, die bijv. nog in procedure is. Met de huidige enorme woningnood leidt deze kortingsregeling tot nog grotere problemen.

De kostendelersnorm komt bovenop de partnertoets: het inkomen en vermogen van de partner wordt naast dat van jouzelf in aanmerking genomen om te bepalen of je recht hebt, en als je een gezamenlijke huishouding voert, en beiden minder verdiend dan het sociaal minimum, dan krijg je samen niet tweemaal 70% van het minimumloon (de norm voor een alleenstaande), maar 100% van het minimumloon. De definitie van een gezamenlijk huishouden is in de bijstand veel ruimer dan bij de fiscus. Van een gezamenlijke huishouding is in de bijstand sprake “indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben” (huisvestingscriterium) én “zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins” (zorgcriterium). Voor de belasting zijn fiscale partners alleen samenwonende gehuwden en samenwonende geregistreerde partners, waaronder ook samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract. Het gaat dus om een juridisch vereiste (gehuwd zijn/geregistreerd partnerschap/notarieel samenlevingscontract) en een huisvestingscriterium, maar niet om een zorgcriterium. Bij de bijstand betekent samenwonen een korting, bij de fiscus willen betrokkenen zelf juist de status van samenwonend: naast een officiële erkenning van hun relatie gaat het daarbij om bijv. erkenning van natuurlijke of geadopteerde kinderen, regelen van erfrecht, en fiscale faciliteiten als toerekening van elkaars inkomen. Dit leidt bij de bijstand tot een soms maniakale en zeer privacy verstorende en intimiderende opsporingspraktijk, met speurtochten naar meer tandenborstels, onderbroeken van vermeende partners, aanmoedigen van verklikkers, bespiedingen door rechercheurs en cameraopnames van overnachtingen van die vermeende partners.

iv.          Kortingen in de bijstand: jongeren

Ook krijgen jongeren beneden de 21 jaar nu nog lagere bijstandsuitkeringen, € 259,78 per maand (2020, voor alleenstaande jongeren zonder kinderen), omdat ervan uitgegaan wordt dat ouders bijdragen. Of die ouders dat ook doen en kunnen, speelt geen rol. Jongeren tot 27 jaar hebben bovendien een wettelijke wachttijd van vier weken, waarin ze moeten aantonen dat ze voldoende naar betaald werk gezocht hebben, alvorens ze een uitkering krijgen. Tot voor kort, toen de rechter daar een eind aan maakte, waren er veel gemeenten die ook aan ouderen een wachttijd oplegden, in strijd met de wet.

v.          Kortingen in de bijstand: vermogenstoets

Als je teveel vermogen hebt, dan moet je dat eerst opmaken voordat je recht op bijstand krijgt. Die vermogensgrens is € 12.450, – voor een gezin en een alleenstaande ouder en € 6.225, – voor een alleenstaande (bedragen voor 2020). Schulden – behalve studieschulden en schulden aan familieleden – mogen worden afgetrokken. Er zijn geen andere vrijstellingen van vermogen. Dat geldt ook voor waardevolle bezittingen, zoals een auto, motor, boot of caravan, en de afkoopwaarde van verzekeringen. Ook de eigen woning (minus de nog uitstaande hypotheek) wordt daarbij in aanmerking genomen. Dat moet je dus eerst maar verkopen. Waar je dan kan wonen en of dat ook lukt, en hoe je dan in de tussentijd aan inkomen moet komen, Joost mag het weten.

En dan wordt de bijstandsuitkering voor alle bijstandsgerechtigden pas aan het einde van de maand verstrekt, je moet dus zelf altijd al de eerste maand voorschieten – wel kan je een voorschot krijgen, per gemeente verschillend.

vi.          Voorwaarden en verplichtingen hebben bijstand als vangnet zo lek als een vergiet gemaakt

En van een recht op bijstand is al helemaal niet meer te spreken. De bijstand is volgehangen met voorwaarden en verplichtingen. Zo bestaat inmiddels een identificatieplicht, een arbeidsplicht (met o.m. een sollicitatieplicht en een plicht om je in te schrijven bij een uitzendbureau), een inlichtingenplicht, een budgetteringsplicht, een medewerkingsplicht, een taaleis en een tegenprestatie. Allemaal met enorme controle inspanningen en verstikkende sancties. Het gaat niet meer om mensen die pech hebben in het leven en geholpen moeten worden, nee het zijn klaplopers die gedwongen moeten worden iets te doen voor hun geld. De tegenprestatie heeft zelden een relatie met re-integratie (zie daarvoor ook onder hoofdstuk II). De sancties beteken altijd kortingen, met soms nog een boete, of zelfs het geheel vervallen van de uitkering.

Minister Klompé draait zich om in haar graf. Al in 1963 wilden sommige partijen de bijstand volhangen met verplichtingen en sancties. Maar daar was Klompé mordicus tegen. Iedere bevolkingsgroep moest met opgeheven hoofd om hulp kunnen vragen. In haar woorden:‘Ik wilde er niet van uitgaan dat wie een beroep doet op bijstand een fraudeur is. Dat mag je de 99 procent van de mensen die het goed doet niet aandoen.’ Helaas maken we in Nederland onze wetten niet meer voor die 99 procent, maar voor de 1 procent.

De bejegening is geheel gebaseerd op wantrouwen en vernedering. Hele dossiers moeten steeds opnieuw en op papier worden ingeleverd. Brieven beginnen met waarschuwingen tegen fraude en daarop staande sancties. Zelden wordt gevraagd aan betrokkenen hoe het met hun gaat. Niet hun problemen en perspectief staan centraal, maar hun bureaucratische, vaak onzinnige verplichtingen. Die worden afgevinkt en dat is het dan. Als de bureaucratie een keer een fout maakt – en dat komt minstens zo vaak voor als bij de cliënten – dan is het een bijna onneembare vesting om je verhaal te halen. Cliënten voelen zich vaak niet veilig om te klagen, de afhankelijkheid is groot. Andersom is de effectiviteit van al die interventies zeer gering. Meer daarover in hoofdstuk II.

Wij zeggen het Jesse Frederik in zijn Den Uyl-lezing na: Wij zijn de Partij van de Arbeid, en moeten niet meer de Partij van de Betutteling zijn. Werkloosheid, zo zijn we teveel gaan denken, is een individueel probleem. Individuen met te weinig ‘human capital,’ of zoiets. Mensen zijn in de eerste plaats werkloos omdat er niet genoeg werk is, niet omdat ze niet willen werken.

vii.          De neoliberale armoede-is-eigen-schuld redenering

Die behandeling en bejegening van uitkeringsgerechtigden heeft ook een politiek-ideologische onderbouwing in het neoliberale gedachtengoed, waarin succes, en dus ook falen, een individuele keuze is. Geldgebrek is daarin al gauw een karaktergebrek, dat de overheid vooral niet moet belonen met correcties op het inkomen. Neoliberalen doen het voorkomen alsof vrijheid in de eerste plaats een individuele prestatie is. Met als logische implicatie dat het individu de volledige verantwoordelijkheid kan dragen voor wat er met hem gebeurt. Dat de overheid daar geen omkijken meer naar heeft, en zelfs niet moet hebben – want dan nemen betrokkenen onvoldoende eigen verantwoordelijkheid.

De cruciale schakel tussen neoliberalisme en sociaaldemocratie is het idee van persoonlijke autonomie. Dat klinkt goed voor een emancipatiepartij, vanwege de connotatie met mondigheid en ontwikkeling: je neemt je leven in eigen hand. Maar het wordt benauwend als je je realiseert dat daarom van jou wordt verwacht dat je in competitie treedt met alle anderen, dat je winst moet maken op je leven. Neoliberalen prijzen zo’n samenleving aan als een high opportunity, high risk society. Het lullige is alleen dat de opportunities voor de ene klasse zijn en de risks voor de andere. Men bouwt geen succesvol politiek beleid op een verkeerde maatschappijdiagnose. Als de maatschappelijkheid ineenschrompelt ten gunste van de markt resteert voor de mensen weinig anders dan mee te doen in ratrace naar individueel succes en status.

De sociaaldemocratie is een drijvende kracht geweest in de opbouw van onze verzorgingsstaat. Niets heeft de mensen meer vrijheid gegeven dan de verzorgingsstaat. De bron van vrijheid lag in het succes van collectieve actie en het organiseren van solidariteit, die mensen in staat stelde tot een grotere grip op hun eigen lot. Daarmee erkennen sociaaldemocraten, anders dan neoliberalen, dat maatschappelijke ongelijkheid een dominante factor is bij het behalen van persoonlijk succes of falen, en dat die ongelijkheid nog versterkt doorwerkt in het opvangen van pech en tegenslag, die mensen gewoon kan overkomen. Het toeval en het noodlot heeft voor mensen met weinig middelen en kansen nu eenmaal veel grotere gevolgen.

Teveel mensen zijn gaan geloven in een soort ideaalbeeld van assertieve individuen die hun mannetje en vrouwtje staan in de wereld van markt en strijd. Dan is het logisch dat de afkeer van afhankelijkheid groeit. Daar ligt de bron van sociale ontbinding. Als je succes hebt, dan is het jouw verdienste, als je faalt, dan heb je het aan jezelf te wijten. Dat deugt natuurlijk helemaal niet: de samenleving is complexer dan ooit en dan zeggen we tegen het individu dat het al de risico’s maar moet kunnen overzien. De staat kan dat niet meer, ondanks alle toezicht die hij uitoefent, maar van het individu veronderstellen we dat het dat wél kan. Terwijl volgens ons maatschappelijke misstanden, maar soms ook noodlot of dikke pech, meer dan voorheen bepalen of iemand vastloopt.

viii.          Zelfredzaamheidsparadox

Het is een vergissing, met ingrijpende gevolgen, om aan te nemen dat ons emancipatieproces is voltooid. En dat we nu een maatschappij hebben van economisch zelfredzame, autonome individuen. Het resultaat is wat de WRR een ‘zelfredzaamheidsparadox’ noemt: door van iedereen evenveel verantwoordelijkheid te vragen, verliezen sommige groepen juist de regie over het eigen leven. Dit betreft in ieder geval de financiële analfabeten – volgens het Nibud heeft 40% van de Nederlanders moeite met financiële administratie. Daaronder zitten ook de 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

Het helpt dan ook niet dat we het zo ingewikkeld gemaakt hebben: Mensen met een uitkering hebben te maken met 13 verschillende inkomensregelingen met 8 verschillende definities van inkomen en vermogen, en 27 formulieren.[10]De impliciete veronderstelling achter veel van de huidige regels lijkt te zijn dat iedereen altijd netjes de post bijhoudt en begrijpt, reageert op aanmaningen, zich voortdurend bijschoolt, op tijd zijn pensioen organiseert, actieve keuzes in de zorg maakt en, mocht er iets mis gaan, de juiste wegen weet te bewandelen om die fouten te herstellen’, schrijft de WRR in Weten is nog geen doen. En daarmee ‘ligt de lat in de participatiesamenleving’ volgens de WRR ‘behoorlijk hoog’.

En voor hen die het wel weten, heeft de WRR erop gewezen dat weten nog geen doen is.[11] Handelingsbekwaamheid vraagt meer dan alleen kennis in tijden van persoonlijke crisis. Denkvermogen is nog geen doenvermogen. Stress, schaamte en gebrek aan toekomstperspectief maken ook hoogopgeleiden met financiële problemen soms vleugellam. Niet-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleiding en tegenslag zijn niet vanzelfsprekend aanwezig bij iedereen met goede cognitieve vermogens.

De WRR wijst erop dat veel overheidsarrangementen geen rekening houden met normale menselijke tekortkomingen. Die komen, zo stelt de WRR, niet alleen voor bij kwetsbare mensen, met een lager IQ of opleiding, maar bij iedereen, ook bij u en bij mij, en dus ook bij hoger opgeleide mensen. Bij baanverlies, echtscheiding, rouw, ziekte, burn-out en stress verminderd ons doenvermogen – de capaciteit om gedachten, emoties of gedrag te beheersen. Ook ‘wij’ openen de post weleens een poosje niet, leven ongezond, drinken iets teveel of gooien er met de pet naar. Omdat we even niet anders kunnen of willen. Of het ‘niet opbrengen’. Temperament, zelfcontrole en overtuiging spelen een belangrijke rol bij zelfredzaamheid – niet iedereen is er in gelijke mate mee bedeeld, en te trainen valt het maar moeilijk. Niet iedereen heeft ook dezelfde aanleg voor zelfredzaamheid. Mentale vermogens blijken verder ook variabel in een mensenleven.

De afgelopen jaren hebben gedragswetenschappers veel onderzoek gedaan naar hoe dit soort mentale belasting werkt. De conclusies, die in Weten is nog geen doen worden samengevat, zijn zo evident dat je je afvraagt waar het enthousiasme over nieuwe keuzemogelijkheden voor burgers precies vandaan komt. Kort gezegd komt het hier op neer: hoe meer denkwerk verricht moet worden, hoe groter de kans op vermoeidheid en het maken van vergissingen. Daarbij wordt de geest van mensen soms in beslag genomen door grote gebeurtenissen. Ziekte, bijvoorbeeld, of het overlijden van een naaste, verkleinen wat onderzoekers ‘mentale bandbreedte’ noemen. Wie zorgen, onrust of verdriet heeft, heeft minder ruimte om over prozaïsche zaken zoals de inhoud van je berichtenbox op mijnoverheid.nl na te denken. Met name financiële problemen vormen een bedreiging voor het beslisvermogen. Geldgebrek lijdt tot stress, en stress verkleint de mentale bandbreedte verder. Het gevolg daarvan is vaak nog meer financiële problemen, omdat een verkeerde beslissing of nalatigheid geld kan kosten.[12]

Het gaat vooral ook om de optelsom. Voor iedere afzonderlijk keuze is het niet overdreven om te verwachten dat een burger informatie verzamelt, die bestudeert, verschillende opties afweegt en vervolgens tijdig en wijs beslist. Maar het is de hoeveelheid en frequentie waarmee die cyclus doorlopen moet worden die mensen uitput. De hoeveelheid tijd en aandacht die iemand kan besteden aan het maken van beslissingen is nu eenmaal beperkt. Wie zijn tijd vult met, zeg, nadenken over hoeveel eigen risico te verdragen is bij het afsluiten van een zorgverzekering, houdt minder tijd over om een spaarplan op te stellen. De uren die worden besteed aan het schrijven van sollicitatiebrieven, kunnen niet worden besteed aan uitpluizen welke van de 27 inkomensregelingen die Nederland telt nu precies op jouw situatie van toepassing zijn. En naarmate de teleurstellingen zich opstapelen, het perspectief achter de horizon verdwijnt en de vernederingen en wantrouwende bejegening door blijven gaan, verdwijnt ook de energie om nog iets te doen.

Je moet om hulp te krijgen loketten aflopen, formulieren invullen, intakegesprekken voeren. Hier is iets vreemds aan de hand: hoe minder je hebt, hoe meer bureaucratie er over je heen wordt gestort. Terwijl je daar juist steeds minder energie voor hebt. Laat dit even tot u doordringen: in de moderne verzorgingsstaat wordt je probleem een reden om je uit te sluiten van een oplossing. Je hebt een drugsprobleem, daarom zit je in de verslavingszorg, maar daar word je geschorst omdat je drugs blijft gebruiken. Je hebt een gedragsprobleem, daarom zit je bij een jeugdzorginstelling, maar daar moet je weg omdat jij je niet gedraagt. Je hebt schulden en overziet de financiële problemen niet meer, maar je moet eerst je administratie op orde hebben voordat je toegelaten kan worden tot de schuldhulpverlening. We moeten het zelfredzaamheidsdogma radicaal door het toilet spoelen.

En we moeten een eind maken aan de keuzejungle waar teveel burgers in verdwalen. Zo slaagt bijvoorbeeld de helft van bevolking er volgens de WRR niet in om regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. De zelfredzame burger die soepeltjes door bureaucratische hoepels springt en volledig op de hoogte is van alle regels is volgens de WRR eerder uitzondering dan regel. Ondertussen lijkt de samenleving zich steeds meer op de bekwame homo economicus in te stellen. Jezelf bijscholen, opdrachten binnenhengelen en constant je netwerk onderhouden zijn de vereisten van de flexibele arbeidsmarkt. Thuis moeten zorgverzekeringen, energieleveranciers en hypotheekverstrekkers met elkaar vergeleken worden. En wie een schrale oude dag wil voorkomen, moet tijdig nadenken over zijn pensioen.[13] De WRR haalt in dit verband de Duitse socioloog Hartmut Rosa aan, die stelt dat er sprake is van ‘sociale versnelling’, waarbij de toekomst zich steeds meer aan het heden opdringt. Wie nu niet handelt, betaalt daarvoor later de prijs. Het gevolg is ‘keuzestress’ die nog eens wordt versterkt door de wetenschap dat een misstap je duur kan komen te staan.[14]

ix.          De paradox van de steeds meer controlerende, en tegelijkertijd terugtrekkende overheid

Want de tweede paradox is dat de overheid zich terugtrekt en tegelijkertijd de burgers meer dan ooit in de gaten houdt. Er is veel te doen over privacy, maar de sociale dienst kan je badkamer controleren, onder je bed kijken, je slaapkamerkasten doorzoeken, buren laten klikken, camera’s plaatsen, sociale rechercheurs laten bespioneren, enzovoorts.

x.          Geen integrale aanpak van problemen

De econoom John Maynard Keynes adviseerde ooit: laat de werklozen gaten graven om ze vervolgens door anderen dicht te laten gooien. Dat advies hebben we in onze moderne verzorgingsstaat ter harte genomen. De ene overheidsdienst begraaft nu mensen in de problemen, zodat een andere ze weer kan opgraven. Nederland is bezaaid met instellingen die afgerekend worden op het oplossen van deelproblemen, met enorm kostbare, contraproductieve beleidsaccumulatie. Ieder deelprobleem zijn eigen regelsysteem met verplichtingen, voorwaarden, verboden, controles en sancties. Hoe dieper je in de shit zit, hoe moeilijker het is om hulp te krijgen.

Het CJIB wil dat iemand zijn boetes betaalt. De deurwaarder wil geld zien. De politie wil hem opsluiten. De crisisopvang wil hem weer thuiskrijgen. De sociale dienst wil dat hij aan het werk gaat. De psychiater wil hem van zijn depressie genezen. De maatschappelijk werkster wil hem in de schuldhulpverlening. De schuldhulpverlening wil dat hij zijn post opent. En de dagbesteding wil hem zingevend bezighouden. De mensen die buiten de boot vallen, zie je in beleidsdocumenten niet meer terug, hooguit als restcategorie: ‘Uitstroom naar onbekend.

xi.          Je recht halen steeds moeilijker, maar overheid steeds meer geïnstitutionaliseerd wantrouwen

Het recht is steeds vaker iets dat je moet halen. Zelf alles aanvragen, steeds opnieuw. Een enorm aantal bewijsstukken inleveren. Onzinnige sollicitaties uitvoeren, gratis verplicht werk uitvoeren, vernederende cursussen volgen. En daar blijft het niet bij: als je iets fout hebt gedaan, dan komt het ‘recht’ ineens razendsnel naar je toe. Sterker nog, dan dendert het als een sneltrein over je heen. Bij problemen gaat er een intimiderende, vernederende en vooral ook zeer kostbare controlemachine in werking en wordt, vooral door de overheid, boete op boete geplaatst. Gevolg: waanzin, vernedering, verspilling. De overheid is boos, achterdochtig en gefrustreerd. Het is management by insult. Geen wonder dat mensen geen vertrouwen meer hebben in de politiek. Ontbinding ontstaat waar binding ontbreekt. Er is geen binding meer vanwege een geïnstitutionaliseerd wantrouwen van de burger door de Staat. En rechtsbijstand wordt steeds meer iets waar je ook het geld voor moet hebben, ook dit kabinet wil er weer op bezuinigen.

De overheid met een neutraal mensbeeld is verdwenen. Zo is er, onder druk van de publieke opinie, al jaren sprake van een steeds sterker wordende aanname dat uitkeringsgerechtigden misbruik maken, frauderen, oneigenlijk aanspraak maken, onwillig en niet gemotiveerd zijn, etc. Zie ook de recente idiote fixatie op WW-uitkeringen voor ‘vakantie vierende Polen’[15] en de meer dan schandalige en onwettige praktijken van terugvordering van kinderopvangtoeslagen door de Belastingdienst[16]. Terwijl de praktijk laat zien dat mensen aan de onderkant van de samenleving en aan de onderkant van de arbeidsmarkt echt in de problemen zitten en met moeite het hoofd boven water kunnen houden. De ingezette teneur van werken voor je uitkering, verplichte participatie op straffe van boete en maatregelen, zijn bovendien dreigementen die vaak geen kracht bijgezet kunnen worden in de vorm van beschikbare reële betaalde arbeid voor deze doelgroep.

‘De oorzaak van het dichtslibbende systeem is dat het mechanisme drijft op het uitsluiten van risico’s met tot uitgangspunt verworden wantrouwen als resultaat. Voor het bedrag aan controles om risico’s uit te sluiten kun je heel wat risico lopen. En ja, dan zal het af en toe fout gaan.’ Aldus Herman Tjeenk Willink in zijn zeer lezenswaardige boekje ‘Groter denken, kleiner doen’.

xii.          Werkende armen

Een groep die vaak wordt vergeten zijn de mensen die een betaalde baan hebben, maar te weinig verdienen om van rond te komen. Hoe beperkter de werkweek, hoe hoger de kans is op armoede. Werk wordt als hét middel gezien om uit de armoede te komen. Maar armen mét werk vormen zelfs 41 procent van de armen boven de achttien; dat zijn er meer dan mensen met een bijstandsuitkering. Twee op de vijf arme volwassenen werkt. Volgens het SCP leven 235.000 werkende volwassen onder de armoedegrens, bijna een derde van het totaal aantal volwassen armen. Dit waren in 2016 volgens het SCP 133.000 werknemers in loondienst (2% van alle werknemers) en 101.000 zzp-ers (9% van alle zzp-ers). Onder de laatste groep is het risico op langdurige armoede groot. Zzp-ers hebben door de vermogenstoets vaak geen recht op aanvullende bijstand: bedrijfsvermogen telt vaak mee. Veel flexwerkers hebben geen recht op WW en lopen bij laagconjunctuur grote risico’s. Hun lonen zijn ook vaak zeer laag, waardoor ze onder de armoedegrens blijven.

xiii.          De neoliberale redenering hogere-uitkeringen/minimumloon-leiden-tot-meer-werkloosheid

De neoliberale ideologie stelt dat hogere uitkeringen aan mensen in armoede leiden tot hogere werkloosheid. Deze komt ook tot uiting in de CPB-rekenmodellen, al is het CPB wel zeer recent tot de conclusie gekomen dat het aantal banen dat zou verdwijnen door verhoging van het minimumloon veel minder is dan ze eerst hadden ‘berekend’.[17] Daarbij stelt het CPB wel als voorwaarde dat bij het verhogen van het minimumloon het sociaal minimum (bijstand, maar ook de AOW) niet – of in ieder geval niet volledig – meestijgt. Daarbij wordt betoogd dat werken anders niet voldoende zou lonen, en het CPB gelooft nog steeds in de fictie van het financieel prikkelen van werklozen als oplossing van hun werkloosheid.

De redenering is (te) simpel: als je uitkeringen verhoogt dan heb je minder prikkel om te werken, zelfs als je tegelijk de lonen tenminste even veel verhoogt. Of er ook werk is, en of je daarvoor ook in aanmerking komt, daar rekent het model niet mee. Wat de maatschappelijke kosten van armoede zijn ‘uiteraard’ ook niet. We weten dat wel. Problematische schulden kosten ons bijv. 11 miljard (!) euro per jaar, heeft het Nibud uitgerekend.

De neoliberale redenering stelt ook dat een hoger minimumloon leidt tot meer werkloosheid. Zeshonderd economen, onder wie 7 Nobelprijswinnaars, toonden echter in 2015 zelfs aan dat er door verhoging van het minimumloon geen banen verloren gaan, maar juist erbij komen. Uit een studie door de wetenschappers Sonn en Lathrop waarin de effecten van het verhogen van het minimumloon in de VS sinds 1938 worden geanalyseerd, blijkt eveneens dat de werkgelegenheid toeneemt. Vakbondshistoricus Sjaak van der Velden komt tot dezelfde conclusie in zijn recente onderzoek voor De Burcht, het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging, over loonstrijd en loonontwikkeling in Nederland. Ruim driekwart van de tussen 1970 en 2015 gecreëerde werkgelegenheid is niet te danken aan loonmatiging, zoals vaak wordt beweerd, maar aan andere factoren.

‘Een kwart van de restaurants zal verdwijnen’, beweerde restauranteigenaar Tom Douglas in reactie op het plan om de minimumlonen in Seattle te verhogen. Hij was niet de enige, want velen voorspelden economische rampspoed. Bedrijven zouden sluiten, banen zouden verdwijnen. Op 1 april 2015 werd het minimumloon in Seattle toch verhoogd van 9,32 naar 11 dollar per uur. Maar de economische Apocalyps kwam niet. Integendeel. Een half jaar later noemt Douglas zichzelf naïef. Na de loonsverhoging gebeurde namelijk precies het tegenovergestelde van wat hij had beweerd. Er kwamen restaurants bij. Seattle staat bovenaan de lijst van Amerikaanse staten waarin het aantal banen is toegenomen. In heel Amerika strijden werknemers en vakbonden onder de leus Fight for 15 voor een hoger minimumloon. In Seattle zal het minimumloon de komende jaren verder worden verhoogd, tot 18 dollar per uur.

Een Duitse studie[18] naar de effecten van de recente invoering en verhoging van het minimumloon daar concludeert dat het minimumloon een duidelijk opwaarts effect heeft gehad op andere lage lonensegmenten, zonder dat het een nadelig effect heeft gehad op de economische groei of de werkgelegenheid. In buurland Groot-Brittannië is een meta-analyse gedaan naar de werkgelegenheidseffecten van het minimumloon. De conclusie is dat in de minimumloonliteratuur in Groot-Brittannië geen bewijs te vinden is voor belangrijke negatieve werkgelegenheidseffecten.[19] Andere wereldwijde meta-analyses vinden eveneens geen of slechts een zeer gering negatief effect.[20]

Het verhogen van de lonen en sociale uitkeringen is niet alleen goed voor de mensen die deze ontvangen, maar ook voor bedrijven – vooral lokale ondernemingen – en voor de economie als geheel. Dat komt omdat mensen meer gaan besteden. Het extra loon wordt immers uitgegeven aan bijvoorbeeld dagelijkse boodschappen, maar ook aan restaurants, de kapper, sport of theater. 

En dat werken moet lonen moeten we niet realiseren met het loslaten van de huidige koppeling tussen het wettelijk minimumloon en het sociaal minimum, een oud sociaaldemocratisch strijdpunt en verworvenheid, maar door de hiervoor voorgestelde arbeidstoeslag voor lage inkomens in te voeren, het bijverdienen bij de uitkering op sociaal minimum bij het opnieuw gaan werken aan te passen en de armoedeval in het belastingstelsel (met de huidige fiscale toeslagen en heffingskortingen) aan te pakken – zie daarvoor hoofdstuk IV.

xiv.          De Participatiewet is één grote dwaling en mislukking

De Participatiewet is misschien wel het grootste dieptepunt in de geschiedenis van onze partij. De vernietigende eindevaluatie van de SCP van de Participatiewet van november 2019[21] moet leiden tot een radicale koerswijziging. De conclusies van de SCP liegen er niet om: “De invoering van de Participatiewet heeft nauwelijks geleid tot verhoging van de baankansen, zoals beoogd met de wet. Voor de grootste groep, de klassieke bijstandsgerechtigden, is er amper een verschil. Voor mensen die het recht op toegang tot de sociale werkvoorziening verloren, daalde de kans op werk. Voor jonggehandicapten met arbeidsvermogen stegen de baankansen. Hun inkomenspositie verslechterde echter en het gaat vaker om tijdelijk werk.” 

De problemen zijn deels ook structureel van aard. Aannames in de wet blijken niet te kloppen met de praktijk. Zo is niet iedereen in staat om te werken en heeft de overgang van verschillende wetten naar één Participatiewet niet geleid tot minder complexiteit. Verder is een deel van de doelgroep niet in beeld. Een ander probleem is de wijze van financiering binnen de wet. Gemeenten ontvangen van het Rijk middelen om mensen die onder de Participatiewet vallen naar werk te begeleiden. Die middelen zijn vrij te besteden. Als gemeenten op uitkeringen besparen, mogen ze het restant houden en ook vrij besteden. Dit prikkelt gemeenten om hun inspanningen bewust te richten op de meest kansrijke groep binnen de totale doelgroep.”

Het uitgangspunt van de Participatiewet was de gedachte dat mensen die een uitkering ontvangen betaald werk kunnen en willen verrichten, mits dat onder de juiste omstandigheden gebeurt. Volgens gemeenten is een groot deel van de doelgroep echter niet binnen afzienbare tijd in staat om te werken. Ruim 60% van de brede doelgroep van de Participatiewet geeft zelf ook aan niet in staat te zijn om te werken. De helft van hen verwacht dat in de toekomst wel te kunnen. De andere helft denkt nooit meer te kunnen werken, vooral vanwege gezondheidsklachten. De mogelijkheid om aan het werk te gaan, is daarmee niet toegenomen sinds de invoering van de Participatiewet.

Met de invoering van de Participatiewet is de Wajong-regeling voor jonggehandicapten afgeschaft voor nieuwe instroom met arbeidsvermogen. Voor de invoering van de Participatiewet werkte 29% van de 18-jarige Wajong-ers in het derde jaar na instroom, terwijl dat sinds de invoering van de wet voor 18-jarige vergelijkbare jonggehandicapten vanaf 2015 38% is. Een toename dus, maar de inkomenspositie van jonggehandicapten is verslechterd. Ze werken vaak in deeltijd en steeds vaker via een tijdelijk contract. Jonggehandicapten in het doelgroepenregister (Banenafspraak) zijn wel vaker duurzaam (langer dan een jaar) aan het werk.

Van de wachtenden van eind 2014, die te maken kregen met de Participatiewet, kwam 39% in de vier daaropvolgende jaren aan het werk. Van de wachtenden in eerdere jaren, die bleven vallen onder de Wsw, was dit 55% tot 63%. Als men een baan vond, betrof dit in 52% van de gevallen een baan voor minimaal één jaar. Voor invoering van de Participatiewet was dit zo’n 70%. Ze zijn daarbij ook vaker afhankelijk van een uitkering om in hun levensonderhoud te voorzien. Onder de wachtenden van 2014 zijn echter minder werkenden te vinden die vier jaar later geen uitkering hebben (42%) dan onder die van 2010-2013 (47% tot 55%).

De klassieke bijstandsgerechtigden zien de baankansen nauwelijks verhoogd sinds de invoering van de Participatiewet. Hun baankansen waren laag vóór invoering van de Participatiewet (7%) en zijn dat sindsdien ook gebleven (8%). De kans om uit te stromen uit een bijstandsuitkering is eveneens maar iets gestegen: van 15% naar bijna 16%. Ook voor deze doelgroep geldt o.a.: minder banen voor ten minste een jaar, minder vaste contracten, meer kleine banen tot 20 uur per week.

Ook de FNV bestempelt de Participatiewet als mislukt: ‘Deze wet is vooral gericht op het straffen van werklozen. Er is nog steeds een banentekort, maar dat pakken ze niet aan. Jaarlijks wordt er 2 miljard euro uitgegeven aan de re-integratie van werkzoekenden, maar het zijn vooral gemeenten zelf en re-integratiebureaus die er iets mee opschieten. Werklozen krijgen er geen baan door en de re-integratie sluit niet aan bij de wensen en mogelijkheden van henzelf en die van de arbeidsmarkt. Daarom moeten we hier met z’n allen tegen strijden. Juist ook door de mensen die wél in dienst zijn van een werkgever. Uitkeringsgerechtigden worden monddood gemaakt, geïntimideerd. Ze komen niet in verweer, omdat ze anders hun uitkering verliezen’, aldus Maaike Zorgman, bestuurder van FNV Uitkeringsgerechtigden in het FNV Magazine (nr. 2, 2017).

Het ‘activerend arbeidsmarktbeleid’ werd met de Participatiewet tot op zijn meest extreme vorm uitgerekt. Niet de uitkering en dus niet de inkomenszekerheid stond centraal, maar de faciliteiten om zelfredzaam te zijn, om daarmee op eigen kracht de kansen te grijpen en zelf weer in je inkomen te voorzien. Een kwestie van je zelf inspannen, en als dat dan niet lukt, dan zal het wel eigen schuld zijn geweest. En ondertussen moet je nederig en dankbaar zijn, en iets terug doen voor de maatschappij, die dat toch allemaal voor je financiert.

xv.          Geen onvoorwaardelijk, universeel basisinkomen, maar een Zekerheidsinkomen

Sommigen bepleiten ter vervanging van deze gekmakende, ineffectieve en miljoenen kostende participatiedwang een onvoorwaardelijk basisinkomen. Een inkomen dat iedereen krijgt, zonder voorwaarden dus, als individuele basisinkomenszekerheid. Wij zijn daar niet voor om een aantal redenen.

In de eerste plaats omdat een hoog genoeg basisinkomen voor iedereen leidt tot een enorm rondpompen van geld. Degenen die zelf hun inkomen verdienen moeten om zo’n hoog basisinkomen te financieren enorm hoge belastingen betalen. Dat zal noodgedwongen ook de belasting op inkomen uit arbeid betreffen. De Rotterdamse econoom Bas Jacobs heeft zelfs de grote pleitbezorger van het onvoorwaardelijk basisinkomen, Rutger Bregman, ervan overtuigd dat dit desastreus zou zijn voor de arbeidsparticipatie.[22] De belastingen op arbeid zouden dramatisch moeten stijgen om iedereen een hoog basisinkomen te geven – 70% of meer: Van iedere 10 euro die je met werken verdiend, zouden er maar 3 of 2 overblijven. Dan is het risico wel erg groot dat mensen zeggen, laat maar, ik ga niet meer werken. Of erger nog: ik ga minder werken. Arbeid moet blijven lonen en betaald werk blijft, anders dan wat sommige bepleiters van een onvoorwaardelijk basisinkomen menen, belangrijk en moet dat ook blijven.

Een lager basisinkomen, waar voorstanders van een onvoorwaardelijk basisinkomen vanwege de kosten en de belastingdruk voor pleiten, doet onrecht aan het grootste probleem, structureel geldgebrek als oorzaak van armoede en schulden. En dan hebben we het nog niet eens over de neoliberale versie van het basisinkomen, die tegelijkertijd met een te lage uitkering ook nog de fiscale inkomenstoeslagen wil schrappen en in plaats van meer nivellering pleit voor minder nivellering met een voor iedereen gelijk belastingtarief (vlaktax). Dat kunnen sociaaldemocraten nooit voor hun rekening nemen.

En veel voorstanders van een onvoorwaardelijk basisinkomen leggen zich ook neer bij het verdwijnen van (perspectief op) betaald werk. Er zijn zelfs utopisten bij die denken dat robotisering betaald werk geheel zal doen verdwijnen. En vaak verdwijnt dan ook de financiering van de arbeidsbemiddeling als bron van dekking van de uitgaven voor een onvoorwaardelijk basisinkomen. Dat kan een Partij van de Arbeid al helemaal niet voor zijn rekening nemen. Het is een volledige miskenning van het feit dat betaald werk zoveel meer is dan alleen een inkomen.

Maar er is wel verandering nodig. Van wantrouwen naar vertrouwen. Van plichten naar rechten. Van complexiteit naar eenvoud. Van financiële prikkels naar een inkomenszekerheid. Maar met behoud van het streven naar volledige werkgelegenheid, en erkenning van de waarde van betaald werk. Daarover meer in hoofdstuk II.

xvi.          Een nieuw sociaal contract tussen burgers en overheid

De eerdergenoemde bevindingen van de WRR en de Nationale Ombudsman moeten gevolgen hebben voor het sociale contract tussen overheid en burger. ‘Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid hun niet over de rand duwt en dat momenten van onoplettendheid en mentale zwakte niet direct ingrijpende gevolgen hebben’, schrijft de WRR. Dat betekent dat eigen verantwoordelijkheid en ‘zelf kiezen’ als gietijzeren maatstaf voor beleid tekortschieten. 

De WRR doet ook suggesties om de contractvoorwaarden tussen overheid en burger te herzien. Zo roept ze de overheid terecht op om begripvol te zijn wanneer mensen onder mentale druk staan. In de praktijk komt dat neer op terughoudend zijn met sancties. Ook vraagt de WRR om coulance wanneer uitstaande rekeningen aan de overheid niet direct worden vereffend. In plaats van het huidige systeem van automatische boetes en incassobureaus moet de overheid zich eerst verdiepen in de redenen waarom betaling uitblijft om te voorkomen dat schuld op schuld wordt gestapeld. Dat zijn wenselijke en haalbare veranderingen waarmee de overheid zich barmhartiger kan en moet tonen.

Maar uiteindelijk is de WRR op zoek naar iets groters. De conclusie dat mensen nu eenmaal regelmatig tekortschieten in hun keuzes, vertaalt zich in de oproep ‘zeer terughoudend’ te zijn met het bieden van keuzevrijheden als het gaat om ‘essentiële financiële voorzieningen’ zoals ziektekosten en pensioenen.

De menselijke realiteit is anders, rommeliger. Dat maakt ons ook als mens en onderscheidt ons ook gelukkig van robotten. De overheid moet zich daarom niet gedragen alsof de burger een ‘onuitputtelijk mentaal budget’ heeft. Dat zijn woorden die recht tegen de tijdgeest ingaan. Juist bij het zoeken naar werk, uitkeringen, zorg en pensioen wordt steeds meer van individuen verwacht. Dan is dit het moment om te bezien of iedereen ook echt uit de voeten kan met nog meer keuzevrijheid. Luidt het antwoord nee, en daar lijkt het sterk op, dan is het koesteren van zelfredzaamheid als hoogste goed onverstandig.

De WRR beveelt aan om het aantal keuzes te verminderen, met standaardopties te werken, en actief verleidingen te verminderen – of het nu om alcohol, drugs, roken, goedkoop krediet, vrij reizen, een zorgverzekering of de zorgtoeslag gaat. En die dus niet (zoals bij bijv. pensioenen dreigt) te vergroten. Wie even geen keuze kan maken dient er een toebedeeld te krijgen – de veiligste. Anders gezegd: neem het menselijk tekort serieus. Als iets dat erbij hoort en niet per definitie strafbaar, laakbaar of beboetbaar is.

xvii.          Teveel private schulden

De omvang van de private schulden in ons land bedreigt onze welvaart en veroorzaakt enorme problematische schulden. Dit laatste ook omdat de schuldenindustrie teveel geliberaliseerd is en de schuldhulpverlening volstrekt ineffectief en te ontoegankelijk is.

Meer dan 3 miljoen huishoudens (ruim 42% van alle huishoudens) heeft schulden en/of te weinig financiële reserves. Van de Nederlandse huishoudens heeft 40% te weinig spaargeld en 15% heeft zelfs helemaal geen spaargeld. Dit betekent dat deze huishoudens niet of onvoldoende in staat zijn financiële tegenvallers op te vangen.

Iets meer dan één op de zes huishoudens (17% van alle huishoudens, 1,4 miljoen huishoudens) heeft risicovolle (staan rood + betalingsachterstanden + creditcardschuld) of problematische schulden (kunnen op eigen kracht schulden niet meer afbetalen). Gemiddeld hebben mensen met problematische schulden 15 verschillende schuldeisers; de gemiddelde schuld in deze groep is 40.000 euro (met stijgende trend).

Slechts een klein deel van deze groep (ca. 5%) meldt zich bij schuldhulpverlening (SHV). Een groot deel van hen die zich wel melden wordt niet toegelaten of trekt zich terug, door allerlei formele drempels[23] Het aantal mensen dat wordt toegelaten daalt zelfs, terwijl het aantal mensen met risicovolle en problematische schulden stijgt.

De effectiviteit van de SHV is zeer gering. De koepel van schuldhulpverleners, de NVVK, noch het ministerie van SZW vinden het niettemin niet hun taak om met gelijke definities en criteria de effectiviteit te monitoren, een ieder verschuilt zich achter de schaamlap van de gemeentelijke autonomie.[24]

Een klein deel kan geholpen worden in de gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Daarbij probeert de SHV, vaak een door de gemeente ingehuurde commerciële partij, afspraken te maken met de schuldenaar en de schuldeisers, en de gemeente kan ook helpen met budgetbeheer (bijv. de vaste lasten rechtstreeks betalen). Dat is allemaal op vrijwillige basis, de zgn. minnelijke regeling. Richtlijn is dat het minnelijke traject maximaal 4 maanden mag duren, maar dit wordt vaak overschreden.

Als dat niet lukt (bijv. omdat de schuldeisers niet willen meewerken; in ruim 70% van de aanvragen om SHV komt er geen minnelijke regeling tot stand), dan kan de schuldenaar naar de rechter om wettelijke schuldsanering aan te vragen (Wsnp). Vaak zonder enige hulp. Vaak is al eerder duidelijk dat een minnelijke regeling niet gaat lukken, maar moet toch eerst dat traject worden afgerond. Ondertussen loopt de schuld snel op met rentes, incassokosten en boetes. De rechter kan in kader van de Wsnp schuldsanering opleggen met afspraken over maandelijkse afbetalingen en kwijtschelding van de restschuld na 3 jaar, waarbij de schuldenaar onder bewindvoering wordt geplaatst. Maar zo’n 12.500 schuldenaren vragen per jaar een Wsnp aan (met een dalende trend), waarbij zo’n 40% wordt afgewezen (met een stijgende trend), 88% van de wel toegelaten schuldenaren komt eruit met een schone lei.[25] Als je als schuldenaar je niet houdt aan de voorwaarden van de Wsnp dan kan die tussentijds beëindigd worden, en heb je 10 jaar lang geen toegang.

Naar schatting 20-30% van degenen die succesvol uit een minnelijk traject komen, krijgen opnieuw problematische schulden (recidive). Na beëindiging van een traject heeft vier jaar later 4 tot 7 procent opnieuw een betalingsachterstand op een nieuw afgesloten krediet en 9 tot 16 procent een betalingsachterstand op de premie voor de Zorgverzekeringswet. De kans op terugval is na een schuldbemiddelingstraject kleiner dan na een WSNP-traject of een saneringskrediet. Tijdens en na een Wsnp-traject wordt relatief weinig hulp geboden door gemeenten om terugval te voorkomen.[26]

En als dat allemaal niet lukt is er nog schuldenbewindvoering mogelijk onder het regime van de Wcbm. Daarbij wordt op verzoek van de schuldenaar door de rechter wel bewindvoering opgelegd, maar is er geen sprake van schuldsanering. Alle schuld moet terugbetaald worden. Bewindvoering wordt uitgevoerd door commerciële partijen, en de kosten van bewindvoering onder Wcbm moet een gemeente bij bijstandsgerechtigden verplicht vergoeden uit de bijzondere bijstand. Het aantal schuldbewindvoeringen op grond van de Wcbm neemt alarmerend toe. Sommige gemeenten proberen nu de kosten daarvan te drukken door bewindvoerders in dienst te nemen. Er zijn ook veel klachten over de kwaliteit van bewindvoerders, en rechters geven toe weinig tijd te hebben om daarin te controleren en te handhaven.[27]

Schuldeisers ontvangen gemiddeld van mensen in de SHV maar 10-12% van hun vorderingen terug. De directe kosten van SHV zijn ca. 500 miljoen euro per jaar. Maar de extra maatschappelijke kosten van problematische schulden zijn een veelvoud van dat bedrag. Het Nibud schat ze op € 11 miljard per jaar (verzuim, minder productiviteit, administratie, (jeugd)zorg, maatschappelijke opvang, maatschappelijk werk, inzet wijkteams, bijzondere bijstand, criminaliteit, etc.). Meer dan 50% van mensen met problematische schulden hebben gezondheidsproblemen, waaronder ook verslavingen.

Aanpak van schulden van huishoudens moet een topprioriteit zijn. Het systeem faalt nu aan alle kanten: Schuldsanering is voor de schuldenaar een hel, schuldsanering geeft schuldeisers in de meeste gevallen hun geld niet (geheel) terug, de enige die echt baat heeft bij deze industrie is de schuldenindustrie zelf en jij en ik betalen voor deze gigantische verspilling.


[1] Het geldt niet voor tijdelijke arbeidsmigranten, ook niet uit andere EU-lidstaten – net zoals dat nu ook zo is bij de bijstand. Voor studenten: zie hoofdstuk VII.

[2] Wij denken aan: Een ruim eigen vermogen van bijv. € 100.000, plus de zelf-bewoonde eigen woning, worden vrijgesteld. Een vermogenstoets doet afbreuk aan de eenvoud en vraagt om controle, maar die is ook al van belang bij een hogere en effectievere belasting op kapitaal, als door ons bepleit onder IV. Zonder vermogenstoets is er een te grote prikkel om beschikbaar inkomen om te zetten in vermogen, en zou daarmee de inkomenstoets uithollen.

[3] Zie: https://bijvoorbaatverdacht.nl/nooit-meer-een-systeem-als-syri/

[4] Lees hier meer over bij: https://platformburgerrechten.nl/2018/11/13/alle-gegevens-die-over-u-worden-verzameld-kunnen-tegen-u-gebruikt-worden/

[5] Voor wat betreft de WW-duur zie hoofdstuk X. Voor wat betreft de WW-premie en de AOW-leeftijd zie hoofdstuk II. Voor wat betreft de AOW- en WIA-premie zie hoofdstuk IV.

[6] Nu mag je in de bijstand 25% van je loon met een maximum van 215 euro netto per maand (bedragen 2020) bijverdienen zonder korting, en dat geldt alleen als je 27 jaar of ouder bent, en voor maximaal 6 maanden van je bijstandsuitkering. Alleenstaande ouders mogen daarenboven 30 maanden 15% met een maximum van 136,26 euro netto per maand bijverdienen zonder korting. Bedragen variëren in de praktijk per gemeente. Een aantal inkomsten (zoals toeslagen) zijn wettelijk vrijgesteld van korting op bijstand, maar veel gemeenten voeren daar een eigen aanvullend beleid in. In principe moet je alle inkomsten, ook giften, aan de gemeente doorgeven, tot aan inkomsten uit verkoop van inventaris – bijv. via Marktplaats – aan toe. Er zijn gemeenten die hun geld besteden aan controles op zulke sites…

[7] Armoedeval is de ‘val’ waarin inkomens vastzitten doordat bij meer salaris – door hoger loon of door meer werk – er minder toeslag en andere voordelen worden ontvangen, waardoor er netto nauwelijks meer geld overblijft.

[8] Zie: https://pureluxe.nl/2019/04/rijkste-landen-wereld-2/

[9] Zie: https://www.nrc.nl/nieuws/2015/08/14/kostendelersnorm-bijstandswet-raakt-vooral-kwetsbare-ouderen-a1413979 en: https://www.sociaalweb.nl/blogs/weg-met-de-kostendelersnorm

[10] Hoe belastend het zelfstandig burgerschap kan zijn blijkt uit een casus van de Nationale Ombudsman die de WRR aanhaalt. Een alleenstaande ouder met schoolgaande kinderen, een deeltijdbaan, een aanvullende uitkering en een huurwoning krijgt inkomsten van twaalf verschillende instanties. In dit geval komen er tachtig betalingen per jaar binnen waarvoor achttien formulieren moeten worden ingevuld. Stel je de papierwinkel voor, plus de kans dat er ergens misschien een foutje wordt gemaakt.

[11] https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2017/04/24/weten-is-nog-geen-doen

[12] In de rapporten van de Nationale Ombudsman is deze vicieuze cirkel terug te zien. In zijn rapport “In het krijt bij de overheid” is te lezen hoe mensen steeds dieper wegzakken in de schulden omdat ze achterlopen bij het betalen van rekeningen aan het UWV en de Belastingdienst. Vaak begon het met een boete die werd opgelegd vanwege een foutief ingevuld formulier of te laat doorgegeven informatie.

[13] De WRR ontraadt daarom het bieden van meer keuzemogelijkheden in het aanvullend pensioen. De meest kwetsbare mensen zullen daar het meest de dupe van worden. Helaas hebben sociale partners en het kabinet zich daar niet door laten leiden bij het recente Pensioenakkoord.

[14] Wat deze keuzejungle veroorzaakt, kunnen we lezen in Geen fraudeur, toch boete, een rapport dat de Nationale Ombudsman in 2014 publiceerde. De berichten van de ombudsman staan vol met gevallen waarin de burger zonder opzet door teveel verondersteld handelingsvermogen in de problemen komen: afgestudeerden die zich na het in ontvangst nemen van hun bul niet meteen afmelden voor hun ov-jaarkaart en daardoor een schuld opbouwen, werkzoekenden die beboet worden omdat ze het overzicht van hun sollicitatiepogingen verkeerd invullen, gezinnen die honderden euro’s kwijt zijn aan het incassobureau vanwege één gemiste betaling.

[15] De uitzendbureaus die hier bewust op sturen werden echter in alle commotie vaak buiten beschouwing gelaten, terwijl zij juist de Poolse migranten met deze praktijk uitbuiten, zoals CNV en FNV terecht aangaven. Zie: https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4534606/uitzendbureaus-polen-arbeidskrachten-migranten-kosten-ww-vakantie

[16] Waarbij opgemerkt moet worden dat bijna de hele Tweede Kamer hier boter op zijn hoofd heeft door eerst schande te roepen over fraude en de regering vroeg om hier meer werk van te maken.

[17] https://www.cpb.nl/kansrijk-arbeidsmarktbeleid-update-minimumloonbeleid#docid-160195

[18] Der Mindestlohn: Bisherige Auswirkungen und Zukünftige Anpassung, Gemeinsame Stellungnahme von IMK und WSI anlässlich der schriftlichen Anhörung der Mindestlohnkommission. Von Alexander Herzog-Stein, Malte Lübker, Toralf Pusch, Thorsten Schulten, Andrew Watt; Policy Brief WSI Nr. 24 (April 2018). https://www.boeckler.de/pdf/p_wsi_pb_24_2018.pdf

[19] Does the UK Minimum Wage Reduce Employment? A Meta-Regression Analysis. By Megan de Linde Leonard, T. D. Stanley, Hristos Doucouliagos (July 2013): https://doi.org/10.1111/bjir.12031   

[20] The employment effect of minimum wage using 77 international studies since 1992: A meta-analysis. By Michael Chletsos and Georgios P. Giotis; University of loannina, Department of Economics, Greece; MPRA Paper No. 61321 (Jan. 2015). 

https://mpra.ub.uni-muenchen.de/61321/1/MPRA_paper_61321.pdf en Does Employment Respond to the Minimum Wage? A Meta-analysis of Recent Results in the New Minimum Wage Research. By Dale Belman and Paul Wolfson.

https://werugreenwich.files.wordpress.com/2014/11/what-does-the-min-wage-do-15.pdf
https://research.upjohn.org/up_press/227/

[21] https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2019/11/19/eindevaluatie-van-de-participatiewet

[22] Zie: https://decorrespondent.nl/8225/deze-variant-van-het-basisinkomen-is-realistisch-en-betaalbaar/316210125-2f75431a

[23] Uiteenlopend van onvoldoende zelfredzaamheid (geen geordende administratie bijv.) (!), een nog lopende scheiding, een eigen bedrijf dat eerst geliquideerd moet worden, een woning die beneden de hypotheekwaarde verkocht moet worden, etc. etc. Zie ook: https://nos.nl/artikel/2251491-daling-aantal-mensen-in-de-schuldsanering-baart-zorgen.html

[24] Zie: https://demonitor.kro-ncrv.nl/artikelen/onderzoek-schuldhulpverlening-niet-gericht-op-schuldenvrij-maken-clienten

[25] Zie: https://www.bureauwsnp.nl/binaries/content/assets/wsnp/onderzoek/monitor-wsnp17.pdf

[26] Zie: http://www.seo.nl/uploads/media/2015-73_Duurzaamheid_schuldentrajecten.pdf

[27] https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2229917-weinig-zicht-op-kwaliteit-bewindvoering-mensen-in-de-schulden-de-dupe.html

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Hoofdstuk II. Werk blijft belangrijk, we maken werk van goed werk

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 concrete voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

Voorstellen

11.  We maken een eigentijds Plan voor de Arbeid gericht op maximaal 3% onvrijwillige werkloosheid, oplossen van tekorten aan arbeid, goed en eerlijk werk, en een eerlijke verdeling van werk.

Het is tijd voor een 21ste eeuws Plan voor de Arbeid voor de komende kabinetsperiode. Dat plan geeft aan hoe we banen scheppen en behouden, tekorten oplossen, de kwaliteit van werk verbeteren en rechtvaardige arbeidsverhoudingen bevorderen. We hanteren een doelstelling van volledige werkgelegenheid, bijv. nationaal gefixeerd op maximaal 3% onvrijwillige werkloosheid[1] – banen van bijv. tenminste 20 uur, en tenminste 80% met een vast contract. Nu er weer opnieuw een crisis aantreedt is het van belang dat hier direct en zo snel mogelijk mee beginnen en prioriteit aan geven. De voorstellen hieronder maken deel uit van dit plan.

12.  We investeren 15 miljard euro structureel extra geld in 300.000 extra banen en betere beloning in de publieke sector (onderwijs, zorg, veiligheid, etc.).

We investeren in de eerste plaats in 300.000 reguliere banen in de publieke sector (zorg, onderwijs, veiligheid, etc.) en in betere beloning, en bestrijden daarmee de huidige desastreuze werkdruk. In totaal gaat het om ca. 15 miljard euro aan structurele extra uitgaven voor de publieke sector voor extra banen, vermindering werkdruk en betere beloning. Hogere salarissen in de publieke sector zullen tezamen met het fors hogere minimumloon en groeiende tekorten op de arbeidsmarkt voor het hele loongebouw tot verhoging leiden. Dat is goed voor de binnenlandse bestedingen en onze belastinginkomsten, goed voor de werkgelegenheid en onze economie. En ook voor ons welzijn. Een goede publieke sector levert meer op dan hij kost.

13.  De grote investeringen die nodig zijn en die we dus gaan uitvoeren voor met name de duurzaamheidstransities en de oplossing van de woningnood worden voorzien van verplichtende voorwaarden voor veel meer banen, waarbij waar nodig mensen van werk naar werk garantie krijgen.

We gaan voorts concrete aantallen extra banen als verplichtende voorwaarde koppelen aan grote overheidsinvesteringen, waaronder de duurzaamheidstransities en de bouwopdracht ter oplossing van de woningnood. Mensen die daar hun baan verliezen worden met een speciaal transitiefonds geholpen naar nieuwe banen. Daar is in de klimaatplannen van het kabinet veel te weinig aandacht voor. Harde garanties zijn nodig. Onder meer omdat deze ontbreken heeft de FNV het zgn. Klimaatakkoord (dat die naam niet waard is als de vakbeweging en de meeste milieuorganisaties niet meedoen) niet ondertekend. Juist nu met de nieuwe economische crisis moeten we volop hierin anticyclisch investeren. Als onderdeel van het Plan van de Arbeid komen er deelplannen voor veel extra banen bij de duurzaamheidstransities en de woningbouwplannen (zie onder hoofdstukken V en VI).

14.  Investeer in ambitieuze robotagenda voor beter werk

De overheid moet ook investeren in een ambitieuze robotagenda waarin een mensgericht technologieontwerp centraal moet staan, samen met bedrijven door technologieontwikkelaars en kennisinstituten, naast scholing en opleiding, centraal moet staan. Door robotisering zullen banen verloren gaan, maar veel meer banen zullen erdoor veranderen, en er zullen ook nieuwe banen bijkomen. En dat gaan we ook fors bevorderen. Robotisering moet gericht zijn op veranderingen van werk, niet op verlies van werk.

Technologie kan vooral gunstig uitpakken voor werkenden die goed kunnen samenwerken met robots en algoritmen. Een inzet op complementariteit is daarom cruciaal: het bevorderen van samenwerking tussen mens en machine, zowel bij de ontwik­keling van toepassingen als bij de ‘implementatie’ ervan.

Robotisering biedt kansen als ze meer gericht wordt op hoe ze ook voor lager en middelbaaropgeleiden hun werk juist aantrekkelijker kunnen maken met een hogere productiviteit. Bijvoorbeeld met collaboratieve robots (cobots), die het routinewerk doen en die het precisiewerk aan de mens laten, door augmented reality (AR) waarbij extra informatie slim toegevoegd wordt maar de mens het werk blijft doen, en met slimme brillen (smart glass) die de onderhoudsmonteur toont waar zich een storing bevindt en hoe deze op te lossen. Medewerkers met een lagere opleiding kunnen zo complexe taken uitvoeren. De systemen kunnen ook inspelen op mensen met geheugenproblemen, mensen die moeilijk beslissingen kunnen nemen, mensen met concentratieproblemen, mensen die lastig omgaan met onverwachte gebeurtenissen, etc. Op deze wijze kan AR de arbeidsparticipatie van mensen met een lichte beperking enorm helpen, maar het wordt nog nauwelijks toegepast.

We gaan de gewenste ontwikkelingen en toepassingen subsidiëren.

Binnen de ICT is ook veel meer arbeid nodig. We gaan investeren in veel banen voor beheer, onderhoud en testen van ICT in de publieke sector en hoge eisen stellen aan de werking ervan in gereguleerde sectoren, zoals de financiële sector.

15.  Gerichte prikkels voor meer werk bij werkgeverslasten: hogere, gedifferentieerde franchise, collectieve verzekering ZW voor MKB in 1e half jaar, premiedifferentiatie WW en eerste half jaar WW volledig voor rekening van WW

En we gaan bij de werkgeverslasten prikkels invoeren voor meer werk. Dat doen we door:

a) de franchise (vaste korting per werknemer) in de grondslag voor werkgeverslasten te verhogen zodat bedrijven met meer werknemers een relatief voordeel genieten ten opzichte van kapitaalintensieve bedrijven, en dat nog meer te doen voor laaggeschoolde werkenden.[2]

b) De Ziektewet gaan we voor MKB-ondernemingen voor het eerste half jaar een collectieve verzekering van maken.

c) We voeren verdere premiedifferentiatie in de WW-premies in, waarbij werkgevers die grote aantallen werknemers de WW insturen meer premie betalen. Dat levert structurele werkgelegenheid op, zonder extra lasten voor de overheid.  

d) De financiële verantwoordelijkheid voor het eerste halfjaar van de WW leggen we volledig bij werkgevers. Daarmee wordt de structurele werkgelegenheid ook vergroot, terwijl daarbij het saldo voor de overheidsfinanciën positief uitvalt. In beide gevallen worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers. Ontslaan wordt kostbaarder en dus ontmoedigd.

16.  Er komt een afdwingbaar recht op werk met een recht op gratis bemiddeling naar (ander, meer) werk:

a)     In plaats van verplichten, verbieden en sanctioneren gaan we naar motiveren, verleiden, faciliteren en belonen, met een geïntegreerde aanpak in een persoonlijke benadering.

b)     Bij de uitkering op sociaal minimumniveau verdwijnt de plicht tot werk. Bij de WW blijft die plicht er wel, maar ook daar gaan we ons meer richten op motivering & verleiding, facilitering & beloning.

c)      De bemiddeling naar werk komt in plaats van bij het UWV en gemeenten bij regionale werkwinkels. Er is één loket voor alle regelingen, waarbij de professionele arbeidsbemiddelaar veel regel- en budgetvrijheid krijgt.

d)     We investeren in goede, professionele ondersteuning, en er komt een keurmerk voor goede arbeidsbemiddeling.

e)     De regie bij arbeidsbemiddeling komt bij de werkzoekende en de werkgever te liggen.

f)      Werken zonder loon, waaronder de tegenprestatie, wordt uitgesloten als instrument.

g)     Arbeidsbemiddeling moet ook veel meer proactief zijn, gericht op behoud van werk. Onvrijwillige werkloosheid door gezondheidsproblemen en/of door verandering en/of beëindiging van werk moet zoveel mogelijk worden vermeden. Scholing moet nadrukkelijk tot het instrumentarium behoren.  

h)     Arbeidsbemiddeling moet inclusief zijn, dus prioriteit geven aan mensen die wel willen, maar kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt en/of moeilijk zelfstandig aan het werk komen, en gericht op het wegnemen van belemmerende factoren naar werk. 

i)       Bemiddeling richt zich op betaalde arbeid, werk wat voldoet aan de eisen van goed en eerlijk werk, maar desgewenst ook op vrijwilligerswerk. Prioriteit ligt bij werkzoekenden die niet zelfstandig aan werk komen, maar daartoe wel potentieel hebben en dat ook willen. De minderheid die echt niet wil of kan, al dan niet wegens zorgtaken of vrijwilligerswerk, laten we met rust.

We voeren een afdwingbaar recht op werk in. De plicht tot werk en alle daarmee verband houdende verplichtingen zoals die nu gelden in de bijstand en de Wajong vervallen.[3] Wederkerigheid vervalt als uitgangspunt voor recht op uitkering op sociaal minimumniveau vervalt, en dus vervalt ook de tegenprestatie. Onderdeel van dit recht op werk is recht op gratis, goede re-integratie van werk. We stoppen met zelfredzaamheid en eigen kracht als voorwaarde voor hulp. In plaats van wantrouwen, vernederen, verplichten, verbieden en sanctioneren gaan we vertrouwen, aandacht, motiveren, verleiding, belonen en faciliteren. Bij de WW, waar een hogere uitkering geldt, blijft de werkverplichting wel bestaan, maar ook daar gaan we werken met deze nieuwe benadering. In plaats van sancties, willen we vooral inzetten op beloningen.

De arbeidsbemiddeling gaat uitgevoerd worden door regionale werkwinkels waarin de taken van UWV en gemeenten opgaan, en die bestuurd worden door sociale partners en gemeenten, met betrokkenheid van instellingen voor beroepsonderwijs. Zo wordt de huidige complexe en verdeelde steun vervangen door één regeling met één uitvoerder en één loket, voor alle hulp om mensen aan (meer) werk te helpen, van scholing tot loonkostensubsidie en no-riskpolissen voor werkgevers.

Er komt een keurmerk voor de kwaliteit van bemiddeling naar werk, inclusief handhaving van de kwaliteit via een meer onafhankelijke inspectie SZW. We bevorderen een integrale aanpak van problemen bij mensen. Iedereen die dat wil, krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact is. We investeren daartoe honderden miljoenen structureel extra in de arbeidsbemiddeling. Ook ten behoeve van werkgevers die arbeidskrachten zoeken. Arbeidsbemiddeling is een professioneel vak, dat vraagt om goed opgeleide professionals, ondersteund door toegepast onderzoek naar wat werkt en wat niet werkt. Deze professionals moeten voldoende budget- en regelvrijheid hebben om de complexe problemen bij arbeidsbemiddeling te kunnen inzetten.

Passende ondersteuning impliceert effectieve en persoonlijke begeleiding die niet is gekoppeld aan de uitkering die iemand ontvangt, maar wordt afgestemd op de ondersteuning die nodig is om langdurige uitkeringsafhankelijkheid te voorkomen. Re-integratieplannen moeten zinvol zijn, mensen daadwerkelijk voorbereiden op doorstroom naar de arbeidsmarkt, en zich dus richten op het vergroten van kennis, vaardigheden en competenties die ook daadwerkelijk op de arbeidsmarkt worden gevraagd. Essentieel is verder dat deze plannen persoonlijk groei en een intrinsiek gemotiveerde inzet stimuleren. Trainingen die zijn gericht op het verkrijgen van ander werk moeten met het oog hierop niet willekeurig zijn, maar aansluiten bij de persoonlijke interesses en voorkeuren zodat aanwezige talenten optimaal kunnen worden benut.

De werkwinkels krijgen ook een proactieve rol bij het behouden van werk en het voorkomen van verlies van werk (bijv. ten gevolge van gezondheidsproblemen, dreigend verlies van arbeidsplaatsen, achterblijvende competenties). Scholing is daarbij een belangrijk instrument. Zie daarover meer bij voorstel 26.

Arbeidsbemiddeling moet zich niet zoals nu vooral richten op de meest kansrijken, maar moet juist prioriteit geven aan mensen die wel willen, maar kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt en/of moeilijk zelfstandig aan het werk komen, en gericht op het wegnemen van belemmerende factoren naar werk, in een geïntegreerde benadering van hulp en ondersteuning. 

De werkzoekende en de werkgever die werkenden zoekt moeten de regie krijgen bij hun hulptrajecten. Gedwongen trajecten werken contraproductief. Maar dat vraagt des te meer zeer goede begeleiding en facilitering, die ook gericht is op motivering en verleiding. Positieve beloningen zijn de meest effectieve prikkels, negatieve zijn vaak zelfs contraproductief. We stoppen met sancties in het kader van arbeidsbemiddeling.

Arbeidsbemiddeling moet gericht zijn op duurzaam goed en eerlijk werk, in overeenstemming met de wens van de werkzoekende. Duurzaam goed werk is meestal vast werk, met een adequate rechtspositie en beloning. We stoppen met draaideurconstructies als Flextensie en werken zonder loon. Prioriteit moet liggen op mensen die niet zelfstandig aan werk komen, en wel met hulp potentieel hebben om (meer) te werken. De minderheid die echt niet kan of wil, laten we met rust.

Regie door werklozen impliceert ook een keuzevrijheid voor werklozen om andere doelen te stellen en trajecten deel te nemen voor maatschappelijke participatie dan alleen de route van betaald werk, bijv. vrijwilligerswerk – ze doen er ook toe als ze geen betaald werk hebben, bijv. omdat ze zorgtaken prioriteit geven, of vanwege beperkingen. Het stigma van werkloosheid kan daardoor verminderen en het kan leiden tot meer maatschappelijke erkenning van mantelzorgtaken. Wel moet hen dan ook professioneel en transparant voldoende inzicht geboden worden in de mogelijkheden die ervoor hen zijn. Belangrijk is dat die alternatieve participatieroutes niet verplichtend en disciplinerend zijn. Verplicht vrijwilligerswerk is geen vrijwilligerswerk.

17.  Er komt een afdwingbaar recht op gesubsidieerde duurzame arbeid, met publieke basisbanen, op maat naar hun mogelijkheden, ten behoeve van mensen die geen regulier werk kunnen vinden ondanks alle ondersteuning, voor maatschappelijk nuttige taken die nu blijven liggen, met een vaste aanstelling en een volwaardige beloning en rechtspositie. Voorwaarde is dat het niet reguliere banen verdringt. Zo leggen we ook een vloer in de arbeidsmarkt.

Sluitstuk van recht op werk is een afdwingbaar recht (geen plicht!) op publieke basisbanen,op maat naar de mogelijkheden van een werkzoekende, voor hen die er niet in slagen om een reguliere of garantiebaan kunnen vinden. Anders dan bij de oude Melkertbanen is doorstroming naar een andere baan geen doel – basisbanen zijn echte banen. Er is niets mis met gesubsidieerd werk. Deze basisbanen zijn niet gericht op uitstroom, en hebben daarom een vaste aanstelling, met een volwaardige, normale beloning en rechtspositie, inclusief opbouw WW-rechten en aanvullend pensioen. De baan wordt op maat aangeboden door gemeenten aan mensen die daarom verzoeken en die niet erin geslaagd zijn reguliere arbeid te vinden, ondanks alle ondersteuning. Er is genoeg maatschappelijk nuttig werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, en noem maar op. Voorwaarde is dat het niet reguliere banen verdringt. Zo leggen we ook een vloer in de arbeidsmarkt.

18.  Voor werkloze ouderen (57-plus) worden forse kortingen gegeven bij hervatting van betaald werk – 100% in eerste jaar en 50% bij tweede jaar, onder voorwaarde van een vaste aanstelling.

Er is veel ouderendiscriminatie op de arbeidsmarkt. Naast maatregelen om werkloosheid bij ouderen (57-plus) te voorkomen door scholing en het voorkomen van arbeidgerelateerde gezondheidsklachten, moet het huidige stuwmeer van werkloze ouderen (50% van het bijstand-bestand, waarvan 25% hbo-plus) geholpen worden door hen ook financieel aantrekkelijk te maken voor werkgevers. Voor deze ouderen gaan we fors lagere werkgeverslasten voor oudere werklozen (57-plus) die weer aan werk geholpen worden organiseren – 100% korting bij 1e jaar, 50% bij 2e jaar). Voorwaarde is dat men een vaste aanstelling verwerft.

19.  We voeren fiscale dienstencheques in, waardebonnen waarmee particulieren met groot fiscaal voordeel huishoudelijke diensten van laaggeschoolden kunnen kopen.

We voeren fiscale dienstencheques in, naar het succesvolle voorbeeld daarvan in België. Een dienstencheque is een waardebon waarmee particulieren op een fiscaal voordelige manier huishoudelijke diensten kunnen kopen. Ze hebben tot doel laaggeschoolden werk te kunnen laten doen dat daarvoor vaak zwart werd gedaan.

20.  In de publieke sector gaan we betaald werk, met name voor laaggeschoolden, als doel in zichzelf, beschouwen. We herstellen de uit oogpunt van bedrijfsmatige efficiëntie wegbezuinigde banen voor laaggeschoolden en splitsen banen waar daardoor extra banen voor laaggeschoolden ontstaan. Alle privatiseringen en verzelfstandigingen van de laatste 25 jaar, die tot verlies van werk hebben geleid of waarbij verslechteringen van arbeidsvoorwaarden hebben plaats gevonden, worden opnieuw op hun nut en noodzaak onderzocht. Daartoe wordt een SER advies uitgebracht met aanbevelingen. Bij een negatief oordeel over een organisatie of het uitblijven van een advies worden deze maatregelen teruggedraaid. In de banenplannen voor de publieke sector, onderdeel van ons Plan van de Arbeid, worden aparte doelstellingen opgenomen voor laaggeschoolde arbeid.

In de publieke sector moeten we de waarde van werk ook breder bezien dan alleen bedrijfsmatig. Indachtig het motto van de sociale New Yorkse bakkerij Greyston: we don’t hire people to bake brownies, we bake brownies to hire people. Arbeid als de voornaamste waarde. Het geeft zin aan het bestaan en werk voor mensen is goed voor de samenleving als geheel. Het product is een afgeleide. Het principe daarbij is baansplitsing. De onderwijsassistent en de vakkracht bewegingsonderwijs keren terug of worden vanzelfsprekend.  Zo ook de zorg assistent en de hulp in de peuterspeelzaal. De bibliotheek medewerker en de bewaakte fietsenstalling. De huismeester en de bewaker van het overheidsgebouw. We moeten de schoonmakers, de hoveniers voor het openbare groen, de beveiliging, het caterings- en kantinepersoneel weer zelf in dienst nemen, loketten heropenen en uitbreiden, conducteurs en schoolconciërges weer in dienst nemen, etc. Om politieke willekeur uit te sluiten, kiezen voor nieuw te vormen functies bunnen de CAO voor overheidspersoneel en bijvoorbeeld ook in de zorg en onderwijssector. Die nieuwvorming stellen we als eis bij de publieke financiering van deze taken. In de banenplannen voor de publieke sector worden aparte doelstellingen en instrumenten opgenomen voor laaggeschoolde arbeid. Alle privatiseringen en verzelfstandigingen van de laatste 25 jaar, die tot verlies van werk hebben geleid of waarbij verslechteringen van arbeidsvoorwaarden hebben plaats gevonden, worden opnieuw op hun nut en noodzaak onderzocht. Daartoe wordt een SER advies uitgebracht met aanbevelingen. Bij een negatief oordeel over een organisatie of het uitblijven van een advies worden deze maatregelen teruggedraaid. Bij de toekomst van dit soort sectoren moeten de banen en goede arbeidsvoorwaarden, samen met de kwaliteit voor de cliënten centraal worden gesteld door daar de regels op toe te spitsen.

21.  De facilitering van mensen met een arbeidsbeperking bij het vinden en behouden van betaald werk en van werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen wordt fors uitgebreid:

a)     SW-bedrijven worden als expertcentra gekoppeld aan de regionale werkwinkels. Iedere werkwinkel moet zo’n expertcentrum hebben. Zij moeten worden omgevormd tot sociale ontwikkelingsbedrijven, die iedereen met een arbeidsbeperking (ook gedurende WW en WIA) die dat wil, helpt aan en ondersteund bij passend betaald werk, en altijd een werkvangnet biedt.

b)     De ondersteuning vindt ook hier plaats onder regie van de werkzoekende en de werkgever.

c)      Er worden daartoe substantiële extra middelen ter beschikking gesteld. Begeleiding van mensen met een arbeidsbeperking en hun werkgevers vraagt aanvullende, hoge competenties. Daarin wordt fors geïnvesteerd. Ervaringsdeskundigen worden uitgebreid betrokken.

d)     De SW-bedrijven worden opnieuw opengesteld voor nieuwe instroom voor mensen met een beperking.

e)     De bestaande rechtspositieongelijkheid tussen verschillende groepen van SW-werknemers wordt beëindigd door iedereen een goede cao-rechtspositie te geven. De SW-instellingen krijgen daartoe voldoende Rijkssubsidie.

f)      Werkgevers moet het gemakkelijk en aantrekkelijker gemaakt worden om mensen met een beperking in dienst te nemen en te houden, door een proactieve, faciliterende dienstverlening met zo weinig mogelijk bureaucratie.

g)     De bestaande regelingen voor facilitering van werk aan mensen met een arbeidsbeperking (zoals garantiebanen en beschut werk, jobcoach, no-riskpolis bij ziekte, subsidie voor aanpassing van de werkplek en loonkostensubsidie) worden geïntegreerd in één regeling.

h)    De dienstverlening is gericht op individueel maatwerk voor de betrokken werkzoekende of werknemer en de betrokken werkgever, met een ruime regel- en bestedingsvrijheid voor de arbeidsbemiddelende professional, zonder aparte toegangsvoorwaarden voor ieder instrument. De persoon met een arbeidsbeperking en de werkgever hebben steeds maar één contactpersoon, voor alle vragen en ondersteuning

i)       De rechtspositie van mensen met een arbeidsbeperking wordt versterkt, met betere klacht- en beroepsrecht, en gratis rechtshulp en professionele cliëntenondersteuning. Keuringen worden onafhankelijk ingericht – keuringsartsen krijgen een onafhankelijke rechtspositie en keurmerk.

j)       De ondersteuning blijft duurzaam beschikbaar voor zowel de werkende met een arbeidsbeperking als zijn werkgever.

k)     Speciale aandacht en extra begeleiding is nodig voor jongeren met een beperking, en de aansluiting van hun praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs (vso) op betaald werk.

l)       De plicht van private en publieke werkgevers om garantiebanen volgens de Quotumwet te realiseren blijft in stand, waarbij de eisen aan die banen verscherpt worden tot vaste banen van voldoende omvang. Detachering vanuit SW-bedrijven telt niet meer mee als garantiebaan voor de banenafspraak. De handhaving wordt verscherpt. Per sector en bij grote werkgevers per bedrijf of instelling komt er een quotumheffing als de doelstellingen niet tijdig worden behaald. Deze doelstellingen worden afgeleid in een oplopend tijdschema van de huidige doelstellingen in de banenafspraak (125.000 extra, dus nieuwe banen voor mensen met een arbeidsbeperking in 2026 t.o.v. begin 2013).

m)   Werkenden met een beperking krijgen altijd het normale, geldende loon bij die werkgever in die functie en tenminste het minimumloon of het geldende cao-loon – en rechtspositie. Werkgevers kunnen voor productiviteitsverlies een loonkostensubsidie krijgen. Deze loonkostensubsidie wordt weer afgestemd op het functieloon in plaats van op het minimumloon. Loondispensatie (waarbij loon wordt aangevuld met een uitkering, zoals nu in de Wajong) wordt afgeschaft.

n)     De ambities voor beschut werk worden niet naar beneden bijgesteld. Beschut werk wordt integraal onderdeel van arbeidsbemiddeling aan de basis van de arbeidsmarkt, een vorm van een basisbaan, waarbij dagbesteding en zorg naadloos moet kunnen aansluiten. Ook bij beschut moet er een aparte cao komen en is de inzet duurzaam, dus vast werk.

o)     De bestaande systemen met loonwaarde berekening en doelgroepenregister worden geschrapt. Voor beiden komt er een sterk vereenvoudigende landelijke systematiek met grote uitvoerende vrijheid voor de arbeidsbemiddelaar en een sterke rechtspositie van mensen met een arbeidsbeperking om toe te passen. Mensen in het register krijgen een uitschrijvingsrecht dat altijd hersteld kan worden.

p)     Hoger opgeleiden moeten bemiddeld worden naar passende functies, ook om verdringing van lager opgeleiden te voorkomen. Ook hier moet aanvullende of nieuwe scholing actief aangeboden worden waar dit nuttig is. De ondersteuning is ook beschikbaar om die scholing mogelijk te maken. En waar nodig moeten ook vervoersoplossingen ingezet worden.

q)     We voeren verplichtende regels in voor overheden en instellingen in de publieke sector om bij aanbestedingen normen voor realiseren van werk voor mensen met een arbeidsbeperking te eisen en te handhaven (social return on investment).

r)      We gaan de uitvoering van het VN-verdrag handicap op het punt van economische, sociale en culturele rechten – zoals het recht op wonen, onderwijs en zorg – versnellen. De fysieke en digitale toegankelijkheid, ook in publieke ruimten, het openbaar vervoer, media, sport, cultuur en andere gesubsidieerde voorzieningen en in sectoren als de horeca en recreatie en publieke evenementen gaan we uiterlijk in 2025 verplichtend en afdwingbaar wettelijk vastleggen. Er komt een speciale subsidieregeling voor de noodzakelijke aanpassingen. Woningbouwnormen worden aangepast voor levensloop en handicap bestendig wonen. Bij gemeenten moet men meer snelheid maken en we investeren in gemeentelijke professionele ondersteuning van mensen met een beperking.

s)      De uitzondering in de ondertekening van het verdrag voor Caribisch Nederland wordt opgeheven en we ratificeren ook het Facultatieve Protocol bij dit VN-verdrag. De door de regering afgegeven interpretatieve verklaringen bij het Verdrag worden in overeenstemming met de kritiek van het Nederlands Comité voor de Rechten van de Mens ingetrokken.

Het gaat niet goed met de ambitie van een inclusieve arbeidsmarkt en samenleving. Sinds de invoering van de Participatiewet is de arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking gedaald in plaats van gestegen. In 2016 had 28% van de totale beroepsbevolking geen betaald werk. Dit percentage was aanzienlijk hoger voor mensen met een beperking: 47% voor mensen met een chronische ziekte, 64% voor mensen met een lichamelijke beperking en 78% voor mensen met een ernstige psychische beperking.[4] Voor mensen die voorheen in de sociale werkvoorziening (SW) werkzaam waren, is de kans op het vinden van een baan zelfs afgenomen van 50% naar 30%.[5] Het moet dus anders, het moet veel beter.

De facilitering van mensen met een arbeidsbeperking (1,7 miljoen mensen) moet fors worden uitgebreid. SW-bedrijven moeten aansluiten bij de hiervoor voorgestelde regionale werkwinkels als expertcentra en sociale ontwikkelbedrijven[6]. In alle arbeidsregio’s moeten deze (op veel plaatsen opnieuw) SW-instellingen nieuwe stijl worden gerealiseerd.

Dat houdt ook in dat zij als intermediair optreden naar werkgevers bij het realiseren en behouden van werk voor mensen met een arbeidsbeperking. Een ruimhartige, proactieve facilitering en benadering van werkgevers moeten de zorgen wegnemen dat het teveel tijd en energie kost om het realiseren en te begeleiden. Er worden substantieel extra middelen vrijgemaakt voor een goede en duurzame begeleiding en ondersteuning van mensen met een arbeidsbeperking en hun werkgevers.

Daarbij wordt apart aandacht gegeven aan de kwaliteit en scholing van deze intermediairs – hier zijn nu veel klachten over.[7] Arbeidsbemiddeling en ondersteuning van mensen met een arbeidsbeperking en hun werkgevers vraagt hoge competenties, o.m. om het goed kunnen herkennen van de beperkingen (vooral bij belang van niet fysieke beperkingen), wat daaruit voortvloeit aan voorwaarden en te bieden faciliteiten en hoe daar mee op het werk te kunnen omgaan. We gaan zoveel mogelijk ervaringsdeskundigen bij deze verbeteringen inzetten.

De SW-bedrijven worden ook weer opengesteld voor nieuwe instroom en iedereen krijgt een cao-loon, met goede aanvullende arbeidsvoorwaarden zoals een volwaardig aanvullend pensioen, waarbij een overheidssubsidie hoort die dat ook mogelijk maakt. De bestaande rechtsongelijkheden onder werkenden bij SW-bedrijven wordt beëindigd.

Het is nodig de bemiddeling en ondersteuning van mensen met een arbeidsbeperking en hun (potentiële) werkgevers drastisch te vereenvoudigen en te ontbureaucratiseren.[8] Er zijn nu verschillende indicaties en bijbehorende geldstromen die het bemoeilijken om mensen aan het werk te helpen: beschut werk (werk georganiseerd door gemeenten ten behoeve van mensen met een zodanige beperking dat zij meer begeleiding en aanpassing van hun werkplek nodig is, dan van een reguliere werkgever te verwachten is), garantiebanen (werkplekken bij reguliere werkgevers – bedrijven en publieke overheden en instellingen – voor mensen met een arbeidsbeperking), recht op job coaching, een no-risk polis om het risico van doorbetaling van loon bij ziekte te voorkomen, subsidie voor aanpassing van de werkplek en loonkostensubsidie ter compensatie van minder productief kunnen zijn. Allemaal met de beste bedoelingen georganiseerd. Maar als je vastlegt wie in aanmerking komen, sluit je ook mensen uit. Het blijkt alleen maar lastiger te zijn geworden. Beter is: één regeling en dan per individu maatwerk laten organiseren met meer budget- en regelvrijheid voor de uitvoerende, goed opgeleide professional.

De dienstverlening moet gericht zijn op individueel maatwerk voor de betrokken werkzoekende of werknemer en de betrokken werkgever, met een ruime regel- en bestedingsvrijheid voor de arbeidsbemiddelende professional, zonder aparte toegangsvoorwaarden voor ieder instrument. De persoon met een arbeidsbeperking en de werkgever hebben steeds maar één contactpersoon, voor alle vragen en ondersteuning.

De ondersteuning blijft duurzaam beschikbaar voor zowel de werkende met een arbeidsbeperking als zijn werkgever. Speciale aandacht en extra begeleiding is nodig voor jongeren met een beperking, en de aansluiting van hun praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs (vso) op betaald werk.

En ook bij mensen met een arbeidsbeperking is regie door de werkzoekende en de werkgever een belangrijke succesfactor.

In april 2013 is de afspraak tussen kabinet en sociale partners gemaakt om uiterlijk in 2026 te komen tot 125.000 banen bij reguliere werkgevers voor mensen met een arbeidsbeperking, gemeten ten opzichte van 1 januari 2013. Het gaat om 100.000 banen in het bedrijfsleven en 25.000 bij de overheid. Per jaar moeten er overeengekomen minimale aantallen extra bereikt worden. Deze extra banen worden garantiebanen genoemd, ze zijn gegarandeerd door de overheid en de werkgevers. Het akkoord kent een stok achter de deur met de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten (in de volksmond Quotumwet). Worden de overeengekomen aantallen niet behaald, dan komt er het jaar daarop een verplicht quotum aan banen voor mensen met een arbeidsbeperking voor het bedrijfsleven en/of de overheid als geheel. Als vervolgens het quotum niet wordt behaald, dan volgt er een quotumheffing bij werkgevers. Wie meetelt voor het behalen van de overeengekomen aantallen is al een aantal malen verruimd, maar desondanks blijven de realisaties achter, met name bij de overheid. Het gaat bovendien vaak niet om duurzame, volwaardige banen – er zijn veel draaideurconstructies en kleine baantjes, waarbij men soms niet eens het minimumloon behaald. Ook gaat het steeds meer niet om echt nieuwe banen – zo tellen gemeenten mensen mee die vanuit SW-bedrijven gedetacheerd worden bij reguliere bedrijven.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een garantiebaan moet je voldoen aan wettelijke voorwaarden. Dit betreft:

1) mensen die onder de Participatiewet vallen, en door het UWV geïndiceerd zijn op grond van de norm dat zij niet zelfstandig in staat zijn om het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen. Dit kan op verzoek van de gemeente of op verzoek van de uitkeringsgerechtigde. Daarvoor beoordeelt een arbeidsdeskundige van het UWV of deze persoon in staat is om een zogenoemde drempelfunctie uit te voeren. Een drempelfunctie is een functie die voorkomt op de Nederlandse arbeidsmarkt die een lichte belasting van iemand vraagt, en die iemand met (forse) beperkingen uit kan voeren. Is een drempelfunctie niet mogelijk voor deze persoon, dan is hij niet in staat het WML te verdienen. Wordt geoordeeld dat iemand geheel geen arbeidsvermogen heeft, dan ontstaat recht op een Wajong-uitkering. Er zijn veel problemen met deze norm, niet alleen vanwege de beoordelingsmethode, maar ook omdat hoger opgeleiden minder kans maken en er voor hen vaak geen specifieke ondersteuning is.

2) mensen met een arbeidsbeperking die onder de doelgroep van de Participatiewet vallen, van wie op de werkplek via een gevalideerde loonwaardemethodiek is vastgesteld dat zij een loonwaarde hebben onder het WML, worden zonder beoordeling door UWV opgenomen in het doelgroepregister en gaan tot de doelgroep banenafspraak behoren. Deze Praktijkroute zorgt ervoor dat mensen die al een baan hebben gevonden voordat zij een beoordeling arbeidsvermogen hebben aangevraagd niet twee keer beoordeeld hoeven worden (één keer voor de indicatie banenafspraak en één keer voor de loonwaarde).

3) (ex-)leerlingen van scholen voor het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en praktijkonderwijs (pro) die zich schriftelijk hebben aangemeld bij UWV. Zij vallen feitelijk gezien onder de participatiewet maar zijn vaak bij gemeenten niet in beeld.

4) mensen met een WSW-indicatie.

5) Wajong-ers met arbeidsvermogen.

6) Mensen met een WIW-baan (Wet Inschakeling Werklozen) of ID-baan (In- en Doorstroom), dus die gesubsidieerde arbeid uitvoeren (beiden zijn vanaf 2004 niet meer mogelijk voor nieuwe instroom).

Mensen met een WIA-uitkering kunnen wel zelfstandig tenminste minimumloon verdienen, en komen daarom niet in aanmerking.

Werkgevers kunnen voor het voldoen aan de banenafspraak putten uit het Doelgroepenregister. De mensen bedoeld onder 1) en 2) en 6) moeten door de gemeente aangemeld worden voor het Doelgroepenregister, die onder 4) en 5) door het UWV. Die onder 3) kunnen door de scholen worden aangemeld. Er staan in 2019 ruim 223.000 mensen geregistreerd in het Doelgroepenregister. Ruim 58.500 mensen hadden in oktober 2019 een garantiebaan.

Voor de bepaling van de loonkostensubsidie of loondispensatie wordt sinds 2017 niet meer uitgegaan van het functieloon, maar van het minimumloon. De loonwaarde is sindsdien de evenredige prestatie van het takenpakket (in procenten) vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde wettelijk minimumloon (in euro’s). De loonkostensubsidie is het verschil tussen het wettelijk minimumloon en deze loonwaarde, plus de vergoeding voor werkgeverslasten. De vaststelling van de loonwaarde gebeurt door het UWV. Deze keuring wordt periodiek uitgevoerd, en het ontwikkelingsperspectief van betrokkene wordt meegewogen bij het bepalen van de termijn voor een herkeuring.

Daarnaast is overeengekomen dat gemeenten beschutte werkplekken inrichten voor mensen met een zodanige ernstige arbeidsbeperking, dat werk bij een reguliere werkgever niet mogelijk wordt geacht. De banen van deze mensen tellen niet mee voor de banenafspraak. Het UWV is verantwoordelijk voor het afgeven van adviezen indicatie beschut werk; gemeenten zijn verantwoordelijk voor het realiseren van beschutte werkplekken. Mensen met een beperking kunnen zelf een aanvraag voor beschut werk indienen bij het UWV, maar gemeenten kunnen dat ook doen. Mensen doen dit vaker dan de gemeente, en vaak met positief resultaat. Het doel van het huidige beleid is om in 2050 30.000 beschutte werkplekken te realiseren, maar de realisering blijft ver achter bij deze ambities[9]. Eind 2018 moesten er 4600 plekken gerealiseerd zijn, maar slechts 2500 waren daadwerkelijk gerealiseerd (54%). Nog eens 1200 mensen waren wel geïndiceerd voor beschut werk, maar voor hen was geen beschutte werkplek beschikbaar. Rutte III overweegt de ambities voor beschut werk naar beneden bij te stellen. Ook zijn er voorstellen vanuit Cedris[10] en Divosa[11] om de toegang, ondersteuning en facilitering te verbeteren. Zij bepleiten één regeling voor de basis van de arbeidsmarkt, waarop vanuit dagbesteding en zorg gemakkelijker kan worden aangesloten.[12]

De eisen aan garantiebanen en de facilitaire ondersteuning daarvan worden uitgebreid. Het moet gaan om vaste banen van voldoende omvang (de huidige norm van tenminste 25,5 uur blijft in stand, kleinere banen mogen niet meer opgeteld worden). Dat voorkomt draaideurconstructies en veel te kleine baantjes. Het moet gaan om nieuwe, extra banen. Dus detacheringen, bijv. uit SW-bedrijven, worden niet meer meegeteld.

Het plan van Rutte III om de verplichtingen voor extra banen niet meer te onderscheiden in banen bij bedrijfsleven of bij de overheid[13] voeren we niet in – integendeel, we gaan ze juist verder specificeren per bedrijfstak of sector en bij grote bedrijven.

Daarbij gaan we de door Rutte III voorgestelde bolus-malusregeling ter vervanging van de quotumheffing per 2022 wel invoeren. Deze regeling voorziet erin dat werkgevers die wel voldoende mensen met een arbeidsbeperking tenminste netto niet meer betaald, en als hij nog beter presteert een beloning krijgt (ongeveer 5000 euro per gerealiseerde extra baan). Anders dan het huidige voorstel willen we die bonus ook alleen bij vaste banen van voldoende omvang (tenminste 25,5 uur) verstreken. Werkgevers die ondermaats presteren betalen meer.

Tegelijkertijd verhogen we ook het beschikbare budget voor de facilitering hiervan en versimpelen we de regels. De regels voor loonwaardemeting worden simpeler en de uitvoerende arbeidsintermediair bij de werkwinkel krijgt ruime regel- en budgetvrijheid. De ondersteuning wordt meer proactief en blijft in stand bij de realisatie van een werkplek.

De ambities voor beschut werk worden niet verminderd. Wel gaan we beschut werk inpassen als één van de mogelijkheden om een basisbaan in te vullen. Ook bij beschut werk moet er een cao komen met een adequate beloning en rechtspositie, met toepassing van de wet minimumloon, opbouw WW-rechten en inclusief opbouw aanvullend pensioen.

Wajong-ers die gaan werken maar minder kunnen werken en/of minder productief zijn, ontvangen het normale functieloon en rechtspositie – de werkgever wordt daarbij met loonkostensubsidie gecompenseerd. De bestaande loondispensatie in de Wajong, waarbij het loon niet wordt aangevuld tot het minimumloon, maar tot de bijstandsnorm, met alle kortingen en normen die daarbij horen en waarbij geen aanvullend pensioen en WW-recht wordt opgebouwd, wordt afgeschaft.

We voeren verplichtende regels in voor overheden en instellingen in de publieke sector om bij aanbestedingen minimumnormen voor realiseren van werk voor mensen met een arbeidsbeperking te eisen en te handhaven (social return on investment), en betere prestaties financieel te belonen. Dat geldt dus niet alleen voor overheden zelf, maar ook voor instellingen in de zorg, het onderwijs, en elders in de publieke sector.

We gaan de uitvoering van het VN-verdrag handicap versnellen en verbeteren en volgen hier de adviezen van het Nederlands Comité voor de Rechten van de Mens.[14] Publieke ruimten en gebouwen, OV-bedrijven, scholen, openbaar vervoer, cultuurinstellingen, sportinstellingen en -terreinen, zorginstellingen, etc. moeten fysiek toegankelijk zijn, evenals horeca, recreatieverblijven en -terreinen en publieke evenementen. Informatie moet ook toegankelijk zijn, zowel vanuit de overheid als in de vrije media. Woningen moeten levensloopbestendig worden gemaakt. Er komen concrete normen en goede handhaving daarvan, en een subsidieregeling om de aanpassingen te kunnen financieren. De Nederlandse uitzonderingen en voorbehouden bij de ondertekening vervallen.

22.  De Arbeids Inkomens Quote (AIQ) moet omhoog. Naast meer banen en meer mensen aan het werk bereiken we dat door de lonen substantieel te laten stijgen. Naast de verhoging van het minimumloon en structurele verhoging van lonen in de publieke sector zetten we in op een verdere loonsverhoging van de lonen van gemiddeld 5% voor de periode 2021-2024, met een vaste verhoging in euro’s als basis.

Samen met meer arbeidsplaatsen zorgen hogere lonen voor een hogere Arbeids Inkomens Quote (AIQ, dat deel van wat we nationaal verdienen dat naar arbeid gaat). Dat deel is nu veel te laag en dreigt in een negatieve spiraal te belanden. Dus pleiten wij met DNB: laat de overheid ervoor zorgen dat de lonen harder stijgen ten koste van de bedrijfswinsten. Het moet meer lonend worden voor kapitaalbezitters om te investeren in banen en hogere lonen en minder lonend worden om kapitaal te laten staan zonder dat het productief is. Dat is goed voor de welvaart van gewone mensen, zorgt voor hogere bestedingen en dus voor een meer stabiele groei van onze economie. We zetten in op een substantiële verhoging van de lonen. We streven daarbij naar een gemiddelde loonsverhoging van 5% per jaar voor de eerstkomende kabinetsperiode, met fors hogere percentages voor lagere en middeninkomens (door een vaste inkomensverhoging als bodem, indachtig de oude vakbondsleus ‘centen in plaats van procenten’) en lagere percentages voor hogere inkomens. De maatregelen om het minimumloon en de lonen in de publieke sector fors te verhogen, zullen bij een steeds krapper wordende arbeidsmarkt daarbij helpen.

23.  We zorgen voor eerlijke beloningsverhoudingen:

a)     Met een Wet op maximale beloningsverschillen stellen we maximumnormen voor de verhouding tussen het hoogste en laagste loon binnen één bedrijf of instelling, bijv. dat de best en slechtst verdienende werkende niet meer dan twintigmaal mogen verschillen. Alleen met instemming van de OR kan daar een uitzondering op worden gemaakt. Iedereen telt mee, ook ingehuurde werkenden en bestuurders. En alle inkomensbestanddelen tellen mee, ook bonussen, pensioenen, extra uitkeringen en loon in natura (vervoersmiddelen, etc.). We vragen daarnaast advies aan de SER over een eventuele wettelijke absoluut beloningsplafond;

b)     Uitzonderingen op de Balkende-norm – een maximumbeloning in de publieke sector ter hoogte van het salaris van de minister-president – worden per direct geschrapt. Gouden handdrukken bij beëindiging dienstverbanden worden met 80% belast en variabele beloning wordt aan wettelijke beperkingen onderworpen. Bestuurders en toezichthouders mogen geen aandelen van eigen bedrijf meer ontvangen als bonus;

c)      We schaffen het Lage Inkomens Voordeel (LIV) van werkgevers af;

d)     We voeren alsnog een verplichte vermogensaanwasdeling in voor werknemers bij bedrijven, dat we zo vormgeven dat daarbij voor deze werknemers ook steeds meer zeggenschap ontstaat;

e)     We zorgen voor een wettelijk afdwingbaar gelijke beloning voor gelijk werk, naar IJslands voorbeeld, en voor een verplichtend quotum van 40% voor vrouwen in topfuncties bij grote bedrijven en in de publieke sector.

We zorgen ook voor eerlijke beloningsverhoudingen. We maximeren wettelijk de verhouding tussen het laagste en hoogste loon in een bedrijf of instelling met een Wet op maximale beloningsverschillen. Bijv. de best en de slechts beloonde medewerker mogen dan bijv. niet meer dan twintig maal in beloning verschillen, tenzij de OR of een meerderheid van het personeel daarvoor expliciet toestemming geeft. Ook ingehuurd personeel en bestuurders vallen onder deze regeling. De beloningsverschillen zijn nu idioot hoog en worden steeds groter. Niet de internationale beloningsverhoudingen moeten eenzijdig maatgevend zijn, maar deze moeten begrensd worden door interne beloningsverhoudingen.

En we gaan een eind maken aan de uitzonderingen op de beperking van topinkomens in de publieke sector, gouden handdrukken met 80% belasten en variabele beloning strakker reguleren. Bestuurders van ondernemingen mogen geen aandelen van het eigen bedrijf meer ontvangen als bonus. Dit leidt tot een te groot belang op korte termijn aandeelhoudersbelang, terwijl deze bestuurders en toezichthouders juist gericht moeten zijn op het lange termijnbelang van alle stakeholders bij een onderneming.

Het bestaande LIV wordt afgeschaft.[15] Dit Lage Inkomens Voordeel, een loonsubsidie aan werkgevers voor banen met een laag loon (100-130% minimumloon) is wel goed bedoeld, maar leidt ertoe dat bedrijven hun werknemers bewust maar op het minimumniveau belonen, om in aanmerking te komen voor de LIV. Met name in de retail (detail- en groothandel) voert de FNV daartegen terecht actie. Door de hiervoor al voorgestelde hogere franchise in werkgeverslasten bij banen voor laagopgeleiden komt er een beter werkend instrument in de plaats.

We voeren een collectieve vermogensaanwasdeling in. Werknemers gaan meeprofiteren van vermogensopbouw van hun onderneming. Daarmee realiseren we alsnog een belangrijke belofte van het roemruchte kabinet-Den Uyl. Daarbij maken we het aantrekkelijk om dit te doen in de vorm van aandelen voor werknemers, waardoor werknemers mede-eigenaar worden en ook zeggenschap verwerven.

En we zorgen voor wettelijk afdwingbare gelijke beloning voor gelijk werk, naar IJslands voorbeeld, en een quotumregeling van tenminste 40% voor vrouwen in topfuncties bij bedrijven en in de publieke sector. In Nederland verdiend een man gemiddeld ruim 16% meer dan een vrouw voor dezelfde functie. Net zoals in IJsland gaan we verplichten dat bedrijven moeten aantonen dat ze gelijke lonen betalen ongeacht geslacht, etniciteit, seksualiteit en nationaliteit. Een omkering van de bewijslast dus.

24.  We maken een einde aan de doorgeslagen flexibilisering van werk en herstellen de norm van goed werk als vast werk. Hoofdlijn is het duurder maken van flexwerk en het beter reguleren van flexwerk, met meer zekerheid voor alle werkenden, ongeacht in welke rechtsvorm ze werken, en daarmee herstel van het draagvlak van sociale verzekeringen en collectieve voorzieningen. De voorstellen van de commissie Borstlap voor het flexibiliseren van vast werk (o.m. legalisering van eenzijdig deeltijdontslag, eenzijdig wijzigen arbeidsovereenkomst over omvang, plaats en functie van werk door werkgever, minder ontslagbescherming, beperking loondoorbetaling bij ziekte van 2 naar 1 jaar) zijn voor ons onder geen voorwaarde acceptabel. Wel omarmen we de meeste voorstellen van de commissie over het reguleren van flexwerk. Concreet:

a)     We voeren verdere premiedifferentiatie in voor WW-, WIA- en ZW-premies om flexwerk duurder te maken;

b)     Voor flexwerk komt er een 10% hoger minimumloon;

c)      Er komt een minimumtarief van € 30 per uur voor zelfstandigen zonder personeel (zzp);

d)     Uitzendkrachten en andere werknemers binnen arbeidsrechtelijke driehoeksrelaties krijgen dezelfde (primaire en secundaire) arbeidsvoorwaarden als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de onderneming waar de werknemer feitelijk werkzaam is. De huidige mogelijkheid om bij collectieve arbeidsovereenkomst af te wijken van de hoofdregel dat voor uitzendkrachten hetzelfde arbeidsvoorwaardelijke regime toegepast moet worden als bij de inlener, wordt geschrapt;

e)     De ‘ketenregeling’ wordt weer beperkt van drie naar twee jaar (als je langer bij een werkgever in dienst bent, dan moet je in vaste dienst worden genomen), met uitzondering voor seizoensarbeid;

f)      Loondoorbetaling bij alle flexwerk moet altijd plaatsvinden als er niet wordt gewerkt vanwege een oorzaak die ligt in de risicosfeer van de werkgever – de huidige mogelijkheden om dat niet te hoeven doen worden uit de wet geschrapt;

g)     Alle flex-arbeidscontracten moeten in het vervolg altijd tenminste een minimum vast aantal arbeidsuren per kwartaal omvatten per kwartaal, waarover loon wordt voldaan, met de eis van loonspreiding. Hiermee worden nul-urencontracten verboden;

h)     We beperken het aantal mogelijke arbeidscontractvormen voor werkenden tot drie:

-arbeidsovereenkomsten voor werknemers die voor bepaalde of onbepaalde tijd werken in dienst van een werkgever;

-overeenkomsten voor zelfstandigen die werken voor een opdrachtgever voor eigen rekening en risico;

-uitzendovereenkomsten voor werknemers in dienst van een uitzendbureau die tijdelijk voor een derde partij werk verrichten dat niet of moeilijk voorzienbaar is;

i)     De manier waarop het werk feitelijk wordt uitgevoerd gaat de contractvorm bepalen, de wil van partijen is daarbij niet langer relevant. Bij de beoordeling wordt het bestaan van een gezagsrelatie bepalend. Daarbij wordt niet langer het toezicht en de leiding van de werkgever centraal gesteld, maar de inbedding in de organisatie van de werkverschaffer, waaronder of de activiteiten behoren tot de reguliere activiteiten van de onderneming of organisatie waar deze worden verricht. Er geldt een ‘werknemer, tenzij’ benadering – wanneer arbeid persoonlijk en tegen beloning wordt verricht, is sprake van een werknemer tenzij door de werkgevenden (opdrachtgever) kan worden aangetoond dat de werkende een zelfstandige betreft. Dit impliceert een omkering van de bewijslast in vergelijking met de huidige situatie;

j)     Om oneigenlijk gebruik van driehoeksverhoudingen – zoals payrolling, contracting, detachering of uitzending – tegen te gaan, wordt de feitelijk werkgever ook de juridische werkgever. Dat impliceert tevens dat de daar geldende arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn. Er zijn twee uitzonderingen hierop:

-bij uitzending voor tijdelijk werk blijft het werkgeverschap bij het uitzendbureau (inclusief een lichter ontslagregime, behoudens in geval van ziekte) voor een periode van maximaal een half jaar. De uitzendwerknemer moet echter wel tenminste de arbeidsvoorwaarden krijgen die ook de eigen werknemers van de opdrachtgever van het uitzendbureau ontvangen. Uitzendwerk moet ook echt tijdelijk zijn: de ketenregeling van maximaal twee jaar is van toepassing – werkt men langer bij een opdrachtgever, dan komt hij in dienst van de opdrachtgever. Uitzendbureaus krijgen voorts een vergunningplicht om de handhaving van het arbeidsrecht, de fiscaliteit en het sociale verzekeringsrecht te vergemakkelijken. We gaan fors investeren in die handhaving nu er veel aanwijzingen zijn voor grote misstanden;

-bij detachering en contracting geldt het uitgangspunt dat het werkgeverschap van de uitbestedende opdrachtgever op wiens locatie het werk verricht wordt van toepassing is, tenzij kan worden aangetoond dat de werknemer (a) onderdeel is van de organisatie van de partij die hem inzet bij de opdrachtgever en (b) activiteiten verricht die (ook) behoren tot de reguliere ondernemingsactiviteiten van de partij die hem inzet bij de opdrachtgever;

k)    Bij platformbedrijven (bemiddelingsbureaus) die betrokken zijn bij het beheer van de geldstroom van de betaling voor de werkzaamheden worden zij ook verantwoordelijk voor de afdrachten van (loon)belasting en/of premies. Dit draagt bij aan het bestrijden van de ontduiking daarvan bij dit werk en zorgt ervoor dat deze bedrijven niet alleen voordelen genieten maar ook verplichtingen krijgen in relatie met de arbeid die na hun bemiddeling wordt verricht. Ook bij bemiddeling van zelfstandigen moet de bemiddelde partij de fiscale afdrachten gaan verrichten. Daarenboven gaan we bij deze platformbedrijven invoeren dat degenen die het werk verrichten werknemers zijn, tenzij het platformbedrijf kan aantonen dat zij geen werkgever is als bedoeld onder i). Een platform dat de financiële en administratieve verplichtingen verbonden aan de overeenkomst tussen platform en platformwerker, of tussen platformwerker en de gebruiker van het platform, op zich neemt is een werkgever dan wel een uitzendwerkgever, tenzij het platform kan aantonen dat zij niet zelf een zelfstandige en inhoudelijke rol spelen bij de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst en de werkzaamheden van de platformwerker behoren tot de onderneming van het platform;

l)     Er komt een arbeidsombudsman, een publiek loket waar op een laagdrempelige manier onafhankelijk en gratis informatie en advies verkregen kan worden over de rechten van werkenden en de effectuering daarvan;

m)  Alle werkenden gaan op gelijke wijze meebetalen aan onze collectieve voorzieningen, inclusief het Zekerheidsinkomen, door arbeid voor alle werkenden – inclusief zelfstandigen – gelijk te belasten. Concreet betekent dit dat de huidige fiscale ondernemingsfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) en ondernemersfaciliteiten (incl. die voor DGA’s[16]) vervallen. De DGA gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap als arbeidsinkomen (meer hierover in hoofdstuk IV). Zelfstandigen zonder personeel worden verplicht om zich aan te sluiten bij een verplichte collectieve aanvullende pensioenvoorziening, en moeten daarover premie betalen, en aan de premie voor de studievouchers (zie hierna). Ook flexwerkers komen vanaf dag één onder een verplicht collectief aanvullende pensioenregeling vallen;

n)   De transitievergoeding moet al vanaf dag één bij flexwerkers worden opgebouwd, en niet vanaf twee jaar zoals nu.

o)   De Arbowet gaat ook dezelfde materiële bescherming geven voor ZZP-ers;

p)   De collectieve regeling voor ziekteverzuim voor MKB gaat alleen gelden bij vast werk;

q)   In de publieke sector voeren we een plicht in tot vast werk, tenzij beargumenteerd kan worden waarom dat niet kan. Dit geldt ook in subsidierelaties en aanbestedingseisen. Dit impliceert o.m. een verbod op alfahulpconstructies in de thuiszorg. De aanbestedingen en bekostiging moeten uitgaan van een normale cao en niet leiden tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden, op straffe van dat ze onverbindend worden verklaard. Uitzonderingen op de norm van vast werk moeten gemotiveerd worden en deze zijn vatbaar voor beroep;

r)    Het laten uitvoeren van regulier werk door stageairs zonder normale beloning, al dan niet reeds afgestudeerd, wordt verboden en streng gehandhaafd.

We maken een eind maken aan de doorgeslagen flexibilisering van werk door vast werk als norm te herstellen. We volgen daarbij de adviezen van de Commissie Borstlap (zie toelichting onder xi), met uitzondering van:

-De adviezen met betrekking tot het flexibeler maken van vast werk;

-Voorts voegen we een minimumtarief voor zzp-ers toe (de commissie wil eerst zien of dat wel nodig is, wij zien die noodzaak nu al);

-We gaan niet over tot een verplichte basisverzekering voor arbeidsongeschiktheid (dat is niet nodig als we een Zekerheidsinkomen invoeren);

-We gaan al wel over tot een verplicht aanvullend pensioen voor alle werkenden (de commissie beschrijft wel de noodzaak, maar komt niet tot een concrete aanbeveling);

-De commissie komt ook niet tot een concrete aanbeveling over handhaving van het recht bij uitzendbureaus – wij doen dat wel, door een vergunningplicht in te voeren en fors te investeren in de handhaving;

-De uitzondering om bij intra-concern detachering (detachering bij een ander bedrijf binnen hetzelfde groepsconcern en bij ‘collegiale in- en uitlening’ af te wijken van het principe dat de feitelijk werkgever ook de juridische werkgever moet zijn, nemen we niet over omdat dit ook leidt tot het minder zeker van vast werk;

-We draaien ook bij platformbedrijven de bewijslast om – ze zijn werkgever, tenzij. Wij betwijfelen of het voorstel van de commissie ver genoeg gaat om schijnconstructies, zoals die nu plaatsvinden bij bijv. platforms voor maaltijdbezorgers en voor schoonmakers, uit te sluiten.

-We gaan niet over tot beperking van de re-integratieverplichtingen van werkgevers in de WIA, zoals de commissie wel voorstelt.

25.   We gaan meer investeren in beroepsonderwijs en in scholing voor werkenden. Het aanbod en de inrichting van het initieel beroepsonderwijs moet beter afgestemd worden op de vraag van werkgevers. We gaan het werkend leren en stages extra bevorderen met een aparte studiekostenregeling en ondersteuning van werkgevers. ROC’s (mbo-instellingen) met veel leerlingen uit achterstandsituaties ontvangen gericht extra overheidsgeld om voortijdig schooluitval te voorkomen. De leerplicht wordt verlengd totdat er een startkwalificatie is behaald, behoudens waar er door een beperking dat niet haalbaar is.

De tekorten op de arbeidsmarkt bestaan deels uit frixie-werkloosheid: het aanbod van arbeid sluit onvoldoende aan op de vraag naar arbeid. Een aangepast opleidingsaanbod en onderwijsinrichting in het beroepsonderwijs helpt daarbij. Beroepsonderwijs en daarbinnen lerend werken verdiend een herwaardering. Het geeft kansen aan mensen die minder theoretisch en beter praktisch kunnen leren, en komt tegemoet aan enorme tekorten in beroepen als in de bouw, de elektro- en installatietechniek, de zorg, etc. Door een studiekostenregeling vindt er materieel loonkostensubsidie plaats en daarenboven gaan we werkgevers en werkende lerenden ondersteunen.

26.   Er komt voor iedereen bij geboorte migratie na gelijkstelling aan of verkrijging van Nederlanderschap of bij een gelijk aantal leerrechten. Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs) is gratis en kost geen leerrechten. Gebruik van initieel tertiair onderwijs kost leerrechten, waarbij hoe hoger het niveau, het meer leerrechten kost. Les- en collegegeld wordt afgeschaft, maar in het hoger onderwijs komt er wel een studieheffing na afloop van de studie, gerelateerd aan het dan verdiende inkomen en de genoten studieduur (zie hoofdstuk VII). Bij migratie op latere leeftijd is er correctie op leerrechten, afhankelijk van genoten vooropleiding. De leerrechten kunnen na initieel onderwijs gebruikt worden voor bij- en nascholing of voor omscholing. Iedere werkende krijgt periodiek een loopbaan-APK bij een regionale werkwinkel, met gratis advies over te volgen scholing. Daarbij is er ook een gezondheidscheck, gericht op het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid, met eventueel advies voor en ondersteuning bij aanpassingen van werk(plek). Volgen van scholing wordt in de beloningssystematiek beloond. Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor scholing richting betaald werk. De transitievergoeding kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor leerrechten. Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld. De financiering van de leerrechten geschiedt tripartite door de overheid en een werkgevers- en werknemerspremie. De bestaande sectorale opleidingsfondsen worden geïntegreerd in het nieuwe leerrechtensysteem. Ook de gelden voor duurzame inzetbaarheid uit het pensioenakkoord (800 miljoen euro) moeten hierbij betrokken worden – deze gelden worden (anders dan in het pensioenakkoord) structureel gemaakt.

We praten al een leven lang over levenslang leren, maar het is nog steeds niet gelukt om daar invulling aan te geven. Dat terwijl we zien dat het niet tijdig volgen van bij- en herscholing, of omscholing, wanneer aan bestaand werk een einde dreigt te komen, een belangrijke oorzaak is van onvrijwillige werkloosheid. We omarmen het voorstel van de commissie Borstlap om daar nu wel eindelijk een regeling voor te treffen, maar we amenderen het ook hier licht.

Zo maken we de integratie van de transitievergoeding vrijwillig, laten we de overheid ook bijdragen aan de financiering, treffen we ook een regeling voor migranten, koppelen we het aan het vervallen van les- en collegegelden, waarbij we de laatstgenoemde in het hoger onderwijs vervangen door een studieheffing (zie hoofdstuk VIII), en voeren we een gezondheidscheck in om langer gezond werk te bevorderen. Dit laatste kan een bijdrage leveren aan kleinere gezondheidsverschillen en verschillen in levensverwachting tussen laag en hoogopgeleiden, verschillen die nu enorm zijn en schreeuwen om een aanpak.

Meer over meer en beter scholen in de toelichting in dit hoofdstuk onder xii.

27.  We gaan werk eerlijker verdelen en daardoor ook meer ruimte geven voor goede balans van werk en andere tijdsbesteding, minder overbelasting, en voor eerlijker verdelen van zorgtaken. We voeren een verplichte collectieve arbeidstijdverkorting in met een 32-urige werkweek (te verdelen over vier of vijf werkdagen). Tot en met anderhalf modaal wordt bij de omzetting het huidig inkomen gegarandeerd. Daarnaast vergroten we het volledig betaald zorgverlof naar 10 dagen kraamverlof en 4 maanden ouderschapsverlof voor beide partners. Iedere partner krijgt een individueel recht daarop. Bij niet opname daarvan vervallen bij die ouder vakantiedagen. Een eerlijke verdeling van werk tussen mannen en vrouwen en goede economische zelfstandigheid en bestaanszekerheid van vrouwen vraagt ook een grotere mate van arbeidsparticipatie van vrouwen. Dat helpt daarnaast ook bij het oplossen van tekorten op de arbeidsmarkt. We gaan banen in de publieke sector in beginsel als voltijds aanbieden en dat fiscaal voor werkgevers en werknemers aantrekkelijker maken. De kinderopvang gaan we volledig uit de belastinginkomsten financieren, publiek organiseren zonder marktwerking en uitbreiden tot een voorziening gekoppeld aan scholen, die tenminste van 7-19 uur beschikbaar is. We schrappen de huidige eigen bijdragen (zie ook hoofdstuk VII). De kinderopvangtoeslag kan dan verdwijnen. De kinderbijslag en het kindgebonden budget worden geïntegreerd in een nieuwe inkomensafhankelijke kinderbijslag.

We verdelen het werk eerlijker door een verplichte collectieve arbeidstijdverkorting: Wij sluiten aan bij de inzet van de vakbeweging tijdens Rutte II voor herverdeling van werk door te kiezen voor arbeidstijdverkorting door invoering van een 32-urige werkweek. Tot en met anderhalf modaal wordt daarbij het huidig inkomen gegarandeerd. Dat helpt ook tegen de werkdruk.[17]

Betaald werk alleen is ook niet meer zaligmakend. Het leven is meer dan werken, we willen ook tijd voor onze kinderen, mantelzorg, vrije tijd en ontspanning. De sociale strijd heeft de arbeidsduur beperkt, vakantie en vrije zaterdag gerealiseerd, zorgverlof, etc. Maar de scheiding tussen werk en vrije tijd wordt steeds diffuser, het werk dringt steeds meer de vrije tijd in. De verdeling van werk en zorgtaken is ook heel scheef. Waar de ene werknemer dreigt te bezwijken onder werkdruk en jonge gezinnen klagen over te weinig tijd voor zorgtaken voor hun kinderen én voor hun mantelzorg behoevende ouders, zitten anderzijds veel mensen die graag weer zouden werken of meer uren zouden willen werken onvrijwillig teveel thuis op de bank. Tweeverdieners zijn de norm geworden, maar ook uit noodzaak om de stijgende vaste lasten nog te kunnen financieren. Onvrijwillige alleenverdieners hebben het nakijken. Hoe belangrijk werk ook is, leven is meer dan werk alleen. Dat moet en kan beter. We zullen naar een meer dwingende en effectieve verdeling van werk moeten.

Naast collectieve arbeidstijdverkorting vergroten we daartoe het zorgverlof van vijf naar tien dagen kraamverlof en vier maanden ouderschapsverlof voor beide partners, overeenkomstig het besluit van het Europees Parlement, en wel volledig doorbetaald (met een maximum) en volgens het Noorse model: iedere partner heeft een individueel recht en als één van die partners zijn of haar verlof niet opneemt vervallen bij die partners vakantiedagen. Het recente voorstel van Rutte III voor een deels betaald (de helft van het loon, met een maximum van bijna € 220 per dag, he zgn. maximum dagloon) ouderschapsverlof van negen weken extra tot vijftien weken totaal biedt te weinig mogelijkheden voor met name de lagere en middeninkomens. Die kunnen echt niet de helft van hun inkomen missen.

Voor een ruimhartiger vaderschaps- en ouderschapsverlof zijn veel argumenten aan te dragen. Het is beter voor de baby, die op minder jonge leeftijd naar de crèche hoeft en een meer betrokken vader krijgt.  De arbeidsparticipatie van vrouwen zou omhooggaan wanneer zij in eerste instantie langer bij hun baby kunnen blijven; zorgtaken raken blijvend beter verdeeld tussen vaders en moeders; en discriminatie op de arbeidsmarkt tegen vrouwen zou dalen op het moment dat een werkgever weet dat zowel een man als een vrouw een tijd uit de running zal zijn in het geval van voortplanting. En, door ouderschapsverlof volledig betaald te maken wordt het voor iedereen toegankelijk: dit kan helpen sociale en economische ongelijkheid tegen te gaan. Het is dus goed voor het kind, voor de emancipatie én voor de gelijkwaardigheid binnen relaties en in de maatschappij om ouders allebei de kans te geven (even)veel tijd met hun pasgeboren baby door te brengen. Daar komt bij dat het kostwinnersmodel terecht uit de mode raakt en ook vaders meer en beter betrokken willen zijn bij de opvoeding van hun kinderen. Naast dat dit meer banen voor anderen laat, draagt dit bij aan een meer ontspannen arbeidsbestel, waarin erkend wordt dat kwaliteit van leven niet bestaat uit werk alleen.

Een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen helpt voor eerlijk verdelen van werk en zorgtaken, helpt tegen de bestaande arbeidstekorten en maakt hen tevens meer financieel zelfstandig. We gaan om de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen zorgen dat publieke banen meer voltijds worden aangeboden en ingevuld. Voltijdsbanen gaan we voor werkenden en ook wat betreft werkgeverslasten voor werkgevers aantrekkelijker maken. Kinderopvang wordt gratis (collectief gefinancierd, zonder marktwerking) en als een volledig publieke voorziening van tenminste 7-19 uur gekoppeld aan het funderend onderwijs (PO en VO).[18]

28.  Alle werkenden krijgen een collectief aanvullend pensioen. Er komt een wettelijke verplichting om per instelling/bedrijf of per bedrijfstak zo’n pensioen te regelen in overleg met de vakbonden. Alle werkenden worden deelnemers, ongeacht leeftijd en contractsvorm (dus ook zzp-ers en alle flexwerkers). Er komen geen keuzemogelijkheden bij de opbouw en uitbetaling van het aanvullend pensioen, met uitzondering van de mogelijkheid dat pensioenfondsen hypotheken kunnen verstrekken aan hun deelnemers, waarbij deze deelnemers kunnen kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van hun woning, in ruil voor een lagere pensioenuitkering. De doorsneepremie blijft in stand. We vergroten de zekerheid van het aanvullend pensioen en de indexering daarvan – naast het effect van een hogere AOW – door de bredere premiegrondslag (alle werkenden en hun werkgevers gaan premie betalen) en een regulering van het vermogensbeleid. Dat moet – met normen die tevens de ecologische en sociale duurzaamheid van de beleggingen bevorderen – de risico’s bij dat vermogensbeleid zodanig verminderen dat een lagere rekenrente (ca. 2%) verantwoord is. We gaan niet over tot een jaarlijkse en directe toepassing van kortingen of afzien van indexering bij onvoldoende dekkingsgraad, maar willen dat doen op basis van meerjarige, duurzame cijfers.

Het in 2019 gesloten Pensioenakkoord moeten we zien te verbeteren. De belofte van een zekerder goed aanvullend pensioen voor iedereen wordt onvoldoende waargemaakt. Bij de uitwerking zal dit blijken. Dat is ook het moment om opnieuw het akkoord aan die ambitie te toetsen.

Aanvullend pensioen verplicht voor alle werkenden

In de eerste plaats gaat het dan om een verplichte en geen facultatieve aansluiting van alle werkenden bij een collectief pensioenfonds, dus ook jongeren, flexwerkers en zzp-ers. Dat sluit ook bij de adviezen van de commissie Borstlap. Naast dat er een gelijk speelveld komt voor werkgevers in contractsvormen, betekent het ook verbetering van de toekomstige inkomenspositie en inkomenszekerheid van deze vaak kwetsbare werkenden. En het draagt bij aan vermindering van de kwetsbaarheid van pensioenfondsen, omdat door de flexibilisering van werk nu steeds minder pensioenpremiegrondslag is, en daar wordt met dit voorstel een eind aan gemaakt.

Geen individualisering van pensioenen

In de tweede plaats gaan we niet over tot de neoliberale droom van individuele pensioenen. Iedere keuzemogelijkheid ondergraaft het collectieve karakter van solidariteit in de pensioenen, een mondiale icoon van de Nederlandse verzorgingsstaat. De doorsneepremie is daar het belangrijkste bij. Afschaffing daarvan zet generaties tegen elkaar op. Het is niet waar dat jongeren door de doorsneepremie meer betalen dan ouderen. Iedereen wordt oud, en over een gehele loopbaan gezien betaald iedereen evenveel. Jongeren hebben nu onevenredig meer last door verminderde pensioenopbouw ten gevolge van flexwerk en van toekomstige dreigende kortingen van pensioenen. Dat komt niet door de doorsneepremie – voor deze problemen zijn andere oplossingen nodig.

Individualisering van aanvullende pensioenen geeft bovendien grote risico’s. In landen waar mensen zelf mogen kiezen zijn de kosten hoger, maar de beleggingsresultaten lager. Fondsen waren er veel extra geld kwijt aan klantenwerving, of er ontstond een soort oligopolie met weinig marktwerking. De ervaringen met de keuzes uit zorgverzekeringen zijn duidelijk: het aantal overstappers is zeer gering, de transparantie over de gevolgen van een keus dramatisch slecht, de markt is feitelijk verdeeld. Bij pensioenen speelt extra dat mensen op korte termijn denken, terwijl pensioenen beslissingen vereisen over 40 jaar.

Het CPB stelde in juli 2016 terecht dat het voor een individu bijna onmogelijk is pensioenen te vergelijken. Als de individualisering doorzet dan moeten werkenden straks door een oerwoud gegidst worden van franchises, rekenrentes, langlevenrisico’s en pensioenholidays. Een heel leger aan pensioenadviseurs en pensioenverzekeraars zullen er een goed belegde boterham aan verdienen, maar de meeste werkenden zullen massale verarming en ongelijkheid op hoge leeftijd tegemoet gaan. Men wordt dan teruggeworpen op de AOW, en zolang die nog opbouweisen en kortingen kent, zullen de slachtoffers daarvan aangewezen zijn op aanvullende uitkeringen.

Financieel analfabetisme is van alle tijden. Twee-derde van de wereldbevolking lijdt eraan, concludeerde de Wereldbank in 2015. Niettemin moet volgens de heersende opinie in en rond het Binnenhof nu ook de aanvullende pensioenen, geïndividualiseerd en gecommercialiseerd worden. De burger moet zelf keuzes kunnen maken. Het is net of mensen die in het Amsterdamse Bos al verdwalen in het Amazone-oerwoud worden gedropt.

De WRR waarschuwt in zijn eerder geciteerde rapport ‘Weten is nog geen doen’ (2017) voor de gevolgen van meer keuzevrijheid in pensioenen, niet alleen voor laagopgeleiden en de 2,5 miljoen laaggeletterde volwassenen in ons land, maar ook voor hoger opgeleiden, die zich laten verleiden tot verkeerde beslissingen. De AFM (2015) concludeert dat een derde van de burgers bij de huidige pensioenopbouw niet kan voorzien in zijn beoogde bestedingsbehoefte. Vaak wordt gedacht dat deze problemen zich alleen voordoen bij mensen met een laag inkomen. Dat is niet het geval. “Vooral onder mensen met een hoog inkomen is het bewustzijn laag. Bijna 70 procent ziet het tekort niet aankomen”.

De WRR raadt onomwonden verdere keuzevrijheid af, omdat deze een te groot beroep doet zelfredzaamheid in de vorm van financiële planning en zelfcontrole van werknemers. “Meer keuzemogelijkheden en vrijheid op pensioengebied is voor het overgrote deel van de Nederlanders eerder een probleem dan een oplossing. Grotere keuzevrijheid kan op korte termijn de autonomie vergroten, maar deze op lange termijn juist schaden, namelijk als men de verkeerde keuzes blijkt te hebben gemaakt en onvoldoende pensioen heeft opgebouwd. Tegen de tijd dat duidelijk wordt dat men de verkeerde keuzes heeft gemaakt, is het te laat om die nog te herstellen. Het is natuurlijk verstandig om werknemers al aan het begin van hun carrière te informeren over noodzaak van en mogelijkheden voor pensioensparen, maar het is naïef te denken dat hiermee het probleem ook is opgelost. Of om te denken dat mensen hun pensioen niet belangrijk vinden als ze keuzes maken die voor de lange termijn niet positief uitpakken. “Uit onderzoek blijkt overigens ook dat de meeste burgers ook wel bang zijn voor de eerdergenoemde zelfredzaamheidsparadox, waarbij meer zelfredzaamheid juist leidt tot verminderde redzaamheid, getuige het feit dat slechts een kleine minderheid voorstander zegt te zijn van een grotere keuzevrijheid op het terrein van pensioenvoorzieningen.[19]

Individualisering van aanvullende pensioenen zonder belofte van een waardevast pensioen zal de ongelijkheid nog verder toenemen. Een groot deel van de mensen zal kiezen voor nu meer bestedingsvrijheid met een lager pensioen na hun 70e. Of ze stellen de premiebetaling uit om een mooier huis of duurdere auto te kopen. Verleidingen genoeg. De gevolgen van deze keuzes komen straks geheel voor eigen rekening, verkeerde beleggingskeuzes is dikke pech, eigen schuld – zelfredzaamheid, weet u nog? Ook tussen generaties zal er sprake zijn van een wisselend beleggingssucces. Het nieuwe systeem zal leiden tot nog meer scheve ogen en keuzestress, meer bureaucratie en kosten, en ongelijkere pensioenen. Die zullen met het nieuwe systeem ook niet zekerder worden, integendeel.

We gaan dus niet twee verschillende pensioenregelingen invoeren waaruit pensioendeelnemers moeten kiezen (één waarbij je een persoonlijk vermogen opbouwt, en één waarbij dat collectief blijft gebeuren) en we geven niet de mogelijkheid om bij bereiken van pensioen maximaal 10% van dan opgebouwde pensioen in één keer op te nemen. Daar zitten niet alleen grote risico’s aan verbonden, ze vergroten ook de ongelijkheid. Mensen met meer inkomen hebben altijd meer aan keuzemogelijkheden – denk aan de huurder die zijn hypotheek niet kan afkopen (en ook geen hypotheekrenteaftrek ontvangt à 13 miljard euro per jaar, maar wel in de armoedeval zit van de huurtoeslag à 3 miljard euro per jaar).

In plaats van deze laatste mogelijkheid willen we wel de mogelijkheid geven om in ruil voor een lagere pensioenuitkering een deel van hun premie (tot een wettelijk te bepalen maximum percentage) te besteden aan aflossing van hun hypotheek als die hypotheek verstrekt is door het pensioenfonds. Dat geeft minder risico’s en is een goed alternatief voor de oneerlijk uitwerkende hypotheekrenteaftrek, naast onze voorstellen om te komen tot gesubsidieerd bouwsparen en meer betaalbare huur (zie hoofdstuk V).

Doorsneepremie

En we gaan al helemaal niet de verplichte doorsneepremie afschaffen. De doorsneepremie houdt in dat iedere werknemer een even hoog percentage premie betaalt en daarmee jaarlijks ruim twee procent van zijn pensioen opbouwt, zodat hij of zij na 40 tot 45 jaar werken een volledig pensioen heeft. De premie die een 25-jarige inlegt kan echter 42 jaar renderen, de premie van een zestigjarige slechts zeven jaar (uitgaande van en pensioenleeftijd van 67). Volgens sommigen het toppunt van ‘oud teert op de zak van jong’. Met oneerlijkheid tussen jong en oud heeft dit echter niet zo veel te maken. Wie jong is wordt immers ooit oud, en wie oud is was ooit jong.

Tot pakweg de crisis van 2008 vond de pensioenstrijd voornamelijk plaats tussen werk­gevers en werknemers. De eersten betalen twee derde van de pensioenpremie, werknemers een derde. Eenzelfde verdeelsleutel is logisch als er moet worden bijgestort omdat de dekkingsgraad onder de maat is – in feite is de premie dan immers te laag geweest – maar met die redenering gingen werkgevers niet akkoord, het was toch crisis? Maar juist in crisistijd zouden we voor bescherming van werknemers en gepensioneerden moeten staan!

Bij de discussies over veranderingen in het pensioenstelsel helpt het niet dat oud en jong elkaar als concurrenten zijn gaan beschouwen. Daardoor vliegen oud en jong elkaar in de haren, met werkgevers als lachende derde. Doordat het pensioensysteem gebaseerd is op veel verschillende mechanismen is het niet moeilijk om selectief te winkelen en er een mechanisme uit te pikken dat uitermate onrechtvaardig is voor ouderen – of juist voor jongeren. Belangrijker is dat we de werkgevers weer aanspreken op hun verantwoordelijkheid om bij te storten. De overheid en de publieke sector (ABP en PFZW) zouden daarbij voorop moeten lopen.

Daar komt nog bij dat afschaffing van de doorsneepremie een eenmalig enorme rekening kost om de ouderen die anders een enorme verslechtering ondergaan, moet compenseren. Het CPB en Netspar berekenden dat het gaat om 60 miljard euro (!). Dat kan weliswaar over tien jaar worden uitgesmeerd, maar de oplossing om dit te financieren uit bestaande buffers bij de pensioenfondsen wordt met de huidige dekkingsgraden steeds onrealistischer. Daar komt nog bij dat zo’n financiering ook principieel onacceptabel is: ouderen betalen dan zelf hun eigen compensatie – zij hebben die buffers immers bijeen gespaard. Maar het alternatief van premieverhoging is al evenzo onaantrekkelijk. Maar nog meer fundamenteel is afschaffing van de doorsneepremie de bijl aan de wortel van één van de laatste iconen van onze verzorgingsstaat, de verplichte solidariteit in ons collectief pensioen. Het zijn volslagen onnodige en onzinnige kosten, er wordt geen enkel probleem mee opgelost.

Gevaren zijn er ook: wie tot z’n veertigste niet in vaste dienst is – zoals een groot deel van de huidige 40-minners – of vanwege kinderen parttime werkt, en daarna alsnog vast werk bemachtigt, bouwt zonder doorsneepremie straks veel minder pensioen op.

Kortingen en indexeringen: over rekenrente en regulering vermogensbeleid

De zekerheid van een goed aanvullend pensioen wordt voorts bedreigd door het voornemen uit het pensioenakkoord om jaarlijks de dekkingsgraad te toetsen en dan direct over te gaan tot indexering dan wel korting, waarbij dan de normen iets minder streng worden. Niet indexeren heeft grote koopkrachteffecten: 12 jaar niet indexeren kost je zo’n 27% pensioen! Bij veel pensioenfondsen is deze situatie nu al aan de orde en dat leidt tot grote onrust. Die onrust wordt nog groter doordat er binnen de huidige regelingen nu zelfs kortingen op de pensioenuitkeringen dreigen voor miljoenen pensioengerechtigden. Voor 2020 zijn deze door een besluit van het kabinet eenmalig uitgesteld – anders was toen al het pensioenakkoord opgeblazen – maar voor 2021 dreigen nog grotere kortingen, gegeven de recente crisis en structureel laagblijvende rentes.[20]

Hoe zijn de huidige regels voor indexeren en korten? Voor het mogen indexeren geldt nu de grens van het Vereist Eigen Vermogen (VEV), dat wil zeggen dat de contante waarde van het eigen vermogen van het pensioenfonds tussen de 110-130% van de totale toekomstige pensioenverplichtingen moet zijn (de dekkingsgraad), afhankelijk van hoe risicovol het fonds zijn vermogen belegt. Voor verplichte kortingen geldt de eis van het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEM), vastgelegd op een dekkingsgraad van 104,3% vijf jaar lang achtereenvolgens. In het pensioenakkoord worden beide grenzen vervangen door één grens, die van 100% dekkingsgraad, per jaar. Zodra je op of boven de 100% zit mag je indexeren, en zodra je eronder zit moet je korten. 

Gesteld wordt dat het nieuwe systeem meer stabiliteit biedt, maar dat is evidente onzin. Het wordt juist volatieler, meer beweeglijk. Er wordt eerder gekort, en ook eerder geïndexeerd. Wel zullen kortingen geringer zijn, want er hoeft niet pas na 5 jaar gekort te worden. Maar als dekkingsgraad negatief blijft, help dat niets. Overigens is ook de noodzaak van het nieuwe pensioencontract voor de nieuwe grenzen onzin, want ook in het oude systeem was er geen harde pensioengarantie – die heeft nooit in onze pensioenwetgeving gestaan.

Bij de bepaling van de dekkingsgraad is het heel belangrijk hoe je de toekomstige verplichtingen en de waarde van het eigen vermogen waardeert. Hoeveel rendement wordt er behaald, waarmee mag je rekenen? Dat is de zgn. rekenrente. Het pensioenakkoord laat de systematiek van die rekenrente ongewijzigd, terwijl daar nu juist veel terechte kritiek op was. Onder druk van de dreigende kortingen en een niet minder dreigende pensioenopstand lijkt er nu toch beweging mogelijk bij de te hanteren rekenrente.

Europees ligt vast in de richtlijn IORP II dat pensioenfondsen voor hun toekomstige pensioenbetalingen een prudente buffer moeten hebben. In een pensioenstelsel op basis van kapitaaldekking bestaat het uitbetaalde pensioen uit premies en de rendementen, die daar op zijn gemaakt. Momenteel is uitbetaald pensioen voor 30% gefinancierd uit premies en voor 70% uit rendementen. Daarom staat in de IORP II dat de toekomstige rendementen van de belegde middelen één van de twee uitgangspunten voor de bepaling van de buffer mochten zijn. De andere mogelijkheid is op marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige obligaties of Staatsobligaties.

De Pensioenwet (PW), die in 2007 werd ingevoerd, week voor een cruciaal onderdeel af van de tekst van deze Europese verplichting, namelijk voor de bepaling van de buffer (de Technische Voorziening). In de PW, artikel 126.2.a staat dat de Technische Voorziening op basis van marktwaardering moet worden berekend. Deze tekst over marktwaardering stond in 2007 niet in IORP I en nu ook niet in IORP II. Een markt voor de handel in pensioenovereenkomsten bestaat niet. Daarom werd in 2007 in het bijbehorende ministeriële besluit FTK, het Financieel Toetsingskader, artikel 2 vastgelegd dat de Technische Voorziening wordt berekend volgens de door de DNB gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur. DNB bepaalt de actuele rente-termijnstructuur op basis van de “interbancaire swap rates”, de rentes die banken elkaar onderling in rekening brengen. Deze methodiek om de Technische Voorziening aldus te bepalen, wordt in IORP I of in IORP II niet genoemd. Bovendien schommelen deze “rates “dagelijks, waardoor de Technische Voorziening met een zwalkende rekenrente moet worden bepaald. Deze “interbancaire swap rates” zijn niet relevant voor de rendementen, die fondsen als beleggers op de lange termijn behalen.

De eisen betreffende de buffers, zoals vastgelegd in de PW en in het FKT, en diens opvolger het nFTK, ingevoerd in 2015, zijn veel zwaarder dan die zijn vastgelegd in IORP II. In IORP II, artikel 17.2 geldt dat de buffers in totaal 4,3% van de Technische Voorziening moeten zijn. De overheid stelt dat de berekening van de Technische Voorziening met de actuele rentetermijnstructuur nodig is, zodat fondsen altijd voldoende middelen hebben om de toekomstige uitbetaling van de nominale aanspraken te garanderen. Deze garantie is, zoals hierboven al is aangegeven, nergens en nooit in de PW vermeld. De overheid blijft deze garantie, die niet bestaat, koppelen aan de huidige methodiek om de Technische Voorziening met de actuele rentetermijnstructuur te berekenen, dit in afwijking van IORP I en IORP II. Het gevolg hiervan is dat de gepensioneerden nu een deel van hun vorderingen op de fondsen niet krijgen uitbetaald, die zij onder de juiste toepassing van IORP I en IORP II wel hadden ontvangen.

Deze afwijking heeft de Nederlandse samenleving in de afgelopen 10 jaar vele tientallen miljarden gekost. Gepensioneerden hebben geen indexatie op hun pensioen ontvangen, die zij onder een juiste verwerking van IORP I in de PW wel hadden ontvangen. Zij hebben hierdoor veel aan koopkracht ingeleverd, zonder dat daarvoor een noodzaak was. De Nederlandse overheid liep hierdoor belastinginkomsten mis en moest zij ook meer toeslagen betalen, omdat de inkomens van gepensioneerden stagneerden. Fondsen moesten in die jaren vele miljarden afsluitprovisies betalen voor allerlei financiële instrumenten om zich tegen de gevolgen van die zwalkende rekenrente bij de Technische Voorziening te verzekeren. Fondsen hebben om diezelfde reden in die jaren voor honderden miljoenen aan adviseurs moeten betalen.[21]

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de aanpassing van de te hanteren rekenrente in 2007 kwam doordat de fondsen daarop aandrongen. In de toenmalige hoogconjunctuur dacht men zo beter af te zijn. Maar toen kwam in 2008 de crisis en stortten rendementen en rentes in elkaar. DNB en het kabinet verzetten zich tegen een aanpassing van de rekenrente omdat ze, mede tegen de achtergrond van de financiële crisis, Ze willen meer zekerheid, net als bij de banken, dan de EU eist. Maar het huidige systeem is wel erg prudent. Een beperkte verhoging van de rekenrente zou veel problemen met indexeringen en kortingen al voorkomen, terwijl de risico’s beperkt zijn.

Natuurlijk is er geen garantie voor de toekomst. De huidige hoge rendementen kunnen weer omslaan in grote verliezen. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat die rekenrente ons meer pensioenzekerheid biedt. De pensioenonzekerheid wordt veroorzaakt door iets anders, en daar doen we nog steeds niets aan: risicovol beleggingsbeleid.

Pensioenfondsen zijn zich de afgelopen decennia steeds meer gaan richten op snelle hoge rendementen. De fondsen zijn beleggers geworden in financiële ‘producten’ die financiële bubbels aanjagen, in plaats van investeerders gericht op echte economische productie. Bubbels die op enig moment altijd barsten. Behalve dat deze beleggingen de economie en werkgelegenheid kunnen schaden, maken ze de Nederlandse pensioenen ook uiterst afhankelijk van de financiële markten. Het systeem van dekkingsgraden en rekenrente zorgt ervoor dat de fondsen zich richten op een schijnwerkelijkheid. Een goed pensioenrendement is in dat systeem in werkelijkheid lucht.

Het grootste gevaar voor de Nederlandse pensioenen is dat het vermogen als sneeuw voor de zon wegsmelt bij een financiële crash. Daar helpt een lage rekenrente niets tegen, daar helpt alleen een ander beleggingsbeleid tegen. De grote wisselingen in beleggings­rende­menten wakkeren ook de spanningen aan tussen verschillende generaties premiebetalers c.q. pensioenontvangers: hoe groter de verschillen in resultaat, hoe belangrijker het wordt aan wie het verlies of de winst wordt toegerekend. Gaat de premie omhoog/omlaag of juist de pensioenuitkering? Het kost bovendien miljarden aan goudgerande beloningen en bonussen voor ­beleggingsbedrijven en ­handelaren.

Nog niet zo lang geleden, tot halverwege de jaren negentig, belegden pensioenfondsen verplicht vrijwel louter in echte bedrijven, in woningen en in staatsobligaties. Met de deregulering van de financiële sector in de jaren 1990 werden die regels losgelaten. Inmiddels beleggen pensioenfondsen voor minstens 85% in het buitenland en in de wildste financiële producten. In plaats van zich steeds verder te verknopen met de financiële industrie zouden pensioenfondsen weer moeten transformeren tot werkelijk publieke instellingen, die niet het snelle maar onzekere hoge rendement vooropstellen, maar maatschappelijk investeren. Dat leidt tot minder hoge pieken in beleggingsrendementen, maar ook tot minder diepe dalen.

Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler. Met het huidige pensioenvermogen en de huidige premies is een rendement van 2,5% boven op de inflatie al genoeg om de toekomstige pensioenen te garanderen. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Door te beleggen in huurwoningen bijvoorbeeld is een constant rendement van 4-5% mogelijk. Datzelfde geldt voor rendement uit hypotheken: zouden niet banken maar pensioenfondsen de hypotheekleningen verstrekken, dan kwam de hypotheekrente terecht bij (toekomstige) gepensioneerden in plaats van bij de aandeelhouders van banken.

Pensioenfondsen moeten breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. We hebben allemaal, ook de pensioengerechtigden, belang bij een gezonde duurzame economie, een functionerende rechtsstaat, een goede infrastructuur, deugdelijk onderwijs en innovatie. Het is ook in het belang van de leden van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie. Pensioenfondsen zouden samen met overheid en sociale partners tot een nationale investeringsagenda moeten komen.

We moeten daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn. Als rendementen minder veranderlijk zijn omdat ze minder risicovol zijn, is het ook verdedigbaar dat het werkelijk rendement telt bij het bepalen hoe het pensioenfonds ervoor staat, en niet een fictieve, zeer lage rekenrente. Dan stijgt de dekkingsgraad, kan er weer geïndexeerd worden en kan het vertrouwen in het pensioenstelsel weer toenemen.

Als we het beleggingsbeleid van pensioenfondsen zo reguleren dat de risico’s veel kleiner worden kan daardoor ook de rekenrente prudent worden aangepast. Dat betekent naast een verplichting om een belangrijk deel in Nederland en nog eens een percentage in de rest van de EU te investeren, we risicovolle en speculatieve beleggingen en beleggingen die in financiële, ecologische of sociale zin niet duurzaam of rechtvaardig zijn moeten verbieden en andere beleggingen in zakelijke waarden moeten beperken. Ook moeten we een plafond invoeren voor de uitvoeringskosten van de beleggingen.

De afstand tussen gerealiseerde rendementen en de rekenrente is zo groot geworden dat dat niet afgedaan kan worden met de frase dat resultaten uit het verleden geen garantie bieden voor de toekomst. Sinds 2008 is het vermogen van de pensioenfondsen meer dan verdubbeld tot 1560 miljard euro (begin 2020). De rekenrente is niettemin bijna nul. Prudentie is goed, overdreven prudentie is schadelijk. Natuurlijk moeten we zorgen dat de jongeren straks ook nog een goed pensioen hebben, maar dat kan – inclusief gevolgen van stijgende levensverwachting – heel goed met een prudente rente van ca. 2,5%. Nu pensioen gaan korten om nog prudenter te zijn is kortzichtig en schadelijk voor het vertrouwen in ons collectief pensioenstelsel, het laatste kroonjuweel van onze afbrokkelende verzorgingsstaat.

En prudentie helpt ook weinig tegen een volgende financiële crisis. Dekkingsgraden zullen dan gauw verdampen, welke norm we ook kiezen. Wat daar wel tegen helpt is als pensioenfondsen minder speculatief beleggen in allerlei (dure) risicovolle constructies. Als pensioenfondsen minder risicovol beleggen zijn er minder zeepbellen in onze economie en kunnen ze tegelijkertijd ons land beter bestendig maken tegen een volgende crisis (meer betaalbare woningen, meer duurzame economie). Daarmee zullen ze gemiddeld wellicht minder rendement maken, maar wel een meer stabiel rendement dat ruim voldoende is om aan de verplichtingen te voldoen.

Ook de deelnemers van de pensioenfondsen profiteren van een meer stabiele en duurzame economie, betaalbare woningen, etc. In de jaren 1990 werd het vermogensbeheer van pensioenfondsen gedereguleerd, net als de banken, en de dure commerciële beleggers en hun zeepbelproducten deden hun intrede. Onze PvdA zou een prudente verhoging van de rekenrente (tot ca. 2,5%) moeten koppelen aan regulering van het vermogensbeheer: dat moet degelijker, simpeler, goedkoper. En bijdragen aan het algemeen, collectief belang.

Tot slot

Het vertrouwen dat mensen hebben in een goed (toekomstig) pensioen kreeg de afgelopen jaren harde opdonders. En dan kan een vicieuze cirkel ontstaan: als het collectieve systeem blijkbaar zo onzeker is, spaart iedereen die het kan betalen liever z’n eigen kostje bij elkaar – en wie dat niet kan betalen is de klos. Verzekeraars hebben overigens belang bij de onzekerheid over het collectieve pensioen, zij willen graag meer individuele pensioenen of levensverzekeringen afsluiten en onzekerheid helpt daarbij.

De redenering van Rutte III en de werkgevers is dat garanties over de hoogte van het aanvullend pensioen moeten worden ingetrokken. Met onzekere beleggingsopbrengsten is het nu eenmaal lastig om een uitkering te garanderen die soms pas over veertig jaar ingaat. Het heeft de schoonheid van de eenvoud: gewoon geen beloften meer doen. Dan ben je ook van die verdomde rekenrente en dekkingsgraadberekeningen af. Werkgevers hebben belang bij het loslaten van de belofte: zij willen graag de loonkosten verlagen. Maar een beter of zekerder toekomstig pensioen levert het afschaffen van beloften natuurlijk niet op, integendeel.

Als de belofte van een waardevast pensioen wegvalt, ontstaat al gauw een domino-effect. Want als de uitkering niet vaststaat, zullen mensen op een andere manier willen controleren of ze krijgen wat hun, gezien de betaalde premies, toekomt. Een eigen pensioenpotje dus, waarbij individuele keuzes meer bepalend worden voor het beleggingsresultaat – dan kan je alleen jezelf wat verwijten. En dan gaan de vele vormen van solidariteit die er in het huidige pensioenstelsel zitten al gauw schuiven: willen mensen die goed geboerd hebben tijdens winstgevende beleggingsjaren hun pot dan nog delen met mensen die hun potje vooral opbouwden in slechtere beleggingstijden? Of met mensen die pech hebben door inflatie of deflatie? En als je toch een ‘individueel potje’ hebt, hoe logisch is het dan nog dat je via je werkgever vastzit aan één bepaald pensioenfonds? Maar als dat wordt losgelaten, hoe hou je dan risico­selectie door pensioenfondsen en door premiebetalers buiten de deur?

Hierboven is echter al aangetoond dat de houdbaarheid van ons aanvullend pensioensysteem helemaal geen probleem hoeft te zijn – als je de beleggingsrisico’s van pensioenfondsen maar goed beperkt. Bovendien kan de overheid met een zeer gewenste verhoging van de AOW als basispensioen de houdbaarheid van aanvullende pensioenen verder verhogen – er hoeft dan immers minder aangevuld worden tot het pensioendoel – in de meeste pensioenregelingen nu 70% van het gemiddelde loon over de hele loopbaan. Als alle werkenden gaan deelnemen komen er ook weer meer premies binnen, waardoor er ook weer meer risicodeling mogelijk is.

29.  De bevriezing van de AOW-leeftijd op 66 jaar en vier maanden uit het Pensioenakkoord wordt verlengd van 2022 naar 2030. Daarna gaan we over naar een systematiek waarbij de AOW-leeftijd meebeweegt met de helft van de verandering van de gemiddelde levensverwachting (in plaats van met een derde van die verandering, zoals het Pensioenakkoord stelt). We maken eerder stoppen met werk mogelijk voor lagere en middeninkomens na 45 jaar werken en voor mensen die een bepaalde, bij cao vast te stellen minimumduur werken in beroepen waar statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en kans op eerdere arbeidsongeschiktheid is. De kosten daarvan verhalen we door een lagere franchise in de werkgeverslasten bij deze beroepen – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken. Voor deze groepen, en ook voor iedereen vanaf 65 jaar komt er ook een mogelijkheid om ook met deeltijdpensioen te gaan, waarbij volledig AOW uitbetaald wordt. Door de aanpassingen in het belastingstelsel (hoofdstuk IV) zorgen we dat dit netto in besteedbaar inkomen positief uitwerkt voor mensen die daar gebruik van maken, en meer naarmate het inkomen lager is. Werkgevers mogen het brutoloon aan deze werknemers verminderen met deze AOW-uitkering. Dat is in feite een loonkostensubsidie voor oudere werknemers, waarmee het voor werkgevers aantrekkelijker wordt om ouderen langer te laten doorwerken.

Ook op het punt van de pensioenleeftijd willen we aanpassingen van het pensioenakkoord. Die is bij de AOW van groter belang dan bij de aanvullende pensioenen. Dat komt door het verschillende financieringssysteem. Bij aanvullende pensioenen wordt de gelukkig toenemende levensverwachting meegenomen in de premieopstelling en de beleggingsstrategie, zodat er straks voldoende kapitaal is. Bij de AOW werkt de stijgende levensverwachting direct door in de AOW-premie en in de aanvullende Rijksbijdrage uit de belastinginkomsten. Hoe minder mensen werken in verhouding tot het aantal mensen dat AOW ontvangt, hoe groter per jaar de financieringsproblemen worden.

De gemiddelde levensverwachting stijgt in ons land snel. Een 25-jarige man in 1975 zou gemiddeld genomen 73,7 worden, een vrouw 79,5. Veertig jaar later, in 2015, wordt dezelfde man gemiddeld 81 en de vrouw 84,3. De berekeningen laten zien dat de pensioenrelevante levensverwachting van een 25-jarige met ruim een derde toegenomen is ten opzichte van veertig jaar geleden. De toename van de levensverwachting lijkt overigens wat af te vlakken. Op zichzelf is de stijgende levensverwachting natuurlijk fijn. We leven langer, waarvan ook een substantieel deel nog in goede gezondheid. Ouderen zijn nu veel actiever dan vroeger, al zijn er ook meer ouderdomsziekten en is eenzaamheid een groot en groeiend probleem.

Er wordt veel onzin geschreven over de financierbaarheid van stijgende AOW-uitkeringen door vergrijzing en ontgroening. Gek genoeg vallen de stijging van de uitgaven best mee als je ze uitdrukt in percentages van wat we met z’n allen verdienen. In de jaren 1970 – 2000 bedroegen de collectieve uitgaven gemiddeld meer dan 50% van het BNI (Bruto Nationaal Inkomen). Het aandeel personen van 65 jaar en ouder in de bevolking was in die jaren gemiddeld 15%, nu is dat aandeel 20%. De collectieve uitgaven als deel van het BNI zijn echter niet gestegen, maar gedaald. Deze uitgaven waren in 2017 circa 40% van het BNI. Deels komt dit doordat ouderen voor de overheid gemiddeld, ondanks de stijging van de leeftijdsverwachting, goedkoper zijn dan jongeren. Ouderen kosten vooral AOW en zorg, jongeren o.m. onderwijs, kinderopvang, jeugdzorg, kinderbijslag en studiefinanciering. Zelfs op het toppunt van de vergrijzing, zo rond 2060, blijft dat zo.

Als je dieper inzoomt op de AOW-uitgaven dan blijken die ook verrassend weinig te veranderen in percentage van ons nationaal inkomen. Sinds de jaren 1970 tot nu schommelen ze tussen 5,2 en 5,9%, en in 2015 was dat 5,5%. In 2017 waren de uitgaven voor de AOW € 36,5 miljard, ongeveer 5% van het BNI. De SVB (Sociale Verzekeringsbank) heeft in augustus 2015 een rapport over de toekomstige uitgaven voor de AOW uitgebracht. De schatting van de SVB was dat in 2040 het maximum wordt bereikt zijnde 6,5% van het BNI. Daarna daalt dit percentage weer. De reden waarom de overheid direct bijdraagt aan de AOW is niet wegens de gestegen uitgaven, maar vanwege de beperking van de heffingsgrondslag voor de premieheffing. Vóór 1989 werd deze grondslag berekend inclusief de winst uit sparen en beleggen en bedroeg vanaf € 0 tot en met 2,6 x minimumloon. Thans is deze heffingsgrondslag veel kleiner geworden, onder meer wegens de lagere bovengrens, die nu 1,7 x minimumloon bedraagt, en door kortingen zoals de algemene heffingskorting. Ook wordt de winst uit sparen en beleggen nu apart in Box IIII belast.[22]

Als je het zo bekijkt, dan is zelfs een permanente pensioenleeftijd van 65 jaar prima financierbaar. Maar in de overheidsbegroting werkt het anders. Daar wordt uitgegaan van AOW-uitgaven gebaseerd op een stijgende pensioenleeftijd. Die stijging is besloten allereerst door een lente-akkoord met het demissionaire kabinet Rutte I (VVD-CDA met gedoogsteun PVV) in 2012 met de toenmalige oppositiepartijen D66, CU en GL tot 67 jaar, en toen nog eens versneld door Rutte II (VVD-PvdA), waarbij na het bereiken van de 67 jaar als pensioenleeftijd, deze 1 op 1 gekoppeld werd aan de dan optredende stijgende leeftijdsverwachting. Feitelijk werd daarmee het aantal jaren dat je een AOW-uitkering kon krijgen gefixeerd op gemiddeld 18 jaar. Op die gewijzigde, snel stijgende pensioenleeftijd is de overheidsbegroting sindsdien ingericht. Wil je nu dus de leeftijd weer verlagen, omdat – in de woorden van premier Rutte – die wel erg hysterisch snel omhoog ging, dan moet je dus ergens dekking daarvoor vinden. Rutte deed alsof dat alleen maar ten koste kon gaan van onderwijs en zorg, maar je kan natuurlijk ook de belastinginkomsten op bijv. kapitaal en winst verhogen.

Het pensioenakkoord gaat uit van een tijdelijke bevriezing van de pensioenleeftijd op de huidige grens van 66 jaar en 4 maanden en dat stijgt dan in drie stappen (twee van drie en een van twee maanden) in 2024 naar een pensioenleeftijd van 67 jaar. Vanaf dan wordt de pensioenleeftijd niet meer 1 op 1 aan de stijgende, gemiddelde leeftijdsverwachting gekoppeld, maar voor 2/3. Dus 1 jaar langer leven betekent acht maanden stijgende pensioenleeftijd en dus langer werken en vier maanden extra AOW. Dat kost de overheid uiteindelijk maximaal 3,2 miljard euro per jaar aan extra AOW-uitgaven ten opzichte van de oorspronkelijke Rijksbegroting. Dit wordt gefinancierd doordat er – wonder oh wonder – net voor het akkoord nieuwe ramingen kwamen van het CPB, die hogere inkomsten en lagere uitgaven in 2060 voorspelden – ramingen die overigens nooit zijn uitgekomen. De inzet van de vakbonden en GL/PvdA was een koppeling op de helft van de stijgende levensverwachting. Dat zou zo’n 2 miljard per jaar extra hebben gekost. En het kabinet wilde eerst helemaal geen afspraak maken over na 2024, en later maximaal 2 maanden afdoen per jaar per stijgende levensverwachting. Acht maanden lijkt dan een redelijk compromis, dat de stijging tot 2060 bij de huidige prognoses (net) beneden de 70 jaar houdt. Maar voor 2 miljard extra zou dat beneden de 68 jaar zijn gebleven.

Is dat veel geld, 2 miljard extra? Bedenk dat in 2019 alleen al het begrotingsoverschot 11 miljard euro was. En dat we ruim 47 miljard euro per jaar mislopen aan belastingontwijking. Dat de opbrengsten van de winstbelasting van bedrijven door verlaging van tarieven sinds begin deze eeuw ruim 45 miljard euro per jaar omlaag zijn gegaan. En dat het effectieve tarief op inkomen uit kapitaal gemiddeld 9% is en dat op inkomen uit arbeid gemiddeld 40% is. Nederland is een van de rijkste landen ter wereld, maar we halen het geld steeds minder van waar het zit.

Een 50/50 verdeling van de kosten voor een langere gemiddelde levensverwachting over langer werken en een langere AOW-uitkering lijkt ons nog steeds meer dan redelijk. We leven niet alleen voor werken alleen, welzijn is meer dan langer werken.

Dat klemt temeer daar we hierboven steeds uitgegaan zijn van gemiddelde stijging van de levensverwachting, terwijl de spreiding heel groot is. Hoe hoger de pensioenleeftijd wordt, hoe groter dus ook de kans dat je die niet haalt en geen AOW-uitkering zal ontvangen, terwijl je wel premie betaalt.

Zware beroepen, lage inkomens en pensioenleeftijd

Maar er is nog iets aan de hand: De verschillen in leeftijdsverwachting zijn ook nog eens ongelijk verdeeld. Die van mensen met een lage opleiding en een laag inkomen blijven ver achter. De hoogste inkomens leven in Nederland gemiddeld 7,5 jaar langer dan de laagste inkomens. Kijken we naar de levensverwachting in goede gezondheid, dan loopt het verschil zelfs op tot ruim 18 jaar! Mensen met een hbo- of wo-diploma leven gemiddeld 72 jaar in goede gezondheid, laagopgeleiden slechts ruim 53 jaar. Dat betekent dat je met een laag inkomen veel minder lang van je pensioen kunt genieten. Wie na zijn 50ste een zwaar beroep uitoefent – metselaar, timmerman of verpleegkundige bijvoorbeeld – veroudert in een jaar tijd biologisch niet 12, maar 28 maanden, becijferde gezondheidseconoom Bastian Ravesteijn in 2016 in zijn proefschrift.

Laagopgeleiden beginnen gemiddeld eerder met werken en werken daardoor gemiddeld 10 jaar langer dan hoopopgeleiden. Ze betalen daardoor langer premies, betalen mee aan de studie van de hoogopgeleide en gaan gemiddeld eerder dood, dus krijgen minder lang een pensioenuitkering. De bedrijfsartsenvereniging NVAB heeft al gewaarschuwd dat het voor sommige werknemers nu al moeilijk is om de pensioenleeftijd te halen. Ze kampen vaker met aandoeningen. Het kan om fysiek zwaar werk gaan, maar ook bij veel stress en bij onregelmatige werktijden met ploegen- en nachtdiensten. Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) komen er als we niets veranderen tot 2030 ruim 600.000 kwetsbare ouderen bij.

En juist de mensen die het gezondst kunnen doorwerken en een veel hogere levensverwachting hebben, gaan nu het jongst met pensioen. De gemiddelde feitelijke pensioenleeftijd gaat voor hoger- en lager opgeleiden steeds meer uiteenlopen: hoger opgeleiden verdienen meer, kunnen vermogen opbouwen (bijv. een huis dat verkocht kan worden of spaargeld), krijgen meer aanvullend pensioen, en kunnen zich daardoor vaker veroorloven om eerder met vroegpensioen te gaan.

Het was tegen deze achtergrond dat de vakbonden ook een regeling voor zware beroepen eisten, naast een generieke bevriezing op 66 jaar. Over die zware beroepen is feitelijk niets afgesproken in het pensioenakkoord. Wel is afgesproken dat voor een periode van 5 jaar het mogelijk wordt dat sectoren of ondernemingen afspraken maken dat voor maximaal drie jaar (bepaalde) werknemers eerder met pensioen kunnen. Ze krijgen dan weliswaar geen AOW, maar de werkgever mag dat AOW-inkomen vervangen door een eigen pensioenuitkering zonder daar een fiscale boete van 52% over te hoeven betalen, zoals nu geldt voor zulke vroegpensioenuitkeringen (die daarom nu nauwelijks meer voorkomen). En de werknemer mag dan daar bovenop voor maximaal 2 jaar aanvullend vroegpensioen sparen, en dat wordt dan fiscaal ook niet belast. Daarnaast stelt de overheid geld beschikbaar voor omscholing en andere regelingen die langer werken eenvoudiger moeten maken. In totaal gaat het daarbij om 0,8 miljard per jaar wat het de overheid kost, maar het merendeel van de kosten moet door de werkgever en de werknemer zelf opgebracht worden. Het geld dat de werkgever bijdraagt gaat uiteraard of de kostensom die inzet is bij de cao-onderhandelingen. Het is merkwaardig hoe optimistisch de bonden daarover zijn, dat lijkt ons volstrekt misplaatst.

Een gedifferentieerde AOW-leeftijd waarbij de politiek die grenzen in een akkoord met sociale partners vastlegt in de wet en de kosten uit de Rijksbegroting financiert is in alle opzichten beter. En juist werknemers met lage inkomens zullen nauwelijks pensioenspaar-mogelijkheden hebben. De kans is groot dat juist de hoge inkomens meer van dit soort regelingen gaan profiteren. Daardoor zou de ongelijkheid juist nog verder worden vergroot. Met de algemene stijging van de pensioenleeftijd is drie jaar bovendien en vooral veel te kort om de ongelijkheid in levensverwachting te compenseren. Wel wordt een studie in het vooruitzicht gesteld om in de toekomst de pensioenleeftijd te koppelen aan een 45-jarige arbeidsduur. Dat zou al een stuk beter zijn, maar waarom dat nu niet gedaan? Een regeling met een lijst van zware beroepen zou bovendien te moeilijk zijn, maar in België en Oostenrijk lukt dat wel, dus dat lijkt eerder een kwestie van onwil en angst voor moeilijke discussies in plaats van bestuurlijke en politieke moed te tonen voor het ongelijk behandelen van ongelijke gevallen. We kunnen daarvoor gewoon kijken naar de sterftestatistiek en de statistiek voor arbeidsongeschiktheid. Waar deze significant meer voorkomen verlagen we de pensioenleeftijd. De kosten daarvan verhalen we door een lagere franchise in de werkgeverslasten bij deze beroepen – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken.

Daarenboven nemen we onderdelen over van het voorstel van emeritus-hoogleraar en lid van de Algemene Rekenkamer Harrie Verbon[23] voor een basisinkomen-voor-ouderen, maar dan binnen het bestaande AOW-stelsel, doch zonder opbouweis, en geconcentreerd op zijn voorstellen om deeltijd-pensioen aantrekkelijk te maken. Dit faciliteert het desgewenst en gezonder kunnen doorwerken.

30. We schaffen de fiscale expatregeling af. We bestrijden oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden en uitbuiting van arbeidsmigranten. Met een betere handhaving en verscherping van regels. We streven daarbij naar aanpassing van de Europese detacheringsrichtlijn en vooruitlopend daarop passen we zoveel mogelijk nationale regelgeving al daarop aan. Er komt een wettelijk verbod op de combinatie van werkgever en huurbaas. Er komt een vergunningplicht voor uitzendbureaus. Deze wordt streng en intensief gehandhaafd.

 

Het is niet te verdedigen dat buitenlandse werknemers fors (30% van hun inkomen is nu belastingvrij) minder belasting betalen dan Nederlandse. Als buitenlandse expertise schaars is, moeten werkgevers en uitzendbureaus die buitenlandse werknemers inhuren daar zelf voor betalen.

En we moeten oneerlijke internationale concurrentie op arbeidsvoorwaarden en uitbuiting van buitenlandse werknemers voorkomen. Werknemers in de EU moeten zeker zijn van een eerlijk loon, waar ze ook werken en waar zo ook vandaan komen. De handhaving moet worden versterkt, o.m. met een Europese arbeidsinspectie, waartoe recent besloten is. De aanpassing van de Europese detacheringsrichtlijn daarover wordt strikt uitgevoerd en in de EU strijden we voor scherpere richtlijnen, waarbij geen sectoren meer worden uitgezonderd (zoals nu de transportsector), de periode waarin de richtlijn niet van toepassing is, wordt beperkt tot maximaal een maand en ook sociale premies betaald moeten worden in het land waar feitelijk gewerkt wordt. Ook de mogelijkheid voor lidstaten om keten- en brievenbusconstructies niet te verbieden, moet worden geschrapt. Zolang dat nog niet zo is, moeten we dat in ieder geval in ons land wel verbieden. We maken een einde aan de misstanden bij de huisvesting van seizoenarbeiders. Er komt een verbod op de combinatie van werkgever en huurbaas. Uitzendbureaus krijgen opnieuw weer een vergunningplicht, nu blijkt dat er op grote schaal fraude wordt gepleegd met arbeidsmigranten.

Toelichting

i.          Betaald werk blijft belangrijk

Werk (betaalde arbeid) is naast een deugdelijke woning, goede zorg en goed onderwijs essentieel als belangrijke bron van bestaanszekerheid. Betaald werk geeft natuurlijk in de eerste plaats een inkomen, maar werk is veel meer dan een inkomen. Het geeft zin, identiteit, structuur en sociale context aan je leven. Mensen stellen zich vaak voor met hun naam én hun beroep. Zonder werk geen beroep, geen collega’s. Waar praat je over in je vrije tijd? En met wie? Werk is niet een ongemak wat we moeten verduren om inkomsten te kunnen generen, opdat we maar voldoende kunnen consumeren. Werk vormt ons tot wie we zijn – als er geen werk meer is, dan raakt dat ons ‘zijn’. Dat besef je pas goed als je het niet meer hebt.

Werkloosheid is geen economisch probleem, maar een sociaal en een ordeningsprobleem. Werk is in onze tijd hét middel tot erkenning, ontplooiing, sociale contacten en dagritme. Betaald werk geeft mensen ook een onderhandelingspositie over je inkomen. Het maakt je minder afhankelijk, mits je ook de arbeidsverhoudingen en de zeggenschap van werknemers goed regelt. Het is belangrijk dat onze PvdA blijft strijden voor goed en zinvol betaald werk, met een goede, zekere rechtspositie, voor iedereen die dat wil. De meeste mensen willen dat ook, met name hen die onvrijwillig geen betaald werk (meer) hebben.

Vrijwilligerswerk, mantelzorg, meer tijd voor je kinderen en naasten, het is allemaal belangrijk, maar kan nooit dienen als vervanging van betaald werk. We moeten werk en onze samenleving zo organiseren dat beiden goed naast elkaar kunnen plaatsvinden, in een verhouding die we zelf willen – wat inhoudt dat deze alternatieve tijdsbestedingen nooit door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden.

Het is daarom geen zegening als betaald werk overbodig zou worden, al is het verdwijnen van vies, ongezond, en vervelend werk door automatisering en robotisering natuurlijk voor de meeste mensen niet iets om te betreuren. En het is ook niet onvermijdelijk dat betaald werk zou gaan verdwijnen.

Dat neemt niet weg dat het niet realistisch is gebleken dat iedereen een betaalde baan wil en kan verwerven. Een deel van de kwetsbare werklozen heeft nu eenmaal andere zaken aan zijn of haar hoofd dan aan het werk te gaan. Een realistischer aanpak is hard nodig.[24]

Hoe belangrijk betaald werk ook is, erkend moet ook worden dat niet alle routes naar volwaardige maatschappelijke deelname via betaald werk lopen, niet iedereen gedurende zijn hele volwassen leven wil en kan participeren in een veeleisende arbeidsmarkt, en niet alle werkgevers mogelijkheden zien voor het organiseren van werk voor kwetsbare werknemers. Het is een illusie om te denken dat de groep kwetsbare werklozen de problemen van tekorten op de arbeidsmarkt bij veeleisende werkgevers zullen kunnen oplossen. Of het nu hoog- of laagconjunctuur is.

Deels zijn alternatieve routes voor participatie al met succes uitgetest in de praktijk. Eind jaren negentig werd bijvoorbeeld geëxperimenteerd met ‘sociale activering’ dat bijstandsgerechtigden op vrijwillige basis de mogelijkheid bood om formeel en informeel vrijwilligerswerk te verrichten en dat erkenning gaf voor het belang van mantelzorgtaken. Ontwikkeling naar regulier betaald werk werd als bijvangst beschouwd. De evaluaties van dit beleid in termen van maatschappelijke en welzijnsopbrengsten waren positief,[25] maar juist het gebrek aan arbeidsmarktrelevantie leidde ertoe dat dit beleid werd wegbezuinigd. Een vergelijkbaar verhaal geldt voor eerdere varianten van gesubsidieerd werk die doorgaans als maatschappelijk nuttig werden geëvalueerd, maar werden afgeschaft omdat ze onvoldoende doorstroom naar regulier werk opleverden.

Belangrijk is dat die alternatieve participatieroutes niet verplichtend en disciplinerend zijn, zoals nu bij de verplichte tegenprestatie in de bijstand. Dat blijkt op lange termijn juist contraproductief te zijn voor de motivering van mensen.[26] Een belangrijke succesfactor bij re-integratie naar de arbeidsmarkt blijkt te zijn regie van zowel werklozen als werkgevenden bij die re-integratie. Dat impliceert ook een keuzevrijheid voor werklozen om andere doelen te stellen en trajecten deel te nemen dan alleen de route van betaald werk – ze doen er ook toe als ze geen betaald werk hebben, het stigma van werkloosheid kan daardoor verminderen. Wel moet hen dan ook professioneel en transparant voldoende inzicht geboden worden in de mogelijkheden die ervoor hen zijn. Professionele dienstverlening is bij de re-integratie dan ook een tweede belangrijke succesfactor – helaas is die de afgelopen decennia nagenoeg geheel wegbezuinigd.

ii.          Werk is maakbaar

Een tekort aan banen kan nooit het argument zijn om werklozen aan een betaalde baan te helpen. In de eerste plaats is betaald werk maakbaar, de overheid heeft tal van instrumenten daarvoor. Het is belangrijk dat onze overheid weer zijn rol pakt als het gaat om het vergroten van het aantal en het eerlijker verdelen van banen. Te lang is gedacht dat alleen de markt banen zou kunnen maken, en de overheid alleen zou kunnen faciliteren. De sociaaldemocratie staat voor de maakbaarheid van werk – wij zijn de Partij van de Arbeid. De overheid moet streven naar volledige werkgelegenheid, voor iedereen die wil en kan werken. In de publieke sector kan en moet zij dat rechtstreeks doen, in de marktsector kan zij dat bevorderen door gunstige voorwaarden te scheppen (o.m. door investeren in arbeid goedkoper te maken) en afspraken te maken (bijv. door het koppelen van belangrijke overheidsinvesteringen – zoals die voor het oplossen van de woningnood en de duurzaamheidstransities – aan extra banen en overgang naar nieuwe banen waar werk verdwijnt). Daarbij is het macro-economisch beleid belangrijk voor de creatie van banen.

En in de tweede plaats zal er door vergrijzing en ontgroening structureel eerder een tekort dan een overschot aan arbeidskrachten ontstaan, al is er een toenemende mismatch tussen vraag en arbeid op de arbeidsmarkt. Zeker als we fors investeren in werk, zoals wij willen doen.

In de allereerste plaats kunnen bestaande tekorten weggewerkt worden met een hogere arbeidsparticipatie door het bieden van betere arbeidsvoorwaarden, met name hogere lonen en minder werkdruk, en meer professionele autonomie. Investeringen in de publieke sector (2.1.3. en hoofdstuk VII), de al in hoofdstuk I voorgestelde forse verhoging van het minimumloon, maatregelen tegen overmatige flexibilisering van arbeid (2.1.11) en het verschuiven van lasten van arbeid naar kapitaal (hoofdstuk IV) helpen hierbij.

Daarnaast kunnen we de tekorten verminderen door betere organisatie van scholing (2.1.12), het eerlijk delen van werk en andere taken (2.1.13) en een effectiever en rechtvaardiger migratie- en integratiebeleid (hoofdstuk III).

iii.          Publiek werk als speerpunt

Publieke banen zijn echte banen, belangrijk voor onze welvaart en ons welzijn. Wij zijn ideologisch voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. Het maakt economisch niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient.

Investeringen in de publieke sector leveren meer werk op dan investeringen door de marktsector. Een euro besteed door de overheid levert gemiddeld genomen meer werkgelegenheid op dan een euro besteed door de markt. Dat heeft met drie dingen te maken:

1) De overheid kan sturen op werkgelegenheid, de markt doet dat niet.

2) De publieke sector bestaat vaker uit diensten en dat is arbeidsintensiever.

3) Publieke bestedingen vloeien minder weg naar het buitenland.

Er zijn grote tekorten aan arbeidskrachten in de publieke sector, waar je ook kijkt: onderwijs, zorg, politie, de welzijnssector, de arbeidsbemiddeling, de rechterlijke macht, de reclassering, de inburgering, etc. Dit leidt tot ernstige kwaliteitsproblemen met de dienstverlening. Oorzaken zijn te lage beloning, te grote werkdruk en te weinig professionele autonomie. We moeten die tekorten met prioriteit aanpakken. Zie daarvoor ook hoofdstuk VII.

Hogere salarissen in de publieke sector zullen tezamen met het fors hogere minimumloon en groeiende tekorten op de arbeidsmarkt een inmiddels door bijna iedereen gewenste loongolf veroorzaken.

Het probleem in Nederland is niet dat de collectieve uitgaven te hoog zijn, maar dat de collectieve lasten zo oneerlijk zijn verdeeld. Er is genoeg ruimte om te investeren, als we ook bereid zijn tot die eerlijke verdeling. Zie daarvoor ook hoofdstuk X.

iv.        Speciale aandacht voor werk voor laaggeschoolden

De overheid is inclusief de publieke sector de grootste directe en indirecte werkgever en moet in de bedrijfsvoering ook de werkgelegenheidsdoelstelling weer zwaar laten meetellen, vooral ook waar het gaat om laaggeschoold werk. In de publieke sector moeten we de waarde van werk ook breder bezien dan alleen bedrijfsmatig. Indachtig het motto van de sociale New Yorkse bakkerij Greyston: ‘We don’t hire people to bake brownies, we bake brownies to hire people.’ Arbeid als de voornaamste waarde. Het geeft zin aan het bestaan en werk voor mensen is goed voor de samenleving als geheel. Het product is een afgeleide. Daarbij is speciaal aandacht nodig voor mensen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt: mensen met een arbeidsbeperking, ouderen, mensen met een migratieachtergrond.

Sommige privatiseringen, zoals bij het openbaar vervoer en de post, pakten slecht uit voor laaggeschoolden en andere groepen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt. Het arbeidsintensieve karakter van deze sectoren en de concurrentiestrijd geven nu een voortdurende prikkel tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden. En dus tot het gevaar van een volgende race naar de bodem, zoals we die ook in de thuiszorg hebben gezien. We moeten stoppen met deze privatiseringen en een einde maken aan de concurrentie op arbeidsvoorwaarden kunnen uitbannen, desnoods met renationalisatie. We vragen daartoe een SER-advies.

Veel laaggeschoold werk wordt ook zwart uitgevoerd, zonder rechtsbescherming en belasting- en premieafdracht. We moeten dit werk ‘witten’, op een sociale manier. Dat doen we met fiscale arbeidscheques.

v.          Goed werk: het WRR-advies

Betaald werk is belangrijk, zowel voor het inkomen en het zelfrespect van individuen als voor de samenleving. Maar dit geldt vooral als het werk ook goed werk is, werk van een goede kwaliteit. De WRR heeft daarover op 15 januari 2020 een advies uitgebracht aan de regering, onder de titel Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht.[27] Wij onderschrijven dat advies en doen in onze voorstellen een aantal concretiseringen van de meer richtinggevende aanbevelingen.

Drie ontwikkelingen staan centraal in het WRR-advies, die elk verregaande gevolgen kunnen hebben voor de hoeveelheid werk, en vooral voor de aard van het werk:

  1. De technologisering van werk: robots, cobots en kunstmatige intelligentie (algorit­men).  
  2. De flexibilisering van werk, die vast werk steeds meer verdringt. Zie daarover meer onder 2.1.12.
  3. De intensivering van werk, oftewel de verandering van de snelheid en de aard van het werk.

Deze drie ontwikkelingen zijn niet alleen medebepalend voor de hoeveelheid werk en voor wie werkt, maar ook voor de kwaliteit van werk, aldus de WRR. De WRR definieert op basis van haar onderzoek goed werk als grip hebben:

1. Grip op geld. Goed werk is werk dat voldoende (financiële) zekerheid oplevert, ook in verhouding tot anderen en op de lange termijn.

2. Grip op het werk. Goed werk is werk met een zekere vrijheid, waarbij een beroep wordt gedaan op onze capaciteiten en goede sociale relaties worden onderhouden.

3. Grip op het leven. Goed werk is werk met voldoende tijd en ruimte om het te combineren met zorgtaken en een privéleven.

Grip op geld, grip op het werk en grip op het leven zijn volgens de WRR alle drie noodzakelijk voor goed werk. Als hieraan niet wordt voldaan, is dit nadelig voor werkenden en arbeidsorganisaties, en kan dit leiden tot hoge maatschappelijke kosten. Goed werk vergroot het welzijn en de gezondheid van mensen en hun betrokkenheid, en dit draagt bij aan de productiviteit en aan goed functionerende, innovatieve arbeidsorganisaties. Goed werk draagt er ook aan bij dat mensen langer kunnen doorwerken en dat de kosten van de gezondheidzorg beperkt blijven. En goed werk voor iedereen is tot slot beter voor de sociale samenhang. Mensen zijn dan beter in staat relaties aan te gaan en zich te verbinden met de samenleving als geheel. Voor de sociale samenhang is het dus het beste als iedereen goed werk heeft.

Nemen we de drie condities van het goede werk samen, dan loopt Nederland niet voorop in Europa. In recent onderzoek van de OECD en Eurofound staat ons land niet bovenaan maar zijn we vaker te vinden in de middenmoot. Dit kan en moet beter, aldus de WRR.

Op basis hiervan komt de WRR tot vier adviezen voor meer grip op geld:

1. Voorkom oneerlijke concurrentie tussen werkenden met verschil­lende contractvormen.

2. Ontwikkel een stelsel van contract-neutrale basisverzekeringen en voorzieningen voor alle burgers, een stelsel dat past bij de nieuwe wereld van werk.

3. Vernieuw het actief arbeidsmarktbeleid, onder andere door meer aandacht voor persoonlijke begeleiding.

4. Geef mensen met een uitkering en weinig kans op de arbeidsmarkt een basisbaan.

5. Ontwikkel een programmatische aanpak voor goed werk binnen bedrijven en instellingen.

6. Versterk de positie van werkenden binnen arbeidsorganisaties.

7. Schep meer mogelijkheden om mensen de keuze te laten hoeveel uren ze willen werken, onder andere door goede kinderopvang en ouderenzorg te bieden en meer werken makkelijker afdwingbaar te maken.

8. Zorg voor langdurige, collectief betaalde verlofregelingen voor zorg en meer zeggenschap over arbeidstijden.

9. Maak de drie condities van goed werk en de verdeling hiervan over de bevolking tot basis van overheidsbeleid en volg deze in de Monitor Brede Welvaart.

vi.          Het advies van de Commissie Regulering van Werk (Commissie Borstlap)

Ruim een week (op 23 januari 2020) na het advies van de WRR over Goed Werk kwam de door Rutte III ingestelde Commissie Regulering van Werk, vaak aangeduid als de Commissie Borstlap naar de naam van haar voorzitter, met haar advies[28]:  “De Commissie is door het kabinet de vraag voorgelegd of, kortgezegd, de huidige wet- en regelgeving van werk voldoende toegesneden is op toekomstige behoeften en omstandigheden. Ons antwoord is: nee. Kan met de huidige regels op wat langere termijn economische en sociale vooruitgang worden gewaarborgd? Ons antwoord is: nee. Zijn daarvoor fundamentele aanpassingen nodig? Ons antwoord is: ja. (…)

Het vraagstuk dat ons is voorgelegd is ingewikkeld. Bij de regels rondom werk gaat het in hoofdzaak om drie regelsystemen: arbeidsrecht, sociale zekerheid, fiscaliteit; ook de regels rondom (het stimuleren van) doorlopende ontwikkeling van kennis en vaardigheden spelen een steeds voornamere rol. Deze systemen hebben de afgelopen honderd jaar elk een min of meer eigen ontwikkelingsgang doorgemaakt, terwijl deze systemen in de praktijk innig met elkaar verstrengeld zijn. Inmiddels is de samenhang ver te zoeken. Er zijn aan elkaar tegengestelde krachten ontstaan. In veel gevallen ontbreekt inmiddels ook het zicht op zin en betekenis van de regels in de wereld van werk.

Onze conclusie is, zoals gezegd, dat de bakens verzet moeten worden. Het wat bijschaven van de bestaande regels rondom werk (“pleisters plakken”) is niet toereikend. Het is tijd voor fundamentele verandering. Wij zijn onder de indruk geraakt van de vele gelijkgestemde boodschappen en soms zelfs noodkreten die we hebben gekregen over de effecten van de huidige regels rond werk. Economisch komt ons verdienvermogen in geding. Er is voorts sprake van een nieuwe “sociale kwestie”: verschillen in bescherming en toerusting tussen categorieën werkenden nemen toe en versterken sociale scheidslijnen. Maatschappelijk kalft het draagvlak af voor de financiering van publieke uitgaven.”

De commissie concentreert zich op vijf problemen:

  1. Het huidige stelsel ontmoedigd duurzame arbeidsrelaties en stimuleert flexwerk.
  2. Het huidige stelsel van contractvormen is onoverzichtelijk en moeilijk handhaafbaar.
  3. Er vinden te weinig gerichte investeringen plaats in kennis, kunde en vaardigheden gedurende de loopbaan van werkenden.
  4. Er bestaan grote verschillen tussen werkenden in fiscale behandeling van werk en in inkomenszekerheid.
  5. Het huidige socialezekerheidsstelsel is te weinig proactief, waardoor teveel mensen niet werken.

De commissie heeft het daarbij alleen over betaald werken, al wordt in de aanbevelingen ook gesteld dat mensen die ondanks alle inspanningen er niet in slagen om betaald regulier werk te krijgen, waarbij het instrument van de basisbaan uit het WRR advies opvallend niet genoemd wordt, er wel een plicht volgt om ‘vrijwillig’ – op straffe van een korting of verlies van de uitkering (!) – maatschappelijk nuttige taken uit te voeren zonder loon, terwijl de commissie tegelijkertijd analyseert dat gedwongen werken zonder loon demotiverend werkt.

De commissie formuleert vier vereisten waaraan (betaald) werk in de toekomst moet voldoen:

  1. Wendbaarheid. Daarmee bedoelt de commissie flexibiliteit. De commissie wil meer ‘interne flexibiliteit’, om beter in te kunnen spelen op technologische en marktontwikkelingen.
  2. Duidelijkheid. De commissie wil het aantal arbeidscontractvormen beperken tot drie ‘rijbanen’. Een rijbaan voor zelfstandigen, een rijbaan voor werkenden met een regulier arbeidscontract en een rijbaan voor uitzendwerk voor tijdelijk werk.
  3. Weerbaarheid. De commissie wil dat werkenden in staat worden gesteld om van werk te kunnen veranderen, en een breed ‘fundament’ aan zekerheden waarop alle werkenden, ongeacht hun contractvorm, kunnen terugvallen. Deze zekerheden betreffen risico’s op het terrein van kennisveroudering, arbeidsongeschiktheid en ouderdom.
  4. Wederkerigheid. De commissie wil dat tegenover het recht op steun uit het ‘fundament’ en collectieve voorzieningen twee plichten staan: iedereen betaalt eraan mee via premies en belastingen, en iedereen is verplicht zich in te spannen om aan het werk te komen of te blijven.

De commissie formuleert daarbij vijf ‘bouwstenen’ voor nieuw beleid:

  1. Bevorder ‘interne flexibiliteit’, rem ‘externe flexibiliteit’ af.
  2. De commissie wil een einde maken aan de wildgroei van contractvormen, en pleit ervoor dat er maar drie overblijven:

-overeenkomsten voor zelfstandigen die werken voor eigen rekening en risico;

-arbeidsovereenkomsten voor werknemers die voor (on)bepaalde tijd werken in dienst van een werkgever;

-uitzendovereenkomsten voor werknemers in dienst van een uitzendbedrijf die tijdelijk werk verrichten dat niet of moeilijk voorzienbaar is.

  • De commissie wil een regeling die alle werkenden, ongeacht de contractvorm, adequaat beschermt tegen kennisveroudering. Daartoe krijgt iedereen bij geboorte een gelijk individueel ontwikkelingsbudget dat beschikbaar is gedurende de gehele loopbaan.
  • De commissie stelt voorts voor te komen tot een gelijke fiscale behandeling van en basisinkomenszekerheid voor alle werkenden. Ook moet werk een lagere belasting- en premiedruk krijgen, waarmee werk voor zowel werkgevers als werkenden aantrekkelijker wordt.
  • De commissie bepleit een activerend en inclusief arbeidsmarktbeleid.

De commissie doet zeer uitgewerkte, concrete aanbevelingen voor een andere regulering van werk op elk van deze bouwstenen. We zullen in het vervolg van onze analyse aangeven waar we de commissie wel en waar niet (gemotiveerd) volgen.

De commissie Borstlap komt voor een groot deel tot dezelfde analyse als hiervoor de WRR en het SCP, maar kijkt – ook gegeven haar opdracht – beperkter dan de WRR (zo ontbreekt de invalshoek van grip op het leven in relatie tot werk, en wordt grip op geld voornamelijk bezien vanuit prikkels tot werk, en niet als een zelfstandige invalshoek en waarde), en weer breder dan het SCP (dat alleen de Participatiewet en de doelgroepen en doelen van die wet analyseert, terwijl de commissie bijv. net als de WRR ook en zelfs vooral kijkt naar hoe werk nu georganiseerd is. Anders dan WRR en SCP geven ze daarbij ook veel aandacht aan opleidingen tijdens werk. Opmerkelijk is voorts dat geen van de drie adviezen in gaat op eerlijke beloningsverhoudingen bij werk.

Het advies lijkt een grote rol te gaan spelen bij een volgende kabinetsformatie, vandaar dat we er hier – in deze paragraaf, maar als het om de concrete adviezen gaat, uitgebreider onder 2.1.10 (arbeidsbemiddeling), 2.1.11 (flexwerk) en 2.1.12 (scholing) – zo uitgebreid op ingaan. We zijn beslist niet onder de indruk van de aanbeveling om niet selectief te winkelen te winkelen uit het advies. Het advies kenmerkt zich als een politiek compromis tussen vele belangen en opinies (waarbij overigens opvalt dat niet is gesproken met de cliënten en hun vertegenwoordigers/ belangenbehartigers, zoals de Landelijke Cliëntenraad en veel van de daarin participerende organisaties), niet als een wetenschappelijk gefundeerd advies. Een politiek compromis moet echter gevonden worden nadat we eerst met verschillende ideeën een verkiezingsstrijd gevoerd hebben, op basis van de dan ontstane politieke verhoudingen. Of onze PvdA daaraan mee moet doen is ook afhankelijk van de mate waarin je eigen ideeën daarbij dichterbij komen. Onze analyse is nu dat een aantal hoofdlijnen en aanbevelingen beslist nooit tot een akkoord met onze PvdA mogelijk kan zijn, en een aantal andere nadrukkelijk weer wel.

Anders dan bij de adviezen van het SCP en de WRR, kunnen we sommige hoofdlijnen van het advies van de commissie Borstlap niet ondersteunen. Onze kritiek op het advies van de commissie Borstlap richt zich op twee hoofdpunten:

vii.          Goed werk: Linksom!

In onze voorstellen zullen we op deze punten een geheel andere richting kiezen, op de andere punten zullen we de voorstellen grotendeels volgen. Mede op basis van de adviezen van SCP, WRR en de commissie Borstlap, maar ook op basis van de onder I weergegeven analyse komen wij tot de volgende hoofdlijnen van een nieuwe, betere regeling van goed werk:

  1. [29], investeer daarin, en kies daarbij voor motivatie, verleiding en facilitering in plaats van verplichtingen, verboden en sancties. Dat stelsel moet inclusief zijn, en dus prioriteit geven aan de mensen met de grootste problemen op de arbeidsmarkt, waaronder mensen met een arbeidsbeperking. Sociale Werkvoorzieningsinstellingen (SWV) functioneren daarbij als expertcentra verbonden aan de werkwinkels, en als bedrijven waar zelf ook mensen met een arbeidsbeperking weer openstaan om te komen werken. Dit wordt verder uitgewerkt in 2.1.10.
  2. het regelen van langdurige, collectief betaalde verlofregelingen voor zorg en meer zeggenschap over arbeidstijden. Meer hierover in 2.1.13.
  3. Reguleer eerlijke beloningsverhoudingen binnen bedrijven en instellingen, en versterk de positie van werkenden en vakbonden binnen arbeidsorganisaties, o.m. met een verplichte vermogensaanwasdeling bij bedrijven gekoppeld aan zeggenschap. Vergroot de professionele autonomie van professionals in de publieke sector en beperk de bureaucratische administratie en verantwoording tot de essentie, uitgaande van vertrouwen in professionals. Meer hierover in hoofdstuk VII. Versterk ook de positie en zeggenschap van werknemers en hun vakbonden in bedrijven en instellingen. Daarover meer in hoofdstuk VIII.
  4. Zorg voor een goed en zeker aanvullend pensioen en een tijdige, eerlijke pensioenleeftijd voor alle werkenden. Meer daarover in 2.1.14.
  5. En last but not least: goed werk moet ook eerlijk werk zijn. Dus geen concurrentie op arbeidsvoorwaarden in een race naar de bodem, terug naar 19e eeuwse arbeidsverhoudingen. Uitbuiting van arbeidsmigranten moet veel effectiever worden bestreden, en de oorzaken daarvan moeten worden weggenomen. Zie daarover in 2.1.15 en over regulering van arbeidsmigratie buiten de EU in hoofdstuk III.

viii.          Een ander paradigma is nodig: van plicht tot betaald werk naar recht op betaald werk

Onder hoofdstuk I is al gepleit voor een Zekerheidsinkomen, waarin geen verplichtingen of andere voorschriften zijn, gericht op het aanvaarden van betaald werk. Dat is onderdeel van ons voorstel voor een paradigma-verschuiving van een plicht naar een recht op betaald werk. Dat betekent een breuk met een lange traditie van verplichtend activerend arbeidsmarktbeleid en wederkerigheid als norm in de bijstand. Voor inkomenszekerheid op het vangnetniveau van het sociaal minimum geldt in ons voorstel geen verplichting meer tot het zoeken en aanvaarden van betaald werk – dat schiet teveel gaten in het vangnet. Je hoeft daar ook niets voor terug te doen, wij verzetten ons ook principieel tegen het idee van de verplichte tegenprestatie. Inkomenszekerheid op het vangnetniveau van sociale zekerheid moet een recht zijn, waarvoor je belasting betaald en niet dankbaar hoeft te zijn – het is een teken van beschaving. De tegenprestatie leidt tot gedwongen werken zonder loon, een situatie waartegen onze partij en de sociaaldemocratie zich terecht tot voor de invoering van de Participatiewet heeft verzet. Het is een vorm van dwangarbeid, die leidt tot allerlei misstanden. Ook het SCP en de Commissie Borstlap (zie ook onder 2.1.10) wijzen op de demotiverende en contraproductieve impact van de tegenprestatie.

Dat betekent niet dat we mensen aan hun lot overlaten, noch dat we vrijwillige werkzaamheden van uitkeringsgerechtigden niet toejuichen – de praktijk is nu echter dat bijstandsgerechtigden vaak verboden worden vrijwilligerswerk naar hun keuze uit te voeren (onder het argument dat men dan te weinig voor de arbeidsmarkt beschikbaar zouden zijn), daar toestemming voor moeten vragen (zonder gelijk rechtskader daarvoor) en dat er kortingen uitgevoerd worden als men en vrijwilligersvergoeding ontvangt. Hiervoor hebben we al benadrukt hoeveel meer betaald werk betekent dan alleen maar een inkomen. Dus we gaan ons wel maximaal inspannen om mensen te verleiden, te motiveren, te belonen en vooral ook te faciliteren om betaald werk te vinden. De paradox is nu dat we alles inzetten op verplichtingen van de uitkeringsgerechtigden, maar zeer weinig doen om mensen naar werk te brengen. Er is enorm op de arbeidsbemiddeling bezuinigd en er is veel kritiek op de kwaliteit ervan. De effectiviteit van arbeidsbemiddeling zal dramatisch verbeteren als we inzetten op motivering, verleiding, beloning en facilitering in plaats van verplichtingen, verboden, sancties en voorwaarden. En ja, er zal een kleine groep overblijven die liever in de uitkering blijft hangen. Het besef moet echter vooral zijn dat de meeste mensen uiteindelijk wel betaald werk willen, dat werkgevers en opleidingsinstituten ook niets kunnen met mensen die echt niet willen, en dat we zoals minister Klompé terecht al stelde bij de invoering van de bijstand, we het beleid moeten richten op de 99% die wel wil, en niet op de 1% die niet wil.

Het SCP concludeert in zijn eerder geciteerde Eindevaluatie van de Participatiewet ook dat verplichtingen niet werken. “Sinds de invoering van de Participatiewet gaat extra aandacht uit naar een betere naleving van de verplichtingen die tegenover het uitkeringsrecht staan, zoals het zoeken en aanvaarden van werk, de taaleis en de tegenprestatie. Het handhaven van de verplichtingen zou moeten leiden tot een betere naleving, een betere naleving verhoogt de kansen dat mensen uitstromen naar werk. De meeste verplichtingen in de Participatiewet zijn niet nieuw, maar de wet heeft als doel om de verschillen in handhaving tussen gemeenten te verkleinen. Zo zouden de duur en hoogte van een maatregel in elke gemeente hetzelfde moeten zijn, zoals een korting op de uitkering. Vrijwel alle gemeenten hanteren verplichtingen voor het zoeken naar en aanvaarden van werk en leggen maatregelen op als iemand zich niet aan deze verplichtingen houdt. Gemeenten doen dit echter niet altijd, en ook niet bij elke verplichting. Uit onderzoek onder gemeenten komt niet naar voren dat het opleggen van verplichtingen en sancties activerend werkt in de zin van meer uitstroom uit een bijstandsuitkering. (…) Bij veel mensen is sprake van complexe problematiek. Het korten op de uitkering maakt problemen volgens klantmanagers soms alleen maar groter, wat de toeleiding naar werk juist belemmert. Ook zijn de verplichtingen in de praktijk niet altijd toepasbaar, onder andere omdat deze sterk gericht zijn op de begeleiding naar werk, terwijl een deel van de doelgroep (nog) niet in staat is om te werken. Een ander punt van aandacht is het maatwerk dat gemeenten bij verplichtingen en handhaving kunnen toepassen. Dit kan leiden tot een verschillende behandeling van mensen in een (vrijwel) identieke situatie.

En bij de aanbevelingen stelt het SCP: “De bereidheid en capaciteit van de doelgroep en werkgevers worden op een aantal punten overschat. Verplichtingen en financiële prikkels blijken nauwelijks samen te hangen met minder uitkeringsafhankelijkheid van mensen uit de doelgroep. Betrokkenen worden dus niet (volledig) beïnvloed door (negatieve) economische prikkels, verplichtingen en sancties. De afgelopen jaren zijn beleidsinstrumenten voor activering van mensen uit de doelgroep voor een groot deel gebaseerd op de veronderstelling dat betrokkenen rationeel en economisch handelen. Meer inzicht in niet-rationele overwegingen van doelgroep en werkgevers én gedragswetenschappelijke inzichten bieden mogelijk kansen om de doelgroep en werkgevers effectiever te activeren.

Ook Paul van der Aa, lector inclusieve arbeid bij het Kenniscentrum Talentontwikkeling van de Hogeschool Rotterdam, pleit voor een niet-verplichtende re-integratie in S&D[30]:  “Het activeringsbeleid voor kwetsbare groepen spreekt sinds jaar en dag de taal van disciplinering, paternalisme en verplichtingen. Beleidsmakers veronderstellen blijkbaar dat kwetsbare groepen verplicht moeten worden om hun eigen positie te verbeteren of, sinds de opkomst van de tegenprestatie-eis, om een bijdrage aan de samenleving te leveren. Verplichtingen worden daarnaast van belang geacht om het maatschappelijk draagvlak voor sociale zekerheid op peil te houden. Om de verplichtingen te kunnen naleven heeft de overheid de mogelijkheid hoge financiële sancties op te leggen, in de Participatiewet tot 100% van de uitkering.

Dit leidt er echter paradoxaal genoeg toe dat werkloze burgers niet gestimuleerd worden om zelf de regie te nemen over hun participatieloopbaan. Het leidt er juist toe dat zij op straffe van hoge financiële sancties verplicht de regie over hun loopbaan moeten overdragen aan uitvoeringsinstanties zodra zij in het zicht komen van een activerend arbeidsmarktbeleid. Hoewel sancties voor bepaalde groepen de uitstroom uit de uitkering kunnen versnellen, zijn er steeds meer twijfels over de duurzaamheid en kwaliteit van het gevonden werk onder invloed van (dreiging met) deze negatieve prikkel. Bij kwetsbare groepen zoals jongeren dragen sancties waarschijnlijk bij aan verergering van hun problematiek.

Het gegeven dat werklozen in veel gevallen wel inbreng hebben in de vormgeving van hun ‘traject naar werk’ draagt maar beperkt bij aan hun eigen regie. Zij hebben immers geen ‘exit mogelijkheid’ of keuzevrijheid ten aanzien van de vraag wie hen ondersteunt op de weg naar werk. Hun regie wordt verder verkleind door het gebrek aan keuzevrijheid dat het activeringsbeleid toestaat met betrekking tot arbeidsperspectieven die niet leiden tot ‘de snelste weg naar werk’, of waarvoor geen aanbod van scholing of begeleiding beschikbaar is. Ten slotte wordt hun regie ingeperkt door een gebrek aan transparantie over de kwaliteit en toegevoegde waarde van de ondersteuning waar zij verplicht gebruik van moeten maken.

Waarom is aandacht voor vergroting van regie van werklozen over hun eigen participatietrajecten belangrijk voor een realistischer activeringsbeleid? Ten eerste leert de psychologie dat ervaren grip op de eigen omstandigheden een basisvoorwaarde is voor psychisch welzijn en de motivatie voor gedragsverandering. Het via disciplinerend beleid onder dreiging van sancties verminderen van regie werkt dus eigenlijk deactiverend en vormt bovendien een gezondheidsrisico zonder dat het de kans op werk aantoonbaar vergroot.

Ten tweede is het vergroten van regie een logische route om daadwerkelijk aan te kunnen sluiten bij individuele wensen en mogelijkheden van werklozen en om het alom beoogde individuele maatwerk te kunnen realiseren. Succesvolle re-integratiemethodieken zoals ‘supported employment’ zijn al sinds jaar en dag op dit principe gebaseerd.

Ten derde stimuleert het expliciete uitgangspunt van regie bij werklozen uitvoeringsinstanties om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de wensen en mogelijkheden van werklozen. ‘Shortcuts’ onder dreiging van sancties of trajecten zonder aantoonbare meerwaarde voor de werklozen zullen onder het principe van regie bij werklozen zelf naar verwachting veel minder vaak voorkomen.

De regievraag speelt ook rondom het betrekken van werkgevers bij het realiseren van een inclusieve arbeidsmarkt, een thema dat steeds meer aandacht krijgt. Voor het motiveren van werkgevers wordt in het huidige beleid veel heil verwacht van zowel positieve als negatieve financiële prikkels. Onderzoek laat echter zien dat deze prikkels in het gunstigste geval slechts één factor zijn in de besluitvorming van werkgevers over het bieden van perspectieven voor kwetsbare groepen.

Minstens zo belangrijk is de vraag hoe het inclusiever maken van een organisatie past in de algehele bedrijfsmissie en hoe werkgevers ondersteund kunnen worden bij het realiseren hiervan. Succesvolle voorbeelden leunen niet zozeer op financiële prikkels, maar op gezamenlijke ‘coproductie’ van perspectieven voor kwetsbare groepen, bijvoorbeeld in de vorm van een functioneel herontwerp of het aanbod van leerwerkplekken. Anderzijds blijken werkgevers veel negatiever over trajecten waarin zij ongecontroleerd – soms ongemotiveerde – werklozen krijgen aangemeld. Ook voor het succesvol betrekken van werkgevers bij het realiseren van mogelijkheden voor kwetsbare groepen in betaald werk is het dus van belang om werkgevers regie te geven.

Een belangrijke vraag is dus hoe de regie van kwetsbare werklozen en werkgevers vergroot kan worden. Omarming van het principe van regie bij werklozen en werkgevers betekent in elk geval dat de participatieverplichtingen voor kwetsbare groepen in de sociale zekerheid worden afgeschaft en dat voor objectief kansrijke groepen enkel nog in inspanningstermen wordt gesproken om kansen op werk te verbeteren. Strikte verplichtingen om ondersteuning te accepteren van bijvoorbeeld de uitkeringsinstanties en door de overheid ingehuurde reïntegratiebedrijven, verkleinen immers de regie. Sanctionering van kwetsbare groepen voor het niet voldoen aan participatieverplichtingen zou overbodig worden. Werkgevers zouden niet meer geconfronteerd worden met ongemotiveerde kandidaten.

Daarnaast zou de keuze kunnen worden gemaakt om de beperkte middelen efficiënter in te zetten en te concentreren op het ondersteunen van intrinsiek gemotiveerde werklozen en werkgevers. Beleidsambities zoals ‘sluitende aanpakken’ en ‘iedereen een traject’ zouden kunnen worden losgelaten. Met de zogenoemde ‘niet-willers’ onder werkgevers en werklozen kun je in gesprek gaan om de motivatie te peilen en te bevorderen, maar zonder de disciplinerende context van waaruit dat met het huidige beleid gebeurt.

Ten slotte impliceert het principe van regie een grotere keuzevrijheid voor werklozen ten aanzien van de doelen die zij zich kunnen stellen en de invulling van trajecten waar ze aan deelnemen. Mensen zouden hierbij moeten worden ondersteund door een breed participatiebegrip – ze doen er ook toe als ze geen betaald werk hebben – en zouden professionele en transparante adviezen moeten krijgen in situaties dat zij – of hun werkgevers – onvoldoende zicht op de mogelijkheden hebben die er zijn. Ook voor werkgevers geldt dat het belangrijk is dat zij regie hebben over de manier waarop ze invulling kunnen geven aan werk voor kwetsbare groepen. Ze zouden daarbij ondersteund kunnen worden met adviezen van bijvoorbeeld de werkgeversservicepunten.”

Ook de bijdrage van Anja Eleveld, Universitair docent en onderzoeker aan de VU, in hetzelfde S&D-nummer[31], onderstreept dat verplichtingen niet werken, in dit geval bij verplichte ‘werkstages’, een eufemistisch begrip voor verplicht werken zonder loon. “In theorie kan een werkstage een bruikbaar instrument zijn om een bijstandsgerechtigde dichter bij de arbeidsmarkt te brengen. Het leveren van maatwerk kan gewaarborgd worden door bijvoorbeeld individuele leerdoelen op te stellen en door de vorderingen met betrekking tot deze leerdoelen regelmatig te evalueren met de betrokkene.

Hoewel de gemeenten uit het onderzoek een ‘leerdoelen- of competentiebeleid’ hadden uitgewerkt voor werkstages, bleek de praktijk weerbarstiger. Vaak werd voor verschillende deelnemers hetzelfde leerdoel gehanteerd, namelijk het aanleren van ‘algemene werknemersvaardigheden’. Veel deelnemers waren van mening dat ze reeds over deze vaardigheid beschikten, of dat ze in ieder geval geen (langdurige) stage nodig zouden hebben om zich deze vaardigheid eigen te maken.

Indien er wel individuele leerdoelen waren opgesteld, anders dan ‘het aanleren van algemene werknemersvaardigheden’, had de werkcoach doorgaans de regie. Gezien de beperkt beschikbare tijd ging dit niet altijd op een nauwkeurige manier. (…)

Het systeem van leerdoelen en evaluaties had ook onbedoelde effecten. Terwijl het was ontwikkeld om maatwerk te leveren, werd het door sommige deelnemers in de gemeente met het strenge sanctieregime (gemeente A) ervaren als een extra controle-instrument. Deze deelnemers meenden dat de gemeente aan de hand van dit instrument erop toezag of ze goed genoeg hun best deden.  

Naast tijdgebrek en het strenge sanctieregime werd een goede uitvoering van het ‘leerdoelensysteem’ verhinderd door de verplichtingen die gemeenten waren aangegaan met sommige reïntegratiebedrijven of stagebedrijven om een bepaald aantal bijstandsgerechtigden ‘te leveren’. Hierdoor was het niet altijd mogelijk om mensen te plaatsen bij een stagebedrijf waar ze daadwerkelijk aan hun individuele leerdoelen konden werken. Bovendien vereiste het businessmodel van deze stagebedrijven dat er ‘productie’ werd gedraaid, hetgeen eveneens kon wringen met individuele leerdoelen.

Kort gezegd, het onderzoek laat zien dat het leveren van maatwerk bij werkstages onder druk komt te staan wanneer werkstages verplicht en onder een streng sanctieregime worden opgelegd aan alle bijstandsgerechtigden die ‘klaar zijn voor de arbeidsmarkt’. Door het opstellen van individuele leerdoelen en competenties zou in theorie meer maatwerk kunnen worden geleverd. In de praktijk is echter de zeggenschap van bijstandsgerechtigden bij het opstellen van leerdoelen beperkt en herkennen de stagedeelnemers zich lang niet altijd in de leerdoelen of zien ze niet hoe de werkstage een bijdrage levert aan het behalen van hun leerdoelen. Daarnaast staat een gebrek aan tijd en geld een goede begeleiding bij het behalen van reële individuele leerdoelen in op maat toegesneden stages in de weg. (…)

De rapporten van het SCP, de WRR en de commissie-Borstlap richten zich op het effect van sanctionering op reïntegratie. Ze gaan daarbij voorbij aan wat het strenge sanctieregime uit de Participatiewet doet met mensen. Met andere woorden: het is één ding om te concluderen dat sancties niet werken, het is iets anders om te erkennen dat het huidige sanctiesysteem (duurzame) reïntegratie naar betaalde arbeid belemmert.

Hetzelfde geldt voor categorale verplichtingen, zoals de door de commissie-Borstlap beoogde inzet van verplichte stages voor alle bijstandsgerechtigden. Onder het huidige sanctiesysteem heeft dit beleid meer weg van dwang en drang dan van het hanteren van de menselijke maat. Bijstandsgerechtigden werken mee, niet omdat ze menen dat deze deelname bijdraagt aan hun reïntegratie op de arbeidsmarkt, maar om te voorkomen dat hun uitkering wordt verlaagd.

Maatwerk betekent dat bijstandsgerechtigden daadwerkelijk zeggenschap krijgen over hun reïntegratie. Dit is iets anders dan wat wordt voorgesteld in het conceptvoorstel ‘tot wijziging van de Participatiewet in verband met het verbeteren van de ondersteuning van de mensen in de bijstand en aanpassing van de uitvoering van de taaleis’ dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid begin dit jaar voor internetconsultatie openstelde. In plaats van de gemeente te verplichten om bijstandsgerechtigden te ondersteunen bij bijvoorbeeld het oplossen van schulden, wordt met dit voorstel een nieuwe met sanctie bedreigde verplichting voor bijstandsgerechtigden gecreëerd (namelijk om te werken aan het oplossen van hun schulden).

Reïntegratie die daadwerkelijk is toegesneden op de behoeften, mogelijkheden en arbeidsmarktkansen van bijstandsgerechtigden en waarbij sanctionering een ondergeschikte rol speelt, vraagt om meer tijd en dus geld. Zij vraagt ook om een andere politieke visie en daaraan gekoppeld de bijstelling van het beeld van de bijstandsgerechtigde die alleen door te dreigen met maatregelen in beweging komt. “

ix.          Verkeerde prikkel voor gemeenten

De mensen op wie de arbeidsmarkt de grootste afstand heeft, worden het minst geholpen. Ze worden aangeduid als het granieten bestand. Degenen die het makkelijkst uitstromen, worden het meest geholpen. Er is een enorme druk op gemeenten om vooral snel tot uitstroom te komen, dat gaat nu eenmaal met degenen met de kleinste afstand het snelst. Dat die er vaak zonder hulp ook wel (en soms zelfs eerder) waren gekomen, verdwijnt uit beeld. De gemeente moet zelf tekorten in het bijstandsbudget opvangen en met de tegelijk doorgevoerde decentralisatie van belangrijke delen van de zorg, worden gemeenten gedwongen vooral op het gemeentelijk budget en op schadelast aan uitkeringen te sturen, en niet op de kwaliteit en effectiviteit van de hulpverlening bij re-integratie naar werk. Die is dan ook doorgaans bedroevend, met hoge doorloopsnelheid van medewerkers die hun cliënten niet of slecht kennen, en weinig contacten hebben bij werkgevers. Hun instrumenten zijn beperkt, want daarvoor is geen of zwaar onvoldoende budget. Ze mogen ook bijna niets zelf beslissen, want net als hun cliënten, worden ook zij niet vertrouwd, en zitten ze gevangen in verstikkende protocollen en te kleine budgetten.[32]

Het SCP wijst hier ook op in zijn Eindevaluatie Participatiewet: “Gemeenten ontvangen van het Rijk middelen om mensen die onder de Participatiewet vallen naar werk te begeleiden. Die middelen zijn vrij te besteden. Als gemeenten op uitkeringen besparen, mogen ze het restant houden en ook vrij besteden. Dit prikkelt gemeenten om hun inspanningen te richten op de meest kansrijke groep binnen de totale doelgroep. Mede daarom kwamen relatief kostbare instrumenten, zoals beschut werk en (structurele) loonkostensubsidie, aanvankelijk moeizaam op gang en werden ze minder ingezet dan verwacht. Dit lijkt op gespannen voet te staan met het streven naar een maatschappij waarin zo veel mogelijk mensen kunnen deelnemen aan het arbeidsproces. De mensen binnen de doelgroep van de Participatiewet voor wie ondersteuning het duurst is, blijven eerder buiten beeld bij gemeenten en werkgevers. Dit ondanks de verplichting voor werkgevers om banen specifiek voor de doelgroep te creëren en de verplichting voor gemeenten om beschutte werkplekken te realiseren. Hierdoor rijst de vraag of het huidige stelsel voldoende handvatten, prikkels en garanties biedt om ook de meest kwetsbare groepen (mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt, ouderen binnen de doelgroep) de kansen te bieden die beoogd worden.”

x.          Arbeidsbemiddeling werkt nu slecht

De WRR in zijn Goed Werk advies: “Ongeveer 1 miljoen mensen in ons land willen en kunnen werken maar doen dit nu niet, of willen meer uren werken (in 2019). Ook hebben 1,6 miljoen mensen een uitkering (in 2017). Een deel van hen is langdurig werkloos en heeft hierbij complexe problemen. En een aanzienlijk deel van de mensen met een arbeidsbeperking staat buiten de arbeidsmarkt (60 procent): een percentage dat de laatste jaren zelfs is toegenomen. Tegelijkertijd investeert Nederland nauwelijks meer in actief arbeidsmarktbeleid, ook in vergelijking met andere landen in Europa. Mensen zonder werk krijgen bovendien nauwelijks scholing of persoonlijke begeleiding. En dat terwijl het hebben van werk zo belangrijk is voor de gezondheid en het welbevinden van mensen, en voor de sociale samen­hang in ons land. Als werk psychologisch en sociaal zo belangrijk is, kunnen we mensen niet ‘afschepen’ met een uitkering. Het sluitstuk van de sociale zeker­heid zou daarom niet de bijstand maar de basisbaan moeten zijn.

De commissie Borstlap stelt dat het huidige stelsel te weinig proactief is, waardoor er teveel mensen niet betaald werken. Het gaat volgens de commissie om 1 miljoen mensen in de WW (300.000), bijstand (400.000) en die meer willen werken (300.000) en nog eens 1 miljoen mensen in de Ziektewet (200.000) of met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (800.000; waarvan 300.000 oude WAO-ers). De commissie denkt dat er nog steeds vluchtgedrag is naar een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zonder dat verder te onderbouwen. In de praktijk van de WIA en de Wajong is er juist sprake van veel klachten over de te strenge keuringen, en dat de keuringsartsen van het UWV niet meer onafhankelijk zijn en dat veel niet bevoegden feitelijk de keuring uitvoeren. De commissie gaat aan deze klachten volstrekt voorbij, maar ze heeft dan ook niet gesproken met ervaringsdeskundigen, cliëntenraden of de Landelijke Cliëntenraad.

De commissie is het eens met SCP en WRR dat de re-integratie bij deze groep nog steeds slecht werkt, en dus de uitkering als eindstation functioneert. Van de mensen in de bijstand verwacht een derde zelf nooit meer aan het werk te komen. Vooral lichamelijke en geestelijke beperkingen, maar ook sociale beperkingen spelen hierbij een grote rol. Langdurig in de bijstand betekent minder kans op werk, na twee jaar is de kans gereduceerd tot 5%. Daardoor is 70% van de bijstandsgerechtigden langdurig afhankelijk van die uitkering. Komen ze toch weer aan het werk, dan is dat vaak tijdelijk, waarna men weer terugvalt in de uitkering.

De commissie: “Een verklaring voor de afnemende uitstroomkansen, ligt in het gegeven dat opgebouwde kennis en ervaring gemakkelijk verloren gaan naarmate de uitkeringsduur toeneemt. In het huidige systeem verpietert het eens beschikbare menselijk kapitaal en wordt de afstand tot de arbeidsmarkt gaandeweg steeds groter. Als gevolg hiervan sluiten vraag en aanbod na verloop van tijd niet meer op elkaar aan. De kans op het verkrijgen van een reguliere, betaalde baan wordt zo na verloop van tijd steeds kleiner.

Deze beweging wordt mede in de hand gewerkt doordat de overheid zich in tijden van laagconjunctuur nogal eens genoodzaakt voelt te bezuinigen op budgetten voor activering en begeleiding. Zo is er tijdens de laatste recessie bijvoorbeeld sterk bezuinigd op de persoonlijke dienstverlening bij het UWV; het budget voor activerend arbeidsmarktbeleid is de laatste jaren gehalveerd. Tegelijkertijd hebben gemeenten twee-derde van hun budgetten voor activering en begeleiding verloren. Het gevolg hiervan is dat mensen in tijden van laagconjunctuur te lang zonder begeleiding op de bank blijven zitten. Ze worden daardoor steeds minder ‘arbeidsfit’ en zijn daardoor steeds lastiger plaatsbaar op de arbeidsmarkt. Bovendien slinken in tijden van economische neergang de mogelijkheden om via een opleidingsplek stapsgewijs terug te keren. Gaandeweg raken werkzoekenden zo steeds verder van huis.

Een andere factor die een rol speelt, hangt samen met manier waarop we het systeem hebben ingericht. Is iemand met een werkloosheidsuitkering na maximaal twee jaar niet aan het werk, dan draagt het UWV het dossier over naar de gemeente die verantwoordelijk is voor het verstrekken van bijstand. Deze overgang blijkt in de praktijk nogal eens zand te strooien in de activeringsmachine, mede doordat de dienstverlening van het UWV niet aansluit op de gemeentelijke dienstverlening. Een vraag die daarbij opkomt is hoe effectief het eigenlijk is om twee verschillende typen organisaties (namelijk UWV en gemeenten) zich te laten bekommeren om de re-integratie van dezelfde persoon. Zou het niet effectiever zijn om de mens centraal te stellen en de re-integratietaak, ongeacht het type uitkering, toe te vertrouwen aan één instantie?

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat er ook mensen zijn die het hoofd in de schoot hebben gelegd. Dat is een relatief kleine groep (circa 70.000). Toch vindt de Commissie het zorgelijk dat deze mensen de moed hebben opgegeven. Dit is te meer het geval omdat uit onderzoek blijkt dat tegenwoordig ook jonge mannen erin berusten dat er voor hen geen plek is op de arbeidsmarkt. Dit maakt de zorg van de Commissie alleen maar groter. Een mogelijke verklaring voor dit berustingsgedrag ligt in de consequenties die het gevoerde activeringsbeleid heeft voor mensen die langdurig aan de kant staan. Zoals al even werd aangestipt, is hun kans op doorstroom naar een reguliere, betaalde werkplek doorgaans buitengewoon klein. Een rol hierbij speelt dat het gaat om mensen die in de regel niet één op één passen op beschikbare functies of vacatures. Zij hebben werkplekken nodig die aansluiten bij hun mogelijkheden. Dit soort werkplekken zijn vaak niet direct voorhanden en zullen dus moeten worden gecreëerd. Werkgevers moeten daarin investeren maar lopen vooralsnog niet echt warm om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op dit punt te nemen.

Bij wijze van alternatief worden bijstandsontvangers dan vaak met behoud van uitkering verplicht aan het werk gezet. In een werksetting verrichten ze onder deze vlag vaak jarenlang onbetaald bepaalde werkzaamheden om werkervaring op te doen of hun competenties of vaardigheden verder te ontwikkelen met het doel zo de kans op regulier, betaald werk te vergroten. Het komt regelmatig voor dat deze werkzaamheden niet voldoende aansluiten bij hun voorkeuren en interesses en hen niet uitdagen om hun talenten te ontwikkelen.

Deze werkwijze demotiveert en kan zelfs ontmoedigend werken. Onbetaald bezig zijn wordt immers niet op dezelfde manier gewaardeerd als betaald werk. Werken met behoud van uitkering krijgt zo al snel iets van een tweederangs-bezigheid: je doet wel mee, maar hoort er niet echt bij. Dit kan gaan knagen aan de veerkracht, het welzijn en de eigenwaarde van bijstandsontvangers. Het verlies daarvan kan zelfs blijven doorwerken tot na de pensioengerechtigde leeftijd. Naarmate de tijd verstrijkt komen bijstandsontvangers zo in een neerwaartse spiraal terecht. Dat kan hen aanmoedigen om zich aan het regime te onttrekken.”

De commissie komt vervolgens op dit probleem tot zes knelpunten in de huidige regeling:

-het systeem komt te laat in actie: het komt pas in actie als men een uitkering heeft, niet proactief door ander werk te regelen bij gezondheidsproblemen of bij dreigend verlies van werk.

-te weinig oog voor menselijk kapitaal en de waarden van werk: UWV en gemeenten laten zich primair leiden door de vraag welke ondersteuning de kortste route naar werk oplevert. Scholing is dat vaak niet en wordt dan ook weinig ingezet. De immense bezuinigingen op het budget versterkt deze trend. Wat mensen intrinsiek beweegt en waar ze dus warm voor lopen blijft nu onderbelicht. Dit is funest voor de veerkracht en motivatie van mensen. Uitvoeringsinstanties worden ook niet beoordeeld op de mate waarin zij erin slagen om de waarden van werk duurzaam te waarborgen. “In de praktijk wordt primair gekeken of aan bepaalde prestatie-indicatoren wordt voldaan. In deze sturingsfilosofie wordt de effectiviteit van het gevoerde beleid afgemeten aan zaken als klanttevredenheid (krijgt het UVW gemiddeld een 6,3 voor de dienstverlening aan werkgevers?) en rechtmatigheid (is in minimaal 99 procent gehandeld conform de geldende regels en besluiten?). De vraag in hoeverre het gevoerde beleid bijdraagt aan een duurzame re-integratie wordt niet gesteld. Ook wordt niet ingegaan op de vraag of de juiste persoon wel op de juiste plek terechtkomt zodat hij/zij zijn/haar talenten optimaal kan ontwikkelen en gemotiveerd aan het werk kan blijven zonder na kortere of langere tijd weer te moeten terugvallen op een uitkering.

-financiële prikkels werken soms averechts: snelle uitstroom uit bijstand levert gemeenten nu besparing op bijstandsuitgaven op, geld wat ze zelf mogen houden en vrij besteden. Tekorten moeten gemeenten zelf aanvullen. “In de praktijk blijkt deze prikkel gemeenten aan te moedigen de inzet op re-integratie afhankelijk te maken van een daaraan voorafgaande kosten-baten analyse. Alleen als de baten hoger zijn dan de kosten, wordt er geïnvesteerd in re-integratie activiteiten. De consequentie van deze werkwijze is dat gemeenten hun re-integratieactiviteiten gaan richten op de meest kansrijke kandidaten. Vooral in grote steden kan dit ertoe leiden dat mensen met een lage loonwaarde met rust worden gelaten. Ze worden dan informeel ontheven van de sollicitatieplicht en zo in feite afgeschreven voor de arbeidsmarkt, terwijl ook zij talenten hebben die zouden kunnen worden benut.

Kansen om stapsgewijs tot volwaardige participatie te komen, worden zo verspild. Bovendien verdwijnt zo de wederkerigheidsgedachte die ten grondslag ligt aan het stelsel uit beeld. De bezuinigingen die de laatste jaren zijn doorgevoerd in het sociale domein, versterken deze trend. Zo hebben mensen met een lage loonwaarde veel begeleiding nodig om hun resterende arbeidskracht op de arbeidsmarkt te verzilveren. Het ontbreekt gemeenten aan de middelen om daarin te investeren. In de grafiek hieronder wordt aangegeven dat juist op het moment dat de uitgaven aan uitkeringen vanwege economische omstandigheden toenemen, de uitgaven aan actief arbeidsmarktbeleid afnemen.” (Zie ook wat hierover al onder 2.1.10 is gezegd)

integrale aanpak komt moeilijk van de grond: “Een deel van de bijstandsontvangers heeft meerdere problemen, zoals schulden, relatieproblemen, taalproblemen, gezondheidsproblemen, lastige kinderen, isolement, etc. Deze multiproblematiek vraagt om een integrale aanpak, over de beleidsterreinen heen. Dat wordt echter belemmerd doordat het recht op ondersteuning afhankelijk is van voorwaarden die zijn vastgelegd in verschillende regelingen: voor ieder facet van de problematiek is er een eigen regime.

De bedoeling hiervan is de controle op rechtmatig gebruik en het opsporen van fraude te bevorderen. Maar dat heeft ook een keerzijde. Door de jaren heen is zo een sterk gefragmenteerd systeem ontstaan. Dit zorgt voor schotten tussen de verschillende regelingen/voorzieningen. Die schotten belemmeren soepele overgangen van de ene naar de andere regeling/voorziening en frustreren mogelijkheden om met een integrale aanpak doeltreffende maatwerkoplossingen te realiseren.

Daar komt bij dat aanvraagprocedures en uitvoeringsprocessen, uit efficiëntie en/of bezuinigingsoverwegingen, steeds verder zijn gestandaardiseerd en gedigitaliseerd. Ondersteunende dienstverlening is daardoor te weinig persoonlijk en bovendien niet voor iedereen toegankelijk. Zo kent Nederland circa 2,5 miljoen laaggeletterden die meestal niet digitaal vaardig zijn. Ook gebrek aan doen-vermogen kan eraan bijdragen dat mensen niet in staat zijn datgene te doen dat van hen wordt verlangd in de sfeer van het aanvragen van de ondersteuning die zij nodig hebben. De vraag is dan ook of het huidige beleid het zelfredzaamheidsvermogen van haar burgers niet overschat. De WRR bepleit in dit verband over te schakelen naar van een rationeel naar een meer realistisch beleidsadagium.

-complexiteit van het systeem: “De groeiende fragmentatie in wet- en regelgeving maakt het bestaande systeem complex. Illustratief in dit verband is het effect dat bijverdienen naast de bijstandsuitkering heeft op de toeslagen die iemand ontvangt. Ook het systeem dat is opgetuigd voor de verrekenen van inkomsten met de bijstandsuitkering is ingewikkeld. Tezamen vergroot deze gecombineerde complexiteit de kans op fouten bij het doorgeven van veranderingen in de inkomenspositie en, in het verlengde hiervan, de kans op boetes wegens schending van de informatieplicht.

Problematisch is verder dat het recht op inkomensondersteuning aan de basis van de arbeidsmarkt vaak vorm krijgt via toeslagen die bij wijze van voorschot worden verstrekt. Deze aanpak gaat in de praktijk vaak gepaard met terugvorderingen die op hun beurt tot gevolg kunnen hebben dat de betrokkenen verder wegzakken in schulden en andere maatschappelijke problemen. In plaats van gestimuleerd, worden bijstandsontvangers zo ontmoedigd om in beweging te komen.

-terughoudendheid bij werkgevers: “Naarmate mensen langer aan de kant staan, passen ze steeds minder in het verdienmodel van werkgevers. Het huidige systeem probeert werkgevers met bijvoorbeeld loonkostensubsidies en loonkostenvoordelen te verleiden om hierover heen te stappen, maar de regelingen die dat mogelijk moeten maken, zijn opnieuw zo complex dat werkgevers er nogal eens vanaf zien om die regelingen te benutten.

Financiële prikkels lossen ook niet alle problemen op. Zo blijkt uit onderzoek dat maar een derde van alle werkgevers daadwerkelijk mensen met arbeidsbeperkingen in dienst heeft. Een veel gehoorde verklaring voor dit lage aantal is dat er geen geschikte vacatures zijn. Een ander knelpunt zit in het matchingsproces. Dat is in de praktijk een zeer intensief, continue proces. Het komt regelmatig voor dat werkgevers ergens onderweg afhaken. Wordt wel een plaatsing gerealiseerd dan betreft het vaak mensen met een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt en is dat bovendien vaak tijdelijk.

Ook pogingen om via de Banenafspraak extra werkplekken te scheppen voor mensen met een verdiencapaciteit die ligt onder het wettelijk minimumloon, zijn geen onverdeeld succes. Vooral overheidswerkgevers voldoen jaar op jaar niet aan de gestelde targets. Het bedrijfsleven slaagt daar tot nu toe wel in, maar daarbij gaat het meestal niet om duurzame plaatsingen. Waar plaatsingen worden gerealiseerd, gebeurt dat doorgaans via tijdelijke contracten waarna de betrokkenen zullen moeten terugvallen op een uitkering. Hun plaats wordt dan aansluitend bezet door een nieuw persoon die kwalificeert voor de Banenafspraak. Al met al wordt er zo aan de werkgeverskant nog te weinig gedaan om ook mensen voor wie deelname aan het reguliere arbeidsproces niet vanzelfsprekend is, een duurzaam plekje te gunnen in hun organisatie. Dat het hier gaat om een maatschappelijke verantwoordelijkheid dringt nog te weinig door.

“Resumerend: het bovenstaande maakt duidelijk dat de huidige regulering van het activeringsbeleid niet effectief is. Waar dit beleid is bedoeld om mensen die hun baan verliezen zo snel mogelijk weer terug te brengen in het arbeidsproces blijkt, zeker naarmate de tijd verstrijkt, precies het tegenoverstelde te gebeuren.

In het evaluatierapport van de Participatiewet wijt het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) deze teleurstellende uitkomst aan het feit dat veronderstellingen die ten grondslag liggen aan het gevoerde beleid, in de praktijk niet of maar ten dele opgaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor de veronderstelling dat financiële prikkels in de vorm van besparingen op het bijstandsbudget en kortingen op de uitkering helpen om mensen duurzaam te laten uitstromen naar werk.

Zoals hierboven werd aangestipt, spelen ook andere factoren een rol, zoals:

Al met al hebben we zo een systeem gecreëerd dat er onvoldoende in slaagt mensen werk- en inkomenszekerheid te bieden. Per saldo sluit het bestaande systeem mensen eerder uit- dan in. Schrijnend hierbij is dat de meest kwetsbare mensen hieraan het meest worden blootgesteld. Dat maakt mensen passief, zorgt voor maatschappelijke problemen en voedt maatschappelijk onbehagen. Het zal duidelijk zijn dat de waarden van werk zo onvoldoende tot hun recht komen. Willen we die waarden waarborgen dan is er dus werk aan de winkel.

De commissie komt tot de volgende aanbevelingen:

-“Het nieuwe stelsel zal langdurige uitval krachtig moeten tegengegaan. Daarvoor is integrale, effectieve, individuele begeleiding en ondersteuning zodat werkenden die met werkloosheid of arbeidsongeschiktheid te maken krijgen of daarmee worden bedreigd, tijdig naar ander, passend werk kunnen overschakelen en uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk weer aan het werk komen.“ Hiermee zijn we het van harte eens.

-“Het collectief voorziet in noodzakelijke voorzieningen en hulp om duurzaam aan het werk te komen en te blijven. Er zal aanzienlijk meer geïnvesteerd moeten worden in maatwerk en individuele begeleiding van diegenen die niet op eigen kracht weer aan de slag kunnen.” (…) “Passende hulp impliceert effectieve en persoonlijke begeleiding die niet is gekoppeld aan de uitkering die iemand ontvangt, maar wordt afgestemd op de ondersteuning die nodig is om langdurige uitkeringsafhankelijkheid te voorkomen. De Commissie onderstreept in dit verband dat re-integratieprogramma’s zinvol moeten zijn, dat wil zeggen dat ze mensen daadwerkelijk voorbereiden op doorstroom naar de arbeidsmarkt. Ze moeten zich dus richten op het vergroten van kennis, vaardigheden en competenties die ook daadwerkelijk op de arbeidsmarkt worden gevraagd. Essentieel is verder dat deze programma’s persoonlijk groei en een intrinsiek gemotiveerde inzet stimuleren. Trainingen die zijn gericht op het verkrijgen van ander werk moeten met het oog hierop niet willekeurig zijn, maar aansluiten bij de persoonlijke interesses en voorkeuren zodat aanwezige talenten optimaal kunnen worden benut. De Commissie beveelt aan te investeren in professionals die weten hoe ze talenten van mensen tot volle bloei kunnen laten komen en ook de ruimte hebben om dat volop te ondersteunen.” Ook hiermee zijn we het zeer mee eens.

-“Dit wordt ondersteund door breed toegankelijke loopbaanwinkels[33] en publiek-private samenwerkingsverbanden waarin werkgevers, vakbonden, onderwijsinstellingen, uitzendbedrijven, gemeenten en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) zich samen sterk maken voor een effectieve arbeidsbemiddeling en een sluitende personeelsvoorziening in de arbeidsmarktregio.” Dit idee sluit aan bij ons voorstel (2.1.7.) om te komen tot werkwinkels, waarin de gemeentelijke arbeidsbemiddeling en die van het UWV in opgaan, maar wij willen die nadrukkelijk publiek houden en tripartite (werkgevers, werknemers en gemeenten) besturen en financieren. Ook het beroepsonderwijs moet daarbij worden betrokken (vgl. de huidige leerwerkloketten). Uitzendbureaus richten zich op tijdelijk werk en wat ons betreft moet de arbeidsbemiddeling zich richten op vast werk.

-“Van mensen met een uitkering wordt in ruil voor deze ondersteuning verlangd dat ze zich constructief inzetten voor een duurzame en succesvolle re-integratie. Constructief impliceert dat uitkeringsontvangers vanaf dag één in een gestructureerde setting werken aan verbetering van hun kansen op de arbeidsmarkt. Het devies: “handen uit de mouwen”, geldt voor iedereen die een beroep moet doen op inkomensverzekeringen of -voorzieningen. (…) Van mensen met een uitkering wordt in ruil voor deze hulp verlangd dat ze zich constructief inzetten voor een duurzame en succesvolle re-integratie. Constructief impliceert dat uitkeringsontvangers vanaf dag één in een gestructureerde setting werken aan verbetering van hun kansen op de arbeidsmarkt. Zij doen dat in een speciaal daarvoor ingericht huis (bijvoorbeeld een ”loopbaan of doorgroei huis”) waar zij zich ‘s ochtends melden en, als op een werkdag, dagelijks activiteiten uitvoeren die zijn omschreven in hun persoonlijke werkplan. Binnen deze setting volgen zij bijvoorbeeld talentontwikkelingsprogramma’s of werk-leerprogramma’s. Mogelijk is ook dat ze bezig zijn met het wegwerken van belemmeringen, zoals schulden, gezondheidsproblemen, relatieproblemen, taalproblemen of wat dies meer zij. Hebben ze na deze fase geen werk dan voeren ze zinvolle werkzaamheden uit die hun kans zich te ontplooien vergroten en hen de mogelijkheid bieden een waardevolle bijdrage te leveren aan de samenleving; een bijdrage die waardering en erkenning oplevert voor hun inzet en hun kans op doorstroom naar de arbeidsmarkt kan versterken. Kortom, iedereen die een uitkering ontvangt, is en blijft vanaf dag één in welke vorm dan ook actief bezig. Iedereen is verplicht om in het huis de handen uit de mouwen te steken en te werken aan zijn/haar ontwikkeling. Niemand wordt afgeschreven en er wordt gehandeld volgens het motto dat ieder talent telt. Daar tegenover staat dat er sancties volgen in de vorm van kortingen op de uitkering als er geen actieve inzet wordt getoond.”

De commissie gaat wederom uit van de bewezen onterechte verwachting dat financiële prikkels en sancties effectief zijn, dat een collectieve setting daartoe motiverend zou werken, dat ze wanneer ze er niet in slagen ondanks alle inspanningen dat dan een tegenprestatie verlangd moet worden voor het krijgen van een uitkering, en dat iedereen dat ook zal kunnen. Dit is weer een tekst waaruit een wantrouwen naar werkzoekenden spreekt. Wij richten ons op degenen die willen, een niet op de 1% die niet willen. Daarbij hanteren we een strategie van verleiden, belonen, motiveren en faciliteren.

-Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (of, omgekeerd, waar de arbeidsmarkt voor bepaalde groepen op te grote afstand staat) krijgen hulp en persoonlijke begeleiding om stapsgewijs te komen tot volwaardige participatie. Om te realiseren dat ook zij de waarden van werk kunnen verzilveren, worden voor hen op of rond de arbeidsmarkt geschikte werkplekken gecreëerd. Werkgevers in de publieke en private sector werken hieraan actief mee. Zij worden daarbij zo veel mogelijk ontzorgd en op een eenduidige manier gecompenseerd voor begeleidingskosten en/of productieverlies.

De commissie erkent terecht dat voor veel van de huidige bijstandsontvangers een ‘gewone baan’ niet is weggelegd. Daarom wil men dat er veel meer geschikte werkplekken gecreëerd worden voor mensen die inmiddels op grote afstand van de arbeidsmarkt staan. Ze wijst erop dat er nu veel waardevol werk blijft liggen “dat tegen het minimumloon kan worden uitgevoerd”. Daarbij verwijst ze naar de tekorten in het onderwijs en de zorg en de inspanningen die nodig zijn voor de duurzaamheidstransities (waarbij wij hopen dat de commissie niet bedoeld dat deze vitale beroepen allemaal tegen slechts minimumloon moeten worden uitgevoerd…). Ook denkt de commissie aan het versterken van de sociale basis in wijken en buurten, zoals de bestrijding van eenzaamheid en de ondersteuning van mantelzorgers. Dat moet zowel in de publieke als in de private sector, waarbij de commissie denkt aan het fiscaal belonen van werkgevers bij goed gedrag (opmerkelijk dat bij werkgevers wel gedacht worden aan positieve prikkels, maar bij werkzoekenden en werkenden vast gehouden wordt aan negatieve prikkels). De commissie formuleert daarbij veel vragen, maar opmerkelijk op dit onderdeel weinig aanbevelingen. Verder wil de commissie dat er passende ondersteuning geboden wordt om tot volwaardige participatie te komen. Opnieuw dringt ze erop aan om veel meer te investeren in maatwerk en persoonlijke begeleiding, maar ook wil ze dat de bestaande inkomensregelingen losgekoppeld worden van die ondersteuning. Ook de inkomensregelingen zouden moeten worden vereenvoudigd en geïntegreerd worden tot een “volledig ontschot systeem van inkomensondersteuning aan de basis van de arbeidsmarkt, dat bijverdienen stimuleert”. De commissie zet dat helaas slechts neer als stip op de horizon voor de verre toekomst, alsof het probleem niet urgent is.

Wij concluderen met de commissie, het SCP en de WRR dat de effectiviteit van alle inspanningen die nu uitkeringsgerechtigden moeten doen van gemeenten om aan het werk te komen is zeer gering: de uitstroom uit de bijstand blijft laag, en is vooral conjunctureel bepaald: als de werkgelegenheid stijgt dan stijgt ook de uitstroom, en vice versa. Niet zelden werken de eisen ook contraproductief: de mensen raken totaal gedemotiveerd en zelfs opstandig door alle onzinnige verplichtingen. Sollicitatieverplichtingen voor 62-plussers die nergens meer worden aangenomen. Werken zonder loon als moderne dwangarbeid die haast nooit leidt tot nieuw werk, soms tot op het vernederende toe (papierprikken in Rotterdam) en zelfs met grote gezondheidsrisico’s (werken met chroom6 in Tilburg). Je wordt verplicht mee te doen aan een cursus hoe je te kleden, zonder dat er gekeken wordt of daar bij jou een probleem zit. Je moet ergens verplicht gaan werken op een tijdelijk contract met loonkostensubsidie, en vliegt er direct weer uit als die subsidie voor jou ophoudt, en de werkgever voor een volgend slachtoffer weer subsidie kan ontvangen: draaideurwerkloosheid.

Er is een enorme industrie ontstaan van commerciële partijen, vooral uitzendbureaus, maar ook bijv. taxibedrijven voor groepsvervoer, supermarkten, tot en met commerciële partijen voor schuldhulpverlening, bewindvoerders, etc. die flink profiteren van deze situatie, hetzij doordat ze tegen flinke budgetten worden ingehuurd, hetzij doordat ze sluw gebruik maken van de gemeentelijke loonkostensubsidies. In plaats van dat de mensen in de bijstand worden geholpen gaat een groot deel van het geld zo op aan partijen die daar een flinke boterham mee verdienen. Hoe cynisch kan het zijn?

Gemeenten hebben bovendien grote groepen werkzoekenden niet in beeld, zo blijkt uit de Eindevaluatie van de Participatiewet door het SCP. Gemeenten schatten dat ze een achtste van de doelgroep missen, bij de grote steden is dat zelfs tweemaal zo veel, dus een kwart. Het gaat daarbij om schoolverlaters met een beperking die niet van vso- of pro-scholen komen of leerlingen van vso- of pro-scholen die zijn doorgestroomd naar entree- of mbo-onderwijs.

Ook niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers) en jonggehandicapten die na werk weer uitvallen, en de doelgroep WSW, specifiek de mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt, blijven bij gemeenten buiten beeld, aldus het SCP. Gemeenten blijken niets te doen met meldingen van het UWV dat een Wajong-uitkering is afgewezen, en ook niets met de melding van het UWV als iemand is opgenomen in het doelgroepregister. Het SCP wijst er voorts op dat niet alle mensen met een arbeidsbeperking in aanmerking komen voor de banenafspraak (Quotumwet) en ook niet voor alle mensen in de Participatiewet. Mensen met een psychische beperking blijken de helft minder kans te hebben bij werkgevers om een baan te kunnen krijgen vergeleken met mensen met een lichamelijke beperking, terwijl binnen de totale groep mensen met een arbeidsbeperking de mensen met een psychische of verstandelijke beperking veruit de grootste groep vormen.

Mensen in de WSW hebben nu soms een cao-loon, maar als ze onder de Participatiewet vallen, verdienen ze minder, en hebben ook geen recht op aanvullend pensioen, verlofregelingen, eindejaarsuitkering of reiskostenvergoeding. Dat geeft niet alleen scheve verhoudingen binnen de WSW, maar is ook een bedreiging van hun bestaanszekerheid. Wij willen dat WSW-ers volgens een fatsoenlijk cao-loon betaald worden, mede met behulp van een loonkostensubsidie van het Rijk.

Ook bij de Wajong hebben we een verschuiving gezien van het beschermen van het inkomen van jonge mensen met een arbeidsbeperking naar re-integratie naar werk. Het SCP concludeert daarbij dat het inkomen van Wajong-ers hierdoor is gedaald, ook als zij wel werken – het gaat namelijk vooral om deeltijdbanen en tijdelijk werk. Met ons voorstel voor een Zekerheidsinkomen keren we deze trend.

Het SCP merkt op dat gezondheid ook voor klassieke bijstandsgerechtigden vaak de belangrijkste belemmering blijkt te zijn om deel te nemen op de arbeidsmarkt. Hoewel de Participatiewet wel instrumenten en begeleiding hiervoor mogelijk maakt, worden deze nauwelijks toegepast. Bijstandsgerechtigden hebben niet alleen hulp nodig bij het zoeken van werk, maar ook aan ondersteuning om ‘werkfit’ te worden. Hierover bestaat bij gemeenten echter nauwelijks deskundigheid en dus ook geen aanbod. Dat moet in de door ons bepleitte werkwinkels nadrukkelijk beter georganiseerd worden. Werkgevers en werkenden moeten daar ook terecht kunnen voor advies en facilitering om langer gezond te kunnen blijven werken.

Maar van degenen die werkloos en wel in beeld zijn bij gemeenten is dat beeld van verre van compleet. Het is al eerder gesteld: Er is weinig persoonlijk contact, de zgn. klantmanagers (vreselijke term: uitkeringsgerechtigden zijn geen klant en er wordt ook weinig gemanaged) hebben een te grote caseload en dus te weinig tijd, en ze wisselen vaak: kennelijk is het moeilijk deze mensen langer vast te houden. Dat werkt uiteraard ook negatief op het hebben en onderhouden van een goed lokaal en regionaal netwerk met werkgevers, opleidingsinstituten en andere externe partijen.

Het SCP waarschuwt overigens ook tegen overdreven verwachtingen: arbeidsbemiddeling is een moeilijk vak en er spelen veel complexe problemen. Bovendien is er nu eenmaal een groep mensen met een zodanig grote afstand tot de arbeidsmarkt, dat het voor hen zeer moeilijk zo niet onmogelijk zal zijn regulier werk te vinden, zelfs als dat beschut werk is.

Het SCP stelt terecht dat het systeem van arbeidsbemiddeling nu ook te complex is, en dat dit de effectiviteit beperkt. “Het instrument beschut werk, de banenafspraak, het quotum, het doelgroepregister en de arbeidsmatige dagbesteding zijn alle gericht op een net iets andere doelgroep en kennen elk eigen streefcijfers en voorwaarden. Hoewel er vanuit het streven maatwerk te bieden allerlei argumenten zijn om doelgroepen verschillend te benaderen en ondersteunen, is het systeem dat nu gecreëerd is complex en omvangrijk.” In plaats hiervan moeten we de professionals in de werkwinkels de ruimte geven om te kiezen welk instrumentarium als maatwerk het effectiefst is.

Paul van der Aa stelt in het eerdergenoemde S&D artikel terecht: “Sociaal beleid krijgt pas betekenis in het handelen van de beleidsuitvoerders en hun interacties met burgers. Dit geldt onverkort voor de uitvoering van een activerend arbeidsmarktbeleid. Kwetsbare burgers zijn daarmee afhankelijk van de inzet en kwaliteit van de publieke uitvoerders die hen ondersteunen bij het realiseren van perspectieven op betekenisvolle participatie. Dit legt een grote verantwoordelijkheid op de schouders van de uitvoerders. Effectieve ondersteuning van zowel werklozen als werkgevers kan bijdragen aan het vergroten van hun regie en het vinden van passende routes richting werk of andere vormen van participatie. Idealiter zou een professionele uitvoerder bovendien moeten kunnen uitleggen waarom een bepaalde invulling van dienstverlening toegevoegde waarde heeft voor het realiseren van de individuele perspectieven van werklozen of werkgevers.

Onderzoeken naar manieren waarop uitvoerders van activeringsbeleid deze verantwoordelijkheid oppakken, laten echter steevast een grote, moeilijk te verantwoorden diversiteit zien. Ook blijvende aandacht voor de ontwikkeling van vakmanschap van deze uitvoerders is daarom een relevant onderdeel van een realistisch activerend arbeidsmarktbeleid.” Hij concludeert uit eigen onderzoek dat geleverde prestaties samenhangen met de mate van professioneel handelen bij bemiddeling naar werk.

“Een algemeen probleem hierbij is wel dat nog altijd onvoldoende duidelijk is welke vormen van dienstverlening in welke situaties effect kunnen sorteren. Effectonderzoeken zijn schaars, hanteren verschillende uitkomstmaten of geven alleen zicht op gemiddelde effecten. Weinig onderzoek is gericht op het handelen van uitvoerders die in individuele situaties onderbouwd moeten kunnen beslissen, vaak moeten samenwerken met andere professionals en moeten kunnen omgaan met soms tegenstrijdige verwachtingen van hun werk. Dit geldt des te meer voor onderzoek naar dienstverlening aan langdurig werklozen in complexe situaties, omdat veel beschikbaar onderzoek zich enkel richt op de dienstverlening aan kortdurend werklozen en op het solliciteren naar werk. Uitvoerders maken hierdoor noodgedwongen eigen afwegingen over wat een passende dienstverlening is.

Het volstaat echter niet om met professionalisering te wachten tot er meer onderzoek is gedaan waarvan de uitkomsten vervolgens eenvoudigweg kunnen worden overgedragen. Het ontwikkelen van praktisch toepasbare, relevante kennis over passende dienstverlening voor werklozen en werkgevers vraagt om structurele leerprocessen waarbinnen uitvoerders, onderzoekers en opleiders samen met werklozen en werkgevers kunnen optrekken om in hun context passende duurzame routes naar een inclusieve arbeidsmarkt en andere vormen van participatie te ontwerpen en te onderzoeken. Een realistisch activeringsbeleid zou dergelijke leerprocessen kunnen aanmoedigen en faciliteren, bijvoorbeeld door het professionele karakter van dit werk te erkennen en middelen vrij te maken voor de organisatie van dergelijke leerprocessen.”

xi.          Stop de flex!

Nederland is een koploper in Europa op het gebied van Flexwerk aldus de WRR in haar advies over Goed Werk: inmiddels heeft 36 procent van de werken­den geen vast contract. De flexibilisering van werk is de afgelopen decennia meer dan verdubbeld, tot ruim 2 miljoen tijdelijk werkenden, oproepcontracten en uitzendwerkers, en 1,1 miljoen zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Bijna iedereen in Nederland heeft hier direct of indirect mee te maken. De flexibilisering heeft bovendien de verantwoordelijkheidsrelatie tussen werkgevers en werknemers minder vanzelfsprekend gemaakt.

De WRR: “Er zijn nog nooit zoveel banen gecreëerd in ons land als in deze tijd. Het gaat hierbij echter vooral om flexibele banen, die grote nadelen kennen. Zo kunnen flexibele banen het innovatieve vermogen van arbeidsorganisaties negatief beïnvloeden: wie een tijdelijk contract heeft, zal minder snel kritiek leveren op het werk of ideeën aandragen om dit te verbeteren. Ook breder in de samenleving zijn er negatieve gevolgen: mensen met flexibele contracten stellen hun kinderwens uit. En de mogelijkheden op het werk om te leren en te ontwikkelen nemen niet toe, vooral niet voor mensen met een flexibel contract. Werkgevers investeren het minst in hen.

Sociale zekerheid, ook belangrijk voor de kwaliteit van werk, is voor veel wer­kenden (door de flexibilisering van werk) een bron van onzekerheid geworden. Vooral voor zzp’ers, die geen recht hebben op sociale verzekeringen, maar ook geen plicht om premies te betalen. Dit betekent dat zij nauwelijks verzekerd zijn tegen ‘oude risico’s’ zoals arbeids­ongeschiktheid en ouderdom, en evenmin tegen ‘nieuwe risico’s’ zoals zorgver­antwoordelijkheden of voldoende scholing. Bovendien dragen zij financieel weinig bij aan het collectieve socialezekerheidsstelsel. Het is daarom nodig een meer op de moderne arbeidsmarkt toegesneden stelsel van sociale zekerheid te ontwikkelen, waarin iedereen ongeacht contractvorm deelneemt.

Bijna de helft van de werkenden in ons land ervaart volgens de WRR een gebrek aan autonomie. Bedrijven en instellingen halen niet altijd het beste in mensen naar boven. Hoewel veel werkenden sociale steun ervaren op het werk, ook in vergelijking met andere landen, scoort Nederland tegelijkertijd hoog als het gaat om agressie op de werkvloer. Vooral publieke professionals, werkzaam in het onderwijs, de zorg of bij de politie, ervaren de minste grip op het werk. En dat terwijl autonomie een belangrijke buffer is tegen intensivering. Te weinig grip op het werk houdt deels verband met het toenemende aantal mensen met burn-outklachten (17,5 procent in 2018). Daarnaast houdt de helft van alle verzuimdagen in Nederland verband met het werk zelf. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) schat dat ongunstige arbeidsomstan­digheden in ons land ongeveer 5 procent van de totale ziektelast veroorzaken; dit is vergelijkbaar met de lasten van overgewicht. Voor wat betreft de publieke sector zie meer hierover in hoofdstuk VII.

Het huidige stelsel ontmoedigt ook volgens de commissie Borstlap duurzame arbeidsrelaties en stimuleert flexwerk. “In de kern geldt: hoe meer flexibiliteit een contract de werkgevende biedt, hoe minder risico’s de werkgevende loopt en hoe goedkoper het vaak is om werk te laten verrichten. De mate van keuzevrijheid en verschillen tussen contracten hebben tot gevolg dat hetzelfde werk in Nederland onder ongelijke voorwaarden kan worden en wordt verricht. Anders gezegd: het speelveld om werk te organiseren is zeer ongelijk. Ook internationaal bezien zijn de verschillen tussen contractvormen in bescherming en toerusting (van werkenden) en de kosten en risico’s (voor werkgevenden) aanzienlijk. (…)

De verschillen tussen contractvormen leiden ertoe dat inmiddels een steeds kleinere groep ‘insiders’ is ontstaan met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en aan de andere kant een steeds grotere groep ‘outsiders’ die werk verricht op basis van flexibele contracten. De onzekerheid over baan, werk en inkomen, – hetgeen samenhangt met flexibele arbeidscontracten – concentreert zich bij die groep outsiders. Deze groep kiest daar meestal niet voor. Zij zijn minder vaak tevreden over hun werk en hebben in de meeste gevallen (80 – 90 procent) vaak liever een vast contract. Dit komt mede doordat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor veel mensen, naast praktische economische waarde, zoals inkomenszekerheid en financieel perspectief bij bijvoorbeeld het kopen van een huis, gevoels- en symbolische waarde heeft. Anders geformuleerd: het is een vorm van erkenning door de werkgever. (…)

De werkzekerheid van werknemers met een flexibel arbeidscontract is minder dan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd: zij hebben een (fors) grotere kans om werkloos te worden. Ook het inkomensniveau en de inkomenszekerheid van werknemers met een flexibel contract is minder: zij verdienen gemiddeld zo’n zeven procent minder voor hetzelfde werk dan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en de kans op armoede onder werknemers met een flexibel contract is drie keer zo hoog.

Flexibele werknemers hebben minder goede toegang tot scholing en ontwikkeling gedurende de loopbaan, dit geldt met name voor uitzend- en oproepkrachten. Werknemers met uitzend- of oproepcontracten verrichten vaker werk met een zwaardere fysieke belasting, doen vaker gevaarlijk werk, zijn vaker slachtoffer van een arbeidsongeval en hebben minder toegang tot een bedrijfsarts dan werknemers met een contract voor onbepaalde tijd. De duurzame inzetbaarheid van deze groep werknemers is dan ook minder geborgd dan van werkenden met een contract voor onbepaalde tijd; met als risico dat deze flexwerkers op de arbeidsmarkt vroegtijdig aan de kant komen te staan.

Niet alleen worden individuele werknemers met een flexibel contract geconfronteerd met meer risico’s dan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ook het collectief betaalt voor flexibel werk een hogere prijs. Deze werkenden doen vaker een beroep op regelingen rondom werkloosheid, ziekte- en arbeidsongeschiktheid en bijstand. De kosten van flexibele contracten worden dan ook gedeeltelijk afgewenteld op het collectief.

De commissie signaleert ook dat flexwerk steeds vaker structureel werk is. In plaats van het opvangen van ‘piek en ziek’ gaat het steeds meer om een manier om structureel op arbeidskosten te besparen, en de risico’s van grillige vraag van klanten neer te leggen bij uitzendbureaus of bij de werkende zelf (oproepcontracten, zzp-ers). “Het lijkt bij flexwerk steeds minder uitsluitend te gaan om het opvangen van ‘piek en ziek’; flexibel werk vormt een manier om structureel op arbeidskosten te besparen. Zo werkt ongeveer 83 procent van de oproepkrachten gemiddeld elke week bij dezelfde werkgever op een contract zonder vaste uren; slechts een kleine minderheid van de oproepkrachten geeft aan sterk wisselende uren te werken. De structurele inzet van flexibel werk leidt er voor werkenden toe dat deze contractvorm steeds minder een opstap vormt naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en deze werkenden vast blijven zitten in de flexibele schil. Ter illustratie: voor uitzendkrachten geldt dat het percentage dat doorstroomt naar een contract voor onbepaalde tijd tussen 2007 en 2017 is afgenomen van 27 procent naar 16 procent.

De ‘structurele tijdelijkheid’ van veel flexwerk draagt eraan bij dat het steeds langer duurt voordat (vaak jonge) mensen voldoende (financiële) zekerheden hebben om een woning te kunnen kopen en/of een kinderwens te kunnen realiseren. Ze worden door minder scholing ook minder weerbaar en ze voelen de structurele tijdelijkheid als een gebrek aan erkenning, wat ten koste gaat van de loyaliteit aan en de inzet voor de werkgever. Steeds meer zie je dat voor hetzelfde werk volstrekt andere contractsvormen, beloningen en rechtspositie binnen dezelfde onderneming of organisatie naast elkaar voorkomen. Daar komt nog eens bij dat flexwerk zich concentreert bij lager opgeleiden, met een minder sterke positie op de arbeidsmarkt. Ook mensen met een migratieachtergrond hebben meer dan gemiddeld een flexcontract. De voordelen van flexwerk komen vooral terecht bij de hoger opgeleiden, de nadelen vooral bij laagopgeleiden. De toegenomen flexibilisering van werk vergroot daarmee de maatschappelijke ongelijkheid.

De commissie analyseert voorts dat duurzame arbeidsrelaties voor werkgevers onaantrekkelijk zijn (of zo worden gepercipieerd) vanwege de financiële verplichtingen en administratieve rompslomp (ontslagrecht, een vaste arbeidsurenomvang, premies, loondoorbetalingsverplichtingen, re-integratieverplichtingen), met name voor kleinere bedrijven.

Het tweede, daarmee samenhangende, probleem dat de commissie noemt is dat het huidige stelsel van contractvormen onoverzichtelijk en moeilijk handhaafbaar is. Een hanteerbare afbakening tussen werkende en zelfstandige ontbreekt, waardoor schijnzelfstandigheid steeds meer optreedt. Tegelijkertijd worden ze in het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de fiscaliteit volstrekt verschillend behandeld. Deze verschillen geven een perverse prikkel om te komen tot constructies met zelfstandigen in plaats van met werknemers. Steeds meer is er sprake van oneigenlijke concurrentie op basis van arbeidsvoorwaarden, waarbij tevens steeds meer oneigenlijke driehoeksverhoudingen (met een uitzendbureau of payroll-bedrijf) worden toegepast. Dit ondergraaft ook de handhaafbaarheid van allerlei regels over arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen.

Wat hiermee samenhangt is wat de commissie als apart probleem definieert: de grote verschillen tussen werkenden in fiscale behandeling van werk en in inkomensbescherming. Belasting en premieheffing op arbeidsinkomen is in ons land veruit de grootste post binnen de overheidsinkomsten – bij elkaar voor bijna 60% van alle belasting- en premieopbrengsten. Dit grote aandeel leidt ertoe dat in ons land, vergeleken met andere landen, de belastingdruk erg hoog is. De marginale lastendruk (de belasting en premie die je moet betalen over iedere extra euro die je verdient) ligt voor de meeste inkomensgroepen boven de 50% (inbegrepen het verlies aan toeslagen). Hier bovenop leiden gemeentelijke voorzieningen tot een stijging van de marginale lastendruk, met name aan de onderkant van het inkomensgebouw en voor gezinnen met kinderen. Het inkomensafhankelijk maken van fiscale kortingen heeft ertoe geleid dat ook de lagere inkomens – vanaf het wettelijk minimumloon – met een hoge marginale druk worden geconfronteerd. Zie hierover meer in hoofdstuk IV.

Binnen de groep werkenden zijn er echter grote verschillen in lasten. Zo betalen zelfstandigen geen werknemerspremies (WW, WAO/WIA, ZW), en geen verplichte aanvullende pensioenpremie. De verschillende behandeling van inkomensbronnen in ons belastingstelsel impliceert voorts dat looninkomsten meer worden belast dan inkomsten uit onderneming. Zelfstandig ondernemers hebben diverse ondernemingsfaciliteiten (zoals de Landbouwvrijstelling, de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen, de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en de herinvesteringsreserve) en ondernemersfaciliteiten (zoals de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de mkb-winstvrijstelling) die maken dat er minder belastingen en premies (ook voor volksverzekeringen als AOW, ANW en WLZ) verschuldigd zijn.

De commissie wijst ook op de specifieke voordelen voor DGA’s: “Daarbij is er nog een ander fiscaal regime voor zelfstandigen die de onderneming drijft in de juridische vorm van een vennootschap, de directeur-grootaandeelhouder (dga). De juridische splitsing tussen de persoon en de vennootschap maakt dat voor de dga: i) de inkomsten van zijn onderneming worden belast met vennootschapsbelasting, ii) eventuele dividenduitkeringen alsmede voordelen uit (latere) verkoop van de aandelen worden belast met inkomstenbelasting tegen een tarief van 26,25 procent (box 2) en iii) de dga geacht wordt een “gebruikelijk loon” te genieten dat wordt belast met inkomstenbelasting in box 1 (conform de looninkomsten van een werknemer).

Deze systematiek maakt het mogelijk dat er veel (arbeids)inkomen van de dga achterblijft in de vennootschap dat pas op een later moment (met name bij verkoop van de aandelen) wordt belast in de inkomstenbelasting tegen een tarief van 26,25 procent. Van deze mogelijkheid voor belastinguitstel wordt door dga’s in omvangrijke mate gebruikgemaakt.” DGA’s lenen nu excessief bij de eigen vennootschap om zo belastingheffing te ontkomen (nu voor gezamenlijk 55 miljard euro!). DGA’s delen zo geld niet uit als dividend en zetten het ook niet in als ondernemingsvermogen, maar wenden het voornamelijk aan voor private consumptie.

De commissie concludeert: “Deze verschillende fiscale regimes leiden tot verschillen in lastendruk, welke zoals gesteld gelegen kunnen zijn in de verschillende aard van het inkomen. Maar het resultaat is een ongelijke behandeling van arbeidsinkomen, met name wanneer bij een zelfstandige arbeid de voornaamste bron van inkomen is. Dit doet zich voor, indien een zelfstandige geen of marginaal kapitaal heeft geïnvesteerd in zijn onderneming. Het arbeidsinkomen van de zelfstandige wordt in dat geval te laag belast en het arbeidsinkomen van dga’s kan in dat geval worden onderschat. Dit bevordert arbitrage tussen de fiscale regimes en de juridische vorm waarin arbeid wordt aangeboden.

De fiscale verschillen werken door naar andere collectieve (inkomens)voorzieningen, die verschillen in lasten creëren. Dit is het geval indien deze (inkomens)voorzieningen het inkomen als maatstaf nemen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de toeslagen: de fiscale voordelen van zelfstandigen brengen mee dat zij eerder en meer beroep kunnen doen op toeslagen dan andere werkenden.”

Bij elkaar leiden alle verschillen tot grote verschillen in lasten op arbeid afhankelijk van de vorm waarin deze arbeid wordt verricht, dat een grote prikkel geeft tot zelfstandig ondernemerschap in plaats van werknemer, met een zeer beperkte bestaanszekerheid, en doordat de regelgeving de handhaafbaarheid bemoeilijkt, tot schijnconstructies. Ook leidt het tot forse uitholling van de financiering van de sociale zekerheid en van de collectieve voorzieningen. In de woorden van de commissie: “De fiscale voordelen voor zelfstandigen (zowel zelfstandig ib ondernemers als dga’s) leiden tot lagere collectieve inkomsten als gevolg van lagere ontvangsten van belastingen en premies. Dit gaat om forse bedragen die, gezien de volumeontwikkeling van ondernemers, duidelijk zijn gegroeid. De budgettaire derving van de twee grootste ondernemersfaciliteiten, de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling, is opgelopen van circa 1,4 miljard euro in 2004 naar circa 3,8 miljard euro in 2019.

Op zichzelf zou dit geen probleem zijn, mits deze uitgaven (in de vorm van verminderde belasting- en premieontvangsten) effectieve instrumenten zijn om de collectieve welvaart in Nederland te verhogen. Uit de meest recente evaluatie van (een deel van) de fiscale regelingen blijkt dat de omvang en samenstelling van de populatie van zelfstandigen in Nederland niet los kan worden gezien van de fiscale prikkels. In hoeverre de huidige omvang en samenstelling van deze groep ook daadwerkelijk bijdraagt aan het verhogen van de welvaart in Nederland is dan een relevante vraag. Een maatstaf die hiervoor genomen kan worden is het effect op innovatie, concurrentie en nieuwe producten en diensten. De evaluatie geeft aan dat er geen positieve correlatie is tussen investeringen in innovatie en het aantal zelfstandigen in een sector, en evenmin een positieve correlatie tussen innovatie en het aantal “succesvolle” ondernemers.

De bestaansonzekerheid van zelfstandigen bestaat volgens de commissie vooral uit een ontbrekende arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) en geen aanvullend pensioen. De premies op de particuliere markt daarvoor zijn voor veel zelfstandigen te duur. De partner- en vermogenstoets maakt dat maar 27% van zelfstandigen in aanmerking komt voor bijstand.

De commissie wil ‘interne flexibiliteit’ bevorderen door ‘de belasting van werkgevers rondom loondoorbetaling bij ziekte en ontslag te verminderen’, ‘de mogelijkheden om de interne wendbaarheid binnen duurzame arbeidsrelaties te vergroten’ en ‘de wettelijke verplichtingen van werkgevers (…) waar mogelijk terug te brengen’. Concreet stelt de commissie voor de loondoorbetaling bij ziekte te beperken van twee naar één jaar, en de werkgever het recht te geven eenzijdig (!) de arbeidsomvang (het aantal uren waarvoor je contractueel betaald wordt), het salaris (tot een bepaald percentage), functie, werklocatie en arbeidstijden te wijzigen “indien bedrijfseconomische omstandigheden daartoe aanleiding geven”. Dat laatste vult de commissie in door de werknemer te verplichten deze wijzigingen te accepteren, tenzij “sprake is van zwaarwegende omstandigheden” van de werknemer. De werkgever zou dit eenmaal per jaar of eenmaal per twee jaar mogen doen. De commissie zegt zich daarbij te realiseren dat dit neerkomt op legalisatie van deeltijdsontslag, en wil de gevolgen daarvan beperken door “bijv. een minimuminkomen dat moet overblijven, een inkomensgrens waaronder een dergelijke maatregel niet is toegestaan en/of een trapsgewijze afbouw van het salaris.” De commissie geeft aan deze ‘oplossing’ de voorkeur boven deeltijd-WW, omdat “dan ondernemersrisico’s kunnen worden afgewenteld op het collectief”. Kennelijk is afwenteling op de individuele werknemer beter… Andersom wil de commissie de rechten van werknemers versterken als zij de arbeidstijden, arbeidsomvang, functie en werklocatie willen wijzigen. De werkgever mag dat dan alleen gemotiveerd afwijzen, en concurrentiebedingen mogen door werkgevers ook voor contracten van onbepaalde tijd alleen opgenomen worden als zij dat zwaar kunnen motiveren.

Verder omarmt de commissie de beperking van de ontslagbescherming in de Wet Arbeidsmarkt in Balans van Rutte III, en wil dat nog eens fors uitbreiden door ontslag in beginsel altijd toe te kennen, waarbij de werkgever wel door de kantonrechter veroordeeld kan worden tot een ontslagvergoeding, indien de rechter meent dat er geen redelijke grond is voor ontslag. Hoe de commissie dat te verenigen acht met haar uitgangspunt dat werk veel meer is dan alleen een inkomen, nog tijdelijk ook, blijft in haar advies onbesproken.

Voor ons zijn de voorstellen van de commissie stuk voor stuk volstrekt onaanvaardbaar. Ze komen erop neer dat vast werk eigenlijk verdwijnt, en daar is volgens ons geen enkele rechtvaardiging voor. Het is strijdig met alle ideeën over bestaanszekerheid waar de sociaaldemocratie voor staat. Wat ons betreft bewijst ook juist weer in de huidige crisisbestrijding de deeltijd-WW zijn waarde en is deze verre te prefereren boven het deeltijdontslag van de commissie.

Dat ligt geheel anders bij de meeste voorstellen over het afremmen van ‘externe flexibiliteit’ door flexibele arbeidsovereenkomsten duurder te maken, en door met regulering te garanderen dat tijdelijk werk ook echt tijdelijk is. In dat kader wordt de in 2020 ingevoerde premiedifferentiatie in de WW (hogere premie bij flexwerk) toegejuicht en wordt aanbevolen de premiedifferentiatie in de ZW en de WIA te verbeteren. De commissie denkt voorts aan een hoger minimumloon voor flexwerkers of aan een flex-toeslag.

En: “Ten slotte geldt dat, om oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen, uitzendkrachten en andere werknemers binnen arbeidsrechtelijke driehoeksrelaties dezelfde (primaire en secundaire) arbeidsvoorwaarden zouden moeten ontvangen als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de onderneming waar de werknemer feitelijk werkzaam is. Om te zorgen voor een adequate prijs van uitzendwerk, stelt de Commissie voor de mogelijkheid te schrappen om bij collectieve arbeidsovereenkomst af te wijken van de hoofdregel dat voor uitzendkrachten hetzelfde arbeidsvoorwaardelijke regime toegepast moet worden als bij de inlener.

De commissie denkt dat wettelijke rechtvaardigheidsgronden om tijdelijk werk toe te staan lastig te handhaven zal zijn, en beperkt zich daarom tot het duurder maken van flexwerk en het verder generiek verkorten van de ‘ketenregeling’ van drie naar twee jaar (als je langer bij een werkgever in dienst bent, dan moet je in vaste dienst worden genomen), met uitzondering voor seizoensarbeid.

“Ten slotte adviseert de Commissie de mogelijkheden tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten zonder vaste arbeidsurenomvang te beperken. De Wet arbeidsmarkt in balans heeft eerste stappen gezet om werknemers met een contract zonder vaste arbeidsomvang meer zekerheid over werk en inkomen te geven. Zo moet de werkgever een oproep voortaan vier dagen van tevoren doen en moet de werkgever na een jaar een aanbod doen voor een contract met een vaste arbeidsomvang. De Commissie vindt deze maatregelen een nuttige stap, maar niet afdoende om de concentratie van slechte risico’s rond werk bij deze groep werknemers te voorkomen. Dit geldt temeer omdat de aanvullende rechten die aan oproepkrachten zijn toegekend voor hen in de praktijk lastig opeisbaar zijn, gelet op de beperkte onderhandelingsmacht van deze groep werknemers. De Commissie adviseert daarom het wettelijk niet langer mogelijk te maken om de loondoorbetalingsplicht als er niet wordt gewerkt vanwege een oorzaak die ligt in de risicosfeer van de werkgever, uit te sluiten. Bovendien dient in elke arbeidsovereenkomst minimaal per kwartaal een vast aantal arbeidsuren overeengekomen te worden met de werknemer, waarover het loon wordt voldaan (met de eis van loonspreiding). Beide maatregelen gelden zowel voor ‘reguliere’ oproepcontracten als voor uitzendovereenkomsten.

De commissie wil zoals onder 2.1.6. al aangegeven een einde maken aan de wildgroei van contractvormen, en pleit ervoor dat er maar drie overblijven:

-overeenkomsten voor zelfstandigen die werken voor eigen rekening en risico;

-arbeidsovereenkomsten voor werknemers die voor (on)bepaalde tijd werken in dienst van een werkgever;

-uitzendovereenkomsten voor werknemers in dienst van een uitzendbedrijf die tijdelijk werk verrichten dat niet of moeilijk voorzienbaar is.

De manier waarop werk feitelijk wordt uitgevoerd moet de contractvorm gaan bepalen, ‘de wil van partijen is (daarbij) niet relevant’. De commissie verwacht en hoopt dat daarmee meer mensen als werknemer zullen moeten worden beschouwd. Het onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen – ‘het bestaan van gezag’ van een werkgever – moet worden ‘verduidelijkt en gemoderniseerd’. “Dit gebeurt door niet langer het toezicht en de leiding van de werkgever, maar veeleer de inbedding in de organisatie van de werkverschaffer centraal te stellen. Ook moet meer nadruk komen te liggen op de activiteiten die worden verricht, meer specifiek de vraag of deze activiteiten behoren tot de reguliere activiteiten van de onderneming of organisatie waar deze worden verricht. (..) Ook in de bovengenoemde nieuwe afbakening blijft handhaving van cruciaal belang misbruik van verschillen tussen de beide contractvormen, en dus schijnzelfstandigheid, tegen te gaan. De Commissie is in dat verband voorstander van een “werknemer, tenzij”-benadering. Wanneer de arbeid persoonlijk en tegen beloning wordt verricht, is sprake van een werknemer tenzij door de werkgevenden (opdrachtgever) kan worden aangetoond dat de werkende een zelfstandige betreft. De bewijslast wordt dan in feite omgedraaid in vergelijking met de huidige situatie.” De commissie is tegen een opt-out mogelijkheid van deze regeling voor werkenden met een bepaald minimumtarief en ook tegen een algemeen minimumtarief voor zelfstandigen, omdat het moeilijk handhaafbaar zou zijn.

De commissie hoopt dat de aanscherping van de definitie van zelfstandigen versus werknemers meer werkenden onder het minimumloon komen te vallen. “De groep zelfstandigen die overblijft worden geacht zich op productmarkten staande te kunnen houden. Dit is anders indien toekomstig onderzoek zou uitwijzen dat ook onder deze groep sprake is van structurele armoede en de circa 10 procent zelfstandigen zonder personeel die thans onder de armoedegrens valt met bovengenoemde maatregelen niet is afgenomen.

De commissie wil oneigenlijk gebruikmaken van driehoeksverhoudingen, zoals payrolling, contracting, detachering of uitzending, tegengaan, door daarvoor een rechtvaardiging van te verlangen. “Dit betekent concreet dat in beginsel de feitelijke werkgever van de werknemer ook juridisch de werkgever is. Dat impliceert eveneens dat de daar geldende arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn.

Maar de commissie maakt een uitzondering voor uitzending door uitzendbureaus voor tijdelijk werk. Dan blijft het werkgeverschap bij het uitzendbureau, en blijft een verlicht ontslagregime gelden, voor een periode van maximaal een half jaar, en uitdrukkelijk niet in geval van ziekte. Wel moet de uitzendwerknemer tenminste de arbeidsvoorwaarden krijgen die ook de eigen werknemers van de opdrachtgever van het uitzendbureau ontvangen. Verder moet uitzendwerk echt tijdelijk zijn: de ketenregeling is van toepassing – werkt men langer bij een opdrachtgever, dan komt hij in dienst bij de opdrachtgever. “Om, mede gelet op de kwetsbare positie van veel uitzendkrachten, te voorkomen dat het verlichte ontslagregime voor uitzending oneigenlijk wordt gebruikt, moet worden nagegaan hoe een goede naleving van civiele en publiekrechtelijke regels door uitzendwerkgevers in de toekomst geborgd kan worden. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan het stellen van administratieve en financiële eisen bij het oprichten van een uitzendbureau, het gericht aanpakken van faillissementsfraude bij deze werkgevers, maatregelen gericht op de versterking van private handhaving van kwaliteitseisen of het instellen van een vergunningplicht.

De commissie bepleit voorts uitzonderingen voor intra-concern detachering (detachering bij een ander bedrijf binnen hetzelfde groepsconcern (met een zelfde maximumtermijn als bij uitzendwerk) en bij ‘collegiale in- en uitlening’ (ook met deze maximumtermijn). “De rechtvaardigingsgrond hiervoor is gelegen in het feit dat bij deze vorm van terbeschikkingstelling de ene ondernemer het eigen personeel ter beschikking stelt aan een collega-ondernemer ‘bij wijze van hulpbetoon zonder winstoogmerk’. Bijvoorbeeld wanneer sprake is van een rustige periode bij een andere onderneming.” Gevoegd bij het eerdere voorstel van de commissie om de ‘interne flex’ dramatisch te vergroten (zie hiervoor) wordt met dit voorstel de werkonzekerheid bij vast werk nog eens verder vergroot. Met dit specifieke voorstel kunnen we daarom niet instemmen.

Een volgende uitzondering betreft bepaalde vormen van detachering en contracting: “Bij bepaalde detachering- en contractingvarianten zal niet meteen duidelijk zijn binnen wiens onderneming de werknemer werkt en wie in die hoedanigheid toezicht en leiding (gezag) heeft. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien de werknemer in het kader van een uitbesteding van werk door de opdrachtgever aan zijn werkgever wordt ingezet op de locatie van de onderneming van die opdrachtgever. Bij klassieke vormen van aanneming van werk als beveiliging, schoonmaak en catering is dat een stuk inzichtelijker dan bij nieuwe vormen van arbeidsverdeling die in de afgelopen jaren onder de noemer van onder andere contracting zijn ontwikkeld. Het werkgeverschap van de uitbestedende opdrachtgever op wiens locatie het werk wordt verricht, wordt daarom als rechtsvermoeden gereguleerd: deze onderneming is werkgever, tenzij.” Dit ‘tenzij’ geldt alleen wanneer aangetoond kan worden dat “de werknemer (i) onderdeel is van de organisatie van de partij die hem inzet bij de opdrachtgever en (ii) activiteiten verricht die (ook) behoren tot de reguliere ondernemings­activiteiten van de partij die hem inzet bij de opdrachtgever.

De commissie onderscheidt bemiddelingsbureaus van uitzendbureaus – bij de eerste ontbreekt dat men zich ook bezig houdt met de invulling en uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Bij met name digitale bemiddelingsbureaus verloopt de betaling voor de werkzaamheden echter wel via het platform. Voor een deel is daarmee zo’n platformbedrijf wel degelijk betrokken bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, al gaat het alleen maar om het beheer van de geldstroom. “In deze situatie stelt de Commissie voor de bemiddelaar medeverantwoordelijk te maken voor de afdrachten van (loon)belasting en/ of premies waar het gaat om bemiddeling van werknemers; dus daar waar de bemiddeling leidt tot de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst. Zo ontstaat niet alleen meer zicht op het nu nog vooral zwarte circuit rondom werk voor particulieren, maar wordt ook bevorderd dat digitale platformen niet alleen voordelen genieten maar ook verplichtingen krijgen in relatie met de arbeid die na hun bemiddeling wordt verricht.

Om dezelfde redenen beveelt de Commissie aan na te gaan wat de mogelijkheden zijn in geval van bemiddeling van zelfstandigen de bemiddelende partij fiscale afdrachten te laten doen voor de zelfstandige. Omdat thans het uitgangspunt in de fiscaliteit is dat zelfstandigen hun belastingen zelf afdragen, zal nagegaan moeten worden op welke wijze bij bemiddeling door digitale platforms kan worden afgeweken.

Een platform dat de financiële en administratieve verplichtingen verbonden aan de overeenkomst tussen platform en platformwerker, of tussen platformwerker en de gebruiker van het platform, op zich neemt is een werkgever dan wel een uitzendwerkgever als het platform ook zelf een zelfstandige en inhoudelijke rol speelt bij de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst en de werkzaamheden van de platformwerker behoren tot de onderneming van het platform, zo stelt de commissie. Wij betwijfelen of dit voorstel ver genoeg gaat om schijnconstructies, zoals die nu plaatsvinden bij bijv. platforms voor maaltijdbezorgers en voor schoonmakers, uit te sluiten. Op zijn minst zouden we de bewijslast ook hier willen omdraaien, door te stellen dat de platformmedewerker een werknemer is, tenzij het platform aan kan tonen dat zij geen werkgever is in de hierboven aangegeven zin.

Werkenden krijgen in de voorstellen van de commissie voorts laagdrempelige hulp om hun rechten te effectueren met een arbeidsombudsman, “een publiek loket waar op een laagdrempelige wijze inzicht in rechten verkregen kan worden en ondersteuning geleverd kan worden bij het effectueren van rechten.

De commissie stelt voorts voor te komen tot een gelijke fiscale behandeling van en basisinkomenszekerheid voor alle werkenden. Nu is flexwerk te goedkoop, wat leidt tot een perverse prikkel ten gunste van flexwerk bij werkgevers, toenemende bestaansonzekerheid door daardoor toenemende flexibilisering van arbeid en tot een ondermijning van het financiële draagvlak voor onze sociale zekerheid en collectieve voorzieningen omdat door/voor steeds minder werkenden premie en belasting wordt betaald.

De commissie wil daartoe alle werkenden voortaan laten meebetalen aan het ‘fundament’ en de overige collectieve uitgaven, via belastingen en premies. “De verschillen in belastingheffing die nu bestaan tussen werknemers en zelfstandigen worden verkleind door arbeid voor alle werkenden gelijk te belasten. Ondernemerschap blijft gestimuleerd worden door ondersteunende voorzieningen gericht op investeringen. Zelfstandigen gaan ook premie betalen voor de basisverzekering tegen arbeidsongeschiktheid en voor voorzieningen tegen kennisveroudering. Deze gelijke behandeling is niet alleen nodig gelet op de eisen die de arbeidsmarkt van de toekomst aan iedereen stelt, maar maakt het speelveld op de arbeidsmarkt ook gelijker; de door regels gegenereerde kostenverschillen tussen werknemers en zelfstandigen worden verkleind.”

Concreet wil de commissie de huidige ondernemingsfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) ‘in een herkenbaar tijdpad’ afschaffen, de DGA (directeur-grootaandeelhouder) direct gaan belasten over de winst van zijn vennootschap, zoveel mogelijk als arbeidsinkomen (box I), en de fiscale faciliteiten voor ondernemers (incl. DGA’s) te richten op de het in de onderneming aangewende kapitaal in de vorm van een algemene investeringsaftrek. Wij komen hierop terug in hoofdstuk IV.

Voorts wil de commissie naast een persoonlijk ontwikkelingsbudget (zie 2.1.12) ook voor iedereen een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) wil op het niveau van het sociaal minimum. De commissie kan zich voorts voorstellen dat het ‘fundament’ voor alle werkenden in de toekomst uitgebreid wordt met verlofregelingen en het recht op aanvullend pensioen. De AOV op sociaal minimumniveau wil de commissie voor alle werkenden, en dus niet alleen voor ZZP-ers zoals voorzien in het pensioenakkoord. De basis AOV wordt gefinancierd door een uniforme premie die alle werkenden, dus ook zelfstandigen, moeten betalen. Er geldt een wachttijd gelijk aan de loondoorbetalingsplicht bij ziekte. De commissie acht bijstand niet de weg voor zo’n inkomensvoorziening, maar gaat geheel voorbij aan de mogelijkheden om juist de bijstand uit te breiden naar een regelarm inkomensvangnet voor iedereen, zoals wij hebben voorgesteld bij het Zekerheidsinkomen. Door dat voorstel is geen aparte verplichte AOV op sociaal minimumniveau meer nodig.

De WIA en bovenwettelijke regelingen blijven in de voorstellen van de commissie – en in die van ons – als aanvullende voorziening bestaan, ook voor zelfstandigen. De commissie wil voorts de re-integratieverplichtingen voor werkgevers beperken, “bijvoorbeeld door deze te beperken tot investeringen in de herplaatsing van zieke werknemers binnen het eigen bedrijf (het zogenoemde eerste spoor) en het opzegverbod bij ziekte daarop af te stemmen. Als er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn binnen het eigen bedrijf en die ook niet kunnen worden gecreëerd, zou het dienstverband dan kunnen worden beëindigd. Met deze maatregel zouden vooral kleinere werkgevers kunnen worden ontlast. Wegens gebrek aan herplaatsingsmogelijkheden zullen zij volgens de huidige regels immers moeten zoeken naar re-integratiemogelijkheden bij een andere werkgever. Kleinere werkgevers worden zo in feite belast met een arbeidsbemiddelende taak en de vraag is of dat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaat.” Opnieuw tast de commissie vergaand de rechtsbescherming van werkenden aan en maakt men van vast werk in feite flexwerk. Voor ons is dit specifieke voorstel daarom volstrekt onacceptabel.

xii.          Meer en beter scholen

Volgens de commissie Borstlap vinden er te weinig gerichte investeringen plaats in met name kennis, kunde en vaardigheden tijdens de loopbaan, en dan met name bij minder hoog opgeleiden. Deze onderinvesteringen leiden tot onderbenutting van het persoonlijk menselijk kapitaal als van de daarvan te verwachten maatschappelijke baten. Het leidt zowel tot arbeidstekorten (er kan geen geschikt personeel gevonden worden) als tot werkloosheid (mensen kwalificeren zich niet voor de beschikbare banen). Ook op het toppunt van onze recente hoogconjunctuur stonden er nog steeds ruim 1 miljoen mensen onvrijwillig langs de kant, terwijl tegelijkertijd het aantal vacatures recordhoogtes bereikte.

De commissie wijst op de zorgwekkende internationale achterstand van het beheersen van vaardigheden zoals lezen bij jongeren en op dat slechts 50% van de Nederlanders basale ICT-vaardigheden bezit. Voorts wordt er al decennia lang gesproken over een ‘leven lang leren’, maar er is nauwelijks concrete voortgang geboekt. Dat komt volgens de commissie in de eerste plaats omdat de middelen voor scholing en ontwikkeling van werkenden nu vooral terecht komen bij diegenen die dat het minst nodig hebben (hoger opgeleid, jonger, vast contract) – werkenden die leren het meest nodig hebben (wat lager opgeleid, wat ouder, veelal met een flexcontract), leren daardoor het minst. De commissie wijst erop dat praktijkleren, dat in buitenland succesvol is juist voor lager opgeleide werkenden, in ons land relatief onderontwikkeld is.

Werkenden ervaren nu ook nauwelijks de noodzaak tot scholing en ontwikkeling, of pas wanneer het bij dreigend ontslag vaak al te laat is. En het onderwijsaanbod is ook gebrekkig en voornamelijk gericht op initiële scholing en op relatief langdurige diploma-gevende trajecten.

De commissie wil een regeling die alle werkenden, ongeacht de contractvorm, adequaat beschermt tegen kennisveroudering. Daartoe krijgt iedereen bij geboorte een gelijk individueel ontwikkelingsbudget dat beschikbaar is gedurende de gehele loopbaan. “Iemand die een opleiding afrondt in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo’er) houdt hiervan na zijn initiële schoolperiode meer over dan een universitair geschoolde werkende vanwege het verschil in kosten tussen beide opleidingen. Mensen kunnen hun ontwikkelbudget gebruiken om bij te blijven in hun vak, of om een nieuw beroep te leren als het tijd is om de bakens te verzetten. Via een niet vrijblijvende, regelmatig terugkerende loopbaan-APK worden de werkenden geactiveerd hun budget te gebruiken zodat ze wendbaar en inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt. Het is van belang dat het ontwikkelbudget gedurende de loopbaan van de werkende blijft worden gevuld zodat ook bij wisselingen van werk er middelen zijn om te investeren in (om)scholing en ontwikkeling. De Commissie adviseert de transitievergoeding om te vormen tot een vergoeding die leidt tot extra persoonlijk ontwikkelbudget. Daarnaast adviseert de Commissie te bewerkstelligen dat het persoonlijk ontwikkelbudget, ongeacht de contractvorm waarop wordt gewerkt en los van (frequente) baanwisselingen gedurende de loonbaan blijft worden gevuld.”

Een systeem van leerrechten dus, die hoger worden naarmate je een lager niveau van initiële opleiding hebt gevolgd. Bij het niveau van universitair onderwijs resteren er nog nauwelijks leerrechten. De leerrechten worden weer aangevuld door de transitievergoeding (wat vroeger ontslagvergoeding heette: een uitkering bij onvrijwillig ontslag, uit te betalen door de werkgever, afhankelijk van laatst genoten salaris en de duur van het dienstverband[34]). Wij ondersteunen dit voorstel. Er wordt al een leven lang geluld over een leven lang leren, het wordt tijd dat we hier eindelijk tot actie en daadkracht overgaan.

Anders dan nu wil de commissie dat je de transitievergoeding alleen nog maar mag gebruiken voor leerrechten. De commissie wil daarmee garanderen dat de vergoeding alleen gebruikt wordt voor het doe waarvoor zij dient: de transitie naar ander werk. Daarbij gaat ze voorbij aan andere mogelijkheden die daarvoor kunnen dienen, en aan de situatie dat opleiding niet het grootste probleem is om ander werk te vinden. Ook gaat zij voorbij aan de financiële problemen die bij ontslag ontstaan, zelfs als er WW-rechten zijn. Het dwingend gebruiken van een ontslagvergoeding voor leren draagt niet bij aan de financiële bestaanszekerheid, en wijzen we daarom af.

De commissie wil voorts de leerrechten tijdens je loopbaan aanvullen door een aparte premie als percentage van de loonsom in te houden en deze te storten in je persoonlijk ontwikkelingsbudget. Ook zelfstandigen krijgen zo’n verplichting. Dat is een prima voorstel, maar we zouden de lasten op arbeid wel beperkt en het lonend houden van werk wel voldoende overeind willen houden, en stellen een tripartite financiering voor, waarbij ook de overheid meefinanciert.

Het ontwikkelbudget moet volgens de commissie (en daar zijn we het mee eens) besteed worden aan opleiding, maar de keuzes daarbinnen zijn aan de werknemer. Het is beschikbaar voor alle werkenden, en blijft in stand bij verandering van werk.  Voor de besteding van de leerrechten moet de werknemer gebruik kunnen maken van onafhankelijk gecertificeerde modules van beroepsgericht onderwijs, die te combineren moeten zijn met werk (zorgtaken worden door de commissie niet genoemd) en rekening houden met wensen en vaardigheden van werkenden (de commissie noemt praktijk leren of duaal leren). Het aanbod moet vraag-gefinancierd worden.

De commissie wil werkenden laten ondersteunen bij het daadwerkelijk gebruiken van het persoonlijk ontwikkelingsbudget door een landelijke organisatie met loopbaanwinkels, die persoonlijke en onafhankelijke begeleiding en ondersteuning geven. “Deze loopbaanwinkel heeft in ieder geval drie functies. In de eerste plaats kan worden gedacht aan een verplicht periodiek bezoek voor alle werkenden (bijvoorbeeld jaarlijks of tweejaarlijks) waarbij scholings- en ontwikkelingsnoodzaak in kaart worden gebracht. In de tweede plaats ondersteunt de loopbaanwinkel alle werkenden bij het vinden van de juiste opleidingen/modules. Daar bestaat immers het overzicht over de mogelijkheden en over de vaardigheden/beroepen waaraan op de arbeidsmarkt nu en in de toekomst behoefte aan is. Individuele werkenden hebben die kennis niet altijd of niet voldoende. Ten slotte heeft de loopbaanwinkel een rol bij (dreigende) werkloosheid of arbeidsongeschiktheid.” Dit voorstel sluit goed aan bij ons voorstel om te komen tot werkwinkels in paragraaf 2.1.10. Wij stellen voor het idee van de loopbaanwinkels te integreren met deze werkwinkels.

Dat werkenden zelf kunnen beschikken over het ontwikkelbudget, betekent volgens de commissie niet dat de leerrechten vrijblijvend zijn. Het persoonlijk ontwikkelingsbudget en de loopbaanwinkel wil de commissie integreren in het arbeidsrecht en het sociale zekerheidsrecht. “Dit kan bijvoorbeeld door de werknemer te verplichten zich te melden bij de loopbaanwinkel binnen enkele dagen nadat hij weet dat zijn arbeidsovereenkomst zal eindigen (dus direct na de opzegging en niet pas na einde dienstverband). Langs deze weg kan de opzegtermijn (of aanzegtermijn) beter worden benut voor de transitie naar ander werk. Het niet-inzetten van leerrechten, of het in het verleden onvoldoende hebben ingezet van leerrechten (bijvoorbeeld door de periodieke bezoeken aan de loopbaanwinkel over te slaan), heeft consequenties voor de duur en/of hoogte van de uitkering. Meer nog dan nu het geval is moet vanaf de eerste dag dat iemand uitkeringsgerechtigd is, ingezet worden op een terugkeer richting werk. De verantwoordelijkheid hiervoor berust bij de uitkeringsgerechtigde, waarbij de regulering ingericht is op ondersteuning en stimulering.” De commissie gaat daarbij volledig voorbij aan de door velen geconstateerde contraproductieve werking van negatieve financiële prikkels en ook voorbij aan de vraag van het illusoire leerrendement van gedwongen leren. Wij geloven meer in positieve prikkels en stellen in plaats van kortingen en sancties voor te werken met financiële en andere beloningen.

Op ondernemingsniveau en op sectoraal niveau kunnen volgens de commissie daarenboven net als nu afspraken worden gemaakt voor verdere ontwikkeling van specifieke kennis en vaardigheden binnen de huidige arbeidsrelatie van een werkende. Vreemd genoeg integreert de commissie die afspraken niet dwingend in het leerrechtenstelsel, en wordt het probleem van de enorme niet gebruikte budgetten in de opleidingsfondsen zo volstrekt genegeerd. Wij stellen voor dat wel te doen.

xiii.           Eerlijk delen van werk en andere taken

Het zorgverlof gaat gelden voor alle werkenden, ook zelfstandigen.

Volgens de WRR in haar advies Goed Werk zegt 38% van de werkende mensen dat ze vaak of altijd snel te moeten werken om het werk af te kunnen krijgen. Vooral in de publieke sector, maar zeker niet alleen daar, is de als te hoog ervaren werkdruk de afgelopen tijd geagendeerd. Door de diensteneconomie is veel van ons werk mensenwerk. Een op de tien werkenden vindt het werk emotioneel zwaar. Intensivering kan mensen uit de arbeidsmarkt drukken die niet kunnen voldoen aan de hoogproductieve eisen die het werk stelt, bij­voorbeeld als zij een (mentale) arbeidsbeperking hebben, en kan de re-integratie van mensen met kanker of een burn-out ingewikkelder maken. Meer autonomie op het werk – meer vrijheid om het werk naar eigen inzicht in te vullen – is een buffer tegen intensivering.

Een op de tien werkenden in ons land zegt volgens de WRR al geruime tijd een disbalans te ervaren tussen thuis en het werk. Grip op het leven wordt in ons land vooral georganiseerd door in deeltijd te gaan werken, maar de kosten hiervan komen wel voor rekening van het individu, vooral vrouwen. Ons land heeft vergeleken met andere landen zeer beperkte betaalde verlofregelingen voor de zorg voor kinderen en ouderen, en excelleert niet in kwalitatief hoogstaande kinderopvang. Bovendien heeft lang niet iedereen (slechts de helft van de werkenden) voldoende zeggenschap over de eigen werktijden om grip te kunnen hebben op het leven. Nieuwe technologie kan de grenzen tussen thuis en werk bovendien vertroebelen.

xiv.          Een goed aanvullend pensioen voor alle werkenden en een rechtvaardige pensioenleeftijd

De commissie Borstlap: “In Nederland ontvangen ruim 2,1 miljoen huishoudens AOW. Aanvullend ontvangen 1,9 miljoen huishoudens ook een aanvullend pensioen. Gemiddeld was de AOW ongeveer net zo hoog als het aanvullend pensioen. De inkomens na pensionering verschillen echter fors. Zo had in 2017 circa 6 procent van de huishoudens (113.000) hooguit 250 euro bruto per maand aanvullende inkomsten boven de AOW en 10 procent van de huishoudens (225.000) tussen de 250 tot 500 euro bruto. Beide groepen omvatten vaak alleenstaande ouderen. Aan de andere kant ontving 62 procent van de AOW-huishoudens (vooral paren) maandelijks aanvullende inkomsten van duizend euro bruto of meer. Bij ruim de helft van deze AOW-huishoudens ging het om 2000 euro bruto of meer, dus om een aanvullend bedrag ruimschoots boven de AOW. In het algemeen geldt dat onder ouderen het langdurig armoederisico lager is dan voor de totale bevolking (11 procent vs. 3,3 procent).

Deze verschillen in inkomen na pensioneren beginnen bij de pensioenopbouw gedurende het werkende leven. Een deel van de werknemers (2016: 13 procent (856.000)), met name jongere werkenden, bouwt geen pensioen op via zijn werkgever (“witte werknemers”). Ongeveer een derde van de werkgevers, vooral kleine werkgevers, biedt ook geen pensioenregeling aan (“witte werkgevers”). In totaal heeft 6 procent (444.000) van de werkenden geen pensioen­aanspraken in de tweede pijler, waarvan 94 procent (418.000) ook geen aanvullend pensioen opbouwt in de derde pijler (d.w.z. een fiscaal gefaciliteerde pensioenvoorziening). Van de zelfstandigen heeft 77 procent op enig niveau pensioenaanspraken in de tweede pijler.

Verschillen in opbouw resulteren in verschillen in vervangingsratio van het inkomen voor en na pensioneren. Dit is zichtbaar indien de inkomenspositie na pensioneren van huishoudens met zelfstandig ondernemers wordt vergeleken met huishoudens met werknemers. Vergelijking leert dat het doorsnee bruto vervangingsratio van zelfstandig ondernemers 7 procent lager ligt. Ook de spreiding in inkomen na pensioneren is groter onder zelfstandig ondernemers dan onder werknemers. Van de huishoudens met zelfstandig ondernemers zal naar verwachting 43 procent niet een pensioen van 70 procent van het bruto huishoudinkomen bereiken. Voor huishoudens met alleen werknemers geldt dat voor 31 procent. Zelfstandig ondernemers bouwen dus, uitgaande van de norm van een vervangingsratio van 70 procent, vaker dan werknemers geen toereikend pensioen op. Hierbij is uitgegaan van een brede benadering van pensioen, dus naast AOW en tweede en derde pijler pensioenen, zijn ook vrije besparingen en de besparingen op woonlasten meegenomen.

Naast groepen die te weinig opbouwen zijn er ook groepen die meer dan de huidige maatschappelijke norm van 70 procent vervangingsratio opbouwen. Ongeveer een vijfde van de huishoudens heeft een pensioeninkomen dat uitkomt op een vervangingsratio van meer dan 100 procent.

Uit deze cijfers blijkt dat in het huidige stelsel niet alle werkenden erin slagen om tijdens hun (werkende) leven voldoende middelen opzij te leggen voor de oude dag; andere groepen sparen juist te veel. De oorzaak hiervan kan zijn dat de men onvoldoende inkomen heeft om gedurende het (werkzame) leven te sparen voor de oude dag en/of dat men niet voldoende heeft gespaard, bijvoorbeeld als gevolg van irrationeel gedrag (bijvoorbeeld een “present bias”). Als werkenden onvoldoende pensioenvermogen opbouwen, plaatst dit extra druk op de aanvullende publieke (inkomens) voorzieningen (bijvoorbeeld toeslagen) waarop mensen recht kunnen hebben bovenop de AOW.

De verschillen komen voort uit de huidige vormgeving van het pensioensysteem. Werkenden die onder een verplicht­stelling vallen, leveren een verplichte pensioenbijdrage in de tweede pijler. De premies in de tweede pijler verschillen sterk per sector en zijn afhankelijk van het pensioencontract (bijv. verschillen in ambitie, indexatie voorwaarden, etc.) en deelnemer populatie (bijvoorbeeld levensverwachting). De pensioenpremie als percentage van het bruto-inkomen ligt tussen de circa 10 en 30 procent, waarbij de gemiddelde premie rond de 16 procent ligt. In recente jaren zijn de pensioenpremies verder gestegen.

Er zijn echter ook sectoren waar de verplichte deelname aan pensioensparen niet van toepassing is en werkgevers geen pensioenregeling aanbieden (de zogenoemde de witte vlek). Zelfstandigen vallen, op enkele uitzonderingen na en afgezien van de AOW, evenmin onder de pensioenplicht. Daarnaast vallen uitzendkrachten vaak onder een andere verplichtstelling, dan die van de inlener en hebben daardoor recht op een ander (vaak lager) pensioen.

De Commissie constateert dat de AOW in combinatie met aanvullende (inkomens)voorzieningen (zoals toeslagen) er, behoudens uitzonderlijke gevallen, goed in slaagt om armoede onder gepensioneerden te vermijden. Dat is een groot goed. Het huidige systeem leidt er echter ook toe dat bepaalde groepen te maken krijgen met een forse inkomensterugval gedurende de oude dag. Daarnaast is er een groep werkenden die gedurende het werkzame leven te veel spaart, of moet sparen, en er in inkomen op vooruit gaat na pensioneren. Deze inkomensverschillen voor en na pensioneren zijn onwenselijk, zeker als die het gevolg zijn van regelgeving.

Aanvullend constateert de Commissie dat het huidige pensioensysteem ruimte laat voor verschillen in arbeidsvoorwaarden tussen werkenden (zelfstandig ondernemers en werknemers met/zonder/of een beperkt aanvullend pensioen), meer specifiek op pensioenvoorwaarden. Het verschil in regels tussen de diverse groepen werkenden veroorzaakt concurrentie op pensioen gerelateerde arbeidskosten. Er ontstaat zo een tendens om niet of minder te sparen voor aanvullend pensioen. Dit is niet alleen onwenselijk voor de werkenden zelf (die dus vaker te maken zullen krijgen met een forse inkomensdaling na pensionering), maar ook voor het collectief. Een lager aanvullend pensioeninkomen betekent dat meer gepensioneerden een beroep zullen doen op aanvullende collectieve (inkomens) voorzieningen, zoals zorg- en huurtoeslag.”

xv.          Eerlijk werk: geen internationale concurrentie op arbeidsvoorwaarden en geen uitbuiting van arbeidsmigranten

Bij goed werk hoort ook dat werk eerlijk is. In de huidige situatie wordt er misbruik gemaakt van de open grenzen binnen de EU op het punt van vrije arbeidsmigratie. Er wordt geconcurreerd op arbeidsvoorwaarden doordat de Europese richtlijnen daarover nog steeds te weinig een gelijk speelveld garanderen. O.m. met brievenbusmaatschappijen worden schijnconstructies opgetuigd. Sociale premies worden vermeden. Naast dat de regelgeving onvoldoende is, schort het ook aan de handhaving.

Dit maakt dat werknemers uit m.n. Oost-Europese lidstaten goedkoper zijn dan de eigen werknemers, en verdringt daarmee werkgelegenheid voor de West-Europese burgers. Dit ondermijnt niet alleen de eigen verzorgingsstaat en sociale zekerheid, maar voedt ook anti-EU sentimenten. Bovendien zijn deze EU-arbeidsmigranten kwetsbaar voor uitbuiting, en bestaan er vele voorbeelden van schandelijke praktijken. Met name de transportsector, de tuinbouw en de bouwsector zijn berucht. Koppeling van werk aan huisvesting maakt deze migranten nog kwetsbaarder. Er zijn veel malafide uitzendbureaus die hier een goede boterham aan verdienen.

De huidige toenemende economische ongelijkheid tussen EU-lidstaten is onhoudbaar, al was het maar om het wegtrekken van geschoolde en jonge burgers uit de armere lidstaten te stoppen. Van de afgesproken convergentie, het naar elkaar toegroeien van standaarden, komt niets terecht. De regionale structuurgelden zijn daarvoor onvoldoende. Het Europese Stabiliteits en Groei Pact is nu te eenzijdig gericht op overheidstekorten en overheidsschulden. Lidstaten moeten verplicht worden toetsbare doelen en plannen te maken die leiden tot minder ongelijkheid tussen lidstaten. Daartoe moeten in EU verband minimumnormen gesteld worden, die stapsgewijs verhoogd worden. Denk aan minimumnormen voor minimumloon, sociale zekerheid en bestaanszekerheid. Nieuwe Europese begrotingsinstrumenten moeten ontwikkeld worden om de zwakkere lidstaten daarbij te helpen. 

Ook nationaal moet de implementatie en handhaving van de EU richtlijnen tegen oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt en de handhaving tegen illegale arbeidsmigratie en de uitbuiting van arbeidsmigranten veel beter. Daarnaast moeten we arbeidsmigratie van buiten de EU veel beter reguleren – zie daarvoor hoofdstuk III. En we stoppen met het fiscaal subsidiëren van werkgevers voor hoopopgeleide kennismigranten (expats) – deze bedrijven kunnen dat prima zelf financieren, en het creëert opnieuw een ongelijk speelveld.


[1] Europees voor de komende periode op bijv. maximaal 4%.

[2] Volgens de directeur van werkgeversorganisatie AWVN is het mogelijk om hiermee zelfs 250.000 banen te creëren aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Denk aan computerhulp aan huis, de piccolo terug in hotels, baliefuncties in de zakelijke dienstverlening.

[3] Voor een uitkering op sociaal minimumniveau is er geen sollicitatie-, re-integratie, medewerkings- en taalplicht meer; voor mensen die minderjarig al een arbeidsbeperking hebben geen keuringseis meer voor een uitkering op sociaal minimumniveau.

[4] Centraal Bureau voor de Statistiek, Meting IVRPH-indicatoren 2016, 2018; NIVEL, Meting indicatoren voor monitoring van het VN Verdrag voor de rechten van mensen met een handicap; stand van zaken 2012-2016 in Nederland, Utrecht: 2018.

[5]  Zie:  https://www.scp.nl/Nieuws/Invoeren_Participatiewet_en_afsluiten_sociale_werkvoorziening_heeft_baankansen_Wsw_doelgroep_verminderd

[6] Zie de nota die daarover in opdracht van de FNV is opgesteld: https://www.fnv.nl/getmedia/06298544-73f2-44bd-a030-ebb6fea298ee/20-01-30-SOW-werkvormen-kosten-en-baten-def.pdf

[7] Zie o.m.: http://www.landelijkeclientenraad.nl/Content/Downloads/18-0086%20advies%20klankbordgroep%20banenafspraak%20overheid%2020%20november%202018.pdf

[8] Zie ook de WBS-nota uit 2019: https://www.pvda.nl/wp-content/uploads/2019/01/Een-arbeidsmarkt-voor-iedereen.pdf

[9] http://www.landelijkeclientenraad.nl/Content/Downloads/2019-06-18%20-%20Stel%20vragen%20over%20beschut%20werk.docx.pdf

[10] Cedris is een vereniging voor een inclusieve arbeidsmarkt, bedrijven of organisaties met een personeelsbestand van tenminste 30% van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt kunnen lid worden, zoals SW-bedrijven, leerwerkbedrijven, en sociale ondernemingen.

[11] Divosa is de vereniging van gemeentelijke directeuren in het sociaal domein.

[12] https://cedris.nl/publicaties/voorstellen-beschut-werk-cedris-en-divosa/

[13] In de bestaande afspraken is alles overheid, waarvan de werknemers hun pensioen moeten opbouwen bij het ABP, dus inclusief het onderwijs. Zorginstellingen worden nu tot het bedrijfsleven gerekend…

[14] Zie: https://mensenrechten.nl/nl/publicatie/38664

[15] Op dit moment leidt de goedbedoelde regeling ertoe dat bedrijven hun werknemers bewust maar op het minimumniveau belonen, om in aanmerking te komen voor de LIV. Met name in de retail (detail- en groothandel) voert de FNV daartegen terecht actie.

[16] Directeur-Grootaandeelhouder

[17] Werkdruk is een groot en groeiend probleem. De helft van de verpleegkundigen overweegt iets anders te gaan doen vanwege de werkdruk. Per dag zitten bijna 5000 agenten ziek thuis door werkstress. Een op de vijf leraren kampt met burn-outklachten.  Onderkant formulier Voor degenen die zich een burn-out werken geldt naast feitelijke werkdruk ook dat veel overwerken, ook in de privé-tijd normaliseert en voor sommigen zelfs een statussymbool lijkt. Het is een van de redenen dat de productiviteitsstijging in de wereld stagneert.

[18] Gratis kinderopvang zal een belangrijke belemmering voor een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen wegnemen. Ruim 220.000 mensen werken niet wegens zorgtaken[18], waarvan 211.000 vrouwen.

[19] Zie: Dalen, H. van en K. Henkens (2016) Keuzevrijheid in pensioen, Netspar Brief 5, maart 2016.

[20] Die lage rentes komen vooral door de vergrijzende westerse samenleving en technologische veranderingen, en maar deels door de ECB-geldschepping. Het bewijs daarvan is dat ook in niet-Europese landen (VS, Canada, Australië, Zuid-Korea, Japan) de rente laag is.

[21] Bron: NPB, Notitie: Bestrijding van misverstanden over pensioenen in Nederland, juni 2019.

[22] Bron: NPB: Resultaten vergrijzing, maart 2019.

[23] Zie: https://overeconomie.nl/2018/12/laten-we-een-basisinkomen-voor-ouderen-invoeren.html

[24] https://www.wbs.nl/publicaties/naar-een-realistisch-activeringsbeleid-voor-kwetsbare-groepen

[25] Serail, S. & Pas, I. van de (2002), Bijstandsexperimenten: impulsen tot activering. Stand van zaken en lessen na zes jaar experimenten in de Algemene bijstandswet, Tilburg: IVA.

[26] Bus, A., Vries, C. de & Van Zeele, S. (2017), Effecten van de tegenprestatie in Rotterdam.; Kampen, T. (2014), Verplicht vrijwilligerswerk: De ervaringen van bijstandscliënten met een tegenprestatie voor hun uitkering, Amsterdam: UVA.

[27] https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2020/01/15/het-betere-werk

[28] https://www.reguleringvanwerk.nl/documenten/publicaties/2020/01/23/eindrapport-commissie-regulering-van-werk

[29] Vergelijk de plannen hiervoor van het AWVN uit 2018: https://www.awvn.nl/publicaties/brochure/wegwerkzaamheden-tien-ideeen-voor-de-wereld-van-werk/

[30] https://www.wbs.nl/publicaties/naar-een-realistisch-activeringsbeleid-voor-kwetsbare-groepen

[31] https://www.wbs.nl/publicaties/waar-de-menselijke-maat-de-participatiewet

[32] De bezuinigingsdrift leidt ook tot minder bijzondere bijstand. In de Wet werk en bijstand (Wwb) werd een langdurigheidstoeslag ingevoerd voor mensen die langere tijd in de bijstand zitten. Hoe langer in de bijstand hoe groter namelijk het risico op armoede. De Participatiewet maakte van deze toeslag een individuele voorziening: de toekenning moet het voorwerp worden van maatwerk. Zoals zoveel blijkt bij gemeenten die financiële zorgen en onzekerheden kennen betekent maatwerk zelden meer, en meestal minder geld. Sommige gemeenten vullen dit ‘maatwerk’ al zo in dat ze deze hele voorziening categoriaal inperken of zelfs geheel afschaffen. Hiermee wordt de bijstand als vangnet nog verder ondermijnd.

[33] Zie onder 2.1.12

[34] Volgens de formule 1/3 van het bruto maandsalaris x aantal volledige jaren dienstverband plus een kleine toeslag voor genoten vakantiegeld, bonussen en eindejaarsuitkering, met een maximum van ruim 88.000 euro.

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Hoofdstuk III. Migratie en integratie effectief en rechtvaardig reguleren

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 concrete voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

Voorstellen:

31.  Vluchtelingen komen naar Europa en ons land omdat ze in eigen land niet veilig zijn, door oorlog of vervolging. Dat vraagt om een zelfbewuste Europese Unie, die effectief en proactief vrede, de universele mensenrechten en de democratische rechtsstaat bevorderd en zo nodig handhaaft – met soft en zo nodig ook hard power. De EU moet een gezamenlijk buitenlands beleid voeren, en naar een gezamenlijke defensie toewerken, binnen NAVO-verband. Het bestrijden van ongelijkheid in de wereld, het helpen voorkomen en bestrijden van ecologische crises en het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (Substainable Development Goals)[1] moet – naast vrede, mensenrechten en democratische rechtsstaat – de kern vormen van ons buitenlands beleid.[2]

32.   De toelatingscriteria en -procedures van vluchtelingen moeten eerlijker en meer onafhankelijk worden. De lijst van veilige landen moet onafhankelijk worden vastgesteld. Procedures moeten niet moedwillig vertraagd worden om vluchtelingen en hun gezinsherenigers te ontmoedigen. Als beoordeling asielverzoek langer dan wettelijke termijn (meestal 6 maanden) duurt dan verkrijgt aanvrager een vergunning, tenzij de vertraging aan hem te wijten is.  Illegale migranten en afgewezen asielzoekers sturen we terug naar land van oorsprong. Als je niet terug kan omdat je land van oorsprong je niet toelaat, moet je een aparte tijdelijke vergunning krijgen. We sluiten geen migranten op, tenzij ze een misdrijf begaan. Kinderen die hier geboren zijn of al tenminste 5 jaar hier wonen, moeten als regel met hun verzorgende ouder(s) een verblijfsvergunning krijgen. De asielopvang in ons land wordt vergroot, met meer kleinschalige opvang en betrokkenheid van de buurt, de veiligheid wordt verbeterd en er komt goede gratis dagbesteding en scholing.

33.   We streven naar een nieuw gezamenlijk EU-asiel en migratiebeleid. Zolang dat nog niet gerealiseerd is gaan we nationaal, of met een aantal gelijkgestemde lidstaten, al een nieuw beleid vormgeven en implementeren. Asielaanvragen gaan we faciliteren aan de buitengrenzen van de EU, op internationale (lucht)havens en in vluchtelingenkampen in Afrika en Azië. Daar komen asielkantoren die vluchtelingen registreren, beoordelen en screenen. De asieldruk op onze buitengrenzen en (lucht)havens beperken we door jaarlijks veel meer vluchtelingen uit de kampen toe te laten, die veilig gratis naar EU gebracht worden. Nationaal beginnen we met 10.000 per jaar voor de komende kabinetsperiode, met voorrang voor ouderloze kinderen. Toelating geschiedt zoveel mogelijk naar de lidstaat van keuze van de vluchteling. De lasten worden in EU-verband naar draagkracht eerlijk over alle EU-lidstaten verdeeld. Het Dublin-verdrag vervalt daarmee. Daarnaast vergroten we de financiële hulp aan vluchtelingenkampen.

34.   Arbeidsmigratie vanuit buiten de EU gaan we faciliteren en reguleren. We zullen structureel tekorten aan arbeid hebben als we dat niet doen. We richten ons daarbij vooral op Afrika, waar nu veel illegale arbeidsmigranten naar Europa trekken. Lidstaten stellen programma’s vast voor in welke sectoren of beroepen arbeidskrachten nodig zijn, welke eisen daarbij gesteld worden en welke ondersteuning daarbij geboden wordt. We zetten Europese arbeidsbureaus op in Afrika voor werving en selectie van arbeidsmigranten, waarbij een veilige en gratis reis gegarandeerd wordt, en scholing gefaciliteerd wordt. Deze arbeidsmigranten krijgen een tijdelijke verblijfsvergunning met beperkte toegang tot sociale zekerheid (wel zorg, geen bijstand). Tijden hun verblijf krijgen migranten scholing en ondersteuning bij de voorbereiding van hun terugkeer. Blijft men langer dan vijf jaar, dan kan de vergunning door de lidstaat omgezet worden in een definitieve verblijfsvergunning met volledige rechten. Terugkeer wordt gekoppeld aan bilaterale hulpprogramma’s voor de landen van herkomst – een soort Marshallplan voor Afrika.

 

35.   De Wet Inburgering 2021 gaan we op een aantal punten aanpassen:

-de leerroutes worden allemaal gratis, en ze worden niet aanbesteed maar door gemeenten via subsidierelaties georganiseerd, er komen landelijke kwaliteitsnormen en inspectie daarop en er komen ook betere mogelijkheden om van niveau te wisselen,

-huisvesting en plaatsing vindt plaats waar ook werk is,

-geen dwang en sancties, maar motivering en facilitering: geen verplicht vrijwilligerswerk maar verplicht aanbod voor participatie en betaald werk, afronding inburgeringsscholing wel als voorwaarde voor definitieve verblijfsvergunning, persoonlijk plan voor inburgering en participatie wordt afhankelijk van instemming statushouder met inhoud daarvan,

-het ‘financieel ontzorgen’ moet maatwerk zijn – de termijn van zes maanden moet verkort en verlengd kunnen worden, maar wel met betere rechtsbescherming van de statushouder, en in de leerroutes komt ook een verplicht aanbod voor financiële zelfredzaamheid,

-er komt verplicht aanbod voor onafhankelijke maatschappelijke begeleiding,

-de wet gaat wat betreft scholing en maatschappelijke begeleiding ook gelden voor andere migranten van buiten de EU. Voor migranten van binnen de EU komt het scholingsaanbod en de maatschappelijke begeleiding ook beschikbaar. Gemeenten moeten dat actief aanbieden. Met het oog op deze aanpassingen wordt de invoering uitgesteld naar 2022. Gemeenten krijgen extra middelen voor een goede uitvoering.

36.   We gaan integratie veel beter faciliteren en organiseren:

         – Integratie begint met dat andere mensen zich welkom voelen en niet gediscrimineerd worden. We gaan de antidiscriminatie-wetgeving aanscherpen en de handhaving verbeteren – het doelbewust negatief neerzetten van een specifieke groep burgers vanwege hun afkomst, etniciteit, godsdienst, seksuele geaardheid of een beperking, wordt strafbaar. De boetes op uitsluiting van mensen vanwege het behoren tot zo’n groep burgers worden verhoogd. Er komt een aparte Ombudsman voor klachten over discriminatie;

         -De bescherming en handhaving van individuele mensenrechten behoeft eveneens verscherping. Teveel vrouwen en mensen met een andere seksuele geaardheid worden beperkt in de uitoefening van hun rechten. Uithuwelijking, uitsluiting, seksuele verminking, doodsbedreigingen en eerwraak komen nog steeds veel voor, met name in orthodox religieuze gemeenschappen. Seksuele intimidatie en geweld en ander huishoudelijk geweld komt nog steeds breed in onze samenleving voor. De aanpak daarvan moet een financiële en justitiële prioriteit worden, de slachtoffers moeten we beter opsporen en beschermen en we moeten het welzijnswerk er beter op toerusten om slachtoffers te motiveren hulp te zoeken. Activiteiten die gericht zijn op specifieke deelgroepen, zoals vrouwen van een bepaalde afkomst, moeten gestimuleerd worden om een laagdrempelige, veilige omgeving te creëren;

         -Taalbeheersing is enorm belangrijk om mee te kunnen doen. In het in hoofdstuk VII voorgestelde offensief tegen laaggeletterdheid komt aparte aandacht voor activiteiten die speciaal gericht zijn op mensen en vooral ook vrouwen met een andere afkomst, en op hoe deze te verleiden en te motiveren zijn daaraan deel te nemen;

-Het wijkbeleid in de grote steden moet weer worden opgetuigd, waarbij wooncorporaties een noodzakelijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. We gaan hier – net als in apart beleid voor krimpgebieden – fors in investeren. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- opbouw- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan initiatieven voor gezonde leefstijl en goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid. We trekken de Rotterdamwet in, die leidt tot ongewenste gentrificatie van wijken. Wijken met een gedifferentieerde samenstelling bevorderen we niet met discriminatoir verwijderen van arme, kansarme huishoudens, maar door hun te helpen in hun ontwikkeling en perspectief, onder meer door juist in rijkere wijken meer sociale huurwoningen te realiseren. 

Toelichting

Zelfs in de huidige crisis, maar nog meer daarna zullen we geconfronteerd worden met de uitdaging om de groeiende, structurele arbeidstekorten het hoofd te bieden. We leven in een duurzaam vergrijzende samenleving, en het is tijd om hier taboes te slechten. We moeten migratie als een kans gaan zien, in plaats van als bedreiging.

Er zijn twee hoofdcategorieën migranten. Eén: vluchtelingen, op de vlucht voor oorlog en vervolging. We moeten als EU veel meer actief zijn in de wereld, zeker in aangrenzende regio’s, om oorlog en vervolging tegen te gaan – met hard en soft power. Het is beter als de EU ze in hun regio asiel laat aanvragen voor opvang in de EU. Zo kunnen mensen bij EU-kantoren ter plekke geregistreerd en gescreend worden. Vluchtelingen die aan de criteria voldoen, kunnen dan legaal en veilig komen. Daar komt geen smokkelaar aan te pas. Zo worden de kampen in de regio ontlast. De verdeling van de vluchtelingen en/of de kosten die daarvoor gemaakt worden moeten eerlijk over de lidstaten worden verdeeld. Met een snelle en goede inburgering kunnen ook vluchtelingen veel helpen bij onze groeiende arbeidstekorten. We gaan – gereguleerd, zoals hierboven beschreven – veel meer vluchtelingen toelaten: om te beginnen tienduizend per jaar.

Die snelle en goede inburgering moeten we dan wel regelen. Daartoe passen we de nieuwe Wet inburgering 2001 aan. Deze gaat teveel uit van dwang, regelt het inburgeringonderwijs niet voldoende en maakt dat onderwijs ten onrechte niet gratis, en faciliteert nog onvoldoende. Het inburgeringsonderwijs wordt ook opengesteld voor immigranten uit de EU en de deelname daarin is gratis en wordt aangemoedigd.

De asielopvang willen we reorganiseren in kleinschalige opvang die zoveel mogelijk georganiseerd wordt in gemeenten waar zij later ook kunnen werken en wonen, met zoveel mogelijk betrokkenheid van andere burgers uit die gemeenten.

De tweede categorie zijn arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten komen omdat er werk is. Veel werk: poetsen, oogsten, ziekenzorg, etc. Werk is dé pull factor voor migranten. Maar arbeidsmigranten van buiten de EU aannemen mag bijna niet: stel je voor dat ze blijven! Dit is een denkfout. Een illegaal gaat niet uit zichzelf terug als hij eenmaal in Europa is: zo’n dodentocht maak je niet nog eens. Maar als hij een arbeidscontract heeft voor vier maanden, en het vooruitzicht dat hij volgend jaar wéér legaal vier of vijf maanden kan werken bij een Spaanse autofabriek of Hollandse boer, dan kan hij rustig een tijdje naar zijn land terug. Velen zullen dat doen. Migranten die geen legale manier hebben om naar Europa te komen, komen illegaal. We kunnen migratie niet stoppen.

Wat we wel kunnen, is het organiseren: We zetten Europese arbeidsbureautjes neer in Afrika, kijken welk EU-land welke arbeidsmigranten nodig heeft, en laten mensen ter plekke op vacatures solliciteren. Wie pech heeft of niet gekwalificeerd is, kan het volgend jaar weer proberen. De EU moet tijdelijke arbeidsvergunningen afgeven en mensen voor tekortberoepen werven op bureaus in met name Afrika, met beperkte rechten op sociale zekerheid (wel zorg, geen bijstand). Dit moet het liefst gekoppeld zijn aan opleidingsprogramma’s, deels on the job, en terugkeerprogramma’s en een soort Marshallplan voor Afrika. Dat maakt het ook mogelijk om met succes terug te keren naar je land van herkomst en daar een beter leven op te bouwen.

Dan snijdt het mes aan vele kanten. Zo bepalen we zelf wie er komen, niet de smokkelaars. Veel politici doen alsof deze oplossing niet bestaat. Ze hitsen ons liever op met moskeeverboden, boerkaverboden en Zwarte Pieten nostalgie. Ze zeggen dat de tekorten in onze verzorgingsstaat ontstaan door migranten, in plaats van fout beleid van diezelfde politici. Zij misleiden daarmee de kiezer en maken onze maatschappij kapot door mensen tegen elkaar op te zetten. We verlangen van tijdelijke arbeidsmigranten wel om zich te conformeren aan onze democratische rechtsstaat, en om daartoe inburgeringsonderwijs en taalonderwijs te volgen. Migratie is te managen, het is een kwestie van politieke wil, humaniteit en rechtvaardigheid om dat te organiseren.

We investeren voorts in een nieuw integratiebeleid. Dat stoelt op bestrijding van discriminatie, het bestrijden van schending van mensenrechten, goed en toegankelijk taalonderwijs en op een herleving van het wijkbeleid.

We voeren een nieuwe, ook landelijk gesteunde en gecoördineerde Wijkaanpak in, die meer thema gericht zal zijn, op basis van de problemen in een wijk, waarin bestaanszekerheid gekoppeld wordt aan samen wonen en leven, met onder meer:

-Een hernieuwde inzet van buurt- en jongerenwerk, gericht op bevordering van bewuste identiteit en samenredzaamheid van wijkbewoners;

-Programma’s tegen laaggeletterdheid en analfabetisme;

-Een publiek geregisseerd en gefinancierd programma voor Nederlands taalonderwijs voor vluchtelingen en andere migranten, en voor veiligheid, woningen en werk. Daarin is apart aandacht voor het bestrijden van discriminatie.

-Wat betreft veiligheid wordt een gemeenschappelijke aanpak gerealiseerd van alle instanties om het criminelen zo moeilijk mogelijk te maken. Daarbij is het belangrijk dat de grote criminele jongens niet ongemoeid worden gelaten. Maar tegelijkertijd moeten mensen met serieuze problemen worden ondersteund met werk, schuldhulpverlening, onderwijs, zorg en een betaalbare woning, en positieve krachten in de wijk moeten worden aangemoedigd en geholpen. De ondermijning van de rechtsstaat in sommige wijken is niet alleen een strijd tegen criminaliteit. Het is vooral een maatschappelijk project, dat niet los kan worden gezien van de uitwassen van een neoliberale samenleving: opkomen voor jezelf, zoveel mogelijk geld verdienen, snel rijk worden, als het niet verboden is dan mag het. De maatschappelijke elite heeft op dit punt vaak het verkeerde voorbeeld gegeven. Als de elite de ondermijning echt wil aanpakken, zou men ook eens in de spiegel moeten kijken. Wat voor samenleving is in de afgelopen decennia gecreëerd? Hoe fatsoenlijk gedraagt de elite zich eigenlijk? Als men in eigen kring geen orde op zaken stelt, dan geeft men de achterkant van Nederland het excuus om dat ook niet te doen.

Er komt weer een apart budget voor investeringen in de kansarme wijken van de grotere steden, evenals een apart budget voor investeringen in de leefbaarheid van krimpgebieden.

We stoppen met de Rotterdamwet en het daaraan verbonden beleid. Die bepaalt dat er in specifieke achtergestelde wijken geen mensen meer bij mogen die geen inkomen uit werk hebben. De Rotterdamwet betekent dat bepaalde mensen niet zelf mogen bepalen waar ze willen wonen. Dat is een discriminerende wet die in buurten kan worden toegepast als de leefbaarheid er aantoonbaar onder druk staat. Dat wordt aangetoond met statistieken zoals de Leefbarometer, een door commerciële bedrijven gemaakte, gelikte site van de overheid waarop je kunt zien wat goede en slechte buurten in Nederland zijn. De belangrijkste indicator van dat instrument voor slechte leefbaarheid is de aanwezigheid van niet-westerse migranten (!), en daarna de aanwezigheid van veel sociale huurwoningen. Woninginbraak is een opvallende afwezige indicator – die komt het meest voor in ‘goede’ wijken.

Waar Amsterdam met nota bene een links college kijkt of ze niet veel kunnen leren van dit programma, en de Rotterdamse PvdA-wethouder Moti positief is over minder bijstandsuitkeringen en hogere schooladviezen, laten reportages van Nieuwsuur en De Monitor[3] veel frustratie en problemen zien bij bewoners, die ook nog eens van de rechter gelijk kregen (Tweebosbuurt). Daarenboven zijn er steeds meer zeer kritische publicaties (Hochstenbach, Slob) die beargumenteren waarom het bestaande beleid juist averechts zou werken en gentrificatie van wijken juist bevorderd.[4]

Onderzoek in opdracht van de Eerste Kamer naar 8 jaar ervaring met de Rotterdamwet laat zien dat er geen aantoonbare verbeteringen waren in leefbaarheid en veiligheid.[5] Rotterdam blijft niettemin volop doorgaan met gentrificatiebeleid. In de Tweebosbuurt worden bijna 600 sociale huurwoningen gesloopt en vervangen door 370 overwegend dure woningen. Deze sloop staat niet op zichzelf. In Rotterdam zijn tussen 2002 en 2017 in totaal 30.000 corporatiewoningen verdwenen, in Amsterdam ongeveer net zoveel. Tegelijkertijd hebben 1,5 miljoen sociale huurwoningen vocht- en schimmelproblemen omdat er niet genoeg in wordt geïnvesteerd.

De arme inwoners vertrekken naar de rand van de stad of groeikernen in de regio omdat alles te duur is geworden. Mensen uit Rotterdam belanden in Capelle of Vlaardingen, de allerzwakste huishoudens uit Amsterdam belanden in Lelystad. Daar kun je prima wonen, maar het aantal banen dat je kunt bereiken vanuit Lelystad is een zesde van het aantal banen dat je kunt bereiken vanuit Amsterdam. Dit vermindert je baankansen of je wordt gedwongen alsnog in Amsterdam te werken. Zeker als je al een laag inkomen hebt, zijn reiskosten een aanslag op je budget en kunnen ze uiteindelijk zelfs een armoedeval betekenen. Gentrificatie zet arme mensen verder op achterstand.

Gentrificatie van wijken is in essentie het verwijderen van (kans)arme huishoudens uit arme wijken, het bouwen voor kapitaalkrachtige en kansrijke huishoudens in die wijken, en het aantrekkelijk maken van die wijken voor die laatstgenoemde doelgroepen – met het slopen van sociale huurwoningen, het bouwen van dure koopwoningen en het steunen van hippe winkels en horeca in plaats van Turkse winkels en theehuizen, om op die manier gemengde wijken te bevorderen. Gentrificatie is opwaardering van wijken door een sociaal onrecht.

Gentrificatie is de ruimtelijke uiting van klassenongelijkheid. Overheden vinden dat ze moeten ingrijpen in buurten met een concentratie van arme mensen en mensen met een migratieachtergrond. Hun aanwezigheid an sich wordt als een probleem gezien. Ook zou er in zulke buurten een gebrek aan positieve rolmodellen en nuttige sociale netwerken zijn. Terwijl het bewijs voor deze aannames flinterdun is. De problemen in arme wijken zijn juist vaak het resultaat van verwaarlozing, doordat de overheid en woningcorporaties er jarenlang niet investeerden in de openbare ruimte, de woningen en de mensen.

Gentrificatie als beleidsinstrument lost problemen in buurten niet op, maar verschuift kwetsbare bewoners naar andere buurten waar nieuwe concentraties ontstaan. Met gentrificatie wordt niet geïnvesteerd in de levenskansen van mensen, bijvoorbeeld via opleiding of werk, maar in stenen. Woningen worden opgeknapt en verkocht, maar dat komt de oude bewoners nauwelijks ten goede. Pas als koopkrachtige mensen ergens komen wonen, wordt een buurt opgeknapt, met brede stoepen en mooie tegels zoals je die nu in de Javastraat ziet. Alsof de oude bewoners het investeren niet waard zijn. 

Gentrificatie draagt bij aan een sociale, economische en ruimtelijke kloof. De nieuwe bewoners, die meestal kopen, profiteren van de stijgende huizenprijzen. Huurders niet. Dit versterkt de toch al grote vermogensongelijkheid in Nederland. Ruimtelijk zorgt gentrificatie aanvankelijk voor meer diversiteit in de buurt, maar op langere termijn vergroot het de kloof tussen de duurste en goedkoopste buurten in een stad. Daardoor groeien stigma, segregatie en machtsongelijkheid: de problemen van de armere bewoners verdwijnen uit het zicht, terwijl sociale, economische en culturele macht zich concentreren op de centrale plekken.

In plaats van arme mensen verdrijven uit hun wijken gaat onze partij weer staan voor hulp van mensen in de wijken waarin ze zelf willen wonen, gaan we een nieuwe ronde van roemruchte sociaaldemocratische stadsvernieuwing aan, waarbij – ook in die traditie – nauw samenwerken en optrekken met de bewoners en hun organisaties, herstellen we de Vogelaarswijken – al weer zo’n gouden sociaaldemocraat die ten onrechte werd afgeserveerd in neoliberale tijden – en herstellen we het welzijnswerk. En in plaats van sociale woningen te slopen gaan we die juist bouwen en renoveren, ook in de rijkere wijken! Meer over betaalbaar wonen in hoofdstuk V.


[1] Zie: https://www.sdgnederland.nl/

[2] Meer over de EU: zie hoofdstuk IX; meer over defensie: zie hoofdstuk VII; meer over eerlijke handel en ontwikkelingssamenwerking: zie hoofdstuk VIII.

[3] (zie: https://demonitor.kro-ncrv.nl/artikelen/de-kansen-van-een-werkloze-uit-rotterdam-zuid-nemen-echt-niet-toe-als-je-hem-in-kralingen-plaatst)

[4] Zie o.m.: https://www.socialevraagstukken.nl/rotterdamwet-is-mislukt/

[5] Genoemd in: https://www.oneworld.nl/lezen/discriminatie/sociaal-onrecht/gentrificatie-gaat-niet-over-hipsters-maar-over-onrecht/

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Hoofdstuk IV. Een eerlijk, effectief en eenvoudig nieuw belastingstelsel

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 concrete voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

Voorstellen:

1.      We gaan het belastingstelsel drastisch hervormen. Het huidige stelsel vergroot de ongelijkheid, maakt arbeid te duur, veroorzaakt een armoedeval, maakt belastingontwijking te gemakkelijk en loopt vast door zijn complexiteit.[1] Dat moet precies andersom. De belastingmix moet veel evenwichtiger: het aandeel van de belastingopbrengst van belastingen op kapitaal moet omhoog, die op arbeid omlaag. De belastingen moeten leiden tot meer herverdeling van inkomen en vermogen van arm naar rijk. (Meer) werk moet ook weer gaan lonen. En het stelsel moet eenvoudig en eenduidig zijn, ook om ontduiking van belasting tegen te gaan. Het resultaat zal een lastenverlichting voor lage inkomens en een lastenverzwaring voor hoge inkomens, grote vermogens en het grootbedrijf. Per saldo gaat de wijziging tientallen miljarden aan extra belastingopbrengsten opleveren. Dit saldo wordt nog verder verhoogd doordat bij uitvoering van onze Nieuwe Tien over Rood meer werk en meer – duurzame – bestedingen zullen zijn, met dito meer belastinginkomsten. Dit saldo wordt gebruikt voor de financiering van onze overige voorstellen.[2]

2.      In de inkomsten- en loonbelasting doen we het volgende:

-we gaan niet naar meer gelijke tarieven, richting vlaktax, maar juist naar meer tariefschijven. Het stelsel moet juist progressiever, met stijgende tarieven naar mate het inkomen stijgt. De laagste inkomens gaan 0% betalen, de hoogste inkomens – bijv. vanaf 2 miljoen euro per jaar – gaan 80% betalen;

-We gaan ook alle soorten inkomens gelijk belasten (nu betaal je minder over inkomen uit kapitaal dan uit arbeid), en schaffen daarmee het huidige boxenstelsel af. Inkomen uit kapitaal gaat weer belast worden op basis van het werkelijke rendement, niet meer op basis van een fictief rendement;

-En we schaffen alle vrijstellingen, kortingen en aftrekposten af – deze fiscale voordelen hollen de effectieve tarieven uit, en ze komen vooral terecht bij de hogere inkomens. Daarbij worden de arbeidskortingen vervangen door een arbeidstoeslag voor alleen de lagere inkomens[3] en de hypotheekrenteaftrek door fiscaal gesubsidieerd bouwsparen. De verhuurdersheffing wordt afgeschaft[4];

– In het huidige stelsel hebben de fiscale partners de vrijheid de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen naar eigen inzicht te verdelen over de respectievelijke aangiftes. In het nieuwe stelsel worden de inkomsten uit vermogen 50/50 over de fiscale partners verdeeld en opgeteld bij hun individuele inkomsten uit arbeid. Ook dit helpt om belastingontwijking te voorkomen. En het vermindert de ongelijkheid met éénverdienershuishoudens, evenals de hiervoor bepleitte afschaffing van aftrekposten;

-Er komt een negatieve inkomstenbelasting, een uitkering in plaats van een heffing, voor iedereen die minder verdiend dan het sociaal minimum, het Zekerheidsinkomen. Dat sociaal minimum wordt verhoogd doordat we het minimumloon verhogen en de huidige koppeling van het sociaal minimum en het wettelijk minimumloon daarbij handhaven[5];

-Voorts schaffen we de huidige fiscale toeslagen voor zorg, huur, kinderopvang en het kindgebonden budget af. In plaats hiervan schaffen we de premies in de zorg, het eigen risico in de zorg, en de eigen bijdragen in de zorg en kinderopvang of, verhogen we de kinderbijslag maar maken die inkomensafhankelijk, en stellen we een maximum huur in als percentage (30-35%) van het besteedbaar inkomen;[6]

-De premies voor de volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) vervallen, deze kosten worden – net als die van de publieke zorg en de kinderopvang – in het vervolg rechtstreeks door de overheid uit alle belastingopbrengsten gefinancierd. Daarmee verlagen we de lasten op arbeid en worden de lasten eerlijker verdeeld;

-Deze enorme stelselwijziging zal uiteraard zorgvuldig in stappen gezet moeten worden, waarbij bij de verdere invulling van tarieven de inzet is om te komen tot een verbetering van het besteedbaar inkomen tot ca. anderhalf modaal.

3.      We voeren een aparte vermogensbelasting in voor miljonairs, bijv. 1% voor vermogens tussen 1 en 2 miljoen en 2% voor vermogens boven 2 miljoen euro.

4.      De erfenis- en schenkingsbelasting wordt voor grote erfenissen verzwaard. Iedere Nederlander krijgt het recht om gedurende zijn leven 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast (zeg: de eerste 500.000 euro met 40 procent, alles daarna met 60 procent). De vrijstelling voor het kopen van een huis voor je kinderen wordt geschrapt. Dat is een onrechtvaardige subsidie van arm naar rijk en verhit de woningnood onnodig. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers wordt eveneens geschrapt.

5.      We stoppen met alle fiscale subsidiëring van schulden, zowel bij huishoudens als bij bedrijven. Bij bedrijven verdwijnt daardoor de bevoordeling van vreemd (geleend) vermogen boven eigen vermogen.

6.      Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting (terug naar de niveaus aan het begin van deze eeuw; van 25 naar 35% resp. van 20 naar 29%) en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft, maar substantieel verhoogd. De tarieven maken we meer progressief: hoe hoger de winst en het dividend, hoe hoger het tarief. Voor het mkb verhogen we de tarieven minder sterk. We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Ook in deze belastingen vervallen in beginsel alle vrijstellingen, kortingen en aftrekposten, en de mogelijkheden om belasting uit te stellen.

 

7.      We gaan Directeur-Groot Aandeelhouders (DGA’s) [7] veel zwaarder belasten. Zij profiteren nu ovenevenredig van vrijstellingen en andere fiscale uitzonderingen. We gaan de huidige fiscale ondernemingsfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) en ondernemersfaciliteiten (incl. die voor DGA’s) schrappen. De DGA gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap als arbeidsinkomen. Ook het eigen vermogen van DGA’s moet worden belast boven een bepaalde grens (bijv. eenmaal de jaaromzet) met een gelijk tarief als de inkomstenbelasting bij inkomen uit kapitaal. De aftrekposten voor auto’s, zakenetentjes, e.d. worden geschrapt. Het doorschuiven van vermogens in het successierecht voor ondernemers moet zwaarder worden aangeslagen (zie ook 40). Een bedrijf mag natuurlijk niet kapotgaan als je het doorgeeft, doordat de fiscus langskomt. De maatvoering is nu echter uit het lood, zo is door verschillende fiscalisten al vaak geconstateerd. Er moet nu eindelijk iets aan gebeuren.

8.      We gaan de belastingontwijking en -ontwijking aanpakken:

-Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.

-Veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per 3 jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude ieder jaar).

-Aanscherpen van vestigingseisen multinationals (o.m. werknemers en kantoor in NL).

-Belastingverdragen met derdewereldlanden solidair maken en voorzien van antimisbruikbepaling.

-Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.

-Verscherpen van het toezicht op trustkantoren die nu werken voor brievenbusfirma’s. We saneren de sector met strenge regels en door illegale praktijken harder aan te pakken. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s en trustkantoren.

Toelichting

1.      Enorme ongelijkheid in ons land

Nederland staat nummer 14 op de lijst van de rijkste landen ter wereld.[8] Toch is er in ons land bittere armoede, toenemende problematische en risicovolle schulden, zijn mensen steeds meer afhankelijk van vormen van bedeling (voedselbanken, kledingbanken, speelgoedbanken, etc.) en wordt het aantal daklozen groter. Bestaanszekerheid in zijn meest elementaire vorm van eten en drinken, een dak boven je hoofd met energielevering en een zorgverzekering zijn voor een deel van de bevolking niet meer bereikbaar. Armoede wordt ook steeds meer erfelijk, kinderen die in armoede opgroeien hebben een verhoogde kans op ook arm te blijven.

Daar tegenover staat de ongelooflijk exorbitante rijkdom en pathologische, soms exhibitionistische zelfverrijking, waar het geld tegen de plinten klotst en waar men van gekkigheid niet meer weet hoe het te besteden.

Een gebruikelijke graadmeter voor inkomensongelijkheid is de Ginicoëfficiënt, die de mate van inkomensongelijkheid in een land uitdrukt. De ‘Gini-coëfficiënt’ is een waarde tussen 0 en 1 die de mate van ongelijkheid in een land uitdrukt. Bij 0 krijgt iedereen evenveel en leven we in een totaal communistische samenleving. Bij 1 krijgt één persoon alles. Na belastingen en uitkeringen is de Gini-coëfficiënt in ons land laag: sinds 2001 schommelt die tussen de 0,28 en 0,29. Dat dat komt doordat in Nederland veel inkomen wordt herverdeeld in relatie tot andere landen.

Probleem met dit cijfer is dat je het gemiddelde inkomen neemt, er ligt dus weinig nadruk op de extremen. Maar je kunt ook naar de bovenste en onderste 10 procent van de bevolking kijken. En dan is het schrikken. Met name de kloof tussen de allerarmsten en superrijken groeit. Sinds 2000 zijn alleen de hoogste dertig procent inkomens er in reëel besteedbaar inkomen op vooruit gegaan, de andere 70% zijn er op achteruitgegaan. De topinkomens explodeerden tot gemiddeld 52 keer het minimumloon. Wie, zoals topmanagers in het bedrijfsleven, zijn beloning deels in aandelen krijgt, zag de bedragen de afgelopen vijf jaar in de stijgende beurstrend zomaar verdubbelen. Deze ongelijkheid zien we niet terug in de Gini, omdat de middeninkomens tegelijkertijd naar elkaar toegroeiden.

De inkomens- en vermogensongelijkheid in ons land is veel groter dan onze officiële statistieken ons willen doen geloven[9] – alleen landen als de Verenigde Staten van Amerika doen het nog slechter. Op de VS na kent ons land de hoogste vermogensongelijkheid, daarvoor ligt de Gini-coëfficiënt hier op 0,92. En als je hier naar de extremen kijkt is het nog erger schrikken: De rijkste 1% bezat in Nederland volgens het CBS in 2015 ruim 295 miljard euro aan privaat vermogen[10], bijna 28% van het totaal. De grote vermogens die in het buitenland zijn gestald zijn daarin niet eens meegerekend. Vóór de financiële crisis van 2008 hadden de allerrijksten nog ‘slechts’ een vijfde van het vermogen in handen.

Alman Metten (econoom en PvdA-Europarlementariër van 1984 tot 1999) becijferde[11] dat het vermogen van Nederlandse miljonairs (2% van alle huishoudens) 25 maal zo groot is als het vermogen van de onderste helft van de huishoudens. Drie jaar geleden was dat nog 14 maal zo groot. Wat telt zwaarder, vraagt Metten, voor de economische veiligheid van jou en je gezin, en voor je kansen in de samenleving: inkomen, dat iedere maand weer opnieuw verdiend moet worden, en dat wegvalt bij ziekte of overlijden? Of vermogen, dat bezit is en dus wettelijk beschermd, wat er ook gebeurt? Als we naar gelijkheid kijken is het op zijn minst vreemd om niet naar de verdeling van vermogen te kijken.

En dan is er nog de wijze waarop inkomen uit bezit wordt meegenomen in de statistiek. Metten[12] wijst er bijvoorbeeld op dat inkomen dat gebruikt wordt om rente mee te betalen niet als inkomen wordt beschouwd, het werkelijk inkomen wordt verminderd met die rentebetaling (rente wordt kennelijk niet uit inkomen betaald, zo merkt Metten terecht cynisch op). Omdat de hoogste inkomens de hoogste schulden en dus ook de hoogste rentebetalingen doen (zij kunnen zich dat veroorloven), worden hierdoor de hoogste inkomens kunstmatig verlaagd, en wordt zo de inkomensongelijkheid opnieuw kunstmatig verkleind. Daarenboven wordt inkomen uit waardetoename van bezit niet als inkomen beschouwd. Inkomen uit bezit bestaat vooral uit verkoopwinst op bezit van aandelen of onroerend goed. Dit bezit is extreem omvangrijk en geconcentreerd: 2% van de huishoudens bezit de helft van alle financiële waarden, de onderste helft van de huishoudens bezit daarentegen slechts 2%. De 10% rijkste huishoudens bezit driekwart van alle financiële waarden. Hun inkomen uit dat bezit wordt niet meegenomen in de statistiek van de inkomensongelijkheid in Nederland.

Zo komt het dus dat een bijstandtrekker volgens de conventionele inkomensvergelijkingen een hoger inkomen zou hebben dan de prinses van Oranje die 150 miljoen euro verkoopwinst maakt op aandelen Adyen. En leg maar eens aan een huurder uit dat de winst van een paar ton op een huis dat tien jaar geleden gekocht is, het inkomen en de koopkracht van het huishouden van de eigenaar niet beïnvloedt.

Het is niet dat we het ons niet kunnen veroorloven om armoede uit ons land te verbannen, het is de hebzucht van degenen die enorme hoeveelheden kapitaal verzamelen en de onwilligheid van onze overheid om tot correctie en dus tot fiscale herverdeling over te gaan, die veroorzaakt dat deze schandalige misstand blijft bestaan.

2.      Te grote ongelijkheid is onrechtvaardig, schadelijk en gevaarlijk

Te grote ongelijkheid is in de eerste plaats moreel onrechtvaardig. De meeste bestaande ongelijkheid heeft weinig te doen met eigen verdienste. Ongelijkheid heeft altijd een begrijpelijke oorzaak, die vaak niet te rechtvaardigen is. De (klein)kinderen van multimiljonairs, neem bijv. topvoetballers, hoeven als ze dat willen nooit meer te werken dankzij de groei van hun erfdeel – kapitaal rendeert veel meer dan arbeid. Er is wel uitgerekend dat 50% van je inkomen afhankelijk is van het land waar je geboren bent, 20% door het inkomen van je ouders en nog eens elk ruim 10% door je geslacht en etniciteit. Ruim 80% is dus niet afhankelijk van je eigen verdienste. En die kleine 20% ruimte voor eigen talent en ambitie, zijn dat ook niet in ieder geval deels erfelijke eigenschappen? Alle retoriek over ‘verheffing’ en ‘emancipatie’ ten spijt: onze sociale status is nog steeds en zelfs weer meer opnieuw minstens zo erfelijk als onze lichaamslengte. De meeste rijkdom ontstaat uit niet zelf verdiend inkomen: uit erfenissen, uit grondbezit en vast goed, uit patenten en uit speculatie. Vaak wordt kritiek hierop afgedaan als jaloezie. Daarmee vermijdt men in te moeten gaan op de kritiek op hun onverdiende rijkdom. Dat wordt nog lelijker als deze rijken tegelijkertijd kritiek hebben op ‘gratis geld’ voor mensen die minder fortuinlijk waren. Zoals Aleid Truijens schreef[13]: ‘‘Afgunst is niet mooi, maar narcisme is nog lelijker.’

Naast het morele argument geldt in de tweede plaats een instrumentaal bezwaar tegen teveel ongelijkheid. Empirisch onderzoek laat overtuigend zien hoe economische groei wordt tegengehouden door grote ongelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer de rijken in een samenleving zo geïsoleerd leven dat ze hun interesse verliezen in publiek bekostigd onderwijs of gezondheidszorg. Daarmee remmen ze de ontwikkeling van zowel armere mensen als de samenleving als geheel af. Piketty heeft overtuigend de economische theorie ontkracht dat ongelijkheid hoort bij economische groei en vanzelf zou afnemen. Milanovic maakt aannemelijk dat ongelijkheid ook oorlogen veroorzaakt, die uiteindelijk systeembreuken veroorzaken, ten koste van heel veel slachtoffers. Bovendien zijn er steeds meer aanwijzingen dat ongelijkheid gepaard gaat met allerlei maatschappelijk onheil: meer kindersterfte, geestesziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, misdaad – en minder sociaal vertrouwen, sociale mobiliteit en een lagere levensverwachting. De Britse onderzoekers Richard Wilkinson en Kate Pickett publiceerden in 2009 hun baanbrekende boek ‘The Spirit Level: Why More Equal Societies Almost Always Do Better’. Conclusie: ook rijken hebben baat bij een meer egalitaire samenleving.

En in de derde plaats is teveel ongelijkheid slecht omdat het leidt tot een onverantwoorde concentratie van politieke macht bij de elite en frustratie bij de achterblijvers. In de VS is heel helder dat de invloed van geld op de politiek zo groot is geworden dat de rijken de regels bepalen van het spel dat zij in bijna exclusief zelf spelen. Thomas Frank, een Amerikaanse politieke publicist, schreef in 2016 Listen, Liberal, waarin hij overtuigend aantoont hoe de Democraten in de VS verbonden zijn met het grote geld en de verbinding met de witte werkende middenklasse zijn kwijtgeraakt. Daarmee zijn we ook bij de kloof tussen de professionele klasse en de rest. Of beter: tussen academisch geschoolden en de rest. Een schijnbaar meritocratische samenleving, waar het SCP en anderen terecht voor waarschuwen.[14] Schijnbaar, omdat de academische scholing maar – zoals we hierboven al hebben gesteld – zeer ten dele een eigen verdienste is. In de VS is sprake van een plutocratie, waar de rijken ook de effectieve politieke macht hebben. In ons land is het nog niet zover, maar de toegang tot de macht raakt wel steeds meer beperkt tot de academisch geschoolden en de vermogende klasse. Dat is een ernstige bedreiging van onze democratische rechtsstaat.

Een beschaafde, en zeker een sociaaldemocratische politiek is er daarom gericht op de ongelijkheid te beperken, onder meer door herverdeling van ‘kennis, macht en inkomen’ – om met Den Uyl te spreken. Het herverdelen van inkomen en bezit doen verzorgingsstaten vooral met hun belastingstelsel.

3.      Huidig belastingstelsel verergert ongelijkheid

In het huidige belastingstelsel echter subsidiëren de armen de rijken in plaats van andersom en wordt kapitaal nauwelijks belast en werken zwaar belast – en door maatregelen tijdens en na de crisis is dit nog verder toegenomen. De inkomens- en vermogensongelijkheid blijkt bij correctie voor kapitaalinkomen (waaronder ook die van bezit) en voor flexwerkinkomen in ons land enorm te zijn, en stijgend. De belastingdruk op arbeid is nu ruim viermaal zo hoog als die op kapitaal. Iedere euro die met arbeid wordt verdiend wordt effectief met 40-45% belast, die welke met kapitaal wordt verdiend slechts met 9%. Inmiddels is de vermogensbelasting belasting in Nederland zelfs regressief: hoe hoger je rendement, hoe lager je belastingdruk.

In 1998 kwam 44 miljard gulden loon- en inkomstenbelasting binnen, en 42 miljard gulden aan vennootschaps-, dividend-, vermogens- en erfbelasting. Die verhouding is nu (2018) 51 miljard euro versus 30 miljard euro. In Nederland is in 2001 de vermogensbelasting voor rijke spaarders flink omlaaggegaan en in 2010 ging ook de erfbelasting naar beneden. Sinds 1980 is de vennootschapsbelasting (=belasting over de winst van bedrijven) zo ongeveer gehalveerd, in ons land van 48% naar 25%. Sinds 2000 daalt het aandeel van de vennootschapsbelasting in de totale belastingopbrengsten. In 2000 was dat nog 17%, nu is dat gezakt tot 10%, een verschil van ruim 10 miljard euro. Nederland kent de laagste belastingdruk op kapitaalinkomen van alle EU-landen. In 1995 was dat nog bijna 20%. Het EU-gemiddelde is 31,4%. Ook het aandeel van belasting op kapitaalinkomen in de totale belastingopbrengst behoort met 15,4% tot de lagere in de EU, samen met een aantal Oost-Europese landen. Nederland is één van de koplopers in het aanjagen van internationale belastingconcurrentie naar steeds lagere tarieven en kan dus ook zelf nu al eenzijdig stappen nemen die dit proces doen keren. Het Nederlandse tarief is formeel weliswaar 25%, maar in de praktijk is het effectieve tarief slechts 7%, één van de laagste in Europa. De effectieve belastingdruk is bij multinationals is de laatste jaren al met 5% gedaald.

Rijksbelastingen en premieontvangsten naar grondslag (2018). Bron: Ministerie van Financiën[15]

Belasting- en premieontvangsten 2018 (Bron: Ministerie van Financiën en CBS, zie noot 80)

De belasting/heffing van decentrale overheden maakt geen onderdeel uit van het totaal.

Een belangrijk deel van de verklaring dat veel inkomen uit vermogen buiten beschouwing wordt gelaten is de zwarte doos van het Nederlandse belastingstelsel Box II. In Box II geef je al het inkomen op dat je met je eigen bedrijf hebt verdiend. Maar het Nederlandse belastingstelsel is zo ingericht, dat je er goed aan doet de inkomsten uit eigen bedrijf zo veel mogelijk te beperken. Het Centraal Bureau voor de Statistiek ziet pas dat een bedrijfseigenaar inkomen heeft als het bedrijf winst uitkeert. Je betaalt namelijk pas belasting op het moment dat je onderneming winst uitkeert of de aandeelhouder zijn aandelen verkoopt. Daar zit de crux, want zolang je onderneming geen winst uitkeert en de aandeelhouder zijn aandelen niet verkoopt, heeft de bedrijfseigenaar geen inkomen en betaalt deze ook geen inkomstenbelasting. Zo kunnen bedrijfseigenaren belastingheffing tot sint-juttemis uitstellen. Je moet als bedrijfseigenaar wel minimaal een ‘gebruikelijk loon’ aan jezelf uitkeren. Minimaal is dat ongeveer 44.500 euro. Maar dit is natuurlijk een schijntje voor de vermogendste Nederlanders. Omdat bedrijfseigenaren dus geen inkomen aangeven op hun belastingaangifte, zie je veel inkomen ook niet terug in de statistiek.

Neem de hoogste binnenkomers in de Quote 500. In 2017 kreeg fitnessketen Basic-Fit een notering aan de Amsterdamse beurs. Eigenaren Eric Wilborts en René Moos verkochten tijdens de beursgang ieder voor ongeveer 30 miljoen euro aan aandelen. Of althans, hun gezamenlijke bedrijf AM Holding verkocht die aandelen en kreeg de opbrengsten. Het CBS ziet die tweemaal 30 miljoen euro niet. Dit is eerder regel dan uitzondering. Vrijwel alle vermogende Nederlanders herbergen hun geld in een bedrijf. De 10 procent rijkste Nederlanders bezit ongeveer 100 procent van dit type bedrijfsvermogen. En slechts 5800 huishoudens (de rijkste 0,08%) bezitten tezamen bijna de helft van al dit soort vermogen.

Hoe dieper je graaft in deze materie, hoe vreemder het wordt. Neem dit bijvoorbeeld: van de winst die nog wél uitgekeerd wordt uit het eigen bedrijf, en die dus meetelt in de ongelijkheidscijfers, telt het CBS sinds 2001 alle uitkeringen boven een kwart miljoen euro niet meer mee. En: stel, je verkoopt voor een miljoen aan aandelen van je bedrijf om daar een huis van een miljoen mee te kopen. Dan is dat volgens het CBS geen inkomen. Je hebt één vorm van vermogen (aandelen) omgezet in een andere vorm van vermogen (een huis) – dat is ‘een vermogenstransactie’, niet ‘inkomen.’ Het gevolg: wéér worden de topinkomens fors onderschat. Die niet-getelde winstuitkeringen zijn volgens het CBS maar liefst 40 procent van alle winstuitkeringen.

Daar komt bij dat het door de Belastingdienst gerapporteerde inkomen uit kapitaal niet gebaseerd is op echte waarnemingen, maar wordt geschat met een fictief rendement. De rijksten, die veel beleggen, verdienden de afgelopen jaren doorgaans meer dan dat fictieve rendement en betaalden dus eigenlijk te weinig belasting. De rest juist minder, vanwege dalende huizenprijzen (na de crisis zaken de huizenprijzen in vijf jaar cumulatief met 27%) en sparen tegen nul-rentes, en zij werden dus juist te hoog belast.

Miljonairs genoten, volgens Metten, over 2011-2013 een rendement van ruim 68 miljard euro op hun vermogen van 949 miljard euro, maar betaalden slechts belasting over 38 miljard euro. Een voordeeltje van bijna 200.000 euro per huishouden, dat niet belast is en niet als inkomen is geregistreerd. Voor de onderste helft van vermogensbezitters werkt het andersom. Zij verloren 6,4 miljard euro aan vermogen maar moesten 4% belasting betalen over 2,5 miljard euro fictief rendement, die de fiscus hen toedichtte.

Leuker kunnen we het niet maken – door het kennelijke onvermogen van onze belastingdienst om uit te gaan van het werkelijke rendement wordt de inkomensongelijkheid nog groter en blijft deze buiten de cijfers. Bovendien: veel vermogen geeft ook veel vermogenswinst van je vastgoed, aandelen, obligaties en ander bezit. Omdat vermogenswinst geen inkomen is, wordt het niet meegenomen in die lage Gini-coëfficiënt van inkomensongelijkheid. Maar de waarde van bezit stijgt op de langere termijn gewoon mee met de economische groei, en is dus een grote bron van koopkracht – voor wie het heeft.

Al deze factoren leiden tot de conclusie dat de vermogensongelijkheid in Nederland nog veel groter is dan uit de CBS-cijfers blijkt. Dit betoogden de hoogleraren Wiemer Salverda en Bas van Bavel recentelijk ook in een artikel op de economensite Me Judice, waarbij ze er ook op wezen dat de rijkste Nederlanders in de Quote 500 ruim tweekeer zoveel vermogen hebben dan deze groep bij het CBS heeft.

Hoe kan het dus dat de vermogensongelijkheid zo groot is, terwijl de inkomensongelijkheid alles meevalt? Het antwoord is simpel: het valt niet mee. De inkomensongelijkheid is in werkelijkheid groter dan de statistici rapporteren.

In 2013 al constateerde de commissie-Van Dijkhuizen, die onderzoek deed naar een ander belastingstelsel, dat bedrijfseigenaren op ‘grote schaal gebruikmaken van de mogelijkheid winst in te houden.’ Een conservatieve schatting liet zien dat bedrijfseigenaren ongeveer 13,4 miljard euro winst konden uitdelen, maar daarvan slechts 3,6 miljard euro uitkeerden. Directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) stellen nu een hoog inkomen en dus belastingheffing uit, en doen gemiddeld slechts eens in de zeven jaar aangifte, terwijl de fiscus met alle andere belastingplichten wel jaarlijks afrekent. DGA’s zitten zo hun geld op te potten totdat het weer aantrekkelijker wordt om het uit te keren, in plaats van het geld in de economie te besteden. Dit is slecht voor het economisch herstel en onrechtvaardig naar de andere belastingbetalers.

Dat de belastingen voor bedrijven de afgelopen decennia zo sterk zijn gedaald heeft alles te maken met economische mythes, zo liet Mirjam de Rijk in haar boek ‘51 mythes over wat goed zou zijn voor onze economie’ goed zien. Misschien wel de belangrijkste mythe is dat belastingverlaging voor bedrijven goed zou zijn voor de economie en de werkgelegenheid. Dat zeggen werkgevers altijd: geef ons lagere belastingen, dat is goed voor de werkgelegenheid. Nee dus: Als bedrijven meer geld overhouden, blijken ze niet te gaan investeren. Ze gebruiken het geld om eigen aandelen op te kopen, voor hogere dividenden of voor overnames. Allemaal zaken die niets toevoegen aan de reële economie. Voor investeren is afzet nodig, en daarvoor is koopkracht nodig. Tweederde Nederlandse economie is namelijk afhankelijk van de binnenlandse vraag. De koopkracht blijft echter steeds verder achter, o.m. door deze belastingpolitiek ten gunste van het grootbedrijf en het grootkapitaal.

En voor de belasting op huishoudens is ook al decennia een denivellering gaande. Vanaf de jaren 1970 is het topbelastingtarief structureel omlaaggegaan – van 80% (Den Uyl), naar 72% (Oort), naar 60% (Vermeend), naar 52% (nu) naar 49,5% (voorstel Rutte III). Het toptarief wordt al snel bereikt (bij een inkomen van ruim anderhalf modaal) en is daarmee niet gericht op de echte topinkomens. In de belastingvoorstellen van Rutte III wordt dat nog verder verlaagd, en blijven er maar twee tariefschijven over. Nog even en we zitten in de neoliberale natte droom van een vlaktax: één tarief voor iedereen.

Daar komt nog bij dat er in Nederland op grote schaal sprake is van belastingontwijking en belastingontduiking, met name over vermogen en kapitaalinkomen. Per jaar stroomt er een schier onwaarschijnlijk bedrag van € 4000 miljard door Nederlandse brievenbusfirma’s, meer dan in welk land dan ook. Uit onderzoek van Oxfam Novib blijkt dat ontwikkelingslanden jaarlijks minstens 460 miljoen euro aan belastinginkomsten mislopen via brievenbusmaatschappijen in Nederland. Het trekt ook veel crimineel geld aan, zoals van de maffia uit Italië en Rusland. De Amsterdamse Zuidas is in feite één grote witwasfabriek. Voor Nederland zelf loopt het bedrag aan gemiste belastingopbrengsten op tot zo’n € 30 miljard per jaar: zo’n een derde van ons totale budget voor gezondheidszorg en bijna tien keer het budget van ontwikkelingssamenwerking; tegen een geschatte opbrengst van slechts € 0,5 tot € 1,5 miljard per jaar. De FNV schat voorts de gemiste jaarlijkse inkomsten op 6 miljard euro aan directe belastingfraude en 2 miljard euro aan oninbare belastingschulden. Bedrijven worden – tot grote onvrede van de FNV-ers bij de Belastingdienst – maar éénmaal in de veertig jaar gecontroleerd.

Tabel belastingtarieven in Nederland   1970 2020
Btw Laag 4% 9%
  Hoog 12% 21%
Inkomstenbelasting Minima 36% 36,5%
  Modaal 48% 41%
  Rijk 80% 52%
Winstbelasting   48% 17,5-21%
Dividendbelasting   25% 15%

Ons belastingstelsel is een pretpark voor het grootkapitaal geworden. Het vergroot de ongelijkheid enorm, terwijl die toch al enorm toeneemt. Wie rijk en vermogend is betaald effectief veel minder belasting, vooral door aftrekposten, vrijstellingen en uitstelmogelijkheden. De sterkste schouders met de meest sluwe belastingadviseurs betalen in ons land de minste belastingen. Jan en Annie Modaal en de mensen die daar niet aan toekomen betalen het feestje van het grootkapitaal, waar het geld ongekend tegen de plinten klotst. Door alleen naar gelijke kansen te kijken, die mede door de enorme inkomens- en vermogensongelijkheid steeds meer een fictie zijn, blijven meer gelijke uitkomsten buiten beschouwing.

En dan is er ook nog het probleem van de armoedeval. Nu betalen Nederlanders in de eerste en tweede belastingschijf nauwelijks inkomstenbelasting, maar wel veel premies voor de volksverzekeringen. Daardoor zijn de marginale tarieven ook voor lage inkomens bijzonder hoog, en houden ze van hun brutoloon netto maar weinig over. Dat inkomensverlies moeten we vervolgens repareren met huur-, zorg- en kinderopvangtoeslagen, kindgebonden budgetten en wat al niet meer. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt in Nederland zelden een kwartje. Een hele fiscale kerstboom vol belastingtarieven, heffingskortingen en inkomenstoeslagen beoogde van Nederland een beschaafd, sociaal land te maken. Maar de keerzijde is dat iemand die probeert te ontsnappen aan de armoede, door meer te werken en carrière te maken, zijn of haar subsidies kwijtraakt en zo weinig overhoudt van al die ijver en ambitie. Wie arm is in Nederland en rijker probeert te worden, vindt de Belastingdienst op z’n weg. ‘Als nivelleren een feest is, dan is de armoedeval de comazuiper die de dansvloer onderkotst’, zo stelde Mathijs Bouman onlangs in een column terecht. Want wat heb je aan inkomensgelijkheid als het mensen in een afhankelijke positie houdt? Hoe durven we ons belastingstelsel ‘progressief’ te noemen, als in de praktijk de hoogste marginale tarieven door de laagste inkomens worden betaald?

4.      Belastingontwijking en -ontduiking

 Financieel is Nederland een wereldspeler van formaat. Nederland staat derde op de ranglijst van landen met het beste handelsklimaat. Onze bankensector heeft viermaal de omvang van ons nationaal inkomen. Jaarlijks stromen vele duizenden miljarden euro’s Nederland in en uit. Bijna de helft van de wereldwijde omzet van de handel in olie, koffie, gas, graan, soja, koper en zink loopt door Nederland, onder meer via bedrijven als Gunvor, Trafigura en Vitol. Van de honderd grootste bedrijven ter wereld maken er tachtig om fiscale redenen gebruik van rechtspersonen in Nederland. Dat komt vooral door ons uitgebreide belastingverdragen-netwerk met grondstof-exporterende landen, vaak ontwikkelingslanden. Uit onderzoek van Oxfam Novib blijkt dat ontwikkelingslanden jaarlijks minstens 460 miljoen euro aan belastinginkomsten mislopen via brievenbusmaatschappijen in Nederland. In het rapport De Nederlandse Route, Hoe arme landen inkomsten mislopen via belastinglek Nederland beschrijft Oxfam Novib de grote rol die Nederland speelt in internationale belastingontwijkingspraktijken.

Amerikaanse bedrijven hebben nu bijna 500 miljard dollar winst opgepot in Nederland. Méér dan in Bermuda of Zwitserland. Nederland loopt elk jaar ruim 7 miljard euro mis aan belastingontwijking. De hele EU loopt 100 miljard euro mis. Dankzij het vriendelijke Nederlandse belastingregime betaalde bijv. Google in 2014 over ruim 10 miljard Europese inkomsten nog geen drie miljoen euro belasting. Ook ontwikkelingslanden lopen 100 miljard euro mis. Dat staat in het rapport Tax Battles van Oxfam Novib uit 2016. Lang heeft minister Dijsselbloem namens de regering ontkent dat Nederland een belastingparadijs was. Maar na de Panama Papers in voorjaar 2016 werd toegegeven dat ons land een onderdeel van het probleem is, maar dat het nu onderdeel zou gaan uitmaken van de oplossing. In december 2016 verscheen echter het in opdracht van de FNV opgestelde rapport Survival of the Richest van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO), waaruit bleek dat Nederland in 2018 nog steeds 236 ‘sweetheart tax deals’ sloot, geheime afspraken met multinationals over lagere belastingtarieven. Het bleek dat 151 Nederlandse multinationals in de periode 2005-2014 meer dan 30 miljard euro minder belasting hebben betaald dan op basis van het winstbelastingtarief mocht worden aangenomen. 

De EU besloot in 2016 om per 31 december 2018 een ongewenste ontwijkingsroute voor Amerikaanse multinationals te sluiten. Maar in december 2016 wist Jeroen Dijsselbloem dat besluit uit te stellen tot 1 januari 2024! En in juni 2017 werd uit een nieuw onderzoek van de FNV[16] duidelijk dat er nog steeds een groot aantal ontwijkingsroutes zijn, en dat de staat zelfs fiscaal onderzoek van multinationals financiert om deze routes in kaart te brengen. De FNV onthulde drie nieuwe routes: de Curaçaoroute, de Hongarijeroute en de Zwitserlandroute. Deze routes worden gebruikt door Ahold, Aegon, G-Star en de BCD Groep (Cheaptickets.nl, Vliegwinkel.nl en het reisbureau voor o.a. het Europees Parlement). De FNV wil dat deze routes direct gesloten worden en dat bedrijven die belasting ontwijken worden uitgesloten van aanbestedingen.

Het is een gênante vertoning. Ambtenaren en ministers bedelen om multinationals zijn Europese hoofdkantoor in Nederland wil vestigen. En dat terwijl Nederland zo hoog staat op de lijstjes die de internationale concurrentiekracht van landen in kaart brengen. Eigen kracht eerst, zou je zeggen. Maar kennelijk is dat niet genoeg. Na het gebedel komen de fiscale cadeautjes. Sinterklaas bestaat en hij heeft ook een vestigingspiet, de Netherlands Foreign Investment Agency, het NFIA. Dat is een agentschap van het ministerie van Economische Zaken dat buitenlandse investeerders en (Europese) hoofdkantoren van multinationals naar Nederland moet halen. Tot wel 80 procent korting op je reguliere belastingaanslag kun je krijgen, bleek uit een e-mail tussen honderden pagina’s documenten die NRC Handelsblad op basis van de Wet openbaarheid van bestuur overhandigd kreeg. De NIFA vergoedde tot voor kort zelfs de fiscale advieskosten van bedrijven die hier een vestiging overwegen. De Tweede Kamer heeft in 2017 uitgesproken dat dat laatste niet meer mocht. Zoals de Kamer eerder per motie uitsprak dat Nederland geen belastingparadijs mag heten.

Onze reputatie als een vestigingsplaats waar je zaken kunt doen met de fiscus, is alom bekend. Die fiscale voordelen zijn binnen Europa de logische instrumenten in de concurrentiestrijd tussen kleine en grote landen. De grote, zoals Duitsland en Frankrijk, hebben een natuurlijk overwicht. Een grotere thuismarkt, dus een groter aanbod van werknemers en hoger-opgeleiden, en een markt met meer consumenten. Kleine landen (België, Luxemburg, Zwitserland, Ierland, Nederland) verweren zich traditioneel met een liberaal belastingregime. Of het bankgeheim. Of beide.

Een vergelijkbaar moeizame omgang met de fiscale praktijk zie je in de relatie tussen de NS en het ministerie van Financiën als enig aandeelhouder van de Spoorwegen. De concurrentiewaakhond ACM gaf de NS in 2017 geleden een recordboete van 40,5 miljoen euro wegens marktmisbruik bij een aanbesteding in Limburg in 2014. In het besluit daarover bespreekt de ACM ook de rol van een financieringsmaatschappij van de NS in Ierland bij de aanbesteding. De NS gebruikt deze Ierse maatschappij om zijn Nederlandse belastingen te drukken. Zonder deze Ierse dochter was het bod van de NS op de aanbesteding onhaalbaar. Op het moment dat de NS de aanbesteding bijna klaar had, liet het ministerie van Financiën telefonisch weten dat de Ierse financieringsdochter moet worden opgedoekt. Consternatie bij de NS. Wat te doen? Druk overleg en mailverkeer volgt. Aan het eind van de rit wijzigt de NS het bod in Limburg niet, maakt het ministerie geen bezwaar tegen de Ierse fiscale route en wordt de telefonische opdracht om de Ierse dochter te ontmantelen ook niet schriftelijk bevestigd. Pas ná de Limburgse aanbesteding komen er nieuwe afspraken over de Ierse belastingroute.

De belastinggrondslag in Nederland zelf is ernstig aangetast. Belastingontwijking door bedrijven en ontduiking door particulieren, kost de Nederlandse economie miljarden euro’s per jaar. In Nederland gevestigde multinationals kiezen verschillende routes om de fiscus te omzeilen. De kern van bijna al deze routes is dat multinationals hun winsten verschuiven naar landen waar die niet of nauwelijks worden belast. Dit kost onze schatkist miljarden euro’s per jaar. Hoogleraar belastingrecht Geerten Michielse kwam in 2009 met de volgende schatting: in de jaren 80 liep onze schatkist hierdoor ca. €2 mld. mis, in de jaren 90 ca. €4 mld. per jaar en vanaf 2003 loopt dit exponentieel op tot gemiddeld ca. €15 mld. per jaar in 2007. Per saldo betekent dit dat ieder Nederlands huishouden per jaar €2000 extra belasting betaalt om dit lek te dichten. Grote bedrijven ontwijken met internationale fiscale constructies de fiscus terwijl het MKB het volle pond aan vennootschapsbelasting betaalt.

Ook worden overnames (Corus, HEMA, Douwe Egberts etc.) van Nederlandse bedrijven door buitenlandse bedrijven voor een groot deel door de Nederlandse belastingbetaler gesubsidieerd. Net als bij de hypotheekrenteaftrek, konden bedrijven de rente van een lening om een overname te financieren tot voor kort volledig aftrekken. Dit soort overnames van Nederlandse bedrijven door buitenlandse ondernemingen leidt in het buitenland tot politieke beroering. In Nederland blijft het politiek opvallend stil.

De olifant in de kamer is dus dat het steeds makkelijker werd om belasting te ontduiken.[17] Een hele industrie van Luxemburgse vermogensadviseurs, Zwitserse bankiers en Panamese advocaten heeft de drempel tot belastingfraude in de afgelopen decennia steeds verder verlaagd. De opbrengsten werden hoe langer hoe groter, en de risico’s steeds kleiner. Recent verscheen er een fascinerend onderzoek van de economen Annette Alstadsæter, Niels Johannesen en Gabriel Zucman dat laat zien hoe belangrijk het meerekenen van zulk vermogen is. Zelfs voor een egalitair land als Noorwegen. Het drietal gebruikte de Panama Papers, Swiss Leaks en Noorse belastinggegevens om de ontduiking aan de top in te schatten. Het is natuurlijk geen verrassing dat rijke Noren veel vaker in belastinglekken als de Panama Papers en Swiss Leaks voorkomen dan de huis-tuin-en-keuken-Noor. En dus neemt de ongelijkheid enorm toe zodra we dit verborgen vermogen meerekenen. Het economendrietal schat dat de rijkste 0,1 procent van de Noren niet 8,5 procent maar 12,7 procent van het totale vermogen bezit. Daarmee is bijna de helft van de afname in vermogensongelijkheid sinds de Tweede Wereldoorlog in één klap verdwenen. En vergis je niet: belasting ontduiken is niet een uniek Noorse volkssport. Sinds 2009 heeft de Nederlandse overheid een inkeerregeling, waardoor belastingontduikers boetevrij alsnog hun zwart gespaarde vermogen kunnen aangeven bij de Belastingdienst. Tussen 2009 en 2014 kwam hierdoor al ruim negen miljard euro aan verborgen vermogen aan het licht. Je kunt ervan uitgaan dat er nog heel wat types zijn, die angstvallig proberen hun vermogen verborgen te houden. Wat in ieder geval duidelijk is: de ongelijkheid is groter dan we denken, omdat vooral de rijkste inkomensgroepen veel verzwijgen voor de Belastingdienst.

De zeer vermogende particulieren (zvp’ers) maken net als multinationals op grote schaal gebruik van complexe belastingconstructies. Eén op de tien miljonairs overweegt Nederland om fiscale redenen te verlaten, blijkt uit onderzoek van de Van Lanschot Bankiers. Ze verhuizen vaak naar België, London of Monaco. Of ze verhuizen hun vermogen naar Zwitserland, Singapore of Hong Kong, omdat daar geen of zeer weinig vermogensbelasting wordt geheven. Een andere mogelijkheid is dat zvp’ers hun vermogen via verschillende routes uiteindelijk stallen in een trust in een belastingparadijs. Daarmee ontduikt de zvp’er de box 3-heffing, 30 procent over een fictief rendement van 4 procent. Voor het faciliteren van deze vormen van belastingontwijking hebben Credit Suisse, UBS en Wegelin recent voor miljarden dollars aan de Amerikaanse belastingdienst moeten terugbetalen. In ons land wordt nog steeds te weinig gedaan om belastingontwijking aan te pakken, ook uit angst dat dit de reputatie van ons vestigingsklimaat aantast. Hiermee bijt Nederland zichzelf in de staart. Vast staat dat rijke Nederlanders en grote Nederlandse multinationals gebruik maken van diverse routes om belasting te ontwijken, of in sommige gevallen zelfs illegaal te ontduiken. Vast staat ook dat daardoor de belastinggrondslag in ontwikkelingslanden uitgehold wordt.

Multinationals ontwijken massaal belasting in ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd snakken arme landen naar belastinginkomsten. Het uitbannen van armoede in de wereld, kan niet zonder wereldwijde herverdeling van inkomens. Ook bij het International Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank begint dat besef door te dringen. Overheden wereldwijd verkleinen tekorten liever met de btw dan met de vennootschapsbelasting. In Nederland is in 2001 de vermogensbelasting voor rijke spaarders flink omlaaggegaan en in 2010 ging ook de erfbelasting naar beneden. Door deze politiek wordt het private vermogen nu slechts beperkt belast. De effectieve belasting op bedrijfswinsten is zeer gering en wordt, zonder noemenswaardig politiek debat, steeds verder teruggebracht. Dat vergroot de ongelijkheid omdat bedrijfswinsten voor een groot deel terechtkomen bij de rijkste particulieren, die veruit de meeste aandelen bezitten.

Internationale belastingconcurrentie en –ontduiking leidt ertoe dat grote bedrijven en kapitaal steeds minder belast worden. De ophopende kapitalen bij tropische belastingparadijzen verstoren de economische kringloop en veroorzaken zeepbellen op de internationale kapitaalmarkten.

Nederland is internationaal kampioen in het faciliteren van belastingontwijking. Per jaar stroomt er een schier onwaarschijnlijk bedrag van € 4000 miljard door Nederlandse brievenbusfirma’s, meer dan in welk land dan ook. Brievenbusbedrijven moeten worden bestreden – bij voorrang die van Russische ondernemingen en oligarchen die op de sanctielijst staan of daarmee indirect zijn verbonden zoals Gazprom, en van de bedrijven en personen die de Griekse belastingen vermijden.

Onderzoek laat zien dat deze zogenaamde ‘investeringen’ over het algemeen alleen gericht zijn op het doorsluizen van geld, de reële waarde die aan de Nederlandse economie wordt toegevoegd is verwaarloosbaar. Ontwikkelingslanden verliezen ongeveer anderhalf keer zoveel geld aan belastingontwijking en –ontduiking als ze aan hulpgelden ontvangen. Belastingontwijking en –ontduiking kost de EU-landen zelf nu gezamenlijk zo’n € 1000 miljard per jaar. Voor Nederland loopt dat bedrag op tot zo’n € 30 miljard per jaar: zo’n een derde van ons totale budget voor gezondheidszorg en bijna tien keer het budget van ontwikkelingssamenwerking; tegen een geschatte opbrengst van slechts € 0,5 tot € 1,5 miljard per jaar. Volgens de Stichting Economisch Onderzoek hebben slechts 3500 mensen in Nederland hun baan te danken aan dit voor multinationals uiterst gunstige belastingklimaat. Tachtig van de honderd grootste ondernemingen ter wereld hebben inmiddels in ons land vennootschappen om hun inkomsten zo belastingvrij mogelijk door te geleiden.

Starbucks is een goed en bekend voorbeeld hoe die belastingontwijking in zijn werk gaat. Deze onderneming heeft in Nederland een grote koffiebranderij staan, die op jaarbasis een omzet heeft van honderden miljoenen euro’s, met daarop een aanzienlijke winst. Er wordt door Starbucks een verdwijntruc op deze winst toegepast door zgn. royalty’s af te dragen aan een BV in het Verenigd Koninkrijk. Deze royalty’s zijn een vergoeding voor het gebruiken van het recept voor het maken van ‘echte’ Starbuckskoffie. Deze royalty’s mogen worden afgetrokken van de winst en alleen over het resterende bedrag behoeft Starbucks koffie te betalen. Daardoor kan Starbucks de winst stelselmatig drukken en betaalt zij maar zo’n 5% belasting over deze winst, in plaats van 25%. De Belastingdienst heeft deze praktijk goedgekeurd met een zgn. ruling. Het is dus niet onrechtmatig, maar wel uiterst onrechtvaardig.

De FNV schat de gemiste jaarlijkse inkomsten op 6 miljard euro aan directe belastingfraude, 2 miljard euro aan oninbare belastingschulden en naar schatting 30 miljard door onvoldoende grip op de informele economie. Deze gemiste inkomsten worden ook wel de tax-gap genoemd. De afgelopen jaren is gevraagd om inzicht in de omvang van de tax-gap in Nederland, maar het kabinet weigert tot nu toe de omvang van de tax-gap te berekenen. In diverse andere Europese landen wordt het berekenen van de tax-gap gebruikt wordt om een optimale omvang van de belastingdienst te kunnen vaststellen. Uit een Engelse studie naar de tax-gap voor alle Europese landen blijkt dat Nederland rond de 30 miljard euro per jaar misloopt.

Voor een goed functionerend belastingstelsel is het van groot belang dat de belastingmoraal hoog blijft. Nu 85% van de bevolking het idee heeft dat zijzelf meer betalen doordat anderen frauderen met belastingen of belastingen ontwijken, is het noodzakelijk om dit stevig en snel aan te pakken. Anders daalt de belastingmoraal, met alle gevolgen van dien. Naar aanleiding van het rapport ‘Miljarden voor het oprapen’ onder medewerkers van de Belastingdienst heeft het vorige kabinet in zijn regeerakkoord vastgelegd extra te willen investeren in controles. Maar door extra bezuinigingen op de publieke sector, waaronder de belastingdienst, werd onder Rutte II per saldo juist bezuinigd op het personeel en de kwaliteit van de belastingdienst. Tegelijkertijd neemt het aantal ingewikkelde bedrijfsaangiftes steeds verder toe. Telde Nederland aan het eind van de vorige eeuw 300.000 ondernemingen, vandaag de dag zijn dat er 1,2 miljoen, vier keer zo veel. Aangiftes van ondernemingen worden daarom gemiddeld nog maar eens in de 40 à 50 jaar gecontroleerd. Belastingdienstmedewerkers geven aan dat er nog steeds miljarden voor het oprapen liggen als er meer mensen zijn om het werk te doen. Door de aanhoudende bezuinigingen wordt de naleving van en daarmee het vertrouwen in het huidige belastingstelsel ondermijnd. Binnen een nieuw belastingstelsel moet dat echt anders. Goede naleving levert draagvlak en inkomsten op.

Het bieden van belastingvoordelen voor bedrijven zorgt voor een onwenselijke herverdeling van publieke naar private actoren en van het MKB naar de multinationals. De zwaarste schouders met de meest vernuftige belastingadviseurs dragen de lichtste lasten, zo betoogt Roos van Os, senior onderzoeker bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen in S&D van juni 2015. Zij constateert moreel gezwalk bij onze politici op dit thema en concludeert dat ondanks veel lippendienst effectieve maatregelen tot nu toe uitblijven. Het laten voortduren van ontduiking van belastingen is een immorele keuze die de ongelijkheid internationaal en nationaal sterk doet toenemen. Roos van Os kenschetst de situatie door Nederland een pretpark voor het grootkapitaal te noemen.

Een concrete en meetbare aanpak van belastingontwijking en -ontduiking door multinationals en superrijken moet een belangrijk onderdeel vormen van de belastingherziening. Volgens voormalig FIOD-rechercheur Jan van Koningsveld (gepromoveerd op offshore-vennootschappen, gehoord door de parlementaire commissie financiële constructies) brengen vermogende Nederlanders naar schatting 150 miljard euro onder in belastingparadijzen. Om belastingfraude tegen te gaan moet flink geïnvesteerd worden in de kwaliteit en capaciteit van de Belastingdienst. Daar is nu onvoldoende capaciteit om te controleren of bedrijven en huishoudens zich aan de belastingregels houden.

5.      Contouren van een nieuw belastingstelsel

We gaan daarom het belastingstelsel geheel op de kop zetten. We willen een eerlijk stelsel, dat te grote inkomens- en vermogensongelijkheid herverdeeld, de sterkste schouders weer de zwaarste lasten laat betalen en dat arbeid niet zwaarder belast dan kapitaal. We willen een effectief stelsel, waarbij belasting niet via allerlei kunstgrepen ontweken of ontdoken kan worden en waarin mensen niet vastzitten in een armoedeval. En we willen een eenvoudig stelsel, dat mensen begrijpen en goed uitvoerbaar is, en geen pretpark voor belastingadviseurs meer is. De hoofdlijnen daarvan zijn als volgt.

Er komen in de loon- en inkomstenbelasting niet minder, zoals het huidige kabinet wil, maar juist meer tariefschijven, inclusief een miljonairstarief (bv. 80%). De laagste tariefschijven gaan omlaag, bij de laagste inkomens zelfs tot nul, en mensen met een hoog inkomen en/of vermogen gaan veel meer betalen.

Alle inkomen, ongeacht de bron, wordt gelijk behandeld, en inkomen uit kapitaal gebaseerd op het werkelijke rendement (nu worden spaarders te zwaar belast en aandelen- en vastgoedbezitters veel te weinig). De huidige bevoordeling van kapitaalinkomen vervalt met het schrappen van het boxenstelsel. Kleine kapitaalbezitters (bijv. tot anderhalve ton) gaan minder betalen, grote kapitaalbezitters gaan meer betalen.

We schrappen bovendien alle aftrekposten, heffingskortingen, vrijstellingen en uitstelmogelijkheden, zowel in de inkomensbelasting als in de vennootschapsbelasting.Deze komen nu vooral ten goede aan de hoge inkomens en vermogens en er wordt veel belasting mee ontweken. Dit leidt tot een grote herverdeling van rijk naar arm en bevorderd een hogere arbeidsinkomensquote. Dit vereenvoudigt het belastingstelsel enorm, maakt de tarieven effectief en transparant en bestrijdt misbruik en belastingontwijking.

We schrappen ook de aparte premies voor volksverzekeringen (AOW, WLZ, ZVW) – de uitgaven voor de AOW (die we immers vervangen door het Zekerheidsinkomen) en de zorg worden in het vervolg uit de belastinginkomsten betaald, waardoor ook inkomen uit kapitaal van huishoudens en bedrijven eraan gaan meebetalen.

En we schrappen de fiscale inkomenstoeslagen voor huur, zorg en kinderopvang. Deze fiscale toeslagen (huur, zorg en kinderopvang) veroorzaken veel schulden: 27% moet deze terugbetalen, bij kinderopvang is dat zelfs 40%! Dat komt vooral door wisselende inkomens, en de jaarsystematiek. Men krijgt de toeslagen als voorschot op basis van een geschat inkomen per jaar. Valt dat tegen, dan moet je terugbetalen. Vaak kunnen lage inkomens dat niet. Bovendien vraagt 17% van de rechthebbenden geen zorg- of huurtoeslag aan. Het systeem is te complex en te risicovol. En het systeem veroorzaakt een armoedeval. Tot een modaal inkomen ga je er nauwelijks op vooruit als je bruto meer gaat verdienen, doordat de toeslagen dan verminderen of uiteindelijk geheel wegvallen. Tenslotte veroorzaakt het systeem ook grote uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst en veel controlekosten en -ellende. Een maandsystematiek zou, zo al uitvoeringstechnisch mogelijk, dat nog verder versterken.

Fiscale toeslagen overbodig maken is de beste oplossing.[18] Dat doe je door hogere inkomens te realiseren, maar vooral ook door verlaging van de vaste lasten waarvoor deze toeslagen bedoeld zijn. In plaats van de huurtoeslag zorgen we voor lagere, betaalbare huren voor lage en middeninkomens. Door het schrappen van de aparte zorgpremies (ZVW en WLZ) en het schrappen van het eigen risico en eigen bijdragen in de zorg is er ook geen zorgtoeslag meer nodig. Zie hiervoor verderop bij wonen en bij zorg. Hetzelfde geldt voor de kinderopvangtoeslag, nu we de kinderopvang gratis maken door deze collectief te financieren. Het kindgebondenbudget integreren we in een inkomensonafhankelijke kinderbijslag.

We voeren een aparte vermogensbelasting in voor miljonairs, bijv. 1% voor vermogens tussen 1 en 2 miljoen en 2% voor vermogens boven 2 miljoen euro.

De erfenisbelasting wordt ook verzwaard. Iedere Nederlander krijgt het recht om gedurende zijn leven 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast (zeg: de eerste 500.000 euro met 40 procent, alles daarna met 60 procent). De vrijstelling voor het kopen van een huis voor je kinderen wordt geschrapt. Dat is een onrechtvaardige subsidie van arm naar rijk en verhit de woningnood onnodig. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers wordt geschrapt.

Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting (terug naar de niveaus aan het begin van deze eeuw) en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft, maar verhoogd. De tarieven maken we progressief: hoe hoger de winst en het dividend, hoe hoger het tarief. We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief, beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn tenminste net zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant.

We schrappen ook alle vrijstellingen, zoals de innovatiebox (waar multinationals te makkelijk geld maar tegen 5% kunnen laten belasten) en de deelnemersvrijstelling en voordelen met betrekking tot herstructurering van schulden en verliezen, waarmee zelfs algehele belastingvrijstelling verkregen kan worden.

We staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd 0 euro, en waarborgen een eerlijke vermogensetikettering (indien het vermogen voor het merendeel privé of voor de onderneming wordt aangewend, wordt het vermogen daar in volledigheid opgenomen).

We gaan ook een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren. De ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen (rente aftrekbaar, winsten belast) in de vennootschapsbelasting leidt tot allerlei fiscale constructies en tot overmatige schuldfinanciering. Een gelijke aftrek voor zowel eigen als vreemd vermogen haalt die perverse prikkel weg. Dit zal een domper zijn voor in Nederland gevestigde financieringsvennootschappen (‘brievenbussen’), maar juist weer gunstig voor concernfinanciering vanuit Nederland van reële investeringen. Een gelijke vermogensaftrek is bovendien relatief gunstig voor het midden- en kleinbedrijf omdat het MKB verhoudingsgewijs met veel eigen vermogen is gefinancierd.

We gaan de huidige fiscale ondernemingsfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) en ondernemersfaciliteiten (incl. die voor DGA’s[19]) vervallen. De DGA gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap als arbeidsinkomen.

Binnen de groep werkenden zijn er nu te grote verschillen in lasten, zo laat de commissie Borstlap overtuigend zien. Zo betalen zelfstandigen geen werknemerspremies (WW, WAO/WIA, ZW), en geen verplichte aanvullende pensioenpremie. De verschillende behandeling van inkomensbronnen in ons belastingstelsel impliceert voorts dat looninkomsten meer worden belast dan inkomsten uit onderneming. Zelfstandig ondernemers hebben diverse ondernemingsfaciliteiten (zoals de Landbouwvrijstelling, de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen, de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en de herinvesteringsreserve) en ondernemersfaciliteiten (zoals de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de mkb-winstvrijstelling) die maken dat er minder belastingen en premies (ook voor volksverzekeringen als AOW, ANW en WLZ) verschuldigd zijn.

De commissie wijst ook op de specifieke voordelen voor DGA’s: “Daarbij is er nog een ander fiscaal regime voor zelfstandigen die de onderneming drijft in de juridische vorm van een vennootschap, de directeur-grootaandeelhouder (dga). De juridische splitsing tussen de persoon en de vennootschap maakt dat voor de dga: i) de inkomsten van zijn onderneming worden belast met vennootschapsbelasting, ii) eventuele dividenduitkeringen alsmede voordelen uit (latere) verkoop van de aandelen worden belast met inkomstenbelasting tegen een tarief van 26,25 procent (box 2) en iii) de dga geacht wordt een “gebruikelijk loon” te genieten dat wordt belast met inkomstenbelasting in box 1 (conform de looninkomsten van een werknemer).

Deze systematiek maakt het mogelijk dat er veel (arbeids)inkomen van de dga achterblijft in de vennootschap dat pas op een later moment (met name bij verkoop van de aandelen) wordt belast in de inkomstenbelasting tegen een tarief van 26,25 procent. Van deze mogelijkheid voor belastinguitstel wordt door dga’s in omvangrijke mate gebruikgemaakt.” DGA’s lenen nu excessief bij de eigen vennootschap om zo belastingheffing te ontkomen (nu voor gezamenlijk 55 miljard euro!). DGA’s delen zo geld niet uit als dividend en zetten het ook niet in als ondernemingsvermogen, maar wenden het voornamelijk aan voor private consumptie.

De commissie concludeert: “Deze verschillende fiscale regimes leiden tot verschillen in lastendruk, welke zoals gesteld gelegen kunnen zijn in de verschillende aard van het inkomen. Maar het resultaat is een ongelijke behandeling van arbeidsinkomen, met name wanneer bij een zelfstandige arbeid de voornaamste bron van inkomen is. Dit doet zich voor, indien een zelfstandige geen of marginaal kapitaal heeft geïnvesteerd in zijn onderneming. Het arbeidsinkomen van de zelfstandige wordt in dat geval te laag belast en het arbeidsinkomen van dga’s kan in dat geval worden onderschat. Dit bevordert arbitrage tussen de fiscale regimes en de juridische vorm waarin arbeid wordt aangeboden.

De fiscale verschillen werken door naar andere collectieve (inkomens)voorzieningen, die verschillen in lasten creëren. Dit is het geval indien deze (inkomens)voorzieningen het inkomen als maatstaf nemen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de toeslagen: de fiscale voordelen van zelfstandigen brengen mee dat zij eerder en meer beroep kunnen doen op toeslagen dan andere werkenden.”

Bij elkaar leiden alle verschillen tot grote verschillen in lasten op arbeid afhankelijk van de vorm waarin deze arbeid wordt verricht, dat een grote prikkel geeft tot zelfstandig ondernemerschap in plaats van werknemer, met een zeer beperkte bestaanszekerheid, en doordat de regelgeving de handhaafbaarheid bemoeilijkt, tot schijnconstructies. Ook leidt het tot forse uitholling van de financiering van de sociale zekerheid en van de collectieve voorzieningen. In de woorden van de commissie: “De fiscale voordelen voor zelfstandigen (zowel zelfstandig ib ondernemers als dga’s) leiden tot lagere collectieve inkomsten als gevolg van lagere ontvangsten van belastingen en premies. Dit gaat om forse bedragen die, gezien de volumeontwikkeling van ondernemers, duidelijk zijn gegroeid. De budgettaire derving van de twee grootste ondernemersfaciliteiten, de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling, is opgelopen van circa 1,4 miljard euro in 2004 naar circa 3,8 miljard euro in 2019.

Op zichzelf zou dit geen probleem zijn, mits deze uitgaven (in de vorm van verminderde belasting- en premieontvangsten) effectieve instrumenten zijn om de collectieve welvaart in Nederland te verhogen. Uit de meest recente evaluatie van (een deel van) de fiscale regelingen blijkt dat de omvang en samenstelling van de populatie van zelfstandigen in Nederland niet los kan worden gezien van de fiscale prikkels. In hoeverre de huidige omvang en samenstelling van deze groep ook daadwerkelijk bijdraagt aan het verhogen van de welvaart in Nederland is dan een relevante vraag. Een maatstaf die hiervoor genomen kan worden is het effect op innovatie, concurrentie en nieuwe producten en diensten. De evaluatie geeft aan dat er geen positieve correlatie is tussen investeringen in innovatie en het aantal zelfstandigen in een sector, en evenmin een positieve correlatie tussen innovatie en het aantal “succesvolle” ondernemers.

En last but not least komen we met een fors offensief tegen belastingontwijking en -ontduiking:

-Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.

-Veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per 3 jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude ieder jaar).

-Aanscherpen van vestigingseisen multinationals (o.m. werknemers en kantoor in NL).

-Belastingverdragen met derdewereldlanden solidair maken en voorzien van antimisbruikbepaling.

-Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.

-Verscherpen van het toezicht op trustkantoren die nu werken voor brievenbusfirma’s. We saneren de sector met strenge regels en door illegale praktijken harder aan te pakken. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s en trustkantoren.

Zo’n grote stelselverandering kost uiteraard tijd. Zorgvuldigheid gaat boven snelheid. De beoogde koopkracht- en werkgelegenheidseffecten moeten goed bewaakt worden. Ook moet er bij bijv. afschaffing hypotheekrenteaftrek eerst voldoende betaalbare huur en bouwsparen als alternatief voldoende gerealiseerd zijn. Richtsnoer is, zoals eerder hiervoor aangegeven, dat we de koopkracht tot ca. anderhalf modaal (ca. € 55.000 per jaar) willen verbeteren, en dat we werkgelegenheid, betaalbaar wonen, effectieve tarieven en uitvoerbaarheid willen bevorderen. Gefaseerde invoering is daarbij een noodzaak. Bestaande woningbezitters (tot bijv. half miljoen) moeten daarbij niet achteruitgaan.

Netto moet de stelselwijziging, afhankelijk van de precieze parameters, tientallen miljarden euro’s per jaar opleveren – we beogen bewust geen budgettair neutrale wijziging. Er is sprake van lastenverzwaring bij hoge inkomens en vermogens en bij – vooral kapitaalintensieve en/of vermogende – bedrijven. Bij lage en middeninkomens is er sprake van een lastenverlichting. Nivellering is wel degelijk een feest! Deze extra inkomsten worden gebruikt om de extra uitgaven uit andere onderdelen van ons Nieuwe Tien over Rood te financieren.


[1] Het stelsel beloond ook de grootste vervuilers, zowel wat betreft productie als consumptie, terwijl het juist duurzaamheid zou moeten bevorderen. Zie daarover hoofdstuk VI.

[2] Zie ook hoofdstuk X.

[3] Zie hoofdstuk II.

[4] Zie hoofdstuk V.

[5] Zie hoofdstuk I.

[6] Voor de zorg en kinderopvang zie hoofdstuk VII, voor de huur zie hoofdstuk V.

[7] Directeur-Grootaandeelhouder

[8] Zie: https://pureluxe.nl/2019/04/rijkste-landen-wereld-2/

[9] In de officiële statistieken wordt de inkomensongelijkheid weg-gedefinieerd. Dat komt vooral omdat inkomen uit vermogen nauwelijks belast wordt, en de statistiek uitgaat van belastinggegevens. Dat terwijl we ook volgens de officiële statistiek wel enorme vermogensongelijkheid hebben, en ook die wordt nog eens onderschat. Zie o.m.: http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/cbs-meet-meer-ongelijkheid-maar-verkoopt-het-als-minder; https://decorrespondent.nl/5733/waarom-de-inkomensongelijkheid-in-nederland-groter-is-dan-we-denken/2585440982124-265e0fd1; https://www.groene.nl/artikel/vermogen-of-verdienste; http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/weggedefinieerd-inkomen-onttrekt-tweedeling-en-grotere-ongelijkheid-aan-het-zicht; https://www.sg.uu.nl/artikelen/2018/04/grote-ongelijkheid-desastreus-voor-de-samenleving-en-de-economie; https://www.rtlz.nl/opinie/artikel/3758051/nederland-misschien-wel-veel-ongelijker-dan-we-denken; https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2017/49/de-wondere-wereld-van-ongelijkheid; https://www.oxfamnovib.nl/blogs/dilemmas-en-oplossingen/waarom-ongelijkheid-wereldwijd-groeit; https://www.ftm.nl/artikelen/groeiende-ongelijkheid-stoppen?share=1; https://www.groene.nl/artikel/en-de-winnaar-is-het-bedrijfsleven; https://pure.uva.nl/ws/files/2346874/159402_446071.pdf; https://groenlinks.nl/nieuws/kiezers-van-linkse-en-rechtse-partijen-verenigd-pleidooi-voor-minder-ongelijkheid; https://www.quotenet.nl/Nieuws/Rijk-Nederland-doet-het-waanzinnig-maar-de-rest-staat-stil-216956;

[10] Het gaat hier om het totale private vermogen: aandelen, obligaties, spaar- en bankrekeningen, huizen en andere bezittingen. Pensioenen zijn door het CBS niet meegeteld, omdat mensen nu niet bij hun pensioen kunnen komen – het is geen ‘vrij’ vermogen. Zouden aanvullende pensioenen wel worden meegerekend (in totaal staat er ruim 1000 miljard euro uit bij Nederlandse pensioenfondsen) dan is de ongelijkheid in vermogen een stuk kleiner, maar nog steeds fors. Het CPB neemt in haar berekening van de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid het pensioenvermogen wel mee.

[11] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederland-hard-op-weg-naar-de-1-procent-samenleving .

[12] Zie: http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/weggedefinieerd-inkomen-onttrekt-tweedeling-en-grotere-ongelijkheid-aan-het-zicht

[13] De Volkskrant, column, 10 juli 2017

[14] zie: https://www.evelientonkens.nl/wp-content/uploads/2015/10/swierstra_tonkens_-_de_schaduwzijde_van_de_meritocratie.pdf) en bijv. Evelien Tonkens (Zie: https://www.evelientonkens.nl/wp-content/uploads/2015/10/swierstra_tonkens_-_de_schaduwzijde_van_de_meritocratie.pdf)

[15] Zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32140-50.html

[16] Zie: https://www.fnv.nl/over-fnv/nieuws/nieuwsarchief/2017/juni/Nieuwe-belastingtrucs-onthuld.-FNV-Politiek-moet-dit-soort-belastingmigratie-verbieden/

[17] Het volgende is ontleend aan https://decorrespondent.nl/5733/waarom-de-inkomensongelijkheid-in-nederland-groter-is-dan-we-denken/344904727167-6ef17882 van Jesse Frederik.

[18] https://www.volkskrant.nl/economie/kunnen-alle-toeslagen-niet-worden-afgeschaft~b8499d0c/

[19] Directeur-Grootaandeelhouder

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Hoofdstuk V. We zorgen voor betaalbaar en goed wonen

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 concrete voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

Voorstellen:

45.   We herstellen de brede volkshuisvestingstaak voor het Rijk. Landelijke regie met regionale verschillen is nodig. Er komt weer een minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Duurzaamheid. De markt is bij de enorme woningnood niet de oplossing, maar het probleem. Er is een Nationaal Actieplan tegen de Woningnood nodig, waarbij we per jaar 100.000 woningen bouwen, waarvan tenminste ca. een derde sociale huurwoningen. We zorgen dat procedures om te bouwen sneller verlopen met een speciale Woningcrisiswet. Daarbij moet de kwaliteit van wonen en de verduurzaming van woningen meegenomen worden, evenals de levensloopbestendigheid. Het aanbod moet ook divers zijn en tegemoetkomen aan de vraag van woningzoekenden. Centraal staat het aloude sociaaldemocratische ideaal dat iedereen recht heeft op een goede, betaalbare en passende woning in een buurt die kansen biedt. Huisvesting is meer dan een dak boven je hoofd. En een goede woning is in onze tijd een energieneutrale woning. We bouwen in beginsel niet in groene, open ruimte en natuur, maar vooral in en nabij de steden. Het Rijk en de provincies herkrijgen hun regie- en kaderstellende verantwoordelijkheid, ook wat betreft locaties voor woningbouw, met bijbehorende doordrukmacht. Gemeenten zijn gebonden aan de landelijke en provinciale normen, en de provincies houden toezicht op realisering. Het gaat daarbij om normen in aantallen, betaalbaarheid, kwaliteit (waaronder energieneutraliteit en levensloopbestendigheid), diversiteit en leefbaarheid.

46.   De benodigde bouwinspanningen vragen een acute investering in de  opleidingscapaciteit voor mensen in de bouw, de installatietechniek en de elektrotechniek. We starten een apart project voor leerwerkbedrijven in de bouw met gemeenten, corporaties en onderwijsinstellingen om de tekorten aan arbeidsplaatsen te helpen op te lossen.

47.   We gaan het voorkeursrecht van gemeenten voor een actieve grondpolitiek versterken. Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren. Gemeenten mogen grond niet meer tegen marktprijzen aan woningbouwcorporaties verkopen teneinde lage huren mogelijk te maken. Gemeenten kunnen gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten.

48.   Erfpachtconstructies passen in linkse grondpolitiek en worden dus eerder uitgebouwd dan afgebouwd. Ze helpen de prijzen van woningen en dus ook de huren laag te houden.

49.   Gemeenten krijgen meer ruimte om de OZB vorm te geven, met bijv. hogere tarieven bij dure huizen. We willen geen andere verruiming gemeentelijke belastingen teneinde gemeenten met meer lage inkomens te beschermen. Gemeenten krijgen mogelijkheid en meer bevoegdheden om weer zelf te bouwen.

50.   Het recht op passende, sociale huurwoning in eigen woon- of werkgemeente wordt versterkt, met concrete, meetbare maximale wachttijden. De gemeente moet in de woonvisie aangeven hoe zij die omlaag brengen, met prioriteit voor mensen die urgent een dak boven hun hoofd dreigen te verliezen of al verloren hebben. De gemeente houdt de voortgang daarvan bij en rapporteert daarover openbaar.

51.   Er komen meer mogelijkheden om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen, bijv. met beperking onderverhuur aan toeristen en expats, door bevoordeling inwoners in de gemeente, door bewoningseisen, etc. Ook kunnen gemeenten beperkingen stellen aan kopen voor dure verhuur, bijv. door een maximum prijs per m² in te stellen of kopen voor verhuur gericht toe te wijzen en te verbieden.

52.   De mogelijkheden voor antispeculatie-bedingen worden vergroot. We voeren een actief anti-woningspeculatiebeleid. Moderne huisjesmelkers pakken we aan. We tolereren niet dat rotte appels het systeem ondermijnen, door bv. teveel mensen in een huis, opsplitsing in piepkleine appartementjes of illegale verhuur via bv. AirBNB. Gemeenten kunnen dan boetes opleggen aan eigenaren die zich niet aan de regels houden en vergunningen intrekken. Er komt een aparte huisjesmelkerstaks: een extra belasting voor iedereen die meer dan tien huizen bezit.

53.   Gemeenten moeten ook verplicht – al dan niet in regionaal verband – daklozenopvang realiseren. Oorzaken van dakloosheid moeten weggenomen worden: meer GGZ-opvang en -begeleiding; adequaat urgentiebeleid bij toewijzing woningen; vroegsignalering bij ‘life-events’ die risicovol zijn (echtscheiding, werkloosheid, etc.); en een wettelijk verbod op huisuitzetting (zeker bij huishoudens met kinderen) zonder alternatieve beschikbare huisvesting, en wanneer schuldhulpverlening wordt aanvaard. We komen met een noodplan met systeembouw voor woningen voor daklozen, waar daklozen kunnen wonen totdat er een passende reguliere woning voor hen beschikbaar is en zij daaraan toe zijn – Housing First. Vanuit onderdak wordt er passende integrale zorg en begeleiding aangeboden (zoals GGZ, SHV, verslavingszorg, jeugdzorg, etc.).

54.   We moeten stoppen met alle huidige subsidie aan woningbezit – uiteraard wel in een afbouw naar de mate waarin betaalbare huur ter beschikking komt. Geen hypotheekrenteaftrek meer voor nieuwe hypotheken en een versnelde afbouw van de aftrek voor bestaande hypotheken. De vrijstelling in de erfenis en schenkingsbelasting voor een woning voor kinderen vervalt ook. Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf. Er vindt door een hoger besteedbaar inkomen ten gevolge van andere maatregelen in de voorstellen in deze Nieuwe Tien over Rood meer dan ruimschoots compensatie plaats voor het verdwijnen van deze aftrek voor inkomens tot ca. anderhalf modaal.

Ook verzwaren de normen om in aanmerking te komen voor een hypotheek: je moet zelf meer geld inbrengen. Dat is behalve in ons land overal de norm. De enorme hypotheekschulden geven ook een enorm risico bij een volgende crisis: meer dan twee derde van het juridisch bezit van de 90% huishoudens met de slechtste vermogensposities is inmiddels belegd met schulden. Een nieuwe bankencrisis zal het gevolg zijn. Niet genoeg mensen realiseren zich dat de Nederlandse koopwoningmarkt is gebouwd op extreem royale hypotheekschulden. Prijsopdrijving, blootstelling aan risico’s en meer volatiliteit zijn de gevolgen. Vanuit het buitenland wordt vaak met argwaan gekeken naar dit piramidespel. Veel beter is: langer huren, geld sparen en op latere leeftijd met een kleinere hypotheek kopen (of blijven huren).

55.   Nederland heeft op macroniveau zowel een flinke koopsector als genereuze pensioenen. Op microniveau zijn het vooral jongvolwassenen die geen van beide hebben. Zij hebben geen toegang tot een koopwoning, en bouwen bovendien nauwelijks pensioen op. Hiervoor liggen twee oplossingen voor de hand.

Ten eerste zouden de pensioenfondsen meer kunnen investeren in betaalbare huurwoningen. Gezamenlijk zouden ze hiervoor een verhuurorganisatie kunnen oprichten, waarvan zij aandeelhouder worden. Huurwoningen zijn een aantrekkelijke langetermijninvestering voor de pensioenfondsen. Hoewel betaalbare huurwoningen een lager rendement hebben, is het rendement wel stabiel. We gaan dit opnemen in het aan te passen pensioenakkoord.

Ten tweede zouden de pensioenfondsen kunnen investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken. Voor lage en lagere middeninkomens kan de overheid de keuze voor woonvermogen met een subsidie ook voor hen bereikbaarder maken. Ook dit gaan we opnemen in het pensioenakkoord.

56.   Een nieuwe crisis op de woningmarkt komt – de vraag is alleen wanneer. Wanneer de woningprijzen dalen is dit in de eerste plaats vervelend voor huishoudens die moeten verhuizen en die een hypotheek hebben die groter is dan de waarde van hun woning. Zij komen met een restschuld te zitten (hiervoor is al voorgesteld deze restschuld voor risico van de hypotheekverstrekker te laten). Voor de overige huishoudens betekent het dat hun woning minder waard wordt, maar ze nog steeds door kunnen stromen naar een duurdere woning (die ook goedkoper geworden is). Het echte probleem is dat een neergaande prijsontwikkeling woningbezitters aanzet tot wachten: ze willen immer niet op het verkeerde moment met verlies verkopen.

Wat zou helpen is als woningcorporaties en nieuw op te richten coöperaties anticyclisch kunnen interveniëren. Wanneer de prijzen gedaald zijn tot nabij de gebruikswaarde, kunnen zij woningen opkopen. Dit zorgt voor doorstroming op de koopmarkt, stabiliseert de prijzen, en vergroot het coöperatieve segment waar de prijzen gereguleerd zijn. De coöperatie verloot het gebruiksrecht van de woningen vervolgens onder haar leden, waarna de bewoner een aandeel in de coöperatie koopt ter grootte van de gebruikswaarde van de woning. Op deze manier bouwt een bewoner wél vermogen op, maar profiteert hij of zij niet van een eventuele overwaarde. Aan de andere kant wordt het hebben van overwaarde minder belangrijk wanneer bewoners kunnen doorstromen naar andere betaalbare coöperatieve koopwoningen die passen bij de levensfase waarin ze zitten.

Anticyclische investeringen door coöperaties en corporaties maken de woningmarkt stabieler waardoor de pieken en dalen minder uitgesproken worden. Woningcorporaties zouden er goed aan doen nu alvast een plan te maken voor de volgende ineenstorting van de woonprijzen. Zaadjes voor een nieuw volkshuisvestingssysteem kunnen geplant worden op plaatsen waar ze geen pijn doen voor huidige bewoners en eigenaars, maar waar ze pijn voor toekomstige bewoners kunnen verminderen..

57.   De overdrachtsbelasting wordt voor starters afgeschaft, behalve voor tweede en meerdere woningen en woningen waar men niet zelf woont – voor deze woningen wordt deze belasting vervijfvoudigd. Woningcorporaties zijn daarbij uiteraard vrijgesteld.

58.   Het aanbod aan betaalbare huur moet fors vergroot worden. We herstellen de brede sociale huursector:

a)  We geven woningcorporaties weer de ruimte voor het bouwen van kwalitatief goede en betaalbare huizen, ook voor middeninkomens (tot tweemaal modaal, ca. 75.000 euro).

b)  De plannen van Rutte III om de inkomensgrens voor gezinnen iets te verhogen (naar 42.000 euro) en die van alleenstaanden te verlagen (naar 35.000 euro) moeten van tafel.

c)   We verhogen de inkomensgrenzen om tot de huidige sociale huurgrens (€ 715,92 per maand) te worden toegelaten naar € 55.000 (ca. anderhalf modaal).

d)  De huidige markttoets voor corporaties moet direct worden afgeschaft.

e)  We schaffen de liberalisatiegrens af bij huur of verhogen deze tot minstens € 1200-1300 per maand – dit betekent dat de huur ook voor deze inkomens bepaalt gaat worden door de normen van het woningwaarderingsstelsel.

f)   De huur wordt onafhankelijk van de marktwaarde van de woning door het schrappen van de WOZ-punten of deze te begrenzen tot maximaal 25 punten – het aantal wat voor invoering van de WOZ-waarde gold voor de leefomgeving. De woonomgeving mag best meetellen, maar dan gebaseerd op de werkelijke woonomgeving, niet de grillige ontwikkeling van de huizenprijzen van de markt, van speculatie en van fiscale politiek.

g)  De huur wordt jaarlijks niet verder verhoogd dan de inflatie. Als het crisis is dan wordt de huur wettelijk tijdelijk bevroren.

Deze maatregelen zorgen er ook voor dat er minder makkelijk als nu woningen verdwijnen uit de sociale woningvoorraad.

59.  Woningdelen helpt ook om de acute woningnood te bestrijden, niet als een plicht maar als een recht: er komt een afdwingbaar recht tot woningdelen. In de sociale zekerheid en fiscaliteit worden sancties op woningdelen (kostendelersnorm, fiscale verzameltoets) afgeschaft en vervangen door een bonus (woningdelingssubsidie).

60.  Maar er is meer nodig om de sociale woningvoorraad uit te breiden, zeker als we ook zoals hiervoor voorgesteld meer huishoudens daar toegang aan geven:

a)      We schrappen de verhuurdersheffing en vervangen deze door afspraken over lagere huren en een investeringsplicht (nieuwbouw, renovatie, verduurzaming, levensloopbestendig).

b)     We schaffen eveneens de vennootschapsbelasting en de ATAD-toepassing (een Europese richtlijn ter voorkoming van belastingontwijking met vastgoed)[1] voor woningcorporaties af.

Dit kost geld, maar is prima te betalen (en goedkoper dan bijvoorbeeld de ongelijkheid vergrotende en prijsopdrijvende hypotheekrenteaftrek). We versoepelen de regels van de Autoriteit Wonen en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) enigszins, er wordt nu bijv. uitgegaan van te hoge rentes.

61.  En we voeren een verevening uit tussen woningcorporaties opdat reserves aangewend kunnen worden waar de grootste opgaven bestaan. Rijk en provincies voeren daarbij regie en overrulen zo nodig gemeenten. Corporaties moeten goede publieke verantwoording geven over hun financiën, opdat zulke regie ook effectief kan plaatsvinden.

62.  Woningcorporaties zijn veel te veel vastgoedondernemingen geworden in plaats van sociale verhuurders. Teveel corporatiebestuurders zien woningen in de eerste plaats als een economisch goed, als een object dat waarde vertegenwoordigt dat te gelde gemaakt kan worden. Een lage huur op een dure plek is dan dus kapitaalverspilling. En dan worden huurverhogingen en het meegaan met de marktgekte plots gezien als “normaliseren”. De publieke waarde is privaat kapitaalbezit geworden, ook als het van een corporatie is. Ze moeten daarom verplicht weer coöperaties worden: verenigingen van huurders met werkelijke zeggenschap van huurders. Huurders en hun organisaties moeten instemmingsrecht krijgen op het huurbeleid, waaronder het huurprijsbeleid. We zorgen voor huurteams in alle steden en draaien de bezuinigingen terug op de huurcommissies. Gemeenten kunnen ook zelf nieuwe corporaties of coöperaties oprichten. De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, statutair werkgebied, geen gemeentegrensoverschrijding).

63.  Verkoop van sociale woningen wordt zolang de woningnood voortduurt verboden, behoudens indien voor elke verkochte sociale huurwoning er aantoonbaar twee van de laagste categorie worden teruggebouwd, alsmede op basis van vereffening van m2 en aantal kamers.

64.  Corporaties krijgen meer ruimte en taakstellingen om te investeren in voorzieningen in de buurt.

65.  Een progressieve visie op wonen betekent echter meer dan het stimuleren van een sterke corporatiesector, het betekent ook het omarmen van nieuwe initiatieven: initiatieven die nu weliswaar nog een niche zijn, maar bijdragen aan betaalbaar wonen en die bewoners zeggenschap geven. Het gaat dan om nieuw beleid dat op termijn bestaande instituties (deels) kan verdringen. Nieuwe wooncoöperaties kunnen een inspirerend voorbeeld zijn. Tegelijkertijd is realisme geboden. Kunnen dergelijke initiatieven genoeg massa bieden om de wooncrisis te lijf te gaan? Komen deze initiatieven ook de zwaksten ten goede, of blijft het iets voor de middenklasse? Gemeenten zouden dergelijke initiatieven meer ruimte kunnen geven door coöperatieve ontwikkelaars op nieuwbouwlocaties voorrang te geven. Middels een doelgroepenverordening kan gestuurd worden op menging: op nieuwbouwlocaties kan de gemeente vaststellen voor welke inkomensgroep nieuwe woningen beschikbaar komen (en beschikbaar blijven, bij mutatie).  

66.  Woningcorporaties moeten ook kwalitatief gaan bouwen. Een les uit onze rijke sociaaldemocratische geschiedenis is dat het belangrijk is om bij progressieve woonoplossingen een kwalitatief beter alternatief te bieden, dan de markt doet. Corporaties die visieloos blokken met kleine goedkope woningen bouwen, dat is eigenlijk net zo’n gek idee als dat negentiende-eeuwse woningbouwverenigingen mee zouden gaan in de revolutiebouw van de pandjesbazen. Een succesvolle progressieve woonagenda combineert financiële waarden en omgevingswaarden. Uitbuiting wordt uitgebannen door woningen betaalbaar en beschikbaar te houden. In nieuwbouw staat woningkwaliteit voorop en beslissen bewoners democratisch over het ontwerp van hun buurt zodat een huis een thuis kan worden.

67.  We gaan de huren structureel verlagen en begrenzen. Tot anderhalf modaal gaan we een maximale huur invoeren van een derde van het besteedbaar inkomen (huurquote, vgl. NIBUD-systematiek bij hypotheken). Net zoals bij een hypotheek voor woningbezitters worden zo tot inkomens van ca. 55.000-60.000 euro de maximale woonlasten hard begrensd. We introduceren objectsubsidie van het Rijk ter compensatie van verhuurders die door de inkomensbegrenzing van de huren niet de WWS-huur in rekening kunnen brengen. We schrappen de huidige inkomensafhankelijke huurverhoging die een schandelijke stigmatisering van middeninkomens tot scheefwoners impliceert.

68.  Lage huren kunnen worden gecombineerd met gesubsidieerde spaarprogramma’s voor huurders, zoals in Duitsland, zodat zij het zo opgebouwde eigen vermogen in de toekomst kunnen aanwenden om een woning te kopen – maar ook om de grote vermogensongelijkheid tussen de ‘haves’ en ‘have nots’ te bestrijden.

69.  We stoppen het flexwonen door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. En we gaan zeker niet akkoord met constructies als ‘Passend Wonen’. De huurovereenkomsten voor bepaalde tijd voor de duur van twee of vijf jaar verdwijnen. Studenten, jongeren en promovendi hebben recht op vervangende huisvesting (en een  verhuiskostenvergoeding). We verbieden gebruiksovereenkomsten (antikraak wonen). Bij leegstand wordt verhuurd op basis van de Leegstandswet. Er komt een boete op leegstand van langer dan een jaar. 

70.  Goede isolatie en ventilatie is belangrijk voor het energieneutraal maken van woningen, maar ook voor verbetering van het wooncomfort – denk aan de vele huurwoningen met schimmelproblemen. Verhuurders moeten hierin investeren. Voor goede isolatie en ventilatie mag geen huurverhoging worden gevraagd. De punten voor verduurzaming worden daartoe geschrapt uit de WWS. . Nu mag een verhuurder € 250 meer huur vragen voor een energieneutrale woning, terwijl de gemiddelde energierekening maar € 120 per maand is.

71.  Alleen goed geïsoleerde en geventileerde huurwoningen worden vervolgens van het gas afgehaald. Goede oplossingen voor vervanging van gas moeten zich eerst bewezen hebben en er moeten garanties zijn dat de combinatie van huur en energielasten voor huurders van woningen tot en met anderhalf modaal structureel lagere woonlasten opleveren. Het energielabel en de verduurzaming van de woning moeten geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. Bij de vervanging van gas krijgen huurders van sociale huurwoningen eenmalig een bedrag van het Rijk om de kosten van vervanging van apparatuur en inventaris voor koken te financieren. Het Rijk financiert dit uit de opbrengst van de CO₂ heffing (zie hoofdstuk VI).

72.  Er komen bindende afspraken met coöperaties en verhuurders voor het energieneutraal maken van woningen per jaar voor de realisering van de doelstelling om in 2050 alle woningen van het gas af te hebben en goed geïsoleerd en geventileerd te hebben. Er komt een verbod op het verhuren van woningen met de slechtste energielabels (vooral in bezit bij particuliere verhuurders), voorafgegaan door een verbod op huurverhoging van woningen met een energielabel C of lager totdat ze minstens label B hebben. Deze verboden worden stapsgewijs aangescherpt.

73.  Woningcorporaties en -coöperaties moeten de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos kunnen lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties. Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun WOZ-belastingtarieven lager vast te stellen bij een groener energie-label.

74.  Woningeigenaren worden door een gemeentelijk ‘ontzorgloket’ ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning. De isolatie-eisen voor bestaande woningen worden stapsgewijs aangescherpt. Gemeenten (of coöperaties) kunnen met hulp van het Rijk duurzaamheidsfondsen oprichten die koopwoningen verbeteren, en in ruil daarvoor een aandeel nemen in de woning. De eigenaar kan ervoor kiezen de investeringen terug te betalen en weer volledig eigenaar te worden, of de woning deels eigendom te laten blijven van het fonds. In ruil voor de gratis woningverbetering wordt deze woning onderdeel van een gereguleerd en sociaal koopsegment: een niche innovatie die langzaam mainstream kan worden.

Toelichting

1.      Herstel overheidsregie en brede volkshuistaak van het Rijk: minder markt

Woningnood is geen natuurverschijnsel maar een bouwopdracht. De grondwettelijke zorg voor voldoende betaalbare woningen is wat ons betreft geen inspanningsverplichting maar een resultaatsverplichting. Wonen is een (Grondwettelijk) recht, geen voorziening. In rap tempo neemt het aantal sociale huurwoningen af. Sinds 2013 telt Nederland bijna 100.000 huizen in de gereguleerde sector minder, en dat aantal daalt nog steeds door. De wachtlijsten nemen daardoor toe en meer mensen vallen buiten de boot. De vrije huursector is onbetaalbaar duur voor middeninkomens en de prijzen van koopwoningen zijn ver over de top. Dit is de uitkomst van decennia aan bewust politiek beleid om de markt alle ruimte te geven, en de brede volkshuisvestingstaak van de overheid te begraven. De oplossing ligt daarom ook niet in meer markt, die is juist het probleem, maar in meer en betere overheidsinterventie. De huidige nieuwbouw zakt steeds meer in. We herstellen de brede volkshuisvestingstaak voor het Rijk.  

Centraal staat het aloude sociaaldemocratische ideaal dat iedereen recht heeft op een goede, betaalbare en passende woning in een buurt die kansen biedt. Huisvesting is meer dan een dak boven je hoofd. En een progressieve woonvisie gaat om meer dan zo veel mogelijk betaalbare woningen neerzetten. Woningen moeten qua type en omvang aansluiten op de levens van de bewoners. Ze moeten energieneutraal zijn en permanente zekerheid bieden, ongeacht de levenssituatie of arbeidsmarktpositie van de bewoners. Ze horen te staan in leefbare buurten met speel- en opleidingsmogelijkheden. Pas dan kan het recht op een thuis verwezenlijkt worden.

2.      Radicale beperking en hervorming van subsidie voor woningbezit

Al decennialang is de gedachte dominant dat kopen superieur is aan huren. Kopen stelt mensen in staat vermogen op te bouwen en zou bijdragen aan ‘een stukje trots’, zelfstandigheid en verantwoordelijkheidsgevoel. Met andere woorden: je zou er een betere burger van worden. De ideologie van eigenwoningbezit is omarmd door links en rechts.

Voor rechtse politici is het stimuleren van eigenwoningbezit een middel om zelfredzaamheid te vergroten, en daarmee een kleinere verzorgingsstaat mogelijk te maken. Voor linkse politici is het stimuleren van eigenwoningbezit een middel om mensen te bevrijden uit de greep van uitbuitende huisjesmelkers. Ook wordt eigenwoningbezit gezien als instrument om opwaartse sociale mobiliteit van de (lagere) middenklasse te bevorderen, en zo bij te dragen aan hun emancipatie. Het bouwen van koopwoningen wordt bovendien geroemd als de manier om probleemwijken op te waarderen.

Sinds eind jaren tachtig richt het Nederlandse woonbeleid zich op het bevorderen van woningbezit en marktwerking. Je eigen woning kunnen kopen kwam symbool te staan voor gevoelens van trots, verantwoordelijkheid en (financiële) onafhankelijkheid. Anno 2019 vertoont de droom van het eigenwoningbezit diepe scheuren. Jongvolwassenen en huishoudens met een laag middeninkomen kunnen geen koopwoning meer betalen. Hierdoor is de vermogensongelijkheid opgelopen en nemen de ruimtelijke verschillen in onze Nederlandse steden toe. Enerzijds heeft de opmars van flexwerk de mogelijkheid tot het verkrijgen van een hypotheek ondermijnd, anderzijds heeft het woonbeleid de prijzen opgedreven.

De structureel opgeblazen woningprijzen hebben winnaars en verliezers. Wie op tijd én op de juiste plek een woning heeft gekocht, is spekkoper. Wie niet, of pas op een later moment in staat is geweest om te kopen, heeft verloren. Zoals hiervoor is aangetoond, is de vermogensongelijkheid in ons land ontzettend groot. Dit is problematisch omdat vermogen in tijden van afkalvende sociale zekerheid een verzekering is tegen onverwachte gebeurtenissen. De scheidslijn tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’ wordt steeds meer door de woningmarkt bepaald. Zonder vermogen is het erg lastig een koopwoning te bemachtigen, terwijl vermogende woningeigenaren steeds vaker meerdere woningen bezitten, om te verhuren (‘buy-to-let’). Deze ongelijkheid wordt intergenerationeel overgedragen. Kinderen van eigenwoningbezitters, worden vaker zelf óók woningeigenaar – niet in de laatste plaats door financiële hulp van hun ouders.

In de nasleep van de economische crisis van 2008 zijn de hypotheekeisen aangescherpt. Aflossingsvrije hypotheken en leningen groter dan de waarde van de woning zijn inmiddels verleden tijd. Hoewel dit een goede eerste stap is, eist deze maatregel zijn tol onder de huidige generatie starters, die onder strengere voorwaarden moet lenen dan de generatie voor hen.

Doordat hun inkomens stagneren en flexwerk onder jongvolwassenen een grote vlucht heeft genomen, is de droom om een woning kopen een luchtspiegeling geworden. Nu de economie weer groeit en de woningprijzen nieuwe recordhoogtes bereiken (voorjaar 2020 landelijk gemiddeld € 400.000), gaan er stemmen op om de leenvoorwaarden opnieuw op te rekken – door huishoudens met een flexbaan gemakkelijker te laten lenen, door extra startersleningen uit te keren, of door ‘duurhuurders’ (huishoudens die relatief veel kwijt zijn aan huurlasten) een hypotheek te gunnen.

Dergelijke voorstellen hebben onaanvaardbaar grote neveneffecten. Ze resulteren in een giftige cocktail: een grotere acceptatie van kwetsbaarheid op de arbeidsmarkt en een woningmarkt waarop huishoudens zich zwaar in de schulden moeten steken om een plek te verwerven. Bovendien hebben dergelijke maatregelen een duidelijk prijsopdrijvend effect. In plaats van het stimuleren van ‘bancaire innovaties’ moeten we streven naar baanzekerheid en zorgenvrij wonen, als basis van ontplooiing en ontspanning.

We moeten stoppen met alle huidige subsidie aan woningbezit – uiteraard wel in een afbouw naar de mate waarin betaalbare huur ter beschikking komt. Geen hypotheekrenteaftrek meer voor nieuwe hypotheken en een versnelde afbouw van de aftrek voor bestaande hypotheken. De vrijstelling in de erfenis en schenkingsbelasting voor een woning voor kinderen vervalt. Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf. Er vindt door een hoger besteedbaar inkomen ten gevolge van andere maatregelen in de voorstellen in deze Nieuwe Tien over Rood meer dan ruimschoots compensatie plaats voor het verdwijnen van deze aftrek voor inkomens tot ca. anderhalf modaal. Ook verzwaren de normen om in aanmerking te komen voor een hypotheek: je moet zelf meer geld inbrengen. Dat is behalve in ons land overal de norm. De enorme hypotheekschulden geven ook een enorm risico bij een volgende crisis: meer dan twee derde van het juridisch bezit van de 90% huishoudens met de slechtste vermogensposities is inmiddels belegd met schulden. Een nieuwe bankencrisis zal het gevolg zijn.

Niet genoeg mensen realiseren zich dat de Nederlandse koopwoningmarkt is gebouwd op extreem royale hypotheekschulden. Prijsopdrijving, blootstelling aan risico’s en meer volatiliteit zijn de gevolgen. Vanuit het buitenland wordt vaak met argwaan gekeken naar dit piramidespel. Veel beter is: langer huren, geld sparen en op latere leeftijd met een kleinere hypotheek kopen (of blijven huren).

Wie met een levensloopperspectief kijkt naar vermogensopbouw, ziet dat de opbouw van woonvermogen (door de afbetaling van de hypotheek) concurreert met het opbouwen van een pensioen. Iedere euro kan tenslotte maar één keer uitgegeven worden. Wie een blik over de grens werpt, ziet dat landen met meer eigenwoningbezit over het algemeen een minder genereuze pensioenvoorziening kennen. Woningeigenaren lossen tijdens hun werkzame leven hun hypotheek af, en hebben daarna lage woonlasten. Ze hebben daarom minder pensioenuitkeringen nodig. In landen met een grote huursector, zijn de pensioenen juist flink ontwikkeld. Saillant detail: in zulke landen investeren pensioenfondsen vaak in huurwoningen. Nederland heeft op macroniveau zowel een flinke koopsector als genereuze pensioenen. Op microniveau zijn het vooral jongvolwassenen die geen van beide hebben. Zij hebben geen toegang tot een koopwoning, en bouwen bovendien nauwelijks pensioen op. Hiervoor liggen twee oplossingen voor de hand.

Ten eerste zouden de pensioenfondsen meer kunnen investeren in betaalbare huurwoningen. Gezamenlijk zouden ze hiervoor een verhuurorganisatie kunnen oprichten, waarvan zij aandeelhouder worden. Huurwoningen zijn een aantrekkelijke langetermijninvestering voor de pensioenfondsen. Hoewel betaalbare huurwoningen een lager rendement hebben, is het rendement wel stabiel. We gaan dit opnemen in het aan te passen pensioenakkoord.

Ten tweede zouden de pensioenfondsen kunnen investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Pensioenfonds ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken. Voor lage en lagere middeninkomens kan de overheid de keuze voor woonvermogen met een subsidie ook voor hen bereikbaarder maken. Ook dit gaan we opnemen in het pensioenakkoord.

Een nieuwe crisis op de woningmarkt komt – de vraag is alleen wanneer. Wanneer de woningprijzen dalen is dit in de eerste plaats vervelend voor huishoudens die moeten verhuizen en die een hypotheek hebben die groter is dan de waarde van hun woning. Zij komen met een restschuld te zitten (hiervoor is al voorgesteld deze restschuld voor risico van de hypotheekverstrekker te laten). Voor de overige huishoudens betekent het dat hun woning minder waard wordt, maar ze nog steeds door kunnen stromen naar een duurdere woning (die ook goedkoper geworden is). Het echte probleem is dat een neergaande prijsontwikkeling woningbezitters aanzet tot wachten: ze willen immer niet op het verkeerde moment met verlies verkopen.

Wat zou helpen is als woningcorporaties en nieuw op te richten coöperaties anticyclisch kunnen interveniëren. Wanneer de prijzen gedaald zijn tot nabij de gebruikswaarde, kunnen zij woningen opkopen. Dit zorgt voor doorstroming op de koopmarkt, stabiliseert de prijzen, en vergroot het coöperatieve segment waar de prijzen gereguleerd zijn. De coöperatie verloot het gebruiksrecht van de woningen vervolgens onder haar leden, waarna de bewoner een aandeel in de coöperatie koopt ter grootte van de gebruikswaarde van de woning. Op deze manier bouwt een bewoner wél vermogen op, maar profiteert hij of zij niet van een eventuele overwaarde. Aan de andere kant wordt het hebben van overwaarde minder belangrijk wanneer bewoners kunnen doorstromen naar andere betaalbare coöperatieve koopwoningen die passen bij de levensfase waarin ze zitten. Anticyclische investeringen door coöperaties en corporaties maken de woningmarkt stabieler waardoor de pieken en dalen minder uitgesproken worden. Woningcorporaties zouden er goed aan doen nu alvast een plan te maken voor de komende crisis. Zaadjes voor een nieuw volkshuisvestingssysteem kunnen geplant worden op plaatsen waar ze geen pijn doen voor huidige bewoners en eigenaars, maar waar ze pijn voor toekomstige bewoners kunnen verminderen.

3.      Prioriteit bij betaalbaar huren voor lage en middeninkomens

De sociale huursector is bewust door neoliberaal beleid gemarginaliseerd. Aangejaagd door landelijk beleid is het aantal sociale huurwoningen afgenomen, waardoor de wachtlijsten zijn opgelopen. In de afgelopen twee decennia is achtereenvolgens de wettelijke doelgroep van de sociale huursector verkleind (door middel van striktere inkomenseisen en ‘passend toewijzen’), is het aantal gereguleerde huurwoningen afgenomen door de WOZ-waarde mee te nemen in het woningwaarderingsstelsel, en is de financiële slagkracht van corporaties verminderd door de verhuurderheffing en de hogere vennootschapsbelasting. Daardoor zijn er de helft minder woningen gebouwd. Eind jaren tachtig was nog zo’n 40 procent van de woningen in bezit van een woningcorporatie; nu is dat minder dan 30 procent. Dat lijkt misschien een beperkte afname, maar zou nu een verschil van zo’n 800.000 woningen betekenen.

Door aangescherpte inkomenseisen behoren sociale huurders steeds vaker tot de laagste inkomensgroepen. Had in 1990 slechts 12% van hen een laag inkomen (de armste 20% van het land), in 2015 was dat opgelopen tot 45%. Sociale huurwoningen worden daarnaast in toenemende mate toegewezen aan mensen met sociale, psychische of andere problemen. Zonder urgentieverklaring kom je in de grote steden al nauwelijks meer aan de beurt.

Ondertussen zijn binnen de sociale huursector de woonlasten en betaalrisico’s scherp toegenomen. De sociale huursector is omgevormd van een brede publieke voorziening tot een laatste redmiddel voor diegenen die zich niet op de markt kunnen redden. Hoewel het nog niet te laat is, dreigt de sector gestigmatiseerd te worden, hetgeen een weerslag heeft op buurten waar corporaties veel bezit hebben. Terwijl de (kleine) sociale huurwoningen in de populaire centrumgebieden zich ontpoppen tot tijdelijke huisvesting voor starters, zijn het de buitenwijken waar sociale huurwoningen een permanente oplossing vormen voor lage-inkomensgroepen, waar de stigmatisering van de corporatiesector de grootste ruimtelijke gevolgen heeft.

Waar het aantal corporatiewoningen afneemt, neemt de druk op die woningen alleen maar toe. Dat komt doordat particuliere verhuurders hun handen steeds meer aftrekken van het goedkoopste segment van de woningmarkt en zich richten op de dure vrije sector, waar de rendementen veel hoger liggen. De taak om lage inkomens te huisvesten komt zo in toenemende mate bij woningcorporaties te liggen. Daarbovenop betekenen de decentralisering en extramuralisering van de zorg – in andere woorden: ouderen en zorgbehoevenden blijven steeds langer thuis wonen – dat de sociale huursector meer kwetsbare personen plek moet bieden.

Huurregulering en –bescherming zijn afgezwakt. Waar vaste huurcontracten voorheen de standaard waren, is er sinds 2016 meer ruimte voor tijdelijke contracten. Bovendien zijn extra huurverhogingen mogelijk gemaakt. Liberaal woonbeleid heeft de machtspositie van de verhuurder versterkt ten opzichte van de huurder. Het logische gevolg is meer woononzekerheid.

Dit alles telt op tot een omvangrijke herstructurering van de sociale huur. Voorheen was volkshuisvesting een brede voorziening, dat wil zeggen: ook bestemd voor de middenklasse. Tegenwoordig fungeert de sociale huursector vooral als vangnet voor wie echt niet anders kan. Het wordt een – liefst tijdelijke – voorziening voor de armen. Hiermee ontwikkelt de Nederlandse situatie zich in de richting van Anglo-Amerikaanse landen waar de sociale huursector veel kleiner is. Dit is een groot risico, want ‘services for the poor, are poor services’ zo stelde socioloog Richard Titmuss, een van de architecten van de naoorlogse Britse verzorgingsstaat, in 1969 al. Met andere woorden: de marginalisering van de sociale huur draagt alleen maar bij aan verdere uitholling van de sector met achterstanden en stigmatisering als gevolg.

De gevolgen laten zich aftekenen. De woonlasten onder huurders nemen toe. Ongeveer een op de vijf huurders heeft inmiddels moeite de maandelijkse huur op te brengen. Woonquotes (dat deel van het inkomen dat aan de lasten van wonen wordt besteed) van meer dan 40% zijn geen uitzondering. In 2002 was dat slechts bij een op de twintig huurders het geval. Een groeiend aantal huurders zit klem in een niet passende woning. Denk aan gezinnen met kinderen die op nog geen 40 vierkante meter wonen. Tenslotte is de woononzekerheid toegenomen.

In augustus 2019 publiceerde het CBS nieuwe cijfers waaruit blijkt dat het aantal dakloze mensen tussen 2009 en 2018 meer dan verdubbeld is. Inmiddels zijn er zo’n 40 duizend geregistreerde dakloze volwassenen in Nederland, en naar schatting maken daarnaast nog zo’n 8500 kinderen gebruik van de daklozenopvang. Dit is nog een aanzienlijke onderschatting van de omvang van het probleem. Brancheorganisatie Federatie Opvang registreerde in 2017 namelijk ruim 70 duizend dak- en thuislozen. Hieronder bevinden zich ook mensen in opvanghuizen en beschermd wonen. Dakloosheid valt niet te reduceren tot een individuele schuldvraag. Mensen raken niet puur uit eigen schuld dakloos, en zelfs dan blijven ze gewoon recht op een woning houden. Nee, de scherpe toename van dakloosheid is het logische maar onacceptabele gevolg van decennia falend woonbeleid. De huidige urgentie schreeuwt echter om een structurelere aanpak. Het aanpakken van dakloosheid is bovenal een kwestie van progressief woonbeleid ontwikkelen.

Van bovenstaande problemen krijgt alleen de benarde positie van jongvolwassenen brede politieke aandacht. Rechtse politici en ondernemers hebben de laatste jaren een flink aantal proefballonnetjes opgelaten om hen meer kans te geven op een betaalbare woning. Deze proefballonnetjes richten zich op genereuzere hypotheekverstrekking voor starters, het voordeliger maken van ouderlijke steun (beide om de toegankelijkheid van de koopsector te waarborgen, en met beiden is hierboven al afgerekend), het vergroten van de middenhuursector (om de toegankelijkheid van huurwoningen te vergroten) en het flexibiliseren van huurcontracten (om de toegankelijkheid van de sociale huursector te vergroten). Wanneer we de sociale en ruimtelijke effecten van het huidige beleid in ogenschouw nemen, kunnen we stellen dat dit beleid op zijn best een oplossing biedt voor een selecte groep, maar vaker onaanvaardbaar grote negatieve neveneffecten heeft. Erger nog, een aantal maatregelen is te beschouwen als volkomen onrechtvaardig. 

Recent heeft het idee dat de private huursector (in plaats van de woningcorporaties) moet worden uitgebreid om mensen te huisvesten die niet kunnen of willen kopen snel aan populariteit gewonnen. De private huursector is sinds 2013 snel gegroeid, door toegenomen investeringen van binnen- en buitenlandse beleggers, maar bovenal doordat er nieuwe speculanten zijn opgestaan die een financiële melkkoe gevonden hebben: de verhuur van dure woningen aan jongvolwassenen die niet terecht kunnen in de sociale huursector én geen koopwoning kunnen betalen. Dit vergroot de vermogensongelijkheid. Om de private huurwoningen toch betaalbaar te houden, gaan gemeenten overstag: investeerders mogen micro-appartementen bouwen, of bestaande woningen opsplitsen. De huur voor vrije sector woningen van 30 vierkante meter zijn voor hoogopgeleide starters namelijk nog wel betaalbaar. Het toestaan, of zelfs stimuleren, van dergelijke prijsopdrijving is een negatief neveneffect van deze maatregel. Het is ronduit onrechtvaardig als geliberaliseerde sociale huurwoningen, ooit met publiek geld gefinancierd, door beleggers voor de hoofdprijs verhuurd worden aan huishoudens met weinig andere keus. Onbetaalbaar wonen is een probleem, maar betaalbaar wonen in een slechte of krappe woning is net zo goed een probleem – en duur wonen in een slechte of krappe woning al helemaal.

Om jongvolwassenen een kans op een sociale huurwoning te geven, reserveren woningcorporaties steeds vaker een deel van hun voorraad voor jongerenhuisvesting, met tijdelijke huurcontracten van maximaal vijf jaar, en toewijzing via loting. De logica is simpel: door de lange wachtlijsten hebben veel jongvolwassenen tegen de tijd dat ze voldoende woonduur hebben opgebouwd, geen recht meer op een sociale huurwoning. Een tijdelijke oplossing biedt dan soelaas. Toewijzingen door loting en de tijdelijke jongerenwoningen verlichten het woningmarktleed van jongvolwassenen. Toch is het slechts voor een selecte groep een oplossing, en gaat het direct ten koste van andere groepen. Wanneer tijdelijke contracten ook voor reguliere sociale huurders de norm worden, draagt de verzachting van het probleem van jongvolwassenen bij aan de marginalisering van de corporatiesector, waarbij een sociale huurwoning alleen een tijdelijk vangnet wordt, in plaats van een warm thuis. Bovendien komt het uithollen van de huurbescherming private verhuurders goed uit. Het maakt snellere huurverhogingen mogelijk, en biedt meer kansen tot verkoop in lege staat. Dit drijft de prijzen op en ondermijnt de bestaanszekerheid en het thuisgevoel van de huurders. Pas wanneer corporaties voor een brede doelgroep kunnen concurreren met private verhuurders zijn ze in staat om de huurprijzen weer voor een groter deel van de bevolking te laten dalen.

De proefballonnetjes zijn niet meer dan een doekje voor het bloeden voor enkele groepen die het momenteel lastig hebben op de woningmarkt. De voorstellen hebben met elkaar gemeen dat ze de betaalbaarheid van het wonen over de hele linie niet vergroten, en de betekenis van de woning voor de bewoners buiten beschouwing laten. Nog belangrijker: ze pakken de systematische ongelijkheid op de woningmarkt niet aan.

Het aanbod aan betaalbare huur moet fors vergroot worden. We herstellen de brede sociale huursector. We geven woningcorporaties weer de ruimte voor het bouwen van kwalitatief goede en betaalbare huizen, ook voor middeninkomens (tot tweemaal modaal, ca. 75.000 euro). De plannen van Rutte III om de inkomensgrens voor gezinnen iets te verhogen (naar 42.000 euro) en die van alleenstaanden te verlagen (naar 35.000 euro) moeten van tafel. We verhogen de inkomensgrenzen om tot de huidige sociale huurgrens (€ 715,92 per maand) te worden toegelaten naar € 55.000 (ca. anderhalf modaal). De huidige markttoets moet direct worden afgeschaft. We schaffen de liberalisatiegrens af bij huur of verhogen deze tot minstens € 1200-1300 per maand – dit betekent dat de huur ook voor deze inkomens bepaalt gaat worden door de normen van het woningwaarderingsstelsel. De huur wordt onafhankelijk van de marktwaarde van de woning door het schrappen van de WOZ-punten of deze te begrenzen tot maximaal 25 punten. De woonomgeving mag best meetellen, maar dan gebaseerd op de werkelijke woonomgeving, niet de grillige ontwikkeling van de huizenprijzen van de markt, van speculatie en van fiscale politiek. Deze maatregelen zorgen ervoor dat er minder makkelijk als nu woningen verdwijnen uit de sociale woningvoorraad.

Woningdelen helpt ook om de acute woningnood te bestrijden, niet als een plicht maar als een recht: er komt een afdwingbaar recht tot woningdelen. In de sociale zekerheid en fiscaliteit worden sancties op woningdelen (kostendelersnorm, verzameltoets) afgeschaft en vervangen door een bonus (woningdelingssubsidie).

Maar er is meer nodig om de sociale woningvoorraad uit te breiden, zeker als we ook zoals hiervoor voorgesteld meer huishoudens daar toegang aan geven. We schrappen de verhuurdersheffing en vervangen deze door een investeringsplicht (nieuwbouw, renovatie, verduurzaming). We schaffen eveneens de vennootschapsbelasting en de ATAD-toepassing (een Europese richtlijn ter voorkoming van belastingontwijking met vastgoed)[2] voor woningcorporaties af. Dit kost geld, maar is prima te betalen (en goedkoper dan bijvoorbeeld de ongelijkheid vergrotende en prijsopdrijvende hypotheekrenteaftrek). We versoepelen de regels van de Autoriteit Wonen en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) enigszins, er wordt nu bijv. uitgegaan van te hoge rentes. En we voeren een verevening uit tussen woningcorporaties opdat reserves aangewend kunnen worden waar de grootste opgaven bestaan. Rijk en provincies voeren daarbij regie en overrulen zo nodig gemeenten. Corporaties moeten ook veel meer publieke verantwoording geven over hun financiën, opdat zulke regie ook effectief kan plaatsvinden.

Woningcorporaties zijn veel te veel vastgoedondernemingen geworden in plaats van sociale verhuurders. Teveel corporatiebestuurders zien woningen in de eerste plaats als een economisch goed, als een object dat waarde vertegenwoordigt dat te gelde gemaakt kan worden. Een lage huur op een dure plek is dan dus kapitaalverspilling. En dan worden huurverhogingen en het meegaan met de marktgekte plots gezien als “normaliseren”. De publieke waarde is privaat kapitaalbezit geworden, ook als het van een corporatie is. Ze moeten daarom verplicht weer coöperaties worden: verenigingen van huurders met werkelijke zeggenschap van huurders. Huurders moeten instemmingsrecht krijgen op het huurbeleid. Gemeenten kunnen ook zelf nieuwe corporaties of coöperaties oprichten. De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, statutair werkgebied, geen gemeentegrensoverschrijding). Verkoop van sociale woningen wordt verboden, behoudens indien voor elke verkochte sociale huurwoning er aantoonbaar twee van de laagste categorie worden teruggebouwd.

Corporaties krijgen ook meer ruimte om te investeren in de buurt. Het wijkbeleid in de grote steden moet weer worden opgetuigd, waarbij wooncorporaties een noodzakelijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. We gaan hier – net als in apart beleid voor krimpgebieden – fors in investeren, onder verantwoordelijkheid van een minister van Dorpen, Wijken en Wonen. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan initiatieven voor gezonde leefstijl en goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid. Zie ook hoofdstuk III.

Een progressieve visie op wonen betekent echter meer dan het stimuleren van een sterke corporatiesector, het betekent ook het omarmen van nieuwe initiatieven: initiatieven die nu weliswaar nog een niche zijn, maar bijdragen aan betaalbaar wonen en die bewoners zeggenschap geven. Het gaat dan om nieuw beleid dat op termijn bestaande instituties (deels) kan verdringen. Nieuwe wooncoöperaties kunnen een inspirerend voorbeeld zijn. Tegelijkertijd is realisme geboden. Kunnen dergelijke initiatieven genoeg massa bieden om de wooncrisis te lijf te gaan? Komen deze initiatieven ook de zwaksten ten goede, of blijft het iets voor de middenklasse? Gemeenten zouden dergelijke initiatieven meer ruimte kunnen geven door coöperatieve ontwikkelaars op nieuwbouwlocaties voorrang te geven. Middels een doelgroepenverordening kan gestuurd worden op menging: op nieuwbouwlocaties kan de gemeente vaststellen voor welke inkomensgroep nieuwe woningen beschikbaar komen (en beschikbaar blijven, bij mutatie).  

Woningcorporaties moeten ook kwalitatief gaan bouwen. Een les uit onze rijke sociaaldemocratische geschiedenis is dat het belangrijk is om bij progressieve woonoplossingen een kwalitatief beter alternatief te bieden, dan de markt doet. Corporaties die visieloos blokken met kleine goedkope woningen bouwen, dat is eigenlijk net zo’n gek idee als dat negentiende-eeuwse woningbouwverenigingen mee zouden gaan in de revolutiebouw van de pandjesbazen. De kiem voor progressieve volkshuisvesting werd gelegd in de tweede helft van de 19e eeuw. Terwijl libertaire investeringswetgeving pandjesbazen in staat stelde goedkope en kleine woningen zonder sanitair te verhuren aan hopeloze arbeiders (het klinkt de huidige generatie jongvolwassenen en arbeidsmigranten bekend in de oren), werden de eerste woningbouwverenigingen opgericht. Zij stelden arbeiders (van dezelfde gezindte) in staat om geld te sparen dat gebruikt zou worden voor de bouw van nieuwe woningen. De huren van deze woningen zouden betaalbaar blijven omdat ze alleen de grond- en bouwkosten hoefden te dekken, niet de winst van de investeerder. Met deze woningen als onderpand konden de woningbouwverenigingen nieuwe leningen afsluiten om meer woningen te bouwen. Met de Woningwet van 1901 werden woningbouwverenigingen in de wet verankerd, en vooral in de periode tussen de twee wereldoorlogen schoten zij als paddenstoelen uit de grond: in 1922 waren er al 1350 woningbouwverenigingen verspreid over heel Nederland. Deze manier van volkshuisvesting werd al snel een uithangbord voor de sociaaldemocratische beweging. Niet alleen omdat het arbeiders betaalbare en kwalitatief goede woningen verschafte: net zo belangrijk was de herkenbaarheid van deze woningen. Ze waren meestal stijlvoller ontworpen dan de private huurwoningen van de pandjesbazen, en ze waren gelegen in een groenere omgeving met meer openbare ruimte en voorzieningen zoals bibliotheken en gemeenschapszalen. Dit zorgde ervoor dat arbeiders trots konden zijn op hun woonomgeving. Het democratische karakter van de bouwverenigingen zorgde ervoor dat de leden inspraak hadden in het bouwproces, waardoor de bouw paste bij de wensen en noden van de toekomstige bewoners. Voor de eerste volkshuisvestingswethouders van SDAP-huize, zoals Floor Wibaut, was de bouwproductie van de woningbouwverenigingen een ideaal voorbeeld op basis waarvan hij steun kon verwerven voor grootschaligere volkshuisvestingsprojecten. Wie wilde immers niet voor lagere kosten in een betere buurt wonen? Het tuindorp als politiek frame avant la lettre. In die periode was de volkshuisvesting dan ook zeker geen laatste redmiddel. Sterker, relatief veel huurders behoorden in die tijd tot de middengroepen. De allerarmsten waren helaas aangewezen op de krotten van huisjesmelkers.

Een succesvolle progressieve woonagenda combineert financiële waarden en omgevingswaarden. Uitbuiting wordt uitgebannen door woningen betaalbaar en beschikbaar te houden. In nieuwbouw staat woningkwaliteit voorop en beslissen bewoners democratisch over het ontwerp van hun buurt zodat een huis een thuis kan worden.

We gaan de huren structureel verlagen en begrenzen. Tot anderhalf modaal gaan we een maximale huur invoeren van een derde van het besteedbaar inkomen (huurquote, vgl. NIBUD-systematiek bij hypotheken). Net zoals bij een hypotheek voor woningbezitters worden zo tot inkomens van ca. 55.000-60.000 euro de maximale woonlasten hard begrensd. We introduceren objectsubsidie van het Rijk ter compensatie van verhuurders die door de inkomensbegrenzing van de huren niet de WWS-huur in rekening kunnen brengen. We schrappen de huidige inkomensafhankelijke huurverhoging die een schandelijke stigmatisering van middeninkomens tot scheefwoners impliceert. En we stoppen het flexwonen door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. En we gaan zeker niet akkoord met constructies als ‘Passend Wonen’.

Lage huren kunnen worden gecombineerd met gesubsidieerde spaarprogramma’s voor huurders, zoals in Duitsland, zodat zij het zo opgebouwde eigen vermogen in de toekomst kunnen aanwenden om een woning te kopen – maar ook om de grote vermogensongelijkheid tussen de ‘haves’ en ‘have nots’ te bestrijden.

4.      Verduurzaming van woningen

In de nabije toekomst zullen de elektra- en gasrekening een groter deel van de woonlasten gaan bepalen. In het kader van de energietransitie zijn grote investeringen nodig om het energiegebruik van (vooral voor 1990 gebouwde) woningen te verminderen. Deze investeringen zijn kostbaar, maar verdienen zich op termijn terug. Woningcorporaties hebben aangegeven dergelijke investeringen nauwelijks te kunnen dragen zonder de betaalbaarheid of beschikbaarheid van sociale huurwoningen in het geding te brengen. Financiële steun van het Rijk is onontbeerlijk om de energietransitie binnen de sociale voorraad van de grond te krijgen.

Veel particuliere woningeigenaren hebben te maken met een vergelijkbaar probleem. De meeste huishoudens met een middeninkomen of lager hebben geen € 60.000 op hun spaarrekening staan om in verduurzaming te investeren. Uiteraard zijn er individuele oplossingen mogelijk, zoals aanvullende hypotheken (waar zelfs pensioenfondsen een rol in kunnen spelen), maar collectieve oplossingen zijn goedkoper, en kunnen bijdragen aan de oplossing van de woningmarktproblematiek. Gemeenten (of coöperaties) kunnen met hulp van het Rijk duurzaamheidsfondsen oprichten die koopwoningen verbeteren, en in ruil daarvoor een aandeel nemen in de woning. De eigenaar kan ervoor kiezen de investeringen terug te betalen en weer volledig eigenaar te worden, of de woning deels eigendom te laten blijven van het fonds. In ruil voor de gratis woningverbetering wordt deze woning onderdeel van een gereguleerd en sociaal koopsegment: een niche innovatie die langzaam mainstream kan worden.

De combinatie van huur en energielasten moet voor huurders van woningen tot en met anderhalf modaal lagere woonlasten opleveren. Het energielabel en de verduurzaming van de woning moeten geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. De verhoging van de huur door meer duurzaamheidspunten moet volledig gecompenseerd worden door lagere energielasten. Dit wordt in de wet vastgelegd met een wijziging van het puntenstelsel (WWS). Nu mag een verhuurder € 250 meer huur vragen voor een energieneutrale woning, terwijl de gemiddelde energierekening maar € 120 per maand is.

Isolatie en ventilatie moet goed zijn, voordat huurwoningen van het gas af gaan. Die verbetering moet zonder huurverhoging worden doorgevoerd. De sociale huursector moet niet de experimenteertuin zijn voor nog niet bewezen alternatieven. Dat is vragen om ongelukken met financieel kwetsbare huishoudens, en zal het verzet tegen verduurzaming voeden. Er moeten garanties zijn dat de totale woonlasten omlaag gaan en bij de omzetting moeten huishoudens 1000 euro ontvangen om de kosten van vervanging van kookstel, fornuis en pannen te financieren. Zonder deze garantie kan de sociale huursector niet de startmotor zijn van de verduurzaming van de bebouwde omgeving, zoals het huidige kabinet wil.

Er komen bindende afspraken met coöperaties en verhuurders voor het energieneutraal maken van woningen per jaar. Er komt een verbod op het verhuren van woningen met de slechtste energielabels (vooral in bezit bij particuliere verhuurders), voorafgegaan door een verbod op huurverhoging van deze woningen. Dit verbod wordt stapsgewijs aangescherpt. Woningcorporaties en -coöperaties moeten de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos kunnen lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties.

Woningeigenaren worden door een ‘ontzorgloket’ ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning. De isolatie-eisen voor bestaande woningen worden stapsgewijs aangescherpt.


[1] In tegenstelling tot wat het rechtse kabinet Rutte III steeds suggereert is allang duidelijk dat dit kan. Woningcorporaties leveren diensten voor algemeen economisch belang (DAEB) en kunnen van de EU worden vrijgesteld van deze richtlijn.

[2] In tegenstelling tot wat het rechtse kabinet Rutte III steeds suggereert is allang duidelijk dat dit kan. Woningcorporaties leveren diensten voor algemeen economisch belang (DAEB) en kunnen van de EU worden vrijgesteld van deze richtlijn.

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Hoofdstuk VI. Duurzaam Links: Een circulaire, duurzame economie, zonder fossiele energie, met herstel biodiversiteit, dierenwelzijn en natuur en een schone, gezonde bodem, water en atmosfeer

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 Concrete Voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

Voorstellen:

A)     Klimaat en energie

75.  We gaan snel de Europese en nationale klimaatwetten uitvoeren, mede met behulp van de nieuwe European Green Deal. We maken afspraken zoveel mogelijk concreet en afdwingbaar, ook voor burgers.

76.  De energietransitie moet eerlijk plaatsvinden. Onze PvdA moet dit afdwingen willen we de plannen steunen. Huishoudens moeten minder, en bedrijven meer betalen met o.m. een CO₂-heffing voor de industrie. Andere klimaatgassen, zoals methaan, worden op gelijke wijze belast. Het voorstel van onze TK-fractie[1] daarover wordt door ons gesteund, zij het dat we met het PvdA netwerk Duurzame Energie pleiten voor een iets hogere beginprijs (bijv. € 50 per ton CO₂-uitstoot met 5% jaarlijkse escalatie) en het niet verrekenen met al bestaande ETS-heffingen. De opbrengsten van deze heffing worden gebruikt voor subsidies duurzame energie aan bedrijven en huishoudens en aan innovatie.

77.  We gaan de energiebelasting eerlijk verduurzamen: Een progressieve energiebelasting naar schaal van energieconsumptie en tarieven gebaseerd op uitstoot CO₂, zodat duurzame elektriciteit niet belast wordt, met kolen opgewekte elektriciteit extra zwaar belast wordt en met aardgas opgewekte elektriciteit even zwaar belast wordt als direct gebruik van aardgas. Vervuilers en fossiel grootverbruikers veel zwaarder belasten, huishoudens lager belasten. Lage inkomens krijgen een hogere belastingvrije voet voor de energiebelasting. Huidige vrijstellingen, juist vaak van de grootste vervuilers (zoals de luchtvaart) worden afgeschaft.

78.  De opslag duurzame energie (ODE) in de energiebelasting wordt afgeschaft. De subsidies voor verduurzaming worden anders gefinancierd, o.m. uit een hogere energiebelasting op vervuilende productie. Subsidies voor verduurzaming energieverbruik (SDE+) komen in het vervolg vooral ten goede aan de lage en middeninkomens. En ze mogen niet gebruikt worden voor CO₂-opslag (CCS) of niet-duurzame biomassa. Bedrijven moeten daarin zelf investeren. De milieu-investeringsaftrek wordt geschrapt. Hiervoor in de plaats komt het innovatie- en werkgelegenheidsfonds zoals onze TK-fractie dat heeft voorgesteld.

79.  De aardgaswinning wordt zo snel mogelijk gestaakt, zo mogelijk eerder dan nu door de regering toegezegd, ook in velden buiten Groningen. Er komt geen winning van schaliegas. De eigenaren en bewoners van door de gaswinning beschadigde gebouwen worden allen binnen een jaar gecompenseerd, met een omgekeerde bewijslast (NAM moet bewijzen dat schade niet veroorzaakt is door aardbevingen). Nederland werkt niet mee aan het gasnetwerk Nordstream II en bouwt zo snel mogelijk de import van fossiele brandstoffen uit Rusland en het Midden-Oosten af.

80.  Waterstof kan een goede manier zijn voor energieopslag, maar dat moet dan wel groene waterstof zijn. Alleen als tussenstap zijn andere vormen van waterstof acceptabel.

81.  Alleen echte duurzame biomassa[2] kan zolang er onvoldoende andere duurzame energiebronnen zijn in de transitieperiode gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd (‘cascadering’) worden. Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht. De overige subsidies voor gebruik van biomassa worden alleen nog toegekend indien er voldaan wordt aan de strenge duurzaamheideisen en er geen andere alternatieven beschikbaar zijn.

82.  We investeren niet in kernenergie, ook niet in extreem dure en onbewezen technieken daarbij (uitgezonderd wetenschappelijk onderzoek). De kerncentrale in Borssele gaat uiterlijk in 2025 dicht.

83.  Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. Uiterlijk in 2030 wordt dit verplicht. Er komt subsidie voor de aanleg van publiek beheerde warmtenetten. Warmtenetten worden verplicht door gemeenten beheerd. Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar is, en alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.

B)     Circulaire economie

84.  We willen in 2050 niet alleen een fossielvrije energievoorziening, maar een volledig circulaire economie: een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Een donut-economie, waarin de groei begrensd is door lijnen van ecologische duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. En waarin groei niet meer alleen gemeten wordt in welvaart, maar ook in welzijn, geluk, ecologie en gezondheid.

Een circulaire economie is veel meer dan alleen recycling. Het begint met zuiniger omgaan met grondstoffen door anders te denken over producten en productieprocessen. Is het product het beste antwoord op de behoefte en kunnen bij de productie minder of andere grondstoffen worden gebruikt? In het ontwerp van producten en diensten moet al rekening gehouden worden met hergebruik, reparatie en recycling. Er moet ook energie teruggewonnen worden uit materialen, en afval storten en verbranding zonder energieterugwinning moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

Voor iedere sector van onze economie komen er wettelijke doelstellingen, instrumenten en financiering, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050. We streven daarbij naar een breed maatschappelijk akkoord met sociale partners, overheden en de milieubeweging.

85.  Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten. Dat gaan we stimuleren.

86.  Materialen als papier, staal en glas worden al veel gerecycled. Maar er zijn nog meer materialen en producten die worden afgedankt, die kunnen worden hergebruikt en waaruit grondstoffen kunnen worden gerecycled. Afgedankte elektronica bijvoorbeeld bevatten veel zeldzame aard- en edelmetalen, die nog nauwelijks worden gerecycled. Dat gaan we verplichten.

 

87.  Waar ook meer mee kan en moet is bij beton. De voorraad van beton in gebouwen en werken – zoals viaducten en bruggen – is enorm. Het vrijkomende beton wordt bijna volledig gerecycled, maar het overgrote deel van het materiaal verdwijnt in laagwaardige ophogingen en wegfunderingen. Bij de productie van beton komen echter veel broeikasgassen vrij en in dergelijke ophogingen kan ook zand of grind worden gebruikt. Belangrijke uitdaging voor de bouwsector is om de grote voorraad beton hoogwaardiger te recyclen. Daarnaast kunnen architecten in de ontwerpfase beter inspelen op mogelijkheden van hergebruik van gebouwen en onderdelen daarvan. Bijvoorbeeld door modulair te ontwerpen, waardoor een gebouw makkelijk is af te breken in modules en onderdelen van een gebouw makkelijk kunnen worden hergebruikt. Voor het hoogwaardiger recyclen van beton komen verplichtende richtlijnen.

88.  We gaan ook veel meer gebruik maken van duurzame bosbouw voor duurzame houten gebouwen. Het bosareaal hiervoor in ons land wordt tenminste verdubbeld.

89.  We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken meetbare en voor de burger afdwingbare termijndoelen. Onderdeel van deze aanpak is:

-We voeren de verpakkingsbelasting opnieuw in en verdubbelen de opbrengst.

-Statiegeldregelingen voor alle plastic en blik verpakkingen worden verplicht gesteld.

-Alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics.

C)     BTW-differentiatie

90.  We voeren een apart laag btw-tarief in voor producten die voldoen aan eisen van:

-ecologische duurzaamheid (circulair gebruik van grond- en afvalstoffen, geen fossiele energie, bescherming van biodiversiteit, dierenwelzijn en gezondheid mensen, geen vervuiling) en van:

-sociale rechtvaardigheid (geen kinderarbeid, eerlijke beloning en arbeidsvoorwaarden, bescherming arbeidsomstandigheden en positie werknemers, eerlijk belasting betalen).

Een nieuw door de overheid ingesteld en gehandhaafd keurmerk voor Duurzaam en Eerlijk Ondernemen wordt daartoe ingesteld. Het keurmerk voorziet er tevens in dat ieder product een productlabel krijgt waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is.

Ook gezonde producten (geen of weinig suiker en vet bv.) worden onder het lage btw-tarief geplaatst.

Er komt een verbod op stunten met vleesprijzen. Al het vlees dat in Nederland verkocht wordt, beschikt als eerste stap over 1 ster van het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming.

Duurzame apparaten, diensten en producten komen zo onder het laagste btw-tarief, zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc.

Vervuilend gedrag moet juist zwaarder belast worden, zoals vleesconsumptie, producten van intensieve landbouw en visserij, e.d.

D)     Mobiliteit

91.  We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), fietsen en openbaar vervoer, en we bevorderen duurzame mobiliteit:

a)     Wat betreft rail met een nieuw Randstad-breed lightrail-project en nieuwe railverbindingen in grensregio’s, toch een nieuwe Zuiderzeespoorlijn en een treinverbinding Groningen-Almelo, alsook meer sporen naast elkaar op drukke trajecten.

b)     Verder meer snelle fietsverbindingen, vrije rijwielpaden en fietsinfrastructuur Er komen roosterafspraken met bedrijven, universiteiten en hogescholen om de spits te ontlasten.

c)      Investeringen moeten uit een apart staatsfonds gefinancierd worden, waar de overheid nu bijna gratis voor kan lenen.

d)     Het OV wordt fors goedkoper, zodat het in prijs aanzienlijk wint van gemotoriseerd individueel vervoer.

e)     Ook moeten er concrete maatregelen worden genomen voor het beprijzen van particulier vervoer met rekeningrijden gedifferentieerd naar tijd en plaats en het belasten van fossiele brandstoffen in de scheep- en luchtvaart.

f)      Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu, o.m. met een vrijstelling van energiebelasting op laadpalen.

92.  In Europees verband moet er in het kader van de Europese Green Deal een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor continentale hogesnelheidslijnen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. Nationaal doen we er alles aan voor hogesnelheidslijnen naar Berlijn, naar Frankfurt en München, en naar Bremen, Hamburg en Kopenhagen.

93.  We maken continentale vluchten duurder (met een extra belasting en zetten een stop op de groei van iedere luchthaven: Lelystad uitbreiding gaat niet door, Schiphol en regionale luchthavens mogen niet groeien. Waar al een snelle treinverbinding is, worden vluchten gestaakt, naar mate dat er voldoende capaciteit is.

E)     Landbouw

94.  Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het moet minder vervuilend, duurzamer, natuurlijker. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid. 

Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren.

We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met zoveel mogelijk lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur, en minder dieren en meer dierenwelzijn in de veeteelt.

Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030. We sluiten daartoe een Plattelandsakkoord, in de geest van het Klimaatakkoord, met betrokkenheid van boeren, burgers en overheden op het platteland en natuur- en milieuorganisaties.

95.  We streven naar een hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) met hogere kwaliteitsnormen. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken.

96.  De transitie moet eerlijk plaatsvinden, maar dat kan ook, ook met boeren. Nu subsidiëren we melkboeren, terwijl 1 op de 5 van de miljonairs in ons land (melk)boer is. Het systeem dwingt de boeren tot grootschaligheid en export, terwijl dat een doodlopende weg is. Boeren die willen overstappen naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw moeten gesteund worden, zij die daarin niet meewillen moeten uitgekocht worden.

Landbouw niet primair gericht op export, maar op de binnenlandse markt. Expertise gaan we juist meer exporteren, opdat ook in de Derde Wereld een betere situatie ontstaat en we niet lokale productie daar wegconcurreren. Geen oneerlijke handelsverdragen en oneerlijke EU-landbouwsubsidie meer, zoals CETA en met de Mercosur-landen.

97.  De macht van de inkopers en de supermarkten moet daarbij gebroken worden zodat er een eerlijke prijs ontstaat, waarin de kosten van milieubelasting verdisconteerd is. Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.

Dat ondersteunen we met gedifferentieerde btw-tarieven, laag voor milieuvriendelijke producten, hoog voor milieuvervuilende producten. Zo krijgen duurzame boeren een eerlijk inkomen en krijgen huishoudens een eerlijke, betaalbare prijs gepresenteerd.

98.  Er komt een einde aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – te beginnen met een halvering in de komende 10 jaar en een volledige beëindiging van intensieve veeteelt binnen 30 jaar.  Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen.

99.  De uitstoot van CO2, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt verder belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.

100.         We bevorderen duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw, energieleverende kassen en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw wordt de norm. Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg.

101.         Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw.

102.         De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja. Wij willen dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling is voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen. De ontheffing van Nederland in de EU om meer fosfaat uit te mogen rijden wordt direct beëindigd.

103.         De normen voor dierenwelzijn worden verhoogd en strak gehandhaafd. Weidegang voor koeien en voldoende buitenruimte voor varkens en pluimvee worden wettelijk verankerd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen.

104.         Er komt een verbod op het houden en fokken van nertsen en andere (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht. Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.

105.         Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt. Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren.

106.         Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector (als onderdeel van een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid), opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Slachthuizen worden permanent gevolgd met camera’s. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit.

107.         Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau. De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis. We pleiten voor verder onderzoek naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. Het gebruik van antibiotica in de veehouderij wordt verder afgebouwd. In een toekomstige zoönose-uitbraak (ziekte die overdraagbaar is van dier op mens, zoals Q-koorts en de Corona-virussen), stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, hierom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken. Slachtoffers van de Q-koorts uitbraak worden alsnog ruimhartig schadeloos gesteld.

108.         We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Een progressieve belasting op pesticiden en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop. Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid. We zijn geen voorstander van het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven.

109.         Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. De puls-visserij is nog niet bewezen duurzaam. Zo belonen we de innovatieve vissers. Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis.

F)      Ruimtelijke Ordening

110.         We moeten de regie van de rijksoverheid op ruimtelijke ordening weer herstellen, zonder terug te keren in verstikkende wetgeving:

-Er komt weer een minister(ie) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Duurzaamheid.

-We gaan de Omgevingswet aanpassen uit oogpunt van uitvoerbaarheid en handhaving milieuregels en gezondheidsnormen en meer landelijke en provinciale taakstellingen en projecten.

-Er komt een landelijke visie voor de toekomstige ruimtelijke ordening van Nederland over 50-100 jaar die kaders stelt voor antwoorden op o.m. de zeespiegelstijging, meer extreme rivierwaterstanden en meer extreem weer (zowel droogte als juist veel regen en storm) en die uitstootreductiedoelstellingen realiseert, de biodiversiteit substantieel doet toenemen en de woningbehoeften en mobiliteitsbehoeften accommodeert, ook in relatie tot het nabijgelegen buitenland.

111.         We omarmen daarbij de bouwstenen uit een recente studie van een aantal Wageningse wetenschappers[3]:

a)     een derde minder dieren in de veeteelt; geen intensieve veeteelt meer;

b)     halvering agrarisch grondgebruik; volledig circulaire, natuurinclusieve landbouw;

c)      akkerbouw concentreren op vruchtbare kleigronden (Zeeland, polders, Noord-Holland, Friesland en Groningen), niet meer laagveengronden;

d)     op laagveengronden vooral natte teelt (zoals cranberry’s en riet) met hogere waterstand;

e)     bebossing verdubbelen (vooral in Noordoost-Nederland, op de Veluwe, in de Achterhoek en Noord-Brabant) en op zandgronden naaldbomen vervangen door meer loofbos en kruidenrijke graslanden (deze laten minder water verdampen en geven meer biodiversiteit);

f)      beken verlengen om water meer te laten infiltreren in plaats van af te voeren;

g)     landbouw verplaatsen weg van de hoge zandgronden naar lagere gronden;

h)     duinenrij versterken door verbreding (zand winnen in diepe geulen op zee en die vlak voor de kust door golven tegen de kust laten deponeren);

i)       op IJsselmeer eilandenrand (‘vooroevers’) aanleggen langs oevers (daardoor kan er langs de randen een vast peil blijven voor de scheepvaart terwijl er in het midden een voor de natuur goed dynamisch peil komt), en open water zuidoostkant Noordoostpolder maken (om uitdroging Weerribben te voorkomen);

j)       volledig duurzame fossiele energie, ook zonder kerncentrales;

k)     groene waterstofproductie en duurzame zeelandbouw (zoals kweken van schelpdieren en zeewier) rondom wind- en zonneparken;

l)       industrie en overslaghaven op zee voor Rotterdam;

m)   delen van de Noordzee worden natuurgebied, de visserij is volledig duurzaam;

n)     stedengroei vooral op hoge gebieden in oosten en zuiden (Twente, Achterhoek, Drenthe, Brabant en Limburg, met o.m. een stedenrand – Brabantstad – langs de Maas), en minder in de Randstad (om verdere bodemdaling en risico’s daar ook te beperken);

o)     inzetten op middelgrote in plaats van grote steden;

p)     steden ook natuurlijker inrichten met groene daken/gevels, bomen en waterpartijen, minder verstening en meer wateropvang, en met woningen vooral van duurzame houtbouw en hoogwaardig gerecycled beton;

q)     rond de steden komen wateropvangbekkens en groene gordels met (voedsel)bossen en bosteelt voor natuur en recreatie;

r)      brede rivierdalen ontwikkelen, daar geen bebouwing toestaan, kades weg langs Maasoevers in Limburg, bufferzone met moerassige zones voor hoogwaterstanden, oevers geschikt voor o.m. biologische fruit- en veeteelt, open verbinding tussen Maas en Waal maken, veel bredere IJsselbedding;

s)      open verbinding maken bij Kreekraksluizen tussen Ooster- en Westerschelde om getijdewerking te behouden omdat Oosterscheldekering door hoge zeespiegel vaker dicht moet.

G)     Natuurontwikkeling, herstel biodiversiteit, bescherming wilde dieren

112.         Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten:

a)     We investeren in het aaneensluiten van het netwerk van alle natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, versneld en in volle omvang.

b)     Er komen twee grote natuurgebieden in Nederland bij: de Markerwadden en het Oostvaarderswold in Flevoland. Daarnaast worden nieuwe nationale landschappen aangewezen.

c)      Er wordt meer en meer divers bos aangelegd, ook om aan de CO₂-reductie doelstellingen te voldoen. Het bosareaal wordt tenminste verdubbeld.

d)     De kustlijn inclusief duinen en aangrenzend natuurgebied houden we puur; bebouwing wordt uitgesloten.

e)     In natuurgebieden zoals de Noordzee, de Waddenzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Delta is geen plaats voor schadelijke economische activiteiten als gasboring, zandsuppletie of landaanwinning. De Westerschelde wordt niet meer verder verdiept. 30% van de Noordzee wordt zee-reservaat, gesloten voor visserij en andere schadelijke activiteiten. Om de Waddenzee beter te beschermen, komt er één beheerder voor de Waddenzee.

f)      In bestemmingsplannen komt de mogelijkheid om waardevolle landschappen met natuurinclusieve landbouw te beschermen naar analogie van waardevolle dorps- en stadsgebieden en stedelijke monumenten. Daarbij kunnen de eigenaren of beheerders subsidie krijgen.

g)     De toegankelijkheid van natuurgebieden voor wandelaars, fietsers en ruiters wordt gewaarborgd, daar waar en wanneer dat ecologisch verantwoord is. Rond steden ontwikkelen we meer groene recreatiegebieden. Waarden als stilte, nachtelijke duisternis en de weidsheid van het landschap worden beschermd. Om waardevolle, open gebieden te behouden moet bebouwing in die gebieden duurder worden. Daarom wordt een openruimteheffing ingevoerd.

h)     De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt, waarbij Staatsbosbeheer weer wordt genationaliseerd. Natuur verhuist van het ministerie Economische Zaken naar een apart klimaat, natuur en milieuministerie. Bescherming van biodiversiteit en het behoud en terugkeer van bijzondere flora en fauna worden bevorderd. Bijen en weidevogels krijgen speciale aandacht. De zalm keert weer terug in onze rivieren.

113.         Plezierjacht wordt verboden. Beheerjacht wordt alleen onder strenge voorwaarden toegestaan bij ernstige schade of bedreiging van de volksgezondheid of veiligheid, wanneer alternatieven hebben gefaald. Stroperij is niet alleen internationaal, maar ook in Nederland een probleem. We willen een harde aanpak van de stroperij, met hoge boetes en een goede pakkans door voldoende groene buitengewone opsporingsambtenaren. Nederland zet zich in tegen de stroperij van en handel in wilde dieren en planten.

114.         Er worden steeds meer innovatieve alternatieven ontwikkelt voor dierproeven. Wij staan achter de ambitie om Nederland in 2025 wereldleider in proefdiervrije innovatie te maken. Daartoe wordt een actieplan opgesteld.

115.         We willen wettelijk vastleggen welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. Die zogenaamde positieflijst bestaat al voor zoogdieren, maar voor ander categorieën zoals vogels, vissen en reptielen gaan we dit ook vastleggen.

H)     Schone en gezonde leefomgeving: bodem, water en atmosfeer

116.         De overheid moet levens en gezondheid van haar burgers te beschermen en tevens zich te houden aan Europese wetgeving waaraan ze zich heeft gecommitteerd. Burgers kunnen dat in het vervolg bij de rechter gaan afdwingen.

117.         De normen voor de luchtkwaliteit, zoals voor geur (ammoniak), de hoeveelheid en samenstelling van (ultra-)fijnstof en fijnstof van bio-industrie, stikstofoxiden en roet, worden aangescherpt tot tenminste het niveau dat is vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Normen op het gebied van geluid, trillingen, stank, en andere overlastgevers worden altijd vastgesteld op basis van de beste (en meest recente) wetenschappelijke inzichten en strikter gehandhaafd. Gemeenten hebben een belangrijke de taak bij de handhaving en geven inwoners inzicht in de controle. Bedrijven die installaties vervangen krijgen geen nieuwe vergunning als zij niet de best beschikbare, duurzame technieken toepassen.

118.         Het stikstofarrest van de Raad van State wordt strikt uitgevoerd – niet door ontwijktrucs. De maatregelen voor duurzaamheid in deze Nieuwe Tien over Rood zullen daartoe naar verwachting afdoende zijn. Op korte termijn regelen we snelheidsbeperkingen op alle snelwegen (ook ’s nachts) naar maximum 100 km/uur, uitkoop van de meest vervuilende veeteelthouders (indien mogelijk vrijwillig, maar als dat niet lukt zo nodig ook gedwongen), sluiting van alle kolencentrales, een moratorium op het aantal vliegbewegingen op ieder vliegveld, en een start met uitbreiding en herstel van natuurgebieden en van schone zones rond die natuurgebieden. De Nederlandse stikstofuitstoot moet met meer dan 50 procent omlaag om de natuur drastisch te ontzien. De kabinetsplannen voor het uitkopen van boeren nabij kwetsbare natuurgebieden zijn ontoereikend om dit te halen. Ook op andere plekken in het land zullen veehouders dieren moeten inleveren.

119.         Met betrekking tot de uitstoot van PFAS-stoffen (ernstig giftige, kankerverwekkende stoffen, die o.m. vrijkomen bij de productie van Tefal, waterafstotende stoffen en kunstgras) worden bronmaatregelen genomen die voorkomen dat ze nog gemaakt worden. De uitstoot wordt streng verboden en gehandhaafd, ook wat betreft de afvalstromen. Er komen onafhankelijke veilige normen voor de concentratie in bodem (ten behoeve van bodemsanering) en water (voor toepassing als drinkwater).

120.         Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. De normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen door bedrijven in bodem, water en atmosfeer moeten veel strikter worden gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, worden vervolgd.

Toelichting

We moeten onze economie geheel verduurzamen naar een circulaire economie. De huidige parasitaire economie is eindig en al op afzienbare tijd niet meer houdbaar. Dat zal grote veranderingen betekenen in ons consumptiepatroon, ons productieproces en de distributie en transport. Het zal kansen bieden, maar ook bedreigingen. Voor sociaaldemocraten staat voorop dat deze transities op sociale en rechtvaardige wijze plaatsvinden. Er is geen tijd meer voor uitstel of geneuzel van klimaatontkenners, ontkenners van de bedreigingen door snel dalende biodiversiteit en voor ontkenners van risico’s op zoönoses en risico’s van gezondheidsbedreigende uitstoot en vervuiling. Ieder uitstel maakt de risico’s groter en zal de kosten verhogen. Nu voorop lopen betekent ook een koppositie in de toekomst. Het gaat niet meer om of, en wanneer, maar om hoe, en met wie. De aangekondigde Europese Klimaatwet moet dwingend zijn, met de ambities zoals voorgesteld door de nieuwe Europese Commissie in de nieuwe Green Deal.

1.      Een eerlijke energietransitie

De energietransitie moet eerlijk plaatsvinden. Onze PvdA moet dit afdwingen willen we de plannen steunen. Huishoudens moeten minder, en bedrijven meer betalen met o.m. een CO₂-heffing voor de industrie. Andere klimaatgassen, zoals methaan, worden op gelijke wijze belast. Het voorstel van onze TK-fractie daarover wordt door ons gesteund, zij het dat we met het PvdA netwerk Duurzame Energie pleiten voor een iets hogere beginprijs (bijv. € 50 per ton CO₂-uitstoot met 5% jaarlijkse escalatie) en het niet verrekenen met al bestaande ETS-heffingen. De opbrengsten van deze heffing worden gebruikt voor subsidies duurzame energie aan bedrijven en huishoudens en aan innovatie.

We gaan de energiebelasting eerlijk verduurzamen: Een progressieve energiebelasting naar schaal van energieconsumptie en tarieven gebaseerd op uitstoot CO₂, zodat duurzame elektriciteit niet belast wordt, met kolen opgewekte elektriciteit extra zwaar belast wordt en met aardgas opgewekte elektriciteit even zwaar belast wordt als direct gebruik van aardgas. Vervuilers en fossiel grootverbruikers veel zwaarder belasten, huishoudens lager belasten. Lage inkomens krijgen een hogere belastingvrije voet voor de energiebelasting. Huidige vrijstellingen, juist vaak van de grootste vervuilers (zoals de luchtvaart) worden afgeschaft.

De opslag duurzame energie (ODE) in de energiebelasting wordt afgeschaft. De subsidies voor verduurzaming worden anders gefinancierd, o.m. uit een hogere energiebelasting op vervuilende productie. Subsidies voor verduurzaming energieverbruik (SDE+) komen in het vervolg vooral ten goede aan de lage en middeninkomens. En ze mogen niet gebruikt worden voor CO₂-opslag (CCS) of niet-duurzame biomassa. Bedrijven moeten daarin zelf investeren. De milieu-investeringsaftrek wordt geschrapt.

2.      Een circulaire economie

Een circulaire economie is een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Grondstoffen dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking op onze planeet en de toenemende welvaart in de wereld. Door onze parasitaire levenswijze worden bovendien ecosystemen, het klimaat en onze gezondheid bedreigt met de afvalstoffen van die levenswijze.

Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kan een circulaire economie 10% afname van onze CO₂-uitstoot en 20% waterbesparing in de industrie opleveren, maar ook meer leveringszekerheid van grondstoffen (25% minder import van primaire grondstoffen), als ook ruim 50.000 nieuwe banen en 7 miljard euro extra voor de Nederlandse economie.

Dat vraagt wel een enorme transitie. Hiervoor hebben we al aangegeven dat die eerlijk en rechtvaardig moet plaatsvinden, opdat huishoudens met een laag en middeninkomen daar niet de rekening van betalen. Het moet hen financieel mogelijk gemaakt worden duurzaam te leven. Voor wat betreft de verduurzaming van woningen en het energiegebruik van huishoudens hebben we hiervoor al voorstellen gedaan.

Een circulaire economie is veel meer dan alleen recycling. Het begint met zuiniger omgaan met grondstoffen door anders te denken over producten en productieprocessen. Is het product het beste antwoord op de behoefte en kunnen bij de productie minder of andere grondstoffen worden gebruikt? In het ontwerp van producten en diensten moet al rekening gehouden worden met hergebruik, reparatie en recycling. Er moet ook energie teruggewonnen worden uit materialen en afval storten en verbranding zonder energieterugwinning moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

Fossiele energiebronnen moeten in een circulaire economie volledig vervangen worden door hernieuwbare energiebronnen. We beëindigen het gebruik van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas. De in de Klimaatwet gestelde doelen daarvoor worden bindend en vatbaar voor rechterlijke toetsing. De aardgaswinning wordt zo snel mogelijk gestaakt, zo mogelijk eerder dan nu door de regering toegezegd, ook in velden buiten Groningen. Er komt geen winning van schaliegas. De eigenaren en bewoners van door de gaswinning beschadigde gebouwen worden allen binnen een jaar gecompenseerd, met een omgekeerde bewijslast (NAM moet bewijzen dat schade niet veroorzaakt is door aardbevingen). Nederland werkt niet mee aan het gasnetwerk Nordstream II en bouw zo snel mogelijk de import van fossiele brandstoffen uit Rusland en het Midden-Oosten af.

Waterstof kan een goede manier zijn voor energieopslag, maar dat moet dan wel groene waterstof zijn. Alleen als tussenstap zijn andere vormen van waterstof acceptabel. Alleen echte duurzame biomassa kan gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd worden. Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht. We investeren niet in kernenergie, dat is niet duurzaam. De kerncentrale in Borssele gaat uiterlijk in 2025 dicht. Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. Uiterlijk in 2030 wordt dit verplicht. Er komt subsidie voor de aanleg van publiek beheerde warmtenetten. Warmtenetten worden verplicht door gemeenten beheerd.  Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar, en alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.

Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten.

Veel grondstoffen zijn onttrokken aan de aarde en opgeslagen in gebouwen, infrastructuur en in producten als televisies, folders en flessen. De gebouwde omgeving kan worden gezien als een mijn, waar kostbare grondstoffen uit kunnen worden herwonnen (urban mine). Materialen als papier, staal en glas worden al veel gerecycled. Maar er zijn nog meer materialen en producten die worden afgedankt, die kunnen worden hergebruikt en waaruit grondstoffen kunnen worden gerecycled. Afgedankte elektronica bijvoorbeeld bevatten veel zeldzame aard- en edelmetalen, die nog nauwelijks worden gerecycled.

Waar ook meer mee kan en moet is bij beton. De voorraad van beton in gebouwen en werken – zoals viaducten en bruggen – is enorm. Het vrijkomende beton wordt bijna volledig gerecycled, maar het overgrote deel van het materiaal verdwijnt in laagwaardige ophogingen en wegfunderingen. Bij de productie van beton komen echter veel broeikasgassen vrij en in dergelijke ophogingen kan ook zand of grind worden gebruikt. Belangrijke uitdaging voor de bouwsector is om de grote voorraad beton hoogwaardiger te recyclen. Oftewel meer toepassen in beton. Daarnaast kunnen architecten in de ontwerpfase beter inspelen op mogelijkheden van hergebruik van gebouwen en onderdelen daarvan. Bijvoorbeeld door modulair te ontwerpen, waardoor een gebouw makkelijk is af te breken in modules en onderdelen van een gebouw makkelijk kunnen worden hergebruikt.

3.      Fiscale maatregelen

We voeren een apart laag btw-tarief in voor producten die voldoen aan eisen van ecologische duurzaamheid (circulair gebruik van grond- en afvalstoffen, geen fossiele energie, bescherming van biodiversiteit, dierenwelzijn en gezondheid mensen, geen vervuiling) en van sociale rechtvaardigheid (geen kinderarbeid, eerlijke beloning en arbeidsvoorwaarden, bescherming arbeidsomstandigheden en positie werknemers, eerlijk belasting betalen) met behulp van een nieuw door de overheid ingesteld keurmerk voor Duurzaam en Eerlijk Ondernemen. Ook gezonde producten (geen of weinig suiker en vet bv.) worden onder het lage btw-tarief geplaatst. Duurzame apparaten, diensten en producten komen zo onder het laagste btw-tarief, zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc. Vervuilend gedrag moet juist zwaarder belast worden, zoals vleesconsumptie, producten van intensieve landbouw en visserij, e.d. Er komt een verbod op stunten met vleesprijzen. Al het vlees dat in Nederland verkocht wordt, beschikt als eerste stap over 1 ster van het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming.

We voeren de verpakkingsbelasting opnieuw in en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor alle plastic en blik verpakkingen worden verplicht gesteld. Wij willen dat ieder product een productlabel krijgt waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is. Alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics. We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken meetbare en voor de burger afdwingbare termijndoelen.

4.      Duurzame mobiliteit

We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), fietsen en openbaar vervoer, o.m. met een nieuw Randstad-breed lightrail-project. Investeringen moeten uit een apart staatsfonds gefinancierd worden, waar de overheid nu bijna gratis voor kan lenen. Het OV wordt fors goedkoper, zodat het in prijs aanzienlijk wint van gemotoriseerd individueel vervoer. Ook moeten er concrete maatregelen worden genomen voor het beprijzen van particulier vervoer met rekeningrijden gedifferentieerd naar tijd en plaats en het belasten van fossiele brandstoffen in de scheep- en luchtvaart. Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu, o.m. met een vrijstelling van energiebelasting op laadpalen.

In Europees verband moet er in het kader van de Europese Green Deal een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor continentale hogesnelheidslijnen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. We maken continentale vluchten substantieel duurder met een extra belasting en zetten een stop op de groei van luchthavens: Lelystad uitbreiding gaat niet door, Schiphol en regionale luchthavens mogen niet groeien.

5.      Duurzame landbouw

Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het is absurd dat in een dichtbevolkt land dat drijft op diensten bijna 60 procent van het grondgebied in beslag wordt genomen door een uitermate vervuilende activiteit: de intensieve landbouw. Deze heeft grote nadelige maatschappelijke en milieueffecten. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid.  Dat moet minder, duurzamer, natuurlijker.

Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector, daarvoor lenen de productieomstandigheden in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. De gangbare, industriële landbouw kan de wereld op den duur niet voeden. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Burgers maken zich zorgen over klimaatverandering, maken zich zorgen over gezondheidsrisico’s en ergeren zich aan de landschapsvervuiling en schendingen van dierenwelzijn, natuurbeschermers zien dat er zich een ‘ecologische ramp’ voltrekt in het agrarische gebied. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren.

We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Deze vormen van landbouw leveren meerwaarde voor boer, dier, maatschappij, natuur en milieu. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030. We sluiten daartoe een Plattelandsakkoord, in de geest van het Klimaatakkoord, met betrokkenheid van boeren, burgers en overheden op het platteland en natuur- en milieuorganisaties, op basis van de hierna volgende uitgangspunten.

We streven naar een hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) per 2020 met hogere kwaliteitsnormen. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken.

De transitie moet eerlijk plaatsvinden, maar dat kan ook, ook met boeren. Nu subsidiëren we melkboeren, terwijl 1 op de 5 van de miljonairs in ons land (melk)boer is. Het systeem dwingt de boeren tot grootschaligheid en export, terwijl dat een doodlopende weg is. Boeren die willen overstappen naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw moeten gesteund worden, zij die daarin niet meewillen moeten uitgekocht worden. Landbouw niet primair gericht op export, maar op de binnenlandse markt. Expertise gaan we juist meer exporteren, opdat ook in de Derde Wereld een betere situatie ontstaat en we niet lokale productie daar wegconcurreren. Geen oneerlijke handelsverdragen en oneerlijke EU-landbouwsubsidie meer, zoals CETA en met de Mercosur-landen. Zo krijgen we kleinere en meer boeren, en minder dieren. De macht van de inkopers en de supermarkten moet daarbij gebroken worden zodat er een eerlijke prijs ontstaat, waarin de kosten van milieubelasting verdisconteerd is. Dat ondersteunen we met gedifferentieerde btw-tarieven, laag voor milieuvriendelijke producten, hoog voor milieuvervuilende producten. Zo krijgen duurzame boeren een eerlijk inkomen en krijgen huishoudens een eerlijke, betaalbare prijs gepresenteerd.

Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.

De uitstoot van CO2, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt verder belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.

We bevorderen duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw, energieleverende kassen en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw wordt de norm. Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg. Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw.

De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja. Wij willen dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen. De ontheffing van Nederland in de EU om meer fosfaat uit te mogen rijden wordt direct beëindigd.

Er komt een einde aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – te beginnen met een halvering in de komende 10 jaar en een volledige beëindiging van intensieve veeteelt binnen 30 jaar.  Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen.

De Nederlandse intensieve veehouderij wordt vaak genoemd als voorbeeld voor de rest van de wereld. Onze productiemethoden zijn geperfectioneerd op efficiëntie en het dierenwelzijn is ondanks bovenstaande misstanden beter dan in veel andere landen. Maar dat het elders nog slechter is, kan geen excuus zijn om weg te kijken. Als gidsland en als een van de grootste producenten ter wereld van vlees en zuivel, moet Nederland streven naar een voorbeeldfunctie wat betreft duurzaamheid, volksgezondheid en dierenwelzijn.

De intensieve veehouderij kent steeds meer structurele misstanden: megastallen, langeafstandstransporten (tegenwoordig ook om strenge regelgeving te ontlopen), stalbranden, dierziekten, mestoverschotten en risico’s voor de volksgezondheid en voor de klimaatverandering. Doordat het dier wordt aangepast aan de houderij in plaats van andersom, wordt ook het dierenwelzijn ernstig aangetast. Dieren worden te krap gehouden, met te weinig uitdaging of afleiding, kalf en koe worden bij de geboorte gescheiden, kalveren en lammetjes onthoornd, zeugen in kraamkooien gestald, staarten bij biggen geamputeerd en snavels bij kippen gekapt. Varkens worden in het slachthuis met heftig prikkend koolstofdioxidegas bedwelmd, met een afschuwelijke en verstikkende doodsstrijd tot gevolg. Kippen bereiken het slachthuis vaak met blaren op borst en poten doordat ze zo snel mogelijk en dus hardhandig in kratten worden gepropt. Hanen, bokken en stieren worden massaal jong gedood omdat ze niet gewild zijn bij de productie. Bij de meeste biggen worden staarten gecoupeerd, zonder pijnstilling.

De normen voor dierenwelzijn worden verhoogd en strak gehandhaafd. Weidegang voor koeien en voldoende buitenruimte voor varkens en pluimvee worden wettelijk verankerd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen.

Er komt een verbod op het houden en fokken van nertsen en andere (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht. Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.

Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt. Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren.

Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector (als onderdeel van een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid), opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Slachthuizen worden permanent gevolgd met camera’s. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit.

Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau. De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis.

We pleiten voor verder onderzoek naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. Het gebruik van antibiotica in de veehouderij wordt verder afgebouwd. In een toekomstige zoönose-uitbraak (ziekte die overdraagbaar is van dier op mens, zoals Q-koorts), stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, hierom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken. Slachtoffers van de Q-koorts uitbraak worden alsnog ruimhartig schadeloos gesteld.

We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Een progressieve belasting op pesticiden en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop. Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid. We zijn geen voorstander van het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven.

Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. De puls-visserij is nog niet bewezen duurzaam. Zo belonen we de innovatieve vissers. Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis.

6.      Versterking overheidsregie ruimtelijke ordening en natuurherstel

We moeten de regie van de rijksoverheid op ruimtelijke ordening weer herstellen, zonder terug te keren in verstikkende wetgeving. We gaan de Omgevingswet aanpassen uit oogpunt van uitvoerbaarheid en meer landelijke en provinciale taakstellingen en projecten.

Er komt een landelijke visie voor de toekomstige ruimtelijke ordening van Nederland over 50-100 jaar die kaders stelt voor een antwoord op o.m. de zeespiegelstijging, meer extreme rivierwaterstanden, meer extreem weer (zowel droogte als juist veel regen en storm), de uitstootreductiedoelstellingen realiseert, de biodiversiteit substantieel doet toenemen, de woningbehoeften en mobiliteitsbehoeften accommodeert, ook in relatie tot het nabijgelegen buitenland. De recente studie van een aantal Wageningse wetenschappers[4] laat zien wat dit kan betekenen – het kan: een schoon, veiliger, duurzaam en natuurlijker Nederland dat werkt en woont.

Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten. We investeren in het aaneensluiten van het netwerk van alle natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, versneld en in volle omvang.

Er komen twee grote natuurgebieden in Nederland bij: de Markerwadden en het Oostvaarderswold in Flevoland. Daarnaast worden nieuwe nationale landschappen aangewezen. Er wordt meer en meer divers bos aangelegd, ook om aan de CO₂-reductie doelstellingen te voldoen.

De kustlijn inclusief duinen en aangrenzend natuurgebied houden we puur; bebouwing wordt uitgesloten. In natuurgebieden zoals de Noordzee, de Waddenzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Delta is geen plaats voor schadelijke economische activiteiten als gasboring, zandsuppletie of landaanwinning. De Westerschelde wordt niet meer verder verdiept. 30% van de Noordzee wordt zee-reservaat, gesloten voor visserij en andere schadelijke activiteiten. Om de Waddenzee beter te beschermen, komt er één beheerder voor de Waddenzee.

In bestemmingsplannen komt de mogelijkheid om waardevolle landschappen met natuurinclusieve landbouw te beschermen naar analogie van waardevolle dorps- en stadsgebieden en stedelijke monumenten. Daarbij kunnen de eigenaren of beheerders subsidie krijgen.

De toegankelijkheid van natuurgebieden voor wandelaars, fietsers en ruiters wordt gewaarborgd, daar waar en wanneer dat ecologisch verantwoord is. Rond steden ontwikkelen we meer groene recreatiegebieden. Waarden als stilte, nachtelijke duisternis en de weidsheid van het landschap worden beschermd. Om waardevolle, open gebieden te behouden moet bebouwing in die gebieden duurder worden. Daarom wordt een openruimteheffing ingevoerd.

De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt, waarbij Staatsbosbeheer weer wordt genationaliseerd. Natuur verhuist van het ministerie Economische Zaken naar een apart klimaat, natuur en milieuministerie.

Bescherming van biodiversiteit en het behoud en terugkeer van bijzondere flora en fauna worden bevorderd. Bijen en weidevogels krijgen speciale aandacht. De zalm keert weer terug in onze rivieren.

Plezierjacht wordt verboden. Beheerjacht wordt alleen onder strenge voorwaarden toegestaan bij ernstige schade of bedreiging van de volksgezondheid of veiligheid, wanneer alternatieven hebben gefaald. Stroperij is niet alleen internationaal, maar ook in Nederland een probleem. We willen een harde aanpak van de stroperij, met hoge boetes en een goede pakkans door voldoende groene buitengewone opsporingsambtenaren. Nederland zet zich in tegen de stroperij van en handel in wilde dieren en planten.

Er worden steeds meer innovatieve alternatieven ontwikkelt voor dierproeven. Wij staan achter de ambitie om Nederland in 2025 wereldleider in proefdiervrije innovatie te maken. Daartoe wordt een actieplan opgesteld.

We willen wettelijk vastleggen welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. Die zogenaamde positieflijst bestaat al voor zoogdieren, maar voor ander categorieën zoals vogels, vissen en reptielen gaan we dit ook vastleggen.

We beschermen ons land tegen overstromingen en wateroverlast, waar mogelijk door rivieren meer ruimte te geven en hun natuurwaarden te versterken, in plaats van oneindig dijken te verzwaren. Tegen langdurige droogte wordt geïnvesteerd in meer wateropslag, minder verstening, minder intensief watergebruik en minder waterverspilling. Ook in de stad komt er meer groen en stadslandbouw wordt bevorderd.

7.      Zorgen voor een schone lucht, water en bodem

De overheid moet levens en gezondheid van haar burgers te beschermen en tevens zich te houden aan Europese wetgeving waaraan ze zich heeft gecommitteerd. Burgers kunnen dat in het vervolg bij de rechter gaan afdwingen. De normen voor de luchtkwaliteit, zoals voor geur (ammoniak), de hoeveelheid en samenstelling van (ultra-)fijnstof en fijnstof van bio-industrie, stikstofoxiden en roet, worden aangescherpt tot het niveau dat is vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Gemeenten hebben een belangrijke de taak bij de handhaving en geven inwoners inzicht in de controle. Normen op het gebied van geluid, trillingen, stank, en andere overlastgevers worden altijd vastgesteld op basis van de beste (en meest recente) wetenschappelijke inzichten. Bedrijven die installaties vervangen krijgen geen nieuwe vergunning als zij niet de best beschikbare, duurzame technieken toepassen.

Het stikstofarrest van de Raad van State wordt strikt uitgevoerd – niet door ontwijktrucs. De maatregelen voor duurzaamheid in deze Nieuwe Tien over Rood zullen daartoe naar verwachting afdoende zijn. Op korte termijn regelen we snelheidsbeperkingen op alle snelwegen (ook ’s nachts) naar maximum 100 km/uur, uitkoop van de meest vervuilende veeteelthouders (indien mogelijk vrijwillig, maar als dat niet lukt zo nodig ook gedwongen, sluiting van alle kolencentrales, een moratorium op het aantal vliegbewegingen op ieder vliegveld, en een start met uitbreiding en herstel van natuurgebieden en van schone zones rond die natuurgebieden.

De Nederlandse stikstofuitstoot moet met meer dan 50 procent omlaag om de natuur drastisch te ontzien. De kabinetsplannen voor het uitkopen van boeren nabij kwetsbare natuurgebieden zijn ontoereikend om dit te halen. Ook op andere plekken in het land zullen veehouders dieren moeten inleveren. Dat blijkt uit zeer recent onderzoek van het Wageningen Environmental Research, dat op initiatief van het Wereld Natuur Fonds is uitgevoerd.[5] De VVD belooft de boeren dat er geen dier af hoeft en technologische oplossingen afdoende zijn. Met die suggestie maken de onderzoekers korte metten. Theoretisch kunnen oplossingen zoals luchtwassers en een andere veevoersamenstelling de stikstofuitstoot in de landbouw met bijna een derde verlagen, maar in de praktijk zijn de oplossingen kostbaar, moeilijk te implementeren en zetten de onderzoekers vraagtekens bij de effectiviteit ervan. Dat de uitstoot van stikstof door veeteelt vergeleken met decennia terug behoorlijk is afgenomen door technologische maatregelen is waar, maar het laatste decennium loopt de uitstoot juist weer op, vooral na schrappen van het melkquotum in 2015. Deze afschaffing heeft volgens de Algemene Rekenkamer het aantal dieren fors doen toenemen. De stijging van schadelijke uitstoot komt volgens de Algemene Rekenkamer voor een belangrijk deel door de toename van het aantal dieren in Nederland. Daardoor stijgt de hoeveelheid mest. Desalniettemin blijft minister Schouten zeggen dat inkrimping van de veestapel niet haar doel is. De onderzoekers bekeken ook wat de effecten zijn op stikstof van de door minister Schouten terecht verlangde kringlooplandbouw. Ze laten zien dat de minister veel rigoureuzer te werk moet gaan. Pas als er voortaan geen stikstofdragend veevoer (zoals soja) meer wordt geïmporteerd, wordt de benodigde stikstofreductie van 50 procent gehaald. Het gevolg is dat dan nog maar voor de helft van de dieren voer beschikbaar is.

Nederland heeft al sinds lange tijd natuurwetgeving die beoogt het natuurbelang te beschermen. Zo was Nederland binnen Europa met de borging van de Ecologische Hoofdstructuur in de ruimtelijke ordening een voorloper met natuurbeleid vanuit een gezamenlijke visie op landbouw en natuur. De afgelopen jaren is er echter bezuinigd op natuurontwikkeling en heldere keuzes zijn achterwege gebleven. Veel Natura 2000- gebieden zijn er in ons land momenteel slecht aan toe. De biodiversiteit in Nederland is nadrukkelijk toe aan herstel. Het idee van Rutte III om nog minder natuur te beschermen is ridicuul.

Zo’n 35 procent van de stikstof in Nederland komt uit het buitenland. Maar Nederland ‘exporteert’ meer stikstofoxyden dan we ‘importeren’. De dichtheid van stikstof is in de 28 EU-lidstaten het hoogst in Nederland, vier keer hoger dan het EU-gemiddelde. We moeten dus echt zelf veel (en snel!) doen. De landbouw neemt met 45 procent verreweg de meeste uitstoot voor zijn rekening. Dat komt vooral door de ammoniak die vrijkomt uit mest van koeien, kippen en varkens. Na de landbouw leveren huishoudens, wegverkeer (beide 6,4 procent), de internationale scheepvaart (3,6 procent) en ammoniak uit de zee (2,7 procent) de grootste bijdrage aan de Nederlandse stikstofdepositie.

Stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komt uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. De stoffen kunnen met neerslag mee komen op de bodem, dit heet natte depositie. Maar ook kunnen planten of de bodem direct stikstof uit de lucht opnemen, dit heet droge depositie. De depositie van stikstofoxiden en ammoniak zorgt ervoor dat de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen. Dat is vooral in natuurgebieden een probleem. Door overbelasting met stikstof zijn veel habitats er slecht aan toe. De bodem verzuurt en de balans van voedingstoffen in de bodem wordt ontwricht. Zeldzame plantensoorten die juist voedselarme omstandigheden nodig hebben, verdwijnen. Een beperkt aantal stikstofminnende soorten neemt hun plaats in. Dat kan betekenen dat de plantensoorten, die kenmerkend zijn voor het gebied, verdwijnen en dat de kwaliteit van de overgebleven soorten minder wordt, of zelfs dat het gebied zijn natuurlijke kenmerken verliest. Zo verdringen de brandnetels bijvoorbeeld de orchideeën. Aangezien planten aan de basis staan van de voedselketen, beïnvloedt het verlies aan plantensoorten en plantkwaliteit ook de fauna, zoals insecten en vogels, die van die zeldzame planten leven. Dit bedreigt de biodiversiteit, die we niet voor niets beschermen – bedreiging van biodiversiteit is net als de klimaatcrisis een directe bedreiging door de aantasting van de voedselketens voor de toekomst van onze kinderen. En is in strijd met Europese regels voor natuurbescherming, die daarop gericht zijn.

Teveel uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden is niet alleen slecht voor de natuur, maar is ook slecht voor de volksgezondheid. Volgens het Longfonds overlijden jaarlijks minimaal 11.000 mensen vroegtijdig door uitstoot van fijnstof en stikstofoxyden. Gemiddeld leven Nederlanders negen maanden korter door luchtverontreiniging, maar de verschillen zijn groot. Het aantal slachtoffers is het grootst in de grote steden, de Randstad, langs drukke wegen en in de omgeving van veehouderijen. Daar kan het levensduurverlies oplopen tot achttien maanden, terwijl het in de schoonste gebieden van Nederland ‘slechts’ vier maanden bedraagt. Volgens het kabinet is luchtverontreiniging, na roken, de grootste veroorzaker van ziektekosten in ons land. Het Longfonds, de Hartstichting en beroepsverenigingen van longartsen, cardiologen, kinderartsen, huisartsen en longverpleegkundigen hebben op 10 september jl. een petitie aangeboden aan de Tweede Kamer waarin gevraagd wordt om ambitieuze maatregelen.

Vooral mensen met longklachten en astma hebben last van stikstofoxyden. Zo’n 1,2 miljoen Nederlanders kampen bovendien met een longziekte. Volgens het Longfonds hebben ongeveer 100.000 kinderen tot en met de leeftijd van veertien jaar astma. Bij één op de vijf kinderen met astma in Nederland is de ziekte gerelateerd aan luchtvervuiling door het verkeer. In geen enkel ander Europees land is dat aantal zo hoog. In de grote steden worden uitlaatgassen verantwoordelijk gehouden voor nog meer astmagevallen bij kinderen. Ammoniak komt ook in de lucht, maar via uitspoeling in de bodem ook in ons grond- en oppervlaktewater. Dit bedreigt op den duur ook onze drinkwatervoorziening.

Met betrekking tot de uitstoot van PFAS-stoffen (ernstig giftige, kankerverwekkende stoffen, die o.m. vrijkomen bij de productie van Tefal, waterafstotende stoffen en kunstgras, worden bronmaatregelen genomen die voorkomen dat ze nog gemaakt worden. De uitstoot wordt streng verboden en gehandhaafd, ook wat betreft de afvalstromen. Er komen onafhankelijke veilige normen voor de concentratie in bodem (ten behoeve van bodemsanering) en water (voor toepassing als drinkwater).

Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. De normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen door bedrijven in bodem, water en atmosfeer moeten veel strikter worden gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, worden vervolgd.


[1] Zie: https://www.pvda.nl/zeker-zijn-van-een-schone-toekomst/. Alle bedrijven gaan in dat voorstel vanaf 2021 45 euro per ton CO₂ betalen, en dat tarief stijgt 2% per jaar. In 2050 is dan tarief ongeveer 80 euro per ton CO₂. Uit de opbrengst wordt een verlaging van het vaste verminderingsbedrag in de energiebelasting met 150 euro gefinancierd, evenals een verhoging van de SDE+ subsidies (daar gaat 50% naar toe) en een innovatie- en werkgelegenheidsfonds voor bedrijfstakken die dat kunnen inzetten voor (verder) ontwikkelen van schone industrie en behoud van banen.

[2] Het moet gaan om duurzaam geteelde biomassa en restafval, waarbij de biodiversiteit en het landgebruik van inheemse bewoners beschermd wordt. Zo mogelijk alleen uit de EU. Er gelden strenge normen voor uitstoot van fijnstof en stikstof.

[3] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/

[4] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/

[5] Zie: https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/stikstof-moet-ruim-gehalveerd-saneren-van-boeren-rond-kwetsbare-natuur-niet-genoeg~bc8f3c84/

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Hoofdstuk VII. Versterking van de publieke sector

     Linksom! in de PvdA

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 Concrete Voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

Voorstellen:

A.    Publieke sector algemeen

121.         We versterken en moderniseren de publieke sector:

a)     Publieke dienstverlening organiseren we zonder marktwerking, met politiek gelimiteerde regie. Daar heerst geen concurrentie, maar samenwerking.

b)     We herstellen het vertrouwen in de professionals en stoppen met micromanagement en bureaucratische controles. Professionals krijgen ruime regel- en budgetruimte.

c)      De organisaties in een moderne publieke sector hebben een menselijke maat, zijn plat met weinig overhead en onnodige bureaucratie en liefst coöperatief georganiseerd, mogen geen winstoogmerk hebben en opereren binnen publieke kaders en toezicht.

d)     De relatie tussen cliënten en professionals staat centraal bij de kwaliteit van dienstverlening en deze moeten niet in individuele consumentrelaties worden vormgegeven – we moeten het individualisme in onze samenleving bestrijden waarin burgers tot consumenten gereduceerd worden en de Staat/publieke sector tot een ‘BV Nederland’.

We versterken en moderniseren de publieke sector. “De gedachte dat de markt collectieve diensten zou kunnen organiseren van hogere kwaliteit tegen een lagere prijs is keer op keer een misvatting gebleken. Tijd om radicaal te zijn: wat publiek is, is publiek. Daar gaan we niet concurreren maar samenwerken. Afgeschermd van het kapitalisme. Werken voor de overheid moet meer gewaardeerd worden. Klaar met het bashen van ambtenaren. Stoppen met de zelfgenoegzame onderverdeling tussen echte banen en “gecreëerde banen” omdat ze collectief gefinancierd worden. Want die mensen, de politieagent, de brandweerman, de schoonmaker, de wijkverpleegkundige zijn helden! De publieke taken moet ook weer echt publiek worden.[1]

De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, en je verdient ook goed, en bent als regel in vaste dienst. En je hebt veel professionele autonomie, zowel in termen van regelvrijheid als in budgetvrijheid.

Organisaties in de publieke dienstverlening zijn bij voorkeur coöperatief en mogen niet langer een winstoogmerk hebben. Dat laatste betekent met name een grondige wijziging in de kinderopvang en in de zorg. Anders dan de oud-minister van VWS en huidig directeur van zorgverzekeraar VGZ Ab Klink meent, kan innovatie en efficiëntie prima plaatsvinden in een publiek stelsel. Er vindt nu juist veel maatschappelijke verspilling plaats door concurrentiemechanismen, onnodige financiële reserves die aangehouden moeten worden omdat overheidsgaranties ontbreken, en door marktwerking gedreven gedrag (zoals hoge salarissen en bonussen, winstuitkeringen, schaalvergroting en fusies uit financiële motieven, rendementsdenken en ander calculerend schadelijk financieel gedrag, aanbieders die de krenten uit de pap met winst inpikken en de onrendabele zaken laten liggen voor de overheid, etc.). En het leidt anderzijds ook tot tekorten, zoals we al lang weten door de wachtlijsten en nu nog eens pijnlijk duidelijk werd bij de Covid-19 pandemie.

We herstellen ook de politieke regie over de verdeling van middelen en de organisatie en inrichting van de publieke dienstverlening. Geen micromanagement, maar de politiek moet weer ten volle aanspreekbaar zijn op het aanbod, toegankelijkheid en kwaliteit van de publieke dienstverlening. Het is absurd dat de politiek nu met lege handen staat bij de sluiting van ziekenhuizen en de wachtlijsten in de zorg, en de politiek moet ook weer de schroom afschudden voor bemoeienis met bijv. de inrichting van het onderwijs.

122.         We investeren 15 miljard euro structureel extra geld in 300.000 extra banen en betere beloning in de publieke sector (onderwijs, zorg, veiligheid, etc.).

Publieke banen zijn echte banen, belangrijk voor onze welvaart en ons welzijn. Wij zijn ideologisch voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. Het maakt economisch niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient.

Investeringen in de publieke sector leveren meer werk op dan investeringen door de marktsector. Een euro besteed door de overheid levert gemiddeld genomen meer werkgelegenheid op dan een euro besteed door de markt. Dat heeft met drie dingen te maken:

1) De overheid kan sturen op werkgelegenheid, de markt doet dat niet.

2) De publieke sector bestaat vaker uit diensten en dat is arbeidsintensiever.

3) Publieke bestedingen vloeien minder weg naar het buitenland.

Er zijn grote tekorten aan arbeidskrachten in de publieke sector, waar je ook kijkt: onderwijs, zorg, politie, de welzijnssector, de arbeidsbemiddeling, de rechterlijke macht, de reclassering, de inburgering, etc. Dit leidt tot ernstige kwaliteitsproblemen met de dienstverlening. Oorzaken zijn te lage beloning, te grote werkdruk en te weinig professionele autonomie. We moeten die tekorten met prioriteit aanpakken.

Hogere salarissen in de publieke sector zullen tezamen met het fors hogere minimumloon en groeiende tekorten op de arbeidsmarkt een inmiddels door bijna iedereen gewenste loongolf veroorzaken.

Het probleem in Nederland is niet dat de collectieve uitgaven te hoog zijn, maar dat de collectieve lasten zo oneerlijk zijn verdeeld. Er is genoeg ruimte om te investeren, als we ook bereid zijn tot die eerlijke verdeling.

123.         In de publieke sector gaan we betaald werk, met name voor laaggeschoolden, als doel in zichzelf, beschouwen. We herstellen de uit oogpunt van bedrijfsmatige efficiëntie wegbezuinigde banen voor laaggeschoolden en splitsen banen waar daardoor extra banen voor laaggeschoolden ontstaan. Privatiseringen en verzelfstandigingen waarbij werk verdwenen is en/of waarbij verslechtering van arbeidsvoorwaarden plaatsvond, draaien we terug. In de banenplannen voor de publieke sector, onderdeel van ons Plan van de Arbeid, worden aparte doelstellingen opgenomen voor laaggeschoolde arbeid.

In de publieke sector moeten we de waarde van werk ook breder bezien dan alleen bedrijfsmatig. Indachtig het motto van de sociale New Yorkse bakkerij Greyston: we don’t hire people to bake brownies, we bake brownies to hire people. Arbeid als de voornaamste waarde. Het geeft zin aan het bestaan en werk voor mensen is goed voor de samenleving als geheel. Het product is een afgeleide.

We moeten de schoonmakers, de hoveniers voor het openbare groen, de beveiliging, het caterings- en kantinepersoneel weer zelf in dienst nemen, loketten heropenen en uitbreiden, conducteurs en wijk- en schoolconciërges weer in dienst nemen, het openbaar vervoer en nutsbedrijven weer terugbrengen in de publieke sector, etc. Waar de administratie en andere ondersteuning nodig en nuttig is, kan baansplitsing plaatsvinden, waarbij deze taken door lager geschoolden worden overgenomen. Baansplitsing kan ook door de aanstelling van assistenten voor taken die geen hoge opleiding vereisen.

In de banenplannen voor de publieke sector worden aparte doelstellingen en instrumenten opgenomen voor laaggeschoolde arbeid. Bij de toekomst van dit soort sectoren moeten de banen en goede arbeidsvoorwaarden, samen met de kwaliteit voor de cliënten centraal worden gesteld door daar de regels op toe te spitsen.

124.         Bij onvoldoende prestaties en/of wanbeleid gaan publieke instellingen niet dicht of failliet, maar worden ze tijdig onder toezicht geplaatst.

Dat garandeert continuïteit van goede dienstverlening.

125.         We draaien liberaliseringen en privatisering terug waar het algemeen belang in het geding is en/of komen daarbij met extra regulering

Dat doen we bij o.m. bij de woningmarkt, de postmarkt, de OV-bedrijven, nutsbedrijven, de banken, de zorg, re-integratie naar werk, schuldhulpverlening, het onderwijs en de kinderopvang.

126.         Zorg, onderwijs en kinderopvang zijn een recht, geen voorziening. Die rechten moet afdwingbaar zijn.

De decentralisatie van de zorg heeft duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar mensen worden als hun rechten afhankelijk worden van uitvoerders en decentrale overheden. Onze verzorgingsstaat is gebouwd op rechten van burgers, die ook verankerd zijn in de Grondwet als sociale grondrechten. Deze rechten degraderen tot voorzieningen, alleen beschikbaar voor zover lokaal beleid, lokale financiële mogelijkheden en de uitvoerende bureaucratie, leidt tot ongelukken, schrijnende afhankelijkheid en grotere ongelijkheid.

127.         We stoppen met het eisen van zelfredzaamheid. De keuzevrijheid in collectieve arrangementen beperkten we.

We maken een eind aan de keuzejungle en prestatiestresswaar teveel burgers in verdwalen. Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen. De nadruk op eigen verantwoordelijkheid van de burger leidt ook tot het aansprakelijk stellen van de burger als die een fout maakt. Er is een bijna maniakale nadruk op rechtmatigheid bij de overheid.

Maar calculerend gedrag op dat terrein is niet altijd wenselijk vanuit het publieke, algemeen belang. Het stimuleren van individueel kostenbewustzijn heeft een neveneffect. De burger wordt gereduceerd tot een consument. Een consument die vooral zijn eigen belang moet behartigen. Deze mentaliteit is inmiddels dieper in onze samenleving geworteld dan goed voor ons is. Steeds agressievere ‘zorgconsumenten’ bij zorgaanbieders en dito ouders bij de scholen van hun kinderen. Zij is ook zichtbaar bij bestuurders van (semi)publieke instellingen die de geleidelijke aanpassing van hun salaris aan de Balkenende-norm aanvechten bij de rechter onder de titel dat zij ‘ook rechten’ hebben.

Het is ook een vergissing, met ingrijpende gevolgen, om aan te nemen dat ons emancipatieproces is voltooid. En dat we nu een maatschappij hebben van economisch zelfredzame, autonome individuen. Het resultaat is wat de WRR een ‘zelfredzaamheidsparadox’ noemt: door van iedereen evenveel verantwoordelijkheid te vragen, verliezen sommige groepen juist de regie over het eigen leven. Dit betreft in ieder geval de financiële analfabeten – volgens het Nibud heeft 40% van de Nederlanders moeite met financiële administratie. Daaronder zitten ook de 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

Het helpt dan ook niet dat we het zo ingewikkeld gemaakt hebben: ‘De impliciete veronderstelling achter veel van de huidige regels lijkt te zijn dat iedereen altijd netjes de post bijhoudt en begrijpt, reageert op aanmaningen, zich voortdurend bijschoolt, op tijd zijn pensioen organiseert, actieve keuzes in de zorg maakt en, mocht er iets mis gaan, de juiste wegen weet te bewandelen om die fouten te herstellen’, schrijft de WRR in Weten is nog geen doen. En daarmee ‘ligt de lat in de participatiesamenleving’ volgens de WRR ‘behoorlijk hoog’.

En voor hen die het wel weten, heeft de WRR erop gewezen dat weten nog geen doen is.[2] Handelingsbekwaamheid vraagt meer dan alleen kennis in tijden van persoonlijke crisis. Denkvermogen is nog geen doenvermogen. Stress, schaamte en gebrek aan toekomstperspectief maken ook hoog opgeleiden met financiële problemen soms vleugellam. Niet-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleiding en tegenslag zijn niet vanzelfsprekend aanwezig bij iedereen met goede cognitieve vermogens.

De WRR wijst erop dat veel overheidsarrangementen geen rekening houden met normale menselijke tekortkomingen. Die komen, zo stelt de WRR, niet alleen voor bij kwetsbare mensen, met een lager IQ of opleiding, maar bij iedereen, ook bij u en bij  mij, en dus ook bij hoger opgeleide mensen. Bij baanverlies, echtscheiding, rouw, ziekte, burn-out en stress verminderd ons doenvermogen – de capaciteit om gedachten, emoties of gedrag te beheersen. Ook ‘wij’ openen de post weleens een poosje niet, leven ongezond, drinken iets teveel of gooien er met de pet naar. Omdat we even niet anders kunnen of willen. Of het ‘niet opbrengen’. Temperament, zelfcontrole en overtuiging spelen een belangrijke rol bij zelfredzaamheid – niet iedereen is er in gelijke mate mee bedeeld, en te trainen valt het maar moeilijk. Niet iedereen heeft ook dezelfde aanleg voor zelfredzaamheid. Mentale vermogens blijken verder ook variabel in een mensenleven.

De afgelopen jaren hebben gedragswetenschappers veel onderzoek gedaan naar hoe dit soort mentale belasting werkt. De conclusies, die in Weten is nog geen doen worden samengevat, zijn zo evident dat je je afvraagt waar het enthousiasme over nieuwe keuzemogelijkheden voor burgers precies vandaan komt. Kort gezegd komt het hier op neer: hoe meer denkwerk verricht moet worden, hoe groter de kans op vermoeidheid en het maken van vergissingen. Daarbij wordt de geest van mensen soms in beslag genomen door grote gebeurtenissen. Ziekte, bijvoorbeeld, of het overlijden van een naaste, verkleinen wat onderzoekers ‘mentale bandbreedte’ noemen. Wie zorgen, onrust of verdriet heeft, heeft minder ruimte om over prozaïsche zaken zoals de inhoud van je berichtenbox op mijnoverheid.nl na te denken. Met name financiële problemen vormen een bedreiging voor het beslisvermogen. Geldgebrek lijdt tot stress, en stress verkleint de mentale bandbreedte verder. Het gevolg daarvan is vaak nog meer financiële problemen, omdat een verkeerde beslissing of nalatigheid geld kan kosten.[3]

Het gaat vooral ook om de optelsom. Voor iedere afzonderlijk keuze is het niet overdreven om te verwachten dat een burger informatie verzamelt, die bestudeert, verschillende opties afweegt en vervolgens tijdig en wijs beslist. Maar het is de hoeveelheid en frequentie waarmee die cyclus doorlopen moet worden die mensen uitput. De hoeveelheid tijd en aandacht die iemand kan besteden aan het maken van beslissingen is nu eenmaal beperkt. Wie zijn tijd vult met, zeg, nadenken over hoeveel eigen risico te verdragen is bij het afsluiten van een zorgverzekering, houdt minder tijd over om een spaarplan op te stellen. De uren die worden besteed aan het schrijven van sollicitatiebrieven, kunnen niet worden besteed aan uitpluizen welke van de 27 inkomensregelingen die Nederland telt nu precies op jouw situatie van toepassing zijn. En naarmate de teleurstellingen zich opstapelen, het perspectief achter de horizon verdwijnt en de vernederingen en wantrouwende bejegening door blijven gaan, verdwijnt ook de energie om nog iets te doen.

Je moet om hulp te krijgen loketten aflopen, formulieren invullen, intakegesprekken voeren. Hier is iets vreemds aan de hand: hoe minder je hebt, hoe meer bureaucratie er over je heen wordt gestort. Terwijl je daar juist steeds minder energie voor hebt. Laat dit even tot u doordringen: in de moderne verzorgingsstaat wordt je probleem een reden om je uit te sluiten van een oplossing. Je hebt een drugsprobleem, daarom zit je in de verslavingszorg, maar daar word je geschorst omdat je drugs blijft gebruiken. Je hebt een gedragsprobleem, daarom zit je bij een jeugdzorginstelling, maar daar moet je weg omdat jij je niet gedraagt. Je hebt schulden en overziet de financiële problemen niet meer, maar je moet eerst je administratie op orde hebben voordat je toegelaten kan worden tot de schuldhulpverlening. We moeten het zelfredzaamheidsdogma radicaal door het toilet spoelen.

En we moeten een eind maken aan de keuzejungle waar teveel burgers in verdwalen. Zo slaagt bijvoorbeeld de helft van bevolking er volgens de WRR niet in om regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. De zelfredzame burger die soepeltjes door bureaucratische hoepels springt en volledig op de hoogte is van alle regels is volgens de WRR eerder uitzondering dan regel. Ondertussen lijkt de samenleving zich steeds meer op de bekwame homo economicus in te stellen. Jezelf bijscholen, opdrachten binnenhengelen en constant je netwerk onderhouden zijn de vereisten van de flexibele arbeidsmarkt. Thuis moeten zorgverzekeringen, energieleveranciers en hypotheekverstrekkers met elkaar vergeleken worden. En wie een schrale oude dag wil voorkomen, moet tijdig nadenken over zijn pensioen. De WRR haalt in dit verband de Duitse socioloog Hartmut Rosa aan, die stelt dat er sprake is van ‘sociale versnelling’, waarbij de toekomst zich steeds meer aan het heden opdringt. Wie nu niet handelt, betaalt daarvoor later de prijs. Het gevolg is ‘keuzestress’ die nog eens wordt versterkt door de wetenschap dat een misstap je duur kan komen te staan. De overheid is daarbij zelf het grootste malafide incassobureau – ze regelt voor zichzelf een preferentie schuldeiserpositie, vraagt enorme incassokosten, hoge invorderingsrentes en boetes, schept voor haarzelf unieke invorderingsmechanismen (zoals loonbeslag zonder rechterlijke procedure) en is onbereikbaar en/of niet aanspreekbaar voor vragen en klachten. Voor zorgverzekeraars werden zelfs hogere boetes en kosten apart wettelijk mogelijk gemaakt.

128.         We stoppen met de individualisering van kosten van publieke dienstverlening. We gaan zorg, onderwijs en kinderopvang volledig collectief via de belastingen financieren. Zonder aparte premies, eigen bijdragen en eigen risico.

Individualisering van de financiering van collectieve publieke dienstverlening ondermijnt de solidariteit en holt een rechtvaardige kostenverdeling uit. Het leidt tot schadelijk calculerend gedrag van burgers. We gaan publieke zorg, onderwijs en kinderopvang net als de veiligheid volledig uit de belastingopbrengsten financieren.

B.    De Zorg

Voorstellen

129.         We stoppen radicaal met marktwerking in de zorg en vervangen concurrentie door samenwerking. De Autoriteit Consument en Zorg (ACM) wordt onbevoegd in de zorg. Zorgaanbieders moeten geen winstgedreven ondernemers zijn en mogen geen winstuitkeringen doen. 

Maak de zorg weer een publieke zaak in plaats van een markt. De ACM heeft hier niets te zoeken. Zorgaanbieders moeten geen ondernemers zijn, maar dienen de publieke zaak. De regels en beloningen moeten daarmee in overeenstemming worden gebracht. Zorgaanbieders mogen geen winstoogmerk hebben en ook geen winstuitkeringen doen – dit geldt ook voor maatschappen aan de eigenaren/zorgaanbieders zelf. De omvorming wordt afgedwongen door dit als subsidievoorwaarde op te nemen.

Marktwerking frustreert samenwerking niet alleen omdat zorgverleners elkaars concurrenten zijn, maar ook omdat in een ‘markt’ samenwerking al gauw beschouwd wordt als kartelvorming – en dat is verboden. Het is meermalen bewezen dat een concentratie van zorgaanbod om complexe behandelingen van ingewikkelde aandoeningen goed uit te voeren onontkoombaar is. Maar daar is ons systeem momenteel helemaal niet op ingericht. Immers: ziekenhuizen moeten concurreren met elkaar en willen daarom allemaal zoveel mogelijk specialismen in huis. Concurrentie kan ook tot gevolg hebben dat maatschappelijk gewenste voorzieningen niet gerealiseerd worden. Bijvoorbeeld: een woningcorporatie wil samen met een aanbieder van thuiszorg een complex ouderenwoningen bouwen. Het is in dat geval logisch dat de thuiszorgorganisatie garanties vraagt dat ouderen die zorg nodig hebben deze ook bij die organisatie zullen afnemen. Ook dat is nu een in principe verboden marktverdelingsafspraak. En er is sprake van waterbedeffecten doordat er verschillende financiers zijn die ieder proberen de last zoveel mogelijk bij de ander te leggen.

Het systeem van marktwerking in de zorg heeft ook perverse effecten naar zorgverleners.

Een vervelende bijwerking van de gereguleerde marktwerking in de zorg is de massale en extra bureaucratie.

In plaats van de nadruk te leggen op contracten en indicaties, moeten we meer kijken naar wat werkt. Hoe help je iemand met een hersenbloeding het best? In de huisartsenzorg, die wordt gezien als goede manier om mensen weg te houden uit de duurdere ziekenhuiszorg, is dat heel normaal. De wijkverpleegkundige kan die functie ook hebben. Maar dan moet hij wel zijn werk kunnen doen. Er moet meer vertrouwen zijn, en dus meer zeggenschap voor de zorgprofessional. Niet vooral producten monitoren en minuten registreren. Maar met verzekeraars als contracterende partijen lijkt dat niet te lukken. Veel mensen associëren bureaucratie met de overheid, maar de marktwerking in de zorg heeft de bureaucratie alleen maar vergroot. Regels lijken belangrijker dan mensen, systemen falen, wachttijden zijn te lang en burgers worden van het kastje naar de muur gestuurd. Alles is ingericht op wantrouwen, naar de burger en naar de uitvoerende professional.

En natuurlijk moet ook bij de overheid de bureaucratie bestreden worden. Het voorbeeld van de NHS in het VK wordt daarvoor terecht bekritiseerd. De oplossing ligt vooral in het vertrouwen van zorgprofessionals en hun zelf meer zeggenschap geven. De bureaucratische verantwoording wordt tot een minimum beperkt. Geen uitgebreide DBC’s en productcodes meer en geen minutenregistraties. Minimale protocollen en richtlijnen. Geen uitsplitsing van bevoegdheden van verplegers in de regelgeving. Aan pogingen om de wettelijke functiedifferentiatie toch weer in te voeren, wordt radicaal een einde gemaakt. Institutioneel wantrouwen naar professionals in de zorg wordt vervangen door vertrouwen en hen een medeverantwoordelijkheid te geven in een efficiënt en doelmatig beheer. Een coöperatieve organisatievorm helpt daarbij om elkaar aan te spreken.

In de thuiszorg gaan we weer terug van taakgerichte zorg naar persoonsgerichte zorg in zelfsturende teams, zonder minutenzorg en afvinklijstjes, maar met meer tijd en aandacht voor een persoonlijke relatie met de cliënt. Resultaatsbekostiging (‘schoon huis’) wordt weer vervangen door indicatie van het benodigde aantal uren.

130.         Iedereen in de publiek gefinancierde zorg komt in loondienst, bij voorkeur in een zorgcoöperatie.

Specialisten komen verplicht in loondienst, bij huisartsen schaffen we de goodwill af. Huisartsen, apothekers, tandartsen, paramedici, ambulancediensten en andere zorgaanbieders die nu als ondernemer werken moeten ook in loondienst komen bij hun eigen onderneming, tegen een soort ‘gebruikelijk loon’, zonder aparte private vermogensopbouw.

Activiteiten die zij verrichten in niet-publieke zorg, bijv. gefinancierd door zorgverzekeraars en/of patiënten zelf, moeten in een financieel gescheiden entiteit plaatsvinden. Dit opbrengst van deze maatregel wordt teruggeploegd in de zorg, door deze mee te nemen bij de hiervoor genoemde extra investering in de zorg.

131.         Zorg moet regionaal georganiseerd worden, dichtbij de mensen.

We zorgen ook voor meer kleinschaligheid in de zorg. Er zijn te grote conglomeraten ontstaan die te machtig zijn. Zorg moet regionaal georganiseerd worden, met een netwerk van kleinere basisziekenhuizen, dichtbij de mensen. In deze basisziekenhuizen wordt in ieder geval noodhulp en verloskundige hulp gegeven.

132.         De vrije keuze van patiënten en cliënten voor een zorgverlener gaan we wettelijk waarborgen. Hun rechtsbescherming gaan we versterken, evenals de privacybescherming.

De vrije keuze van cliënten en patiënten welke zorgverlener men binnen het publiek gefinancierde zorgaanbod kiest, moet wettelijk worden gewaarborgd.

Het voorstel van Rutte III om dat materieel in te perken door maximumtarieven te kunnen opleggen bij aanbieders van niet door zorgverzekeraars gecontracteerde zorg moet van tafel.[4]

Er komt een landelijke regeling voor de rechtsbescherming van cliënten in de zorg, met een goede bezwaar- en beroepsregeling en betere toegang tot de Nationale Ombudsman. De bescherming van privacy wordt strikt gewaarborgd. Het medisch beroepsgeheim moet niet worden aangetast, maar juist verder versterkt worden.

133.         Voor commerciële zorgverzekeraars is er in de publiek gefinancierde zorg geen rol meer. Wel krijgen zij het aanbod om zich om op regionale basis om te vormen tot een publiek gefinancierd en publiek aangestuurd zorgkantoor.

De bekostiging loopt via regionale zorgkantoren, die ook zorgen voor de financiële planning. Zorgverzekeraars kunnen zich desgewenst geheel of gedeeltelijk omvormen tot zo’n regionaal zorgkantoor. De transitie vindt op gelijke wijze plaats als bij de opheffing van de PBO’s. Er is dus nadrukkelijk geen nationalisatie en dus ook geen schadeloosstelling aan de orde.

134.         De publiek gefinancierde zorg gaan we niet meer inkopen of aanbesteden, maar vormgeven in een subsidierelatie. Die subsidierelaties worden gebaseerd op basis van door een per zorgregio periodiek vastgestelde regionale zorgvisie. Die vaststelling wordt gedaan door de gezamenlijke gemeenten in die zorgregio met behulp van een gemeenschappelijke regeling. De regionale zorgvisie behoeft ministeriële goedkeuring – onthouding daarvan kan alleen op basis van strijdigheid met de wet of strijdigheid met een periodiek door het parlement vastgesteld landelijk zorgkader. Alle publiek gefinancierde zorg gaat zo gefinancierd worden met één samenhangende regeling en één loket (het publieke regionale zorgkantoor).

Zorgmoet gefinancierd gaan worden met één subsidieregeling en één loket, zonder inkoop- en aanbestedingsprocedures. Voor verzekeraars (behalve voor niet publiek vergoede zorg) en gemeenten (behalve voor verbindingen met armoede- en schuldenbeleid en met het woonbeleid) is geen rol meer.

Zorg wordt niet meer ingekocht en/of aanbesteed, maar vormgegeven in een subsidierelatie op basis van een periodiek door een door de gemeenten[5] vastgestelde regionale zorgvisie, binnen een door het parlement goedgekeurd, periodiek vastgesteld landelijk zorgkader, waarin beschreven staat welk zorgaanbod gefinancierd wordt, rechtstreeks uit de algemene rijksmiddelen bekostigd.

De zorgvisie beschrijft een effectief en efficiënt, samenhangend en samenwerkend, kwalitatief goed aanbod van zorg, met lokale basiszorgcentra en woonzorgcentra, goede thuiszorg en verpleegzorgcentra, regionale 2e lijnzorg en nationale dure, zeer gespecialiseerde zorg (incl. ggz en jeugdzorg). Overlap en waterbedeffecten worden zo voorkomen. In plaats van concurrentie moeten zorgaanbieders samenwerken.

Er komt zo een regionaal afgestemd aanbod van samenwerkende zorgaanbieders: met dure specialisatie in hoogwaardige centra en een breed aanbod van basiszorg (incl. GGZ); waarin cure en care elkaar effectief en efficiënt aanvullen; waarin ingezet wordt door tijdige interventie dure specialistische hulp te voorkomen; en waarin het langer thuis met zorg kunnen wonen (als recht, niet als plicht!) ook adequaat gefaciliteerd wordt.

Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) en soms ook nog eens met één of meerdere gemeenten te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget. Bij de opstelling van de regiovisie zorg worden echt onafhankelijke patiënten- en cliëntenorganisaties betrokken, evenals relevante gemeenten en zorgaanbieders.

Bij de vaststelling van het Nationale Zorgkader moet ook de beschikbaarheid van voldoende goede hulp geregeld zijn in geval van rampen. Gebleken is nu dat bij een pandemie we in ons land onvoldoende voorbereid waren, ondanks herhaaldelijke duidelijke waarschuwingen.

135.         We gaan de zorg volledig financieren door een eerlijke, rechtvaardige belastingheffing. Zorgpremies (zowel de nominale als de inkomensafhankelijke), eigen bijdragen en eigen risico verdwijnen. Dan kan ook de zorgtoeslag geschrapt worden.

Onze PvdA moet in haar verkiezingsprogramma duidelijk maken dat stijgende individuele zorgkosten een politieke, ideologische keuze is. En dat wij staan voor een links, solidair alternatief, met solidariteit tussen arm en rijk en tussen ziek en gezond. Dat de zorgkosten collectief prima financierbaar zijn – ook als je fors daarin extra investeert, als je bereidt bent het geld daarvoor te halen waar het zit, en tegelijkertijd de zorg veel efficiënter en effectiever organiseert.

Door de zorg niet meer via premies maar uit de algemene belastingen te financieren, worden inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdragen overbodig: de zorg wordt dan immers al betaald naar inkomen en vermogen. Het heffen van inkomensafhankelijke eigen bijdragen lijkt eerlijk, maar heeft als nadeel dat hoge inkomens gaan winkelen buiten het publieke bestel, waardoor het draagvlak voor de publieke zorg vermindert. Ook zijn er vermogenden die hun geld voortijdig wegsluizen naar hun kinderen, om daarmee de eigen bijdragen van bijvoorbeeld verpleeghuizen te ontlopen. ABN Amro heeft er zelfs een aparte pagina voor op haar website: ‘Kan ik door een schenking voorkomen dat ik een hogere WLZ-bijdrage moet betalen?’ De eigen bijdragen vergen bovendien een enorme bureaucratische rompslomp. Het is allemaal te vermijden door de zorg via de algemene belastingen te bekostigen.

Omdat nog een belangrijk deel van de zorgpremie inkomensafhankelijk via de werkgever loopt, dragen mensen die niet in loondienst zijn, zoals renteniers, niet via die route mee. Het huidige systeem maakt arbeid duurder en vergroot de ongelijkheid tussen rijk en arm.

We moeten radicaal stoppen met de individualisering van de kosten voor publieke zorgverlening – die blijft gereserveerd voor zorg die we niet publiek vergoeden omdat ze niet nodig en/of nuttig is. Dus we schrappen eigen risico, eigen bijdragen en aparte zorgpremies hier volledig. Het CAK kan daarmee worden opgeheven.

136.         Welke zorg nuttig en/of nodig is, blijft een zaak van politieke besluitvorming, op basis van deskundig advies. Linkse politiek bepleit daarbij een zo breed mogelijk pakket van voldoende bewezen werkende zorg. Mond/tandartszorg en paramedische behandelingen horen daarbij, evenals preventieve behandelingen en anticonceptie.

137.         Er komt een andere bekostigingssystematiek in de zorg. De huidige budgetplafonds vervallen. We gaan niet meer bekostigen op basis van het aantal verrichtingen, maar gaan werken met het zgn. cappuccinomodel: de bekostiging wordt vooral gebaseerd op basis van de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast wordt er een kleine opslag verstrekt per ingreep of consult (de melk) en ook nog een opslag bij uitzonderlijk goede prestaties of innovaties (het schuim). Zorgkantoren krijgen de bevoegdheid – met instemming van de gemeenten in de zorgregio – subsidievoorwaarden te stellen die efficiëntie, doelmatigheid en kwaliteit bevorderen. Ook de minister van zorg – met instemming van het parlement – kan daartoe in het nationale zorgkader verplichtende voorwaarden opnemen. Tot die voorwaarden behoren in ieder geval:

-ingrepen moeten voldoende bewezen medisch nut hebben;

-een efficiënte verdeling van dure voorzieningen voor complexe medische zorg, waarbij onder meer gedeconcentreerde zorg voor chronisch zieken door huisartsen met participatie van specialisten wordt aangeboden;

-dure medische technologie alleen wordt toegepast als die bewezen meerwaarde voor kwaliteit van leven en/of de levensverwachting van de patiënt oplevert ten opzichte van chirurgisch handwerk;

-toepassing van bewezen ICT-technologie op het direct met elkaar kunnen communiceren in de hele zorg, de beveiliging en de bescherming van de privacy.

Zorgaanbieders hebben nu een belang bij meer zorgvolume. Het grote manco van het huidige Nederlandse bekostigingssysteem in de zorg is dat zorgverleners betaald worden voor volume en niet voor goede zorg. En mensen gaan zich gedragen naar het financieringssysteem. Er kan in ziekenhuizen zeker twintig procent worden bespaard als artsen anders worden betaald én elkaar veel meer aanspreken op hun manier van werken. In de cure heeft zo’n dertig procent van de zorg niet of nauwelijks te maken met het medische nut ervan maar komt slechts voort uit het aanbod. De financiering van zorgverleners moet minder gebaseerd zijn op volume en meer op kwaliteit, met een hoge basisvergoeding. We voeren het zgn. cappuccinomodel in: het inkomen van zorgverleners wordt daarbij vooral te baseren op de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast krijgen ze een klein bedrag per ingreep of per consult (de melk) en ook nog een klein bedrag bij uitzonderlijk goede prestaties of bij innovaties (het schuim). Dat is de manier waarop nu bijvoorbeeld huisartsen al betaald worden.

Er zijn geen budgetplafonds meer, maar de overheid kan via de zorgkantoren wel voorwaarden stellen aan de uitgaven ter bevordering van efficiëntie en doelmatigheid en van kwaliteit.

Er moet veel meer gebruik gemaakt worden van het vergunningenstelsel volgens de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) om tot een intelligente planning van dure voorzieningen voor complexe medische zorg binnen regio’s te komen. De regelgeving moet aangepast worden om innovatieve initiatieven voor gedeconcentreerde zorg voor chronische aandoeningen door huisartsen met participatie van specialisten mogelijk te maken. Voor een adequate aanpak van chronische aandoeningen hebben we een gedeconcentreerde zorgvoorziening nodig die dicht bij de mensen staat en laagdrempelig toegankelijk is. Dat kan door bijvoorbeeld in gemeentes en buurten van steden centra te hebben waar onder regie van de huisarts maar met specialistische inbreng eerstelijnszorg en consultatieve tweedelijnszorg voor chronische ziekten wordt geleverd. Een aantal specialisten kunnen dan bijvoorbeeld op invitatie van de huisarts een dagdeel in de week tegelijkertijd aanwezig zijn om ingewikkelde patiënten multidisciplinair te zien. Ook samenwerking tussen huisartsen onderling en met apotheken en artsen in een ziekenhuis en wijkverpleegkundigen.

Een andere belangrijke oorzaak van de stijgende zorgkosten is dure nieuwe medische technologie. Van een groot deel van die technologieën is nooit bewezen dat ze beter werken dan de oude, goedkopere. Zo heeft ieder zichzelf respecterend ziekenhuis inmiddels voor operaties een Da Vinci-robot, zonder dat ooit vast is komen te staan dat de resultaten daarvan beter zijn dan het chirurgische handwerk. Het zou een belangrijke rem op de zorgkosten kunnen zijn als nieuwe, duurdere technieken pas worden vergoed als ze aantoonbaar voordeel hebben voor de kwaliteit van leven of de levensverwachting van de patiënt. Het publiek financieren kan daar een betere waarborg voor leveren.

Een groot probleem is nu ook de ICT-versnippering, waardoor artsen, apothekers en verpleegkundigen te vaak niet van elkaar weten wat ze doen. Hiertoe worden in de subsidievoorwaarden regels gesteld die voldoen aan de hoogste privacy-eisen, en er wordt onder strakke aansturing en voorwaarden innovatiegeld ter beschikking gesteld.

138.         We beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie.

We beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie. We volgen de voorstellen uit de initiatiefnota van GL, PvdA en SP hierover van eind 2017.[6]

Concreet wordt daarin het volgende voorgesteld:

1)     Ontkoppel onderzoek en ontwikkeling van medicijnen van het in de handel brengen daarvan. Dat doen we met de volgende maatregelen:

– de instelling van een onafhankelijk (niet aan de farmaceutische industrie gelieerd) Nationaal Fonds Geneesmiddelenonderzoek. In overleg met patiëntenorganisaties kan daarmee door overheid en wetenschap prioriteiten bepalen voor geneesmiddelenonderzoek;

-Bij het overdragen van licenties moeten door de overheid voorwaarden worden gesteld aan de fabrikant die de toegankelijkheid – ook in prijs – garanderen;

-Versterking van innovatieve modellen voor ontwikkeling van medicijnen, met een eerlijke prijs en rendement, zoals Fair Medicine;

-De overheid moet daarnaast investeren in ontwikkelingstrajecten van medicijnen voor specifieke groepen patiënten, met afspraken over prijzen en over de beschikbaarheid van verkregen data;

-De Autoriteit Consument en Markt moet meer bevoegdheden krijgen om misbruik van macht door de farmaceutische industrie aan te pakken, bijv. bij excessief hoge prijzen en rendementen. En die mogelijkheden ook beter gebruiken;

-Agressieve en excessieve marketingtactieken van de farmaceutische industrie moet aan banden worden gelegd. Belangenverstrengeling tussen artsen, zorginstellingen, patiëntenorganisaties en fabrikanten wordt streng verboden en gehandhaafd. Niet met zelfregulering, zoals nu, maar door de overheid. Er moet geïnvesteerd worden in onafhankelijke patiëntenvoorlichting. Er komt een verbod op commerciële sponsering van patiëntenorganisaties – in plaats van deze sponsoring organiseert de overheid adequate subsidiëring. Artsen mogen alleen andere dan generieke medicijnen voorschrijven, indien zij dat – in verantwoording naar het zorgkantoor – medisch kunnen verantwoorden;

-In plaats van het huidige transparantieregister over betalingen tussen de farmaceutische industrie, artsen en apothekers, dat nu door henzelf beheerd wordt, komt er een publiek beheerd register, dat voor iedere zorgverlener en iedere geneesmiddelenfabrikant verplicht wordt, goed gecontroleerd wordt en waarbij sancties volgen aan het onjuist invullen ervan;

-We gaan de octrooiwetgeving aanpassen – deze beschermen nu teveel de winsten van fabrikanten op al ontwikkelde medicijnen, in plaats van dat ze de ontwikkeling van nieuwe medicijnen stimuleren. Patenten moeten voor een veel korte periode dan de huidige 20 jaar gelden, niet verlengd moeten worden bij slechts marginale wijzigingen, en aan strengere voorwaarden moeten voldoen. Hier zetten we ons internationaal voor in;

-Op korte termijn kunnen en moeten we wel dwanglicenties inzetten. Door een dwanglicentie kan de overheid (of iemand die door overheid is aangewezen) gebruik maken van een octrooi voordat dit is afgelopen, zonder toestemming van de octrooihouder. Daarmee wordt het monopolie doorbroken en kunnen generieke middelen eerder toegang krijgen. Dit generieke middel dat via een dwanglicentie verkregen wordt, kan afkomstig zijn uit een ander land of in Nederland geproduceerd worden. En de octrooihouder ontvangt een redelijke vergoeding, volgens internationale richtlijnen. Dwanglicenties toepassen kan ook de prijsonderhandeling onder druk zetten omdat de positie van de overheid wordt versterkt;

2)      Fabrikanten besteden het overgrote deel van hun onderzoeksbudget aan de doorontwikkeling van bestaande geneesmiddelen. Er wordt ingezet op de grootst mogelijk winst, in plaats van therapeutische meerwaarde. Verschillende toelatingsmaatregelen kunnen ervoor zorgen dat we dat weer omdraaien:

         -Er moeten meer voorwaarden gesteld worden aan medicijnen die worden toegelaten tot de markt. Data moeten beter worden geregistreerd en er moet gekeken worden naar de meerwaarde die een nieuw middel heeft ten opzichte van bestaande geneesmiddelen. Wanneer een fabrikant een nieuw middel op de markt brengt wordt dat middel toegelaten op basis van onderzoeksgegevens die de fabrikant zelf aanlevert. Toelating zou verbonden moeten zijn aan striktere voorwaarden voor registratie van data, zowel in de trial fases als daarna. Ook het effect van nieuwe geneesmiddelen moet veel strakker geregistreerd worden. Fabrikanten moeten verplicht worden onderzoek te doen naar biomarkers. Er is op dit moment geen vergoeding voor onderzoek naar diagnostische testen en analyse van patiënten materiaal. De ontwikkeling van voorspellende testen moet gestimuleerd worden. Vergoeding van deze testen is via reguliere bekostiging op dit moment lastig. Er moet een experimenteerartikel komen voor gepersonaliseerde medicijnen;

         -Door eigen bereidingen van apothekers wettelijk goed te regelen, ontstaat er een alternatief voor te dure geneesmiddelen;

         -Prijsonderhandelingen en de voorwaarden van vergoeding door de overheid van medicijnen moeten altijd – anders dan nu – openbaar zijn;

3)      De extreem hoge prijs van sommige geneesmiddelen zet de beschikbaarheid van geneesmiddelen onder druk. De prijzen moeten gewoon omlaag. Door wetten te veranderen en beter samen te werken kan dat ook. Er zijn verschillende mogelijkheden om dat voor elkaar krijgen:

         -De huidige manier waarop maximumprijzen voor geneesmiddelen worden vastgesteld is niet representatief. Door in Nederland het ‘Noorse model’ te hanteren, waarbij de maximumprijs gebaseerd wordt op het gemiddelde van de drie laagste prijzen van de tien landen waar mee vergeleken wordt, zal de maximumprijs lager uitvallen. Hierdoor kunnen de maximumprijzen van geneesmiddelen met honderden miljoenen naar beneden;

         -De vergoedingslimieten van het Geneesmiddelen Vergoedings Systeem (GVS) zijn sinds 1998 niet meer opnieuw berekend. Omdat er nu veel meer generieke middelen met een aanzienlijk lagere prijs dan het origineel, beschikbaar zijn, kan een nieuwe berekening tot een flinke besparing leiden;

         -Als geneesmiddelen voor nieuwe, maar niet geregistreerde indicaties worden gebruikt zou een lagere prijs moeten gelden en of een beperking van de duur van het octrooi;

         -Door prijsonderhandelingen met een geheime uitkomst, die de minister voert met de industrie, is niet transparant hoeveel wordt betaald voor een geneesmiddel. Er kan tot lagere prijzen gekomen worden door andere aanbieders toe te laten en door meer informatie met elkaar te delen;

         -Samen sta je sterker. Dus als ziekenhuizen en landen meer mogelijkheden hebben om samen te werken, kunnen zij een beter blok vormen tegen de farmaceuten. Gezamenlijke inkoop, een grotere inkoopmacht, zorgt voor eerlijkere prijzen;

         -We hevelen dure geneesmiddelen over naar het ziekenhuisbudget. In het ziekenhuis is sprake van meer mogelijkheden voor monitoring van effecten van deze middelen en een doelmatigere inkoop omdat ziekenhuizen lagere prijzen kunnen bedingen. Door de hoofdlijnakkoorden is deze prikkel zelfs nog vergroot. Daarnaast is een belangrijk voordeel van de overheveling van specialistische middelen dat de voorschrijvend specialist niet uitgelokt wordt om zijn voorschrijfbeleid te laten bepalen door een keuze voor middelen die niet onder het ziekenhuisbudget vallen, in plaats van het meest optimale middel te kiezen;

         -Ziekenhuizen moeten vergoeding van medicijnen ontvangen op basis van netto inkoopprijs en niet op basis van lijstprijs. Op dit moment kunnen ziekenhuizen winst maken op inkoop van dure geneesmiddelen. Sinds 2012 is er een wijziging van de beleidsregel dure geneesmiddelen, opgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Vanaf dat moment worden geneesmiddelen niet meer vergoed op basis van de netto inkoopprijs, maar op basis van de lijstprijs. Korting blijft dus onzichtbaar. Daarnaast vormt deze mogelijkheid een prikkel voor ziekenhuizen om dure middelen te kiezen, waarop immers winst gemaakt kan worden. Als zorgverzekeraars op basis van nacalculatie toch gaan vergoeden betekent dat een overschrijding van het budget of verdringing van andere zorg binnen het ziekenhuis. Zorgverzekeraars hebben niets gedaan aan doelmatigheid, zij hadden kunnen weten dat een aantal behandelingen onnodig zijn maar hebben gewoon betaald. Zelfs als een richtlijn van de beroepsgroep een bepaalde behandeling onzin vindt, wordt deze toch uitgevoerd én vergoed. De NZa ziet niet toe op doelmatige inkoop door zorgverzekeraar. Er zouden regionale (onafhankelijke) beoordelingscommissies moeten komen die bindend advies geven;

4)      Gebruik beperken:

         – We gaan artsen beter voorlichten. Artsen doen hun best, maar schrijven soms toch een duurder medicijn voor, terwijl er goedkopere varianten beschikbaar zijn met dezelfde werking.. Betere voorlichting, leidt tot beter voorschrijven.

         – Het voorschrijven van een medicijn is maatwerk. Soms kunnen doses naar beneden, of kan een patiënt zelfs helemaal stoppen met het nemen van een medicijn, terwijl de fabrikant de arts dwingt om toch hogere doses voor te blijven schrijven. Onafhankelijk onderzoek naar de effectiviteit en veiligheid van kortdurender gebruik van geneesmiddelen is nodig.

139.         We versterken de poortwachtersfunctie van huisartsen en wijkverpleegkundigen voor toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg, die daartoe meer capaciteit krijgen. Het CIZ wordt opgeheven. Diagnostisch onderzoek wordt bekostigd. Spoedeisende zorg wordt alleen bekostigd als het ook spoedeisend is. Indicaties vinden alleen plaats na tenminste een persoonlijk gesprek door de huisarts/wijkverpleegkundige zelf. Indicaties moeten passend zijn wat betreft de duur van te verlenen zorg.

De toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg krijgt een brede, maar strakkere poortwachter bij huisartsen en wijkverpleegkundigen, die daartoe meer capaciteit krijgen. Deze investering verdiend zich vanzelf terug. Indicaties vinden alleen plaats op basis van tenminste een persoonlijk gesprek met de patiënt door de huisarts of de wijkverpleegkundige. De huisarts krijgt daartoe lagere patiënten-normen in de bekostiging en meer ondersteuning. Het CIZ wordt opgeheven en vervangen door indicaties van huisarts en/of wijkverpleegkundige, waardoor diagnoses niet meer plaatsvinden zonder persoonlijk gesprek met de cliënt door.[7] Diagnostisch onderzoek wordt gesubsidieerd. Spoedeisende hulp is alleen beschikbaar als het ook spoedeisend is. Ook moet de indicatie passend zijn, dus niet zoals nu vaak gebeurt, aan chronisch zieken en ouderen zeer kortlopende Wmo-indicaties afgeven – dat is onnodig bureaucratisch en belastend.

140.         Huisartsen krijgen een rol in het signaleren van zorgaanbieders die hun werk niet goed doen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg krijgt ook taak de effectiviteit van de zorgverlening te beoordelen. Deze kwaliteitsoordelen worden openbaar gemaakt.

Huisartsen krijgen een rol in het signaleren van zorgaanbieders die hun werk niet goed doen. De minister heeft gelijk dat patiënten vaak zelf niet goed de kwaliteit van de zorgaanbieder kunnen beoordelen. De huisarts kent niet alleen de patiënt, maar ook de specialisten in de regio. De huisarts krijgt bovendien teruggekoppeld welke behandelingen zijn uitgevoerd en hoort van de patiënt hoe deze de behandeling heeft ervaren.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg krijgt tot taak ook de effectiviteit van de zorgverlening te beoordelen. Deze kwaliteitsoordelen worden publiek gemaakt.

Een apart punt vormen de hersteloperaties. In sommige ziekenhuizen bedraagt het aantal hersteloperaties 0,2% bedraagt, terwijl het in andere instellingen op 2,0% ligt. Verzekeraars willen zorginstellingen financieel prikkelen tot minder fouten. Maar deels kunnen hersteloperaties veroorzaakt worden door de complexiteit van de aandoening. Voor zover er sprake is van verwijtbaar gedrag kan de IGZ ook hier een rol spelen. Die kan immers zien welke ziekenhuizen een opmerkelijk hoog percentage hersteloperaties hebben en hen daar ook op aanspreken.

141.         We investeren veel meer in preventie van gezondheidsproblemen:

a)     We differentiëren de btw en accijnzen naar gezondheidsgevolgen;

b)     We verbieden ongezonde producten op scholen, sport- en zorginstellingen en roken wordt nog verder beperkt;

c)      We vergoeden bewezen effectieve therapieën tegen verslavingen en voor gezonde leefstijl;

d)     We stimuleren gezond bewegen;

e)     We nemen wettelijke maatregelen voor veel lagere percentages vet, suiker en zout in ons voedsel;

f)      We gaan de vaccinatiegraad verhogen door vaccinatie als voorwaarde op te nemen voor toegang tot kinderopvang en scholen;

g)     We investeren meer in onderzoek naar preventie en genezing van ernstige ziekten.

We investeren veel meer in preventie. Dat verlaagt op termijn de zorgkosten. We verhogen btw en accijnzen voor ongezonde producten en verlagen die op gezonde producten, verbieden ongezonde producten op scholen (incl. de schoolterreinen), sportvelden en -clubs (inclusief kantines) en zorginstellingen. Roken wordt ook op terrassen en in de openbare ruimte verboden, en aparte rookkamers worden verboden; Bewezen effectieve programma’s tegen verslavingen en voor een gezonde leefstijl worden ondergebracht in de publiek bekostigde zorg. We stimuleren sporten, met meer sport, spel en beweging op school, en geven iedere jongere een gratis lidmaatschap van een sportclub. We nemen wettelijke maatregelen voor een veel lager percentage van vet, suiker en zout in producten, in plaats van het veel te slappe akkoord dat daarover nu is afgesproken. Kinderen die niet gevaccineerd zijn volgens het rijksvaccinatieprogramma worden niet toegelaten tot scholen en de kinderopvang. We investeren meer in onderzoek naar preventie en genezing van ernstige ziekten met een apart preventiefonds.

142.         Er komt een landelijk expertisecentrum voor de zorg.

Innovatie wordt bevorderd met een landelijk expertisecentrum, dat goede praktijken breder beschikbaar maakt en geld beschikbaar stelt voor innovatieve experimenten en onderzoek. Er is o.m. meer aandacht en geld nodig voor bestrijding van depressies, voor onderzoek naar en begeleiding van dementerenden en voor bestrijding eenzaamheid.

143.         We maken een eind aan de financiering en indicatie van zorg via gemeenten (WMO en Jeugdzorg). Zorgprofessionals aan niet commerciële zorgaanbieders moeten zelf de zorgindicatie verzorgen. De financiering moet landelijk geschieden, en het zorgaanbod moet worden gereguleerd in een provinciale of regionale zorgvisies, die politiek wordt besloten. Er komt snel een noodplan voor het oplossen van de tekorten in de jeugdzorg, de zorg voor mensen met een beperking, de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) als de ouderenzorg.

De decentralisatie van zorg naar de gemeenten is tot dusver in de praktijk vooral een administratieve herordening gebleken in plaats van een inhoudelijke verbetering. Mensen worden van het ene loket naar het andere doorgestuurd, het beleid is versnipperd en veel overheids- en zorginstanties willen de werkelijkheid aan de onderkant van de samenleving niet kennen. Nu worden teveel mensen van ene loket naar het andere gestuurd. Het zorglandschap is nu ook teveel gespreid over verschillende partijen met ieder eigen (budget)regels: zorgverzekeraars, zorgkantoren, het CAK, de gemeenten. Naast veel kostbare (in tijd en geld) bureaucratie (ook bij de zorgaanbieders, die vaak met meerdere partijen te maken hebben) zorgt dit ook voor strategisch gedrag tussen bijv. gemeenten en zorgverzekeraars over wie de rekening moet betalen.

De verschillen tussen gemeenten zijn groot en hebben niets met het beloofde maatwerk te maken: maatwerk betekende altijd minder zorg. Zorg kwam ook niet dichterbij, het verdween. Cliënten en patiënten zijn massaal ontevreden.[8] Gemeenten hebben alleen maar financieel gestuurd en ontberen iedere deskundigheid om op kwaliteit te kunnen sturen. Inmiddels keert de wal het schip en klagen gemeenten over miljoenentekorten. En ze kunnen de uitgaven ook niet beheersen, ze hebben nauwelijks zicht op de besteding van hun zorggeld[9].

Veel gemeenten bedingen schandalig lage tarieven in de aanbesteding van thuiszorg, waarbij marktpartijen door taakopsplitsing en minutenzorg proberen de kosten nog verder te verlagen. Daarbij wordt de cao in de thuiszorg ontdoken, en wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van flexwerk, soms ook met zzp-ers. Dan wordt er ook geen pensioen opgebouwd en zijn de zorgwerkers niet of slecht verzekerd. Vele gemeenten besteden de zorg vooral aan op basis van prijs, niet op kwaliteit. Er is geen plicht om aan te besteden, noch bij de Wmo, noch bij de Jeugdzorg, en toch doen bijna alle gemeenten dat. Linkse politiek maakt daaraan een eind. Aanbestedingen zijn niet Europees verplicht, wat voor onzin daarover ook vaak over geschreven wordt. En aanbestedingen zijn een vorm van marktwerking, waarbij kwaliteit het als norm vaak verliest van zo laag mogelijke prijs. We maken daar radicaal een eind aan en zetten in op duurzame subsidievoorwaarden, net als in het onderwijs.

Indicatieverlening gaat weer plaatsvinden door daartoe gekwalificeerde zorgprofessionals, en niet bij ambtenaren van gemeenten of bij wijkteams. Hoe wijdverbreid de constructie inmiddels ook is, ruim twee jaar na de introductie zijn de wijkteams nog altijd mikpunt van kritiek. Ze werken te bureaucratisch, zijn lastig vindbaar voor de zorgvrager, hebben onvoldoende oor voor de wensen van de burger, ze weten zich geen raad met specifieke kwetsbare groepen, ze wisselen onderling onvoldoende kennis uit en ze maken een potje van de privacy van burgers. Van duizenddingendoekje naar windvanger, dat lijkt de huidige status van het wijkteam. Wat opvalt, is dat de kritiek bepaald bekend in de oren klinkt. Schotjesgeest, bureaucratie, slechte communicatie en gebrek aan klantgerichtheid, was dat niet precies wat er schortte aan de zorg en ondersteuning toen deze nog uit de collectieve gaarkeukens van de AWBZ werden opgediend? Hebben we met de decentralisatie de problemen van weleer niet simpelweg naar een microniveau verplaatst? Daarom moeten we ook voor de jeugdzorg en Wmo de indicatieverlening naar de zorgprofessionals zelf verleggen. Sociale wijkteams kunnen daarbij wel als laagdrempelige voorziening helpen als eerste loket, en als verbinding met bijv. schuldhulpverlening en woonvoorzieningen.

Het is terecht dat de minister nu de gespecialiseerde jeugdzorg weer wil weghalen bij de gemeenten. Maar dat zou voor de gehele jeugdzorg en de Wmo moeten gebeuren. [10] De gemeenten hebben geen aantoonbare waarde aan de zorgverlening kunnen toevoegen, integendeel.

De zorg in kader van Wmo en Jeugdzorg worden weer afdwingbare rechten, geen voorzieningen, afhankelijk van indicatie door de zorgprofessional.

In de Jeugdzorg heerst een ernstige crisis, waarvan kwetsbare jongeren het slachtoffer zijn. We zorgen naast het met hoogste prioriteit meer dan volledig ongedaan maken van de bezuinigingen voor een structurele oplossing van de 18-plus overgangsproblematiek, door het mogelijk te maken deze zorg ook na meerderjarigheid te verlengen.

Een apart probleem hier is dat het meestal niet mogelijk is om een indicatie met de grondslag verstandelijke beperking te krijgen indien deze beperking niet voor het 18e jaar is vastgesteld. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet is gebeurd. Zo is een deel van deze cliënten opgegroeid en opgevangen door ouders of binnen het eigen netwerk. Op het moment dat ouders en het netwerk dat niet meer aan kunnen, wordt een indicatie aangevraagd.

Migranten behoren tot een andere groep cliënten, waarbij vaak niet voor het 18e levensjaar een verstandelijke beperking is vastgesteld of daarover geen gegevens beschikbaar zijn. Ook zorgen we voor nieuwe intensieve jeugdzorg voor jongeren met multiproblemen en ernstige stoornissen, die nu niet adequaat behandeld worden. Jeugdzorginstellingen moeten veilige plekken zijn, waarbij isolatie en opsluiting zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Er is ook een tekort aan pleegzorgouders. Al deze tekorten vragen om een urgent samenhangend actieplan voor verbetering van de Jeugdzorg.

De wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) moeten binnen een jaar weggewerkt worden. Het verkorten van de wachttijd voor mensen met autisme, persoonlijkheidsstoornissen, eetstoornissen, trauma’s en licht verstandelijke beperkingen krijgt prioriteit. Teneinde de stijging in de doorgeleiding naar gespecialiseerde GGZ tot staan te brengen is moeten we in de geestelijke gezondheidszorg alles richten op de zogeheten ‘vroegsignalering’ en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn. We moeten inzetten op een nationaal actieplan gericht op het voorkomen en niet onnodig medicaliseren van geestelijke gezondheidsproblemen.

Volledig en modulaire zorgpakketten moeten thuis beschikbaar komen. Nu wordt dat door de zorgverzekeraars in de WLZ bijna niet beschikbaar gesteld. De procedure om voor zgn. meerzorg (voor situaties waarin reguliere budget niet volstaat) in aanmerking te komen wordt versimpeld.

144.         We vertragen en verminderen de extramuralisering van zorg. Niet iedereen wil en kan langer zelfstandig thuis wonen. En waar dat wel kan, moet er ook geld en ruimte zijn voor aanpassingen van woningen, nieuwe woonvormen, dagbesteding, etc. We investeren ook in de kwaliteit en de toegankelijkheid van het doelgroepenvervoer.

Bij de woningopdracht komt er apart aandacht voor de effecten van de te snel en te extreem en te rigide doorgevoerde extramuralisering van de zorg (langer thuis wonen). Dat geldt zowel voor de afbouw van verpleeghuizen als van psychiatrische ziekenhuizen. Om het buiten-de-murenbeleid een succes te maken, moet er ook beleid en geld zijn voor buiten de muren. Dat moet dan ook eerst gereed zijn: naast de medische zorg ook maatschappelijke dagbesteding, activiteitenbegeleiding, betaalbare aangepaste woonruimte, iemand die op ze let en voorkomt dat ze wegkwijnen in eenzaamheid en/of verward over straat lopen, etc.

Moderne nieuwe woonvormen voor ouderen die hieraan voldoen, zoals de door de SP bedachte zorgbuurthuizen, gaan we krachtig bevorderen. Daarmee zouden ook de moeilijkheden in de keten van zorg voor ouderen als sneeuw voor de zon verdwijnen, de capaciteit van de spoedeisende hulp zich wonderbaarlijk vermenigvuldigen en de sterfte onder bejaarden als gevolg van vallen drastisch afnemen.

We investeren ook extra in betaalbare, levensloopbestendige woningen. Dat wordt een wettelijke opdracht aan gemeenten en woningcorporaties, in samenwerking met zorgaanbieders. Hiertoe worden onder landelijke regie regionale plannen gemaakt, en gemeenten moeten in hun woonvisie daar aanvullende richtlijnen over opstellen. Ook voor 18+-jongeren met een LVB of autisme krijgt de gemeente en de woningbouwcorporatie een bouwplicht. Gemeenten zijn nu niet altijd bereid tot het betalen van een woningaanpassing voor een cliënt met een beperking.

De cliënt wordt dan alternatieve woonruimte met hogere woonlasten aangeboden. Hierdoor komt de cliënt in financiële problemen. Een woningaanpassing wordt daarom weer een recht in plaats van een voorziening, met objectieve criteria en ruimte voor maatwerk ten gunste van de cliënt. De financiering hiervan blijft bij gemeenten, zodat ze geprikkeld worden om voldoende levensloopbestendige woningen te laten (ver)bouwen, als eis in hun woonvisie.

Ook het zorgvervoer heeft een hoger budget nodig. Waar mogelijk worden trainingen verzorgd om mensen zoveel mogelijk zelfstandig te laten reizen.

145.         Eigen kracht en zelfredzaamheid moet een recht, geen plicht zijn. Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen dan een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. We versimpelen de procedures rondom het PGB.

Categoraal wordt nu de zorg aan jonge kinderen (<8 jaar) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geweigerd omdat ‘ouders daartoe een reguliere zorgtaak hebben.’ Dat is dus verplichte eigen kracht. Indicaties aan ernstig meervoudig gehandicapte kinderen worden nu bovendien te vaak opgescheept met kortlopende indicaties, hetgeen zeer belastend is voor de verzorgers en ouders. Hieraan moet direct een eind aan worden gemaakt.

146.         De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof.

Het Zekerheidsinkomen (zie hoofdstuk I) en de collectieve arbeidstijdverkorting naar een 32-urige werkweek (hoofdstuk II) geven al veel meer ruimte. We komen daarnaast met een wettelijke regeling voor door de overheid betaald zorgverlof en respijtzorg.

Toelichting

1.      De kosten in de zorg moeten vooral anders verdeeld worden: schrap eigen risico, eigen bijdragen en huidige zorgpremies en vervang deze door financiering uit belastingen

Het zorgstelsel wordt ook in de media voornamelijk beoordeeld op het rechtse criterium van beheersing van de collectieve kosten. Deze focus is rechts, aangezien nooit meegewogen wordt in hoeverre collectieve kostenbeheersing tot individuele kostenstijging leidt. Als we van alles uit het verzekerde pakket gooien, is rechts trots op kostenbeheersing. Links zou daartegen in moeten brengen dat dit leidt tot tweedeling in de zorg, omdat zorgbehoevende mensen deze onverzekerde ingrepen voortaan zelf moeten bekostigen. De toegankelijkheid en kwaliteit van en het werken in de zorg blijven te vaak onbesproken.

In 2018 ageerde Wouter Bos in de Volkskrant[11] tegen het niet maken van keuzes in de zorg, bij steeds oplopende kosten. Hij pleit ervoor om burgers duidelijk te maken dat niet alles meer kan. In plaats van de oorzaken van verkwisting in de zorguitgaven aan te pakken suggereert hij verdere beperking van zorgaanspraken voor patiënten. Dit tegen de achtergrond van zijn bewering dat de zorgkosten sneller stijgen dan ons nationaal inkomen – wat we met elkaar verdienen in dit land (het bbp). Maar dat is niet waar, in werkelijkheid stijgt ons bbp al zes jaar op rij sneller dan onze zorguitgaven.[12] Ook in 2018 bleef de groei van de zorgkosten achter bij de groei van onze economie. Conclusie: de groei van de zorguitgaven is prima financierbaar en helemaal niet onhoudbaar, zoals Bos stelt. Gezien het belang dat mensen hechten aan goede gezondheidszorg is dat percentage eigenlijk een koopje. De voorspelling van het Centraal Planbureau (CPB) dat de zorgkosten de komende 25 jaar verder zullen stijgen, hangt nauw samen met de verwachting dat we in die 25 jaar ook rijker worden, en wie rijker wordt hecht aan betere – en dus duurdere – zorg. Die rijkdom schept echter ook ruimte om meer zorg te betalen.

Meer zorgkosten is ook helemaal niet slecht voor de economie, zoals neoklassieke economen stellen. Het CPB erkent dat inmiddels ook met een aanpassing van hun modellen. Mirjam de Rijk betoogde eerder terecht[13]: Zorg is net als andere sectoren ook een ‘motor van de economie’: er wordt geproduceerd, er worden behoeften bevredigd en er verdienen 1,3 miljoen mensen hun geld mee, dat ze vervolgens weer uitgeven aan de bakker, de aannemer of een nieuwe auto.

Voor Nederland als geheel zijn de zorgkosten dus beslist niet onbetaalbaar, gezien het overzichtelijke percentage van het nationaal inkomen dat ze beslaan en de mogelijkheden om extra inkomsten uit kapitaalbelasting te halen. Maar voor sommige mensen zijn ze dat wel, en dat heeft alles te maken met de verdeling van de kosten. Het argument dat ‘een gemiddeld gezin nu al meer dan een vijfde van het inkomen kwijt is aan zorg’ wordt vaak gebruikt om bezuinigingen te bepleiten. Het zou echter vooral een reden moeten zijn om de zorgkosten anders te verdelen.

Nu de modellen bij het CPB zijn aangepast maakt het ook daarin weinig meer uit of de zorgkosten collectief of individueel worden opgebracht. Dat is een hard gelag voor wie de afgelopen jaren met de CPB-rapporten in de hand pleitte voor het individualiseren van de zorgkosten. Wie vindt dat kosten voor ziekte en hulpbehoevendheid een eigen verantwoordelijkheid zijn, of misschien zelfs eigen schuld (‘dan had je je er maar beter tegen moeten verzekeren’), of dat zorg een ‘consumptiegoed’ is waarbij het inkomen nu eenmaal bepaalt hoeveel je ervan kunt consumeren, zal kiezen voor het individualiseren van de zorgkosten. Het is een politieke keuze, geen wetenschappelijke of economische keuze.

Onze PvdA moet in haar verkiezingsprogramma duidelijk maken dat stijgende individuele zorgkosten een politieke, ideologische keuze is. En dat wij staan voor een links, solidair alternatief, met solidariteit tussen arm en rijk en tussen ziek en gezond. Dat de zorgkosten collectief prima financierbaar zijn – ook als je fors daarin extra investeert, als je bereidt bent het geld daarvoor te halen waar het zit, en tegelijkertijd de zorg veel efficiënter en effectiever organiseert.

De afgelopen jaren is de ongelijkheid in toegang tot gezondheidszorg onmiskenbaar toegenomen. Dat heeft te maken met dat de kosten steeds meer, inkomensonafhankelijk, geïndividualiseerd worden (hogere nominale premies, het hoge eigen risico, hogere eigen bijdragen, een te beperkt verzekerd pakket), met het feit dat tweederde van de zorgkosten via premies op arbeidsinkomen drukken maar kapitaalinkomen – in het land met op de VS na de grootste vermogensongelijkheid ter wereld – buiten beschouwing houden, en met het feit dat een deel van de zorg niet meer publiek wordt aangeboden, door bijvoorbeeld de sluiting van verzorgings- en verpleegtehuizen.

Ook de marktwerking in de zorg vergroot de ongelijkheid. Een systeem dat gebaseerd is op individueel slim keuzes maken – voor polissen, voor zorgaanbieders, eventueel voor een hoger eigen risico – beloont de slimste kiezers, de hoger opgeleiden. De al bestaande enorme inkomens- en vermogensongelijkheid in ons land wordt door het zorgstelsel zo nog verder versterkt, hetgeen we onder meer tot uiting zien komen in sterk afwijkende gemiddelde levensverwachtingen, vooral als we kijken naar de levensverwachting in goede gezondheid, tussen laag en hoogopgeleid.

Nu ‘bezuinigen’ we door kosten te individualiseren: premiestijging, eigen risico, eigen bijdragen, onderbrengen van delen van noodzakelijke zorg naar de aanvullende verzekering (fysiotherapie, tandartszorg), afschuiven zorgverlening op mantelzorgers (zelfredzaamheid/eigen kracht). Dat is geen bezuiniging, geen betere kostenefficiëntie, maar lastenverschuiving van overheid naar de burger, en m.n. naar de burger die (veel of erg) ziek is. Dit laatste leidt ook tot schijnbare belangentegenstelling tussen patiënt en weinig zieke premiebetaler (‘zorgconsument’). En is de bijl aan solidariteit tussen ziek en gezond.

Hoewel de kosten vanuit het collectief bezien beheerst worden, kunnen ze op individueel niveau enorm stijgen. De kosten van dergelijke hulp zijn immers voor de eigen portemonnee. Veel mensen kunnen dit niet betalen en zullen daarom van hulp afzien. Het drukt met andere woorden de kosten van verzekeraars en premiebetalers, niet die van patiënten. Het individualiseren van de kosten betekent dat de kosten nog steeds worden gemaakt, maar zieken betalen ze nu zelf.

Het gaat dan in de eerste plaats over het verhogen van het eigen risico.[14] De redenering achter het eigen risico wisselt: soms is de argumentatie dat het een rem zet op het zorggebruik, soms dat het de basispremie laag houdt doordat zieken een deel van hun kosten zelf betalen. De eerste redenering is opmerkelijk omdat het bij het eigen risico om zorg gaat waar een verwijzing van de huisarts voor nodig is. Blijkbaar vindt de huisarts doorverwijzing noodzakelijk, maar het eigen risico moet er vervolgens voor zorgen dat dit advies van de huisarts niet wordt opgevolgd. De tweede redenering is ook opmerkelijk, omdat ziekte daarin klaarblijkelijk wordt gezien als eigen schuld of eigen verantwoordelijkheid: het is kennelijk beter om de kosten door zieken te laten betalen en niet door alle premiebetalers gezamenlijk.

Als mensen minder zorg krijgen dan nodig heet dat in beleidsjargon zorgmijding. Een term die suggereert dat het aan de patiënt of hulpbehoevende ligt dat hij of zij de zorg niet tot zich neemt. ‘Zorgmijder’ doet denken aan junks en daklozen, aan verwarden die niet door hebben dat ze hulp nodig hebben, aan zorgbehoevenden die zich opsluiten achter de geraniums terwijl de hulpverleners in groten getale op de stoep staan. Of aan doktersangst of over-optimisme. Zorgmijding bestaat, maar voor mensen waar geen zorg voor is of die de benodigde zorg niet kunnen betalen, is zorgtekort of geldtekort misschien een adequatere term. In de praktijk leidt zorgmijding, omdat patiënten daardoor te laat goede zorg krijgen, op termijn tot hogere zorgkosten. Nu het eigen risico twee jaar bevroren is, zien we dat de kosten daarvan eenvoudig afgewenteld worden met een hogere premie.

Het eigen risico verleidt mensen ook tot gokken: met een vrijwillig hoger risico kun je forse premieverlaging realiseren, tot 300 euro per jaar. Tussen verzekeraars bestaan hierover grote verschillen. Steeds meer mensen kunnen die verleiding niet weerstaan: in 2012 koos 6,9% voor een vrijwillig hoger eigen risico, nu is dat al 12,3%. Van de groep verzekerden die kiest voor verhoging van het eigen risico, maakt ruim 72 procent de keuze voor het maximumbedrag: een vrijwillige verhoging van 500 euro. Dat komt neer op 8,9 procent van alle zorgverzekerden. Als er echter dan plotseling hoge zorgkosten ontstaan, en er is onvoldoende inkomen, dan zijn er in toenemende mate schulden, die nog eens verzwaard worden door verhoging van premie met 25% (!) bij meer dan zes maanden achterstallige premie plus invorderingskosten.

Ook de eigen bijdragen bij gemeenten gingen omhoog: het bedrag dat mensen moeten bijbetalen voor hulp en begeleiding thuis of als ze in een tehuis terechtkomen. Gemeenten, bepalen zelf hoe hoog die (meestal inkomensafhankelijke) eigen bijdragen zijn. Zo steeg de eigen bijdrage voor dagbesteding van mensen die een hersenbloeding hebben gehad (in jargon ‘niet aangeboren hersenletsel’) in sommige gemeenten naar 750 euro per maand. In de ene gemeente krijg je de aanleg van een traplift vergoed, in de andere niet, in de ene gemeente is er veel hulp beschikbaar om als verstandelijk beperkte toch zelfstandig te kunnen wonen, in de andere vrijwel niets. Deze verschillen zijn voor het overgrote deel niet terug te voeren op verschillende behoeften van gebruikers, maar op financiële keuzes van gemeenten. Er kwamen bij de Nationale Ombudsman meer dan 900 klachten in een jaar tijd binnen over de eigen bijdragen, naast veel andere klachten over de zorg. Het is de vraag of dit niet een keer zal sneuvelen bij het Europese comité voor sociale grondrechten. En terecht, want grondrechten zijn er niet voor niets!

Tot 2014 waren er verschillende tegemoetkomingen voor chronisch zieken en gehandicapten, vanuit de redenering dat zij anders oneerlijk veel geld aan zorg kwijt zijn. Die landelijke regelingen zijn met ingang van 2015 afgeschaft, en in plaats daarvan kregen gemeenten een – veel kleiner – bedrag om aan tegemoetkomingen te besteden. Per saldo leverde dit het rijk een bezuiniging op van 580 miljoen. De meeste gemeenten hebben zelf hiervoor geen regeling gemaakt – onlangs wees een rechter erop dat dit juridisch niet zo maar kan.

In februari 2016 publiceerde het blad Binnenlands Bestuur een onderzoek waaruit bleek dat ruim een kwart van alle hulpbehoevenden afziet van gemeentelijke zorg of ondersteuning vanwege de gestegen hogere eigen bijdragen.

Sinds de afschaffing van het ziekenfonds in 2006 betaalt verder iedereen dezelfde nominale premie voor een verplichte particuliere verzekering. In het begin zorgde de zorgtoeslag ervoor dat die premie voor de basisverzekering voor de lagere en middeninkomens inkomensafhankelijk werd gecompenseerd. Maar de zorgtoeslag is de afgelopen jaren flink uitgekleed.[15] Daardoor compenseert die toeslag voor de groep die nog voor zorgtoeslag in aanmerking komt gemiddeld slechts 39% van de nominale zorgpremie.

Al met al zijn mensen met een laag of middeninkomen een veel groter percentage van hun inkomen kwijt aan zorgkosten dan wie meer verdient. Om een voorbeeld te geven: een stel met een gezamenlijk bruto-inkomen van 34.000 euro (netto zo’n 2500 per maand) is maandelijks 260 euro aan inkomensonafhankelijke zorgpremie kwijt (basis- en aanvullende verzekering) en heeft geen recht op zorgtoeslag. Nog afgezien van het eigen risico dat kan oplopen tot 65 euro per maand en eigen bijdragen voor bijvoorbeeld tandarts, medicijnen of gemeentelijke zorg. Veel mensen kunnen de zorgpremie niet of slechts met veel moeite betalen. De zorgverzekeraars hebben te maken met ruim 300.000 wanbetalers: mensen die al meer dan een half jaar geen premies hebben betaald. Het leed voor de verzekeraars is overigens te overzien, want er is wettelijk geregeld dat in zo’n geval de werkgever of uitkeringsinstantie verplicht is om de achterstallige premie (mét opslag) in te houden op het loon of de uitkering.

Een vrij onbekende maar substantiële denivellering van de zorgkosten zat in de staart van de hervorming van de langdurige zorg. Het grootste deel van de langdurige zorg die vroeger werd gefinancierd via de AWBZ, de algemene wet bijzondere ziektekosten, valt sinds 2015 namelijk onder de zorgverzekeraars (via de Wet Langdurige Zorg, WLZ). Het verschil? De AWBZ werd betaald via een inkomensafhankelijke premie, terwijl de kosten van de zorgverzekeraars voor bijna de helft opgebracht worden door de inkomensonafhankelijke (nominale) premie die voor iedereen gelijk is. De jaarlijkse zorgpremie neemt daardoor toe. Niet in één klap maar in stappen, want de overheid verzacht de kosten de eerste paar jaar nog een beetje. En dat gebeurt nu nog extra, omdat de bevriezing van het eigen risico gefinancierd moet worden uit de nominale premie.

Het andere tweederde deel van de zorgkosten wordt nog wél inkomensafhankelijk gefinancierd: via de fiscus met de inkomensafhankelijke premie voor de WLZ, via het deel dat werkgevers meebetalen aan de zorgverzekeraars (ZVW) en via de inkomensafhankelijke eigen bijdragen voor langdurige zorg en ondersteuning.

Mensen die hetzelfde inkomen op een andere manier binnenkrijgen, zoals AOW’ers of ZZP’ers, betalen daarbovenop de (belasting-) bijdrage aan de ZVW. Voor 2015 kwam dat neer op ruim 940 euro per jaar. Deze groepen zijn ruim 85 euro per maand kwijt en met eigen risico maximaal 109 euro. Dit verschil staat wel erg ver af van de oorspronkelijke gedachte: een basisverzekering voor iedereen, onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde prijs.

De meest omvangrijke manier waarop de zorgkosten zijn geïndividualiseerd is helaas niet in kaart te brengen. Het gaat dan om alle mensen die zelf hun zorg organiseren en betalen vanwege de hogere eigen bijdragen of omdat de betreffende zorg überhaupt niet meer wordt vergoed. Die kosten worden nergens geregistreerd en zijn dus onbekend. Door de veranderingen in de langdurige zorg hebben alleen de ‘allerzwaarste’ hulpbehoevenden nog recht op een plek in een tehuis. Wie het kan betalen koopt daardoor veel zorg zelf in, en soms zelfs een complete plek in een (te)huis. Alleen wie 24 uur per dag zorg nodig heeft, heeft tegenwoordig nog recht op een plaats in een tehuis of andere verblijfsinstelling. Wie al in een tehuis zat, mag daar blijven. Maar de komende jaren sterft deze populatie langzaam uit en worden nog veel meer tehuizen gesloten. Het bezuinigde bedrag loopt daardoor nog op.

Door de zorg niet meer via premies maar uit de algemene belastingen te financieren, worden inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdragen ook overbodig: de zorg wordt dan immers al betaald naar inkomen en vermogen. Het heffen van inkomensafhankelijke eigen bijdragen lijkt eerlijk, maar heeft als nadeel dat hoge inkomens gaan winkelen buiten het publieke bestel, waardoor het draagvlak voor de publieke zorg vermindert. Ook zijn er vermogenden die hun geld voortijdig wegsluizen naar hun kinderen, om daarmee de eigen bijdragen van bijvoorbeeld verpleeghuizen te ontlopen. ABN Amro heeft er zelfs een aparte pagina voor op haar website: ‘Kan ik door een schenking voorkomen dat ik een hogere WLZ-bijdrage moet betalen?’ De eigen bijdragen vergen bovendien een enorme bureaucratische rompslomp. Het is allemaal te vermijden door de zorg via de algemene belastingen te bekostigen. Omdat nog een belangrijk deel van de zorgpremie inkomensafhankelijk via de werkgever loopt, dragen mensen die niet in loondienst zijn, zoals renteniers, niet via die route mee. Het huidige systeem maakt arbeid duurder en vergroot de ongelijkheid tussen rijk en arm.

We moeten radicaal stoppen met de individualisering van de kosten voor publieke zorgverlening – die blijft gereserveerd voor zorg die we niet publiek vergoeden omdat ze niet nodig en/of nuttig is. Dus we schrappen eigen risico, eigen bijdragen en aparte zorgpremies hier volledig. Het CAK kan daarmee worden opgeheven.

Welke zorg nuttig en/of nodig is, blijft een zaak van politieke besluitvorming, op basis van deskundig advies. Linkse politiek bepleit daarbij een zo breed mogelijk pakket. Mond/tandartszorg en paramedische behandelingen horen daarbij, evenals preventieve behandelingen en anticonceptie.

2.      De positie van de zorgverzekeraars

Toen de Zorgverzekeringswet (ZVW) in 2006 werd ingevoerd werd gesteld dat de behoeften en wensen van de gebruikers van het systeem — de patiënten — centraal zouden staan. Als surrogaat voor deze rol van patiënten is de zorgverzekeraar naar voren schoven. In theorie misschien een aardige gedachte, in de praktijk blijkt dit toch echt anders uit te pakken en leidt het tot de paradoxale situatie dat de patiënt de verzekeraar — nota bene zijn vertegenwoordiger in het stelsel — nauwelijks meer vertrouwt.

Verzekeraars hebben te maken met twee groepen mensen die eigenlijk volstrekt tegengestelde belangen hebben: aan de ene kant patiënten die tegen elke prijs zo goed mogelijk willen worden behandeld, en aan de andere kant de veel grotere groep gezonde premiebetalers die zo min mogelijk premie af willen dragen. In feite vormen de zorgverzekeraars dus de hefboom bij de solidariteit die tussen gezonde premiebetalers en patiënten zou moeten bestaan. Met gefixeerde budgetten hebben zorgverzekeraars moeite die balans goed te vinden en is het zelfs de vraag of zij dit ooit naar behoren kunnen doen. Hun doorgaans commerciële karakter als onderdeel van de financiële industrie voedt begrijpelijkerwijs en vaak terecht het wantrouwen.

Professionals en patiënten kunnen helemaal niets tegen de verzekeraars inbrengen. Patiënten zijn sowieso de grote afwezigen in veel verhalen over de zegeningen van marktwerking. Er wordt vaak uitsluitend over consumenten gesproken en daarmee doelt men op alle verzekerden: gezonde mensen, die we hierna de premiebetalers zullen noemen, én de patiënten, die beroep moeten doen op zorg die door kostenbesparingen plotseling buiten het basispakket valt.

De terminologie van consumenten verhult een verschil in belangen; in een sociaal systeem overbrugt solidariteit deze belangen, maar in een context van marktwerking wordt dit een belangenconflict. De premiebetaler wil een kleiner pakket als dit een lagere premie impliceert, de patiënt heeft zorg nodig en dus een ruimer pakket.

Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) signaleert dit verschil niet, aangezien zij stelt dat de inkoopmacht van de verzekeraars nuttig is ‘zolang de gevolgen ten goede komen aan de consument’. Bedoelt de NZa hier de premiebetaler of de patiënt? Vermoedelijk de eerste; maar door het onderscheid niet te maken raken de mensen die zorg nodig hebben buiten beeld. Het lijkt erop dat het hele stelsel voor de premiebetaler is ingericht, waarbij de patiënt op zijn best een stoorzender is in een anders zo soepel lopend systeem.

Sinds 2006 kunnen burgers vrij kiezen tussen zorgverzekeraars, die vaak meerdere polissen aanbieden en hen niet mogen weigeren voor de basispolis. In de praktijk maken weinig mensen er gebruik van. In 2016 stapte slechts 7 procent over naar een andere zorgverzekeraar en bijna driekwart van de totale bevolking deed dat sinds 2006 helemaal niet.

Zorgongelijkheid wordt sinds de keuze voor marktwerking ook anders beoordeeld. In het oude systeem kreeg de één (de particulier verzekerde) natuurlijk ook meer de benodigde zorg dan de ander (de ziekenfondsverzekerde), maar het algemene idee was dat dat niet deugde. Nu is het je eigen schuld, want het gevolg van je eigen keuzes: je bent bijvoorbeeld zelf zo dom geweest om een budgetpolis af te sluiten, of geen aanvullende verzekering te nemen of juist een hoog eigen risico.

Ongeveer 70 procent van de bevolking heeft een collectieve zorgpolis. Dat betekent dat van de circa 1,1 miljoen Nederlanders die dit jaar van verzekeraar wisselden, de meeste die keus niet zelf maakten, uit overtuiging. Zij volgden gewoon hun werkgever, die in de meeste gevallen vooral wil dat de polis goedkoop is. Er is nul transparantie, behalve over de prijs van polissen. Wat het verschil in kwaliteit is tussen verschillende polissen — geen burger heeft een idee. Ze kunnen kiezen uit honderden zwarte dozen. Niettemin wordt er veel geld besteed aan reclame en acquisitie (vergoedingen aan tussenpersonen en intermediairs): zo’n 36 plus 217, dus in totaal 253 miljoen euro per jaar. De agressiefste verzekeraars zijn de grote vier: Zilveren Kruis Achmea, CZ, VGZ en Menzis.

Bij de vormgeving van de ZVW is uitgebreid aandacht besteed aan de risico’s die een grotere rol voor zorgverzekeraars met zich mee zou kunnen brengen. Er werd vooral gevreesd voor risicoselectie en concurrentie op prijs in plaats van op kwaliteit. Om deze zorgen te ondervangen kwam er een acceptatieplicht voor zorgverzekeraars en een verbod op premiedifferentiatie: iedereen moet als verzekerde worden geaccepteerd en iedereen moet een gelijke polis met dezelfde premie krijgen.

Formeel houden alle verzekeraars zich aan de wet maar in de praktijk blijken sommige de doelstelling van de wet te omzeilen. Zo hoeft er maar één onderdeel te verschillen en er is al geen sprake meer van ‘dezelfde’ polis. Dat biedt talloze mogelijkheden om op basis van gezondheidsrisico’s obstakels op te werpen. Soms worden potentiële klanten subtiel afgeschrikt. Nadat ze hun geboortedatum hebben ingetypt, krijgen ouderen bijvoorbeeld het bericht dat zij zich alleen schriftelijk en niet via de website kunnen aanmelden. Wel een belemmering, maar inderdaad geen weigering.

Omgekeerd wordt ook geadverteerd voor polissen voor een specifieke doelgroep — zoals hoogopgeleiden. Formeel geen polis op basis van gezondheidskenmerken (dat is verboden), maar feitelijk wel: statistisch gezien is deze groep gezonder. Verzekeraars kunnen aan iedereen die tot een bepaalde groep behoort, kortingen aanbieden. Bijv. voor hoogopgeleiden, voor studenten of voor ‘young professionals’, die gemiddeld lagere risico’s kennen. Premiedifferentiatie, hoewel wettelijk verboden, vindt op grote schaal plaats.

De wijze waarop de zorgverzekeraars de kosten proberen te beteugelen leidt tot aantasting van het fundament van onze zorgverzekering: onderlinge solidariteit. De spotjes en advertenties waarmee de verzekeraars ieder jaar in november en december nieuwe klanten proberen te trekken, roepen ons op om vooral kritisch te kiezen: ‘Betaal alleen voor wat je nodig hebt.’ Verzekeringen waren ooit bedoeld om risico’s te spreiden: ik betaal nu mee aan jouw fysiotherapie en later betaal jij voor wat ik nodig heb. Die solidariteitsgedachte is in het huidige stelsel ver te zoeken. Wanneer wij mensen bewust blijven stimuleren om toch vooral hun eigen belangen te behartigen, zal die egoïstische mentaliteit nog verder doordringen tot de haarvaten van onze samenleving.

Van machtsevenwicht door marktwerking is totaal geen sprake. Verzekeraars zijn oppermachtig, terwijl de NZa en de minister ook nog een behoorlijke vinger in de pap hebben. Alle drie gebruiken de premiebetaler als mascotte — ‘wat wij doen is goed voor de mensen, want lekker goedkoop’ — om de zorgverleners, zorginstellingen en patiënten voor het blok te zetten en de mond te snoeren. De premiebetaler (‘consument’) als woordvoerder voor de gezonde mensen ontneemt patiënten de legitimiteit en ruimte om hun stem te verheffen.

Ook is er geen evenwicht in de relatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. In de zorg klagen driekwart van de zorgverleners dat zorgverzekeraars hun belemmeren in het geven van goede zorg. Als ze de zorgverzekeraar niet tegemoetkomen, krijgen ze minder betaald, kunnen ze een boete krijgen of verliezen ze hun contract. Zorgaanbieders klagen dat zij sinds 2014 te maken hebben met fikse kortingen waarbij zij de keuze hebben om geen contract af te sluiten, met alle risico’s van dien, of te ‘tekenen bij het kruisje’. Op deze manier worden de kosten beheerst door zorgaanbieders te dwingen onder de kostprijs te werken. Buiten de patiënt om hebben zorgverzekeraars afspraken gemaakt over een maximumaantal behandelingen per zorgverlener.

De felste kritiek op de zorgverzekeraars komt van kleine zorgverleners als de paramedici (logopedisten, fysiotherapeuten, diëtisten, oefentherapeuten, etc.) en psychotherapeuten — ZZP’ers of in dienst van kleine zorginstellingen. Volgens hen hebben de verzekeraars te veel macht gekregen en misbruiken ze die bij de zorginkoop. Een van de belangrijkste oorzaken daarvan is dat vier zorgverzekeraars zo’n 90 procent van de markt in handen hebben, na vele fusies en overnames in de afgelopen twee decennia. In bijna elke regio hebben één of twee verzekeraars materieel een monopolie. Dat resulteert volgens de NZa, die er onderzoek naar deed, in standaardcontracten voor kleine zorgaanbieders, waarbij niet of amper over de prijs te onderhandelen valt. Ze willen zich organiseren om meer marktmacht tegenover de verzekeraar te kunnen stellen, maar dat wordt hen met steun van de ACM onmogelijk gemaakt.

Er zitten nogal wat tegenstrijdigheden in het huidige zorgbouwwerk. Het systeem gaat er vanuit dat je als financier (de verzekeraars) pas goed onderhandelt met zorgverleners als je de concurrentie van andere verzekeraars in je nek voelt. Maar het effect daarvan is dat verzekeraars soms zorgverleners dusdanig het vel over de neus halen dat zorgbehoevenden en zorgpersoneel het gelag betalen. Het zorgbouwwerk gaat er ook vanuit dat je als zorgverlener pas echt je best doet als je met andere zorgaanbieders concurreert om de gunst van de klant, maar in de praktijk moeten zorgverleners vooral de verzekeraars te vriend houden, soms ten koste van zorgbehoevenden.

Het wantrouwen van patiënten en zorgprofessionals tegenover zorgverzekeraars is nog eens extra gevoed door pogingen de privacy van patiënten en het medisch beroepsgeheim te schenden. 

En dan is er nog de feitelijke constatering dat marktwerking de kosten in de zorg op verschillende manieren opdrijft. Verzekeraars en zorginstellingen moeten grote financiële buffers aanleggen, omdat hun nering – in ieder geval in theorie – ieder moment naar de concurrent kan vertrekken (de hoogte van de verplichte financiële buffer van een ziekenhuis neemt zelfs toe naarmate er in de buurt meer private klinieken zijn).[16] Marktwerking veroorzaakt dus dat zorgverzekeraars aan solvabiliteitseisen moeten voldoen en er daardoor ruim 11 miljard euro aan reserves nutteloos op de plank ligt. Verzekeraars besteden jaarlijks ruim 250 miljoen aan reclame en marketing en dat gaat in de toekomst misschien ook gelden voor zorgverleners.

Verzekeraars geven aan dat de winsten die zij maken noodzakelijk zijn om die buffers op te bouwen, maar hun reserves liggen inmiddels op een niveau dat circa tweemaal hoger ligt dan de eisen van De Nederlandsche Bank. In de periode 2011-2015 hebben de zorgverzekeraars 5 miljard euro winst gemaakt.[17] Dat zorgverzekeraars claimen verlies te draaien komt omdat zij eerst te hoge marges afromen voor o.m. deze reserveringen. Partijgenoot Marcel Levi, CEO van de University College London Hospitals en daarvoor bestuursvoorzitter van het AMC, is in zijn column in Medisch Contact glashelder: zorgverzekeraars maken helemaal geen verlies maar creëren alleen maar ‘een cosmetisch negatief resultaat omdat ze elk jaar een enorme voorziening nemen op een mogelijk verlies in het volgende jaar (wat er telkens niet is)’. Voor alle zorgverzekeraars tezamen zouden die voorzieningen optellen tot een bedrag van ruim 1,5 miljard euro per jaar. Daar kun je veel nuttige dingen mee doen. Levi baseert zich op de inzichten van Frida van den Maagdenberg, lid van de raad van bestuur van het AMC, waar ze onder meer belast is met financiën en bedrijfsvoering.[18]

Zorgverzekeraars zijn slechts mondjesmaat bereid tot het verstrekken van voorschotten of gebruiken dit zelfs als breekijzer in onderhandelingen met ziekenhuizen. Het geld dat ziekenhuizen en andere zorginstellingen in de tussentijd nodig hebben, lenen ze in de regel bij de bank. En omdat we zo nodig in een marktstelsel moeten opereren komen daar tegenwoordig de volledige financieringskosten van huisvesting, verbouwing en investering ook nog eens bij. Voor een gemiddeld ziekenhuis lopen de rentelasten dan al snel op tot enkele miljoenen euro’s per jaar. Doordat de overheid zich daarnaast steeds verder terugtrekt worden de eisen qua solvabiliteit en financieringsratio’s voor instellingen steeds hoger. In de afgelopen tien jaar is de solvabiliteit toegenomen van gemiddeld 8% tot 20%. Daarmee hebben de gezamenlijke zorginstellingen een kleine € 12 miljard op de bank staan dat niets staat te doen in tijden van krapte en bezuinigingen.

Een volgend punt is dat marktwerking in de zorg investeringen in preventie niet stimuleert, maar juist tegenwerkt. De uitgaven voor preventie zijn niet mee gestegen met de kosten in de zorg en dalen zelfs sinds kort. Verzekeraars hebben nu eenmaal geen belang bij preventie-activiteiten, omdat de baten bij anderen terechtkomen. Paul van Rooij, tot voor kort directeur van GGZ Nederland en inmiddels directeur van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), kijkt met bewondering en enige jaloezie naar Engeland, waar in de geestelijke gezondheidszorg alles is gericht op de zogeheten ‘vroegsignalering’ en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn. Die aanpak heeft volgens hem zeker met de NHS te maken, de National Health Service, waardoor al het zorggeld uit één pot komt en er in de hele ‘keten’ vanuit dezelfde ideeën wordt samengewerkt.

3.      Mislukte decentralisatie

Care (vroeger gewoon welzijn) is het arme neefje van de cure (vroeger gewoon zorg), heeft een lagere status. Terwijl de maatschappij schreeuwt om meer sociale zorg. Linkse politiek zou juist het welzijnswerk en daaraan gerelateerde zorg weer in ere moeten herstellen, de bezuinigingen terugdraaien en juist weer daarin moeten investeren. De uitgevoerde bezuinigingen op de care treffen in de praktijk met name de lage en middeninkomens. Dat komt in de eerste plaats doordat vooral zij gebruik maakten van de zorg die tot 1 januari 2015 uit de AWBZ werd bekostigd. De hogere inkomens kozen minder vaak voor AWBZ-zorg omdat de inkomensafhankelijke eigen bijdrage het voor hen vaak goedkoper maakte om de zorg zelf in te kopen.

Gemeenten en zorgaanbieders zijn na de decentralisatie in 2015 voorts verstrikt geraakt in een woud van contractverhoudingen. De focus ligt niet op zorg, maar op kostenbeheersing en het voorkomen van fouten via contracten en protocollen. Gesprekken tussen zorg- en gemeentebestuurders lopen in toenemende mate via accountants. Een bizarre, perverse ontwikkeling. Bovendien leiden al die regels nergens toe, ze leiden tot financiële schijnzekerheid. Zorginstellingen hebben nu te maken met de tucht van de markt: elk jaar opnieuw moeten ze met elkaar de concurrentiestrijd aangaan om een contract te krijgen met de gemeente. Ze werken met minimale winstmarges en zijn vooral bezig met overleven. Tegelijkertijd moeten ze voldoen aan de bureaucratie van de overheid, die probeert grip te houden op de zorguitgaven. De situatie sinds de transitie is het slechtste van twee werelden: Marktwerking zonder vrijheid van de markt; en bureaucratie zonder de zekerheid van een overheid.

De decentralisatie ging gepaard met een neoliberaal verhaal over een participatiesamenleving, als alternatief voor de verzorgingsstaat. Rechten en vangnetten verdwenen, en tegelijkertijd zijn er meer plichten. Daarbij wordt een groter beroep op de zelfredzaamheid van burgers gedaan. Cruciaal daarbij is dat de gemeentelijke zorg, anders dan de vroegere AWBZ-zorg, geen recht van de burger meer is maar een ‘voorziening’. Dat betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen welke zorg ze leveren en voor wie, het budget is voortaan ‘taakstellend’.

En hoe werkt dat uit als de overheid tegelijkertijd propageert dat bij een zorgvraag eerst wordt gekeken wat de betrokkene zelf en zijn netwerk (familie, buren, vrienden) nog kunnen en dat de professionele hulp de gaten vult?  De overheid kan niet het ene moment oproepen om vooral het eigen belang na te streven en het volgende moment oproepen om je toch vooral om je naasten te bekommeren. Het is of het een of het ander. Wat ons betreft zet de overheid in op het laatste. Dat betekent dat de geest van het kortzichtige eigenbelang terug in de fles moet. Van zelfredzaamheid dus naar samenredzaamheid. Emancipatorische concepten als eigen kracht zijn volstrekt ontspoord in neoliberale concepten van eigen verantwoordelijkheid en een plicht tot mantelzorg van familie, buren en vrienden.

De werkelijkheid is dat veel zorgvragers mensen om zich heen hebben die graag dingen voor ze doen. Maar dan moet de overheid wel daarin zijn nieuwe rol pakken en niet de bezuinigingsopdracht centraal stellen. Er is niets tegen, integendeel, om de omgeving, die vaak toch al hulp verleent, bij de zorg te betrekken. Maar je kan geen mantelzorg afdwingen. De vrijwillige solidariteit is in Nederland gelukkig nog altijd groot, maar vrijwillige solidariteit zal altijd ingebed moeten zijn in collectieve solidariteit (wat de VVD afgedwongen solidariteit noemt). Al was het maar omdat niet iedereen een netwerk heeft. Dat is waar onze voorgangers in de sociaaldemocratie de verzorgingsstaat voor hebben opgebouwd.

Veel zorgvragen vragen professionele hulp en ondersteuning en kunnen niet worden afgeschoven op de nu sterk overbelaste mantelzorgers. Bovendien zijn veel mantelzorgers zelf ouderen, en kunnen zij in toenemende mate zelf geen beroep doen op mantelzorg, nu de arbeidsparticipatie van vrouwen gelukkig stijgt. Ook moet erkend worden dat veel zorgvragers onvoldoende eigen kracht hebben om het zelf te regelen.

Een deel van de cliënten is vereenzaamd. Zij beschikken niet over hulpvaardige familie of een bloeiend sociaal netwerk. Kinderen wonen steeds vaker op betrekkelijk grote afstand van hun ouders en kunnen daardoor niet eenvoudig bijspringen. Wanneer kinderen zelf nog een gezin grootbrengen, wordt mantelzorg aan hun ouders verlenen een loodzwaar karwei.

Het is voor bureaucraten allesbehalve eenvoudig om te bepalen in hoeverre familie en sociaal netwerk ondersteuning kunnen en willen verlenen. Subjectieve inschattingen zijn hierbij onvermijdelijk. In min of meer vergelijkbare gevallen kunnen uitgebrachte adviezen — afhankelijk van de persoon van de voor de beoordeling eindverantwoordelijke gemeenteambtenaar — substantieel verschillen. Mensen die de weg weten en brutalen hebben samen meer dan de halve wereld. Zij zullen vaak meer ondersteuning claimen en ontvangen dan binnen de beperkingen van het beschikbare budget op objectieve gronden noodzakelijk is. Minder assertieve of gezagsgetrouwe cliënten zullen zich sneller voegen naar wat bureaucraten beslissen. Dat was ook al zo via de AWBZ gefinancierde ondersteuning. Maar daar hadden hulpbehoevenden tenminste nog recht op wettelijk omschreven zorg. Dat is nu niet meer zo.

Eigen kracht en zelfredzaamheid moet een recht, geen plicht zijn. Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen dan een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. We versimpelen de procedures rondom het PGB. De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof.

De decentralisatie van zorg naar de gemeenten is tot dusver in de praktijk vooral een administratieve herordening gebleken in plaats van een inhoudelijke verbetering. Mensen worden van het ene loket naar het andere doorgestuurd, het beleid is versnipperd en veel overheids- en zorginstanties willen de werkelijkheid aan de onderkant van de samenleving niet kennen. Nu worden teveel mensen van ene loket naar het andere gestuurd. Het zorglandschap is nu ook teveel gespreid over verschillende partijen met ieder eigen (budget)regels: zorgverzekeraars, zorgkantoren, het CAK, de gemeenten. Naast veel kostbare (in tijd en geld) bureaucratie (ook bij de zorgaanbieders, die vaak met meerdere partijen te maken hebben) zorgt dit ook voor strategisch gedrag tussen bijv. gemeenten en zorgverzekeraars over wie de rekening moet betalen.

De verschillen tussen gemeenten zijn groot en hebben niets met het beloofde maatwerk te maken: maatwerk betekende altijd minder zorg. Zorg kwam ook niet dichterbij, het verdween. Cliënten en patiënten zijn massaal ontevreden.[19] Gemeenten hebben alleen maar financieel gestuurd en ontberen iedere deskundigheid om op kwaliteit te kunnen sturen. Inmiddels keert de wal het schip en klagen gemeenten over miljoenentekorten. En ze kunnen de uitgaven ook niet beheersen, ze hebben nauwelijks zicht op de besteding van hun zorggeld[20].

Veel gemeenten bedingen schandalig lage tarieven in de aanbesteding van thuiszorg, waarbij marktpartijen door taakopsplitsing en minutenzorg proberen de kosten nog verder te verlagen. Daarbij wordt de cao in de thuiszorg ontdoken, en wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van flexwerk, soms ook met zzp-ers. Dan wordt er ook geen pensioen opgebouwd en zijn de zorgwerkers niet of slecht verzekerd. Vele gemeenten besteden de zorg vooral aan op basis van prijs, niet op kwaliteit. Er is geen plicht om aan te besteden, noch bij de Wmo, noch bij de Jeugdzorg, en toch doen bijna alle gemeenten dat. Linkse politiek maakt daaraan een eind.

Het is terecht dat de minister nu de gespecialiseerde jeugdzorg weer wil weghalen bij de gemeenten. Maar dat zou voor de gehele jeugdzorg en de Wmo moeten gebeuren. [21] De gemeenten hebben geen aantoonbare waarde aan de zorgverlening kunnen toevoegen, integendeel. Zorgprofessionals aan niet commerciële zorgaanbieders moeten zelf de zorgindicatie verzorgen. De financiering moet landelijk geschieden, en het zorgaanbod moet worden gereguleerd in een provinciale of regionale zorgvisies, die politiek wordt besloten. De zorg in kader van Wmo en Jeugdzorg worden weer afdwingbare rechten, geen voorzieningen, afhankelijk van indicatie door de zorgprofessional.

In de Jeugdzorg heerst een ernstige crisis, waarvan kwetsbare jongeren het slachtoffer zijn. We zorgen naast het met hoogste prioriteit meer dan volledig ongedaan maken van de bezuinigingen voor een structurele oplossing van de 18-plus overgangsproblematiek, door het mogelijk te maken deze zorg ook na meerderjarigheid te verlengen. Een apart probleem hier is dat het meestal niet mogelijk is om een indicatie met de grondslag verstandelijke beperking te krijgen indien deze beperking niet voor het 18e jaar is vastgesteld. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet is gebeurd. Zo is een deel van deze cliënten opgegroeid en opgevangen door ouders of binnen het eigen netwerk. Op het moment dat ouders en het netwerk dat niet meer aan kunnen, wordt een indicatie aangevraagd. Migranten behoren tot een andere groep cliënten, waarbij vaak niet voor het 18e levensjaar een verstandelijke beperking is vastgesteld of daarover geen gegevens beschikbaar zijn. Ook zorgen we voor nieuwe intensieve jeugdzorg voor jongeren met multiproblemen en ernstige stoornissen, die nu niet adequaat behandeld worden. Jeugdzorginstellingen moeten veilige plekken zijn, waarbij isolatie en opsluiting zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Er is ook een tekort aan pleegzorgouders. Al deze tekorten vragen om een urgent samenhangend actieplan voor verbetering van de Jeugdzorg.

De wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) moeten binnen een jaar weggewerkt worden. Het verkorten van de wachttijd voor mensen met autisme, persoonlijkheidsstoornissen, eetstoornissen, trauma’s en licht verstandelijke beperkingen krijgt prioriteit. Teneinde de stijging in de doorgeleiding naar gespecialiseerde GGZ tot staan te brengen is moeten we in de geestelijke gezondheidszorg alles richten op de zogeheten ‘vroegsignalering’ en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn.

We moeten inzetten op een nationaal actieplan gericht op het voorkomen en niet onnodig medicaliseren van geestelijke gezondheidsproblemen.

Grootste probleem bij gemeentelijke zorgwijkteams: hulpverleners kunnen dan wel in één team zitten, de geldstromen blijven gescheiden. Hun werk wordt betaald door de eigen organisatie, niet uit het budget van het wijkteam. Organisaties houden dus hun eigen financiële belang, zeker nu er stevig bezuinigd wordt. Echt samenwerken kan pas als er ook één geldstroom is. Ook angst voor privacywetgeving over het uitwisselen van gegevens zit ware teamvorming in de weg. Ook het fundamentele recht op zorg loopt gevaar door de nieuwe werkwijze. Wie nu hulp vraagt, krijgt een ‘keukentafelgesprek’ waarin wordt besproken wat voor hulp noodzakelijk is. Vroeger deed een burger een formele aanvraag en volgde daarop een besluit of iemand al dan niet recht had op hulp. Een besluit waartegen bezwaar ingediend kan worden. Nu ontstaat een soort onderhandelingssituatie. Dat is een wezenlijke verschuiving van de verhoudingen.

Die verschuiving is risicovol. Ook door de samenstelling van de wijkteams, waarin veel verschillende private organisaties zijn vertegenwoordigd, is het vaak onduidelijk hoe en bij wie bezwaar gemaakt kan worden tegen een beslissing. Burgers waarderen het als de overheid met ze in gesprek gaat en niet optreedt als een afstandelijk bolwerk dat onbegrijpelijke brieven stuurt. Als dat goed gebeurt is dat positief. Maar het recht mag niet verdampen. Want het staat gewoon in de wet dat iemand recht heeft op een traplift of een scootmobiel. Toch weigeren gemeenten zich daarbij neer te leggen.

Groot probleem lijkt ook de deskundigheid van leden in het wijkteam. Jeugdzorginstellingen claimen dat de gemeenten de diagnose voor zware jeugdzorg te laat stellen, in een poging om lichtere, goedkopere trajecten te laten werken. Dat gebeurt ook tegen de achtergrond van een toenemende medicalisering van gedragsproblemen bij jongeren, mondiger ouders en de invoering van het passend onderwijs, waarbij specialistische hulp op scholen voor speciaal onderwijs minder beschikbaar is. Jeugdzorginstellingen stellen dat de late diagnose de problematiek bij jongeren doet verergeren en daardoor behandeling juist moeilijker en kostbaarder maakt.

Categoraal wordt nu de zorg aan jonge kinderen (<8 jaar) op grond van de Wlz geweigerd omdat ‘ouders daartoe een reguliere zorgtaak hebben.’ Eigen kracht moet echter een recht zijn, geen plicht. Indicaties aan ernstig meervoudig gehandicapte kinderen worden nu te vaak opgescheept met kortlopende indicaties, hetgeen zeer belastend is voor de verzorgers en ouders.

Hoe wijdverbreid de constructie inmiddels ook is, ruim twee jaar na de introductie zijn de wijkteams nog altijd mikpunt van kritiek. Ze werken te bureaucratisch, zijn lastig vindbaar voor de zorgvrager, hebben onvoldoende oor voor de wensen van de burger, ze weten zich geen raad met specifieke kwetsbare groepen, ze wisselen onderling onvoldoende kennis uit en ze maken een potje van de privacy van burgers.

Van duizenddingendoekje naar windvanger, dat lijkt de huidige status van het wijkteam. Wat opvalt, is dat de kritiek bepaald bekend in de oren klinkt. Schotjesgeest, bureaucratie, slechte communicatie en gebrek aan klantgerichtheid, was dat niet precies wat er schortte aan de zorg en ondersteuning toen deze nog uit de collectieve gaarkeukens van de AWBZ werden opgediend? Hebben we met de decentralisatie de problemen van weleer niet simpelweg naar een microniveau verplaatst?

Daarom moeten we ook voor de jeugdzorg en Wmo de indicatieverlening naar de zorgprofessionals zelf verleggen. Sociale wijkteams kunnen daarbij wel als laagdrempelige voorziening helpen als eerste loket, en als verbinding met bijv. schuldhulpverlening en woonvoorzieningen.

4.      De effecten van marktwerking bij de zorgaanbieders

Marktwerking frustreert samenwerking niet alleen omdat zorgverleners elkaars concurrenten zijn, maar ook omdat in een ‘markt’ samenwerking al gauw beschouwd wordt als kartelvorming – en dat is verboden.

Het is meermalen bewezen dat een concentratie van zorgaanbod om complexe behandelingen van ingewikkelde aandoeningen goed uit te voeren onontkoombaar is. Maar daar is ons systeem momenteel helemaal niet op ingericht. Immers: ziekenhuizen moeten concurreren met elkaar en willen daarom allemaal zoveel mogelijk specialismen in huis: iedereen een 24-uurs spoedeisende hulp, een intensive care en kleine stukjes complexe zorg tussen veel grotere stukken minder complexe zorg. Ze hebben zoveel mogelijk CT-scans en MRI’s en willen bovendien allemaal een PET-scan en een operatierobot voor zichzelf. Vanuit het oogpunt van kwaliteit is dit nauwelijks verantwoord en daarnaast is het extreem kostbaar. Pogingen om bijvoorbeeld hoogcomplexe zorg te concentreren in een kleiner aantal, regionaal slim gepositioneerde ziekenhuizen die door de aard van hun activiteiten wel een intensive care, goed geoutilleerde spoedeisende hulp en dure scanapparatuur kunnen hebben, stranden op de beperkte mogelijkheden voor regionale samenwerking binnen een stelsel van marktwerking. Zo wordt nu kartelvorming in verband met een gelijk speelveld in de markt verboden.

Het is in ieders belang zijn als ook aanbieders van thuiszorg onderling afspraken maken, zodat medewerkers hun baan houden, cliënten kunnen blijven rekenen op hun vertrouwde hulpverlener en zorgaanbieders weten waar zij aan toe zijn. Dat is echter een ‘marktverdelingsafspraak’ en die zijn in principe verboden: dergelijke afspraken nemen de prikkel weg om te innoveren en op prijs te concurreren – alsof een verdere verlaging van salarissen in de thuiszorg nog verantwoord zou zijn.

Paramedici kunnen overigens ook een belangrijke rol spelen bij betere regionale samenwerking en verlaging van kosten. De kwaliteit van leven wordt door hen vaak aanzienlijk meer verbeterd dan medische specialisten dat kunnen bij veel aandoeningen.

Concurrentie kan ook tot gevolg hebben dat maatschappelijk gewenste voorzieningen niet gerealiseerd worden. Bijvoorbeeld: een woningcorporatie wil samen met een aanbieder van thuiszorg een complex ouderenwoningen bouwen. Het is in dat geval logisch dat de thuiszorgorganisatie garanties vraagt dat ouderen die zorg nodig hebben deze ook bij die organisatie zullen afnemen. Ook dat is nu een in principe verboden marktverdelingsafspraak.

En er is sprake van waterbedeffecten doordat er verschillende financiers zijn die ieder proberen de last zoveel mogelijk bij de ander te leggen. Het waterbed stulpt uit bij de eerstehulpposten van de ziekenhuizen. Alles komt daar samen: mensen die vanwege het hoge eigen risico te lang wachten voor ze hulp zoeken en met spoed alsnog geholpen moeten worden, ouderen die langer thuis wonen en vaker vallen, geestelijk zieken die vaker op straat verkeren en acuut zorg nodig hebben. En deze patiënten kómen niet alleen bij de eerste hulp, ze zijn er vaak ook moeilijk weg te krijgen: veel mensen kunnen niet naar huis omdat ze er te slecht aan toe zijn, maar plekken in een verpleegtehuis of een GGZ-instelling zijn niet te vinden. Met als gevolg dat ziekenhuispersoneel eindeloos aan het bellen en regelen is. Er dreigt een vicieuze cirkel: doordat veel specialisten ingezet moeten worden op de spoedzorg ontstaan er voor de ‘gewone’ behandelingen wachtlijsten, wat er weer toe leidt dat meer mensen op de spoed terechtkomen.

WLZ-cliënten kunnen nu in onverwachte situaties (zoals bij een ziekenhuisopname of thuis, na een operatie) geen thuiszorg krijgen of begeleiding in het ziekenhuis. Dit moet formeel dan uit het pgb worden betaald of van de WLZ-aanbieder komen, maar die mogelijkheden worden in de praktijk niet geboden. Dit kan leiden tot een situatie waarvan de cliënt en/of de mantelzorg de dupe wordt: er is onvoldoende hulp beschikbaar of mantelzorg moet noodgedwongen extra hulp bieden. Op dit moment verschilt ook het aantal uren mogelijke verpleging tussen ZVW en WLZ enorm. Ook indien de GGZ-problematiek voorliggend wordt geacht, is toegang tot de WLZ nu niet mogelijk en zijn mensen op de Zorgverzekeringswet aangewezen. Hier is voor mensen met een combinatie van beperkingen, waaronder mensen met een (licht) verstandelijke beperking, vaak geen passende zorg te krijgen.

Een heel ander soort waterbedeffect is dat ziekenhuizen ‘dure’ patiënten doorverwijzen naar andere ziekenhuizen, onder het mom dat dit andere ziekenhuis betere zorg kan bieden. Het AMC in Amsterdam trok hierover aan de bel. Want nu dure medicijnen voor bijvoorbeeld kankerbehandeling sinds 2012 onder het ziekenhuisbudget vallen én de ziekenhuizen zich moeten houden aan het kostenplafond krijgt het AMC opvallend vaak ‘dure’ patiënten doorverwezen.

Het systeem van marktwerking in de zorg heeft ook perverse effecten naar zorgverleners. De heringevoerde goodwill van de huisarts laat goed zien wat marktwerking ook meer fundamenteel doet: het ondermijnen van gemeenschapszin en het publieke belang. Goodwill is dat een startende huisarts een bedrag betaalt aan de vertrekkende collega om zijn patiënten te mogen overnemen. Van oudsher was de goodwill-som de pensioenvoorziening van de vertrekkende arts. Echter in de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd deze pensioenconstructie niet meer als passend gezien. De gedachte was dat de lokale gemeenschap ook iets te zeggen zou moeten hebben bij de opvolging van een huisarts en dat niet het geld van de meestbiedende opvolger bepalend mocht zijn. Dus werd er een pensioenfonds in het leven geroepen, waar alle huisartsen verplicht aan deel moesten nemen. Bovendien werd er per gemeente een vestigingscommissie ingesteld met daarin vertegenwoordigers van de lokale huisartsen, de gemeente, patiëntenorganisaties en verzekeraars. Deze gezamenlijke commissies hadden het laatste woord bij het aanwijzen van de opvolger. Zo konden de belangen van de huisarts en van de lokale gemeenschap tegen elkaar worden afgewogen. En uiteraard werd goodwill vragen verboden. De huisdokter was een publieke functionaris, ingebed in de lokale gemeenschap en de patiënten waren geen handelswaar, die aangeboden konden worden aan de meestbiedende.

Dat was toen, lang geleden. In de 1990-er jaren kwam het idee, dat de zorgsector gezien moest worden als een markt, waar de aanbieder een zorgproduct aanbiedt aan de vragende zorgconsument. De producenten moeten concurreren om de gunst van de vrager, dat brengt de kosten omlaag en de kwaliteit omhoog. Ook over de huisartsenzorg werd deze marktlogica heen gelegd, en daar paste de vestigingscommissie niet in. Lokale inbedding en medezeggenschap waren relikwieën uit de jaren 1960, een sta in de weg voor innovatie en competitie. Weg er mee dus, de mededingingswet werd van toepassing en de vestigingscommissies werden afgeschaft met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006. Ondertussen zitten we met een al te bekend patroon: het door de gemeenschap betaalde pensioen (de pensioenpremie is verwerkt in de publiek gefinancierde tarieven) is gebleven, echter diezelfde gemeenschap is de zeggenschap over de huisartsenzorg kwijtgeraakt. De parallel met banken en bankiers is treffend: de risico’s publiek, de opbrengsten privaat. Huisartsen en bankiers: voor hun bestaanszekerheid staat de samenleving garant en vanuit deze comfortabele zekerheid kunnen ze risicoloos de opbrengsten in eigen zak steken.

Het was de tijd waarin de financiële dienstverlening aan de regels van de markt werd onderworpen, pensioenfondsen vrij mochten gaan beleggen, waarin het toezicht op de banken werd versoepeld en waarin de Postbank, die in overheidshanden was en zich toelegde op dienstverlening aan de burgers, geprivatiseerd werd. Allemaal heel bewust genomen maatregelen die gerechtvaardigd werden met het idee dat regels en bemoeizucht van buiten af het zegenrijke vrije spel der marktkrachten maar in de weg zouden staan. Daarbij werd in moreel opzicht de gedachte aangewakkerd dat bankiers en zorgverleners ondernemers moesten zijn: het honorarium, letterlijk ereloon, werd vervangen door een inkomen dat samenhing met de gehaalde omzet. En die omzet werd dan geheel toegeschreven aan de inspanningen van die ene bankier of huisarts. De wolf in ons is toen heel bewust aangemoedigd en de gemeenschapszin in ons als ouderwets betiteld. Zo gelooft Rijkman Groenink tot op de dag van vandaag dat het alleszins redelijk en moreel gerechtvaardigd is dat hij zo’n grote bonus meekreeg en zo is er bij goodwill vragende huisartsen dezelfde legitimatie: zo doen we het toch allemaal, het is mijn individuele verdienste, het zou zonde zijn zo’n goed lopend bedrijf dat ik zelf heb opgebouwd voor niks weg te geven. Zij zien zich niet als hebzuchtige wolven, maar als hardwerkende ondernemers die beloond worden voor hun prestaties.

Maar het wegnemen van instituties, die sociaal gedrag bevorderen en het gezamenlijk belang behartigen, was een bewuste, politieke beslissing. De moraal van individuele prestaties die beloond werden naar gelang de omzet, en niet meer naar gelang de toegevoegde waarde, komt uit de koker van de neoliberale Chicago School of Economics en druppelde langzaam maar zeker door in steeds meer maatschappelijke sectoren: van markteconomie naar marktsamenleving.

Uiteraard is hier niet sprake van een complot, maar op een veel subtielere manier zijn ons denken en onze mentaliteit doordrongen geraakt van de logica van de markt ten nadele van het besef van onderlinge afhankelijkheid. En werd de financiële opbrengst belangrijker dan de toegevoegde waarde. Meningen en mentaliteit zijn geen vanzelfsprekendheid, daarover vindt ideologische strijd plaats. Het resultaat van die ideologische strijd slaat neer in de hoofden van mensen. De wolf in ons allemaal is losgelaten en aangemoedigd.

De netto-inkomsten van sommige zorgondernemers gaan ver boven wat de Wet Normering Topinkomens als norm stelt in de publieke sector. Deze wet wordt ook omzichtig omzeild: zo kreeg Loek Winter, de topman van de inmiddels failliet gegane ziekenhuizen van zijn MC Groep in Amsterdam en Lelystad, een aanstelling van 7,5 dag per week (geen typefout). Een week heeft weliswaar maar 7 dagen maar op deze manier kon hij meer salaris binnen de regels ontvangen! Ondertussen werd de oorzaak van het faillissement gelegd bij de hoge inhuurkosten van het personeel. Tegelijkertijd is er in de hele zorg dramatisch bezuinigd op zowel het aantal arbeidsplaatsen, de salarissen als de overige arbeidsvoorwaarden aan de onderkant van de arbeidsmarkt in de zorg, zoals in de thuiszorg en de huishoudelijke zorg. De vlucht naar het zzp-schap is vooral veroorzaakt door de bezuiniging op de arbeidsvoorwaarden. Nu er weer personeelstekort is, kunnen zorgwerkers meer geld verdienen als zzp-er.

Het ene naar het andere schandaal met zorgcowboys komt boven water. Het programma Pointer van KRO-NCRV onderzocht samen met Reporter Radio en het journalistieke platform Follow the Money de jaarrekeningen van zorgaanbieders uit 2017 en 2018 en vond maar liefst 85 bedrijven die zowel in 2017 als in 2018 meer dan 10% winst maakten.[22] In totaal ging het om 50 miljoen euro winst en ruim 20 miljoen euro aan winstuitkeringen (dividend) aan aandeelouders. Geld afkomstig uit premiegelden en belastingopbrengsten dat niet naar zorg gaat, maar in de zakken van directeuren en aandeelhouders verdwijnt. Er is op grote schaal sprake van belangenverstrengeling en zelfs verduistering. Zo werd onlangs de oud-directeur van het inmiddels failliete Slotervaart Ziekenhuis veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor verduistering van 1,2 miljoen euro en valsheid in geschrifte.

5.      De bureaucratisering van de zorg

Een vervelende bijwerking van de gereguleerde marktwerking in de zorg is de massale en extra bureaucratie. De registratie van duizenden DBC’s en verrichtingen met telkens wisselende definities die soms zelfs met terugwerkende kracht worden ingevoerd om het systeem maar draaiende te houden leiden tot een enorme registratiedruk bij zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Tel daarbij op de administratieve last die zorgprofessionals ondervinden bij het registreren van talloze parameters die zouden bijdragen aan het kwantificeren van kwaliteitsindicatoren en dan begrijp je de wanhoop die zich af en toe meester maakt van artsen en verpleegkundigen die nauwelijks meer aan hun ‘echte’ werk toekomen.

In 2015 stelde een internationale onderzoeksgroep van gezondheidsbeleidsexperts vast dat de administratieve kosten van Nederlandse ziekenhuizen, op de Verenigde Staten na, het hoogst waren van alle onderzochte landen: bijna twintig procent. De overheidsbemoeienis en de bureaucratie namen sinds de invoering van de gereguleerde marktwerking alleen maar toe, stelt de WHO. Er moest regelmatig worden ingegrepen bij uitwassen van de marktwerking (te veel verkregen geld terugeisen van ziekenhuizen, voorkomen dat er een grote groep onverzekerden zou ontstaan, de misère rond de diagnose-behandel-combinaties) en er kwam een hele batterij van instanties om de markt in goede banen te leiden.

De zorgverzekeraars zijn sinds 2015 ook verantwoordelijk voor het betalen van de wijkverpleging en dat pakte dramatisch uit. In het nieuwe systeem heeft de wijkverpleegkundige een spilfunctie. Net als de huisarts mag hij of zij indicaties stellen en dus bepalen hoeveel zorg iemand nodig heeft. Verzekeraars willen de zorguitgaven in de hand houden en hebben er belang bij dat wijkverplegers geen al te ‘dure’ diagnoses stellen. Daar wordt stevig op gecontroleerd, met als gevolg minutenzorg, alles gebaseerd op wantrouwen. Er wordt gestuurd op kostenbeheersing en op het voorkomen van fouten. Of eigenlijk vooral: op het afschuiven van de aansprakelijkheid voor fouten en budgetoverschrijdingen via contracten, protocollen, codes en controles. De spilfunctie voor de wijkverpleegkundige komt door het geïnstitutionaliseerde wantrouwen niet van de grond. Een standaard-zorgvraag bestaat niet en laat zich dus moeilijk vangen in protocollen en productcodes. Als wijkverpleegkundigen de ruimte krijgen om het maatwerk te leveren dat van hen verlangd wordt, kan dat leiden tot meer zelfredzaamheid van ouderen en kostenefficiëntere zorg.

In plaats van de nadruk te leggen op contracten en indicaties, moeten we meer kijken naar wat werkt. Hoe help je iemand met een hersenbloeding het best? In de huisartsenzorg, die wordt gezien als goede manier om mensen weg te houden uit de duurdere ziekenhuiszorg, is dat heel normaal. De wijkverpleegkundige kan die functie ook hebben. Maar dan moet hij wel zijn werk kunnen doen. Er moet meer vertrouwen zijn, en dus meer zeggenschap voor de zorgprofessional. Niet vooral producten monitoren en minuten registreren. Maar met verzekeraars als contracterende partijen lijkt dat niet te lukken.

De zorgverzekeraar ziet vooral misstanden bij verpleegkundigen die geen contract hebben met de verzekeraar. Net als in andere takken van zorg bewaken verzekeraars de budgetten door contracten af te sluiten met zorgaanbieders. Daarin maken ze afspraken over hoeveel zorg de verzekeraar inkoopt bij de instelling. Handig voor verzekeraars, die dan zeker weten dat de kosten niet uit de klauwen lopen. Vanwege de vrije artsenkeuze kunnen patiënten ook kiezen voor een zorgaanbieder die geen contract heeft met hun zorgverzekeraar. Bij niet-gecontracteerde zorginstellingen hebben verzekeraars minder grip op de kosten. De verzekeraar is verplicht om in elk geval een deel van die zorgkosten – zo’n 75 procent – te vergoeden.

Dat zorgverzekeraars en het ministerie niet blij zijn met deze constructie is geen geheim. Het ministerie probeerde in 2014 de wet te wijzigen. Verzekeraars zouden niet-gecontracteerde zorg niet meer hoeven te vergoeden. Maar dat plan sneuvelde in de Eerste Kamer. Verzekeraars gooiden het daarna over een andere boeg. Zilveren Kruis Achmea lanceerde in het voorjaar 2017 het plan om vanaf volgend jaar wijkverplegers zonder contract geen indicaties meer te laten stellen.

Veel mensen associëren bureaucratie met de overheid, maar de marktwerking in de zorg heeft de bureaucratie alleen maar vergroot. GGZ Nederland berekende dat van de 6,5 miljard die de GGZ jaarlijks kost, er 1,4 miljard opgaat aan administratie en verantwoording.

Regels lijken belangrijker dan mensen, systemen falen, wachttijden zijn te lang en burgers worden van het kastje naar de muur gestuurd. Alles is ingericht op wantrouwen, naar de burger en naar de uitvoerende professional.

En natuurlijk moet ook bij de overheid de bureaucratie bestreden worden. Het voorbeeld van de NHS in het VK wordt daarvoor terecht bekritiseerd. De oplossing ligt vooral in het vertrouwen van zorgprofessionals en hun zelf meer zeggenschap geven.

De bureaucratische verantwoording wordt tot een minimum beperkt. Geen uitgebreide DBC’s en productcodes meer en geen minutenregistraties. Minimale protocollen en richtlijnen. Geen uitsplitsing van bevoegdheden van verplegers in de regelgeving. Institutioneel wantrouwen naar professionals in de zorg wordt vervangen door vertrouwen en hen een medeverantwoordelijkheid te geven in een efficiënt en doelmatig beheer. Een coöperatieve organisatievorm helpt daarbij om elkaar aan te spreken.

In de thuiszorg gaan we weer terug van taakgerichte zorg naar persoonsgerichte zorg in zelfsturende teams, zonder minutenzorg en afvinklijstjes, maar met meer tijd en aandacht voor een persoonlijke relatie met de cliënt. Resultaatsbekostiging (‘schoon huis’) wordt weer vervangen door indicatie van het benodigde aantal uren.

C.     Het Onderwijs

Voorstellen

147.         In het onderwijsbeleid voeren we een radicaal op gelijke kansen gericht beleid – nu bevestigd en vergroot het onderwijs eerder de gelijkheid van kansen. Dat vraagt in de eerste plaats om uitstel van studiekeuze tot 15/16 jaar met een investerings- en innovatieplan en -budget voor meer niveaudifferentiatie en verschillende werkvormen.

148.         Al in de vroegste jaren wordt nu ongelijkheid in kansen opgelopen. Het huidige voorschoolse onderwijs wordt steeds minder door kinderen van ouders met een laag inkomen/lage opleiding bezocht, ook door de oplopende kosten. We maken dit onderwijs daarom gratis, d.w.z. volledig collectief uit de belastingen gefinancierd, net zoals we dat met de kinderopvang gaan doen. De voorschoolse educatie moet – voor tenminste 16 uur per week – beschikbaar worden voor alle kinderen vanaf twee jaar. Onderwijs en kinderopvang, inclusief de voorschool, worden geïntegreerd in publiek en collectief gefinancierde en georganiseerde kindercentra.

149.         Deze centra worden onderwijscoöperaties met veel regel- en budgetruimte voor de onderwijsprofessionals. De leraar moet veel meer eigenaar van het onderwijsleerproces worden en dus ook daarover veel meer zeggenschap hebben. De lumpsum bekostiging wordt deels vervangen door meer overheidssturing opdat publiek geld ook overeenkomstig met het doel ervan effectief en efficiënt besteed wordt en er minder reserves nodig zijn. M.n. op terrein van het curriculum, personeel en huisvesting krijgt de overheid een grotere rol. Onderwijs moet weer om onderwijs draaien, zodat leraren niet zich druk hoeven te maken over statistieken en financiering.

150.         Hiervoor hebben we al aangegeven fors te investeren in werk in de publieke sector. In het onderwijs pakken we de forse tekorten van leraren aan met minder werkdruk en meer collega’s. We verminderen de werkdruk en realiseren meer aandacht per leerling. We realiseren kleinere klassen (gemiddeld 23 leerlingen, in achterstandswijken gemiddeld 12 leerlingen) en een kleinere lestaak (max. 1/3 van de aanstelling). Er komen ook meer onderwijsassistenten (per klas tenminste één), meer vakleerkrachten (bijv. voor bewegings- en voor cultuuronderwijs) en iedere school krijgt tenminste een schoolconciërge. Er komt meer specialistische begeleiding in kader van passend onderwijs. De salarissen van leraren in het PO en VO worden gelijk getrokken. We komen met een actieplan om sneller leraren op te leiden. Deze investeringen maken onderdeel uit van de eerder genoemde investering van 15 miljard euro per jaar in de publieke sector.

151.         We bevorderen dat de nieuwste inzichten van leerpsychologie toegepast worden in de werkvormen en didactiek in het onderwijs, met brede vorming en meer contact met ouders.

152.         In de bekostiging moet het meeste geld en de beste leraren en leermiddelen gaan naar de moeilijkste leerlingen/scholen met de grootste pedagogische uitdagingen, in plaats van de huidige rendementsbekostiging en het huidige onderwijsachterstandenbeleid. In plaats van premies op zo snel mogelijk doorstromen willen we een premie op het bieden van kansen. Bij scholen met een extra pedagogische uitdaging ontvangt men een toeslag en een kleinere lestaak, zodat er meer individuele begeleiding gegeven kan worden. De bekostiging moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien, en dit moet niet zoals nu juist risico’s voor een school opleveren. Concurrentie tussen scholen wordt zoveel mogelijk vervangen door samenwerking.

153.         De verschillen in kwaliteit tussen scholen moeten veel minder groot worden. Zwakke scholen moeten eerder onder toezicht worden geplaatst. Kinderen zijn anders de dupe.

154.         In het publiek bekostigde basis en voortgezet onderwijs komt er op iedere school een toelatingsrecht. Scholen mogen leerlingen niet meer afwijzen, ook niet vanwege de religieuze identiteit van de school. Bij capaciteitsproblemen kan er tijdelijk een stop worden toegestaan, maar de school moet dat met extra publieke middelen zo snel mogelijk oplossen.

155.         Mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties krijgen gericht extra overheidsgeld om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is. En we verlengen de leerplicht voor jongeren die nog geen startkwalificatie hebben en wel de potentie hebben die te halen.

156.         Stapelen van diploma’s is een belangrijk principe voor sociale mobiliteit. Jongeren krijgen een doorstroomrecht: een diploma geeft zonder extra voorwaarden recht op vervolgonderwijs. De aansluiting wordt verbeterd, extra toegangseisen vervallen en er komen goede schakelprogramma’s. Er komt extra geld voor extra begeleiding, bijlessen en coaching van studenten die doorstromen van mbo naar hbo, in het laatste jaar mbo en het eerste jaar hbo, en voor meer professionele studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding.

157.         We gaan het passend onderwijs beter afdwingen en faciliteren. Leerplichtambtenaren krijgen doorzettingsmacht om kinderen met een beperking op scholen te plaatsen. Er komt landelijk één wettelijke definitie van basiszorg dat de minimumondersteuning omschrijft die iedere school moet bieden. Scholen mogen dan niet langer leerlingen weigeren omdat ze niet in staat zouden zijn passend onderwijs te leveren. We brengen de bekostiging daartoe ook op orde. Erkend moet worden dat voor sommige leerlingen speciaal onderwijs een beter alternatief blijft. Daartoe blijven een aantal van deze scholen in regionaal verband in stand. Leerlingen met een (meervoudige) beperking die geen regulier onderwijs kunnen volgen, kunnen kosteloos onderwijs volgen of naar de dagbesteding. Voor het onderwijsdeel en de onderwijsondersteuning wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die ook, publiek bekostigd. De medicalisering van leerproblemen moet worden teruggedrongen.

158.         We willen minder prestatiedruk in het onderwijs. Met minder toetsen. Huiswerk zoveel mogelijk afschaffen. Plezier in leren moet een prioriteit zijn. Tegelijkertijd breiden we de onderwijstijd uit. Er komt een veel breder vakkenpakket. De taal- en rekenvaardigheid, maar ook de kennis in andere vakken moet substantieel omhoog. Teveel leerlingen ontberen nu basale, noodzakelijke kennis en vaardigheden. Maar er is ook meer dan alleen cognitieve kennis. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen, met ook vaardigheden, muziek, theater, beeldende vorming en bewegingsonderwijs. Moderne leerpsychologische kennis moet leiden tot betere didactiek, dus o.m. niet alleen leren door luisteren. Daarbij helpt het als er veel meer contact is tussen ouder, kind en leraar, ook voor tieners ouder dan 15 jaar. Geen 7 minuten op een ouderavond, maar uren. Liefst met het kind erbij. En dat er mensen worden ingevlogen voor lezingen over hoe je omgaat met leermotivatie of met angst, of over pesten of drugs.

159.         Er komt een speciaal programma gericht op veel betere deelnamecijfers van studenten met een beperking in het mbo en het hoger onderwijs. De toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten met een beperking wordt een afdwingbaar recht, de instellingen krijgen daarvoor extra middelen.

160.         Het komt nog steeds teveel voor dat studenten in het mbo en hbo geen stageplek krijgen door discriminatie, bijv. door een niet-westerse achternaam, een hoofddoek of vanwege hun genderidentiteit of -expressie. De onderwijsinstellingen zijn al verantwoordelijk voor het regelen van een stage. Daarenboven gaan we dat recht op stage afdwingbaar maken voor de studenten. En er komt een meldingsplicht voor discriminatie naar de Inspectie SZW.

161.         We zorgen voor een publiek gefinancierd landelijk aanbod van basiseducatie voor laaggeletterden[23], gericht op basisvaardigheden op het terrein van in ieder geval taal, rekenen en digitale vaardigheden, waaronder het kunnen beoordelen van informatie op betrouwbaarheid. Gemeenten moeten taakstellingen en geoormerkte middelen daarvoor krijgen. Er komen speciale, gratis, laagdrempelige en aantrekkelijke scholen voor basiseducatie in alle gemeenten met een extra inzet op de wijken waar dit probleem het grootst is (dit wordt onderdeel van de eerder genoemde nieuwe wijkaanpak), met een open digitaal interactief ondersteuningskanaal en een landelijk kwaliteitskader. Bij de opzet wordt samengewerkt met volwassenenonderwijs, bibliotheken en buurtwerk/wijkcentra, en met scholen in het PO en VO: scholen bemiddelen actief voor taalonderwijs voor ouders van hun leerlingen wanneer zij constateren dat die inzet nuttig kan zijn. Er komen aparte diploma’s voor de verschillende taalniveaus met een bescheiden bonus/beloning bij het behalen daarvan.

162.         Ook moeten we veel meer werk maken van toegankelijk volwassenenonderwijs. We organiseren een landelijk netwerk met volwassenenonderwijs: van tweede kans voortgezet onderwijs, van specifieke cursussen tot hoger onderwijs voor volwassenen – ondersteund door een ruim aanbod van digitaal afstandsonderwijs. Voor lage inkomens wordt dit gratis toegankelijk, en voor middeninkomens gaan gesubsidieerde tarieven gelden.

163.         Bibliotheken worden gratis en gepromoot met taal- en leescafés, quizzen, publieke dictees e.d. We investeren in moderne bibliotheken, met moderne media en digitale toegang, die nauw samenwerken met scholen en het taalonderwijs. Bibliotheken worden leesbevorderingscentra. Iedere wijk en ieder dorp moet een fysieke, goed toegankelijke bibliotheekvoorziening hebben. Jongeren tot 25 jaar en inkomens tot 130% van het sociaal minimum krijgen een gratis abonnement op een onafhankelijk dagblad (al dan niet digitaal) naar keuze, gratis toegang tot muziekschool of andere culturele scholing, en een lidmaatschap bij een sportclub naar keuze. Musea worden gratis voor jongeren en minima. We verdubbelen ook het cultuurbudget en zetten een open digitale universiteit op naar het voorbeeld in het VK.

164.         Al het onderwijs tot en met het mbo wordt gratis (het lesgeld in het mbo vervalt). Zgn. vrijwillige ouderbijdragen worden verboden. Excursies en leermiddelen worden in de bekostiging vergoed. We gaan ook de sluipende privatisering van het onderwijs tegen, door o.m. extra begeleiding in het reguliere onderwijs aan te bieden en te bekostigen.[24] Zo zorgen we dat elk kind, ongeacht de portemonnee van de ouders, gelijke kansen in het onderwijs heeft. Dat gaan we volledig financieren uit de Rijksbegroting.

165.         De huidige studiefinanciering (rentedragende studielening en aanvullende beurs) vervangen we door een voor iedereen gelijke studentenuitkering van 1000 euro per maand plus een OV-studentenkaart (met gratis reizen in daluren) – ongeacht ouderlijk inkomen en of je thuis- of zelfstandig woont. De uitkering wordt gekort bij eigen inkomsten boven de 500 euro per maand. Er is geen partner- of vermogenstoets.

Daarmee  wordt eindelijk materieel het door de studentenbeweging in de jaren 1960 bevochten studieloon ingevoerd. Als sociaaldemocraten gaan we altijd voor collectieve arrangementen, niet voor individuele arrangementen. Zo bouwen we solidariteit.

Daarbij moet wel gezorgd worden dat de eeuwige student niet terugkeert, en dat studievoortgang geborgd wordt. Dat moeten we echter niet als financiële prikkel bij het inkomen regelen, maar in de onderwijsregelgeving zelf, en in de financiële prikkel bij de eigen bijdrage in het onderwijs. Dat is nu het collegegeld of het lesgeld. Nadeel daarvan is dat dit vooraf moet worden betaald, voordat er sprake is van werkelijk individueel financieel rendement van de studie. Dat geeft een behoorlijke financiële drempel om te kunnen studeren.

166.         Wij stellen voor het lesgeld af te schaffen in het mbo, en voor het hoger onderwijs het collegegeld te vervangen door een door de Belastingdienst te innen studieheffing over het na afloop verdiende inkomen voor een bepaalde, maximum periode. De heffing is hoger na rato van het dan verdiende inkomen en naar rato van de verbruikte studieduur.

Studenten hoeven dan vooraf niets te betalen en krijgen tijdens hun studie een inkomen, die hun eventuele inkomen aanvult tot het sociaal minimum. Dat zal ook helpen tegen de huidige verdringing van bijv. vmbo-ers uit laag geschoolde (bij)baantjes door studenten. Studenten die thuis wonen tellen net als nu niet mee voor het bepalen van het huishoudinkomen.

Toelichting

In het onderwijswordt realisatie gelijke kansen de centrale opdracht, met een radicaal ander systeem voor de structuur, de inrichting en de bekostiging van het onderwijs én een systeem van studiepremies na afloop van de studie in plaats van huidige les- en collegegelden, en met gratis onderwijs tot en met mbo.

Ons onderwijssysteem werkt als een meedogenloze sorteermachine, waarbij kinderen van hoopopgeleide ouders in het voordeel zijn. In het huidige onderwijs worden de kaarten voor je toekomst al geschud op je 12e levensjaar. Dat is idioot vroeg, sociaal wreed en internationaal ook volstrekt ongebruikelijk. Daar helpt geen Cito-toets aan (al hebben objectieve toetsen geen vooroordelen en mensen wel, hetgeen ook uit alle onderzoek blijkt). De kloof tussen vmbo-scholen en havo-vwo-scholen is symbolisch voor de rigide tweedeling in ons onderwijs. Zelden zit een vmbo en een havo in hetzelfde gebouw, of zelfs maar in dezelfde wijk. Op havo-vwo-scholen zitten in meerderheid kinderen van hoogopgeleide, witte ouders, op vmbo-scholen voornamelijk kinderen van lager opgeleiden, van allerlei herkomst. Stapelen van opleidingen wordt tegelijkertijd steeds moeilijker gemaakt (bijv. door de eis dat vmbo-ers een extra vak moeten volgen om door te kunnen stromen naar het havo, in plaats van al op het vmbo examineren in een extra vak mogelijk te maken), of door het leenstelsel ontmoedigd. We laten zo een hoop talent liggen, en veel leerlingen laten we zitten met frustraties en verloren illusies over gelijke kansen. Zo klonen de ouders zichzelf in hun kinderen en houden we de sociale ongelijkheid keurig in stand.

Het belangrijkste wat we daaraan kunnen doen is uitstel van studiekeuze tot 15/16 jaar met een investerings- en innovatieplan en -budget voor meer niveaudifferentiatie en verschillende werkvormen. De valbijl na groep 8 van het basisonderwijs moet vervangen worden door een open systeem waarin klimmen altijd mogelijk is daar ook effectief bij helpt. Een kind zou nooit gevangen moeten zitten een laatje. Het zou voortdurend de mogelijkheden moeten hebben om van niveau te wisselen, om te ontdekken wat het kan en te tonen waar het goed in is. De gelegenheid om inzinkingen te herstellen ook, om te stapelen dus. Niet het feit dat leerlingen van uiteenlopend niveau bij elkaar in de klas zitten is het probleem, maar het feit dat alle leerlingen op hetzelfde moment moeten leren. Er komt een extra budget en inzet om succesvolle aanpak te verspreiden en experimenten uit te voeren. Na je 15e/16e levensjaar volgt er selectie naar meerdere vervolgsporen, ook met beroepsonderwijs en werkend leren. We erkennen dat het niet realistisch is dat iedereen een vwo-opleiding kan volgen, hoeveel ondersteuning hij of zij ook krijgt. De samenleving is divers en dus zal ook het onderwijs dat moeten zijn. Daar ligt echter wel meteen een nieuwe uitdaging. Diversiteit mag niet ontaarden in hoogwaardig onderwijs voor degene die het kan betalen, en inadequaat onderwijs voor de rest. We weten dat kleinschalig en intensief onderwijs resultaat oplevert. We weten ook dat het duur is. Daarom zorgen we dat het meeste geld en de beste leraren naar juist deze leerlingen gaat.

Onderwijskwaliteit is vooral lerarenkwaliteit. Er zijn nu grote tekorten, o.m. omdat het beroep veel aan aantrekkingskracht heeft verloren. We vergroten de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep met naast een forse salarisverbetering, de vermindering van de werkdruk (met o.m. kleinere klassen: gemiddeld bijv. 23 leerlingen met in achterstandswijken gemiddeld 12 leerlingen, een kleinere lestaak, bijv. max. 1/3 van de aanstelling, baansplitsing met meer onderwijsassistenten, en veel minder administratieve verplichtingen), betere ondersteuning en bekostiging, en ruimere regelruimte met meer zelfsturing. Daarmee creëren we ook duizenden nieuwe arbeidsplaatsen in het onderwijs.

Scholen worden leercoöperaties van onderwijsprofessionals, met pedagogisch-didactisch verschillende profielen, plat en kleinschalig georganiseerd, en met veel regel- en budgetruimte. Iedere school krijgt tenminste een schoolconciërge.

Er komt ook meer onderwijstijd per leerling. Het leren op school moet leren van de nieuwste inzichten over ontwikkelingspsychologie. Kinderen leren weinig van passief luisteren, maar veel door te ervaren. Klassieke kennisoverdracht is ontzettend belangrijk, maar dat gebeurt het effectiefst door andere werkvormen. Brede vorming, met ook veel aandacht voor sport en beweging, voor muziek, drama en andere vormen van cultuur stimuleert het leren enorm – niet alleen voor gymnasiasten, maar voor alle kinderen, dus ook op wat nu havo, vmbo en mbo is. Kinderen worden nu te vaak en op veel te jonge leeftijd afgescheept met de mededeling: leren is niets voor jou, ga maar naar het vmbo. Mbo-ers hebben veel moeite om door te stromen naar het hbo, omdat het onderwijs dat hun wordt geboden te schraal en te smal is. Dat heeft niets te maken met slimheid, maar met een gebrek aan kennis en ervaringen, vaak door een andere sociale achtergrond. Als je in een galerijflat opgroeit met ouders met weinig opleiding, is een schoolcarrière niet vanzelfsprekend. Hoe ver je komt op school ligt niet zomaar vast in de genen, het is vooral de omgeving die bepalend is. Als er meer in je geloofd wordt en je gestimuleerd en geïnspireerd wordt, kom je verder. Dat is juist bij vmbo-leerlingen van belang. Daar hebben de ouders vaak niet de middelen en moet de school het dus doen. Groepswerk is belangrijk en geef leerlingen de ruimte om oude kennis aan nieuwe problemen te koppelen, door creatief te denken, risico’s te nemen, met elkaar te discussiëren.

Daarbij helpt het als er veel meer contact is tussen ouder, kind en leraar, ook voor tieners ouder dan 15 jaar. Geen 7 minuten op een ouderavond, maar uren. Liefst met het kind erbij. En dat er mensen worden ingevlogen voor lezingen over hoe je omgaat met leermotivatie of met angst, of over pesten of drugs. Leraren hebben daarvoor meer tijd nodig en dat kan door de lestaak terug te brengen.

Onderwijs moet weer om onderwijs draaien, zodat leraren niet zich druk hoeven te maken over statistieken en financiering. Het rendementsdenken in het onderwijs leidt tot uitwassen waarin resultaatgerichtheid gemengd met student- of leerling-vriendelijkheid leidt tot een situatie waarin zoveel mogelijk leerlingen zo snel mogelijk aan een diploma geholpen wordt om de financiering rond te krijgen. Het gaat niet om kwaliteitsverbetering, maar om resultaatsverbetering. Formuleer op zijn minst een andere definitie van onderwijsrendement. Nog altijd lopen scholen een financieel risico als ze leerlingen de mogelijkheid geven het te proberen op een hoger niveau. Scholen worden afgerekend op rendement en examencijfers, dus twijfelgevallen, omlopers en laatbloeiers zijn een risico. Het leidt er soms toe dat een leerling naar een lager schooltype wordt verwezen, terwijl hij met wat extra tijd en begeleiding het hogere schooltype misschien wel had kunnen halen. Dat is nu gunstig voor het rendement. Om stapelen tot een succes te maken moet er juist een premie komen op het bieden van kansen, niet op rendement. In plaats van de ambitie van de leerling is nu het (voor)oordeel van de leraar over kans op succes teveel leidend, en bij dat oordeel wordt de school geprikkeld geen risico te nemen. Dat mechanisme houdt de tweedeling in ons onderwijs in stand. Een definitie van rendement moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien.

In de bekostiging moet het meeste geld en de beste leraren en leermiddelen gaan naar de moeilijkste leerlingen/scholen met de grootste pedagogische uitdagingen, in plaats van de huidige rendementsbekostiging en het huidige onderwijsachterstandenbeleid. Nu wordt ook juist de gymnasiumleraar in plaats van de vmbo leraar het best beloond. We moeten daarentegen het meeste geld en de beste betaalde leraren plaatsen bij scholen met de grootste pedagogische uitdaging. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die dan ook. Nu zijn juist op de scholen met de laagste opleidingsniveaus vaak, behoudens een enkele idealist, de leraren werkzaam die overbleven op de arbeidsmarkt. Op deze scholen is het percentage onbevoegd gegeven lessen en het ziekteverzuim onder leraren veel hoger, en met lagere salarissen. Leerlingen op het vmbo hebben net zoveel of zelfs meer recht op universitair geschoolde leraren en leraren die zo goed zijn dat ze de scholen voor het uitkiezen hebben als hun leeftijdgenoten op het havo en vwo. We trekken de salarissen tussen PO en VO (nu verdienen ze in het PO 20% minder) en binnen het VO gelijk en bij scholen met een extra pedagogische uitdaging ontvangt men een toeslag en een kleinere lestaak, zodat er meer individuele begeleiding gegeven kan worden. We gaan ook de sluipende privatisering van het onderwijs tegen. Scholen krijgen budget om bijspijkerlessen op school aan te bieden, zodat elke leerling die dat nodig heeft er gebruik van kan maken. Ook kunnen scholen de mogelijkheid bieden aan leerlingen met een achterstand om een weekend- of zomerschool te volgen. Zo zorgen we dat elk kind, ongeacht de portemonnee van de ouders, gelijke kansen in het onderwijs heeft.

De verschillen in kwaliteit tussen scholen moeten sterk minder worden. De overheid moet niet langer naar de schoolbesturen kunnen verwijzen – goed onderwijs is in de allereerste plaats een verantwoordelijkheid van de overheid. Een minister kan ook niet Albert Heijn de schuld geven van verslechterde volksgezondheid. De lat moet hoger voor de scholen. Met beter opgeleide en beter betaalde leraren met minder grote lestaak, minder grote groepen leerlingen en minder administratieve last moet dat ook kunnen. Zwakke scholen moeten sneller gesloten worden. Kinderen zijn anders de dupe.

Het passend onderwijsstelsel – waarmee leerlingen met extra zorgbehoefte op reguliere scholen die zorg moesten krijgen en speciale scholen voor hen overbodig zouden moeten worden – is nog niet geslaagd. Te veel kinderen zitten thuis en leerkrachten ervaren in klassen met kinderen met functiebeperking nog enorm veel werkdruk. Kinderen vallen daardoor tussen wal en schip en krijgen niet het onderwijs dat ze nodig hebben. Leerplichtambtenaren moeten doorzettingsmacht krijgen om kinderen met een beperking op scholen te plaatsen. Er komt landelijk één definitie van basiszorg dat de minimumondersteuning omschrijft die iedere school moet bieden. Erkend moet worden dat voor sommige leerlingen speciaal onderwijs een beter alternatief blijft. Daartoe blijven een aantal van deze scholen in regionaal verband in stand. Leerlingen met een (meervoudige) beperking die geen regulier onderwijs kunnen volgen, kunnen kosteloos onderwijs volgen of naar de dagbesteding. Voor het onderwijsdeel en de onderwijsondersteuning wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die ook, publiek bekostigd. De medicalisering van leerproblemen moet worden teruggedrongen. Teveel kinderen krijgen medicijnen zonder goede diagnostiek. Zo’n diagnose is moeilijk, daar moet minimaal een kinderpsychiater of kinderneuroloog aan te pas komen. Vaak is meer structuur geven een betere oplossing dan medicijnen.

Kinderen van niet-Nederlandse afkomst of uit arme gezinnen beginnen in groep 1 van de basisschool vaak met een achterstand. Dat moet anders en daarom willen we kinderopvang, voorschoolse educatie, peuterspeelzaal en basisschool naadloos op elkaar laten aansluiten. Wij willen naar één voorziening voor opvang van kinderen tot vier jaar, waarin kinderopvang, voorschoolse educatie en peuterspeelzalen in elkaar opgaan. Op de basisschool en buitenschoolse opvang kunnen alle kinderen straks van 7 tot 19 uur terecht, zodat ouders de kans krijgen om te werken. Kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget worden vervangen door publiek bekostigde en algemeen zonder eigen bijdragen een voor iedereen toegankelijke en goede kinderopvang en voorschoolse educatie.

We investeren fors in het beroepsonderwijs, en moderniseren en faciliteren het lerend werken met een Onderwijsakkoord met werkgevers en werknemers. Goed praktijkonderwijs met de modernste machines is duur. Maar we moeten ons realiseren dat 60% van onze leerlingen nu naar het vmbo gaat. Goed opgeleide vakmensen leveren de samenleving bovendien veel op, terwijl voortijdige schooluitval met alle gevolgen van dien de samenleving handenvol geld kost. Het beroepsonderwijs zal adequater moeten reageren op de snel veranderende eisen van de arbeidsmarkt. Wij willen dat het mbo-aanbod per regio afgestemd wordt op de regionale economie en de dynamiek van de arbeidsmarkt. We werken daarmee aan een herstructurering van het aanbod van het beroepsonderwijs opdat niet tot werkloosheid, maar juist voor banen waar tekorten zijn of dreigen wordt opgeleid. Dat gebeurt in overleg met sociale partners in de regio en met medezeggenschap van de mbo-studenten. Werkgevers die medezeggenschap krijgen in het beroepsonderwijs moeten ook stageplekken realiseren. Wij willen mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties gericht extra overheidsgeld geven om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is. Voor veel studenten, maar ook voor het bedrijfsleven, is werkend leren, de zgn. beroepsbegeleidende leerweg (BBL) belangrijk. Wij willen met gerichte (loonkosten)subsidies deelname aan de BBL bevorderen. Scholen en bedrijven zijn samen verantwoordelijk voor beschikbaarheid van voldoende stageplaatsen en zullen daarop worden aangesproken. De voorstellen daarvoor staan in hoofdstuk II.

Alle belemmeringen voor het stapelen van studies worden geschrapt. Stapelen van diploma’s is een belangrijk principe voor sociale mobiliteit. Jongeren krijgen een doorstroomrecht: een diploma is een diploma en geeft zonder extra voorwaarden recht op vervolgonderwijs. Op alle niveaus wordt het mogelijk door te stromen naar een volgende opleiding.  Zowel de aansluiting van mbo naar hbo, als de aansluiting van hbo naar wo, wordt verbeterd. De extra toegangseisen vervallen, lesprogramma’s moeten beter op elkaar aansluiten en er komen goede schakelprogramma’s. Naast het belang van doorstromen naar het hoger onderwijs moet er meer aandacht zijn voor de waarde van het vakmanschap van de afstudeerders van het mbo. Werkgevers stimuleren we om zogenaamde entree studenten een kans te geven op een baan en onderwijsinitiatieven van entree opleidingen die gericht zijn op werk i.p.v. diploma stimuleren we ook. We verlengen de leerplicht voor jongeren die nog geen startkwalificatie hebben.

Het onderwijs tot en met mbo wordt gratis, inclusief leermiddelen, excursies, etc. De zgn. vrijwillige schoolfondsbijdragen worden verboden, de kosten worden voortaan meegenomen in de publieke bekostiging van scholen. Alle studenten in mbo en hoger onderwijs vanaf 18 jaar krijgen een individuele gelijke uitkering van 1000 euro plus gratis reizen in het OV in daluren. Daarbij mag men dan 500 euro bijverdienen. Daarmee komt men aan gelijk inkomen als het in hoofdstuk I bepleitte Zekerheidsinkomen, dat niet voor studenten geldt. Er is bij de studentenuitkering geen partner- of vermogenstoets.  Ook in het hoger onderwijs worden voortaan leermiddelen, excursies e.d. in bekostiging meegenomen. Collegegelden en studieleningen worden in het hoger onderwijs vervangen door een na afloop van de studie te betalen studiepremie, een heffing gerelateerd aan het na de studie verdiende inkomen en aan de gebruikte studieduur. Universiteiten en hogescholen worden volledig gecompenseerd voor het vervallen van de collegegelden. De ontvangen studieheffing wordt gebruikt voor het deels financieren van de studentenuitkering.

Laaggeletterdheid is in ons land een groot probleem, dat niet beperkt is tot anderstaligen. Maar liefst 2,5 miljoen volwassenen in Nederland hebben moeite met lezen, schrijven en/of rekenen, en twee derde is van Nederlandse afkomst. Laaggeletterdheid is een term voor mensen die grote moeite hebben met lezen, schrijven en/of rekenen. Mensen die laaggeletterd zijn, zijn geen analfabeten. Ze kunnen wel lezen en schrijven, maar beheersen niet het eindniveau vmbo of niveau mbo-2/3.

Mensen die laaggeletterd zijn hebben onder meer moeite met formulieren invullen (zorgtoeslag, belasting, etc.), straatnaamborden lezen, reizen met openbaar vervoer, voorlezen aan (klein)kinderen, pinnen en digitaal betalen, werken met de computer, solliciteren, en begrijpen van informatie over gezondheid en zorg. Daardoor kunnen ze onvoldoende meedoen in onze samenleving. Zo’n 50% van de mensen met financiële problemen is laaggeletterd en laaggeletterden lopen jaarlijks ruim een half miljard euro aan inkomsten mis. De maatschappij heeft naar schatting jaarlijks ruim 1,1 miljard euro aan maatschappelijke kosten door laaggeletterdheid. Het is echter lastig om ze te bereiken, omdat schaamte hen vaak weerhoudt om hulp te zoeken. We moeten niettemin een forse campagne starten met allerlei programma’s om laaggeletterdheid substantieel te verminderen. Gemeenten moeten taakstellingen en middelen daarvoor krijgen.

Ook moeten we veel meer werk maken van toegankelijk volwassenenonderwijs. We organiseren een landelijk netwerk met volwassenenonderwijs: van tweede kans voortgezet onderwijs, van specifieke cursussen tot hoger onderwijs voor volwassenen – ondersteund door een ruim aanbod van digitaal afstandsonderwijs. Voor lage inkomens wordt dit gratis toegankelijk, en voor middeninkomens gaan gesubsidieerde tarieven gelden.

D.    De veiligheidssector

167.         De veiligheidssector zit verstopt. De rechtsstaat en de toegang tot het recht komen steeds meer in het geding. De hele rechtsketen dreigt door tekorten verstopt te raken. De extra banen moeten deze tekorten opheffen. We verbeteren de veiligheid, de toegang tot het recht en de werking van de rechtsketen. In de veiligheids- en justitiesector investeren we ook in meer personeel en betere beloning, als onderdeel van de eerder genoemde investeringen in de publieke sector. We zorgen onder meer voor duizenden extra wijkagenten, extra rechercheurs, specialisten op bijv. bestrijding van cybercriminaliteit, meer rechtshulp en rechters, militairen, marechaussees, maar ook voor conducteurs, toezichthouders, wijkconciërges, en inspecteurs van toezichthouders (denk aan de Belastingdienst, de Arbeidsinspectie, de Privacy-waakhond, de Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspectie voor milieu en van landbouw, etc.). We verzetten ons tegen de vervanging van politietaken door steeds meer buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s), en het geweldsmonopolie moet blijven liggen bij de politie.

168.         En we verleggen de focus. Veel criminaliteit is nu drugsgerelateerd. In plaats van steeds meer inzet op repressie, dat aantoonbaar niet werkt, zetten we in op legalisering en regulering van drugs. Maar ook meer in het algemeen zetten we minder eenzijdig in op strafrecht, en meer op preventie en reclassering, met een aparte inzet op veelplegers, met name bij jongeren. Uit onderzoek blijkt dat een ruime meerderheid van veroordeelden een verstandelijke beperking of stoornis heeft. Er moet daarom veel meer worden ingezet op effectieve behandeling, soms langdurig of zelfs levenslang. Gedurende die periode moet ook de bescherming van de samenleving tegen mogelijke recidive tenminste net zo zwaar gewogen worden als het belang van de cliënt in TBS.

169.         Georganiseerde criminaliteit en de verbindingen daarmee met de bovenwereld (o.m. door witwassen), wapenhandel, terrorisme en belastingontduiking/witte boorden criminaliteit worden het speerpunt van repressie. Er komen meer mogelijkheden om financiële en vastgoedtransacties waarbij wordt witgewassen, aan te pakken, ook achteraf.

170.         Daklozen, verslaafden, mensen zonder verblijfsvergunning, worden niet meer achtervolgd met boetes en opsluitingen, maar begeleid, gericht op oplossing van hun problemen.

171.         Kinder- en mensenrechten worden weer hard gegarandeerd. We maken meer werk van strijd tegen discriminatie (incl. homofobie, islamofobie en antisemitisme), huishoudelijk geweld, besnijdenis van vrouwen, gedwongen huwelijken, kindhuwelijken, eerwraak, mensenhandel en seksuele intimidatie, waaronder intimidatie op straat. Dat laatste wordt eindelijk wettelijk strafbaar. We bestrijden actief etnische profilering bij de politie en bestrijden ook daar het institutioneel racisme.

172.         We investeren ook in de organisaties, scheidden justitie weer van de politie, en decentraliseren een deel van de aansturing van de nationale politie.

173.         We ontlasten de rechtspraak ook door veel procedures niet meer in eerste instantie door de rechter te laten afdoen, zoals bij echtscheiding en schuldhulpverlening.

174.         We verlagen de griffierechten en investeren in gratis rechtsbijstand en juridisch advies.

175.         Bij de versterking van defensie zorgen we vooral voor meer inzet op personeel, met een betere uitrusting, beloning en rechtspositie. De investeringen in defensie moeten substantieel worden verhoogd om aan de actuele bedreigingen en Europese ambities te voldoen. Naast de dreiging van het internationaal terrorisme is er buitenlandse dreiging voor onze veiligheid en/of behoud van onze democratische rechtsstaat vanuit o.m. Rusland, China, Syrië en andere delen van het Midden-Oosten en Venezuela.

De inzet is gericht op bestrijding van dat terrorisme en het pacificeren van in de eerste plaats Europa, het Midden-Oosten (incl. een eigen entiteit voor de Palestijnen) en Afrika. Daarbij wordt defensie naast diplomatie en ontwikkelingssamenwerking ingezet.

We streven naar veel meer Europese defensiesamenwerking en willen de afhankelijkheid van de VS verminderen.

De 2% norm van de NAVO kan dan ondanks de extra ambitie worden verlaagd. De totale defensie-uitgaven moeten niet meer afhankelijk zijn van het nationaal inkomen, alleen de verdeling van die uitgaven over de lidstaten moet dat zijn.[25] We combineren deze systeemwijziging met de hiervoor genoemde substantiële verhoging van het defensiebudget.


[1] Banninglezing door Lodewijk Asscher, De Rode Hoed, maart 2018

[2] https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2017/04/24/weten-is-nog-geen-doen

[3] In de rapporten van de Nationale Ombudsman is deze vicieuze cirkel terug te zien. In zijn rapport “In het krijt bij de overheid” is te lezen hoe mensen steeds dieper wegzakken in de schulden omdat ze achterlopen bij het betalen van rekeningen aan het UWV en de Belastingdienst. Vaak begon het met een boete die werd opgelegd vanwege een foutief ingevuld formulier of te laat doorgegeven informatie.

[4] Zie: https://www.skipr.nl/blog/via-een-omweg-toch-afschaffing-vrije-artsenkeuze/

[5] Daarbij wordt een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten getroffen. Om de democratische controle daarbij te verbeteren, stellen we in hoofdstuk IX voor om de wet voor deze gemeenschappelijke regelingen aan te passen.

[6] Zie: https://www.pvda.nl/nieuws/big-farma-gezond/

[7] Waar dat nu al gebeurt is de kwaliteit van de diagnose beter. Het CIZ heeft nu overigens grote achterstanden en wachttijden.

[8] https://iederin.nl/21837-2/

[9] https://nos.nl/artikel/2314966-gemeenten-hebben-nauwelijks-zicht-op-besteding-van-zorggeld.html

[10] https://www.nrc.nl/nieuws/2019/11/18/kabinet-en-gemeenten-laten-kwetsbare-kinderen-in-de-steek-a3980724

[11] Zie: https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/stop-met-wegduiken-voor-pijnlijke-keuzes-in-de-zorg-bepleit-wouter-bos~ba656629/ (12 oktober 2018)

[12] Zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/22/zorguitgaven-stijgen-in-2017-met-2-1-procent en: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/20/zorguitgaven-stijgen-in-2016-met-1-8-procent

[13] https://www.groene.nl/artikel/de-kosten-in-de-zorg?fbclid=IwAR07lJvyI6g7FZbEOi21gYj5bX0WIF84aKoUNyy7T2MnT-Vusi9l4s7m5Aw

[14] In 2011 waren de 13,5 miljoen Nederlandse premiebetalers nog maximaal 170 euro per jaar aan eigen risico kwijt, inmiddels is dat 385 euro. Wie medicijnen gebruikt, bloed laat prikken of naar een specialist moet, betaalt de eerste 385 euro zelf. De helft van de mensen is jaarlijks het hele eigen risico kwijt, de andere helft verbruikt een deel ervan.

[15] In 2012 kwamen inkomens tot 35.011 euro (voor alleenwonenden) en tot 51.690 euro (voor meerpersoonshuishoudens) voor zorgtoeslag in aanmerking. Inmiddels is de zorgtoeslag er alleen voor mensen met een inkomen tot 27.012 euro (alleenwonenden) of tot 33.765 euro (meerpersoonshuishoudens). Bovendien werden de bedragen sterk verlaagd, vooral voor wie iets boven het sociaal minimum zit.

[16] Zorgverzekeraars zijn slechts mondjesmaat bereid tot het verstrekken van voorschotten of gebruiken dit zelfs als breekijzer in onderhandelingen met ziekenhuizen. Het geld dat ziekenhuizen en andere zorginstellingen in de tussentijd nodig hebben, lenen ze in de regel bij de bank. En omdat we zo nodig in een marktstelsel moeten opereren komen daar tegenwoordig de volledige financieringskosten van huisvesting, verbouwing en investering ook nog eens bij. Voor een gemiddeld ziekenhuis lopen de rentelasten dan al snel op tot enkele miljoenen euro’s per jaar. Doordat de overheid zich daarnaast steeds verder terugtrekt worden de eisen qua solvabiliteit en financieringsratio’s voor instellingen steeds hoger. In de afgelopen tien jaar is de solvabiliteit toegenomen van gemiddeld 8% tot 20%. Daarmee hebben de gezamenlijke zorginstellingen een kleine € 12 miljard op de bank staan dat niets staat te doen in tijden van krapte en bezuinigingen.

[17] http://delangemars.nl/2017/09/03/zorgverzekeraars-maken-afgelopen-vijf-jaar-5-miljard-winst/

[18] Zie: https://www.medischcontact.nl/opinie/blogs-columns/column/dubbele-bodem-1.htm

[19] https://iederin.nl/21837-2/

[20] https://nos.nl/artikel/2314966-gemeenten-hebben-nauwelijks-zicht-op-besteding-van-zorggeld.html

[21] https://www.nrc.nl/nieuws/2019/11/18/kabinet-en-gemeenten-laten-kwetsbare-kinderen-in-de-steek-a3980724

[22] Zie: https://pointer.kro-ncrv.nl/artikelen/zo-vind-je-minstens-85-zorgbedrijven-die-structureel-hoge-winst-maken en: https://www.ftm.nl/dossier/zorgcowboys

[23] In Nederland zijn er ongeveer 2,5 miljoen mensen van 16 jaar en ouder laaggeletterd. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

[24] Scholen krijgen budget om bijspijkerlessen en huiswerkbegeleiding op school aan te bieden, zodat elke leerling die dat nodig heeft er gebruik van kan maken. Ook kunnen scholen bekostigd de mogelijkheid bieden aan leerlingen met een achterstand om een weekend- of zomerschool te volgen.

[25] Het probleem ligt nu niet zozeer in de totale omvang van de defensie-uitgaven. Weliswaar voldoen nu alleen de VS, het VK, Turkije en Estland aan de 2% norm (de VS zelfs 4%), maar in absolute bedragen besteed de NAVO meer dan vier maal zoveel uit aan defensie als de Russische Federatie en twee maal zoveel als China. Wanneer echt alle NAVO-lidstaten 2% van hun bbp aan defensie zouden uitgeven, zouden we niet weten wat te doen met de enorme bedragen die dan beschikbaar komen – het zou volkomen absurd zijn. Het probleem zit hem veel meel in het teveel ontbreken van samenwerking, verschillende systemen, teveel doublures. Percentages zeggen niet zoveel: dat Estland meer dan 2% van zijn bbp uitgeeft aan defensie helpt de NAVO in absolute bedragen nauwelijks.

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Hoofdstuk VIII. De markt meester worden: terug naar het Rijnlandse model

Een Nieuwe Tien over Rood – Concrete Voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdAE

Voorstellen:

 A.    Gereguleerde marktwerking

176.         De markt is ontspoord in een Angelsaksische dodemansrit. We moeten terug naar het Rijnlandse model. We moeten de markt weer meester worden. Lange termijndoelen met balans in de belangen van alle stakeholders moeten centraal komen te staan, in plaats van alleen korte termijnbelangen van aandeelhouders. Naast het private winstbelang moeten ondernemingen zich rekenschap geven over hoe zij bijdragen aan de belangen van hun werknemers en aan publieke belangen, zoals een duurzame, circulaire productie – </