All posts by Beheerder

Maatregelen i.v.m. Covid-19 pandemie

Brief aan Tweede Kamerfractie vanLinksom! in de PvdA (25 maart 2020)

Beste fractie, partijgenoten,

Met deze brief willen wij jullie allereerst danken voor jullie goede en constructieve inbreng bij het nemen van maatregelen in het kader van beheersing van de crisis door het coronavirus en de gevolgen daarvan. Wij volgen het op de voet en zijn blij met de inhoud en presentatie van jullie inzet. De wijze waarop in ons land de invulling van onze democratie toch wordt voortgezet, ondanks alle beperkingen, verdient veruit de voorkeur boven het regeren bij volmacht zoals bij onze zuiderburen. Dat vraagt ook een verantwoordelijke inzet, en we zijn blij dat jullie dat met anderen, en in schril contrast met de PVV en FvD, met glans doen.

Als betrokken partijgenoten willen we graag aandringen op een verdere aanscherping en bewaking van het kabinetsbeleid en enkele suggesties daarvoor doen. Van Waarde en andere congresbesluiten zijn daarbij onze leidraad. Ook het bewaken van onze democratie, rechtsstaat, burgerrechten, het primaat van de overheid en het tegengaan van pogingen tot misbruik maken van de crisis, zowel voor de eigen politieke agenda of commercieel gewin, staan scherp op ons netvlies.

Aanpak van de pandemie

Wat betreft de aanpak van het virus zelf zien we vooral coördinatieproblemen doordat de rol van de Rijksoverheid in de zorg onaanvaardbaar is teruggedrongen. Zeker in tijden van crisis moeten we niet afhankelijk zijn van de medewerking van private partijen als zorgverzekeraars, maar moet de rijksoverheid regie en doordrukmacht hebben. Ook de minimale capaciteit die aan het begin van de crisis beschikbaar was (testmateriaal, IC-plekken en -apparatuur, beschermingsmateriaal, voldoende geschoold personeel) sterkt ons in onze overtuiging dat er na de crisis ook structureel een stelselwijziging in de zorg nodig is, gericht op het herstellen van publieke regie, het uitbannen van marktwerking en gericht op samenwerking in plaats van op concurrentie. Vooruitlopend daarop zouden we in de crisis de minister van VWS noodbevoegdheden moeten geven. Beschermingsmateriaal moet veel sneller beschikbaar komen voor in ieder geval ook huisartsen, verloskundigen en zorgmedewerkers in de jeugdzorg, de GGZ, de ouderenzorg en de zorg voor mensen met een beperking.

Het is terecht dat jullie op hoofdlijnen de aanpak van de crisis, gericht op beheersing van infecties in relatie tot de maximale zorgcapaciteit, steunen. Wel delen we de zorg dat er wellicht toch meer nodig is. Het is verstandig beleid om daarbij nauw aan te sluiten bij de expertise van experts. Daarbij is het wel lastig dat ook de experts nog veel niet weten en het soms ook niet met elkaar eens zijn. Zorgwekkender is dat internationale kennis, waarschuwingen en bevindingen maar langzaam de Nederlandse verantwoordelijke bestuurders bereiken. Politiek en bestuur is meer dan het zich verschuilen achter anonieme deskundigen.

Het voorzorgprincipe vereist nu dat we bij twijfel wel maatregelen nemen. Het is voor het publieke vertrouwen niet goed als maatschappelijke druk dat teveel moet afdwingen, zoals bij de sluiting van scholen en de kinderopvang. Dat kun je maar beter voor zijn, zeker nu de extra maatschappelijke kosten van extra maatregelen in het perspectief van al genomen maatregelen relatief beperkt zullen zijn en het besmettingsrisico zo hoog lijkt. Daarbij vragen wij in het bijzonder aandacht voor het WHO-advies om veel meer te testen. Ook voorbeelden in het buitenland waar dat wel wordt gedaan (Duitsland, Taiwan, Singapore, Korea en op haar eigen wijze China) lijken erop te wijzen dat dit een significant positief effect heeft op de beheersing van de crisis. Dat er nu te weinig testmateriaal is mag niet tot inertie op dit punt blijven leiden. Nederland laat zich toch graag voorstaan op haar positie op biotechnologie gebied? Er moet waar nodig een massieve inzet komen met participatie van ons hoger onderwijs en onderzoek om die te ontwikkelen. Wat ons betreft organiseert de overheid ook de productie en distributie ervan.

Voorkomen van herhaling

Ook moet er nu een langdurige (experts hebben het over 20 jaar) investeringsverplichting worden gedaan voor onderzoek naar nieuwe vaccins, een significante verbetering van de vroeg signalering en beschikbare medicijnen die schade bij infectie beperken en herstel bespoedigen.

En er is alle aanleiding nu meer dan ooit in te zetten op het voorkomen van zoönoses door beëindiging van de intensieve veeteelt. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – te beginnen met een halvering in de komende 10 jaar en een volledige beëindiging van intensieve veeteelt binnen 30 jaar. Er moet per direct een moratorium komen op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We willen de provincies de bevoegdheid geven om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens willen we het voorzorgcriterium opnemen als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet. Uiteraard moet dit sociaal plaatsvinden, door boeren perspectief te geven op een nieuwe, duurzame maar ook bedrijfseconomische rendabele toekomst.

Goede beloning van mensen in vitale beroepen

Het is geweldig dat er mede op jullie initiatief een motie Kamerbreed is aangenomen om de helden in de zorg een bonus te geven. Onze partijgenoot Martin van Rijn kan daar hopelijk nu snel een ruimhartige invulling aangeven. Maar dat laat onverlet dat met de lijst van vitale beroepen die nog gebruik kunnen blijven maken van de kinderopvang, pijnlijk duidelijk is dat bijna al deze beroepsuitoefenaars zwaar onderbetaald worden. Iedere crisis creëert ook weer kansen, en het lijkt ons van prioritair belang dat we in de nasleep van deze crisis (bij de behandeling van de Rijksbegroting en het Belastingplan voor 2021) een betere, structurele beloning en meer collega’s voor minder werkdruk nu gaan afdwingen.

Kinderopvang gratis maken

Wat betreft de kinderopvang is het absurd dat de staatssecretaris van SZW nu de ouders die door de crisis geen toegang tot de kinderopvang hebben, eerst hun eigen bijdrage wil laten betalen en dan dat later weer wil compenseren. Alsof de kinderopvangtoeslagaffaire niet genoeg heeft aangetoond dat we radicaal moeten stoppen met het rondpompen van geld. Dit is een gouden kans om van het kabinet te eisen dat de eigen bijdragen aan kinderopvang geheel worden beëindigd, en dat financiering via (progressief te maken) belastingen dient te geschieden. De slachtoffers van de affaire moeten o.i. een generaal pardon krijgen en directe hulp. Een jarenlang dossieronderzoek is echt de verkeerde weg, gegeven het weerzinwekkende gevoerde terugvorderingsbeleid.

Steunmaatregelen voor werk en inkomen

We zijn samen met jullie ook zeer blij dat bij de beheersing van de crisis, anders dan in 2008, nu behoud van zekerheid over werk en inkomen de voornaamste inzet is. Ook als de staatsschuld niet zo laag zou zijn, zou dat een sociaaldemocratische inzet moeten zijn: de overheid als last resort voor zekerheid op essentiële terreinen als werk, inkomen, betaalbaar wonen, toegankelijke goede zorg en onderwijs.

Het is wel wrang dat de massale geldstromen nu bijna uitsluitend via de portemonnee van de werkgevers loopt, ook als zij zelf in het recente verleden van hoogconjunctuur zich niet verantwoordelijk hebben gedragen. Er is te weinig gedaan aan verduurzaming, teveel speculant geweest op bijv. vastgoed, te hoge dividenduitkeringen en niet productief eigen aandelen opkopen, toenemende loonongelijkheid, etc.. Wij begrijpen dat op korte termijn behoud van werk voorop staat. Het is goed dat aan de loondoorbetalingssubsidie de voorwaarde wordt gesteld dat de werkgever tot 100% aanvult, ook bij flexwerkers, en dat er geen ontslagen vallen, ook niet bij flexwerkers. Toch is voor flexwerkers, met name bij 0-urencontracten, payrollconstructies en oproep- en uitzendkrachten bij ons – net als bij de FNV – grote zorg over een zorgvuldige uitvoering daarvan. We krijgen al veel signalen dat juist deze mensen al zonder werk en dus zonder inkomen zitten. Bij de uitwerking van de regeling, die hopelijk snel komt, is veel kritische aandacht nodig.

Beloningsplafond bij gesubsidieerde loondoorbetaling

Aan de andere kant dreigen ook mensen met zeer hoge, exorbitante beloningen, nu voor 90% door de overheid gefinancierd te worden, zoals topbestuurders en voetballers. Dat kan volgens ons niet de bedoeling zijn. In tijden van crisis moeten deze mensen hun loon zeker matigen. Wij dringen er zeer op aan een beloningsplafond in de loonsubsidiëring aan te brengen.

De luchtvaartsector nu op sociale manier laten krimpen

Een grote sector die in de problemen zit is de luchtvaart. Wij zijn met jullie van mening dat de werkzekerheid voor de 65.000 werknemers die direct of indirect van deze sector nu afhankelijk zijn, zwaar moet tellen. Een krimp van de luchtvaart is uit oogpunt van klimaatbeleid, het tegengaan van vervuiling en overlast, anderzijds zeer urgent. Ook hier doet zich bij deze crisis ook een kans voor. De crisis is een impuls voor een eerste, substantiële stap in de transitie naar meer duurzaam transport en minder onnodig vervuilend transport. De ondersteuning van de luchtvaartsector zou o.i. afhankelijk gesteld moeten worden van de medewerking aan zo’n stap. Daarbij dient de overheid een fonds in te richten om de mensen wie het betreft naar nieuw – te garanderen – werk te begeleiden, vergelijkbaar met de voorgenomen transitie bij de medewerkers van te sluiten kolencentrales.

Bredere inkomensondersteuning nodig

Het is goed dat er een regeling komt voor zzp-ers om hun een inkomen op het sociaal minimum te verstrekken. ZZP-ers hebben immers geen premie betaald, dus een WW-niveau ligt alleen daarom al niet voor de hand. Omdat het sociaal minimum in ons land veel te laag is om rond te komen, en zzp-ers natuurlijk ook andere kosten hebben, hebben betrokkenen echter wel een groot probleem. Aan de andere kant wringt de ZZP-bijstandsregeling wel met norm van gelijke behandeling: waarom krijgen alleen zij (weliswaar tijdelijk, maar toch) vrijstelling van verplichtingen en kortingen waar reguliere bijstandontvangers dat niet krijgen, en dat ook nog eens zonder wachttijd.

Deze ongelijkheid klemt temeer omdat, ondanks de maatregelen, de economie in een diepe recessie dreigt te komen. Een uitgestelde recessie waarvan de duur zeer onvoorspelbaar is. Een recessie, die nog los van de Covid-19 crisis, al onvermijdelijk was. De prognoses daarover zijn zeer zorgwekkend. Daarom dringen wij aan op structurele verbetering van het besteedbaar inkomen van mensen met inkomens op het niveau van het minimumloon en het sociaal minimum. Een verhoging in lijn met de eis van de FNV is al eerder tot partijstandpunt overgenomen. We begrijpen dat zo’n verhoging in een crisis echter werkgelegenheid kan kosten. Dit is een groot dilemma, want de betrokken huishoudens komen nu niet rond, en dit zullen er in volume (veel?) meer worden. Daarmee worden ook hoge maatschappelijke kosten veroorzaakt en blijven de bestedingen achter, wat ook bedreigend is voor de werkgelegenheid.

Verhoging minimumloon en sociaal minimum en extra werk voor laaggeschoolden

Een deel van de oplossing zit o.i. in stapsgewijze verhoging van het minimumloon/sociaal minimum, met daaraan gekoppeld extra werkgelegenheid scheppen voor laaggeschoolde arbeid in de publieke sector. En maatregelen die investeren in arbeid, ondanks de verhoging van het minimumloon, voor werkgevers aantrekkelijker maken dan investeren in kapitaal. Enerzijds kan dit laatste door lagere werkgeverslasten voor laaggeschoolde arbeid, waarbij dan de ongewenste gedragseffecten zoals bij het huidige LIV moeten worden voorkomen.

Anderzijds kan dit door hogere lasten op kapitaal. We voeren daartoe een vermogensbelasting voor miljonairs in, omdat de inkomsten uit de belasting voor vermogensrendementsheffing zeker bij een crisis drastisch zullen teruglopen – het rendement op vermogen in economisch is in slechte tijden laag of zelfs negatief. En we verhogen de progressieve vennootschapsbelasting op winst van bedrijven met een solidariteitsheffing op winst die niet geïnvesteerd wordt. Zo kunnen investeringen des te meer blijven plaatsvinden, maar worden dividenduitkeringen en opkopen van eigen aandelen, of het oppotten van winst in overmatige reserves in tijden van crisis extra ontmoedigd. Ook verhogen we de dividendbelasting. Zo blijft het stelsel solidair en zorgen we voor geld voor de publieke zaak. De laatste soort maatregelen helpen ook de rekening van de crisis rechtvaardig te verdelen: de sterkste schouders, de zwaarste lasten. Ons huidige belastingstelsel is materieel eerder regressief dan progressief, en dat moeten we echt substantieel omkeren. Wat ons betreft wordt dit meegenomen in de gezamenlijk links voorwaardelijke opstelling ten opzichte van het Belastingplan 2021.

Meer regelvrije bijstand

Een ander deel van de oplossing is om nu ook voor anderen meer regelvrije bijstand te realiseren. Wat ons betreft zouden we nu tenminste voor iedereen de kostendelersnorm moeten schrappen. Dat helpt ook tegen de woningnood. Kortingen op grond van normale bezittingen (auto, woning, normale inventaris, e.d.) zouden ook voor niemand meer moeten plaatsvinden. In plaats van allerlei verplichtingen, zou er geïnvesteerd moeten worden in betere begeleiding naar werk, zoals ook de evaluatie van de Participatiewet, het WRR advies over goed werk en het rapport van de commissie Borstlap bepleiten. Juist nu er ook economische crisis dreigt, moeten we dat met voortvarendheid voorop stellen.

De vraag is wel waarom we alle vermogen en ook partnerinkomen buiten beschouwing zouden moeten laten, ook bij zzp-ers, zeker als de tijdelijke regeling langer gaat duren. Wat betreft partners zouden we o.i. eenvoudig en beter kunnen aansluiten bij de fiscale praktijk.

Op termijn, in kader van nieuw regeerakkoord, zouden we o.i. moeten inzetten op een Zekerheidsinkomen, dat o.m. de bijstand en de Wajong vervangt, en ieder huishouden dat minder verdiend dan het sociale minimum en geen groot vermogen heeft, zonder nadere voorwaarden en verplichtingen een aanvulling geeft tot dat minimum, en verder ook geen belasting of sociale premies betaalt. Daarbij wordt de plicht tot werk ingeruild voor een (afdwingbaar) recht op werk, met als sluitstuk een recht op een basisbaan als regulier werk niet beschikbaar is.

Verlagen van vaste lasten: lagere huren, geen individuele bijdragen in zorg en kinderopvang, neem prijsmaatregelen

Een derde bestanddeel van de oplossing ligt in het verlagen van vaste lasten. In de eerste plaats gaat het dan om lagere huren, en het schrappen van eigen risico en bijdragen in de zorg en in de kinderopvang. Daarenboven bepleiten we richting nieuw regeerakkoord een fiscalisering van de financiering van de zorg: in plaats van de bestaande premies wordt dan naar draagkracht en ook door kapitaal bijgedragen aan de zorg. Dat kan niet anders dan in een totale herziening van zowel het zorg- als het belastingstelsel. Daarbij dient ook de huidige hoge verspilling in de zorg te worden tegengegaan.

We zijn het ook eens met Leen Hoffman[1]: “De huidige economie lijkt op een oorlogseconomie. Omdat we ervan uit gaan dat die hopelijk niet lang zal duren, moet er een gezonde herstart mogelijk worden gemaakt en moet worden voorkomen dat tijdens de ‘corona-oorlog’ het marktmechanisme ongebreideld zijn gang gaat. Net als bij de bestrijding van het virus geldt ook hier: voorkomen is beter dan genezen. Daarom zou het kabinet nu prijsmaatregelen moeten afkondigen. Prijsstijgingen dreigen als webwinkels hun kansen grijpen als fysieke winkels sluiten. Het Financieel Dagblad meldde vorige week dat in de Verenigde Staten openbare aanklagers al acties gaan ondernemen tegen Amazon, Walmart en eBay omdat deze onrechtmatig hun prijzen opvoeren. Hetzelfde kan zich voordoen op de markt voor onroerend goed. Beleggers, investeringsmaatschappijen en hedgefunds zoeken namelijk beleggingsalternatieven en vinden die onder meer in techbedrijven en in de woningmarkt. Nu de economie voor een groot deel stil ligt kan de regering probleemloos prijsmaatregelen voor de woningmarkt afkondigen. Ik zou zeggen: doe dat met terugwerkende kracht en draai in één adem de enorme huurstijgingen van de afgelopen jaren terug. Ook de toename van de flexibiliteit op de arbeidsmarkt kan nu worden aangepakt.”

Maak de WW-duur afhankelijk van de conjunctuur

Hoe slechter de economische situatie, hoe belangrijker een goed vangnet om ervoor te zorgen dat mensen niet helemaal door de bodem zakken. In economische termen is sociale zekerheid een van de ‘automatische stabilisatoren’: de koopkracht blijft enigszins op peil, wat goed is voor bedrijven. Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid. Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken zou het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid moeten worden. Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang om te gaan bezuinigen. We stellen voor om de duur van de WW-uitkering te koppelen aan conjunctuur. Het CPB heeft deze mogelijkheid eerder heeft geschetst, namelijk om de WW-duur anticyclisch toe te passen: de maximale WW-duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur. Werknemers worden zo beter beschermd als het risico op werkloosheid hoger is. Tevens moeten we de gratis scholingsmogelijkheden voor mensen in de WW en de bijstand drastisch verruimen, zeker in tijden van crisis. Dit in plaats van de werklozen op te jagen naar werk dat er in tijden van crisis onvoldoende is, kunnen we beter zorgen dat mensen zich verder en beter scholen. Fundamenteel is echter de permanente scholing van werknemers. Ondanks eerdere pogingen is dat nog steeds niet structureel geborgd. Op termijn is een structureel bijgeschoold arbeidsbestand veel beter voor de economie.

Maatregelen voor specifieke groepen

Mensen met problematische schulden, betalingsproblemen, gebruikers van Voedselbanken, daklozen, asielzoekers en arbeidsmigranten met slechte huisvesting

Daarnaast dreigen er voor specifieke groepen bij een nieuwe, grote crisis, al op korte termijn grote problemen. We bepleiten, in navolging van de Landelijke Cliëntenraad Werk en Inkomen, een algeheel eenmalig schuldenpardon, met maatregelen die nieuwe risicovolle en problematische schulden voorkomen. Voor dit laatste stellen we o.m. een gewijzigde faillissementswetgeving voor en meer risico beleggen bij kredietverleners, introductie van een gratis Geldloket-advies bij iedere gemeente, beperking van gokverslaving en meer verplichte vroegsignalering. De schuldhulpverlening moet met een nieuw stelsel controleerbaar effectiever en toegankelijker worden.

Per direct moet de Rijksoverheid een verbod uitvaardigen op uitzettingen en afsluitingen van woning respectievelijk gas, water, elektriciteit en internet, zeker waar het gezinnen betreft met kinderen en/of met chronisch zieken. Net als hypotheekuitstel moet ook huuruitstel voor getroffenen door de crisis geregeld worden. Structureel moet er in 2021 echt een ander woonbeleid worden afgedwongen in linkse samenwerking, met vervanging van heffingen op sociale huur door investeringsverplichtingen, lagere huren, huurbescherming voor alle huurders, en verruiming van de sociale huursector tot aan de middeninkomens.

De problemen bij de voedselbanken vragen ook om een acute oplossing. We stellen voor dat de overheid een bijdrage van supermarkten afdwingt voor voedselbanken, gegeven de extra omzet en winst die zij nu maken, en verkoopbeperkingen instelt tegen het hamsteren, dat de oorzaak is van de voedseltekorten. We gaan de medewerkers in ieder geval tijdelijk in publieke dienst nemen. Dat is tevens een bijdrage aan nieuwe, laaggeschoolde publieke arbeid, die in een direct maatschappelijk tekort voorziet.

Er zijn daarnaast urgente oplossingen nodig voor daklozen, voor asielzoekers en voor arbeidsmigranten. Zij dienen zeer snel veilige huisvesting te krijgen met tijdelijke prefab noodbouw, of door bewoning van leegstaande gebouwen.

Mensen die van zorg en opvang afhankelijk zijn

Ook de jeugdzorg, ouderenzorg, de zorg voor mensen met een beperking en de GGZ hebben aandacht nodig om op aangepaste wijze veilig de behandelingen effectief te kunnen voortzetten. Speciale aandacht is ook nodig voor chronisch zieken. We hebben gezien dat die wens ook in de Kamer breed wordt ondersteund, maar dat uitvoering zal lastig zijn. Het beter en veel meer testen kan hierbij helpen. Extra publieke investeringen zijn in beide sectoren zeer acuut nodig.

Terecht heeft partijgenoot Marcouch ook aandacht gevraagd voor extra inzet tegen huiselijk geweld. En de Koning en anderen voor aandacht tegen eenzaamheid, een ander hardnekkig virus. Mede een effect van de vele bezuinigingen door gemeenten op publieke voorzieningen als buurtcentra. Hierbij zijn eveneens extra publieke bestedingen hard nodig.

Tot slot

Het is een groot aantal ideeën, opvattingen en voorstellen, maar de nood is dan ook hoog. We hopen dat jullie er inspiratie uit putten en we praten er, als we weer veilig bij elkaar kunnen zitten, graag verder met jullie over.

Het bestuur van Linksom! in de PvdA,

Gerard Bosman

Dick Kalkman

Marijke van der Schoor

Bert Veenstra


[1] https://leenhoffman.jimdofree.com/2020/03/23/financi%C3%ABle-injectie-corona-crisis-graag-kansrijk-inzetten/

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Nieuws over de motie weer nepbonden van de CAO-tafel

Stemlokaal PvdA geopend: stem nu voor de motie!

Tot mijn verbazing heeft men op het Stemlokaal een advies geplaatst over deze motie om deze aan te houden. Verbazing, omdat zulke preadviezen in strijd zijn met de eerder aangenomen resolutie ledendemocratie. En verbazing, omdat men mij niet benaderd heeft over dit verzoek. In strijd met de regels en onfatsoenlijk.

Het preadvies luidt als volgt: “De Partij van de Arbeid vindt dat werknemers zeker moeten zijn van een fatsoenlijk loon en goede arbeidsomstandigheden. Dat gold vroeger en dat geldt nu. Er moet meer goed werk komen. Werknemers die zich organiseren in vakbonden staan sterk.

In deze tijd organiseren werknemers zich op verschillende manieren: via de grote, gevestigde vakbonden, in actiegerichte ad hoc groepen, zoals ‘PO in actie’ en soms ook via andere verbanden. Ook zien we initiatieven om meer draagvlak onder alle werknemers te zoeken voor cao’s, of om zzp’ers te betrekken bij cao’s.

Die verscheidenheid in organisatievormen mag er niet toe leiden dat het voor werkgevers makkelijker wordt om vakbonden opzij te schuiven en minder goede arbeidsvoorwaardelijke afspraken voor hun werknemers te maken. Toch zien we dat hier en daar gebeuren. Daarom heeft de Tweede Kamerfractie eerder al vragen aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gesteld over de arbeidsvoorwaarden bij Picnic en Deliveroo.

De Tweede Kamerfractie wil – met instemming van de Eerste Kamerfractie – de SER vragen om een vervolgadvies te geven op het eerdere advies Verbreding draagvlak cao-afspraken (2013) om zo recht te doen aan de rechtmatige rol van de vakbonden op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Om die reden zou de fractie willen verzoeken om deze motie aan te houden.”

De fractie draait om de hete brei heen. Mijn motie gaat over het weren van bonden die voornamelijk afhankelijk zijn van financiële bijdragen van werkgevers, zoals het AVV van PvdA Eerste Kamer fractievoorzitter Mei Li Vos. Dat heeft niets van doen met actiegerichte ad hoc groepen als PO in Actie. En de organisatievorm van het AVV, door niet-leden te laten meestemmen, ondermijnt de positie van vakbonden. Dat zien we ook, want bijna geen hond is lid van het AVV. De AVV bevordert free riders gedrag, meeprofiteren van een cao zonder een bijdrage te leveren. De beweging moet juist de andere kant op, door het lidmaatschap meer lonend te maken, bijv. door delen van het profijt van cao’s alleen toe te kennen aan vakbondsleden.

Ik ga niet in op de suggestie om de motie aan te houden. Daar is geen enkele reden toe. Integendeel. Het is in het belang van de geloofwaardigheid van onze partij om nu orde op zaken te stellen op dit pijnlijke dossier, en daarmee niet te wachten tot we midden in verkiezingstijd zitten. Het is goed dat Mei Li Vos nu eieren voor haar geld gekozen heeft en haar bezoldigde bestuurspositie heeft opgegeven bij het AVV, nu moet onze partij duidelijk maken dat we ook afstand nemen van dit soort praktijken.

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Programmapunten over duurzaamheid Linksom!

Programmapunten over Duurzaamheid, Natuur en Circulaire Economie in ‘Een Nieuwe Tien over Rood’, concept-inbreng vanuit Linksom! in de PvdA voor PvdA-verkiezingsprogramma 2021

  1. We moeten onze economie geheel verduurzamen naar een circulaire economie. De huidige parasitaire economie is eindig en al op afzienbare tijd niet meer houdbaar. Dat zal grote veranderingen betekenen in ons consumptiepatroon, ons productieproces en de distributie en transport. Het zal kansen bieden, maar ook bedreigingen. Voor sociaaldemocraten staat voorop dat deze transities op sociale en rechtvaardige wijze plaatsvinden. Er is geen tijd meer voor uitstel of geneuzel van klimaatontkenners. Ieder uitstel maakt de risico’s groter en zal de kosten verhogen. Nu voorop lopen betekent ook een koppositie in de toekomst. Het gaat niet meer om of, en wanneer, maar om hoe, en met wie. De aangekondigde Europese Klimaatwet moet dwingend zijn, met de ambities zoals voorgesteld door de nieuwe Europese Commissie.
  2. De energietransitie moet eerlijk plaatsvinden. Onze PvdA moet dit afdwingen willen we de plannen steunen. Huishoudens moeten minder, en bedrijven meer betalen met o.m. een CO₂-heffing voor de industrie. Andere klimaatgassen, zoals methaan, worden op gelijke wijze belast. Het voorstel van onze TK-fractie daarover wordt door ons gesteund, zij het dat we met het PvdA netwerk Duurzame Energie pleiten voor een iets hogere beginprijs (bijv. € 50 per ton CO₂-uitstoot met 5% jaarlijkse escalatie) en het niet verrekenen met al bestaande ETS-heffingen. De opbrengsten van deze heffing worden gebruikt voor subsidies duurzame energie aan bedrijven en huishoudens en aan innovatie.
  3. We gaan de energiebelasting eerlijk verduurzamen: Een progressieve energiebelasting naar schaal van energieconsumptie en tarieven gebaseerd op uitstoot CO₂, zodat duurzame elektriciteit niet belast wordt, met kolen opgewekte elektriciteit extra zwaar belast wordt en met aardgas opgewekte elektriciteit even zwaar belast wordt als direct gebruik van aardgas. Vervuilers en fossiel grootverbruikers veel zwaarder belasten, huishoudens lager belasten. Lage inkomens krijgen een hogere belastingvrije voet voor de energiebelasting. Huidige vrijstellingen, juist vaak van de grootste vervuilers (zoals de luchtvaart) worden afgeschaft.
  4. De opslag duurzame energie (ODE) in de energiebelasting wordt afgeschaft. De subsidies voor verduurzaming worden anders gefinancierd, o.m. uit een hogere energiebelasting op vervuilende productie. Subsidies voor verduurzaming energieverbruik (SDE+) komen in het vervolg vooral ten goede aan de lage en middeninkomens. En ze mogen niet gebruikt worden voor CO₂-opslag (CCS) of niet-duurzame biomassa. Bedrijven moeten daarin zelf investeren. De milieu-investeringsaftrek wordt geschrapt.
  5. Een circulaire economie is een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Grondstoffen dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking op onze planeet en de toenemende welvaart in de wereld. Door onze parasitaire levenswijze worden bovendien ecosystemen, het klimaat en onze gezondheid bedreigt met de afvalstoffen van die levenswijze. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kan een circulaire economie 10% afname van onze CO₂-uitstoot en 20% waterbesparing in de industrie opleveren, maar ook meer leveringszekerheid van grondstoffen (25% minder import van primaire grondstoffen), als ook ruim 50.000 nieuwe banen en 7 miljard euro extra voor de Nederlandse economie. Dat vraagt wel een enorme transitie. Hiervoor hebben we al aangegeven dat die eerlijk en rechtvaardig moet plaatsvinden, opdat huishoudens met een laag en middeninkomen daar niet de rekening van betalen. Het moet hen financieel mogelijk gemaakt worden duurzaam te leven. Voor wat betreft de verduurzaming van woningen en het energiegebruik van huishoudens hebben we hiervoor al voorstellen gedaan.
  6. Een circulaire economie is veel meer dan alleen recycling. Het begint met zuiniger omgaan met grondstoffen door anders te denken over producten en productieprocessen. Is het product het beste antwoord op de behoefte en kunnen bij de productie minder of andere grondstoffen worden gebruikt? In het ontwerp van producten en diensten moet al rekening gehouden worden met hergebruik, reparatie en recycling. Er moet ook energie teruggewonnen worden uit materialen en afval storten en verbranding zonder energieterugwinning moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
  7. Fossiele energiebronnen moeten in een circulaire economie volledig vervangen worden door hernieuwbare energiebronnen. We beëindigen het gebruik van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas. De in de Klimaatwet gestelde doelen daarvoor worden bindend en vatbaar voor rechterlijke toetsing. De aardgaswinning wordt zo snel mogelijk gestaakt, zo mogelijk eerder dan nu door de regering toegezegd, ook in velden buiten Groningen. Er komt geen winning van schaliegas. De eigenaren en bewoners van door de gaswinning beschadigde gebouwen worden allen binnen een jaar gecompenseerd, met een omgekeerde bewijslast (NAM moet bewijzen dat schade niet veroorzaakt is door aardbevingen). Nederland werkt niet mee aan het gasnetwerk Nordstream II en bouw zo snel mogelijk de import van fossiele brandstoffen uit Rusland en het Midden-Oosten af.
  8. Waterstof kan een goede manier zijn voor energieopslag, maar dat moet dan wel groene waterstof zijn. Alleen als tussenstap zijn andere vormen van waterstof acceptabel. Alleen echte duurzame biomassa kan gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd worden. Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht. We investeren niet in kernenergie, dat is niet duurzaam. De kerncentrale in Borssele gaat uiterlijk in 2025 dicht. Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. Uiterlijk in 2030 wordt dit verplicht. Er komt subsidie voor de aanleg van publiek beheerde warmtenetten. Warmtenetten worden verplicht door gemeenten beheerd.  Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar, en alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.
  9. De combinatie van huur en energielasten moet voor huurders van woningen tot en met anderhalf modaal lagere woonlasten opleveren. Het energielabel en de verduurzaming van de woning moeten geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. De verhoging van de huur door meer duurzaamheidspunten moet volledig gecompenseerd worden door lagere energielasten. Dit wordt in de wet vastgelegd met een wijziging van het puntenstelsel (WWS). Nu mag een verhuurder € 250 meer huur vragen voor een energieneutrale woning, terwijl de gemiddelde energierekening maar € 120 per maand is.
  10. Er komen bindende afspraken met coöperaties en verhuurders voor het energieneutraal maken van 250.000 woningen per jaar. Er komt een verbod op het verhuren van woningen met de slechtste energielabels (vooral in bezit bij particuliere verhuurders), voorafgegaan door een verbod op huurverhoging van deze woningen. Dit verbod wordt stapsgewijs aangescherpt. Woningcorporaties en -coöperaties moeten de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos kunnen lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties. Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun WOZ-belastingtarieven lager vast te stellen bij een groener energie-label. Gemeenten krijgen de opdracht om voor 2030 voor iedere wijk een plan te maken voor klimaatneutrale gebouwen en woningen.
  11. Woningeigenaren worden door een ‘ontzorgloket’ ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning. De isolatie-eisen voor bestaande woningen worden stapsgewijs aangescherpt.
  12. Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten.
  13. Veel grondstoffen zijn onttrokken aan de aarde en opgeslagen in gebouwen, infrastructuur en in producten als televisies, folders en flessen. De gebouwde omgeving kan worden gezien als een mijn, waar kostbare grondstoffen uit kunnen worden herwonnen (urban mine). Materialen als papier, staal en glas worden al veel gerecycled. Maar er zijn nog meer materialen en producten die worden afgedankt, die kunnen worden hergebruikt en waaruit grondstoffen kunnen worden gerecycled. Afgedankte elektronica bijvoorbeeld bevatten veel zeldzame aard- en edelmetalen, die nog nauwelijks worden gerecycled.
  14. Waar ook meer mee kan en moet is bij beton. De voorraad van beton in gebouwen en werken – zoals viaducten en bruggen – is enorm. Het vrijkomende beton wordt bijna volledig gerecycled, maar het overgrote deel van het materiaal verdwijnt in laagwaardige ophogingen en wegfunderingen. Bij de productie van beton komen echter veel broeikasgassen vrij en in dergelijke ophogingen kan ook zand of grind worden gebruikt. Belangrijke uitdaging voor de bouwsector is om de grote voorraad beton hoogwaardiger te recyclen. Oftewel meer toepassen in beton. Daarnaast kunnen architecten in de ontwerpfase beter inspelen op mogelijkheden van hergebruik van gebouwen en onderdelen daarvan. Bijvoorbeeld door modulair te ontwerpen, waardoor een gebouw makkelijk is af te breken in modules en onderdelen van een gebouw makkelijk kunnen worden hergebruikt.
  15. We voeren een apart laag btw-tarief in voor producten die voldoen aan eisen van ecologische duurzaamheid (circulair gebruik van grond- en afvalstoffen, geen fossiele energie, bescherming van biodiversiteit, dierenwelzijn en gezondheid mensen, geen vervuiling) en van sociale rechtvaardigheid (geen kinderarbeid, eerlijke beloning en arbeidsvoorwaarden, bescherming arbeidsomstandigheden en positie werknemers, eerlijk belasting betalen) met behulp van een nieuw door de overheid ingesteld keurmerk voor Duurzaam en Eerlijk Ondernemen. Ook gezonde producten (geen of weinig suiker en vet bv.) worden onder het lage btw-tarief geplaatst. Duurzame apparaten, diensten en producten komen zo onder het laagste btw-tarief, zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc. Vervuilend gedrag moet juist zwaarder belast worden, zoals vleesconsumptie, producten van intensieve landbouw en visserij, e.d. Er komt een verbod op stunten met vleesprijzen. Al het vlees dat in Nederland verkocht wordt, beschikt als eerste stap over 1 ster van het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming.
  16. We voeren de verpakkingsbelasting opnieuw in en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor alle plastic en blik verpakkingen worden verplicht gesteld. Wij willen dat ieder product een productlabel krijgt waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is. Alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics. We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken meetbare en voor de burger afdwingbare termijndoelen.
  17. We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), fietsen en openbaar vervoer, o.m. met een nieuw Randstad-breed lightrail-project. Investeringen moeten uit een apart staatsfonds gefinancierd worden, waar de overheid nu bijna gratis voor kan lenen. Het OV wordt fors goedkoper, zodat het in prijs aanzienlijk wint van gemotoriseerd individueel vervoer. Ook moeten er concrete maatregelen worden genomen voor het beprijzen van particulier vervoer met rekeningrijden gedifferentieerd naar tijd en plaats en het belasten van fossiele brandstoffen in de scheep- en luchtvaart. Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu, o.m. met een vrijstelling van energiebelasting op laadpalen.
  18. In Europees verband moet er in het kader van de Europese Green Deal een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor continentale hogesnelheidslijnen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. We maken continentale vluchten fors duurder met een extra belasting en zetten een stop op de groei van luchthavens: Lelystad uitbreiding gaat niet door, Schiphol en regionale luchthavens mogen niet groeien.
  19. Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het is absurd dat in een dichtbevolkt land dat drijft op diensten bijna 60 procent van het grondgebied in beslag wordt genomen door een uitermate vervuilende activiteit: de intensieve landbouw. Deze heeft grote nadelige maatschappelijke en milieueffecten. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid.  Dat moet minder, duurzamer, natuurlijker. Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector, daarvoor lenen de productieomstandigheden in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. De gangbare, industriële landbouw kan de wereld op den duur niet voeden. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Burgers maken zich zorgen over klimaatverandering, maken zich zorgen over gezondheidsrisico’s en ergeren zich aan de landschapsvervuiling en schendingen van dierenwelzijn, natuurbeschermers zien dat er zich een ‘ecologische ramp’ voltrekt in het agrarische gebied. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren. We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Deze vormen van landbouw leveren meerwaarde voor boer, dier, maatschappij, natuur en milieu. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030. We sluiten daartoe een Plattelandsakkoord, in de geest van het Klimaatakkoord, met betrokkenheid van boeren, burgers en overheden op het platteland en natuur- en milieuorganisaties, op basis van de hierna volgende uitgangspunten.
  20. We streven naar een hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) per 2020 met hogere kwaliteitsnormen. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken.
  21. De transitie moet eerlijk plaatsvinden, maar dat kan ook, ook met boeren. Nu subsidiëren we melkboeren, terwijl 1 op de 5 van de miljonairs in ons land (melk)boer is. Het systeem dwingt de boeren tot grootschaligheid en export, terwijl dat een doodlopende weg is. Boeren die willen overstappen naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw moeten gesteund worden, zij die daarin niet meewillen moeten uitgekocht worden. Landbouw niet primair gericht op export, maar op de binnenlandse markt. Expertise gaan we juist meer exporteren, opdat ook in de Derde Wereld een betere situatie ontstaat en we niet lokale productie daar wegconcurreren. Geen oneerlijke handelsverdragen en oneerlijke EU-landbouwsubsidie meer, zoals CETA en met de Mercosur-landen. Zo krijgen we kleinere en meer boeren, en minder dieren. De macht van de inkopers en de supermarkten moet daarbij gebroken worden zodat er een eerlijke prijs ontstaat, waarin de kosten van milieubelasting verdisconteerd is. Dat ondersteunen we met gedifferentieerde btw-tarieven, laag voor milieuvriendelijke producten, hoog voor milieuvervuilende producten. Zo krijgen duurzame boeren een eerlijk inkomen en krijgen huishoudens een eerlijke, betaalbare prijs gepresenteerd.
  22. Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.
  23. De uitstoot van CO2, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt verder belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.
  24. We bevorderen duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw, energieleverende kassen en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw wordt de norm. Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg. Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw.
  25. De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja. Wij willen dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen. De ontheffing van Nederland in de EU om meer fosfaat uit te mogen rijden wordt direct beëindigd.
  26. Er komt een einde aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – te beginnen met een halvering in de komende 10 jaar en een volledige beëindiging van intensieve veeteelt binnen 30 jaar.  Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen.
  27. De Nederlandse intensieve veehouderij wordt vaak genoemd als voorbeeld voor de rest van de wereld. Onze productiemethoden zijn geperfectioneerd op efficiëntie en het dierenwelzijn is ondanks bovenstaande misstanden beter dan in veel andere landen. Maar dat het elders nog slechter is, kan geen excuus zijn om weg te kijken. Als gidsland en als een van de grootste producenten ter wereld van vlees en zuivel, moet Nederland streven naar een voorbeeldfunctie wat betreft duurzaamheid, volksgezondheid en dierenwelzijn. De intensieve veehouderij kent steeds meer structurele misstanden: megastallen, langeafstandstransporten (tegenwoordig ook om strenge regelgeving te ontlopen), stalbranden, dierziekten, mestoverschotten en risico’s voor de volksgezondheid en voor de klimaatverandering. Doordat het dier wordt aangepast aan de houderij in plaats van andersom, wordt ook het dierenwelzijn ernstig aangetast. Dieren worden te krap gehouden, met te weinig uitdaging of afleiding, kalf en koe worden bij de geboorte gescheiden, kalveren en lammetjes onthoornd, zeugen in kraamkooien gestald, staarten bij biggen geamputeerd en snavels bij kippen gekapt. Varkens worden in het slachthuis met heftig prikkend koolstofdioxidegas bedwelmd, met een afschuwelijke en verstikkende doodsstrijd tot gevolg. Kippen bereiken het slachthuis vaak met blaren op borst en poten doordat ze zo snel mogelijk en dus hardhandig in kratten worden gepropt. Hanen, bokken en stieren worden massaal jong gedood omdat ze niet gewild zijn bij de productie. Bij de meeste biggen worden staarten gecoupeerd, zonder pijnstilling. De normen voor dierenwelzijn worden verhoogd en strak gehandhaafd. Weidegang voor koeien en voldoende buitenruimte voor varkens en pluimvee worden wettelijk verankerd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen.
  28. Er komt een verbod op het houden en fokken van nertsen en andere (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht. Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.
  29. Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt. Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren.
  30. Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector (als onderdeel van een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid), opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Slachthuizen worden permanent gevolgd met camera’s. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit.
  31. Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau. De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis.
  32. We pleiten voor verder onderzoek naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. Het gebruik van antibiotica in de veehouderij wordt verder afgebouwd. In een toekomstige zoönose-uitbraak (ziekte die overdraagbaar is van dier op mens, zoals Q-koorts), stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, hierom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken. Slachtoffers van de Q-koorts uitbraak worden alsnog ruimhartig schadeloos gesteld.
  33. We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Een progressieve belasting op pesticiden en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop. Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid. We zijn geen voorstander van het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven.
  34. Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. De puls-visserij is nog niet bewezen duurzaam. Zo belonen we de innovatieve vissers. Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis.
  35. We moeten de regie van de rijksoverheid op ruimtelijke ordening weer herstellen, zonder terug te keren in verstikkende wetgeving. We gaan de Omgevingswet aanpassen uit oogpunt van uitvoerbaarheid en meer landelijke en provinciale taakstellingen en projecten. Er komt een landelijke visie voor de toekomstige ruimtelijke ordening van Nederland over 50-100 jaar die kaders stelt voor een antwoord op o.m. de zeespiegelstijging, meer extreme rivierwaterstanden, meer extreem weer (zowel droogte als juist veel regen en storm), de uitstootreductiedoelstellingen realiseert, de biodiversiteit substantieel doet toenemen, de woningbehoeften en mobiliteitsbehoeften accommodeert, ook in relatie tot het nabijgelegen buitenland. De recente studie van een aantal Wageningse wetenschappers[1] laat zien wat dit kan betekenen met o.m.:
    • een derde minder dieren in de veeteelt; geen intensieve veeteelt meer;
    • halvering agrarisch grondgebruik; volledig circulaire, natuurinclusieve landbouw;
    • akkerbouw concentreren op vruchtbare kleigronden (Zeeland, polders, Noord-Holland, Friesland en Groningen), niet meer laagveengronden;
    • op laagveengronden vooral natte teelt (zoals cranberry’s en riet) met hogere waterstand;
    • bebossing verdubbelen (vooral in Noordoost-Nederland, op de Veluwe, in de Achterhoek en Noord-Brabant) en op zandgronden naaldbomen vervangen door meer loofbos en kruidenrijke graslanden (deze laten minder water verdampen en geven meer biodiversiteit), beken verlengen om water meer te laten infiltreren in plaats van af te voeren, landbouw verplaatsen weg van de hoge zandgronden naar lagere gronden;
    • duinenrij versterken door verbreding (zand winnen in diepe geulen op zee en die vlak voor de kust door golven tegen de kust laten deponeren) en op IJsselmeer eilandenrand (‘vooroevers’) aanleggen langs oevers (daardoor kan er langs de randen een vast peil blijven voor de scheepvaart terwijl er in het midden een voor de natuur goed dynamisch peil komt), open water zuidoostkant Noordoostpolder maken (om uitdroging Weerribben te voorkomen);
    • volledig duurzame fossiele energie, ook zonder kerncentrales;
    • op zee boorplatforms hergebruiken voor CO2-opslag, groene waterstofproductie en duurzame zeelandbouw (zoals kweken van schelpdieren en zeewier) rondom wind- en zonneparken, industrie en overslaghaven op zee voor Rotterdam;delen van de Noordzee worden natuurgebied, de visserij is volledig duurzaam;
    • stedengroei vooral op hoge gebieden in oosten en zuiden (Twente, Achterhoek, Drenthe, Brabant en Limburg, met o.m. een stedenrand – Brabantstad – langs de Maas), niet meer in Randstad (om verdere bodemdaling en risico’s daar ook te beperken), inzetten op middelgrote in plaats van grote steden, steden ook natuurlijker inrichten met groene daken/gevels, bomen en waterpartijen, met woningen vooral van duurzame houtbouw, rond de steden komen wateropvangbekkens en groene gordels met (voedsel)bossen en bosteelt voor natuur en recreatie;
    • brede rivierdalen, geen bebouwing daar toestaan, kades weg langs Maasoevers in Limburg, bufferzone met moerassige zones voor hoogwaterstanden, oevers geschikt voor o.m. biologische fruit- en veeteelt, open verbinding tussen Maas en Waal maken, veel bredere IJsselbedding;
    • open verbinding maken bij Kreekraksluizen tussen Ooster- en Westerschelde om getijdewerking te behouden terwijl Oosterscheldekering door hoge zeespiegel vaker dicht moet.

Wat deze visie vooral laat zien dat het kan: een schoon, veiliger, duurzaam en natuurlijker Nederland dat werkt en woont.

  • Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten. We investeren in het aaneensluiten van het netwerk van alle natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, versneld en in volle omvang. Er komen twee grote natuurgebieden in Nederland bij: de Markerwadden en het Oostvaarderswold in Flevoland. Daarnaast worden nieuwe nationale landschappen aangewezen. Er wordt meer en meer divers bos aangelegd, ook om aan de CO₂-reductie doelstellingen te voldoen. De kustlijn inclusief duinen en aangrenzend natuurgebied houden we puur; bebouwing wordt uitgesloten. In natuurgebieden zoals de Noordzee, de Waddenzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Delta is geen plaats voor schadelijke economische activiteiten als gasboring, zandsuppletie of landaanwinning. De Westerschelde wordt niet meer verder verdiept. 30% van de Noordzee wordt zee-reservaat, gesloten voor visserij en andere schadelijke activiteiten. Om de Waddenzee beter te beschermen, komt er één beheerder voor de Waddenzee. In bestemmingsplannen komt de mogelijkheid om waardevolle landschappen met natuurinclusieve landbouw te beschermen naar analogie van waardevolle dorps- en stadsgebieden en stedelijke monumenten. Daarbij kunnen de eigenaren of beheerders subsidie krijgen. De toegankelijkheid van natuurgebieden voor wandelaars, fietsers en ruiters wordt gewaarborgd, daar waar en wanneer dat ecologisch verantwoord is. Rond steden ontwikkelen we meer groene recreatiegebieden. Waarden als stilte, nachtelijke duisternis en de weidsheid van het landschap worden beschermd. Om waardevolle, open gebieden te behouden moet bebouwing in die gebieden duurder worden. Daarom wordt een openruimteheffing ingevoerd. De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt, waarbij Staatsbosbeheer weer wordt genationaliseerd. Natuur verhuist van het ministerie Economische Zaken naar een apart klimaat, natuur en milieuministerie. Bescherming van biodiversiteit en het behoud en terugkeer van bijzondere flora en fauna worden bevorderd. Bijen en weidevogels krijgen speciale aandacht. De zalm keert weer terug in onze rivieren.
  • Plezierjacht wordt verboden. Beheersjacht wordt alleen onder strenge voorwaarden toegestaan bij ernstige schade of bedreiging van de volksgezondheid of veiligheid, wanneer alternatieven hebben gefaald. Stroperij is niet alleen internationaal, maar ook in Nederland een probleem. We willen een harde aanpak van de stroperij, met hoge boetes en een goede pakkans door voldoende groene buitengewone opsporingsambtenaren. Nederland zet zich in tegen de stroperij van en handel in wilde dieren en planten.
  • Er worden steeds meer innovatieve alternatieven ontwikkelt voor dierproeven. Wij staan achter de ambitie om Nederland in 2025 wereldleider in proefdiervrije innovatie te maken. Daartoe wordt een actieplan opgesteld.
  • We willen wettelijk vastleggen welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. Die zogenaamde positieflijst bestaat al voor zoogdieren, maar voor ander categorieën zoals vogels, vissen en reptielen gaan we dit ook vastleggen.
  • We beschermen ons land tegen overstromingen en wateroverlast, waar mogelijk door rivieren meer ruimte te geven en hun natuurwaarden te versterken, in plaats van oneindig dijken te verzwaren. Tegen langdurige droogte wordt geïnvesteerd in meer wateropslag, minder verstening, minder intensief watergebruik en minder waterverspilling. Ook in de stad komt er meer groen en stadslandbouw wordt bevorderd.
  • De overheid moet levens en gezondheid van haar burgers te beschermen en tevens zich te houden aan Europese wetgeving waaraan ze zich heeft gecommitteerd. Burgers kunnen dat in het vervolg bij de rechter gaan afdwingen. De normen voor de luchtkwaliteit, zoals voor geur (ammoniak), de hoeveelheid en samenstelling van (ultra-)fijnstof en fijnstof van bio-industrie, stikstofoxiden en roet, worden aangescherpt tot het niveau dat is vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Gemeenten hebben een belangrijke de taak bij de handhaving en geven inwoners inzicht in de controle. Normen op het gebied van geluid, trillingen, stank, en andere overlastgevers worden altijd vastgesteld op basis van de beste (en meest recente) wetenschappelijke inzichten. Bedrijven die installaties vervangen krijgen geen nieuwe vergunning als zij niet de best beschikbare, duurzame technieken toepassen. Het stikstofarrest van de Raad van State wordt strikt uitgevoerd – niet door ontwijktrucs. De maatregelen voor duurzaamheid in deze Nieuwe Tien over Rood zullen daartoe naar verwachting afdoende zijn. Op korte termijn regelen we snelheidsbeperkingen op alle snelwegen (ook ’s nachts) naar maximum 100 km/uur, uitkoop van de meest vervuilende veeteelthouders (indien mogelijk vrijwillig, maar als dat niet lukt zo nodig ook gedwongen, sluiting van alle kolencentrales, een moratorium op het aantal vliegbewegingen op ieder vliegveld, en een start met uitbreiding en herstel van natuurgebieden en van schone zones rond die natuurgebieden. De Nederlandse stikstofuitstoot moet met meer dan 50 procent omlaag om de natuur drastisch te ontzien. De kabinetsplannen voor het uitkopen van boeren nabij kwetsbare natuurgebieden zijn ontoereikend om dit te halen. Ook op andere plekken in het land zullen veehouders dieren moeten inleveren.
  • Met betrekking tot de uitstoot van PFAS-stoffen (ernstig giftige, kankerverwekkende stoffen, die o.m. vrijkomen bij de productie van Tefal, waterafstotende stoffen en kunstgras) worden bronmaatregelen genomen die voorkomen dat ze nog gemaakt worden. De uitstoot wordt streng verboden en gehandhaafd, ook wat betreft de afvalstromen. Er komen onafhankelijke veilige normen voor de concentratie in bodem (ten behoeve van bodemsanering) en water (voor toepassing als drinkwater).
  • Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. De normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen door bedrijven in bodem, water en atmosfeer moeten veel strikter worden gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, worden vervolgd.

[1] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Bijeenkomst over inbreng Linksom! in de PvdA voor verkiezingsprogramma 2021

LINKSOM! IN DE PVDA

Beste Linksom-er,

Allereerst een strijdbaar en solidair 2020 gewenst. Dit jaar zal in het teken staan van de opstelling van het nieuwe verkiezingsprogramma van onze PvdA voor de verkiezingen op 17 maart 2021.

We willen als Linksom! in de PvdA daartoe natuurlijk een inhoudelijke bijdrage leveren en er alles aan doen om een echt wervend, ambitieus links programma te maken.

Daartoe is een omvangrijk concept opgesteld onder de titel ‘Een Nieuwe Tien over Rood’, waarin vele thema’s behandeld worden: over werk en inkomen, over ongelijkheid en belastingen, over migratie en integratie, over wonen en een duurzame economie, over een sterke publieke sector met een ander zorgstelsel en een onderwijs voor gelijke kansen, over regulering van de markt en handel en de bescherming van consumenten en burgers, over onze democratische rechtsstaat en over onze overheidsfinanciën en wat te doen bij een volgende crisis.

We willen dit document indienen bij de programmacommissie (die inmiddels is ingesteld) en met wie wij in dit voorjaar een gesprek zullen hebben.

Maar uiteraard niet dan nadat we het document goed met jullie besproken hebben.

Daarom nodigen we je uit voor een bijeenkomst om van jullie te horen wat er (eventueel) anders moet en wat jullie het meest belangrijk vinden.

Deze zal plaatsvinden op zaterdag 22 februari 2020 op het partijbureau van PvdA Rotterdam (Willem Smalthof) of een andere centraal gelegen locatie, bijv. in Utrecht.

We beginnen om 9.30 uur en sluiten af om uiterlijk 17.00 uur.

Je kunt de hele bijeenkomst bijwonen of alleen het deel dat je bijzonder interesse heeft.

Bij iedere sessie zullen schematisch kort voorstellen uit de Nieuwe Tien over Rood op scherm gepresenteerd worden. Vervolgens volgt een informatieve ronde voor vragen en verduidelijkingen waarna er discussie over de voorstellen is. Wijzigingsvoorstellen kunnen daarbij worden ingebracht. We streven naar consensus, dus we bezien steeds welke voorstellen het meest gedragen worden. Er komt een samenvattend schriftelijk verslag.

Meld je aan voor de hele dag of voor specifieke onderdelen via mail aan:

Nadat wij jullie deelname en onderwerpen hebben gepeild stellen we de programma indeling definitief vast.

Deelname is gratis. Voor koffie, thee, frisdrank, soep en broodjes zal kleine bijdrage worden gevraagd.

Met vriendelijke groet,

Namens Linksom! in de PvdA

Bert Veenstra

Secretaris

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Toelichting op motie Niet toelaten nepbonden tot cao-overleg

Het cao-overleg wordt vervuild door organisaties die geen zuivere vakbond zijn, zoals het Alternatief voor Vakbond (AVV), de Landelijke Belangen Vereniging (LBV) en Qlix.

Deze organisaties zijn geen echte vakbond (wat ook blijkt uit eigen aanduidingen als ‘alternatief voor’ of ‘meer dan’), maar worden vrijwel volledig betaald en gecontroleerd door werkgevers. Het is een gotspe dat minister Koolmees (Sociale Zaken) cao’s voor 300.000 werknemers in de detailhandel (met het AVV met 680 leden, waarvan maar een zeer klein deel in de detailhandel), voor 14.000 werknemers in de schildersbranche met het LBV (dat in die branche nauwelijks leden hebben) en voor 184.000 medewerkers in callcenters met de zeer kleine bond Qlix algemeen verbindend verklaart, die door deze 680 leden tellende gele bond worden afgesloten. 

AVV, LBV en Qlix zijn wat men in vakbondsland een gele bond noemt. Een gele bond is een vakbond die financieel en/of strategisch wordt gecontroleerd door werkgevers. In de door Nederland geratificeerde ILO-conventie 98 artikel 2 verplicht de staat zichzelf om werknemers te beschermen tegen een door werkgevers gecontroleerde vakbond.

· 1. Workers’ and employers’ organisations shall enjoy adequate protection against any acts of interference by each other or each other’s agents or members in their establishment, functioning or administration.
· 2. In particular, acts which are designed to promote the establishment of workers’ organisations under the domination of employers or employers’ organisations, or to support workers’ organisations by financial or other means, with the object of placing such organisations under the control of employers or employers’ organisations, shall be deemed to constitute acts of interference within the meaning of this Article.

Als voorbeeld: De 680 leden van het AVV betalen in totaal 17.000 euro aan contributie. Bijna 675.000 euro is afkomstig van werkgevers. Dat is meer dan 97,5 procent van de hele begroting!

De AVV kan bij hoog en laag beweren hoe onafhankelijk het AVV van werkgevers is, maar een kind begrijpt dat zijn clubje onmiddellijk door de hoeven zakt als de werkgeversbijdragen wegvallen. Daarmee zijn ze niet onafhankelijk in de zin van artikel 2 van de ILO 98 conventie.

Bonden zonder stakingskas en die meer dan voor 50% afhankelijk zijn van werkgevers, kunnen zich niet onafhankelijk opstellen. Dat is een groot probleem omdat op deze wijze de arbeidsvoorwaarden van werknemers worden uitgehold. En het verzwakt de positie van de echte vakbonden.

In de algemene ledenvergadering van het AVV claimde het bestuur dat de cao-panels, de brede democratische en vernieuwende basis van deze ‘vakbond’, 4300 leden hebben. Je kunt je in de praktijk zonde enige controle aanmelden als lid. Per panel kan je je aanmelden, zonder controle op dubbeltellingen en zonder controle of je werkt in de sector. AVV sluit een stuk of tien cao’s af voor circa 300.000 werknemers en heeft 43 panels. Waaronder 33 slapende panels, want er valt niets te stemmen. De CAO panels zijn fake.

De hiervoor genoemde cao’s zijn zonder uitzondering gesloten zonder betrokkenheid van de grootste bond, de FNV. Steeds zijn slechte arbeidsvoorwaarden het gevolg, juist voor mensen met zeer lage inkomens en geen vaste rechtspositie, in sectoren waar vaak goede winsten worden gemaakt en de top zich evenals de betrokken bestuurders van de gele bonden goed beloond.

Als voorbeeld: In de cao voor de detailhandel (onder meer modezaken, warenhuizen, tuincentra en sportwinkels) met werkgeversorganisatie InRetail die door AVV afgesloten (170.000 medewerkers) is gaan sommige medewerkers er zelfs op achteruit. Er zijn amper loonsverhogingen, nieuw personeel gaat erop achteruit, minder toeslagen, nog flexibelere roosters (tot 35% minder zekerheid over aantal arbeidsuren per dag!). De FNV werd niet toegelaten tot de onderhandelingstafel ondanks dat ze met ruim 10.000 leden veruit de grootste in de sector is. De raadpleging van de AVV in deze retail cao: 269 respondenten (61%) hebben vóór gestemd, 169 respondenten (39%) tegen en 33 neutraal.

De minister van Sociale Zaken is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet op cao, het algemeen verbindend verklaren van een cao en de implementatie van ILO-conventies. Het is dan ook een raadsel dat hij een cao met het AVV algemeen verbindend heeft kunnen verklaren.

De motie roept op om tegen deze praktijken stelling te nemen en de regels aan te scherpen, en alleen echte vakbonden toe te laten tot het cao-overleg.

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Nieuwe versie!: Een Nieuwe Tien over Rood

Input voor een nieuw programma en een nieuwe strategie voor de PvdA

Inleiding

 

“Waar visie ontbreekt, komt het volk om” – Joop den Uyl

Ons nieuwe programma moet ervoor zorgen dat onze PvdA weer de politieke agenda bepaalt. De kracht van het neoliberale verhaal lijkt af te nemen. We krijgen de kans om de publieke zaak weer tot iets groots te maken, dat we de markt temmen, dat we aan de schrijnende ongelijkheid een einde maken. We kunnen laten zien dat ook andere waarden een rol spelen dan alleen de individuele of economische. We moeten het radicale alternatief presenteren.

Door het agenderen van progressieve ideeën. Radicale ideeën. Ambitieuze ideeën. Ideeën die gevoel van urgentie weergeven. Linkse politiek in Nederland gaat echt veel te veel om waardes als haalbaarheid en begrotingsevenwicht etc., etc. Het zuigt alle energie uit de progressieve beweging. Als je jouw agenda bepalend wil laten zijn moet je jouw waarden radicaal en met trots uitdragen. Onbeschaamd.

De kern van politiek een strijd van ideeën. In het geval een progressieve partij is de kern van de strijd ideeën die verandering brengen en werken naar een betere toekomst. Een progressieve beweging is de uitdager van de status quo. Niet de beschermer. En dan leven we in een tijd waar ondanks de economische groei de koopkracht amper stijgt. Waar bedrijven duidelijk steeds minder belasting betalen. Waar de vervuilers onze planeet vernietigen en die last niet dragen. Waar er sprake is van een plutocratie in een enorm rijk land naast schrijnende armoede. Waar ondanks dat rijke land en hoogconjunctuur er sprake is enorme tekorten in de publieke dienstverlening, en er ook hier toch private partijen niettemin geld wegsluizen voor eigen, private doeleinden. Waar de overheidsschuld obsessief is gereduceerd, terwijl private schulden gevaarlijk hoog zijn. Het is werkelijk een ongekende reeks aan kansen voor open doel.

Als sociaaldemocratie moeten we vooral een aansprekend en wervend alternatief bieden voor het neoliberalisme, wat we als sociaaldemocraten de afgelopen decennia via de zgn. Derde Weg bijna sluipend teveel zijn gaan internaliseren. Terwijl het neoliberalisme staat voor alles wat waarvoor sociaaldemocraten niet zouden moeten staan. Voor bezuinigingen en een kleine overheid en dito publieke sector, een overheid die de vrije kapitalistische markt zoveel mogelijk ongemoeid laat met deregulering, liberalisering en privatisering, want de overheid wordt vooral gezien als een probleem, en niet als een oplossing. En daarmee voor een Angelsaksisch economisch model, gericht op korte termijn maximum aandeelhouderswaarde als belangrijkste doel. Waarin gesteld wordt dat hebzucht prima is, omdat de rijkdom van de rijksten op termijn ook zou doordruppelen naar de middenklasse en de lagere inkomens. Waarin de gemeenschap zelfs ontkend was, als toppunt van het aanbeden individualisme, met calculerende burgers die vooral zelf verantwoordelijk én aansprakelijk zijn voor hun succes en falen. Die burgers worden dan ook geacht zelfredzaam te zijn, met eigen kracht. Dat gaat gepaard met een cynisch mensbeeld, waarin burgers gewantrouwd en dus zwaar gecontroleerd moeten worden als ze wel een beroep doen op overheidsvoorzieningen.

Als sociaaldemocraten zijn we juist voor een activistische, herverdelende, sterk regulerende overheid en een grote publieke sector. De overheid moet marktmeester zijn en onrechtvaardigheden actief bestrijden, en het algemeen, duurzame lange termijn belang boven het individuele, korte termijn belang stellen. Voor ons is de overheid een oplossing, en geen probleem. Wij kiezen daarmee voor een Rijnlands model, met een gemengde economie, waarin de schadelijke effecten van kapitalisme, marktwerking en concurrentie worden beperkt door die overheid, op basis van democratische besluitvorming, met respect voor minderheden en binnen de kaders van de rechtsstaat. Dat strekt zich ook uit tot de internationale verhoudingen, steeds meer van belang in een globaliserende wereld waar digitale techniek grenzen heeft doen verlagen. Wij versterken de emancipatie van burgers niet op basis van calculerend burgerschap, maar op basis van solidair en sociaal en ecologisch verantwoord burgerschap, in een gemeenschap die niet uitsluit, maar mensen insluit en maximaal verheft naar hun talenten en mogelijkheden. We gaan uit van een positief mensbeeld, en richten ons op de facilitering, motivering en verleiding van mensen in plaats van op wantrouwen, controle en sancties.

Door deze waarden en idealen weer centraal te stellen kan onze PvdA en de sociaaldemocratie het discours weer laten gaan over de echte problemen van deze samenleving, in plaats van de identiteitspolitiek die rechts en extreemrechts ons als problemen voorspiegelen. Het is de opdracht van ons sociaaldemocraten om duidelijk te maken dat nationalistische politiek, gebaseerd op uitsluiting en nostalgie naar een nooit bestaand verleden een valstrik is, juist voor de middengroepen en de lagere inkomens, en voor de emancipatie en bescherming van de rechten van minderheden. Wij moeten ervoor zorgen dat het debat niet gaat over een onterecht spook van migratie, over een vermeende bedreigde identiteit en op ficties gebaseerde ontkenning van ecologische bedreigingen, maar over de echte problemen van deze tijd en progressieve, solidaire antwoorden daarop. We moeten de zondebokkenstrategie van neoliberalen en extreemrechts ontmaskeren en laten zien dat niet de zondebokken, maar de neoliberalen en extreemrechts met hun schadelijke en immorele ideologie de veroorzakers zijn van de maatschappelijke problemen, en daar een helder, aansprekend en wervend alternatief voor bieden.

Als PvdA zijn we voor een vreedzame, (sociaal)democratische revolutie, indachtig de door Herman Tjeenk Willink in zijn terecht veel geroemde boekje ‘Groter denken, kleiner doen’ geciteerde woorden van Hans van Mierlo: “je moet de revolutie realiseren voordat zij uitbreekt.” Dat er radicale wijzigingen nodig zijn om hele normale dingen te bereiken zegt meer over de huidige status quo dan over degenen die deze wijzigingen voorstellen. Radicaal zou zijn om de uitdagingen van deze tijd (armoedecrisis, wooncrisis, klimaatcrisis, zorgcrisis, onderwijscrisis, schuldencrisis, etc.) als sociaaldemocraat te negeren en een positie in te nemen die deze uitdagingen niet het hoofd biedt. De radicalen zijn degenen die de uitdagingen negeren.

Maak geen programma gebaseerd op electorale overwegingen, zorg dat het electoraat andere overwegingen maakt. Alleen dode vissen zwemmen met de stroom mee. Wij willen de stroom van richting veranderen, linksom!

Samenvatting

 

  1. We bannen armoede en problematische schulden uit (Zekerheidsinkomen & schuldenoffensief).
  2. We maken werk van goed werk (meer banen, een recht in plaats van plicht op werk, hogere & eerlijke lonen, vast werk, arbeidstijdverkorting, solidair, tijdig & goed aanvullend pensioen).
  3. We pakken arbeidstekorten taboeloos aan (betere aansluiting opleidingen, meer vrouwen aan het werk & migratie reguleren met meer vluchtelingen én arbeidsmigranten).
  4. We voeren een nieuw eerlijk, effectief en eenvoudig belastingstelsel in wat kapitaal meer en arbeid minder belast, zorgt dat de sterkste schouders echt de zwaarste lasten draagt en dat de armoedeval oplost (meer tarieven, geen boxen, geen aftrekposten/kortingen/vrijstellingen/ toeslagen, hogere belasting kapitaal, geen premies volksverzekeringen, aanpakken belastingontwijking/ontduiking).
  5. We zorgen voor betaalbaar en goed wonen (meer overheidsregie, marktregulatie, andere subsidie woningbezit, prioriteit bij betaalbare huren, vertraging & hervorming extramuralisering, betaalbare verduurzaming woningen, herinvoering wijkbeleid).
  6. We gaan eerlijk en snel naar een circulaire, duurzame energie (eerlijke energietransitie, circulaire economie, duurzame belastingen, mobiliteit en landbouw, versterking natuur & landschap, schone lucht, water en bodem, een landelijk kader en regie voor ruimtelijke ontwikkeling voor een schoon, duurzaam, veilig en natuurlijk Nederland).
  7. We zorgen voor een enorme versterking van onze publieke sector (300.000 extra banen & 15 mld. structureel extra, een geheel ander zorgstelsel zonder verzekeraars en gemeenten, goed onderwijs voor gelijke kansen, sterke en rechtvaardige veiligheid, verdubbeling cultuurbudget, een goede uitvoering, geen marktwerking, meer ruimte en betere positie professionals).
  8. We worden de markt weer meester: terug naar het Rijnlandse model (regulering marktsector, sterkere positie werknemers & consumenten, minder export/meer binnenlandse markt, eerlijke in plaats van vrijhandel, verdubbeling budget ontwikkelingssamenwerking, minder schulden/kleinere, sterk gereguleerde financiële sector, regulering digitale economie & bescherming privacy).
  9. We versterken onze democratische rechtsstaat (versterking vertegenwoordigende in plaats van directe democratie, versterking publieke controle/ombudsfuncties/ klokkenluiders, betere rechtsbescherming burgers, Europese senaat).
  10. We voeren een linkse begrotingspolitiek en we hebben een plan voor de volgende crisis (investeren, meer overheidsschuld, minder private schulden, beschermen burgers en mkb/zzp, risico’s beperken, stoppen met improviseren: voorbereiden!).

 

 

Inhoudsopgave

Inleiding. 1

Samenvatting. 3

  1. We bannen armoede en problematische schulden uit. 6

1.1.       We voeren een Zekerheidsinkomen in. 6

1.2.       We bannen problematische schulden uit met een compleet schuldenoffensief. 11

  1. Werk blijft belangrijk, we maken werk van goed werk. 14

2.1.       Werk blijft belangrijk. 14

2.2.       Werk wordt van een plicht een recht. 16

2.3.       Maatregelen voor groepen waar arbeidsmarkt afstand tot hoe heeft. 17

2.4.       Werk moet blijven lonen. 18

2.5.       Hogere en eerlijke lonen. 19

2.6.       We maken vast werk weer tot norm.. 19

2.7.       We voeren een collectieve arbeidstijdverkorting in. 21

2.8.       Een solidair en goed aanvullend pensioen. 22

  1. Arbeidstekorten pakken we aan zonder taboes. 23

3.1.       Meer investeren in beroepsonderwijs en levenslang leren. 23

3.2.       Hogere arbeidsparticipatie van vrouwen. 23

3.3.       Meer migratie. 24

  1. Een eerlijk, effectief en eenvoudig nieuw belastingstelsel 26

4.1.       Enorme ongelijkheid in ons land. 26

4.2.       Te grote ongelijkheid is onrechtvaardig, schadelijk en gevaarlijk. 28

4.3.       Huidig belastingstelsel verergert ongelijkheid. 29

4.4.       Contouren van een nieuw belastingstelsel 32

  1. We zorgen voor betaalbaar en goed wonen. 35

5.1.       Herstel van de regie van de overheid voor volkshuisvesting. 35

5.2.       Radicale beperking en hervorming van subsidie voor woningbezit. 36

5.3.       Prioriteit bij betaalbaar huren voor lage en middeninkomens. 39

5.4.       Vertraging en hervorming van extramuralisering. 44

5.5.       Verduurzaming van woningen. 45

  1. We gaan onze economie omvormen tot een circulaire, duurzame economie. 47

6.1.       Een eerlijke energietransitie. 47

6.2.       Een circulaire economie. 47

6.3.       Fiscale maatregelen. 49

6.4.       Duurzame mobiliteit. 50

6.5.       Duurzame landbouw.. 50

6.6.       Versterking en bescherming van natuur en landschap. 53

6.7.       Zorgen voor een schone lucht, water en bodem.. 56

  1. Versterking van de publieke sector. 59

7.1.       Een geheel nieuw zorgstelsel 62

7.1.1.         De kosten in de zorg moeten vooral anders verdeeld worden: schrap eigen risico, eigen bijdragen en huidige zorgpremies en vervang deze door financiering uit belastingen. 62

7.1.2.         De positie van de zorgverzekeraars. 66

7.1.3.         Mislukte decentralisatie. 70

7.1.4.         De effecten van marktwerking bij de zorgaanbieders. 74

7.1.5.         De bureaucratisering van de zorg. 77

7.1.6.         Contouren van een nieuw, publiek zorgstelsel 79

7.2.       Gelijke kansen en goed onderwijs. 82

7.3.       Veiligheidssector (incl. defensie) versterken. 86

  1. De markt meester worden: terug naar het Rijnlandse model 88

8.1.       Regulering marktsector. 88

8.2.       Sterkere positie werknemers in bedrijven. 89

8.3.       Minder export en doorvoer, meer binnenlandse bestedingen, eerlijke handel in plaats van vrijhandel 90

8.4.       Minder op schuld gerichte economie met een veel kleinere, fors gereguleerde financiële sector    91

8.5.       Regulering van digitale economie en bescherming van de privacy. 93

  1. Versterking van de democratische rechtsstaat. 95
  2. Linkse begrotingspolitiek met een herstelplan voor de volgende crisis. 97

10.1.          Linkse begrotingspolitiek. 97

10.2.          Een plan voor wat te doen bij de volgende crisis. 99

10.3.          Financiering van deze Nieuwe Tien over Rood. 103

Tenslotte. 103

 

 

 

 

1.    We bannen armoede en problematische schulden uit

 

1.1.                      We voeren een Zekerheidsinkomen in

 

In 2017 leefden 599.000 huishoudens (ruim 1,1 miljoen mensen) in ons land met een inkomen onder de CBS-grens van lage inkomens, 8,2% van alle huishoudens.[1] Langdurige armoede (tenminste vier jaar) treft 3,3% van alle huishoudens (227.000 huishoudens; 1 op de 30). Dit zijn veelal huishoudens aangewezen op een bijstandsuitkering. In totaal 277.000 minderjarige kinderen leefden in een huishouden met een inkomen beneden deze inkomensgrens, vooral eenoudergezinnen. Bijna 110.000 minderjarige kinderen doen dat al langer dan vier jaar.

Het SCP hanteert andere definities en cijfers[2]. In 2016 leefden volgens het SCP 980.000 mensen (6%) met een huishoudinkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium, en 660.000 (4%) onder of op het basisbehoeftencriterium. Volgens het SCP leefden in de periode 2011-2015 605.000 mensen in langdurige armoede, 64% van het totaal aantal armen en 4,1% van de totale Nederlandse bevolking. Het aantal minderjarige kinderen in armoede (het niet-veel-maar-toereikend criterium) is volgens het SCP 280.000, 8,8% van het totaal aantal minderjarige kinderen. Het SCP stelt dat bijna 170.000 minderjarige kinderen in langdurige armoede verkeren, 28% van het totaal aantal langdurige armen.

Een groep die vaak wordt vergeten zijn de mensen die een betaalde baan hebben, maar te weinig verdienen om van rond te komen. Hoe beperkter de werkweek, hoe hoger de kans is op armoede. Werk wordt als hét middel gezien om uit de armoede te komen. Maar armen mét werk vormen zelfs 41 procent van de armen boven de achttien; dat zijn er meer dan mensen met een bijstandsuitkering (19%). Twee op de vijf arme volwassenen werkt. In 2014 (cijfers van het SCP) telde ons land 320.000 zogenoemde werkende armen. 175.000 daarvan waren in loondienst en 145.000 werkten als zelfstandige (zzp’er). Onder de laatste groep is het risico op langdurige armoede groot.

Volgens het SCP kwam een arm huishouden in 2016 per jaar 2300 euro tekort volgens het niet-veel-maar-toereikendcriterium, ruim 191 euro per maand. Dat tekort stijgt ieder jaar snel. Volgens het Nibud bedroeg het tekort in 2018 al 217 euro per maand. In 2018 hielpen de Voedselbanken 140.000 personen, een stijging van 6% t.o.v. 2017.[3] Van de Nederlandse huishoudens heeft 40% te weinig spaargeld en 15% heeft geen spaargeld. Dit betekent dat deze huishoudens niet of onvoldoende in staat zijn financiële tegenvallers op te vangen.

Die onwilligheid van onze overheid om tot correctie over te gaan heeft ook een politiek-ideologische onderbouwing in het neoliberale gedachtengoed, waarin succes, en dus ook falen, een individuele keuze is. Geldgebrek is daarin al gauw een karaktergebrek, dat de overheid vooral niet moet belonen met correcties op het inkomen. Voor sociaaldemocraten echter ligt de bron van vrijheid in het succes van collectieve actie en het organiseren van solidariteit, die mensen in staat stellen tot een grotere grip op hun eigen lot. Daarmee erkennen sociaaldemocraten, anders dan neoliberalen, dat maatschappelijke ongelijkheid een dominante factor is bij het behalen van persoonlijk succes of falen, en dat die ongelijkheid nog versterkt doorwerkt in het opvangen van pech en tegenslag, die mensen gewoon kan overkomen. Het toeval en het noodlot heeft voor mensen met weinig middelen en kansen nu eenmaal veel grotere gevolgen.

Teveel mensen zijn gaan geloven in een soort ideaalbeeld van assertieve individuen die hun mannetje en vrouwtje staan in de wereld van markt en strijd. Dan is het logisch dat de afkeer van afhankelijkheid groeit. Daar ligt de bron van sociale ontbinding. Als je succes hebt, dan is het jouw verdienste, als je faalt, dan heb je het aan jezelf te wijten. Dat deugt natuurlijk helemaal niet: de samenleving is complexer dan ooit en dan zeggen we tegen het individu dat het al de risico’s maar moet kunnen overzien. De staat kan dat niet meer, ondanks alle toezicht die hij uitoefent, maar van het individu veronderstellen we dat het dat wél kan. Terwijl volgens ons maatschappelijke misstanden, maar soms ook noodlot of dikke pech, meer dan voorheen bepalen of iemand vastloopt.

Het is een vergissing, met ingrijpende gevolgen, om aan te nemen dat ons emancipatieproces is voltooid. En dat we nu een maatschappij hebben van economisch zelfredzame, autonome individuen. Het resultaat is wat de WRR een ‘zelfredzaamheidsparadox’ noemt: door van iedereen evenveel verantwoordelijkheid te vragen, verliezen sommige groepen juist de regie over het eigen leven. Dit betreft in ieder geval de financiële analfabeten – volgens het Nibud heeft 40% van de Nederlanders moeite met financiële administratie. Daaronder zitten ook de 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

En de tweede paradox is dat de overheid zich terugtrekt en tegelijkertijd de burgers met de laagste inkomens (geheel anders dan de veelverdieners die de belasting ontwijken of ontduiken) meer dan ooit in de gaten houdt. Er is veel te doen over privacy, maar de sociale dienst kan je badkamer controleren, onder je bed kijken, je slaapkamerkasten doorzoeken, buren laten klikken, camera’s plaatsen, sociale rechercheurs laten bespioneren, enzovoorts. En je bent bij voorbaat schuldig. Er is veelal sprake van omkering van de bewijslast. Als je een foutje hebt gemaakt, moet jij bewijzen dat dat geen opzet was. Bij de toeslagenaffaire bleek hoe moeilijk je als burger je kan verweren tegen een overheid die je bij voorbaat schuldig verklaart. Bij de Participatiewet is dat niet anders.[4]

Het helpt dan ook niet dat we het zo ingewikkeld gemaakt hebben: Mensen met een uitkering hebben te maken met 13 verschillende inkomensregelingen met 8 verschillende definities van inkomen en vermogen, en 27 formulieren.[5]De impliciete veronderstelling achter veel van de huidige regels lijkt te zijn dat iedereen altijd netjes de post bijhoudt en begrijpt, reageert op aanmaningen, zich voortdurend bijschoolt, op tijd zijn pensioen organiseert, actieve keuzes in de zorg maakt en, mocht er iets mis gaan, de juiste wegen weet te bewandelen om die fouten te herstellen’, schrijft de WRR in Weten is nog geen doen. En daarmee ‘ligt de lat in de participatiesamenleving’ volgens de WRR ‘behoorlijk hoog’.

En voor hen die het wel weten, heeft de WRR erop gewezen dat weten nog geen doen is.[6] Handelingsbekwaamheid vraagt meer dan alleen kennis in tijden van persoonlijke crisis. Denkvermogen is nog geen doenvermogen. Stress, schaamte en gebrek aan toekomstperspectief maken ook hoog opgeleiden met financiële problemen soms vleugellam. Niet-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleiding en tegenslag zijn niet vanzelfsprekend aanwezig bij iedereen met goede cognitieve vermogens.

De WRR wijst erop dat veel overheidsarrangementen geen rekening houden met normale menselijke tekortkomingen. Die komen, zo stelt de WRR, niet alleen voor bij kwetsbare mensen, met een lager IQ of opleiding, maar bij iedereen, ook bij u en bij  mij, en dus ook bij hoger opgeleide mensen. Bij baanverlies, echtscheiding, rouw, ziekte, burn-out en stress verminderd ons doenvermogen – de capaciteit om gedachten, emoties of gedrag te beheersen. Ook ‘wij’ openen de post weleens een poosje niet, leven ongezond, drinken iets teveel of gooien er met de pet naar. Omdat we even niet anders kunnen of willen. Of het ‘niet opbrengen’. Niet iedereen heeft ook dezelfde aanleg voor zelfredzaamheid. Mentale vermogens blijken verder ook variabel in een mensenleven. Met name financiële problemen vormen een bedreiging voor het beslisvermogen. Geldgebrek lijdt tot stress, en stress verkleint de mentale bandbreedte verder. Het gevolg daarvan is vaak nog meer financiële problemen, omdat een verkeerde beslissing of nalatigheid geld kan kosten.[7]

Je moet om hulp te krijgen loketten aflopen, formulieren invullen, intakegesprekken voeren. Hier is iets vreemds aan de hand: hoe minder je hebt, hoe meer bureaucratie er over je heen wordt gestort. Terwijl je daar juist steeds minder energie voor hebt. Laat dit even tot u doordringen: in de moderne verzorgingsstaat wordt je probleem een reden om je uit te sluiten van een oplossing. Je hebt een drugsprobleem, daarom zit je in de verslavingszorg, maar daar word je geschorst omdat je drugs blijft gebruiken. Je hebt een gedragsprobleem, daarom zit je bij een jeugdzorginstelling, maar daar moet je weg omdat jij je niet gedraagt. Je hebt schulden en overziet de financiële problemen niet meer, maar je moet eerst je administratie op orde hebben voordat je toegelaten kan worden tot de schuldhulpverlening. We moeten het zelfredzaamheidsdogma radicaal door het toilet spoelen.

En niet de burger die hulp nodig heeft – volstrekt idioot ‘klant’ genoemd – staat centraal, maar het deelsysteem staat centraal. De econoom John Maynard Keynes adviseerde ooit: laat de werklozen gaten graven om ze vervolgens door anderen dicht te laten gooien. Dat advies hebben we in onze moderne verzorgingsstaat ter harte genomen. De ene overheidsdienst begraaft nu mensen in de problemen, zodat een andere ze weer kan opgraven. Nederland is bezaaid met instellingen die afgerekend worden op het oplossen van deelproblemen, met enorm kostbare, contraproductieve beleidsaccumulatie. Ieder deelprobleem zijn eigen regelsysteem met verplichtingen, voorwaarden, verboden, controles en sancties. Hoe dieper je in de shit zit, hoe moeilijker het is om hulp te krijgen.

Integendeel zelfs, hoe dieper je in de problemen zit, hoe dieper je de shit in geholpen wordt. Het CJIB wil dat iemand zijn boetes betaalt. De deurwaarder wil geld zien. De politie wil hem opsluiten. De crisisopvang wil hem weer thuiskrijgen. De sociale dienst wil dat hij aan het werk gaat. De psychiater wil hem van zijn depressie genezen. De maatschappelijk werkster wil hem in de schuldhulpverlening. De schuldhulpverlening wil dat hij zijn post opent. En de dagbesteding wil hem zingevend bezighouden. De mensen die buiten de boot vallen, zie je in beleidsdocumenten niet meer terug, hooguit als restcategorie: ‘Uitstroom naar onbekend.

Het recht is steeds vaker iets dat je moet halen. Zelf alles aanvragen, steeds opnieuw. Een enorm aantal bewijsstukken inleveren. Onzinnige sollicitaties uitvoeren, gratis verplicht werk uitvoeren, vernederende cursussen volgen. En daar blijft het niet bij: als je iets fout hebt gedaan, dan komt het ‘recht’ ineens razendsnel naar je toe. Sterker nog, dan dendert het als een sneltrein over je heen. Bij problemen gaat er een intimiderende, vernederende en vooral ook zeer kostbare controlemachine in werking en wordt, vooral door de overheid, boete op boete geplaatst. Gevolg: waanzin, vernedering, verspilling. De overheid is boos, achterdochtig en gefrustreerd. Het is management by insult. Geen wonder dat mensen geen vertrouwen meer hebben in de politiek. Ontbinding ontstaat waar binding ontbreekt. Er is geen binding meer vanwege een geïnstitutionaliseerd wantrouwen van de burger door de Staat. En rechtsbijstand wordt steeds meer iets waar je ook het geld voor moet hebben, ook dit kabinet wil er weer op bezuinigen.

De overheid met een neutraal mensbeeld is verdwenen. Zo is er, onder druk van de publieke opinie, al jaren sprake van een steeds sterker wordende aanname dat uitkeringsgerechtigden misbruik maken, frauderen, oneigenlijk aanspraak maken, onwillig en niet gemotiveerd zijn, etc. Zie ook de recente idiote fixatie op WW-uitkeringen voor ‘vakantie vierende Polen’[8] en de meer dan schandalige en onwettige praktijken van terugvordering van kinderopvangtoeslagen door de Belastingdienst[9]. Terwijl de praktijk laat zien dat mensen aan de onderkant van de samenleving en aan de onderkant van de arbeidsmarkt echt in de problemen zitten en met moeite het hoofd boven water kunnen houden. De ingezette teneur van werken voor je uitkering, verplichte participatie op straffe van boete en maatregelen, zijn bovendien dreigementen die nu geen kracht bijgezet kunnen worden in de vorm van beschikbare reële betaalde arbeid voor deze doelgroep, of zelfs maar van reële hulp bij het vinden van betaald werk. Er zijn massa’s zinloze verplichtingen, maar de meeste gemeenten hebben nauwelijks een netwerk met werkgevers om werklozen aan het werk te helpen, en er is zo fors bezuinigd op de arbeidsbemiddeling dat de kwaliteit beschamend is. Persoonlijke contacten zijn er nauwelijks door met name een veel te hoge caseload (aantal te bemiddelen personen per bemiddelaar), bemiddelaars hebben zelden goede opleiding noch effectief regionaal netwerk, en het hele systeem is alleen gericht op schadelastbeperking van de gemeente, niet om tevreden werkzoekenden of tevreden werkgevers die werknemers zoeken. Veel energie wordt gestoken in mensen die makkelijk bemiddelbaar zijn, en niet in de mensen die de meeste hulp nodig hebben. Er is een grote mate van draaideurwerkloosheid met allerlei flutconcepten van tijdelijk, slecht flexwerk. De bejegening van werkzoekenden is nog steeds vaak beledigend, intimiderend en vernederend.

De Participatiewet, zo zegt nu ook het SCP, is één grote mislukking geweest.[10] Voor alle doelgroepen. Zonder uitzondering. We maken daarom een harde, voldoende hoge inkomensvloer tegen armoede met een Zekerheidsinkomen: iedereen[11] die minder verdiend dan het sociaal minimum, betaald geen belasting maar krijgt zijn inkomen zonder voorwaarden, verplichtingen en verboden anders dan ook een vermogenseis[12] aangevuld tot het sociaal minimum voor het betreffende huishouden.

O.m. arbeidsplicht, medewerkingsplicht, taaleis en tegenprestatie vervallen daardoor.

De bijstand, de Wajong, de ANW, de AOW en de studiefinanciering[13] kunnen dan ook vervallen. Voor gepensioneerden blijft geen inkomens- en vermogenseis gelden, en de opbouweis vervalt. Door het Zekerheidsinkomen krijgen ook mensen met een kleine aanstelling (afhankelijk van het huishoudinkomen) en bijv. ook kunstenaars een voldoende inkomen, en is er ook een goed inkomensvangnet voor flexwerkers. Het impliceert een aanzienlijke vereenvoudiging en verbetering van onze sociale zekerheid en maakt een einde aan armoede, ook voor werkenden armen, in combinatie met verlaging van vaste lasten (zie later).[14]

We zijn niet voor een onvoorwaardelijk basisinkomen, zonder inkomens- en vermogenstoets, omdat daarmee de marginale druk op meerinkomen bij arbeid te hoog zou worden, om werk nog lonend te maken. De belastingdruk zou tot meer dan 70% oplopen voor ieder arbeidsinkomen, zoals de Rotterdamse econoom Bas Jacobs voorrekende. Daarop kwam ook de grote pleitbezorger van het basisinkomen in Nederland, Rutger Bregman, terug van het onvoorwaardelijke in het basisinkomen.

Om dezelfde reden kiezen wij ook niet voor een Zekerheidsinkomen voor ieder meerderjarig individu, maar voor ieder huishouden. De vrouw van de tandarts of de man van de rechter subsidiëren verhoogt de belastingdruk onnodig. Er is immers geen sprake van geldgebrek. Uitgaan van ieder individu apart zou de uitgaven voor het Zekerheidsinkomen fors verhogen, omdat het sociaal minimum nu voor alleenstaanden hoger is dan voor individuen die een gezamenlijke huishouding voeren. Ook hier doen we dus een concessie aan de beoogde vereenvoudiging. Wel willen we voorkomen dat er onnodige en privacy-schendende controles plaatsvinden. Niet de huidige praktijk van de Participatiewet, maar die van de Belastingdienst wordt de norm voor een gezamenlijke huishouding. Een postadres moet verder volstaan voor de toekenning van het Zekerheidsinkomen.

De positieve kant van de medaille is dat wij ons Zekerheidsinkomen daardoor veel hoger kan laten zijn dan in de meeste voorstellen voor een onvoorwaardelijk basisinkomen dan ook gedaan is, en we daarom echt wat kunnen doen aan armoede en geldgebrek. We verhogen het sociaal minimum en daarmee het Zekerheidsinkomen conform de FNV-eis voor een minimumloon van 14 euro per uur. Het sociaal minimum stijgt dan mee naar € 1568 per maand voor een alleenstaande (+ € 367,57) en 2240 euro (+ € 604,40) per maand voor een gezamenlijk huishouden. De kostendelersnorm en de lagere normen voor jongeren van 18-21 jaar vervallen.

Voor zover inkomen niet bekend is bij belastingdienst moet betrokkene inkomen maandelijks doorgeven om in aanmerking te komen. Omdat voor de meeste mensen de inkomens bekend zijn bij de belastingdienst, hoeven zij geen uitkering aan te vragen. Wel zal de belastingdienst de ontvanger vooraf vragen of de inkomensgegevens die zij hebben kloppen.

 

1.2. We bannen problematische schulden uit met een compleet schuldenoffensief

 

De situatie van problematische en risicovolle schulden van huishoudens vraagt om een urgente aanpak. Schulden van huishoudens zijn nergens in de wereld zo hoog als bij ons: meer dan 2000 miljard euro, 280% van ons bbp. De enorme schulden geven ook een enorm risico bij een volgende crisis: meer dan twee derde van het juridisch bezit van de 90% huishoudens met de slechtste vermogensposities is inmiddels belegd met schulden. Een op de drie huishoudens heeft te lage financiële reserves om tegenvallers op te vangen.

Het aantal huishoudens met risicovolle en problematische huishoudens is dramatisch (1,2 miljoen!) en neemt ondanks de hoogconjunctuur niet af. De kosten zijn enorm: ruim een half miljard per jaar aan directe schuldhulpverlening en 11 miljard euro per jaar aan indirecte maatschappelijke kosten door problemen van huishoudens in deze schulden.

De toegankelijkheid van de schuldhulpverlening is slecht: minder dan 5% weet de schuldhulpverlening te vinden, er zijn jarenlange doorlooptijden, minder dan 1 op de 5 die toegelaten is bereikt schone lei, er is een hoge recidive (terugval in nieuwe schulden), schuldeisers ontvangen gemiddeld van mensen in de schuldhulpverlening maar 10-12% van hun vorderingen terug.

Het huidige stelsel is een hel voor de schuldenaar, kost de samenleving miljarden, in de meeste gevallen krijgen schuldeisers hun geld grotendeels niet terug, de enige die echt baat heeft bij deze industrie is de schuldenindustrie zelf, en u en ik betalen voor deze gigantische verspilling. Daarenboven bedreigt het huidige schuldenniveau onze economie en welvaart.

Gemeenten houden hun taak op terrein bijzondere bijstand voor aanvullend inkomensmaatwerk. En ze krijgen een grotere rol op het terrein van schuldhulpverlening (SHV). In plaats van de huidige Wgs, Wsnp en (het schuldenbewind bij) de Wcbm voeren we een geheel nieuw volledig publiek Schuldhulpverleningsstelsel in, volledig geïntegreerd bij de gemeenten. Er geldt een toelatingsrecht en soms zelfs (via de rechter) wordt gedwongen hulpverlening mogelijk. De gemeente moet binnen zes weken een hulpverleningsplan vaststellen, op maat opgesteld gegeven de specifieke situatie van de schuldenaar, waarbij er direct een voor iedereen bindend schuldenmoratorium ontstaat: alle schulden worden bevroren en incasso’s kunnen alleen via de gemeente plaatsvinden en alleen in overeenstemming met het plan. De gemeente kan bewindvoering en budgetbeheer instellen en schulden overnemen, in bijzondere situaties (bijv. in geval van te grote overlast en/of maatschappelijke kosten) kan dat ook zonder schuldhulpverleningsverzoek worden opgelegd. Daartoe komt een door het Rijk gevoed fonds. Bewindvoerders zijn bij de gemeente in dienst en moeten gediplomeerd zijn. Het plan moet naast op het maximaal betalen van de schulden ook gericht zijn op het bieden van nieuw perspectief voor de schuldenaar. Er is intensieve begeleiding gericht op het verkrijgen van houdingen en vaardigheden (in die volgorde) die de kans op recidive effectief verkleint. Eventuele kosten daarvan worden gefinancierd uit de bijzondere bijstand. Begeleiders moeten goed opgeleid zijn en ruime regel- en budgetruimte hebben. Gemeenten krijgen hiertoe ruime extra middelen. Schuldenaren en schuldeisers kunnen over besluiten van de gemeente in beroep bij de rechter. Zo’n beroep heeft geen schorsende werking. Na drie jaar worden resterende schulden kwijtgescholden, tenzij de schuldenaar onvoldoende meewerkt, dan wordt deze termijn verlengd (in plaats van, zoals nu, de schuldhulpverlening te staken).

We gaan ook het maken van risicovolle en problematische schulden veel beter voorkomen. Het is nu veel te eenvoudig om schulden te krijgen en velen blijven in een vicieuze cirkel van schulden zitten. Nergens in de wereld is de omvang van de schulden per huishouden zo groot als in ons land. Kredietverstrekkers lopen nauwelijks risico, burgers worden weinig beschermd, schulden maken wordt zelfs gestimuleerd, met name door het systeem van studieleningen en door de hypotheekrenteaftrek (daarover later meer).

We gaan in de eerste plaats het risico meer bij kredietverstrekkers leggen door bij faillissement geen beslag meer toe te staan op toekomstig inkomen (1 maal in de 6 jaar) en de lijst van bezittingen die je mag houden bij faillissement te moderniseren. Ook bij hypotheken komt er meer risico bij de kredietverstrekker. Bij het inleveren van het onderpand (de woning) vervalt de hypotheekschuld. Tegelijkertijd worden de normen om in aanmerking te komen voor een hypotheek aangescherpt. Dat kan alleen als betaalbaar huren en bouwsparen dan eerst gerealiseerd worden (zie later in dit betoog).

We pakken ook gokverslaving aan. Reclames voor gokken worden verboden, waarschuwingen en voorlichting geïntensiveerd. Het aanbod van gokken wordt sterk beperkt en gereguleerd/gecontroleerd.

Er komt een eenmalig schuldenpardon – een kwijtschelding van alle problematische en studieschulden en van hypotheken die onder water staan, gefinancierd uit een verhoging van de bankenbelasting.

We verzwaren de regulering van reclame voor kredietverstrekking, investeren in onderwijs in financiële planning op scholen en verplichten alle gemeenten tot de instelling van een Geldloket waar gratis financieel advies, hulp en informatie verkregen kan worden.

Sociale incasso vanuit de overheid (vaak de grootste schuldeiser) gaan we organiseren door maatwerk toe te passen bij incasso door overheden, met één incassobureau voor alle overheden (dus incl. CJIB) en één beleidslijn voor het afschrijven van oninbare vorderingen. We stoppen met idioot hoge boetes en schelden in beginsel na drie jaar schulden kwijt als SHV daar al niet voor geholpen heeft. We verplichten dat Gemeentelijke Kredietbanken met lage rentes werken (maximaal de rente waarvoor gemeenten zelf kunnen lenen plus aantoonbare kosten). We gaan de zorgplicht vergroten van crediteuren ten tijde van het aangaan van koop-, leen- en huurovereenkomsten. Het commercieel verhandelen van schulden van huishoudens wordt verboden. De zorgplicht van banken e.a. blijft ook bij uitbesteding van incasso bij de oorspronkelijke partij in stand, ook wat betreft aansprakelijkheid.

Gemeentelijke vroegsignalering moet verplicht georganiseerd worden. We verplichten de woningcorporaties, zorgverzekeraars, energieleveranciers en waterbedrijven dat zij bij twee maanden achterstand melding doen bij de gemeente. De gemeente moet dan zorgen dat hulpverleners contact leggen met de bewoners, om hen te ondersteunen om weer grip te krijgen op hun geld. Gemeenten moeten ook kijken hoe ze nóg vroeger in actie kunnen komen. Door bijvoorbeeld samen met corporaties en nutsbedrijven alert te zijn op ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals werkloosheid, echtscheiding of verlies van een naaste. Corporaties en andere bedrijven kunnen hun klanten dan in contact brengen met instanties die hen hierbij ondersteunen.

Iedere schuldenaar krijgt nog maar te maken met één deurwaarder, die niet commercieel moeten werken en dus in dienst komen bij Justitie. We voeren een vergunningsplicht in voor private incassobureaus in om onoorbare praktijken tegen te gaan en bij overtreding te kunnen sanctioneren. Private incassobureaus die woekertarieven rekenen pakken we aan met forse boetes en bij herhaling het ontnemen van hun vergunning. Schulden mogen niet meer commercieel worden verkocht. De zorgplicht van de kredietverstrekker blijft altijd in stand.

 

 

2.    Werk blijft belangrijk, we maken werk van goed werk

 

2.1.                      Werk blijft belangrijk

 

Werk (betaalde arbeid) is naast een deugdelijke woning, goede zorg en goed onderwijs essentieel als belangrijke bron van bestaanszekerheid. Betaald werk geeft natuurlijk in de eerste plaats een inkomen, maar werk is veel meer dan een inkomen. Het geeft zin, identiteit, structuur en sociale context aan je leven. Mensen stellen zich vaak voor met hun naam én hun beroep. Zonder werk geen beroep, geen collega’s. Waar praat je over in je vrije tijd? En met wie? Werk is niet een ongemak wat we moeten verduren om inkomsten te kunnen generen, opdat we maar voldoende kunnen consumeren. Werk vormt ons tot wie we zijn – als er geen werk meer is, dan raakt dat ons ‘zijn’. Dat besef je pas goed als je het niet meer hebt.

Werkloosheid is geen economisch probleem, maar een sociaal en een ordeningsprobleem. Werk is in onze tijd hét middel tot erkenning, ontplooiing, sociale contacten en dagritme. Werk geeft mensen ook een onderhandelingspositie over je inkomen. Het maakt je minder afhankelijk. Het is belangrijk dat onze PvdA blijft strijden voor goed en zinvol werk, met een goede, zekere rechtspositie, voor iedereen die dat wil. De meeste mensen willen dat ook, met name hen die onvrijwillig geen betaald werk (meer) hebben.

Het is daarom geen zegening als werk overbodig zou worden, al is het verdwijnen van vies, ongezond, en vervelend werk door automatisering en robotisering natuurlijk voor de meeste mensen niet iets om te betreuren. En het is ook niet onvermijdelijk dat werk zou gaan verdwijnen.

In de eerste plaats kunnen we er iets aan doen, de overheid heeft tal van instrumenten daarvoor. Het is belangrijk dat onze overheid weer zijn rol pakt als het gaat om het vergroten van het aantal en het eerlijker verdelen van banen. Te lang is gedacht dat alleen de markt banen zou kunnen maken, en de overheid alleen zou kunnen faciliteren. De sociaaldemocratie staat voor de maakbaarheid van werk – wij zijn de Partij van de Arbeid. De overheid moet streven naar volledige werkgelegenheid, voor iedereen die wil en kan werken. In de publieke sector kan en moet zij dat rechtstreeks doen, in de marktsector kan zij dat bevorderen door gunstige voorwaarden te scheppen (o.m. door investeren in arbeid goedkoper te maken) en afspraken te maken. Daarbij is het macro-economisch beleid belangrijk voor de creatie van banen.

En in de tweede plaats zal er door vergrijzing en ontgroening eerder een tekort dan een overschot aan arbeid ontstaan, al is er een toenemende mismatch tussen vraag en arbeid op de arbeidsmarkt. Door robotisering zullen banen verloren gaan, maar veel meer banen zullen erdoor veranderen, en er zullen ook nieuwe banen bijkomen. En dat gaan we ook fors bevorderen.

Het is tijd voor een 21ste eeuws Plan voor de Arbeid! We hanteren een doelstelling van volledige werkgelegenheid, bijv. nationaal gefixeerd op 2%[15] – banen van bijv. tenminste 20 uur, en tenminste 80% met een vast contract.

Investeringen in de publieke sector leveren meer werk op dan investeringen door de marktsector. Een euro besteed door de overheid levert gemiddeld genomen meer werkgelegenheid op dan een euro besteed door de markt. Dat heeft met drie dingen te maken:

1) De overheid kan sturen op werkgelegenheid, de markt doet dat niet.

2) De publieke sector bestaat vaker uit diensten en dat is arbeidsintensiever.

3) Publieke bestedingen vloeien minder weg naar het buitenland.

 

We investeren daarom in de eerste plaats in 300.000 reguliere banen in de publieke sector (zorg, onderwijs, veiligheid, etc., zie ook onder publieke sector verderop) en in betere beloning, en bestrijden daarmee de huidige desastreuze werkdruk. In totaal gaat het om ca. 15 miljard euro aan structurele extra uitgaven voor de publieke sector voor extra banen, vermindering werkdruk en betere beloning.

Publieke banen zijn echte banen, belangrijk voor onze welvaart en ons welzijn. Wij zijn ideologisch voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. Het maakt economisch niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient. De overheid is de grootste directe en indirecte werkgever en moet in de bedrijfsvoering ook de werkgelegenheidsdoelstelling weer zwaar laten meetellen, vooral ook waar het gaat om laaggeschoold werk. Denk aan conciërges, conducteurs, klassenassistenten, huishoudelijke hulp, burger/klantcontacten, buurtwachten, etc. Hogere salarissen in de publieke sector zullen tezamen met het fors hogere minimumloon en groeiende tekorten op de arbeidsmarkt een inmiddels door bijna iedereen gewenste loongolf veroorzaken.

Het probleem in Nederland is niet dat de collectieve uitgaven te hoog zijn, maar dat de collectieve lasten zo oneerlijk zijn verdeeld. Er is genoeg ruimte om te investeren, als we ook bereid zijn tot die eerlijke verdeling.

We gaan voorts concrete aantallen extra banen als verplichtende voorwaarde koppelen aan grote overheidsinvesteringen, waaronder de duurzaamheidstransities. Mensen die daar hun baan verliezen worden met een speciaal transitiefonds geholpen naar nieuwe banen. De overheid moet ook investeren in een ambitieuze robotagenda waarin een mensgericht technologieontwerp centraal moet staan, samen met bedrijven door technologieontwikkelaars en kennisinstituten, naast scholing en opleiding, centraal moet staan. Robotisering moet gericht zijn op veranderingen van werk, niet op verlies van werk. Robotisering biedt kansen als ze meer gericht wordt op hoe ze ook voor lager en middelbaaropgeleiden hun werk juist aantrekkelijker kunnen maken met een hogere productiviteit.[16] Binnen de ICT is ook veel meer arbeid nodig. Met het introduceren van digitalisering is beheer en onderhoud vaak een ondergeschoven kind. Het gevolg is zelf-repeterende fouten, ergerlijke missers in informatiesystemen en beveiligingslekken, die enorme schade kunnen aanrichten waardoor de in eerste instantie geboekte efficiency winst, wordt omgezet in dikke verliezen. Juist door het geven van aandacht hieraan – met het stellen van voorwaarden daaraan – komen er kansen voor laag- en middelbaar opgeleiden. Als het gaat om ICT is het grondig uitvoeren van testen geen raketwetenschap, maar een zaak van een arbeidsintensief nagaan van de processen en de beoogde resultaten daarvan. We gaan investeren in veel banen voor beheer, onderhoud en testen van ICT in de publieke sector en hoge eisen stellen aan de werking ervan in gereguleerde sectoren, zoals de financiële sector.

Ten derde gaan we werkgeverslasten verlagen en prikkels invoeren voor meer werk. Dat doen we door de franchise (vaste korting per werknemer) in de grondslag voor werkgeverslasten te verhogen zodat bedrijven met meer werknemers een relatief voordeel genieten ten opzichte van kapitaalintensieve bedrijven, en dat nog meer te doen voor laaggeschoold werk.[17] De Ziektewet gaan we voor MKB-ondernemingen voor het eerste half jaar een collectieve verzekering van maken. We voeren premiedifferentiatie in de WW-premies in, waarbij werkgevers die grote aantallen werknemers de WW insturen meer premie betalen. Dat levert structurele werkgelegenheid op, zonder extra lasten voor de overheid. De financiële verantwoordelijkheid voor het eerste halfjaar van de WW leggen we volledig bij werkgevers. Daarmee wordt de structurele werkgelegenheid ook vergroot, terwijl daarbij het saldo voor de overheidsfinanciën positief uitvalt. In beide gevallen worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers. Ontslaan wordt kostbaarder en dus ontmoedigd.

 

2.2.                      Werk wordt van een plicht een recht

 

De plicht tot werk en alle daarmee verband houdende verplichtingen vervallen.[18] Er komt een recht op goede re-integratie van werk, uitgevoerd door regionale werkwinkels[19], waarin de taken van UWV en gemeenten opgaan, en die bestuurd worden door sociale partners en gemeenten. Zo wordt de huidige complexe en verdeelde steun vervangen door één regeling met één uitvoerder en één loket, voor alle hulp om mensen aan (meer) werk te helpen, van scholing tot loonkostensubsidie en no-riskpolissen voor werkgevers.

We stoppen met zelfredzaamheid en eigen kracht als voorwaarde voor hulp. In plaats van wantrouwen, vernederen, verplichten, verbieden en sanctioneren gaan we vertrouwen, aandacht, motiveren, verleiding en faciliteren.

Gericht op vast werk. We stoppen met draaideurconstructies als Flextensie en werken zonder loon, en met de tegenprestatie.

Er komt een keurmerk voor de kwaliteit van bemiddeling naar werk, inclusief handhaving van de kwaliteit via een meer onafhankelijke inspectie SZW. We bevorderen een integrale aanpak van problemen bij mensen. Iedereen die dat wil, krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact is. We investeren daartoe honderden miljoenen structureel extra in de arbeidsbemiddeling. Ook ten behoeve van werkgevers die arbeidskrachten zoeken.

Prioriteit moet liggen op mensen die niet zelfstandig aan werk komen, en wel met hulp potentieel hebben om (meer) te werken. De minderheid die echt niet kan of wil, laten we met rust.

Sluitstuk van recht op werk is een recht (geen plicht!) op publieke basisbanen voor publieke taken op maat, voor hen die er niet in slagen een reguliere of garantiebaan kunnen vinden, met een volwaardige, normale beloning en rechtspositie.[20]

 

2.3.                      Maatregelen voor groepen waar arbeidsmarkt afstand tot hoe heeft

 

We nemen specifieke maatregelen waar specifieke groepen werklozen extra problemen hebben om werk te vinden – slachtoffers van discriminatie (leeftijd, niet-westerse afkomst), statushouders, laaggeschoolden, laaggeletterden en mensen met een arbeidsbeperking.

Er komt een extra inzet voor statushouders (huisvesting waar ook werk is, gratis en publiek georganiseerd taalonderwijs, inburgering en beroepsmatige scholing, vooral voor tekortberoepen van goede kwaliteit, al te beginnen in de kleinschalig te organiseren asielopvang die zoveel mogelijk georganiseerd wordt in gemeenten waar zij later ook kunnen werken en wonen, met zoveel mogelijk betrokkenheid van andere burgers uit die gemeenten). Het inburgeringsonderwijs wordt ook opengesteld voor immigranten uit de EU en de deelname daarin is gratis en wordt aangemoedigd.

Voor ouderen (50% van het bijstand-bestand, waarvan 25% hbo-plus) en voor jongeren met een lage opleiding organiseren we generatiecontracten, (om-)scholing, werk-leerovereenkomsten, en fors lagere werkgeverslasten voor oudere werklozen (57-plus) die weer aan het werk geholpen worden – 100% korting bij 1e jaar, 50% bij 2e jaar).

We geven extra aandacht aan banen voor laaggeschoolden, met o.m. baansplitsing en fiscale dienstencheques (zoals in België). Een dienstencheque is een waardebon waarmee particulieren op een belastingvriendelijke manier huishoudelijke diensten kunnen kopen. Ze hebben tot doel laaggeschoolden werk te laten doen dat daarvoor vaak zwart werd gedaan.

In de publieke sector moeten we de waarde van werk ook breder bezien dan alleen bedrijfsmatig. Indachtig het motto van de sociale New Yorkse bakkerij Greyston: we don’t hire people to bake brownies, we bake brownies to hire people. Arbeid als de voornaamste waarde. Het geeft zin aan het bestaan en werk voor mensen is goed voor de samenleving als geheel. Het product is een afgeleide. We moeten de schoonmakers, de hoveniers voor het openbare groen, de beveiliging, het caterings- en kantinepersoneel weer zelf in dienst nemen, loketten heropenen en uitbreiden, conducteurs en wijk- en schoolconciërges weer in dienst nemen, loketten heropenen en uitbreiden, conducteurs en wijk- en schoolconciërges weer in dienst nemen, het openbaar vervoer en nutsbedrijven weer terugbrengen in de publieke sector, etc. Waar de administratie en andere ondersteuning nodig en nuttig is, kan baansplitsing plaatsvinden, waarbij deze taken door lager geschoolden worden overgenomen. Baansplitsing kan ook door de aanstelling van assistenten voor taken die geen hoge opleiding vereisen. In de banenplannen voor de publieke sector worden aparte doelstellingen en instrumenten opgenomen voor laaggeschoolde arbeid. Ook sommige privatiseringen, zoals bij het openbaar vervoer en de post, pakken slecht uit voor laaggeschoolden. Het arbeidsintensieve karakter van deze sectoren en de concurrentiestrijd geven nu een voortdurende prikkel tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden. En dus tot het gevaar van een volgende race naar de bodem, zoals we die ook in de thuiszorg hebben gezien. Bij de toekomst van dit soort sectoren moeten de banen en goede arbeidsvoorwaarden, samen met de kwaliteit voor de cliënten centraal worden gesteld door daar de regels op toe te spitsen.

De facilitering van mensen met een arbeidsbeperking wordt fors uitgebreid. SW-bedrijven sluiten aan bij de voorgestelde regionale werkwinkels als expertcentra en ontwikkelbedrijven – SW-bedrijven voeren de regie over beschut werk. De verplichtingen voor werkgevers en ondersteuning voor beschut werk (Quotumwet) en social return on investment worden uitgebreid – de versoepelingen over welke banen meetellen bij het bereiken van de quota worden teruggedraaid. Bij overheden en bedrijven organiseren we positieve prikkels om beschut werk te realiseren. Tegelijkertijd verhogen we het budget hiervoor en versimpelen we de regels.[21]

En er moet daarnaast een fors offensief tegen laaggeletterdheid komen. Dat moet voor deze grote groep mensen die nu onvrijwillig langs de kant staan belemmeringen wegnemen. Zie bij onderwijs.

 

2.4.                      Werk moet blijven lonen

 

Als je werkt moet je meer verdienen dan in een uitkering, en je moet meer geld overhouden. Meer werk vanuit een gegarandeerd Zekerheidsinkomen wordt eerst minder belast.[22] We vervangen de arbeidskorting door een specifieke arbeidstoeslag voor alleen lage inkomens. We vervangen ook de inkomensafhankelijke fiscale toeslagen (zorg-, huur- en kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget) die nu voor een groot deel voor de armoedeval verantwoordelijk zijn, zie daarvoor bij belastingen.

 

 

 

2.5.                      Hogere en eerlijke lonen

 

We zetten in op een substantiële verhoging van de lonen. We streven daarbij naar een gemiddelde loonsverhoging van 5% per jaar voor de eerstkomende periode, met fors hogere percentages voor lagere en middeninkomens (door een vaste inkomensverhoging als bodem, indachtig de oude vakbondsleus ‘centen in plaats van procenten’) en lagere percentages voor hogere inkomens. De maatregelen om het minimumloon en de lonen in de publieke sector fors te verhogen, zullen bij een steeds krapper wordende arbeidsmarkt daarbij helpen.

Samen met meer arbeidsplaatsen zorgen hogere lonen voor een hogere Arbeids Inkomens Quote (AIQ, dat deel van wat we nationaal verdienen dat naar arbeid gaat). Dat deel is nu veel te laag en dreigt in een negatieve spiraal te belanden. Dus pleiten wij met DNB: laat de overheid ervoor zorgen dat de lonen harder stijgen ten koste van de bedrijfswinsten. Het moet meer lonend worden voor kapitaalbezitters om te investeren in banen en hogere lonen en minder lonend worden om kapitaal te laten staan zonder dat het productief is.

We maximeren wettelijk de verhouding tussen het laagste en hoogste loon in een bedrijf of instelling met een Wet op maximale beloningsverhoudingen. Bijv. de best en de slechts beloonde medewerker mogen dan bijv. niet meer dan twintig maal in beloning verschillen, tenzij de OR of een meerderheid van het personeel daarvoor expliciet toestemming geeft. Ook ingehuurd personeel en bestuurders vallen onder deze regeling. De beloningsverschillen zijn nu idioot hoog en worden steeds groter.

En we gaan een eind maken aan de uitzonderingen op de beperking van topinkomens in de publieke sector, gouden handdrukken met 80% belasten en variabele beloning strakker reguleren. Bestuurders van ondernemingen mogen geen aandelen van het eigen bedrijf meer ontvangen als bonus.

Het bestaande LIV (Lage Inkomens Voordeel, een loonsubsidie aan werkgevers voor banen met een laag loon) wordt afgeschaft.[23]

We voeren een collectieve vermogensaanwasdeling in. Werknemers gaan meeprofiteren van vermogensopbouw van hun onderneming. Daarmee realiseren we alsnog een belangrijke belofte van het roemruchte kabinet-Den Uyl.

En we zorgen voor afdwingbare gelijke beloning van mannen en vrouwen, naar IJslands voorbeeld, en een quotumregeling voor vrouwen in topfuncties bij bedrijven en in de publieke sector.

 

2.6.                      We maken vast werk weer tot norm

 

We maken voorts een eind maken aan de doorgeslagen flexibilisering van werk door vast en eerlijk werk en loon als norm te herstellen. Het verschil in regulering tussen tijdelijke en vaste contracten is in geen enkel ander OESO-land zo hoog als in Nederland, en nergens is ook het aandeel flexwerkers zo hoog. Het brengt 19e eeuwse arbeidsverhoudingen terug en is een voorname oorzaak van armoede onder werkenden. De meeste mensen kiezen niet voor flexwerk en het aandeel onvrijwillige ZZP-er stijgt. Dit ondermijnt ook het draagvlak voor de regelingen in onze verzorgingsstaat: ze – en vooral ook hun opdrachtgevers – betalen geen werknemerspremies of premies volksverzekeringen. De huidige regelingen maken ZZP-er ten opzichte van een werknemer te goedkoop. Daardoor kunnen werknemers niet meer concurreren met ZZP-ers en wordt het evenwicht op de arbeidsmarkt verstoord. ZZP-ers verdienen niet alleen weinig (bijna 40% minder dan het minimumloon), maar ze zijn ook slecht verzekerd tegen risico’s en voor hun aanvullend pensioen.

De groei van het flexwerk komt vooral terecht bij laagopgeleide werknemers en bij jongeren. Vast werk is er steeds meer alleen voor hoogopgeleiden. De ongelijkheid in onze samenleving, die toch al zeer groot is geworden, wordt daardoor nog groter. Ook zie je dat meer vrouwen dan mannen veroordeeld worden tot flexwerk, hetgeen de economische zelfstandigheid van vrouwen verder ondermijnt. Conjuncturele schokken concentreren zich bij de groepen zonder vast contract. Flexwerkers hebben volgens het CPB (november 2016) driemaal zoveel kans op werkloosheid en armoede. Bovendien heeft deze groep lagere lonen en minder opleidingskansen. ZZP-ers komen nu pas in aanmerking voor een bijstandsuitkering als ze hun vermogen, inclusief woning, hebben ‘opgegeten’. Flexibel werk betekent afhankelijkheid, permanente druk van opgedrongen targets, case-loads en van maximale prestaties in zo kort mogelijke tijd, zonder enig vangnet of bescherming voor ontslag, ziekte, arbeidsongeschiktheid en pensioen.

Schijnconstructies tieren welig. Contracten zijn steeds meer tijdelijk en ontslag eenvoudiger. Velen van hen hebben ook niet meer de bescherming van het minimumloon en van de opbouw van een redelijk pensioen. De armen sterven steeds vaker voordat ze aan pensioen toekomen, hun premiegeld gaat naar de rijken die wel met vroegpensioen kunnen gaan.

We gaan flexwerk minder aantrekkelijk, dus duurder maken. Met:

-Voldoende hoge minimumtarieven voor ZZP-ers in plaats van fiscale zelfstandigenaftrek, gelijkwaardig aan het salaris van een vergelijkbare werknemer inclusief de kosten voor verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid en aanvullend pensioen.

-De transitievergoeding moet al vanaf dag één bij flexwerk worden opgebouwd, niet zoals nu, pas na twee jaar.

-We pakken schijnzelfstandigheid, zoals bij platformbedrijven, ook wettelijk aan, door dit soort constructies aan te merken als werknemer in loondienst.

-We gaan flexwerk hogere werkgeverslasten opleggen door differentiatie in de franchise en hogere WW-premies.

-De Arbowet gaat ook dezelfde materiële bescherming geven voor ZZP-ers.

-De collectieve regeling voor ziekteverzuim voor MKB gaat alleen gelden bij vast werk.

-In de publieke sector voeren we een plicht in tot vast werk, tenzij beargumenteerd kan worden waarom dat niet kan. Dit geldt ook in subsidierelaties en aanbestedingseisen. Dit impliceert o.m. een verbod op alfahulpconstructies in de thuiszorg. De aanbestedingen en bekostiging moeten uitgaan van een normale cao en niet leiden tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden, op straffe van dat ze onverbindend worden verklaard. Uitzonderingen op de norm van vast werk moeten gemotiveerd worden en deze zijn vatbaar voor beroep.

-Payrollconstructies en nul-urencontracten worden verboden.

-Het laten uitvoeren van regulier werk door stageairs zonder normale beloning, al dan niet reeds afgestudeerd, wordt verboden en streng gehandhaafd.

 

2.7.                      We voeren een collectieve arbeidstijdverkorting in

 

We verdelen het werk ook eerlijker door een verplichte collectieve arbeidstijdverkorting: Wij sluiten aan bij de inzet van de vakbeweging tijdens Rutte II voor herverdeling van werk door te kiezen voor arbeidstijdverkorting door invoering van een 30- of 32-urige werkweek, zoals ook het CNV bepleit. Tot en met anderhalf modaal wordt daarbij het huidig inkomen gegarandeerd. Dat helpt ook tegen de werkdruk.[24]

Betaald werk alleen is ook niet meer zaligmakend. Het leven is meer dan werken, we willen ook tijd voor onze kinderen, mantelzorg, vrije tijd en ontspanning. De sociale strijd heeft de arbeidsduur beperkt, vakantie en vrije zaterdag gerealiseerd, zorgverlof, etc. Maar de scheiding tussen werk en vrije tijd wordt steeds diffuser, het werk dringt steeds meer de vrije tijd in. De verdeling van werk en zorgtaken is ook heel scheef. Waar de ene werknemer dreigt te bezwijken onder werkdruk en jonge gezinnen klagen over te weinig tijd voor zorgtaken voor hun kinderen én voor hun mantelzorg behoevende ouders, zitten anderzijds veel mensen die graag weer zouden werken of meer uren zouden willen werken onvrijwillig teveel thuis op de bank. Tweeverdieners zijn de norm geworden, maar ook uit noodzaak om de stijgende vaste lasten nog te kunnen financieren. Onvrijwillige alleenverdieners hebben het nakijken. Hoe belangrijk werk ook is, leven is meer dan werk alleen. Dat moet en kan beter. We zullen naar meer dwingende en effectieve verdeling van werk moeten.

Naast collectieve arbeidstijdverkorting vergroten we daartoe het zorgverlof naar tien dagen kraamverlof en vier maanden ouderschapsverlof voor beide partners, overeenkomstig het voorstel van de Europese Commissie, en wel volledig doorbetaald en volgens het Noorse model: iedere partner heeft een individueel recht en als één van die partners zijn of haar verlof niet opneemt vervallen bij die partners vakantiedagen.

Voor een ruimhartiger vaderschaps- en ouderschapsverlof zijn veel argumenten aan te dragen. Het is beter voor de baby, die op minder jonge leeftijd naar de crèche hoeft en een meer betrokken vader krijgt.  De arbeidsparticipatie van vrouwen zou omhooggaan wanneer zij in eerste instantie langer bij hun baby kunnen blijven; zorgtaken raken blijvend beter verdeeld tussen vaders en moeders; en discriminatie op de arbeidsmarkt tegen vrouwen zou dalen op het moment dat een werkgever weet dat zowel een man als een vrouw een tijd uit de running zal zijn in het geval van voortplanting. En, door ouderschapsverlof betaald te maken wordt het voor iedereen toegankelijk: dit kan helpen sociale en economische ongelijkheid tegen te gaan. Het is dus goed voor het kind, voor de emancipatie én voor de gelijkwaardigheid binnen relaties en in de maatschappij om ouders allebei de kans te geven (even)veel tijd met hun pasgeboren baby door te brengen. Daar komt bij dat het kostwinnersmodel terecht uit de mode raakt en ook vaders meer en beter betrokken willen zijn bij de opvoeding van hun kinderen. Naast dat dit meer banen voor anderen laat, draagt dit bij aan een meer ontspannen arbeidsbestel, waarin erkend wordt dat kwaliteit van leven niet bestaat uit werk alleen.

2.8.                      Een solidair en goed aanvullend pensioen

 

Iedereen krijgt een collectief aanvullend pensioen, doordat er een wettelijke verplichting komt om per bedrijf/instelling of per bedrijfstak zo’n pensioen te regelen met een minimum niveau voor alle werknemers, inclusief jongeren, flexwerkers en zzp-ers.

In afwijking van het pensioenakkoord komt er geen individualisering van het aanvullend pensioen, ook de doorsneepremie blijft.

De kans op het realiseren van de indexering en het voorkomen van kortingen wordt vergroot door naast het hogere basispensioen (AOW/Zekerheidsinkomen) en de bredere premiegrondslag, ook het vermogensbeleid verder te reguleren. Dat moet gaan voldoen aan eisen van sociale en ecologische duurzaamheid, en de risico’s bij het vermogensbeheer zodanig verminderen dat een hogere rekenrente verantwoord is.

De bevriezing van de pensioenleeftijd op 66 jaar uit het Pensioenakkoord wordt verlengd tot tenminste 2030. Daarnaast willen we de koppeling die aan de levensverwachting daarna plaatsvindt verder structureel verzachten: Elk jaar extra gemiddelde levensverwachting vertaalt zich dan in een half jaar langer kunnen genieten van je AOW (in plaats van met vier maanden, zoals in het Pensioenakkoord). Voorts willen we een eerdere pensioenleeftijd mogelijk maken voor lagere en middeninkomens na 45-jarig werken en voor mensen die een bepaalde minimumduur werken in beroepen waar statistisch gezien een hogere vroegere sterftekans en kans op eerdere (gedeeltelijk of gehele) arbeidsongeschiktheid is.

 

 

3.    Arbeidstekorten pakken we aan zonder taboes

 

Nog meer dan nu al door voortgaande vergrijzing en ontgroening zullen door bovenstaande investeringen in werk, de collectieve arbeidstijdverkorting en de vergroting van het zorgverlof de tekorten aan arbeidskrachten toenemen, en die zullen ruimschoots opwegen tegen de effecten van robotisering en digitalisering, welke laatsten vooral kwalitatieve verschuivingen zullen opleveren.

In de allereerste plaats kunnen bestaande tekorten weggewerkt worden door een hogere arbeidsparticipatie door het bieden van betere arbeidsvoorwaarden, met name hogere lonen en minder werkdruk. Onze al genoemde investeringen in de publieke sector, de forse verhoging van het minimumloon, de genoemde maatregelen tegen overmatige flexibilisering van arbeid en het verschuiven van lasten van arbeid naar kapitaal helpen hierbij.

 

3.1.                      Meer investeren in beroepsonderwijs en levenslang leren

 

We moeten voorts meer investeren in het beroepsonderwijs, en het moderniseren en faciliteren van het lerend werken en stages. We zorgen voorts dat het aanbod aan beroepsopleidingen beter afgestemd wordt op de vraag van werkgevers. We zorgen dat er veel meer opleidingsgeld naar de laag opgeleiden gaat. Mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties moeten gericht extra overheidsgeld ontvangen om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is. We gaan met gerichte (loonkosten)subsidies deelname aan werkend leren bevorderen. We zorgen voor een nationaal systeem van leren voor volwassenen met studievouchers dat tripartite (overheid, werkgevers en werknemers) gefinancierd wordt en die deels wel en deels niet vrij besteedbaar zijn (ze moeten voor niet gepensioneerden deels bijdragen aan voorkomen of ongedaan maken van werkloosheid). De transitievergoedingen en opleidingsfondsen gaan hierin op.

 

3.2.                      Hogere arbeidsparticipatie van vrouwen

 

Een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen helpt ook en maakt hen tevens meer financieel zelfstandig. We gaan om de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen zorgen dat publieke banen meer voltijds worden aangeboden en ingevuld. Voltijdsbanen gaan we ook wat betreft werkgeverslasten voor werkgevers aantrekkelijker maken. Kinderopvang wordt gratis (collectief gefinancierd) en als een volledig publieke voorziening geïntegreerd in het funderend onderwijs (PO en VO).[25]

 

 

3.3.                      Meer migratie

 

Maar dan nog zullen ook migranten steeds meer nodig zijn om de groeiende, structurele arbeidstekorten het hoofd te bieden. Het is tijd om hier taboes te slechten. Er zijn twee hoofdcategorieën migranten.

Eén: vluchtelingen, op de vlucht voor oorlog en vervolging. We moeten als EU veel meer actief zijn in de wereld, zeker in aangrenzende regio’s, om oorlog en vervolging tegen te gaan – met hard en soft power. Het is beter als de EU ze in hun regio asiel laat aanvragen voor opvang in de EU. Zo kunnen mensen bij EU-kantoren ter plekke geregistreerd en gescreend worden. Vluchtelingen die aan de criteria voldoen, kunnen dan legaal en veilig komen. Daar komt geen smokkelaar aan te pas. Zo worden de kampen in de regio ontlast. De verdeling van de vluchtelingen en/of de kosten die daarvoor gemaakt worden moeten eerlijk over de lidstaten worden verdeeld. Daarnaast moeten we de toelatingscriteria en procedures redelijker en humaner maken.[26] Met een snelle en goede inburgering kunnen ook vluchtelingen veel helpen bij onze groeiende arbeidstekorten. We gaan – gereguleerd, zoals hierboven beschreven – veel meer vluchtelingen toelaten (denk aan enkele tienduizenden per jaar). Die snelle en goede inburgering moeten we dan wel regelen.

De tweede categorie zijn arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten komen omdat er werk is. Veel werk: poetsen, oogsten, ziekenzorg, etc. Werk is dé pull factor voor migranten. Maar arbeidsmigranten van buiten de EU aannemen mag bijna niet: stel je voor dat ze blijven! Dit is een denkfout. Een illegaal gaat niet uit zichzelf terug als hij eenmaal in Europa is: zo’n dodentocht maak je niet nog eens. Maar als hij een arbeidscontract heeft voor vier maanden, en het vooruitzicht dat hij volgend jaar wéér legaal vier of vijf maanden kan werken bij een Spaanse autofabriek of Hollandse boer, dan kan hij rustig een tijdje naar zijn land terug. Velen zullen dat doen. Migranten die geen legale manier hebben om naar Europa te komen, komen illegaal. We kunnen migratie niet stoppen. Wat we wel kunnen, is het organiseren:

We zetten Europese arbeidsbureautjes neer in Afrika, kijken welk EU-land welke arbeidsmigranten nodig heeft, en laten mensen ter plekke op vacatures solliciteren. Wie pech heeft of niet gekwalificeerd is, kan het volgend jaar weer proberen. De EU moet tijdelijke arbeidsvergunningen afgeven en mensen voor tekortberoepen werven op bureaus in met name Afrika, met beperkte rechten op sociale zekerheid (wel zorg, geen bijstand of pensioen). Dit moet het liefst gekoppeld zijn aan opleidingsprogramma’s, deels on the job, en terugkeerprogramma’s en een soort Marshallplan voor Afrika. Dat maakt het ook mogelijk om met succes terug te keren naar je land van herkomst en daar een beter leven op te bouwen. Dan snijdt het mes aan vele kanten. Zo bepalen we zelf wie er komen, niet de smokkelaars. Veel politici doen alsof deze oplossing niet bestaat. Ze hitsen ons liever op met moskeeverboden, boerkaverboden en Zwarte Pieten nostalgie. Ze zeggen dat de tekorten in onze verzorgingsstaat ontstaan door migranten, in plaats van fout beleid van diezelfde politici. Zij misleiden daarmee de kiezer en maken onze maatschappij kapot door mensen tegen elkaar op te zetten. We verlangen van tijdelijke arbeidsmigranten wel om zich te conformeren aan onze democratische rechtsstaat, en om daartoe inburgeringsonderwijs en taalonderwijs te volgen. Migratie is te managen, het is een kwestie van politieke wil, humaniteit en rechtvaardigheid om dat te organiseren.

We schaffen de zogenoemde extraterritoriale (‘expat’) regeling af. Het is niet te verdedigen dat buitenlandse werknemers fors (30% van hun inkomen is nu belastingvrij) minder belasting betalen dan Nederlandse. Als buitenlandse expertise schaars is, moeten werkgevers en uitzendbureaus die buitenlandse werknemers inhuren daar zelf voor betalen.

En we moeten oneerlijke internationale concurrentie op arbeidsvoorwaarden en uitbuiting van buitenlandse werknemers voorkomen. Werknemers in de EU moeten zeker zijn van een eerlijk loon, waar ze ook werken en waar zo ook vandaan komen. De handhaving moet worden versterkt, o.m. met een Europese arbeidsinspectie, waartoe recent besloten is. De aanpassing van de Europese detacheringsrichtlijn daarover wordt strikt uitgevoerd en in de EU strijden we voor scherpere richtlijnen, waarbij geen sectoren meer worden uitgezonderd (zoals nu de transportsector), de periode waarin de richtlijn niet van toepassing is, wordt beperkt tot maximaal een maand en ook sociale premies betaald moeten worden in het land waar feitelijk gewerkt wordt. Ook de mogelijkheid voor lidstaten om keten- en brievenbusconstructies niet te verbieden, moet worden geschrapt. Zolang dat nog niet zo is, moeten we dat in ieder geval in ons land wel verbieden. We regelen dat uitzendbureaus niet ook verhuurder kunnen zijn voor arbeidsmigranten. Daar wordt op te grote schaal misbruik van gemaakt. Uitzendbureaus krijgen opnieuw weer een vergunningplicht, nu blijkt dat er op grote schaal fraude wordt gepleegd met arbeidsmigranten.

 

 

 

4.    Een eerlijk, effectief en eenvoudig nieuw belastingstelsel

 

4.1.                      Enorme ongelijkheid in ons land

 

Nederland staat nummer 14 op de lijst van de rijkste landen ter wereld.[27] Toch is er in ons land bittere armoede, toenemende problematische en risicovolle schulden, zijn mensen steeds meer afhankelijk van vormen van bedeling (voedselbanken, kledingbanken, speelgoedbanken, etc.) en wordt het aantal daklozen groter. Bestaanszekerheid in zijn meest elementaire vorm van eten en drinken, een dak boven je hoofd met energielevering en een zorgverzekering zijn voor een deel van de bevolking niet meer bereikbaar. Armoede wordt ook steeds meer erfelijk, kinderen die in armoede opgroeien hebben een verhoogde kans op ook arm te blijven.

Daar tegenover staat de ongelooflijk exorbitante rijkdom en pathologische, soms exhibitionistische zelfverrijking, waar het geld tegen de plinten klotst en waar men van gekkigheid niet meer weet hoe het te besteden.

Een gebruikelijke graadmeter voor inkomensongelijkheid is de Ginicoëfficiënt, die de mate van inkomensongelijkheid in een land uitdrukt. De ‘Gini-coëfficiënt’ is een waarde tussen 0 en 1 die de mate van ongelijkheid in een land uitdrukt. Bij 0 krijgt iedereen evenveel en leven we in een totaal communistische samenleving. Bij 1 krijgt één persoon alles. Na belastingen en uitkeringen is de Gini-coëfficiënt in ons land laag: sinds 2001 schommelt die tussen de 0,28 en 0,29. Dat dat komt doordat in Nederland veel inkomen wordt herverdeeld in relatie tot andere landen.

Probleem met dit cijfer is dat je het gemiddelde inkomen neemt, er ligt dus weinig nadruk op de extremen. Maar je kunt ook naar de bovenste en onderste 10 procent van de bevolking kijken. En dan is het schrikken. Met name de kloof tussen de allerarmsten en superrijken groeit. Sinds 2000 zijn alleen de hoogste dertig procent inkomens er in reëel besteedbaar inkomen op vooruit gegaan, de andere 70% zijn er op achteruitgegaan. De topinkomens explodeerden tot gemiddeld 52 keer het minimumloon. Wie, zoals topmanagers in het bedrijfsleven, zijn beloning deels in aandelen krijgt, zag de bedragen de afgelopen vijf jaar in de stijgende beurstrend zomaar verdubbelen. Deze ongelijkheid zien we niet terug in de Gini, omdat de middeninkomens tegelijkertijd naar elkaar toegroeiden.

De inkomens- en vermogensongelijkheid in ons land is veel groter dan onze officiële statistieken ons willen doen geloven[28] – alleen landen als de Verenigde Staten van Amerika doen het nog slechter. Op de VS na kent ons land de hoogste vermogensongelijkheid, daarvoor ligt de Gini-coëfficiënt hier op 0,92. En als je hier naar de extremen kijkt is het nog erger schrikken: De rijkste 1% bezat in Nederland volgens het CBS in 2015 ruim 295 miljard euro aan privaat vermogen[29], bijna 28% van het totaal. De grote vermogens die in het buitenland zijn gestald zijn daarin niet eens meegerekend. Vóór de financiële crisis van 2008 hadden de allerrijksten nog ‘slechts’ een vijfde van het vermogen in handen.

Alman Metten (econoom en PvdA-Europarlementariër van 1984 tot 1999) becijferde[30] dat het vermogen van Nederlandse miljonairs (2% van alle huishoudens) 25 maal zo groot is als het vermogen van de onderste helft van de huishoudens. Drie jaar geleden was dat nog 14 maal zo groot. Wat telt zwaarder, vraagt Metten, voor de economische veiligheid van jou en je gezin, en voor je kansen in de samenleving: inkomen, dat iedere maand weer opnieuw verdiend moet worden, en dat wegvalt bij ziekte of overlijden? Of vermogen, dat bezit is en dus wettelijk beschermd, wat er ook gebeurt? Als we naar gelijkheid kijken is het op zijn minst vreemd om niet naar de verdeling van vermogen te kijken.

En dan is er nog de wijze waarop inkomen uit bezit wordt meegenomen in de statistiek. Metten[31] wijst er bijvoorbeeld op dat inkomen dat gebruikt wordt om rente mee te betalen niet als inkomen wordt beschouwd, het werkelijk inkomen wordt verminderd met die rentebetaling (rente wordt kennelijk niet uit inkomen betaald, zo merkt Metten terecht cynisch op). Omdat de hoogste inkomens de hoogste schulden en dus ook de hoogste rentebetalingen doen (zij kunnen zich dat veroorloven), worden hierdoor de hoogste inkomens kunstmatig verlaagd, en wordt zo de inkomensongelijkheid opnieuw kunstmatig verkleind. Daarenboven wordt inkomen uit waardetoename van bezit niet als inkomen beschouwd. Inkomen uit bezit bestaat vooral uit verkoopwinst op bezit van aandelen of onroerend goed. Dit bezit is extreem omvangrijk en geconcentreerd: 2% van de huishoudens bezit de helft van alle financiële waarden, de onderste helft van de huishoudens bezit daarentegen slechts 2%. De 10% rijkste huishoudens bezit driekwart van alle financiële waarden. Hun inkomen uit dat bezit wordt niet meegenomen in de statistiek van de inkomensongelijkheid in Nederland.

Zo komt het dus dat een bijstandtrekker volgens de conventionele inkomensvergelijkingen een hoger inkomen zou hebben dan de prinses van Oranje die 150 miljoen euro verkoopwinst maakt op aandelen Adyen. En leg maar eens aan een huurder uit dat de winst van een paar ton op een huis dat tien jaar geleden gekocht is, het inkomen en de koopkracht van het huishouden van de eigenaar niet beïnvloedt.

Het is niet dat we het ons niet kunnen veroorloven om armoede uit ons land te verbannen, het is de hebzucht van degenen die enorme hoeveelheden kapitaal verzamelen en de onwilligheid van onze overheid om tot correctie en dus tot fiscale herverdeling over te gaan, die veroorzaakt dat deze schandalige misstand blijft bestaan.

 

4.2.                      Te grote ongelijkheid is onrechtvaardig, schadelijk en gevaarlijk

 

Te grote ongelijkheid is in de eerste plaats moreel onrechtvaardig. De meeste bestaande ongelijkheid heeft weinig te doen met eigen verdienste. Ongelijkheid heeft altijd een begrijpelijke oorzaak, die vaak niet te rechtvaardigen is. De (klein)kinderen van multimiljonairs, neem bijv. topvoetballers, hoeven als ze dat willen nooit meer te werken dankzij de groei van hun erfdeel – kapitaal rendeert veel meer dan arbeid. Er is wel uitgerekend dat 50% van je inkomen afhankelijk is van het land waar je geboren bent, 20% door het inkomen van je ouders en nog eens elk ruim 10% door je geslacht en etniciteit. Ruim 80% is dus niet afhankelijk van je eigen verdienste. En die kleine 20% ruimte voor eigen talent en ambitie, zijn dat ook niet in ieder geval deels erfelijke eigenschappen? Alle retoriek over ‘verheffing’ en ‘emancipatie’ ten spijt: onze sociale status is nog steeds en zelfs weer meer opnieuw minstens zo erfelijk als onze lichaamslengte. De meeste rijkdom ontstaat uit niet zelf verdiend inkomen: uit erfenissen, uit grondbezit en vast goed, uit patenten en uit speculatie. Vaak wordt kritiek hierop afgedaan als jaloezie. Daarmee vermijdt men in te moeten gaan op de kritiek op hun onverdiende rijkdom. Dat wordt nog lelijker als deze rijken tegelijkertijd kritiek hebben op ‘gratis geld’ voor mensen die minder fortuinlijk waren. Zoals Aleid Truijens schreef[32]: ‘‘Afgunst is niet mooi, maar narcisme is nog lelijker.’

Naast het morele argument geldt in de tweede plaats een instrumentaal bezwaar tegen teveel ongelijkheid. Empirisch onderzoek laat overtuigend zien hoe economische groei wordt tegengehouden door grote ongelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer de rijken in een samenleving zo geïsoleerd leven dat ze hun interesse verliezen in publiek bekostigd onderwijs of gezondheidszorg. Daarmee remmen ze de ontwikkeling van zowel armere mensen als de samenleving als geheel af. Piketty heeft overtuigend de economische theorie ontkracht dat ongelijkheid hoort bij economische groei en vanzelf zou afnemen. Milanovic maakt aannemelijk dat ongelijkheid ook oorlogen veroorzaakt, die uiteindelijk systeembreuken veroorzaken, ten koste van heel veel slachtoffers. Bovendien zijn er steeds meer aanwijzingen dat ongelijkheid gepaard gaat met allerlei maatschappelijk onheil: meer kindersterfte, geestesziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, misdaad – en minder sociaal vertrouwen, sociale mobiliteit en een lagere levensverwachting. De Britse onderzoekers Richard Wilkinson en Kate Pickett publiceerden in 2009 hun baanbrekende boek ‘The Spirit Level: Why More Equal Societies Almost Always Do Better’. Conclusie: ook rijken hebben baat bij een meer egalitaire samenleving.

En in de derde plaats is teveel ongelijkheid slecht omdat het leidt tot een onverantwoorde concentratie van politieke macht bij de elite en frustratie bij de achterblijvers. In de VS is heel helder dat de invloed van geld op de politiek zo groot is geworden dat de rijken de regels bepalen van het spel dat zij in bijna exclusief zelf spelen. Thomas Frank, een Amerikaanse politieke publicist, schreef in 2016 Listen, Liberal, waarin hij overtuigend aantoont hoe de Democraten in de VS verbonden zijn met het grote geld en de verbinding met de witte werkende middenklasse zijn kwijtgeraakt. Daarmee zijn we ook bij de kloof tussen de professionele klasse en de rest. Of beter: tussen academisch geschoolden en de rest. Een schijnbaar meritocratische samenleving, waar het SCP en anderen terecht voor waarschuwen.[33] Schijnbaar, omdat de academische scholing maar – zoals we hierboven al hebben gesteld – zeer ten dele een eigen verdienste is. In de VS is sprake van een plutocratie, waar de rijken ook de effectieve politieke macht hebben. In ons land is het nog niet zover, maar de toegang tot de macht raakt wel steeds meer beperkt tot de academisch geschoolden en de vermogende klasse. Dat is een ernstige bedreiging van onze democratische rechtsstaat.

Een beschaafde, en zeker een sociaaldemocratische politiek is er daarom gericht op de ongelijkheid te beperken, onder meer door herverdeling van ‘kennis, macht en inkomen’ – om met Den Uyl te spreken. Het herverdelen van inkomen en bezit doen verzorgingsstaten vooral met hun belastingstelsel.

 

4.3.                      Huidig belastingstelsel verergert ongelijkheid

 

In het huidige belastingstelsel echter subsidiëren de armen de rijken in plaats van andersom en wordt kapitaal nauwelijks belast en werken zwaar belast – en door maatregelen tijdens en na de crisis is dit nog verder toegenomen. De inkomens- en vermogensongelijkheid blijkt bij correctie voor kapitaalinkomen (waaronder ook die van bezit) en voor flexwerkinkomen in ons land enorm te zijn, en stijgend. De belastingdruk op arbeid is nu ruim viermaal zo hoog als die op kapitaal. Iedere euro die met arbeid wordt verdiend wordt effectief met 40-45% belast, die welke met kapitaal wordt verdiend slechts met 9%.[34] Inmiddels is de vermogensbelasting belasting in Nederland zelfs regressief: hoe hoger je rendement, hoe lager je belastingdruk.

Een belangrijk deel van de verklaring dat veel inkomen uit vermogen buiten beschouwing wordt gelaten is de zwarte doos van het Nederlandse belastingstelsel Box II. In Box II geef je al het inkomen op dat je met je eigen bedrijf hebt verdiend. Maar het Nederlandse belastingstelsel is zo ingericht, dat je er goed aan doet de inkomsten uit eigen bedrijf zo veel mogelijk te beperken. Het Centraal Bureau voor de Statistiek ziet pas dat een bedrijfseigenaar inkomen heeft als het bedrijf winst uitkeert. Je betaalt namelijk pas belasting op het moment dat je onderneming winst uitkeert of de aandeelhouder zijn aandelen verkoopt. Daar zit de crux, want zolang je onderneming geen winst uitkeert en de aandeelhouder zijn aandelen niet verkoopt, heeft de bedrijfseigenaar geen inkomen en betaalt deze ook geen inkomstenbelasting. Zo kunnen bedrijfseigenaren belastingheffing tot sint-juttemis uitstellen. Je moet als bedrijfseigenaar wel minimaal een ‘gebruikelijk loon’ aan jezelf uitkeren. Minimaal is dat ongeveer 44.500 euro. Maar dit is natuurlijk een schijntje voor de vermogendste Nederlanders. Omdat bedrijfseigenaren dus geen inkomen aangeven op hun belastingaangifte, zie je veel inkomen ook niet terug in de statistiek.[35]

In 2013 constateerde de commissie-Van Dijkhuizen, die onderzoek deed naar een ander belastingstelsel, dat bedrijfseigenaren op ‘grote schaal gebruikmaken van de mogelijkheid winst in te houden.’ Een conservatieve schatting liet zien dat bedrijfseigenaren ongeveer 13,4 miljard euro winst konden uitdelen, maar daarvan slechts 3,6 miljard euro uitkeerden. Directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) stellen nu een hoog inkomen en dus belastingheffing uit, en doen gemiddeld slechts eens in de zeven jaar aangifte, terwijl de fiscus met alle andere belastingplichten wel jaarlijks afrekent. DGA’s zitten zo hun geld op te potten totdat het weer aantrekkelijker wordt om het uit te keren, in plaats van het geld in de economie te besteden. Dit is slecht voor het economisch herstel en onrechtvaardig naar de andere belastingbetalers.

Dat de belastingen voor bedrijven de afgelopen decennia zo sterk zijn gedaald heeft alles te maken met economische mythes, zo liet Mirjam de Rijk in haar boek ‘51 mythes over wat goed zou zijn voor onze economie’ goed zien. Misschien wel de belangrijkste mythe is dat belastingverlaging voor bedrijven goed zou zijn voor de economie en de werkgelegenheid. Dat zeggen werkgevers altijd: geef ons lagere belastingen, dat is goed voor de werkgelegenheid. Nee dus: Als bedrijven meer geld overhouden, blijken ze niet te gaan investeren. Ze gebruiken het geld om eigen aandelen op te kopen, voor hogere dividenden of voor overnames. Allemaal zaken die niets toevoegen aan de reële economie. Voor investeren is afzet nodig, en daarvoor is koopkracht nodig. Tweederde Nederlandse economie is namelijk afhankelijk van de binnenlandse vraag. De koopkracht blijft echter steeds verder achter, o.m. door deze belastingpolitiek ten gunste van het grootbedrijf en het grootkapitaal.

En voor de belasting op huishoudens is ook al decennia een denivellering gaande. Vanaf de jaren 1970 is het topbelastingtarief structureel omlaaggegaan – van 80% (Den Uyl), naar 72% (Oort), naar 60% (Vermeend), naar 52% (nu) naar 49,5% (voorstel Rutte III). Het toptarief wordt al snel bereikt (bij een inkomen van ruim anderhalf modaal) en is daarmee niet gericht op de echte topinkomens. In de belastingvoorstellen van Rutte III wordt dat nog verder verlaagd, en blijven er maar twee tariefschijven over. Nog even en we zitten in de neoliberale natte droom van een vlaktax: één tarief voor iedereen.

Tabel Belastingtarieven in Nederland                                                            1970                      2020

Btw laag                                                                                                             4%                         9%

hoog                                                                                                           12%                       21%

Inkomstenbelasting       minima                                                                36%                       36,5%

modaal                                                                48%                       41%

rijk                                                                         80%                       52%

Winstbelasting                                                                                                48%                       17,5-21%

Dividendbelasting                                                                                          25%                       15%

 

Daar komt nog bij dat er in Nederland op grote schaal sprake is van belastingontwijking en belastingontduiking, met name over vermogen en kapitaalinkomen. Per jaar stroomt er een schier onwaarschijnlijk bedrag van € 4000 miljard door Nederlandse brievenbusfirma’s, meer dan in welk land dan ook. Uit onderzoek van Oxfam Novib blijkt dat ontwikkelingslanden jaarlijks minstens 460 miljoen euro aan belastinginkomsten mislopen via brievenbusmaatschappijen in Nederland. Het trekt ook veel crimineel geld aan, zoals van de maffia uit Italië en Rusland. De Amsterdamse Zuidas is in feite één grote witwasfabriek. Voor Nederland zelf loopt het bedrag aan gemiste belastingopbrengsten op tot zo’n € 30 miljard per jaar: zo’n eenderde van ons totale budget voor gezondheidszorg en bijna tien keer het budget van ontwikkelingssamenwerking; tegen een geschatte opbrengst van slechts € 0,5 tot € 1,5 miljard per jaar. De FNV schat voorts de gemiste jaarlijkse inkomsten op 6 miljard euro aan directe belastingfraude en 2 miljard euro aan oninbare belastingschulden. Bedrijven worden – tot grote onvrede van de FNV-ers bij de Belastingdienst – maar éénmaal in de veertig jaar gecontroleerd.

Ons belastingstelsel is een pretpark voor het grootkapitaal geworden. Het vergroot de ongelijkheid enorm, terwijl die toch al enorm toeneemt. Wie rijk en vermogend is betaald effectief veel minder belasting, vooral door aftrekposten, vrijstellingen en uitstelmogelijkheden. De sterkste schouders met de meest sluwe belastingadviseurs betalen in ons land de minste belastingen. Jan en Annie Modaal en de mensen die daar niet aan toekomen betalen het feestje van het grootkapitaal, waar het geld ongekend tegen de plinten klotst. Door alleen naar gelijke kansen te kijken, die mede door de enorme inkomens- en vermogensongelijkheid steeds meer een fictie zijn, blijven meer gelijke uitkomsten buiten beschouwing.

En dan is er ook nog het probleem van de armoedeval. Nu betalen Nederlanders in de eerste en tweede belastingschijf nauwelijks inkomstenbelasting, maar wel veel premies voor de volksverzekeringen. Daardoor zijn de marginale tarieven ook voor lage inkomens bijzonder hoog, en houden ze van hun brutoloon netto maar weinig over. Dat inkomensverlies moeten we vervolgens repareren met huur-, zorg- en kinderopvangtoeslagen, kindgebonden budgetten en wat al niet meer. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt in Nederland zelden een kwartje. Een hele fiscale kerstboom vol belastingtarieven, heffingskortingen en inkomenstoeslagen beoogde van Nederland een beschaafd, sociaal land te maken. Maar de keerzijde is dat iemand die probeert te ontsnappen aan de armoede, door meer te werken en carrière te maken, zijn of haar subsidies kwijtraakt en zo weinig overhoudt van al die ijver en ambitie. Wie arm is in Nederland en rijker probeert te worden, vindt de Belastingdienst op z’n weg. ‘Als nivelleren een feest is, dan is de armoedeval de comazuiper die de dansvloer onderkotst’, zo stelde Mathijs Bouman onlangs in een column terecht. Want wat heb je aan inkomensgelijkheid als het mensen in een afhankelijke positie houdt? Hoe durven we ons belastingstelsel ‘progressief’ te noemen, als in de praktijk de hoogste marginale tarieven door de laagste inkomens worden betaald?

 

4.4.                      Contouren van een nieuw belastingstelsel

 

We gaan daarom het belastingstelsel geheel op de kop zetten. We willen een eerlijk stelsel, dat te grote inkomens- en vermogensongelijkheid herverdeeld, de sterkste schouders weer de zwaarste lasten laat betalen en dat arbeid niet zwaarder belast dan kapitaal. We willen een effectief stelsel, waarbij belasting niet via allerlei kunstgrepen ontweken of ontdoken kan worden en waarin mensen niet vastzitten in een armoedeval. En we willen een eenvoudig stelsel, dat mensen begrijpen en goed uitvoerbaar is, en geen pretpark voor belastingadviseurs meer is. De hoofdlijnen daarvan zijn als volgt.

Er komen in de loon- en inkomstenbelasting niet minder, zoals het huidige kabinet wil, maar juist meer tariefschijven, inclusief een miljonairstarief (bv. 80%). De laagste tariefschijven gaan omlaag, bij de laagste inkomens zelfs tot nul, en mensen met een hoog inkomen en/of vermogen gaan veel meer betalen.

Alle inkomen, ongeacht de bron, wordt gelijk behandeld, en inkomen uit kapitaal gebaseerd op het werkelijke rendement (nu worden spaarders te zwaar belast en aandelen- en vastgoedbezitters veel te weinig). De huidige bevoordeling van kapitaalinkomen vervalt met het schrappen van het boxenstelsel.

We schrappen bovendien alle aftrekposten, heffingskortingen, vrijstellingen en uitstelmogelijkheden, zowel in de inkomensbelasting als in de vennootschapsbelasting. Deze komen nu vooral ten goede aan de hoge inkomens en vermogens en er wordt veel belasting mee ontweken. Dit leidt tot een grote herverdeling van rijk naar arm en bevorderd een hogere arbeidsinkomensquote. Dit vereenvoudigt het belastingstelsel enorm, maakt de tarieven effectief en transparant en bestrijdt misbruik en belastingontwijking.

We schrappen ook de aparte premies voor volksverzekeringen (AOW, WLZ, ZVW) – de uitgaven voor de AOW (die we immers vervangen door het Zekerheidsinkomen) en de zorg worden in het vervolg uit de belastinginkomsten betaald, waardoor ook inkomen uit kapitaal van huishoudens en bedrijven eraan gaan meebetalen.

En we schrappen de fiscale inkomenstoeslagen voor huur, zorg en kinderopvang. Deze fiscale toeslagen (huur, zorg en kinderopvang) veroorzaken veel schulden: 27% moet deze terugbetalen, bij kinderopvang is dat zelfs 40%! Dat komt vooral door wisselende inkomens, en de jaarsystematiek. Men krijgt de toeslagen als voorschot op basis van een geschat inkomen per jaar. Valt dat tegen, dan moet je terugbetalen. Vaak kunnen lage inkomens dat niet. Bovendien vraagt 17% van de rechthebbenden geen zorg- of huurtoeslag aan. Het systeem is te complex en te risicovol. En het systeem veroorzaakt een armoedeval. Tot een modaal inkomen ga je er nauwelijks op vooruit als je bruto meer gaat verdienen, doordat de toeslagen dan verminderen of uiteindelijk geheel wegvallen. Tenslotte veroorzaakt het systeem ook grote uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst en veel controlekosten en -ellende. Een maandsystematiek zou, zo al uitvoeringstechnisch mogelijk, dat nog verder versterken.

Fiscale toeslagen overbodig maken is de beste oplossing.[36] Dat doe je door hogere inkomens te realiseren, maar vooral ook door verlaging van de vaste lasten waarvoor deze toeslagen bedoeld zijn. In plaats van de huurtoeslag zorgen we voor lagere, betaalbare huren voor lage en middeninkomens. Door het schrappen van de aparte zorgpremies (ZVW en WLZ) en het schrappen van het eigen risico en eigen bijdragen in de zorg is er ook geen zorgtoeslag meer nodig. Zie hiervoor verderop bij wonen en bij zorg. Hetzelfde geldt voor de kinderopvangtoeslag, nu we de kinderopvang gratis maken door deze collectief te financieren. Het kindgebondenbudget integreren we in een inkomensonafhankelijke kinderbijslag.

We voeren een aparte vermogensbelasting in voor miljonairs, bijv. 1% voor vermogens tussen 1 en 2 miljoen en 2% voor vermogens boven 2 miljoen euro.

De erfenisbelasting wordt ook verzwaard. Iedere Nederlander krijgt het recht om gedurende zijn leven 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast (zeg: de eerste 500.000 euro met 40 procent, alles daarna met 60 procent). De vrijstelling voor het kopen van een huis voor je kinderen wordt geschrapt. Dat is een onrechtvaardige subsidie van arm naar rijk en verhit de woningnood onnodig. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers wordt geschrapt.

Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting (terug naar de niveaus aan het begin van deze eeuw) en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft, maar verhoogd. De tarieven maken we progressief: hoe hoger de winst en het dividend, hoe hoger het tarief. We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen.

En we komen met een fors offensief tegen belastingontwijking en -ontduiking. Rulings worden openbaar. Brievenbusmaatschappijen tegengegaan. Bedrijfscontroles worden fors geïntensiveerd. Belastingparadijzen worden aangepakt.

We stoppen ook met iedere fiscale subsidiëring van schulden, voor huishoudens (hypotheekrenteaftrek!) en bedrijven. Bij bedrijven verdwijnt het voordeel van financiering via vreemd (geleend) vermogen.

Zo’n grote stelselverandering kost uiteraard tijd. Zorgvuldigheid gaat boven snelheid. De beoogde koopkracht- en werkgelegenheidseffecten moeten goed bewaakt worden. Ook moet er bij bijv. afschaffing hypotheekrenteaftrek eerst voldoende betaalbare huur en bouwsparen als alternatief voldoende gerealiseerd zijn. Richtsnoer is, zoals eerder hiervoor aangegeven, dat we de koopkracht tot ca. anderhalf modaal (ca. € 55.000 per jaar) willen verbeteren, en dat we werkgelegenheid, betaalbaar wonen, effectieve tarieven en uitvoerbaarheid willen bevorderen. Gefaseerde invoering is daarbij een noodzaak.

Netto moet de stelselwijziging, afhankelijk van de precieze parameters, tientallen miljarden euro’s per jaar opleveren – we beogen bewust geen budgettair neutrale wijziging. Er is sprake van lastenverzwaring bij hoge inkomens en vermogens en bij – vooral kapitaalintensieve en/of vermogende – bedrijven. Bij lage en middeninkomens is er sprake van een lastenverlichting. Nivellering is wel degelijk een feest! Deze extra inkomsten worden gebruikt om de extra uitgaven uit andere onderdelen van ons Nieuwe Tien over Rood te financieren.

 

 

5.    We zorgen voor betaalbaar en goed wonen

 

Woningnood is geen natuurverschijnsel maar een bouwopdracht. De grondwettelijke zorg voor voldoende betaalbare woningen is wat ons betreft geen inspanningsverplichting maar een resultaatsverplichting. Wonen is een (Grondwettelijk) recht, geen voorziening. In rap tempo neemt het aantal sociale huurwoningen af. Sinds 2013 telt Nederland bijna 100.000 huizen in de gereguleerde sector minder, en dat aantal daalt nog steeds door. De wachtlijsten nemen daardoor toe en meer mensen vallen buiten de boot. De vrije huursector is onbetaalbaar duur voor middeninkomens en de prijzen van koopwoningen zijn ver over de top. Dit is de uitkomst van decennia aan bewust politiek beleid om de markt alle ruimte te geven, en de brede volkshuisvestingstaak van de overheid te begraven. De oplossing ligt daarom ook niet in meer markt, die is juist het probleem, maar in meer en betere overheidsinterventie. De huidige nieuwbouw zakt steeds meer in.

Centraal staat het aloude sociaaldemocratische ideaal dat iedereen recht heeft op een goede, betaalbare en passende woning in een buurt die kansen biedt. Huisvesting is meer dan een dak boven je hoofd. En een progressieve woonvisie gaat om meer dan zo veel mogelijk betaalbare woningen neerzetten. Woningen moeten qua type en omvang aansluiten op de levens van de bewoners. Ze moeten energieneutraal zijn en permanente zekerheid bieden, ongeacht de levenssituatie of arbeidsmarktpositie van de bewoners. Ze horen te staan in leefbare buurten met speel- en opleidingsmogelijkheden. Pas dan kan het recht op een thuis verwezenlijkt worden.

 

5.1.                      Herstel van de regie van de overheid voor volkshuisvesting

 

We herstellen de brede volkshuisvestingstaak voor het Rijk. Landelijke regie met regionale verschillen is nodig. Er moet snel enorm gebouwd gaan worden. Niet in groene, open ruimte en natuur (zonder dat de dorpen op slot gaan overigens), maar vooral in de stad. Met een divers, aan de woningvraag tegemoetkomend woningaanbod. Het Rijk en de provincies herkrijgen hun regie- en kaderstellende verantwoordelijkheid met bijbehorende doordrukmacht. We zorgen dat procedures om te bouwen sneller verlopen met een speciale Woningcrisiswet. Er komt een Nationaal Plan tegen de Woningnood: We bouwen de komende 10 jaar tenminste één miljoen huurwoningen, waarvan circa een derde sociale huurwoningen. Gemeenten zijn daaraan gebonden in hun woonvisie. Provincies houden toezicht op voldoende bouw. Het gaat hierbij niet alleen om aantallen, maar ook om prijzen. We starten een apart project voor leerwerkbedrijven in de bouw met gemeenten, corporaties en onderwijsinstellingen om de tekorten aan arbeidsplaatsen te helpen op te lossen.

Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren. Het recht op passende, sociale huurwoning in eigen woon- of werkgemeente wordt versterkt, met concrete, meetbare maximale wachttijden. De gemeente moet in de woonvisie aangeven hoe zij die omlaag brengen, met prioriteit voor mensen die urgent een dak boven hun hoofd dreigen te verliezen of al verloren hebben. De gemeente houdt de voortgang daarvan bij en rapporteert daarover openbaar. De provincie en ook het rijk krijgen aanwijzingsbevoegdheden als gemeenten in gebreke blijven. En overheden moeten vooral optreden als we iets signaleren.

We versterken tegelijkertijd de mogelijkheden van gemeenten voor lokaal woonbeleid ten behoeve van betaalbaar wonen. Gemeenten krijgen meer ruimte om de OZB vorm te geven, met bijv. hogere tarieven bij dure huizen. We willen geen andere verruiming gemeentelijke belastingen teneinde gemeenten met meer lage inkomens te beschermen. Gemeenten krijgen mogelijkheid en meer bevoegdheden om weer zelf te bouwen.

Gemeenten mogen grond niet meer tegen marktprijzen aan woningbouwcorporaties teneinde lage huren mogelijk te maken. Gemeenten kunnen gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten.

Erfpachtconstructies passen in linkse grondpolitiek en worden dus eerder uitgebouwd dan afgebouwd. Ze helpen de prijzen van woningen en dus ook de huren laag te houden.

Er komen meer mogelijkheden om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen, bijv. met beperking onderverhuur aan toeristen en expats, door bevoordeling inwoners in de gemeente, door bewoningseisen, etc. Ook kunnen gemeenten beperkingen stellen aan kopen voor dure verhuur, bijv. door een maximum prijs per m² in te stellen of kopen voor verhuur gericht toe te wijzen en te verbieden.

De mogelijkheden voor antispeculatie-bedingen worden vergroot. We voeren een actief anti-woningspeculatiebeleid. Moderne huisjesmelkers pakken we aan. We tolereren niet dat rotte appels het systeem ondermijnen, door bv. teveel mensen in een huis, opsplitsing in piepkleine appartementjes of illegale verhuur via bv. AirBNB. Gemeenten kunnen dan boetes opleggen aan eigenaren die zich niet aan de regels houden en vergunningen intrekken.

Er komt een aparte huisjesmelkerstaks: een extra belasting voor iedereen die meer dan tien huizen bezit.

Gemeenten moeten ook verplicht – al dan niet in regionaal verband – daklozenopvang realiseren. Oorzaken van dakloosheid moeten weggenomen worden: meer GGZ-opvang en -begeleiding; adequaat urgentiebeleid bij toewijzing woningen; vroegsignalering bij ‘life-events’ die risicovol zijn (echtscheiding, werkloosheid, etc.); en een wettelijk verbod op huisuitzetting (zeker bij huishoudens met kinderen) zonder alternatieve beschikbare huisvesting, wanneer schuldhulpverlening wordt aanvaard. We komen met een noodplan met systeembouw voor woningen voor daklozen, waar daklozen kunnen wonen totdat er een passende reguliere woning voor hen beschikbaar is en zij daaraan toe zijn – Housing First. Vanuit onderdak wordt er passende integrale zorg en begeleiding aangeboden (zoals GGZ, SHV, verslavingszorg, jeugdzorg, etc.).

 

5.2.                      Radicale beperking en hervorming van subsidie voor woningbezit

 

Al decennialang is de gedachte dominant dat kopen superieur is aan huren. Kopen stelt mensen in staat vermogen op te bouwen en zou bijdragen aan ‘een stukje trots’, zelfstandigheid en verantwoordelijkheidsgevoel. Met andere woorden: je zou er een betere burger van worden. De ideologie van eigenwoningbezit is omarmd door links en rechts.

Voor rechtse politici is het stimuleren van eigenwoningbezit een middel om zelfredzaamheid te vergroten, en daarmee een kleinere verzorgingsstaat mogelijk te maken. Voor linkse politici is het stimuleren van eigenwoningbezit een middel om mensen te bevrijden uit de greep van uitbuitende huisjesmelkers. Ook wordt eigenwoningbezit gezien als instrument om opwaartse sociale mobiliteit van de (lagere) middenklasse te bevorderen, en zo bij te dragen aan hun emancipatie. Het bouwen van koopwoningen wordt bovendien geroemd als de manier om probleemwijken op te waarderen.

Sinds eind jaren tachtig richt het Nederlandse woonbeleid zich op het bevorderen van woningbezit en marktwerking. Je eigen woning kunnen kopen kwam symbool te staan voor gevoelens van trots, verantwoordelijkheid en (financiële) onafhankelijkheid. Anno 2019 vertoont de droom van het eigenwoningbezit diepe scheuren. Jongvolwassenen en huishoudens met een laag middeninkomen kunnen geen koopwoning meer betalen. Hierdoor is de vermogensongelijkheid opgelopen en nemen de ruimtelijke verschillen in onze Nederlandse steden toe. Enerzijds heeft de opmars van flexwerk de mogelijkheid tot het verkrijgen van een hypotheek ondermijnd, anderzijds heeft het woonbeleid de prijzen opgedreven.

De structureel opgeblazen woningprijzen hebben winnaars en verliezers. Wie op tijd én op de juiste plek een woning heeft gekocht, is spekkoper. Wie niet, of pas op een later moment in staat is geweest om te kopen, heeft verloren. Zoals hiervoor is aangetoond, is de vermogensongelijkheid in ons land ontzettend groot. Dit is problematisch omdat vermogen in tijden van afkalvende sociale zekerheid een verzekering is tegen onverwachte gebeurtenissen. De scheidslijn tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’ wordt steeds meer door de woningmarkt bepaald. Zonder vermogen is het erg lastig een koopwoning te bemachtigen, terwijl vermogende woningeigenaren steeds vaker meerdere woningen bezitten, om te verhuren (‘buy-to-let’). Deze ongelijkheid wordt intergenerationeel overgedragen. Kinderen van eigenwoningbezitters, worden vaker zelf óók woningeigenaar – niet in de laatste plaats door financiële hulp van hun ouders.

In de nasleep van de economische crisis van 2008 zijn de hypotheekeisen aangescherpt. Aflossingsvrije hypotheken en leningen groter dan de waarde van de woning zijn inmiddels verleden tijd. Hoewel dit een goede eerste stap is, eist deze maatregel zijn tol onder de huidige generatie starters, die onder strengere voorwaarden moet lenen dan de generatie voor hen.

Doordat hun inkomens stagneren en flexwerk onder jongvolwassenen een grote vlucht heeft genomen, is de droom om een woning kopen een luchtspiegeling geworden. Nu de economie weer groeit en de woningprijzen nieuwe recordhoogtes bereiken (medio 2019 landelijk gemiddeld bijna € 320.000), gaan er stemmen op om de leenvoorwaarden opnieuw op te rekken – door huishoudens met een flexbaan gemakkelijker te laten lenen, door extra startersleningen uit te keren, of door ‘duurhuurders’ (huishoudens die relatief veel kwijt zijn aan huurlasten) een hypotheek te gunnen.

Dergelijke voorstellen hebben onaanvaardbaar grote neveneffecten. Ze resulteren in een giftige cocktail: een grotere acceptatie van kwetsbaarheid op de arbeidsmarkt en een woningmarkt waarop huishoudens zich zwaar in de schulden moeten steken om een plek te verwerven. Bovendien hebben dergelijke maatregelen een duidelijk prijsopdrijvend effect. In plaats van het stimuleren van ‘bancaire innovaties’ moeten we streven naar baanzekerheid en zorgenvrij wonen, als basis van ontplooiing en ontspanning.

We moeten stoppen met alle huidige subsidie aan woningbezit – uiteraard wel in een afbouw naar de mate waarin betaalbare huur ter beschikking komt. Geen hypotheekrenteaftrek meer voor nieuwe hypotheken en een versnelde afbouw van de aftrek voor bestaande hypotheken. Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf. Er vindt door een hoger besteedbaar inkomen ten gevolge van andere maatregelen in de voorstellen in deze Nieuwe Tien over Rood meer dan ruimschoots compensatie plaats voor het verdwijnen van deze aftrek voor inkomens tot ca. anderhalf modaal. De vrijstelling in de erfenis en schenkingsbelasting voor een woning voor kinderen vervalt. Ook verzwaren de normen om in aanmerking te komen voor een hypotheek: je moet zelf meer geld inbrengen. Dat is behalve in ons land overal de norm. De enorme hypotheekschulden geven ook een enorm risico bij een volgende crisis: meer dan twee derde van het juridisch bezit van de 90% huishoudens met de slechtste vermogensposities is inmiddels belegd met schulden. Een nieuwe bankencrisis zal het gevolg zijn.

Niet genoeg mensen realiseren zich dat de Nederlandse koopwoningmarkt is gebouwd op extreem royale hypotheekschulden. Prijsopdrijving, blootstelling aan risico’s en meer volatiliteit zijn de gevolgen. Vanuit het buitenland wordt vaak met argwaan gekeken naar dit piramidespel. Veel beter is: langer huren, geld sparen en op latere leeftijd met een kleinere hypotheek kopen (of blijven huren).

Wie met een levensloopperspectief kijkt naar vermogensopbouw, ziet dat de opbouw van woonvermogen (door de afbetaling van de hypotheek) concurreert met het opbouwen van een pensioen. Iedere euro kan tenslotte maar één keer uitgegeven worden. Wie een blik over de grens werpt, ziet dat landen met meer eigenwoningbezit over het algemeen een minder genereuze pensioenvoorziening kennen. Woningeigenaren lossen tijdens hun werkzame leven hun hypotheek af, en hebben daarna lage woonlasten. Ze hebben daarom minder pensioenuitkeringen nodig. In landen met een grote huursector, zijn de pensioenen juist flink ontwikkeld. Saillant detail: in zulke landen investeren pensioenfondsen vaak in huurwoningen. Nederland heeft op macroniveau zowel een flinke koopsector als genereuze pensioenen. Op microniveau zijn het vooral jongvolwassenen die geen van beide hebben. Zij hebben geen toegang tot een koopwoning, en bouwen bovendien nauwelijks pensioen op. Hiervoor liggen twee oplossingen voor de hand.

Ten eerste zouden de pensioenfondsen meer kunnen investeren in betaalbare huurwoningen. Gezamenlijk zouden ze hiervoor een verhuurorganisatie kunnen oprichten, waarvan zij aandeelhouder worden. Huurwoningen zijn een aantrekkelijke langetermijninvestering voor de pensioenfondsen. Hoewel betaalbare huurwoningen een lager rendement hebben, is het rendement wel stabiel. We gaan dit opnemen in het aan te passen pensioenakkoord.

Ten tweede zouden de pensioenfondsen kunnen investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Pensioenfonds ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken. Voor lage en lagere middeninkomens kan de overheid de keuze voor woonvermogen met een subsidie ook voor hen bereikbaarder maken. Ook dit gaan we opnemen in het pensioenakkoord.

Een nieuwe crisis op de woningmarkt komt – de vraag is alleen wanneer. Wanneer de woningprijzen dalen is dit in de eerste plaats vervelend voor huishoudens die moeten verhuizen en die een hypotheek hebben die groter is dan de waarde van hun woning. Zij komen met een restschuld te zitten (hiervoor is al voorgesteld deze restschuld voor risico van de hypotheekverstrekker te laten). Voor de overige huishoudens betekent het dat hun woning minder waard wordt, maar ze nog steeds door kunnen stromen naar een duurdere woning (die ook goedkoper geworden is). Het echte probleem is dat een neergaande prijsontwikkeling woningbezitters aanzet tot wachten: ze willen immer niet op het verkeerde moment met verlies verkopen.

Wat zou helpen is als woningcorporaties en nieuw op te richten coöperaties anticyclisch kunnen interveniëren. Wanneer de prijzen gedaald zijn tot nabij de gebruikswaarde, kunnen zij woningen opkopen. Dit zorgt voor doorstroming op de koopmarkt, stabiliseert de prijzen, en vergroot het coöperatieve segment waar de prijzen gereguleerd zijn. De coöperatie verloot het gebruiksrecht van de woningen vervolgens onder haar leden, waarna de bewoner een aandeel in de coöperatie koopt ter grootte van de gebruikswaarde van de woning. Op deze manier bouwt een bewoner wél vermogen op, maar profiteert hij of zij niet van een eventuele overwaarde. Aan de andere kant wordt het hebben van overwaarde minder belangrijk wanneer bewoners kunnen doorstromen naar andere betaalbare coöperatieve koopwoningen die passen bij de levensfase waarin ze zitten. Anticyclische investeringen door coöperaties en corporaties maken de woningmarkt stabieler waardoor de pieken en dalen minder uitgesproken worden. Woningcorporaties zouden er goed aan doen nu alvast een plan te maken voor de komende crisis. Zaadjes voor een nieuw volkshuisvestingssysteem kunnen geplant worden op plaatsen waar ze geen pijn doen voor huidige bewoners en eigenaars, maar waar ze pijn voor toekomstige bewoners kunnen verminderen.

De overdrachtsbelasting wordt voor starters afgeschaft, behalve voor tweede en meerdere woningen en woningen waar men niet zelf woont – voor deze woningen wordt deze belasting vervijfvoudigd. Woningcorporaties zijn daarbij uiteraard vrijgesteld.

 

5.3.                      Prioriteit bij betaalbaar huren voor lage en middeninkomens

 

De sociale huursector is bewust door neoliberaal beleid gemarginaliseerd. Aangejaagd door landelijk beleid is het aantal sociale huurwoningen afgenomen, waardoor de wachtlijsten zijn opgelopen. In de afgelopen twee decennia is achtereenvolgens de wettelijke doelgroep van de sociale huursector verkleind (door middel van striktere inkomenseisen en ‘passend toewijzen’), is het aantal gereguleerde huurwoningen afgenomen door de WOZ-waarde mee te nemen in het woningwaarderingsstelsel, en is de financiële slagkracht van corporaties verminderd door de verhuurderheffing en de hogere vennootschapsbelasting. Sinds 2013 is daardoor de gereguleerde corporatievoorraad gekrompen met 100.000 woningen. Eind jaren tachtig was nog zo’n 40 procent van de woningen in bezit van een woningcorporatie; nu is dat minder dan 30 procent. Dat lijkt misschien een beperkte afname, maar zou nu een verschil van zo’n 800.000 woningen betekenen.

Door aangescherpte inkomenseisen behoren sociale huurders steeds vaker tot de laagste inkomensgroepen. Had in 1990 slechts 12% van hen een laag inkomen (de armste 20% van het land), in 2015 was dat opgelopen tot 45%. Sociale huurwoningen worden daarnaast in toenemende mate toegewezen aan mensen met sociale, psychische of andere problemen. Zonder urgentieverklaring kom je in de grote steden al nauwelijks meer aan de beurt.

Ondertussen zijn binnen de sociale huursector de woonlasten en betaalrisico’s scherp toegenomen. De sociale huursector is omgevormd van een brede publieke voorziening tot een laatste redmiddel voor diegenen die zich niet op de markt kunnen redden. Hoewel het nog niet te laat is, dreigt de sector gestigmatiseerd te worden, hetgeen een weerslag heeft op buurten waar corporaties veel bezit hebben. Terwijl de (kleine) sociale huurwoningen in de populaire centrumgebieden zich ontpoppen tot tijdelijke huisvesting voor starters, zijn het de buitenwijken waar sociale huurwoningen een permanente oplossing vormen voor lage-inkomensgroepen, waar de stigmatisering van de corporatiesector de grootste ruimtelijke gevolgen heeft.

Waar het aantal corporatiewoningen afneemt, neemt de druk op die woningen alleen maar toe. Dat komt doordat particuliere verhuurders hun handen steeds meer aftrekken van het goedkoopste segment van de woningmarkt en zich richten op de dure vrije sector, waar de rendementen veel hoger liggen. De taak om lage inkomens te huisvesten komt zo in toenemende mate bij woningcorporaties te liggen. Daarbovenop betekenen de decentralisering en extramuralisering van de zorg – in andere woorden: ouderen en zorgbehoevenden blijven steeds langer thuis wonen – dat de sociale huursector meer kwetsbare personen plek moet bieden.

Huurregulering en –bescherming zijn afgezwakt. Waar vaste huurcontracten voorheen de standaard waren, is er sinds 2016 meer ruimte voor tijdelijke contracten. Bovendien zijn extra huurverhogingen mogelijk gemaakt. Liberaal woonbeleid heeft de machtspositie van de verhuurder versterkt ten opzichte van de huurder. Het logische gevolg is meer woononzekerheid.

Dit alles telt op tot een omvangrijke herstructurering van de sociale huur. Voorheen was volkshuisvesting een brede voorziening, dat wil zeggen: ook bestemd voor de middenklasse. Tegenwoordig fungeert de sociale huursector vooral als vangnet voor wie echt niet anders kan. Het wordt een – liefst tijdelijke – voorziening voor de armen. Hiermee ontwikkelt de Nederlandse situatie zich in de richting van Anglo-Amerikaanse landen waar de sociale huursector veel kleiner is. Dit is een groot risico, want ‘services for the poor, are poor services’ zo stelde socioloog Richard Titmuss, een van de architecten van de naoorlogse Britse verzorgingsstaat, in 1969 al. Met andere woorden: de marginalisering van de sociale huur draagt alleen maar bij aan verdere uitholling van de sector met achterstanden en stigmatisering als gevolg.

De gevolgen laten zich aftekenen. De woonlasten onder huurders nemen toe. Ongeveer een op de vijf huurders heeft inmiddels moeite de maandelijkse huur op te brengen. Woonquotes (dat deel van het inkomen dat aan de lasten van wonen wordt besteed) van meer dan 40% zijn geen uitzondering. In 2002 was dat slechts bij een op de twintig huurders het geval. Een groeiend aantal huurders zit klem in een niet passende woning. Denk aan gezinnen met kinderen die op nog geen 40 vierkante meter wonen. Tenslotte is de woononzekerheid toegenomen.

In augustus 2019 publiceerde het CBS nieuwe cijfers waaruit blijkt dat het aantal dakloze mensen tussen 2009 en 2018 meer dan verdubbeld is. Inmiddels zijn er zo’n 40 duizend geregistreerde dakloze volwassenen in Nederland, en naar schatting maken daarnaast nog zo’n 8500 kinderen gebruik van de daklozenopvang. Dit is nog een aanzienlijke onderschatting van de omvang van het probleem. Brancheorganisatie Federatie Opvang registreerde in 2017 namelijk ruim 70 duizend dak- en thuislozen. Hieronder bevinden zich ook mensen in opvanghuizen en beschermd wonen. Dakloosheid valt niet te reduceren tot een individuele schuldvraag. Mensen raken niet puur uit eigen schuld dakloos, en zelfs dan blijven ze gewoon recht op een woning houden. Nee, de scherpe toename van dakloosheid is het logische maar onacceptabele gevolg van decennia falend woonbeleid. De huidige urgentie schreeuwt echter om een structurelere aanpak. Het aanpakken van dakloosheid is bovenal een kwestie van progressief woonbeleid ontwikkelen.

Van bovenstaande problemen krijgt alleen de benarde positie van jongvolwassenen brede politieke aandacht. Rechtse politici en ondernemers hebben de laatste jaren een flink aantal proefballonnetjes opgelaten om hen meer kans te geven op een betaalbare woning. Deze proefballonnetjes richten zich op genereuzere hypotheekverstrekking voor starters, het voordeliger maken van ouderlijke steun (beide om de toegankelijkheid van de koopsector te waarborgen, en met beiden is hierboven al afgerekend), het vergroten van de middenhuursector (om de toegankelijkheid van huurwoningen te vergroten) en het flexibiliseren van huurcontracten (om de toegankelijkheid van de sociale huursector te vergroten). Wanneer we de sociale en ruimtelijke effecten van het huidige beleid in ogenschouw nemen, kunnen we stellen dat dit beleid op zijn best een oplossing biedt voor een selecte groep, maar vaker onaanvaardbaar grote negatieve neveneffecten heeft. Erger nog, een aantal maatregelen is te beschouwen als volkomen onrechtvaardig.

Recent heeft het idee dat de private huursector moet worden uitgebreid om mensen te huisvesten die niet kunnen of willen kopen snel aan populariteit gewonnen. De private huursector is sinds 2013 snel gegroeid, door toegenomen investeringen van binnen- en buitenlandse beleggers, maar bovenal doordat er nieuwe speculanten zijn opgestaan die een financiële melkkoe gevonden hebben: de verhuur van dure woningen aan jongvolwassenen die niet terecht kunnen in de sociale huursector én geen koopwoning kunnen betalen. Dit vergroot de vermogensongelijkheid. Om de private huurwoningen toch betaalbaar te houden, gaan gemeenten overstag: investeerders mogen micro-appartementen bouwen, of bestaande woningen opsplitsen. De huur voor vrije sector woningen van 30 vierkante meter zijn voor hoogopgeleide starters namelijk nog wel betaalbaar. Het toestaan, of zelfs stimuleren, van dergelijke prijsopdrijving is een negatief neveneffect van deze maatregel. Het is ronduit onrechtvaardig als geliberaliseerde sociale huurwoningen, ooit met publiek geld gefinancierd, door beleggers voor de hoofdprijs verhuurd worden aan huishoudens met weinig andere keus. Onbetaalbaar wonen is een probleem, maar betaalbaar wonen in een slechte of krappe woning is net zo goed een probleem – en duur wonen in een slechte of krappe woning al helemaal.

Om jongvolwassenen een kans op een sociale huurwoning te geven, reserveren woningcorporaties steeds vaker een deel van hun voorraad voor jongerenhuisvesting, met tijdelijke huurcontracten van maximaal vijf jaar, en toewijzing via loting. De logica is simpel: door de lange wachtlijsten hebben veel jongvolwassenen tegen de tijd dat ze voldoende woonduur hebben opgebouwd, geen recht meer op een sociale huurwoning. Een tijdelijke oplossing biedt dan soelaas. Toewijzingen door loting en de tijdelijke jongerenwoningen verlichten het woningmarktleed van jongvolwassenen. Toch is het slechts voor een selecte groep een oplossing, en gaat het direct ten koste van andere groepen. Wanneer tijdelijke contracten ook voor reguliere sociale huurders de norm worden, draagt de verzachting van het probleem van jongvolwassenen bij aan de marginalisering van de corporatiesector, waarbij een sociale huurwoning alleen een tijdelijk vangnet wordt, in plaats van een warm thuis. Bovendien komt het uithollen van de huurbescherming private verhuurders goed uit. Het maakt snellere huurverhogingen mogelijk, en biedt meer kansen tot verkoop in lege staat. Dit drijft de prijzen op en ondermijnt de bestaanszekerheid en het thuisgevoel van de huurders. Pas wanneer corporaties voor een brede doelgroep kunnen concurreren met private verhuurders zijn ze in staat om de huurprijzen weer voor een groter deel van de bevolking te laten dalen.

De proefballonnetjes zijn niet meer dan een doekje voor het bloeden voor enkele groepen die het momenteel lastig hebben op de woningmarkt. De voorstellen hebben met elkaar gemeen dat ze de betaalbaarheid van het wonen over de hele linie niet vergroten, en de betekenis van de woning voor de bewoners buiten beschouwing laten. Nog belangrijker: ze pakken de systematische ongelijkheid op de woningmarkt niet aan.

Het aanbod aan betaalbare huur moet fors vergroot worden. We herstellen de brede sociale huursector. We geven woningcorporaties weer de ruimte voor het bouwen van kwalitatief goede en betaalbare huizen, ook voor middeninkomens (tot tweemaal modaal, ca. 75.000 euro). De plannen van Rutte III om de inkomensgrens voor gezinnen iets te verhogen (naar 42.000 euro) en die van alleenstaanden te verlagen (naar 35.000 euro) moeten van tafel. We verhogen de inkomensgrenzen om tot de huidige sociale huurgrens (€ 715,92 per maand) te worden toegelaten naar € 55.000 (ca. anderhalf modaal). De huidige markttoets moet direct worden afgeschaft. We schaffen de liberalisatiegrens af bij huur of verhogen deze tot minstens € 1200-1300 per maand – dit betekent dat de huur ook voor deze inkomens bepaalt gaat worden door de normen van het woningwaarderingsstelsel. De huur wordt onafhankelijk van de marktwaarde van de woning door het schrappen van de WOZ-punten of deze te begrenzen tot maximaal 25 punten. De woonomgeving mag best meetellen, maar dan gebaseerd op de werkelijke woonomgeving, niet de grillige ontwikkeling van de huizenprijzen van de markt, van speculatie en van fiscale politiek. Deze maatregelen zorgen ervoor dat er minder makkelijk als nu woningen verdwijnen uit de sociale woningvoorraad.

Woningdelen helpt ook om de acute woningnood te bestrijden, niet als een plicht maar als een recht: er komt een afdwingbaar recht tot woningdelen. In de sociale zekerheid en fiscaliteit worden sancties op woningdelen (kostendelersnorm, verzameltoets) afgeschaft en vervangen door een bonus (woningdelingssubsidie).

Maar er is meer nodig om de sociale woningvoorraad uit te breiden, zeker als we ook zoals hiervoor voorgesteld meer huishoudens daar toegang aan geven. We schrappen de verhuurdersheffing en vervangen deze door een investeringsplicht (nieuwbouw, renovatie, verduurzaming). We schaffen eveneens de vennootschapsbelasting en de ATAD-toepassing (een Europese richtlijn ter voorkoming van belastingontwijking met vastgoed)[37] voor woningcorporaties af. Dit kost geld, maar is prima te betalen (en goedkoper dan bijvoorbeeld de ongelijkheid vergrotende en prijsopdrijvende hypotheekrenteaftrek). We versoepelen de regels van de Autoriteit Wonen en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) enigszins, er wordt nu bijv. uitgegaan van te hoge rentes. En we voeren een verevening uit tussen woningcorporaties opdat reserves aangewend kunnen worden waar de grootste opgaven bestaan. Rijk en provincies voeren daarbij regie en overrulen zo nodig gemeenten. Corporaties moeten ook veel meer publieke verantwoording geven over hun financiën, opdat zulke regie ook effectief kan plaatsvinden.

Woningcorporaties zijn veel te veel vastgoedondernemingen geworden in plaats van sociale verhuurders. Teveel corporatiebestuurders zien woningen in de eerste plaats als een economisch goed, als een object dat waarde vertegenwoordigt dat te gelde gemaakt kan worden. Een lage huur op een dure plek is dan dus kapitaalverspilling. En dan worden huurverhogingen en het meegaan met de marktgekte plots gezien als “normaliseren”. De publieke waarde is privaat kapitaalbezit geworden, ook als het van een corporatie is. Ze moeten daarom verplicht weer coöperaties worden: verenigingen van huurders met werkelijke zeggenschap van huurders. Huurders moeten instemmingsrecht krijgen op het huurbeleid. Gemeenten kunnen ook zelf nieuwe corporaties of coöperaties oprichten. De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, statutair werkgebied, geen gemeentegrensoverschrijding). Verkoop van sociale woningen wordt verboden, behoudens indien voor elke verkochte sociale huurwoning er aantoonbaar twee van de laagste categorie worden teruggebouwd.

Corporaties krijgen ook meer ruimte om te investeren in de buurt. Het wijkbeleid in de grote steden moet weer worden opgetuigd, waarbij wooncorporaties een noodzakelijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. We gaan hier – net als in apart beleid voor krimpgebieden – fors in investeren, onder verantwoordelijkheid van een minister van Dorpen, Wijken en Wonen. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan initiatieven voor gezonde leefstijl en goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid.

Een progressieve visie op wonen betekent echter meer dan het stimuleren van een sterke corporatiesector, het betekent ook het omarmen van nieuwe initiatieven: initiatieven die nu weliswaar nog een niche zijn, maar bijdragen aan betaalbaar wonen en die bewoners zeggenschap geven. Het gaat dan om nieuw beleid dat op termijn bestaande instituties (deels) kan verdringen. Nieuwe wooncoöperaties kunnen een inspirerend voorbeeld zijn. Tegelijkertijd is realisme geboden. Kunnen dergelijke initiatieven genoeg massa bieden om de wooncrisis te lijf te gaan? Komen deze initiatieven ook de zwaksten ten goede, of blijft het iets voor de middenklasse? Gemeenten zouden dergelijke initiatieven meer ruimte kunnen geven door coöperatieve ontwikkelaars op nieuwbouwlocaties voorrang te geven. Middels een doelgroepenverordening kan gestuurd worden op menging: op nieuwbouwlocaties kan de gemeente vaststellen voor welke inkomensgroep nieuwe woningen beschikbaar komen (en beschikbaar blijven, bij mutatie).

Woningcorporaties moeten ook kwalitatief gaan bouwen. Een les uit onze rijke sociaaldemocratische geschiedenis is dat het belangrijk is om bij progressieve woonoplossingen een kwalitatief beter alternatief te bieden, dan de markt doet. Corporaties die visieloos blokken met kleine goedkope woningen bouwen, dat is eigenlijk net zo’n gek idee als dat negentiende-eeuwse woningbouwverenigingen mee zouden gaan in de revolutiebouw van de pandjesbazen. De kiem voor progressieve volkshuisvesting werd gelegd in de tweede helft van de 19e eeuw. Terwijl libertaire investeringswetgeving pandjesbazen in staat stelde goedkope en kleine woningen zonder sanitair te verhuren aan hopeloze arbeiders (het klinkt de huidige generatie jongvolwassenen en arbeidsmigranten bekend in de oren), werden de eerste woningbouwverenigingen opgericht. Zij stelden arbeiders (van dezelfde gezindte) in staat om geld te sparen dat gebruikt zou worden voor de bouw van nieuwe woningen. De huren van deze woningen zouden betaalbaar blijven omdat ze alleen de grond- en bouwkosten hoefden te dekken, niet de winst van de investeerder. Met deze woningen als onderpand konden de woningbouwverenigingen nieuwe leningen afsluiten om meer woningen te bouwen. Met de Woningwet van 1901 werden woningbouwverenigingen in de wet verankerd, en vooral in de periode tussen de twee wereldoorlogen schoten zij als paddenstoelen uit de grond: in 1922 waren er al 1350 woningbouwverenigingen verspreid over heel Nederland. Deze manier van volkshuisvesting werd al snel een uithangbord voor de sociaaldemocratische beweging. Niet alleen omdat het arbeiders betaalbare en kwalitatief goede woningen verschafte: net zo belangrijk was de herkenbaarheid van deze woningen. Ze waren meestal stijlvoller ontworpen dan de private huurwoningen van de pandjesbazen, en ze waren gelegen in een groenere omgeving met meer openbare ruimte en voorzieningen zoals bibliotheken en gemeenschapszalen. Dit zorgde ervoor dat arbeiders trots konden zijn op hun woonomgeving. Het democratische karakter van de bouwverenigingen zorgde ervoor dat de leden inspraak hadden in het bouwproces, waardoor de bouw paste bij de wensen en noden van de toekomstige bewoners. Voor de eerste volkshuisvestingswethouders van SDAP-huize, zoals Floor Wibaut, was de bouwproductie van de woningbouwverenigingen een ideaal voorbeeld op basis waarvan hij steun kon verwerven voor grootschaligere volkshuisvestingsprojecten. Wie wilde immers niet voor lagere kosten in een betere buurt wonen? Het tuindorp als politiek frame avant la lettre. In die periode was de volkshuisvesting dan ook zeker geen laatste redmiddel. Sterker, relatief veel huurders behoorden in die tijd tot de middengroepen. De allerarmsten waren helaas aangewezen op de krotten van huisjesmelkers.

Een succesvolle progressieve woonagenda combineert financiële waarden en omgevingswaarden. Uitbuiting wordt uitgebannen door woningen betaalbaar en beschikbaar te houden. In nieuwbouw staat woningkwaliteit voorop en beslissen bewoners democratisch over het ontwerp van hun buurt zodat een huis een thuis kan worden.

We gaan de huren structureel verlagen en begrenzen. Tot anderhalf modaal gaan we een maximale huur invoeren van 30-35% van het besteedbaar inkomen (huurquote, vgl. NIBUD-systematiek bij hypotheken). Net zoals bij een hypotheek voor woningbezitters worden zo tot inkomens van ca. 55.000-60.000 euro de maximale woonlasten hard begrensd. We introduceren objectsubsidie van het Rijk ter compensatie van verhuurders die door de inkomensbegrenzing van de huren niet de WWS-huur in rekening kunnen brengen. We schrappen de huidige inkomensafhankelijke huurverhoging die een schandelijke stigmatisering van middeninkomens tot scheefwoners impliceert. En we stoppen het flexwonen door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. En we gaan zeker niet akkoord met constructies als ‘Passend Wonen’.

Lage huren kunnen worden gecombineerd met gesubsidieerde spaarprogramma’s voor huurders, zoals in Duitsland, zodat zij het zo opgebouwde eigen vermogen in de toekomst kunnen aanwenden om een woning te kopen – maar ook om de grote vermogensongelijkheid tussen de ‘haves’ en ‘have nots’ te bestrijden.

 

5.4.                      Vertraging en hervorming van extramuralisering

 

Bij de woningopdracht komt er apart aandacht voor de effecten van de te snel en te extreem en te rigide doorgevoerde extramuralisering van de zorg (langer thuis wonen). Dat geldt zowel voor de afbouw van verpleeghuizen als van psychiatrische ziekenhuizen. Om het buiten-de-murenbeleid een succes te maken, moet er ook beleid en geld zijn voor buiten de muren. Dat moet dan ook eerst gereed zijn: naast de medische zorg ook maatschappelijke dagbesteding, activiteitenbegeleiding, betaalbare aangepaste woonruimte, iemand die op ze let en voorkomt dat ze wegkwijnen in eenzaamheid en/of verward over straat lopen, etc.

Veel verzorgingshuizen zijn gesloten en de resterende gaan samen met verpleeghuizen. De leeftijd voor opname daar wordt steeds hoger en de opnameduur steeds korter. Ook belanden kwetsbare ouderen vaak onnodig in het ziekenhuis. Velen denken dat de meeste ouderen langer zelfstandig willen wonen. Maar 98 procent van de bevolking wil dat de verzorgingshuizen blijven, en 90% van mensen van 70-75 jaar die iemand kenden die niet meer zelfstandig woont, kiest niet voor langer zelfstandig wonen. Omdat kwetsbare ouderen daar onderdak, eten en verzorging vinden, en ook veiligheid, gezelschap en gezelligheid. Veiligheid betekende snelle medische hulp als je die nodig hebt. En fysieke veiligheid: in een woonwijk ben je als oudere kwetsbaar. Wat kun je als iemand met slechte bedoelingen aan de deur komt? Gezelschap betekende vergelijkbare mensen in vergelijkbare omstandigheden in de directe omgeving. Mensen met vergelijkbare gespreksonderwerpen. Gezelligheid betekende voldoende mogelijkheden tot ontspanning met bijvoorbeeld een winkel, een kapper en een horecagelegenheid in de directe omgeving.

Moderne nieuwe woonvormen voor ouderen die hieraan voldoen, zoals de door de SP bedachte zorgbuurthuizen, gaan we krachtig bevorderen. Daarmee zouden ook de moeilijkheden in de keten van zorg voor ouderen als sneeuw voor de zon verdwijnen, de capaciteit van de spoedeisende hulp zich wonderbaarlijk vermenigvuldigen en de sterfte onder bejaarden als gevolg van vallen drastisch afnemen. We investeren ook extra in betaalbare, levensloopbestendige woningen. Dat wordt een wettelijke opdracht aan gemeenten en woningcorporaties, in samenwerking met zorgaanbieders.

Hiertoe worden onder landelijke regie regionale plannen gemaakt, en gemeenten moeten in hun woonvisie daar aanvullende richtlijnen over opstellen. Ook voor 18+-jongeren met een LVB of autisme krijgt de gemeente en de woningbouwcorporatie een bouwplicht. Gemeenten zijn nu niet altijd bereid tot het betalen van een woningaanpassing voor een cliënt met een beperking. De cliënt wordt dan alternatieve woonruimte met hogere woonlasten aangeboden. Hierdoor komt de cliënt in financiële problemen. Een woningaanpassing wordt daarom weer een recht in plaats van een voorziening, met objectieve criteria en ruimte voor maatwerk ten gunste van de cliënt. De financiering hiervan blijft bij gemeenten, zodat ze geprikkeld worden om voldoende levensloopbestendige woningen te laten (ver)bouwen, als eis in hun woonvisie.

Ook het zorgvervoer heeft een hoger budget nodig. Waar mogelijk worden trainingen verzorgd om mensen zoveel mogelijk zelfstandig te laten reizen. We investeren in het toegankelijk maken van publieke voorzieningen, terreinen en gebouwen, publieke media en het Openbaar Vervoer voor mensen met een beperking. Ook particuliere aanbieders van hotels, restaurants, cafés, sportfaciliteiten, bioscopen, musea, etc. moeten daaraan voldoen, tenzij ze een ontheffing krijgen (bv. in geval van verplichtingen uit hoofde van monumentenbescherming). We voeren de uitvoering van het VN-verdrag voor non-discriminatie van mensen met een beperking versneld uit. De toegankelijkheid van gebouwen, de openbare ruimte, het vervoer, de media en noodzakelijke communicatie moet binnen 10 jaar gerealiseerd zijn. Er komt een wet die dit recht afdwingbaar maakt voor mensen met een beperking (met recht op schadevergoeding bij overtreding).

 

5.5.                      Verduurzaming van woningen

 

In de nabije toekomst zullen de elektra- en gasrekening een groter deel van de woonlasten gaan bepalen. In het kader van de energietransitie zijn grote investeringen nodig om het energiegebruik van (vooral voor 1990 gebouwde) woningen te verminderen. Deze investeringen zijn kostbaar, maar verdienen zich op termijn terug. Woningcorporaties hebben aangegeven dergelijke investeringen nauwelijks te kunnen dragen zonder de betaalbaarheid of beschikbaarheid van sociale huurwoningen in het geding te brengen. Financiële steun van het Rijk is onontbeerlijk om de energietransitie binnen de sociale voorraad van de grond te krijgen.

Veel particuliere woningeigenaren hebben te maken met een vergelijkbaar probleem. De meeste huishoudens met een middeninkomen of lager hebben geen € 60.000 op hun spaarrekening staan om in verduurzaming te investeren. Uiteraard zijn er individuele oplossingen mogelijk, zoals aanvullende hypotheken (waar zelfs pensioenfondsen een rol in kunnen spelen), maar collectieve oplossingen zijn goedkoper, en kunnen bijdragen aan de oplossing van de woningmarktproblematiek. Gemeenten (of coöperaties) kunnen met hulp van het Rijk duurzaamheidsfondsen oprichten die koopwoningen verbeteren, en in ruil daarvoor een aandeel nemen in de woning. De eigenaar kan ervoor kiezen de investeringen terug te betalen en weer volledig eigenaar te worden, of de woning deels eigendom te laten blijven van het fonds. In ruil voor de gratis woningverbetering wordt deze woning onderdeel van een gereguleerd en sociaal koopsegment: een niche innovatie die langzaam mainstream kan worden.

De combinatie van huur en energielasten moet voor huurders van woningen tot en met anderhalf modaal lagere woonlasten opleveren. Het energielabel en de verduurzaming van de woning moeten geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. De verhoging van de huur door meer duurzaamheidspunten moet volledig gecompenseerd worden door lagere energielasten. Dit wordt in de wet vastgelegd met een wijziging van het puntenstelsel (WWS). Nu mag een verhuurder € 250 meer huur vragen voor een energieneutrale woning, terwijl de gemiddelde energierekening maar € 120 per maand is.

Er komen bindende afspraken met coöperaties en verhuurders voor het energieneutraal maken van 250.000 woningen per jaar. Er komt een verbod op het verhuren van woningen met de slechtste energielabels (vooral in bezit bij particuliere verhuurders), voorafgegaan door een verbod op huurverhoging van deze woningen. Dit verbod wordt stapsgewijs aangescherpt. Woningcorporaties en -coöperaties moeten de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos kunnen lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties. Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun WOZ-belastingtarieven lager vast te stellen bij een groener energie-label. Gemeenten krijgen de opdracht om voor 2030 voor iedere wijk een plan te maken voor klimaatneutrale gebouwen en woningen.

Woningeigenaren worden door een ‘ontzorgloket’ ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning. De isolatie-eisen voor bestaande woningen worden stapsgewijs aangescherpt.

 

 

6.    We gaan onze economie omvormen tot een circulaire, duurzame economie

 

We moeten onze economie geheel verduurzamen naar een circulaire economie. De huidige parasitaire economie is eindig en al op afzienbare tijd niet meer houdbaar. Dat zal grote veranderingen betekenen in ons consumptiepatroon, ons productieproces en de distributie en transport. Het zal kansen bieden, maar ook bedreigingen. Voor sociaaldemocraten staat voorop dat deze transities op sociale en rechtvaardige wijze plaatsvinden. Er is geen tijd meer voor uitstel of geneuzel van klimaatontkenners. Ieder uitstel maakt de risico’s groter en zal de kosten verhogen. Nu voorop lopen betekent ook een koppositie in de toekomst. Het gaat niet meer om of, en wanneer, maar om hoe, en met wie. De aangekondigde Europese Klimaatwet moet dwingend zijn, met de ambities zoals voorgesteld door de nieuwe Europese Commissie.

 

6.1.                      Een eerlijke energietransitie

 

De energietransitie moet eerlijk plaatsvinden. Onze PvdA moet dit afdwingen willen we de plannen steunen. Huishoudens moeten minder, en bedrijven meer betalen met o.m. een CO₂-heffing voor de industrie. Andere klimaatgassen, zoals methaan, worden op gelijke wijze belast. Het voorstel van onze TK-fractie daarover wordt door ons gesteund, zij het dat we met het PvdA netwerk Duurzame Energie pleiten voor een iets hogere beginprijs (bijv. € 50 per ton CO₂-uitstoot met 5% jaarlijkse escalatie) en het niet verrekenen met al bestaande ETS-heffingen. De opbrengsten van deze heffing worden gebruikt voor subsidies duurzame energie aan bedrijven en huishoudens en aan innovatie.

We gaan de energiebelasting eerlijk verduurzamen: Een progressieve energiebelasting naar schaal van energieconsumptie en tarieven gebaseerd op uitstoot CO₂, zodat duurzame elektriciteit niet belast wordt, met kolen opgewekte elektriciteit extra zwaar belast wordt en met aardgas opgewekte elektriciteit even zwaar belast wordt als direct gebruik van aardgas. Vervuilers en fossiel grootverbruikers veel zwaarder belasten, huishoudens lager belasten. Lage inkomens krijgen een hogere belastingvrije voet voor de energiebelasting. Huidige vrijstellingen, juist vaak van de grootste vervuilers (zoals de luchtvaart) worden afgeschaft.

De opslag duurzame energie (ODE) in de energiebelasting wordt afgeschaft. De subsidies voor verduurzaming worden anders gefinancierd, o.m. uit een hogere energiebelasting op vervuilende productie. Subsidies voor verduurzaming energieverbruik (SDE+) komen in het vervolg vooral ten goede aan de lage en middeninkomens. En ze mogen niet gebruikt worden voor CO₂-opslag (CCS) of niet-duurzame biomassa. Bedrijven moeten daarin zelf investeren. De milieu-investeringsaftrek wordt geschrapt.

 

6.2.                      Een circulaire economie

 

Een circulaire economie is een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. Grondstoffen dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking op onze planeet en de toenemende welvaart in de wereld. Door onze parasitaire levenswijze worden bovendien ecosystemen, het klimaat en onze gezondheid bedreigt met de afvalstoffen van die levenswijze.

Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kan een circulaire economie 10% afname van onze CO₂-uitstoot en 20% waterbesparing in de industrie opleveren, maar ook meer leveringszekerheid van grondstoffen (25% minder import van primaire grondstoffen), als ook ruim 50.000 nieuwe banen en 7 miljard euro extra voor de Nederlandse economie.

Dat vraagt wel een enorme transitie. Hiervoor hebben we al aangegeven dat die eerlijk en rechtvaardig moet plaatsvinden, opdat huishoudens met een laag en middeninkomen daar niet de rekening van betalen. Het moet hen financieel mogelijk gemaakt worden duurzaam te leven. Voor wat betreft de verduurzaming van woningen en het energiegebruik van huishoudens hebben we hiervoor al voorstellen gedaan.

Een circulaire economie is veel meer dan alleen recycling. Het begint met zuiniger omgaan met grondstoffen door anders te denken over producten en productieprocessen. Is het product het beste antwoord op de behoefte en kunnen bij de productie minder of andere grondstoffen worden gebruikt? In het ontwerp van producten en diensten moet al rekening gehouden worden met hergebruik, reparatie en recycling. Er moet ook energie teruggewonnen worden uit materialen en afval storten en verbranding zonder energieterugwinning moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

Fossiele energiebronnen moeten in een circulaire economie volledig vervangen worden door hernieuwbare energiebronnen. We beëindigen het gebruik van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas. De in de Klimaatwet gestelde doelen daarvoor worden bindend en vatbaar voor rechterlijke toetsing. De aardgaswinning wordt zo snel mogelijk gestaakt, zo mogelijk eerder dan nu door de regering toegezegd, ook in velden buiten Groningen. Er komt geen winning van schaliegas. De eigenaren en bewoners van door de gaswinning beschadigde gebouwen worden allen binnen een jaar gecompenseerd, met een omgekeerde bewijslast (NAM moet bewijzen dat schade niet veroorzaakt is door aardbevingen). Nederland werkt niet mee aan het gasnetwerk Nordstream II en bouw zo snel mogelijk de import van fossiele brandstoffen uit Rusland en het Midden-Oosten af.

Waterstof kan een goede manier zijn voor energieopslag, maar dat moet dan wel groene waterstof zijn. Alleen als tussenstap zijn andere vormen van waterstof acceptabel. Alleen echte duurzame biomassa kan gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd worden. Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht. We investeren niet in kernenergie, dat is niet duurzaam. De kerncentrale in Borssele gaat uiterlijk in 2025 dicht. Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. Uiterlijk in 2030 wordt dit verplicht. Er komt subsidie voor de aanleg van publiek beheerde warmtenetten. Warmtenetten worden verplicht door gemeenten beheerd.  Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar, en alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.

Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten.

Veel grondstoffen zijn onttrokken aan de aarde en opgeslagen in gebouwen, infrastructuur en in producten als televisies, folders en flessen. De gebouwde omgeving kan worden gezien als een mijn, waar kostbare grondstoffen uit kunnen worden herwonnen (urban mine). Materialen als papier, staal en glas worden al veel gerecycled. Maar er zijn nog meer materialen en producten die worden afgedankt, die kunnen worden hergebruikt en waaruit grondstoffen kunnen worden gerecycled. Afgedankte elektronica bijvoorbeeld bevatten veel zeldzame aard- en edelmetalen, die nog nauwelijks worden gerecycled.

Waar ook meer mee kan en moet is bij beton. De voorraad van beton in gebouwen en werken – zoals viaducten en bruggen – is enorm. Het vrijkomende beton wordt bijna volledig gerecycled, maar het overgrote deel van het materiaal verdwijnt in laagwaardige ophogingen en wegfunderingen. Bij de productie van beton komen echter veel broeikasgassen vrij en in dergelijke ophogingen kan ook zand of grind worden gebruikt. Belangrijke uitdaging voor de bouwsector is om de grote voorraad beton hoogwaardiger te recyclen. Oftewel meer toepassen in beton. Daarnaast kunnen architecten in de ontwerpfase beter inspelen op mogelijkheden van hergebruik van gebouwen en onderdelen daarvan. Bijvoorbeeld door modulair te ontwerpen, waardoor een gebouw makkelijk is af te breken in modules en onderdelen van een gebouw makkelijk kunnen worden hergebruikt.

 

6.3.                      Fiscale maatregelen

 

We voeren een apart laag btw-tarief in voor producten die voldoen aan eisen van ecologische duurzaamheid (circulair gebruik van grond- en afvalstoffen, geen fossiele energie, bescherming van biodiversiteit, dierenwelzijn en gezondheid mensen, geen vervuiling) en van sociale rechtvaardigheid (geen kinderarbeid, eerlijke beloning en arbeidsvoorwaarden, bescherming arbeidsomstandigheden en positie werknemers, eerlijk belasting betalen) met behulp van een nieuw door de overheid ingesteld keurmerk voor Duurzaam en Eerlijk Ondernemen. Ook gezonde producten (geen of weinig suiker en vet bv.) worden onder het lage btw-tarief geplaatst. Duurzame apparaten, diensten en producten komen zo onder het laagste btw-tarief, zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc. Vervuilend gedrag moet juist zwaarder belast worden, zoals vleesconsumptie, producten van intensieve landbouw en visserij, e.d. Er komt een verbod op stunten met vleesprijzen. Al het vlees dat in Nederland verkocht wordt, beschikt als eerste stap over 1 ster van het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming.

We voeren de verpakkingsbelasting opnieuw in en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor alle plastic en blik verpakkingen worden verplicht gesteld. Wij willen dat ieder product een productlabel krijgt waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is. Alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics. We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken meetbare en voor de burger afdwingbare termijndoelen.

 

 

6.4.                      Duurzame mobiliteit

 

We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), fietsen en openbaar vervoer, o.m. met een nieuw Randstad-breed lightrail-project. Investeringen moeten uit een apart staatsfonds gefinancierd worden, waar de overheid nu bijna gratis voor kan lenen. Het OV wordt fors goedkoper, zodat het in prijs aanzienlijk wint van gemotoriseerd individueel vervoer. Ook moeten er concrete maatregelen worden genomen voor het beprijzen van particulier vervoer met rekeningrijden gedifferentieerd naar tijd en plaats en het belasten van fossiele brandstoffen in de scheep- en luchtvaart. Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu, o.m. met een vrijstelling van energiebelasting op laadpalen.

In Europees verband moet er in het kader van de Europese Green Deal een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor continentale hogesnelheidslijnen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. We maken continentale vluchten fors duurder met een extra belasting en zetten een stop op de groei van luchthavens: Lelystad uitbreiding gaat niet door, Schiphol en regionale luchthavens mogen niet groeien.

 

6.5.                      Duurzame landbouw

 

Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het is absurd dat in een dichtbevolkt land dat drijft op diensten bijna 60 procent van het grondgebied in beslag wordt genomen door een uitermate vervuilende activiteit: de intensieve landbouw. Deze heeft grote nadelige maatschappelijke en milieueffecten. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid.  Dat moet minder, duurzamer, natuurlijker.

Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector, daarvoor lenen de productieomstandigheden in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. De gangbare, industriële landbouw kan de wereld op den duur niet voeden. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Burgers maken zich zorgen over klimaatverandering, maken zich zorgen over gezondheidsrisico’s en ergeren zich aan de landschapsvervuiling en schendingen van dierenwelzijn, natuurbeschermers zien dat er zich een ‘ecologische ramp’ voltrekt in het agrarische gebied. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren.

We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Deze vormen van landbouw leveren meerwaarde voor boer, dier, maatschappij, natuur en milieu. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur. Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030. We sluiten daartoe een Plattelandsakkoord, in de geest van het Klimaatakkoord, met betrokkenheid van boeren, burgers en overheden op het platteland en natuur- en milieuorganisaties, op basis van de hierna volgende uitgangspunten.

We streven naar een hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) per 2020 met hogere kwaliteitsnormen. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken.

De transitie moet eerlijk plaatsvinden, maar dat kan ook, ook met boeren. Nu subsidiëren we melkboeren, terwijl 1 op de 5 van de miljonairs in ons land (melk)boer is. Het systeem dwingt de boeren tot grootschaligheid en export, terwijl dat een doodlopende weg is. Boeren die willen overstappen naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw moeten gesteund worden, zij die daarin niet meewillen moeten uitgekocht worden. Landbouw niet primair gericht op export, maar op de binnenlandse markt. Expertise gaan we juist meer exporteren, opdat ook in de Derde Wereld een betere situatie ontstaat en we niet lokale productie daar wegconcurreren. Geen oneerlijke handelsverdragen en oneerlijke EU-landbouwsubsidie meer, zoals CETA en met de Mercosur-landen. Zo krijgen we kleinere en meer boeren, en minder dieren. De macht van de inkopers en de supermarkten moet daarbij gebroken worden zodat er een eerlijke prijs ontstaat, waarin de kosten van milieubelasting verdisconteerd is. Dat ondersteunen we met gedifferentieerde btw-tarieven, laag voor milieuvriendelijke producten, hoog voor milieuvervuilende producten. Zo krijgen duurzame boeren een eerlijk inkomen en krijgen huishoudens een eerlijke, betaalbare prijs gepresenteerd.

Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.

De uitstoot van CO2, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt verder belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.

We bevorderen duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw, energieleverende kassen en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw wordt de norm. Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg. Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw.

De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja. Wij willen dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen. De ontheffing van Nederland in de EU om meer fosfaat uit te mogen rijden wordt direct beëindigd.

Er komt een einde aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – te beginnen met een halvering in de komende 10 jaar en een volledige beëindiging van intensieve veeteelt binnen 30 jaar.  Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen.

De Nederlandse intensieve veehouderij wordt vaak genoemd als voorbeeld voor de rest van de wereld. Onze productiemethoden zijn geperfectioneerd op efficiëntie en het dierenwelzijn is ondanks bovenstaande misstanden beter dan in veel andere landen. Maar dat het elders nog slechter is, kan geen excuus zijn om weg te kijken. Als gidsland en als een van de grootste producenten ter wereld van vlees en zuivel, moet Nederland streven naar een voorbeeldfunctie wat betreft duurzaamheid, volksgezondheid en dierenwelzijn.

De intensieve veehouderij kent steeds meer structurele misstanden: megastallen, langeafstandstransporten (tegenwoordig ook om strenge regelgeving te ontlopen), stalbranden, dierziekten, mestoverschotten en risico’s voor de volksgezondheid en voor de klimaatverandering. Doordat het dier wordt aangepast aan de houderij in plaats van andersom, wordt ook het dierenwelzijn ernstig aangetast. Dieren worden te krap gehouden, met te weinig uitdaging of afleiding, kalf en koe worden bij de geboorte gescheiden, kalveren en lammetjes onthoornd, zeugen in kraamkooien gestald, staarten bij biggen geamputeerd en snavels bij kippen gekapt. Varkens worden in het slachthuis met heftig prikkend koolstofdioxidegas bedwelmd, met een afschuwelijke en verstikkende doodsstrijd tot gevolg. Kippen bereiken het slachthuis vaak met blaren op borst en poten doordat ze zo snel mogelijk en dus hardhandig in kratten worden gepropt. Hanen, bokken en stieren worden massaal jong gedood omdat ze niet gewild zijn bij de productie. Bij de meeste biggen worden staarten gecoupeerd, zonder pijnstilling.

De normen voor dierenwelzijn worden verhoogd en strak gehandhaafd. Weidegang voor koeien en voldoende buitenruimte voor varkens en pluimvee worden wettelijk verankerd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen.

Er komt een verbod op het houden en fokken van nertsen en andere (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht. Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.

Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt. Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren.

Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector (als onderdeel van een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid), opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Slachthuizen worden permanent gevolgd met camera’s. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit.

Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau. De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis.

We pleiten voor verder onderzoek naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. Het gebruik van antibiotica in de veehouderij wordt verder afgebouwd. In een toekomstige zoönose-uitbraak (ziekte die overdraagbaar is van dier op mens, zoals Q-koorts), stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, hierom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken. Slachtoffers van de Q-koorts uitbraak worden alsnog ruimhartig schadeloos gesteld.

We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Een progressieve belasting op pesticiden en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop. Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid. We zijn geen voorstander van het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven.

Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. De puls-visserij is nog niet bewezen duurzaam. Zo belonen we de innovatieve vissers. Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis.

 

6.6.                      Versterking en bescherming van natuur en landschap

 

We moeten de regie van de rijksoverheid op ruimtelijke ordening weer herstellen, zonder terug te keren in verstikkende wetgeving. We gaan de Omgevingswet aanpassen uit oogpunt van uitvoerbaarheid en meer landelijke en provinciale taakstellingen en projecten.

Er komt een landelijke visie voor de toekomstige ruimtelijke ordening van Nederland over 50-100 jaar die kaders stelt voor een antwoord op o.m. de zeespiegelstijging, meer extreme rivierwaterstanden, meer extreem weer (zowel droogte als juist veel regen en storm), de uitstootreductiedoelstellingen realiseert, de biodiversiteit substantieel doet toenemen, de woningbehoeften en mobiliteitsbehoeften accommodeert, ook in relatie tot het nabijgelegen buitenland. De recente studie van een aantal Wageningse wetenschappers[38] laat zien wat dit kan betekenen met o.m.:

  • een derde minder dieren in de veeteelt; geen intensieve veeteelt meer;
  • halvering agrarisch grondgebruik; volledig circulaire, natuurinclusieve landbouw;
  • akkerbouw concentreren op vruchtbare kleigronden (Zeeland, polders, Noord-Holland, Friesland en Groningen), niet meer laagveengronden;
  • op laagveengronden vooral natte teelt (zoals cranberry’s en riet) met hogere waterstand;
  • bebossing verdubbelen (vooral in Noordoost-Nederland, op de Veluwe, in de Achterhoek en Noord-Brabant) en op zandgronden naaldbomen vervangen door meer loofbos en kruidenrijke graslanden (deze laten minder water verdampen en geven meer biodiversiteit), beken verlengen om water meer te laten infiltreren in plaats van af te voeren, landbouw verplaatsen weg van de hoge zandgronden naar lagere gronden;
  • duinenrij versterken door verbreding (zand winnen in diepe geulen op zee en die vlak voor de kust door golven tegen de kust laten deponeren) en op IJsselmeer eilandenrand (‘vooroevers’) aanleggen langs oevers (daardoor kan er langs de randen een vast peil blijven voor de scheepvaart terwijl er in het midden een voor de natuur goed dynamisch peil komt), open water zuidoostkant Noordoostpolder maken (om uitdroging Weerribben te voorkomen);
  • volledig duurzame fossiele energie, ook zonder kerncentrales;
  • op zee boorplatforms hergebruiken voor CO2-opslag, groene waterstofproductie en duurzame zeelandbouw (zoals kweken van schelpdieren en zeewier) rondom wind- en zonneparken, industrie en overslaghaven op zee voor Rotterdam;
  • delen van de Noordzee worden natuurgebied, de visserij is volledig duurzaam;
  • stedengroei vooral op hoge gebieden in oosten en zuiden (Twente, Achterhoek, Drenthe, Brabant en Limburg, met o.m. een stedenrand – Brabantstad – langs de Maas), niet meer in Randstad (om verdere bodemdaling en risico’s daar ook te beperken), inzetten op middelgrote in plaats van grote steden, steden ook natuurlijker inrichten met groene daken/gevels, bomen en waterpartijen, met woningen vooral van duurzame houtbouw, rond de steden komen wateropvangbekkens en groene gordels met (voedsel)bossen en bosteelt voor natuur en recreatie;
  • brede rivierdalen, geen bebouwing daar toestaan, kades weg langs Maasoevers in Limburg, bufferzone met moerassige zones voor hoogwaterstanden, oevers geschikt voor o.m. biologische fruit- en veeteelt, open verbinding tussen Maas en Waal maken, veel bredere IJsselbedding;
  • open verbinding maken bij Kreekraksluizen tussen Ooster- en Westerschelde om getijdewerking te behouden terwijl Oosterscheldekering door hoge zeespiegel vaker dicht moet.

Wat deze visie vooral laat zien dat het kan: een schoon, veiliger, duurzaam en natuurlijker Nederland dat werkt en woont.

Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten. We investeren in het aaneensluiten van het netwerk van alle natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, versneld en in volle omvang. Er komen twee grote natuurgebieden in Nederland bij: de Markerwadden en het Oostvaarderswold in Flevoland. Daarnaast worden nieuwe nationale landschappen aangewezen. Er wordt meer en meer divers bos aangelegd, ook om aan de CO₂-reductie doelstellingen te voldoen.

De kustlijn inclusief duinen en aangrenzend natuurgebied houden we puur; bebouwing wordt uitgesloten. In natuurgebieden zoals de Noordzee, de Waddenzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Delta is geen plaats voor schadelijke economische activiteiten als gasboring, zandsuppletie of landaanwinning. De Westerschelde wordt niet meer verder verdiept. 30% van de Noordzee wordt zee-reservaat, gesloten voor visserij en andere schadelijke activiteiten. Om de Waddenzee beter te beschermen, komt er één beheerder voor de Waddenzee.

In bestemmingsplannen komt de mogelijkheid om waardevolle landschappen met natuurinclusieve landbouw te beschermen naar analogie van waardevolle dorps- en stadsgebieden en stedelijke monumenten. Daarbij kunnen de eigenaren of beheerders subsidie krijgen.

De toegankelijkheid van natuurgebieden voor wandelaars, fietsers en ruiters wordt gewaarborgd, daar waar en wanneer dat ecologisch verantwoord is. Rond steden ontwikkelen we meer groene recreatiegebieden. Waarden als stilte, nachtelijke duisternis en de weidsheid van het landschap worden beschermd. Om waardevolle, open gebieden te behouden moet bebouwing in die gebieden duurder worden. Daarom wordt een openruimteheffing ingevoerd.

De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt, waarbij Staatsbosbeheer weer wordt genationaliseerd. Natuur verhuist van het ministerie Economische Zaken naar een apart klimaat, natuur en milieuministerie.

Bescherming van biodiversiteit en het behoud en terugkeer van bijzondere flora en fauna worden bevorderd. Bijen en weidevogels krijgen speciale aandacht. De zalm keert weer terug in onze rivieren.

Plezierjacht wordt verboden. Beheersjacht wordt alleen onder strenge voorwaarden toegestaan bij ernstige schade of bedreiging van de volksgezondheid of veiligheid, wanneer alternatieven hebben gefaald. Stroperij is niet alleen internationaal, maar ook in Nederland een probleem. We willen een harde aanpak van de stroperij, met hoge boetes en een goede pakkans door voldoende groene buitengewone opsporingsambtenaren. Nederland zet zich in tegen de stroperij van en handel in wilde dieren en planten.

Er worden steeds meer innovatieve alternatieven ontwikkelt voor dierproeven. Wij staan achter de ambitie om Nederland in 2025 wereldleider in proefdiervrije innovatie te maken. Daartoe wordt een actieplan opgesteld.

We willen wettelijk vastleggen welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. Die zogenaamde positieflijst bestaat al voor zoogdieren, maar voor ander categorieën zoals vogels, vissen en reptielen gaan we dit ook vastleggen.

We beschermen ons land tegen overstromingen en wateroverlast, waar mogelijk door rivieren meer ruimte te geven en hun natuurwaarden te versterken, in plaats van oneindig dijken te verzwaren. Tegen langdurige droogte wordt geïnvesteerd in meer wateropslag, minder verstening, minder intensief watergebruik en minder waterverspilling. Ook in de stad komt er meer groen en stadslandbouw wordt bevorderd.

 

6.7.                      Zorgen voor een schone lucht, water en bodem

 

De overheid moet levens en gezondheid van haar burgers te beschermen en tevens zich te houden aan Europese wetgeving waaraan ze zich heeft gecommitteerd. Burgers kunnen dat in het vervolg bij de rechter gaan afdwingen. De normen voor de luchtkwaliteit, zoals voor geur (ammoniak), de hoeveelheid en samenstelling van (ultra-)fijnstof en fijnstof van bio-industrie, stikstofoxiden en roet, worden aangescherpt tot het niveau dat is vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Gemeenten hebben een belangrijke de taak bij de handhaving en geven inwoners inzicht in de controle. Normen op het gebied van geluid, trillingen, stank, en andere overlastgevers worden altijd vastgesteld op basis van de beste (en meest recente) wetenschappelijke inzichten. Bedrijven die installaties vervangen krijgen geen nieuwe vergunning als zij niet de best beschikbare, duurzame technieken toepassen.

Het stikstofarrest van de Raad van State wordt strikt uitgevoerd – niet door ontwijktrucs. De maatregelen voor duurzaamheid in deze Nieuwe Tien over Rood zullen daartoe naar verwachting afdoende zijn. Op korte termijn regelen we snelheidsbeperkingen op alle snelwegen (ook ’s nachts) naar maximum 100 km/uur, uitkoop van de meest vervuilende veeteelthouders (indien mogelijk vrijwillig, maar als dat niet lukt zo nodig ook gedwongen, sluiting van alle kolencentrales, een moratorium op het aantal vliegbewegingen op ieder vliegveld, en een start met uitbreiding en herstel van natuurgebieden en van schone zones rond die natuurgebieden.

De Nederlandse stikstofuitstoot moet met meer dan 50 procent omlaag om de natuur drastisch te ontzien. De kabinetsplannen voor het uitkopen van boeren nabij kwetsbare natuurgebieden zijn ontoereikend om dit te halen. Ook op andere plekken in het land zullen veehouders dieren moeten inleveren. Dat blijkt uit zeer recent onderzoek van het Wageningen Environmental Research, dat op initiatief van het Wereld Natuur Fonds is uitgevoerd.[39] De VVD belooft de boeren dat er geen dier af hoeft en technologische oplossingen afdoende zijn. Met die suggestie maken de onderzoekers korte metten. Theoretisch kunnen oplossingen zoals luchtwassers en een andere veevoersamenstelling de stikstofuitstoot in de landbouw met bijna eenderde verlagen, maar in de praktijk zijn de oplossingen kostbaar, moeilijk te implementeren en zetten de onderzoekers vraagtekens bij de effectiviteit ervan. Dat de uitstoot van stikstof door veeteelt vergeleken met decennia terug behoorlijk is afgenomen door technologische maatregelen is waar, maar het laatste decennium loopt de uitstoot juist weer op, vooral na schrappen van het melkquotum in 2015. Deze afschaffing heeft volgens de Algemene Rekenkamer het aantal dieren fors doen toenemen. De stijging van schadelijke uitstoot komt volgens de Algemene Rekenkamer voor een belangrijk deel door de toename van het aantal dieren in Nederland. Daardoor stijgt de hoeveelheid mest. Desalniettemin blijft minister Schouten zeggen dat inkrimping van de veestapel niet haar doel is. De onderzoekers bekeken ook wat de effecten zijn op stikstof van de door minister Schouten terecht verlangde kringlooplandbouw. Ze laten zien dat de minister veel rigoureuzer te werk moet gaan. Pas als er voortaan geen stikstofdragend veevoer (zoals soja) meer wordt geïmporteerd, wordt de benodigde stikstofreductie van 50 procent gehaald. Het gevolg is dat dan nog maar voor de helft van de dieren voer beschikbaar is.

Nederland heeft al sinds lange tijd natuurwetgeving die beoogt het natuurbelang te beschermen. Zo was Nederland binnen Europa met de borging van de Ecologische Hoofdstructuur in de ruimtelijke ordening een voorloper met natuurbeleid vanuit een gezamenlijke visie op landbouw en natuur. De afgelopen jaren is er echter bezuinigd op natuurontwikkeling en heldere keuzes zijn achterwege gebleven. Veel Natura 2000- gebieden zijn er in ons land momenteel slecht aan toe. De biodiversiteit in Nederland is nadrukkelijk toe aan herstel. Het idee van Rutte III om nog minder natuur te beschermen is ridicuul.

Zo’n 35 procent van de stikstof in Nederland komt uit het buitenland. Maar Nederland ‘exporteert’ meer stikstofoxyden dan we ‘importeren’. De dichtheid van stikstof is in de 28 EU-lidstaten het hoogst in Nederland, vier keer hoger dan het EU-gemiddelde. We moeten dus echt zelf veel (en snel!) doen. De landbouw neemt met 45 procent verreweg de meeste uitstoot voor zijn rekening. Dat komt vooral door de ammoniak die vrijkomt uit mest van koeien, kippen en varkens. Na de landbouw leveren huishoudens, wegverkeer (beide 6,4 procent), de internationale scheepvaart (3,6 procent) en ammoniak uit de zee (2,7 procent) de grootste bijdrage aan de Nederlandse stikstofdepositie.

Stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komt uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. De stoffen kunnen met neerslag mee komen op de bodem, dit heet natte depositie. Maar ook kunnen planten of de bodem direct stikstof uit de lucht opnemen, dit heet droge depositie. De depositie van stikstofoxiden en ammoniak zorgt ervoor dat de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen. Dat is vooral in natuurgebieden een probleem. Door overbelasting met stikstof zijn veel habitats er slecht aan toe. De bodem verzuurt en de balans van voedingstoffen in de bodem wordt ontwricht. Zeldzame plantensoorten die juist voedselarme omstandigheden nodig hebben, verdwijnen. Een beperkt aantal stikstofminnende soorten neemt hun plaats in. Dat kan betekenen dat de plantensoorten, die kenmerkend zijn voor het gebied, verdwijnen en dat de kwaliteit van de overgebleven soorten minder wordt, of zelfs dat het gebied zijn natuurlijke kenmerken verliest. Zo verdringen de brandnetels bijvoorbeeld de orchideeën. Aangezien planten aan de basis staan van de voedselketen, beïnvloedt het verlies aan plantensoorten en plantkwaliteit ook de fauna, zoals insecten en vogels, die van die zeldzame planten leven. Dit bedreigt de biodiversiteit, die we niet voor niets beschermen – bedreiging van biodiversiteit is net als de klimaatcrisis een directe bedreiging door de aantasting van de voedselketens voor de toekomst van onze kinderen. En is in strijd met Europese regels voor natuurbescherming, die daarop gericht zijn.

Teveel uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden is niet alleen slecht voor de natuur, maar is ook slecht voor de volksgezondheid. Volgens het Longfonds overlijden jaarlijks minimaal 11.000 mensen vroegtijdig door uitstoot van fijnstof en stikstofoxyden. Gemiddeld leven Nederlanders negen maanden korter door luchtverontreiniging, maar de verschillen zijn groot. Het aantal slachtoffers is het grootst in de grote steden, de Randstad, langs drukke wegen en in de omgeving van veehouderijen. Daar kan het levensduurverlies oplopen tot achttien maanden, terwijl het in de schoonste gebieden van Nederland ‘slechts’ vier maanden bedraagt. Volgens het kabinet is luchtverontreiniging, na roken, de grootste veroorzaker van ziektekosten in ons land. Het Longfonds, de Hartstichting en beroepsverenigingen van longartsen, cardiologen, kinderartsen, huisartsen en longverpleegkundigen hebben op 10 september jl. een petitie aangeboden aan de Tweede Kamer waarin gevraagd wordt om ambitieuze maatregelen.

Vooral mensen met longklachten en astma hebben last van stikstofoxyden. Zo’n 1,2 miljoen Nederlanders kampen bovendien met een longziekte. Volgens het Longfonds hebben ongeveer 100.000 kinderen tot en met de leeftijd van veertien jaar astma. Bij één op de vijf kinderen met astma in Nederland is de ziekte gerelateerd aan luchtvervuiling door het verkeer. In geen enkel ander Europees land is dat aantal zo hoog. In de grote steden worden uitlaatgassen verantwoordelijk gehouden voor nog meer astmagevallen bij kinderen. Ammoniak komt ook in de lucht, maar via uitspoeling in de bodem ook in ons grond- en oppervlaktewater. Dit bedreigt op den duur ook onze drinkwatervoorziening.

Met betrekking tot de uitstoot van PFAS-stoffen (ernstig giftige, kankerverwekkende stoffen, die o.m. vrijkomen bij de productie van Tefal, waterafstotende stoffen en kunstgras, worden bronmaatregelen genomen die voorkomen dat ze nog gemaakt worden. De uitstoot wordt streng verboden en gehandhaafd, ook wat betreft de afvalstromen. Er komen onafhankelijke veilige normen voor de concentratie in bodem (ten behoeve van bodemsanering) en water (voor toepassing als drinkwater).

Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. De normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen door bedrijven in bodem, water en atmosfeer moeten veel strikter worden gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, worden vervolgd.

 

 

7.    Versterking van de publieke sector

 

We versterken en moderniseren de publieke sector. “De gedachte dat de markt collectieve diensten zou kunnen organiseren van hogere kwaliteit tegen een lagere prijs is keer op keer een misvatting gebleken. Tijd om radicaal te zijn: wat publiek is, is publiek. Daar gaan we niet concurreren maar samenwerken. Afgeschermd van het kapitalisme. Werken voor de overheid moet meer gewaardeerd worden. Klaar met het bashen van ambtenaren. Stoppen met de zelfgenoegzame onderverdeling tussen echte banen en “gecreëerde banen” omdat ze collectief gefinancierd worden. Want die mensen, de politieagent, de brandweerman, de schoonmaker, de wijkverpleegkundige zijn helden! De publieke taken moet ook weer echt publiek worden.[40]

Onze politiek leider Lodewijk Asscher pleit terecht voor meer salaris, meer collega’s en minder bureaucratie in de publieke sector. Ook in zijn boek Opstaan in het Lloyd Hotel stelt hij dat de verzelfstandiging van de publieke sector en marktwerking de kosten heeft opgejaagd en het vertrouwen in een rechtvaardige overheid heeft ondermijnt, maar ook dat dit de tweedeling in de samenleving heeft verscherpt en tegenstellingen aangewakkerd heeft.

Herman Tjeenk Willink in zijn zeer lezenswaardige ‘Groter denken, kleiner doen’ hekelt met name de ‘betonrot’ in de democratische rechtsorde en de gevolgen daarvan voor de publieke sector. ‘De democratische rechtsorde is ook een sociale rechtsorde met sociale grondrechten, die de voornaamste verantwoordelijkheden formuleren van de overheid, zoals zorg dragen voor voldoende werkgelegenheid, huisvesting, milieu, onderwijs en zorg. De overheid heeft haar taken op die terreinen echter afgestoten of verzelfstandigd zonder dat het in de politiek tot een debat is gekomen over de invulling van die grondrechten.’ Dominant werd het idee dat ‘de overheid een bedrijf is met burgers als klanten en met kosten en baten die met elkaar in evenwicht moeten zijn’. Hij vervolgt: ‘We hebben ons anker gevonden in een idee dat voor de publieke dienst niet deugt. Denken in termen van vraag en aanbod is bij publieke dienstverlening inadequaat. Ook ontbrak het besef dat de markteconomie altijd haar eigen dynamiek heeft. Die vraagt om een sterke overheid als tegenwicht, maar de overheid heeft juist stappen teruggezet.’

In zijn boek zegt Tjeenk Willink het onomwonden: ‘De BV Nederland leidt tot het failliet van de democratische rechtsorde.’ En: ‘Het marktdenken staat haaks op het politieke, omdat het gericht is op het individu en niet op de samenleving (‘het algemeen belang’); omdat het gericht is op de korte termijn en niet op de toekomst; omdat het gericht is op uniformering en niet op diversiteit; omdat het gericht is op kwantiteit en niet op kwaliteit; omdat het financieel-economisch en niet sociaal-cultureel van aard is.’ Onder invloed van ‘de nieuwe spraakmakende elite van economen en managers’ zijn politici en bestuurders steeds meer eenzelfde taal gaan spreken, en langs dezelfde lijnen gaan denken. ‘De politiek is getechnocratiseerd’, constateert hij. Geen goede zaak, want ‘er zijn altijd waarden in het spel’.

‘De oorzaak van het dichtslibbende systeem is dat het mechanisme drijft op het uitsluiten van risico’s met wantrouwen als resultaat. Voor het bedrag aan controles om risico’s uit te sluiten kun je heel wat risico lopen. En ja, dan zal het af en toe fout gaan.’ Aldus Herman Tjeenk Willink. Wantrouwen naar de professionals die hulp willen verlenen, om het risico uit te sluiten dat ze teveel geld uitgeven of niet de juiste dingen doen. “Wie nauwkeurig kijkt ziet verwaarlozing en sluipende uitholling van de democratische rechtsorde en ontwaart professionals, zoals artsen, leraren en rechters, die steeds meer het gevoel hebben dat ze worden belemmerd in de uitoefening van hun vak. Terwijl juist de kwaliteit van hun werk in belangrijke mate de geloofwaardigheid van de overheid voor de burgers bepaalt. Immers, zonder goede professionals komt van geen enkel beleid iets terecht.” Aldus Herman Tjeenk Willink in een recent artikel in Medisch Contact. Hij roept de professionals op om in actie te komen, om tegenwicht te bieden tegen alles wat het ‘primaire proces’, waaronder de vertrouwensrelatie tussen medici en hun patiënten, in de weg zit.

Ook als gevolg van dat denken zijn publieke diensten op afstand van de politiek gezet, verzelfstandigd of geprivatiseerd. Tjeenk Willink heeft net als wij nooit begrepen hoe privatisering van publieke taken, zoals in de zorg is gebeurd, én tot betere resultaten kan leiden én goedkoper kan zijn én winst kan opleveren én aanzienlijke salarisverhoging aan de top mogelijk maakt. ‘Dat blijkt dan ook niet het geval.’

Met de verzelfstandiging van publieke diensten is de politieke verantwoordelijkheid voor de dienstverlening echter niet als vanzelf verdwenen. Kijk maar naar de ophef rond de failliete ziekenhuizen. ‘Du moment dat er iets misgaat, wordt de politiek erop aangesproken. De minister kan eigenlijk niets anders doen dan zeggen dat hij er niet meer over gaat, maar dat hij zal kijken wat er aan te doen is. Gevolg is dat bij de verzelfstandigde of geprivatiseerde uitvoering zowel met bedrijfsmatige maatstaven, zoals aanbod en vraag, producten en kostentoedeling, maar ook nog wel degelijk met politieke maatstaven, zoals continuïteit en betaalbaarheid, zorgvuldigheid en onpartijdigheid, rekening moet worden gehouden. Dit verklaart de bijna ongebreidelde behoefte aan toezicht, controle en regels. De dokter, de politieagent en de onderwijzer worden in een keurslijf van normen, protocollen en modellen gedwongen. Hun professionaliteit wordt op de proef gesteld en de mogelijkheden om aandacht te besteden aan de individuele patiënt of cliënt worden beperkt.’ Tjeenk Willink vraagt zich af hoe hoog de totale kosten van alle rapportages en de daarmee verbonden controleurs en toezichthouders zijn en wat het oplevert. ‘Niemand schijnt het precies te willen weten. Een uiterst ruwe schatting komt voor de gezondheidszorg uit op miljarden; in ieder geval meer dan het dubbele van wat de totale huisartsengeneeskunde kost.’

We herstellen het vertrouwen in de professionals en stoppen met micromanagement en bureaucratische controles. Professionals krijgen ruime regel- en budgetruimte. De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, en je verdient ook goed, en bent als regel in vaste dienst. De eerder genoemde investeringen (ca. 15 miljard euro per jaar) maken dat ook mogelijk. De organisaties in een moderne publieke sector hebben een menselijke maat, zijn plat met weinig overhead en onnodige bureaucratie en liefst coöperatief georganiseerd, opereren binnen publieke kaders en toezicht.

Bij onvoldoende prestaties en/of wanbeleid gaan publieke instellingen niet dicht of failliet, maar worden ze tijdig onder toezicht geplaatst. Dat garandeert continuïteit van goede dienstverlening. De relatie tussen cliënten en professionals staat centraal bij de kwaliteit van dienstverlening en deze moeten niet in individuele consumentrelaties worden vormgegeven – we moeten het individualisme in onze samenleving bestrijden waarin burgers tot consumenten gereduceerd worden en de Staat/publieke sector tot een ‘BV Nederland’.

We draaien liberaliseringen en privatisering terug waar het algemeen belang in het geding is en/of komen daarbij met extra regulering (o.m. bij de woningmarkt, de postmarkt, de OV-bedrijven, nutsbedrijven, de banken, de zorg, re-integratie naar werk, schuldhulpverlening, het onderwijs en de kinderopvang).

Zorg, onderwijs en kinderopvang zijn een recht, geen voorziening. Dat recht moet afdwingbaar zijn. De keuzevrijheid in collectieve arrangementen moet eerder beperkt dan uitgebreid worden, omdat hierbij veel misgaat, juist bij de meest kwetsbare mensen.

En we moeten een eind maken aan de keuzejungle en prestatiestress waar teveel burgers in verdwalen. Zo slaagt bijvoorbeeld de helft van bevolking er volgens de WRR niet in om regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. De zelfredzame burger die soepeltjes door bureaucratische hoepels springt en volledig op de hoogte is van alle regels is volgens de WRR eerder uitzondering dan regel. Ondertussen lijkt de samenleving zich steeds meer op de bekwame homo economicus in te stellen. Jezelf bijscholen, opdrachten binnenhengelen en constant je netwerk onderhouden zijn de vereisten van de flexibele arbeidsmarkt. Thuis moeten zorgverzekeringen, energieleveranciers en hypotheekverstrekkers met elkaar vergeleken worden. Leerlingen moeten steeds vroeger keuzes maken, die steeds moeilijker te herstellen zijn en soms grote financiële gevolgen hebben. En wie een schrale oude dag wil voorkomen, moet tijdig nadenken over zijn pensioen.[41] De WRR haalt in dit verband de Duitse socioloog Hartmut Rosa aan, die stelt dat er sprake is van ‘sociale versnelling’, waarbij de toekomst zich steeds meer aan het heden opdringt. Wie nu niet handelt, betaalt daarvoor later de prijs. Het gevolg is ‘keuzestress’ die nog eens wordt versterkt door de wetenschap dat een misstap je duur kan komen te staan.[42]

Daarbij maken we een einde aan de individualisering van kosten van publieke dienstverlening, in de zorg, in het onderwijs en in de kinderopvang. Individualisering ondermijnt de solidariteit en holt een rechtvaardige kostenverdeling uit. We gaan publieke zorg, onderwijs en kinderopvang net als de veiligheid volledig uit de belastingopbrengsten financieren. Alleen voor het hoger onderwijs maken we gelet op de ongelijke deelname daarvoor een aparte collectieve heffing (zie hierna).

Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen. De nadruk op eigen verantwoordelijkheid van de burger leidt ook tot het aansprakelijk stellen van de burger als die een fout maakt. Er is een bijna maniakale nadruk op rechtmatigheid bij de overheid.

Maar calculerend gedrag op dat terrein is niet altijd wenselijk vanuit het publieke, algemeen belang. Het stimuleren van individueel kostenbewustzijn heeft een neveneffect. De burger wordt gereduceerd tot een consument. Een consument die vooral zijn eigen belang moet behartigen. Deze mentaliteit is inmiddels dieper in onze samenleving geworteld dan goed voor ons is. Steeds agressievere ‘zorgconsumenten’ bij zorgaanbieders en dito ouders bij de scholen van hun kinderen. Zij is ook zichtbaar bij bestuurders van (semi)publieke instellingen die de geleidelijke aanpassing van hun salaris aan de Balkenende-norm aanvechten bij de rechter onder de titel dat zij ‘ook rechten’ hebben.

 

7.1.                      Een geheel nieuw zorgstelsel

 

7.1.1.      De kosten in de zorg moeten vooral anders verdeeld worden: schrap eigen risico, eigen bijdragen en huidige zorgpremies en vervang deze door financiering uit belastingen

 

Het zorgstelsel wordt ook in de media voornamelijk beoordeeld op het rechtse criterium van beheersing van de collectieve kosten. Deze focus is rechts, aangezien nooit meegewogen wordt in hoeverre collectieve kostenbeheersing tot individuele kostenstijging leidt. Als we van alles uit het verzekerde pakket gooien, is rechts trots op kostenbeheersing. Links zou daartegen in moeten brengen dat dit leidt tot tweedeling in de zorg, omdat zorgbehoevende mensen deze onverzekerde ingrepen voortaan zelf moeten bekostigen. De toegankelijkheid en kwaliteit van en het werken in de zorg blijven te vaak onbesproken.

In 2018 ageerde Wouter Bos in de Volkskrant[43] tegen het niet maken van keuzes in de zorg, bij steeds oplopende kosten. Hij pleit ervoor om burgers duidelijk te maken dat niet alles meer kan. In plaats van de oorzaken van verkwisting in de zorguitgaven aan te pakken suggereert hij verdere beperking van zorgaanspraken voor patiënten. Dit tegen de achtergrond van zijn bewering dat de zorgkosten sneller stijgen dan ons nationaal inkomen – wat we met elkaar verdienen in dit land (het bbp). Maar dat is niet waar, in werkelijkheid stijgt ons bbp al zes jaar op rij sneller dan onze zorguitgaven.[44] Ook in 2018 bleef de groei van de zorgkosten achter bij de groei van onze economie. Conclusie: de groei van de zorguitgaven is prima financierbaar en helemaal niet onhoudbaar, zoals Bos stelt. Gezien het belang dat mensen hechten aan goede gezondheidszorg is dat percentage eigenlijk een koopje. De voorspelling van het Centraal Planbureau (CPB) dat de zorgkosten de komende 25 jaar verder zullen stijgen, hangt nauw samen met de verwachting dat we in die 25 jaar ook rijker worden, en wie rijker wordt hecht aan betere – en dus duurdere – zorg. Die rijkdom schept echter ook ruimte om meer zorg te betalen.

Meer zorgkosten is ook helemaal niet slecht voor de economie, zoals neoklassieke economen stellen. Het CPB erkent dat inmiddels ook met een aanpassing van hun modellen. Mirjam de Rijk betoogde eerder terecht[45]: Zorg is net als andere sectoren ook een ‘motor van de economie’: er wordt geproduceerd, er worden behoeften bevredigd en er verdienen 1,3 miljoen mensen hun geld mee, dat ze vervolgens weer uitgeven aan de bakker, de aannemer of een nieuwe auto.

Voor Nederland als geheel zijn de zorgkosten dus beslist niet onbetaalbaar, gezien het overzichtelijke percentage van het nationaal inkomen dat ze beslaan en de mogelijkheden om extra inkomsten uit kapitaalbelasting te halen. Maar voor sommige mensen zijn ze dat wel, en dat heeft alles te maken met de verdeling van de kosten. Het argument dat ‘een gemiddeld gezin nu al meer dan een vijfde van het inkomen kwijt is aan zorg’ wordt vaak gebruikt om bezuinigingen te bepleiten. Het zou echter vooral een reden moeten zijn om de zorgkosten anders te verdelen.

Nu de modellen bij het CPB zijn aangepast maakt het ook daarin weinig meer uit of de zorgkosten collectief of individueel worden opgebracht. Dat is een hard gelag voor wie de afgelopen jaren met de CPB-rapporten in de hand pleitte voor het individualiseren van de zorgkosten. Wie vindt dat kosten voor ziekte en hulpbehoevendheid een eigen verantwoordelijkheid zijn, of misschien zelfs eigen schuld (‘dan had je je er maar beter tegen moeten verzekeren’), of dat zorg een ‘consumptiegoed’ is waarbij het inkomen nu eenmaal bepaalt hoeveel je ervan kunt consumeren, zal kiezen voor het individualiseren van de zorgkosten. Het is een politieke keuze, geen wetenschappelijke of economische keuze.

Onze PvdA moet in haar verkiezingsprogramma duidelijk maken dat stijgende individuele zorgkosten een politieke, ideologische keuze is. En dat wij staan voor een links, solidair alternatief, met solidariteit tussen arm en rijk en tussen ziek en gezond. Dat de zorgkosten collectief prima financierbaar zijn – ook als je fors daarin extra investeert, als je bereidt bent het geld daarvoor te halen waar het zit, en tegelijkertijd de zorg veel efficiënter en effectiever organiseert.

De afgelopen jaren is de ongelijkheid in toegang tot gezondheidszorg onmiskenbaar toegenomen. Dat heeft te maken met dat de kosten steeds meer, inkomensonafhankelijk, geïndividualiseerd worden (hogere nominale premies, het hoge eigen risico, hogere eigen bijdragen, een te beperkt verzekerd pakket), met het feit dat tweederde van de zorgkosten via premies op arbeidsinkomen drukken maar kapitaalinkomen – in het land met op de VS na de grootste vermogensongelijkheid ter wereld – buiten beschouwing houden, en met het feit dat een deel van de zorg niet meer publiek wordt aangeboden, door bijvoorbeeld de sluiting van verzorgings- en verpleegtehuizen.

Ook de marktwerking in de zorg vergroot de ongelijkheid. Een systeem dat gebaseerd is op individueel slim keuzes maken – voor polissen, voor zorgaanbieders, eventueel voor een hoger eigen risico – beloont de slimste kiezers, de hoger opgeleiden. De al bestaande enorme inkomens- en vermogensongelijkheid in ons land wordt door het zorgstelsel zo nog verder versterkt, hetgeen we onder meer tot uiting zien komen in sterk afwijkende gemiddelde levensverwachtingen, vooral als we kijken naar de levensverwachting in goede gezondheid, tussen laag en hoogopgeleid.

Nu ‘bezuinigen’ we door kosten te individualiseren: premiestijging, eigen risico, eigen bijdragen, onderbrengen van delen van noodzakelijke zorg naar de aanvullende verzekering (fysiotherapie, tandartszorg), afschuiven zorgverlening op mantelzorgers (zelfredzaamheid/eigen kracht). Dat is geen bezuiniging, geen betere kostenefficiëntie, maar lastenverschuiving van overheid naar de burger, en m.n. naar de burger die (veel of erg) ziek is. Dit laatste leidt ook tot schijnbare belangentegenstelling tussen patiënt en weinig zieke premiebetaler (‘zorgconsument’). En is de bijl aan solidariteit tussen ziek en gezond.

Hoewel de kosten vanuit het collectief bezien beheerst worden, kunnen ze op individueel niveau enorm stijgen. De kosten van dergelijke hulp zijn immers voor de eigen portemonnee. Veel mensen kunnen dit niet betalen en zullen daarom van hulp afzien. Het drukt met andere woorden de kosten van verzekeraars en premiebetalers, niet die van patiënten. Het individualiseren van de kosten betekent dat de kosten nog steeds worden gemaakt, maar zieken betalen ze nu zelf.

Het gaat dan in de eerste plaats over het verhogen van het eigen risico.[46] De redenering achter het eigen risico wisselt: soms is de argumentatie dat het een rem zet op het zorggebruik, soms dat het de basispremie laag houdt doordat zieken een deel van hun kosten zelf betalen. De eerste redenering is opmerkelijk omdat het bij het eigen risico om zorg gaat waar een verwijzing van de huisarts voor nodig is. Blijkbaar vindt de huisarts doorverwijzing noodzakelijk, maar het eigen risico moet er vervolgens voor zorgen dat dit advies van de huisarts niet wordt opgevolgd. De tweede redenering is ook opmerkelijk, omdat ziekte daarin klaarblijkelijk wordt gezien als eigen schuld of eigen verantwoordelijkheid: het is kennelijk beter om de kosten door zieken te laten betalen en niet door alle premiebetalers gezamenlijk.

Als mensen minder zorg krijgen dan nodig heet dat in beleidsjargon zorgmijding. Een term die suggereert dat het aan de patiënt of hulpbehoevende ligt dat hij of zij de zorg niet tot zich neemt. ‘Zorgmijder’ doet denken aan junks en daklozen, aan verwarden die niet door hebben dat ze hulp nodig hebben, aan zorgbehoevenden die zich opsluiten achter de geraniums terwijl de hulpverleners in groten getale op de stoep staan. Of aan doktersangst of over-optimisme. Zorgmijding bestaat, maar voor mensen waar geen zorg voor is of die de benodigde zorg niet kunnen betalen, is zorgtekort of geldtekort misschien een adequatere term. In de praktijk leidt zorgmijding, omdat patiënten daardoor te laat goede zorg krijgen, op termijn tot hogere zorgkosten. Nu het eigen risico twee jaar bevroren is, zien we dat de kosten daarvan eenvoudig afgewenteld worden met een hogere premie.

Het eigen risico verleidt mensen ook tot gokken: met een vrijwillig hoger risico kun je forse premieverlaging realiseren, tot 300 euro per jaar. Tussen verzekeraars bestaan hierover grote verschillen. Steeds meer mensen kunnen die verleiding niet weerstaan: in 2012 koos 6,9% voor een vrijwillig hoger eigen risico, nu is dat al 12,3%. Van de groep verzekerden die kiest voor verhoging van het eigen risico, maakt ruim 72 procent de keuze voor het maximumbedrag: een vrijwillige verhoging van 500 euro. Dat komt neer op 8,9 procent van alle zorgverzekerden. Als er echter dan plotseling hoge zorgkosten ontstaan, en er is onvoldoende inkomen, dan zijn er in toenemende mate schulden, die nog eens verzwaard worden door verhoging van premie met 25% (!) bij meer dan zes maanden achterstallige premie plus invorderingskosten.

Ook de eigen bijdragen bij gemeenten gingen omhoog: het bedrag dat mensen moeten bijbetalen voor hulp en begeleiding thuis of als ze in een tehuis terechtkomen. Gemeenten, bepalen zelf hoe hoog die (meestal inkomensafhankelijke) eigen bijdragen zijn. Zo steeg de eigen bijdrage voor dagbesteding van mensen die een hersenbloeding hebben gehad (in jargon ‘niet aangeboren hersenletsel’) in sommige gemeenten naar 750 euro per maand. In de ene gemeente krijg je de aanleg van een traplift vergoed, in de andere niet, in de ene gemeente is er veel hulp beschikbaar om als verstandelijk beperkte toch zelfstandig te kunnen wonen, in de andere vrijwel niets. Deze verschillen zijn voor het overgrote deel niet terug te voeren op verschillende behoeften van gebruikers, maar op financiële keuzes van gemeenten. Er kwamen bij de Nationale Ombudsman meer dan 900 klachten in een jaar tijd binnen over de eigen bijdragen, naast veel andere klachten over de zorg. Het is de vraag of dit niet een keer zal sneuvelen bij het Europese comité voor sociale grondrechten. En terecht, want grondrechten zijn er niet voor niets!

Tot 2014 waren er verschillende tegemoetkomingen voor chronisch zieken en gehandicapten, vanuit de redenering dat zij anders oneerlijk veel geld aan zorg kwijt zijn. Die landelijke regelingen zijn met ingang van 2015 afgeschaft, en in plaats daarvan kregen gemeenten een – veel kleiner – bedrag om aan tegemoetkomingen te besteden. Per saldo leverde dit het rijk een bezuiniging op van 580 miljoen. De meeste gemeenten hebben zelf hiervoor geen regeling gemaakt – onlangs wees een rechter erop dat dit juridisch niet zo maar kan.

In februari 2016 publiceerde het blad Binnenlands Bestuur een onderzoek waaruit bleek dat ruim een kwart van alle hulpbehoevenden afziet van gemeentelijke zorg of ondersteuning vanwege de gestegen hogere eigen bijdragen.

Sinds de afschaffing van het ziekenfonds in 2006 betaalt verder iedereen dezelfde nominale premie voor een verplichte particuliere verzekering. In het begin zorgde de zorgtoeslag ervoor dat die premie voor de basisverzekering voor de lagere en middeninkomens inkomensafhankelijk werd gecompenseerd. Maar de zorgtoeslag is de afgelopen jaren flink uitgekleed.[47] Daardoor compenseert die toeslag voor de groep die nog voor zorgtoeslag in aanmerking komt gemiddeld slechts 39% van de nominale zorgpremie.

Al met al zijn mensen met een laag of middeninkomen een veel groter percentage van hun inkomen kwijt aan zorgkosten dan wie meer verdient. Om een voorbeeld te geven: een stel met een gezamenlijk bruto-inkomen van 34.000 euro (netto zo’n 2500 per maand) is maandelijks 260 euro aan inkomensonafhankelijke zorgpremie kwijt (basis- en aanvullende verzekering) en heeft geen recht op zorgtoeslag. Nog afgezien van het eigen risico dat kan oplopen tot 65 euro per maand en eigen bijdragen voor bijvoorbeeld tandarts, medicijnen of gemeentelijke zorg. Veel mensen kunnen de zorgpremie niet of slechts met veel moeite betalen. De zorgverzekeraars hebben te maken met ruim 300.000 wanbetalers: mensen die al meer dan een half jaar geen premies hebben betaald. Het leed voor de verzekeraars is overigens te overzien, want er is wettelijk geregeld dat in zo’n geval de werkgever of uitkeringsinstantie verplicht is om de achterstallige premie (mét opslag) in te houden op het loon of de uitkering.

Een vrij onbekende maar substantiële denivellering van de zorgkosten zat in de staart van de hervorming van de langdurige zorg. Het grootste deel van de langdurige zorg die vroeger werd gefinancierd via de AWBZ, de algemene wet bijzondere ziektekosten, valt sinds 2015 namelijk onder de zorgverzekeraars (via de Wet Langdurige Zorg, WLZ). Het verschil? De AWBZ werd betaald via een inkomensafhankelijke premie, terwijl de kosten van de zorgverzekeraars voor bijna de helft opgebracht worden door de inkomensonafhankelijke (nominale) premie die voor iedereen gelijk is. De jaarlijkse zorgpremie neemt daardoor toe. Niet in één klap maar in stappen, want de overheid verzacht de kosten de eerste paar jaar nog een beetje. En dat gebeurt nu nog extra, omdat de bevriezing van het eigen risico gefinancierd moet worden uit de nominale premie.

Het andere tweederde deel van de zorgkosten wordt nog wél inkomensafhankelijk gefinancierd: via de fiscus met de inkomensafhankelijke premie voor de WLZ, via het deel dat werkgevers meebetalen aan de zorgverzekeraars (ZVW) en via de inkomensafhankelijke eigen bijdragen voor langdurige zorg en ondersteuning.

Mensen die hetzelfde inkomen op een andere manier binnenkrijgen, zoals AOW’ers of ZZP’ers, betalen daarbovenop de (belasting-) bijdrage aan de ZVW. Voor 2015 kwam dat neer op ruim 940 euro per jaar. Deze groepen zijn ruim 85 euro per maand kwijt en met eigen risico maximaal 109 euro. Dit verschil staat wel erg ver af van de oorspronkelijke gedachte: een basisverzekering voor iedereen, onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde prijs.

De meest omvangrijke manier waarop de zorgkosten zijn geïndividualiseerd is helaas niet in kaart te brengen. Het gaat dan om alle mensen die zelf hun zorg organiseren en betalen vanwege de hogere eigen bijdragen of omdat de betreffende zorg überhaupt niet meer wordt vergoed. Die kosten worden nergens geregistreerd en zijn dus onbekend. Door de veranderingen in de langdurige zorg hebben alleen de ‘allerzwaarste’ hulpbehoevenden nog recht op een plek in een tehuis. Wie het kan betalen koopt daardoor veel zorg zelf in, en soms zelfs een complete plek in een (te)huis. Alleen wie 24 uur per dag zorg nodig heeft, heeft tegenwoordig nog recht op een plaats in een tehuis of andere verblijfsinstelling. Wie al in een tehuis zat, mag daar blijven. Maar de komende jaren sterft deze populatie langzaam uit en worden nog veel meer tehuizen gesloten. Het bezuinigde bedrag loopt daardoor nog op.

Door de zorg niet meer via premies maar uit de algemene belastingen te financieren, worden inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdragen ook overbodig: de zorg wordt dan immers al betaald naar inkomen en vermogen. Het heffen van inkomensafhankelijke eigen bijdragen lijkt eerlijk, maar heeft als nadeel dat hoge inkomens gaan winkelen buiten het publieke bestel, waardoor het draagvlak voor de publieke zorg vermindert. Ook zijn er vermogenden die hun geld voortijdig wegsluizen naar hun kinderen, om daarmee de eigen bijdragen van bijvoorbeeld verpleeghuizen te ontlopen. ABN Amro heeft er zelfs een aparte pagina voor op haar website: ‘Kan ik door een schenking voorkomen dat ik een hogere WLZ-bijdrage moet betalen?’ De eigen bijdragen vergen bovendien een enorme bureaucratische rompslomp. Het is allemaal te vermijden door de zorg via de algemene belastingen te bekostigen. Omdat nog een belangrijk deel van de zorgpremie inkomensafhankelijk via de werkgever loopt, dragen mensen die niet in loondienst zijn, zoals renteniers, niet via die route mee. Het huidige systeem maakt arbeid duurder en vergroot de ongelijkheid tussen rijk en arm.

We moeten radicaal stoppen met de individualisering van de kosten voor publieke zorgverlening – die blijft gereserveerd voor zorg die we niet publiek vergoeden omdat ze niet nodig en/of nuttig is. Dus we schrappen eigen risico, eigen bijdragen en aparte zorgpremies hier volledig. Het CAK kan daarmee worden opgeheven.

Welke zorg nuttig en/of nodig is, blijft een zaak van politieke besluitvorming, op basis van deskundig advies. Linkse politiek bepleit daarbij een zo breed mogelijk pakket. Mond/tandartszorg en paramedische behandelingen horen daarbij, evenals preventieve behandelingen en anticonceptie.

 

7.1.2.      De positie van de zorgverzekeraars

 

Toen de Zorgverzekeringswet (ZVW) in 2006 werd ingevoerd werd gesteld dat de behoeften en wensen van de gebruikers van het systeem — de patiënten — centraal zouden staan. Als surrogaat voor deze rol van patiënten is de zorgverzekeraar naar voren schoven. In theorie misschien een aardige gedachte, in de praktijk blijkt dit toch echt anders uit te pakken en leidt het tot de paradoxale situatie dat de patiënt de verzekeraar — nota bene zijn vertegenwoordiger in het stelsel — nauwelijks meer vertrouwt.

Verzekeraars hebben te maken met twee groepen mensen die eigenlijk volstrekt tegengestelde belangen hebben: aan de ene kant patiënten die tegen elke prijs zo goed mogelijk willen worden behandeld, en aan de andere kant de veel grotere groep gezonde premiebetalers die zo min mogelijk premie af willen dragen. In feite vormen de zorgverzekeraars dus de hefboom bij de solidariteit die tussen gezonde premiebetalers en patiënten zou moeten bestaan. Met gefixeerde budgetten hebben zorgverzekeraars moeite die balans goed te vinden en is het zelfs de vraag of zij dit ooit naar behoren kunnen doen. Hun doorgaans commerciële karakter als onderdeel van de financiële industrie voedt begrijpelijkerwijs en vaak terecht het wantrouwen.

Professionals en patiënten kunnen helemaal niets tegen de verzekeraars inbrengen. Patiënten zijn sowieso de grote afwezigen in veel verhalen over de zegeningen van marktwerking. Er wordt vaak uitsluitend over consumenten gesproken en daarmee doelt men op alle verzekerden: gezonde mensen, die we hierna de premiebetalers zullen noemen, én de patiënten, die beroep moeten doen op zorg die door kostenbesparingen plotseling buiten het basispakket valt.

De terminologie van consumenten verhult een verschil in belangen; in een sociaal systeem overbrugt solidariteit deze belangen, maar in een context van marktwerking wordt dit een belangenconflict. De premiebetaler wil een kleiner pakket als dit een lagere premie impliceert, de patiënt heeft zorg nodig en dus een ruimer pakket.

Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) signaleert dit verschil niet, aangezien zij stelt dat de inkoopmacht van de verzekeraars nuttig is ‘zolang de gevolgen ten goede komen aan de consument’. Bedoelt de NZa hier de premiebetaler of de patiënt? Vermoedelijk de eerste; maar door het onderscheid niet te maken raken de mensen die zorg nodig hebben buiten beeld. Het lijkt erop dat het hele stelsel voor de premiebetaler is ingericht, waarbij de patiënt op zijn best een stoorzender is in een anders zo soepel lopend systeem.

Sinds 2006 kunnen burgers vrij kiezen tussen zorgverzekeraars, die vaak meerdere polissen aanbieden en hen niet mogen weigeren voor de basispolis. In de praktijk maken weinig mensen er gebruik van. In 2016 stapte slechts 7 procent over naar een andere zorgverzekeraar en bijna driekwart van de totale bevolking deed dat sinds 2006 helemaal niet.

Zorgongelijkheid wordt sinds de keuze voor marktwerking ook anders beoordeeld. In het oude systeem kreeg de één (de particulier verzekerde) natuurlijk ook meer de benodigde zorg dan de ander (de ziekenfondsverzekerde), maar het algemene idee was dat dat niet deugde. Nu is het je eigen schuld, want het gevolg van je eigen keuzes: je bent bijvoorbeeld zelf zo dom geweest om een budgetpolis af te sluiten, of geen aanvullende verzekering te nemen of juist een hoog eigen risico.

Ongeveer 70 procent van de bevolking heeft een collectieve zorgpolis. Dat betekent dat van de circa 1,1 miljoen Nederlanders die dit jaar van verzekeraar wisselden, de meeste die keus niet zelf maakten, uit overtuiging. Zij volgden gewoon hun werkgever, die in de meeste gevallen vooral wil dat de polis goedkoop is. Er is nul transparantie, behalve over de prijs van polissen. Wat het verschil in kwaliteit is tussen verschillende polissen — geen burger heeft een idee. Ze kunnen kiezen uit honderden zwarte dozen. Niettemin wordt er veel geld besteed aan reclame en acquisitie (vergoedingen aan tussenpersonen en intermediairs): zo’n 36 plus 217, dus in totaal 253 miljoen euro per jaar. De agressiefste verzekeraars zijn de grote vier: Zilveren Kruis Achmea, CZ, VGZ en Menzis.

Bij de vormgeving van de ZVW is uitgebreid aandacht besteed aan de risico’s die een grotere rol voor zorgverzekeraars met zich mee zou kunnen brengen. Er werd vooral gevreesd voor risicoselectie en concurrentie op prijs in plaats van op kwaliteit. Om deze zorgen te ondervangen kwam er een acceptatieplicht voor zorgverzekeraars en een verbod op premiedifferentiatie: iedereen moet als verzekerde worden geaccepteerd en iedereen moet een gelijke polis met dezelfde premie krijgen.

Formeel houden alle verzekeraars zich aan de wet maar in de praktijk blijken sommige de doelstelling van de wet te omzeilen. Zo hoeft er maar één onderdeel te verschillen en er is al geen sprake meer van ‘dezelfde’ polis. Dat biedt talloze mogelijkheden om op basis van gezondheidsrisico’s obstakels op te werpen. Soms worden potentiële klanten subtiel afgeschrikt. Nadat ze hun geboortedatum hebben ingetypt, krijgen ouderen bijvoorbeeld het bericht dat zij zich alleen schriftelijk en niet via de website kunnen aanmelden. Wel een belemmering, maar inderdaad geen weigering.

Omgekeerd wordt ook geadverteerd voor polissen voor een specifieke doelgroep — zoals hoogopgeleiden. Formeel geen polis op basis van gezondheidskenmerken (dat is verboden), maar feitelijk wel: statistisch gezien is deze groep gezonder. Verzekeraars kunnen aan iedereen die tot een bepaalde groep behoort, kortingen aanbieden. Bijv. voor hoogopgeleiden, voor studenten of voor ‘young professionals’, die gemiddeld lagere risico’s kennen. Premiedifferentiatie, hoewel wettelijk verboden, vindt op grote schaal plaats.

De wijze waarop de zorgverzekeraars de kosten proberen te beteugelen leidt tot aantasting van het fundament van onze zorgverzekering: onderlinge solidariteit. De spotjes en advertenties waarmee de verzekeraars ieder jaar in november en december nieuwe klanten proberen te trekken, roepen ons op om vooral kritisch te kiezen: ‘Betaal alleen voor wat je nodig hebt.’ Verzekeringen waren ooit bedoeld om risico’s te spreiden: ik betaal nu mee aan jouw fysiotherapie en later betaal jij voor wat ik nodig heb. Die solidariteitsgedachte is in het huidige stelsel ver te zoeken. Wanneer wij mensen bewust blijven stimuleren om toch vooral hun eigen belangen te behartigen, zal die egoïstische mentaliteit nog verder doordringen tot de haarvaten van onze samenleving.

Van machtsevenwicht door marktwerking is totaal geen sprake. Verzekeraars zijn oppermachtig, terwijl de NZa en de minister ook nog een behoorlijke vinger in de pap hebben. Alle drie gebruiken de premiebetaler als mascotte — ‘wat wij doen is goed voor de mensen, want lekker goedkoop’ — om de zorgverleners, zorginstellingen en patiënten voor het blok te zetten en de mond te snoeren. De premiebetaler (‘consument’) als woordvoerder voor de gezonde mensen ontneemt patiënten de legitimiteit en ruimte om hun stem te verheffen.

Ook is er geen evenwicht in de relatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. In de zorg klagen driekwart van de zorgverleners dat zorgverzekeraars hun belemmeren in het geven van goede zorg. Als ze de zorgverzekeraar niet tegemoetkomen, krijgen ze minder betaald, kunnen ze een boete krijgen of verliezen ze hun contract. Zorgaanbieders klagen dat zij sinds 2014 te maken hebben met fikse kortingen waarbij zij de keuze hebben om geen contract af te sluiten, met alle risico’s van dien, of te ‘tekenen bij het kruisje’. Op deze manier worden de kosten beheerst door zorgaanbieders te dwingen onder de kostprijs te werken. Buiten de patiënt om hebben zorgverzekeraars afspraken gemaakt over een maximumaantal behandelingen per zorgverlener.

De felste kritiek op de zorgverzekeraars komt van kleine zorgverleners als de paramedici (logopedisten, fysiotherapeuten, diëtisten, oefentherapeuten, etc.) en psychotherapeuten — ZZP’ers of in dienst van kleine zorginstellingen. Volgens hen hebben de verzekeraars te veel macht gekregen en misbruiken ze die bij de zorginkoop. Een van de belangrijkste oorzaken daarvan is dat vier zorgverzekeraars zo’n 90 procent van de markt in handen hebben, na vele fusies en overnames in de afgelopen twee decennia. In bijna elke regio hebben één of twee verzekeraars materieel een monopolie. Dat resulteert volgens de NZa, die er onderzoek naar deed, in standaardcontracten voor kleine zorgaanbieders, waarbij niet of amper over de prijs te onderhandelen valt. Ze willen zich organiseren om meer marktmacht tegenover de verzekeraar te kunnen stellen, maar dat wordt hen met steun van de ACM onmogelijk gemaakt.

Er zitten nogal wat tegenstrijdigheden in het huidige zorgbouwwerk. Het systeem gaat er vanuit dat je als financier (de verzekeraars) pas goed onderhandelt met zorgverleners als je de concurrentie van andere verzekeraars in je nek voelt. Maar het effect daarvan is dat verzekeraars soms zorgverleners dusdanig het vel over de neus halen dat zorgbehoevenden en zorgpersoneel het gelag betalen. Het zorgbouwwerk gaat er ook vanuit dat je als zorgverlener pas echt je best doet als je met andere zorgaanbieders concurreert om de gunst van de klant, maar in de praktijk moeten zorgverleners vooral de verzekeraars te vriend houden, soms ten koste van zorgbehoevenden.

Het wantrouwen van patiënten en zorgprofessionals tegenover zorgverzekeraars is nog eens extra gevoed door pogingen de privacy van patiënten en het medisch beroepsgeheim te schenden.

En dan is er nog de feitelijke constatering dat marktwerking de kosten in de zorg op verschillende manieren opdrijft. Verzekeraars en zorginstellingen moeten grote financiële buffers aanleggen, omdat hun nering – in ieder geval in theorie – ieder moment naar de concurrent kan vertrekken (de hoogte van de verplichte financiële buffer van een ziekenhuis neemt zelfs toe naarmate er in de buurt meer private klinieken zijn).[48] Marktwerking veroorzaakt dus dat zorgverzekeraars aan solvabiliteitseisen moeten voldoen en er daardoor ruim 11 miljard euro aan reserves nutteloos op de plank ligt. Verzekeraars besteden jaarlijks ruim 250 miljoen aan reclame en marketing en dat gaat in de toekomst misschien ook gelden voor zorgverleners.

Verzekeraars geven aan dat de winsten die zij maken noodzakelijk zijn om die buffers op te bouwen, maar hun reserves liggen inmiddels op een niveau dat circa tweemaal hoger ligt dan de eisen van De Nederlandsche Bank. In de periode 2011-2015 hebben de zorgverzekeraars 5 miljard euro winst gemaakt.[49] Dat zorgverzekeraars claimen verlies te draaien komt omdat zij eerst te hoge marges afromen voor o.m. deze reserveringen. Partijgenoot Marcel Levi, CEO van de University College London Hospitals en daarvoor bestuursvoorzitter van het AMC, is in zijn column in Medisch Contact glashelder: zorgverzekeraars maken helemaal geen verlies maar creëren alleen maar ‘een cosmetisch negatief resultaat omdat ze elk jaar een enorme voorziening nemen op een mogelijk verlies in het volgende jaar (wat er telkens niet is)’. Voor alle zorgverzekeraars tezamen zouden die voorzieningen optellen tot een bedrag van ruim 1,5 miljard euro per jaar. Daar kun je veel nuttige dingen mee doen. Levi baseert zich op de inzichten van Frida van den Maagdenberg, lid van de raad van bestuur van het AMC, waar ze onder meer belast is met financiën en bedrijfsvoering.[50]

Zorgverzekeraars zijn slechts mondjesmaat bereid tot het verstrekken van voorschotten of gebruiken dit zelfs als breekijzer in onderhandelingen met ziekenhuizen. Het geld dat ziekenhuizen en andere zorginstellingen in de tussentijd nodig hebben, lenen ze in de regel bij de bank. En omdat we zo nodig in een marktstelsel moeten opereren komen daar tegenwoordig de volledige financieringskosten van huisvesting, verbouwing en investering ook nog eens bij. Voor een gemiddeld ziekenhuis lopen de rentelasten dan al snel op tot enkele miljoenen euro’s per jaar. Doordat de overheid zich daarnaast steeds verder terugtrekt worden de eisen qua solvabiliteit en financieringsratio’s voor instellingen steeds hoger. In de afgelopen tien jaar is de solvabiliteit toegenomen van gemiddeld 8% tot 20%. Daarmee hebben de gezamenlijke zorginstellingen een kleine € 12 miljard op de bank staan dat niets staat te doen in tijden van krapte en bezuinigingen.

Een volgend punt is dat marktwerking in de zorg investeringen in preventie niet stimuleert, maar juist tegenwerkt. De uitgaven voor preventie zijn niet mee gestegen met de kosten in de zorg en dalen zelfs sinds kort. Verzekeraars hebben nu eenmaal geen belang bij preventie-activiteiten, omdat de baten bij anderen terechtkomen. Paul van Rooij, tot voor kort directeur van GGZ Nederland en inmiddels directeur van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), kijkt met bewondering en enige jaloezie naar Engeland, waar in de geestelijke gezondheidszorg alles is gericht op de zogeheten ‘vroegsignalering’ en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn. Die aanpak heeft volgens hem zeker met de NHS te maken, de National Health Service, waardoor al het zorggeld uit één pot komt en er in de hele ‘keten’ vanuit dezelfde ideeën wordt samengewerkt.

 

7.1.3.      Mislukte decentralisatie

 

Care (vroeger gewoon welzijn) is het arme neefje van de cure (vroeger gewoon zorg), heeft een lagere status. Terwijl de maatschappij schreeuwt om meer sociale zorg. Linkse politiek zou juist het welzijnswerk en daaraan gerelateerde zorg weer in ere moeten herstellen, de bezuinigingen terugdraaien en juist weer daarin moeten investeren. De uitgevoerde bezuinigingen op de care treffen in de praktijk met name de lage en middeninkomens. Dat komt in de eerste plaats doordat vooral zij gebruik maakten van de zorg die tot 1 januari 2015 uit de AWBZ werd bekostigd. De hogere inkomens kozen minder vaak voor AWBZ-zorg omdat de inkomensafhankelijke eigen bijdrage het voor hen vaak goedkoper maakte om de zorg zelf in te kopen.

Gemeenten en zorgaanbieders zijn na de decentralisatie in 2015 voorts verstrikt geraakt in een woud van contractverhoudingen. De focus ligt niet op zorg, maar op kostenbeheersing en het voorkomen van fouten via contracten en protocollen. Gesprekken tussen zorg- en gemeentebestuurders lopen in toenemende mate via accountants. Een bizarre, perverse ontwikkeling. Bovendien leiden al die regels nergens toe, ze leiden tot financiële schijnzekerheid. Zorginstellingen hebben nu te maken met de tucht van de markt: elk jaar opnieuw moeten ze met elkaar de concurrentiestrijd aangaan om een contract te krijgen met de gemeente. Ze werken met minimale winstmarges en zijn vooral bezig met overleven. Tegelijkertijd moeten ze voldoen aan de bureaucratie van de overheid, die probeert grip te houden op de zorguitgaven. De situatie sinds de transitie is het slechtste van twee werelden: Marktwerking zonder vrijheid van de markt; en bureaucratie zonder de zekerheid van een overheid.

De decentralisatie ging gepaard met een neoliberaal verhaal over een participatiesamenleving, als alternatief voor de verzorgingsstaat. Rechten en vangnetten verdwenen, en tegelijkertijd zijn er meer plichten. Daarbij wordt een groter beroep op de zelfredzaamheid van burgers gedaan. Cruciaal daarbij is dat de gemeentelijke zorg, anders dan de vroegere AWBZ-zorg, geen recht van de burger meer is maar een ‘voorziening’. Dat betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen welke zorg ze leveren en voor wie, het budget is voortaan ‘taakstellend’.

En hoe werkt dat uit als de overheid tegelijkertijd propageert dat bij een zorgvraag eerst wordt gekeken wat de betrokkene zelf en zijn netwerk (familie, buren, vrienden) nog kunnen en dat de professionele hulp de gaten vult?  De overheid kan niet het ene moment oproepen om vooral het eigen belang na te streven en het volgende moment oproepen om je toch vooral om je naasten te bekommeren. Het is of het een of het ander. Wat ons betreft zet de overheid in op het laatste. Dat betekent dat de geest van het kortzichtige eigenbelang terug in de fles moet. Van zelfredzaamheid dus naar samenredzaamheid. Emancipatorische concepten als eigen kracht zijn volstrekt ontspoord in neoliberale concepten van eigen verantwoordelijkheid en een plicht tot mantelzorg van familie, buren en vrienden.

De werkelijkheid is dat veel zorgvragers mensen om zich heen hebben die graag dingen voor ze doen. Maar dan moet de overheid wel daarin zijn nieuwe rol pakken en niet de bezuinigingsopdracht centraal stellen. Er is niets tegen, integendeel, om de omgeving, die vaak toch al hulp verleent, bij de zorg te betrekken. Maar je kan geen mantelzorg afdwingen. De vrijwillige solidariteit is in Nederland gelukkig nog altijd groot, maar vrijwillige solidariteit zal altijd ingebed moeten zijn in collectieve solidariteit (wat de VVD afgedwongen solidariteit noemt). Al was het maar omdat niet iedereen een netwerk heeft. Dat is waar onze voorgangers in de sociaaldemocratie de verzorgingsstaat voor hebben opgebouwd.

Veel zorgvragen vragen professionele hulp en ondersteuning en kunnen niet worden afgeschoven op de nu sterk overbelaste mantelzorgers. Bovendien zijn veel mantelzorgers zelf ouderen, en kunnen zij in toenemende mate zelf geen beroep doen op mantelzorg, nu de arbeidsparticipatie van vrouwen gelukkig stijgt. Ook moet erkend worden dat veel zorgvragers onvoldoende eigen kracht hebben om het zelf te regelen.

Een deel van de cliënten is vereenzaamd. Zij beschikken niet over hulpvaardige familie of een bloeiend sociaal netwerk. Kinderen wonen steeds vaker op betrekkelijk grote afstand van hun ouders en kunnen daardoor niet eenvoudig bijspringen. Wanneer kinderen zelf nog een gezin grootbrengen, wordt mantelzorg aan hun ouders verlenen een loodzwaar karwei.

Het is voor bureaucraten allesbehalve eenvoudig om te bepalen in hoeverre familie en sociaal netwerk ondersteuning kunnen en willen verlenen. Subjectieve inschattingen zijn hierbij onvermijdelijk. In min of meer vergelijkbare gevallen kunnen uitgebrachte adviezen — afhankelijk van de persoon van de voor de beoordeling eindverantwoordelijke gemeenteambtenaar — substantieel verschillen. Mensen die de weg weten en brutalen hebben samen meer dan de halve wereld. Zij zullen vaak meer ondersteuning claimen en ontvangen dan binnen de beperkingen van het beschikbare budget op objectieve gronden noodzakelijk is. Minder assertieve of gezagsgetrouwe cliënten zullen zich sneller voegen naar wat bureaucraten beslissen. Dat was ook al zo via de AWBZ gefinancierde ondersteuning. Maar daar hadden hulpbehoevenden tenminste nog recht op wettelijk omschreven zorg. Dat is nu niet meer zo.

Eigen kracht en zelfredzaamheid moet een recht, geen plicht zijn. Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen dan een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. We versimpelen de procedures rondom het PGB. De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof.

De decentralisatie van zorg naar de gemeenten is tot dusver in de praktijk vooral een administratieve herordening gebleken in plaats van een inhoudelijke verbetering. Mensen worden van het ene loket naar het andere doorgestuurd, het beleid is versnipperd en veel overheids- en zorginstanties willen de werkelijkheid aan de onderkant van de samenleving niet kennen. Nu worden teveel mensen van ene loket naar het andere gestuurd. Het zorglandschap is nu ook teveel gespreid over verschillende partijen met ieder eigen (budget)regels: zorgverzekeraars, zorgkantoren, het CAK, de gemeenten. Naast veel kostbare (in tijd en geld) bureaucratie (ook bij de zorgaanbieders, die vaak met meerdere partijen te maken hebben) zorgt dit ook voor strategisch gedrag tussen bijv. gemeenten en zorgverzekeraars over wie de rekening moet betalen.

De verschillen tussen gemeenten zijn groot en hebben niets met het beloofde maatwerk te maken: maatwerk betekende altijd minder zorg. Zorg kwam ook niet dichterbij, het verdween. Cliënten en patiënten zijn massaal ontevreden.[51] Gemeenten hebben alleen maar financieel gestuurd en ontberen iedere deskundigheid om op kwaliteit te kunnen sturen. Inmiddels keert de wal het schip en klagen gemeenten over miljoenentekorten. En ze kunnen de uitgaven ook niet beheersen, ze hebben nauwelijks zicht op de besteding van hun zorggeld[52].

Veel gemeenten bedingen schandalig lage tarieven in de aanbesteding van thuiszorg, waarbij marktpartijen door taakopsplitsing en minutenzorg proberen de kosten nog verder te verlagen. Daarbij wordt de cao in de thuiszorg ontdoken, en wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van flexwerk, soms ook met zzp-ers. Dan wordt er ook geen pensioen opgebouwd en zijn de zorgwerkers niet of slecht verzekerd. Vele gemeenten besteden de zorg vooral aan op basis van prijs, niet op kwaliteit. Er is geen plicht om aan te besteden, noch bij de Wmo, noch bij de Jeugdzorg, en toch doen bijna alle gemeenten dat. Linkse politiek maakt daaraan een eind.

Het is terecht dat de minister nu de gespecialiseerde jeugdzorg weer wil weghalen bij de gemeenten. Maar dat zou voor de gehele jeugdzorg en de Wmo moeten gebeuren. [53] De gemeenten hebben geen aantoonbare waarde aan de zorgverlening kunnen toevoegen, integendeel. Zorgprofessionals aan niet commerciële zorgaanbieders moeten zelf de zorgindicatie verzorgen. De financiering moet landelijk geschieden, en het zorgaanbod moet worden gereguleerd in een provinciale of regionale zorgvisies, die politiek wordt besloten. De zorg in kader van Wmo en Jeugdzorg worden weer afdwingbare rechten, geen voorzieningen, afhankelijk van indicatie door de zorgprofessional.

In de Jeugdzorg heerst een ernstige crisis, waarvan kwetsbare jongeren het slachtoffer zijn. We zorgen naast het met hoogste prioriteit meer dan volledig ongedaan maken van de bezuinigingen voor een structurele oplossing van de 18-plus overgangsproblematiek, door het mogelijk te maken deze zorg ook na meerderjarigheid te verlengen. Een apart probleem hier is dat het meestal niet mogelijk is om een indicatie met de grondslag verstandelijke beperking te krijgen indien deze beperking niet voor het 18e jaar is vastgesteld. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet is gebeurd. Zo is een deel van deze cliënten opgegroeid en opgevangen door ouders of binnen het eigen netwerk. Op het moment dat ouders en het netwerk dat niet meer aan kunnen, wordt een indicatie aangevraagd. Migranten behoren tot een andere groep cliënten, waarbij vaak niet voor het 18e levensjaar een verstandelijke beperking is vastgesteld of daarover geen gegevens beschikbaar zijn. Ook zorgen we voor nieuwe intensieve jeugdzorg voor jongeren met multiproblemen en ernstige stoornissen, die nu niet adequaat behandeld worden. Jeugdzorginstellingen moeten veilige plekken zijn, waarbij isolatie en opsluiting zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Er is ook een tekort aan pleegzorgouders. Al deze tekorten vragen om een urgent samenhangend actieplan voor verbetering van de Jeugdzorg.

De wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) moeten binnen een jaar weggewerkt worden. Het verkorten van de wachttijd voor mensen met autisme, persoonlijkheidsstoornissen, eetstoornissen, trauma’s en licht verstandelijke beperkingen krijgt prioriteit. Teneinde de stijging in de doorgeleiding naar gespecialiseerde GGZ tot staan te brengen is moeten we in de geestelijke gezondheidszorg alles richten op de zogeheten ‘vroegsignalering’ en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn.

We moeten inzetten op een nationaal actieplan gericht op het voorkomen en niet onnodig medicaliseren van geestelijke gezondheidsproblemen.

Grootste probleem bij gemeentelijke zorgwijkteams: hulpverleners kunnen dan wel in één team zitten, de geldstromen blijven gescheiden. Hun werk wordt betaald door de eigen organisatie, niet uit het budget van het wijkteam. Organisaties houden dus hun eigen financiële belang, zeker nu er stevig bezuinigd wordt. Echt samenwerken kan pas als er ook één geldstroom is. Ook angst voor privacywetgeving over het uitwisselen van gegevens zit ware teamvorming in de weg. Ook het fundamentele recht op zorg loopt gevaar door de nieuwe werkwijze. Wie nu hulp vraagt, krijgt een ‘keukentafelgesprek’ waarin wordt besproken wat voor hulp noodzakelijk is. Vroeger deed een burger een formele aanvraag en volgde daarop een besluit of iemand al dan niet recht had op hulp. Een besluit waartegen bezwaar ingediend kan worden. Nu ontstaat een soort onderhandelingssituatie. Dat is een wezenlijke verschuiving van de verhoudingen.

Die verschuiving is risicovol. Ook door de samenstelling van de wijkteams, waarin veel verschillende private organisaties zijn vertegenwoordigd, is het vaak onduidelijk hoe en bij wie bezwaar gemaakt kan worden tegen een beslissing. Burgers waarderen het als de overheid met ze in gesprek gaat en niet optreedt als een afstandelijk bolwerk dat onbegrijpelijke brieven stuurt. Als dat goed gebeurt is dat positief. Maar het recht mag niet verdampen. Want het staat gewoon in de wet dat iemand recht heeft op een traplift of een scootmobiel. Toch weigeren gemeenten zich daarbij neer te leggen.

Groot probleem lijkt ook de deskundigheid van leden in het wijkteam. Jeugdzorginstellingen claimen dat de gemeenten de diagnose voor zware jeugdzorg te laat stellen, in een poging om lichtere, goedkopere trajecten te laten werken. Dat gebeurt ook tegen de achtergrond van een toenemende medicalisering van gedragsproblemen bij jongeren, mondiger ouders en de invoering van het passend onderwijs, waarbij specialistische hulp op scholen voor speciaal onderwijs minder beschikbaar is. Jeugdzorginstellingen stellen dat de late diagnose de problematiek bij jongeren doet verergeren en daardoor behandeling juist moeilijker en kostbaarder maakt.

Categoraal wordt nu de zorg aan jonge kinderen (<8 jaar) op grond van de Wlz geweigerd omdat ‘ouders daartoe een reguliere zorgtaak hebben.’ Eigen kracht moet echter een recht zijn, geen plicht. Indicaties aan ernstig meervoudig gehandicapte kinderen worden nu te vaak opgescheept met kortlopende indicaties, hetgeen zeer belastend is voor de verzorgers en ouders.

Hoe wijdverbreid de constructie inmiddels ook is, ruim twee jaar na de introductie zijn de wijkteams nog altijd mikpunt van kritiek. Ze werken te bureaucratisch, zijn lastig vindbaar voor de zorgvrager, hebben onvoldoende oor voor de wensen van de burger, ze weten zich geen raad met specifieke kwetsbare groepen, ze wisselen onderling onvoldoende kennis uit en ze maken een potje van de privacy van burgers.

Van duizenddingendoekje naar windvanger, dat lijkt de huidige status van het wijkteam. Wat opvalt, is dat de kritiek bepaald bekend in de oren klinkt. Schotjesgeest, bureaucratie, slechte communicatie en gebrek aan klantgerichtheid, was dat niet precies wat er schortte aan de zorg en ondersteuning toen deze nog uit de collectieve gaarkeukens van de AWBZ werden opgediend? Hebben we met de decentralisatie de problemen van weleer niet simpelweg naar een microniveau verplaatst?

Daarom moeten we ook voor de jeugdzorg en Wmo de indicatieverlening naar de zorgprofessionals zelf verleggen. Sociale wijkteams kunnen daarbij wel als laagdrempelige voorziening helpen als eerste loket, en als verbinding met bijv. schuldhulpverlening en woonvoorzieningen.

 

7.1.4.      De effecten van marktwerking bij de zorgaanbieders

 

Marktwerking frustreert samenwerking niet alleen omdat zorgverleners elkaars concurrenten zijn, maar ook omdat in een ‘markt’ samenwerking al gauw beschouwd wordt als kartelvorming – en dat is verboden.

Het is meermalen bewezen dat een concentratie van zorgaanbod om complexe behandelingen van ingewikkelde aandoeningen goed uit te voeren onontkoombaar is. Maar daar is ons systeem momenteel helemaal niet op ingericht. Immers: ziekenhuizen moeten concurreren met elkaar en willen daarom allemaal zoveel mogelijk specialismen in huis: iedereen een 24-uurs spoedeisende hulp, een intensive care en kleine stukjes complexe zorg tussen veel grotere stukken minder complexe zorg. Ze hebben zoveel mogelijk CT-scans en MRI’s en willen bovendien allemaal een PET-scan en een operatierobot voor zichzelf. Vanuit het oogpunt van kwaliteit is dit nauwelijks verantwoord en daarnaast is het extreem kostbaar. Pogingen om bijvoorbeeld hoogcomplexe zorg te concentreren in een kleiner aantal, regionaal slim gepositioneerde ziekenhuizen die door de aard van hun activiteiten wel een intensive care, goed geoutilleerde spoedeisende hulp en dure scanapparatuur kunnen hebben, stranden op de beperkte mogelijkheden voor regionale samenwerking binnen een stelsel van marktwerking. Zo wordt nu kartelvorming in verband met een gelijk speelveld in de markt verboden.

Het is in ieders belang zijn als ook aanbieders van thuiszorg onderling afspraken maken, zodat medewerkers hun baan houden, cliënten kunnen blijven rekenen op hun vertrouwde hulpverlener en zorgaanbieders weten waar zij aan toe zijn. Dat is echter een ‘marktverdelingsafspraak’ en die zijn in principe verboden: dergelijke afspraken nemen de prikkel weg om te innoveren en op prijs te concurreren – alsof een verdere verlaging van salarissen in de thuiszorg nog verantwoord zou zijn.

Paramedici kunnen overigens ook een belangrijke rol spelen bij betere regionale samenwerking en verlaging van kosten. De kwaliteit van leven wordt door hen vaak aanzienlijk meer verbeterd dan medische specialisten dat kunnen bij veel aandoeningen.

Concurrentie kan ook tot gevolg hebben dat maatschappelijk gewenste voorzieningen niet gerealiseerd worden. Bijvoorbeeld: een woningcorporatie wil samen met een aanbieder van thuiszorg een complex ouderenwoningen bouwen. Het is in dat geval logisch dat de thuiszorgorganisatie garanties vraagt dat ouderen die zorg nodig hebben deze ook bij die organisatie zullen afnemen. Ook dat is nu een in principe verboden marktverdelingsafspraak.

En er is sprake van waterbedeffecten doordat er verschillende financiers zijn die ieder proberen de last zoveel mogelijk bij de ander te leggen. Het waterbed stulpt uit bij de eerstehulpposten van de ziekenhuizen. Alles komt daar samen: mensen die vanwege het hoge eigen risico te lang wachten voor ze hulp zoeken en met spoed alsnog geholpen moeten worden, ouderen die langer thuis wonen en vaker vallen, geestelijk zieken die vaker op straat verkeren en acuut zorg nodig hebben. En deze patiënten kómen niet alleen bij de eerste hulp, ze zijn er vaak ook moeilijk weg te krijgen: veel mensen kunnen niet naar huis omdat ze er te slecht aan toe zijn, maar plekken in een verpleegtehuis of een GGZ-instelling zijn niet te vinden. Met als gevolg dat ziekenhuispersoneel eindeloos aan het bellen en regelen is. Er dreigt een vicieuze cirkel: doordat veel specialisten ingezet moeten worden op de spoedzorg ontstaan er voor de ‘gewone’ behandelingen wachtlijsten, wat er weer toe leidt dat meer mensen op de spoed terechtkomen.

WLZ-cliënten kunnen nu in onverwachte situaties (zoals bij een ziekenhuisopname of thuis, na een operatie) geen thuiszorg krijgen of begeleiding in het ziekenhuis. Dit moet formeel dan uit het pgb worden betaald of van de WLZ-aanbieder komen, maar die mogelijkheden worden in de praktijk niet geboden. Dit kan leiden tot een situatie waarvan de cliënt en/of de mantelzorg de dupe wordt: er is onvoldoende hulp beschikbaar of mantelzorg moet noodgedwongen extra hulp bieden. Op dit moment verschilt ook het aantal uren mogelijke verpleging tussen ZVW en WLZ enorm. Ook indien de GGZ-problematiek voorliggend wordt geacht, is toegang tot de WLZ nu niet mogelijk en zijn mensen op de Zorgverzekeringswet aangewezen. Hier is voor mensen met een combinatie van beperkingen, waaronder mensen met een (licht) verstandelijke beperking, vaak geen passende zorg te krijgen.

Een heel ander soort waterbedeffect is dat ziekenhuizen ‘dure’ patiënten doorverwijzen naar andere ziekenhuizen, onder het mom dat dit andere ziekenhuis betere zorg kan bieden. Het AMC in Amsterdam trok hierover aan de bel. Want nu dure medicijnen voor bijvoorbeeld kankerbehandeling sinds 2012 onder het ziekenhuisbudget vallen én de ziekenhuizen zich moeten houden aan het kostenplafond krijgt het AMC opvallend vaak ‘dure’ patiënten doorverwezen.

Het systeem van marktwerking in de zorg heeft ook perverse effecten naar zorgverleners. De heringevoerde goodwill van de huisarts laat goed zien wat marktwerking ook meer fundamenteel doet: het ondermijnen van gemeenschapszin en het publieke belang. Goodwill is dat een startende huisarts een bedrag betaalt aan de vertrekkende collega om zijn patiënten te mogen overnemen. Van oudsher was de goodwill-som de pensioenvoorziening van de vertrekkende arts. Echter in de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd deze pensioenconstructie niet meer als passend gezien. De gedachte was dat de lokale gemeenschap ook iets te zeggen zou moeten hebben bij de opvolging van een huisarts en dat niet het geld van de meestbiedende opvolger bepalend mocht zijn. Dus werd er een pensioenfonds in het leven geroepen, waar alle huisartsen verplicht aan deel moesten nemen. Bovendien werd er per gemeente een vestigingscommissie ingesteld met daarin vertegenwoordigers van de lokale huisartsen, de gemeente, patiëntenorganisaties en verzekeraars. Deze gezamenlijke commissies hadden het laatste woord bij het aanwijzen van de opvolger. Zo konden de belangen van de huisarts en van de lokale gemeenschap tegen elkaar worden afgewogen. En uiteraard werd goodwill vragen verboden. De huisdokter was een publieke functionaris, ingebed in de lokale gemeenschap en de patiënten waren geen handelswaar, die aangeboden konden worden aan de meestbiedende.

Dat was toen, lang geleden. In de 1990-er jaren kwam het idee, dat de zorgsector gezien moest worden als een markt, waar de aanbieder een zorgproduct aanbiedt aan de vragende zorgconsument. De producenten moeten concurreren om de gunst van de vrager, dat brengt de kosten omlaag en de kwaliteit omhoog. Ook over de huisartsenzorg werd deze marktlogica heen gelegd, en daar paste de vestigingscommissie niet in. Lokale inbedding en medezeggenschap waren relikwieën uit de jaren 1960, een sta in de weg voor innovatie en competitie. Weg er mee dus, de mededingingswet werd van toepassing en de vestigingscommissies werden afgeschaft met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006. Ondertussen zitten we met een al te bekend patroon: het door de gemeenschap betaalde pensioen (de pensioenpremie is verwerkt in de publiek gefinancierde tarieven) is gebleven, echter diezelfde gemeenschap is de zeggenschap over de huisartsenzorg kwijtgeraakt. De parallel met banken en bankiers is treffend: de risico’s publiek, de opbrengsten privaat. Huisartsen en bankiers: voor hun bestaanszekerheid staat de samenleving garant en vanuit deze comfortabele zekerheid kunnen ze risicoloos de opbrengsten in eigen zak steken.

Het was de tijd waarin de financiële dienstverlening aan de regels van de markt werd onderworpen, pensioenfondsen vrij mochten gaan beleggen, waarin het toezicht op de banken werd versoepeld en waarin de Postbank, die in overheidshanden was en zich toelegde op dienstverlening aan de burgers, geprivatiseerd werd. Allemaal heel bewust genomen maatregelen die gerechtvaardigd werden met het idee dat regels en bemoeizucht van buiten af het zegenrijke vrije spel der marktkrachten maar in de weg zouden staan. Daarbij werd in moreel opzicht de gedachte aangewakkerd dat bankiers en zorgverleners ondernemers moesten zijn: het honorarium, letterlijk ereloon, werd vervangen door een inkomen dat samenhing met de gehaalde omzet. En die omzet werd dan geheel toegeschreven aan de inspanningen van die ene bankier of huisarts. De wolf in ons is toen heel bewust aangemoedigd en de gemeenschapszin in ons als ouderwets betiteld. Zo gelooft Rijkman Groenink tot op de dag van vandaag dat het alleszins redelijk en moreel gerechtvaardigd is dat hij zo’n grote bonus meekreeg en zo is er bij goodwill vragende huisartsen dezelfde legitimatie: zo doen we het toch allemaal, het is mijn individuele verdienste, het zou zonde zijn zo’n goed lopend bedrijf dat ik zelf heb opgebouwd voor niks weg te geven. Zij zien zich niet als hebzuchtige wolven, maar als hardwerkende ondernemers die beloond worden voor hun prestaties.

Maar het wegnemen van instituties, die sociaal gedrag bevorderen en het gezamenlijk belang behartigen, was een bewuste, politieke beslissing. De moraal van individuele prestaties die beloond werden naar gelang de omzet, en niet meer naar gelang de toegevoegde waarde, komt uit de koker van de neoliberale Chicago School of Economics en druppelde langzaam maar zeker door in steeds meer maatschappelijke sectoren: van markteconomie naar marktsamenleving.

Uiteraard is hier niet sprake van een complot, maar op een veel subtielere manier zijn ons denken en onze mentaliteit doordrongen geraakt van de logica van de markt ten nadele van het besef van onderlinge afhankelijkheid. En werd de financiële opbrengst belangrijker dan de toegevoegde waarde. Meningen en mentaliteit zijn geen vanzelfsprekendheid, daarover vindt ideologische strijd plaats. Het resultaat van die ideologische strijd slaat neer in de hoofden van mensen. De wolf in ons allemaal is losgelaten en aangemoedigd.

De netto-inkomsten van sommige zorgondernemers gaan ver boven wat de Wet Normering Topinkomens als norm stelt in de publieke sector. Deze wet wordt ook omzichtig omzeild: zo kreeg Loek Winter, de topman van de inmiddels failliet gegane ziekenhuizen van zijn MC Groep in Amsterdam en Lelystad, een aanstelling van 7,5 dag per week (geen typefout). Een week heeft weliswaar maar 7 dagen maar op deze manier kon hij meer salaris binnen de regels ontvangen! Ondertussen werd de oorzaak van het faillissement gelegd bij de hoge inhuurkosten van het personeel. Tegelijkertijd is er in de hele zorg dramatisch bezuinigd op zowel het aantal arbeidsplaatsen, de salarissen als de overige arbeidsvoorwaarden aan de onderkant van de arbeidsmarkt in de zorg, zoals in de thuiszorg en de huishoudelijke zorg. De vlucht naar het zzp-schap is vooral veroorzaakt door de bezuiniging op de arbeidsvoorwaarden. Nu er weer personeelstekort is, kunnen zorgwerkers meer geld verdienen als zzp-er.

Het ene naar het andere schandaal met zorgcowboys komt boven water. Het programma Pointer van KRO-NCRV onderzocht samen met Reporter Radio en het journalistieke platform Follow the Money de jaarrekeningen van zorgaanbieders uit 2017 en 2018 en vond maar liefst 85 bedrijven die zowel in 2017 als in 2018 meer dan 10% winst maakten.[54] In totaal ging het om 50 miljoen euro winst en ruim 20 miljoen euro aan winstuitkeringen (dividend) aan aandeelouders. Geld afkomstig uit premiegelden en belastingopbrengsten dat niet naar zorg gaat, maar in de zakken van directeuren en aandeelhouders verdwijnt. Er is op grote schaal sprake van belangenverstrengeling en zelfs verduistering. Zo werd onlangs de oud-directeur van het inmiddels failliete Slotervaart Ziekenhuis veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor verduistering van 1,2 miljoen euro en valsheid in geschrifte.

 

7.1.5.      De bureaucratisering van de zorg

 

Een vervelende bijwerking van de gereguleerde marktwerking in de zorg is de massale en extra bureaucratie. De registratie van duizenden DBC’s en verrichtingen met telkens wisselende definities die soms zelfs met terugwerkende kracht worden ingevoerd om het systeem maar draaiende te houden leiden tot een enorme registratiedruk bij zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Tel daarbij op de administratieve last die zorgprofessionals ondervinden bij het registreren van talloze parameters die zouden bijdragen aan het kwantificeren van kwaliteitsindicatoren en dan begrijp je de wanhoop die zich af en toe meester maakt van artsen en verpleegkundigen die nauwelijks meer aan hun ‘echte’ werk toekomen.

In 2015 stelde een internationale onderzoeksgroep van gezondheidsbeleidsexperts vast dat de administratieve kosten van Nederlandse ziekenhuizen, op de Verenigde Staten na, het hoogst waren van alle onderzochte landen: bijna twintig procent. De overheidsbemoeienis en de bureaucratie namen sinds de invoering van de gereguleerde marktwerking alleen maar toe, stelt de WHO. Er moest regelmatig worden ingegrepen bij uitwassen van de marktwerking (te veel verkregen geld terugeisen van ziekenhuizen, voorkomen dat er een grote groep onverzekerden zou ontstaan, de misère rond de diagnose-behandel-combinaties) en er kwam een hele batterij van instanties om de markt in goede banen te leiden.

De zorgverzekeraars zijn sinds 2015 ook verantwoordelijk voor het betalen van de wijkverpleging en dat pakte dramatisch uit. In het nieuwe systeem heeft de wijkverpleegkundige een spilfunctie. Net als de huisarts mag hij of zij indicaties stellen en dus bepalen hoeveel zorg iemand nodig heeft. Verzekeraars willen de zorguitgaven in de hand houden en hebben er belang bij dat wijkverplegers geen al te ‘dure’ diagnoses stellen. Daar wordt stevig op gecontroleerd, met als gevolg minutenzorg, alles gebaseerd op wantrouwen. Er wordt gestuurd op kostenbeheersing en op het voorkomen van fouten. Of eigenlijk vooral: op het afschuiven van de aansprakelijkheid voor fouten en budgetoverschrijdingen via contracten, protocollen, codes en controles. De spilfunctie voor de wijkverpleegkundige komt door het geïnstitutionaliseerde wantrouwen niet van de grond. Een standaard-zorgvraag bestaat niet en laat zich dus moeilijk vangen in protocollen en productcodes. Als wijkverpleegkundigen de ruimte krijgen om het maatwerk te leveren dat van hen verlangd wordt, kan dat leiden tot meer zelfredzaamheid van ouderen en kostenefficiëntere zorg.

In plaats van de nadruk te leggen op contracten en indicaties, moeten we meer kijken naar wat werkt. Hoe help je iemand met een hersenbloeding het best? In de huisartsenzorg, die wordt gezien als goede manier om mensen weg te houden uit de duurdere ziekenhuiszorg, is dat heel normaal. De wijkverpleegkundige kan die functie ook hebben. Maar dan moet hij wel zijn werk kunnen doen. Er moet meer vertrouwen zijn, en dus meer zeggenschap voor de zorgprofessional. Niet vooral producten monitoren en minuten registreren. Maar met verzekeraars als contracterende partijen lijkt dat niet te lukken.

De zorgverzekeraar ziet vooral misstanden bij verpleegkundigen die geen contract hebben met de verzekeraar. Net als in andere takken van zorg bewaken verzekeraars de budgetten door contracten af te sluiten met zorgaanbieders. Daarin maken ze afspraken over hoeveel zorg de verzekeraar inkoopt bij de instelling. Handig voor verzekeraars, die dan zeker weten dat de kosten niet uit de klauwen lopen. Vanwege de vrije artsenkeuze kunnen patiënten ook kiezen voor een zorgaanbieder die geen contract heeft met hun zorgverzekeraar. Bij niet-gecontracteerde zorginstellingen hebben verzekeraars minder grip op de kosten. De verzekeraar is verplicht om in elk geval een deel van die zorgkosten – zo’n 75 procent – te vergoeden.

Dat zorgverzekeraars en het ministerie niet blij zijn met deze constructie is geen geheim. Het ministerie probeerde in 2014 de wet te wijzigen. Verzekeraars zouden niet-gecontracteerde zorg niet meer hoeven te vergoeden. Maar dat plan sneuvelde in de Eerste Kamer. Verzekeraars gooiden het daarna over een andere boeg. Zilveren Kruis Achmea lanceerde in het voorjaar 2017 het plan om vanaf volgend jaar wijkverplegers zonder contract geen indicaties meer te laten stellen.

Veel mensen associëren bureaucratie met de overheid, maar de marktwerking in de zorg heeft de bureaucratie alleen maar vergroot. GGZ Nederland berekende dat van de 6,5 miljard die de GGZ jaarlijks kost, er 1,4 miljard opgaat aan administratie en verantwoording.

Regels lijken belangrijker dan mensen, systemen falen, wachttijden zijn te lang en burgers worden van het kastje naar de muur gestuurd. Alles is ingericht op wantrouwen, naar de burger en naar de uitvoerende professional.

En natuurlijk moet ook bij de overheid de bureaucratie bestreden worden. Het voorbeeld van de NHS in het VK wordt daarvoor terecht bekritiseerd. De oplossing ligt vooral in het vertrouwen van zorgprofessionals en hun zelf meer zeggenschap geven.

De bureaucratische verantwoording wordt tot een minimum beperkt. Geen uitgebreide DBC’s en productcodes meer en geen minutenregistraties. Minimale protocollen en richtlijnen. Geen uitsplitsing van bevoegdheden van verplegers in de regelgeving. Institutioneel wantrouwen naar professionals in de zorg wordt vervangen door vertrouwen en hen een medeverantwoordelijkheid te geven in een efficiënt en doelmatig beheer. Een coöperatieve organisatievorm helpt daarbij om elkaar aan te spreken.

In de thuiszorg gaan we weer terug van taakgerichte zorg naar persoonsgerichte zorg in zelfsturende teams, zonder minutenzorg en afvinklijstjes, maar met meer tijd en aandacht voor een persoonlijke relatie met de cliënt. Resultaatsbekostiging (‘schoon huis’) wordt weer vervangen door indicatie van het benodigde aantal uren.

 

7.1.6.      Contouren van een nieuw, publiek zorgstelsel

 

Maak de zorg weer een publieke zaak in plaats van een markt. De ACM heeft hier niets te zoeken. Zorgaanbieders moeten geen ondernemers zijn, maar dienen de publieke zaak. De regels en beloningen moeten daarmee in overeenstemming worden gebracht. Zorgaanbieders mogen geen winstoogmerk hebben en ook geen winstuitkeringen doen – dit geldt ook voor maatschappen aan de eigenaren/zorgaanbieders zelf. De omvorming wordt afgedwongen door dit als subsidievoorwaarde op te nemen.

Iedereen in de publiek gefinancierde zorg komt in loondienst, bij voorkeur in een zorgcoöperatie. Specialisten komen verplicht in loondienst, bij huisartsen schaffen we de goodwill af. Huisartsen, apothekers, tandartsen, paramedici, ambulancediensten en andere zorgaanbieders die nu als ondernemer werken moeten ook in loondienst komen bij hun eigen onderneming, tegen een soort ‘gebruikelijk loon’, zonder aparte private vermogensopbouw. Activiteiten die zij verrichten in niet-publieke zorg, bijv. gefinancierd door zorgverzekeraars en/of patiënten zelf, moeten in een financieel gescheiden entiteit plaatsvinden. Dit opbrengst van deze maatregel wordt teruggeploegd in de zorg, door deze mee te nemen bij de hiervoor genoemde extra investering in de zorg.

De bekostiging loopt via regionale zorgkantoren, die ook zorgen voor de financiële planning. Zorgverzekeraars kunnen zich desgewenst geheel of gedeeltelijk omvormen tot zo’n regionaal zorgkantoor. De transitie vindt op gelijke wijze plaats als bij de opheffing van de PBO’s. Er is dus nadrukkelijk geen nationalisatie en dus ook geen schadeloosstelling aan de orde. Er zijn geen budgetplafonds meer, maar de overheid kan via de zorgkantoren wel voorwaarden stellen aan de uitgaven ter bevordering van efficiëntie en doelmatigheid en van kwaliteit.

Zorg moet gefinancierd gaan worden met één subsidieregeling en één loket, zonder inkoop- en aanbestedingsprocedures. Voor verzekeraars (behalve voor niet publiek vergoede zorg) en gemeenten (behalve voor verbindingen met armoede- en schuldenbeleid en met het woonbeleid) is geen rol meer.

Zorg wordt niet meer ingekocht en/of aanbesteed, maar vormgegeven in een subsidierelatie op basis van een periodiek door een door de provincie vastgestelde regionale zorgvisie, binnen een door het parlement goedgekeurd, periodiek vastgesteld landelijk zorgkader, waarin beschreven staat welk zorgaanbod gefinancierd wordt, rechtstreeks uit de algemene rijksmiddelen bekostigd. De zorgvisie beschrijft een effectief en efficiënt, samenhangend en samenwerkend, kwalitatief goed aanbod van zorg, met lokale basiszorgcentra en woonzorgcentra, goede thuiszorg en verpleegzorgcentra, regionale 2e lijnzorg en nationale dure, zeer gespecialiseerde zorg (incl. ggz en jeugdzorg). Overlap en waterbedeffecten worden zo voorkomen. In plaats van concurrentie moeten zorgaanbieders samenwerken.

Er komt zo een regionaal afgestemd aanbod van samenwerkende zorgaanbieders: met dure specialisatie in hoogwaardige centra en een breed aanbod van basiszorg (incl. GGZ); waarin cure en care elkaar effectief en efficiënt aanvullen; waarin ingezet wordt door tijdige interventie dure specialistische hulp te voorkomen; en waarin het langer thuis met zorg kunnen wonen (als recht, niet als plicht!) ook adequaat gefaciliteerd wordt.

Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) en soms ook nog eens met één of meerdere gemeenten te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget.

Bij de opstelling van de regiovisie zorg worden echt onafhankelijke patiënten- en cliëntenorganisaties betrokken, evenals relevante gemeenten en zorgaanbieders.

Er moet veel meer gebruik gemaakt worden van het vergunningenstelsel volgens de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) om tot een intelligente planning van dure voorzieningen voor complexe medische zorg binnen regio’s te komen. De regelgeving moet aangepast worden om innovatieve initiatieven voor gedeconcentreerde zorg voor chronische aandoeningen door huisartsen met participatie van specialisten mogelijk te maken. Voor een adequate aanpak van chronische aandoeningen hebben we een gedeconcentreerde zorgvoorziening nodig die dicht bij de mensen staat en laagdrempelig toegankelijk is. Dat kan door bijvoorbeeld in gemeentes en buurten van steden centra te hebben waar onder regie van de huisarts maar met specialistische inbreng eerstelijnszorg en consultatieve tweedelijnszorg voor chronische ziekten wordt geleverd. Een aantal specialisten kunnen dan bijvoorbeeld op invitatie van de huisarts een dagdeel in de week tegelijkertijd aanwezig zijn om ingewikkelde patiënten multidisciplinair te zien. Ook samenwerking tussen huisartsen onderling en met apotheken en artsen in een ziekenhuis en wijkverpleegkundigen.

Een andere belangrijke oorzaak van de stijgende zorgkosten is dure nieuwe medische technologie. Van een groot deel van die technologieën is nooit bewezen dat ze beter werken dan de oude, goedkopere. Zo heeft ieder zichzelf respecterend ziekenhuis inmiddels voor operaties een Da Vinci-robot, zonder dat ooit vast is komen te staan dat de resultaten daarvan beter zijn dan het chirurgische handwerk. Het zou een belangrijke rem op de zorgkosten kunnen zijn als nieuwe, duurdere technieken pas worden vergoed als ze aantoonbaar voordeel hebben voor de kwaliteit van leven of de levensverwachting van de patiënt. Het publiek financieren kan daar een betere waarborg voor leveren.

Een groot probleem is nu ook de ICT-versnippering, waardoor artsen, apothekers en verpleegkundigen te vaak niet van elkaar weten wat ze doen. Hiertoe worden in de subsidievoorwaarden regels gesteld die voldoen aan de hoogste privacy-eisen, en er wordt onder strakke aansturing en voorwaarden innovatiegeld ter beschikking gesteld.

Zorgaanbieders hebben nu een belang bij meer zorgvolume. Het grote manco van het huidige Nederlandse bekostigingssysteem in de zorg is dat zorgverleners betaald worden voor volume en niet voor goede zorg. En mensen gaan zich gedragen naar het financieringssysteem. Volgens Gert Westert, hoogleraar kwaliteit van zorg aan het Radboud Universitair Medisch Centrum, kan er in ziekenhuizen zeker twintig procent worden bespaard als artsen anders worden betaald én elkaar veel meer aanspreken op hun manier van werken. Hij gaat er vanuit dat in de cure zo’n dertig procent van de zorg niet of nauwelijks te maken heeft met het medische nut ervan maar slechts voortkomt uit het aanbod. De financiering van zorgverleners moet minder gebaseerd zijn op volume en meer op kwaliteit, met een hoge basisvergoeding. We voeren het zgn. cappuccinomodel in: het inkomen van zorgverleners wordt daarbij vooral te baseren op de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast krijgen ze een klein bedrag per ingreep of per consult (de melk) en ook nog een klein bedrag bij uitzonderlijk goede prestaties of bij innovaties (het schuim). Dat is de manier waarop nu bijvoorbeeld huisartsen al betaald worden.

En we beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie. We volgen de voorstellen uit de initiatiefnota van GL, PvdA en SP hierover van eind 2017. We voeren ook een chemotax in voor de farmaceutische bedrijven om kankermedicijnen te financieren.

We zorgen ook voor meer kleinschaligheid in de zorg. Er zijn te grote conglomeraten ontstaan die te machtig zijn. Zorg moet regionaal georganiseerd worden, met een netwerk van kleinere basisziekenhuizen, dichtbij de mensen.

De toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg krijgt een brede, maar strakkere poortwachter bij huisartsen en wijkverpleegkundigen, die daartoe meer capaciteit krijgen. Indicaties vinden alleen plaats op basis van tenminste een persoonlijk gesprek met de patiënt door de huisarts of de wijkverpleegkundige. Het CIZ wordt opgeheven en vervangen door indicaties van huisarts en/of wijkverpleegkundige, waardoor diagnoses niet meer plaatsvinden zonder persoonlijk gesprek met de cliënt door.[55] Diagnostisch onderzoek wordt gesubsidieerd. Spoedeisende hulp is alleen beschikbaar als het ook spoedeisend is. Ook moet de indicatie passend zijn, dus niet zoals nu vaak gebeurt, aan chronisch zieken en ouderen zeer kortlopende Wmo-indicaties afgeven – dat is onnodig bureaucratisch en belastend.

Volledig en modulaire zorgpakketten moeten thuis beschikbaar komen. Nu wordt dat door de zorgverzekeraars in de WLZ bijna niet beschikbaar gesteld. De procedure om voor zgn. meerzorg (voor situaties waarin reguliere budget niet volstaat) in aanmerking te komen wordt versimpeld.

Hulpmiddelen kopen we zoveel mogelijk centraal in op indicatie van huisarts of (wijk)verpleegkundige. Er wordt daarbij ook gewerkt met centrale uitleenmagazijnen. Brillen en gehoorapparaten worden verstrekt door erkende opticiens en audiciens binnen bepaalde vergoedingsregels.

Huisartsen krijgen een rol in het signaleren van zorgaanbieders die hun werk niet goed doen. De minister heeft gelijk dat patiënten vaak zelf niet goed de kwaliteit van de zorgaanbieder kunnen beoordelen. De huisarts kent niet alleen de patiënt, maar ook de specialisten in de regio. De huisarts krijgt bovendien teruggekoppeld welke behandelingen zijn uitgevoerd en hoort van de patiënt hoe deze de behandeling heeft ervaren.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg krijgt tot taak ook de effectiviteit van de zorgverlening te beoordelen. Deze kwaliteitsoordelen worden publiek gemaakt. Een apart punt vormen de hersteloperaties. In sommige ziekenhuizen bedraagt het aantal hersteloperaties 0,2% bedraagt, terwijl het in andere instellingen op 2,0% ligt. Verzekeraars willen zorginstellingen financieel prikkelen tot minder fouten. Maar deels kunnen hersteloperaties veroorzaakt worden door de complexiteit van de aandoening. Voor zover er sprake is van verwijtbaar gedrag kan de IGZ ook hier een rol spelen. Die kan immers zien welke ziekenhuizen een opmerkelijk hoog percentage hersteloperaties hebben en hen daar ook op aanspreken.

De vrije keuze van cliënten en patiënten welke zorgverlener men binnen het publiek gefinancierde zorgaanbod kiest, moet wettelijk worden gewaarborgd. Er komt een landelijke regeling voor de rechtsbescherming van cliënten in de zorg, met een goede bezwaar- en beroepsregeling en betere toegang tot de Nationale Ombudsman. De bescherming van privacy wordt strikt gewaarborgd. Het medisch beroepsgeheim moet niet worden aangetast, maar juist verder versterkt worden.

We investeren veel meer in preventie. Dat verlaagt op termijn de zorgkosten. We verhogen btw en accijnzen voor ongezonde producten en verlagen die op gezonde producten, verbieden ongezonde producten op scholen (incl. de schoolterreinen), sportvelden en -clubs (inclusief kantines) en zorginstellingen. Roken wordt ook op terrassen en in de openbare ruimte verboden, en aparte rookkamers worden verboden; Bewezen effectieve programma’s tegen verslavingen en voor een gezonde leefstijl worden ondergebracht in de publiek bekostigde zorg. We stimuleren sporten, met meer sport, spel en beweging op school, en geven iedere jongere een gratis lidmaatschap van een sportclub. We nemen wettelijke maatregelen voor een veel lager percentage van vet, suiker en zout in producten, in plaats van het veel te slappe akkoord dat daarover nu is afgesproken. Kinderen die niet gevaccineerd zijn volgens het rijksvaccinatieprogramma worden niet toegelaten tot scholen en de kinderopvang. We investeren meer in onderzoek naar preventie en genezing van ernstige ziekten met een apart preventiefonds.

Innovatie wordt bevorderd met een landelijk expertisecentrum, dat goede praktijken breder beschikbaar maakt en geld beschikbaar stelt voor innovatieve experimenten en onderzoek. Er is o.m. meer aandacht en geld nodig voor bestrijding van depressies, voor onderzoek naar en begeleiding van dementerenden en voor bestrijding eenzaamheid.

 

7.2.                      Gelijke kansen en goed onderwijs

 

Het huidige onderwijs kampt met grote tekorten (personeel, financieel), de segregatie neemt toe in plaats van af, en de maatschappelijke ongelijkheid wordt versterkt in plaats van verkleint. Dat vraagt om een aantal radicale aanpassingen.

In het onderwijsbeleid voeren we een radicaal op gelijke kansen gericht beleid – nu bevestigd en vergroot het onderwijs eerder de gelijkheid van kansen. Dat vraagt in de eerste plaats om uitstel van studiekeuze tot 15/16 jaar met een investerings- en innovatieplan en -budget voor meer niveaudifferentiatie en verschillende werkvormen.

Al in de vroegste jaren wordt nu ongelijkheid in kansen opgelopen. Het huidige voorschoolse onderwijs wordt steeds minder door kinderen van ouders met een laag inkomen/lage opleiding bezocht, ook door de oplopende kosten. We maken dit onderwijs daarom gratis, d.w.z. volledig collectief uit de belastingen gefinancierd, net zoals we dat met de kinderopvang gaan doen. De voorschoolse educatie moet – voor tenminste 16 uur per week – beschikbaar worden voor alle kinderen vanaf twee jaar.

Onderwijs en kinderopvang, inclusief de voorschool, worden geïntegreerd in publiek en collectief gefinancierde en georganiseerde kindercentra. Deze centra worden onderwijscoöperaties met veel regel- en budgetruimte voor de onderwijsprofessionals. De leraar moet veel meer eigenaar van het onderwijsleerproces worden en dus ook daarover veel meer zeggenschap hebben. De lumpsum bekostiging wordt deels vervangen door meer overheidssturing opdat publiek geld ook overeenkomstig met het doel ervan effectief en efficiënt besteed wordt en er minder reserves nodig zijn. M.n. op terrein van het curriculum, personeel en huisvesting krijgt de overheid een grotere rol. Onderwijs moet weer om onderwijs draaien, zodat leraren niet zich druk hoeven te maken over statistieken en financiering.

Hiervoor hebben we al aangegeven fors te investeren in werk in de publieke sector. In het onderwijs pakken we de forse tekorten van leraren aan met minder werkdruk en meer collega’s. We verminderen de werkdruk en realiseren meer aandacht per leerling. We realiseren kleinere klassen (gemiddeld 23 leerlingen, in achterstandswijken gemiddeld 12 leerlingen) en een kleinere lestaak (max. 1/3 van de aanstelling). Er komen ook meer onderwijsassistenten (per klas tenminste één), meer vakleerkrachten (bijv. voor bewegings- en voor cultuuronderwijs) en iedere school krijgt tenminste een schoolconciërge. Er komt meer specialistische begeleiding in kader van passend onderwijs. De salarissen van leraren in het PO en VO worden gelijk getrokken. We komen met een actieplan om sneller leraren op te leiden. Deze investeringen maken onderdeel uit van de eerder genoemde investering van 15 miljard euro per jaar in de publieke sector.

In de bekostiging moet het meeste geld en de beste leraren en leermiddelen gaan naar de moeilijkste leerlingen/scholen met de grootste pedagogische uitdagingen, in plaats van de huidige rendementsbekostiging en het huidige onderwijsachterstandenbeleid. In plaats van premies op zo snel mogelijk doorstromen willen we een premie op het bieden van kansen. Bij scholen met een extra pedagogische uitdaging ontvangt men een toeslag en een kleinere lestaak, zodat er meer individuele begeleiding gegeven kan worden. De bekostiging moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien, en dit moet niet zoals nu juist risico’s voor een school opleveren. Concurrentie tussen scholen wordt zoveel mogelijk vervangen door samenwerking.

De verschillen in kwaliteit tussen scholen moeten veel minder groot worden. Zwakke scholen moeten eerder onder toezicht worden geplaatst. Kinderen zijn anders de dupe.

In het publiek bekostigde basis en voortgezet onderwijs komt er op iedere school een toelatingsrecht. Scholen mogen leerlingen niet meer afwijzen, ook niet vanwege de religieuze identiteit van de school. Bij capaciteitsproblemen kan er tijdelijk een stop worden toegestaan, maar de school moet dat met extra publieke middelen zo snel mogelijk oplossen.

Mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties krijgen gericht extra overheidsgeld om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is. En we verlengen de leerplicht voor jongeren die nog geen startkwalificatie hebben.

Stapelen van diploma’s is een belangrijk principe voor sociale mobiliteit. Jongeren krijgen een doorstroomrecht: een diploma geeft zonder extra voorwaarden recht op vervolgonderwijs. De aansluiting wordt verbeterd, extra toegangseisen vervallen en er komen goede schakelprogramma’s. Er komt extra geld voor extra begeleiding, bijlessen en coaching van studenten die doorstromen van mbo naar hbo, in het laatste jaar mbo en het eerste jaar hbo, en voor meer professionele studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding.

We gaan het passend onderwijs beter afdwingen en faciliteren. Leerplichtambtenaren krijgen doorzettingsmacht om kinderen met een beperking op scholen te plaatsen. Er komt landelijk één wettelijke definitie van basiszorg dat de minimumondersteuning omschrijft die iedere school moet bieden. Scholen mogen dan niet langer leerlingen weigeren omdat ze niet in staat zouden zijn passend onderwijs te leveren. We brengen de bekostiging daartoe ook op orde. Erkend moet worden dat voor sommige leerlingen speciaal onderwijs een beter alternatief blijft. Daartoe blijven een aantal van deze scholen in regionaal verband in stand. Leerlingen met een (meervoudige) beperking die geen regulier onderwijs kunnen volgen, kunnen kosteloos onderwijs volgen of naar de dagbesteding. Voor het onderwijsdeel en de onderwijsondersteuning wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die ook, publiek bekostigd. De medicalisering van leerproblemen moet worden teruggedrongen.

We willen minder prestatiedruk in het onderwijs. Met minder toetsen. Huiswerk zoveel mogelijk afschaffen. Plezier in leren moet een prioriteit zijn.

Tegelijkertijd breiden we de onderwijstijd uit. Er komt een veel breder vakkenpakket. De taal- en rekenvaardigheid, maar ook de kennis in andere vakken moet substantieel omhoog. Teveel leerlingen ontberen nu basale, noodzakelijke kennis en vaardigheden. Maar er is ook meer dan alleen cognitieve kennis. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen, met ook vaardigheden, muziek, theater, beeldende vorming en bewegingsonderwijs.

Moderne leerpsychologische kennis moet leiden tot betere didactiek, dus o.m. niet alleen leren door luisteren. Daarbij helpt het als er veel meer contact is tussen ouder, kind en leraar, ook voor tieners ouder dan 15 jaar. Geen 7 minuten op een ouderavond, maar uren. Liefst met het kind erbij. En dat er mensen worden ingevlogen voor lezingen over hoe je omgaat met leermotivatie of met angst, of over pesten of drugs.

Er komt een speciaal programma gericht op veel betere deelnamecijfers van studenten met een beperking in het hoger onderwijs. De toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten met een beperking wordt een afdwingbaar recht, de instellingen krijgen daarvoor extra middelen.

Het komt nog steeds teveel voor dat studenten in het mbo en hbo geen stageplek krijgen door discriminatie, bijv. door een niet-westerse achternaam, een hoofddoek of vanwege hun genderidentiteit of -expressie. De onderwijsinstellingen zijn al verantwoordelijk voor het regelen van een stage. Daarenboven gaan we dat recht op stage afdwingbaar maken voor de studenten. En er komt een meldingsplicht voor discriminatie naar de Inspectie SZW.

We zorgen voor een publiek gefinancierd landelijk aanbod van basiseducatie voor laaggeletterden[56], gericht op basisvaardigheden op het terrein van in ieder geval taal, rekenen en digitale vaardigheden, waaronder het kunnen beoordelen van informatie op betrouwbaarheid. Gemeenten moeten taakstellingen en geoormerkte middelen daarvoor krijgen. Er komen speciale, gratis, laagdrempelige en aantrekkelijke scholen voor basiseducatie in alle gemeenten met een extra inzet op de wijken waar dit probleem het grootst is (dit wordt onderdeel van de eerder genoemde nieuwe wijkaanpak), met een open digitaal interactief ondersteuningskanaal en een landelijk kwaliteitskader. Bij de opzet wordt samengewerkt met volwassenenonderwijs, bibliotheken en buurtwerk/wijkcentra, en met scholen in het PO en VO: scholen bemiddelen actief voor taalonderwijs voor ouders van hun leerlingen wanneer zij constateren dat die inzet nuttig kan zijn. Er komen aparte diploma’s voor de verschillende taalniveaus met een bescheiden bonus/beloning bij het behalen daarvan.

Bibliotheken worden gratis en gepromoot met taal- en leescafés, quizzen, publieke dictees e.d. We investeren in moderne bibliotheken, met moderne media en digitale toegang, die nauw samenwerken met scholen en het taalonderwijs. Bibliotheken worden leesbevorderingscentra. Iedere wijk en ieder dorp moet een fysieke, goed toegankelijke bibliotheekvoorziening hebben. Jongeren tot 25 jaar en inkomens tot 130% van het sociaal minimum krijgen een gratis abonnement op een onafhankelijk dagblad (al dan niet digitaal) naar keuze, gratis toegang tot muziekschool of andere culturele scholing, en een lidmaatschap bij een sportclub naar keuze. Musea worden gratis voor jongeren en minima. We verdubbelen ook het cultuurbudget en zetten een open digitale universiteit op naar het voorbeeld in het VK.

Al het onderwijs tot en met het mbo wordt gratis (het lesgeld in het mbo vervalt). Zgn. vrijwillige ouderbijdragen worden verboden. Excursies en leermiddelen worden in de bekostiging vergoed. We gaan ook de sluipende privatisering van het onderwijs tegen, door o.m. extra begeleiding in het reguliere onderwijs aan te bieden en te bekostigen.[57] Zo zorgen we dat elk kind, ongeacht de portemonnee van de ouders, gelijke kansen in het onderwijs heeft. Dat gaan we volledig financieren uit de Rijksbegroting.

Door ook de studiefinanciering te laten vervallen en te vervangen door het hiervoor genoemde Zekerheidsinkomen wordt eindelijk materieel het door de studentenbeweging in de jaren 1960 bevochten studieloon ingevoerd. Het huidige leningenstelsel, eufemistisch en verhullend studievoorschot genoemd (voorschot waarvan?), werkt onrechtvaardig uit. Studenten met rijkere ouders hoeven niet te lenen, zij die dat niet kunnen of een conflict met ouders hebben, zijn aangewezen op een individuele, rentedragende lening. Het was idioot om net na de grootste schuldencrisis in de geschiedenis en met enorme hoge problematische en risicovolle schulden van huishoudens – veruit de hoogste in Europa en stijgend! – tegenover jongeren te beweren dat lenen geen probleem is. Nu is het bovendien zo dat als je inkomen niet voldoende is om je terugbetalingstermijn te betalen, die termijn weliswaar wordt opgeschort, maar met rente-op-rente wel blijft staan, tot maximaal 35 jaar. Bij langdurig te laag inkomen wordt dat een enorme schuld, die je kredietwaardigheid behoorlijk vermindert. Dat die schuld niet zou meetellen bij je hypotheekcapaciteit is gevaarlijke nonsens. In de praktijk word je gevraagd dit op te geven en op fraude daarmee kan de hypotheek vervallen, en je feitelijke betalingscapaciteit is natuurlijk wel degelijk minder.

Als sociaaldemocraten gaan we altijd voor collectieve arrangementen, niet voor individuele arrangementen. Zo bouwen we solidariteit. Daarbij moet wel gezorgd worden dat de eeuwige student niet terugkeert, en dat studievoortgang geborgd wordt. Dat moeten we echter niet als financiële prikkel bij het inkomen regelen, maar in de onderwijsregelgeving zelf, en in de financiële prikkel bij de eigen bijdrage in het onderwijs. Dat is nu het collegegeld of het lesgeld. Nadeel daarvan is dat dit vooraf moet worden betaald, voordat er sprake is van werkelijk individueel financieel rendement van de studie. Dat geeft een behoorlijke financiële drempel om te kunnen studeren. Wij stellen voor het lesgeld af te schaffen in het mbo, en voor het hoger onderwijs het collegegeld te vervangen door een studieheffing over het na afloop verdiende inkomen voor een bepaalde, maximum periode. De heffing is hoger na rato van het dan verdiende inkomen en naar rato van de verbruikte studieduur. De voorfinanciering van deze verschuiving van inkomsten van hogescholen en universiteiten gebeurt met een Nationaal Studiefonds, dat met staatsgarantie obligaties uitgeeft en zo leent op de kapitaalmarkt (kan nu met negatieve rente, dus je verdient op de lening in plaats van er rente over te betalen).

Studenten hoeven dan vooraf niets te betalen en krijgen tijdens hun studie een Zekerheidsinkomen, die hun eventuele inkomen aanvult tot het sociaal minimum. Dat zal ook helpen tegen de huidige verdringing van bijv. vmbo-ers uit laag geschoolde (bij)baantjes door studenten. Studenten die thuis wonen tellen net als nu niet mee voor het bepalen van het huishoudinkomen. De uitkering is voor iedereen vanaf 18 jaar, dus jongere studenten blijven aangewezen op het inkomen van hun ouders en een eventueel bijbaantje. Om redenen van eenvoud en rechtsgelijkheid met niet-studerende jongeren wordt hier geen uitzondering bepleit voor jongere studenten. Het Zekerheidsinkomen is gelijk voor uit- en thuiswonende studenten.

 

7.3.                      Veiligheidssector (incl. defensie) versterken

 

De veiligheidssector zit verstopt. De rechtsstaat en de toegang tot het recht komen steeds meer in het geding. De hele rechtsketen dreigt door tekorten verstopt te raken. De extra banen moeten deze tekorten opheffen. We verbeteren de veiligheid, de toegang tot het recht en de werking van de rechtsketen.

In de veiligheids- en justitiesector investeren we ook in meer personeel en betere beloning, als onderdeel van de eerder genoemde investeringen in de publieke sector. We zorgen onder meer voor duizenden extra wijkagenten, extra rechercheurs, specialisten op bijv. bestrijding van cybercriminaliteit, meer rechtshulp en rechters, militairen, marechaussees, maar ook voor conducteurs, toezichthouders, wijkconciërges, en inspecteurs van toezichthouders (denk aan de Belastingdienst, de Arbeidsinspectie, de Privacy-waakhond, de Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspectie voor milieu en van landbouw, etc.).

We verlagen de griffierechten en investeren in gratis rechtsbijstand en juridisch advies.

En we verleggen de focus. Veel criminaliteit is nu drugsgerelateerd. In plaats van steeds meer inzet op repressie, dat aantoonbaar niet werkt, zetten we in op legalisering en regulering van drugs. Maar ook meer in het algemeen zetten we minder eenzijdig in op strafrecht, en meer op preventie en reclassering, met een aparte inzet op veelplegers, met name bij jongeren. Uit onderzoek blijkt dat een ruime meerderheid van veroordeelden een verstandelijke beperking of stoornis heeft. Er moet daarom veel meer worden ingezet op effectieve behandeling, soms langdurig of zelfs levenslang. Gedurende die periode moet ook de bescherming van de samenleving tegen mogelijke recidive tenminste net zo zwaar gewogen worden als het belang van de cliënt in TBS.

Georganiseerde criminaliteit en de verbindingen daarmee met de bovenwereld (o.m. door witwassen), wapenhandel, terrorisme en belastingontduiking/witte boorden criminaliteit worden het speerpunt van repressie. Er komen meer mogelijkheden om financiële en vastgoedtransacties waarbij wordt witgewassen, aan te pakken, ook achteraf.

Daklozen, verslaafden, mensen zonder verblijfsvergunning, worden niet meer achtervolgd met boetes en opsluitingen, maar begeleid, gericht op oplossing van hun problemen.

Kinder- en mensenrechten worden weer hard gegarandeerd. We maken meer werk van strijd tegen discriminatie (incl. homofobie, islamofobie en antisemitisme), huishoudelijk geweld, besnijdenis van vrouwen, gedwongen huwelijken, kindhuwelijken, eerwraak, mensenhandel en seksuele intimidatie, waaronder intimidatie op straat. Dat laatste wordt eindelijk wettelijk strafbaar.

We investeren ook in de organisaties, scheidden justitie weer van de politie, en decentraliseren een deel van de aansturing van de nationale politie.

We ontlasten de rechtspraak ook door veel procedures niet meer in eerste instantie door de rechter te laten afdoen, zoals bij echtscheiding en schuldhulpverlening.

Bij de versterking van defensie zorgen we vooral voor meer inzet op personeel, met een betere uitrusting, beloning en rechtspositie. De investeringen in defensie moeten worden verhoogd om aan de actuele bedreigingen en Europese ambities te voldoen. Naast de dreiging van het internationaal terrorisme (o.m. vanuit extreem-islamitische hoek en uit extreemrechtse groeperingen en individuen) is er dreiging vanuit o.m. Rusland, China, Syrië, Saoedi-Arabië, Iran, Afghanistan, Pakistan, Libië, Noord-Korea en Venezuela. De inzet is gericht op bestrijding van dat terrorisme en het pacificeren van in de eerste plaats Europa, het Midden-Oosten (incl. een eigen entiteit voor de Palestijnen) en Afrika. Daarbij wordt defensie naast diplomatie en ontwikkelingssamenwerking ingezet. We streven naar veel meer Europese defensiesamenwerking en willen de afhankelijkheid van de VS verminderen. De 2% norm van de NAVO kan dan ondanks de extra ambitie worden verlaagd. De totale defensie-uitgaven moeten niet meer afhankelijk zijn van het nationaal inkomen, alleen de verdeling van die uitgaven over de lidstaten moet dat zijn.[58]

 

 

 

8.    De markt meester worden: terug naar het Rijnlandse model

 

Moderne sociaaldemocraten zijn niet voor volledige socialisatie van de economie. We zijn voor een gemengde economie, waarin het marktmechanisme ingeperkt en ingebed wordt door wetten en regels. Dat is in de loop der jaren een van de grote krachten van de sociaaldemocratie gebleken. Zo’n sociale markteconomie kenmerkt zich onder meer door een belastingstelsel dat echt op draagkracht is gebaseerd en arbeid en duurzaamheid stimuleert, een sterke publieke sector, evenwicht tussen sociale en economische doelen en een sociale zekerheid die echt beschermt en helpt.

Het nog steeds geldende beginselmanifest[59] stelt “‘De sociaaldemocratische methode’ kan niet zonder een sterke economie en een vitale markt maar begrenst deze door kaders die niet vanzelfsprekend door die markt geleverd worden: sociale rechtvaardigheid, democratische verantwoording, publiek belang, culturele ontwikkeling en ecologische duurzaamheid.” Het beginselmanifest is zeer expliciet in haar pleidooi voor een gemengde economie: “Een beschaafd kapitalisme vraagt om een gemengde economische orde waarin het marktmechanisme ingeperkt en ingebed wordt door wetten en regels. Dat is in de loop der jaren een van de grote krachten van de sociaaldemocratie gebleken. Zo’n sociale markteconomie kenmerkt zich onder meer door een belastingstelsel dat op draagkracht is gebaseerd, een vitale publieke sector, evenwicht tussen sociale en economische doelen en een sociale zekerheid die beschermt én activeert.

De afgelopen decennia zijn we door een neoliberale ideologie steeds verder vanaf komen te staan. Het Rijnlandse economisch model waarin dit getemde kapitalisme werd belichaamd is steeds meer vervangen door het ongeremde kapitalisme van het Angelsaksische economische model vervangen. Inmiddels dreigen de maatschappelijke ongelijkheid en scheidslijnen die van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika te benaderen. Naast de versterking van een activistische publieke sector moeten we de markt weer meester worden.

 

8.1.                      Regulering marktsector

 

De overheid neemt eigendom in bedrijven die van nationaal belang zijn. We maken vijandige overnames moeilijker door werknemers een blokkerende stem te geven bij alle overnames en fusies, door een wachttijd in te voeren en door financiering door eigen vermogen te eisen. Nu worden overnames vaak gefinancierd via schuld, en dat is slecht voor het bedrijf en voor de economie als geheel. De investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn. Dit wordt vooraf getoetst. Excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen wordt wettelijk beperkt.

We pakken kartelvorming en monopolies aan en we beperken het patentrecht in duur en ook waar het algemeen belang teveel in het geding is, zoals nu bij de farmaceutische industrie en bij internetbedrijven als zoekmachines, sociale media en softwarebedrijven.

We verbeteren de huurbescherming van zelfstandige winkeliers en de rechtspositie van franchisenemers, en we passen de mededingingswetgeving aan, zodat de macht van grote inkopers tegenover kleine zelfstandigen wordt ingeperkt. Bij overheidsopdrachten garanderen we dat kleine ondernemers dezelfde kansen krijgen als grote bedrijven. Ondernemingen moeten in hun publiek jaarverslag verplichte onderdelen opnemen over hun sociaal en duurzaamheidsbeleid.

Consumentenbelangen moeten veel beter worden beschermd. Dat vraagt o.m. strengere regulering en betere handhaving, waarbij de vrije mededinging beperkt kan worden. De Autoriteit Consument en Markt moet zich beperken tot puur private en niet grotendeels door overheid gesubsidieerde en/of gereguleerde sectoren (dus geen zorg, onderwijs, kinderopvang, etc.) en stelt consumenten- en publieke belangen zwaarder dan pure mededingingsbelangen. Ook moet het verbod op het georganiseerd onderhandelen over prijzen van zzp-ers vervallen. Het ACM moet proactief controleren op een nieuw door de overheid vastgesteld en gehandhaafd Keurmerk Duurzaam en Eerlijk Ondernemen. Geen zelfregulatie meer, maar harde zekerheid voor een faire beloning, goede arbeidsomstandigheden, geen uitbuiting, geen kinderarbeid, geen bijdrage aan onveiligheid, een schone, circulaire productie en distributie, geen schade aan biodiversiteit en geen vervuiling van lucht, water en bodem. Reclame en productinformatie moet betrouwbaar zijn, met aansprakelijkheid van de producent als dat niet zo is, en productaansprakelijkheid moet veel minder eenvoudig als nu uitgesloten kunnen worden. Dat geldt des te meer voor digitale aanbieders. We zetten ons in om de misstanden die nu wekelijks bij consumentenprogramma’s te zien zijn aan te pakken met extra regelgeving en handhaving. Met scherpe en intensieve inspecties en hoge, effectieve boetes.

 

8.2.                      Sterkere positie werknemers in bedrijven

 

We gaan de mogelijkheden voor een coöperatieve onderneming bevorderen, door een lager vennootschapstarief. Door de hiervoor al voorgestelde collectieve vermogensaanwasdeling delen werknemers meer mee met de winst van ondernemingen. Daarbij maken we het aantrekkelijk om dit te doen in de vorm van aandelen voor werknemers, waardoor werknemers mede-eigenaar worden en ook zeggenschap verwerven.

De rechten van de Ondernemingsraad (OR) worden versterkt, o.m. met een recht op het benoemen van een deel van de leden van de Raad van Commissarissen: De Raden van Commissarissen moeten tenminste drie leden hebben die andere onderwerpen bewaken dan de beleggersbelangen, waaronder tenminste een die specifiek let op werknemersbelangen. Tenminste de helft van de leden moeten bestaan uit andere dan vooral financieel georiënteerde types.

Ook de belangen van werknemers bij platformbedrijven moet veel beter gereguleerd en gehandhaafd worden. En we versterken de zeggenschap van werknemers en hun vakbonden. Werknemers krijgen instemmingsrecht bij overnames en een sterke positie bij afhandeling van faillissementen, doorstarten, fusies en overnames. Het stakingsrecht gaan we wettelijk regelen. Er komen maatregelen om de positie van vakbonden te versterken. Onderdelen van cao’s kunnen alleen voor leden gaan gelden, teneinde free-rider gedrag tegen te gaan. In het burgerschapsonderwijs wordt aandacht gegeven aan het belang van vakbonden en van organisatie van werknemers. Er wordt niet getornd aan de algemeenverbindendverklaring van cao’s.

We versterken de positie van werknemers in het ontslagrecht, in plaats van de verslechteringen die Rutte III wil doorvoeren. We gaan borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand.

 

8.3.    Minder export en doorvoer, meer binnenlandse bestedingen, eerlijke handel in plaats van vrijhandel

 

Onze economie moet niet alleen minder afhankelijk zijn van de financiële industrie, we moeten in zijn algemeenheid minder afhankelijk worden het buitenland en dus van export en doorvoer. Binnenlandse bestedingen moeten veel meer de motor van onze energie worden. Nederland moet ophouden zichzelf te zien als een kleine open handelseconomie die goedkope lonen nodig heeft om de export op te drijven. In werkelijkheid zijn we onderdeel van een grote en in wezen gesloten economie, de eurozone, waarin de welvaart afhangt van een krachtige en duurzame binnenlandse vraag. Maar zelfs voor een kleine, open handelseconomie is het slecht beleid om met behulp van goedkope lonen het handelsoverschot op te drijven. Al in 1776 leerde Adam Smith ons dat de rijkdom van een land zich uit in de levensstandaard van burgers en niet in de handelsbalans. Lage lonen leiden niet tot een hoge levensstandaard. Dat het Nederlandse overschot op de lopende rekening als percentage van het bbp sinds 2010 meer dan verdubbeld is, toont aan dat we nog steeds teveel nadruk leggen op de export. Teveel van de Nederlandse productie gaat naar buitenlandse consumenten. Het is onjuist om goedkope lonen te verdedigen omdat die meer banen zouden betekenen. Ze betekenen weliswaar meer banen voor de export, maar die gaan ten koste van banen in de binnenlandse sector met een per saldo negatieve uitwerking op onze levensstandaard. Daarom moeten de lonen juist omhoog in de exportsector, zoals ook Klaas Knot, directeur van DNB, bepleit.

In plaats van de huidige sterke afhankelijkheid van de export en van de financiële industrie (die beiden onze economie kwetsbaar maken voor externe invloeden) moet onze economie meer gaan steunen op hogere, duurzaam verantwoorde, binnenlandse bestedingen. Dus: Geen investeringen meer in EU- en nationaal gesubsidieerde en vooral voor de export producerende landbouwsector, niet meer in havens en luchthavens, niet meer in het aantrekkelijk maken als vestigingsplaats van banken. Maar wel investeren in o.m. natuurinclusieve, voor de binnenlandse markt producerende landbouw, in circulaire economie, in verduurzaming energie, in innovatieve, sterke publieke dienstverlening, etc.

Eerlijke en duurzame handel moet volledige vrijhandel vervangen, ook in internationaal opzicht. We beoordelen handelsverdragen hierop zeer kritisch en staan geen aparte rechtssystemen hiervoor toe (geen ISDS, geen ICS). De vrijhandelsverdragen met Japan, Canada en de Zuid-Amerikaanse Mercosur-landen voldoen daar niet aan en kunnen dus niet gesteund worden. Lidstaten en regio’s in lidstaten moeten op grond van economische problemen en achterstand tijdelijk ontheffing kunnen krijgen van het verbod op overheidssteun aan bepaalde bedrijven of sectoren. Daartoe worden objectiveerbare criteria opgesteld, waaraan de Europese Commissie toetst.

Daarnaast verdubbelen we het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Dat budget wordt ontdaan van oneigenlijke zaken als migratie, Nederlandse handel en defensie. We zetten met name in op goed bestuur & democratische rechtsstaat, verduurzaming & tegengaan van effecten klimaatcrisis (droogte, wateroverlast, temperatuurstijging, extreem weer), emancipatie & non-discriminatie en de realisering van de VN-ontwikkelingsdoelen. Ernstige schending van mensenrechten betekent dat we geen handel bevorderen en overgaan tot sancties, liefst met zoveel mogelijk andere landen, bij voorkeur ook in EU-verband. Maar desnoods zetten we alleen de toon. De geloofwaardigheid van buitenlandse politiek moet terug.

 

8.4.    Minder op schuld gerichte economie met een veel kleinere, fors gereguleerde financiële sector

 

We willen in de eerste plaats een minder op schulden gerichte economie. De omvang van die schulden is internationaal vergeleken zorgwekkend groot, hetgeen ons zeer kwetsbaar maakt. Het is een rem op economische groei en een levensgevaarlijk gevaar voor de macro-economische stabiliteit. De WRR waarschuwde in oktober 2016 dat de omvang van de financiële sector in ons land nog steeds ‘topzwaar’ is. De bezittingen van de banken en verzekeraars zijn ruim vier keer zo groot als de totale Nederlandse economie. Dat betekent dat een toonaangevende bank die in de problemen komt al gauw te groot zal zijn voor Nederland om te redden. De WRR waarschuwt dat burgers zich na de crisis ondanks aangescherpte regels en hogere buffers zich niet veilig mogen wanen. Ze verwacht dat de onrust in het financiële systeem de komende tien jaar zal aanhouden, hetgeen tot nieuwe crises en kostbare reddingoperaties van banken kan leiden.

De absurd grote omvang van hypotheekschulden maakt ook onze financiële sector, die ook weer winst maakt door hypotheken door te verkopen[60], veel te groot ten opzichte van ons bbp. De winsten van de banken zijn weer enorm. De kosten voor de betaling-betaler van hun redding zijn nog steeds niet volledig terugbetaald, en de problemen in vorm van hoge private schulden bij burgers door de bankencrisis duren ook nog voort.

In plaats van de focus op reductie van overheidsschulden moeten we de focus richten op reductie van private schulden, voor een duurzame, stabiele economische groei. De wereld is in wezen een systeem van met elkaar verbonden balansen. Van banken, van burgers, van bedrijven. Het bezit van de een is het krediet van de ander, en zo bestaat een complex systeem van communicerende vaten, groot en klein. Het krediet groeit en is nu wereldwijd 250 procent van het bbp. Van afbouw van leningen, van het verkleinen van de hefboom is sinds Lehman geen enkele sprake. Integendeel. De langdurig lage rentes kunnen ervoor zorgen dat er geld wordt geleend voor projecten of activiteiten die bij een hogere rente helemaal niet zouden zijn ondernomen of ontplooid. Het is dan ook zeer de vraag of het nieuwe bezit dat tegenover al dat extra krediet staat, in dat grote systeem van communicerende balansen, van goede kwaliteit is – en blijft. Als wereldwijd de productiviteitsstijging geen gelijke pas houdt met de groei van het krediet, dan gaat dat fout. Dat zal blijken, als de rente een keer met een schok omhooggaat. Niet vandaag, wellicht ook niet dit jaar, maar eens. Dat moet worden voorkomen met een forse krimp van onze private schulden en daarmee van de onze financiële sector. We stoppen radicaal met het aantrekken van nieuwe financiële spelers uit het buitenland, zoals nu in de aanloop naar de Brexit gebeurt.

Met de door ons bepleite beperking van hypotheken zal ook de financiële sector sterk krimpen. Dat willen we nog verder bevorderen door hogere buffers bij banken te eisen. Banken mogen elke euro op de balans nog altijd 25 keer uitlenen. Dat is veel te riskant. Wij willen de buffers geleidelijk verhogen naar 10 procent van het kapitaal. De gewogen risico-eisen worden eveneens verhoogd. Hard eigen vermogen is beter dan vermogen dat kan worden omgezet in eigen vermogen (coco’s). Wij willen daarom stoppen met de fiscale bevoordeling van coco’s – een soort converteerbare obligatieleningen waarmee banken strengere kapitaalregels kunnen omzeilen. In de risicomodellen van banken moeten harde ondergrenzen aan het kapitaal worden gesteld, de zogenaamde kapitaalvloeren.

Ook meer regulering helpt om de ‘Wolf on Wall Street’ te temmen. We voeren een verbod in op te risicovolle producten, verplichten tot een harde scheiding tussen nuts- en zakenbankfuncties (aparte spaarbanken)[61]. De huidige strenge bonuswetgeving wordt verscherpt: een bonus mag niet 20 maar nog maar 10% van het vaste salaris bevatten en mag niet gerelateerd zijn aan doelstellingen die speculatie bevorderen of anderszins strijdig zijn met het algemeen belang.

Ook de omvang per bank is nu te groot. We willen streven naar een stelsel van kleinere banken, die bij problemen dan ook minder kostbaar gered kunnen worden. Kleinschaligheid helpt ook de focus meer op het klantbelang te leggen en de nutsfuncties van banken te versterken. We willen ook meer diversiteit in banken, waaronder een staatsbank en een echt coöperatieve bank. SNS Bank moet daarom beslist niet naar de beurs.

Als een bank gered moet worden, wentelen we dat niet meer af op de belastingbetaler. De leiding moet dan plaatsmaken. Bij wanbeleid volgt vervolging, we schikken niet meer.

We stellen het belang van klanten centraal bij banken met regels over minima aan kantoren, persoonlijk contact en advies, geldautomaten, etc. Dit zal ook het verlies aan werkgelegenheid, met name voor lage en middelbaar geschoolde functies, deels kunnen compenseren. Het wordt eenvoudiger om van bank over te stappen – banken moeten o.m. zelfde rekeningnummer blijven gebruiken en automatische incasso’s continueren. Betaalgegevens zijn van de klant, niet van de bank. Banken beschikken alleen over de gegevens, omdat zij een nutsfunctie hebben: het veilig en goed laten verlopen van het betalingsverkeer. Banken mogen betaalgegevens niet verkopen aan derden. De gedragscode waarin de omgang met betaalgegevens is geregeld, willen wij aanpassen, waarbij de bescherming van privacy voorop staat.

Banken dragen nog steeds te weinig bij aan de overheidsfinanciën. Banken betalen geen btw. Wij willen de bankbelasting daarom verhogen. Daarnaast voeren we in Europees verband een belasting in op speculatieve transacties met aandelen (Financial Transaction Taks – FTT – of ook wel Tobin-tax genaamd).

Wij willen de bankenunie vervolmaken door de invoering van een door banken zelf gefinancierd Europees depositogarantiestelsel (DGS), zodat overheden onder druk van spaarders niet in de verleiding komen falende banken alsnog te redden. Met de invoering van een Europees DGS zorgen we ervoor dat de Europese bankenunie naast Europees toezicht en een Europees steunfonds stevig op drie pijlers rust. Daarvoor is het wel nodig dat de bankbalansen eerst verder op orde worden gebracht. Ook de verstrengeling tussen banken en overheden moet verder worden doorbroken. Staatsobligaties moeten daarom een eerlijkere weging krijgen in de Europese en internationale financiële regelgeving. Ook wordt het aandeel staatsobligaties op een bankbalans gemaximeerd.

We willen een vervolg op de discussie over de rol van banken en van de overheid bij geldcreatie en stellen regels voor of tegen het gebruik van digitale geldmiddelen als bitcoins. Geldschepping moet de samenleving dienen: een goede democratische controle op geldschepping, het voorkomen van financiële zeepbellen en het creëren van ruimte voor publieke bestedingen. We stimuleren dat geld in de productieve economie terechtkomt en ontmoedigen speculatie.

Sommige verzekeraars verkeren in zwaar weer. Wij willen dat er geen dividenden mogen worden uitgekeerd als buffers onder druk staan. De Nederlandsche Bank moet hierop toezicht houden. Collectieve schadeafhandeling is slecht geregeld in Nederland. Woekerpolishouders en derivatenbezitters blijven te lang met ellende zitten. Wij willen een juridische mogelijkheid invoeren om sneller tot collectieve oplossingen te komen.

De accountants hebben bewezen zichzelf niet te kunnen reguleren. We voeren regels en verscherpt toezicht in om te waarborgen dat de controle op rechtmatigheid en op een getrouw beeld geven op juiste wijze plaatsvindt. Zij moeten een Chinese muur opzetten tussen accountantswerkzaamheden en advieswerkzaamheden. Fiscalisten, accountants en vermogensbeheerders ontspringen nog te vaak de dans bij belastingontduiking. In de praktijk worden deze mensen zelden strafrechtelijk vervolgd, terwijl hier wel mogelijkheden voor bestaan. Dat moet anders, omdat dit de mensen zijn die de ingewikkelde constructies bedenken om de fiscus om de tuin te leiden. We moeten de mogelijkheden verruimen om adviseurs te vervolgen die meewerken aan belastingontduiking en agressieve belastingontwijking.

Er moeten ook scherpere regels komen voor private equity bedrijven. Het lange termijnperspectief bij bedrijven wordt ondermijnd door excessen van private equity-partijen en door activistische aandeelhouders. Die jagen bedrijven op om onderdelen af te stoten of onderdelen te verkopen zonder oog voor de belangen van werknemers of klanten. Gezonde bedrijven gaan daardoor op termijn kapot. We moeten de uitwassen van dit Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme bestrijden: de investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn; excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen moeten worden beperkt; de invloed van werknemers moet worden vergroot; en de kosten en het verdienmodel van private equity-partijen moeten transparant worden.

(Semi-)overheidsinstellingen moeten ook minder speelruimte krijgen op financieel terrein met een verplichte, externe toets op investeringen en contracten. Mogelijk kan de BNG hierbij ook een rol spelen als verplichte bankier.

 

8.5.                      Regulering van digitale economie en bescherming van de privacy

 

De privacy van burgers moet veel beter worden beschermd en het internet moet meer worden gereguleerd. Overheden en publieke instellingen moeten zelf controle houden over hun databestanden. Er komt wettelijk gegarandeerde zeggenschap en transparantie over de koppeling van databestanden in publieke sectoren. Het medisch beroepsgeheim wordt niet aangetast. We draaien het mogelijk maken van het verkopen van je data door je bank terug. Burgers krijgen zeggenschap en controle over wat er met hun data gebeurt en er komen strenge wettelijke voorwaarden voor het omgaan met deze data. Bij het gebruik van algoritmes en databestanden wordt transparantie wettelijk verplicht. Stigmatiserend gebruik van algoritmes, bijv. bij het bestrijden van fraude, wordt verboden. Algoritmes mogen niet leiden tot uitsluiting op de arbeidsmarkt of verzekeringen.

We ondersteunen de ontwikkeling van een ‘publiek internet’, met waardengedreven publieke en non-profit platforms, waardoor informatie en communicatie, en daarmee datastromen, niet langer via commerciële platforms hoeft te gaan. Zo bevorderen we een divers en pluriform internet met verschillende typen spelers. We gaan de digitale infrastructuur veel steviger reguleren. Dit geldt des te meer in het geval platformbedrijven nutsfuncties vervullen. De huidige kaders voor wetgeving en regulering lopen achter bij de alledaagse realiteit van algoritmische lock-ins, ongebreidelde verknopingen van datastromen, vervagende grenzen tussen de private infrastructuur en gebruikersvoorwaarden met een onduidelijke status. Het dwingend en niet transparant goedkeuren van delen van je data en surfgedrag op websites wordt verboden. Zelfregulatie is evident onvoldoende gebleken. Platformbedrijven moeten voor hun diensten voldoen aan dezelfde eisen als hun concurrenten: cao-naleving (Picnic), verbod op schijnzelfstandigheid (Deliveroo, Uber), beroepsvoorschriften (Uber) en belastingvoorschriften als btw en toeristenbelasting (AirBNB).

We voeren naar Frans voorbeeld een aparte belasting in op digitale diensten (Digitaks) en voeren wetgeving in om monopolyposities (zoals Google bij zoekmachines en Facebook bij sociale media) te breken. Dat kan o.m. met interoperabiliteit, het verbieden van koppelingen (zoals die nu door de Europese Commissie is verboden tussen het besturingssysteem Windows en de zoekmachine Internet Explorer), en door te verbieden dat toegang tot platforms of data uniek is – zoals nu Facebook bepaalt welk aanbod van andere partijen is toegestaan. Dataportabiliteit maakt het gebruikers mogelijk een alternatief voor Facebook te kiezen zonder gegevens te verliezen en dus zonder virtuele vrienden te verliezen.

We nemen maatregelen om jongeren beter te beschermen tegen potentieel beschadigende content en verslavend internetgedrag, en om burgers te misleiden met ‘fakenews’ – dat moet wel zeer transparant en controleerbaar gebeuren, onafhankelijk van de overheid – en bewuste manipulatie van de democratie.

 

 

9.    Versterking van de democratische rechtsstaat

 

We versterken de representatieve, gekozen democratie met meer geld voor onderzoek en ondersteuning van volksvertegenwoordigers in ieder gekozen orgaan, een veel betere vergoeding van hun werkzaamheden op lokaal en provinciaal niveau, en versterking van de positie van politieke partijen, met eisen aan democratische organisatie en financiële transparantie. Private financiering van politieke partijen mag slechts beperkt en volledig transparant plaatsvinden. Er komt een lobbyregister. Het nevenwerkzaamheden en -inkomstenregister wordt veel sterker gehandhaafd, met boetes en bekendmaking bij overtredingen. Er komt geen kiesdrempel. We versterken de rechten van parlementaire minderheden. De informatiepositie van volksvertegenwoordigers wordt versterkt (en niet beperkt, zoals het huidige kabinet wil), ambtelijke notities en verslagen mogen niet meer worden achtergehouden.

Directe democratie verdraagt zich slecht met vertegenwoordigende democratie. Ze dreigt gauw te ontaarden in een dictatuur van de meerderheid, waarbij de belangen en argumenten van de minderheid er niet toe doen. Vertegenwoordigende democratie met evenredige vertegenwoordiging, een lage kiesdrempel en bescherming van rechten van politieke minderheden geeft meer kans op een betere weging van het algemeen belang. Directe democratie is zeer gevoelig gebleken voor eenzijdige informatie en opinievorming. We voeren geen referendum in, anders dan op lokaal niveau voor kwesties die alleen dat lokale niveau betreffen. Daarvoor komen hoge drempels (aanvraag gesteund door 40% van kiesgerechtigde inwoners, uitslag tenminste 50% voor van stemgerechtigden). Wel voeren we een uitgebreider burgerinitiatiefregeling in. En gaan we in wijken en dorpen vormen van gedeeltelijk zelfbeheer invoeren, bijv. op terrein van groenbeheer en -onderhoud. Burgerparticipatie bij totstandkoming beleid wordt verder bevorderd. Daarvoor komt een speciaal ondersteunings- en innovatieprogramma en -budget.

We voeren een Grondwettelijke toetsing in van wetten. De Raad van State wordt gesplitst in een adviesorgaan van de wetgever en in een bestuursrechter, die ook deze Grondwettelijke taak erbij krijgt. De Eerste Kamer blijft bestaan, maar krijgt een terugzendrecht. De Eerste Kamer wordt iedere twee jaar voor de helft opnieuw gekozen door de leden van de Provinciale Staten. Gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen tussentijds door hen zelf of hun bestuur ontbonden worden voor tussentijdse verkiezingen.

We voegen de taken en bevoegdheden van de waterschappen bij de provincies. Er komt een provinciale herindeling met een Randstadprovincie. Gemeenten worden niet meer tegen hun wil heringedeeld. De bestuurskracht van kleine gemeenten wordt versterkt met meer geld en mogelijkheden voor aantrekken van hoog genoeg geschoold personeel. Gemeenschappelijke regelingen worden vervangen door overheveling van taken en bevoegdheden naar de provincies, dan wel door opheffing ervan.

De burgemeester en de commissaris van de Koning worden gekozen door de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten. De kabinetsformateur wordt door de Tweede Kamer benoemd en ontslagen.

De staatsrechtelijke rol van de Koning wordt ook in formele zin beperkt tot representatieve en extern vertegenwoordigende functies. De Grondwet wordt ontdaan van de suggestie dat wetten bij de gratie van een God verkondigd worden. Leden van Koninklijk Huis betalen gewoon belasting en hun inkomen wordt gebracht onder de maximum norm voor topbeloningen in de publieke sector. Van staatsvoorzieningen kan geen gebruik gemaakt worden voor privédoeleinden en paleizen zijn publiek bezit en worden zoveel mogelijk ook voor publiek toegankelijk.

We zetten in op verdere democratisering van de EU. Er komt een aparte Europese Senaat met leden gekozen door en uit de leden van de nationale parlementen van de lidstaten. Deze zetelt in Straatsburg. Het Europees Parlement wordt dan niet langer meer gekozen per lidstaat, maar op Europese lijsten van Europese partijen, en zetelt alleen in Brussel. Het EP kiest de voorzitter van de Europese Commissie, en moet akkoord gaan met de benoeming van de andere leden ervan, waarin niet langer iedere lidstaat vertegenwoordigd is. De voorzitter van de Europese Raad van ministers moet met instemming van de Europese Senaat gekozen worden. Het vetorecht wordt drastisch beperkt, meerderheidsbesluitvorming wordt de norm. De bevoegdheden van Europees Parlement worden uitgebreid. De controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering wordt versterkt met meer bevoegdheden van de Europese Rekenkamer. De rechtspositie van de Europarlementariërs wordt substantieel versoberd.

De plan- en onderzoeksbureaus van de overheid en het CBS worden wat betreft de wetenschappelijke pluriformiteit en onafhankelijkheid versterkt. Er komt een aparte onafhankelijke Uitvoeringskamer, die vooraf toetst of voorstellen voldoende uitvoerbaar zijn. De Algemene Rekenkamer krijgt bevoegdheid om geen goedkeurende verklaring te geven. Deze kan worden overruled door een besluit van de gezamenlijke Eerste en Tweede Kamer. Er komen verplicht rekenkamers voor lagere overheden.

We versterken de publieke controle door extra middelen voor onafhankelijke, journalistiek, met als speerpunten lokale, regionale en Europese politiek en onderzoeksjournalistiek. De publieke omroep wordt versterkt met meer digitale mogelijkheden. Reclame wordt daar vervangen door extra bekostiging.

We versterken de democratische rechtsstaat door een substantiële versterking van het recht op openbaarheid in de Wet op de openbaarheid, en een betere regeling voor klokkenluiders. De positie van de Ombudsman en van de Kinderombudsman worden ook versterkt. Gemeenten en provincies moeten zich aansluiten bij een regionale onafhankelijke, bij wet ingestelde Regionale Ombudsman. Burgers krijgen meer rechtsbescherming tegen besluiten van gemeenten, maar procedures worden verkort en aan het eindeloos kunnen doorprocederen wordt een eind gemaakt.

 

 

10.        Linkse begrotingspolitiek met een herstelplan voor de volgende crisis

 

10.1.                  Linkse begrotingspolitiek

 

We voeren een linkse begrotingspolitiek, maken een eind aan de schadelijke te grote zuinigheid bij de overheid en hebben in lijn daarmee een plan gereed voor bestrijding van de volgende crisis. Bovenstaande nieuwe sociaaldemocratische agenda is prima financierbaar. We halen het geld waar het zit. We zijn voor degelijke financiering van overheidsuitgaven, maar dan wel zonder neoliberale dogma’s en gericht op de langere, duurzame termijn. We stoppen met de overdreven spaarzaamheid. Hervormingen moeten voldoen aan eisen van sociale rechtvaardigheid en aan eisen van ecologische duurzaamheid. Er is veel meer begrotingsruimte als we de afspraken over staatsschuld en financieringstekort niet meer zo idioot formuleren als nu gebeurt. We hoeven het vermogen van de overheid niet geforceerd op te krikken. Zorgen over de staatsschuld worden zeer overdreven. De Nederlandse overheid heeft altijd een netto-vermogen gehad, geen netto-schuld: de bezittingen zijn groter dan de schulden en gegarandeerde toekomstige inkomsten, m.n. de zekere inkomsten uit belastingen op pensioenen. Zo bezien heeft ons land helemaal geen staatsschuld.

We nemen de bezittingen en vorderingen van de overheid in aanmerking bij de herformulering van de staatsschuld. En we stappen af van de regel dat meevallers op de begroting (volgens de Najaarsnota 3,7 miljard euro in 2018!) alleen gebruikt mogen worden voor de aflossing van de staatsschuld.

Het financieringstekort hoeft ook niet per sé maximaal 3 procent op jaarbasis te zijn. Gemiddeld 3 procent voor een langere periode zou de inzet moeten zijn. Er is daarnaast geen enkele noodzaak tot het creëren van een begrotingsoverschot, dat er nu al is (nu 1,5% van ons bbp, 11 miljard euro!). Begrotingsoverschotten moeten gebruikt worden voor investeringen. Begrotingsdoelen moeten we afwegen tegen sociale doelen (werkgelegenheid, ongelijkheid, armoede en uitsluiting) en duurzaamheidsdoelen. Ja, dat moeten we Europees regelen, met een verandering van het stabiliteits- en groeipact, maar laten we daar maar eens assertief in zijn.[62] Worden de Europese begrotingsregels niet aangepast, dan zit er niks anders op dan statelijke ongehoorzaamheid. We moeten niet te benauwd zijn om veranderingen af te dwingen, zolang het vetorecht nog bestaat. De EU zal sociaal zijn, of niet zijn.

Geen landen als zondebokken. Rond 2010 zorgde het conflict tussen de eurogroep en Griekenland voor een enorme omslag in de framing van de crisis. Toen Griekenland het epicentrum van de crisis werd, waren plotseling niet langer de banken en de financialisering van de economie de schuldigen, maar geld verbrassende overheden. En was de oplossing niet langer het aan banden leggen van de financiële industrie, maar moest de oplossing komen van overheidsbezuinigingen. Bij een volgende crisis zal het een hele kunst worden om niet opnieuw te gaan geloven dat het allemaal de schuld is van een dom land, Italië bijvoorbeeld. Italië is met de hoge staatsschuld en de eigenwijze, populistische regering de ideale zondebok. Hoe onverstandig het beleid van dat land misschien ook is (niet vanwege het laten oplopen van de staatsschuld, maar vanwege het gebrek aan goede plannen voor de besteding van het geld en de slechte en oneerlijke inning van belastingen), Italië is niet de oorzaak van een volgende crisis. Hoogstens een druppel die de emmer doet overlopen. Wie zich laat afleiden door zondebokken, komt niet toe aan het aanpakken van de werkelijke oorzaken.

Voorts moeten we in de EU Eurobonds invoeren: landen lenen geen geld op de ‘gewone’ geldmarkt, maar van de Europese Centrale Bank, waarbij landen in feite garant staan voor elkaar. Als staatsschulden oplopen gooit de private geldmarkt maar al te graag de rente voor staten omhoog. Daardoor loopt de staatsschuld verder op en ontstaat een eindeloze negatieve spiraal. Eurobonds voorkomen dat, want de ECB kan de rente in de hand houden. Ook de ECB zal voor verschillende landen verschillende tarieven rekenen, maar veel gereguleerder dan op de markt. Als je de rentevorming aan de markt overlaat geef je financiële markten de macht om landen af te straffen. Bij Italië kunnen Eurobonds het verschil zijn tussen wel en niet omvallen. Eurobonds betekenen voor landen als Nederland en Duitsland wel een iets hogere rente.

Wij pleiten voor veel meer overheidsinvesteringen. Investeren in rendabele projecten, uiteraard. Rendabel, in die zin, dat we als samenleving daarin op langere termijn de vruchten van pakken. Rendabele doelen zijn bestemmingen die de economie en samenleving toekomstbestendiger maken. Denk aan de ecologische duurzaamheidstransities (klimaat, circulaire economie, landbouw/biodiversiteit), bescherming tegen gevolgen van klimaatcrisis (zeespiegel, veel regen in korte tijd, droogte, bodemdaling), duurzame infrastructuur (elektriciteitsnetten, warmtenetten, openbaar vervoer), betaalbare woningen (vooral huur), onderwijs en onderzoek/innovatie (dat moet ook de belabberde productiviteitsgroei verbeteren), etc.

Zeker nu de rente zo laag is en voorlopig ook zal blijven moeten we nu ook in deze tijd van relatieve voorspoed als overheid fors investeren. Zoals de Rotterdamse econoom Bas Jacobs in het Financieel Dagblad[63] uitlegde komt dat maar deels door het ECB-beleid. Er zijn structurele ontwikkelingen – vergrijzing/ontgroening, robotisering/digitalisering en stijgende ongelijkheid – die hiervoor zorgen (de besparingen nemen toe en voor investeringen is steeds minder een beroep op de kapitaalmarkt nodig). Vooral de vergrijzing/ontgroening zal zeker ervoor zorgen dat voor een lange periode de rente zeer laag en zelfs negatief blijft (zie ook Japan, dat ons hierin voorging). Voor het eerst in de geschiedenis is de rente op staatsleningen bij alle looptijden negatief. De rente op tweejaarsstaatsleningen is –0,85 procent, op tienjaarsleningen –0,47 procent en op dertigjaarsleningen –0,17 procent (15 augustus 2019). Daarmee verdiend de overheid voor het eerst door meer te lenen. Aflossen van staatsschuld kost juist geld. Jacobs concludeert dan ook dat aflossing onnodig is (‘de overheidsfinanciën zijn nu volledig houdbaar) en ook onwenselijk is. Het schaadt niet alleen onze welvaartsgroei, maar als er steeds minder staatsschuld is, verdwijnen ook steeds meer de hard nodige risicovrije beleggingen voor banken, verzekeraars en pensioenfondsen.

Wat nodig is, zijn minder besparingen (dat doen we o.m. door de AOW te verhogen en daarmee de aanvullende pensioenen te verlagen[64]), hogere consumptie (dat doen we door hogere inkomens te regelen) en hogere investeringen, zowel privaat (dat doen we door kapitaal aan te wenden voor speculatieve doeleinden of dood laten staan fiscaal onaantrekkelijk te maken en door anti-speculatie regelgeving) als publiek. Dat zorgt voor een hogere welvaart voor huidige én toekomstige generaties. Jacobs: “Beleidsmakers kunnen de macro-economische gevolgen van de extreem lage rente niet meer negeren. De financiële markten schreeuwen al jaren: ‘overheid, investeer meer! We willen je daarvoor betalen!’ Ambitieuze investerings- en hervormingsplannen ontbreken echter bij de overheid.” Jacobs concludeert terecht: “Den Haag moet eindelijk serieus gaan nadenken over macro-economische politiek. Doorgaan op de doodlopende weg van calvinistische zuinigheid maakt Nederland armer, nu en in de toekomst.

We hadden ooit de gulden financieringsregel dat overheden konden lenen voor rendabele investeringen. Die moeten we weer hanteren. En die leningen tellen dan niet mee voor het financieringstekort, de kost gaat voor de baat uit. Investeringen gaan we zoveel mogelijk doen via een Nationale Investeringsbank (NIB) 2.0, dat voor 51% ook gevoed wordt door pensioenfondsen. NIB 2.0 geeft weer obligaties uit, die ook door ECB gekocht kunnen worden. Bij de te financieren projecten moeten steeds ook concrete, meetbare doelen als het versterken van de werkgelegenheid, het beperken van ongelijkheid en het versterken van de bestaanszekerheid betrokken worden. Waar het bedrijfsleven van deze investeringen meeprofiteert, is er van die zijde cofinanciering.

 

10.2.                  Een plan voor wat te doen bij de volgende crisis

 

In tijden van financieel-economische crisis voeren we (neo-)Keynesiaanse begrotingspolitiek. We bezuinigen niet op de sociale zekerheid, pensioenen of de werkgelegenheid en inkomens in de publieke sector, en we verhogen niet de lasten van huishoudens ten bate van lagere lasten op kapitaal – zoals na de crisis in 2008 is gedaan.

Na 2008 sloegen de opeenvolgende kabinetten hard aan het bezuinigen om het begrotingsgat te dichten en de staatsschuld te verkleinen. Dat heeft Nederland zeker 5% aan economische groei gekost, berekende het Centraal Planbureau in 2016. Zonder die bezuinigingen was het bbp nu 35 miljard hoger geweest. In sommige terugblikken ter ere van tien jaar crisis werd gesuggereerd dat de bezuinigingen een keuze waren van het rechtse kabinet dat in 2010 aantrad (VVD/CDA, met gedoogsteun van de PVV). Echter, al in de herfst van 2009 kondigde het kabinet-Balkenende/Bos (CDA/PVDA/CU) aan flink te gaan bezuinigen om het begrotingstekort weg te werken, en ook het kabinet-Rutte/Asscher (VVD/PvdA) dat in 2012 aantrad kortte hard. Door opeenvolgende kabinetten werd zo’n vijftig miljard euro structureel bezuinigd.

De pijnlijke conclusie van de Rekenkamer in 2016: de bezuinigingen waren bedoeld om de overheidsfinanciën op orde te brengen, maar de kans is groot dat de bezuinigingen daar geen positief effect op hebben gehad. In de woorden van de Rekenkamer: het is niet te zeggen of het begrotingstekort dankzij of ondanks de bezuinigingen gedaald is. Want minder economische groei betekent ook minder overheidsinkomsten. Bovendien leiden bezuinigingen tot een waterbedeffect: elders nemen de kosten toe. Van de vijftig miljard aan bezuinigingen kwam overigens slechts zeven miljard ten laste van het bedrijfsleven. De Rekenkamer raadde het kabinet aan om alsnog de bezuinigingen goed te evalueren om ‘te weten wat wijs beleid is in moeilijke tijden’. Toenmalig minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem liet echter weten een dergelijke evaluatie niet nodig te vinden. Nog steeds roepen de politici van Paars II dat zij niet anders konden dan bezuinigen op de portemonnee van burgers, terwijl zelfs het IMF, de Wereldbank en bijv. ook de ING erkennen dat door dit beleid de crisis juist verdiept en verlengd werd, en het herstel dus vertraagd, met een schade van honderdduizenden extra werklozen en een verlies aan nationaal inkomen van 16,5%, een verlies dat grotendeels structureel geworden is. Inmiddels zijn de meeste economen het erover eens dat je in tijden van crisis juist niet moet bezuinigen.[65] Is er eenmaal weer economische groei, dan nemen de staatsschuld en het begrotingstekort vanzelf snel af.

Wat moeten we wel doen? In een crisis worden bedrijven terughoudend met investeringen en ook burgers houden de hand op de knip. Om te voorkomen dat de economie in een spiraal naar beneden raakt, is het aan de overheid om te blijven investeren. Dat is goed voor de werkgelegenheid, goed voor de koopkracht, en er is veel nuttigs te doen: het energiezuinig maken van woningen, grootschalige duurzame energie, wijken opknappen, infrastructuur up-to-date maken, nieuwe woningen bouwen. Dan moeten er op het moment van crisis wel concrete plannen klaar liggen die direct uitvoerbaar zijn. En die investeringen moeten dan niet afhankelijk gesteld worden van private cofinanciering, zoals in het verleden vaak werd gedaan. Dat werkt niet in tijden van crisis, de overheid zal zelf verantwoordelijkheid moeten nemen. Een deel van de investeringen kan prima door semipublieke instellingen zoals de woningcorporaties gedaan worden, mits zij er de ruimte voor krijgen. Tijdens de vorige crisis gebeurde echter precies het omgekeerde. De corporaties werden aan banden gelegd door hun taken sterk te verminderen en door het invoeren van een verhuurdersheffing. Dat zorgde ervoor dat in een tijd dat de particuliere bouw stilviel ook de bouw door corporaties vrijwel stopte. Waardoor al met al 70.000 mensen in de bouw hun baan verloren.

En bij de investeringen moeten ook niet ineens allerlei wettelijke procedures buiten werking gesteld worden. Regeringen grijpen een crisis graag aan om te doen wat ze al lang wilden maar waar voordien geen draagvlak voor was. Partijen die zich al heel lang ergerden aan de uitgebreide inspraakmogelijkheden bij infrastructurele plannen grepen de vorige crisis aan om daar in één klap van af te komen. De Crisis- en herstelwet werd in de markt gezet als grote aanjager van werkgelegenheid in crisistijd en kleedde de inspraak van bewoners en milieuorganisaties grotendeels uit. Snelwegen, vliegvelden (Lelystad), grote mestvergistingsinstallaties: het moest allemaal snel aangelegd kunnen worden om de crisis te bestrijden. Het verzet van milieuorganisaties werd beperkt door hun voor te houden dat ook windmolens eerder gebouwd zouden kunnen worden. De Crisis- en herstelwet van 2010 was eerst tijdelijk maar werd drie jaar later permanent. Want ook dat is een les van de crisis: tijdelijke maatregelen zijn vaak een opmaat voor permanente maatregelen. Bij een volgende crisis is het zaak ervoor te zorgen dat de crisis niet opnieuw misbruikt wordt.

Hoe slechter de economische situatie, hoe belangrijker een goed vangnet om ervoor te zorgen dat mensen niet helemaal door de bodem zakken. In economische termen is sociale zekerheid een van de ‘automatische stabilisatoren’: de koopkracht blijft enigszins op peil, wat goed is voor bedrijven. De huidige sociale zekerheid is echter een stuk uitgekleed in vergelijking met 2008. De maximale duur van de werkloosheidsuitkering is verminderd (van maximaal 38 naar 24 maanden, soms per CAO wel uitgebreid), mensen tot 27 jaar hebben minder snel recht op bijstand en ouderen moeten tegenwoordig eerst hun huis ‘opeten’ voordat ze recht hebben op bijstand. Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid. Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken zou het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid moeten worden. Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang te gaan bezuinigen.

We koppelen de duur van de WW-uitkering aan conjunctuur. Wij vervangen de verkorting van de WW van 3 naar 2 jaar door een alternatief dat het CPB eerder heeft geschetst, namelijk om deze anticyclisch toe te passen: de maximale WW-duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur. Werknemers worden zo beter beschermd als het risico op werkloosheid hoger is. En een regeling voor deeltijd-WW kan ervoor zorgen dat mensen toch hun baan behouden: ze blijven in dienst maar werken minder uren en krijgen voor de niet gewerkte uren een uitkering. Duitsland kent een permanente regeling voor deeltijd-WW: bedrijven waar het tijdelijk slecht mee gaat, kunnen er gebruik van maken mits de ondernemingsraad akkoord is.[66] Een van de eerste dingen die bij een volgende crisis zou moeten gebeuren is het opnieuw instellen én volhouden van deeltijd-WW.

Het aantal zzp’ers is flink toegenomen na de laatste crisis. Zij hebben geen recht op WW of geld bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Broodfondsen, waarbij zzp’ers elkaar financieel ondersteunen, helpen in geval van crisis niet want dan zit iedereen in zwaar weer. Bij een volgende crisis zullen daarom veel meer mensen in armoede vervallen. Het hiervoor bepleitte gegarandeerd Zekerheidsinkomen helpt ook om mensen te behoeden voor armoede in tijden van crisis, net als het bepleitte minimumtarief voor zzp-ers en verplichte collectieve verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid en voor aanvullend pensioen. De overmatige flexibilisering zal in tijden van crisis niettemin een groot risico blijven vormen, veel zzp-ers zullen onvoldoende hebben gespaard om te kunnen blijven investeren. De overheid moet voor zzp-ers en voor het mkb risicoarme en goedkope investeringskredieten organiseren. En we moeten de gratis scholingsmogelijkheden voor mensen in de WW en de bijstand (te vervangen door het gegarandeerde zekerheidsinkomen) drastisch verruimen, zeker in tijden van crisis. In plaats van de werklozen op te jagen naar werk dat er in tijden van crisis onvoldoende is, kunnen we beter zorgen dat mensen zich verder en beter scholen. Op termijn is dat veel beter voor de economie.

De maximum hypotheek wordt conjunctuur afhankelijk (naar Canadees voorbeeld): hoger bij stijgende prijzen en lager bij dalende prijzen. Dit helpt om bij de crisis koopwoningen langer betaalbaar te houden. Door veel meer te investeren in betaalbare huren en het oplossen van de woningnood, door drastisch schulden van huishoudens te saneren en te investeren in preventie van en hulpverlening bij schulden, alsmede door het fors verlagen zorgen we dat huishoudens er bij een volgende crisis beter voor staan.

En we verhogen de vermogensbelasting voor miljonairs in tijden van crisis, omdat de inkomsten uit de belasting voor vermogensrendementsheffing dan drastisch zullen teruglopen – het rendement op vermogen in economisch is in slechte tijden laag of zelfs negatief. En we verhogen de progressieve vennootschapsbelasting op winst van bedrijven met een solidariteitsheffing op winst die niet geïnvesteerd wordt. Zo kunnen investeringen des te meer blijven plaatsvinden, maar worden dividenduitkeringen en opkopen van eigen aandelen, of het oppotten van winst in overmatige reserves in tijden van crisis extra ontmoedigd. In 2008 werd het tegenovergestelde gedaan: de vennootschapsbelasting werd verlaagd.  Zo blijft het stelsel solidair en zorgen we voor geld voor de publieke zaak.

Een van de grote problemen tijdens de vorige crisis was dat banken van schrik geen geld meer uitleenden. Doordat bedrijven gewend zijn om veel met leningen te financieren, ook hun ‘gewone’ uitgaven, had het opdrogen van de kredietverlening enorme gevolgen. Een bedrijf als NedCar merkte in 2008 bijvoorbeeld dat verkochte vrachtwagens weer afbesteld werden omdat de klanten geen krediet meer kregen. Met gevolgen voor NedCar én voor alle bedrijven die op dat moment eigenlijk een nieuwe vrachtwagen nodig hadden. Sommige bedrijven realiseren zich sindsdien hopelijk dat het beter is om dit soort kosten überhaupt niet met leningen te financieren maar met eigen vermogen. Maar gemiddeld genomen zijn bedrijven tegenwoordig nog afhankelijker van leningen dan in 2008: de totale schuld van bedrijven is inmiddels hoger dan kort voor de vorige crisis. Een plotselinge opdroging van de kredietverlening is funest. De overheid moet blijven zorgen voor de beschikbaarheid van bedrijfskredieten in tijden van crisis. Daarbij helpt de hiervoor bepleitte publieke Nationale Investeringsbank 2.0. Deze kan in tijden van crisis bedrijfskrediet blijven leveren. Ook kan de ECB als voorwaarde stellen aan banken om in aanmerking te komen voor overheidssteun dat zij deze kredieten blijven verstrekken.

De 2600 miljard die de Europese Centrale Bank de afgelopen jaren in de financiële markten pompte leidden tot vastgoed- en aandelenbubbels en kwamen niet ten goede van de werkelijke economie. Bij een volgende crisis zou het helpen als de discussie niet gaat over wel of niet stimuleren door de ECB, maar over de vorm waarin de ECB stimuleert. Een van de manieren om ervoor te zorgen dat het geld daadwerkelijk de economie versterkt is wat sommigen green quantitative easing noemen (groene geldverruiming). De ECB verstrekt dan grootschalig geld aan de Europese investeringsbank, die met dat geld de investeringen pleegt die nodig zijn voor de energietransitie. Waarbij de Europese investeringsbank zelf het initiatief neemt en niet afwacht of bedrijven met investeringsplannen komen, want dat valt zelfs tijdens hoogconjunctuur al tegen, laat staan in crisistijd. De afgelopen jaren werd als alternatief voor de Draghi-methode ook ‘helikoptergeld’ geopperd, oftewel het rechtstreeks uitdelen van geld aan mensen. Het voordeel van groene geldverruiming ten opzichte van helikoptergeld is echter dat je zeker weet dat het geld daadwerkelijk wordt uitgegeven en dat je er een groenere energie-infrastructuur voor terug krijgt.

Het enige goede aan een volgende crisis zou kunnen zijn dat er urgentie ontstaat om de oorzaken van de crisis aan te pakken: de schuldgedrevenheid van de economie, de ongebreidelde vrijheid van de financiële sector, aandeelhouders die bedrijven de verkeerde kant op sturen, banken die te weinig buffers hebben. Het aanpakken van de oorzaken betekent, zoals hiervoor al voorgesteld, het omvormen van de banken tot publieke dienstverleners, strenge regels voor de financiële industrie, het inperken van de macht van aandeelhouders, omvorming van de pensioenfondsen tot maatschappelijk verantwoorde investeerders in plaats van handelaren in financiële lucht, een andere vormgeving van de Europese samenwerking. Fundamentele aanpassingen waar het de vorige keer niet van gekomen is, onder meer doordat er kort na aanvang van de crisis vrijwel geen aandacht meer was voor deze onderliggende oorzaken.

 

10.3.                  Financiering van deze Nieuwe Tien over Rood

 

De financiering van deze agenda is nog niet doorgerekend. Maar deze nieuwe begrotingspolitiek en de voorgestelde grote lastenverschuivingen (van arbeid naar kapitaal en vervuiling en van arm/modaal naar rijk) geeft deze nieuwe begrotingspolitiek ruime mogelijkheden voor een solide, rechtvaardige en duurzaam effectieve financiering van deze sociaaldemocratische agenda. Veel parameters moeten nog preciezer worden ingevuld – dat moet zo gebeuren dat de degelijkheid van de financiering ook uit een doorrekening helder blijkt.

 

Tenslotte

 

We hopen dat deze agenda de sociaaldemocratie en onze PvdA inspireert voor een echt links verkiezingsprogramma, en hopelijk ook een links stembusakkoord met GL en SP (Keerpunt 2021!), ondersteund door tenminste de FNV, bij de eerstvolgende Tweede Kamerverkiezingen. We hopen ook op veel spannende, interessante discussies in en buiten onze partij, en dat het geloof in de maakbaarheid van onze samenleving en van onze idealen weer zal boven komen.

Vrolijk voorwaarts!

 

Linksom! in de PvdA

 

[1] Het CBS gaat uit van 120% van het sociaal minimum: € 1040 per maand voor een alleenstaande, € 1960 voor een gezin met kinderen. Zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/46/meer-huishoudens-met-risico-op-armoede-in-2017

[2] Het SCP hanteert andere normen die aansluiten bij die van het Nibud. Het SCP beschouwt iemand als arm als die te weinig inkomen verdient om wonen, voeding, kleding en verzekeringen van te betalen, het zgn. basisbehoeftenbudget. Daarnaast hebben ze een aparte norm als niet-veel-maar-toereikendbudget, waarin bovenop het basisbehoeftenbudget een klein bedrag voor minimale ontspanning en sociale activiteiten, zoals het abonnement bij een sportclub of bibliotheek. In beide budgetten ontbreken luxe goederen, zoals een auto. Het SCP heeft deze budgetten de laatste jaren verhoogd voor vooral huren, voeding en niet verzekerde zorgkosten. In 2016 kwam de armoedegrens volgens deze berekening voor een alleenstaande uit op 1135 euro per maand (1039 als basisbehoeftenbudget). Voor een alleenstaande ouder met twee kinderen lag het bedrag op 1691 resp. 1548 euro en voor een paar met twee kinderen op 2100 resp. 1922 euro. Zie: https://digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2018/

[3] Zie: https://voedselbankennederland.nl/wp-content/uploads/2019/05/Feiten-en-Cijfersper31-12-2018-DEF.pdf

[4] Zie recent ook weer: https://www.tubantia.nl/enschede/lik-op-stukbeleid-in-bijstand-brengt-enschedeers-tot-wanhoop~a891d2dc/

[5] Hoe belastend het zelfstandig burgerschap kan zijn blijkt uit een casus van de Nationale Ombudsman die de WRR aanhaalt. Een alleenstaande ouder met schoolgaande kinderen, een deeltijdbaan, een aanvullende uitkering en een huurwoning krijgt inkomsten van twaalf verschillende instanties. In dit geval komen er tachtig betalingen per jaar binnen waarvoor achttien formulieren moeten worden ingevuld. Stel je de papierwinkel voor, plus de kans dat er ergens misschien een foutje wordt gemaakt.

[6] https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2017/04/24/weten-is-nog-geen-doen

[7] In de rapporten van de Nationale Ombudsman is deze vicieuze cirkel terug te zien. In zijn rapport “In het krijt bij de overheid” is te lezen hoe mensen steeds dieper wegzakken in de schulden omdat ze achterlopen bij het betalen van rekeningen aan het UWV en de Belastingdienst. Vaak begon het met een boete die werd opgelegd vanwege een foutief ingevuld formulier of te laat doorgegeven informatie.

[8] De uitzendbureaus die hier bewust op sturen werden echter in alle commotie vaak buiten beschouwing gelaten, terwijl zij juist de Poolse migranten met deze praktijk uitbuiten, zoals CNV en FNV terecht aangaven. Zie: https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4534606/uitzendbureaus-polen-arbeidskrachten-migranten-kosten-ww-vakantie

[9] Waarbij opgemerkt moet worden dat bijna de hele Tweede Kamer hier boter op zijn hoofd heeft door eerst schande te roepen over fraude en de regering vroeg om hier meer werk van te maken.

[10] https://www.trouw.nl/economie/participatiewet-drijft-mensen-in-bijstand-tot-wanhoop-de-maatschappij-zit-niet-op-ons-te-wachten~bb992297/

[11] Voor iedereen vanaf 18 jaar, die Nederlander is of daaraan gelijkgesteld. Het geldt niet voor tijdelijke arbeidsmigranten, ook niet uit andere EU-lidstaten – net zoals dat nu ook zo is bij de bijstand.

[12] Een eigen vermogen van bijv. € 5000, plus de zelf-bewoonde eigen woning, roerende goederen, en bezittingen van een eventueel eigen bedrijf worden vrijgesteld. Andere vermogens moeten eerst aangewend worden, alvorens in aanmerking te komen van het Zekerheidsinkomen. Dat doet afbreuk aan de eenvoud en vraagt om controle, maar die is ook al van belang bij een hogere en effectievere belasting op kapitaal, als door ons bepleit onder IV. Zonder vermogenstoets is er een te grote prikkel om beschikbaar inkomen om te zetten in vermogen, en zou daarmee de inkomenstoets uithollen.

[13] Hierover bij onderwijs meer.

[14] De werknemersverzekeringen blijven in stand. De keuring bij de WIA gaan we onafhankelijk inrichten. De re-integratie van mensen uit de WIA naar werk wordt geïntegreerd in de nieuwe werkwinkels die daartoe samenwerken met de SW-bedrijven als expertcentra. Op de WIA-uitkeringen wordt niet – zoals Rutte III van plan is – bezuinigd, ook niet in de toegang tot de regeling.

 

[15] Europees voor de komende periode op bijv. maximaal 4%.

[16] Bijvoorbeeld met collaboratieve robots (cobots), die het routinewerk doen en die het precisiewerk aan de mens laten, door augmented reality (AR) waarbij extra informatie slim toegevoegd wordt maar de mens het werk blijft doen, en met slimme brillen (smart glass) die de onderhoudsmonteur toont waar zich een storing bevindt en hoe deze op te lossen. Medewerkers met een lagere opleiding kunnen zo complexe taken uitvoeren. De systemen kunnen ook inspelen op mensen met geheugenproblemen, mensen die moeilijk beslissingen kunnen nemen, mensen met concentratieproblemen, mensen die lastig omgaan met onverwachte gebeurtenissen, etc. Op deze wijze kan AR de arbeidsparticipatie van mensen met een lichte beperking enorm helpen, maar het wordt nog nauwelijks toegepast.  We gaan de gewenste ontwikkelingen en toepassingen subsidiëren.

[17] Volgens de directeur van werkgeversorganisatie AWVN is het mogelijk om hiermee zelfs 250.000 banen te creëren aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Denk aan computerhulp aan huis, de piccolo terug in hotels, baliefuncties in de zakelijke dienstverlening.

[18] Voor werklozen is er geen sollicitatie-, re-integratie, medewerkings- en taalplicht meer; voor mensen die minderjarig al een arbeidsbeperking hebben geen keuringseis meer.

[19] Vergelijk de plannen hiervoor van het AWVN.

[20] De baan wordt op maat aangeboden door gemeenten aan mensen die daarom verzoeken en die niet er in geslaagd zijn reguliere arbeid te verrichten. Er is genoeg werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, en noem maar op. Zo leggen we ook een vloer in de arbeidsmarkt. Anders dan bij de oude Melkertbanen is doorstroming naar een andere baan geen doel – basisbanen zijn echte banen. Er is niets mis met gesubsidieerd werk.

[21] Er zijn nu verschillende indicaties en bijbehorende geldstromen die het bemoeilijken om mensen aan het werk te helpen: beschut werk, garantiebanen (werkplekken bij bedrijven voor arbeidsgehandicapten, toegezegd door het bedrijfsleven), recht op job coaching. Allemaal met de beste bedoelingen georganiseerd. Maar als je vastlegt wie in aanmerking komen, sluit je ook mensen uit. Het blijkt alleen maar lastiger te zijn geworden. Beter is: één regeling en dan per individu maatwerk laten organiseren met meer budget- en regelvrijheid voor de uitvoerende, goed opgeleide professional.

[22] Bijv. maar voor 50% in het eerste jaar, 30% in het tweede jaar en 20% voor het derde jaar. Kleine baantjes leiden vaak tot meer werk, maar dan moet je ze in het begin niet te zwaar belasten. En er is zo geen risico dat je je inkomenszekerheid via het gegarandeerd basisinkomen verliest na een tijdje werk.

[23] Op dit moment leidt de goedbedoelde regeling ertoe dat bedrijven hun werknemers bewust maar op het minimumniveau belonen, om in aanmerking te komen voor de LIV. Met name in de retail (detail- en groothandel) voert de FNV daartegen terecht actie.

[24] Werkdruk is een groot en groeiend probleem. De helft van de verpleegkundigen overweegt iets anders te gaan doen vanwege de werkdruk. Per dag zitten bijna 5000 agenten ziek thuis door werkstress. Een op de vijf leraren kampt met burn-outklachten.  Onderkant formulier Voor degenen die zich een burn-out werken geldt naast feitelijke werkdruk ook dat veel overwerken, ook in de privé-tijd normaliseert en voor sommigen zelfs een statussymbool lijkt. Het is een van de redenen dat de productiviteitsstijging in de wereld stagneert.

[25] Gratis kinderopvang zal een belangrijke belemmering voor een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen wegnemen. Ruim 220.000 mensen werken niet wegens zorgtaken[25], waarvan 211.000 vrouwen.

[26] De lijst van veilige landen moet onafhankelijk worden vastgesteld. Procedures moeten niet moedwillig vertraagd worden om vluchtelingen en hun gezinsherenigers te ontmoedigen. Als je niet terug kan omdat je land van oorsprong je niet toelaat, moet je een aparte tijdelijke vergunning krijgen. Kinderen die hier geboren zijn of al 5 jaar hier wonen, moeten als regel met hun verzorgende ouder(s) een verblijfsvergunning krijgen.

[27] Zie: https://pureluxe.nl/2019/04/rijkste-landen-wereld-2/

[28] In de officiële statistieken wordt de inkomensongelijkheid weg-gedefinieerd. Dat komt vooral omdat inkomen uit vermogen nauwelijks belast wordt, en de statistiek uitgaat van belastinggegevens. Dat terwijl we ook volgens de officiële statistiek wel enorme vermogensongelijkheid hebben, en ook die wordt nog eens onderschat. Zie o.m.: http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/cbs-meet-meer-ongelijkheid-maar-verkoopt-het-als-minder; https://decorrespondent.nl/5733/waarom-de-inkomensongelijkheid-in-nederland-groter-is-dan-we-denken/2585440982124-265e0fd1; https://www.groene.nl/artikel/vermogen-of-verdienste; http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/weggedefinieerd-inkomen-onttrekt-tweedeling-en-grotere-ongelijkheid-aan-het-zicht; https://www.sg.uu.nl/artikelen/2018/04/grote-ongelijkheid-desastreus-voor-de-samenleving-en-de-economie; https://www.rtlz.nl/opinie/artikel/3758051/nederland-misschien-wel-veel-ongelijker-dan-we-denken; https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2017/49/de-wondere-wereld-van-ongelijkheid; https://www.oxfamnovib.nl/blogs/dilemmas-en-oplossingen/waarom-ongelijkheid-wereldwijd-groeit; https://www.ftm.nl/artikelen/groeiende-ongelijkheid-stoppen?share=1; https://www.groene.nl/artikel/en-de-winnaar-is-het-bedrijfsleven; https://pure.uva.nl/ws/files/2346874/159402_446071.pdf; https://groenlinks.nl/nieuws/kiezers-van-linkse-en-rechtse-partijen-verenigd-pleidooi-voor-minder-ongelijkheid; https://www.quotenet.nl/Nieuws/Rijk-Nederland-doet-het-waanzinnig-maar-de-rest-staat-stil-216956;

[29] Het gaat hier om het totale private vermogen: aandelen, obligaties, spaar- en bankrekeningen, huizen en andere bezittingen. Pensioenen zijn door het CBS niet meegeteld, omdat mensen nu niet bij hun pensioen kunnen komen – het is geen ‘vrij’ vermogen. Zouden aanvullende pensioenen wel worden meegerekend (in totaal staat er ruim 1000 miljard euro uit bij Nederlandse pensioenfondsen) dan is de ongelijkheid in vermogen een stuk kleiner, maar nog steeds fors. Het CPB neemt in haar berekening van de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid het pensioenvermogen wel mee.

[30] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederland-hard-op-weg-naar-de-1-procent-samenleving .

[31] Zie: http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/weggedefinieerd-inkomen-onttrekt-tweedeling-en-grotere-ongelijkheid-aan-het-zicht

[32] De Volkskrant, column, 10 juli 2017

[33] zie: https://www.evelientonkens.nl/wp-content/uploads/2015/10/swierstra_tonkens_-_de_schaduwzijde_van_de_meritocratie.pdf) en bijv. Evelien Tonkens (Zie: https://www.evelientonkens.nl/wp-content/uploads/2015/10/swierstra_tonkens_-_de_schaduwzijde_van_de_meritocratie.pdf)

[34] In 1998 kwam 44 miljard gulden loon- en inkomstenbelasting binnen, en 42 miljard gulden aan vennootschaps-, dividend-, vermogens- en erfbelasting. Die verhouding is nu (2018) 51 miljard euro versus 30 miljard euro. In Nederland is in 2001 de vermogensbelasting voor rijke spaarders flink omlaaggegaan en in 2010 ging ook de erfbelasting naar beneden. Sinds 1980 is de vennootschapsbelasting (=belasting over de winst van bedrijven) zo ongeveer gehalveerd, in ons land van 48% naar 25%. Sinds 2000 daalt het aandeel van de vennootschapsbelasting in de totale belastingopbrengsten. In 2000 was dat nog 17%, nu is dat gezakt tot 10%, een verschil van ruim 10 miljard euro. Nederland kent de laagste belastingdruk op kapitaalinkomen van alle EU-landen. In 1995 was dat nog bijna 20%. Het EU-gemiddelde is 31,4%. Ook het aandeel van belasting op kapitaalinkomen in de totale belastingopbrengst behoort met 15,4% tot de lagere in de EU, samen met een aantal Oost-Europese landen. Nederland is één van de koplopers in het aanjagen van internationale belastingconcurrentie naar steeds lagere tarieven en kan dus ook zelf nu al eenzijdig stappen nemen die dit proces doen keren. Het Nederlandse tarief is formeel weliswaar 25%, maar in de praktijk is het effectieve tarief slechts 7%, één van de laagste in Europa. De effectieve belastingdruk is bij multinationals is de laatste jaren al met 5% gedaald.

[35] Neem de hoogste binnenkomers in de Quote 500. In 2017 kreeg fitnessketen Basic-Fit een notering aan de Amsterdamse beurs. Eigenaren Eric Wilborts en René Moos verkochten tijdens de beursgang ieder voor ongeveer 30 miljoen euro aan aandelen. Of althans, hun gezamenlijke bedrijf AM Holding verkocht die aandelen en kreeg de opbrengsten. Het CBS ziet die tweemaal 30 miljoen euro niet. Dit is eerder regel dan uitzondering. Vrijwel alle vermogende Nederlanders herbergen hun geld in een bedrijf. De 10 procent rijkste Nederlanders bezit ongeveer 100 procent van dit type bedrijfsvermogen. En slechts 5800 huishoudens (de rijkste 0,08%) bezitten tezamen bijna de helft van al dit soort vermogen.

Hoe dieper je graaft in deze materie, hoe vreemder het wordt. Neem dit bijvoorbeeld: van de winst die nog wél uitgekeerd wordt uit het eigen bedrijf, en die dus meetelt in de ongelijkheidscijfers, telt het CBS sinds 2001 alle uitkeringen boven een kwart miljoen euro niet meer mee. En: stel, je verkoopt voor een miljoen aan aandelen van je bedrijf om daar een huis van een miljoen mee te kopen. Dan is dat volgens het CBS geen inkomen. Je hebt één vorm van vermogen (aandelen) omgezet in een andere vorm van vermogen (een huis) – dat is ‘een vermogenstransactie’, niet ‘inkomen.’ Het gevolg: wéér worden de topinkomens fors onderschat. Die niet-getelde winstuitkeringen zijn volgens het CBS maar liefst 40 procent van alle winstuitkeringen.

Daar komt bij dat het door de Belastingdienst gerapporteerde inkomen uit kapitaal niet gebaseerd is op echte waarnemingen, maar wordt geschat met een fictief rendement. De rijksten, die veel beleggen, verdienden de afgelopen jaren doorgaans meer dan dat fictieve rendement en betaalden dus eigenlijk te weinig belasting. De rest juist minder, vanwege dalende huizenprijzen (na de crisis zaken de huizenprijzen in vijf jaar cumulatief met 27%) en sparen tegen nul-rentes, en zij werden dus juist te hoog belast.

Miljonairs genoten, volgens Metten, over 2011-2013 een rendement van ruim 68 miljard euro op hun vermogen van 949 miljard euro, maar betaalden slechts belasting over 38 miljard euro. Een voordeeltje van bijna 200.000 euro per huishouden, dat niet belast is en niet als inkomen is geregistreerd. Voor de onderste helft van vermogensbezitters werkt het andersom. Zij verloren 6,4 miljard euro aan vermogen maar moesten 4% belasting betalen over 2,5 miljard euro fictief rendement, die de fiscus hen toedichtte.

Leuker kunnen we het niet maken – door het kennelijke onvermogen van onze belastingdienst om uit te gaan van het werkelijke rendement wordt de inkomensongelijkheid nog groter en blijft deze buiten de cijfers. Bovendien: veel vermogen geeft ook veel vermogenswinst van je vastgoed, aandelen, obligaties en ander bezit. Omdat vermogenswinst geen inkomen is, wordt het niet meegenomen in die lage Gini-coëfficiënt van inkomensongelijkheid. Maar de waarde van bezit stijgt op de langere termijn gewoon mee met de economische groei, en is dus een grote bron van koopkracht – voor wie het heeft.

Al deze factoren leiden tot de conclusie dat de vermogensongelijkheid in Nederland nog veel groter is dan uit de CBS-cijfers blijkt. Dit betoogden de hoogleraren Wiemer Salverda en Bas van Bavel recentelijk ook in een artikel op de economensite Me Judice, waarbij ze er ook op wezen dat de rijkste Nederlanders in de Quote 500 ruim tweekeer zoveel vermogen hebben dan deze groep bij het CBS heeft.

Hoe kan het dus dat de vermogensongelijkheid zo groot is, terwijl de inkomensongelijkheid alles meevalt? Het antwoord is simpel: het valt niet mee. De inkomensongelijkheid is in werkelijkheid groter dan de statistici rapporteren.

[36] https://www.volkskrant.nl/economie/kunnen-alle-toeslagen-niet-worden-afgeschaft~b8499d0c/

[37] In tegenstelling tot wat het rechtse kabinet Rutte III steeds suggereert is allang duidelijk dat dit kan. Woningcorporaties leveren diensten voor algemeen economisch belang (DAEB) en kunnen van de EU worden vrijgesteld van deze richtlijn.

[38] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/

[39] Zie: https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/stikstof-moet-ruim-gehalveerd-saneren-van-boeren-rond-kwetsbare-natuur-niet-genoeg~bc8f3c84/

[40] Banninglezing door Lodewijk Asscher, De Rode Hoed, maart 2018

[41] De WRR ontraadt daarom het bieden van meer keuzemogelijkheden in het aanvullend pensioen. De meest kwetsbare mensen zullen daar het meest de dupe van worden. Helaas hebben sociale partners, het kabinet en ook onze Tweede Kamerfractie zich daar niet door laten leiden bij het recente Pensioenakkoord.

[42] Wat deze keuzejungle veroorzaakt, kunnen we lezen in Geen fraudeur, toch boete, een rapport dat de Nationale Ombudsman in 2014 publiceerde. De berichten van de ombudsman staan vol met gevallen waarin de burger zonder opzet door teveel verondersteld handelingsvermogen in de problemen komen: afgestudeerden die zich na het in ontvangst nemen van hun bul niet meteen afmelden voor hun ov-jaarkaart en daardoor een schuld opbouwen, werkzoekenden die beboet worden omdat ze het overzicht van hun sollicitatiepogingen verkeerd invullen, gezinnen die honderden euro’s kwijt zijn aan het incassobureau vanwege één gemiste betaling.

[43] Zie: https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/stop-met-wegduiken-voor-pijnlijke-keuzes-in-de-zorg-bepleit-wouter-bos~ba656629/ (12 oktober 2018)

[44] Zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/22/zorguitgaven-stijgen-in-2017-met-2-1-procent en: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/20/zorguitgaven-stijgen-in-2016-met-1-8-procent

[45] https://www.groene.nl/artikel/de-kosten-in-de-zorg?fbclid=IwAR07lJvyI6g7FZbEOi21gYj5bX0WIF84aKoUNyy7T2MnT-Vusi9l4s7m5Aw

[46] In 2011 waren de 13,5 miljoen Nederlandse premiebetalers nog maximaal 170 euro per jaar aan eigen risico kwijt, inmiddels is dat 385 euro. Wie medicijnen gebruikt, bloed laat prikken of naar een specialist moet, betaalt de eerste 385 euro zelf. De helft van de mensen is jaarlijks het hele eigen risico kwijt, de andere helft verbruikt een deel ervan.

[47] In 2012 kwamen inkomens tot 35.011 euro (voor alleenwonenden) en tot 51.690 euro (voor meerpersoonshuishoudens) voor zorgtoeslag in aanmerking. Inmiddels is de zorgtoeslag er alleen voor mensen met een inkomen tot 27.012 euro (alleenwonenden) of tot 33.765 euro (meerpersoonshuishoudens). Bovendien werden de bedragen sterk verlaagd, vooral voor wie iets boven het sociaal minimum zit.

[48] Zorgverzekeraars zijn slechts mondjesmaat bereid tot het verstrekken van voorschotten of gebruiken dit zelfs als breekijzer in onderhandelingen met ziekenhuizen. Het geld dat ziekenhuizen en andere zorginstellingen in de tussentijd nodig hebben, lenen ze in de regel bij de bank. En omdat we zo nodig in een marktstelsel moeten opereren komen daar tegenwoordig de volledige financieringskosten van huisvesting, verbouwing en investering ook nog eens bij. Voor een gemiddeld ziekenhuis lopen de rentelasten dan al snel op tot enkele miljoenen euro’s per jaar. Doordat de overheid zich daarnaast steeds verder terugtrekt worden de eisen qua solvabiliteit en financieringsratio’s voor instellingen steeds hoger. In de afgelopen tien jaar is de solvabiliteit toegenomen van gemiddeld 8% tot 20%. Daarmee hebben de gezamenlijke zorginstellingen een kleine € 12 miljard op de bank staan dat niets staat te doen in tijden van krapte en bezuinigingen.

[49] http://delangemars.nl/2017/09/03/zorgverzekeraars-maken-afgelopen-vijf-jaar-5-miljard-winst/

[50] Zie: https://www.medischcontact.nl/opinie/blogs-columns/column/dubbele-bodem-1.htm

[51] https://iederin.nl/21837-2/

[52] https://nos.nl/artikel/2314966-gemeenten-hebben-nauwelijks-zicht-op-besteding-van-zorggeld.html

[53] https://www.nrc.nl/nieuws/2019/11/18/kabinet-en-gemeenten-laten-kwetsbare-kinderen-in-de-steek-a3980724

[54] Zie: https://pointer.kro-ncrv.nl/artikelen/zo-vind-je-minstens-85-zorgbedrijven-die-structureel-hoge-winst-maken en: https://www.ftm.nl/dossier/zorgcowboys

[55] Waar dat nu al gebeurt is de kwaliteit van de diagnose beter. Het CIZ heeft nu overigens grote achterstanden en wachttijden.

[56] In Nederland zijn er ongeveer 2,5 miljoen mensen van 16 jaar en ouder laaggeletterd. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

[57] Scholen krijgen budget om bijspijkerlessen en huiswerkbegeleiding op school aan te bieden, zodat elke leerling die dat nodig heeft er gebruik van kan maken. Ook kunnen scholen bekostigd de mogelijkheid bieden aan leerlingen met een achterstand om een weekend- of zomerschool te volgen.

[58] Het probleem ligt nu niet zozeer in de totale omvang van de defensie-uitgaven. Weliswaar voldoen nu alleen de VS, het VK, Turkije en Estland aan de 2% norm (de VS zelfs 4%), maar in absolute bedragen besteed de NAVO meer dan vier maal zoveel uit aan defensie als de Russische Federatie en twee maal zoveel als China. Wanneer echt alle NAVO-lidstaten 2% van hun bbp aan defensie zouden uitgeven, zouden we niet weten wat te doen met de enorme bedragen die dan beschikbaar komen – het zou volkomen absurd zijn. Het probleem zit hem veel meel in het teveel ontbreken van samenwerking, verschillende systemen, teveel doublures. Percentages zeggen niet zoveel: dat Estland meer dan 2% van zijn bbp uitgeeft aan defensie helpt de NAVO in absolute bedragen nauwelijks.

[59] Vastgesteld op januari 2005, zie: https://www.pvda.nl/wp-content/uploads/2005/01/10195-pvda-pvda-beginselmanifest.pdf

[60] Zie: https://decorrespondent.nl/253/hoe-banken-verpakte-lucht-mogen-blijven-verkopen/21398487-ba10334e

[61] Wanneer Europese wetgeving hierover te lang op zich laat wachten, dan voeren we die eerder in met een coalitie van landen die wel al willen.

[62] In 2008 ging de Europese Unie in eerste instantie enigszins gematigd om met die regels, maar al gauw ging Europa (Duitsland en Nederland voorop) er hard in: ondanks de crisis moest en zou er bezuinigd worden. Volgens sommigen vooral om Griekenland een lesje te leren en daarmee een voorbeeld te stellen voor andere zuidelijke landen, volgens anderen uit angst dat financiële instellingen anders moeilijk gingen doen, of gewoon om ideologische redenen: hoe kleiner de overheid, hoe beter. In tijden van crisis biedt een begrotingstekort van drie procent echter geen enkel soelaas. Ter illustratie: eind 2009 had Nederland al een begrotingstekort van ruim vijf procent, terwijl er een jaar ervoor nog een begrotingsoverschot was. Zo snel kan het gaan. De staatsschuld, in 2008 nog extreem laag (44 procent van het bbp) overschreed in 2011 al de Europese norm.

[63] Zie ook: https://fd.nl/opinie/1312321/de-weg-van-calvinistische-zuinigheid-loopt-dood#

[64] Jacobs: “Bij de pensioenen is het wenselijk om het deel via kapitaaldekking in de aanvullende pensioenen te verminderen en het deel via omslagfinanciering in de AOW te vergroten. Als de rente structureel extreem laag is, moeten mensen zich namelijk een ongeluk sparen om een behoorlijk pensioen op te bouwen.

[65] Zie o.m. de analyse van Bas Jacobs, hoogleraar economie aan de Erasmus School of Economics, op zijn weblog: https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/19/de-rekening-van-rutte/ en https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/17/ing-heeft-gelijk-overheidsbeleid-in-de-periode-2011-2017-kostte-volgens-het-cpb-ongeveer-365-000-banen/

[66] In ‘normale’ economische tijden duurt die deeltijd-WW maximaal een half jaar, maar bij de crisis van 2008 konden mensen twee jaar deeltijd-WW krijgen. In mei 2009 zaten er in Duitsland meer dan een miljoen mensen in de regeling. Een groot voordeel voor werkgevers is dat ze hun goede mensen niet kwijtraken. In Nederland werd eind 2008 tijdelijk een vorm van deeltijd-WW ingesteld, maar het budget was na een half jaar al op, waarna er nog twee jaar lang een regeling in uitgeklede vorm kwam. Toen de werkloosheid in 2012 hard opliep bestond de deeltijd-WW al niet meer. Een politieke keuze: het kabinet van VVD/CDA was duidelijk minder enthousiast over de regeling dan het kabinet-Balkenende/Bos. In totaal hebben in Nederland slechts 77.000 mensen een deeltijd-WW-uitkering gehad. Terwijl de regeling volgens werkgevers en vakbonden van groot belang was. In de evaluatie ervan zei een derde van de werkgevers dat ze zonder deeltijd-WW de crisis niet overleefd zouden hebben. Driekwart van de deelnemende werkgevers meldt in de evaluatie dat ze anders meer mensen zouden hebben ontslagen.FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Kom naar bijeenkomst over stikstofcrisis!

Nieuws over duurzaamheid vanuit de PvdA.
PvdA Duurzaam Nieuwsbrief
Hoe lossen wij het stikstof probleem op? Praat mee!
Op 6 november organiseert het landelijk netwerk PvdA Duurzaam in de aanloop naar het PvdA Toekomstlab op 16 november een open discussiebijeenkomst over de stikstofcrisis. De gemoederen zijn verhit! Dat de crisis de agrarische sector treft is ons inmiddels allemaal duidelijk. Maar het uitblijven van een oplossing is ook slecht nieuws voor bouwbedrijven en haar toeleveranciers zoals bijvoorbeeld de binnenvaart. Projecten liggen stil; ondernemers verkeren in onzekerheid en banen staan op het spel. De politiek staat voor de enorme uitdaging om deze crisis te bezweren. Maar hoe? Welk standpunt moet de PvdA innemen en welke toekomstbestendige opdracht willen wij onze politici meegeven? Wij nodigen je graag uit voor deze discussie bijeenkomst met interessante sprekers. Wat vind jij er van? Meld je aan en discussieer mee!

Aan het debat nemen deel:
Rik Grashoff,                  Gedeputeerde voor Groen Links in Noord Brabant
William Moorlag             Tweede Kamer-lid PvdA
Willem van Laarhoven   Lid REB commissie, gemeente Meierijstad
De inleiding op dit debat wordt verzorgd door Gerard Bosman, PvdA Duurzaam

Wanneer:         woensdag 6 november
Tijd:                  Inloop 18.30, start 19:00 uur – 20.30.
Waar:               Suze van Groenewegen zaal naam, Tweede Kamer, Den Haag
Let op:              Zorg ervoor dat je op tijd aanwezig bent; dit i.v.m. de veiligheidscontroles
Aanmelden :     Aanmelding is verplicht! Meld je aan per mail aan PvdA Duurzaam via email adres: . Wij sturen je een ontvangstbevestiging van je aanmelding. Let op; voor bezoeken aan de Tweede Kamer geldt een identificatieplicht en worden veiligheidscontroles uitgevoerd.
Voor meer informatie over de bezoekregels en een routebeschrijving ga naar de website van de Tweede Kamer. Houdt rekening met de tijd die nodig is bij de receptie voor de veiligheidscontroles. Kom op tijd!

Steun moties over stikstof en heffing op vlees voor politieke ledenraad en Toekomstlab op 16 november
De bijeenkomst voor de hele partij op 16 november is tevens een Politieke Ledenraad waar moties behandeld kunnen worden (meld je hier aan en laat ideeën achter https://www.pvda.nl/agenda/toekomstlab161119/). Vanuit PvdA Duurzaam zijn twee belangrijke moties ingediend, één over stikstof en één over vleesconsumptie. Deze staan ook op de website www.pvdaduurzaam.nl.

Voor behandeling op de ledenraad moeten ze tenminste 100 stemmen krijgen via de “Ledenkamer”. Dat is niet makkelijk. Daarom hierbij een OPROEP om een stem uit te brengen, ook op de andere moties daar. Je verleent geen instemming maar akkoord om er over te debatteren!

Dat gaat als volgt:

  1. Ga naar “ledenkamer.pvda.nl
  2. Ga naar “Steun of maak moties”
  3. log in
  4. scroll naar de moties “Heffing op vlees” en “stikstof aanpak” en druk op de knop “steun”

Doe dat ook als je het niet eens bent met de inhoud. Want het betekent alleen steun voor verdere behandeling. Pas later, als de “stemkamer” open gaat, kan je voor of tegen een motie stemmen.

Kijk op onze website voor meer nieuws en informatie.

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Motie stikstof aanpak

De Politieke Ledenraad van de PvdA, in vergadering bijeen op 16 november 2019 te Eindhoven,

Overwegende:

-dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) buiten werking is gesteld door de Raad van State, dat de commissie Remkes een advies heeft uitgebracht voor maatregelen op korte termijn en dat het kabinet  voorstellen heeft gedaan in reactie daarop,

-dat het om redenen van biodiversiteit, volksgezondheid en klimaat, dringend noodzakelijk is om de ernstige situatie in ons land wat betreft alle vervuilende uitstoot (stikstofdioxiden, ammoniak, CO₂, fijnstof, methaan, etc.) aan te pakken op een samenhangende en effectieve manier,

-dat die aanpak ook nodig is om weer zo snel mogelijk ruimte te krijgen voor aanpak van de enorme nood aan betaalbare woningen en voor projecten juist in het kader van verduurzaming van onze economie, zoals de energietransitie en natuurherstel,

-dat boeren alle jaren onder hoge druk staan om milieuvriendelijk te produceren maar tegelijk tegen te lage prijs, zodat zij zich gedwongen voelen tot onverantwoord hoge productie,

Van oordeel:

-dat de voorstellen van het kabinet voor de korte termijn onvoldoende zijn, en dat nog dit kalenderjaar overgegaan moet worden tot:

  1. a) snelheidsbeperkingen op alle snelwegen naar maximum 100 km/uur, en tot maximum 80 km/uur rond natuurgebieden en rond bebouwde kom;
  2. b) uitkoop van de meest vervuilende veeteelthouders (indien mogelijk vrijwillig, maar als dat niet lukt zo nodig ook gedwongen),
  3. c) sluiting van alle kolencentrales,
  4. d) een moratorium op het aantal vliegbewegingen op ieder vliegveld, en

e)een start met uitbreiding en herstel van natuurgebieden en van schone zones rond die natuurgebieden,

 

-dat er binnen twee jaar een Plattelandsakkoord gesloten wordt met o.m. boeren, milieu- en natuurorganisaties en overheden, waarin de transitie van de landbouw naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw vorm wordt gegeven op sociaal verantwoorde wijze met concrete taakstellende en afdwingbare doelstellingen en termijnen, waarbij boeren een nieuw perspectief krijgen met eerlijke, hogere prijzen en zonder oneerlijke concurrentie door vrijhandelsakkoorden;

-dat er binnen een jaar een plan moet worden vastgesteld voor een sterke vermindering van het vliegverkeer, in ieder geval op korte termijn tot de eisen voor een wel degelijk noodzakelijke natuurvergunning, en op iets langere termijn met een zich uitbreidend verbod op continentale vluchten waar snelle treinverbindingen een alternatief vormen, en met een hoge vliegbelasting (tenminste 100 euro per ticket);

-dat de klimaatvoorstellen uitgebreid moeten worden met een totale schone lucht aanpak en dat daarin ook de uitstoot van  vrachtvervoer over de weg, van openbaar vervoer en van scheepvaartverkeer mee moet worden genomen, waarbij een totale beëindiging van uitstoot van schadelijke stoffen per 2050 met een ambitieus tussendoel per 2030 moet gelden;

Verzoekt onze Tweede Kamerfractie alles te doen wat nodig is om bovenstaande voorstellen te realiseren,

En gaat over tot de orde van de dag.

Gerard Bosman

Yoram Krozer

Bas Roels

Maarten de Groot

 

Toelichting

 

Eindelijk gaat er iets gedaan worden aan de overmatige stikstofuitstoot in ons land. Het eerste advies van de commissie Remkes (er komt nog een vervolgadvies in voorjaar 2020) wijst de goede richting (emissiereductie, eerlijk, effectief, met een korte en lange termijn aanpak) maar is op tal van punten nog niet concreet of nog te beperkt. Die kritiek geldt des te meer voor de kabinetsvoorstellen naar aanleiding van dit advies. Deze motie geeft richting aan de opstelling van onze partij tegenover deze voorstellen. De motie noemt een aantal concrete voorstellen waar het kabinet naar ons oordeel onvoldoende concreet of verstrekkend is, en waar wel mogelijkheden liggen om tot meer verbetering te komen.

De Nederlandse stikstofuitstoot moet met meer dan 50 procent omlaag om de natuur drastisch te ontzien. De kabinetsplannen voor het uitkopen van boeren nabij kwetsbare natuurgebieden zijn ontoereikend om dit te halen. Ook op andere plekken in het land zullen veehouders dieren moeten inleveren. Dat blijkt uit zeer recent onderzoek van het Wageningen Environmental Research, dat op initiatief van het Wereld Natuur Fonds is uitgevoerd.[1]

In de coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie is grote onenigheid ontstaan over de bestrijding van de stikstofcrisis, waardoor de bouw op veel plaatsen is stil komen te liggen. De VVD belooft de boeren dat er geen dier af hoeft en technologische oplossingen afdoende zijn. Met die suggestie maken de onderzoekers korte metten. Theoretisch kunnen oplossingen zoals luchtwassers en een andere veevoersamenstelling de stikstofuitstoot in de landbouw met bijna eenderde verlagen, maar in de praktijk zijn de oplossingen kostbaar, moeilijk te implementeren en zetten de onderzoekers vraagtekens bij de effectiviteit ervan. Dat de uitstoot van stikstof door veeteelt vergeleken met decennia terug behoorlijk is afgenomen door technologische maatregelen is waar, maar het laatste decennium loopt de uitstoot juist weer op, vooral na schrappen van het melkquotum in 2015. Deze afschaffing heeft volgens de Algemene Rekenkamer het aantal dieren fors doen toenemen. De stijging van schadelijke uitstoot komt volgens de Algemene Rekenkamer voor een belangrijk deel door de toename van het aantal dieren in Nederland. Daardoor stijgt de hoeveelheid mest. Desalniettemin blijft minister Schouten zeggen dat inkrimping van de veestapel niet haar doel is.

Het uitkopen van boeren met verouderde stallen nabij Natura-2000-gebieden, zoals de adviescommissie van Johan Remkes heeft voorgesteld, zal ook maar weinig effect hebben omdat de uitstoot door de veeteelt veel te groot daarvoor is. ‘Meer landelijke maatregelen’ in de veehouderij zijn nodig, schrijven de onderzoekers. Op basis van het jongste onderzoek zegt stikstofexpert Jan Willem Erisman van het Louis Bolk Instituut dat voor alle sectoren – landbouw, vervoer en industrie – nu generieke maatregelen nodig zijn. ‘Boven het hele land hangt een deken van stikstof, die moet kleiner.’

De onderzoekers bekeken ook wat de effecten zijn op stikstof van de door minister Schouten terecht verlangde kringlooplandbouw. Ze laten zien dat de minister veel rigoureuzer te werk moet gaan. Pas als er voortaan geen stikstofdragend veevoer (zoals soja) meer wordt geïmporteerd, wordt de benodigde stikstofreductie van 50 procent gehaald. Het gevolg is dat dan nog maar voor de helft van de dieren voer beschikbaar is.

Hieronder beargumenteren we waarom aanpak van het stikstofprobleem zo belangrijk is. Daarbij citeren we in de eerste plaats de commissie Remkes: “Natuur is belangrijk. In de eerste plaats omdat mensen niet zonder natuurbeleving in hun omgeving kunnen. We waarderen intrinsiek de aanwezigheid van natuur , het belang van schoon water, een schone lucht en een gezonde bodem. In de tweede plaats omdat natuur een essentieel onderdeel uitmaakt van ons welzijn en onze gezondheid en Nederland er veel slechter voorstaat zonder goede natuur. Daarmee heeft natuur ook een sociaaleconomische waarde. Tot slot vormt natuur een belangrijke oplossing voor het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering (groen in de stad, klimaatbuffers, groene longen). Natuur is ook kwetsbaar en behoeft actieve zorg van de overheid. Daarom is er Europese wetgeving op grond waarvan alle lidstaten beleid moeten maken ten aanzien van het behoud en de ontwikkeling van natuur.

Nederland heeft al sinds lange tijd natuurwetgeving die beoogt het natuurbelang te beschermen. Zo was Nederland binnen Europa met de borging van de Ecologische Hoofdstructuur in de ruimtelijke ordening een voorloper met natuurbeleid vanuit een gezamenlijke visie op landbouw en natuur. De afgelopen jaren heeft deze inzet van de Nederlandse overheid een ander karakter gekregen, is er bezuinigd op natuurontwikkeling en heldere keuzes zijn achterwege gebleven. Veel Natura 2000- gebieden zijn er in ons land momenteel slecht aan toe. De biodiversiteit in Nederland is nadrukkelijk toe aan herstel.”

Stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komt uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. De stoffen kunnen met neerslag mee komen op de bodem, dit heet natte depositie. Maar ook kunnen planten of de bodem direct stikstof uit de lucht opnemen, dit heet droge depositie. De depositie van stikstofoxiden en ammoniak zorgt ervoor dat de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen. Dat is vooral in natuurgebieden een probleem. Door overbelasting met stikstof zijn veel habitats er slecht aan toe. De bodem verzuurt en de balans van voedingstoffen in de bodem wordt ontwricht. Zeldzame plantensoorten die juist voedselarme omstandigheden nodig hebben, verdwijnen. Een beperkt aantal stikstofminnende soorten neemt hun plaats in. Dat kan betekenen dat de plantensoorten, die kenmerkend zijn voor het gebied, verdwijnen en dat de kwaliteit van de overgebleven soorten minder wordt, of zelfs dat het gebied zijn natuurlijke kenmerken verliest. Zo verdringen de brandnetels bijvoorbeeld de orchideeën. Aangezien planten aan de basis staan van de voedselketen, beïnvloedt het verlies aan plantensoorten en plantkwaliteit ook de fauna, zoals insecten en vogels, die van die zeldzame planten leven. Dit bedreigt de biodiversiteit, die we niet voor niets beschermen – bedreiging van biodiversiteit is net als de klimaatcrisis een directe bedreiging door de aantasting van de voedselketens voor de toekomst van onze kinderen. En is in strijd met Europese regels voor natuurbescherming, die daarop gericht zijn.

Teveel uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden is niet alleen slecht voor de natuur, maar is ook slecht voor de volksgezondheid. Volgens het Longfonds overlijden jaarlijks minimaal 11.000 mensen vroegtijdig door uitstoot van fijnstof en stikstofoxyden. Gemiddeld leven Nederlanders negen maanden korter door luchtverontreiniging, maar de verschillen zijn groot. Het aantal slachtoffers is het grootst in de grote steden, de Randstad, langs drukke wegen en in de omgeving van veehouderijen. Daar kan het levensduurverlies oplopen tot achttien maanden, terwijl het in de schoonste gebieden van Nederland ‘slechts’ vier maanden bedraagt. Volgens het kabinet is luchtverontreiniging, na roken, de grootste veroorzaker van ziektekosten in ons land. Het Longfonds, de Hartstichting en beroepsverenigingen van longartsen, cardiologen, kinderartsen, huisartsen en longverpleegkundigen hebben op 10 september jl. een petitie aangeboden aan de Tweede Kamer waarin gevraagd wordt om ambitieuze maatregelen.

Vooral mensen met longklachten en astma hebben last van stikstofoxyden. Zo’n 1,2 miljoen Nederlanders kampen bovendien met een longziekte. Volgens het Longfonds hebben ongeveer 100.000 kinderen tot en met de leeftijd van veertien jaar astma. Bij één op de vijf kinderen met astma in Nederland is de ziekte gerelateerd aan luchtvervuiling door het verkeer. In geen enkel ander Europees land is dat aantal zo hoog. In de grote steden worden uitlaatgassen verantwoordelijk gehouden voor nog meer astmagevallen bij kinderen. Ammoniak komt ook in de lucht, maar via uitspoeling in de bodem ook in ons grond- en oppervlaktewater. Dit bedreigt op den duur ook onze drinkwatervoorziening.

Terecht bepleit de commissie Remkes voor een integrale aanpak van het stikstofprobleem met o.m. de energietransitie, luchtkwaliteit en kringlooplandbouw. Vanuit wetenschappelijk perspectief wordt aandacht gevraagd voor de ‘grauwe deken van schadelijke stoffen’ die over Nederland ligt (CO2, stikstof, fosfaat, methaan) en voor de effecten van accumulatie van stikstof in de bodem. Alleen vermindering van uitstoot zal niet voldoende zijn om de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te verbeteren. Herstelmaatregelen zijn daarnaast noodzakelijk.

Zo’n 35 procent van de stikstof in Nederland komt uit het buitenland. Maar Nederland ‘exporteert’ meer stikstofoxyden dan we ‘importeren’. De dichtheid van stikstof is in de 28 EU-lidstaten het hoogst in Nederland, vier keer hoger dan het EU-gemiddelde. We moeten dus echt zelf veel (en snel!) doen. De landbouw neemt met 45 procent verreweg de meeste uitstoot voor zijn rekening. Dat komt vooral door de ammoniak die vrijkomt uit mest van koeien, kippen en varkens. Na de landbouw leveren huishoudens, wegverkeer (beide 6,4 procent), de internationale scheepvaart (3,6 procent) en ammoniak uit de zee (2,7 procent) de grootste bijdrage aan de Nederlandse stikstofdepositie.

Gegeven de Europese habitatrichtlijnen en de ernstige situatie wat betreft vermindering biodiversiteit en luchtvervuiling in ons land is uitstel en doorgaan op huidige weg geen optie. We zullen duurzame en gezonde keuzes moeten maken. De sociaaldemocratie kan en mag daar niet voor wegduiken. Het moet eerlijk gebeuren, maar juist de huidige praktijk is oneerlijk. Grote vervuilers blijven nu nog steeds buiten schot.

De transitie moet eerlijk plaatsvinden, maar dat kan ook, ook met boeren. Nu subsidiëren we melkboeren, terwijl 1 op de 5 van de miljonairs in ons land (melk)boer is. Het systeem dwingt de boeren tot grootschaligheid en export, terwijl dat een doodlopende weg is. Boeren die willen overstappen naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw moeten gesteund worden, zij die daarin niet meewillen moeten uitgekocht worden. Landbouw niet primair gericht op export, maar op de binnenlandse markt. Expertise gaan we juist meer exporteren, opdat ook in de Derde Wereld een betere situatie ontstaat en we niet lokale productie daar wegconcurreren. Geen oneerlijke handelsverdragen en oneerlijke EU-landbouwsubsidie meer, zoals CETA en met de Mercosur-landen. Zo krijgen we kleinere en meer boeren, en minder dieren. De macht van de inkopers en de supermarkten moet daarbij gebroken worden zodat er een eerlijke prijs ontstaat, waarin de kosten van milieubelasting verdisconteerd is. Dat ondersteunen we met gedifferentieerde btw-tarieven, laag voor milieuvriendelijke producten, hoog voor milieuvervuilende producten. Zo krijgen duurzame boeren een eerlijk inkomen en krijgen huishoudens een eerlijke, betaalbare prijs gepresenteerd. De  motie stelt voor om dat in de vorm van een Plattelandsakkoord te doen, naar het voorbeeld van het akkoord van Milieudefensie met natuurorganisaties en boeren.

Ook in de scheepvaart en het vrachtverkeer zal een eerlijke transitie moeten plaatsvinden, met subsidie voor de transitie en bescherming van de banen en vooral ook de kleinere ondernemers die hier nu een moeizaam bestaan hebben.

Voor het vliegverkeer moet vooral meer ingezet worden op vermindering en transitie naar snel treinverkeer op het continent. Uitbreiding kan zeker niet aan de orde zijn en dus ook niet op Lelystad en Schiphol. Er blijkt nu voor geen enkel vliegveld een natuurvergunning te zijn. Dat moet wel en dat dwingt al tot krimp in plaats van groei. Dat instrumenteren we verder met een hoge vliegtaks (tenminste 100 euro per vlucht) en met gerichte regulering: geen vliegreizen waar een snelle treinverbinding als alternatief aanwezig is.

Wat betreft sluiting kolencentrales en snelheidsbeperkingen: dit zijn quick wins, die al nodig zijn om aan Urgenda-uitspraak en de klimaatambities te voldoen, en de laatste levert ook nog eens minder verkeersdoden op en kost niets.

Tenslotte is het, zoals de commissie Remkes al voorstelt, nodig om natuur te herstellen en uit te breiden. Natuur neemt ook stikstof op en helpt dus bij de aanpak. En rondom natuurgebieden, die zoveel mogelijk aaneengesloten verbindingen moeten hebben, moeten er schone zones komen met alleen natuurinclusieve kringlooplandbouw, geen vervuilende industrie en centrales, en lage verkeerssnelheden, om ontwikkeling en bouw in ons land mogelijk te laten blijven.

Want nu ligt de bouw van woningen stil, terwijl er een enorme woningnood is. Huishoudens met lage en middeninkomens betalen daarom nu de prijs van falend milieubeleid. Dat is onacceptabel. Er moet zo snel mogelijk weer gebouwd kunnen worden aan betaalbare, duurzame woningen door de vervuiling aan te pakken (ook in de bouw zelf overigens: nu wordt er met beton veel te veel CO2 uitgestoten, en de bouw moet dus zelf ook volledig circulair worden). In de huidige situatie kan er bovendien niet gewerkt worden aan duurzame projecten, zoals bouw van windmolens en natuurherstel. Dat is absurd. We moeten dat zo snel mogelijk vlottrekken, anders dreigt ook de klimaataanpak vast te lopen.

 

[1] Zie: https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/stikstof-moet-ruim-gehalveerd-saneren-van-boeren-rond-kwetsbare-natuur-niet-genoeg~bc8f3c84/FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Motie voorkomen pensioenkortingen

De Politieke Ledenraad van de PvdA, in vergadering bijeen op 16 november 2019 te Eindhoven,

Overwegende dat er voor ca. 8 miljoen pensioendeelnemers, jongeren en ouderen, een forse pensioenkorting dreigt per 1 januari 2020,

Overwegende dat deze korting het vertrouwen in het collectieve pensioenstelsel, één van de laatste kroonjuwelen van onze verzorgingsstaat, dreigt te ondermijnen,

Overwegende dat de kans op een goede uitwerking van het recente pensioenakkoord door de dreigende pensioenkortingen zeer verslechtert,

Constaterende dat onze Tweede Kamerfractie terecht heeft opgeroepen om onnodige pensioenkortingen te voorkomen en dat deze oproep gesteund werd door een meerderheid van de Tweede Kamer,

Van oordeel dat de nu voorziene kortingen bij o.m. de vier grootste pensioenfondsen onnodig zijn,

Van oordeel dat daarom alles gedaan moet worden om deze pensioenkorting te voorkomen, en een situatie te creëren die meer structureel de kans op kortingen verkleint en op indexering verhoogt,

Roept onze Tweede en Eerste Kamerfracties op tot:

  • Het bevorderen van een andere, meer reële maar nog steeds prudente rekenrente, gekoppeld aan meer regulering van het vermogensbeheer van de pensioenfondsen zodat dit degelijker, minder risicovol, goedkoper en duurzamer wordt;

 

  • Het verhogen van de AOW-uitkering, dat niet alleen een verlaging van het aanvullend pensioen zou compenseren, maar ook de inkomenspositie van degenen met geen of slechts een klein pensioen erop vooruit helpt;

 

  • Indien nodig, als bovengenoemde maatregelen niet tijdig genomen kunnen worden, in afwachting daarvan, toepassing van de wettelijke mogelijkheid (artikel 142 Pensioenwet) tot tijdelijke ontheffing van de plicht tot pensioenkorting per 1 januari 2020 en 2021;

 

  • Niet akkoord te gaan met verdere besluitvorming over uitwerking van het pensioenakkoord indien het bovenstaande niet wordt gerealiseerd;

 

  • Vast te stellen dat de premies voor 2020 en 2021 dienen te worden berekend tegen dezelfde rekenrente die gebruikt wordt voor het berekenen van de pensioenverplichtingen;

 

  • Voorstellen over een verhoging van de werkgeverspremie voor aanvullende pensioenen en het vaststellen van de herstelpremie te steunen zolang niet aan het bovenstaande wordt voldaan;

En gaat over tot de orde van de dag.

Gerard Bosman

Rik Hindriks

Arie de Graaf

Ronald Bethlehem

Tom Weijnen

Toelichting

 

Het recente (nog uit te werken) pensioenakkoord poogt o.m. onze aanvullende pensioenen minder kwetsbaar te maken voor kortingen en eerder te kunnen indexeren. Door al ruim een decennium niet te indexeren is de koopkracht van onze pensioenen al ernstig achteruit gegaan.

Dat terwijl onze pensioenfondsen nog steeds gemiddeld goede rendementen halen en de pensioenpotten overvol zijn. Het argument van de voorzitter van de DNB en het kabinet Rutte III dat ook de pensioenverplichtingen verdrievoudigd zouden zijn gaat alleen maar op indien je rekent met een volledig risicovrije rentevoet, zoals de huidige rekenrente.

Het kabinet wil die rente ook nog eens structureel verder verlagen in reactie op het advies van de commissie Dijsselbloem. Dat advies was overigens een uitwerking van de Nederlandse regels waarmee Nederland vergaand negatief afwijkt van de voor de Eurozone geldende regels (Eiopa). Vanuit Europa wordt niet voor niets met verbazing gekeken naar het Nederlandse beleid waarmee het vertrouwen in het beste pensioenstelsel ter wereld wordt uitgehold.

Het advies Dijsselbloem houdt overigens geen rekening met het gesloten pensioenakkoord. In dat akkoord wordt nog eens explicieter dat er geen harde pensioentoezegging bestaat. Er hoeft dus niet gerekend te worden alsof dat wel zo is – er kan een zeker risico worden genomen. Daarmee wilde het pensioenakkoord een meer structurele verbetering brengen: minder korten, meer indexeren. Het tegendeel lijkt nu te gebeuren, zelfs al voordat we beginnen aan de uitwerking van dat toch al fragiele akkoord. De korting dreigt voor 8 miljoen pensioendeelnemers per 1 januari 2020 een korting op het aanvullende pensioen. Dat is 40% van het totaal aantal deelnemers.[1] Ook in 2021 dreigen er kortingen. Naar verwachting zal een uitwerking van het pensioenakkoord pas vanaf 2022 in werking kunnen treden. Dat zal dan ook in een nieuw regeerakkoord bezegeld moeten worden.

De pensioenkorting kan cumulatief en blijvend oplopen tot minimaal 10%, maar mogelijk 15 tot 20% op de uitkering. Het gaat hierbij om gemiddelde aanvullende pensioenen van zo’n 600 euro per maand, vooral van lagere en lagere middeninkomens – leraren, verplegers, agenten, metaalarbeiders, installateurs, loodgieters, garagemedewerkers. De door Rutte III beloofde koopkrachtverbetering voor gepensioneerden zal erdoor verdampen.

Dit treft ook de jongere generaties. De komende aanpassingen (Pensioenakkoord, commissie-Dijsselbloem) leiden er toe dat bij de bepaling van pensioenpremies eveneens uitgegaan moet worden van het vrijwel ontbreken van enig rendement in de toekomst. Het is helder dat dit gaat leiden tot zeer forse premiestijgingen. Zeker bij die pensioenfondsen die tot nu toe voor de premieberekeningen met een (beperkt) verwacht rendement rekening hebben gehouden. Volgens uitspraken van pensioenvertegenwoordigers in de media zal deze aanpassing waarschijnlijk tot premiestijgingen gaan leiden die liggen tussen de 10 en 30 procent.

De kans dat de premies met dergelijke percentages gaan stijgen, lijkt gering. Als de premie echter niet verhoogd wordt moeten nogal wat pensioenfondsen de opbouw dramatisch verlagen, aldus de Pensioenfederatie, de koepel van alle pensioenfondsen. Zo zou volgens het Philips pensioenfonds het jaarlijkse opbouwpercentage dalen van 1,85 naar 1,09 procent. Dat betekent dat de doelstelling uit het Pensioenakkoord dat deelnemers na 40 dienstjaren een pensioen van 75 procent middelloon hebben opgebouwd, bij lange na niet wordt gehaald. Eerder zal het pensioen na 40 opbouwjaren vermoedelijk op gemiddeld 60 procent van het middelloon uitkomen.

Deze uitkomsten zijn bovendien gebaseerd op het maximaal toegestane opbouwpercentage. Bij nogal wat pensioenregelingen ligt het jaarlijkse opbouwpercentage daar vaak onder. Voorts is het zo dat het grootste deel van de deelnemers minder dan 40 dienstjaren heeft en dus ook minder dan dit maximale pensioen opbouwt. En daarnaast ligt het uiteindelijke eindloon waarmee deelnemers met pensioen gaan, afhankelijk van het carrièreverloop, boven het middelloon. Als we met deze factoren rekening houden, dan zou de verwachte pensioenuitkomst voor de jonge deelnemers rond de 30 à 35 procent van het eindloon uitkomen. Dat is dan het perspectief wat we de jongeren in de toekomst gaan bieden.

Veel jongeren zullen zich dan ook de (terechte) vraag stellen waarom men in een dergelijk pensioenstelsel mee zou willen doen. Waarom zouden jongere deelnemers inleggen in een pensioenstelsel dat als uitgangspunt heeft dat men de komende 50 jaar geen enkel verwacht rendement mag verdisconteren? Dat daardoor leidt tot een onnodige reductie bij de pensioenopbouw, zodat het uiteindelijke pensioen veel lager uitvalt. Wie heeft er zin om mee te doen met een stelsel waar al zolang over wordt gesoebat, maar dat uiteindelijk zo weinig pensioen uitbetaalt? Hoe kunnen we zo’n stelsel nog verplicht stellen? Zulke vooruitzichten zetten de bijl aan de wortels van ons pensioenstelsel.

Op 13 oktober jl. publiceerden ruim 40 prominente wetenschappers en bestuurders een brief aan alle fractievoorzitters in de Tweede Kamer[2] met een pleidooi voor een iets hogere rekenrente. De briefschrijvers rekenen ons voor: “dat in de eerste helft van dit jaar de vermogens van de Nederlandse pensioenfondsen met 161 miljard euro toegenomen (cijfers DNB). Dat is een stijging met meer dan 12 procent. Dat lijkt goed nieuws voor de pensioendeelnemers en dat is het ook. Het is een forse bijdrage aan ons pensioenstelsel dat in 2018 een bedrag van bijna 31 miljard uitkeerde aan 3,3 miljoen pensioengerechtigden. Omdat de pensioenfondsen in datzelfde jaar een bedrag van ruim 33 miljard aan premie ontvingen, kan deze hele vermogenswinst worden toegevoegd aan de bestaande pensioenvermogens die eind vorig jaar 1322 miljard bedroegen. Aangezien pensioenfondsen nog steeds meer premie ontvangen dan zij uitkeren, bestaat ons pensioenstelsel op dit moment feitelijk uit een goed gefinancierd omslaggedeelte met daarnaast een jaarlijkse toename van de kapitaaldekking die daar gemiddeld ver bovenuit gaat. Door de instroom van premies en inkomsten uit het belegde vermogen zal het zeker nog vele jaren duren voordat de pensioenfondsen een negatieve cash-flow zullen hebben. En dan nog zullen de fondsen een omvangrijke buffer achter de hand hebben (momenteel al 48 keer de in 2018 uitgekeerde pensioenen) waaruit de pensioenen verder kunnen worden gefinancierd. Deze situatie is uniek in de wereld. Er is geen enkel ander land dat zoveel pensioenvermogen per inwoner heeft opgebouwd als ons land.”

In 2006 heeft de politiek besloten dat de pensioentoezegging voortaan nog veel sterker moest worden gegarandeerd. Voor jong en oud zou de pensioentoezegging voor 97,5 procent moeten worden zeker gesteld. En tegenwoordig wordt in de discussie al snel gesproken over volledig gegarandeerde toezeggingen. Die garanties zijn vervolgens vertaald naar de huidige rekenregels. De pensioenfondsen mogen volgens deze regels van de pensioenwet voor hun toekomstige rendementen alleen maar rekenen met volledig risicovrije opbrengsten. Hiervoor wordt de zogenaamde euroswaprente gebruikt (de rente die banken onderling verrekenen). En daar begint het probleem.

De renteopbrengsten van staatsleningen (en daarmee de euroswaprente) zijn de afgelopen jaren zeer sterk teruggelopen. Momenteel is er zelfs sprake van negatieve rentes. Daardoor moeten de pensioenfondsen nu rekenen met een verwacht rendement van vrijwel nul en de kans bestaat dat de fondsen binnenkort van negatieve rendementen moeten uitgaan. In het theoretische geval dat de komende 50 jaar de pensioenfondsen conform de gehanteerde rekenregels geen enkel rendement meer zullen maken, is er inderdaad bij een groot aantal pensioenfondsen onvoldoende geld om aan hun toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen. Vandaar dat er tal van fondsen op deze basis een dekkingsgraad hebben onder de 100 procent. En er daarom gekort moet worden. Dat is echter om twee redenen niet verstandig.

Ten eerste hebben de Nederlandse pensioenfondsen sinds het begin van de jaren negentig, na de liberalisering van de kapitaalmarkten, jaarlijks een gemiddeld rendement gemaakt van ongeveer 7 procent (na aftrek van alle kosten). Nu zeggen resultaten van beleggingen uit het verleden inderdaad weinig over de toekomst, maar de omslag naar een verwacht rendement van 0 procent is wel erg groot. Zeker als we weten dat de meeste pensioenfondsen in ons land maar beperkt in staatsleningen beleggen.

Over het algemeen wordt het merendeel van de pensioenvermogens aangehouden in aandelen, vastgoed, grondstoffen, private equity, hedgefondsen en andere zakelijke waarden. Er moet immers rendement worden gemaakt. En van het deel dat in vastrentende waarden wordt belegd, wordt het grootste deel in bedrijfsleningen geïnvesteerd. Staatsleningen maken over het algemeen slechts een beperkt deel van de portefeuille uit. Maar op het rendement van dit beperkte deel rekenen we volgens de huidige rekenregels wel de hele portefeuille af.

De tweede reden heeft te maken met het politieke uitgangspunt. De bedoeling was om de pensioenen zo zeker mogelijk te maken. Maar precies het omgekeerde is gebeurd. Er zijn in ons land nog maar heel weinig mensen te vinden die geloven dat zij een gegarandeerd pensioen hebben. Dat geloof is echt wel verdwenen. De indexatieachterstand ligt bij veel fondsen tussen de 15 en 20 procent en met de komende kortingen erbij zal die achterstand aanzienlijk, zo niet zeer aanzienlijk oplopen. Met dit soort resultaten is het helder dat het vertrouwen van de Nederlandse bevolking in ons pensioenstelsel met rasse schreden achteruit is gegaan. De pogingen om ons pensioenstelsel steeds zekerder te maken hebben derhalve geleid tot een buitengewoon onzeker pensioen.”

Uiteraard moet ook een nieuwe, hogere rekenrente prudent blijven. De solidariteit tussen generaties moet in stand blijven. Zoals hierboven aangegeven worden ook jongeren getroffen als we nu pensioenen gaan korten. Als we niets doen zullen de aanvullende pensioenen straks structureel tientallen procentpunten lager zijn dan thans voor de huidige jongeren. De huidige methode ondermijnt daarmee het laatste kroonjuweel in onze verzorgingsstaat, de verplichte collectieve aanvullende pensioenen voor werkenden, met solidariteit tussen generaties. Dat is voor mensen met kapitaal en hoge inkomens geen probleem, zij hebben voordeel van de lage rente via hun hypotheek en hoge beleggingsrendementen. Hoge inkomens kunnen zich veroorloven individueel zelf pensioen op te bouwen via beleggingen en private pensioenproducten. Het zijn de lage en gemiddelde inkomens die de tol betalen.

Prudentie is goed, overdreven prudentie is schadelijk. Natuurlijk moeten we zorgen dat de jongeren straks ook nog een goed pensioen hebben, maar dat kan – inclusief gevolgen van stijgende levensverwachting en vergrijzing – heel goed met een prudente rente van ca. 2,4%. Dat is overigens ook vastgesteld door de commissie Dijsselbloem die heeft berekend dat 2,4% een prudente rente is om de premies op te baseren. De pensioenfondsen en ook de commissie Dijsselbloem verwachten dat ze blijvend minimaal 4% rendement kunnen maken met hun beleggingen. En dat is zeker ook het geval bij een meer maatschappelijk en risicoarm beleggingsbeleid. Kleine verhogingen van de rekenrente maken al een enorm verschil voor de dekkingsgraad. Een verhoging met 1% maakt zelfs al kortingen overbodig en iets meer kan zelfs indexering realiseerbaar maken.

En prudentie helpt ook weinig tegen een volgende financiële crisis. Dekkingsgraden zullen dan gauw verdampen, welke norm we ook kiezen. Wat daar wel tegen helpt is als pensioenfondsen minder speculatief beleggen in allerlei (dure) risicovolle constructies. Pensioenfondsen gedragen zich nu teveel als financiële instellingen met bijbehorende hoge kosten en bonuscultuur. Als pensioenfondsen minder risicovol beleggen zijn er minder zeepbellen in onze economie en kunnen ze tegelijkertijd ons land beter bestendig maken tegen een volgende crisis (meer betaalbare woningen, meer duurzame economie). Daarmee zullen ze gemiddeld wellicht minder rendement maken, maar wel een meer stabiel rendement dat ruim voldoende is om aan de verplichtingen te voldoen.

In de jaren 1990 werd het vermogensbeheer van pensioenfondsen gedereguleerd, net als de banken, en de dure commerciële beleggers en hun zeepbelproducten deden hun intrede. Onze PvdA zou een prudente verhoging van de rekenrente (tot ca. 2,4%) moeten koppelen aan regulering van het vermogensbeheer: dat moet degelijker, simpeler, goedkoper[3] en duurzamer. En bijdragen aan het algemeen, collectief belang. Ook de deelnemers van de pensioenfondsen profiteren van een meer stabiele en duurzame economie, betaalbare woningen, etc.

Pensioenfondsen tenderen nu naar financiële instellingen. Daar moet een einde aan komen. En dat is een mooi tegenwicht voor de benodigde rekenrente verhoging. Want als je maatschappelijk investeert mag je ook met een maatschappelijke rente rekenen. Het is de contramal. Bijvoorbeeld: Beleggen in regionale spreiding en valuta uitsluiten. Dus alleen de eurozone komt in aanmerking. Dan investeer je in je eigen verdienvermogen. Investeren in derivaten en private equity: verbieden. En daar biedt de wet ook gewoon de ruimte voor. De duration standaard en verplicht volledig afdekken. Niet met derivaten maar door swaps. Terug naar de maatschappelijke organisaties die ze ooit waren. Dit soort maatregelen maakt een beperkte rekenrente verhoging meer dan verantwoord.

Nu onze PvdA een grote rol gespeeld heeft bij het bereiken van het pensioenakkoord, rust op ons ook een verantwoordelijkheid hier de helpende maar ook sturende hand te bieden. In de eerste plaats door in ieder geval de verdere verlaging van de rekenrente te voorkomen, onder meer door steun van het akkoord hiervan afhankelijk te maken. In de tweede plaats door een initiatief te nemen voor een andere systematiek van de rekenrente. Het zal een lastige discussie zijn, maar ja, de PvdA is nodig voor een meerderheid in de Eerste Kamer voor het pensioenakkoord. Laten we daar (liefst samen met GL en SP) een punt van maken. Voor de Rijksbegroting heeft e.e.a. geen gevolgen. Ook de FNV dringt sterk aan op wijziging van de rekenrente en geen korting vooruitlopend op de uitwerking van het pensioenakkoord.

Maar er is nog een weg om de effecten van de korting tegen te gaan. En die weg zouden we ook moeten volgen. Het is de weg van de verhoging van de AOW-uitkering. Door een verhoging van de AOW-uitkering worden pensioendeelnemers die gekort worden op hun aanvullende pensioen, gecompenseerd.

Uiteraard compenseren we daarmee ook pensioendeelnemers die niet gekort worden op hun aanvullende pensioen. Maar de AOW is eigenlijk al veel te laag, met name zij die alleen AOW hebben of slechts een klein aanvullend pensioen komen nauwelijks rond[4]. Daarom is dit een weg die we ook moeten volgen, ook indien de rekenrente verhoogd wordt.

Het kost uiteraard wel wat, een stijging van de AOW met bijv. 10% kost zo’n 3,7 miljard euro. In de bestaande systematiek is de AOW-premie een vast gegeven en worden tekorten via de algemene middelen gefinancierd[5]. Het is onverstandig om de AOW-premie nu te verhogen, want dat zou arbeid duurder maken, terwijl daar juist de lasten omlaag moeten. Voor dekking moet dus naar belastingmaatregelen gekeken worden, door kapitaal (winst, vermogen, dividend, hoge inkomens) zwaarder te belasten. Daar zijn veel mogelijkheden voor – het effectieve belastingtarief op kapitaal is effectief slechts 9% (één van de laagste in Europa), terwijl dat op inkomen uit arbeid effectief 40% is. Dan betalen ook rijke gepensioneerden meer mee in een solidair belastingstelsel.

Het voorstel om de AOW-uitkering te verhogen is inmiddels ook overgenomen door het FNV.

Tenslotte ondersteunen we eisen om de werkgeverspremie te verhogen indien de pensioenkorting niet wordt voorkomen. Immers, indien er een tekort is kan ook de premie verhoogd worden – feitelijk is er sprake van een niet kostendekkende premie. Dat premietekort is bij het ABP, veruit het grootste pensioenfonds, intussen sinds 2009 opgelopen tot meer dan 40 miljard euro. De stijging van het werknemersdeel van de premie wordt daarbij gecompenseerd in een extra looneis. Onze motie ondersteunt dit als stok achter de deur om het kabinet Rutte III tot beweging te dwingen de pensioenkortingen in 2020 en 2021 in ieder geval te voorkomen, en tot een structurele verbetering te komen die de kans op kortingen drastisch verkleint en die op indexeringen navenant verhoogt, in een nog steeds zeer prudent, generatie-solidair collectief aanvullend pensioenstelsel.

Deze motie wordt mede ondersteund door Linksom! in de PvdA.

[1] Het gaat hier om pensioenaanspraken. Deze worden verlaagd voor nog pensioen opbouwende deelnemers, slapers (degenen die nu niet meer bij bedrijf(stak) pensioen opbouwen maar ook nog geen pensioen ontvangen, bijv. omdat ze nu elders werken of al dan niet vrijwillig werkloos zijn) en om mensen die al pensioen ontvangen. Het gaat dus ook om jongeren en huidige werkenden, die hun toekomstig pensioen verlaagd zien. Het aantal is het totaal aantal deelnemers van de fondsen waarbij nu acuut korting dreigt, te weten ABP (overheid en onderwijs), PFZW (zorg en welzijn), PMT (kleinmetaal, installatie en auto/fietsbedrijven) en PME (grootmetaal). De eerste drie zijn veruit de fondsen met het grootste aantal deelnemers.

[2] Zie: https://esb.nu/esb/20056035/ons-pensioenstelsel-verdient-beter

[3] Sinds de deregulering zijn de kosten van het vermogensbeheer de pan uit gerezen. Inmiddels bedragen ze 8 miljard euro per jaar, 25% van de ingelegde premie. Dat is absurd.

[4] Het gaat om ca. 200.000 huishoudens. Zie: https://www.maxvandaag.nl/sessies/themas/consument/meldpunt-niet-kunnen-rondkomen-van-alleen-aow/ . Een kwart van alle 65-plussers leeft van minder dan € 21.500 per jaar. Vooral (in totaal 100.000 huishoudens) onder oudere, oudere niet-westerse allochtonen en oudere gescheiden vrouwen bevinden zich relatief veel huishoudens met een zwakke inkomenspositie, soms zelfs onder de armoedegrens omdat ze te weinig AOW hebben opgebouwd. Zie: http://www.seo.nl/uploads/media/2017-09_Inkomenspositie_ouderen.pdf

[5] Het AOW-premiepercentage is sinds 1999 bevroren op 17,9%. In 2017 bracht dit 23,9 miljard op, en de rest – 13,5 miljard – wordt gefinancierd uit de Algemene Middelen van het Rijk (lees: belastinginkomsten). De uitgaven van AOW groeien licht per jaar in absolute zin, maar in percentage van ons bbp (nationaal inkomen) dalen de uitgaven. Dus wat we met z’n allen verdienen per jaar stijgt meer dan de uitgaven voor AOW dat doen. In 2017 waren er ruim 3,4 miljoen mensen met een AOW-uitkering.FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Motie schuldenoffensief

De Politieke Ledenraad in vergadering bijeen op 16 november 2019 te Eindhoven,

Overwegende

-dat private schulden in Nederland een ongeëvenaarde omvang in de wereld hebben en dat deze voor huishoudens maar ook voor onze samenleving en economie als geheel daarmee een groot risico vormen,

-dat problematische en risicovolle schulden bij 1,2 miljoen huishoudens deze huishoudens nu in een bijna uitzichtloze situatie laat verkeren, en dat dit tot enorme maatschappelijke kosten leidt,

-dat de toegankelijkheid en effectiviteit van de huidige schuldhulpverlening zeer gering is,

-dat tegelijkertijd er een enorme schuldenindustrie bestaat van mensen en bedrijven die een meer dan goed belegde boterham aan deze schulden verdienen,

-dat kredietverstrekkers in Nederland anders dan in vele andere landen nauwelijks risico lopen bij het verstrekken van kredieten,

-dat in geen enkel ander land het maken van private schulden zo enorm fiscaal gesubsidieerd wordt en bij studenten direct wordt aangemoedigd,

-dat de overheid de grootste schuldeiser is, en dat daarbij de fiscale toeslagen een grote rol spelen, en dat deze toeslagen bovendien onvoldoende aangevraagd worden en een enorme armoedeval veroorzaken (waardoor extra werk en loon nauwelijks loont),

Van oordeel dat de aanpak van private schulden urgent een breed offensief vereist, op basis van het hierna volgende programma:

  1. Laat de kredietverlener meer risico lopen met wijziging faillissements- en hypotheekwetgeving, en met meer zorgplicht voor kredietverleners. Bij faillissement is er (max. eenmaal per 6 jaar) geen claim op toekomstig inkomen, restschuld hypotheek vervalt bij inleveren onderpand.
  2. Beëindig alle fiscale subsidiëring van private schulden (waaronder hypotheekrenteaftrek) en beëindig geheel het systeem van studieleningen. In plaats van hypotheekrenteaftrek zorgen we voor gesubsidieerd bouwsparen en voor betaalbaar huurwoningaanbod (met o.m. afschaffen alle heffingen op sociale woningbouw, herstel brede volkshuisvesting met meer Rijks- en provinciale regie en meer reguleringsmogelijkheden voor verhuur, aanpak speculanten en huisjesmelkers, en afschaffing liberalisatiegrens). In plaats van individuele studieleningen en collegegelden voeren we een collectieve studieheffing na afloop van de studie in.
  3. Zorg dat lage en middeninkomens geen fiscale toeslagen meer nodig hebben door lagere huren en gratis zorg en kinderopvang. Lagere huren realiseren we o.m. door een maximum huurquote (% van netto inkomen) en objectsubsidies, schrappen WOZ-waarde en beperken duurzaamheidspunten in woningwaarderingsstelsel en afschaffen inkomensafhankelijke huurverhoging.
  4. Zorg dat de schuldhulpverlening voor iedereen toegankelijk en effectief wordt, met actieve vroegsignalering, een individueel schuldhulpverleningsplan gericht op het wegnemen van de oorzaken, het geven van perspectief en het voorkomen , van herhaling, met korte maximumtermijnen voor vaststellen plan, voor totstandkoming van minnelijke regeling en voor vaststellen bindende schuldsanering in drie jaar. Organiseer dat gemeentelijk, met de mogelijkheid voor beroep bij de rechter, en met een landelijk opkoopfonds van problematische schulden. Als de schuldenaren onvoldoende meewerken wordt het traject verlengd in plaats van afgebroken. Gemeenten moeten effectiever werken, resultaten worden gemeten met landelijke criteria, maar de kost gaat voor de baat uit: gemeenten hebben om te kunnen investeren ook meer budget nodig. De commerciële schuldbewindvoering vervalt, bewindvoerders komen bij gemeenten in dienst.
  5. De incasso van schulden moet veel beter gereguleerd worden. Alle overheidsincasso moet via één loket en we moeten stoppen met boetes en verhogingen bij mensen die dat toch niet kunnen betalen. Deurwaarders komen in dienst van de overheid en per huishouden kan er maar één deurwaarder zijn voor alle schulden. We reguleren de incassobedrijven zodat kwalijke uitbuiting en intimidatie verdwijnt en onredelijke boetes en kosten onmogelijk worden gemaakt. Commerciële verkoop van problematische schulden van huishoudens wordt verboden. Er komt één centraal door de overheid beheerd register van problematische schulden, waar gemeenten hun schuldhulpverlening op kunnen baseren. Voor daklozen wordt een postadres geregeld, waarmee uitkeringen, registratie en hulpverlening tot stand kan komen. Er is een noodplan nodig voor bestrijding van toenemende dakloosheid, ook onder werkenden.
  6. Voor bestaande problematische schulden moet een eenmalig schuldenpardon worden toegepast, gefinancierd door verhoging van de bankenbelasting.

Roept onze Tweede Kamerfractie op om alles te doen wat de realisatie van dit offensief en programma dichterbij brengt,

En gaat over tot de orde van de dag.

Gerard Bosman

Amma Asante

 

Toelichting

Groot probleem

De situatie van problematische en risicovolle schulden van huishoudens vraagt om een urgente aanpak. Schulden van huishoudens zijn nergens in de wereld zo hoog als bij ons: meer dan 2000 miljard euro, 280% van ons bbp. De enorme schulden geven ook een enorm risico bij een volgende crisis: meer dan twee derde van het juridisch bezit van de 90% huishoudens met de slechtste vermogensposities is inmiddels belegd met schulden. Een op de drie huishoudens heeft te lage financiële reserves om tegenvallers op te vangen.

Het aantal huishoudens met risicovolle en problematische huishoudens is dramatisch (1,2 miljoen!) en neemt ondanks de hoogconjunctuur niet af. De kosten zijn enorm: ruim een half miljard per jaar aan directe schuldhulpverlening en 11 miljard euro per jaar aan indirecte maatschappelijke kosten door problemen van huishoudens in deze schulden.

De toegankelijkheid van de schuldhulpverlening is slecht: minder dan 5% weet de schuldhulpverlening te vinden, er zijn jarenlange doorlooptijden, minder dan 1 op de 5 die toegelaten is bereikt schone lei, er is een hoge recidive (terugval in nieuwe schulden), schuldeisers ontvangen gemiddeld van mensen in de schuldhulpverlening maar 10-12% van hun vorderingen terug.

Het huidige stelsel is een hel voor de schuldenaar, kost de samenleving miljarden, in de meeste gevallen krijgen schuldeisers hun geld grotendeels niet terug, de enige die echt baat heeft bij deze industrie is de schuldenindustrie zelf, en u en ik betalen voor deze gigantische verspilling. Daarenboven bedreigt het huidige schuldenniveau onze economie en welvaart.

In onze Tweede Kamerfractie heeft Gijs van Dijk al maatregelen voorgesteld om schulden aan te pakken. Zie zijn armoedeoffensief van september jl. en het voorstel (samen met de CU) om te komen tot een opkoopfonds van problematische schulden. De voorstellen in deze motie bouwen daar op voort.

Eigen schuld?

Het huidige stelsel gaat zeer uit van zelfredzaamheid en eigen schuld. Daarbij wordt eraan voorbij gegaan dat iedereen door ongeluk (werkloosheid, scheiding, overlijden partner, etc.) in financiële problemen kan komen. En dat er structurele, enorme maatschappelijke ongelijkheid bestaat waarin huishoudens structureel geld tekort komen door achterblijvende inkomens en sterk stijgende vaste lasten, mede door ideologisch bepaalde individualisering van kosten van publieke dienstverlening (zorg, onderwijs, kinderopvang) en van de al even ideologisch gedreven afbraak van de brede volkshuisvesting en de daardoor ontstane woningcrisis. De segregatie in de samenleving die hiervan het gevolg is wordt steeds zichtbaarder en overerfbaar: ook kinderen van de achterblijvende huishoudens hebben steeds minder perspectief op verbetering.

Daarenboven wordt er aan voorbij gegaan dat mensen in nood hulp nodig hebben juist niet zelfredzaam zijn. Je moet om hulp te krijgen loketten aflopen, formulieren invullen, intakegesprekken voeren. Hier is iets vreemds aan de hand: hoe minder je hebt, hoe meer bureaucratie er over je heen wordt gestort. Terwijl je daar juist steeds minder energie voor hebt. Laat dit even tot u doordringen: in de moderne verzorgingsstaat wordt je probleem een reden om je uit te sluiten van een oplossing. Het is ronduit idioot om aan mensen met problematische schulden als toegangseis voor hulp te stellen dat ze eerst hun administratie op orde moeten hebben, zoals veel gemeenten nu doen. En dat is maar één voorbeeld.

Teveel mensen zijn gaan geloven in een soort ideaalbeeld van assertieve individuen die hun mannetje en vrouwtje staan in de wereld van markt en strijd. Dan is het logisch dat de afkeer van afhankelijkheid groeit. Daar ligt de bron van sociale ontbinding. Als je succes hebt, dan is het jouw verdienste, als je faalt, dan heb je het aan jezelf te wijten. Dat deugt natuurlijk helemaal niet: de samenleving is complexer dan ooit en dan zeggen we tegen het individu dat het al de risico’s maar moet kunnen overzien. De Staat kan dat niet meer, ondanks alle toezicht die hij uitoefent, maar van het individu veronderstellen we dat het dat wél kan. Terwijl volgens ons maatschappelijke misstanden, maar soms ook noodlot of dikke pech, meer dan voorheen bepalen of iemand vastloopt.

Het is een vergissing, met ingrijpende gevolgen, om aan te nemen dat ons emancipatieproces is voltooid. En dat we nu een maatschappij hebben van economisch zelfredzame, autonome individuen. Het resultaat is wat de WRR een ‘zelfredzaamheidsparadox’ noemt: door van iedereen evenveel verantwoordelijkheid te vragen, verliezen sommige groepen juist de regie over het eigen leven. Dit betreft in ieder geval de financiële analfabeten – volgens het Nibud heeft 40% van de Nederlanders moeite met financiële administratie. Daaronder zitten ook de 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

Het helpt ook niet dat we het zo ingewikkeld gemaakt hebben: Mensen met een uitkering hebben te maken met 13 verschillende inkomensregelingen met 8 verschillende definities van inkomen en vermogen, en 27 formulieren.

En voor hen die het wel weten, heeft de WRR erop gewezen dat weten nog geen doen is.[1] Handelingsbekwaamheid vraagt meer dan alleen kennis in tijden van persoonlijke crisis. Denkvermogen is nog geen doenvermogen. Stress, schaamte en gebrek aan toekomstperspectief maken ook hoog opgeleiden met financiële problemen soms vleugellam. Niet-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleiding en tegenslag zijn niet vanzelfsprekend aanwezig bij iedereen met goede cognitieve vermogens.

De WRR wijst erop dat veel overheidsarrangementen geen rekening houden met normale menselijke tekortkomingen. Die komen, zo stelt de WRR, niet alleen voor bij kwetsbare mensen, met een lager IQ of opleiding, maar bij iedereen, ook bij u en bij  mij, en dus ook bij hoger opgeleide mensen. Bij baanverlies, echtscheiding, rouw, ziekte, burn-out en stress verminderd ons doenvermogen – de capaciteit om gedachten, emoties of gedrag te beheersen. Ook ‘wij’ openen de post weleens een poosje niet, leven ongezond, drinken iets teveel of gooien er met de pet naar. Omdat we even niet anders kunnen of willen. Of het ‘niet opbrengen’. Temperament, zelfcontrole en overtuiging spelen een belangrijke rol bij zelfredzaamheid – niet iedereen is er in gelijke mate mee bedeeld, en te trainen valt het maar moeilijk. Niet iedereen heeft ook dezelfde aanleg voor zelfredzaamheid. Mentale vermogens blijken verder ook variabel in een mensenleven.

Het moet geheel anders

De motie beschrijft een geheel nieuwe aanpak. Met zes programmapunten:

  1. De beste manier om problematische en risicovolle schulden te beperken is de kredietverlener meer risico te laten lopen.

We maken persoonlijk failliet gaan niet erger dan wanneer een bedrijf failliet gaat. Concreet houdt dat in dat bij faillissement er niet langer beslag gelegd kan worden op toekomstig inkomen. Om misbruik te voorkomen kan dat beperkt worden tot bijv. eenmaal in de 6 jaar (vgl. de VS), en dat wordt dan ook zo beperkt bij rechtspersonen. De lijst van noodzakelijke bezittingen die je mag houden bij faillissement wordt gemoderniseerd (nu mag je bv. geen koelkast houden omdat toen de huidige lijst werd opgesteld, er nog geen koelkasten waren). Na een faillissement kan je daardoor direct met een schone lei verder. De beperking van eenmaal in de zes jaar leggen we ook op aan faillissement van rechtspersonen, zoals bedrijven.

Bij restschulden van hypotheken zou het zo moeten zijn dat deze voor rekening van de hypotheekverstrekker komen (wederom vgl. VS) bij inlevering van het onderpand.

Tenslotte vergroten we de wettelijke zorgplicht van kredietverleners bij het aangaan van kredietovereenkomsten. De zorgplicht van private partijen blijft ook bij uitbesteding van incasso bij de oorspronkelijke partij in stand, ook wat betreft aansprakelijkheid.

  1. We moeten toe naar een beëindiging van alle fiscale subsidiëring van private schulden en van het systeem van studieleningen.

We moeten stoppen met het fiscaal subsidiëren en anderszins bevorderen van private schulden. Dat impliceert het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek, en hogere eisen aan eigen kapitaal bij hypotheek. Dit is niet raar. Elders in Europa is het heel normaal. Dit drukt de woningprijzen enorm. Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: u zelf. Niet genoeg mensen realiseren zich dat de Nederlandse koopwoningmarkt is gebouwd op extreem royale hypotheekschulden. Prijsopdrijving, blootstelling aan risico’s en meer volatiliteit zijn de gevolgen. Vanuit het buitenland wordt vaak met argwaan gekeken naar dit piramidespel. Veel beter is: langer huren, geld sparen en op latere leeftijd met een kleinere hypotheek kopen (of blijven huren). We stimuleren dit bouwsparen voor starters (zij die voor het eerst een huis kopen) met een kleine subsidie, zoals dat ook in Duitsland gebeurt.

Bovendien is de huidige fiscale subsidiëring van hypotheken een vorm van omgekeerde solidariteit, van arm naar rijk. De fiscale subsidie op hypotheken bedraagt nu ruim € 13 miljard per jaar (hypotheekrenteaftrek – eigen woningforfait). Dit staat tegenover € 1,3 miljard per jaar aan steun aan huurders (huurtoeslag – belastingen verhuurders). De netto besteedbare inkomens van woningbezitters zijn gemiddeld veel hoger dan van huurders (respectievelijk € 45.400 per jaar en € 23.400 per jaar). De woonquotes (dat deel van het besteedbaar inkomen dat besteed wordt aan woonlasten) zijn voor woningbezitters ook veel lager (ca. 30%) dan huurders (bijna 40%).

In plaats van hypotheekrenteaftrek moeten we toe naar een situatie van gesubsidieerd bouwsparen als bijv. in Duitsland, en vooral inzetten op betaalbaar huren. Dat kan door de brede volkshuisvesting weer in ere te herstellen, zonder liberalisatiegrens, zonder heffingen op sociale verhuur en zonder inkomensafhankelijke huurverhoging. Daarenboven moet de WOZ-waarde geschrapt worden uit de puntentelling en de duurzaamheidspunten beperkt tot het equivalent aan besparing van energielasten. Minima kunnen volgens het Nibud maar € 425 euro per maand betalen, en dat aanbod is er nu nauwelijks. Een kwart van alle huurders (zo’n 800.000 huishoudens) zit volgens het Nibud nu financieel klem, omdat hun woonlasten te hoog zijn in verhouding tot hun inkomen. Bij woningbezitters is dit percentage veel lager, zo’n 8%.

Het huidige studieleningenstelsel, eufemistisch en verhullend studievoorschot genoemd, werkt onrechtvaardig uit. Studenten met rijkere ouders hoeven niet te lenen, zij die dat niet kunnen of een conflict met ouders hebben, zijn aangewezen op een individuele, rentedragende lening. Het was idioot om net na de grootste schuldencrisis in de geschiedenis en met enorme hoge problematische en risicovolle schulden van huishoudens tegenover jongeren te beweren dat lenen geen probleem is. Nu is het bovendien zo dat als je inkomen niet voldoende is om je terugbetalingstermijn te betalen, die termijn weliswaar wordt opgeschort, maar met rente-op-rente wel blijft staan, tot maximaal 35 jaar. Bij langdurig te laag inkomen wordt dat een enorme schuld, die je kredietwaardigheid behoorlijk vermindert. Dat die schuld niet zou meetellen bij je hypotheekcapaciteit is gevaarlijke nonsens. In de praktijk wordt je gevraagd dit op te geven en op fraude daarmee kan de hypotheek vervallen, en je feitelijke betalingscapaciteit is natuurlijk wel degelijk minder.

Gelukkig heeft onze Tweede Kamerfractie nu onlangs ook afstand genomen van dit leningstelsel. Nog onduidelijk is in dat standpunt wat er voor in de plaats zou moeten komen en of voor iedereen de studielening zou moeten verdwijnen.

Als sociaaldemocraten gaan we altijd voor collectieve arrangementen, niet voor individuele arrangementen. Zo bouwen we solidariteit. Daarbij moet wel gezorgd worden dat de eeuwige student niet terugkeert, en dat studievoortgang geborgd wordt. Dat moeten we echter niet als financiële prikkel bij het inkomen regelen, maar in de onderwijsregelgeving zelf, en in de financiële prikkel bij de eigen bijdrage in het onderwijs. Dat is nu het collegegeld of het lesgeld. Nadeel daarvan is dat dit vooraf moet worden betaald, voordat er sprake is van werkelijk individueel financieel rendement van de studie. Dat geeft een behoorlijke financiële drempel om te kunnen studeren.

In plaats van individuele studieleningen en collegegelden werken we aan een systeem van collectieve heffingen na afloop van de studie, naar rato van het dan verdiende inkomen en genoten studieduur. Het gemiddelde bedrag van de heffing zal ook hoger zijn dan het huidige collegegeld, we financieren daar deels de studiebeurs voor iedereen uit.

  1. We moeten toe naar een systeem waar lage en middeninkomens geen fiscale toeslagen meer nodig hebben.

De fiscale toeslagen (huur, zorg en kinderopvang) veroorzaken veel schulden: 27% moet deze terugbetalen, bij kinderopvang is dat zelfs 40%! Dat komt vooral door wisselende inkomens, en de jaarsystematiek. Men krijgt de toeslagen als voorschot op basis van een geschat inkomen per jaar. Valt dat tegen, dan moet je terugbetalen. Vaak kunnen lage inkomens dat niet.

Bovendien vraagt 17% van de rechthebbenden geen zorg- of huurtoeslag aan. Het systeem is te complex en te risicovol. En het systeem veroorzaakt een armoedeval. Tot een modaal inkomen ga je er nauwelijks op vooruit als je bruto meer gaat verdienen, doordat de toeslagen dan verminderen of uiteindelijk geheel wegvallen. Tenslotte veroorzaakt het systeem ook grote uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst en veel controlekosten. Een maandsystematiek zou, zoal mogelijk, dat nog verder versterken.

Fiscale toeslagen overbodig maken is de beste oplossing. Dat doe je door hogere inkomens te realiseren, maar vooral ook door verlaging van de vaste lasten waarvoor deze toeslagen bedoeld zijn. Zolang deze aanpak van vaste lasten nog niet gerealiseerd wordt moeten toeslagen van mensen naar verhuurder, zorgverzekeraar en kinderopvang kunnen worden overgemaakt in plaats van aan het huishouden.

3.1. Lagere Huren

Hiervoor zijn al voorstellen gedaan om de huren te verlagen. De huren verlagen we verder door objectsubsidies aan sociale verhuurders en de huren te maximeren aan een percentage (bijv. 30%) van het netto-inkomen (zoals dat ook bij hypotheken gebeurt). De huurtoeslag kan dan vervallen.

3.2. Geen individuele zorgkosten

De zorgkosten verlagen we door afschaffing van eigen risico en eigen bijdragen en fiscalisering van de zorgpremies. De zorgtoeslag dekt nog maar gemiddeld 39% van de zorgpremie. Het eigen risico is sterk verhoogd, nu naar € 385 per jaar. Het vrijwillig eigen risico verleidt mensen ook tot gokken: je kunt er forse premieverlaging mee realiseren, tot 300 euro per jaar. Steeds meer mensen kunnen die verleiding niet weerstaan: in 2012 koos 6,9% voor een vrijwillig hoger eigen risico, nu is dat al 12,3%. Van de groep verzekerden die kiest voor verhoging van het eigen risico, maakt ruim 72 procent de keuze voor het maximumbedrag: een vrijwillige verhoging van 500 euro. Dat komt neer op 8,9 procent van alle zorgverzekerden. Als er echter dan plotseling hoge zorgkosten ontstaan, en er is onvoldoende inkomen, dan zijn er in toenemende mate schulden, die nog eens verzwaard worden door verhoging van premie met 25% (!) bij meer dan zes maanden achterstallige premie plus invorderingskosten.

Ook de eigen bijdragen bij gemeenten gingen omhoog: het bedrag dat mensen moeten bijbetalen voor hulp en begeleiding thuis of als ze in een tehuis terechtkomen. Gemeenten, bepalen zelf hoe hoog die (meestal inkomensafhankelijke) eigen bijdragen zijn. Zo steeg de eigen bijdrage voor dagbesteding van mensen die een hersenbloeding hebben gehad (in jargon ‘niet aangeboren hersenletsel’) in sommige gemeenten naar 750 euro per maand. In de ene gemeente krijg je de aanleg van een traplift vergoed, in de andere niet, in de ene gemeente is er veel hulp beschikbaar om als verstandelijk beperkte toch zelfstandig te kunnen wonen, in de andere vrijwel niets. Deze verschillen zijn voor het overgrote deel niet terug te voeren op verschillende behoeften van gebruikers, maar op financiële keuzes van gemeenten. Er kwamen bij de Nationale Ombudsman meer dan 900 klachten in een jaar tijd binnen over de eigen bijdragen, naast veel andere klachten over de zorg.

Tot 2014 waren er verschillende tegemoetkomingen voor chronisch zieken en gehandicapten, vanuit de redenering dat zij anders oneerlijk veel geld aan zorg kwijt zijn. Die landelijke regelingen zijn met ingang van 2015 afgeschaft, en in plaats daarvan kregen gemeenten een – veel kleiner – bedrag om aan tegemoetkomingen te besteden. Per saldo leverde dit het rijk een bezuiniging op van 580 miljoen. De meeste gemeenten hebben zelf hiervoor geen regeling gemaakt – onlangs wees een rechter erop dat dit juridisch niet zo maar kan.

In februari 2016 publiceerde het blad Binnenlands Bestuur een onderzoek waaruit bleek dat ruim een kwart van alle hulpbehoevenden afziet van gemeentelijke zorg of ondersteuning vanwege de gestegen kosten.

Het eigen risico en eigen bijdragen in de zorg veroorzaken zorgmijding, beter te omschrijven als zorgtekort door geldgebrek. Omdat patiënten daardoor te laat goede zorg krijgen, nemen op termijn de totale kosten weer toe. Inmiddels wordt al ruim 16% van de zorguitgaven gedekt door eigen risico en eigen bijdragen.

Het zorgstelsel wordt ook in de media voornamelijk beoordeeld op het rechtse criterium van beheersing van de collectieve kosten. Deze focus is rechts, aangezien nooit meegewogen wordt in hoeverre collectieve kostenbeheersing tot individuele kostenstijging leidt. Als we van alles uit het verzekerde pakket gooien, is rechts trots op kostenbeheersing. Links zou daartegen in moeten brengen dat dit leidt tot tweedeling in de zorg, omdat zorgbehoevende mensen deze onverzekerde ingrepen voortaan zelf moeten bekostigen. De toegankelijkheid en kwaliteit van en het werken in de zorg blijven te vaak onbesproken.

Wie vindt dat kosten voor ziekte en hulpbehoevendheid een eigen verantwoordelijkheid zijn, of misschien zelfs eigen schuld (‘dan had je je er maar beter tegen moeten verzekeren’), of dat zorg een ‘consumptiegoed’ is waarbij het inkomen nu eenmaal bepaalt hoeveel je ervan kunt consumeren, zal kiezen voor het individualiseren van de zorgkosten. Het is een politieke keuze, geen wetenschappelijke of economische keuze.

Nu ‘bezuinigen’ we door kosten te individualiseren: premiestijging, eigen risico, eigen bijdragen, onderbrengen van delen van noodzakelijke zorg naar de aanvullende verzekering (fysiotherapie, tandartszorg), afschuiven zorgverlening op mantelzorgers (zelfredzaamheid/eigen kracht). Dat is geen bezuiniging, geen betere kostenefficiëntie, maar lastenverschuiving van overheid naar de burger, en m.n. naar de burger die (veel of erg) ziek is. Dit laatste leidt ook tot schijnbare belangentegenstelling tussen patiënt en weinig zieke premiebetaler (‘zorgconsument’). En is de bijl aan solidariteit tussen ziek en gezond.

Individuele zorgkosten drukken per definitie harder op lage dan op hoge inkomens, en het collectieve deel van de zorgkosten wordt vrijwel louter gefinancierd uit premies op arbeid, en dan vooral op de middeninkomens. De premies op arbeid zijn een overblijfsel uit het verre verleden, toen het ziekenfonds er vooral was voor mensen in loondienst. De eenvoudigste manier om de zorglasten eerlijker te verdelen is om ze uit de algemene belastingen te betalen, zoals met onderwijs ook gebeurt. Daardoor drukken ze veel minder op arbeid dan in het huidige systeem, want twee derde van alle belastinginkomsten in Nederland komt uit omzetbelasting, accijnzen, vennootschapsbelasting en allerhande andere niet-arbeidgerelateerde belastingen. Naarmate een groter deel van het nationaal inkomen wordt verdiend met kapitaal (vermogen, winst), en dat is de huidige trend, wordt het steeds onlogischer om de zorgkosten louter te financieren via premies of belastingen op arbeid.

De zorgkosten moeten op een andere manier beheerst worden dan via financiële prikkels bij verzekerden en patiënten. Overigens zijn die zorgkosten weliswaar hoog en stijgend in absolute zin, maar blijft de stijging al zes jaar lang achter bij de stijging van ons nationaal inkomen. Het aandeel van de zorguitgaven in het bbp is al vanaf 2012 ieder jaar gedaald van 14,4% in 2012 naar 13,3% in 2017. Ook in 2018 bleef de groei van de zorgkosten achter bij de groei van onze economie. Conclusie: de groei van de zorguitgaven is prima financierbaar en helemaal niet onhoudbaar.

Gezien het belang dat mensen hechten aan goede gezondheidszorg is dat percentage eigenlijk een koopje. De voorspelling van het Centraal Planbureau (CPB) dat de zorgkosten de komende 25 jaar verder zullen stijgen, hangt nauw samen met de verwachting dat we in die 25 jaar ook rijker worden, en wie rijker wordt hecht aan betere – en dus duurdere – zorg. Die rijkdom schept echter ook ruimte om meer zorg te betalen.

Meer zorgkosten is ook helemaal niet slecht voor de economie, zoals neoklassieke economen stellen. Het CPB erkent dat inmiddels ook met een aanpassing van hun modellen. Mirjam de Rijk betoogde eerder terecht[2]: Zorg is net als andere sectoren ook een ‘motor van de economie’: er wordt geproduceerd, er worden behoeften bevredigd en er verdienen 1,3 miljoen mensen hun geld mee, dat ze vervolgens weer uitgeven aan de bakker, de aannemer of een nieuwe auto.

Dat neemt niet weg dat publiek geld efficiënt en effectief besteed moet worden, en zorguitgaven zijn een groot deel van al onze publieke uitgaven. Dat kan op veel manieren beter: door bijv. scherpere poortwachter naar dure zorg, andere bekostiging, geen marktwerking, minder bureaucratie, meer samenwerking, werken in loondienst, aanpak van monopolies van farmaceuten, meer inzet op preventie, etc. Het vraagt een ander zorgstelsel, gebaseerd op de uitgangspunten zoals geformuleerd in de motie daarover die op het PvdA congres in januari jl. is aangenomen.

3.3. Gratis kinderopvang

Onderwijs en kinderopvang, inclusief de voorschool, moeten worden geïntegreerd in publiek en collectief gefinancierde en georganiseerde kindercentra. Er zijn geen eigen bijdragen meer voor de kinderopvang en de voorschool, de betaling gaat geheel uit de belastingopbrengsten, net als het onderwijs. De huidige kinderopvangtoeslag kan dan vervallen.

Gratis kinderopvang zal ook een belangrijke belemmering voor een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen wegnemen. Ruim 220.000 mensen werken niet wegens zorgtaken[3], waarvan 211.000 vrouwen. Veel eenoudergezinnen, voornamelijk vrouwen, zitten in de bijstand en hebben schulden, en komen daar nu maar moeilijk uit.

  1. De schuldhulpverlening moet veel toegankelijker en effectiever worden georganiseerd.

Drempels moeten worden geslecht, en mensen met risico actief worden opgespoord. Schuldhulpverlening moet door gemeenten actief en op maat worden aangeboden aan iedereen die problematische schulden heeft, waarbij het weer perspectief krijgen op een schuldenloos leven en het wegnemen van de oorzaken van gemaakte schulden (en daarmee ook het voorkomen van herhaling van ontstaan van schulden) belangrijke uitgangspunten zijn. Er wordt een individueel schuldhulpverleningsplan opgesteld binnen 6 weken na aanmelding. Er kan direct een schuldenmoratorium worden opgelegd. Schuldeisers moeten binnen beperkte termijn duidelijkheid geven over mogelijkheid van redelijke, door gemeente aangeboden minnelijke regeling, en indien dat niet mogelijk is moet er snel door de gemeente een schuldsanering te kunnen worden opgelegd, waartegen beroep open staat bij de rechter. Bij de minnelijke regeling kan ook een opkoopfonds van schulden worden ingezet. Als de schuldenaren onvoldoende meewerken wordt het traject verlengd in plaats van afgebroken. Gemeenten moeten effectiever werken, resultaten worden gemeten met landelijke criteria, maar de kost gaat voor de baat uit: gemeenten hebben om te kunnen investeren ook meer budget nodig. De commerciële schuldbewindvoering vervalt, bewindvoerders komen bij gemeenten in dienst.

  1. De incasso van schulden moet veel beter gereguleerd worden.

Alle overheidsincasso moet via één loket en we moeten stoppen met boetes en verhogingen bij mensen die dat toch niet kunnen betalen. Deurwaarders komen in dienst van de overheid en per huishouden kan er maar één deurwaarder zijn voor alle schulden. We reguleren de incassobedrijven zodat kwalijke uitbuiting en intimidatie verdwijnt en onredelijke boetes en kosten onmogelijk worden gemaakt. Commerciële verkoop van problematische schulden van huishoudens wordt verboden. Er komt één centraal door de overheid beheerd register van problematische schulden, waar gemeenten hun schuldhulpverlening op kunnen baseren. Voor daklozen wordt een postadres geregeld, waarmee uitkeringen, registratie en hulpverlening tot stand kan komen. Er is een noodplan nodig voor bestrijding van toenemende dakloosheid, ook onder werkenden.

  1. Voor bestaande problematische schulden moet een eenmalig schuldenpardon worden toegepast.

Vele schuldenaren zijn in het huidig systeem alleen maar verder van huis gekomen. Het geeft huishoudens en onze economie direct een veel beter perspectief op een stabiel en zeker leven. Dit financieren we door verhoging van de bankenbelasting. Nu de banken gered zijn en weer zeer winstgevend zijn, wordt het tijd de huishoudens te redden. Daarbij moet dan wel schuldhulpverlening aan worden gekoppeld ter voorkoming van recidive.

Deze motie wordt mede ondersteund door Linksom! in de PvdA.

 

[1] https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2017/04/24/weten-is-nog-geen-doen

[2] https://www.groene.nl/artikel/de-kosten-in-de-zorg?fbclid=IwAR07lJvyI6g7FZbEOi21gYj5bX0WIF84aKoUNyy7T2MnT-Vusi9l4s7m5Aw

[3] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/33/ruim-220-duizend-mensen-werken-niet-vanwege-zorgtakenFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail