All posts by Beheerder

Een eerlijk belastingstelsel

De groeiende ongelijkheid is een maatschappelijke veenbrand

Deze zomer waren er door de droogte en hoge temperaturen vele natuurbranden, waaronder ook veenbranden. Veenbranden zijn moeilijk te blussen, de brand gaat in de veenlagen onzichtbaar onder de oppervlakte door en de brand kan plotseling, onverwacht op niet van te voren te verwachten plaatsen ineens weer aan de oppervlakte komen. Zo is het ook met de groeiende maatschappelijke ongelijkheid in ons land. De uitzichtloosheid van steeds meer erfelijke armoede, uitsluiting en vernedering aan de onderkant staat in schril contrast met de steeds grotere, niet meer te bevatten private rijkdom aan de bovenkant, particulieren en bedrijven die zo rijk zijn dat ze zich nergens meer iets aan gelegenheid hoeven te liggen, en dat ook niet doen – ze menen met wat goede doelen zelf wel uit te kunnen maken wie hun solidariteit verdiend en of en waar ze belasting betalen. Deze exorbitante, en soms ook exhibitionistische, zelfverrijking is minstens zo’n groot maatschappelijk probleem als de hiervoor genoemde armoede, uitsluiting en vernedering. Ze kan plotseling tot felle ontbranding komen. We hebben dat in de jaren 1930 eerder gezien. Er zijn veel aanwijzingen dat er zich nu gelijksoortige ontwikkelingen voordoen. Geschiedenis herhaalt zich weliswaar niet exact, maar rijmt wel. Dat is al onheilspellend genoeg.

Onder invloed van neoliberale politiek is de economische positie van de middenklasse in de afgelopen dertig jaar sluipenderwijs verslechterd. Je merkt het pas als je ineens achterblijft en het land om je heen in een plutocratie is veranderd. De laatste jaren is er een kookpunt bereikt. De achtergebleven middenklasse grijpt naar zondebokken: migranten, buitenlanders, de opkomst van China. De frustratie van de achterblijvers is een gevaarlijke voedingsbodem voor nationalisme en vreemdelingenhaat. De belangen van de rijke klasse vallen nu samen met het neoliberale systeem van globalisering en vrijhandel. De rijken houden van reizen en van handelen, en dus van open grenzen. De achterblijvende middenklasse profiteert niet van het systeem en wil verandering.

De Britse econoom Guy Standing duidt de bezittende klassen aan als renteniers en de bezitlozen als het precariaat – mensen die in een precaire situatie verkeren. De renteniers lopen zorgeloos binnen van de opbrengst van de vermogens en eigendommen. Het precariaat holt van het ene naar het andere onderbetaalde baantje in een poging in het onderwijs te voorzien. Ze hebben geen echt beroep, maar leven van wegwerpbaantjes. Ze rijden voor Uber, doen schoonmaakwerk, verkopen hamburgers, plukken tomaten of bezorgen maaltijden of pakketjes. Het zijn de verliezers van de globalisering. Standing schreef The Precariat in 2011 en kwam eind 2016 met The Corruption of Capitalism, waarin hij stelt dat de vrije markt is gecorrumpeerd. Het is het ‘kapitalisme van de weinigen, niet van de velen’, waaraan Jeremy Corbyn met Labour in 2017 zijn succesvolle verkiezingsleus ontleende. De mensen in de renteniersklasse zijn niet meer degenen die de productiemiddelen controleren, zoals begin 19e eeuw, maar zij die de technologische macht hebben. Het zijn de eigenaren van Facebook, Uber en Airbnb. Zij zijn niet de grondleggers van de deeleconomie, maar van het platformkapitalisme. Er is een groeiende kloof tussen precaristen met steeds lagere lonen en renteniers met toenemende winsten. Het sociaal vangnet bestaat voor hen niet meer, werkdagen van meer dan 12 uur zijn al lang weer normaal, net als werken op zondagen.

Waarom teveel ongelijkheid slecht is: (1) moreel – over (on)verdiend inkomen

(On)gelijkheid is in de eerste plaats een morele kwestie. De politiek filosoof John Rawls en de Servisch-Amerikaanse econoom Branko Milanovic[1] hanteren het uitgangspunt dat mensen fundamenteel gelijk zijn en dat elke stap verder weg van die gelijkheid verantwoord moet worden: komt het door inspanning, geluk, opleiding, intelligentie of iets anders. Ongelijkheid heeft altijd een begrijpelijke oorzaak, die vaak niet te rechtvaardigen is. De (klein)kinderen van multimiljonairs, neem bijv. topvoetballers, hoeven als ze dat willen nooit meer te werken dankzij de groei van hun erfdeel – kapitaal rendeert meer dan arbeid. Daarmee zijn we terug in de 19e eeuw. Het loont meer om een rijke man of vrouw te huwen dan op zoek te gaan naar een baan.

Het meest bekende voorbeeld van onverdiend inkomen het toeval van de geboorte. Het is de meest fundamentele bron van onze ongelijkheid. Er is wel uitgerekend dat 50% van je inkomen afhankelijk is van het land waar je geboren bent, 20% door het inkomen van je ouders en nog eens ruim 10% door je geslacht en etniciteit. Ruim 80% is dus niet afhankelijk van je eigen verdienste. En die kleine 20% ruimte voor eigen talent en ambitie, zijn dat ook niet in ieder geval deels erfelijke eigenschappen? Tegenwoordig kunnen dubbeltjes kwartjes worden en andersom. Welvaart kan al in een paar generaties verdampen en een boerenfamilie kan al na een paar decennia een familie van doctorandussen zijn. Toch?

Gregory Clark, een Amerikaanse econoom aan de Universiteit van Californië, schreef in begin 2014 een boek, The Son Also Rises, dat aantoont dat sociale mobiliteit een illusie is. Uit zijn onderzoek bleek dat in alle onderzochte landen[2] de sociale mobiliteit nog altijd even gering is als tijdens de middeleeuwen. De veelgeprezen meritocratie is een leugen gebleken. Ons inkomen wordt nog altijd voor 80 procent bepaalt door de plaats en het milieu waarin we geboren worden. Alle retoriek over ‘verheffing’ en ‘emancipatie’ ten spijt: onze sociale status is minstens zo erfelijk als onze lichaamslengte. Al eeuwen. Overal.

In onze tijd en in de 19e eeuw en daarvoor is en was een erfenis een van de snelste wegen naar grote rijkdom. De dochter van Freddy Heineken erfde in 2012 3,7 miljard euro en staat sindsdien prijkt zij op de eerste plaats van de Quote 500, de ranglijst van de rijkste Nederlanders. Onder Nederlandse miljonairs geeft 36% aan dat zij hun bezit voornamelijk uit erfenissen of schenkingen hadden verkregen en in de top tien van rijkste Nederlanders staan maar liefst acht familiedynastieën.

Voor liberalen uit de 19e en begin 20e eeuw, zoals voor door de door Rutte zo bewonderde enige andere liberale premier van ons land, Cort van der Linden, was een erfenis bij uitstek een vorm van ‘onverdiend inkomen’. In 1918 stelde zijn liberale minister Treub voor om het erfrecht op termijn geheel te schrappen, en als tussenstap te beperken tot de directe familie, en een deel daarvan te belasten. Rutte daarentegen verlaagde de erfbelasting in 2010.

Een tweede voorbeeld van onverdiend inkomen is rijkdom uit de grond. Ook hier hadden klassieke liberalen als Smith en Ricardo kritiek op grondrenten, waarvoor de private eigenaren nooit iets gedaan hebben. Bij schaarse grond op populaire plekken werden en worden grondeigenaren, projectontwikkelaars en speculanten slapend rijk. De vastgoedsector bleek in ons land totaal gecorrumpeerd, ook bij pensioenfondsen (met als bekendste voorbeeld het Philips pensioenfonds).

Het was wederom Willem Treub die de erfpacht invoerde om deze onverdiende inkomens af te romen. In zijn tijd steeg de grondprijs nog mee met het algemene prijspeil, maar in de laatste 60 jaar is de prijs van grond onder woningen in de meeste rijke landen, gecorrigeerd voor inflatie, meer dan verdubbeld. Daardoor is er steeds meer herverdeling van arm naar rijk: van de huurder en de nieuwe woningbezitter naar een ieder die aanspraak maakt op grondinkomen. Denk aan banken (rente), verzekeraars (polissen), tussenpersonen (provisies), makelaars (courtages), woningbezitters (hogere verkoopprijzen) en verhuurders (hogere huren). Nog saillanter is dat de gemiddelde erfenis tegenwoordig voor 50% uit onroerend goed bestaat.

Gesubsidieerd huizenbezit (hypotheekrenteaftrek) betekent dat zich zo onverdiend inkomen stapelt op onverdiend inkomen. De tegenwoordige liberalen doen precies het tegenovergestelde als Treub en Van der Linden: verlagen van vastgoedbelastingen. In het collegeakkoord van 2014 hebben D66 en VVD – met steun van de SP! – de erfpacht van Treub in Amsterdam zelfs afgeschaft.

Een derde voorbeeld van onverdiend inkomen zijn patenten. De liberalen in de 19e eeuw vonden patenten een vorm van werkverschaffing voor octrooiadvocaten, een parasitaire juristenklasse. Innovatie zou volgens hen juist gediend zijn zonder patentrecht. In die tijd was Nederland een van de weinige landen zonder patentrecht. Philips startte zijn bedrijf met kennis van Engelse pioniers uit de gloeilampenindustrie, nadat er in Engeland door patentrecht op dat terrein een monopolie was ontstaan. Patenthouders lijken beloond te worden voor hun vindingrijkheid, maar in werkelijkheid bevoordeelt het hen in een goede positie om te lobbyen en benadeelt huidige en toekomstige innovators, zoals patenthouder Philips en de farmaceutische industrie tegenwoordig vaak laten zien.

Een laatste vorm van onverdiend inkomen zijn de mensen en bedrijven die de zeepbellen maken en daarmee desondanks schatrijk worden, zoals in Nederland Dik Wessels en Nina Storms met World Online. Koersen werden ook al in de 19e eeuw gemanipuleerd, kleine beleggers opgelicht en uitgeschud. Toen waren de bubbels Britse kanalen, Amerikaanse spoorwegen en Surinaamse waardepapieren, nu na de internetzeepbellen de bubbels in de financiële wereld (Amerikaanse hypotheken, zeer gecompliceerde financiële producten, DSB, de Liboraffaire en de uitwassen in de woningcorporatiesector). De internationale private equity sector gedraagt zich ook als een parasitaire sprinkhanenplaag.

Daarom stelde de liberaal Van der Linden voor de financiële sector te hervormen: strenger toezicht, de oprichting van een staatsbank (de Rijkspostspaarbank) en een staatsverzekeringsbedrijf, een progressieve vermogensbelasting (oplopend tot zelfs 100%) om sparen te belonen maar rentenieren moest ontmoedigd worden. Inmiddels is de vermogensbelasting belasting in Nederland echter zelfs regressief: hoe hoger je rendement, hoe lager je belastingdruk. En de Postbank is door een liberaal kabinet geprivatiseerd.

Veel huidige (neo)liberalen doen kritiek op ongelijkheid af met de beschuldiging van jaloezie. Jaloezie is een lelijk ding. Het is een kinderachtige eigenschap, van benepen lieden die een ander het licht in de ogen niet gunnen. Aleid Truijens schreef er een mooie column over.[3] Vooral als het om geld gaat is jaloezie beschamend, zo schreef ze. ‘Dat je jaloers bent als iemand er met je liefste vandoor gaat, oké. Maar types die zich eeuwig tekortgedaan voelen en ‘roofridders!’ brullen als een ander meer verdient of krijgt dan zij, zijn ronduit sneu. Jaloezie, daar kun je je best overheen zetten. Zo ben ik opgevoed, in een brave mengeling van christelijke en sociale waarden. Nette mensen zeggen het nog steeds: jaloezie is kleinzielig.

Aleid snapte wel dat je een tikje jaloers wordt als je erachter komt dat jouw baas 66 keer zoveel verdient als jij. Dat zo’n werknemer in een verffabriek zich afvraagt: 66 keer, is dat nu nodig? Vooral als je zelf ook best hard werkt en te weinig verdient om een te huis kopen of je kinderen te laten studeren. ‘Wat maakt iemand, zoals uitgeefmevrouw Nancy McKinstry, zo uniek dat zij 15,6 miljoen per jaar moet verdienen? Wat denkt iemand die 4.373 euro per dag verdient als hij of zij in de spiegel kijkt? Ik ben het waard, het komt mij toe? Iemand als ik, die komt immers niet alle dagen voor?

Pijnlijk komisch wordt het als veelverdieners jaloers zijn op arme mensen, zoals Eva Jinek en Jan Smit vorige week, in reactie op het plan van Jetta Klijnsma om mensen met behoud van inkomen een bedrijfje te laten beginnen. Ja hé, dat hadden zij ook wel gewild! Lekker je dromen najagen en liedjes tokkelen op de bank, met gratis geld. Maar zíj moesten alles in hun dooie eentje voor elkaar boksen.
Wie verdient het veel te verdienen? Grappig dat rijke mensen vaak zeggen dat zij hun fortuin met blote handen hebben vergaard. Geen kwestie van geluk, maar van keihard werken, nooit klagen, geen dag verzuimd, enzovoort.
’ (…) ‘Afgunst is niet mooi, maar narcisme is nog lelijker.’

Waarom teveel ongelijkheid slecht is: (2) minder groei en meer kans op conflicten

Naast het morele argument geldt in de tweede plaats een instrumentaal bezwaar tegen teveel ongelijkheid. Empirisch onderzoek laat overtuigend zien hoe economische groei wordt tegengehouden door grote ongelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer de rijken in een samenleving zo geïsoleerd leven dat ze hun interesse verliezen in publiek bekostigd onderwijs of gezondheidszorg. Daarmee remmen ze de ontwikkeling van zowel armere mensen als de samenleving als geheel af. Piketty heeft overtuigend de economische theorie ontkracht dat ongelijkheid hoort bij economische groei en vanzelf zou afnemen. Milanovic maakt aannemelijk dat ongelijkheid ook oorlogen veroorzaakt, die uiteindelijk systeembreuken veroorzaken, ten koste van heel veel slachtoffers.

Bovendien zijn er steeds meer aanwijzingen dat ongelijkheid gepaard gaat met allerlei maatschappelijk onheil: meer kindersterfte, geestesziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, misdaad – en minder sociaal vertrouwen, sociale mobiliteit en een lagere levensverwachting. De Britse onderzoekers Richard Wilkinson en Kate Pickett publiceerden in 2009 hun baanbrekende boek ‘The Spirit Level: Why More Equal Societies Almost Always Do Better’. Conclusie: ook rijken hebben baat bij een meer egalitaire samenleving.

Waarom teveel ongelijkheid slecht is: (3) ondermijning van de democratie en de kloof tussen hoog en laagopgeleid – de meritocratie

En in de derde plaats is teveel ongelijkheid slecht omdat het leidt tot een onverantwoorde concentratie van politieke macht bij de elite en frustratie bij de achterblijvers. In de VS is heel helder dat de invloed van geld op de politiek zo groot is geworden dat de rijken de regels bepalen van het spel dat zij in bijna exclusief zelf spelen. Thomas Frank, een Amerikaanse politieke publicist, schreef in 2016 Listen, Liberal, waarin hij overtuigend aantoont hoe de Democraten in de VS verbonden zijn met het grote geld en de verbinding met de witte werkende middenklasse zijn kwijtgeraakt.

Daarmee zijn we ook bij de kloof tussen de professionele klasse en de rest. Of beter: tussen academisch geschoolden en de rest. De meritocratische samenleving, waar het SCP[4] en bijv. Evelien Tonkens[5] terecht voor waarschuwen.

Met het afschudden van onze ideologische veren door Wim Kok, op voorzet van de toenmalige echtgenote van Bram Peper, VVD-coryfee Neelie Kroes, werd de meritocratische samenleving ook gemeengoed in onze PvdA. Gelijke kansen waren voldoende, herverdeling van inkomen, vermogen, kennis en macht verdween naar de achterkamer. In één klap werden de banden met de vakbonden doorgesneden, werd de emancipatie van de arbeidende klasse voltooid verklaard, en werd de steven van de partij gewend van sociaaleconomische zekerheid en emancipatie naar kansengelijkheid en individuele ontplooiing. Het paste naadloos bij een tijdperk van voorspoed en overvloed waarin de psyche belangrijker leek te zijn geworden dan de maag.

Er volgde een machtsovername door een nieuwe generatie hoogopgeleide en politiek ambitieuze mannen en vrouwen. Onze volksvertegenwoordigers kwamen uit academische milieus, waar men niet meer uit eigen ervaring armoede, uitbuiting en achterstelling kende. Ze zijn ervan overtuigd dat vrijhandel en globalisering een gegeven zijn; geloven heilig in technocratie; beroepen zich op hun pragmatisme en expertise; en onderschrijven de hardvochtige beginselen van de meritocratie. In de zogenaamd klasseloze samenleving waarin alle posities gelijkelijk openstaan voor iedereen wordt de uitkomst van de wedren bepaald door talent en inzet en is dat dus eigen verdienste. Met andere woorden, wie aan het kortste eind trekt, heeft simpelweg niet goed genoeg zijn best gedaan, heeft geen academische graad behaald – en verdient geen solidariteit, maar een schop onder zijn of haar kont.

Als ik het kan, kan iedereen het, luidt het motto van deze professionals. En het is deze vertekende existentiële ervaring (want ze zien niet dat het ook met hen met iets minder geluk anders had kunnen en nog steeds kan aflopen, dat ze vaak een enorme steun gehad hebben van ouders en/of grootouders en ze vragen zich niet af of al hun talent wel echt geheel of grotendeels hun eigen verdienste was) die veroorzaakt hoe je naar de minder gelukkigen kijkt (hetgeen in Amerika zo prangend tot uitdrukking kwam in Hillary Clintons keuze voor het woord ‘deplorables’ om al diegenen mee aan te duiden die niet haar zelffeliciterende wereldbeeld onderschrijven). Binnen onze partij hoor ik regelmatig de verwijzing naar ‘dat soort mensen’, als het over mensen gaat die voorheen op onze bescherming en steun rekenden.

Zelf verdienen ze een goed belegde boterham, niet zelden in publieke organisaties boven de daarvoor vastgestelde normen, of als managers in bedrijven die voorop staan in de ranglijsten van vervuilers, onderbetaling, uitbuiting en big finance. Het is niet verwonderlijk dat dit de geloofwaardigheid van sociaaldemocraten bij de klassieke achterban deed verdampen. En ook hier is er weer de parallel te trekken met de Amerikaanse Democraten, namelijk dat ze er geen schroom hebben om na de politieke carrière hun politiek kapitaal te verzilveren in de financiële sector. De Clintons hebben er sinds het einde van Bills presidentschap 235 miljoen dollar mee verdiend. En ook de president van de hoop, de Nobelprijswinnaar van 2009, Barack Obama, is gezwicht voor de douceurtjes van zijn bancaire sponsors: vier ton voor een speech tijdens de jaarlijkse gezondheidszorgdag van een middelgrote New Yorkse zakenbank. In zijn afscheidsinterview sprak Obama de hoop uit ooit nog eens adviseur te worden. Niet van een ngo of de Verenigde Naties, maar van een venture capital-fonds.

Wouter Bos begon ook bij Shell en zag geen probleem om aan de slag te gaan als goedverdienende partner bij KPMG, het accountancybedrijf dat bij tal van financiële schandalen is betrokken. De verstrengeling van PvdA-en andere politici bij Shell en andere grote bedrijven is opvallend en tegelijkertijd werden de verhoudingen met de vakbeweging steeds slechter.

Overigens hebben de Democraten in de VS nog steeds niet geluisterd naar de oproep van Thomas Frank – Frank zelf is ervan overtuigd dat de Democraten zijn boek zelfs niet lezen. Ook Joan Williams, een Amerikaanse hoogleraar rechten, schreef in Harvard Business Review, over het dédain van de progressieve elite voor de witte werkende klasse in de VS onder de titel What So Many People Don’t Get about the US Working Class (2016).

In ons land is het openlijke dedain minder, maar ook bij onze partijbijeenkomsten gaat het te vaak over ‘die mensen’, en zijn laagopgeleiden zwaar ondervertegenwoordigd in ons ledenbestand. En dat heeft zijn weerslag in het gevoerde beleid. Bij onze PvdA worden de banden met de vakbeweging gelukkig weer aangehaald, o.m. met de opvallende transfer van Gijs van Dijk (plv. voorzitter FNV) naar de TK-fractie, en wordt er nadrukkelijk afstand genomen van het optreden van het grootbedrijf en de ongelijkheid weer als probleem benoemd, m.n. ook door financieel woordvoerder Henk Nijboer. Net als de vorige kent ook de huidige TK-fractie maar één niet-academicus: William Moorlag.

Hoe staat het met de ongelijkheid

Van de totale rijkdom in de wereld, blijkt de helft in handen van de rijkste één procent. In 2030 heeft naar verwachting de rijkste 1 % twee derde van het vermogen in handen.[6] De andere helft van het vermogen moet gedeeld worden door de resterende 99 procent. Het overgrote deel van die resterende groep (90 procent) kan slechts beschikken over 14 procent van de totale rijkdom. Deze ongelijkheid creëert een vicieuze cirkel waar rijkdom en macht meer en meer geconcentreerd worden in een steeds kleiner wordende groep. De rest heeft het nakijken.

De strijd tussen arbeid en kapitaal opnieuw in brandpunt van ongelijkheid

De Franse econoom Thomas Piketty genereerde veel discussie met zijn boek Het kapitaal in de 21e eeuw, waarin hij aantoont dat de allerrijksten in de afgelopen eeuwen in staat geweest zijn hun vermogen sneller te doen toenemen dan de gemiddelde economische groei. Na de twee wereldoorlogen werd de welvaart weer wat evenrediger verdeeld. In de periode 1930-1980 werd de welvaart na de vernietigende Wereldoorlogen herverdeeld via hoge successierechten en progressieve belastingen tot wel 90 procent. Maar de laatste paar decennia is de kloof tussen arm en rijk weer toegenomen door denivellering, hogere belasting op arbeid en consumptie (btw), en verlaging van de belastingen voor de hogere inkomens en op vermogen.

Het is normaal dat het arbeidsinkomensquotum (AIQ; dat deel van het nationaal inkomen dat naar betaalde arbeid gaat) schommelt met de conjunctuur. Het is echter onmiskenbaar dat sprake is van een structurele, trendmatige daling van de AIQ ten gunste van de bedrijfswinsten. De AIQ was veertig jaar geleden boven de 90, maar is na de loonmatiging van het Akkoord van Wassenaar nog veel verder gedaald, naar 81 in 1995 en staat inmiddels op 72,5. De winstontwikkeling laat de omgekeerde trend zien. Van de 19 cent die in 1995 naar de factor kapitaal ging, werd 7 cent betaald aan rentevergoedingen. De overige 12 cent was de winst. In 2016 ging van elke verdiende euro in Nederland 27 cent naar de factor kapitaal. Hiervan was 5 cent een rentevergoeding voor vreemd vermogen. De resterende 22 cent was de winst.

Werkgevers beweren vaak dat de achterblijvende lonen de schuld zijn van de overheid. Die zou de salarissen met belastingen en premies te veel afromen. Maar de AIQ meet de bruto inkomensverdeling tussen arbeid en kapitaal, daarin speelt de belastingdruk geen rol. Een dalende AIQ betekent eenvoudigweg dat bedrijven en hun financiers een groter deel van de koek zelf houden. Ook de geringe stijging van het gemiddelde uurloon ten opzichte van de arbeidsproductiviteitsstijging kan niet te maken hebben met afroming door de overheid: het gaat hier om de bruto-bruto loonkosten die werkgevers betalen, dus de premies zijn er nog niet af.

De (netto) koopkracht wordt natuurlijk wel beïnvloed door de overheid. Maar de collectieve lasten zijn nu lager dan begin jaren negentig, een uitdijende overheid kan dus nooit de oorzaak zijn van de stagnerende koopkracht. De laatste paar jaren zijn de lasten wel toegenomen, maar ze zijn nog altijd lager dan 25 jaar geleden. De toename van de laatste jaren had trouwens niet te maken met hogere publieke uitgaven (die zijn juist flink gedaald door de bezuinigingen), maar de extra belastinginkomsten werden gebruikt om een begrotingsoverschot te creëren en de dalende gasinkomsten te compenseren.

Onder belangrijke invloed van de cao‐loonontwikkeling is de loonvorming sterk achtergebleven bij de economische groei. Voor het minimumloon, dat afhangt van de algemene cao-loonontwikkeling, geldt dat nog sterker vanwege bevriezingen en het achterwege laten van vierjaarlijkse aanpassingen aan de werkelijke loonontwikkeling. Over de jaren heeft de koppeling van minimumloon en uitkeringen, die van groot belang zijn voor de overheidsfinanciën, tot een omkering geleid waarin niet langer de cao‐loonontwikkeling het minimumloon bepaalt maar omgekeerd overheidsbeleid verlangt dat cao‐lonen aan de onderkant worden verlaagd. Dit vergroot de ongelijkheid van het loongebouw en verzwakt de onderhandelingspositie van werknemers en hun organisaties.

De officiële cijfers van CBS en CPB over het AIQ in ons land zijn overigens nogal in positieve zin geflatteerd, omdat ze van andere definities uitgaan dan internationale organisaties (OECD, ILO, EU) doen. Een belangrijke factor is hoe het inkomen van zzp-ers wordt meegenomen. Dat in werkelijkheid de substantiële daling van het AIQ sinds de jaren 1990 in Nederland ongeveer net zo groot is als in andere westerse landen blijkt ook uit het feit dat het beschikbaar inkomen van huishoudens over die periode vergelijkbaar achterblijft bij de ontwikkeling van het totale nationale inkomen (bbp). Maakte het aandeel van het beschikbare huishoudinkomen in nog 54% van het nationale inkomen uit, in 2012 was dit nog maar 45%. Het aandeel van niet-financiële vennootschappen (bedrijven) is in dezelfde periode toegenomen van 3% naar 10% (voor de cijfers: DNB, 2013). Een andere relevante indicator is de ratio tussen kapitaal en nationaal inkomen. Deze hangt samen met de AIQ, aangezien een grotere kapitaalratio, bij gelijkblijvende rendementen, leidt tot een daling van de AIQ.  We weten dat deze ratio inderdaad sterk toeneemt. Het private vermogen is gegroeid van 130% van het BBP in 1993 naar 190% van het BBP in 2012[7]. Inclusief het pensioenvermogen (dat aan de huishoudens toevalt in de vorm van inkomen, maar op samenlevingsniveau wel tot het kapitaal behoort) is deze verhouding nog indrukwekkender en eveneens substantieel gegroeid in de afgelopen twee decennia.[8]

De te lage lonen vertalen zich in steeds stijgende winsten. Het overgrote deel van die winsten wordt niet besteed aan investeringen. De afgelopen decennia stegen de winsten, maar daalden de investeringen. De winst wordt in toenemende mate uitgekeerd als dividend aan aandeelhouders, toegevoegd aan het vermogen van het bedrijf of gebruikt om de eigen aandelen mee op te kopen. Van de 203 miljard bruto jaarwinst in 2015 van niet-financiële vennootschappen werd 49 miljard uitgekeerd aan de aandeelhouders en nog eens 12 miljard vloeide naar buitenlandse bedrijfseigenaren. Er werd 74 miljard geïnvesteerd en voor 13 miljard belasting betaald. De winstcijfers waren trouwens tijdens en na de financiële crisis van 2008 nauwelijks lager dan nu.

Bij de financiële vennootschappen (banken, verzekeraars, en een groot deel van de zogeheten brievenbusfirma’s) gaat het om nog extremere verhoudingen. In 2015 werd 19 miljard aan arbeidskrachten betaald en 106 miljard aan winst uitgekeerd. Geïnvesteerd werd er nauwelijks en ze betaalden slechts 4 miljard winstbelasting.

Een groot deel van de winst gaat op aan het opkopen van de eigen aandelen, volgens het CBS gaat het bij de Nederlandse beursgenoteerde bedrijven jaarlijks gemiddeld om bijna twintig miljard.[9] Het opkopen van eigen aandelen heeft als doel om de aandelenwaarde van het bedrijf op te drijven en het dividend op de overblijvende aandelen te verhogen. Bovendien levert het aandeelhouders cash op waarmee ze weer aandelen van andere bedrijven kunnen kopen. Maar waarde toevoegen aan de economie doet het niet. Het overgrote deel van de aandeelhouders is eenvoudigweg speculant. Aandeelhouders van Nederlandse beursgenoteerde bedrijven verkopen gemiddeld binnen een half jaar hun aandelen weer. Het bevestigt dat het hun niet om langjarig investeren in het bedrijf te doen is maar om snelle winst op aandelen.

De niet-financiële vennootschappen houden, naast de winst, jaarlijks ook nog eens zo’n vijftig miljard euro ‘over’, blijkt uit de Nationale Rekeningen. Die vijftig miljard, die niet als winst te boek staat, wordt gebruikt als oorlogskas voor de overname van andere bedrijven. Afgelopen jaar besteedden Nederlandse bedrijven ruim 43 miljard aan het opkopen van andere bedrijven.

ING, de bank die op kosten van de belastingbetaler gered moest worden, keerde haar aandeelhouders zowel in 2015 als in 2016 2,5 miljard euro dividend uit. De aandelenwaarde van verzekeraar ASR steeg met 50%. ASML uit Veldhoven maakte in 2016 2,1 miljard winst en de aandelenkoers steeg in een jaar tijd met 49%. De aandeelhouders van ASML kregen 600 miljoen dividend uitgekeerd. Aandeelhouders van AEX-bedrijven maakten in 2017 een gemiddeld rendement van 16,5%. Daar zijn de percentages van Thomas Piketty niks bij. De Franse econoom liet in zijn veelbesproken boek Kapitaal in de 21ste eeuw zien dat bij rendementen van gemiddeld 5% de ongelijkheid tussen kapitaalbezitters enerzijds en werkenden anderzijds al sterk toeneemt. En geld dat verkregen wordt, moet ook weer ergens heen. Afgelopen jaar besteedden beleggers ruim 20 miljard aan Nederlands vastgoed. Het gaat daarbij voor het overgrote deel om bestaand vastgoed dat hierdoor alleen nog maar verder in prijs stijgt. Volgens dataverzamelaar Preqin kwam er daarnaast in 2017 zo’n 9,4 miljard euro terecht bij Nederlandse private-equity-fondsen, die daarmee bedrijven opkopen. In de jaren daarvoor was dat gemiddeld zo’n 2 miljard.

Het opkopen van eigen aandelen, het op grote schaal overnemen van andere bedrijven en de hoge dividenduitkeringen hebben met elkaar gemeen dat hiermee in feite geld onttrokken wordt aan de reële economie: er wordt geen productie mee gecreëerd, het leidt slechts tot prijsstijgingen van bestaande producten, het geld verdwijnt als het ware in stijgende aandelenkoersen en oplopende vastgoedprijzen.

Als een steeds groter deel van de taart naar de factor kapitaal gaat, gaat er automatisch een kleiner deel naar arbeid, dat is helder. Maar bovendien treden vicieuze cirkels op, waardoor er voor werkenden nog weer minder overblijft. Doordat kapitaalbezitters, zowel particulieren als bedrijven, grote hoeveelheden geld stoppen in aandelen en vastgoed drijft dat de vastgoedprijzen op. Horecazaken en detailhandel-eigenaren zijn daardoor zóveel voor de huur van hun pand kwijt dat er weinig geld meer overblijft voor de ober of winkelmedewerker. Gebrek aan loonstijging zorgt ook voor gebrek aan koopkracht, dus minder klandizie. Bedrijven gaan dan minder investeren, want investeringen in meer productie hebben weinig zin als er geen afzet is. Door die lage investeringen blijft er weer een groter deel van de winst over voor aandeelhouders, hun taartpunt neemt nog verder toe.

En dan is er nog de wet van Kleinknecht: als de lonen laag zijn hebben bedrijven minder de neiging om te investeren in arbeidsbesparende innovaties, stelde de Delftse hoogleraar Alfred Kleinknecht vast. Dat lijkt misschien gunstig voor werkenden, maar is het niet. Wie per uur meer wil gaan verdienen, zal per uur ook meer moeten produceren. Als de arbeidsproductiviteit niet toeneemt, zullen de lonen stokken. Zo kunnen lage lonen leiden tot blijvend lage lonen, door gebrek aan innovatie en productiviteitsstijging.

De Nederlandse economie draait inmiddels weer als een tierelier, ondanks het gevoerde kabinetsbeleid[10], maar mensen merken daar in hun beloning weinig van. Het geld gaat naar aandeelhouders of wordt gebruikt voor speculatie. Als de tekenen niet bedriegen groeit de Nederlandse economie de komende jaren met een procent of drie per jaar. Het is hoogconjunctuur. Maar tegelijkertijd neemt volgens diezelfde voorspellingen de koopkracht nauwelijks toe. Het is een trend die al veel langer gaande is. Het netto beschikbare inkomen van huishoudens is gecorrigeerd voor inflatie in de afgelopen 25 jaar nauwelijks gestegen, constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in de omvangrijke studie De sociale staat van Nederland. Terwijl de economie in diezelfde periode wel met bijna veertig procent groeide (gecorrigeerd voor het toegenomen aantal huishoudens). Het aantal werkende armen in Nederland is zelfs sinds 2001 met vijftig procent (!) toegenomen, constateerde het SCP.

Wat we met zijn allen verdienen in ons land wordt steeds minder aan arbeid besteed. De daling leidt niet alleen tot cynisme en boosheid bij veel mensen, het is ook slecht voor de economie. De winsten komen in toenemende mate terecht bij aandeelhouders en bedrijven die het niet in de echte economie besteden maar aan vastgoed en exotische financiële instrumenten. Slechts 17% van de bedrijfswinsten wordt productief geherinvesteerd, het laagste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog. Het meeste vermogen wordt gestoken in financiële markten, speculatie of beleggingen elders in de wereld. De vermogensongelijkheid heeft inmiddels een recordhoogte bereikt.

Terwijl onze inwoners moesten opdraaien voor de publieke kosten van een bancair privéfeestje, zit het grootbedrijf op een historisch ongekende berg spaargeld: rond de 60 miljard euro in Nederland. En wat doet het grootbedrijf? Het investeert niet in het thuisland, niet in onderzoek en ontwikkeling, niet in de eigen werknemers. Nee, het speculeert en doneert de winsten aan de aandeelhouders – na uiteraard eerst de eigen bestuurders flink te hebben gespekt.

Het sociale contract tussen arbeid en kapitaal is ernstig ontwricht. De inkomensgroei in Nederland stagneert nu al veertig jaar. De arbeidsinkomensquote is sinds eind jaren zeventig met twintig procentpunten gedaald. De loonontwikkeling blijft al jaren achter bij de arbeidsproductiviteit. Het grootbedrijf zit op historisch ongekende kasreserves. De salariskloof tussen bedrijfstop en werkvloer is nog nooit zo groot geweest. Het grootbedrijf investeert nauwelijks en verliest zich meer en meer in spilzieke fusies en overnames. De bijdrage van het grootbedrijf aan de schatkist is in twintig jaar bijna gehalveerd, van 17 procent van de belastinginkomsten in 2000 naar 7,2 in 2018). De investeringen van het Nederlandse bedrijfsleven in onderzoek & ontwikkeling behoren tot de laagste van de Europese Unie. Bedrijven als Unilever, Shell, Philips, Akzo en Heineken hebben in dertig jaar tijd hun personeel in Nederland met driekwart verkleind door hun productie naar lagelonenlanden te verplaatsen.

Het grote sociaaleconomische probleem van dit moment zit naast de steeds groter wordende speculatiezeepbel ook in de stagnerende koopkracht en de stagnerende binnenlandse vraag. Omdat de belastingdruk op arbeid onverminderd hoog blijft (omdat inkomsten uit kapitaal in Nederland nauwelijks belast worden), is het negatieve effect van de dalende AIQ op de koopkracht groot. Vervolgens heeft dit een negatief effect op de aantrekkelijkheid van productieve investeringen, de werkgelegenheid, en de economie meer algemeen.

Omdat het inkomen uit kapitaal zeer ongelijk verdeeld is, met een groot deel van het kapitaal in handen van een kleine groep zeer vermogenden[11], en hun inkomens uit kapitaal veelal hoog zijn, gaat de daling van de AIQ gepaard met een toename van de inkomensongelijkheid. Overigens is die niet goed waar te nemen in de inkomenscijfers van het CBS, omdat deze inkomsten uit kapitaal zeer onvolledig in beeld worden.[12] Tegelijkertijd neemt de invloed van de kapitaalbezitters op het economische proces toe, doordat hun materiële gewicht in de economie groter wordt en hun positie versterkt wordt door de verschuiving naar een mondiaal speelveld. Hierdoor neemt hun indirecte invloed op het maatschappelijke en politieke proces toe. Zo is dit een zichzelf-versterkend proces.

De inkomensongelijkheid in Nederland is nog veel groter dan het al lijkt

Piketty zou echter volgens velen niet van toepassing zijn op Nederland als je goed naar de cijfers keek. Vooral bij de inkomensongelijkheid zou het hier wel meevallen. Samsom en Rutte enerzijds en Roemer anderzijds sloegen elkaar met feiten om de oren bij de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer in september 2016. De cijfers leken meer gelijkheid te suggereren. Een gebruikelijke graadmeter voor inkomensongelijkheid is de Gini-coëfficiënt, die de mate van inkomensongelijkheid in een land uitdrukt. De ‘Gini-coëfficiënt’ is een waarde tussen 0 en 1 die de mate van ongelijkheid in een land uitdrukt. Bij 0 krijgt iedereen evenveel en leven we in een totaal communistische samenleving. Bij 1 krijgt één persoon alles. Onze Gini-coëfficiënt ligt in de buurt van landen als Denemarken, Duitsland, Ierland, Frankrijk en Zweden. Zonder belastingen en uitkeringen steeg de Gini-coëfficiënt in Nederland tussen 2001 en 2015 van 0,53 naar 0,56. Na belastingen en uitkeringen is de Gini-coëfficiënt veel lager; sinds 2001 schommelt die tussen de 0,28 en 0,29. Dat dat komt doordat in Nederland veel inkomen wordt herverdeeld in relatie tot andere landen. Probleem met dit cijfer is dat je het gemiddelde inkomen neemt, er ligt dus weinig nadruk op de extremen.

Maar je kunt ook naar de bovenste en onderste 10 procent van de bevolking kijken. En dan is het schrikken. Uit een studie van het Amsterdamse Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS)[13] blijkt dat het reële inkomen van de armste 10 procent er tussen 1977 en 2011 met maar liefst 30 procent op achteruit is gegaan, waarvan 10 procentpunt sinds 1990. De belangrijkste verklaringen zijn: lagere uitkeringen, grotere loonverschillen en een toename van tijdelijk en deeltijdwerk.

Met name de kloof tussen de allerarmsten en superrijken groeide.  In 1977 verdiende de rijkste 10 procent 5,1 keer zoveel als de armste 10 procent; in 1990 was dat al 7 keer en in 2011 8,2 keer zoveel. Deze ongelijkheid zien we niet terug in de Gini, omdat de middeninkomens tegelijkertijd naar elkaar toegroeiden. Bij de allerarmsten zien we lagere uitkeringen, achterblijvende lonen in de lagere en middeninkomens en toenemende individualisering en stijging van kosten van huur, zorg, onderwijs en kinderopvang. De armste 10 procent is er wat betreft reëel besteedbaar inkomen sinds 1977 nauwelijks op vooruitgegaan.[14] Sinds 2000 zijn alleen de hoogste dertig procent inkomens er in reëel besteedbaar inkomen op vooruit gegaan, de andere 70% zijn er op achteruitgegaan.

De topinkomens explodeerden tegelijkertijd, tot gemiddeld 52 keer het minimumloon. Wie, zoals topmanagers in het bedrijfsleven, zijn beloning deels in aandelen krijgt, zag de bedragen de afgelopen vijf jaar in de stijgende beurstrend zomaar verdubbelen. De hardwerkende Nederlander heeft wel degelijk het nakijken. De groei van het inkomen van huishoudens is sinds 1977 sterk achtergebleven bij de economische groei, waardoor het aandeel van huishoudens in ons totale inkomen sterk is gedaald en dat van bedrijven sterk is gestegen. De hogere winstgevendheid is niet ten goede gekomen aan hogere lonen voor werknemers.

Uit een jaarlijks onderzoek van de Volkskrant naar de beloningen bij 114 toonaangevende bedrijven en instellingen blijkt dat de loonkloof tussen top en werkvloer steeds verder oploopt. De beloning van de hoogste bazen steeg in 2016 gemiddeld 2,8%, van 737.000 naar 757.000 euro. Dat is procentueel weliswaar lager dan de jaren daarvoor, maar de werknemers kregen er maar 1,3% bij – inclusief de werkgeverslasten van de werkgever. De kloof groeit dus weliswaar minder sterk dan in het verleden, maar hij groeit nog steeds.

Het meest extreem is de beloningsverhouding bij Heineken: de topman Van Boxmeer verdiend 324 maal zoveel als de gemiddelde loonkosten voor één werknemer. Grote bedrijven verdedigen hun grote beloningsverschillen tussen de top en de werkvloer vaak met het argument een groot en complex bedrijf een schaars soort manager vraagt. Die schaarsheid verklaart volgens hun de supersalarissen die deze managers verdienen, en ook dat die supersalarissen de afgelopen dertig jaar verzesvoudigd zijn: de grote bedrijven zijn ook zesmaal in omvang toegenomen. Het is echter vrij discutabel of die topmanagers de juiste beslissingen voor het bedrijf nemen. Bedrijven waar de beloningsverschillen kleiner zijn presteren ook niet slechter. Het hele argument is grote onzin.

Op dit moment moet de RvC bij de beloning van de bestuurders van een onderneming de interne beloningsverschillen binnen een bedrijf ‘meewegen’. In de praktijk wordt er vooral gelet op de beloningsverschillen met andere, vergelijkbare bedrijven, en nauwelijks op de interne beloningsverschillen.

De groei van het aantal tweeverdieners (beter: anderhalfverdieners) compenseert de verlaging alleen in de hogere inkomensgroepen, en versterkt daardoor de ongelijkheid. Er is een steeds concentratie van tweede-verdienersinkomens bij de hoogste 10% inkomens: tweede-verdieners in die top-10% ontvangen inmiddels meer dan de helft van ale tweede-verdienersinkomens. Tegelijk maakt de eerste verdiener meer uren per week dan de eenverdiener en verdient hij of zij een hoger uurloon. Het 1,5‐verdienersmodel klinkt geruststellender voor de inkomensongelijkheid dan het is. Het gemiddelde inkomen van tweeverdieners aan de top is er in geslaagd de 48% economische groei tot 2014 bij te benen. Tegelijk vertonen eenverdieners een aanzienlijk sterkere concentratie aan de onderkant van de verdeling.[15]

Meten we inkomens(on)gelijkheid wel goed?

Dus: meten we wel goed? Een groep economen, waaronder Piketty, stelden op de site van denktank CEPR dat macro-economische data én inkomensgegevens, die je vaak allebei nodig hebt, zodanig van aard verschillen dat je er weinig aan hebt als je wil rekenen aan ongelijkheid. Het instrumentarium om mee te meten is, kort gezegd, eigenlijk best gebrekkig. Er zijn intussen zat aanwijzingen voor een groeiende ongelijkheid in het besteedbaar inkomen in Nederland, die (nog) niet terechtkomen in de statistiek.

De ING noemde er in 2017 twee. De eerste is dat de inflatie voor lagere inkomens sinds 2000 zo’n 33 procent bedroeg en die voor hogere inkomens maar zo’n 27 procent. Dat ligt aan het verschil in bestedingspatronen. Een tweede is dat huurders sinds 2009 hun lasten met 18 procent zagen stijgen (subsidies zijn meegerekend). Kopers zagen hun lasten, door de dalende hypotheekrente, juist afnemen, met een procent of drie. Aangezien lagere inkomens vaker huren, en hogere inkomens vaker kopen, is hier eveneens sprake van een toenemende ongelijkheid in besteedbaar inkomen, nadat de woonlasten zijn betaald.

En dan is er de waarschijnlijke overschatting van het arbeidsinkomen van de ZZP’er in de gehanteerde statistiek. Zowel De Nederlandsche Bank als het centraal Planbureau wezen daarop. De ongelijkheid is dan groter, en de Gini-coëfficiënt zou dan een stuk hoger liggen. Dat is inmiddels ook wel duidelijk geworden.

Maar er speelt nog meer. Voor het berekenen van inkomens gebruikte het CBS tot 2017 steekproeven. Maar steekproeven hebben moeite met het meten van topinkomens. De groep van topinkomens is erg klein, maar enorm belangrijk voor het beeld van de inkomensverdeling. Dat maakt het lastig om ze op de goede manier mee te nemen in een steekproef. Vanaf 2017 gaat CBS dat op basis van alle belastinggegevens doen. Maar ook dat zal de structurele onderschatting van hogere inkomens niet geheel beëindigen. We weten niet precies hoeveel de rijkste Nederlanders aan belasting ontduiken; hoeveel ze opsparen in hun eigen bedrijven; hoeveel ze aan zichzelf uitkeren boven een kwart miljoen euro. Omdat de belastingen veel inkomen uit kapitaal niet in beschouwing nemen is de werkelijke inkomensongelijkheid veel groter dan de statistiek laat zien.

Vermogensongelijkheid in Nederland is zeer groot

De vermogensongelijkheid in ons land is veel hoger dan de inkomensongelijkheid, daar is iedereen het wel over eens. Volgens het CPB ligt die op 0,92 – hoger dan in de VS, en stijgend. De rijkste 1% bezat in Nederland volgens het CBS in 2015 ruim 295 miljard euro aan privaat vermogen[16], bijna 28% van het totaal. Dat is overigens een half procent lager dan in 2014, hetgeen komt door de sterk gestegen huizenprijzen waarvan gewone huishoudens relatief meer profiteren dan de rijksten, die ook veel ander vermogen hebben buiten de eigen woning. De 7500 rijkste huishoudens (0,1% van het totaal aantal huishoudens) bezat in 2015 ruim 117 miljard euro aan privaat vermogen (11% van het totale private vermogen – 1061 miljard euro), ofwel ruim 15,5 miljoen euro per huishouden.

Een leuke manier om inzicht te geven in de vermogensverdeling is de Parade van Pen(Zie : https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2017/06/parade-van-pen-de-vermogensverdeling-in-2015).Dat gaat als volgt: stel je voor dat in een optocht alle huishoudens van Nederland in één uur tijd voorbijkomen, in volgorde van de hoogte van hun vermogen. De lengte van de vertegenwoordigers van deze huishoudens is evenredig gemaakt aan hun vermogen. Je krijgt zo een enorme stoet van dwergen, met helemaal achteraan enkele reuzen. Het gemiddelde vermogen is 1.74 ‘meter’, dat komt pas na 45 minuten langs. Aan het eind volgen de ‘reuzen’ met een gemiddelde lengte van 9 meter!

Wiemer Salverda toont aan dat het topaandeel in en de ongelijkheid van de vermogensverdeling nog veel hoger is als we uitgaan van het netto-vermogen, dus na aftrek van schulden, en ook juist zeer sterk gestegen zijn. Het aandeel van de vermogenstop 10% in alle vermogens bedraagt 66 procent, verreweg het hoogste niveau ooit bereikt met de beschikbare cijfers. Twee derde van alle vermogens is in handen van een tiende van alle huishoudens. Dat is ruim vier procentpunten meer dan in 2012, en 10 procentpunten meer dan in 2009 – het laagste punt, dat werd voorafgegaan door een daling met twee procentpunten vanaf 2006.

In overeenstemming met de definitie van netto-vermogens presenteert Salverda ook de Gini-coëfficiënt als maat van ongelijkheid berekend, inclusief negatieve vermogens. De coëfficiënt heeft de waarde nul als de verdeling helemaal vlak is en alle eenheden evenveel vermogen bezitten, en deze coëfficiënt bedraagt 100 procent als alle vermogen in handen van een enkel huishouden is. De ontwikkeling van beide indicatoren, het topaandeel en de Ginicoëfficiënt, verloopt bijna parallel. De Gini legt de nadruk op het midden van de verdeling, maar het topaandeel is zo enorm groot dat het de coëfficiënt sterk beïnvloedt. De Gini bereikt in 2013 het niveau van 0,89. Inmiddels staat hij op 0,92. Dat is buitengewoon hoog, niet alleen voor ons land maar ook in een internationale vergelijking. Het stijgt nota bene uit boven de uitkomsten voor de Verenigde Staten (0,87 in 2013; Wolff 2014, 12) en Zwitserland (0,85 in 2010, Statistik Schweiz 2014, 69), en ook ver boven het minder goed vergelijkbare Duitsland (0,78 in 2012, Grabka en Westermeier 2014, 153). De conclusie kan niet anders zijn dan dat de vermogensongelijkheid in Nederland een ongekend niveau heeft bereikt.

Betekent dit gegeven dat de topvermogens ook hoger zijn dan ooit? – vraagt Salverda zich vervolgens af. Het zou ook kunnen dat ze minder (hypotheek)schulden hebben. Zoals bekend zijn die omvangrijk in ons land. Als je kijkt naar de nominale omvang van het netto-vermogen (na aftrek van schulden) voor de bovenste 10% tegenover de rest, dan bezit in 2013 de top 10% 701 miljard euro en de rest 359 miljard euro. Beide segmenten bereiken een hoogtepunt in 2008 (resp. 737 en 563 miljard) en dalen daarna. De daling voor de top is echter veel geringer (7%) dan voor de rest (37%). De rijksten lijden hier dus wel maar veel minder en ze handhaven zich beter dan de rest. Als gevolg daarvan is hun vermogensaandeel scherp gestegen en zo ook de algemene ongelijkheid volgens de Gini- coëfficiënt.

Bij de vermogens- en schuldverhoudingen in de onderste 90% speelt het eigenwoningbezit de hoofdrol. Dit bezit, na aftrek van de schulden, bepaalt grotendeels het verloop van hun totale vermogen. Hun overige (voornamelijk financiële) vermogen is stabiel. Het eigenwoningvermogen stijgt van 91 miljard euro in 1993 naar 356 miljard euro op de top van 2008 en daalt daarna met meer dan de helft, in het bijzonder in het jaar 2012. Tegelijk exploderen hun schulden. Die worden na 2008 niet minder maar lopen juist fors verder op en overtreffen het netto-vermogen steeds meer – met ruim 300 miljard in 2013. Twee derde van hun juridisch eigendom is dan belegd met schulden. Raghuram Rajan’s (2010) “Let them eat credit” is actueler dan ooit voor de onderste 90%.

De top 10% ziet er volkomen anders uit. Hun eigenwoningbezit is aanzienlijk en overtreft aan het einde van die periode dat van de gehele resterende 90 procent: 201 miljard euro tegen 157 miljard euro. Binnen het vermogen van de top 10% zelf bezien is het belang van het eigen huis echter veel geringer dan voor de onderste 90%, en het fluctueert ook minder over de jaren. Tussen 2008 en 2013 verliest het weliswaar een kwart aan waarde, maar dat is slechts half zoveel als de onderste 90 procent. De reden daarvan is niet een gunstiger prijsontwikkeling van huizen van de top, maar een veel geringere hypotheekschuld. Bovendien stijgt die schuld na 2008 niet maar neemt ze licht af. Schulden vormen slechts 15% van het brutovermogen van de top 10% – tegenover 80% voor de onderste 90%.

Schuld is echter maar een deel van het verhaal. Opvallend is dat het overige (financiële) vermogen van de top 10% na een aanvankelijk daling in 2009 zich snel herstelt en al in 2010 het eerdere topniveau achter zich laat – in 2013 goed voor 500 miljard euro. Zo bezien worden de rijken veel rijker. Hun aandeel in het totaal van deze vorm van vermogen stijgt naar 71 procent. Hierbij staat hun aandelenbezit voorop (203 miljard euro): zij bezitten 90 procent van alle aandelen. Het vermogen van de top 1% steeg naar 282 miljard euro oftewel 26,6 procent van het totaal in 2013, en 40 procent van de top 10% (701 miljard).

De ontwikkeling van de top 1% ontwikkeling schraagt die van de complete top 10%. De topvermogens zijn verantwoordelijk voor meer dan 60 procent van de spurt omhoog sinds 2009. Vergeleken met eerdere jaren lijkt de rol van de subtop- 9% recent iets aan belang te winnen, daarom is het beeld van de top 10% van belang naast de top 1%. Voor de top 1% geldt nog sterker wat hierboven al gesteld is. Hun huizenbezit (26 miljard euro) omvat slechts 7 procent van het totale huizenbezit (7%) en hun schulden (42 miljard euro) omvat slechts 5% procent van alle schulden. Deze aandelen zijn gering, maar het tegendeel geldt voor hun andere vermogen (256 miljard euro): 36% van het algemeen totaal en 51 procent van het top 10% totaal (500 miljard euro). Dat geldt daarbinnen in het bijzonder voor hun aandelenbezit: het vormt 67 procent van alle aandelen bezit en driekwart van dat van de top-10% (203 miljard euro).

Alman Metten (PvdA-Europarlementariër van 1984 tot 1999) becijferde[17] dat het vermogen van Nederlandse miljonairs (2% van alle huishoudens) 25 maal zo groot is als het vermogen van de onderste helft van de huishoudens. Drie jaar geleden was dat nog 14 maal zo groot. Wat telt zwaarder, vraagt Metten, voor de economische veiligheid van jou en je gezin, en voor je kansen in de samenleving: inkomen, dat iedere maand weer opnieuw verdiend moet worden, en dat wegvalt bij ziekte of overlijden? Of vermogen, dat bezit is en dus wettelijk beschermd, wat er ook gebeurt? Als we naar gelijkheid kijken is het op zijn minst vreemd om niet naar de verdeling van vermogen te kijken, zoals in het politieke debat wel veel gebeurt.

En ook hier meten we niet goed

Daar komt bij dat het door de Belastingdienst gerapporteerde inkomen uit kapitaal niet gebaseerd is op echte waarnemingen, maar wordt geschat met een fictief rendement. De rijksten, die veel beleggen, verdienden de afgelopen jaren doorgaans meer dan dat fictieve rendement en betaalden dus eigenlijk te weinig belasting. De rest juist minder, vanwege dalende huizenprijzen (na de crisis zaken de huizenprijzen in vijf jaar cumulatief met 27%) en sparen tegen nul-rentes, en zij werden dus juist te hoog belast. Miljonairs genoten, volgens Metten, over 2011-2013 een rendement van ruim 68 miljard euro op hun vermogen van 949 miljard euro, maar betaalden slechts belasting over 38 miljard euro. Een voordeeltje van bijna 200.000 euro per huishouden, dat niet belast is en niet als inkomen is geregistreerd. Voor de onderste helft van vermogensbezitters werkt het andersom. Zij verloren 6,4 miljard euro aan vermogen maar moesten 4% belasting betalen over 2,5 miljard euro fictief rendement, die de fiscus hen toedichtte. Leuker kunnen we het niet maken – door het kennelijke onvermogen van onze belastingdienst om uit te gaan van het werkelijke rendement wordt de inkomensongelijkheid nog groter en blijft deze buiten de cijfers. Bovendien: veel vermogen geeft ook veel vermogenswinst van je vastgoed, aandelen, obligaties en ander bezit. Omdat vermogenswinst geen inkomen is, wordt het niet meegenomen in die lage Gini-coëfficiënt van inkomensongelijkheid. Maar de waarde van bezit stijgt op de langere termijn gewoon mee met de economische groei, en is dus een grote bron van koopkracht – voor wie het heeft.

Daarmee komen we op één van de grote raadsels in de Nederlandse cijfers over ongelijkheid. Hoewel de vermogens enorm ongelijk zijn verdeeld, valt dat voor de inkomens alles mee. Vreemd genoeg hebben Nederlanders met veel vermogen vaak helemaal niet zoveel inkomen. Slechts een derde van de vermogendste 10 procent hoort ook bij de 10 procent met de hoogste inkomens.

Hoe kan dat? Een belangrijk deel van de verklaring is de zwarte doos van het Nederlandse belastingstelsel Box II. In Box II geef je al het inkomen op dat je met je eigen bedrijf hebt verdiend. Maar het Nederlandse belastingstelsel is zo ingericht, dat je er goed aan doet de inkomsten uit eigen bedrijf zo veel mogelijk te beperken. Het Centraal Bureau voor de Statistiek ziet pas dat een bedrijfseigenaar inkomen heeft als het bedrijf winst uitkeert. Je betaalt namelijk pas belasting op het moment dat je onderneming winst uitkeert of de aandeelhouder zijn aandelen verkoopt. Daar zit de crux, want zolang je onderneming geen winst uitkeert en de aandeelhouder zijn aandelen niet verkoopt, heeft de bedrijfseigenaar geen inkomen en betaalt deze ook geen inkomstenbelasting.  Zo kunnen bedrijfseigenaren belastingheffing tot sint-juttemis uitstellen. Je moet als bedrijfseigenaar wel minimaal een ‘gebruikelijk loon’ aan jezelf uitkeren. Minimaal is dat ongeveer 44.500 euro. Maar dit is natuurlijk een schijntje voor de vermogendste Nederlanders. Omdat bedrijfseigenaren dus geen inkomen aangeven op hun belastingaangifte, zie je veel inkomen ook niet terug in de statistiek.

Neem de hoogste binnenkomers in de Quote 500. In 2017 kreeg fitnessketen Basic-Fit een notering aan de Amsterdamse beurs. Eigenaren Eric Wilborts en René Moos verkochten tijdens de beursgang ieder voor ongeveer 30 miljoen euro aan aandelen. Of althans, hun gezamenlijke bedrijf AM Holding verkocht die aandelen en kreeg de opbrengsten. Het CBS ziet die tweemaal 30 miljoen euro niet.

Dit is eerder regel dan uitzondering. Vrijwel alle vermogende Nederlanders herbergen hun geld in een bedrijf. De 10 procent rijkste Nederlanders bezit ongeveer 100 procent van dit type bedrijfsvermogen. En slechts 5800 huishoudens (de rijkste 0,08%) bezitten tezamen bijna de helft van al dit soort vermogen.

In 2013 constateerde de commissie-Van Dijkhuizen, die onderzoek deed naar een ander belastingstelsel, dat bedrijfseigenaren op ‘grote schaal gebruikmaken van de mogelijkheid winst in te houden.’ Een conservatieve schatting liet zien dat bedrijfseigenaren ongeveer 13,4 miljard euro winst konden uitdelen, maar daarvan slechts 3,6 miljard euro uitkeerden.

Directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) stellen nu een hoog inkomen en dus belastingheffing uit, en doen gemiddeld slechts eens in de zeven jaar aangifte, terwijl de fiscus met alle andere belastingplichten wel jaarlijks afrekent. DGA’s zitten zo hun geld op te potten totdat het weer aantrekkelijker wordt om het uit te keren, in plaats van het geld in de economie te besteden. Dit is slecht voor het economisch herstel en onrechtvaardig naar de andere belastingbetalers.

Hoe kan het dus dat de vermogensongelijkheid zo groot is, terwijl de inkomensongelijkheid alles meevalt? Het antwoord is simpel: het valt niet mee. De inkomensongelijkheid is in werkelijkheid groter dan de statistici rapporteren.

Het slechte nieuws is dat we niet precies weten hoeveel groter de inkomensongelijkheid zou zijn als we het verborgen inkomen in bedrijven zouden meerekenen. Voor Nederland zijn die gegevens simpelweg niet beschikbaar. Maar dat die zwarte doos belangrijk is, laat onderzoek uit het buitenland haarfijn zien. Kijk maar weer naar Noorwegen. In het afgelopen decennium leek dat land het onmogelijke te doen. Overal groeide de inkomensongelijkheid, maar de Noren presteerden het om het aandeel van de meestverdienende één procent in het totale inkomen met bijna de helft te laten krimpen. Uit onderzoek van de Noorse econoom Alstadsæter blijkt echter dat er een simpele verklaring is. Voor de Noorse belastingdienst maakte het vroeger weinig uit of je winst uitkeerde of het opspaarde in eigen bedrijf, maar door een belastinghervorming in 2005 kreeg Noorwegen plotseling een stelsel dat erg op dat in Nederland lijkt, waarin het voordelig werd om geld in je eigen bedrijf te stallen. Het gevolg: de Noren onderschatten nu, net als wij, de inkomensongelijkheid. Want, zo liet Alstadsæter zien, reken je de ingehouden winst mee, dan verdubbelde het inkomensaandeel van de meestverdienende 1 procent weer.

Tussen de regels door sneuvelen er nogal wat heilige huisjes als je het werk van deze economen leest. Zo denken veel mensen bijvoorbeeld dat de Verenigde Staten een van de meest ongelijke landen ter wereld zijn, véél ongelijker dan Nederland. Maar is dat wel zo? Ook hier maken de details van het belastingstelsel alle verschil. In 1987 werd het in de VS namelijk voordeliger om winst uit te keren, in plaats van het op te potten. En laat nu net ongeveer de helft van de toename in de Amerikaanse ongelijkheid in 1987 hebben plaatsgevonden. ‘Het belang van opgepot bedrijfsinkomen voor ongelijkheidsmaatstaven verschilt per land en maakt internationale vergelijkingen van inkomensongelijkheid moeilijk,’ constateert Alstadsæter dan ook.

Hoe dieper je graaft in deze materie, hoe vreemder het wordt. Neem dit bijvoorbeeld: van de winst die nog wél uitgekeerd wordt uit het eigen bedrijf, en die dus meetelt in de ongelijkheidscijfers, telt het CBS sinds 2001 alle uitkeringen boven een kwart miljoen euro niet meer mee.

En: Stel, je verkoopt voor een miljoen aan aandelen van je bedrijf om daar een huis van een miljoen mee te kopen. Dan is dat volgens het CBS geen inkomen. Je hebt één vorm van vermogen (aandelen) omgezet in een andere vorm van vermogen (een huis) – dat is ‘een vermogenstransactie’, niet ‘inkomen.’

Het gevolg: wéér worden de topinkomens fors onderschat. Die niet-getelde winstuitkeringen zijn volgens het CBS maar liefst 40 procent van alle winstuitkeringen.

Ook in Nederland is dus het vermogen in toenemende mate in handen gekomen van een kleinere welvarende groep.[18] Het lijkt er zelfs op dat de rijken hebben geprofiteerd van de financiële crisis. In 2012 becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat de rijkste 1 procent van Nederland (zo’n 74.000 huishoudens) bijna een kwart (23,4 procent ofwel 273 miljard euro) van het totale vermogen[19] bezaten. De grote vermogens die in het buitenland zijn gestald zijn daarin niet eens meegerekend. Vóór de financiële crisis hadden de allerrijksten nog ‘slechts’ een vijfde van het vermogen in handen.

De vermogens van huishoudens zijn zeer ongelijk verdeeld. Veel huishoudens sparen wel via verplichte pensioenopbouw, maar teren gelijktijdig in op andere besparingen. Een groot deel van de huiseigenaren jonger dan 45 jaar heeft per saldo een negatief vermogen; hun restschuld is hoger dan de waarde van hun pensioenopbouw. Veel oudere huishoudens daarentegen hebben juist grote netto-vermogens. Het vermogen is dus in bezit van de oudere generatie en niet bij de jongere generatie, die daardoor weinig ruimte heeft voor investeringen in eigen bedrijf of het volgen van kwalitatief goed onderwijs. Dat verschil zet een rem op de economische ontwikkeling.

Al deze factoren leiden tot de conclusie dat de vermogensongelijkheid in Nederland veel groter is dan uit de CBS-cijfers blijkt. Dit betoogden de hoogleraren Wiemer Salverda en Bas van Bavel recentelijk ook in een artikel op de economensite Me Judice, waarbij ze er ook op wezen dat de rijkste Nederlanders in de Quote 500 ruim tweekeer zoveel vermogen hebben dan deze groep bij het CBS heeft.

De rijkste 1% Nederlanders bezit nu ruim een kwart van het totale vermogen in Nederland. En het inkomen van de rijkste 500 mensen steeg met 6%, terwijl uitkeringen omlaaggingen. Het huidige belastingstelsel versterkt die scheve verhoudingen. Nederland is geen nivelleringsparadijs. We zijn in een waanzinnige ratrace terecht gekomen waarin vermogen veel meer winst oplevert dan inkomen uit werk. Internationale bedrijven en een rijke elite halen alles uit de kast om belasting te ontduiken of ontwijken. De rekening komt terecht bij de armsten, in Nederland en in de arme landen. Uiteindelijk ondermijnd de groeiende ongelijkheid de gehele samenleving.

Naast de impact van de financiële crisis en de daaropvolgende recessie heeft ook de vermogensconcentratie een hogere werkeloosheid tot gevolg en verklaart het mede de toename van het aantal ZZP’ers – inmiddels al meer dan 800.000. Uit onderzoek van de OESO blijkt dat hoe meer ZZP’ers er zijn, hoe armer en ongelijker een land is. Die toename toont aan dat het MKB – doorgaans de motor van innovatie en aanjager van de economie – in de knel zit. Eenmansbedrijven worden niet groter, waardoor de groei van de werkgelegenheid stokt. Lonen staan continu onder druk, wat goed is voor de winsten van bedrijven, maar slecht voor de koopkracht van burgers. De spreiding van kennis, macht en inkomen – in de jaren 1970 een lonkend perspectief – valt in de huidige economische en politieke verhoudingen steeds moeilijker te realiseren.

Vermogen is geconcentreerd aan de top, terwijl mensen aan de onderkant de eindjes aan elkaar moeten knopen. De vermogensongelijkheid in Nederland is vergelijkbaar met landen als Polen of de Verenigde Staten. Slechts in notoir ongelijke samenlevingen, zoals laatmiddeleeuws Italië, werd dit niveau bereikt. De rijkste familie in Nederland (Brenninkmeijer) heeft een geschat vermogen van 23 miljard euro, terwijl ruim 3,2 miljoen Nederlanders (de armste 20 procent) samen een negatief vermogen hebben van ca. 26 miljard euro. De rijkste familie heeft dus ongeveer evenveel vermogen als de gezamenlijke schuld van een vijfde van de Nederlanders. De vijf rijkste families van Nederland hebben samen een geschat vermogen van 32,5 miljard euro, ongeveer evenveel als ruim 3,2 miljoen Nederlanders samen (armste 20-40 procent groep): 33,6 miljard euro. De armste 20 procent Nederlanders hebben samen een negatief vermogen.

Ongelijkheid tussen woningbezitters en huurders – bevordering van private schulden

Als je nog beter naar de cijfers kijkt dan blijkt ook dat er grote ongelijkheid is tussen huiseigenaren en huurders. Over de hele liggen inkomens van huurders fors lager dan die van huiseigenaren. Huurders zijn vooral lagere inkomens, en hun koopkracht is meer dan gemiddeld aangetast. Extreme rijkdom wordt niet alleen gevoed door steeds hogere topsalarissen, maar evenzeer door inkomen uit sterk geconcentreerd bezit. Let op: bezit is wat anders dan vermogen, bij bezit nemen we ook zaken in aanmerking die door schulden zijn gefinancierd. Als je geld hebt kun je makkelijker financieren, en als je goed naar de cijfers kijkt zie je dat er een enorme hefboomwerking is van die schuldfinanciering. Door dat er enorme rendementen worden gemaakt kunnen de kosten van de lening makkelijk terugverdiend worden, geholpen door lage rente én fiscale rentesubsidie.

Mensen die dus met leningen veel bezit kunnen financieren, houden daar een veel groter vermogen aan over. Ook dat zie je niet terug in de officiële CBS-statistieken. Het bezit is in ons land extreem geconcentreerd bij een steeds kleinere groep superrijken. De top 10% inkomens verdiend zo’n 32 maal meer aan inkomen uit bezit dan de laagste 10% inkomens (bij deze laatste groep is dat inkomen zelfs negatief).

De prijzenstijging van woningen vergroot de vermogensongelijkheid zeer sterk – mensen steken zich in grote schulden met verschillen tussen hen die op een ‘goed’ dan wel op een ‘slecht’ moment een huis kochten, plus grote geografische verschillen. Grote vermogensverschillen geven mensen met geld ook extra voordeel op de koopmarkt – in Amsterdam heeft zelfs een kwart van de kopers geen hypotheek nodig.

In plaats van de focus op reductie van overheidsschulden moeten we de focus richten op reductie van private schulden, voor een duurzame, stabiele economische groei. De wereld is in wezen een systeem van met elkaar verbonden balansen. Van banken, van burgers, van bedrijven. Het bezit van de een is het krediet van de ander, en zo bestaat een complex systeem van communicerende vaten, groot en klein. Het krediet groeit en is nu wereldwijd 250 procent van het bbp. Van afbouw van leningen, van het verkleinen van de hefboom is sinds Lehman geen enkele sprake. Integendeel. De langdurig lage rentes kunnen ervoor zorgen dat er geld wordt geleend voor projecten of activiteiten die bij een hogere rente helemaal niet zouden zijn ondernomen of ontplooid. Het is dan ook zeer de vraag of het nieuwe bezit dat tegenover al dat extra krediet staat, in dat grote systeem van communicerende balansen, van goede kwaliteit is – en blijft. Als wereldwijd de productiviteitsstijging geen gelijke pas houdt met de groei van het krediet, dan gaat dat fout. Dat zal blijken, als de rente een keer met een schok omhooggaat. Niet vandaag, wellicht ook niet dit jaar, maar eens.

Collectieve verarming

Er is sprake van collectieve verarming in de westerse wereld na 2004, zo blijkt uit het rapport Poorer than Their Parents? A New Perspective on Income Inequality van het adviesbureau McKinsey (2016). Tussen 1995 en 2004 ging minder dan 2% van de burgers in westerse landen er in reëel inkomen op achteruit. In de tien jaren daarna, van 2004 tot 2014, groeide dat cijfer tot 65 à 70%. Nederland was een van de landen die door McKinsey in detail zijn bestudeerd. Eén van de berekeningen gaat over inkomensoverdracht: de uitkeringen en subsidies die boven op het loon komen. Alle groepen in Nederland hebben in de periode 2004-2014 méér geld van staatswege ontvangen, behalve de armste 20%. Die ging er als enige niet alleen in inkomen, maar ook in financiële steun op achteruit. De onderzoekers keken ook naar belastingen. Daarbij is het beeld omgekeerd. Iedereen is méér belastingen gaan betalen, behalve de rijkste 20%.

De onzekere arbeidsomstandigheden (flexwerk en zzp-ers), volgens het rapport de voornaamste reden waarom huidige generaties minder verdienen dan hun ouders, zijn in Nederland het ergst: ons land is kampioen flexwerken. Dat komt door de hoge belastingen hier op arbeid en doordat flexwerk hier extreem veel goedkoper is dan vast werk. En ook hier geldt: de zwaarste arbeidsomstandigheden vind je aan de onderkant. Van alle soorten werk wordt laaggeschoold werk het vaakst uitgevoerd in een tijdelijk dienstverband. Uit het rapport komt naar voren dat een grote meerderheid van onze burgers armer wordt dan hun ouders, maar dat dit lot wel oneerlijk is verdeeld. We worden bijna allemaal minder rijk, maar de armsten nog sneller dan de rest. Wie onder aan de economische ladder stond, kreeg de wind vol in het gezicht.

Gecorrigeerd voor inflatie is het gemiddelde huishoudinkomen de afgelopen 40 jaar nauwelijks toegenomen. Ook zijn de cao-lonen, gecorrigeerd voor inflatie, sinds 1980 niet gestegen. Een eenverdiener die afhankelijk is van het cao-loon en er geen periodieken en dergelijke bij kreeg, ging er de afgelopen 35 jaar dan ook niet op vooruit. De toegenomen rijkdom (gemeten in bbp per hoofd van de bevolking, gecorrigeerd voor inflatie) zit vooral bij tweeverdieners, mensen die carrière maakten en mensen met inkomen uit vermogen. Drie vaak onderbelichte factoren veroorzaken toenemende inkomensverschillen:

  • Mensen gaan ‘opwaarts’ relaties aan (hoogopgeleid trouwt met hoogopgeleid)
  • Loononderhandelingen gaan over procenten in plaats van centen (en twee procent erbij is op het minimuminkomen een schijntje ten opzichte van twee procent voor hoge inkomens)
  • Het feit dat veel uitkeringen (AOW, bijstand) verstrekt worden per huishouden terwijl lonen individueel zijn. Tweeverdieners verdienen twee inkomens, samenwonende AOW-ers of bijstandsgerechtigden krijgen maar pakweg 140 procent van een alleenstaandenuitkering.

De middenklasse bedreigd?

Volgens de WRR bleek uit een studie van Paul de Beer uit 2008 dat de middenklasse een stabiel segment van de Nederlandse samenleving is en dat de angst voor het verdwijnen van de middenklasse vooralsnog ongegrond is. Sinds 2008 is er echter het nodige veranderd. Gevoelens van onbehagen lijken eerder toe dan af te nemen, terwijl er nu ook groeiende zorgen bestaan over de sociaaleconomische positie van delen van het middensegment van de Nederlandse samenleving. Institutionele zekerheden voor de middengroepen zijn geringer geworden waardoor ze nu meer dan voorheen iets te verliezen hebben. Het aantal stabiele banen in het middensegment neemt af door de flexibilisering van arbeid en investeringen in middelbare en ook hogere opleidingen leveren minder op in termen van beroep. Het Nederlandse debat maakt duidelijk dat het vraagstuk van de bedreigde middenklasse niet langer een Amerikaanse aangelegenheid is. In de Verenigde Staten verschenen al eind jaren 1980 studies over de middenklasse waarin gesproken werd van fear of falling (Ehrenreich 1989) of falling from grace (Newman 1988).

Deze thematiek wordt nu ook in West-Europa geagendeerd. In Frankrijk spitst het debat zich toe op de vraag of de sociale mobiliteit aan het stagneren is. Daarbij gaat het er niet alleen om of jongere generaties een hoger of lager beroep uitoefenen dan hun ouders, maar ook om de vraag hoe hun levensomstandigheden eruitzien. De moeite die bepaalde middengroepen hebben om een eigen huis te kopen, de flexibilisering van de arbeidsmarkt, de toename van schulden, hogere vaste lasten en zelfs kortere vakanties worden gezien als tekens dat de huidige middenklasse het minder goed heeft dan voorheen, zelfs wanneer zij in professioneel opzicht tot dezelfde beroepscategorie behoren als hun ouders. Kenmerkend voor het Franse debat is de interesse in verschillen tussen de generaties, mede omdat de Franse verzorgingsstaat oudere generaties beter bedient dan jongere. Daarnaast is er veel aandacht voor de vrees van middengroepen voor sociale daling (la peur du déclassement).

De omvang van de Duitse middenklasse is in de periode 1997-2010 afgenomen. Daarnaast is er ook in Duitsland veel aandacht voor de emoties en gevoelens van middengroepen, waaronder het fenomeen van dalingangst (Abstiegangst). Ander Duits onderzoek laat zien dat onder een bepaald segment van de middenklasse – de geschoolde en halfgeschoolde arbeiders – de angst voor baanverlies meer is toegenomen dan onder hogere of lagere sociaaleconomische klassen. Ook maakt een substantieel deel van de middenklasse zich zorgen of zij hun huidige levensstijl op oudere leeftijd kan behouden en of hun kinderen eenzelfde levensstandaard weten te realiseren.

 Begin juli 2017 kwam de WRR met het rapport De val van de Middenklasse. De conclusie was dat de middenklasse in ons land niet in het nauw zit, maar zich wel steeds onzekerder voelt over hun toekomst en die van hun kinderen: ‘In tegenspraak tot veel verontrustende verhalen is er geen sprake van dat het middensegment van de Nederlandse samenleving wordt uitgehold of in verval is geraakt.’

(…) ‘Middengroepen weten in meerderheid hun positie te handhaven en sociale daling te voorkomen. Dat doen zij door harder te werken in meer onzekere omstandigheden. Zij hebben vaker twee inkomens nodig, moeten rekening houden met de flexibiliteit en tijdelijkheid van werk, dienen werk en zorgtaken te combineren, en meer zelfredzaamheid aan de dag te leggen om risico’s het hoofd te bieden. Dit alles gaat gepaard met toenemende gevoelens van onzekerheid. Ook is er het gevoel dat de overheid te weinig doet voor het midden.’ Met andere woorden: de middenklasse moet steeds harder lopen om op dezelfde plek te blijven staan. Daarbij wordt ze in feite door de overheid en de hele buitenwereld afgeleid en gestoord. Ondertussen moet de middenklasse ook nog steeds meer andere taken doen. Daar komt nog bij dat mensen in deze groep continu het gevaar lopen ontslagen te worden. Uit de vele gesprekken die er met deze groep gevoerd zijn, komt duidelijk naar voren dat de middenklasser zeer onzeker is over zijn of haar baan en over de overheid. Ook geven de mensen in deze groep keer op keer aan dat ze steeds vaker achter het net vissen.

De belangrijkste bevindingen van de WRR-verkenning zijn:

  • Het maatschappelijk midden is te heterogeen en te breed om van “de” middenklasse of “de” middengroep te spreken. Daarom spreken we van het middensegment of van m
  • Aan het vooruitgangsoptimisme van middengroepen is een einde gekomen. Middengroepen moeten zich extra inspannen om hun positie te handhaven en sociale daling te voorkomen.
  • Veel middengroepen in Nederland zijn toegerust om te voldoen aan moderne eisen van inzetbaarheid en weerbaarheid en zijn daarom in staat om hun middenpositie te handhaven.
  • De belangrijkste bedreigingen voor het middensegment zijn:

(1) de afgenomen waarde van een middelbare opleiding (diploma-inflatie, hoger opgeleiden verdringen middelbaar opgeleiden),

(2) het verdwijnen van routinematige administratieve functies en de groei van laagbetaalde dienstenbanen, en

(3) een afkalvend middensegment uitgaande van markt- of bruto-inkomens.

  • In het maatschappelijk midden is er een subsegment dat wordt bedreigd. Dat kwetsbare segment bestaat vooral uit mbo’ers met een routinematige, administratieve baan of een verzorgend of dienstverlenend beroep. Zij hebben een grotere kans op baanverlies of een laag inkomen. Indien aanvullende inkomsten wegvallen, bijvoorbeeld door baanverlies van een partner, is sociale daling al snel een realiteit.
  • Mbo’ers zijn in hun opvattingen over de politiek en maatschappelijke kwesties sterk op lager opgeleiden gaan lijken. Dat geldt ook voor gevoelens van onbehagen en het gevoel geen grip te hebben op de eigen toekomst. Zij zijn zeer kritisch over immigratie, open grenzen, en hebben een gering vertrouwen in de EU en de Tweede Kamer.

Volgens de WRR is er sprake van baanpolarisatie: terwijl de aandelen van hoog én laagbetaalde beroepen in de totale beroepenstructuur groeien, daalt het aantal beroepen uit het middensegment. Dit verschil in uitkomsten komt vooral door de groeiende groep verzorgenden, veelal vrouwen, die relatief weinig verdienen, maar zichzelf niet aan de onderkant van de beroepenhiërarchie plaatsen en daar ook qua opleiding niet thuishoren. Een andere bedreigende ontwikkeling voor de middenberoepen is dat bepaalde middenberoepen (vooral routinematige administratieve functies) verdwijnen of al verdwenen zijn. Vooral vrouwen (sterk oververtegenwoordigd in deze beroepen) én ouderen (gaan misschien minder gemakkelijk om met nieuwe technologieën) zullen hieronder te lijden hebben.

Het aandeel huishoudens met een middeninkomen daalde tussen 1990 en 2014 van 68 naar 57 procent, hun inkomensaandeel daalde in deze periode van 71 naar 57 procent. Deze dalende tendensen worden in belangrijke mate tenietgedaan door de herverdelende werking van de Nederlandse verzorgingsstaat en door het feit dat hogere inkomens veelal grotere huishoudens hebben (en dus een lager gestandaardiseerd inkomen). Uitgaande van gestandaardiseerde huishoudinkomens (waarmee rekening wordt gehouden met de omvang van huishoudens en de betaalde belastingen en premies) is het aandeel huishoudens met een middeninkomen omvangrijk en vrij stabiel. Alleen na 2006 daalde het aandeel huishoudens met een middeninkomen licht: van 80 naar 76 procent van alle huishoudens. Ook hun inkomensaandeel bleef over de jaren heen vrij stabiel, al daalde dit tussen 2010 en 2014 ook licht (van 79 % naar 77 %). De middeninkomens beschikken over ongeveer twee derde van het totale vermogen. Het betreft bijvoorbeeld huishoudens met een afbetaald eigen huis of zelfstandigen met een laag of middeninkomen, maar met een aanzienlijk (bedrijfs-)vermogen.

Er zijn geen aanwijzingen dat middeninkomens vaker dan vroeger terugvallen in armoede. Over het algemeen is de inkomensdynamiek begrensd. De meerderheid van alle huishoudens blijft door de jaren heen in dezelfde inkomensgroep. In geval van neerwaartse mobiliteit blijft dat in bijna alle gevallen beperkt tot één inkomensklasse. Tussen de 12 en 28 procent van huishoudens met een middeninkomen maakt in een jaar tijd een inkomensdaling mee en komt daardoor in een lagere inkomensklasse terecht. De meeste op- of neerwaartse dynamiek ontstaat door veranderende persoonlijke omstandigheden in het huishouden (samenwonen, scheiding, kind krijgen, kind uit huis) dan wel wat betreft werk (verlies van werk of nieuwe baan). Kortom, het middensegment blijft wat betreft inkomen in het midden – mede door het stelsel van belastingen en sociale zekerheid. De dynamiek die soms ontstaat komt vooral door veranderingen in het gezin of op het werk.

Het rapport wordt volgens de site Follow the Money surrealistisch als de WRR als belangrijkste bevinding vaststelt dat ‘het maatschappelijk midden te heterogeen en te breed [is] om van “de” middenklasse of “de” middengroep te spreken.’ De WRR kiest echter voor een wel erg brede definitie van de middenklasse – zelf spreken ze van ‘het middensegment’. Ze kijken dan naar iedereen (tussen 25 en 65 jaar) met geen lagere opleiding, die in een zgn. midden-beroep werkt (dit zijn routinematige dienstenberoepen – bijvoorbeeld administratief, verkoop, verzorgenden –, kleine werkgevers, zelfstandigen en zelfstandige boeren, supervisors over handarbeid – ‘voormannen’ – en hooggeschoolde handarbeid) en een middeninkomen heeft. De middeninkomens zijn volgens de WRR huishoudens met een huishoudinkomen tussen 60 en 200 procent van het mediane inkomen.

Het mediane inkomen is het exacte midden van de inkomensverdeling, dat wil zeggen dat 50 procent van alle huishoudens (of personen) een hoger inkomen heeft en 50 procent een lager inkomen. Het gaat dan om het netto-besteedbaar inkomen van huishoudens na afdracht van premies en belastingen en gecorrigeerd voor verschillen in huishoudsamenstelling. Ook worden huishoudens naar hun inkomen ingedeeld in 10- of 20-procentsgroepen (of te wel: naar inkomensdecielen of -kwintielen). De 20 procent huishoudens met de laagste inkomens worden hier als lage inkomens gezien, de 20 procent met de hoogste inkomens als hoge inkomens. De middeninkomens zijn dan alle huishoudens in het derde tot en met het achtste deciel (of het tweede, derde en vierde kwintiel). Dat maakt de definitie van de middengroepen wel erg breed.

Uit de focusgroepengesprekken met vertegenwoordigers van middengroepen komt het aspect van onzekerheid naar voren als een dominant kenmerk van hun positie. Die onzekerheid leidt tot zorgen over de vormgeving van de eigen toekomst en die van hun kinderen, en soms ook tot een korte-termijn-oriëntatie die vergelijkbaar is met die van lagere sociale groepen. Die onzekerheid heeft twee belangrijke bronnen, namelijk ontwikkelingen op de arbeidsmarkt (diploma-inflatie en flexibilisering van werk) en de verminderde bescherming door een terugtrekkende overheid. Men ervaart dat de verzorgingsstaat er vooral is voor de lagere klasse en dat men er zelf weinig profijt van heeft.

De WRR: ‘De stelselherzieningen die sinds het einde van de jaren 1980 zijn doorgevoerd zijn samen te vatten met het begrippenpaar versobering en activering. De overheid doet een groter beroep op de zelfredzaamheid van burgers. Dit blijkt onder meer uit diverse privatiseringen die plaatsvonden in de sfeer van sociale zekerheid, waardoor risico’s bij bedrijven of individuele burgers werden gelegd. Al in de jaren 1990 werd de Ziektewet vervangen door de verplichte loondoorbetaling bij ziekte door werkgevers. Niet de overheid, maar individuele werkgevers dragen sindsdien gedurende twee jaar de financiële risico’s van ziekte. Het kabinet Rutte II verlaagde de maximale duur van werkloosheidsuitkeringen van 3 naar 2 jaar. Hiermee werd het financiële risico van langdurige werkloosheid teruggelegd bij individuele burgers (de sociale partners hebben inmiddels een regeling getroffen om dit derde werkloosheidsjaar te compenseren). Het kabinet Rutte II verhoogde tevens het eigen risico van burgers in de zorg en schafte de publieke studiefinanciering af. Wel kunnen studenten nu een gunstige lening afsluiten om de studiekosten te financieren.

Als dergelijke ontwikkelingen doorzetten, kunnen ze leiden tot een residualisering van verzorgingsstaatarrangementen. Dat wil zeggen dat de overheid wel garant staat voor de sociale voorzieningen voor de meest kwetsbare burgers, maar dat van minder kwetsbaren wordt verwacht dat ze primair hun eigen problemen oplossen. De bijstand is een voorbeeld van zo’n residuale voorziening: alleen huishoudens zonder andere inkomsten komen voor bijstand in aanmerking. Ook in de volkshuisvesting wordt veel gesproken van residualisering: woningcorporaties mogen alleen goedkope huurwoningen aanbieden voor lagere-inkomensgroepen en niet voor huishoudens met midden- of hogere inkomens. Vooral middengroepen dreigen door zulk beleid tussen wal en schip te vallen: ze krijgen minder bescherming van de verzorgingsstaat, maar zijn ook minder in staat zichzelf te redden, zoals het hogere segment.

Dit is ook de conclusie van enkele SCP-studies over het ‘profijt van de overheid’. De overheid draagt door sociale zekerheid en door belasting- en premieheffing sterk bij aan meer gelijkheid. Als we enkel naar het secundaire inkomen van huishoudens kijken, dragen de hogere inkomens meer af en ontvangen zij minder. Voor de lagere inkomens geldt het omgekeerde. Kijken we echter naar het profijt dat huishoudens hebben van diverse overheidsvoorzieningen (het tertiaire inkomen) dan ontstaat een ander beeld. Juist de middeninkomens hebben verhoudingsgewijs het minste profijt van diverse overheidsvoorzieningen. Bij de middeninkomens (vooral het vierde tot en met het zevende deciel) is het netto-profijt geringer dan bij zowel de lagere als de hogere inkomens. Voor sommige voorzieningen (zoals gezondheidszorg en maatschappelijke ondersteuning) geldt dat vooral lagere inkomens ervan profiteren, terwijl ze bovendien minder eigen bijdragen hoeven betalen en zorgtoeslag ontvangen. Voor andere voorzieningen (onderwijs, cultuur, maar ook de fiscale behandeling van de eigen woning) geldt dat vooral de hogere inkomens er profijt van hebben. Dus Minder voor het midden, zoals de titel van de vorige SCP-studie over dit onderwerp luidde.’

Onder het oppervlak van de stagnerende inkomensontwikkeling treden grote verschuivingen op, daar gist met name de arbeidsmarkt.[20] Tussen 1977 en 2014 groeide de bevolking met 2,7 miljoen personen oftewel met 20%. De groei vormt het saldo van gelijktijdige krimp en groei. Kinderen en volwassenen zonder inkomen verdwenen massaal (‐2,6 miljoen); werknemers (+1,6 miljoen), zelfstandigen (+0,4 miljoen) en ook gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden (samen +2,6 miljoen) groeiden. De groei van uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden berust voor een aanzienlijk deel op de juridische individualisering van bestaande uitkerings‐ en pensioenrechten (AOW) sinds de midden jaren tachtig, niet op een uitbreiding van die rechten. Door de massale groei van tweede verdieners in huishoudens (+0,75 miljoen) is de traditionele eenverdienersmaatschappij afgelost door de twee‐ of meerverdienersmaatschappij. De sterke groei van het aantal werknemers heeft de werkgelegenheidsgraad van personen verhoogd maar niet die van huishoudens. Additionele huishoudens zijn naar rato voorzien van een werknemer en de overige werknemers hebben zich gevoegd in huishoudens waar er al tenminste een aanwezig was. Circa drie kwart van alle werknemers deelt tegenwoordig een huishouden met een of meer andere werknemers. Dat maakt een einde aan de situatie waarin het loon van de voltijds kostwinner in grote lijnen de verdeling van huishoudinkomens bepaalde.

Deze veranderingen hebben grote verschuivingen tot gevolg in de inkomensverdeling. Het aantal tweeverdienershuishoudens is massaal opgeschoven naar de hogere regionen van de verdeling. Voor inkomens is de concentratie aan de top sterker dan voor aantallen. We weten dat tweede verdieners meer uren per week werken tegen hogere uurlonen. Mede daardoor treedt een steeds sterkere concentratie op van tweede‐verdienersinkomens in de inkomenstop‐10%. Tweede verdieners in die Top‐10% ontvangen inmiddels meer dan de helft van alle tweedeverdienersinkomen. Tegelijk maakt de eerste verdiener meer uren per week dan de eenverdiener en verdient hij of zij een hoger uurloon. Het 1,5‐verdienersmodel klinkt geruststellender voor de inkomensongelijkheid dan het is. Het gemiddelde inkomen van tweeverdieners aan de top is er in geslaagd de 48% economische groei tot 2014 bij te benen. Tegelijk vertonen eenverdieners een aanzienlijk sterkere concentratie aan de onderkant van de verdeling. De sterke groei van tweeverdieners sinds 1977 is het saldo van langdurige groei en recente krimp.

Voorafgaand aan de crisisperiode is al sprake van afnemende paarvorming in de jongere leeftijdsgroep en daarmee van een afnemende frequentie van tweeverdieners. Dit wordt gemaskeerd door groei onder ouderen, wat de verschuiving naar de top versterkt. Dit zet op termijn het tweeverdienersmodel onder druk.

Tegelijkertijd wordt het tweeverdienersmodel ongelijker. Alleen onder hoogopgeleiden groeit de paarvorming en het twee‐verdienen nog. Zij dragen de verschuiving naar de top: de gewerkte uren en uurlonen van tweede verdieners stijgen snel over de hogere 2‐procentsgroepen. Deze ontwikkeling in de paarvormig ten gunste van hoogopgeleiden is ook voor 2003 al te traceren. Het werpt de vraag op of huishoudvorming moeilijker wordt voor laag en middelbaar opgeleiden.

Daarbij lijkt het hebben van kinderen meer een luxe te worden: in de 2‐procentgroepen aan de bovenkant van de inkomensverdeling steeg hun aantal licht of daalde het minder. Hoger opgeleiden zien sinds de crisis ook als enige hun werkgelegenheidsgraad stijgen. Hun opleiding wordt echter in toenemende mate onderbenut, tot 40% van hun populatie, aanzienlijk meer dan op de andere opleidingsniveaus. Ze bezetten in toenemende mate banen op niet wetenschappelijk niveau, wat bijdraagt aan een cascade van verdringing op de arbeidsmarkt.

De massale opkomst van tweeverdieners beïnvloedt behalve de inkomensverdeling ook de werkgelegenheidsverdeling. In de voltijds‐kostwinnerswereld bevinden laagbetaalde werknemers en hun huishoudens zich onderin de inkomensverdeling, nu worden ze gespreid over de volle breedte van de verdeling, tot aan de top. Van de banen met het laagste beroepsniveau bevindt zich meer dan een derde in de bovenste helft van de verdeling. Twee laagbetaalde tweeverdieners kunnen samen hogerop klimmen, of tweede en derde verdieners verrichten laagbetaald werk naast een eerste verdiener met goedbetaald werk. Het eerste komt zeker voor maar het tweede is aanmerkelijk belangrijker. In de bovenste helft van de inkomensverdeling wordt 60 à 75 procent verricht door additionele verdieners. Zij concurreren aan de onderkant van de arbeidsmarkt ‐ tegen de achtergrond van een hoger inkomen, doorgaans op deeltijdbasis en met een betere opleiding ‐ met het laagopgeleide arbeidsaanbod dat op deze banen is aangewezen en voor het inkomen afhankelijk is van werken in voltijd. De overgrote meerderheid van deze laagopgeleide banen is tegenwoordig in deeltijd en wordt ingenomen door beter opgeleide personen. Het leidt tot een vicieuze cirkel van grotere inkomens‐ en arbeidsmarktongelijkheid. Het is van groot belang dat beleid dat werken aan de onderkant wil bevorderen hiermee rekening houdt en zich niet louter richt op lagere lonen en loonkosten.

De inkomstenbelasting kent sinds 2001 de arbeidskorting die maximaal wordt op het niveau van het minimumloon, bedoeld als gunstiger voor de onderkant van de verdeling en als stimulans voor betaald werk sorteert ze in de tweeverdienerswereld ook een omgekeerd effect. Het laagbetaalde werk raakt oneigenlijk verspreid over de hele inkomensverdeling zoals we hierboven al zagen in de brede spreiding van laagopgeleide beroepen. Het betreft echter ook werk dat (per uur) beter beloond is, omdat het belastingstelsel op jaarbasis werkt en op die basis naar het minimumloon kijkt. Dit spreekt direct uit het feit dat meer dan een derde deel van de volwassen vrouwen verdiensten heeft tot aan het niveau van het minimumloon op jaarbasis – en klaarblijkelijk de gewerkte uren aanpast – tegenover minder dan 7 procent die het minimumloon verdient op uurbasis.

Al is de eenverdienerswereld verdwenen, er zijn nog wel degelijk eenverdieners over: 1,9 miljoen, die even zo vele huishoudens vormen. Eenverdieners met een meerpersoonshuishouden vormen 11 procent van de werknemers in 18 procent van de huishoudens, met 15 procent van alle looninkomen. In verhouding tot de massa van tweeverdieners leidt dit tot een belangrijk probleem van solidariteit: waarom inkomen herverdelen naar huishoudens waarin slechts een persoon een overigens vergelijkbare positie op de arbeidsmarkt inneemt?

Een andere relevante ontwikkeling waarmee ook middengroepen te maken hebben is de toegenomen complexiteit en kwetsbaarheid van primaire relaties. In een relatief korte periode heeft Nederland de verandering doorgemaakt van een traditionele kostwinnerssamenleving naar een samenleving met een tweeverdienersmodel, waarbij beide partners carrière en zorg combineren. Het op elkaar afstemmen van twee loopbanen en het verdelen van zorgtaken is vaak een complexe opgave die niet zonder risico’s is. Ook is er een grotere variëteit aan huishoudvormen ontstaan.

Huishoudens bestaan steeds vaker uit één persoon en minder vaak uit paren met kinderen. Het aandeel paren met thuiswonende kinderen is de afgelopen decennia sterk gedaald, van 44 procent in 1981 tot 28 procent in 2010. In diezelfde periode steeg het aandeel alleenstaanden van 22 naar 36 procent. De inkomenspositie van huishoudens hangt nauw samen met hun huishoudvorm. Hogere-inkomensgroepen zijn veelal samenwonenden of gezinnen met kinderen en combineren vaak meerdere arbeidsinkomens in het huishouden; lagere-inkomensgroepen zijn verhoudingsgewijs vaker alleenstaand of alleenstaande ouder en zijn in beide gevallen eenverdiener. Dit maakt hogere en middeninkomens echter ook gevoeliger voor het financiële risico van echtscheiding. Onderzoek laat zien dat het aantal echtscheidingen in Nederland sinds de jaren 1960 sterk is gestegen, maar sinds de jaren 1990 vrij stabiel is gebleven. Wel steeg het totaal aantal relatie-ontbindingen. Dit komt doordat er steeds meer niet-gehuwde samenwonenden uit elkaar gingen (CBS 2009).

Daarnaast kwam echtscheiding voorheen vaker bij hogere statusgroepen voor, tegenwoordig zijn er juist bij lagere statusgroepen meer echtscheidingen. Diverse studies laten een negatief verband zien tussen opleidingsniveau en echtscheidingen: lager opgeleiden zijn vaker gescheiden dan hoger opgeleiden. Recent onderzoek van het CBS wijst uit dat dit niet alleen geldt voor gehuwden, maar voor alle samenwonende stellen. Bij de laagste inkomensgroep (eerste kwintiel) was 4,5 procent van alle stellen (met minimaal 1 kind) binnen één jaar tijd uit elkaar gegaan. Bij de hoogste inkomensgroep (vijfde kwintiel) was dit 1,4 procent (cijfers over 2014) (CBS 2016a). Bij de hoogste inkomensgroep is de kans op relatieontbinding maar half zo groot als bij de laatste inkomensgroep. Bij de middeninkomensgroepen ligt de kans op relatieontbinding ergens daartussenin, maar ook zij hebben een significant geringere kans op relatieontbinding dan de laagste inkomens (CBS 2016b).

Er is veel te doen over de financiële positie van één-kostwinnaar-gezinnen. Met name christelijke partijen pleiten om hen fiscaal te compenseren. Links doet dit doorgaans af als aanrechtsubsidies, bedoeld om het mogelijk te maken dat de vrouw thuisblijft, niet hoeft te werken, en dus afhankelijk blijft van de wel verdienende man. Slecht voor de emancipatie van vrouwen dus. Teveel vrouwen werken niet of slechts parttime, en dat is slecht voor hun financiële onafhankelijkheid. Door minder te werken is er levenslang een lagere baankans, een lager uurloon, een hogere kans om financieel in de problemen te komen bij scheiding of overlijden van de partner, en een lager pensioen. Het is beter dat ook vrouwen volwaardig meedoen in het arbeidsproces en dat we de banen én de zorgtaken eerlijk verdelen.

De verschillen zijn echter nu wel erg groot en er zijn ook specifieke groepen die nu in de problemen komen. Het Nibud maakt zich m.n. zorgen om de traditionele kostwinnersgezinnen met twee of meer kinderen. Hierbij werkt één van de ouders en verdient rond 35.000 euro bruto per jaar. Dit is een modaal inkomen, het inkomen dat het meest voorkomt in Nederland. In Nederland bestaan zo’n 87.000 gezinnen waarbij één van de partners een jaarinkomen heeft tot 35.000 euro per jaar. Deze gezinnen hebben het financieel gezien zwaar en noemt het Nibud een echte risicogroep. Ze krijgen geen kwijtschelding van lokale lasten en krijgen geen zorg- of huurtoeslag. Het Nibud ziet dat zij rond kunnen komen als zij in een huis wonen met een huur van maximaal 528 euro, wat volgens het CBS de gemiddelde huur is voor deze inkomensgroep. Maar als ze in een duurdere huurwoning wonen, een auto hebben, met het gezin op vakantie willen of als de kinderen lid van zijn een sport- of muziekvereniging zijn, komen zij maandelijks al snel honderden euro’s tekort. En dat komt steeds vaker voor.

De WRR beveelt aan de onzekerheid van de middenklasse te verminderen en hun weerbaarheid te vergroten. Wij sluiten ons daarbij aan, maar vullen dat ook aan: de middenklasse mag anders dan in de VS misschien nog niet aan het verdwijnen zijn, zij staat ook financieel wel degelijk onder druk. En er moet dus ook meer gebeuren willen we niet in Amerikaanse scenario’s terechtkomen. De globalisering van de economie heeft sinds de deregulering van de financiële markten sedert de jaren 1980 en 1990 nieuwe dimensies verkregen, mondiale belastingconcurrentie en belastingontwijking leiden tot een race naar de bodem en ook op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden zijn we in een nieuwe fase van internationale concurrentie met een terugkeer naar 19e eeuwse verhoudingen verzeild geraakt.

Het belastingsysteem maakt nu de ongelijkheid groter

Ons fiscale stelsel is teveel toegesneden op Nederland als renteniersnatie en de bijbehorende belangen van de uit zijn voegen gegroeide financiële sector. Renteniers betalen geen AOW-premie en geen andere premies voor volksverzekeringen en geen inkomensafhankelijke ziektekostenpremie, terwijl ze wel het recht hebben op deze kostbare voorzieningen.

In het huidige belastingstelsel wordt werken zwaar belast en door maatregelen tijdens de crisis is dit nog verder toegenomen. De belastingdruk op arbeid is nu bijna driemaal zo hoog als die op kapitaal. Bedrijven maken grote winsten sinds de crisis en de lonen zijn op deze stijging van de winsten achtergebleven. Dit wordt heel helder gemaakt in de Macro Economische Verkenningen 2016 onder het kopje arbeidsinkomensquote (AIQ). Ook is loonstijging één van de stokpaardjes van DNB-voorzitter Knot. Dus laat de overheid ervoor zorgen dat de lonen hard stijgen ten koste van de bedrijfswinsten.

Iedere euro die in Nederland met arbeid wordt verdiend, wordt met 40-45% belast, terwijl iedere euro die met kapitaal hier wordt verdiend, slechts met 9% wordt belast[21]. Een verschuiving van inkomen van arbeid naar kapitaal, dus een daling van de AIQ, raakt dus direct de inkomsten van de overheid en daarmee de mogelijkheden van de overheid om de fysieke, sociale en technologische infrastructuur te onderhouden waar de Nederlandse welvaart in belangrijke mate op gebouwd is. Ook tast dit de mogelijkheden aan tot sociale herverdeling, die de sterk toegenomen bruto-inkomensongelijkheid in Nederland nu nog dempt. Eerder werd al geconstateerd dat dit sociale systeem steeds meer onder spanning komt te staan (WRR, 2014). De belastingopbrengsten uit winst als percentage van de belastingopbrengsten laten een structurele daling zien. De werkenden moeten een steeds groter deel van de belastingen opbrengen. Het probleem in Nederland is niet dat de collectieve uitgaven te hoog zijn, maar dat de collectieve lasten zo oneerlijk zijn verdeeld.

In 1998 kwam 44 miljard gulden loon- en inkomstenbelasting binnen, en 42 miljard gulden aan vennootschaps-, dividend-, vermogens- en erfbelasting. Die verhouding is nu (2018) 51 miljard euro versus 30 miljard euro. Overheden wereldwijd verkleinen tekorten liever met de btw dan met de vennootschapsbelasting. Ook Rutte III kiest daar weer voor. In Nederland is in 2001 de vermogensbelasting voor rijke spaarders flink omlaaggegaan en in 2010 ging ook de erfbelasting naar beneden. Nederland kent de laagste belastingdruk op kapitaalinkomen van alle EU-landen. In 1995 was dat nog bijna 20%. Het EU-gemiddelde is 31,4%. Ook het aandeel van belasting op kapitaalinkomen in de totale belastingopbrengst behoort met 15,4% tot de lagere in de EU, samen met een aantal Oost-Europese landen. Door deze politiek wordt het private vermogen nu slechts beperkt belast.

De effectieve belasting op bedrijfswinsten is zeer gering en wordt, zonder noemenswaardig politiek debat, steeds verder teruggebracht. Dat vergroot de ongelijkheid omdat bedrijfswinsten voor een groot deel terechtkomen bij de rijkste particulieren, die veruit de meeste aandelen bezitten. Sinds 1980 is de vennootschapsbelasting (=belasting over de winst van bedrijven) zo ongeveer gehalveerd, in ons land van 48% naar 25%. Sinds 2000 daalt het aandeel van de vennootschapsbelasting in de totale belastingopbrengsten. In 2000 was dat nog 17%, nu is dat gezakt tot 10%, een verschil van ruim 10 miljard euro. Nederland is één van de koplopers in het aanjagen van internationale belastingconcurrentie naar steeds lagere tarieven en kan dus ook zelf nu al eenzijdig stappen nemen die dit proces doen keren. Het Nederlandse tarief is formeel weliswaar 25%, maar in de praktijk is het effectieve tarief slechts 7%, één van de laagste in Europa. Rutte III doet daar nog een forse schep boven op door de vennootschapsbelasting nog verder te verlagen en de dividendbelasting zelfs af te schaffen. Dat kost respectievelijk 3 en 1,4 miljard euro! Ook in de gewijzigde plannen blijft de totale verlaging van belastingen voor bedrijven met een zelfde bedrag dalen. Rutte-3 hevelt de 1,9 miljard euro die het handhaven van de dividendbelasting oplevert namelijk doodleuk over naar een verdere verlaging van de vennootschapsbelasting. Die was 25 procent en wordt nu 20,5 in plaats van 21 procent, terwijl het lage tarief niet naar 16 procent gaat (zoals in het regeerakkoord stond) maar naar 15 procent. Het kost de belastingbetaler pakweg tweederde van het bedrag dat het niet afschaffen van de dividendbelasting oplevert. De rest gaat naar wat klein grut, maar blijft in de fiscale bedrijfskolom. De effectieve belastingdruk is bij multinationals is de laatste jaren al met 5% gedaald. Vanaf de eeuwwisseling is de ratio VPB inkomsten – BBP dalend. In 20004 was de 2e schijf nog 34,5%. Rutte III brengt dit in vrije val. Een bizarre ontwikkeling die totaal onhoudbaar is. Kennelijk wil Rutte-3 koste wat het kost het begrotingsoverschot van 6 miljard euro – de afgelopen zes jaar door u en mij bijeengebracht, via pakweg 50 miljard euro aan lastenverzwaringen en bezuinigingen – doorsluizen naar het bedrijfsleven. Gaat het niet via de afschaffing van de dividendbelasting, dan via de verdere verlaging van de vennootschapsbelasting. Wat dit tot een van de grootste herverdelingsoperaties uit de naoorlogse geschiedenis maakt. Herverdeling van arm naar rijk, wel te verstaan, van arbeid naar kapitaal. Het had zo uit de koker van Reagan en Thatcher kunnen komen: ‘trickle-up economics’.Bij zelfde ratio als rond de eeuwwisseling zou er jaarlijks 10-15 (!) miljard extra te besteden zijn. Tijd om de balans te herstellen!

Verder is het belastingstelsel steeds minder ingericht naar draagkracht. Dit komt mede door de vele aftrekposten waarvan vooral hogere inkomens profiteren. Hierdoor is het belastingstelsel nauwelijks progressief, over de hele linie komt de effectieve druk uit rond de 40%. De sterkste schouders dragen hierdoor nu niet de zwaarste lasten. De marginale druk (het deel van de extra inkomsten dat men kwijt is aan hogere lasten) ligt voor de inkomensgroepen tussen minimumloon en driemaal modaal nog aanzienlijk hoger. De totale belastingdruk is de afgelopen periode nagenoeg gelijk gebleven, en ligt rond de 40% van het bbp. Maar de belastingdruk is de afgelopen tijd wel verschoven van bedrijven en aandeelhouders naar werkenden.

Ons belangstelsel bevorderde voorts de groei van de hoogste inkomens: Vanaf de jaren 1970 is het topbelastingtarief structureel omlaaggegaan – van 80% (Den Uijl), naar 72% (Oort), naar 60% (Vermeend), naar 52% (nu) naar 49,5% (voorstel Rutte III). Het toptarief wordt al snel bereikt (bij een inkomen van ruim anderhalf modaal) en is daarmee niet gericht op de echte topinkomens. In de belastingvoorstellen van Rutte III wordt dat nog verder verlaagd, en blijven er maar twee tariefschijven over.

In ons land wordt niet het vermogen zelf, maar het rendement dat je daarop maakt, belast. Kleine spaarders hoeven nu niets te betalen en dat moet zo blijven. Per persoon is er in Nederland een vrijstelling van € 25.000 (was tot 2017 € 21.330) per persoon. Wie minder dan dit bedrag heeft, betaalt geen belasting over zijn vermogen.

Op dit moment wordt niet uitgegaan van het werkelijk rendement, maar van een fictief rendement van 2,9% (was tot 2017 4%) en daar wordt dan 1,2% x 30% belasting over geheven. Het tarief wordt vanaf 2017 gekoppeld aan de rente over de afgelopen 5 jaar. Bij grotere vermogens geldt een hoger tarief: boven de € 100.000 geldt een tarief (mede op basis van rendementen op beleggingen) van 4,7% x 30%, en voor vermogens boven de € 1 miljoen een tarief van 5,5% x 30%. Het gaat daarbij over het vermogen in box 3. Dit betreft spaartegoeden, aandelen, obligaties, tweede huis. Geen onderdeel is de eigen woning, het eigen bedrijf of pensioenvermogen.

De wijzigingen die in 2017 zijn ingegaan maken het systeem iets eerlijker en werken nivellerend uit: grote vermogens (vanaf € 350.000) gaan er op achteruit, kleinere vermogens fors op vooruit. Maar het blijft oneerlijk. De meeste mensen met een klein vermogen halen in de praktijk een veel lager rendement, 2% of nog minder en betalen dus nu teveel. Mensen die sparen krijgen een rente van 0,4 tot zelfs 0% (Triodos) bij een aantrekkende inflatie, dus die hebben eigenlijk een negatief rendement. Terwijl de grote vermogens vaak wel het dubbele rendement (8% of meer) behalen en dus veel te weinig betalen. De kleine spaarder die op 1 januari 2005 € 40.000 op de bank zette en daar jaarlijks rente over ontving heeft in 2015 € 48.855 op de bank staan. In tien jaar tijd is het bedrag met 22% gestegen. Over dit rendement heeft de kleine spaarder 32% belasting betaald. De grote belegger die op 1 januari 2005 45.000 aandelen Shell bezat en jaar in jaar met het dividend dat hij uit zijn aandelen Shell ontving opnieuw aandelen Shell kocht, heeft op 1 januari 2015 bijna 71.000 aandelen Shell. De waarde van zijn belegging is bijna verdubbeld, van bijna € 1 miljoen naar bijna € 2 miljoen. Over dit rendement heeft de grote belegger 19% belasting betaald. De grote belegger betaald dus nu relatief veel minder belasting dan de kleine spaarder. Er is in Nederland een grote groep mensen is die erg veel geld heeft. Op de spaarrekening, in aandelen en obligaties, in onroerend goed of in luxe goederen. Een kleine groep rijke mensen bezit zelfs meer geld dan miljoenen huishoudens samen. Jaar in jaar uit zien zij hun vermogen stijgen. Deze groep kan meer bijdragen aan de samenleving door meer belasting te betalen over hun grote vermogen.

Het totale vermogen in ons land minus (hypotheek)schulden bedraagt ongeveer 2500 miljard euro, 4 maal ons bbp. De vermogensbelasting levert echter minder dan 4 miljard op, 0,16%. Ook internationaal gezien scoort Nederland hier extreem laag. Oorzaak is dat slechts vrije besparingen worden aangeslagen. Tegelijkertijd worden kleine spaarders te zwaar belast.

De huidige regeling draagt nog steeds bij aan de oververhitting van de woningmarkt. Veel vermogende ouders steken hun geld nu in vastgoed als belegging: een tweede huis voor hun kinderen of voor de verhuur. Een op de vijf woningen in Amsterdam wordt nu al gekocht door iemand die er niet zelf gaat wonen. En tot nu toe legt dat geen windeieren: de waarde van de huizen schiet omhoog, net als de prijzen voor verhuur, zoals ook voor Airbnb. Het is een vicieuze cirkel. Huisjesmelken is een van de beste beleggingen. In 2016 werd op een pandje in Amsterdam alleen al een speculatiewinst van 23% geboekt. De fiscus blijft ook dan uitgaan van een fictief rendement van 2,9 tot 4%. Daardoor wordt nu de kleine spaarder veel te zwaar belast en de vermogende speculant nu juist veel te weinig. Het bevorderd daardoor dat kapitaal niet geïnvesteerd wordt, en dat kapitaal zoveel meer oplevert dan arbeid.

Volgens het kabinet is de politiek breed gedragen oplossing om uit te gaan van het werkelijke rendement op je vermogen “zeer complex en binnen afzienbare termijn voor de Belastingdienst niet uitvoerbaar.” In plaats daarvan heeft het kabinet nu dus per vermogenstitel (spaarsaldo, aandelenportefeuille, onroerend goed) het systeem zo gemaakt dat periodiek het in aanmerking te nemen rendement herijkt wordt op basis van in de markt gerealiseerde rendementen. De vermogensmix van de belastingplichtige is daarbij langs forfaitaire maatstaven gedifferentieerd, zodat die gemiddeld beter aansluit bij de genoten rendementen. Het tarief van 30% is ongewijzigd gebleven.

Gelijke kansen, ongeacht geslacht, geaardheid, geloof, leeftijd, opleiding etc. is een belangrijk uitgangspunt. Voor ons betekent dat dat iedereen bij geboorte gelijk is. De praktijk is een andere. Sommige worden geboren met een gouden lepel in de mond, hun ouders zijn schatrijk, anderen hebben ouders met helemaal niks. Via erfenissen en schenkingen krijgen kinderen van rijke ouders een voorsprong op kinderen wiens ouders geen vermogen hebben. Het erven van vermogen vergroot de mogelijkheden van de erfgenaam, zonder dat ze er zelf iets voor hoeven doen. De successiebelasting (erf- en schenkingsbelasting) kan een belangrijke bijdrage leveren aan een samenleving met gelijke kansen. Dat doet het nu nauwelijks. Zeer grote vermogens gebruiken nu bovendien de erfbelasting om belastingen te ontwijken. En de huidige regeling waarbij een ton aan gift voor kinderen wordt vrijgesteld van belasting als het besteed wordt aan de koop van een woning voor kinderen, bevorderd niet alleen de erfelijke ongelijkheid, maar ook de verdere verhitting van de woningmarkt.

Op dit moment is het woonbeleid zo, dat sociale huur en sociale initiatieven belast worden en dat bezit gesubsidieerd wordt – de wereld op zijn kop. Per jaar ontvangen woningbezitters netto 13 miljard euro (hypotheekrenteaftrek minus eigen woningforfait), en huurders maar 2,9 miljard euro (huurtoeslag plus borgstelling rijk voor leningen woningcorporaties minus opbrengst verhuurdersheffing). Door eigenwoningbezitters zoveel te bevoordelen boven huurders vergroot de staat op dit moment de ongelijkheid enorm.

Fiscaal wordt op dit moment voorts het aangaan van private schulden gestimuleerd. Het grootste deel van private schulden van huishoudens in ons land zit in hypotheken. Woningen zijn nu een aantrekkelijke belegging, fiscaal gesubsidieerd. Huidige prijzen zijn wederom zeepbel: grote systeemrisco’s. De daling komt ooit. Naast de stimulerende werking van de hypotheekrenteaftrek zijn ook de huidige regels om in aanmerking te komen voor een hypotheek een probleem. Nu werkt het zo: hoe meer hypotheken de banken verstrekken, des te meer de huizenprijzen stijgen, waardoor mensen weer meer hypotheek nodig hebben, etc. Zo zijn er binnen de kortste tijd weer enorme hypotheekschulden. Als twee kopers met een vergelijkbaar inkomen om een huis concurreren, dan wint degene die zich het meest in de schulden kan steken. Dat is vragen om zeepbellen, als de hypotheekschulden eigenlijk niet houdbaar zijn in tijden van crisis. M.a.w.: wanneer onvoldoende eigen vermogen tegenover de schulden staan.

Het vervelende van sterke prijsstijgingen van woningen is ook dat ze de kans op prijsdalingen vergroten. Ervaring en onderzoek leren dat langdurige prijsstijgingen die (ver) boven de inflatie gaan (zoals voor 2008 en nu weer), gevolgd worden door forse prijsdalingen: de zeepbel barst een keer. De Nederlandse hypotheekschuld is gegroeid naar 646 miljard euro. Dat is meer dan de 550 miljard euro op het hoogtepunt van de huizenbubbel in 2007. De fluctuaties in de huizenwaarden in combinatie met het feit dat in ons land die vooral door hypotheken worden gefinancierd (waarin Nederland sterk afwijkt van andere EU-landen) zorgt ervoor dat onze economie erg kwetsbaar is, en daarmee overschrijden we overigens ook regels van het Europese begrotingsbeleid. Door deze kwetsbaarheid kwam de crisis in 2008 in ons land harder aan en duurde de crisis ook langer.

Stijgende huizenprijzen zijn een probleem, voor starters, maar ook voor de meeste verkopers – die moeten meestal ook weer een nieuw huis kopen. Door de subsidiëring van hypotheken en woningbezit wordt de vraag nog steeds verder aangejaagd, zeker nu vastgoed één van de weinige aantrekkelijke beleggingen is. Het aanbod van betaalbare woningen wordt verder beperkt doordat projectontwikkeling zich steeds meer toelegt op de ontwikkeling van relatief grote, dure woningen – amper 10% is goedkoper dan 200.000 euro. Welvarende en goed verdienende gezinnen en stellen drukken steeds meer alleenstaanden en jongeren en ook minder verdienende jonge gezinnen uit de woningmarkt. Steeds meer worden woningen opgesplitst en tegen hoge prijzen verhuurd. Expats en Airbnb rukken op, ten koste van duurzame verbintenis en betrokkenheid bij de buurt. Vermogende huizenbezitters worden steeds rijker door te beleggen in woningen die in waarde stijgen, terwijl vooral jonge mensen niet meer kunnen kopen en aangewezen zijn op steeds duurdere huurwoningen. Voor hen die achterbleven op de huurmarkt pakte het beleid desastreus uit.

Met de enorme flexibilisering van arbeidscontracten is het voor veel jongeren bijna niet meer mogelijk een hypotheek te sluiten. Er zijn steeds meer ‘boemerangkinderen’ die na de studie weer bij de ouders gaan wonen, en zzp-ers delen nu heel dure huurwoningen. Veel van de woningen die nu verkocht worden komen in handen van mensen die al een huis hebben. Ze gebruiken het als belegging en verhuren het aan mensen die zich geen koophuis kunnen veroorloven, en hoeven ook nog maar eens vermogenswinstbelasting te betalen over een fictief rendement van tot maximaal 4%, terwijl het werkelijke rendement tot viermaal hoger kan liggen. Die huurders zijn vervolgens zoveel geld kwijt aan woonlasten dat ze niet genoeg kunnen sparen om zelf een huis te kunnen kopen.

Iedere overheidssteun voor koopwoningen drijft de woningprijzen weer verder op, waardoor met name de lage inkomens slechter af zijn. De ongelijkheid blijkt toe te nemen door het overheidsbeleid om eigen woningbezit te stimuleren. De conclusie is onontkoombaar: De overheid moet radicaal stoppen met het beleid van het stimuleren van de koop van woningen via schulden. Ook dat moet een doel van de belastingherziening zijn.

De vermogensgroei door de vastgoedhausse veroorzaakte ook de gedachte aan een verhuurdersheffing. In 2007 begon de crisis en werden de reserves te aanlokkelijk om niet in een greep in de kas te doen bij sociale verhuurders met een aparte heffing. Een linkse politiek, die ook een rationele toets doorstaat, zou echter betekenen dat het ondersteunen van de vraag van lage inkomens met een inkomensafhankelijk woonlastenbeleid, niet zou worden gecombineerd met een belastingmaatregel, die de huren juist verhoogd. Circa vijf miljoen huurders in 2,4 miljoen woningen zijn hiervan de dupe. De verhuurdersheffing heeft negatieve gevolgen voor de beschikbaarheid van sociale huurwoningen. Ook zijn er ongewenste inkomenseffecten ten koste van huishoudens met lagere inkomens. Er zijn steeds meer mensen met lage inkomens die hun huur niet meer kunnen betalen en mensen (starters, jonge gezinnen, eenpersoonshuishoudens na een echtscheiding, ouderen die aangepast willen wonen) die geen betaalbare woning kunnen vinden.

De persoonlijke fiscale toeslagen (voor huur, zorgkosten en voor kinderopvang) leiden nu tot een armoedeval (doordat ze inkomensafhankelijk zijn, stijgt het besteedbaar inkomen fors minder als je meer gaat verdienen), ze zijn in toenemende mate ontoereikend omdat de kosten sterker stijgen en ze zijn één van de grootste veroorzakers van problematische private schulden, door de complexiteit van het systeem, met name bij wisselende inkomens – die een sterk toenemend fenomeen zijn door de flexibilisering van de arbeidsmarkt en draaideurwerkloosheid bij falend re-integratiebeleid, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Bovendien maken de toeslagen het stelsel uitvoeringstechnisch complex, moeilijk controleerbaar en duur. Dit systeem behoeft dringend aanpassing, zonder dat daarbij de lage en middeninkomens nog verder in de problemen komen.

Belastingontwijking en -ontduiking

Financieel is Nederland een wereldspeler van formaat. Nederland staat derde op de ranglijst van landen met het beste handelsklimaat. Onze bankensector heeft viermaal de omvang van ons nationaal inkomen. Jaarlijks stromen vele duizenden miljarden euro’s Nederland in en uit. Bijna de helft van de wereldwijde omzet van de handel in olie, koffie, gas, graan, soja, koper en zink loopt door Nederland, onder meer via bedrijven als Gunvor, Trafigura en Vitol. Van de honderd grootste bedrijven ter wereld maken er tachtig om fiscale redenen gebruik van rechtspersonen in Nederland. Dat komt vooral door ons uitgebreide belastingverdragen-netwerk met grondstof-exporterende landen, vaak ontwikkelingslanden. Uit onderzoek van Oxfam Novib blijkt dat ontwikkelingslanden jaarlijks minstens 460 miljoen euro aan belastinginkomsten mislopen via brievenbusmaatschappijen in Nederland. In het rapport De Nederlandse Route, Hoe arme landen inkomsten mislopen via belastinglek Nederland beschrijft Oxfam Novib de grote rol die Nederland speelt in internationale belastingontwijkingspraktijken.

Amerikaanse bedrijven hebben nu bijna 500 miljard dollar winst opgepot in Nederland. Méér dan in Bermuda of Zwitserland. Nederland loopt elk jaar ruim 7 miljard euro mis aan belastingontwijking. De hele EU loopt 100 miljard euro mis. Dankzij het vriendelijke Nederlandse belastingregime betaalde bijv. Google in 2014 over ruim 10 miljard Europese inkomsten nog geen drie miljoen euro belasting. Ook ontwikkelingslanden lopen 100 miljard euro mis. Dat staat in het rapport Tax Battles van Oxfam Novib uit 2016. Lang heeft minister Dijsselbloem namens de regering ontkent dat Nederland een belastingparadijs was. Maar na de Panama Papers in voorjaar 2016 werd toegegeven dat ons land een onderdeel van het probleem is, maar dat het nu onderdeel zou gaan uitmaken van de oplossing. In december 2016 verscheen echter het in opdracht van de FNV opgestelde rapport Survival of the Richest van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO), waaruit bleek dat Nederland vorig jaar nog steeds 236 ‘sweetheart tax deals’ sloot, geheime afspraken met multinationals over lagere belastingtarieven. Het bleek dat 151 Nederlandse multinationals in de periode 2005-2014 meer dan 30 miljard euro minder belasting hebben betaald dan op basis van het winstbelastingtarief mocht worden aangenomen.

De EU besloot in 2016 om per 31 december 2018 een ongewenste ontwijkingsroute voor Amerikaanse multinationals te sluiten. Maar in december 2016 wist Jeroen Dijsselbloem dat besluit uit te stellen tot 1 januari 2024! En in juni 2017 werd uit een nieuw onderzoek van de FNV[22] duidelijk dat er nog steeds een groot aantal ontwijkingsroutes zijn, en dat de staat zelfs fiscaal onderzoek van multinationals financiert om deze routes in kaart te brengen. De FNV onthulde drie nieuwe routes: de Curaçaoroute, de Hongarijeroute en de Zwitserlandroute. Deze routes worden gebruikt door Ahold, Aegon, G-Star en de BCD Groep (Cheaptickets.nl, Vliegwinkel.nl en het reisbureau voor o.a. het Europees Parlement). De FNV wil dat deze routes direct gesloten worden en dat bedrijven die belasting ontwijken worden uitgesloten van aanbestedingen.

Het is een gênante vertoning. Ambtenaren en ministers bedelen om multinationals zijn Europese hoofdkantoor in Nederland wil vestigen. En dat terwijl Nederland zo hoog staat op de lijstjes die de internationale concurrentiekracht van landen in kaart brengen. Eigen kracht eerst, zou je zeggen. Maar kennelijk is dat niet genoeg. Na het gebedel komen de fiscale cadeautjes. Sinterklaas bestaat en hij heeft ook een vestigingspiet, de Netherlands Foreign Investment Agency, het NFIA. Dat is een agentschap van het ministerie van Economische Zaken dat buitenlandse investeerders en (Europese) hoofdkantoren van multinationals naar Nederland moet halen. Tot wel 80 procent korting op je reguliere belastingaanslag kun je krijgen, bleek uit een e-mail tussen honderden pagina’s documenten die NRC Handelsblad op basis van de Wet openbaarheid van bestuur overhandigd kreeg. De NIFA vergoedde tot voor kort zelfs de fiscale advieskosten van bedrijven die hier een vestiging overwegen. De Tweede Kamer heeft in 2017 uitgesproken dat dat laatste niet meer mocht. Zoals de Kamer eerder per motie uitsprak dat Nederland geen belastingparadijs mag heten.

Onze reputatie als een vestigingsplaats waar je zaken kunt doen met de fiscus, is alom bekend. Die fiscale voordelen zijn binnen Europa de logische instrumenten in de concurrentiestrijd tussen kleine en grote landen. De grote, zoals Duitsland en Frankrijk, hebben een natuurlijk overwicht. Een grotere thuismarkt, dus een groter aanbod van werknemers en hoger-opgeleiden, en een markt met meer consumenten. Kleine landen (België, Luxemburg, Zwitserland, Ierland, Nederland) verweren zich traditioneel met een liberaal belastingregime. Of het bankgeheim. Of beide.

Een vergelijkbaar moeizame omgang met de fiscale praktijk zie je in de relatie tussen de NS en het ministerie van Financiën als enig aandeelhouder van de Spoorwegen. De concurrentiewaakhond ACM gaf de NS in 2017 geleden een recordboete van 40,5 miljoen euro wegens marktmisbruik bij een aanbesteding in Limburg in 2014. In het besluit daarover bespreekt de ACM ook de rol van een financieringsmaatschappij van de NS in Ierland bij de aanbesteding. De NS gebruikt deze Ierse maatschappij om zijn Nederlandse belastingen te drukken. Zonder deze Ierse dochter was het bod van de NS op de aanbesteding onhaalbaar. Op het moment dat de NS de aanbesteding bijna klaar had, liet het ministerie van Financiën telefonisch weten dat de Ierse financieringsdochter moet worden opgedoekt. Consternatie bij de NS. Wat te doen? Druk overleg en mailverkeer volgt. Aan het eind van de rit wijzigt de NS het bod in Limburg niet, maakt het ministerie geen bezwaar tegen de Ierse fiscale route en wordt de telefonische opdracht om de Ierse dochter te ontmantelen ook niet schriftelijk bevestigd. Pas ná de Limburgse aanbesteding komen er nieuwe afspraken over de Ierse belastingroute.

De belastinggrondslag in Nederland zelf is ernstig aangetast. Belastingontwijking door bedrijven en ontduiking door particulieren, kost de Nederlandse economie miljarden euro’s per jaar. In Nederland gevestigde multinationals kiezen verschillende routes om de fiscus te omzeilen. De kern van bijna al deze routes is dat multinationals hun winsten verschuiven naar landen waar die niet of nauwelijks worden belast. Dit kost onze schatkist miljarden euro’s per jaar. Hoogleraar belastingrecht Geerten Michielse kwam in 2009 met de volgende schatting: in de jaren 80 liep onze schatkist hierdoor ca. €2 mld. mis, in de jaren 90 ca. €4 mld. per jaar en vanaf 2003 loopt dit exponentieel op tot gemiddeld ca. €15 mld. per jaar in 2007. Per saldo betekent dit dat ieder Nederlands huishouden per jaar €2000 extra belasting betaalt om dit lek te dichten. Grote bedrijven ontwijken met internationale fiscale constructies de fiscus terwijl het MKB het volle pond aan vennootschapsbelasting betaalt.

Ook worden overnames (Corus, HEMA, Douwe Egberts etc.) van Nederlandse bedrijven door buitenlandse bedrijven voor een groot deel door de Nederlandse belastingbetaler gesubsidieerd. Net als bij de hypotheekrenteaftrek, konden bedrijven de rente van een lening om een overname te financieren tot voor kort volledig aftrekken. Dit soort overnames van Nederlandse bedrijven door buitenlandse ondernemingen leidt in het buitenland tot politieke beroering. In Nederland blijft het politiek opvallend stil.

De olifant in de kamer is dus dat het steeds makkelijker werd om belasting te ontduiken.[23] Een hele industrie van Luxemburgse vermogensadviseurs, Zwitserse bankiers en Panamese advocaten heeft de drempel tot belastingfraude in de afgelopen decennia steeds verder verlaagd. De opbrengsten werden hoe langer hoe groter, en de risico’s steeds kleiner. Recent verscheen er een fascinerend onderzoek van de economen Annette Alstadsæter, Niels Johannesen en Gabriel Zucman dat laat zien hoe belangrijk het meerekenen van zulk vermogen is. Zelfs voor een egalitair land als Noorwegen. Het drietal gebruikte de Panama Papers, Swiss Leaks en Noorse belastinggegevens om de ontduiking aan de top in te schatten. Het is natuurlijk geen verrassing dat rijke Noren veel vaker in belastinglekken als de Panama Papers en Swiss Leaks voorkomen dan de huis-tuin-en-keuken-Noor. En dus neemt de ongelijkheid enorm toe zodra we dit verborgen vermogen meerekenen. Het economendrietal schat dat de rijkste 0,1 procent van de Noren niet 8,5 procent maar 12,7 procent van het totale vermogen bezit. Daarmee is bijna de helft van de afname in vermogensongelijkheid sinds de Tweede Wereldoorlog in één klap verdwenen. En vergis je niet: belasting ontduiken is niet een uniek Noorse volkssport. Sinds 2009 heeft de Nederlandse overheid een inkeerregeling, waardoor belastingontduikers boetevrij alsnog hun zwart gespaarde vermogen kunnen aangeven bij de Belastingdienst. Tussen 2009 en 2014 kwam hierdoor al ruim negen miljard euro aan verborgen vermogen aan het licht. Je kunt ervan uitgaan dat er nog heel wat types zijn, die angstvallig proberen hun vermogen verborgen te houden. Wat in ieder geval duidelijk is: de ongelijkheid is groter dan we denken, omdat vooral de rijkste inkomensgroepen veel verzwijgen voor de Belastingdienst.

De zeer vermogende particulieren (zvp’ers) maken net als multinationals op grote schaal gebruik van complexe belastingconstructies. Eén op de tien miljonairs overweegt Nederland om fiscale redenen te verlaten, blijkt uit onderzoek van de Van Lanschot Bankiers. Ze verhuizen vaak naar België, London of Monaco. Of ze verhuizen hun vermogen naar Zwitserland, Singapore of Hong Kong, omdat daar geen of zeer weinig vermogensbelasting wordt geheven. Een andere mogelijkheid is dat zvp’ers hun vermogen via verschillende routes uiteindelijk stallen in een trust in een belastingparadijs. Daarmee ontduikt de zvp’er de box 3-heffing, 30 procent over een fictief rendement van 4 procent. Voor het faciliteren van deze vormen van belastingontwijking hebben Credit Suisse, UBS en Wegelin recent voor miljarden dollars aan de Amerikaanse belastingdienst moeten terugbetalen. In ons land wordt nog steeds te weinig gedaan om belastingontwijking aan te pakken, ook uit angst dat dit de reputatie van ons vestigingsklimaat aantast. Hiermee bijt Nederland zichzelf in de staart. Vast staat dat rijke Nederlanders en grote Nederlandse multinationals gebruik maken van diverse routes om belasting te ontwijken, of in sommige gevallen zelfs illegaal te ontduiken. Vast staat ook dat daardoor de belastinggrondslag in ontwikkelingslanden uitgehold wordt.

Multinationals ontwijken massaal belasting in ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd snakken arme landen naar belastinginkomsten. Het uitbannen van armoede in de wereld, kan niet zonder wereldwijde herverdeling van inkomens. Ook bij het International Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank begint dat besef door te dringen. Overheden wereldwijd verkleinen tekorten liever met de btw dan met de vennootschapsbelasting. In Nederland is in 2001 de vermogensbelasting voor rijke spaarders flink omlaaggegaan en in 2010 ging ook de erfbelasting naar beneden. Door deze politiek wordt het private vermogen nu slechts beperkt belast. De effectieve belasting op bedrijfswinsten is zeer gering en wordt, zonder noemenswaardig politiek debat, steeds verder teruggebracht. Dat vergroot de ongelijkheid omdat bedrijfswinsten voor een groot deel terechtkomen bij de rijkste particulieren, die veruit de meeste aandelen bezitten.

Internationale belastingconcurrentie en –ontduiking leidt ertoe dat grote bedrijven en kapitaal steeds minder belast worden. De ophopende kapitalen bij tropische belastingparadijzen verstoren de economische kringloop en veroorzaken zeepbellen op de internationale kapitaalmarkten.

Nederland is internationaal kampioen in het faciliteren van belastingontwijking. Per jaar stroomt er een schier onwaarschijnlijk bedrag van € 4000 miljard door Nederlandse brievenbusfirma’s, meer dan in welk land dan ook. Brievenbusbedrijven moeten worden bestreden – bij voorrang die van Russische ondernemingen en oligarchen die op de sanctielijst staan of daarmee indirect zijn verbonden zoals Gazprom, en van de bedrijven en personen die de Griekse belastingen vermijden.

Onderzoek laat zien dat deze zogenaamde ‘investeringen’ over het algemeen alleen gericht zijn op het doorsluizen van geld, de reële waarde die aan de Nederlandse economie wordt toegevoegd is verwaarloosbaar. Ontwikkelingslanden verliezen ongeveer anderhalf keer zoveel geld aan belastingontwijking en –ontduiking als ze aan hulpgelden ontvangen. Belastingontwijking en –ontduiking kost de EU-landen zelf nu gezamenlijk zo’n € 1000 miljard per jaar. Voor Nederland loopt dat bedrag op tot zo’n € 30 miljard per jaar: zo’n eenderde van ons totale budget voor gezondheidszorg en bijna tien keer het budget van ontwikkelingssamenwerking; tegen een geschatte opbrengst van slechts € 0,5 tot € 1,5 miljard per jaar. Volgens de Stichting Economisch Onderzoek hebben slechts 3500 mensen in Nederland hun baan te danken aan dit voor multinationals uiterst gunstige belastingklimaat. Tachtig van de honderd grootste ondernemingen ter wereld hebben inmiddels in ons land vennootschappen om hun inkomsten zo belastingvrij mogelijk door te geleiden.

Starbucks is een goed en bekend voorbeeld hoe die belastingontwijking in zijn werk gaat. Deze onderneming heeft in Nederland een grote koffiebranderij staan, die op jaarbasis een omzet heeft van honderden miljoenen euro’s, met daarop een aanzienlijke winst. Er wordt door Starbucks een verdwijntruc op deze winst toegepast door zgn. royalty’s af te dragen aan een BV in het Verenigd Koninkrijk. Deze royalty’s zijn een vergoeding voor het gebruiken van het recept voor het maken van ‘echte’ Starbuckskoffie. Deze royalty’s mogen worden afgetrokken van de winst en alleen over het resterende bedrag behoeft Starbucks koffie te betalen. Daardoor kan Starbucks de winst stelselmatig drukken en betaalt zij maar zo’n 5% belasting over deze winst, in plaats van 25%. De Belastingdienst heeft deze praktijk goedgekeurd met een zgn. ruling. Het is dus niet onrechtmatig, maar wel uiterst onrechtvaardig.

De FNV schat de gemiste jaarlijkse inkomsten op 6 miljard euro aan directe belastingfraude, 2 miljard euro aan oninbare belastingschulden en naar schatting 30 miljard door onvoldoende grip op de informele economie. Deze gemiste inkomsten worden ook wel de tax-gap genoemd. De afgelopen jaren is gevraagd om inzicht in de omvang van de tax-gap in Nederland, maar het kabinet weigert tot nu toe de omvang van de tax-gap te berekenen. In diverse andere Europese landen wordt het berekenen van de tax-gap gebruikt wordt om een optimale omvang van de belastingdienst te kunnen vaststellen. Uit een Engelse studie naar de tax-gap voor alle Europese landen blijkt dat Nederland rond de 30 miljard euro per jaar misloopt.

Voor een goed functionerend belastingstelsel is het van groot belang dat de belastingmoraal hoog blijft. Nu 85% van de bevolking het idee heeft dat zijzelf meer betalen doordat anderen frauderen met belastingen of belastingen ontwijken, is het noodzakelijk om dit stevig en snel aan te pakken. Anders daalt de belastingmoraal, met alle gevolgen van dien. Naar aanleiding van het rapport ‘Miljarden voor het oprapen’ onder medewerkers van de Belastingdienst heeft het vorige kabinet in zijn regeerakkoord vastgelegd extra te willen investeren in controles. Maar door extra bezuinigingen op de publieke sector, waaronder de belastingdienst, werd onder Rutte II per saldo juist bezuinigd op het personeel en de kwaliteit van de belastingdienst. Tegelijkertijd neemt het aantal ingewikkelde bedrijfsaangiftes steeds verder toe. Telde Nederland aan het eind van de vorige eeuw 300.000 ondernemingen, vandaag de dag zijn dat er 1,2 miljoen, vier keer zo veel. Aangiftes van ondernemingen worden daarom gemiddeld nog maar eens in de 40 à 50 jaar gecontroleerd. Belastingdienstmedewerkers geven aan dat er nog steeds miljarden voor het oprapen liggen als er meer mensen zijn om het werk te doen. Door de aanhoudende bezuinigingen wordt de naleving van en daarmee het vertrouwen in het huidige belastingstelsel ondermijnd. Binnen een nieuw belastingstelsel moet dat echt anders. Goede naleving levert draagvlak en inkomsten op.

Het bieden van belastingvoordelen voor bedrijven zorgt voor een onwenselijke herverdeling van publieke naar private actoren en van het MKB naar de multinationals. De zwaarste schouders met de meest vernuftige belastingadviseurs dragen de lichtste lasten, zo betoogt Roos van Os, senior onderzoeker bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen in S&D van juni 2015. Zij constateert moreel gezwalk bij onze politici op dit thema en concludeert dat ondanks veel lippendienst effectieve maatregelen tot nu toe uitblijven. Het laten voortduren van ontduiking van belastingen is een immorele keuze die de ongelijkheid internationaal en nationaal sterk doet toenemen. Roos van Os kenschetst de situatie door Nederland een pretpark voor het grootkapitaal te noemen.

Een concrete en meetbare aanpak van belastingontwijking en -ontduiking door multinationals en superrijken moet een belangrijk onderdeel vormen van de belastingherziening. Volgens voormalig FIOD-rechercheur Jan van Koningsveld (gepromoveerd op offshore-vennootschappen, gehoord door de parlementaire commissie financiële constructies) brengen vermogende Nederlanders naar schatting 150 miljard euro onder in belastingparadijzen. Om belastingfraude tegen te gaan moet flink geïnvesteerd worden in de kwaliteit en capaciteit van de Belastingdienst. Daar is nu onvoldoende capaciteit om te controleren of bedrijven en huishoudens zich aan de belastingregels houden.

Eerlijke verduurzaming

Bij ongewijzigd beleid betalen huishoudens met lage inkomens ruim 5% van hun inkomen aan klimaatbeleid en de hoogste inkomens slechts 1,5%. De laagste inkomens betalen percentueel drie keer zoveel als de hoogste inkomens. Ook komt 80% van de verduurzamingssubsidies terecht bij de hoogste inkomens.

Voorts blijkt dat het vooral de bedrijven zijn die het meest profiteren van het geld dat beschikbaar is voor het klimaat. Zij ontvangen zo’n 2 miljard euro. De huishoudens ontvangen 750 miljoen euro, waarvan 80% terechtkomt bij de hogere inkomens en slechts 20% bij de laagste inkomens. Dat komt omdat hogere inkomens meer profiteren van bijvoorbeeld subsidie voor elektrische auto’s en verduurzaming van hun (eigen) woning. De klimaatvoornemens van Rutte III zullen de lasten voor de laagste inkomens doen toenemen tot 6,2% van hun besteedbaar inkomen. Voor huishoudens die tussen 71.000 en 89.000 euro verdienen wordt dat 1,5%, een stijging van slechts 0,4%. Dat maakt de ongelijkheid in besteedbare inkomens dus groter. Bij ongewijzigd beleid zullen de kosten van het klimaatbeleid in 2050 voor de laagste inkomens toenemen tot ruim 17% van hun besteedbaar inkomen!

De lastenverdeling van de verduurzaming, die het kabinet Rutte III in het verlengde hiervan voorstelt, is erg onrechtvaardig. De lusten van de enorme omslag naar een duurzame economie komen vooral bij de hogere inkomens terecht, terwijl de lasten van duurdere energie vooral de lage inkomens treft, die de investeringskosten niet kunnen dragen en de bevoegdheid vaak missen om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Zo wordt in het regeerakkoord de huursector vergeten. Beseft moet worden dat de gemiddelde huurder een groter deel van het inkomen aan energie kwijt is dan de gemiddelde koper. In dat licht is ook de € 300 miljoen voor verbetering van coöperatiebezit natuurlijk volstrekt ineffectief en werkt contraproductief om bij de ‘gewone Nederlander’ draagvlak te krijgen voor de verduurzaming.

Het Nederlandse bedrijfsleven betaalt op dit moment weinig voor verduurzaming van de energievoorziening. Wel ontvangt het blijkens een rapport van onderzoeksinstituut CE-Delft uit maart 2017 driekwart van alle subsidies (!). Van de subsidies op duurzaamheid gaat driekwart naar de welgestelden, becijferde het onderzoeksinstituut CE Delft. Zonnepanelen, zuinige auto’s, groen beleggen, warmtepompen, allemaal zaken waar de overheid een centje bijlegt. De mensen met een kleinere beurs krijgen via hun woningbouwvereniging een bescheiden bijdrage in de energiekosten. In die kosten zit het spectaculaire verschil.

In 2018 gaat de energierekening voor de burger er volgens het ministerie van Economische Zaken met 70 euro omhoog. De verklaring luidt dat we minder gas en elektriciteit gebruiken dan verwacht. Dat komt doordat de verduurzaming sneller gaat dan men dacht, en dat is mooi. Daardoor komt er wel minder belastinggeld binnen dan verhoopt, en dat moet worden goedgemaakt door de heffing te verhogen. CE-Delft berekende dat de lasten voor de minderbedeelde huishoudens de komende decennia kunnen oplopen tot 17 procent van hun inkomen. De energieprijs voor bedrijven is de afgelopen jaren gedaald, zeker ten opzichte van andere Europese landen. Volgens voormalig minister Kamp is dat goed voor de Nederlandse concurrentiepositie, maar dat is dus concurreren op een ongelijk klimaatveld ten koste van de verduurzaming. En oneerlijk ten opzichte van gewone burgers. We willen daarom af van de lage tarieven voor grootverbruikers.

De klimaatlasten voor bedrijven zijn voorts veel minder hoog dan die voor huishoudens. Huishoudens betalen in 2021 zo’n 180 euro per ton CO2-uitstoot, meer dan alle sectoren uit het bedrijfsleven. De lichte industrie betaalt minder dan 100 euro per ton CO2, de land- en tuinbouw minder dan 50 euro en de zware industrie en energiesector zelfs minder dan 25 euro. Dat komt o.m. omdat je nu minder energiebelasting (een lager tarief) betaalt per verbruikte kilowattuur stroom of m3 gas naar mate je meer verbruikt. De laagste lasten dus voor de grootste vervuilers: het bedrijfsleven is verantwoordelijk voor 90% van de CO2-uitstoot in ons land. Het bedrijfsleven ontvangt wel 75% van alle subsidies voor duurzame energie, huishoudens maar een kwart. De energieprijs voor bedrijven is de afgelopen jaren gedaald, zeker ten opzichte van andere Europese landen. Volgens voormalig minister Kamp was dat goed voor de Nederlandse concurrentiepositie, maar dat is dus concurreren op een ongelijk klimaatveld ten koste van de verduurzaming. En oneerlijk ten opzichte van gewone burgers.

Rutte III wil energiebelasting heffen op basis van CO2-uitstoot. Grijze stroom en gas krijgen een hogere heffing en worden duurder. Groene energie juist goedkoper. Om de tarieven in verhouding tot de CO2-uitstoot beter in balans te brengen, gaan de tarieven van de eerste schijf aardgas in de energiebelasting omhoog. De tarieven in de eerste schijf voor elektriciteit gaan dan omlaag. In het regeerakkoord van Rutte III staat dat het gaat om een verandering van + 3 cent in eerste schijf aardgas, en – 0,72 cent elektriciteit. Het gevolg voor veel huishoudens op korte termijn? De energierekening wordt duurder, tenzij je zelf je energie opwekt.

Hoe kan het dat de liefhebbers van windenergie nauwelijks bijdragen aan de kosten ervan? We hebben het over een zeer pervers effect. Over de gas- en lichtrekening worden drie belastingen geheven. Energiebelasting, btw en de Opslag Duurzame Energie (ODE), die eigenlijk geen belasting mag heten. Die laatste is de boosdoener. De transitie naar een duurzame samenleving wordt zwaar gesubsidieerd, ruim 31 miljard euro, uit te geven tussen 2016 en 2032. Daarvan worden vooral windenergie, biomassa en grootschalige zonneparken betaald. De subsidie moet worden opgebracht uit de ODE. Aan het begin van de regeling, in 2013, kostte die per huishouden maar een paar euro, omdat er nog maar weinig gesubsidieerde energie werd opgewekt. Naarmate de duurzame energieproductie op stoom komt, gaat de ODE rap mee omhoog. In 2017 was het per huishouden 60 euro, over drie jaar is het 200 euro. En zo loopt het verder op.

Het gaat mis vanwege de zonnepanelen op het dak. Die zijn zo’n groot succes dat het ministerie van Financiën in de jongste Miljoenennota (voor 2018) het voorhoofd fronst. De afgelopen jaren verdubbelde het aantal zonnepanelen bijna jaarlijks. In 2015 liep het Rijk 80 miljoen belastingopbrengst mis. Dat worden dus honderden miljoenen. Immers, hoe meer zonnepanelen, hoe minder elektriciteit u afneemt, des te minder belasting u betaalt. Het beroemde streven van ‘nul op de meter’, zowel gas als licht, betekent dat er nul euro energiebelasting, btw en vooral ODE wordt afgedragen.

Die tekorten beginnen nu te bijten. De huishoudens die niet energetisch zelfkazen, zullen steeds meer betalen voor de transitie. De grootste windmolenliefhebbers zijn de mensen die hun eigen energie opwekken, en dus steeds minder meebetalen. Het perverse effect gaat nog verder: hoe duurder de duurzaamheidsopslag de komende jaren wordt, des te sneller verdient u de zonnepanelen op het dak terug.

Drie à vier jaar wordt de terugverdientijd van zonnepanelen. Nog meer mensen zullen zonnepanelen plaatsen omdat ze geen dief van hun eigen portemonnee willen zijn. En de rekening van de transitie komt terecht bij de mensen die geen eigen dak hebben om panelen op te leggen, die hun huis huren, of die niet zomaar een paar duizend euro kunnen ophoesten. In Duitsland hakken ze al langer met dit bijltje en zei vakbondsvoorzitter Vassiliadis laatst in Die Welt dat ‘de Energiewende de elite een goed geweten én een goede opbrengst heeft opgeleverd. Dat is een combinatie die echt power heeft.’ In een brief aan de Kamer schreef minister Kamp in 2017 ‘dat ODE en energiebelasting bij een steeds kleinere groep moet worden opgehaald. Dit zou (…) op termijn mogelijk een risico kunnen vormen voor draagvlak en solidariteit voor de energietransitie.’ Let wel, solidariteit van arm met rijk.

Verduurzaming kan niet zonder het winnen van de hearts & minds van de bevolking. Het gaat om het actief stimuleren door de overheid van een mentaliteitsverandering wat betreft het belang van economie ten opzichte van het belang van de natuurlijke omgeving, van het maken van andere consumptiekeuzes, van – vaak ook – vermindering van productie en consumptie, en van kennis en bewustwording over de impact (ecologische footprint) van de eigen consumptie. Om voldoende publiek draagvlak te scheppen voor de zeer ambitieuze doelstellingen en de daarmee samenhangende publieke offers is het noodzakelijk dat lagere inkomens ook kunnen profiteren van de energietransitie en zeker niet de rekening krijgen gepresenteerd, zoals nu dreigt met de manier waarop de Subsidie Duurzame Energie (SDE+) wordt gefinancierd – met de Omslag Duurzame Energie.

Voorkomen moet worden dat duurzaamheid de hobby wordt van de rijken worden, gefinancierd door de minder bedeelden in onze maatschappij. Iedereen moet kunnen profiteren, dan kunnen we ook van iedereen offers vragen. Denivellerende bijeffecten van duurzaamheid moeten te allen tijde krachtig worden blootgelegd en bestreden. Duurzaamheid is niet een zaak van “het establishment” of “de elite”. Het moet een zaak van alle Nederlanders zijn. Er ontstaat nu een nieuwe tweedeling, de duurzamen versus de onduurzamen. Die laatste groep ontstaat door gebrek aan overheidsbeleid, dat erop gericht is de maatschappelijk minder bedeelde groepen in het proces mee te nemen en mee te laten profiteren, niet alleen maar bijdragen. Doe je dat niet dan zien zij de ongelijkheid juist toenemen door verduurzaming, en zal men dus ook steeds cynischer worden over het verduurzamingsbeleid. Alleen de energietransitie al betekent dat als we de rekening daarvan niet herverdelen, de modale burger driemaal zoveel geld kwijt is. Terwijl de kosten van elektriciteitsproducenten dalen (bron: onderzoek CE Delft, 2017). In Duitsland werden sinds 2011, toen daar de energiewende begon jaarlijks circa 300.000 huishoudens afgesloten omdat ze hun rekening niet meer konden betalen.

Belasting moet vervuiling en vervuilers belasten en duurzaam gedrag belonen. En ook moeten we zorgen voor een eerlijke verdeling van lusten en lasten van verduurzaming. Dit kunnen we doen in de fiscale en beprijzingsfeer doen.

Omzetbelasting moeten we daarbij mede als instrument inzetten. Hogere omzetbelasting in ruil voor lagere inkomstenbelasting is goed voor de economische groei en de groei van de werkgelegenheid, maar dan moet het wel gaan om duurzame groei. Dat vraagt om differentiatie in tarieven met aanzienlijke bevoordeling van duurzame en gezonde productie en distributie.

Contouren van een ander, eerlijk belastingstelsel

We voeren een eerlijker belastingstelsel in, waarin lasten op arbeid niet meer zwaarder zijn dan die op kapitaal en veel meer de zwaarste lasten op de sterkste schouders laat neerkomen. Een nieuw, eerlijk en sociaal belastingstelsel zorgt voor meer gelijkheid in inkomen, bezit en vermogen, voor meer banen, en voorkomt fraude, belastingontwijking én schulden door veel eenvoudiger te zijn én draagt bij aan een eerlijke verduurzaming van onze economie.

In de eerste plaats gaan we niet minder tariefgroepen (een tweetaks zoals Rutte III wil of zelfs een vlaktax: iedereen hetzelfde tarief) maar juist meer tariefgroepen invoeren. De laagste inkomens, bijv. tot 20.000 euro, betalen daarbij niets. En het hoogste tarief (bijv. 80%, conform de aanbeveling van Piketty) reserveren we voor de echt hoogste inkomens, bijv. vanaf 1 miljoen euro. In de successierechten (erfenisbelasting) verhogen we de tarieven voor kinderen (niet voor partners) met grote erfenissen en verlagen we die voor kleine erfenissen.

We voeren in plaats van de Participatiewet een gegarandeerd basisinkomen[24] in, een negatieve inkomstenbelasting voor iedereen die onder het sociaal minimum komt. Verdien je niet genoeg om boven de armoedegrens uit te komen? Dan maak je geen geld over naar de Belastingdienst, maar maakt de Belastingdienst geld over naar jou. Op die manier kunnen we een keiharde vloer in de economie bouwen. Iedereen die onder de armoedegrens zakt, of je nu een baan hebt of niet, wordt daar onvoorwaardelijk – zonder sollicitatieplicht of tegenprestatie – bovenuit getild. Een leven zonder armoede wordt een recht in plaats van een gunst. Een gegarandeerd basisinkomen is een regelarme uitkeringen van 70% van het minimumloon (dat we onder ad 1 al met zo’n 10% willen verhogen), we komen dan ongeveer op 1200 euro per maand netto (plus vakantiegeld) zonder kortingen en zonder wachttijden, zonder verplichtingen en verboden. De tegenprestatie wordt geschrapt. Kinderen en partners moeten gewoon in huis kunnen wonen. Wel blijft er een aparte norm voor een gezamenlijk huishouden (1600 euro netto) – het is niet redelijk en nodig, maar wel onnodig belastingdruk verhogend, om ook de partner van een veelverdiener een inkomensaanvulling te geven. De enige toets is of men als huishouden niet teveel inkomen en/of vermogen heeft (waarbij de eigen woning en een redelijke franchise worden vrijgesteld), en men Nederlander (of daarmee gelijkgesteld is) en ouder is dan 17 jaar.[25]

Voor mensen die meer gaan verdienen nemen we het gegarandeerde basisinkomen niet meteen weg, maar faseren we het geleidelijk uit (met een marginaal belastingtarief van bijvoorbeeld 30, 40 of 50 procent, waardoor werken altijd blijft lonen). Kleine baantjes leiden vaak tot meer werk, maar dan moet je ze in het begin niet te zwaar belasten. En er is geen risico dat je je inkomenszekerheid via het gegarandeerd basisinkomen verliest na een tijdje werk.

Ook kunstenaars, ondernemers, werkenden en mantelzorgers kunnen gebruik maken van het gegarandeerd basisinkomen. En studenten, mensen met een arbeidsbeperking, gepensioneerden en nabestaanden. De Participatiewet, de Wajong, de ANW, de AOW en de studiefinanciering vervallen. Uiteraard blijven de werknemersverzekeringen (zoals WW, WIA, Ziektewet, verplichtstelling aanvullende pensioenen) in stand. Hiermee wordt een aanzienlijke vereenvoudiging en dito besparing in uitvoerings- en controlekosten bereikt.

Meer tariefgroepen is de enige van de hier voorgestelde veranderingen die niet bijdraagt aan vereenvoudiging, maar deze is wel eenvoudig uitvoerbaar en handhaafbaar. Voor het overige is het devies: keep it simple, om belastingontwijking en strategisch belastinggedrag én schulden te voorkomen. Belastingadviseurs en fiscalisten worden overbodig, maar we hebben genoeg ander, maatschappelijk wel nuttig werk voor hen in de aanbieding.

In de tweede plaats schaffen we in beginsel alle aftrekposten, vrijstellingen (behalve een aantal franchises voor laag inkomen en vermogen, zoals voor kleine spaarders, een normale woning en kleine erfenissen) en uitstelmogelijkheden af, en we gaan alle inkomens, ongeacht de bron, gelijk behandelen, of het nu inkomen uit arbeid, uit vastgoed uit aandelen, uit winst op onderneming of winst uit een aanmerkelijk belang is. Kapitaalinkomen wordt dan net zo zwaarbelast als arbeidsinkomen. Dit betekent dat het huidige systeem met boxen kan vervallen, hetgeen een belangrijke vereenvoudiging en daarmee ook sterk verminderde kans op belastingontwijking betekent.

Bij het kapitaalinkomen vervangen we het fictief rendement door het werkelijk genoten kapitaalinkomen als grondslag voor belastingheffing. In beginsel willen we blijven uitgaan van een heffing op het rendement op vermogen en niet op het vermogen zelf. Maar dan moeten we wel de huidige vrijstellingen voor het eigen bedrijf, de eigen woning en het pensioenvermogen in de derde pijler schrappen. Die vrijstellingen geven nu teveel aanleiding tot oneigenlijk gebruik (bijv. door inkomen uit vermogen oneindig uit te stellen of met vermogenstransacties belastingheffing te voorkomen) en dragen zeer bij tot de groei van de inkomens- en vermogensongelijkheid.

Wat betreft de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek en het eigen woningforfait, en van de vrijstelling van de eigen woning bij kapitaalinkomen: hiervoor is wel een overgangsregime nodig. Lopende hypotheken en nieuwe hypotheken op bestaand bezit worden ontzien, met uitzondering van hypotheken boven bijv. vijf ton. Ook moet er wel eerst voldoende nieuwe huurwoningen beschikbaar komen.

Tegelijkertijd verhogen we de subsidie aan huurders, waarbij de huurtoeslag vervangen wordt door lagere huren met de huurquotaregeling. Daarin worden de gesubsidieerde huren gekoppeld aan inkomensgrenzen zoals dat ook met hypotheken gebeurt. Dan kan de huurtoeslag ingeruild worden door lagere huren. Voor huurders moet dat netto in meer besteedbaar inkomen resulteren. Wij zijn voor een zodanig huurprijsbeleid dat er voor inkomens waar nu de huurtoeslag voor geldt een maximum huurquote komt – een maximum deel van je netto inkomen dat aan huur kan worden besteed. Daarbij kan worden aangesloten bij de berekeningsmethodiek van het NIBUD. Daarmee wordt rekening gehouden met inkomen en de samenstelling van het huishouden. In de praktijk betekent dit dat de huur van een sociale huurwoning nooit meer dan 25-30% is van je netto inkomen. De liberalisatiegrens in de huursector vervalt, waardoor de huurprijsbescherming wordt uitgebreid naar alle inkomens en sociale woningbouwcoöperaties ook voor middeninkomens mogen bouwen. De WOZ-waarde wordt uit het woningwaarderingsstelsel geschrapt. De verhuurdersheffing wordt vervangen door een investeringsplicht.

Ook buiten de hypotheken moeten we stoppen met iedere fiscale subsidiëring van schulden. Dus geen aftrekposten meer voor kosten en rente van leningen.

De regel dat pensioenen alleen belast wordt bij de premieheffing, niet bij de uitkering, blijft voor collectieve pensioenen gehandhaafd. Wel vervalt de pensioenpremieaftrek voor private pensioenen (3e pijler).

In het huidige stelsel hebben de fiscale partners de vrijheid de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen naar eigen inzicht te verdelen over de respectievelijke aangiftes. In het nieuwe stelsel worden de inkomsten uit vermogen 50/50 over de fiscale partners verdeeld en opgeteld bij hun individuele inkomsten uit arbeid. Ook dit helpt om belastingontwijking te voorkomen. En het vermindert de ongelijkheid met éénverdienershuishoudens, evenals de hiervoor bepleitte afschaffing van aftrekposten.

Voorts schaffen we aparte premieheffing voor de volksverzekeringen (zoals de AOW, de ANW, de WLZ (Wet langdurige zorg) en de ZVW, de zorgverzekeringswet) af. Renteniers, dus mensen met alleen inkomen in box 3, worden in het huidige stelsel vrijgesteld van het betalen van deze premies, terwijl er wel recht bestaat op deze zeer kostbare voorzieningen. Door deze premies te vervangen door financiering via de belastingen, gaan zij ook naar draagkracht meebetalen. Dit betekent ook dat arbeid niet meer met deze premieheffingen apart belast wordt. Hiermee wordt tevens de AOW (c.q. het daarvoor in de plaats komende gegarandeerde basisinkomen) volledig gefiscaliseerd. Voor wat betreft de gevolgen voor de zorgverzekeringen zie verderop in dit betoog).

Ook schaffen we de huidige persoonsgebonden toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden regelingen) af. In plaats daarvan gaan we de individuele kosten van huren drastisch verlagen zoals hierboven aangegeven en die van de zorg en de kinderopvang zelfs op nul brengen. Eigen bijdragen, het eigen risico en individuele premies worden geschrapt. Zorg en kinderopvang worden volledig collectief en publiek gefinancierd uit de algemene middelen van de Staat. De kinderbijslag wordt geschrapt, in combinatie met verhoging van de lonen, het minimumloon en het daaraan gekoppelde sociaal minimum, en van het besteedbare inkomen door verlaging van belasting voor de lagere inkomens en het schrappen c.q. verlagen van individuele kosten voor zorg, kinderopvang, onderwijs en huur. Er komt één nieuwe toeslag voor terug: we vervangen de huidige arbeidsaftrek door een arbeidstoeslag voor werkenden in loondienst met de laagste inkomens. Ook deze arbeidstoeslag wordt verstrekt in de vorm van een uitkering van de belastingdienst. Werk gaat daardoor aan de onderkant van het loongebouw meer lonen voor de werknemer. Deze arbeidstoeslag wordt automatisch uitgekeerd, dus geen aanvraagprocedure. Uitgegaan wordt van de loongegevens die opgegeven worden door de werkgever. De werkgever is aansprakelijk bij onjuiste of niet tijdige verstrekking.

Wij gaan de erfbelasting (successierechten) eerlijker maken met een substantieel hogere erfenisbelasting (niet tussen partners, maar tussen generaties) met 29%, conform de kansspelbelasting voor zeer grote erfenissen boven de 1 miljoen euro en een gelijktijdige verhoging van de vrijstellingen aan de voet voor kinderen verhogen naar € 30.000 (nu iets meer dan €20.000). We schrappen de huidige mogelijkheid om belastingvrij een ton te schenken aan huizen-kopende kinderen. Verder dient er onderzocht te worden hoe kan worden voorkomen dat mensen die een grote erfenis nalaten geen erfbelasting betalen, waarna er actie kan worden ondernomen om dit tegen te gaan. Om onnodige belastingschulden te voorkomen dient de erfbelasting standaard pas te worden betaald als de erfenis is ontvangen.

De werkgeverslasten willen we radicaal met name voor laaggeschoolde banen omlaag brengen door de franchise (vaste korting per werknemer) in de grondslag voor werkgeverslasten te verhogen (gedifferentieerd hoger voor laaggeschoolde arbeid) zodat bedrijven met meer werknemers een relatief voordeel genieten ten opzichte van kapitaalintensieve bedrijven. Geld niet benutten voor investeringen die ook meer en beter werk opleveren wordt zo zeer onvoordelig gemaakt.

Volgens de directeur van werkgeversorganisatie AWVN is het mogelijk om hiermee zelfs 250.000 banen te creëren aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Denk aan computerhulp aan huis, de piccolo terug in hotels, baliefuncties in de zakelijke dienstverlening. Geld niet benutten voor investeringen die ook meer en beter werk opleveren wordt zeer onvoordelig gemaakt. Tegelijkertijd belasten we het vele, nu nutteloos wachtende kapitaal veel zwaarder (zie hieronder). Het bestaande LIV (Lage Inkomens Voordeel, een loonsubsidie aan werkgevers voor banen met een laag loon) vervalt.

Daarnaast gaan we de duur van de WW-uitkering koppelen aan de conjunctuur: de maximale duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur. De maximale duur wordt weer drie jaar. Werknemers worden zo beter beschermd als het risico op werkloosheid hoger is. En we gaan premiedifferentiatie instellen in de WW-premies, waarbij werkgevers die grote aantallen werknemers de WW insturen meer premie betalen. De financiële verantwoordelijkheid voor het eerste halfjaar van de WW wordt volledig bij werkgevers gelegd. Hierdoor worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers. Ontslaan wordt kostbaarder en dus ontmoedigd. Er zal structureel extra werkgelegenheid zijn, zonder extra overheidskosten.

We maken voorts nieuwe banen voor laaggeschoolden met fiscaal voordelige dienstencheques. Een dienstencheque is een waardebon waarmee particulieren op een belastingvriendelijke manier huishoudelijke diensten kunnen kopen. Dienstencheques zijn vooral bekend in België waar ze behoorlijk succesvol zijn: zo’n 140.000 mensen werken daar nu op basis van inkomsten van dienstencheques. Ze hebben tot doel laaggeschoolden werk te laten doen dat daarvoor vaak zwart werd gedaan. Werknemers (én hun opdrachtgevers) betalen dan geen belasting, maar hebben ook geen sociale zekerheid en pensioen. Boven op het belastingvoordeel voor de klant, subsidieert de overheid het dienstenchequesysteem door de aangesloten bedrijven extra te vergoeden voor elke binnengebrachte dienstencheque. Op deze manier kan het erkende dienstenchequebedrijf de huishoudhulpen een vast contract voor bepaalde of onbepaalde duur bieden. Het dienstenchequebedrijf betaalt het loon en vakantiegeld, vergoeding tijdens ziekte, een arbeidsongevallenverzekering, etc. Met dit systeem zorgen we voor meer banen voor betere persoonlijke dienstverlening, zowel in de private als publieke sector. Bij persoonlijke dienstverlening kan je denken aan huishoudelijke hulp, wassen, strijken, boodschappen doen, het bereiden van maaltijden, kleine kledingreparaties, het onderhouden van tuin en/of huisdieren, kinderoppas, tuinonderhoud, huisdierenverzorging, hulp bij verplaatsingen, etc. Nu gebeurt veel van dit werk in een omvangrijk zwart circuit.

Bij na werkloosheid herintredende ouderen (55-plus) voeren we vrijstelling van werkgeverslasten (100% in eerste jaar, 50% in tweede jaar) in.

Wij willen voorts de zogenoemde extraterritoriale (‘expat’) regeling afschaffen. Het is niet te verdedigen dat buitenlandse werknemers fors (30% van hun inkomen is nu belastingvrij)[26] minder belasting betalen dan Nederlandse. Als buitenlandse expertise schaars is, moeten werkgevers en uitzendbureaus die buitenlandse werknemers inhuren daar zelf voor betalen.

We gaan Directeur-Groot Aandeelhouders (DGA’s) veel zwaarder belasten. Zij profiteren nu ovenevenredig van vrijstellingen en andere fiscale uitzonderingen. De doelmatigheidsmarge in de gebruikelijk-loonregeling van DGA’s moet daarom worden verlaagd, van 30% naar 10%. Ook het eigen vermogen van DGA’s moet worden belast boven een bepaalde grens (bijv. eenmaal de jaaromzet) met een gelijk tarief als de inkomstenbelasting bij inkomen uit kapitaal. De aftrekposten voor auto’s, zakenetentjes, e.d. worden geschrapt. Het doorschuiven van vermogens in het successierecht voor ondernemers moet zwaarder worden aangeslagen. Een bedrijf mag natuurlijk niet kapotgaan als je het doorgeeft, doordat de fiscus langskomt. De maatvoering is nu echter uit het lood, zo is door verschillende fiscalisten al vaak geconstateerd. Er moet nu eindelijk iets aan gebeuren.

Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft. Bijv. een verhoging van de vennootschapstarieven naar 35% (nu 25%) respectievelijk 29% (nu 20%), zoals dat nog in 2001 was. Gelet op de ongelijke vermogens- en winstposities tussen het grootbedrijf en het MKB gaan we een verdere differentiatie in de tarieven ten gunste van het MKB invoeren. Het MKB verschaft meer werkgelegenheid per euro omzet dan het grootbedrijf.(Zie: https://www.ftm.nl/artikelen/cbs-onderzoek-echoot-boodschap-ez?share=1). We steunen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief, beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn tenminste net zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant.

We schrappen ook alle vrijstellingen, zoals de innovatiebox (waar multinationals te makkelijk geld maar tegen 5% kunnen laten belasten) en de deelnemersvrijstelling en voordelen met betrekking tot herstructurering van schulden en verliezen, waarmee zelfs algehele belastingvrijstelling verkregen kan worden.

We staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd 0 euro, en waarborgen een eerlijke vermogensetikettering (indien het vermogen voor het merendeel privé of voor de onderneming wordt aangewend, wordt het vermogen daar in volledigheid opgenomen).

We gaan ook een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren. De ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen (rente aftrekbaar, winsten belast) in de vennootschapsbelasting leidt tot allerlei fiscale constructies en tot overmatige schuldfinanciering. Een gelijke aftrek voor zowel eigen als vreemd vermogen haalt die perverse prikkel weg. Dit zal een domper zijn voor in Nederland gevestigde financieringsvennootschappen (‘brievenbussen’), maar juist weer gunstig voor concernfinanciering vanuit Nederland van reële investeringen. Een gelijke vermogensaftrek is bovendien relatief gunstig voor het midden- en kleinbedrijf omdat het MKB verhoudingsgewijs met veel eigen vermogen is gefinancierd.

We verhogen de bankenbelasting om bestaande hypotheken die onder water staan te saneren. Deze belasting mag niet worden doorberekend aan klanten.

Om belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan nemen we de volgende maatregelen:

-Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.

-Veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per 3 jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude ieder jaar).

-Aanscherpen van vestigingseisen multinationals (o.m. werknemers en kantoor in NL).

-Belastingverdragen met derdewereldlanden solidair maken en voorzien van antimisbruikbepaling.

-Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.

-Verscherpen van het toezicht op trustkantoren die nu werken voor brievenbusfirma’s. We saneren de sector met strenge regels en door illegale praktijken harder aan te pakken. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s en trustkantoren.

Btw- en accijnsverhogingen zijn voor ons alleen voor specifieke goederen en diensten aanvaardbaar uit oogpunt van verduurzaming van onze economie en om redenen van gezondheidspreventie. Een duurzame en gezonde leefstijl moet bevorderd worden met lage tarieven voor producten en diensten die daaraan bijdragen, en hogere tarieven voor de andere producten. Voor vlees gaat het hoge btw-tarief gelden. Ook zijn wij voorstander van het afschaffen van de aftrek van voorbelasting bij de btw voor ondernemers. Deze regeling wordt vaak oneigenlijk gebruikt, het geeft ondernemers ten opzichte van andere burgers een onredelijk voordeel, en is voor de belastingdienst uitvoeringstechnisch kostbaar en complex.

Een uitbreiding van gemeentelijke belastingen is alleen aanvaardbaar als dit de maatregelen om nationaal de belastingen eerlijker over rijk en arm te verdelen niet frustreert. Een progressieve verhoging van de OZB kan daarbij een middel zijn. Ook zijn we uit oogpunt van verduurzaming voor een differentiatie van WOZ-tarieven op basis van een dan wel beter gecertificeerd energielabel van gebouwen. Een ingezetenenheffing wijzen wij om zijn denivellerende effecten uitdrukkelijk af. Er komt een wettelijke kwijtschelding van gemeentelijke en waterschapsheffingen voor alle inkomens tot het minimumloon.

Wij willen dat de rekening en de voordelen van de energietransitie ook meer qua draagkracht verdeeld worden. Bottomline is dat de laagste en middeninkomens (tot bijv. anderhalf modaal) er met een normaal consumptie- en energieverbruik er niet op achteruit gaan. Dat kan door een hogere belastingvrije voet in de energiebelasting voor lage inkomens, door te zorgen dat sociale huurwoningen minder energielasten hebben, en door gerichte ondersteuning van lage inkomens bij verduurzaming en oprichting/deelname aan energiecoöperaties. Duurzaamheidssubsidies moeten daarnaast zo worden vormgegeven dat ze vooral bij de lage inkomens terecht komen. Ook moet er voor de mensen die nu werken in de fossiele en milieuvervuilende industrie vervangende werkgelegenheid gerealiseerd worden.

Belangrijkste maatregel is een fors hogere CO2-uitstoot beprijzing. Nu is dat maar 5 euro per ton CO2 uitstoot. Om effectief te zijn moet dat volgens het CPB naar 60 tot zelfs 300 euro per ton CO2-uitstoot. De Nederlandse CO2-emissies zullen tussen nu en 2050 moeten worden afgebouwd. Vóór het jaar 2050 zal er daarom een emissieplafond zijn hoger dan nul emissies. De opbrengsten van veilingen van emissierechten of emissieheffingen worden via een ‘klimaatbonus’ of ‘koolstofdividend’ aan lage en middeninkomens ter beschikking gesteld voor verduurzaming van woning en/of voor energiezuinige apparaten. Andere klimaatgassen, zoals methaan, worden op gelijke wijze belast.

De energiebelasting gaan we verduurzamen: Een progressieve energiebelasting naar schaal van energieconsumptie en tarieven gebaseerd op uitstoot CO₂, zodat duurzame elektriciteit niet belast wordt, met kolen opgewekte elektriciteit extra zwaar belast wordt en met aardgas opgewekte elektriciteit even zwaar belast wordt als direct gebruik van aardgas. Vervuilers/fossiel grootverbruikers veel zwaarder belasten, huishoudens lager belasten. Lage inkomens krijgen een hogere belastingvrije voet voor de energiebelasting. Huidige vrijstellingen, juist vaak van de grootste vervuilers (zoals de luchtvaart) worden afgeschaft. Tot en met anderhalf modaal wordt er een garantie gegeven dat er geen negatief financieel effect van energietransitie optreedt bij een normaal energieverbruik.

De opslag duurzame energie (ODE) in de energiebelasting wordt afgeschaft. De subsidies voor verduurzaming worden anders gefinancierd, o.m. uit een hogere energiebelasting op vervuilende productie.

Subsidies voor verduurzaming energieverbruik komen in het vervolg vooral ten goede aan de lage en middeninkomens. En ze mogen niet gebruikt worden voor CO2-opslag (CCS)[27] of niet-duurzame biomassa. Bedrijven moeten daarin zelf investeren. De milieu-investeringsaftrek wordt geschrapt. De postcoderoosregeling[28] wordt zo snel mogelijk even gunstig en toegankelijk gemaakt als huidige salderingsregeling. Na 2020 moeten beide regelingen vervangen worden door één regeling met zodanige tarieven dat decentraal geproduceerde duurzame energie aantrekkelijk blijft en decentrale opslag van energie op ogenblikken van een overschot aan elektriciteit (veel wind en veel zon) aantrekkelijk wordt. Over elektriciteit die direct gebruikt wordt door de lokale producent of het lokale producentencollectief zelf, wordt geen belasting geheven; over de elektriciteit die aan het net geleverd wordt, alléén btw, mits die niet gepaard gaat met CO₂-uitstoot.

Duurzame apparaten, diensten en producten komen onder het laagste btw-tarief, zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc. Vervuilend gedrag moet juist zwaarder belast worden, zoals vleesconsumptie, producten van intensieve landbouw en visserij, e.d.

Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijk wordt. Op termijn wordt dit verplicht.

We voeren de verpakkingsbelasting opnieuw in en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor plastic en blik worden verplicht gesteld. Wij willen dat ieder product een productlabel krijgt waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is. Alle verpakkingen worden verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics. We realiseren op afzienbare termijn 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken termijndoelen.

Vergroening in de autobelastingen is tot nu toe vooral uitgemond in belastingvoordelen, in plaats van deze vorm te geven via budgetneutrale tariefdifferentiaties. We voeren kilometerheffing in, gedifferentieerd naar vervuiling, regio en tijdstip, voor al het gemotoriseerd vervoer op de weg. Daarbij maken we zo mogelijk onderscheid naar het aantal mensen dat in een auto zit, om samenrijden te stimuleren. De voorbereiding daarvan moet direct starten en invoering zodra het technisch gereed is. We beginnen met het vrachtvervoer.

Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen is nu veel hoger dan accijns voor benzine of diesel. Dat gaan we per direct omdraaien, o.m. met een vrijstelling van energiebelasting op laadpalen.

Voor 2021 gaan we onbelaste reiskostenvergoeding afbouwen en de bijtelling van auto van de zaak verhogen tot een kostendekkend niveau en aanwenden van de opbrengsten voor een fijnmazigere infrastructuur van het openbaar vervoer en fietsen.

Het vervoer over water moet voor 2050 geheel duurzaam zijn, zowel op zee als voor de binnenvaart. Er komt een uitstootheffing voor vaartuigen. We voeren accijnzen in op de internationale bunkers voor scheepvaart en luchtvaart in het Europese verband waarbij Nederland als trekker fungeert en tevens verlaging van landingsrechten en havengeld. We stoppen met overslag van fossiele brandstoffen. Fossiele brandstof voor binnenscheepvaart wordt belast (geen “rode diesel” meer) en fossiele brandstof voor zeescheepvaart wordt belast. Elektrisch varen is technisch al geen probleem meer.

We stoppen met de groei van de luchtvaart (het totale aantal vluchten wordt wettelijk bevroren op maximaal het huidige niveau) en voeren een hoge belasting in op fossiele vliegtuigbrandstof, met name voor continentale vluchten.

De uitstoot van CO2, methaan, stikstof en fosfaat wordt verder belast. Met de opbrengsten financieren we o.m. meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.

Bovenstaande belastingherziening is niet budgettair neutraal, het gaat per saldo miljarden euro’s opleveren. We halen het geld op waar het zit, en vooral waar het nu dood staat in plaats van geïnvesteerd wordt, en waar het nu een negatieve rol speelt (bijv. met speculatie, vooral op de woningmarkt). Per saldo is het dus een lastenverzwaring voor met name het grootbedrijf en de rijken, en een lastenvermindering voor de lagere inkomens, met een nader te berekenen opbrengst, waarmee goed, sociaal en duurzaam beleid deugdelijk en solidair gefinancierd kan worden. Bij de precieze vormgeving van alle maatregelen gaan we goed kijken naar de precieze inkomenseffecten, waarbij we garanderen dat lage en middeninkomens, bijv. tot anderhalf modaal, er niet op achteruitgaan. En uiteraard moet de invoering zorgvuldig geschieden opdat specifieke groepen niet in de problemen komen, met soms overgangsregimes.

 

 

[1] hoogleraar aan City University van New York, voormalig hoofdeconoom van de onderzoeksafdeling van de Wereldbank en auteur van Wereldwijde ongelijkheid, welvaart in de 21e eeuw (2017)

[2] Engeland, de VS, India, Japan, Korea, China, Taiwan, Chili en Zweden

[3] De Volkskrant, 10 juli 2017

[4]Zie:https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2014/Verschil_in_Nederland/SCR_2014_per_hoofdstuk:OelcQ6mPTsy98s5GcKfQTg/H3_Een_ideaal_met_een_keerzijde.org

[5] Zie: https://www.evelientonkens.nl/wp-content/uploads/2015/10/swierstra_tonkens_-_de_schaduwzijde_van_de_meritocratie.pdf

[6] https://www.trouw.nl/samenleving/de-rijksten-worden-nog-rijker-en-dat-is-een-economische-ramp~a3b95051/

[7] Aldert Boonen, Vermogen maakt verschil: de verdeling van vermogen en de gevolgen ervan. De Burcht/Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging, publicatie nr. 6 (De Burcht, Amsterdam 2015, p. 23-24

[8] Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote. Notitie ten behoeve van het rondetafelgesprek met de commissie SZW, 14 september 2016, Bas van Bavel, Universiteit Utrecht.

[9] Wegens bezuinigingen op het CBS houdt het bureau deze cijfers overigens sinds zomer 2016 niet meer bij.

[10] Zie o.m. de analyse van Bas Jacobs, hoogleraar economie aan de Erasmus School of Economics, op zijn weblog: https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/17/ing-heeft-gelijk-overheidsbeleid-in-de-periode-2011-2017-kostte-volgens-het-cpb-ongeveer-365-000-banen/

[11] van Bavel & Salverda, ‘Vermogensongelijkheid in Nederland’, Economisch-statistische berichten 99, nr. 4688, 27 juni 2014, pp. 396-399.

[12] Wiemer Salverda, ‘De tektoniek van de inkomensongelijkheid in Nederland’, in: Monique Kremer, Mark Bovens, Erik Schrijvers & Robert Went (red.), Hoe ongelijk is Nederland?, WRR Verkenning 28 (2014) pp. 39-58.

[13] http://www.gini-research.org/system/uploads/512/original/Netherlands.pdf?1380138293

[14] https://economie.rabobank.com/publicaties/2018/februari/besteedbaar-inkomen-huishoudens-nederland-staat-vrijwel-stil/

[15] Zie paper: Wiemer Salverda voor ronde tafelgesprek Arbeidsinkomensquote Commissie voor Financiën Tweede Kamer, 15 mei 2018, Uit de economie druppelt weinig inkomen omlaag, op de arbeidsmarkt stroomt het omhoog

[16] Het gaat hier om het totale private vermogen: aandelen, obligaties, spaar- en bankrekeningen, huizen en andere bezittingen. Pensioenen zijn door het CBS niet meegeteld, omdat mensen nu niet bij hun pensioen kunnen komen – het is geen ‘vrij’ vermogen. Zouden aanvullende pensioenen wel worden meegerekend (in totaal staat er ruim 1000 miljard euro uit bij Nederlandse pensioenfondsen) dan is de ongelijkheid in vermogen een stuk kleiner, maar nog steeds fors. Het CPB neemt in haar berekening van de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid het pensioenvermogen wel mee.

[17] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederland-hard-op-weg-naar-de-1-procent-samenleving

[18] De vijf rijkste families van Nederland bezitten ongeveer driekwart (73,6 procent) van het vermogen van de vijftig rijkste families van Nederland en ruim 30 procent van de 500 rijkste Nederlanders en verdienen daarom speciale aandacht. (Bron: Quote)

[19] Vermogen is het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen bestaan vooral uit banktegoeden, effecten, onroerend goed en ondernemingsvermogen. De schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning en consumptief krediet. Pensioenen zijn niet meegerekend.

[20] Bron: Wiemer Salverda, position paper rondetafelgesprek Tweede Kamer, ‘Uit de economie druppelt weinig inkomen omlaag, op de arbeidsmarkt stroomt het omhoog’, 15 mei 2018

[21] Bas Jacobs, ‘Belastingen op kapitaalinkomen in Nederland’, Tijdschrift voor Openbare Financiën 47, nr. 1 (2015) pp. 29.

[22] Zie: https://www.fnv.nl/over-fnv/nieuws/nieuwsarchief/2017/juni/Nieuwe-belastingtrucs-onthuld.-FNV-Politiek-moet-dit-soort-belastingmigratie-verbieden/

[23] Het volgende is ontleend aan https://decorrespondent.nl/5733/waarom-de-inkomensongelijkheid-in-nederland-groter-is-dan-we-denken/344904727167-6ef17882 van Jesse Frederik.

[24] Een gegarandeerd basisinkomen is geen universeel basisinkomen (dat wil zeggen: een basisinkomen voor iedereen, arm en rijk). Voordeel van een universeel basisinkomen is weliswaar dat er geen stigma meer zou zijn op het ontvangen van deze ‘uitkering’ (iedereen krijgt haar immers). Maar met een universeel basisinkomen zouden we een grote rondpompmachine moeten optuigen: miljoenen mensen zouden een basisinkomen krijgen én duizenden euro’s aan extra belastingen moeten ophoesten. Het gevolg is dat de marginale belastingtarieven – de belasting die je betaalt op iedere euro die je éxtra verdient – fors omhoog moeten. Stel dat je een uur extra gaat werken, en stel dat je 10 euro per uur verdient. Met een ‘marginale’ druk van 40 procent mag je daar dan 6 euro van houden. Meer werken loont in dat geval. Maar met de invoering van een universeel basisinkomen zouden de marginale belastingtarieven oplopen naar 70 procent, of misschien nog hoger. Van die 10 euro zou je er nog maar twee of drie mogen houden. Het zou goed kunnen dat mensen in zo’n geval zeggen: laat maar, ik ga niet extra werken. Of sterker nog: ik ga veel minder werken. Dat zou daarom grote economische schade kunnen opleveren. En er zou ook voor de overheid een verkeerde prikkel van kunnen uitgaan, dat we niet meer streven naar volledige werkgelegenheid en dat geheel aan de mensen zelf overlaten. Zoals hiervoor betoogd kan pech in het leven iedereen overkomen, en maakt maatschappelijke ongelijkheid dat de kansen daarop ook ongelijk verdeeld zijn en dat die ongelijkheid ook schrikbarend toeneemt. Een overheid die aanspreekbaar blijft op volledige werkgelegenheid en eerlijk delen van werk is bij een gegarandeerd basisinkomen beter dan bij een universeel basisinkomen gewaarborgd. Een gegarandeerd basisinkomen is betaalbaar en voorkomt een hoge marginale druk op meer gaan werken. Het helpt armoede te bestrijden, garandeert inkomenszekerheid, zonder een betuttelende overheid die diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en werken blijft altijd lonen, ook voor de overheid.

Voor een uitgebreidere beschrijving van dit voorstel, zie: http://gerardbosman.com/2018/08/09/een-hard-gegarandeerd-sociaal-minimum-zonder-verplichtingen-en-verboden/

[25] Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft vorig jaar berekend dat de Nederlandse armen, gezamenlijk, 2,2 miljard euro per jaar tekortkomen. Ter vergelijking: dat is anderhalf keer de dividendbelasting – geen geld zou het kabinet Rutte III zeggen. Of nog wat andere vergelijkingen: hogere inkomens ontvangen jaarlijks 14,2 miljoen euro aan subsidie via de hypotheekrenteaftrek, we geven nog steeds 6 miljoen euro per jaar aan fossiele energie en de zorg kost ons jaarlijks 96 miljoen euro.

Natuurlijk zou een negatieve inkomstenbelasting nog duurder zijn, omdat niet alleen de armen ervan profiteren maar ook degenen die iets boven de armoedegrens zitten. Hoeveel duurder wordt het basisinkomen zo? Dat weten we niet precies, want die som is voor Nederland nog niet gemaakt. Maar stel dat de negatieve inkomstenbelasting hier twee tot drie keer zoveel zou kosten als de Nederlandse armen gezamenlijk tekortkomen. Met zo’n (veel) te hoge schatting komen we uit op 4,4 tot 6,6 miljard. Dat is veel geld, maar het is nog altijd minder dan 1 procent van het bbp. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de besparingen op de zorgkosten, op politie en justitie, en op de forse bureaucratie binnen de huidige verzorgingsstaat. Conclusie: deze variant van het basisinkomen is prima betaalbaar.

[26] Om in aanmerking te komen voor de regeling moet men tenminste 37.000 euro per jaar verdien – ongeveer modaal – en hun oude huis moet tenminste 150 km verwijderd zijn geweest van de Nederlandse grens. De vrijstelling is veel hoger dan kosten die de doelgroep (schaarse academici en ICT-ers) maakt om naar Nederland te komen. Bovendien profiteert een goedverdienende bovenlaag buitensporig van het geboden belastingvoordeel: ook bestuursvoorzitters van grote bedrijven en profvoetballers ontvangen de vrijstelling. Op zijn minst ligt verlaging en maximering van het voordeel dus voor de hand. Ook zou tenminste de looptijd (nu 8 jaar) moeten worden verkort. Dit waren ook de adviezen van bureau Dialogic aan staatssecretaris Wiebes van Financiën in juni 2017. Volgens Dialogic zou afschaffing minder expats betekenen en daarmee de concurrentiepositie verslechteren. Volgens ons kunnen we beter zelf investeren in goede opleidingen en onderzoek, en bedrijven zelf de kosten laten betalen als ze denken dat dat een rendabele investering is.

[27] Rutte III zet zeer zwaar in op CCS (afvang en opslag van CO₂ onder de grond). De PvdA werkgroep duurzaamheid hierover: “Binnen de ambitie van 56 miljoen ton CO₂-uitstoot reductie springen de 20 miljoen ton van CO₂ afvang en opslag (CCS, naar de Engelse afkorting) in de industrie en afvalverbrandingsinstallaties in het oog. Over CCS wordt in Nederland al zeker 15 jaar vooral heel veel gepraat en geruzied. CCS kan een belangrijke bijdrage leveren aan de terugdringing van CO₂ uitstoot, vooral als een interim-oplossing voor de periode waarin een volledig duurzame energievoorziening nog niet kan worden gegarandeerd en een deel van de benodigde energie nog uit fossiele bronnen zal worden verkregen. Fundamenteel is CCS echter géén duurzame, toekomstbestendige oplossing. Het schuift het CO₂ uitstootprobleem door naar volgende generaties met een maatregel waarvan de inzet per definitie eindig is. Dit betekent dat het ten onrechte als duurzaamheidsmaatregel wordt ingeboekt in het Regeerakkoord. Ook wetenschappers geven aan dat CCS nodig kan zijn als tussenoplossing, zeker in de industrie en in combinatie met biomassa, maar proefprojecten mislukten wegens gebrek aan publiek draagvlak of economische en commerciële haalbaarheid. In de jaren na het in 2010 afgeschoten Barendrecht-project durfde geen politicus zich openlijk te associëren met CCS. En nu staat het, zeer prominent, in het regeerakkoord. Het regeerakkoord wedt wel erg op dat ene CCS paard. Voor nog lang niet alle grote CO₂-bronnen is duidelijk hoe de afvang gaat werken. Verder is nog helemaal niet duidelijk of er ondergronds wel voldoende opslagcapaciteit is. Alhoewel het injecteren van gassen en vloeistoffen in olie- en gasreservoirs een bekende technologie is (bv. om de olieproductie uit oude velden te stimuleren) is dit omgeven met technische uitdagingen en navenant hoge kostenrisico’s. Tenslotte wordt in publicaties over CCS te gemakkelijk gesproken over het hergebruiken van bestaande infrastructuur (pijpleidingen, platforms, putten). Het omkeren van de functionaliteit (productie wordt injectie) is niet eenvoudig en vergt veel onderzoek aan de bestaande systemen om vast te stellen of deze geschikt zijn voor injectie van CO₂, dat overigens bij de in de reservoirs heersende omstandigheden gas noch vloeistof is, maar zgn. superkritisch, hetgeen specifieke technische oplossingen zal vereisen. Dan is er ook nog de vraag van de snelheid waarmee opschaling mogelijk is. Is de industrie in staat om in zo’n korte tijd CO₂ af te vangen tot het niveau van 20 miljoen ton per jaar? Hoe snel kan de ondergrondse opslagcapaciteit, als die er al is, gemobiliseerd worden? Het nauwkeurig vaststellen van de beschikbare capaciteit en hoe die te benutten vergt nog veel, gedetailleerd reservoir-technisch onderzoek aan de individuele reservoirs. Met betrekking tot injectie in reservoirs is er geen “one-size-fits-all” benadering. Dat alles vergt veel tijd en een enorme inspanning, die onmiddellijk moet beginnen, om in 2030 tot die 20 miljoen ton te komen. De door Rutte III voorgestelde minimumprijs voor CO₂ in de elektriciteitssector gaat niet helpen; de industrie blijft buiten schot terwijl je juist daar met een hogere CO₂-prijs de prikkel voor CCS en andere opties zou willen versterken. CCS in de elektriciteitssector hoeft voorlopig niet; de kolencentrales worden immers gesloten. Pas na 2030 hoeven we serieus aan CCS op biomassa- en gascentrales te gaan denken, al zou onderzoek en demonstratie vóór 2030 misschien wel raadzaam zijn. In het licht van het onbekende terrein, dat met CCS betreden wordt, en de vermoede grote technische en commerciële risico’s is de vraag gerechtvaardigd welke afweging deze regering zal maken, als opslag van CO₂ duurder blijkt te zijn dan extra opwekcapaciteit van schone energie? In het akkoord wordt expliciet vermeld dat SDE+ subsidie ook gebruikt kan worden voor de stimulering van CCS-technologieën. Wij achten dat ongewenst, omdat op deze wijze fondsen voor ontwikkeling van duurzame energie, resp. energiebesparing (zonnepanelen, woningisolatie, enz.), potentieel kunnen worden aangewend voor een weliswaar nodige, maar niet duurzame technologie (CCS). Het verschaft de industrie een alibi om de overschakeling naar echt duurzame energie te vertragen. CCS moet primair door de industrie zelf worden ontwikkeld en gefinancierd. De commerciële stimulans daartoe moet komen van een realistische beprijzing van CO₂ uitstoot en niet van overheidssubsidies vanuit SDE+.

Nota bene: Naast CCS krijgt CCU (Carbon Capture & Utilisation) steeds meer aandacht in wetenschap en media. Gezien de aandacht in het akkoord voor CO₂ afvang zou op z’n minst vastlegging van CO₂ (in bodem of planten) en recycling van CO₂ (met waterstof en CO₂ syngas maken) in beeld moeten zijn (zie Volkskrant Opinie 19 oktober 2017 – “CO₂ moet je niet opslaan maar recyclen”).”

[28] De Postcoderoos regeling (fiscale benaming is de Regeling Verlaagd Tarief) is ruim drie jaar geleden geïntroduceerd als financieringsmogelijkheid om gezamenlijk zonne-energie op te wekken, zonder dat de zonnepanelen op het eigen dak hoeven te liggen. De regeling biedt 15 jaar lang vrijstelling van energiebelasting over de zonne- of windenergie die de deelnemers in een project gezamenlijk opwekken. Dit betekent dat zonnepanelen niet langer op het eigen huis of bedrijfspand hoeven te liggen, maar ook elders geïnstalleerd kunnen worden. Bijvoorbeeld op een groot agrarische dak net buiten het dorp, op het dak van het lokale dorpshuis of zelfs op een beschikbaar stuk grond in de buurt. Deelnemers richten samen een coöperatie op of maken gebruik van een bestaande VVE (Vereniging Van Eigenaren) en investeren gezamenlijk in een zonnedak door het kopen van zonparticipaties. Deze zonparticipaties geven jaarlijks recht op de opbrengst van één zonnepaneel. De panelen in het project zijn namelijk eigendom van de gezamenlijke coöperatie. In ruil voor hun deelname (investering) ontvangen deelnemers, naar rato van het aantal zonparticipaties, jaarlijks een teruggave van energiebelasting die zij betaald hebben over de energie die zij thuis gebruiken. Dit recht op teruggave van de energiebelasting voor deelnemers wordt door de overheid voor (minimaal) 15 jaar gegarandeerd en geldt vanaf het moment dat de Belastingdienst het project goedkeurt. De hoogte van de investering per zonnepaneel/ zonneparticipatie is afhankelijk van de keuzes van de lokale energie coöperatie.

Een Postcoderoos is een afgebakend gebied waarbinnen een lokale energie coöperatie haar deelnemers kan werven omdat zij -bij deelname- recht hebben op teruggave van de energiebelasting. Voorwaarde is wel dat deze deelnemers op het net aangesloten zijn via een kleinverbruikersaansluiting (max. 3 x 8o Ampère). Dit Postcoderoos gebied wordt bepaald door de plaats (postcode) waar de productie-installatie voor de opwek gesitueerd is. Dit 4-cijferige gebied vormt het hart van de roos. Het Postcoderoos gebied wordt gevormd door dit hart samen met alle aan dit hart aangrenzende 4-cijferige postcodegebieden (die de blaadjes van de roos vormen). Ook wanneer een aangrenzend postcodegebied maar met een klein puntje grenst aan het hart kan het gebied tot de roos gerekend worden.

Sinds 1 januari 2016 is het begrip Postcoderoos verruimd en mag de productie-installatie ook in een van de blaadjes gesitueerd zijn, het administratieve centrum mag dus als het ware één viercijferig gebied worden opgeschoven. Op deze manier kunnen coöperaties ook gebruik maken van daken aan de randen van de roos c.q. de kans om aan het project deel te nemen voor meer mensen mogelijk te maken.

[28] Salderen in het kader van energieleverantie in Nederland betekent dat door de energieleverancier de terug geleverde energie wordt afgetrokken van het verbruik van de afnemer. Hierdoor ontvangt de afnemer dezelfde prijs (inclusief belastingen en transportkosten) voor de terug geleverde energie als die hij betaalt voor de energie die hij op een ander tijdstip van de energieleverancier afneemt. Een afnemer mag het overschot van zijn zelf opgewekte elektriciteit terug leveren aan het net en op jaarbasis verrekenen met de op een ander moment uit het elektriciteitsnet afgenomen elektriciteit, tegen hetzelfde tarief. Als er meer dan het eigen verbruik wordt opgewekt moet voor het meerdere een ´reële vergoeding´ worden betaald die in de praktijk neerkomt op de kale stroomprijs.

Eigenaren van zonnepanelen betalen over de terug geleverde energie geen energiebelasting. Daarbij maakt het voor de afnemer niet uit wanneer in het jaar er stroom wordt afgenomen. Dus als de gemiddelde afname nul is, valt er ook niets te betalen. Het “belastingvoordeel”, de uitgespaarde belasting door eigen opwek, voor de groeiende groep salderende particulieren, komt jaarlijks neer op 40 miljoen euro. Dit bedrag komt niet meer als energiebelasting bij de overheid binnen, en de overheid moet dat langs een andere weg compenseren. Dit wordt dus eigenlijk vooral gefinancierd door mensen die niet in het bezit zijn van zonnepanelen. Vaak zijn dit lagere inkomens.

Rutte III wil de salderingsregeling in 2020 vervangen door een vergoeding voor de geleverde stroom aan de hoogste bieder die jouw stroom wil kopen en een terug-lever vergoeding van de overheid voor het fiscale deel. Hoe dat er precies uitgaat zien is nog onduidelijk. Volgens het regeerakkoord levert de vervanging wel 640 miljoen euro aan bezuiniging op. In ieder geval krijgt de eigenaar van zonnepanelen niet meer hetzelfde tarief voor geleverde stroom als hij heeft betaald voor de afgenomen stroom zoals het nu nog is.

[28] De doeleinden die het kabinet Rutte III formuleert voor verduurzaming van de gebouwde omgeving zijn op zichzelf goed. Maar aan de middelen om die doeleinden te bereiken schort het ook hieraan. Het kabinet zou in de eerste plaats moeten inzetten op verduurzaming van huurwoningen, enerzijds omdat huurders, anders dan particuliere woningeigenaren, tot nu toe nauwelijks hebben kunnen profiteren van saldering en andere stimuleringsregelingen, anderzijds omdat “huishoudens met lage inkomens een aanzienlijk groter aandeel van hun inkomen kwijt zijn aan kosten voor het klimaatbeleid dan huishoudens met hoge inkomens. Het grotere aandeel van huishoudens met een laag inkomen gaat nog verder oplopen als Nederland in de toekomst klimaat-neutraal wil zijn.” (Bron: CE-Delft “Rechtvaardigheid en inkomenseffecten van het klimaatbeleid”, maart 2017, publicatienr. 17.7J51.07). Helaas reserveert het kabinet niet meer dan ongeveer 100 miljoen euro per jaar in de vorm van korting op de verhuurdersheffing voor woningcorporaties. Dat zou het 5 of 10-voudige moeten zijn om te zorgen dat enige tienduizenden woningen per jaar verduurzaamd kunnen worden. Om de geformuleerde ambities waar te kunnen maken is het nodig om 200.000 woningen per jaar energieneutraal te maken.

Een belangrijk onderdeel van verduurzaming van de gebouwde omgeving betreft “bestaande woningen gasvrij maken”. Daarvoor moeten “bestaande gasnetten vervangen worden”. De grote vraag is door welke nieuwe infrastructuur die vervangen moeten worden om “in de resterende warmtebehoefte” te voorzien. Het beste antwoord kan van buurt tot buurt verschillen. Het kabinet Rutte III wil de beslissing daarover in handen leggen van “het netwerkbedrijf”. Het kabinet lijkt zich niet te realiseren hoe ingrijpend de beslissing is voor bewoners, woningcorporaties, lokale bedrijven, het lokale klimaat en de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, kortom hoe zeer de beslissing bij uitstek een zaak is van publiek belang. Het kabinet schrijft weliswaar dat de beslissing genomen moet worden “in overleg met de gemeenten”, maar kan de beslissing veel beter in handen leggen van de gemeente. De ambitie van Rutte III is dat in 2021 nieuwe woningen en gebouwen ‘in de regel’ niet meer met aardgas verwarmd worden, en minimaal 50.000 nieuwbouwwoningen aardgasloos worden opgeleverd. Tevens zullen voor het eind van de kabinetsperiode 30.000 tot 50.000 bestaande woningen per jaar aardgasvrij worden gemaakt of in ieder geval zodanig energie‐efficiënt dat ze op korte termijn aardgasloos gemaakt kunnen worden (“aardgasloos-ready”). Het zal vaak een lastige beslissing zijn, niet alleen vanwege de verschillen in belangen van de vele betrokkenen, maar ook vanwege de expertise die daarbij vereist is. Het kabinet moet daarvoor een kenniscentrum opzetten dat onderzoek doet naar de beste oplossingen, innovaties stimuleert en kennis beschikbaar stelt.

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Hoe een sociaaldemocratisch zorgstelsel eruit kan zien

Een publiek stelsel zonder marktwerking

Zorg wordt weer een volledig publieke zaak zonder marktwerking, dus geen mededingingsregels, aanbestedingscircussen (zoals die nu in de zorg praktijk zijn voor o.m. jeugdzorg, de WMO en wijkteams, en dreigt bij ambulances), winstuitkeringen en onderlinge concurrentie (zoals nu bij ziekenhuizen, zorgverzekeraars, verpleegzorg) in de publieke sector, maar juist samenwerking. Ondernemingen in de publieke sector mogen geen winstoogmerk hebben en ook geen winstuitkeringen doen – dit geldt ook voor maatschappen aan de eigenaren/zorgaanbieders zelf. Met de sector wordt voor dit laatste een overgangsregime afgesproken.

Zorginstellingen moeten publieke instellingen zijn, zonder winstuitkeringen, plat georganiseerd, zoveel mogelijk coöperatief opgezet (de zorgcoöperatie), niet te groot van omvang – fusies worden alleen waar dit efficiënt is vanuit het publieke belang en betere zorg oplevert toegestaan. Omzeiling van deze eisen via neveninstellingen of onderaannemers wordt verboden. We stoppen met aanbestedingscircussen en vervangen die door moderne, slimme subsidierelaties, zonder marktwerking, gericht op de publieke belangen. De omvorming wordt afgedwongen door dit als subsidievoorwaarde op te nemen.

Publiek gefinancierde zorg wordt dus niet meer ingekocht maar vormgegeven in een subsidierelatie. Dat geldt ook voor apotheken, huisartsen, paramedische praktijken, ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorgaanbieders, etc. In de subsidierelatie wordt regionale en lokale samenwerking in plaats van concurrentie bevorderd, goede arbeidsvoorwaarden verzekerd (naleven cao, aansluiting bij pensioenfonds, vast werk als norm, beperking beloningsverschillen, naleving wet normering topinkomens, etc.) en de kwaliteit van de zorg voor de cliënt/patiënt tot uitgangspunt genomen. Verantwoording vindt op macroniveau plaats, met stevig extern toezicht door de Inspectie en een aparte Rekenkamer voor de Zorg.

De zorgverlening wordt zoveel mogelijk doorgedecentraliseerd naar professionals door ze een groter budget- en regelruimte te geven. Ook hun professionele autonomie wordt tegelijkertijd versterkt.

Iedereen in de publiek gefinancierde zorg komt in loondienst, bij voorkeur in een zorgcoöperatie. Dat wordt afgedwongen als subsidievoorwaarde. Specialisten komen dus ook in loondienst. Het dienstverband voor specialisten kan veel aantrekkelijker worden gemaakt door hen maximaal te laten participeren in het bestuur van ziekenhuizen en andere zorginstellingen; daardoor wordt hun professionele autonomie versterkt en tegelijkertijd gelijkgericht met die van de instelling waar ze werken. Huisartsen, apothekers, tandartsen, paramedici, ambulancediensten en andere zorgaanbieders die nu als ondernemer werken moeten ook in loondienst komen bij hun eigen onderneming, tegen een soort ‘gebruikelijk loon’, zonder aparte private vermogensopbouw. Activiteiten die zij verrichten in niet-publieke zorg, bijv. gefinancierd door zorgverzekeraars en/of patiënten zelf, moeten in een financieel gescheiden entiteit plaatsvinden. De goodwill bij huisartsen wordt weer afgeschaft.

In alle zorgorganisaties geldt als opdracht minder bureaucratie en overhead, o.m. met zoveel mogelijk zelfsturende teams, zoals Buurtzorg Nederland dat praktiseert. Er blijft experimenteerruimte voor innovaties.

Marketing is in de publiek gefinancierde zorg niet meer nodig, dit budget kan beter besteed worden aan de zorg zelf. Omdat er geen marktwerking meer is, maar de overheid garant staat voor de continuïteit van de aanbieders in een subsidierelatie, behoeven er noch door de zorginstellingen, noch door zorgverzekeraars ten koste van het budget in de publieke zorg buffers aangehouden worden als reserve. Overmatige reserves worden verboden. Al het geld kan en moet aan zorg besteed worden. In de financiering zit adequate bevoorschotting opgenomen. Huisvestingskosten worden apart gesubsidieerd, waarmee de huidige hoge tarieven voor leningen op de kapitaalmarkt voor dit soort investeringen vervallen.

We gaan ook de te ver doorgevoerde verzakelijking in de zorg tegen. Zorgverzekeraars dwingen nu tot steeds meer controles om de kosten te beheersen. De ‘tijdschrijvende diagnosehandelaar’, die alles wat hij doet goed bijhoudt, wint in dat systeem, en de zorgverleners die de meeste aandacht besteden aan kleinschaligheid, relaties, weerbaarheid en communicatie, verliezen. Dat moet precies andersom. Het vertrouwen teruggeven aan de zorgprofessionals en ze niet overladen met tientallen formulieren die voor hun cliënten moeten worden ingevuld, ook als het slechts om een herhaalrecept voor een chronische patiënt gaat. Het stelsel moet ingericht worden op meer vertrouwen tussen financier, zorgprofessional en patiënt. Aangezien we toch werken met budgetten in een subsidierelatie is er geen reden om niet te komen tot een aanzienlijke vereenvoudiging van het declaratiesysteem met minder zorgproducten, een zinvollere relatie tussen prijs en product en een vermindering van administratieve last.

Volledig collectieve financiering uit de belastingen; geen individuele zorgkosten meer

Alle zorg die we als basiszorg betitelen, dat wil zeggen de zorg die nodig, nuttig, effectief en doelmatig is, gaan we via de belastingen financieren. De collectief gefinancierde zorgkosten worden zoals we gezien hebben nu vrijwel louter betaald uit inkomen uit premies op lonen (en bijvoorbeeld niet op winst of vermogen) en niet uit de algemene middelen, dus ook uit de omzetbelasting, accijnzen, vennootschapsbelasting, winstbelasting en milieuheffingen.

Door de zorg uit de algemene belastingen te financieren, worden inkomens- en vermogensafhankelijke premies en eigen bijdragen ook overbodig: de zorg wordt dan immers al betaald naar inkomen en vermogen. Bij de uitwerking daarvan moet het resultaat zijn dat de zwaarste schouders de zwaarste lasten dragen, inclusief werkgevers en vermogenden, en dat arbeid en lage en middeninkomens juist ontzien worden. Dat een gezin met een modaal inkomen nu meer dan twintig procent van het inkomen kwijt is aan zorg moet daarbij substantieel omlaag, richting 10%.

Het huidig eigen risico in de ZVW en de eigen bijdragen bij zorgconsumptie worden afgeschaft, evenals de zorgtoeslag. Ook in de langdurige zorg worden alle eigen bijdragen en de marktwerking geschrapt. Deze leiden nu te vaak tot uitstel van zorgverlening, met hogere maatschappelijke kosten in de toekomst. Zorgaanbieders vragen hoge bijdragen voor (extra) diensten als wassen, pedicure en snacks. Dit overvalt cliënten, die met een (zeer) laag inkomen rond moeten komen. Er komen regels om deze kosten te beperken en te vergoeden.

Welke zorg als nodig, nuttig, effectief en doelmatig wordt erkend is uiteindelijk een politieke beslissing. Maar wel op basis van een advies van deskundigen. Wat ons betreft is dat inclusief tandzorg, voorbehoedsmiddelen, fysiotherapie en andere paramedische behandelingen, de GGZ, jeugdzorg, wijkverpleging, thuiszorg inclusief huishoudelijke verzorging en zorg in verpleeg- en verzorgingshuizen. De toegang tot specialistische en/of langdurige zorg krijgt een brede, maar strakkere poortwachter bij huisartsen en wijkverpleegkundigen.

Als het gaat om collectief gefinancierde zorg horen daarin alleen wetenschappelijk bewezen behandelingen daarin thuis. Het staat een ieder vrij om gebruik te maken van andere ‘behandelingen’, mits deze niet aantoonbaar juist contraproductief werken of daarvoor een te groot risico zijn (in welk geval ze verboden zouden moeten zijn), maar dan wel op eigen rekening. Het moet dan wel duidelijk zijn dat de overheid deze zorg kwalificeert als ‘onbewezen zorg’.

De financiering van zorgverleners moet minder gebaseerd zijn op volume en meer op kwaliteit, met een hoge basisvergoeding. We voeren het zgn. cappuccinomodel in: het inkomen van zorgverleners wordt daarbij vooral te baseren op de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast krijgen ze een klein bedrag per ingreep of per consult (de melk) en ook nog een klein bedrag bij uitzonderlijk goede prestaties of bij innovaties (het schuim). Dat is de manier waarop nu bijvoorbeeld huisartsen al betaald worden. Minder volumeprikkels en stringentere poortwachtersfuncties kunnen hier tot forse kostenverlagingen leiden.

Huisartsen krijgen een rol in het signaleren van zorgaanbieders die hun werk niet goed doen. De minister heeft gelijk dat patiënten vaak zelf niet goed de kwaliteit van de zorgaanbieder kunnen beoordelen. De huisarts kent niet alleen de patiënt, maar ook de specialisten in de regio. De huisarts krijgt bovendien teruggekoppeld welke behandelingen zijn uitgevoerd en hoort van de patiënt hoe deze de behandeling heeft ervaren.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg krijgt tot taak ook de effectiviteit van de zorgverlening te beoordelen. Deze kwaliteitsoordelen worden publiek gemaakt.

Een belangrijke oorzaak van de stijgende zorgkosten is dure nieuwe medische technologie. Van een groot deel van die technologieën is nooit bewezen dat ze beter werken dan de oude, goedkopere. Nieuwe, duurdere technieken worden pas vergoed als ze aantoonbaar voordeel hebben voor de kwaliteit van leven of de levensverwachting van de patiënt.

We bestrijden de machtspositie van de farmaceutische industrie die nu idioot hoge winsten maken, te dure medicijnen leveren en voor onrendabele producten niet of te weinig leveren. GL, PvdA en SP hebben eind 2017 hierover een initiatiefnota geschreven. Hieruit komen veel van onderstaande maatregelen:

  • Patiënten (en hun organisaties) beter te betrekken bij de ontwikkeling van medicijnen (m.n. bij het verzamelen van data);
  • Patenten op medicijnen minder lang te laten werken en niet opnieuw te verstrekken bij nieuwe toepassingen van hetzelfde geneesmiddel. De prijs van de licentie om het medicijn te produceren en te verkopen wordt vooraf bepaald en ieder bedrijf dat het medicijn volgens de veiligheids- en kwaliteitseisen, kan produceren, kan een bod doen. Op die manier wordt de macht van de farmaceuten ingeperkt. Ook wordt er actief gestuurd om dit tot Europees beleid te maken;
  • Centraal in te kopen met een nationaal medicijnen inkoopbureau en daarbij zo mogelijk ook samen te werken met andere landen en in ieder geval te letten op wat er in andere landen voor prijzen betaald wordt (daarmee wordt tegenover het farmaceutenmonopolie een inkoopmonopolie gerealiseerd);
  • De prijsvorming transparant te maken. De kosten van ontwikkeling, de productie van medicijnen en een eerlijke winstmarge, worden leidend bij de prijsvorming, in plaats wat de samenleving over heeft voor een medicijn. We berekenen de geneesmiddelenlimieten opnieuw en passen de wet op de geneesmiddelen aan;
  • De toepassing van alternatieven te stimuleren die zich in het buitenland hebben bewezen, zoals biosimilars;
  • Een Nationaal Fonds Geneesmiddelenonderzoek voor onafhankelijk onderzoek naar medicijnen. Door met universiteiten zelf geneesmiddelen te ontwikkelen zonder winstoogmerk waar de marktwerking niet werkt (medicijnen voor ziekten met weinig patiënten, of waar de monopolies belemmerend werken – zoals het geval was bij aidsremmers);
  • Een pioniersfonds op te richten voor nieuwe medicijnen (bijv. wanneer het medicijn zo eenvoudig is dat een bedrijf er niets aan kan verdienen);
  • Medicijnen die ontwikkeld worden door financiering via de overheid, worden niet meer verkocht aan één farmaceut, waarmee er een monopolypositie gecreëerd wordt;
  • Het schrappen van regelgeving die nu nieuwe initiatieven als Fair Medicine en Cinderella, die proberen goedkope medicijnen in Nederland te ontwikkelen, teveel hinderen;
  • Inzetten van dwanglicenties als farmaceutische bedrijven weigeren absurd hoge prijzen te verlagen;
  • Aanpassing van de mededingingswet en scherper toezicht om misbruik van macht beter te kunnen bestrijden;
  • Apothekers beter faciliteren voor het zelf namaken van medicijnen voor een patiënt bij zeer dure medicijnen (o.m. met juridisch verdedigen van apothekers tegen de farmaceutische industrie) en/of voor het goedkoper inkopen van dure medicijnen in het buitenland;
  • Tegengaan van belangenverstrengeling tussen arts en big farma door agressieve marketing in te dammen en het reclameverbod actief te handhaven.

Daarbij zorgen we voor voldoende alternatieven die zonder bijbetaling beschikbaar blijven. Wij stoppen met dubbel betalen voor medicijnen. We maken ook een actieplan om het overmatig gebruik en afneming van medicijnen te verminderen en een actieplan tegen resistente bacteriën, o.m. met het gebruik van flagellaten in plaats van antibiotica.

Hulpmiddelen kopen we zoveel mogelijk centraal in op indicatie van huisarts of (wijk)verpleegkundige. Er wordt daarbij ook gewerkt met centrale uitleenmagazijnen. Hulpmiddelen blijven eigendom van de verstrekker (regionaal zorgkantoor) en worden als ze niet meer nodig zijn weer ingeleverd. Hiervan zijn op maat gemaakte hulpmiddelen (zoals brillen en gehoorapparaten) uitgezonderd. Deze worden verstrekt door opticiens en audiciens binnen bepaalde vergoedingsregels.

We zetten veel meer in op preventie van gezondheidsproblemen. Ongezonde leefstijl (drugs, alcohol, tabak voeding, beweging) wordt tegengegaan met hogere accijnzen, strakkere regulering (ook voor omlaag brengen van percentage verslavende en bedreigende stoffen) en handhaving voor minderjarigen, beperkter vrij aanbod door strengere regulering verkoopplaatsen (meer uit het zicht, minder verkoopplaatsen, niet in supermarkten, benzinestations en niet in de buurt van scholen en jongeren), minder reclamemogelijkheden, actievere voorlichting, en subsidiëring van activiteiten die een gezondere leefstijl bevorderen (zoals sport, bewegingsonderwijs, gezond voedsel). We volgen ook de IJslandse, socialiserende preventieve aanpak bij jongeren. Publieke openbare ruimte wordt rookvrij. Softdrugs worden volledig gelegaliseerd voor volwassenen om ze beter te kunnen controleren en de regulering te handhaven. Verslavingszorg wordt uitgebreid. Gezonde leefstijl (beweging, voeding) wordt bevorderd, o.m. in het onderwijs. We investeren in levensbestendig wonen en in valpreventie. We investeren in de gemeentelijke gezondheidzorgdiensten (GGD) met oog op meer voorlichting, vaccinaties en preventieve consulten in elke wijk en dorp. EHBO wordt standaard aan alle leerlingen aangeboden in het voortgezet onderwijs.

Bij ernstige gezondheidsproblemen kan evidente weigering om mee te werken aan noodzakelijk ander leefstijlgedrag beperkingen betekenen in de toegang tot publiek gefinancierde zorg. Uiteraard alleen in het uiterste geval, waarin alle andere mogelijkheden uitgeput zijn geraakt, en voorzien van goede rechtsbeschermingsmiddelen.

Spoedeisende hulp is alleen beschikbaar als het ook spoedeisend is. Tegelijkertijd maken we de basiszorg meer 24/7 beschikbaar en wordt deze door schrappen van onregelmatigheidstoeslagen e.d. ook meer betaalbaar.

Geen zorgverzekeraars meer, maar regionale publieke zorgkantoren en regionale zorgvisies

Er komen regionale uitvoeringskantoren, die het geld op een efficiënte en effectieve wijze verdelen over de zorgverleners en instellingen. Daartoe worden in overleg met gemeenten en het Rijk regionale zorgvisies opgesteld, waarin het aanbod aan zorg gereguleerd wordt. Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget. Zorgverzekeraars kunnen zich desgewenst omvormen tot zo’n regionaal zorgkantoor. De transitie vindt op gelijke wijze plaats als bij de opheffing van de PBO’s. Er is dus nadrukkelijk geen nationalisatie aan de orde.

De – daarvoor te versterken – Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) bewaakt de kwaliteit van de zorg en de zorginstellingen moeten iedere tien jaar opnieuw hun concessie verwerven. Het NZa bewaakt de financiële voorwaarden.

De zorgverlening wordt zo integraal mogelijk georganiseerd. Nu worden nog steeds teveel mensen van ene loket naar het andere gestuurd. Het zorglandschap is nu ook teveel gespreid over verschillende partijen met ieder eigen (budget)regels: zorgverzekeraars, zorgkantoren, het CAK en gemeenten. Dat zorgt ook voor strategisch gedrag tussen bijv. gemeenten en zorgverzekeraars over wie de rekening moet betalen.

Concentratie van complexe zorg, innovaties in de samenwerking tussen de verschillende echelons en andere vernieuwingen dienen te worden gestimuleerd in plaats van geblokkeerd. Er komt een regionaal afgestemd aanbod van samenwerkende zorgaanbieders:

-met dure specialisatie in hoogwaardige centra en een breed aanbod van basiszorg (incl. GGZ),

-waarin cure en care elkaar effectief en efficiënt aanvullen,

-waarin ingezet wordt door tijdige interventie dure specialistische hulp te voorkomen, en

-waarin het langer thuis met zorg kunnen wonen (als recht, niet als plicht!) ook adequaat gefaciliteerd wordt.

De poortwachtersfunctie naar duurdere, specialistische zorg van huisartsen en wijkverplegers wordt versterkt.

Maar er kan voor een efficiënt en effectief zorgaanbod nog meer gedaan worden:

  • Er moet veel meer gebruik gemaakt worden van het vergunningenstelsel volgens de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) om tot een intelligente planning van dure voorzieningen voor complexe medische zorg binnen regio’s te komen.
  • De regelgeving moet aangepast worden om innovatieve initiatieven voor gedeconcentreerde zorg voor chronische aandoeningen door huisartsen met participatie van specialisten mogelijk te maken. Voor een adequate aanpak van chronische aandoeningen hebben we een gedeconcentreerde zorgvoorziening nodig die dicht bij de mensen staat en laagdrempelig toegankelijk is. Dat kan door bijvoorbeeld in gemeentes en buurten van steden centra te hebben waar onder regie van de huisarts maar met specialistische inbreng eerstelijnszorg en consultatieve tweedelijnszorg voor chronische ziekten wordt geleverd. Een aantal specialisten kunnen dan bijvoorbeeld op invitatie van de huisarts een dagdeel in de week tegelijkertijd aanwezig zijn om ingewikkelde patiënten multidisciplinair te zien.
  • We zorgen ook voor meer kleinschaligheid in de zorg. Er zijn te grote conglomeraten ontstaan die te machtig zijn. Zorg moet regionaal georganiseerd worden, met een netwerk van kleinere basisziekenhuizen, dichtbij de mensen.
  • De tekorten in spoedeisende hulp moeten met voorrang worden weggewerkt. Er zijn nu teveel behandelstops op spoedeisende afdelingen in ziekenhuizen.
  • Ook samenwerking tussen huisartsen onderling en met apotheken en artsen in een ziekenhuis en wijkverpleegkundigen. Een groot probleem hierbij is nu de ICT-versnippering, waardoor artsen, apothekers en verpleegkundigen te vaak niet van elkaar weten wat ze doen. Hiertoe worden in de subsidievoorwaarden regels gesteld die voldoen aan de hoogste privacy-eisen, en er wordt onder strakke aansturing en voorwaarden innovatiegeld ter beschikking gesteld.
  • Patiënten, patiëntenorganisaties en lokale en regionale overheden moeten meer betrokken zijn bij de vormgeving en afspraken voor het regionale aanbod aan publieke zorg.

Geen zorgtaken bij gemeenten, zorg wordt weer een recht in plaats van een voorziening

De rol van gemeenten met betrekking tot inkoop en toegangsregulering van publiek gefinancierde zorg vervalt. En daarmee ook de beruchte keukentafelgesprekken.

De aanspraken op zorg in termen van toegang en kwaliteitsnormen worden weer wettelijk afdwingbare rechten in plaats van voorzieningen die niet afgedwongen kunnen worden. Daarbij mag niet – zoals nu wel gebeurt – categoraal de zorg aan jonge kinderen (<8 jaar) op grond van de Wlz geweigerd worden omdat ‘ouders daartoe een reguliere zorgtaak hebben.’ Eigen kracht moet een recht zijn, geen plicht. Ook moet de indicatie passend zijn, dus niet zoals nu vaak gebeurt, aan chronisch zieken en ouderen zeer kortlopende Wmo-indicaties afgeven – dat is onnodig bureaucratisch en belastend. Ook indicaties aan ernstig meervoudig gehandicapte kinderen worden nu te vaak opgescheept met kortlopende indicaties. Deze indicaties worden in het vervolg door de huisarts of wijkverpleegkundige gegeven. Daartoe krijgen zij aanvullende scholing en ondersteuning.

Ook het CIZ wordt opgeheven en vervangen door indicaties van huisarts en/of wijkverpleegkundige, waardoor diagnoses niet meer plaatsvinden zonder persoonlijk gesprek met de cliënt door. Waar dat nu al gebeurt is de kwaliteit van de diagnose beter. Het CIZ heeft nu overigens grote achterstanden en wachttijden. De financiering van diagnostisch onderzoek wordt vergoed – nu is dat onduidelijk geregeld. Volledig en modulaire zorgpakketten moeten thuis beschikbaar komen. Nu wordt dat door de zorgverzekeraars in de WLZ bijna niet beschikbaar gesteld. De procedure om voor zgn. meerzorg (voor situaties waarin reguliere budget niet volstaat) in aanmerking te komen wordt versimpeld.

Doordat we de financiering van alle publieke zorg in één hand leggen (het Rijk, via regionale zorgkantoren) wordt het aantal spelers en de afstemproblemen drastisch verminderd. Bij crisis- en spoedsituaties voeren we een doordrukmacht in.

Sterke rechtspositie patiënt

De vrije keuze van cliënten en patiënten welke zorgverlener men binnen het publiek gefinancierde zorgaanbod kiest, moet wettelijk worden gewaarborgd.

Er moet altijd onafhankelijke cliëntondersteuning zijn, die actief aangeboden wordt, vanaf het eerste contact. Daartoe worden extra middelen vrijgemaakt. Cliëntondersteuners moeten gecertificeerd zijn. Zij krijgen toegang tot informatie over de toekenning van pgb’s. Zij beschermen privacy van de cliënt en mogen dus niet onder druk gezet worden door financiers om vertrouwelijke cliëntgegevens te delen (zoals nu wel gebeurt). Speciale aandacht krijgen cliënten met een (licht) verstandelijke beperking, laaggeletterden, en anderen voor wie eenvoudig begrijpelijke communicatie vereist is.

Zelfredzaamheid/eigen kracht, ook van mantelzorgers, moet geen eis (plicht) zijn, maar een recht, en moet ondersteund worden. Geen vervanging van professionele zorg door mantelzorgers als professionele zorg nodig is. De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof, en een kortere werkweek.

Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. De gemeenten spelen hierbij geen rol meer. De verstrekking verloopt via de regionale zorgkantoren. We versimpelen de procedures rondom het PGB.

Er komt een landelijke regeling voor de rechtsbescherming van cliënten in de zorg, met een goede bezwaar- en beroepsregeling en betere toegang tot de Nationale Ombudsman. De bescherming van privacy wordt strikt gewaarborgd. Het medisch beroepsgeheim moet niet worden aangetast, maar juist verder versterkt worden.

Investeren in betere zorg

In de zorg dreigt een tekort van 125.000 personeelsleden in 2022. Om de werkdruk te verlagen en de kwaliteit van zorg te verbeteren, verlagen we de norm voor huisartsen van 2300 naar 1800 cliënten, en geven hun meer assistenten, er komen 70.000 extra professionals in de verpleeghuiszorg, er komen 100.000 (wijk)verplegers, thuiszorgmedewerkers (incl. huishoudelijke hulp), activiteitenbegeleiders en medewerkers in de dagopvang bij. En er komen extra banen voor maatschappelijk werkers, behandelaars en begeleiders in de jeugdzorg, de GGZ en in de forensische zorg, meer professionals in de spoedeisende hulp, meer ambulancemedewerkers en andere zorgprofessionals. In totaal gaat het om tenminste 200.000 extra banen in de zorg.

Langer thuiswonen levert besparingen op, maar dan moet je niet tegelijk bezuinigen op de thuiszorg, de huisarts goed faciliteren en andere randvoorwaarden beter regelen. We investeren in het meer en beter opleiden en betalen van m.n. verplegers en medewerkers in de thuiszorg, inclusief de huishoudelijke hulp en de activiteitenbegeleiding. We lossen de tekorten op in jeugdzorg en ggz op en investeren in het bestrijden van zelfredzaamheid en het kunnen leven met een beperking, incl. dementie. Dit gaan we doen:

  • We investeren extra in de thuiszorg en de wijkverpleging, en in levensbestendige woningen (buggyproof is ook rollatorproof) en in aangepaste woonvormen voor mensen met een beperking en voor ouderen.
  • In de thuiszorg gaan we weer terug van taakgerichte zorg naar persoonsgerichte zorg in zelfsturende teams, zonder minutenzorg en afvinklijstjes, maar met meer tijd en aandacht voor een persoonlijke relatie met de cliënt.
  • We verhogen de lonen in de thuiszorg (de verzorgenden die mensen thuis helpen met zich wassen, medicijngebruik, het meten van bloedsuiker, de stoma verzorgen en vragen hoe het met mensen gaat, overleggen met familieleden, schakelen huisarts, apotheek of ergotherapeut in wanneer dat nodig is), van de verpleegkundigen in verpleeghuizen en in de wijken en van de zorgwerkers in de huishoudelijke hulp. Ook moet wat gedaan worden aan de werkdruk. De werkdruk stijgt o.m. doordat de zorgzwaarte van hun patiënten en cliënten stijgt.
  • We investeren ook in de scholing van zorgpersoneel. Er moeten meer mensen opgeleid worden voor met name ouderenzorg. Het aantal wijkverpleegkundigen moet drastisch omhoog, met investeringen in een beter salaris, minder werkdruk, meer professionele autonomie en in hun opleidingen. En er is extra scholing nodig voor het huidig zorgpersoneel over nieuwste inzichten voor betere begeleiding en betere diagnose. Met name bij mensen met een (licht) verstandelijke beperking is nu te vaak sprake van onvoldoende (h)erkenning van de problematiek. Nieuw personeel is niet maar zo beschikbaar, de instroom in opleidingen blijft achter. We maken dat aantrekkelijker door vrijstellingen van collegegeld/studieheffing, door meer stages in verpleeghuizen en in de wijkverpleging om de sector te ontdoen van negatieve vooroordelen, betere beloning, en betere voorlichting. Verder zetten we ook in op bijscholing van de huidige zorgverleners. Dat kan met erkenning van de in de praktijk reeds verworven competenties, met een diploma na een stage elders.
  • We zorgen ook voor meer budget en professionele medewerkers voor dagbesteding en activiteitenbegeleiding.

De extramuralisering gaat nu – net als de verhoging van de pensioenleeftijd – echt veel te snel. Wat ons betreft is het wenselijk dat er meer in plaats van minder verzorgingshuizen komen, samen met allerlei andere woonvormen met ondersteuning. Daarmee zouden de moeilijkheden in de keten van zorg voor ouderen als sneeuw voor de zon verdwijnen, de capaciteit van de spoedeisende hulp zich wonderbaarlijk vermenigvuldigen en de sterfte onder bejaarden als gevolg van vallen drastisch afnemen.

We investeren extra in betaalbare, levensloopbestendige woningen en allerlei woonvormen voor ouderen die hen meer in de gelegenheid stellen om zo lang mogelijk zelfstandig te wonen. Dat wordt een wettelijke opdracht aan gemeenten en woningcorporaties, in samenwerking met zorgaanbieders. Hiertoe worden onder landelijke regie regionale plannen gemaakt, en gemeenten moeten in hun woonvisie daar aanvullende richtlijnen over opstellen. Ook voor 18+-jongeren met een LVB of autisme krijgt de gemeente en de woningbouwcorporatie een bouwplicht. Gemeenten zijn nu niet altijd bereid tot het betalen van een woningaanpassing voor een cliënt met een beperking. De cliënt wordt dan alternatieve woonruimte met hogere woonlasten aangeboden. Hierdoor komt de cliënt in financiële problemen. Het recht op woningaanpassing wordt daarom wettelijk beter geregeld met objectieve criteria en ruimte voor maatwerk ten gunste van de cliënt. De uitvoering en financiering van woonaanpassingen blijft bij de gemeente liggen. Door meer levensbestendig te bouwen kunnen gemeenten de kosten op termijn verlagen. Woonaanpassingen worden weer vormgegeven als afdwingbaar recht, niet meer als ‘voorziening’.

Verpleeg- en verzorgingshuizen richten voor hun woonactiviteiten een woningcoöperatie op of gaan een samenwerking aan met een bestaande woningcoöperatie. De regels voor sociale huur (die we aanzienlijk willen verbeteren ten gunste van lage inkomens) zijn hierop van overeenkomstige toepassing, inclusief wat ons betreft een maximale huurquote voor inkomens waarvoor sociale woningbouw beschikbaar.

We investeren in betere verpleeghuizen met voldoende capaciteit en meer verpleegbedden voor kortdurende opnames. Wij onderschrijven het manifest van Hugo Borst en Carin Gaemers Scherp op Ouderenzorg en het daarop gebaseerde plan voor liefdevolle verpleeghuiszorg, met als criterium twee professionele zorgverleners per groep van 6 tot 8 bewoners in alle verpleeghuizen. Dat impliceert 70.000 extra zorgmedewerkers. Het extra geld daarvoor, structureel 2 miljard euro, wordt alleen verstrekt als men ook voldoet aan de kwaliteitseisen. Toegangsnorm is dat je 24 uur per dag zorg nodig hebt. De bedrijfsvoering moet veel efficiënter, de kwaliteit van leven moet omhoog. De afbouw van verzorgingshuizen wordt gestopt – dit moet een voorziening blijven voor ouderen die liever hiervoor kiezen dan (alleen) thuis wonen. Er is meer aandacht en geld nodig voor bestrijding van depressies, voor onderzoek naar en begeleiding van dementerenden en voor bestrijding eenzaamheid. De tekorten in de dagbesteding, woonvormen en zorgverlening aan cliënten met meervoudige problematiek worden met een actieplan opgelost.

We investeren extra in de GGZ, waar tekorten nu tot problemen leiden. En in de Jeugdzorg (incl. jeugd-GGZ, met prioriteit aan hulp voor suïcidale kinderen en kinderen die thuis gevaar lopen), met een structurele oplossing van de 18-plus overgangsproblematiek. Een apart probleem hier is dat het meestal niet mogelijk is om een indicatie met de grondslag verstandelijke beperking te krijgen indien deze beperking niet voor het 18e jaar is vastgesteld. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet is gebeurd. Zo is een deel van deze cliënten opgegroeid en opgevangen door ouders of binnen het eigen netwerk. Op het moment dat ouders en het netwerk dat niet meer aan kunnen, wordt een indicatie aangevraagd. Migranten behoren tot een andere groep cliënten, waarbij vaak niet voor het 18e levensjaar een verstandelijke beperking is vastgesteld of daarover geen gegevens beschikbaar zijn. Er is ook een tekort aan pleegzorgouders. Al deze tekorten vragen om een actieplan. De wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg moeten binnen een jaar weggewerkt worden. Het verkorten van de wachttijd voor mensen met autisme, persoonlijkheidsstoornissen, trauma’s en licht verstandelijke beperkingen krijgt prioriteit. Teneinde de stijging in de doorgeleiding naar gespecialiseerde GGZ tot staan te brengen is moeten we in de geestelijke gezondheidszorg alles richten op de zogeheten ‘vroegsignalering’ en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn. De aanpak in het VK met de NHS dient ons daarbij als voorbeeld, waarbij al het zorggeld uit één pot komt en er in de hele ‘keten’ vanuit dezelfde ideeën wordt samengewerkt.

Er moet meer ondersteuning komen voor ouders in de jeugdzorg om beter te helpen eigen innovatieve alternatieven te kunnen realiseren bij juist zwakkere ouders.

Ook het zorgvervoer heeft een hoger budget nodig. Waar mogelijk worden trainingen verzorgd om mensen zoveel mogelijk zelfstandig te laten reizen. Het OV moet toegankelijk zijn voor mensen met een beperking. We investeren in het toegankelijk maken van publieke voorzieningen, terreinen en gebouwen voor mensen met een beperking. We voeren de uitvoering van het VN-verdrag voor non-discriminatie van mensen met een beperking versneld uit. De toegankelijkheid van gebouwen, de openbare ruimte, het vervoer, de media en noodzakelijke communicatie moet binnen 10 jaar gerealiseerd zijn.

Innovatie wordt bevorderd met een landelijk expertisecentrum, dat goede praktijken breder beschikbaar maakt en geld beschikbaar stelt voor innovatieve experimenten.

 

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

De decentralisatiedwaling: de noodzaak om te komen tot één regeling, één financiering en één loket voor de hele zorg

Door Rutte II werd met ingang van 2015 een grote bezuiniging op de care gerealiseerd met o.m. twee decentralisaties van zorg naar de gemeenten:

  • De jeugdzorg. De bestaande bestuurlijke lappendeken van voorzieningen voor jeugdzorg werd strakgetrokken, doordat alle vormen van jeugdzorg onder de gemeenten zijn gaan vallen;
  • De thuiszorg en begeleiding van ouderen en gehandicapten. De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) financiert nu alleen nog intramurale ouderen- en gehandicaptenzorg. Nieuwe cliënten met een lichtere zorgvraag worden niet langer toegelaten binnen de muren van verzorgings- en verpleeghuizen. Zij moeten voortaan zorg in hun eigen omgeving krijgen: langer thuis wonen. De aanspraken op extramurale verpleging en verzorging werden uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gehaald en toegevoegd aan het basispakket dat voor iedereen wordt gedekt via de Zorgverzekeringswet en de zorgverzekeraars door de Wet Langdurige Zorg (WLZ). Gemeenten werden na een aanpassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) verantwoordelijk voor alle daarvoor nog via de AWBZ gefinancierde activiteiten voor de ondersteuning en begeleiding van cliënten.

Met de over te hevelen voorzieningen was in 2015 bijna € 14 miljard gemoeid. Het budget van de gemeenten zwol minder op, te weten met circa € 12 miljard. Het verschil tussen beide bedragen ontstond, doordat het kabinet ervan uitging dat de decentralisaties in de loop van de kabinetsperiode een toenemende, tot bijna € 4 miljard oplopende (netto)bijdrage zouden leveren aan de geplande bezuinigingen op de collectieve uitgaven. Op (heel) lange termijn zou zelfs bijna het dubbele van dit bedrag worden bespaard.

Het was van het begin aan duidelijk dat structurele bezuinigingen in het sociale domein in de orde van grootte van € 4 miljard onontkoombaar zullen leiden tot een aanzienlijke versobering van de betrokken voorzieningen. Bovendien werden daarvoor bestaande — nationaal uniforme, via de rechter afdwingbare — rechten ingeruild voor ‘voorzieningen’, waarvan de inhoud, beschikbaarheid en reikwijdte in de nabije toekomst in belangrijke mate worden bepaald door de gemeenteraad. Lokale bestuurders moesten de aanspraken op voorzieningen in gemeentelijke verordeningen preciseren binnen de ruimte die de centrale overheid daarvoor schept. Voor burgers die zich tekortgedaan voelen staat weliswaar een beroep op de rechter open, maar tegelijk staat vast dat de rechter gemeenten beleidsruimte gunt, zij het niet onbeperkt – zoals steeds meer gemeenten tot hun schade en schande ondervinden. Als gevolg van de decentralisaties zijn de verschillen in het voorzieningenniveau en de hoogte van door gebruikers verschuldigde eigen bijdragen tussen gemeenten fors toegenomen.

Het kabinet Rutte-II verdedigde de decentralisaties met verschillende argumenten. Uitgangspunt is dat burgers zoveel mogelijk ‘zelfredzaam’ dienen te zijn. Wie dat echt nodig heeft kan evenwel blijvend rekenen op ondersteuning door de overheid, zo werd gesteld. Daarbij is ‘maatwerk’ nodig. Gemeenten zijn het meest geëigend om ondersteuning te organiseren die rekening houdt met de specifieke omstandigheden waarin iemand verkeert. Zij staan het dichtste bij hun inwoners, zo was de redenering. Medewerkers van de gemeente kunnen in de thuissituatie nagaan hoeveel steun van familieleden en van persoonlijke netwerken mag worden verwacht. Door de regie in één hand te leggen en bestaande financiële en institutionele schotten tussen voorzieningen te slopen, vermindert de bureaucratie en kan een einde komen aan de praktijk waarin soms tal van hulpverleners langs elkaar heen werken – zo werd deze ingreep verkocht.

Neoliberaal verhaal over zelfredzaamheid

De decentralisatie ging gepaard met een neoliberaal verhaal over een participatiesamenleving, als alternatief voor de verzorgingsstaat. Rechten en vangnetten verdwenen, en tegelijkertijd zijn er meer plichten. Daarbij wordt een groter beroep op de zelfredzaamheid van burgers gedaan. Cruciaal daarbij is dat de gemeentelijke zorg, anders dan de vroegere AWBZ-zorg, geen recht van de burger meer is maar een ‘voorziening’. Dat betekent dat gemeenten zelf mogen bepalen welke zorg ze leveren en voor wie, het budget is voortaan ‘taakstellend’.

Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen. Maar calculerend gedrag op dat terrein is niet altijd wenselijk vanuit het publieke, algemeen belang. Het stimuleren van individueel kostenbewustzijn heeft een neveneffect. De burger wordt gereduceerd tot een consument. Een consument die vooral zijn eigen belang moet behartigen. Deze mentaliteit is inmiddels dieper in onze samenleving geworteld dan goed voor ons is. Zij is ook zichtbaar bij bestuurders van (semi)publieke instellingen die de geleidelijke aanpassing van hun salaris aan de Balkenende-norm aanvechten bij de rechter onder de titel dat zij ‘ook rechten’ hebben.

De nadruk op eigen verantwoordelijkheid van de burger leidt ook tot het aansprakelijk stellen van de burger als die een fout maakt. Er is een bijna maniakale nadruk op rechtmatigheid bij de overheid. In normale bedrijven wordt doorgaans rekening gehouden met 10 procent verlies door welke oorzaak dan ook. Bij de overheid evenwel, ‘moet alles voor 100 procent kloppen, anders noemen we het fraude. In 2016 werden honderden miljoenen declaraties ingediend bij de zorgverzekeraars voor in totaal 44,3 miljard euro aan zorgkosten. Het geconstateerde fraudepercentage daarop is gering: 0,04 procent. Niettemin willen de neoliberalen nog meer focus op fraudebestrijding, ervan uitgaande dat iedere burger en iedere zorgverlener fraudeert, tenzij deze anders kan bewijzen.

En hoe werkt dat uit als de overheid tegelijkertijd propageert dat bij een zorgvraag eerst wordt gekeken wat de betrokkene zelf en zijn netwerk (familie, buren, vrienden) nog kunnen en dat de professionele hulp de gaten vult?  De overheid kan niet het ene moment oproepen om vooral het eigen belang na te streven en het volgende moment oproepen om je toch vooral om je naasten te bekommeren. Het is of het een of het ander. Wat ons betreft zet de overheid in op het laatste. Dat betekent dat de geest van het kortzichtige eigenbelang terug in de fles moet. Van zelfredzaamheid dus naar samenredzaamheid. Emancipatorische concepten als eigen kracht zijn volstrekt ontspoord in neoliberale concepten van eigen verantwoordelijkheid en een plicht tot mantelzorg van familie, buren en vrienden.

De werkelijkheid is dat veel zorgvragers mensen om zich heen hebben die graag dingen voor ze doen. Maar dan moet de overheid wel daarin zijn nieuwe rol pakken en niet de bezuinigingsopdracht centraal stellen. Er is niets tegen, integendeel, om de omgeving, die vaak toch al hulp verleent, bij de zorg te betrekken. Maar je kan geen mantelzorg afdwingen. De vrijwillige solidariteit is in Nederland gelukkig nog altijd groot, maar vrijwillige solidariteit zal altijd ingebed moeten zijn in collectieve solidariteit (wat de VVD afgedwongen solidariteit noemt). Al was het maar omdat niet iedereen een netwerk heeft. Dat is waar onze voorgangers in de sociaaldemocratie de verzorgingsstaat voor hebben opgebouwd.

Veel zorgvragen vragen professionele hulp en ondersteuning en kunnen niet worden afgeschoven op de nu sterk overbelaste mantelzorgers. Bovendien zijn veel mantelzorgers zelf ouderen, en kunnen zij in toenemende mate zelf geen beroep doen op mantelzorg, nu de arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt. Ook moet erkend worden dat veel zorgvragers onvoldoende eigen kracht hebben om het zelf te regelen. De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof, en een kortere werkweek.

Geen inhoudelijke verbetering

De decentralisatie van zorg naar de gemeenten is tot dusver in de praktijk vooral een administratieve herordening gebleken in plaats van een inhoudelijke verbetering. Mensen worden van het ene loket naar het andere doorgestuurd, het beleid is versnipperd en veel overheids- en zorginstanties willen de werkelijkheid aan de onderkant van de samenleving niet kennen.

Een deel van de cliënten is vereenzaamd. Zij beschikken niet over hulpvaardige familie of een bloeiend sociaal netwerk. Kinderen wonen steeds vaker op betrekkelijk grote afstand van hun ouders en kunnen daardoor niet eenvoudig bijspringen. Wanneer kinderen zelf nog een gezin grootbrengen, wordt mantelzorg aan hun ouders verlenen een loodzwaar karwei.

Het is voor bureaucraten allesbehalve eenvoudig om te bepalen in hoeverre familie en sociaal netwerk ondersteuning kunnen en willen verlenen. Subjectieve inschattingen zijn hierbij onvermijdelijk. In min of meer vergelijkbare gevallen kunnen uitgebrachte adviezen — afhankelijk van de persoon van de voor de beoordeling eindverantwoordelijke gemeenteambtenaar — substantieel verschillen. Mensen die de weg weten en brutalen hebben samen meer dan de halve wereld. Zij zullen vaak meer ondersteuning claimen en ontvangen dan binnen de beperkingen van het beschikbare budget op objectieve gronden noodzakelijk is. Minder assertieve of gezagsgetrouwe cliënten zullen zich sneller voegen naar wat bureaucraten beslissen. Dat was ook al zo via de AWBZ gefinancierde ondersteuning. Maar daar hadden hulpbehoevenden recht op wettelijk omschreven zorg. Dat is nu niet meer zo.

Er past de nodige scepsis bij de met jargon doorspekte teksten van Haagse notaschrijvers over maatwerk, multiproblematiek en via decentralisatie van taken naar de gemeenten te behalen efficiencyvoordelen. De drie operaties moesten bovendien binnen amper twee jaar tijd hun beslag krijgen, terwijl de rijksoverheid soms halverwege het spel de doelpalen heeft verzet. Bij overhaaste executie van de taakoverheveling kunnen bovendien heel gemakkelijk dingen vreselijk misgaan, hetgeen ook in de praktijk bleek. De betrachte haast bij de overheveling van taken was vooral verklaarbaar door de ook in economisch opzicht stupide wens het begrotingstekort terug te drukken tot 3% van de economie of minder.

De gedachte was ook de zorg dichtbij de burger te organiseren om meer integraal maatwerk te organiseren, maar maakwerk betekende in de praktijk altijd minder zorg, en in plaats van dat professionals meer ruimte kregen om integraal maatwerk te kunnen leveren werd de bureaucratie van de Rijksoverheid vervangen door niet in omvang onderdoende gemeentelijke bureaucratie.

In plaats van kwalitatieve verbeteringen en innovatie sturen de meeste gemeenten vooral budgettair, gedreven door de bezuinigingen en onzekerheden en bij gebrek aan goede kwalitatieve instrumenten. Niettemin verwachten een aantal gemeenten niettemin forse tekorten in het hele sociale domein. Belangrijkste reden is dat het Rijk de bezuinigingen al heeft ingeboekt voordat geld besparende hervormingen in de zorg konden plaatsvinden en dat deze hervormingen in de beginjaren door investeringen juist meer kosten.

Door de decentralisatie is de ouderenzorg opgeknipt en verdeeld tussen rijk (een beperkt budget voor intramurale verpleeghuiszorg), gemeenten (de gewijzigde Wmo) en zorgverzekeraars (de Wlz). Goedkopere zorg, in overleg rond de keukentafel, was het doel. Het resultaat tot nu toe: wantrouwen, bureaucratie en hogere kosten.

Niet bezuinigen, maar anders investeren

Op de care, de zorg voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen die niet gericht is op behandeling en genezing maar op verzorging, is de afgelopen jaren veel meer bezuinigd dan op de cure: de ziekenhuizen, specialisten en medicijnen. Een grove schatting leert dat er op de zorg voor ouderen en gehandicapten zowel absoluut als procentueel 2,5 keer zo veel werd bezuinigd als op de ziekenhuizen en medisch-specialistische zorg. Minder huishoudelijke hulp: –600 miljoen; minder begeleiding en dagbesteding van gehandicapten, dementerenden en anderen: –700 miljoen; minder ouderen, chronisch zieken en gehandicapten in een tehuis: –500 miljoen; minder wijkverpleging: –530 miljoen. Daarnaast is er nog een serie kleinere bezuinigingen doorgevoerd.

Een van de gebruikte argumenten om juist op de langdurige zorg te bezuinigen is dat de kosten van de care sterker zouden toenemen dan van de cure. Misschien is er best een jaar te vinden waarin dat het geval is, maar door de bank genomen is het echter niet waar. Waarom werd er afgelopen jaren dan toch vooral bezuinigd op de langdurige zorg? De VNG stelde hierover dat het vooral een kwestie was waar bezuinigen de meeste pijn doen. ‘En dan is het vrij simpel: de cure redt levens, vergeleken daarbij is iets als de huishoudelijke hulp tamelijk futiel. Dus dan is de keuze snel gemaakt.’

De keuze voor bezuinigen op care heeft ook te maken met de betrokkenheid van het rijk, denkt Marijke Vos, voorzitter van Sociaal Werk Nederland: ‘Sinds welzijn de verantwoordelijkheid van gemeenten is, is het voor het rijk buiten beeld. Eenzaamheidsbestrijding, activering, mensen helpen zichzelf ondanks hun beperkingen toch te ontwikkelen, sociale vaardigheden, preventie, het is allemaal van het bordje van het rijk af.’

Het is pas sinds kort dat in Nederland allerlei vormen van hulp en ondersteuning ‘zorg’ heten. Dagbesteding, huishoudelijke hulp en hulp bij zelfstandig wonen heetten voorheen allemaal ‘welzijn’. Maar begin jaren tachtig van de vorige eeuw kwam welzijn onder vuur te liggen. Moest de overheid zich daar eigenlijk wel mee bezighouden, met het welzijn van mensen? Steeds meer welzijnswerk afficheerde zich om tactische redenen als ‘zorg’. Maar de benaming ‘zorg’ biedt geen bescherming meer tegen bezuinigingen. Sterker nog, voor je het weet word je afgewogen tegen die andere zorg, de medische zorg, en dan is de keuze gauw gemaakt. Overal in Europa wordt op de langdurige zorg bezuinigd. Welzijn is het arme neefje van de zorg, heeft een lagere status. Terwijl de maatschappij schreeuwt om meer sociale zorg. Linkse politiek zou juist het welzijnswerk en daaraan gerelateerde zorg weer in ere moeten herstellen.

Ouderenzorg

De totale kosten van ouderenzorg stijgen nu, ondanks de bezuinigingen in de langdurige zorg. Deze stijging komt grotendeels voor rekening van het zorgdeel dat wordt gefinancierd via de zorgverzekeraars, waaronder de wijkverpleging valt. Naast de stijging in de zorgverzekeringswet geeft het ministerie nu ook aan dat in 2018 ook de uitgaven voor de verpleeghuiszorg weer stijgen. Boven op de extra middelen die sowieso nodig zijn door de vergrijzing zal dan 435 miljoen euro extra worden uitgegeven, als eerste stap naar de nieuwe normen voor goede verpleeghuiszorg. Structureel moet er 2,1 miljard euro bijkomen. De besparing was vooral bedoeld om de kosten van de dure verpleeghuiszorg terug te dringen. Die operatie is echter nu al mislukt.

Ook op andere plekken stijgen de kosten voor ouderenzorg. Als je naar de totale zorgkosten per oudere kijkt dan zie je dat de bezuiniging in de langdurige zorg leidt tot een stijging in de kosten op andere zorggebieden, die worden gefinancierd via de zorgverzekeraars. Ouderen meldden zich vorig jaar bijna twintig procent vaker op de spoedeisende hulp dan het jaar ervoor. Ook was er een toename (87 procent!) in het zogenoemde eerstelijnsverblijf: 65-plussers die in zorginstellingen zitten omdat zij om medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen, bijvoorbeeld na een opname in het ziekenhuis. De eerste twee jaar stegen die kosten met een miljard per jaar. In 2018 wordt een stijging van twee miljard verwacht. Deels is deze stijging te wijten aan de toename van het aantal ouderen. Maar omgerekend naar de kosten per oudere liggen dit jaar de totale kosten per oudere al weer bijna op het niveau van drie jaar geleden. Kortom: de bezuiniging en transitie in de langdurige ouderenzorg leiden niet tot de gewenste lagere zorgkosten per oudere, maar hebben het tegenovergestelde effect.

We hebben de ouderenzorg grotendeels afgebroken, zonder dat er goede zorg thuis tegenover stond. Op zich was het idee om de zorg zo dicht mogelijk bij de patiënt te regelen goed. Maar dat vergt een wijkteam dat nauw samenwerkt met de wijkverpleegkundige en huisarts, om de oudere zo goed mogelijk te begeleiden. In de praktijk gebeurt dat maar sporadisch. Gemeenten en zorgaanbieders zijn verstrikt geraakt in een woud van contractverhoudingen. De focus ligt niet op zorg, maar op kostenbeheersing en het voorkomen van fouten via contracten en protocollen. Gesprekken tussen zorg- en gemeentebestuurders lopen in toenemende mate via accountants. Een bizarre, perverse ontwikkeling.

Bovendien leiden al die regels nergens toe, ze leiden tot financiële schijnzekerheid. Zorginstellingen hebben nu te maken met de tucht van de markt: elk jaar opnieuw moeten ze met elkaar de concurrentiestrijd aangaan om een contract te krijgen met de gemeente. Ze werken met minimale winstmarges en zijn vooral bezig met overleven. Tegelijkertijd moeten ze voldoen aan de bureaucratie van de overheid, die probeert grip te houden op de zorguitgaven. De situatie sinds de transitie is het slechtste van twee werelden: Marktwerking zonder vrijheid van de markt; en bureaucratie zonder de zekerheid van een overheid.

Veel gemeenten bedingen schandalig lage tarieven in de aanbesteding van thuiszorg, waarbij marktpartijen door taakopsplitsing en minutenzorg proberen de kosten nog verder te verlagen. Daarbij wordt de cao in de thuiszorg ontdoken, en wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van flexwerk, soms ook met zzp-ers. Dan wordt er ook geen pensioen opgebouwd en zijn de zorgwerkers niet of slecht verzekerd. Onder Rutte II zijn 67.000 thuiszorgmedewerkers hun baan kwijtgeraakt. Het gaat daarbij vooral om laaggeschoold werk, dat toch al in de hoek zit waar de klappen op de arbeidsmarkt vallen. Vele gemeenten besteden de zorg vooral aan op basis van prijs, niet op kwaliteit.

Dientengevolge gingen vele thuiszorginstellingen failliet. Vaak verschuilen de wethouders zich achter de bezuinigingen die met de decentralisaties gepaard gingen. Gemakshalve werd daarbij vergeten dat ze zelf via de VNG akkoord waren gegaan met deze opzet. Nadat de kritiek aanhield, met name ook georganiseerd door FNV Zorg en Welzijn, kwam er een commissie die o.l.v. oud-CNV-voorzitter Doekle Terpstra een gedragscode opstelde voor de salariëring van thuiszorgmedewerkers, in een poging de neerwaartse spiraal van steeds lagere tarieven te keren. Die code kwam er. Met vooral afspraken dat gemeenten niet alleen tegen de laagste prijs zorg inkopen, maar ook mikken op een duurzaam samenwerkingsverband met zorginstellingen, met aandacht voor kwaliteit bij de aanbesteding en een duidelijke verantwoording door de gemeenten welk tarief ze bereid zijn te betalen: met een opbouw van de te verwachte kosten. De code is nog vrijblijvend, en dat blijken de gemeenten ook zo te zien. Pas zeer recent, na hernieuwde politieke druk vanuit de Tweede Kamer, lijken de gemeenten zich gewonnen te gaan geven.

Het lijkt alsof de verkeerde decentralisatie is doorgevoerd. De zorg komt niet dichter bij de burger, er is alleen een bestuurlijke decentralisatie geweest, waarbij het rijk taken over de schutting gooide naar gemeenten en zorgverzekeraars, die de bestaande bureaucratie verder uitbreidden.

De extramuralisering van de zorg (langer en meer zelfstandig wonen) wordt nu ook te snel doorgevoerd. Dat geldt zowel voor de afbouw van verpleeghuizen als van psychiatrische ziekenhuizen. Om het buiten-de-murenbeleid een succes te maken, moet er ook beleid en geld zijn voor buiten de muren. Dat moet dan ook eerst gereed zijn: maatschappelijke dagbesteding, activiteitenbegeleiding, betaalbare aangepaste woonruimte, iemand die op ze let en voorkomt dat ze wegkwijnen in eenzaamheid en/of verward over straat lopen, etc.

De vraag naar verpleeghuiszorg zal de komende jaren explosief toenemen. De verwachting is dat het aantal 80-plussers, die de hoofdmoot vormen van de verpleeghuisbewoners, gaat verdubbelen van zo’n 735.000 nu naar 1,5 miljoen in 2025. Doordat Rutte II de toegang heeft beperkt, komen alleen ‘zware gevallen’ nog in aanmerking. Het aantal verpleeghuisbewoners is niettemin gestegen van 66.000 in 2010 naar 80.000 in 2016. De gemiddelde kosten per bewoner stegen van 71.000 euro per jaar in 2010 naar 82.000 euro in 2016.

Verzorgingshuizen zijn bedoeld voor mensen die niet meer zelfredzaam zijn. Dat is sinds de jaren 70 van de vorige eeuw het beleid van de overheid. Dit betekent dat de beschikbare capaciteit is gereserveerd voor mensen die sterk hulpbehoevend zijn. Het accent is verschoven van opvang in verzorgingshuizen naar verpleeghuizen. Die eerste waren voor mensen die (vooralsnog) lichte zorg nodig hebben en ondersteuning, in die tweede verblijven mensen die niet meer zelfstandig zijn en continu zorg nodig hebben wegens lichamelijke of mentale beperkingen. Tussen 1980 en 2010 is het aantal beschikbare plaatsen in verzorgingshuizen van ongeveer 150.000 teruggelopen tot 84.000, een daling van 44 procent. Ondanks de vergrijzing loopt het aantal bewoners van verzorgingshuizen terug. In 2012 waren er 2,7 miljoen 65-plussers, in 2041 zijn er 4,7 miljoen. Het aantal cliënten in verzorgingshuizen daalt sneller dan de beschikbare plaatsen. De zorg bij mensen thuis (extramuraal) neemt toe en die in tehuizen (intramuraal) neemt af.

Veel verzorgingshuizen worden als gevolg van die grotere zorgbehoefte gesloten en de resterende gaan samen met verpleeghuizen. De leeftijd voor opname daar wordt steeds hoger en de opnameduur steeds korter. Ook belanden kwetsbare ouderen vaak onnodig in het ziekenhuis. 98 procent van de bevolking wil dat de verzorgingshuizen blijven. Omdat kwetsbare ouderen daar onderdak, eten en verzorging vinden, en ook aanspraak en gezelligheid.

De kwaliteit van verpleeghuiszorg staat daarbij onder druk, al zijn er grote verschillen. Uit rapporten van de Inspectie voor de Gezondheidszorg blijkt dat er tussen de 341 organisaties die verpleeghuiszorg aanbieden op maar liefst 2057 locaties veel kwaliteits- en efficiëntieverschillen zijn.

Bij een onderzoek naar woningen voor ouderen werden verschillende varianten vergeleken: wonen onder het dak van een grotere zorgorganisatie, wonen in de zeer nabije omgeving daarvan of wonen in gewone woonwijken. De voorkeur van beleidsbeslissers was duidelijk: men ging ervan uit dat ouderen ‘in de wijk’ wilden wonen. Dan bleven ze immers deel uitmaken van de maatschappij. Want ‘wie wil er nu in zo’n bejaardengetto wonen, waar iedere dag de lijkwagen komt voorrijden?’ Dat was natuurlijk een retorische vraag. Onderzoek onder zelfstandig wonenden van zeventig à vijfenzeventig jaar die in hun nabije omgeving personen kenden die niet meer zelfstandig woonden gaf echter een heel andere uitkomst. Uiteindelijk koos slechts 10% voor wonen in de wijk, tussen mensen van alle leeftijden. Maar liefst 90 % gaf de voorkeur aan wonen in de directe omgeving van een grote zorginstelling of onder het dak van zo’n organisatie.

Er werd ook gevraagd naar de waarden die de respondenten verbonden aan wonen. Daarbij scoorden veiligheid, gezelschap en gezelligheid hoog. Gezelschap betekende vergelijkbare mensen in vergelijkbare omstandigheden in de directe omgeving. Mensen met vergelijkbare gespreksonderwerpen.

Gezelligheid betekende voldoende mogelijkheden tot ontspanning met bijvoorbeeld een winkel, een kapper en een horecagelegenheid in de directe omgeving. Veiligheid betekende snelle medische hulp als je die nodig hebt. En fysieke veiligheid: in een woonwijk ben je als oudere kwetsbaar. Wat kun je als iemand met slechte bedoelingen aan de deur komt?

Wat de beleidsbeslissers over het hoofd zagen, is de kloof tussen hun eigen situatie en die van de meeste ouderen. Ze dachten te weten wat de doelgroep wil en wat niet. Daarbij baseerden ze zich op wat ze zelf zouden willen: zelfstandig wonen in de wijk en niet in een bejaardengetto. Met een verwijzing naar hun eigen vader, moeder of oude tante: ‘die wil dat ook niet’. Maar wat ze zich niet realiseerden, is dat zij zelf in staat waren om op hoge leeftijd in een prettige buurt te blijven wonen. Ze hebben het financieel goed. En hun ouders meestal ook. Daarbij verliezen ze een heel grote groep uit het oog die niet beschikt over die financiële mogelijkheden. En die niet wil blijven wonen in een wijk die helemaal niet zo gezellig is voor ouderen. Kortom: ga eerst langs de opticien voor je belangrijke beslissingen over ouderen neemt. Het zijn niet alleen ouderen die bijziend zijn.

De woongemeenschap voor ouderen, ook wel verzorgingshuis genoemd, en vroeger het bejaardentehuis, is bijna niet meer te vinden. De norm is dat je zelfstandig blijft wonen tot het echt niet meer kan. Uit recente CBS-cijfers over doodsoorzaken bleek dat er een sterke stijging (16 procent) is van het aantal ouderen dat overlijdt als gevolg van een val; 3.300 in 2016, dat zijn negen mensen per dag. Een van de verklaringen is dat mensen (noodgedwongen) langer thuis wonen. Een ander schokkend getal is dat het aantal 65-plussers dat na een val terechtkomt op de spoedeisende hulp de afgelopen tien jaar met ruim 40 procent is gestegen; elke vijf minuten wordt er een oudere naar het ziekenhuis gebracht.

Wat ons betreft is het wenselijk dat er meer in plaats van minder verzorgingshuizen komen, samen met allerlei andere woonvormen met ondersteuning. Daarmee zouden de moeilijkheden in de keten van zorg voor ouderen als sneeuw voor de zon verdwijnen, de capaciteit van de spoedeisende hulp zich wonderbaarlijk vermenigvuldigen en de sterfte onder bejaarden als gevolg van vallen drastisch afnemen. De beschaving van ons land kun je afmeten aan de manier waarop wordt omgegaan met de kwetsbaren in de samenleving, en daaronder scharen wij de ouderen. Ouderen leven niet in andermans tijd, zij zijn jongere generaties niet tot last, het solidariteitsprincipe mag niet onder druk worden gezet en bejaarden hoeven het veld niet te ruimen in de veronderstelling dat hun taak erop zit.

Jeugdzorg

In de jeugdzorg is de situatie niet veel beter. De problemen in de jeugdzorg dreigen sinds de decentralisatie naar de gemeenten begin 2015 een blijvend karakter te krijgen, zo schreef de toezichthouder op die overgang, de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ), in haar jaarrapport over 2016. Aanbieders van jeugdzorg verwachten ook dit jaar moeilijk te kunnen voldoen aan hun financiële verplichtingen. Gemeenten lopen steeds meer uit hun ontoereikende budget. De administratieve rompslomp is niet afgenomen. Jeugdzorgaanbieders huren extra boekhouders in, met geld dat bedoeld is voor de zorg met kinderen. Essentiële functies van de jeugdzorg dreigen in het geding te komen. Er moet teveel worden voorgeschoten, en gemeenten betalen laat. Eén op de vijf kinderen wacht langer dan twee maanden op een intakegesprek, ruim twee keer zoveel als de geldende norm. Het aantal klachten over de jeugdzorg bij de Nationale Ombudsman verdubbelde in 2016. De Centrale Raad van Beroep heeft in mei 2017 gemeentes terecht gewezen die die eisen dat mantelzorg als voorliggende voorziening moet worden aanvaard (als familie kan zorgen, dan hoeft de gemeente niets te doen, dachten zij). Meestal ligt het niet aan de bereidheid van familie om zorg te verlenen, wel aan het vermogen om dat te doen. Familieleden worden te snel als mantelzorgers ingeroosterd volgens de rechter.

Tientallen minderjarigen met ernstige psychologische problemen komen op wachtlijsten in de jeugd-ggz. Zelfs een veroordeling van de jeugdrechter blijkt geen garantie te zijn voor een daadwerkelijke plaatsing voor behandeling. Door de forse bezuinigingen op de specialistische jeugdhulp is het aantal beschikbare plaatsen afgenomen. De gemeenten kopen daardoor ook minder van deze zorg in. Ook is er op de reclassering bezuinigt, waardoor die er onvoldoende in slaagt om toch passende zorg af te dwingen.

Nog te vaak is er een tekort aan aanbod, zowel binnen elk wettelijk kader als bij de grensgebieden. Dit is deels een capaciteitsprobleem, deels een kwalitatief probleem en deels wordt het veroorzaakt door het afschuiven tussen stelsels. Sommige mensen vallen tussen de wal en het schip en dreigen buiten beeld te verdwijnen. Mensen met een al dan niet gediagnosticeerde beperking vallen uit op school of werk. Dit gaat om zogenoemde ‘thuiszitters’ (zoals jongeren in de leerplichtige leeftijd met autisme) en jongeren zonder opleiding of werk. Geen enkele instantie is voor hen verantwoordelijk en zij kunnen geen beroep doen op een voorziening. Zij verdwijnen daardoor uit beeld totdat de thuissituatie escaleert. Sinds de invoering van het passend onderwijs is er een groeiende groep thuiszittende leerlingen, onder andere jongeren met autisme op havo/vwo-niveau. Door ontheffing van de leerplicht (vaak door de leerling zelf ongewenst) en doordat er geen jeugdprofessional bemoeienis heeft met deze leerling, verdwijnt hij uit beeld wanneer hij tussen scholen in valt. De leerling stroomt dan grotendeels uit naar werkloosheid en doet een beroep op een uitkering.

De decentralisatie leidt ook tot tweedeling in de (jeugd)zorg. Hoogopgeleiden komen met de nieuwe mogelijkheden tot mooie nieuwe zorginitiatieven. Die ouders doen alles om het leven van hun meervoudig gehandicapte kinderen zo goed mogelijk te maken. Die gaan met hun kinderen naar concerten, die richten met gelijkgestemde ouders een huis op, waar ze met pgb’s (persoonsgebonden budgetten) de zorg inkopen. Alle vaders gaan een week timmeren en ouders koken een keer per week. Die kinderen krijgen een optimaal leven. Dat is natuurlijk prachtig en mooi dat het kan. Maar wie blijven er achter in de grote instellingen? Kinderen van gehandicapte ouders en kinderen van migranten. De zwakkere groepen blijven achter en de sociale veerkracht van de beter opgeleide ouders is daar weg, zodat ze het zelfs niet voor elkaar krijgen het gebouw een beetje op te knappen. Daar is veel meer hulp bij nodig.

GGZ

Bij de geestelijke gezondheidszorg (ggz), waaronder de jeugd-ggz, groeien de wachtlijsten. De behandeling moet volgens de afspraken uiterlijk tien weken na de eerste diagnose van start gaan. De behandeling in een instelling moet binnen zeven weken aanvangen. Dit zijn de zogenoemde Treeknormen, die al in 2000 in een herenakkoord tussen alle behandelaars in de zorg, verzekeraars en de minister van Volksgezondheid zijn opgenomen. In de praktijk lopen de wachttijden voor behandeling in de ggz op dit moment echter op tot tien maanden. De problemen in de geestelijke gezondheidszorg worden niet veroorzaakt door onvoldoende financiële middelen, zo stelden de partijen vast in hun akkoord van zomer 2017. Aan de ggz wordt jaarlijks bijna 4 miljard euro besteed via de zorgverzekeringswet. Dat bedrag wordt nog wel hoger door compensatie voor stijgende lonen en prijzen. In totaal gaat het om bijna 7 miljard euro, inclusief de kosten voor de gebouwen en financiering van ggz-zorg via andere wetten.

Op dit moment worden er in de ggz honderdduizend patiënten minder behandeld dan een paar jaar geleden. Volgens de sector komt dit deels door de eigen bijdragen. De wachtlijsten zijn volgens het akkoord vooral het gevolg van onvoldoende samenwerking, tekortschietende organisaties, onvoldoende specifieke behandelcapaciteit en onvoldoende zorg op de juiste plek. Het gebrek aan samenwerking is vooral gerelateerd aan de financiering van de ggz. Die wordt deels betaald via de zorgverzekering, de Jeugdwet, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de Wet Langdurige Zorg (WLZ). De zorgverzekering neemt nu de praktijkondersteuner bij de huisarts, de generalistische, algemene ggz en de gespecialiseerde ggz voor haar rekening. De eerste drie jaren dat iemand in een ggz-instelling woont worden door de zorgverzekering gedekt; de jaren die volgen door de WLZ. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het contracteren van ggz-hulp aan jeugdigen en ggz-hulp aan thuiswonende hulpbehoevenden. De samenwerking tussen alle betrokken partijen moet verbeteren, zo staat in de afspraken. Ook de hulp aan degenen die 18 jaar worden, waardoor hun hulp via de Jeugdwet wegvalt, moet worden verbeterd. Maar de fundamentele oorzaak van de problemen in de samenwerking, de verschillende financieringsstromen en daarmee samenhangende problemen, worden niet aangepakt.

Wijkteams

De meerderheid van gemeenten ziet sociale wijkteams als dé manier om efficiënter om te gaan met de decentralisaties, vooral wat betreft de jeugdzorg, waaronder de jeugd-ggz. Hoewel de samenstelling van de wijkteams verschillen, zijn het in het algemeen interdisciplinaire teams die zelfredzaamheid stimuleren. Burgers kunnen de teams benaderen en zij gaan actief af op signalen. Het idee is dat door problemen vroeg te signaleren, een verergering van problemen en hogere kosten kunnen worden voorkomen. Onderzoek van Movisie in 2016 leert dat bijna negen van de tien gemeenten met een wijkteam werken.

Het idee is mooi op de tekentafel: alle hulpverleners in één sociaal wijkteam. De maatschappelijk werker, de uitkeringsinstantie, het centrum voor jeugd en gezin, de wijkverpleegkundige, de jeugdzorg. Samenwerking is het devies nu gemeentes door de decentralisaties verantwoordelijk zijn voor veel zorgtaken. Nooit meer achttien hulpverleners die betrokken zijn bij één gezin.

Grootste probleem: hulpverleners kunnen dan wel in één team zitten, de geldstromen blijven gescheiden. Hun werk wordt betaald door de eigen organisatie, niet uit het budget van het wijkteam. Organisaties houden dus hun eigen financiële belang, zeker nu er stevig bezuinigd wordt. Echt samenwerken kan pas als er ook één geldstroom is. Ook angst voor privacywetgeving over het uitwisselen van gegevens zit ware teamvorming in de weg. Ook het fundamentele recht op zorg loopt gevaar door de nieuwe werkwijze. Wie nu hulp vraagt, krijgt een ‘keukentafelgesprek’ waarin wordt besproken wat voor hulp noodzakelijk is. Vroeger deed een burger een formele aanvraag en volgde daarop een besluit of iemand al dan niet recht had op hulp. Een besluit waartegen bezwaar ingediend kan worden. Nu ontstaat een soort onderhandelingssituatie. Dat is een wezenlijke verschuiving van de verhoudingen.

Die verschuiving is risicovol. Ook door de samenstelling van de wijkteams, waarin veel verschillende private organisaties zijn vertegenwoordigd, is het vaak onduidelijk hoe en bij wie bezwaar gemaakt kan worden tegen een beslissing. Burgers waarderen het als de overheid met ze in gesprek gaat en niet optreedt als een afstandelijk bolwerk dat onbegrijpelijke brieven stuurt. Als dat goed gebeurt is dat positief. Maar we moeten ervoor waken dat het recht niet verdampt. Want het staat gewoon in de wet dat iemand recht heeft op een traplift of een scootmobiel.

Groot probleem lijkt ook de deskundigheid van leden in het wijkteam. Jeugdzorginstellingen claimen dat de gemeenten de diagnose voor zware jeugdzorg te laat stellen, in een poging om lichtere, goedkopere trajecten te laten werken. Dat gebeurt ook tegen de achtergrond van een toenemende medicalisering van gedragsproblemen bij jongeren, mondiger ouders en de invoering van het passend onderwijs, waarbij specialistische hulp op scholen voor speciaal onderwijs minder beschikbaar is. Jeugdzorginstellingen stellen dat de late diagnose de problematiek bij jongeren doet verergeren en daardoor behandeling juist moeilijker en kostbaarder maakt.

Hoe wijdverbreid de constructie inmiddels ook is, ruim twee jaar na de introductie zijn de wijkteams nog altijd mikpunt van kritiek. Ze werken te bureaucratisch, zijn lastig vindbaar voor de zorgvrager, hebben onvoldoende oor voor de wensen van de burger, ze weten zich geen raad met specifieke kwetsbare groepen, ze wisselen onderling onvoldoende kennis uit en ze maken een potje van de privacy van burgers.

Van duizenddingendoekje naar windvanger, dat lijkt de huidige status van het wijkteam. Wat opvalt, is dat de kritiek bepaald bekend in de oren klinkt. Schotjesgeest, bureaucratie, slechte communicatie en gebrek aan klantgerichtheid, was dat niet precies wat er schortte aan de zorg en ondersteuning toen deze nog uit de collectieve gaarkeukens van de AWBZ werden opgediend? Hebben we met de decentralisatie de problemen van weleer niet simpelweg naar een microniveau verplaatst?

Ongelijkheid toegenomen door decentralisatie

De bezuinigingen op de care treffen in de praktijk met name de lage en middeninkomens. Dat komt in de eerste plaats doordat vooral zij gebruik maakten van de zorg die tot 1 januari 2015 uit de AWBZ werd bekostigd. De hogere inkomens kozen minder vaak voor AWBZ-zorg omdat de inkomensafhankelijke eigen bijdrage het voor hen vaak goedkoper maakte om de zorg zelf in te kopen.

Deze meest omvangrijke manier waarop de zorgkosten zijn geïndividualiseerd is helaas niet in kaart te brengen. Het gaat dan om alle mensen die zelf hun zorg organiseren en betalen vanwege de hogere eigen bijdragen of omdat de betreffende zorg überhaupt niet meer wordt vergoed. Die kosten worden nergens geregistreerd en zijn dus onbekend. Door de veranderingen in de langdurige zorg hebben alleen de ‘allerzwaarste’ hulpbehoevenden nog recht op een plek in een tehuis. Wie het kan betalen koopt daardoor veel zorg zelf in, en soms zelfs een complete plek in een (te)huis. Alleen wie 24 uur per dag zorg nodig heeft, heeft tegenwoordig nog recht op een plaats in een tehuis of andere verblijfsinstelling. Wie al in een tehuis zat, mag daar blijven. Maar de komende jaren sterft deze populatie langzaam uit en worden nog veel meer tehuizen gesloten. Het bezuinigde bedrag loopt daardoor nog op.

Ook de eigen bijdragen bij gemeenten gingen omhoog: het bedrag dat mensen moeten bijbetalen voor hulp en begeleiding thuis of als ze in een tehuis terechtkomen. Gemeenten, bepalen zelf hoe hoog die (meestal inkomensafhankelijke) eigen bijdragen zijn. Zo steeg de eigen bijdrage voor dagbesteding van mensen die een hersenbloeding hebben gehad (in jargon ‘niet aangeboren hersenletsel’) in sommige gemeenten naar 750 euro per maand. Er kwamen bij de Nationale Ombudsman meer dan 900 klachten in een jaar tijd binnen over de eigen bijdragen, naast veel andere klachten over de zorg.

Tot 2014 waren er verschillende tegemoetkomingen voor chronisch zieken en gehandicapten, vanuit de redenering dat zij anders oneerlijk veel geld aan zorg kwijt zijn. Die landelijke regelingen zijn met ingang van 2015 afgeschaft, en in plaats daarvan kregen gemeenten een – veel kleiner – bedrag om aan tegemoetkomingen te besteden. Per saldo leverde dit het rijk een bezuiniging op van 580 miljoen. De meeste gemeenten hebben zelf hiervoor geen regeling gemaakt – onlangs wees een rechter erop dat dit juridisch niet zo maar kan.

Verschillen tussen gemeenten

Een andere vorm van ongelijkheid wordt veroorzaakt door de grote verschillen in de zorg die gemeenten bieden en de eigen bijdrage die ze ervoor vragen. In de ene gemeente krijg je de aanleg van een traplift vergoed, in de andere niet, in de ene gemeente is er veel hulp beschikbaar om als verstandelijk beperkte toch zelfstandig te kunnen wonen, in de andere vrijwel niets. Deze verschillen zijn voor het overgrote deel niet terug te voeren op verschillende behoeften van gebruikers, maar op financiële keuzes van gemeenten. Het is de vraag of dit niet een keer zal sneuvelen bij het Europese comité voor sociale grondrechten. En terecht, want grondrechten zijn er niet voor niets!

Terwijl de decentralisatietrein doordendert, staan verschillende seinen op rood. Niet alleen de overhaaste invoering baarde zorgen. De maatschappelijke acceptatie lijkt kwestieus te zijn. Uit een publieksonderzoek met ruim tweeduizend respondenten blijkt dat de overgrote meerderheid van de ondervraagden het niet acceptabel vindt dat als gevolg van de decentralisaties verschillen tussen gemeenten ontstaan. Het per gemeente verschillende voorzieningenniveau strookt zeker niet met de voorkeuren van de burgers.

Het streven naar decentralisatie kent op het eerste gezicht een positieve connotatie. Aangekleed met argumenten als ‘dichter bij de burger’ en ‘op zo’n laag mogelijk niveau leggen’ kom je er ver mee. Decentraliseren lijkt vaak een doel op zich te zijn. Ten onrechte, want hoewel decentralisatie op sommige terreinen (zoals lokale infrastructuur) een goede zaak is, kent het instrument op het terrein van de zorg vanuit een sociaaldemocratisch perspectief behoorlijk wat tekortkomingen. Het is alsof we de financiering van het onderwijs ook volledig zouden decentraliseren, met basisscholen die sterk verschillen wat betreft kwaliteit en toegankelijkheid tussen gemeenten.

Decentralisatie houdt in dat er tussen gemeenten grote verschillen kunnen optreden. Verschillen die strijdig zijn met de sociaaldemocratische principes van rechtvaardigheid, toegankelijkheid en solidariteit. Wanneer die uitgangspunten in gevaar komen en burgers geen gelijke rechten meer dreigen te hebben, is het op zijn minst verwonderlijk als de PvdA voor decentralisatie pleit. Zeker wanneer kwetsbare groepen als ouderen, jongeren met psychische problemen, jonggehandicapten en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt hiervan slachtoffer worden, is terughoudendheid geboden.

Wat maakt toch dat zovelen zich hier zo vierkant achter heeft geschaard? Behalve uit een weinig doordachte afweging kan de keuze vooral worden verklaard uit de wens om de oplopende uitgaven in de zorg te verlagen door de verantwoordelijkheid van de uitvoering bij gemeenten te leggen. Dat dit onvermijdelijk verschillen oplevert voor burgers ten aanzien van het recht op publieke diensten en de kosten (inclusief een eigen bijdrage), is dan de onvermijdelijke prijs om de uitgaven te beheersen. De plannen werden gemaakt toen de portefeuilles in het sociale domein vooral door wethouders van de PvdA werden behartigd. Die lieten weten dat ze de taken graag wilden oppakken en dat ze er klaar voor waren. Inmiddels wordt dit beleid in de meeste gemeenten uitgevoerd door rechtse wethouders, na de verkiezingsnederlagen van 2014 en 2018.

Decentralisatie kan een goed middel zijn, maar is dat vaak niet. Onderken dat de digitale revolutie ervoor zorgt dat de afstand van de burger tot de overheid veel kleiner is geworden, waarbij het voor de burger niet relevant is of een instantie in een ministerie of het gemeentehuis huist. Als het vanuit een oogpunt van sociale rechtvaardigheid en een eerlijke verdeling nodig is, is het verstandig taken (weer) te centraliseren.

Decentralisatie en lokale democratie

Ook mogen de gevolgen voor de bestuurlijke indeling en lokale democratie niet onvermeld blijven. Als uitvloeisel van de decentralisaties achtte het kabinet Rutte II het eerst nodig dat gemeenten op langere termijn worden opgeschaald naar honderdduizend inwoners of meer. Anders zouden zij hun nieuwe taken niet naar behoren kunnen uitvoeren. Dat is toch paradoxaal? Enerzijds decentraliseren, omdat gemeentebestuurders het dichtste bij de mensen staan. Tegelijkertijd gemeenten opblazen tot een omvang waardoor heel veel burgers de afstand tot hun bestuurders en het gemeentehuis aanzienlijk zien toenemen. De bestuurlijke herindeling werd overigens niet aan de gemeenten opgelegd.

Door de forse decentralisatie lopen gemeenten soms tegen hun financiële grenzen aan. Dan kan een gewenst niveau van voorzieningen door objectieve omstandigheden niet uit eigen middelen worden bekostigd. Door de uiteenlopende financiële posities van decentrale overheden (bijv. tussen gemeenten met veel bijstandsontvangers versus gemeenten met veel renteniers) kunnen dan grote verschillen in het voorzieningenniveau ontstaan. De rijksoverheid zorgt ervoor dat bepaalde voorzieningen in alle gemeenten desondanks aanwezig kunnen zijn, door armlastige overheden bij de verdeling van geld uit het gemeentefonds en bij de toedeling van veel specifieke uitkeringen (voor nauw omschreven bestemmingen) de daarvoor benodigde extra middelen te verschaffen. Bij de decentralisatie van zorgtaken ontbreekt deze fijn-tuning voor gemeenten met veel dure ‘zorgconsumenten’, patiënten dus, kwetsbare mensen bij uitstek die afhankelijk zijn van toegankelijke, solidair gefinancierde, goede zorg.

De voeding van het gemeentefonds loopt in de pas met de ontwikkeling van het overgrote deel van de rijksuitgaven, volgens het principe: samen ‘trap op, trap af’. Wanneer bijna de helft van de algemene uitkering in de toekomst voor het sociaal domein is bestemd, rijst de vraag hoelang de voeding van het fonds op basis van deze bestuurlijke afspraak uit het verleden houdbaar is. Deze trein kan ontsporen omdat de vergrijzing de zorguitgaven van gemeenten (de ‘wagons’) sterk zal opstuwen, terwijl de rijksuitgaven in hun geheel (de ‘locomotief’) een stuk minder gevoelig zijn voor demografische veranderingen. Dit probleem speelt nu al bij de uitgaven voor de bijstand. Bij de voeding van het gemeentefonds wordt tot nu toe geen rekening gehouden met de werkloosheidsontwikkeling.

De drie decentralisaties stellen de lokale democratie zwaar op de proef. In 2015 nam het budget van de gemeenten in één keer met € 12 miljard toe. De gemeenteraad dient nauwgezet toe te zien op de zorgvuldige besteding van een plotseling veel hoger bedrag aan middelen. Dat is in de praktijk een groot probleem. Ook omdat de te decentraliseren taken voor een belangrijk deel zijn neergelegd bij amorfe (inter-)gemeentelijke samenwerkingsverbanden. Voor het aanwijzen van de bestuurders van die samenwerkingsgebieden worden geen verkiezingen gehouden. Op beleid, werkwijze en taakvervulling van deze regionale eenheden kunnen individuele wethouders van elk van de samenwerkende gemeenten slechts beperkt invloed uitoefenen. Terwijl het gaat om pijnlijke en bij uitstek politieke keuzen: wie nog wel en wie niet langer worden geholpen. Dat geeft bij burgers en leden van de gemeenteraden heel veel onvrede. Om zich tegen een deel van de kritiek in te dekken proberen bestuurders van samenwerkingsverbanden onder de radar te blijven, door zo weinig mogelijk eigen beleid te maken. Daarmee vermindert de kans op maatwerk en neemt de kans toe dat al ingeboekte besparingen niet worden gehaald.

Raadsleden moeten proberen tegenkrachten te mobiliseren. Voor een goede controle op de rechtmatige en doelmatige besteding van de decentralisatiegelden moeten lokale rekenkamer(commissie)s worden versterkt en samenwerking moeten zoeken. De tendens is echter dat hun rol en budget worden teruggesnoeid. De controle door journalisten van lokale en regionale media staat onder druk, doordat — na de concentratiebeweging van de laatste decennia — de middelen en soms ook de interesse ontbreken om stevige onderzoekjournalisten op lokale kwesties te zetten. De lokale democratie loopt steeds meer schade op, doordat gemeenteraden geen greep hebben op het beleid en de uitvoeringspraktijk van de landelijk gevormde circa veertig samenwerkingsverbanden, voor kleinere gemeenten de enige manier om de vereiste schaalgrootte te bereiken.

Een mogelijk voordeel van het afstoten van bevoegdheden naar een ‘lagere’ bestuurslaag kan zijn dat voorzieningen allicht beter zijn afgestemd op de voorkeuren van de burgers dan wanneer een ‘hogere’ bestuurslaag eenheidsworst serveert. Verder kan decentralisatie leiden tot grotere betrokkenheid van burgers bij het openbaar bestuur. Op lokaal niveau invloed uitoefenen is in theorie voor mensen gemakkelijker dan op nationaal niveau. De betrekkelijk lage opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen duidt echter op geringe betrokkenheid van veel burgers. Decentralisatie bevordert in theorie ook de beleidsinnovatie. Wanneer gemeenten verschillende oplossingen kiezen voor de aanpak van bepaalde maatschappelijke problemen, blijkt vanzelf welke maatregelen werken en welke niet. Dit maakt experimenten mogelijk die op nationale schaal te riskant zouden zijn. Goed werkend beleid kan vervolgens door andere gemeenten worden overgenomen. Het overnemen van succesvol beleid wordt versterkt door ‘maatstafconcurrentie’. Kiezers kunnen de prestaties van hun gemeentebestuur vergelijken met de bestuurlijke prestaties in vergelijkbare omliggende gemeenten. Dit versterkt in theorie het democratische proces, en het zet bestuurders aan om zich in te spannen. In de praktijk blijkt van dit alles weinig van terecht te komen. De landelijke parameters zijn echter maar zeer beperkt van betekenis, lokale omstandigheden die verschillen verklaren zijn niet in beeld en burgers kijken er nauwelijks naar.

De decentralisatie van zorg maakt de besluitvorming wel eerder kwetsbaar voor corruptie, eigen belangen van lokale bestuurders, dorps- en vriendjespolitiek. Bovendien spelen nimby-effecten (‘Not in my backyard’) een veel grotere rol: de plaatselijke bevolking en bestuurders zullen vaak proberen projecten tegen te houden die hogere belangen dienen, maar die voor de eigen gemeente nadelig uitpakken (verzet tegen wegaanleg of de plaatsing van windmolens). Bovendien is de deskundigheid van gemeenteambtenaren op het terrein van de zorg zeer beperkt tot nihil. Kwaliteit- en toegankelijkheidsverlies zien we daarom overal optreden. Ook is er bureaucratisering zichtbaar, veel cliënten klagen over slechte communicatie, wachtlijsten, onduidelijke motivering, weinig empathie en vermindering van kwaliteit en omvang van verleende zorg. Voorts zijn er klachten over schending van privacy en van de rechtsbescherming.

Privacy problemen bij gemeenten

Gemeenten gebruiken privacygevoelige medische gegevens van burgers om te bepalen wie wel en wie niet in aanmerking komt voor zorg. Zonder eenduidige criteria zit de ambtenaar op de stoel van de behandelaar. Ambtenaren die medische gegevens beoordelen en zich bemoeien met diagnoses.

Al ruim voor de decentralisatie waarschuwden patiëntenorganisaties, zorgverleners en rechtsgeleerden dat de medische privacy van burgers gevaar loopt. Ze waren en zijn er niet gerust op dat niet medisch geschoolde gemeenteambtenaren accuraat omgaan met gezondheidsgegevens van burgers, wanneer ze moeten uitzoeken wat mensen nodig hebben en ze zorgaanvragen gaan beoordelen.

Ook de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de organisatie die over de privacy in Nederland waakt, wijst al vroeg op allerhande risico’s: gemeenten zullen meer gevoelige informatie verzamelen dan nodig is, persoonlijke gegevens komen bij te veel medewerkers terecht en informatie kan voor onbedoelde zaken gebruikt worden. De AP voorziet datalekken en voorspelt al in 2013: ‘Zonder nadere regeling kan niet zeker worden gesteld dat gegevensverwerking binnen de kaders van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) plaatsvindt.’

Hoe gemeenten de medische privacy moeten handhaven, blijft vaag. Het rijk regelt niet hoe hun nieuwe taken zich verhouden tot bestaande wettelijke waarborgen. In de beleidsvisie van de rijksoverheid Zorgvuldig en bewust: Gegevensbescherming en privacy in een gedecentraliseerd sociaal domein (2014) staat zelfs dat de privacy wordt overgelaten aan de ‘lerende praktijk’. Ook dit stelt de Autoriteit Persoonsgegevens niet gerust. Ze constateert dat de regering geen gestructureerde manier van werken voorschrijft, zodat gemeenten niet kunnen bepalen wat ze wel en niet mogen.

Als dan begin 2015 de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet van kracht worden, krijgen de 390 gemeenten veel ruimte. Ze bepalen welke zorg hun burgers krijgen, ze organiseren zelf hoe hun ambtenaren de zorgaanvragen onderzoeken, en ze gaan over de poen. Wat de privacy betreft, stellen deze wetten: ambtenaren mogen persoonsgegevens over de gezondheid verwerken voorzover deze ‘noodzakelijk zijn’ voor de uitvoering van hun taken.

Begin 2015 zijn de gemeenten vooral bezig met een soepele overgang, want cliënten die al zorg kregen, mogen niet zonder komen te zitten. Ondertussen richten ze hun Wmo- en jeugdafdelingen in en gaan medewerkers op pad om de zorgvraag van bestaande en nieuwe cliënten te onderzoeken. Hoe dit moet en wat de grenzen daarbij zijn, blijft meestal vaag.

Al snel blijkt dat de nieuwe zorgtaken van de gemeenten, en het onderzoek dat ze hiervoor moeten doen, schuren met bestaande privacywetten, te weten de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en internationale verdragen (ERVM, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Die stellen dat gegevens over onze gezondheid ‘bijzondere persoonsgegevens’ zijn, net als die over onze seksuele geaardheid of onze politieke voorkeur.

De Autoriteit Persoonsgegevens stelt duidelijk dat ‘medische gegevens’ álles is waaruit iemands lichamelijke of geestelijke gezondheid blijkt. Dit is meer dan je denkt. Ook dat mevrouw de drank moeilijk kan laten staan en dat meneer bij een uroloog loopt. Veel gemeenten vinden medische informatie echter ‘noodzakelijk’ voor hun werk en rekenen hun aantekeningen niet strikt tot ‘medisch’. Zo sluipen diagnoses, ziekteprocessen, namen van specialisten en medicijnenlijsten de dossiers binnen en weten ambtenaren soms dat een jongere suïcidaal is, of dat de buurman besmet is met hiv. De overheid mag niet opschrijven dat je biseksueel bent of op de VVD stemt. Maar nu het over medische gegevens gaat, tillen gemeenten er blijkbaar minder zwaar aan.

Hoe werd de zorg geïndiceerd voordat de lokale overheid aan het roer kwam? De verschillen tussen toen en nu blijken groot. Eind jaren negentig kwamen er Regionale Indicatieorganen (RIO), die de intakes voor de AWBZ-zorg deden: onafhankelijk, met een uniforme procedure en eenduidige criteria. Daarnaast hadden gemeenten wat potjes voor bepaalde voorzieningen. In 2005 werden de RIO’s vervangen door het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg), dat één hoofdkantoor en tientallen locaties in het land had. Bureau Jeugdzorg – ook landelijk georganiseerd – deed de indicatiestelling voor jongeren met psychiatrische problematiek. Over privacy en ondeskundige beoordelingen waren er nauwelijks klachten. Nu de gemeenten verantwoordelijk zijn, zijn de uniformiteit en objectiviteit uit beeld geraakt. Net als de onafhankelijke besluitvorming die er in de RIO- en CIZ-jaren was.

De gemeenten hebben nu ruim twee jaar de regie. Volgens het CAK, het landelijke kantoor dat de eigen bijdragen van cliënten int, kregen in het eerste jaar (2015) ongeveer zeshonderdduizend personen zorg of ondersteuning via hun gemeente. Daarnaast kregen bijna 12.500 ouders een factuur voor jeugdzorg voor één of meer van hun kinderen (tot achttien jaar).

Met de privacy is het op veel plekken in de gemeentelijke organisatie slecht gesteld. Behalve Wmo-consulenten kijken ook vaak juridisch medewerkers, telefonisten, medewerkers van administratie en klachtenteams mee in medische dossiers met gevoelige informatie. Soms zelfs is die informatie in te zien door ICT’ers en gemeentebestuurders.

De databeveiliging staat bij vrijwel alle gemeenten nog in de kinderschoenen: e-mails worden onversleuteld via onbeveiligde lijnen verstuurd; regelmatig gaan mails cc. Voor correspondentie over gevoelige zaken is vaak een algemeen post- of e-mailadres van de gemeente beschikbaar. Verschillende cliënten vertellen dat ze het zorgdossier van een ander in hun mailbox kregen. Wmo-medewerkers werken soms vanuit huis en gebruiken laptops en usb-sticks die verloren of gestolen kunnen raken.

Zelfs als gemeenten persoonsgegevens digitaal beveiligd wegzetten, is dit geen garantie tegen datalekken of hacken. Het sluit ook niet uit dat bestanden op enig moment gekoppeld kunnen worden, door de gemeente of voor commerciële doeleinden. Ouders van kinderen die zorg krijgen, vrezen dat hun kroost voor de rest van hun leven een stempel krijgt.

Gemeenten verzamelen vaak meer informatie over iemands lichamelijke of geestelijke gesteldheid dan strikt genomen nodig is. Hoe ze daaraan komen, is vrij eenvoudig: de cliënt zelf is de belangrijkste bron. Tijdens het zogeheten keukentafelgesprek komt namelijk veel aan de orde. Dit gesprek bij cliënten thuis, of telefonisch, is onderdeel van het onderzoek dat gemeenten doen voordat ze zorg toekennen ‘in natura’ of als een persoonsgebonden budget (pgb). Vaak vragen gemeenten ook om schriftelijk ‘bewijs’ van wat de cliënt mankeert. Die denkt er niet over na, of meent dat hij verplicht is om die informatie aan de gemeente te geven, omdat hij anders geen of minder zorg krijgt. Wat ook werkelijk gebeurt.

Veel gemeenten vragen cliënten om hun medisch dossier. Ook jeugdzorgverleners merken dat de medische privacy steeds meer onder druk staat. Ze worden gecontracteerd om kinderen te behandelen, of te begeleiden, maar sommige gemeenten eisen daarbij dat ze allerlei informatie over de jonge cliënten krijgen. Meer dan het medisch beroepsgeheim van de zorgverleners toestaat.

Najaar 2016 kwam al naar buiten dat een aantal gemeenten volledige toegang eist tot patiëntendossiers van jongeren. Jeugdzorgverleners die niet meewerken, krijgen geen contract. De Jeugdwet verbiedt dit, maar het gebeurt. Het is bij het verwerken van persoonsgegevens vaak verboden om informatie voor een ander doel te gebruiken. Toch blijken oude dossiers ook gebruikt te worden.

Telkens blijkt weer: als je er geen geheim van maakt wat je mankeert, welke medicatie je gebruikt, en welke specialisten je bezoekt, heb je sneller kans op zorg dan als je vindt dat informatie over je lichamelijke en psychische gezondheid de gemeente niet aangaat. Dan moet je er zelfs rekening mee houden dat je aanvraag in de vertraging belandt, of misschien niet wordt gehonoreerd.

Gemeenten moeten onderbouwen waarom ze wel of niet zorg toekennen. De wet stelt echter niet dat daar medische gegevens voor nodig zijn. Het zou welkom zijn als de regering betere richtlijnen voor gemeenten zou maken, aan de hand van bestaande privacywetgeving. Tot nu toe zit dat er niet in. De Autoriteit Persoonsgegevens berichtte al eerder dat gemeenten slecht op de hoogte zijn van de regelgeving. Ook weten ze niet wat ze mogen opvragen en waar ze toestemming voor nodig hebben. De AP stelt zelfs dat toestemming geen grondslag is om persoonsgegevens te verzamelen. Burgers zijn namelijk afhankelijk van zorg en kunnen niet in vrijheid toestemming geven.

Zonder duidelijke richtlijnen is het geen wonder dat er een felle meningenstrijd ontstaat. Aan de ene kant juristen, cliënten en zorgverleners die betogen dat gemeenten weg moeten blijven van medische data, omdat die thuishoren in de praktijk van BIG-geregistreerde zorgverleners. Aan de andere kant vooral gemeentebestuurders en -medewerkers die menen dat medische gegevens en beschrijvingen nu eenmaal nodig zijn om goed te kunnen besluiten over zorgaanvragen. Een bijkomend probleem is dat ambtenaren dossiers niet kunnen beoordelen. Alleen al van reuma bestaan bijvoorbeeld meer dan honderd vormen, elk met specifieke gevolgen voor de patiënt.

Het aantal mensen dat zelf psychologische hulp voor zijn kind inkoopt groeit. Cliënten die het zich kunnen veroorloven, betalen de huishoudelijke hulp of traplift uit eigen zak. Ze willen geen discussies over hun omstandigheden en zijn zuinig op hun medische privacy. Zo ontstaat er een nieuwe tweedeling in Nederland. Wie van de overheid afhankelijk is voor zorg levert veel medische privacy in. De medische informatie van wie gezond is en vermogend blijft buiten de boeken van de gemeente.

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Individualisering van zorgkosten

Uitgavenstijging zorg collectief geen groot probleem, individueel wel

Steeds meer mensen maken zich ongerust over de zorg, blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. ‘Er is serieuze ontevredenheid, die niet zelden gebaseerd is op eigen ervaringen (als familie, buurtgenoot en beroepsmatig)’, stelt het SCP vast in het rapport Zorgen over de zorg. De zorgen gaan vooral over de bezuinigingen, de veranderingen in de zorg en de hoge zorgkosten. En dan gaat het niet over de ‘betaalbaarheid van de zorg’ waar de overheid het vaak over heeft. Het SCP-rapport: ‘Men maakt zich wel zorgen over de betaalbaarheid, maar dan voor zichzelf of voor kwetsbare groepen.’

Het zorgstelsel wordt ook in de media voornamelijk beoordeeld op het rechtse criterium van beheersing van de collectieve kosten. Deze focus is rechts, aangezien nooit meegewogen wordt in hoeverre collectieve kostenbeheersing tot individuele kostenstijging leidt. Als we van alles uit het verzekerde pakket gooien, is rechts trots op kostenbeheersing. Links zou daartegen in moeten brengen dat dit leidt tot tweedeling in de zorg, omdat zorgbehoevende mensen deze onverzekerde ingrepen voortaan zelf moeten bekostigen. De toegankelijkheid en kwaliteit van en het werken in de zorg blijven te vaak onbesproken.

Dat terwijl de neiging tot solidariteit is sinds 2010 alleen maar toegenomen, blijkt tegelijkertijd uit onderzoek dat het CBS in 2016 deed. Meer nog dan in 2010 vinden mensen dat de premie voor lage inkomens omlaag moet, en de premie voor hogere inkomens omhoog. ‘Ouderen, mensen met een niet zo goede gezondheid en mensen die erfelijk belast zijn kunnen nog altijd op een grote solidariteit vanuit de samenleving rekenen’, concludeerde het CBS.

Als mensen gevraagd wordt waar er in de zorg bezuinigd moet worden, noemen ze al gauw het volgende rijtje: korten op de specialistensalarissen, minder bureaucratie, de farmaceutische industrie in de klauwen krijgen, minder verspilling, meer preventie. Wie echter de bezuinigingen van de afgelopen jaren tegen het licht houdt, ontdekt dat juist dit nauwelijks is aangepakt.

De groei van de zorguitgaven is voor het eerst in decennia afgezwakt. De vraag is alleen hoe dit resultaat behaald is. De maatregelen die ervoor zorgen dat de zorgkosten sinds 2013 minder snel gingen toenemen, hebben in elk geval allesbehalve met marktwerking te maken. De kosten in de care (de ondersteuning en verzorging van ouderen en gehandicapten) daalden door de toegang te beperken, de kostenstijging in de cure (de ziekenhuizen, GGZ-instellingen en huisartsen) werd beperkt door via groeiplafonds in feite het budgetteringssysteem weer in te voeren – een belangrijk element is het Budgettair Kader Zorg waarin afspraken staan over de beheersing van de groei. Daarnaast stelde de minister ook maximumprijzen vast voor een deel van de medicijnen en voor tandartsbehandelingen, nadat de vrije prijsvorming volkomen uit de hand liep. Ook spelen pakketmaatregelen als ingrepen in het basispakket en de AWBZ een belangrijke rol. Zo is er flink bezuinigd op de thuiszorg en hebben patiënten bijvoorbeeld geen recht meer op dagbesteding en fysiotherapie. Ook de verhoging van de eigen bijdragen en van het eigen risico hebben de collectieve uitgaven beperkt.

Sinds 2012 is er maar liefst tien miljard bezuinigd op de zorg. De helft van de bezuinigingen blijkt te bestaan uit het individualiseren van de zorgkosten: door minder zorgtoeslag, hogere eigen bijdragen en een veel hoger eigen risico betalen mensen de kosten nu zelf. Ook betalen de werkers in de zorg een hoge prijs: door het verlies van bijna tachtigduizend banen, een hogere werkdruk, soms het bevriezen van lonen of ingewisseld worden door goedkopere krachten. De ongelijkheid in de zorg is in de afgelopen vier jaar toegenomen en de zorg wordt minder solidair gefinancierd. Bovendien blijkt er harder bezuinigd te zijn op de care, de langdurige zorg, dan op de cure, de medisch-geneeskundige zorg.

In 2017 is volgens het CBS[1] 97,5 miljard euro uitgegeven aan zorg, 2 miljard euro meer dan in 2016. De zorguitgaven groeiden minder hard dan de economie in 2017. Uitgaven aan kinderopvang stegen met 7,2 procent het meest. De ontwikkeling van het arbeidsvolume en de loonontwikkeling zijn belangrijke factoren voor de ontwikkeling van de kosten van de zorg. Voorlopige cijfers geven aan dat het aantal arbeidsjaren in de sector gezondheids- en welzijnszorg met bijna 2 procent is gestegen en het gemiddelde maandloon met ruim 1 procent. Dat is een aanwijzing dat de arbeidskosten meer zijn toegenomen dan de zorguitgaven als geheel. Uitgaven aan medisch-specialistische zorg stegen in 2017 met 2,3 procent tot 27,2 miljard euro. Deze uitgaven aan ziekenhuizen en overige aanbieders, zoals zelfstandige behandelcentra, zijn goed voor 28 procent van de totale zorguitgaven. De uitgaven aan huisartsenpraktijken namen met 3,4 procent toe. Tot de huisartsenzorg wordt ook de multidisciplinaire zorg, zoals voor patiënten met diabetes of astma, gerekend. De uitgaven aan deze vorm van zorg namen in 2017 met 6,3 procent toe. De uitgaven aan aanbieders van verpleging en verzorging, stegen met 3,6 procent (ruim 600 miljoen euro). Uitgaven aan geneesmiddelen verstrekt door apotheek of verkocht via drogist en supermarkt, stegen met 0,4 procent.

In totaal gaven we via de overheid, verzekeringen en eigen betalingen in 2017 per persoon 5691 euro uit aan zorg. In 2016 was dat 86 euro minder: 5605 euro. De uitgaven aan zorg worden voor ruim 80 procent gefinancierd uit verplichte verzekeringen (Wet langdurige zorg (WLZ) en Zorgverzekeringswet (ZWV) en bijdragen van de overheid. De eigen betalingen en vrijwillige verzekeringen zijn samen goed voor ongeveer 16 procent. De 2,0 miljard euro extra uitgaven aan zorg in 2017 werden voor het overgrote deel(1,4 miljard euro) gefinancierd via de Zorgverzekeringswet. De financiering via eigen betalingen en aanvullende verzekeringen lag 50 miljoen euro hoger dan in 2016.

De zorguitgaven in brede zin namen met 2,1 procent minder snel toe dan het bbp, dat in 2017 met 4,3 procent (in werkelijke prijzen) groeide. Het aandeel van de zorguitgaven in het bbp daalde daardoor van 13,6 procent in 2016 tot 13,3 procent in 2017.  Afgebakend volgens internationaal afgesproken richtlijnen, waarbij onder andere de uitgaven voor welzijn en kinderopvang niet worden meegeteld, vormen de uitgaven aan gezondheidszorg 10,1 procent van het bbp. Dit cijfer is eveneens gedaald ten opzichte van 2016. Al vijf jaar stijgt het nationaal inkomen sneller dan onze zorguitgaven. Conclusie: de groei van de zorguitgaven is prima financierbaar en helemaal niet onhoudbaar.

Gezien het belang dat mensen hechten aan goede gezondheidszorg is dat eigenlijk een koopje. De voorspelling van het Centraal Planbureau (CPB) dat de zorgkosten de komende 25 jaar verder zullen stijgen, hangt nauw samen met de verwachting dat we in die 25 jaar ook rijker worden, en wie rijker wordt hecht aan betere – en dus duurdere – zorg. Die rijkdom schept echter ook ruimte om meer zorg te betalen.

Meer zorgkosten is ook helemaal niet slecht voor de economie, zoals neoklassieke economen stellen. Het CPB erkent dat inmiddels ook met een aanpassing van hun modellen. Mirjam de Rijk betoogde eerder terecht[2]: Zorg is bovendien net als andere sectoren ook een ‘motor van de economie’: er wordt geproduceerd, er worden behoeften bevredigd en er verdienen 1,3 miljoen mensen hun geld mee, dat ze vervolgens weer uitgeven aan de bakker, de aannemer of een nieuwe auto. Nu de modellen zijn aangepast maakt het ook weinig meer uit of de zorgkosten collectief of individueel worden opgebracht. Dat is een hard gelag voor wie de afgelopen jaren met de CPB-rapporten in de hand pleitte voor het individualiseren van de zorgkosten. Het verhogen van het eigen risico, hogere eigen bijdragen of een kleiner basispakket wordt weer wat het hoort te zijn: een ideologische keuze. Wie vindt dat kosten voor ziekte en hulpbehoevendheid een eigen verantwoordelijkheid zijn, of misschien zelfs eigen schuld (‘dan had je je er maar beter tegen moeten verzekeren’), of dat zorg een ‘consumptiegoed’ is waarbij het inkomen nu eenmaal bepaalt hoeveel je ervan kunt consumeren, zal kiezen voor het individualiseren van de zorgkosten. Het is een politieke keuze, geen wetenschappelijke of economische keuze.

Voor Nederland als geheel zijn de zorgkosten dus beslist niet onbetaalbaar, gezien het overzichtelijke percentage van het nationaal inkomen dat ze beslaan. Maar voor sommige mensen zijn ze dat wel, en dat heeft alles te maken met de verdeling van de kosten. Het argument dat ‘een gemiddeld gezin nu al meer dan een vijfde van het inkomen kwijt is aan zorg’ wordt vaak gebruikt om bezuinigingen te bepleiten. Het zou echter vooral een reden moeten zijn om de zorgkosten anders te verdelen.

Hoewel de kosten vanuit het collectief bezien beheerst worden, kunnen ze op individueel niveau enorm stijgen. De kosten van dergelijke hulp zijn immers voor de eigen portemonnee. Veel mensen kunnen dit niet betalen en zullen daarom van hulp afzien. Het drukt met andere woorden de kosten van verzekeraars en premiebetalers, niet die van patiënten.

De hoge kosten voor het gemiddelde gezin hebben alles te maken met de individualisering van de zorgkosten én de manier waarop het collectieve deel van de zorgkosten is verdeeld. Individuele zorgkosten drukken per definitie harder op lage dan op hoge inkomens, en het collectieve deel van de zorgkosten wordt vrijwel louter gefinancierd uit premies op arbeid, en dan vooral op de middeninkomens. De premies op arbeid zijn een overblijfsel uit het verre verleden, toen het ziekenfonds er vooral was voor mensen in loondienst. De eenvoudigste manier om de zorglasten eerlijker te verdelen is om ze uit de algemene belastingen te betalen, zoals met onderwijs ook gebeurt. Daardoor drukken ze veel minder op arbeid dan in het huidige systeem, want twee derde van alle belastinginkomsten in Nederland komt uit omzetbelasting, accijnzen, vennootschapsbelasting en allerhande andere niet-arbeidgerelateerde belastingen. Naarmate een groter deel van het nationaal inkomen wordt verdiend met kapitaal (vermogen, winst), en dat is de huidige trend, wordt het steeds onlogischer om de zorgkosten louter te financieren via premies of belastingen op arbeid.

Door de zorg niet meer via premies maar uit de algemene belastingen te financieren, zouden inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdragen ook overbodig worden: de zorg wordt dan immers al betaald naar inkomen en vermogen. Het heffen van inkomensafhankelijke eigen bijdragen lijkt eerlijk, maar heeft als nadeel dat hoge inkomens gaan winkelen buiten het publieke bestel, waardoor het draagvlak voor de publieke zorg vermindert. Ook zijn er vermogenden die hun geld voortijdig wegsluizen naar hun kinderen, om daarmee de eigen bijdragen van bijvoorbeeld verpleeghuizen te ontlopen. ABN Amro heeft er zelfs een aparte pagina voor op haar website: ‘Kan ik door een schenking voorkomen dat ik een hogere WLZ-bijdrage moet betalen?’ De eigen bijdragen vergen bovendien een enorme bureaucratische rompslomp. Het is allemaal te vermijden door de zorg via de algemene belastingen te bekostigen. Omdat nog een belangrijk deel van de zorgpremie inkomensafhankelijk via de werkgever loopt, dragen mensen die niet in loondienst zijn, zoals renteniers, niet via die route mee. Het huidige systeem maakt arbeid duurder en vergroot de ongelijkheid tussen rijk en arm.

Eigen risico en zorgmijding

Het individualiseren van de kosten: de kosten worden nog steeds gemaakt, maar zieken betalen ze nu zelf. Het gaat dan in de eerste plaats over het verhogen van het eigen risico. In 2011 waren de 13,5 miljoen Nederlandse premiebetalers nog maximaal 170 euro per jaar aan eigen risico kwijt, inmiddels is dat 385 euro. Wie medicijnen gebruikt, bloed laat prikken of naar een specialist moet, betaalt de eerste 385 euro zelf. De helft van de mensen is jaarlijks het hele eigen risico kwijt, de andere helft verbruikt een deel ervan.

De redenering achter het eigen risico wisselt: soms is de argumentatie dat het een rem zet op het zorggebruik, soms dat het de basispremie laag houdt doordat zieken een deel van hun kosten zelf betalen. De eerste redenering is opmerkelijk omdat het bij het eigen risico om zorg gaat waar een verwijzing van de huisarts voor nodig is. Blijkbaar vindt de huisarts doorverwijzing noodzakelijk, maar het eigen risico moet er vervolgens voor zorgen dat dit advies van de huisarts niet wordt opgevolgd. De tweede redenering is ook opmerkelijk, omdat ziekte daarin klaarblijkelijk wordt gezien als eigen schuld of eigen verantwoordelijkheid: het is kennelijk beter om de kosten door zieken te laten betalen en niet door alle premiebetalers gezamenlijk. Het eigen risico kostte patiënten in 2017 zo’n 3,3 miljard euro, dat is anderhalf miljard meer dan in 2012. Het verleidt mensen ook tot gokken: met een vrijwillig hoger risico kun je forse premieverlaging realiseren, tot 300 euro per jaar. Tussen verzekeraars bestaan hierover grote verschillen. Steeds meer mensen kunnen die verleiding niet weerstaan: in 2012 koos 6,9% voor een vrijwillig hoger eigen risico, nu is dat al 12,3%. Van de groep verzekerden die kiest voor verhoging van het eigen risico, maakt ruim 72 procent de keuze voor het maximumbedrag: een vrijwillige verhoging van 500 euro. Dat komt neer op 8,9 procent van alle zorgverzekerden. Als er echter dan plotseling hoge zorgkosten ontstaan, en er is onvoldoende inkomen, dan zijn er in toenemende mate schulden, die nog eens verzwaard worden door verhoging van premie met 25% (!) bij meer dan zes maanden achterstallige premie plus invorderingskosten.

Als mensen minder zorg krijgen dan nodig heet dat in beleidsjargon zorgmijding. Een term die suggereert dat het aan de patiënt of hulpbehoevende ligt dat hij of zij de zorg niet tot zich neemt. ‘Zorgmijder’ doet denken aan junks en daklozen, aan verwarden die niet door hebben dat ze hulp nodig hebben, aan zorgbehoevenden die zich opsluiten achter de geraniums terwijl de hulpverleners in groten getale op de stoep staan. Of aan doktersangst of over-optimisme. Zorgmijding bestaat, maar voor mensen waar geen zorg voor is of die de benodigde zorg niet kunnen betalen, is zorgtekort of geldtekort misschien een adequatere term. In februari 2016 publiceerde het blad Binnenlands Bestuur een onderzoek waaruit bleek dat ruim een kwart van alle hulpbehoevenden afziet van gemeentelijke zorg of ondersteuning vanwege de gestegen kosten.

Het eigen risico leidt in de praktijk tot zorgmijding, en omdat patiënten daardoor te laat goede zorg krijgen, nemen op termijn de totale kosten weer toe. Het aantal mensen dat geen aanvullende verzekering heeft is de afgelopen tien jaar flink gestegen: van zeven procent in 2006 naar zestien procent nu. Dat betekent dat ruim twee miljoen volwassenen zelf de tandarts en fysiotherapie betalen – of er niet naartoe gaan. Uit onderzoek van het RIVM en het CBS blijkt dat er op een aantal gebieden grote verschillen zijn in zorggebruik tussen laag- en hoogopgeleiden (gecorrigeerd voor gezondheidsverschillen): lage inkomens gaan minder vaak naar de tandarts, naar de fysiotherapeut en naar de specialist. De eerste twee zitten niet in het basispakket en vergoeding is dus afhankelijk van een aanvullende verzekering, voor bezoek aan een specialist wordt het eigen risico aangesproken. Volgens onderzoek van het CBS gaat dertig procent van de mensen met een laag inkomen niet naar de tandarts wegens de kosten – bij hoge inkomens is dat tien procent. Onderzoek naar zorgmijding leert dat het percentage mensen dat niet naar de specialist gaat terwijl de huisarts hen daarnaar heeft doorverwezen, tussen 2008 en 2013 fors toenam: van 18 naar 27 procent.

Zorgongelijkheid wordt sinds de keuze voor marktwerking ook anders beoordeeld. In het oude systeem kreeg de één natuurlijk ook meer de benodigde zorg dan de ander, maar het algemene idee was dat dat niet deugde. Nu is het je eigen schuld, want het gevolg van je eigen keuzes: je bent bijvoorbeeld zelf zo dom geweest om een budgetpolis af te sluiten, of geen aanvullende verzekering te nemen of juist een hoog eigen risico. Terwijl veel onderzoek (zie ook WRR; Weten is geen doen) aantoont dat niet iedereen in gelijke mate tot de goede keuzes in stand is, dat de complexiteit in de zorg voor veel burgers een zwarte doos is, en dat we allemaal, ook hoogopgeleid, wel eens een fout maken met grote gevolgen. Zelfredzaamheid van de burger is, zeker ook op het terrein van de zorg, een mal waarin de gevolgen van verkeerde keuzes op onverantwoorde wijze op de burger wordt toegepast.

Individualisering zorgkosten maakt financiering ook steeds minder inkomensafhankelijk

Het Nederlandse zorgstelsel staat, in ieder geval onder beleidsmakers, bekend als uitermate solidair. Inmiddels wordt echter een derde van alle zorgkosten niet-inkomensafhankelijk opgebracht. Oftewel, of je 1500 euro per maand verdient of 15.000 euro, je betaalt hetzelfde. Het gaat dan om de premie voor de verplichte basisverzekering en de aanvullende verzekering, om het betaalde eigen risico en alles wat mensen rechtstreeks aan zorg uitgeven. Zorg is daarmee in een heel andere categorie terechtgekomen dan onderwijs, dat bijna volledig via de belastingen gefinancierd is en tot aan het mbo gratis is voor de gebruiker.

De belangrijkste impuls voor de verschuiving naar minder inkomensafhankelijke zorgfinanciering was de afschaffing van het ziekenfonds in 2006. Sindsdien betaalt iedereen dezelfde basispremie voor een verplichte particuliere verzekering. In het begin zorgde de zorgtoeslag ervoor dat de premie voor de basisverzekering voor de lagere en middeninkomens werd gecompenseerd. Maar de zorgtoeslag is de afgelopen jaren flink uitgekleed. In 2012 kwamen inkomens tot 35.011 euro (voor alleenwonenden) en tot 51.690 euro (voor meerpersoonshuishoudens) voor zorgtoeslag in aanmerking. Inmiddels is de zorgtoeslag er alleen voor mensen met een inkomen tot 27.012 euro (alleenwonenden) of tot 33.765 euro (meerpersoonshuishoudens). Bovendien werden de bedragen sterk verlaagd, vooral voor wie iets boven het sociaal minimum zit. Daardoor compenseert die toeslag voor de groep die nog voor zorgtoeslag in aanmerking komt gemiddeld slechts 39% van de zorgpremie.

Al met al zijn mensen met een laag of middeninkomen een veel groter percentage van hun inkomen kwijt aan zorgkosten dan wie meer verdient. Om een voorbeeld te geven: een stel met een gezamenlijk bruto-inkomen van 34.000 euro (netto zo’n 2500 per maand) is maandelijks 260 euro aan zorgpremie kwijt (basispremie en aanvullende verzekering) en heeft geen recht op zorgtoeslag. Nog afgezien van het eigen risico dat kan oplopen tot 65 euro per maand en eigen bijdragen voor bijvoorbeeld tandarts, medicijnen of gemeentelijke zorg. Veel mensen kunnen de zorgpremie niet of slechts met veel moeite betalen. De zorgverzekeraars hebben te maken met ruim 300.000 wanbetalers: mensen die al meer dan een half jaar geen premies hebben betaald. Het leed voor de verzekeraars is overigens te overzien, want er is wettelijk geregeld dat in zo’n geval de werkgever of uitkeringsinstantie verplicht is om de achterstallige premie (mét opslag) in te houden op het loon of de uitkering.

Een vrij onbekende maar substantiële denivellering van de zorgkosten zit in de staart van de hervorming van de langdurige zorg. Een deel van de langdurige zorg die vroeger werd gefinancierd via de AWBZ, de algemene wet bijzondere ziektekosten, valt sinds 2015 namelijk onder de zorgverzekeraars. Het verschil? De AWBZ werd betaald via een inkomensafhankelijke premie, terwijl de kosten van de zorgverzekeraars voor bijna de helft opgebracht worden door de basispremie die voor iedereen gelijk is. De jaarlijkse zorgpremie neemt daardoor met honderd euro toe. Niet in één klap maar in stappen, want de overheid verzacht de kosten de eerste paar jaar nog een beetje. Aangezien het eigen risico meestijgt met het totale bedrag dat via de zorgverzekeringswet loopt, stijgt ook het eigen risico hierdoor, met dertig euro.

Het andere tweederde deel van de zorgkosten wordt nog wél inkomensafhankelijk gefinancierd: via de belastingen, via de inkomensafhankelijke premie voor de wet langdurige zorg (de afgeslankte opvolger van de AWBZ), via het deel dat werkgevers meebetalen aan de zorgverzekeraars (ZVW) en via de inkomensafhankelijke eigen bijdragen voor langdurige zorg en ondersteuning.

In de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) staan ieder jaar keurig de gemiddelde zorglasten, maar die zeggen eigenlijk niets. Dat het Nederlandse zorgstelsel in bijvoorbeeld internationale vergelijkingen als solidair en collectief te boek staat, komt vooral doordat ook de inkomensonafhankelijke zorgpremies officieel ‘collectief’ heten, omdat het om een verplichte verzekering gaat.

De afgelopen jaren is de ongelijkheid in toegang tot gezondheidszorg onmiskenbaar toegenomen. Dat heeft te maken met het hoge eigen risico, met de hogere eigen bijdragen, en met het feit dat een deel van de zorg niet meer publiek wordt aangeboden, door bijvoorbeeld de sluiting van tehuizen. Ook de marktwerking in de zorg vergroot de ongelijkheid. Een systeem dat gebaseerd is op individueel slim keuzes maken – voor polissen, voor zorgaanbieders, eventueel voor een hoger eigen risico – beloont de slimste kiezers, de hoger opgeleiden.

Naast financiële drempels leidt ook de complexiteit van het zorgstelsel tot ongelijke toegang. En de complexiteit van het Nederlandse zorgstelsel is het afgelopen decennium sterk toegenomen, constateert de Algemene Rekenkamer. Volgens de Rekenkamer is dat een gevolg van de snelheid waarmee bezuinigingen werden doorgevoerd. Snelle invoering maakt allerlei reparaties, noodverbanden en bypasses noodzakelijk, en uiteindelijk ontstaat een nauwelijks te doorgronden systeem. Complexiteit is altijd in het voordeel van mensen die zichzelf toch al goed kunnen redden, het zet mensen die minder mondig of slim zijn op achterstand.

Ook het stelsel van zorgtoeslagen en (belasting)bijdragen aan de ZVW draagt bij aan de ongelijkheid. Het is inmiddels wel erg complex geworden. Wie in loondienst jaarlijks minder dan 19.500 euro verdient of bijstandsgerechtigd is, kan door de zorgtoeslag haast gratis verzekerd zijn. Van de 85 euro die de goedkoopste niet-budgetverzekering biedt blijft er namelijk nog maar 7 euro over. Met het verplichte eigen risico van 375 euro kom je als je zorg nodigt hebt uit op maximaal 37 euro per maand.

Mensen die hetzelfde inkomen op een andere manier binnenkrijgen, zoals AOW’ers of ZZP’ers, betalen daarbovenop de (belasting-) bijdrage aan de ZVW. Voor 2015 komt dat neer op ruim 940 euro per jaar. Deze groepen zijn ruim 85 euro per maand kwijt en met eigen risico maximaal 109 euro. Dit verschil staat wel erg ver af van de oorspronkelijke gedachte: een basisverzekering voor iedereen, onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde prijs.

Wel zinnige manieren om zorgkosten te beperken: (1) schaf de marktwerking af

Dat de zorgkosten niet ‘onbetaalbaar’ of ‘slecht voor de economie’ zijn, neemt niet weg dat het van groot belang is om er niet méér miljarden aan te besteden dan nuttig en nodig is. En daar valt nog veel te verbeteren, zeggen kenners van de zorg. Niet door bot te bezuinigen, kosten te individualiseren of de toegang tot zorg te beperken op de manier waarop dat de afgelopen jaren gebeurde, maar door heel precies te kijken waar onnodige zorgkosten vandaan komen.

In de eerste plaats de feitelijke constatering dat marktwerking de kosten in de zorg op verschillende manieren opdrijft. Verzekeraars en zorginstellingen moeten grote financiële buffers aanleggen, omdat hun nering – in ieder geval in theorie – ieder moment naar de concurrent kan vertrekken (de hoogte van de verplichte financiële buffer van een ziekenhuis neemt zelfs toe naarmate er in de buurt meer private klinieken zijn). Verzekeraars besteden jaarlijks een paar honderd miljoen aan reclame en marketing en dat gaat in de toekomst misschien ook gelden voor zorgverleners.

Voorstanders van marktwerking gaan ervan uit dat hier veel kostenvoordelen tegenover staan, omdat zowel verzekeraars als zorgverleners zich geprikkeld voelen om zo efficiënt mogelijk te werken. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) haalt die stelling echter hard onderuit, in het in 2015 verschenen rapport Strengthening health system governance. In het hoofdstuk over Nederland wordt ons zorgsysteem minutieus gefileerd. Het is een grote fout om efficiency te verwarren met kostenmatiging, stellen de onderzoekers van het Europese Observatory van de WHO. De gereguleerde marktwerking leidde op sommige punten tot grotere efficiëntie, maar als ondertussen het aantal behandelingen sterk wordt opgevoerd, stijgen de kosten. En in een marktsysteem hebben zowel de zorgaanbieders als de verzekeraars belang bij het opvoeren van het volume, aldus de WHO.

Het bouwwerk gaat er vanuit dat je als zorgbehoevende pas ophoudt met naar dokters gaan als je er zelf voor (bij)betaalt. Maar voor je het weet willen premiebetalers dan juist ‘waar voor hun geld’ en eisen ze een doorverwijzing naar een specialist of maken ze in december nog snel de fysiobehandelingen op waar ze ‘recht’ op hebben.

Het onderzoek signaleert nog een groot aantal andere nadelen van het Nederlandse systeem. Verzekeraars blijken bijvoorbeeld te weinig verstand te hebben van de zorg om op een goede manier met ziekenhuizen te kunnen onderhandelen. In een marktsysteem is de kans ook groter dat spelers toetreden ‘met dubieuze motieven’ en dat er prikkels zijn die ‘conflicteren met het publieke belang’. De integriteit van spelers in de zorg is vaker ter discussie komen te staan, door een aantal schandalen rond zorginstellingen (nu ook met ziekenhuizen) en de manier waarop de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) haar taak uitoefende. Achmea is niet voor niets berucht van de woekerpolissen. Ook ontbreekt een belangrijke voorwaarde voor marktwerking: grote inzichtelijkheid in de kosten, en dat komt juist weer doordat marktpartijen als verzekeraars hun informatie niet graag prijsgeven, zo stelt de WHO.

Het systeem heeft ook perverse effecten naar zorgverleners. Hiervoor hebben we al gewezen op de terugkomst van de kosten van goodwill bij huisartsen, die afgewenteld worden op het collectieve systeem, en de kosten van het huidige maatschap-systeem bij medisch specialisten. Meer in het algemeen zijn de netto-inkomsten van sommige zorgondernemers ver boven wat de Wet Normering Topinkomens als norm stelt in de publieke sector. Deze wet wordt ook omzichtig omzeild: zo kreeg Loek Winter, de topman van de inmiddels failliet gegane ziekenhuizen van zijn MC Groep in Amsterdam en Lelystad, een aanstelling van 7,5 dag per week (geen typefout). Een week heeft weliswaar maar 7 dagen maar op deze manier kon hij meer salaris binnen de regels ontvangen! Ondertussen werd de oorzaak van het faillissement gelegd bij de hoge inhuurkosten van het personeel. Tegelijkertijd is er in de hele zorg dramatisch bezuinigd op zowel het aantal arbeidsplaatsen, de salarissen als de overige arbeidsvoorwaarden aan de onderkant van de arbeidsmarkt in de zorg, zoals in de thuiszorg en de huishoudelijke zorg. De vlucht naar het zzp-schap is vooral veroorzaakt door de bezuiniging op de arbeidsvoorwaarden. Nu er weer personeelstekort is, kunnen zorgwerkers meer geld verdienen als zzp-er.

Het bevorderen van samenwerking in plaats van concurrentie is een belangrijk instrument om kosten te besparen. Veel ingrepen kunnen net zo goed en tegen lagere kosten in de ‘eerste lijn’ worden uitgevoerd, en niet alles wat kan is ook nodig. Een versterking van de poortwachterfunctie van de huisarts en ook van wijkverpleegkundigen kan daaraan bijdragen.

Door onnadenkend bezuinigen zijn er ook veel nieuwe zorgkosten bijgekomen. Op zichzelf is het een mooi perspectief: gehandicapten, chronisch zieken, bejaarden of geestelijk zieken die zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, ondersteund door professionele zorg waar nodig. En even mooi is het idee om alles wat niet per se in dure ziekenhuizen of door dure specialisten gedaan hoeft te worden over te laten aan huisartsen, maatschappelijk werk en andere nabije en goedkopere mensen. Het probleem is alleen dat er op alle zorg die thuis blijven wonen mogelijk maakt veel bezuinigd werd: van de huishoudelijke hulp tot de hulpmiddelen en van de dagopvang tot het maatschappelijk werk. Bovendien bleek in de afgelopen jaren dat beleidsmakers een iets te rooskleurig beeld hebben van zorgbehoevenden, alsof bijna iedereen zich met een steuntje in de rug prima kan redden.

En zo ontstond op tal van plekken in de zorg een waterbedeffect: hoe harder er op het ene gebied gedrukt wordt, hoe meer het waterbed op andere plekken omhoog veert. Huisartsen kregen het in korte tijd van alle kanten drukker: met mensen die eigenlijk sociale problemen hebben maar daarvoor geen aanspreekpunt meer hebben, met behandelingen van diabetici en andere chronisch zieken die vroeger naar een ziekenhuis werden doorverwezen, en met mensen die vroeger in een tehuis geplaatst werden, maar tegenwoordig thuis moeten blijven wonen. En harder werken is tot daaraantoe, maar minder goede zorg kunnen bieden is erger.

Het waterbed stulpt ook uit bij de eerstehulpposten van de ziekenhuizen. Alles komt daar samen: mensen die vanwege het hoge eigen risico te lang wachten voor ze hulp zoeken en met spoed alsnog geholpen moeten worden, ouderen die langer thuis wonen en vaker vallen, geestelijk zieken die vaker op straat verkeren en acuut zorg nodig hebben. En deze patiënten kómen niet alleen bij de eerste hulp, ze zijn er vaak ook moeilijk weg te krijgen: veel mensen kunnen niet naar huis omdat ze er te slecht aan toe zijn, maar plekken in een verpleegtehuis of een GGZ-instelling zijn niet te vinden. Met als gevolg dat ziekenhuispersoneel eindeloos aan het bellen en regelen is. Er dreigt een vicieuze cirkel: doordat veel specialisten ingezet moeten worden op de spoedzorg ontstaan er voor de ‘gewone’ behandelingen wachtlijsten, wat er weer toe leidt dat meer mensen op de spoed terechtkomen. Marijke Vos, voorzitter van Sociaal Werk Nederland, de vereniging van organisaties voor maatschappelijke ondersteuning: ‘Er wordt gruwelijk onderschat dat een deel van de mensen het niet redt zonder betaalde hulp. Helpen om het dagelijks leven te leiden: het klinkt misschien futiel maar het is voor veel mensen van levensbelang.

WLZ-cliënten kunnen nu in onverwachte situaties (zoals bij een ziekenhuisopname of thuis, na een operatie) geen thuiszorg krijgen of begeleiding in het ziekenhuis. Dit moet formeel dan uit het pgb worden betaald of van de WLZ-aanbieder komen, maar die mogelijkheden worden in de praktijk niet geboden. Dit kan leiden tot een situatie waarvan de cliënt en/of de mantelzorg de dupe wordt: er is onvoldoende hulp beschikbaar of mantelzorg moet noodgedwongen extra hulp bieden. Op dit moment verschilt ook het aantal uren mogelijke verpleging tussen ZVW en WLZ enorm. Ook indien de GGZ-problematiek voorliggend wordt geacht, is toegang tot de WLZ nu niet mogelijk en zijn mensen op de Zorgverzekeringswet aangewezen. Hier is voor mensen met een combinatie van beperkingen, waaronder (L)VB, vaak geen passende zorg te krijgen.

Een heel ander soort waterbedeffect is dat ziekenhuizen ‘dure’ patiënten doorverwijzen naar andere ziekenhuizen, onder het mom dat dit andere ziekenhuis betere zorg kan bieden. Het AMC in Amsterdam trok hierover aan de bel. Want nu dure medicijnen voor bijvoorbeeld kankerbehandeling sinds 2012 onder het ziekenhuisbudget vallen én de ziekenhuizen zich moeten houden aan het kostenplafond krijgt het AMC opvallend vaak ‘dure’ patiënten doorverwezen.

In een publiek systeem kunnen de verzekeraars worden omgevormd tot publieke uitvoeringskantoren, bijvoorbeeld per landsdeel of regio. Zij verdelen het geld over de zorgverleners en instellingen, in een efficiënt en effectief, samenwerkend netwerk. Groot voordeel is dat zorginstellingen niet meer met dertig verschillende verzekeraars (die overigens vaak onderdeel zijn van één van de vier grote verzekeringsconcerns) te maken hebben én de instellingen kunnen weer toekomstgericht gaan nadenken, want ze hoeven niet ieder jaar opnieuw te onderhandelen over hun budget. Ook dat bespaart uiteindelijk kosten. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) bewaakt de kwaliteit van de zorg en de zorginstellingen moeten bijv. iedere tien jaar opnieuw hun concessie verwerven.

Een volgend punt is dat het huidig systeem investeringen in preventie niet stimuleert, maar juist tegenwerkt. De uitgaven voor preventie zijn niet mee gestegen met de kosten in de zorg en dalen zelfs sinds kort. Verzekeraars hebben nu eenmaal geen belang bij preventie-activiteiten, omdat de baten bij anderen terechtkomen. Paul van Rooij, tot voor kort directeur van GGZ Nederland en inmiddels directeur van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), kijkt met bewondering en enige jaloezie naar Engeland, waar in de geestelijke gezondheidszorg alles is gericht op de zogeheten ‘vroegsignalering’ en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn. Die aanpak heeft volgens hem zeker met de NHS te maken, de National Health Service, waardoor al het zorggeld uit één pot komt en er in de hele ‘keten’ vanuit dezelfde ideeën wordt samengewerkt.

Het grote manco van het huidige Nederlandse systeem is dat zorgverleners betaald worden voor volume en niet voor goede zorg. En mensen gaan zich gedragen naar het financieringssysteem. Het is beter om het inkomen van zorgverleners vooral te baseren op de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben. Daarnaast krijgen ze dan een klein bedrag per ingreep of per consult en ook nog een klein bedrag bij uitzonderlijk goede prestaties of bij innovaties. Dat is de manier waarop nu bijvoorbeeld huisartsen al betaald worden. Kleine bedragen voor de geleverde productie zijn genoeg om mensen scherp en actief te houden, leert ons de gedragseconomie, terwijl grote bedragen overproductie stimuleren.

Volgens Gert Westert, hoogleraar kwaliteit van zorg aan het Radboud Universitair Medisch Centrum, kan er in ziekenhuizen zeker twintig procent worden bespaard als artsen anders worden betaald én elkaar veel meer aanspreken op hun manier van werken. Hij gaat er vanuit dat in de cure zo’n dertig procent van de zorg niet of nauwelijks te maken heeft met het medische nut ervan maar slechts voortkomt uit het aanbod.

Zorgaanbieders klagen dat zij sinds 2014 te maken hebben met fikse kortingen waarbij zij de keuze hebben om geen contract af te sluiten, met alle risico’s van dien, of te ‘tekenen bij het kruisje’. Als dat waar is, worden de kosten beheerst door zorgaanbieders te dwingen onder de kostprijs te werken. Nu is het lastig om te beoordelen wie er gelijk heeft: zorgverzekeraars geven geen openheid van zaken over de tarieven die zij bieden en hoe deze zijn opgebouwd. Aangezien verzekeraars zich in het verleden niet van hun beste kant hebben laten zien, is er wel enige aanleiding om hen kritisch tegemoet te treden. Met name bij kleine zorgondernemers, zoals de paramedici (fysiotherapeuten, diëtisten, logopedisten, oefentherapeuten, etc.), zien we dat er veel conflict is met verzekeraars. Ze willen zich organiseren om meer marktmacht tegenover de verzekeraar te kunnen stellen, maar dat wordt hen met steun van de ACM onmogelijk gemaakt.

Paramedici kunnen overigens ook een belangrijke rol spelen bij betere regionale samenwerking en verlaging van kosten. De kwaliteit van leven wordt door hen vaak aanzienlijk meer verbeterd dan medische specialisten dat kunnen bij veel aandoeningen.

Een volgend belangrijk instrument om zorgkosten te besparen is het tegengaan van ondoelmatige behandelingen. Hoe groot het bedrag is dat hieraan besteed wordt, is onduidelijk. Maar zelfs als het om weinig geld gaat moeten die behandelingen en de vergoeding daarvan worden aangepakt. Een apart probleem hierbij is wat de definitie is van wat een doelmatige behandeling is. Bekend is dat veel placebo’s bij patiënten wel effect hebben bij het bestrijden van pijn en andere klachten. Vele kwakzalvers varen er wel bij. Patiënt is tevreden, maar wetenschappelijk is er geen bewijs dat het helpt, vaak integendeel. Veel klachten kunnen kennelijk opgelost worden met een andere ‘beleving’ van de werkelijkheid, als je er maar in gelooft. Dit gaat van bedevaart naar Lourdes via acupunctuur naar alternatieve kruidengenezers. Sommige verzekeraars vergoeden dit soort ‘behandelingen’. Verzekeraars zijn niet geïnteresseerd of het ook echt werkt, meer volume is geen probleem, als de patiënt bereid is het te betalen. Het komt ons voor dat als het gaat om collectief gefinancierde arrangementen, zoals de basisverzekering, dit soort ‘behandelingen’ daar niet in thuis horen. Het staat een ieder vrij om gebruik te maken van deze ‘behandelingen’, mits deze niet aantoonbaar juist contraproductief werken of daarvoor een te groot risico zijn (in welk geval ze verboden zouden moeten zijn), maar dan wel op eigen rekening.

Een andere steen des aanstoots wordt gevormd door zorgaanbieders die hun werk niet goed doen. De minister heeft gelijk dat patiënten vaak zelf niet goed de kwaliteit van de zorgaanbieder kunnen beoordelen. Het ligt voor de hand om de huisarts hier een rol in te geven. Hij of zij kent niet alleen de patiënt, maar ook de specialisten in de regio. De huisarts krijgt bovendien teruggekoppeld welke behandelingen zijn uitgevoerd en hoort van de patiënt hoe deze de behandeling heeft ervaren. Het argument van de minister dat huisartsen niet tot zo’n beoordeling in staat zijn, lijkt vergezocht. Huisartsen hebben ook nu al een ‘poortwachtersfunctie’.

Een apart punt vormen de hersteloperaties. In sommige ziekenhuizen bedraagt het aantal hersteloperaties 0,2% bedraagt, terwijl het in andere instellingen op 2,0% ligt. Verzekeraars willen zorginstellingen financieel prikkelen tot minder fouten. Maar deels kunnen hersteloperaties veroorzaakt worden door de complexiteit van de aandoening. Voor zover er sprake is van verwijtbaar gedrag kan de IGZ ook hier een rol spelen. Die kan immers zien welke ziekenhuizen een opmerkelijk hoog percentage hersteloperaties hebben en hen daar ook op aanspreken. Het argument van het vorige kabinet dat de Inspectie artsen niet kan verhinderen hun praktijk uit te oefenen lijkt ons onzin. Als we de zorgverzekeraars instrumenten kunnen geven om ondoelmatige handelingen uit te sluiten, moeten we dat ook met de IGZ kunnen doen.

Een belangrijke oorzaak van de stijgende zorgkosten is dure nieuwe medische technologie. Van een groot deel van die technologieën is nooit bewezen dat ze beter werken dan de oude, goedkopere. Zo heeft ieder zichzelf respecterend ziekenhuis inmiddels voor operaties een Da Vinci-robot, zonder dat ooit vast is komen te staan dat de resultaten daarvan beter zijn dan het chirurgische handwerk. Het zou een belangrijke rem op de zorgkosten kunnen zijn als nieuwe, duurdere technieken pas worden vergoed als ze aantoonbaar voordeel hebben voor de kwaliteit van leven of de levensverwachting van de patiënt. Het publiek financieren kan daar een betere waarborg voor leveren.

En dan de soms idiote stijging van medicijnprijzen. Medicijnprijzen stijgen de afgelopen jaren spectaculair. Alleen al voor kankermedicijnen zijn de uitgaven in vijf jaar tijd verdrievoudigd tot een miljard euro per jaar. Sommige middelen kosten meer dan een ton per patiënt per jaar. Door de langlopende patenten kan de industrie vragen wat zij wil. De gemiddelde winst van de farmaceutische industrie is 20% met uitschieters tot boven de 50%. De drie linkse partijen hebben eind 2017 in een initiatiefnota al een goed gezamenlijk plan gemaakt om de kosten voor dure geneesmiddelen beheersen en de macht van de farmaceutische industrie te beperken.

De kosten van de zorg zullen blijven stijgen. Dat is ook helemaal niet erg, mits goed besteed en eerlijk gefinancierd. Er zijn grote investeringen nodig, met name om de vergrijzing en de werkdruk op te vangen van het personeel. In de zorg dreigt een tekort van 125.000 personeelsleden in 2022. Daarnaast zijn m.n. in de care en bij huisartsen veel meer mensen nodig.

Twee derde van de zorgkosten zijn arbeidskosten. Zelfs bij instellingen die het zorgvuldig aanpakken is het personeel vaak de belangrijkste – en soms enige – bezuinigingspost. Een zorginstelling heeft drie grote kostenposten: mensen, spullen en gebouwen. De spullen – technologie en medicijnen – worden door technologische en farmaceutische ontwikkelingen snel duurder. Van gebouwen kom je niet snel af, zelfs als je ze eigenlijk niet meer nodig hebt omdat patiënten tegenwoordig eerder naar huis kunnen worden gestuurd. Blijft over de mensen.

Op dit moment werken er bijna tachtigduizend mensen minder in de zorg dan vier jaar geleden: van 1.443.000 naar 1.366.000. Vooral in de care verdwenen banen. Kort na de financiële crisis van 2008 was het mede aan de zorg te danken dat de werkloosheid in Nederland nauwelijks steeg: er werden van 2009 tot 2012 veel nieuwe mensen aangenomen om de werkdruk te verlichten en de kwaliteit van de zorg (geen pyjamadagen meer!) te verbeteren. Die werkgelegenheid verdween de afgelopen jaren onder Rutte II even snel als ze gekomen was. Daarnaast leverden werkenden in de zorg inkomen in. Soms om daarmee bezuinigingen voor patiënten en cliënten te voorkomen, zoals het akkoord dat het kabinet in april 2013 sloot met werkgevers en vakbonden in de zorg. Een deel van de bezuinigingen uit het kersverse regeerakkoord werd daarmee teruggedraaid, bekostigd door het inleveren van loon door werknemers.

Ook de groeiplafonds van de ggz en de ziekenhuizen kosten salaris. Toen de ggz-instellingen in 2012 een plafond opgelegd kregen, werden de lonen meteen voor twee jaar (in 2013 en 2014) bevroren. In de ziekenhuizen gebeurde dat niet, maar gaan de groeiplafonds wel vaak ten koste van het verplegend personeel.

Sinds de marktwerking in de zorg onderhandelen de zorgverzekeraars met zorginstellingen over hun prijs, en zo’n scherpe prijs gaat vaak ten koste van het personeel. De FNV bekeek de jaarverslagen van 299 instellingen voor verpleging en verzorging en zag dat de loonkosten als deel van de totale kosten daalden van 70,26 procent in 2013 naar 67,39 procent in 2015.

De kostenbesparing op personeel wreekt zich nu: door de snel stijgende personeelstekorten laat medisch personeel zich nu vaak tegen hoge tarieven als zzp-er inhuren.

[1] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/22/zorguitgaven-stijgen-in-2017-met-2-1-procent?fbclid=IwAR0VswaGLtyi4fDpM3UGdxZyR6EcTcMzpuzyTVCGFaU9mAhHQbK65phZqJY

[2] https://www.groene.nl/artikel/de-kosten-in-de-zorg?fbclid=IwAR07lJvyI6g7FZbEOi21gYj5bX0WIF84aKoUNyy7T2MnT-Vusi9l4s7m5Aw

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Een sociaaldemocratische visie op zorg

Hier vindt u artikelen over een andere, sociaaldemocratische visie op zorg:

Allereerst een artikel in reactie op een opiniebijdrage van Wouter Bos in de Volkskrant. Dit artikel is geschreven samen met Cobie Groenendijk.http://gerardbosman.com/2018/10/18/niet-de-zorg-maar-het-zorgstelsel-is-duur/

Dan een serie artikelen met een integrale, nieuwe visie op zorg:

De inleiding: http://gerardbosman.com/2018/10/26/solidaire-toegankelijke-en-goede-zorg/

Over marktwerking in de zorg: http://gerardbosman.com/2018/10/26/marktwerking-en-concurrentie-in-de-zorg/

Over individualisering van zorgkosten: http://gerardbosman.com/2018/10/26/individualisering-van-zorgkosten/

Over decentralisatie van zorg naar gemeenten: http://gerardbosman.com/2018/10/26/de-decentralisatiedwaling-de-noodzaak-om-te-komen-tot-een-regeling-een-financiering-en-een-loket-voor-de-hele-zorg/

Over een ander zorgstelsel: http://gerardbosman.com/2018/10/26/hoe-een-sociaaldemocratisch-zorgstelsel-eruit-kan-zien/

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Marktwerking en concurrentie in de zorg

Zorg moet worden beschouwd als een publieke nutsfunctie en leent zich totaal niet voor een systeem van onderlinge concurrentie en marktwerking. De gezondheidszorg is niet geschikt voor marktwerking. Het gaat bij deze ‘markt’ niet om willekeurig vermeerderbare producten met een willekeurig aantal aanbieders en een willekeurig aantal afnemers. De toegang van gekwalificeerde aanbieders van medische zorg is beperkt. De afnemer is geen onafhankelijke consument, maar een patiënt die op een permanente kennisachterstand staat ten opzichte van de medische wereld. Aldus staat de gezondheidszorg haaks op alle vooronderstellingen voor een efficiënte, vrije markt – perfecte competitie, perfecte informatie, mobiliteit van factoren, etc. Daarom is de opvatting dat marktwerking zou zorgen voor een efficiënte, doorzichtige en goedkope gezondheidszorg op basis van feiten weerlegbaar. Voor veel typen zorg heeft de patiënt ook helemaal geen keuze. Maar ook in de planbare zorg bestaat er bij de patiënt geen inzicht in kwaliteits- en prijsverschillen en ook geen behoefte aan keuzes daarin: de patiënt wil gewoon goed en snel geholpen worden.

Marktwerking toepassen in een sector waar dit niet kan werken heeft ertoe geleid dat nagenoeg alle maatregelen in de praktijk een averechts effect hebben gehad. Hierop werden er weer allerlei reparatiemaatregelen bedacht die echter eveneens verkeerd uitpakten en de paradoxale situatie enkel versterkten. In de samenleving alsook bij de professionals in de zorg neemt de ontevredenheid over dit systeem toe. Door een soms indrukwekkend gebrek aan inzicht over hoe de gezondheidszorg echt werkt — in de spreekkamer van de huisarts, op de spoedeisende hulp of elders in ziekenhuizen — en tegelijkertijd principes uit de marktwerking blind voor realiteit te verklaren, hebben we momenteel te maken met een gefixeerd, bureaucratisch, financieel instabiel en uiterst moeizaam functionerend stelsel. Er kan zelfs gesteld worden dat een zorgstelsel op basis van marktwerking een verbetering van de kwaliteit in de praktijk ondermijnt en de kosten ervan verhoogt. Een aantal voorbeelden ter illustratie.

Regionale samenwerking in plaats van concurrentie

Het is meermalen bewezen dat een concentratie van zorgaanbod om complexe behandelingen van ingewikkelde aandoeningen goed uit te voeren onontkoombaar is. Maar daar is ons systeem momenteel helemaal niet op ingericht. Immers: ziekenhuizen moeten concurreren met elkaar en willen daarom allemaal zoveel mogelijk specialismen in huis: iedereen een 24-uurs spoedeisende hulp, een intensive care en kleine stukjes complexe zorg tussen veel grotere stukken minder complexe zorg. Ze hebben zoveel mogelijk CT-scans en MRI’s en willen bovendien allemaal een PET-scan en een operatierobot voor zichzelf. Vanuit het oogpunt van kwaliteit is dit nauwelijks verantwoord en daarnaast is het extreem kostbaar. Pogingen om bijvoorbeeld hoogcomplexe zorg te concentreren in een kleiner aantal, regionaal slim gepositioneerde ziekenhuizen die door de aard van hun activiteiten wel een intensive care, goed geoutilleerde spoedeisende hulp en dure scanapparatuur kunnen hebben, stranden op de beperkte mogelijkheden voor regionale samenwerking binnen een stelsel van marktwerking. Zo wordt nu kartelvorming in verband met een gelijk speelveld in de markt verboden.

Het is in ieders belang zijn als ook aanbieders van thuiszorg onderling afspraken maken, zodat medewerkers hun baan houden, cliënten kunnen blijven rekenen op hun vertrouwde hulpverlener en zorgaanbieders weten waar zij aan toe zijn. Dat is echter een ‘marktverdelingsafspraak’ en die zijn in principe verboden: dergelijke afspraken nemen de prikkel weg om te innoveren en op prijs te concurreren – alsof een verdere verlaging van salarissen in de thuiszorg nog verantwoord zou zijn.

Concurrentie kan ook tot gevolg hebben dat maatschappelijk gewenste voorzieningen niet gerealiseerd worden. Bijvoorbeeld: een woningcorporatie wil samen met een aanbieder van thuiszorg een complex ouderenwoningen bouwen. Het is in dat geval logisch dat de thuiszorgorganisatie garanties vraagt dat ouderen die zorg nodig hebben deze ook bij die organisatie zullen afnemen. Ook dat is een in principe verboden marktverdelingsafspraak.

Misschien is het tijd dat ook de meest fundamentalistische believers toegeven dat het experiment met marktwerking in de gezondheidszorg is mislukt’, schreef Marcel Levi, toen nog directeur-bestuurder van het AMC, in juni 2016 in een column in het blad Medisch Contact. Hij wil af van het ‘elkaar tegenwerken en beconcurreren, zoals het evangelie van de marktwerking voorschrijft’. Er is juist veel meer samenwerking nodig in de zorg.

Marktwerking frustreert samenwerking niet alleen omdat zorgverleners elkaars concurrenten zijn, maar ook omdat in een ‘markt’ samenwerking al gauw beschouwd wordt als kartelvorming – en dat is verboden. Zoals bij de twee thuiszorgorganisaties, eentje ten noorden en eentje ten zuiden van het Noordzeekanaal, die het zonde vonden dat hun medewerkers vaak lang in de file stonden om bij patiënten aan de andere kant van het kanaal te komen en afspraken om de klanten aan de andere kant van het kanaal over te laten aan hun collega-organisatie. De toenmalige NMa (Nederlandse Mededingingsautoriteit, inmiddels opgevolgd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM)) legde de thuiszorgorganisaties miljoenenboetes op wegens het beperken van de concurrentie.

Er zitten nogal wat tegenstrijdigheden in het huidige zorgbouwwerk. Het systeem gaat er vanuit dat je als financier (de verzekeraars) pas goed onderhandelt met zorgverleners als je de concurrentie van andere verzekeraars in je nek voelt. Maar het effect daarvan is dat verzekeraars soms zorgverleners dusdanig het vel over de neus halen dat zorgbehoevenden en zorgpersoneel het gelag betalen. Het zorgbouwwerk gaat er ook vanuit dat je als zorgverlener pas echt je best doet als je met andere zorgaanbieders concurreert om de gunst van de klant, maar in de praktijk moeten zorgverleners vooral de verzekeraars te vriend houden, soms ten koste van zorgbehoevenden.

Bureaucratisering en marktwerking

Een vervelende bijwerking van de zgn. marktwerking in de zorg is de massale en extra bureaucratie. De registratie van duizenden DBC’s en verrichtingen met telkens wisselende definities die soms zelfs met terugwerkende kracht worden ingevoerd om het systeem maar draaiende te houden leiden tot een enorme registratiedruk bij zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Tel daarbij op de administratieve last die zorgprofessionals ondervinden bij het registreren van talloze parameters die zouden bijdragen aan het kwantificeren van kwaliteitsindicatoren en dan begrijp je de wanhoop die zich af en toe meester maakt van artsen en verpleegkundigen die nauwelijks meer aan hun ‘echte’ werk toekomen.[1] Veel mensen associëren bureaucratie met de overheid, maar de marktwerking in de zorg heeft de bureaucratie alleen maar vergroot. GGZ Nederland berekende dat van de 6,5 miljard die de GGZ jaarlijks kost, er 1,4 miljard opgaat aan administratie en verantwoording.

Onnodig hoge solvabiliteit door marktwerking

Nog een voorbeeld. Zorgverzekeraars zijn slechts mondjesmaat bereid tot het verstrekken van voorschotten of gebruiken dit zelfs als breekijzer in onderhandelingen met ziekenhuizen. Het geld dat ziekenhuizen en andere zorginstellingen in de tussentijd nodig hebben, lenen ze in de regel bij de bank. En omdat we zo nodig in een marktstelsel moeten opereren komen daar tegenwoordig de volledige financieringskosten van huisvesting, verbouwing en investering ook nog eens bij. Voor een gemiddeld ziekenhuis lopen de rentelasten dan al snel op tot enkele miljoenen euro’s per jaar. Doordat de overheid zich daarnaast steeds verder terugtrekt worden de eisen qua solvabiliteit en financieringsratio’s voor instellingen steeds hoger. In de afgelopen tien jaar is de solvabiliteit toegenomen van gemiddeld 8% tot 20%. Daarmee hebben de gezamenlijke zorginstellingen een kleine € 12 miljard op de bank staan dat niets staat te doen in tijden van krapte en bezuinigingen.

Ondermijnen van gemeenschapszin en het publieke belang: de goodwill van huisartsen

De heringevoerde goodwill van de huisarts laat goed zien wat marktwerking ook meer fundamenteel doet: het ondermijnen van gemeenschapszin en het publieke belang. Goodwill is dat een startende huisarts een bedrag betaalt aan de vertrekkende collega om zijn patiënten te mogen overnemen. Van oudsher was de goodwill-som de pensioenvoorziening van de vertrekkende arts. Echter in de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd deze pensioenconstructie niet meer als passend gezien. De gedachte was dat de lokale gemeenschap ook iets te zeggen zou moeten hebben bij de opvolging van een huisarts en dat niet het geld van de meestbiedende opvolger bepalend mocht zijn. Dus werd er een pensioenfonds in het leven geroepen, waar alle huisartsen verplicht aan deel moesten nemen. Bovendien werd er per gemeente een vestigingscommissie ingesteld met daarin vertegenwoordigers van de lokale huisartsen, de gemeente, patiëntenorganisaties en verzekeraars. Deze gezamenlijke commissies hadden het laatste woord bij het aanwijzen van de opvolger. Zo konden de belangen van de huisarts en van de lokale gemeenschap tegen elkaar worden afgewogen. En uiteraard werd goodwill vragen verboden. De huisdokter was een publieke functionaris, ingebed in de lokale gemeenschap en de patiënten waren geen handelswaar, die aangeboden konden worden aan de meestbiedende.

Dat was toen, lang geleden. In de 1990-er jaren kwam het idee, dat de zorgsector gezien moest worden als een markt, waar de aanbieder een zorgproduct aanbiedt aan de vragende zorgconsument. De producenten moeten concurreren om de gunst van de vrager, dat brengt de kosten omlaag en de kwaliteit omhoog. Ook over de huisartsenzorg werd deze marktlogica heen gelegd, en daar paste de vestigingscommissie niet in. Lokale inbedding en medezeggenschap waren relikwieën uit de jaren 1960, een sta in de weg voor innovatie en competitie. Weg er mee dus, de mededingingswet werd van toepassing en de vestigingscommissies werden afgeschaft met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006. Ondertussen zitten we met een al te bekend patroon: het door de gemeenschap betaalde pensioen (de pensioenpremie is verwerkt in de publiek gefinancierde tarieven) is gebleven, echter diezelfde gemeenschap is de zeggenschap over de huisartsenzorg kwijtgeraakt.

De parallel met banken en bankiers is treffend: de risico’s publiek, de opbrengsten privaat. Huisartsen en bankiers: voor hun bestaanszekerheid staat de samenleving garant en vanuit deze comfortabele zekerheid kunnen ze risicoloos de opbrengsten in eigen zak steken.

Het was de tijd waarin de financiële dienstverlening aan de regels van de markt werd onderworpen, pensioenfondsen vrij mochten gaan beleggen, waarin het toezicht op de banken werd versoepeld en waarin de Postbank, die in overheidshanden was en zich toelegde op dienstverlening aan de burgers, geprivatiseerd werd. Allemaal heel bewust genomen maatregelen die gerechtvaardigd werden met het idee dat regels en bemoeizucht van buiten af het zegenrijke vrije spel der marktkrachten maar in de weg zouden staan. Daarbij werd in moreel opzicht de gedachte aangewakkerd dat bankiers en zorgverleners ondernemers moesten zijn: het honorarium, letterlijk ereloon, werd vervangen door een inkomen dat samenhing met de gehaalde omzet. En die omzet werd dan geheel toegeschreven aan de inspanningen van die ene bankier of huisarts. De wolf in ons is toen heel bewust aangemoedigd en de gemeenschapszin in ons als ouderwets betiteld.

Zo gelooft Rijkman Groenink tot op de dag van vandaag dat het alleszins redelijk en moreel gerechtvaardigd is dat hij zo’n grote bonus meekreeg en zo is er bij goodwill vragende huisartsen dezelfde legitimatie: zo doen we het toch allemaal, het is mijn individuele verdienste, het zou zonde zijn zo’n goed lopend bedrijf dat ik zelf heb opgebouwd voor niks weg te geven. Zij zien zich niet als hebzuchtige wolven, maar als hardwerkende ondernemers die beloond worden voor hun prestaties.

Maar het wegnemen van instituties, die sociaal gedrag bevorderen en het gezamenlijk belang behartigen, was een bewuste, politieke beslissing. De moraal van individuele prestaties die beloond werden naar gelang de omzet, en niet meer naar gelang de toegevoegde waarde, komt uit de koker van de Chicago School of Economics en druppelde langzaam maar zeker door in steeds meer maatschappelijke sectoren: van markteconomie naar marktsamenleving.

Uiteraard is hier niet sprake van een complot, maar op een veel subtielere manier zijn ons denken en onze mentaliteit doordrongen geraakt van de logica van de markt ten nadele van het besef van onderlinge afhankelijkheid. En werd de financiële opbrengst belangrijker dan de toegevoegde waarde. Meningen en mentaliteit zijn geen vanzelfsprekendheid, daarover vindt ideologische strijd plaats. Het resultaat van die ideologische strijd slaat neer in de hoofden van mensen. De wolf in ons allemaal is losgelaten en aangemoedigd.

Zorg dichtbij, participatie, samenwerken in de buurt, het zijn loze kreten als links de instituties, die ondersteunend zijn aan de gemeenschapszin, uit handen laat vallen en nalaat de moraal van samenwerken en onderlinge afhankelijkheid levend te houden.

Als de goodwill trend doorzet en huisartspraktijken van de hand gaan voor gemiddeld 150.000 euro heeft dat tot gevolg dat er jaarlijks 120 miljoen euro publiek geld in private zakken verdwijnt. Bovendien is dan de vraag wat er van alle hervormingen in de zorg terecht moet komen als een van de pilaren van de eerstelijnszorg, de huisartspraktijk, handelswaar en winstobject wordt, een prooi wordt voor de meestbiedende, die op zijn beurt het geïnvesteerde bedrag weer terug moet zien te verdienen.

Maar wellicht betekenisvoller nog is het dat deze goodwill kwestie, een klein voorbeeld te midden van vele anderen, exemplarisch is voor de markt-samenleving die meer en meer de maat der dingen aan het worden is. Het veronachtzamen van instituties die sociaal gedrag bevorderen, van vestigings-commissies tot Postbank en het onvoldoende bieden van een uitzicht op een andere manier van samenleven, gestoeld op een ander moreel fundament, breekt ons als samenleving steeds meer lelijk op. In plaats van de moraal van het najagen van materieel eigenbelang tegemoet treden met een calvinistisch zondebesef, kunnen we beter de publieke instituties versterken.

Wijkverpleging en marktwerking

De zorgverzekeraars zijn sinds 2015 ook verantwoordelijk voor het betalen van de wijkverpleging en dat pakt soms dramatisch uit. In het nieuwe systeem heeft de wijkverpleegkundige een spilfunctie. Net als de huisarts mag hij of zij indicaties stellen en dus bepalen hoeveel zorg iemand nodig heeft. Verzekeraars willen de zorguitgaven in de hand houden en hebben er belang bij dat wijkverplegers geen al te ‘dure’ diagnoses stellen. Daar wordt stevig op gecontroleerd, met als gevolg minutenzorg, alles gebaseerd op wantrouwen.

Er wordt gestuurd op kostenbeheersing en op het voorkomen van fouten. Of eigenlijk vooral: op het afschuiven van de aansprakelijkheid voor fouten en budgetoverschrijdingen via contracten, protocollen, codes en controles. De spilfunctie voor de wijkverpleegkundige komt door het geïnstitutionaliseerde wantrouwen niet van de grond. Een standaard-zorgvraag bestaat niet en laat zich dus moeilijk vangen in protocollen en productcodes. Als wijkverpleegkundigen de ruimte krijgen om het maatwerk te leveren dat van hen verlangd wordt, kan dat leiden tot meer zelfredzaamheid van ouderen en kostenefficiëntere zorg.

De zorgverzekeraar ziet vooral misstanden bij verpleegkundigen die geen contract hebben met de verzekeraar. Net als in andere takken van zorg bewaken verzekeraars de budgetten door contracten af te sluiten met zorgaanbieders. Daarin maken ze afspraken over hoeveel zorg de verzekeraar inkoopt bij de instelling. Handig voor verzekeraars, die dan zeker weten dat de kosten niet uit de klauwen lopen. Vanwege de vrije artsenkeuze kunnen patiënten ook kiezen voor een zorgaanbieder die geen contract heeft met hun zorgverzekeraar. Bij niet-gecontracteerde zorginstellingen hebben verzekeraars minder grip op de kosten. De verzekeraar is verplicht om in elk geval een deel van die zorgkosten – zo’n 75 procent – te vergoeden.

Dat zorgverzekeraars en het ministerie niet blij zijn met deze constructie is geen geheim. Het ministerie probeerde in 2014 de wet te wijzigen. Verzekeraars zouden niet-gecontracteerde zorg niet meer hoeven te vergoeden. Maar dat plan sneuvelde in de Eerste Kamer. Verzekeraars gooiden het daarna over een andere boeg. Zilveren Kruis Achmea lanceerde in het voorjaar 2017 het plan om vanaf volgend jaar wijkverplegers zonder contract geen indicaties meer te laten stellen.

De botste bijl waarmee zorgverzekeraars de kosten proberen te beheersen, heet het zorgplafond. Voor een half jaar wordt afgesproken hoeveel zorg een instelling mag leveren. Alles daarboven wordt niet meer betaald. Het leidt tot grote problemen. Brancheorganisatie Actiz waarschuwde in mei dat de wijkverpleging ‘financieel onder water staat’. Zeven van de tien zorginstellingen zeggen niet uit de voeten te kunnen met het lage tarief van de zorgverzekeraars. De paradox is dat controlemechanismen die bedoeld zijn om de kosten te beheersen nu lijken te leiden tot hogere zorguitgaven. De problemen van de verpleegkundigen worden breed erkend en hebben al geleid tot een bestuurlijk tussenakkoord: ‘Meer geld, betere kwaliteit en meer beroepstrots wijkverpleegkundigen.’ Er gaat in 2018 170 miljoen extra naar wijkverpleging. Maar met dat bedrag is iets vreemds aan de hand. In 2016 was er namelijk een begrotingsoverschot in de wijkverpleging van 194 miljoen. Van dat bedrag gaat straks 144 miljoen naar de WLZ en 50 miljoen naar de wijkverpleging. Er gaat dus niet echt extra geld naar wijkverpleging, er wordt vooral met potjes geschoven. Om dat te bereiken zal er in 2019 een nieuw bekostigingsmodel voor de wijkverpleging komen. Inhoudelijk betreft dit een model waarbij de zorgvraag van de cliënt centraal staat; inzicht in kenmerken van cliënten die bepalend zijn voor het zorggebruik ligt aan de basis. In het bestuurlijk akkoord is verder afgesproken dat wijkverpleegkundigen zelfstandiger en meer vanuit hun expertise kunnen gaan werken. Het lijkt een herhaling van zetten. Ook in 2015 was het al de bedoeling om de wijkverpleegkundige meer zeggenschap te geven. Het lijkt erop dat een eerste stap richting meer vertrouwen in de mensen op de werkvloer is gezet. Al moet die blijkbaar wel in extra richtlijnen en protocollen worden geformuleerd.

Dat moet anders. In plaats van de nadruk te leggen op contracten en indicaties, moeten we meer kijken naar wat werkt. Hoe help je iemand met een hersenbloeding het best? In de huisartsenzorg, die wordt gezien als goede manier om mensen weg te houden uit de duurdere ziekenhuiszorg, is dat heel normaal. De wijkverpleegkundige kan die functie ook hebben. Maar dan moet hij wel zijn werk kunnen doen. Er moet meer vertrouwen zijn. Niet vooral producten monitoren en minuten registreren.

De rol van de zorgverzekeraars

Toen de Zorgverzekeringswet (ZVW) in 2006 werd ingevoerd werd gesteld dat de behoeften en wensen van de gebruikers van het systeem — de patiënten — centraal zouden staan. Als surrogaat voor deze rol van patiënten is de zorgverzekeraar naar voren schoven. In theorie misschien een aardige gedachte, in de praktijk blijkt dit toch weer anders uit te pakken en leidt het tot de paradoxale situatie dat de patiënt de verzekeraar — nota bene zijn vertegenwoordiger in het stelsel — nauwelijks meer vertrouwt.

Verzekeraars hebben te maken met twee groepen mensen die eigenlijk volstrekt tegengestelde belangen hebben: aan de ene kant patiënten die tegen elke prijs zo goed mogelijk willen worden behandeld, en aan de andere kant de veel grotere groep gezonde premiebetalers die zo min mogelijk premie af willen dragen. In feite vormen de zorgverzekeraars dus de hefboom bij de solidariteit die tussen gezonde premiebetalers en patiënten zou moeten bestaan.

Met gefixeerde budgetten hebben zorgverzekeraars moeite die balans goed te vinden en is het zelfs de vraag of zij dit ooit naar behoren kunnen doen. Het feit dat ze de laatste jaren zelf sterk positieve financiële resultaten hebben geboekt heeft het wantrouwen doen toenemen en ondergraaft zelfs het gevoel voor solidariteit in de samenleving. Verzekeraars geven aan dat de winsten die zij maken noodzakelijk zijn om weerstand op te bouwen bij onverwachte tegenvallers, maar hun reserves liggen inmiddels op een niveau dat circa tweemaal hoger ligt dan de eisen van De Nederlandsche Bank. Zo ligt er € 9 miljard te wachten op een betere bestemming, zoals meer zorg of een flink lagere premie. Dat zorgverzekeraars claimen verlies te draaien komt omdat zij eerst te hoge marges afromen voor o.m. deze reserveringen.

Professionals en patiënten kunnen helemaal niets tegen de verzekeraars inbrengen. Patiënten zijn sowieso de grote afwezigen in veel verhalen over de zegeningen van marktwerking. Er wordt vaak uitsluitend over consumenten gesproken en daarmee doelt men op alle verzekerden: gezonde mensen, die we hierna de premiebetalers zullen noemen, én de patiënten, die beroep moeten doen op zorg die door kostenbesparingen plotseling buiten het basispakket valt.

De terminologie van consumenten verhult een verschil in belangen; in een sociaal systeem overbrugt solidariteit deze belangen, maar in een context van marktwerking wordt dit een belangenconflict. De premiebetaler wil een kleiner pakket als dit een lagere premie impliceert, de patiënt heeft zorg nodig en dus een ruimer pakket.

Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) signaleert dit verschil niet, aangezien zij stelt dat de inkoopmacht van de verzekeraars nuttig is ‘zolang de gevolgen ten goede komen aan de consument’. Bedoelt de NZa hier de premiebetaler of de patiënt? Vermoedelijk de eerste; maar door het onderscheid niet te maken raken de mensen die zorg nodig hebben buiten beeld. Het lijkt erop dat het hele stelsel voor de premiebetaler is ingericht, waarbij de patiënt op zijn best een stoorzender is in een anders zo soepel lopend systeem.

Ook is er geen evenwicht in de relatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. In de zorg klagen driekwart van de zorgverleners dat zorgverzekeraars hun belemmeren in het geven van goede zorg. Als ze de zorgverzekeraar niet tegemoetkomen, krijgen ze minder betaald, kunnen ze een boete krijgen of verliezen ze hun contract. Buiten de patiënt om hebben zorgverzekeraars afspraken gemaakt over een maximumaantal behandelingen per zorgverlener. De felste kritiek op de zorgverzekeraars komt van zorgverleners als logopedisten, fysiotherapeuten en psychotherapeuten — ZZP’ers of in dienst van kleine zorginstellingen. Volgens hen hebben de verzekeraars te veel macht gekregen en misbruiken ze die bij de zorginkoop. Een van de belangrijkste oorzaken daarvan is dat vier zorgverzekeraars zo’n 90 procent van de markt in handen hebben, na vele fusies en overnames in de afgelopen twee decennia. In bijna elke regio hebben één of twee verzekeraars materieel een monopolie. Dat resulteert volgens de NZa, die er onderzoek naar deed, in standaardcontracten voor kleine zorgaanbieders, waarbij niet of amper over de prijs te onderhandelen valt.

Voorstanders van gereguleerde marktwerking benadrukten destijds dat verzekerden de macht zouden krijgen ‘met de voeten te stemmen’, zoals dat heet, en zorgverzekeraars te corrigeren. Dat was een sterk argument, want in het oude stelsel ontbrak die invloed goeddeels. Wie in het ziekenfonds zat — de meerderheid van de bevolking — had sowieso niets te kiezen. Sinds 2006 kunnen burgers vrij kiezen tussen zorgverzekeraars, die vaak meerdere polissen aanbieden en hen niet mogen weigeren voor de basispolis. In de praktijk maken weinig mensen er gebruik van. In 2016 stapte slechts 7 procent over naar een andere zorgverzekeraar en bijna driekwart van de totale bevolking deed dat sinds 2006 helemaal niet. Ongeveer 70 procent van de bevolking heeft een collectieve zorgpolis. Dat betekent dat van de circa 1,1 miljoen Nederlanders die dit jaar van verzekeraar wisselden, de meeste die keus niet zelf maakten, uit overtuiging. Zij volgden gewoon hun werkgever, die in de meeste gevallen vooral wil dat de polis goedkoop is. Er is nul transparantie, behalve over de prijs van polissen. Wat het verschil in kwaliteit is tussen verschillende polissen — geen burger heeft een idee. Ze kunnen kiezen uit zwarte dozen. Niettemin wordt er veel geld besteed aan reclame en acquisitie (vergoedingen aan tussenpersonen en intermediairs): zo’n 36 plus 217, dus in totaal 253 miljoen euro per jaar. De agressiefste verzekeraars zijn de grote vier: Zilveren Kruis Achmea, CZ, VGZ en Menzis. Marktwerking veroorzaakt ook dat zorgverzekeraars aan solvabiliteitseisen moeten voldoen en er daardoor ruim 11 miljard euro aan reserves nutteloos op de plank ligt.

Van machtsevenwicht door marktwerking is dus totaal geen sprake. Verzekeraars zijn oppermachtig, terwijl de NZa en de minister ook nog een behoorlijke vinger in de pap hebben. Alle drie gebruiken de premiebetaler als mascotte — ‘wat wij doen is goed voor de mensen, want lekker goedkoop’ — om de zorgverleners, zorginstellingen en patiënten voor het blok te zetten en de mond te snoeren. De premiebetaler (‘consument’) als woordvoerder voor de gezonde mensen ontneemt patiënten de legitimiteit en ruimte om hun stem te verheffen.

De kostenbeheersing in de zorg wordt volledig gestuurd door prijsprikkels. Zorgverzekeraars moeten zo scherp mogelijk inkopen, verzekerden moeten kosten en baten van de verschillende polissen tegen elkaar afwegen. De overheid heeft slechts een beperkte rol. Zij creëert de randvoorwaarden waarbinnen zorgverzekeraars moeten opereren: een voor iedereen toegankelijk basispakket en een verbod op selectie aan de poort. Om dit laatste te bewerkstelligen worden zorgverzekeraars met veel ‘dure’ verzekerden gecompenseerd door zorgverzekeraars met minder risico’s. Met deze voorwaarden moet de toegankelijkheid en betaalbaarheid van het stelsel als geheel gegarandeerd zijn. Het lijkt een mooie constructie: de overheid stelt randvoorwaarden, daarbinnen doet de markt zijn werk.

Bij de vormgeving van de ZVW is uitgebreid aandacht besteed aan de risico’s die een grotere rol voor zorgverzekeraars met zich mee zou kunnen brengen. Er werd vooral gevreesd voor risicoselectie en concurrentie op prijs in plaats van op kwaliteit. Om deze zorgen te ondervangen kwam er een acceptatieplicht voor zorgverzekeraars en een verbod op premiedifferentiatie: iedereen moet als verzekerde worden geaccepteerd en iedereen moet een gelijke polis met dezelfde premie krijgen.

Formeel houden alle verzekeraars zich aan de wet maar in de praktijk blijken sommige de doelstelling van de wet te omzeilen. Zo hoeft er maar één onderdeel te verschillen en er is al geen sprake meer van ‘dezelfde’ polis. Dat biedt talloze mogelijkheden om op basis van gezondheidsrisico’s obstakels op te werpen. Soms worden potentiële klanten subtiel afgeschrikt. Nadat ze hun geboortedatum hebben ingetypt, krijgen ouderen bijvoorbeeld het bericht dat zij zich alleen schriftelijk en niet via de website kunnen aanmelden. Wel een belemmering, maar inderdaad geen weigering. Omgekeerd wordt ook geadverteerd voor polissen voor een specifieke doelgroep — zoals hoogopgeleiden. Formeel geen polis op basis van gezondheidskenmerken (dat is verboden), maar feitelijk wel: statistisch gezien is deze groep gezonder. Verzekeraars kunnen aan iedereen die tot een bepaalde groep behoort, kortingen aanbieden. Bijv. voor hoogopgeleiden, voor studenten of voor ‘young professionals’, die gemiddeld lagere risico’s kennen. Premiedifferentiatie, hoewel wettelijk verboden, vindt op grote schaal plaats.

Op het punt van matiging van de (stijgende) kosten van de zorguitgaven lijkt er wel enige vooruitgang geboekt te zijn, maar de prijs daarvoor is hoog. De wijze waarop de zorgverzekeraars de kosten proberen te beteugelen leidt namelijk tot aantasting van het fundament van onze zorgverzekering: onderlinge solidariteit. De spotjes en advertenties waarmee de verzekeraars ieder jaar in november en december nieuwe klanten proberen te trekken, roepen ons op om vooral kritisch te kiezen: ‘Betaal alleen voor wat je nodig hebt.’ Verzekeringen waren ooit bedoeld om risico’s te spreiden: ik betaal nu mee aan jouw fysiotherapie en later betaal jij voor wat ik nodig heb. Die solidariteitsgedachte is in het huidige stelsel ver te zoeken. Wanneer wij mensen bewust blijven stimuleren om toch vooral hun eigen belangen te behartigen, zal die egoïstische mentaliteit nog verder doordringen tot de haarvaten van onze samenleving.

Daarbij maakten verzekeraars forse winsten. In de periode 2011-2015 hebben de zorgverzekeraars 5 miljard euro winst gemaakt.[2] In 2016 en 2017 is dat echter omgeslagen in een verlies. In die jaren is 3,6 miljard uit de eigen reserves gehaald om de premiestijging te drukken. Alle verzekeringsmaatschappijen worden door De Nederlandsche Bank (DNB) verplicht om aanzienlijke bedragen in kas te houden. Dit moet de financiële gezondheid van de verzekeraars waarborgen. In een financiële crisis kan het geld worden gebruikt om de bekostiging van de zorg draaiende te houden, zonder dat de staat – de belastingbetaler – daarvoor opdraait. Daardoor blijven er wel vele miljoenen euro’s nutteloos op de plank zouden liggen. Geld dat in potentie kan worden gebruikt voor bekostiging van de zorg en het voorkomen van verdere premiestijging. Daarvoor gelden – sinds 1 januari 2016 – de zogeheten Solvency II-eisen. Die eisen verschillen per zorgverzekeraar, want zijn afhankelijk van het risicoprofiel van de onderneming als geheel, het kredietrisico van de debiteuren, en de beleggingsstrategie. De Nederlandse Bank (DNB) houdt toezicht op de naleving ervan. De zorgverzekeraars stellen dat hun reserves nu niet meer toelaten dat er nog geld uitgehaald wordt om de premie te drukken. Dat is, naast de pakketuitbreiding en het bevriezen van het eigen risico, de achtergrond van de sterke premiestijging in 2019. De Consumentenbond is het daar niet mee eens – volgens de bond zijn de reserves nog steeds veel hoger dan de eisen die de DNB stelt.

Marcel Levi, CEO van de University College London Hospitals en daarvoor bestuursvoorzitter van het AMC, is in zijn column in Medisch Contact[3] glashelder: zorgverzekeraars maken helemaal geen verlies maar creëren alleen maar ‘een cosmetisch negatief resultaat omdat ze elk jaar een enorme voorziening nemen op een mogelijk verlies in het volgende jaar (wat er telkens niet is)’. Voor alle zorgverzekeraars tezamen zouden die voorzieningen optellen tot een bedrag van ruim 1,5 miljard euro per jaar. Daar kun je veel leuke dingen mee doen. Levi baseert zich op de inzichten van Frida van den Maagdenberg, lid van de raad van bestuur van het AMC, waar ze onder meer belast is met financiën en bedrijfsvoering.

Volgens haar wekken zorgverzekeraars ‘volstrekt ten onrechte’ de indruk dat ze inboeten op hun reserves om de zorgpremie laag te houden. ‘Ze maken tot nu toe ieder jaar winst op de zorgkosten – dus de premie-inkomsten zijn hoger dan de zorgkosten – en uit die winst kunnen ze het jaar daarna de premie lager houden. Daarvoor nemen ze een voorziening op, die niet ten laste komt van de reserves, zoals ze zelf beweren, maar wordt gefinancierd uit de winst.’ Ter adstructie wijst ze erop dat uit de ‘Marktscan zorgverzekeringsmarkt 2017’ van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) blijkt dat de verzekeraars in 2014, 2015 en 2016 een ‘voorziening lagere premie’ hebben opgenomen (van respectievelijk 105, 145 en 108 euro per volwassen verzekerde). In die scan lees je bovendien dat die voorziening wordt gefinancierd uit de winst van het ene jaar voor een lagere premie in het jaar daarop.

Zo staat het ook in de Marktscan 2016: ‘De zorgverzekeraars hebben de nominale premie in 2014 en 2015 gematigd om zo een deel van de gunstige resultaten terug te geven aan hun verzekerden.’ Frida van den Maagdenberg benadrukt: ‘Hier staat dus dat dit niet ten laste van de reserves kwam, en dat kan ook niet want in een latere paragraaf blijkt dat die juist zijn toegenomen.’ Merkwaardig is daarom dat de NZa in de marktscan van 2017 iets heel anders concludeert: ‘De verzekeraars hebben in 2016 verlies gemaakt op de basisverzekering. Dit komt onder andere doordat verzekeraars de toename in zorguitgaven niet volledig vertalen naar een premiestijging, maar het tekort deels aanvullen vanuit hun financiële reserves. Dit doen ze al enige jaren. Als het kapitaal dicht bij de kapitaaleis komt, zullen zorgverzekeraars de premies moeten verhogen om daarmee de kosten te dekken.’ Van den Maagdenberg: ‘Tekorten aanvullen doen ze helemaal niet “al enige jaren” vanuit de reserves. Nogmaals: dat doen ze vanuit de resultaten – dus: vanuit de winst – en dat is toch echt wat anders dan een reserve.’ In een reactie doet de NZa dit af als ‘een kwestie van semantiek’. Van den Maagdenberg kan de gang van zaken niet anders duiden dan dat verzekeraars ‘hun resultaten drukken en dat ze dat framen als het interen op hun reserves. Dat wekt de indruk dat hun solvabiliteit in gevaar kan komen, maar dat is helemaal niet het geval: jaren achtereen nemen ze ten laste van de winst een voorziening op, en dus gaat de solvabiliteit weliswaar minder omhoog, maar niet omlaag!’

Over de omvang van deze verplichte reserves staat in de NZa-marktscan 2017 dat de meeste zorgverzekeraars een buffer hanteren van rond de 125 tot 130 procent van de ingevolge Solvency II vereiste kapitaaleis. De NZa concludeert dat ‘in de praktijk nagenoeg alle zorgverzekeringsconcerns voldoen aan de kapitaaleis’. Van den Maagdenberg: ‘In de marktscan 2017 staat precies om wat voor bedragen het hierbij gaat: de kapitaalseis bedraagt bijna 7 miljard, de daadwerkelijke reserves bedragen bijna 11 miljard. Dat is ongeveer 4 miljard boven de minimumeis en 2 miljard boven de door de verzekeraars zelf vastgestelde buffers. In 2016 was de solvabiliteit 155 procent. Sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet zijn er geen verliezen geleden, maar zijn de reserves met zo’n 3 miljard gestegen.’ Zorgeconomen (vreselijk woord) en de zorgverzekeraars stellen dat het verstandig is om een ruime buffer te houden, om te voorkomen dat premies veel fluctueren. Van den Maagdenberg nuanceert dat beeld: ‘Let op: die solvabiliteit van 155 procent is “een gewogen gemiddelde”! Het argument dat sommige verzekeraars minder financiële ruimte hebben, verliest daarmee aan kracht. Dat zou immers betekenen dat andere verzekeraars nog meer ruimte hebben om de premie te verlagen. Er is 4 miljard euro ruimte om de premies te verlagen als je uitgaat van de minimumnorm, en 2 miljard ruimte als je uitgaat van de door de zorgverzekeraars zelf gehanteerde buffers – dat is veel geld.’

 Zorgverzekeraars schenden privacy patiënt

Ten aanzien van de zorgverzekeraars zijn er ook veel zorgen over de bescherming van de privacy, nu zelfs het medisch beroepsgeheim voor hen niet meer zou gaan gelden. Hiertoe is een wetsvoorstel aangenomen in de Tweede Kamer. Het voorstel ligt nu bij de Eerste Kamer, waar meer bezwaren lijken te leven. De schending van het medisch beroepsgeheim mag volgens het wetsvoorstel weliswaar alleen als ultimum remedium, na en uitgebreide procedure (stappenplan), maar aan de eis dat dit alleen maar mag door een onafhankelijk arts is niet tegemoet gekomen. De wet laat de mogelijkheid open dat een voor fraudebestrijding door de zorgverzekeraar ingehuurde arts dat delegeert, aan personeel dat niet arts is. Dat mag de dokter in zijn huisartsenpraktijk ook doen, maar dan is dat personeel ook gehouden aan de vertrouwelijkheidsplicht. En de informatie mag alleen voor medische doeleinden gebruikt worden.

De onafhankelijkheid is niet gegarandeerd omdat de door de verzekeraar ingehuurde arts en zijn personeel niet daar aan gehouden zijn, sterker nog, ze zitten daar te kijken met een heel ander doel. De aldus verkregen vertrouwelijke medische informatie kan vervolgens ook voor andere doelen (marketing, risicoselectie, etc.) gebruikt worden. Nergens is geborgd dat dit niet kan. Een amendement van de oppositie waarin werd voorgesteld om het altijd door een onafhankelijke arts te laten doen, werd helaas verworpen. De patiënt wordt wel altijd geïnformeerd als zijn dossier wordt ingezien, maar alleen achteraf (na maximaal drie maanden). Een amendement van de oppositie om dat vooraf te doen werd eveneens weggestemd. De schending van het medisch beroepsgeheim door zorgverzekeraars is een disproportionele maatregel.

De fraude in de zorgverzekering blijkt volgens onderzoek in opdracht van VWS 0,015% en daarvan is ruim 90% voor rekening van zorgverleners. Ook onderzoek van Erasmus MC toont aan dat inbreuk van het medisch beroepsgeheim niet nodig is. Er zijn genoeg andere alternatieven.

Omdat het belang zo klein is en er andere alternatieven waren is de inbreuk op het medisch beroepsgeheim juridisch een inbreuk op artikel 8 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens. De maatregel is disproportioneel en voldoet niet aan de eis van subsidiariteit.

Er is ook een groeiend probleem met de privacy in de ggz. Het zgn. Research Outcome Monitoring (Rom) schendt hier de privacy van patiënten. Een door de zorgverzekeraars betaalde databank verzamelt gegevens van patiënten. Dit gaat om gegevens uit vragenlijsten die patiënten invullen tijdens hun behandeling met informatie over hoe suïcidaal, depressief en angstig ze zijn. Namen, postcodes en bsn-nummers zijn wel afgeschermd.

Met deze gegevens meet deze Stichting Benchmark GGZ (SBG) de kwaliteit van behandelingen. In 2017 stopten 175 ggz-instellingen met het delen van deze data, nadat de toenmalige minister van volksgezondheid liet weten dat hier geen wettelijke grondslag voor was. Intussen speelt er een rechtszaak, aangespannen door boze patiënten. De rechter oordeelde dat er diepgaander onderzoek nodig was om te bepalen of de aangeleverde gegevens onder de wet persoonsgegevens vallen.

Volgens de huidige staatssecretaris Blokhuis is het oordeel van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de privacy-waakhond, doorslaggevend. Blokhuis juicht het delen van Rom-data toe, maar wel ‘binnen de wettelijke kaders’. Wanneer de uitspraak van de AP uitspraak doet, is nog onduidelijk. Zolang die uitspraak er nog niet ligt, wil de staatssecretaris dat ggz-instellingen ‘voor de zekerheid’ met expliciete toestemming van hun patiënten werken. Verschillende grote ggz-instellingen, waaronder de grootste ggz-aanbieder Parnassia, delen echter weer hun gegevens zonder die expliciete instemming. Wel informeert het hen hierover en kunnen zij bezwaar maken. Hoogleraar psychiatrie Jim van Os is bedenker van de Rom, maar tegenstander van het gebruik ervan buiten de behandelkamer. Hij wijst erop dat de Algemene Rekenkamer heeft benadrukt dat de Rom geen goed instrument is om de kwaliteit van de zorg te meten: de gegevens zijn volgens de Rekenkamer te subjectief, onvolledig en onvergelijkbaar om kwaliteit te meten. Het systeem werd ontworpen voor de psychiater zelf, om te zien of zijn patiënt erop vooruitgaat tijdens de behandeling.

De zorgverzekeraars misbruiken nu dit systeem en oefenen druk uit op zorgverleners om de gegevens aan te leveren. Doen de zorgverleners dit niet, dan dreigen zorgverzekeraars om geen zorg bij hen in te kopen. Voor de zorgverzekeraars is de ggz een black box. Met de data in de hand willen zij vooral zorg inkopen bij die behandelaars die patiënten het snelst beter verklaard. Een groep kritische psychiaters verzet zich met hand en tand tegen het verplicht aanleveren van de gegevens, die in de veiligheid van de behandelkamer door de patiënt zijn ingevuld. Zij stellen dat zorgverleners en artsen absolute geheimhouding beloven aan wat hun patiënten hen vertellen. De koepelorganisatie GGZ Nederland adviseert niettemin om de gegevens wel met de stichting te delen, maar onder de voorwaarde dat de gegevens niet bij de zorgverzekeraars terecht komen – zij kunnen hun inkoopbeleid er dus niet op baseren. Maar daarmee vergaat het hele doel van de zorgverzekeraars achter deze constructie. De strijd woedt nog voort.

[1] In 2015 stelde een internationale onderzoeksgroep van gezondheidsbeleidsexperts vast dat de administratieve kosten van Nederlandse ziekenhuizen, op de Verenigde Staten na, het hoogst waren van alle onderzochte landen: bijna twintig procent. De overheidsbemoeienis en de bureaucratie namen sinds de invoering van de gereguleerde marktwerking alleen maar toe, stelt de WHO. Er moest regelmatig worden ingegrepen bij uitwassen van de marktwerking (te veel verkregen geld terugeisen van ziekenhuizen, voorkomen dat er een grote groep onverzekerden zou ontstaan, de misère rond de diagnose-behandel-combinaties) en er kwam een hele batterij van instanties om de markt in goede banen te leiden.

[2] http://delangemars.nl/2017/09/03/zorgverzekeraars-maken-afgelopen-vijf-jaar-5-miljard-winst/

[3] https://www.medischcontact.nl/opinie/blogs-columns/column/dubbele-bodem-1.htm

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Solidaire, toegankelijke en goede zorg

Gezondheidszorg staat in het centrum van de belangstelling. Burgers rekenen een goede gezondheid en goede zorg steevast tot de top-3 belangrijke zaken in het leven en de maatschappij. Tegelijkertijd maken ze zich zorgen over de kwaliteit en de houdbaarheid van zorg in de toekomst, vooral waar het toegankelijkheid en betaalbaarheid betreft. Als je ziek bent, of iemand uit je naaste omgeving is ziek, dan is in één klap al het andere onbelangrijk. Je bestaan wankelt. Dan wil je er op kunnen vertrouwen dat je snel en goed geholpen wordt. Dat je de zorg, aandacht en liefde krijgt die nodig is.

Volgens het kabinet hebben we het beste zorgsysteem ter wereld. Zorgverleners en veel burgers denken daar toch echt anders over. Zowel in de cure als de care hebben de afgelopen jaren grote veranderingen plaatsgevonden. De politiek heeft de zorgen over kwaliteit, toegankelijkheid en de betaalbaarheid de laatste decennia vooral geprobeerd op te lossen met marktwerking en met decentralisatie naar gemeenten. Beiden zijn hopeloos mislukt.

In de cure is het volgens Marcel Levi (CEO van het University College London Hospitals (UCLH), daarvoor bestuursvoorzitter van het AMC) ‘een behoorlijke puinhoop’.[1] Er wordt geklaagd over toenemende ongelijkheid in de toegankelijkheid van de cure-zorg, de kosten worden afgewenteld op burgers in plaats van dat er werkelijke besparing is, en de bureaucratie is hoog. Van de geboden keuzevrijheid wordt weinig gebruik gemaakt, maar niettemin wordt de solidariteit erdoor ondermijnd. De ongelijkheid, ook in levensverwachting, neemt toe. Over de kwaliteit van de cure-zorg zijn tegelijkertijd weinig klachten.

In de care is het al niet veel beter: volgens een onderzoek in De Groene Amsterdammer van 3 augustus 2017 is het resultaat van twee jaar decentralisering: wantrouwen, bureaucratie en hogere kosten. Wij noteerden ook: wachtlijsten in de (gespecialiseerde) jeugdzorg en de GGZ, enorme verschraling van de geboden zorg aan huis, te snelle afbouw van verzorgingshuizen, klachten over de kwaliteit van verplegingszorg, thuiszorg en de huishoudelijke hulp, ondermijning van arbeidsvoorwaarden met name bij de laagste inkomens, tekort aan verplegenden gecombineerd met het ontslag van 70.000 werkenden in de care onder Rutte II, verschillen tussen gemeenten zijn soms groot, miljoenentekorten in de jeugdzorg, etc.

Zowel bij de cure als de care zijn er zorgen over de privacybescherming en onafhankelijke rechtsbescherming. En bij care en cure voelen professionals zich beknot in hun regelruimte om patiënten/cliënten goed te helpen – de frustratie in de sector is groot.

Misschien wel het grootste probleem is dat het Nederlandse zorgsysteem langzamerhand voor niemand meer te begrijpen is. Het drijft zowel hulpbehoevenden als de 1,3 miljoen mensen die in de zorg werken tot wanhoop. En dat geldt niet minder voor alle instanties en ambtenaren die tot taak hebben de boel te controleren of zorgbeleid te maken. Het zorglabyrint kost bakken vol energie: van het jaarlijks kiezen van de beste zorgpolis tot de opwinding over een onbegrijpelijke rekening van een zorgverlener, of het doolhof waar je in terechtkomt als je voor een hulpbehoevend familielid uit moet zoeken waar hij of zij terecht kan – en wat daarvoor betaald moet worden. Zorgorganisaties hebben, als ze werk doen dat valt onder de WMO (Wet maatschappelijke ondersteuning) te maken met tientallen verschillende aanbestedingsmethoden, inhoudelijke eisen en controle-eisen van evenzovele gemeenten. Doen ze werk dat valt onder de zorgverzekeringswet (ZVW), dan moeten ze dealen met verschillende verzekeraars die allemaal hun eigen kwaliteitscriteria, onderhandelingsmethode en controlesysteem hanteren. En wie pech heeft, heeft zowel met de verzekeraars als met de gemeenten als met de zorgkantoren (die het geld van de Wet langdurige zorg toekennen) te maken.

De wirwar van regelingen, instituties en financieringsvormen belemmert ook de controle op de besteding van de zorgmiljarden. ‘Het is moeilijk om zicht te krijgen op hoe zorggeld wordt besteed en een oordeel te vellen over de geleverde prestatie’, was het harde oordeel van de Algemene Rekenkamer in haar Verantwoordingsonderzoek over de zorguitgaven 2015. Dat is sindsdien niet verbeterd.

Rechts voert nu redelijk ongehinderd de eigen zorgagenda uit. De toekomstvisie is duidelijk: meer markt en wantrouwen jegens zorgverleners en patiënten, en ruim baan voor de verzekeraars en aandeelhouders. Marktwerking lijkt een succes, doordat het grillige, bemoeizuchtige en wantrouwige beleid tegenover instellingen en zorgverleners voor het brede publiek vrijwel onzichtbaar blijft. De hogere kosten worden eveneens nauwelijks opgemerkt; door kostenverschuiving van premiebetaler naar patiënt lijkt er zelfs van enige kostenbeheersing sprake. In werkelijkheid dreigt de solidariteit tussen rijk en arm en tussen gezond en ziek steeds meer te sneuvelen. De afwenteling van kosten op zieken en burgers zelf wordt steeds verder opgevoerd met als argument dat de kosten anders onbetaalbaar zouden worden. Het resultaat is dat we steeds meer zorgmijding zien bij mensen die het niet meer kunnen betalen.

De rechtse agenda van meer marktwerking, en ruim baan voor verzekeraars wordt op dit moment niet of nauwelijks gehinderd door linkse oppositie. Het initiatief vanuit de SP om te komen tot een Nationaal Zorgfonds (NZF) heeft weliswaar veel mensen op de been gebracht, waaronder ook veel zorgverleners, maar het werd niet omarmd door PvdA, GL en FNV. Electorale belangen, verstoorde verhoudingen en inhoudelijke verschillen waren daarvan de oorzaak. Toch is een breed gedragen, linkse alternatieve visie op de toekomst van de zorg hard nodig. Niet alleen vanwege de rechtse dominantie van marktwerking, maar ook omdat er de komende jaren in de curatieve zorg grote veranderingen op stapel staan. We staan aan de vooravond van majeure veranderingen in het ziekenhuislandschap. Te vrezen valt een herhaling van eind vorige eeuw, toen de politiek hierop te laat, te populistisch, te ad hoc en te grillig reageerde.

Er dreigt een harde concurrentiestrijd tussen ziekenhuizen, waarin ten aanzien van sommige behandelingen overcapaciteit ontstaat en dure, door iedereen aangeschafte technologie nauwelijks gebruikt wordt. Tegelijkertijd zullen sommige behandelingen te weinig worden aangeboden, waar we vanwege het gebrek aan zicht op de onafhankelijk opererende ziekenhuizen bovendien te laat achter zullen komen, met als gevolg wachtlijsten. Daarnaast gaat in deze concurrentiestrijd minstens de helft van de ziekenhuizen verdwijnen, wat lokaal de nodige onrust zal geven. Het faillissement van MC Slotervaart en MC IJsselmeerziekenhuizen lijkt slechts het begin van dit drama. Zeker 14 andere ziekenhuizen staan aan de rand van de financiële afgrond.

Een verdeeld links is funest in de strijd om de rechtse zorgagenda te veranderen. Gelukkig zijn de electorale tegenstellingen een stuk minder en de persoonlijke verhoudingen een stuk beter. Er was zo waar een gezamenlijke linkse tegenbegroting en een gezamenlijke deelname aan de acties voor de verbetering van de publieke sector. Wat nu nodig is, is dat we ook inhoudelijk een nieuwe gezamenlijke visie ontwikkelen. In de artikelen op deze site wordt daartoe een bijdrage geleverd.

[1] Paradoxale uitkomsten van marktwerking in de dagelijkse praktijk van de zorg, Marcel Levi, in Socialisme & Democratie, WBS, 7 april 2015.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Weg met de hele Participatiewet: een nieuwe sociaaldemocratische visie op werk en inkomen

De Participatiewet is één van de grootste dwalingen van onze partij. In plaats van mensen te helpen aan werk en inkomen, stijgt de armoede en de problematische schulden, en in plaats van de werkloosheid aan te pakken en mensen effectief naar werk te helpen, worden de werklozen aangepakt en opgejaagd. Negentiende-eeuwse arbeidsverhoudingen keren terug. Vangnetten vallen steeds meer weg en zitten vol met gaten, waardoor mensen hard vallen. Alles, ook zekerheid over werk en inkomen, is een individuele verantwoordelijk én aansprakelijkheid geworden. Succes en falen is een keuze, als jij maar wilt. Zelfredzaamheid als voorwaarde aan hulp die evident niet zelfredzaam zijn – zelfs bij de voedselbank is er een verstikkende bureaucratie aan voorwaarden. De participatiesamenleving werd niet de beloofde springplank, maar bleek een zuigend participatiemoeras, waarin mensen pijnlijk langzaam verzuipen – en zoals een moeras werkt, hoe meer je je best doet om eruit te geraken, hoe dieper je erin vast komt te zitten. Het is tijd om die hele wet in de prullenbak te gooien en een hele nieuwe, inspirerende visie op werk en inkomen te ontwikkelen.

Terug naar onze idealen, wat ging er mis? – Een analyse

De fabel van de overwinning en het succes van de persoonlijke autonomie

Wij sociaaldemocraten moeten weer staan voor collectieve actie om het individu te helpen ontsnappen aan armoede, onveiligheid en onwetendheid. Dat was de drijfveer achter de opbouw van de verzorgingsstaat, met een zware verantwoordelijkheid voor de overheid om onderwijs, zorg, wonen en het pensioen voor iedereen betaalbaar en toegankelijk te houden. De bron van vrijheid lag in het succes van die collectieve actie die mensen in staat stelde tot een grotere grip op hun eigen lot. Niets heeft de mensen meer vrijheid gegeven dan de verzorgingsstaat. Neoliberalen doen het voorkomen alsof vrijheid in de eerste plaats een individuele prestatie is. Met als logische implicatie dat het individu de volledige verantwoordelijkheid kan dragen voor wat er met hem gebeurt en de overheid daar geen omkijken meer naar heeft. Het is een vergissing, met ingrijpende gevolgen, om aan te nemen dat ons emancipatieproces is voltooid en we nu een maatschappij hebben van economisch zelfredzame, autonome individuen.

Persoonlijke autonomie klinkt goed, vanwege de verbonden betekenis met mondigheid: je neemt je leven in eigen hand. Maar het wordt benauwend als je je realiseert dat daarom van jou wordt verwacht dat je in competitie treedt met alle anderen, dat je winst moet maken op je leven. Neoliberalen prijzen zo’n samenleving aan als een high opportunity, high risk society. Het lullige is alleen dat de opportunities voor de ene klasse zijn en de risks voor de andere. Als de maatschappelijkheid ineenschrompelt ten gunste van de markt resteert voor de mensen weinig anders dan mee te doen in de klopjacht op individueel succes en status. Neoliberaal denken is daarom agressief antimaatschappelijk, gericht op een politiek van sociale ontbinding. Daarmee staat het haaks op de waarde die het hart vormt van waar wij voor (moeten) staan: solidariteit.

De zelfredzaamheidsparadox

In de praktijk houdt de neoliberale zelfredzaamheidsideologie in dat de overheid allerlei verantwoordelijkheden die vroeger voor rekening van het collectief kwamen nu op individuen afschuift. Dan wordt de eigen verantwoordelijkheid een dogma waarmee de politiek de verzorgingsstaat diep in het hart kan raken. Het individu dat niet zonder anderen kan om vooruit te komen en de zin van zijn bestaan mede aan die anderen ontleent, maakt in dit neoliberale relationele mensbeeld plaats voor de ‘onderneming ik’ die met ‘zelfredzaamheid’ vorm krijgt. Eén van de gevolgen is dat de risico’s die mensen in hun leven lopen vooral worden toegeschreven aan eigen keuzes. Tegenslag is dan eerder een gevolg van slecht zelfmanagement dan van maatschappelijke misstanden of gewoon het noodlot. Het resultaat is een ‘zelfredzaamheidsparadox’: door van iedereen evenveel verantwoordelijkheid te vragen, verliezen sommige groepen juist de regie over het eigen leven. Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen.

Eén van de gevolgen daarvan is nu dat de risico’s die mensen in hun leven lopen vooral worden toegeschreven aan eigen keuzes. Tegenslag is dan eerder een gevolg van slecht zelfmanagement dan van maatschappelijke misstanden of gewoon het noodlot. De neoliberale ideologie van zelfredzaamheid gaat ervan uit dat iedere burger een volledig, gebalanceerde persoon is die de wet kent, begrijpt en aan alle gedragseisen kan voldoen. Ideaal geprogrammeerd op digitale handhaving door boetecomputers, alert en geïnteresseerd in iedere overheidsbrief, in staat om op de juiste website alle vragen tijdig van het goede vinkje te kunnen voorzien. Degene die dit niet doet, is in dit ijzeren overheidsparadigma een calculerende burger annex oplichter, die ‘hard aangepakt’ moet worden. De vorige Nationale Ombudsman placht daar jarenlang tegen in te brengen dat uit de fraudecijfers blijkt ‘dat 98 procent van de burgers deugt’ en dus helemaal niet hoeft te worden bejegend als aspirant oplichter. Maar dat past niet in het neoliberale mensbeeld. Het leidt tot een overdaad aan bureaucratische controlemaatregelen, geproduceerd door een verkokerde overheid, geënt op kwade trouw.

Te veel mensen zijn gaan geloven in een soort ideaalbeeld van assertieve individuen die hun mannetje en vrouwtje staan in de wereld van markt en strijd. Dan is het logisch dat de afkeer van afhankelijkheid groeit. Daar ligt de bron van sociale ontbinding. Als je succes hebt, dan is het jouw verdienste, als je faalt, dan heb je het aan jezelf te wijten. Dat deugt natuurlijk helemaal niet: de samenleving is complexer dan ooit en dan zeggen we tegen het individu dat het al de risico’s maar moet kunnen overzien. De staat kan dat niet meer, ondanks alle toezicht die hij uitoefent, maar van het individu veronderstellen we dat het dat wél kan. Terwijl maatschappelijke misstanden, maar soms ook noodlot of dikke pech, meer dan voorheen bepalen of iemand vastloopt. De impliciete veronderstelling achter veel van de huidige regels lijkt te zijn dat iedereen altijd netjes de post bijhoudt en begrijpt, reageert op aanmaningen, zich voortdurend bijschoolt, op tijd zijn pensioen organiseert, actieve keuzes in de zorg maakt en, mocht er iets misgaan, de juiste wegen weet te bewandelen om die fouten te herstellen. Wie in ieder geval moeite heeft er overheen te springen zijn de tweeëneenhalf miljoen laaggeletterden en de twintig procent van de bevolking die slecht met computers overweg kan. Die groepen raken makkelijk verstrikt in de digitale systemen van de verzorgingsstaat. Bovendien heeft niet iedereen evenveel aanleg en doorzettingsvermogen om door de keuzejungle te navigeren.

De paradox van de terugtrekkende overheid die burgers steeds meer in de gaten houdt

De paradox is dat de overheid zich terugtrekt en tegelijkertijd de burgers meer dan ooit in de gaten houdt. Het een heeft ook met het andere te maken. Een bestuur dat neoliberale retoriek gebruikt dringt zich steeds dieper in onze levens. Dat is minder verwonderlijk dan het lijkt. De politiek heeft de burgers verantwoordelijk gemaakt voor hun levensloop, maar kan het ook niet laten hen aan te spreken, te corrigeren of te straffen. Rutte stelt zich op als de human resources manager die hij vroeger bij Unilever was, met ons als zijn personeel, zijn human capital, dat moet worden gemanaged en optimaal moet renderen.

Het is ironisch dat we mensen zozeer zijn gaan controleren in een tijd waarin zoveel wordt gesproken over individuele vrijheid. Overal is die controle dieper doorgedreven, dieper dan ooit het geval is geweest. Als je een uitkering hebt, dan moet je niet alleen een vaak onzinnige tegenprestatie doen, je kapot solliciteren op onzinvacatures, instructies volgen voor kledingadvies en verplicht meedoen aan activiteiten waaraan private partijen flink geld verdienen over jouw rug, maar de overheid beoordeeld ook of je wel met iemand mag of kan samenwonen, ook al is het je kind of je moeder, wat ze onder je bed of in je badkamer, buiten met camera’s en met een hele opsporings- en verklikkersmacht mogen komen controleren, of je een auto mag houden, en of je vrijwilligerswerk en mantelzorg mag doen. Het verstrekken van mantelzorg kan zelfs leiden tot grote boetes en terugbetalingen, en dus schulden. Privacy is een groot goed, maar dat geldt nu wel voor belastingfraudeurs (jaarlijks bij alleen al bedrijven volgens medewerkers van de belastingdienst zelf voor 4,2 miljard euro), maar niet voor mensen in de sociale (on)zekerheid (jaarlijks 153 miljoen euro, 0,25% van de totale uitgaven van de sociale zekerheid).

De paradox dat hoe meer hulp je nodig hebt, het des te moeilijker is gemaakt om hulp te krijgen

De ene overheidsdienst begraaft bovendien nu mensen in de problemen, zodat een andere ze weer kan opgraven. Hoe dieper je in de shit zit, hoe moeilijker het is om hulp te krijgen. Het recht is steeds vaker iets dat je moet halen. Het komt al lang niet meer naar je toe. Je moet loketten aflopen, formulieren invullen, intakegesprekken voeren. Hier is iets vreemds aan de hand: hoe minder je hebt, hoe meer bureaucratie er over je heen wordt gestort. Terwijl je daar juist steeds minder energie voor hebt. In de participatiesamenleving is je probleem een reden om je uit te sluiten van een oplossing. Je hebt een drugsprobleem, daarom zit je in de verslavingszorg, maar daar word je geschorst omdat je drugs blijft gebruiken. Je hebt een gedragsprobleem, daarom zit je bij een jeugdzorginstelling, maar daar moet je weg omdat jij je niet gedraagt. Je hebt schulden, maar omdat je niet zelf je administratie kan bijhouden, word je uit de schuldhulpverlening gegooid.

De paradox dat als je faalt, er niet naar het probleem gekeken wordt, maar het probleem alleen maar groter gemaakt wordt

En dan komt het tweede mechanisme: als je iets fout hebt gedaan, dan komt het ‘recht’ ineens razendsnel naar je toe. Sterker nog, dan dendert het als een sneltrein over je heen. Bij falen gaat er een intimiderende, vernederende en vooral ook zeer kostbare controlemachine in werking en wordt, vooral door de overheid, boete op boete geplaatst.

Wat het nog erger maakt: Nederland is bezaaid met instellingen die afgerekend worden op het oplossen van deelproblemen. Het CJIB wil dat iemand zijn boetes betaalt. De deurwaarder wil geld zien. De politie wil hem opsluiten. De crisisopvang wil hem weer thuiskrijgen. De sociale dienst wil dat hij aan het werk gaat. De psychiater wil hem van zijn depressie genezen. De maatschappelijk werkster wil hem in de schuldhulpverlening. De schuldhulpverlening wil dat hij zijn post opent. En de dagbesteding wil hem bezighouden. De mensen die buiten de boot vallen, zie je in beleidsdocumenten niet meer terug, hooguit als restcategorie: ‘Uitstroom naar onbekend.’ Gevolg: waanzin, vernedering, verspilling.

Management by insult

De overheid is boos, achterdochtig en gefrustreerd. Het is management by insult. Geen wonder dat mensen geen vertrouwen meer hebben in de politiek. Ontbinding ontstaat waar binding ontbreekt. Er is geen binding meer vanwege een geïnstitutionaliseerd wantrouwen van de burger door de Staat. Wij hebben de taak deze staat van ontbinding terug te buigen naar binding. Het vertrouwen van de kiezer kunnen we alleen terugkrijgen door het vertrouwen aan die kiezer te geven. We moeten een einde maken aan het wantrouwen in de burger en bovenstaande maatregelen omvormen in het beginsel van ‘vertrouwen, tenzij’.

Dit moet gevolgen hebben voor het sociale contract tussen overheid en burger. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid hun niet over de rand duwt en dat momenten van onoplettendheid en mentale zwakte niet direct ingrijpende gevolgen hebben. Dat betekent dat eigen verantwoordelijkheid en ‘zelf kiezen’ als gietijzeren maatstaf voor beleid tekortschieten. De menselijke realiteit is anders, rommeliger. Dat maakt ons ook als mens en onderscheidt ons ook gelukkig van robotten. De overheid moet zich daarom niet gedragen alsof de burger een ‘onuitputtelijk mentaal budget’ heeft.

De schande van de enorme, groeiende armoede in ons rijke land

Armoede is in ons zeer rijke land een schandelijk, groeiend probleem. Armoede is geen karaktergebrek, maar vooral geldgebrek. Niet alleen blijkt het geldende sociale minimum voor grote groepen burgers die daarop aangewezen zijn structureel veel te laag zijn, komen steeds meer groepen er niet voor in aanmerking of wordt er zelfs daarop gekort, het systeem loopt ook vast in kostbare controles met onaanvaardbare inbreuken op de eigen levenssfeer, zinloze verplichtingen en verboden en contraproductieve sancties. Het vangnet in de vorm van de Participatiewet blijkt niet te verhinderen dat mensen tot ernstige en langdurige armoede veroordeeld worden. Sommige groepen worden categorisch uitgesloten. Of er worden drempels opgeworpen om mensen af te houden van voorzieningen. Armoede blijkt ook steeds meer erfelijk te worden. Ooit (begin jaren vijftig van de vorige eeuw) werd de Algemene Bijstandswet door het kabinet Drees ingevoerd om van barmhartigheid een recht te maken. Een vangnet om te kunnen overleven, dat volgens de indiener, minister Klompé (KVP), niet te karig moest zijn. Dat is het nu wel, net zoals o.m. de AOW (het basispensioen) en de Wajong-uitkering. Studeren kan je zelfs alleen nog maar met een lening, die valselijk en schadelijk propageert dat schulden maken geen probleem is en in de praktijk de toegankelijkheid tot tertiair onderwijs voor lage en middeninkomens ernstig beperkt.

Dat is niet het gevolg van dat we ons het niet meer kunnen veroorloven, maar van politieke keuzes (die dus ook anders hadden kunnen en moeten worden gemaakt). We zijn ondanks de crisis van 2008 nog steeds een zeer rijk land. De gevolgen van de crisis zijn wel volledig afgewenteld op gewone burgers. Grote bedrijven, multinationals voorop, en vermogende Nederlanders zijn rijker dan ooit. Het geld klotst aan alle kanten daar tegen de plinten. Men weet gewoon niet meer wat er nog mee te doen. De exorbitante zelfverrijking kent geen grenzen, de maatschappelijke ongelijkheid is ongekend.

Hoe het anders kan: een proeve van een nieuwe sociaaldemocratische visie op inkomen en werk

Inkomenszekerheid aan de onderkant: een hard, hoger sociaal minimum met een gegarandeerd (en dus niet universeel) basisinkomen

We vervangen de bijstand, de AOW, de Wajong, de studiefinanciering en de ANW door een negatieve inkomstenbelasting voor iedereen die een inkomen heeft wat onder het sociaal minimum ligt. Verdien je minder dan dat sociaal minimum, dan betaal je geen belasting, maar dan vult de belastingdienst dat aan tot dat sociaal minimum. Zonder voorwaarden, verplichtingen en verboden.  Waarmee het vangnetinkomen volledig losgekoppeld wordt van participatie en werk. Dus geen tegenprestatie, sollicitatieplicht, taaleis, verplichte werkervaringstrajecten, verplichte cursussen, etc. en geen verbod voor of voorwaarden aan bijv. vrijwilligerswerk of mantelzorg. Voor AOW-ers vervalt ook de huidige opbouweis (die kortingen veroorzaakt bij migranten) en bij Wajong-ers vervalt de keuring op arbeidsongeschiktheid. Ook werkenden, zelfstandigen en bijv. ook kunstenaars vallen onder de regeling. En vergis je niet: meer dan de helft van de armen in Nederland heeft gewoon een baan! Daarmee wordt ook de sterk stijgende armoede in die groepen adequaat geadresseerd. Een leven zonder armoede wordt een recht in plaats van een gunst. Meer dan 1,2 miljoen Nederlanders worden zo uit de armoede opgeheven, inclusief 400.000 kinderen. Met dit gegarandeerd basisinkomen wordt tevens een aanzienlijke vereenvoudiging en dito besparing in uitvoerings- en controlekosten bereikt.

Zoals gezegd, moet dat sociaal minimum hoog genoeg zijn. We verhogen het (voor iedereen van 18 jaar en ouder gaan geldende) minimumloon en het daaraan gekoppelde (70%) sociaal minimum met circa 10%. Zeg minimumloon op 1750 euro per maand, sociaal minimum op 1225 euro.

De loonvorming is sterk achtergebleven bij de economische groei. Voor het minimumloon, dat afhangt van de algemene cao-loonontwikkeling, geldt dat nog sterker vanwege bevriezingen en het achterwege laten van vierjaarlijkse aanpassingen aan de werkelijke loonontwikkeling. In essentie is het minimumloon sinds midden de jaren 1990 niet gestegen. Over de jaren heeft de koppeling van minimumloon en uitkeringen tot een omkering geleid waarin niet langer de cao‐loonontwikkeling het minimumloon bepaalt maar omgekeerd: overheidsbeleid verlangde dat cao‐lonen aan de onderkant worden verlaagd. Dit vergrootte de ongelijkheid van het loongebouw en verzwakt de onderhandelingspositie van werknemers en hun organisaties. De halfjaarlijkse aanpassing van het minimumloon moeten we gaan baseren op het indexcijfer van cao‐lonen inclusief jaarlijkse beloningselementen zoals dertiende maand, dat een iets gunstiger ontwikkeling vertoont. Een serieuze vierjaarlijkse aanpassing lijkt daarnaast echter essentieel

Voor deze laagste inkomens zetten we het belastingtarief op nul, dus bruto is netto. We schaffen ook de premies voor volksverzekeringen af (AOW, ANW, WLZ en ZVW) – de uitgaven worden bekostigd uit de opbrengst van de belastingen. Dat vermindert de druk op arbeidskosten en verhoogt die op kapitaal. En we verlagen de vaste individuele lasten voor huur en (duurzame) energie en gaan we zorg, onderwijs en kinderopvang volledig collectief financieren uit de belastingen, dus zonder individuele bijdragen. Het besteedbaar inkomen stijgt hierdoor aanzienlijk, en de armoedeval (sterk verminderd stijgend besteedbaar inkomen bij stijgend bruto inkomen, waardoor meer-inkomen, bijv. bij meer werken, dus weinig loont) wordt hierdoor sterk verminderd.

De aanvullende pensioenen maken we zekerder, inclusief indexering. Dus juist geen individuele pensioenpotjes en we handhaven de doorsneepremie, en daarmee de solidariteit tussen generaties. Dat doen we door het vermogensbeheer te reguleren, waardoor de risico’s en kosten enorm gereduceerd worden, hetgeen legitimeert om de rekenrente voor te hanteren buffers te baseren op het werkelijke rendement. Deze maatregel zorgt ook dat pensioenfondsen meer investeren in zinvolle, duurzame investeringen, die ook goed zijn voor de gewone burgers en werknemers in ons land. En dus minder in investeringen die juist slecht zijn voor werknemers en burgers. Voorts vergroten we het financiële draagvlak van pensioenfondsen door een plicht in te voeren voor een verplichte, collectieve aanvullende pensioenregeling voor alle werknemers, incl. flexkrachten en zzp-ers. En we laten de aansprakelijkheid van werkgevers bij pensioentekorten om bij te storten weer herleven.[1]

Een gegarandeerd basisinkomen is geen universeel basisinkomen. Het is er dus niet voor iedereen. Dat zou een veel te hoge belastingdruk leggen, ook op arbeid, waardoor werken niet meer lonend zou zijn. Bas Jacobs heeft terecht daarvan ook Rutger Bregman, de grote pleitbezorger van het basisinkomen, overtuigd.[2] Om in aanmerking te komen voor een gegarandeerd basisinkomen, moet je niet teveel verdienen, waarbij het redelijk is om het inkomen op huishoudenniveau in aanmerking te nemen. Waarom zouden we de vrouw van de doorgaans goed verdienende tandarts een aanrechtsubsidie geven? Daarbij hoort wel een hoger sociaal minimum voor meerpersoonshuishoudens, zeg 1600 euro per maand (en ook hier geldt, bruto is netto), en geen voordeurdelerskortingen meer. En het is ook redelijk om vermogen in aanmerking te nemen dat groter is dan wat nodig is als spaarreserve om bijv. apparaten te vervangen (het NIBUD adviseert 3500 euro nodig spaarvermogen bij een bijstandsinkomen). Het bezit van eerste eigen woning waar men ook daadwerkelijk woont blijft buiten beschouwing tot bijv. 500.000 euro evenals niet vrij beschikbaar pensioenvermogen vrijgesteld worden. Bezit van roerende goederen is tot een bepaald maximum (zeg 50.000 euro) ook vrij, met uitzondering van beleggingsobjecten. Voor gepensioneerden geldt een uitzondering: voor hen geldt net als nu in de AOW geen inkomens- of vermogenstoets.

En het geldt alleen voor mensen van 18 jaar en ouder, die Nederlander zijn of daaraan gelijkgesteld. Net als in de bijstand nu kunnen daarbij aan arbeidsmigranten, ook uit andere EU-lidstaten, beperkingen worden gesteld, bijv. dat je hier 5 jaar onafgebroken gewerkt moet hebben.

Niettemin kunnen en zullen er situaties blijven bestaan waarbij aanvullende ondersteuning nodig is om niet in armoede te geraken of om daar uit te komen. Minima en mensen in de schuldhulpverlening krijgen automatisch kwijtschelding van lokale lasten (incl. waterschapsheffingen). Bijzondere bijstand door gemeenten blijft beschikbaar voor specifieke situaties en kosten, waarbij er meer mogelijkheden komen voor gemeenten om die in te zetten. Het opwerpen van formele drempels om in aanmerking daarvoor te komen door gemeenten wordt expliciet verboden. De inkomensgrens om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand wordt wettelijk geregeld, op 130% van het sociaal minimum. We bevorderen een integrale aanpak van problemen bij mensen. En we richten de schuldhulpverlening geheel anders in.[3]

Werk blijft belangrijk

Goed en fatsoenlijk werk blijft voor de moderne mens belangrijk. Werk is een belangrijk middel voor zelfstandigheid en bestaanszekerheid, voor structuur en voor sociale context. Betaald werk geeft natuurlijk in de eerste plaats een inkomen, maar werk is veel meer dan een inkomen. Het geeft zin, structuur en sociale context aan je leven. Mensen stellen zich vaak voor met hun naam én hun beroep. Zonder werk geen beroep, geen collega’s. Waar praat je over in je vrije tijd? En met wie? Werk is niet een ongemak wat we moeten verduren om inkomsten te kunnen generen, opdat we maar voldoende kunnen consumeren. Werk vormt ons tot wie we zijn – als er geen werk meer is, dan raakt dat ons ‘zijn’. Dat besef je pas goed als je het niet meer hebt. Werk is in onze tijd hét middel tot erkenning, ontplooiing, sociale contacten en dagritme. Werk geeft mensen ook macht in de positie tegenover kapitaal en de overheid. Het maakt je minder afhankelijk en geeft je een onderhandelingspositie. Met een betaalde baan heb je wel onderhandelingspositie, collectief georganiseerd in een vakbond, met een ultiem stakingswapen.

Werkgevers hebben de inspanningen van werkenden bovendien hard nodig om bedrijven en organisaties draaiende te houden. De maat­schappij wordt krachtiger als meer mensen aan het werk zijn. Alleen als we werken, kunnen we onze welvaart voortzetten en zijn onze sociale voorzieningen betaalbaar. Bedrijven presteren bovendien beter als het personeel een afspiegeling vormt van de maatschap­pij. De arbeidsdeelname is de afgelopen decennia sterk gestegen, vooral onder vrouwen en 55-plussers, maar nog steeds blijft de arbeidsparticipatie in die groepen achter. Twee op de drie Nederlanders tussen de 15 en 75 jaar zijn aan het werk.[4] Maar er zijn 1,3 miljoen mensen die (meer) zouden willen werken[5], en sommigen staan meer en langduriger aan de kant, terwijl er aan de andere kant ook meer dan een miljoen vacatures zijn, en de werkdruk in veel sectoren enorm groot is bij gebrek aan voldoende (financiering van) collega’s.

Onzinnige en contraproductieve verplichtingen, dure draaideurwerkgelegenheid: werklozen als verdienmodel

Als je een uitkering hebt, dan moet je nu niet alleen een vaak onzinnige tegenprestatie doen, je kapot solliciteren op onzinvacatures, instructies volgen voor kledingadvies en verplicht meedoen aan activiteiten waaraan private partijen flink geld verdienen over jouw rug, maar de overheid beoordeeld ook of je wel met iemand mag of kan samenwonen, ook al is het je kind of je moeder, wat ze onder je bed of in je badkamer mogen komen controleren, of je een auto mag houden, en of je vrijwilligerswerk en mantelzorg mag doen.

Ondertussen is er hoogstens sprake van draaideurwerkgelegenheid, zodra de loonsubsidie stopt bij een tijdelijke baan, word je er weer uitgeknikkerd. In plaats van de werkloosheid hebben we de werklozen aangepakt, in plaats van de oorzaken van armoede (te laag inkomen, te weinig vast werk, te hoge vaste lasten, te veel stimuleren van schulden) aan te pakken, doen we aan symptoombestrijding met allemaal specifieke regelingen met ieder zijn eigen beperkende voorwaarden en schuiven we het probleem op het bordje van gemeenten.

Jaarlijks wordt er 2 miljard euro uitgegeven aan de re-integratie van werkzoekenden, maar het zijn vooral gemeenten zelf en re-integratiebureaus die er iets mee opschieten. Honderden miljoenen worden uitgegeven in een werklozenindustrie van sollicitatietrainingen, inspiratiedagen, elevator pitches en zo meer, waarvan de ineffectiviteit al vaak genoeg is aangetoond. Sommige trainingen van het UWV verlengen zelfs de werkloosheid. Werklozen krijgen er geen baan door en de re-integratie sluit niet aan bij de wensen en mogelijkheden van henzelf en die van de arbeidsmarkt. Uitkeringsgerechtigden worden monddood gemaakt, geïntimideerd met voortdurende dreiging hun uitkering kwijt te raken.

Maar dwang werkt contraproductief. Daarbij is het van belang je te realiseren dat volgens een CBS-enquête tussen de 60 en 70 procent van bijstandsgerechtigden desgevraagd zegt zelf niet actief op zoek te zijn naar werk, ook al moeten ze zich formeel beschikbaar houden voor de arbeidsmarkt. Hierbij gaat het volgens het CBS bijvoorbeeld om mensen met een arbeidsbeperking (waaronder steeds meer jongeren doordat instroom in de Wajong veel moeilijker is geworden), ouderen die niet meer verwachten aan het werk te komen en alleenstaande moeders. Tussen de 10 en 15 procent van de bijstandsgerechtigden werken al, maar verdienen onvoldoende en krijgen daarom aanvullende bijstand. Deze groep moet vooral geholpen worden met een inzet op minder flex- en deeltijdwerk, hogere lonen en meer vrijstelling van bijverdiensten. De resterende groep van 20 tot 25 procent is echt op zoek naar werk.

Werkloosheid wordt nu teveel als een individueel probleem gezien. Te weinig ‘human capital,’ of zoiets. We investeren nu in papierprikken, onbetaald werk en inspiratiedagen en niet in banen. In de gemeente Rotterdam kun je als werkloze gratis kledingadvies krijgen zodat je ‘vol zelfvertrouwen naar een sollicitatiegesprek kan.’ Dat kost de gemeente 62.000 euro en daar maken dan 150 Rotterdammers gebruik van, ongeveer vierhonderd euro per advies. Daar kan een werkloze een maand de huur van betalen, of daar kan stichting Dress for Success een kek tentje op de lokale ‘participatiemarkt’ mee optuigen. Mensen zijn in de eerste plaats werkloos omdat er niet genoeg werk is. We moeten niet de werkloze aanpakken, maar de werkloosheid!

Inkomen boven werk, effectiviteit boven legitimiteit

We snijden de verplichtende band door tussen werk en inkomen – werk gaat niet langer boven inkomen, en legitimiteit niet meer boven effectiviteit. Leven is meer dan werk alleen, en wie echt niet kan of wil werken, verplichten we niet langer te solliciteren en te reïntegreren naar werk. De koppeling tussen uitkering en re-integratieplicht vervalt. In plaats daarvan komt er een recht op fatsoenlijk betaald werk. We faciliteren, verleiden en motiveren mensen maximaal om zelf hun inkomen te verdienen, maar dwang is uitgesloten.

Werk moet lonen

Om te zorgen dat weer of meer gaan werken, vanuit een situatie waarin men nog een gegarandeerd basisinkomen heeft, voldoende blijft lonen, belasten we in die situatie de meer-inkomsten uit arbeid voor de eerste periode gefaseerd minder – bijv. maar voor 50% in het eerste jaar, 30% in het tweede jaar en 20% voor het derde jaar. Kleine baantjes leiden vaak tot meer werk, maar dan moet je ze in het begin niet te zwaar belasten. En er is geen risico dat je je inkomenszekerheid via het gegarandeerd basisinkomen verliest na een tijdje werk. Daarbij helpt ook dat we de fiscale arbeidskorting vervangen door een arbeidstoeslag, een uitkering van de belastingdienst die men ontvangt tot een inkomen per huishouden uit arbeid (loon) van eveneens bijv. 25.000 euro per jaar, op basis van de bij de belastingdienst bekende inkomensgegevens (men hoeft die dus niet aan te vragen, maar ontvangt hem automatisch, en hij wordt dus in beginsel ook niet achteraf verrekend).

Werkwinkels

We maken ook een einde aan de gekmakende complexiteit van de huidige regelingen. Nieuwe regionale arbeidsbureaus, de Werkwinkels[6], tripartite bestuurd en gefinancierd door gemeenten, werkgevers en werknemers, krijgen de plicht om mensen die zelf niet voldoende verdienen voor het sociaal minimum, kosteloos op maat hulp aan te bieden om betaald, vast werk te vinden. Ook anderen hebben toegang tot deze hulp. Nu kunnen werklozen en arbeidsongeschikten onder veertien verschillende regelingen vallen, ook nog eens met verschillende uitvoerders. Bovendien dienen de regelingen zoveel verschillende – soms tegenstrijdige – doelen dat de rode draad ver te zoeken is. Gevolg is dat de rege­lingen die mensen en bedrijven zouden moeten stimuleren tot het aangaan of creëren van werk, eerder het omgekeerde bereiken. Dat vervangen we door één regeling met één uitvoerder en één loket, voor alle hulp om mensen aan werk te helpen, van scholing tot loonkostensubsidie en no-riskpolissen voor werkgevers, zoals onlangs ook de grootste Nederlandse werkgeversorganisatie, de AWVN, bepleitte.[7]

Deze re-integratie naar (meer) betaald werk wordt geheel publiek georganiseerd en moet voldoen aan een kwaliteitskeurmerk. Nadruk ligt op motivering en facilitering. De re-integratietaken van het UWV gaat op in deze nieuwe regionale arbeidsbureaus. Iedereen krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke werkcoach. Weg met de strenge selectiecriteria op basis van digitale algoritmes (ook al wel ‘death by algorithm’ genoemd). Draaideurbanen, gedwongen werk zonder loon, constructies als Flextensie en uitbesteding aan uitzendbureaus en commerciële re-integratiebedrijven worden gestaakt. Re-integratie moet gericht zijn op volwaardig, normaal beloond en vast werk.

Werk maken van werk

We verloochenen onze naam niet: we blijven de Partij van de Arbeid. Werk is dan wel geen plicht meer voor de burger, het blijft belangrijk dat we blijven strijden voor goed en zinvol werk, met een goede, zekere rechtspositie, voor iedereen die dat wil. Wij weten dat de meeste mensen dat ook willen, met name hen die onvrijwillig geen werk (meer) hebben. Niet de werklozen, maar de werkloosheid moet worden aangepakt.

We herstellen de prioriteit van volledige werkgelegenheid voor iedereen die werken wil. We hanteren een doelstelling van volledige werkgelegenheid, bijv. nationaal gefixeerd op 2%, Europees voor de komende periode op maximaal 4% – banen van bijv. tenminste 20 uur, en tenminste 80% vast contract. Wij staan voor de maakbaarheid van werk. Daar kunnen we veel meer aan doen dan velen denken.

We voeren een meerjarig Plan voor de Arbeid in waarin werkgelegenheidsdoelstellingen en -instrumenten jaarlijks worden geformuleerd. Daarin maken we 300.000 banen in de publieke sector en ongeveer net zoveel in de private sector. Dat zal ook de problemen met werkdruk en daardoor aantrekkelijkheid van beroepen helpen oplossen.

In de publieke sector en in de gereguleerde sectoren

In de publieke sector kan en moet de overheid dat rechtstreeks doen, en in reguleerde sectoren (post, banken, openbaar vervoer, etc.) kan dat met die regels worden afgedwongen. Wij zijn voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, hebt veel eigen regel- en budgetruimte, en je verdient ook goed. Het maakt economisch niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient.

Publieke banen zijn echte banen, belangrijk voor onze welvaart (de bestedingen van de mensen die hun inkomen in het publieke domein verdienen zijn van enorm duurzaam belang voor ons nationaal inkomen) en ons welzijn. Er bestaat dus ook niet zoiets als ‘echte’ banen (markt) en surrogaat­banen (publiek). Er is daarom geen objectieve maatstaf voor de optimale omvang van de publieke sector. Naarmate producten dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids-) productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw.

De publieke sector is de grootste werkgever in ons land. Van de ruim 10 miljoen banen zijn er nu ca. 2 miljoen in de publieke sector, waarvan ongeveer 1 miljoen in de zorg. We investeren tot ca. 15 miljard euro per jaar extra in de publieke sector, voor meer banen en minder werkdruk, beter salaris en rechtspositie en betere kwaliteit van dienstverlening.

In de marktsector

In de marktsector kan zij dat bevorderen door gunstige voorwaarden te scheppen en afspraken te maken: de lasten op arbeid omlaag en die op kapitaal omhoog, concrete aantallen extra banen koppelen aan grote investeringen in o.m. de duurzaamheidstransities, en investeren in een ambitieuze robotagenda waarin een mensgericht technologieontwerp centraal moet staan. Robotisering moet gericht zijn op veranderingen van werk, niet op verlies van werk.

We gaan voorts de WW weer betere bescherming laten bieden door de duur van de WW-uitkering te koppelen aan de conjunctuur: de maximale duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur. Werknemers worden zo beter beschermd als het risico op werkloosheid hoger is. Verder gaan we de financiële verantwoordelijkheid voor het eerste halfjaar van de WW volledig bij werkgevers leggen. Hierdoor worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers. Ontslaan wordt kostbaarder en dus ontmoedigd: Er zal structureel extra werkgelegenheid zijn, zonder extra overheidskosten.

Apart aandacht voor groepen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt

We geven apart aandacht aan groepen burgers die het extra moeilijk hebben op de arbeidsmarkt:

  • laaggeschoolden (met aparte, extra banen in de publieke sector, een hogere franchise in de grondslag voor werkgeverslasten voor laaggeschoold werk, fiscaal voordelige dienstencheques voor huishoudelijke diensten, en aanpassing van het fiscale Lage Inkomens Voordeel),
  • ouderen (55-plus; met 100% resp. 50% verlaging van werkgeverslasten voor 55-plussers die na werkloosheid in het eerste resp. tweede jaar weer aan het werk gaan; en generatiecontracten invoeren met transferbanen waarbij jongeren tegen cao-loon een half jaar voor een oudere met pensioen gaat, vast aan de slag gaan zodat ouderen hun vakmanschap kunnen overdragen om zo jongeren goed in te werken met uitzicht op vaste aanstelling; en oud naast jong banen, met 80% werken-90% loon-100% pensioenopbouw regeling voor ouderen die dan jongeren kunnen coachen – Vier ouderen is dan één nieuwe baan),
  • mensen met een niet-westerse afkomst (invoering verplicht anoniem solliciteren, meldpunt tegen arbeidsdiscriminatie, apart aandacht bij werkbemiddeling), en
  • de mensen met een arbeidsbeperking (SW-bedrijven weer nieuwe instroom en detachering toestaan in sociale ontwikkelingsbedrijven, met nieuwe investeringen en regietaak voor beschut werk; verbetering Quotumwet; meer stimulerende maatregelen en meer geld voor begeleiding naar werk; verplichte overheidsbestedingen met social return on investment).

Basisbanen als recht

We voeren als sluitstuk ook basisbanen in als een recht voor de burger en een plicht voor de overheid. Basisbanen moeten normale banen in de publieke sector zijn tegen tenminste het minimumloon en met een vast contract. Basisbanen zijn geen plicht voor de burger bij geen werk, er is geen dwang – maar ze moeten door de gemeente worden aangeboden als mensen daarom verzoeken en de gemeente bemiddelt daar ook actief in. Ze zijn gericht op mensen die niet een betaalde baan vinden en die wel willen werken. Er is genoeg werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, en noem maar op. Werk wat nu teveel blijft liggen. Veel van de kosten worden terugverdiend doordat er geen uitkering nodig is en tal van maatschappelijke kosten worden voorkomen. Zo leggen we ook een vloer in de arbeidsmarkt. Anders dan bij de oude Melkertbanen is doorstroming naar een andere baan geen doel – basisbanen zijn echte banen. Er is niets mis met gesubsidieerd werk.

Een ontspannen samenleving met eerlijk delen van werk en zorg

Werk is belangrijk, maar we herhalen: er is er meer in het leven dat belangrijk is. Nu werken sommigen zich letterlijk kapot en zitten anderen onvrijwillig thuis op de bank achter de geraniums. Altijd aan het werk zijn is nog meer dan het rijden van een Porsche of het bewonen van een villa aan de Vecht een 21e-eeuws statussymbool. Daarom werkt iedereen steeds meer uren, terwijl door automatisering en digitalisering het aantal werkuren juist zou moeten kunnen dalen. Korter werken leidt bovendien tot een hogere productiviteit en betere resultaten.[8] De econoom John Maynard Keynes voorspelde dat aan het eind van de 20e eeuw de werkweek zou zijn verkort tot 15 uur per week. En Joke Smit die vijftig jaar geleden met haar artikel ‘Het onbehagen van de vrouw’ aan de basis stond van de tweede feministische golf, zag heel veel redenen voor een 5-urige werkdag. Niet alleen zou het vrouwen economisch onafhankelijker maken, ook zouden de zorgtaken beter worden verdeeld, kinderen evenwichtiger opgroeien en zouden ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid afnemen. Sinds haar publicatie zijn weliswaar meer vrouwen gaan werken, maar de werkweek zelf is nauwelijks verder verkort.

We moeten werk eerlijker verdelen met een collectieve arbeidstijdverkorting naar een 30- (5×6) of 32- (4×8) urige werkweek, waarbij het besteedbaar inkomen tot anderhalf modaal (bruto ca. € 56.000 per jaar) wordt gegarandeerd. Maar er is ook meer kraam- en ouderschapsverlof nodig, die effectief over beide ouders verdeeld wordt. Wij pleiten net als de Europese Commissie voor tien dagen betaald kraamverlof en vier maanden betaald ouderschapsverlof voor beide ouders. Net als in Noorwegen moeten we dat zo organiseren dat dit niet overdraagbaar is.

Tekorten op de arbeidsmarkt: (1) investeer in hogere en eerlijke lonen en verlaag de werkdruk

En er is apart beleid nodig om de tekorten op de arbeidsmarkt aan te pakken. Die tekorten worden door vergrijzing en ontgroening, en door onze extra banen. In de eerste plaats vraagt dit verbetering van de aantrekkelijkheid van beroepen, door verlaging van de werkdruk, maar ook door betere beloning en een zekere rechtspositie. Betere beloning is ook goed voor onze economie, de binnenlandse bestedingen nemen toe en verminderen onze afhankelijkheid van export en doorvoer en ook van de veel te grote financiële industrie in ons land. De lonen blijven veel te ver achter bij de groei van de arbeidsproductiviteit. Het arbeidsinkomensquotum (AIQ) – het deel van wat we in Nederland verdienen dat bij werkenden terecht komt is de afgelopen veertig jaar enorm gedaald. Ook de investeringen daalden. De winsten van het bedrijfsleven worden in toenemende uitgekeerd als dividend aan aandeelhouders, toegevoegd aan het vermogen van het bedrijf of gebruikt om de eigen aandelen mee op te kopen. Hiermee wordt geld onttrokken aan de reële economie: er wordt geen productie mee gecreëerd, het leidt slechts tot prijsstijgingen van bestaande producten, het geld verdwijnt als het ware in stijgende aandelenkoersen en oplopende vastgoedprijzen. Het overgrote deel van de aandeelhouders is in feite gewoon speculant. Dat is slecht voor de economie, veroorzaakt nieuwe zeepbellen die eens zullen exploderen, en het veroorzaakt sterk stijgende ongelijkheid, sterk achterblijvende koopkracht en een verontrustende stijging van het aantal werkende armen in ons land. Het voedt ook het cynisme bij gewone burgers over wat de politiek er nog toe doet als we daar niet iets substantieels aan weten te doen. We moeten daartoe ons belastingsysteem grondig veranderen, waarbij inkomen uit kapitaal tenminste net zo zwaar wordt belast als inkomen uit arbeid, de belastingontwijking en -ontduiking effectief wordt aangepakt en het draagkrachtbeginsel effectief wordt gemaakt – de zwaarste schouders moeten weer de zwaarste lasten gaan dragen.

Lonen moeten niet alleen hoger, de beloningsverhoudingen moeten ook veel eerlijker. Nu zijn topinkomens volslagen uit het lood geslagen. Er moet een Wet op maximale beloningsverhoudingen komen, waarbij de hoogste inkomens niet meer dan twintig maal mag verdienen dan de laagste inkomens in een bedrijf of instelling (incl. variabele beloning en pensioenen, inclusief ingehuurd personeel). En we gaan een eind maken aan de uitzonderingen op de beperking van topinkomens in de publieke sector, gouden handdrukken met 80% belasten en variabele beloning strakker reguleren. Bij eerlijke beloningsverhoudingen hoort ook dat we een eind maken aan de discriminatie in beloning tussen mannen en vrouwen. Daartoe nemen we wettelijke maatregelen, maar ook versterken we de handhaving door de Inspectie SZW. Ook moeten werknemers meer direct profiteren van toenemende winst door een verplichte vermogensaanwasdeling.

Tekorten op de arbeidsmarkt: (2) verhoog de arbeidsparticipatie van vrouwen

In de tweede plaats vraagt dit om een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen. Dit helpt ook voor verbetering van hun financiële zelfstandigheid, vooral bij scheiding, overlijden van de partner en bij pensioen. En het helpt bij het eerlijk verdelen van werk en zorg tussen mannen en vrouwen.

De massale opkomst van tweede-verdieners beïnvloedt behalve de inkomensverdeling ook de werkgelegenheidsverdeling. In de voltijds‐kostwinnerswereld bevinden laagbetaalde werknemers en hun huishoudens zich onderin de inkomensverdeling, nu worden ze gespreid over de volle breedte van de verdeling, tot aan de top. Van de banen met het laagste beroepsniveau bevindt zich meer dan een derde in de bovenste helft van de verdeling. Twee laagbetaalde tweeverdieners kunnen samen hogerop klimmen, of tweede en derde verdieners verrichten laagbetaald werk naast een eerste verdiener met goedbetaald werk. Het eerste komt zeker voor maar het tweede is aanmerkelijk belangrijker. In de bovenste helft van de inkomensverdeling wordt 60 à 75 procent verricht door additionele verdieners. Zij concurreren aan de onderkant van de arbeidsmarkt ‐ tegen de achtergrond van een hoger inkomen, doorgaans op deeltijdbasis en met een betere opleiding ‐ met het laagopgeleide arbeidsaanbod dat op deze banen is aangewezen en voor het inkomen afhankelijk is van werken in voltijd. De overgrote meerderheid van deze laagopgeleide banen is tegenwoordig in deeltijd en wordt ingenomen door beter opgeleide personen. Het leidt tot een vicieuze cirkel van grotere inkomens‐ en arbeidsmarktongelijkheid. Ook daarom moeten we de arbeidsparticipatie van vrouwen, vooral voor laagopgeleide banen, verbeteren. De hiervoor genoemde invoering van een arbeidstoeslag voor de laagste inkomens helpt in ieder geval de gevolgen van deze ongelijke arbeidsparticipatie te verminderen.

Al is de eenverdienerswereld verdwenen, er zijn nog wel degelijk eenverdieners over: 1,9 miljoen, die even zo vele huishoudens vormen. Eenverdieners met een meerpersoonshuishouden zijn 11 procent van de werknemers in 18 procent van de huishoudens en met 15 procent van alle looninkomen. In verhouding tot de massa van tweeverdieners leidt dit tot een belangrijk probleem van solidariteit: waarom inkomen herverdelen naar huishoudens waarin slechts een persoon een overigens vergelijkbare positie op de arbeidsmarkt inneemt? Ook hier helpt de vervanging van de arbeidskorting door de arbeidstoeslag. De huidige fiscale arbeidskorting wordt maximaal op het niveau van het minimumloon. Bedoeld als gunstiger voor de onderkant van de verdeling en als stimulans voor betaald werk sorteert ze in de tweeverdienerswereld ook een omgekeerd effect. Het laagbetaalde werk raakt oneigenlijk verspreid over de hele inkomensverdeling zoals we hierboven al zagen in de brede spreiding van laagopgeleide beroepen. Het betreft echter ook werk dat (per uur) beter beloond is, omdat het belastingstelsel op jaarbasis werkt en op die basis naar het minimumloon kijkt. Dit spreekt direct uit het feit dat meer dan een derde deel van de volwassen vrouwen verdiensten heeft tot aan het niveau van het minimumloon op jaarbasis – en klaarblijkelijk de gewerkte uren aanpast – tegenover minder dan 7 procent die het minimumloon verdient op uurbasis.

Inkomensongelijkheid lijkt zelf ook de huishoudvorming te beïnvloeden en daar een vicieuze cirkel te scheppen van grotere ongelijkheid naar selectieve paarvorming en inkomensverwerving naar verder groeiende ongelijkheid. Aanwijzingen daarvoor zien we terug in de verminderde paarvorming onder lager en middelbaar opgeleiden.

We gaan ook daarom de kinderopvang volledig publiek financieren en organiseren, geïntegreerd met het onderwijs. Kinderbijslag en kindgebonden fiscale toeslagen kunnen dan, in combinatie met hogere lonen en uitkeringen, en lagere vaste lasten, vervallen. We gaan voorts volledige banen organiseren in de publieke sector door aanvullende werkzaamheden, schoonmaakwerk gewoon overdag organiseren, etc. Voltijdsbanen gaan we ook fiscaal voor werkgevers aantrekkelijker maken, zodat zij minder genegen zullen zijn parttimebanen aan te bieden.

Tekorten op de arbeidsmarkt: (3) verbeter het onderwijs

In de derde plaats kan er aan de scholingskant veel verbeteren om niet op te leiden tot werkloosheid, maar op de werkelijke behoeften van de arbeidsmarkt, en door een veel grotere inzet te plegen op verhoging van de onderste onderwijsniveaus. Het is onacceptabel dat er 2,5 miljoen inwoners zijn die laaggeletterd zijn. Daar is echt nog veel winst te halen, evenals bij de gelijkheid van kansen in het onderwijs – we schaffen studieleningen af, evenals les-, cursus- en collegegelden. Het onderwijs wordt tot en met het mbo gratis en voor het hoger onderwijs komt er een studieheffing na afloop van dat onderwijs, gerelateerd aan het dan verdiende inkomen. We stellen o.m. de selectie in het voortgezet onderwijs uit tot 15/16 jaar, investeren fors in het onderwijs, verkleinen de groepsgrootte, zetten het meeste geld en de beste en best beloonde leraren in bij de scholen met de grootste pedagogische uitdaging en voeren overal een gratis voorschool in.

En ook bij na-, bij- en omscholing zijn de inspanningen nu nauwelijks effectief om mensen aan het werk te houden. Er wordt al wel een leven lang geluld over levenslang leren. Tot nu toe is er weinig van terecht gekomen. Uit onderzoek blijkt onder meer dat groepen die het minste baat heb­ben bij scholing, het meest gebruik maken van bestaande voorzie­ningen, terwijl de werkenden die er het meest behoefte aan hebben, het minst profiteren. Theoretisch opgeleiden breiden hun kennis en sociaal kapitaal nog verder uit, terwijl praktisch geschoolden de boot dreigen te missen. ‘Een leven lang leren’ heeft als gevaar dat groepen verder divergeren en het gat tussen de door het Sociaal Cultureel Planbureau benoemde cans en cannots groter wordt. Dit probleem wordt nog acuter als we kijken naar de populatie van zelfstandigen zonder personeel en voor flexwerkers. Bij hen liggen de investeringen in leren en ontwikkelen aanzienlijk lager dan bij vergelijkbare groepen werknemers. Dit heeft vooral met kosten en gebrek aan tijd te maken. Hoe losser de arbeids­relatie is, hoe minder formele ontwikkelkansen er bestaan. Lange tijd namen werkgevers en werknemers aan dat een arbeidscontract in principe een loopbaan lang mee kon. Voorbereiding op een andere functie, in een andere onderneming, was en is nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Bijna driekwart van de scholing is nog altijd gericht op de huidige functie. We weten dat ‘werk moet lonen’, maar de prikkels voor ‘scholing moet lonen’ zijn nog zwak. Niet willen oplei­den voor de concurrent, voert op nog te veel plekken de boventoon. Bovendien benaderen we de noodzaak van een leven lang leren vaak vanuit angst en de dreiging van werkloosheid, terwijl de psychologie ons leert dat zekerheid en perspectief mensen eerder verleiden tot beweging.

Dat moet dus anders, met vast aantal vouchers voor deze na-, bij- en omscholing. door middel van een, dat iedereen tot zijn beschikking krijgt. Er komt een heldere digitale omgeving, waarop een overzicht van álle mogelijkheden te vinden is voor het gebruik van deze vouchers. Het gaat daarbij niet alleen om opleidingen, maar ook om detacheringsmogelijkheden, beschikbare leerwerktrajecten en andere vormen van ontwikkeling. Deze middelen zijn niet alleen voor formele doelen in te zetten, maar ook voor een breed scala aan informele mogelijkheden. Via cao’s (de transitievergoeding!), arbeidsvoorwaardenreglementen en individuele arbeids­overeenkomsten is het vervolgens mogelijk om extra vouchers toe te voegen aan de rekening van de individuele werkenden, naast bestaan­de, functiegerichte scholing. Ook mensen zonder werk kunnen de vouchers gebruiken om de kansen op nieuw werk te vergroten. Werkwinkels kunnen ondersteuning bieden bij het maken van de juiste keuzes. Een dergelijk vouchersysteem maakt het mogelijk prikkels in te bou­wen voor opleidingen in de richting van kansrijke beroepen, bijvoor­beeld door de ‘voucherkosten’ voor bepaalde programma’s tijdelijk te verlagen. Op die manier kunnen ze voor een deel als beleidsinstrument worden ingezet bij het invullen van strategisch, nationaal arbeids­marktbeleid en het reageren op maatschappelijke en economische behoeften. Financiering vindt plaats via een premiestelsel door werkgevers, aangevuld met een rijksbijdrage. De werkgeverspremie moet niet rechtstreeks op arbeid drukken, en wordt dus niet afhankelijk van het aantal werknemers, maar van de winst en/of omzet.

Tekorten op de arbeidsmarkt: (4) reguleer de arbeidsmigratie

En in de vierde plaats zal er ondanks al deze inspanningen structureel steeds meer behoefte komen aan arbeidsmigranten. Voor sectoren waar deze tekorten krijgen worden in wervingslanden, waaronder in Noord- en West-Afrika, bureaus geopend waar mensen een tijdelijke vergunning voor arbeidsmigratie kunnen aanvragen. Deze vergunning geeft maar beperkte rechten op sociale zekerheid – geen gegarandeerd basisinkomen, geen WW, wel ziektewet en zorg – en bij werkloosheid vervalt de vergunning. Als de tijdelijke vergunning bijv. tien jaar lang aaneengesloten is verleend, kan er fasegewijs uitbreiding van rechten plaatsvinden. Door arbeidsmigratie gereguleerd substantieel en veilig te organiseren, wordt ook het misbruik van de vluchtelingenroute kleiner, het verdienmodel van mensensmokkelaars en vallen er minder slachtoffers in de pogingen om Fort Europa te bereiken. Dat is veel effectiever en humaner dan metershoog prikkeldraad met scheermesjes en deals met onveilige en instabiele landen.

Zorg voor zeker werk

Onzeker werk dreigt ons terug te werpen op 19e eeuwse arbeidsverhoudingen. Nederland is kampioen flexwerk en er zijn zeer veel onvrijwillige ondernemers – zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers), omdat men alleen zo aan betaald werk komt. Dat komt omdat hier flexwerk veel goedkoper en aantrekkelijker is voor bedrijven dan werknemers in loondienst, in vergelijking met andere landen. Vooral jongeren en vrouwen, met name lager geschoolden, komen nog maar moeilijk aan een vaste baan. Zij hebben geen regeling voor arbeidsongeschiktheid en aanvullende pensioenen, en hebben ook op tal van andere punten een slechte rechtspositie. Zo hebben zzp-ers geen ontslagbescherming, geen minimumloon en geen doorbetaling bij ziekte.

De overmatige flexibilisering van de arbeidsmarkt is slecht voor de arbeidsproductiviteit, slecht voor innovatie, slecht voor het draagvlak van onze sociale regelingen, en vooral ook slecht voor de betrokkenen zelf. Daarom moeten we flexwerk duurder maken voor werkgevers, o.m. door flexwerkers meer zekerheden te garanderen die werkgevers/opdrachtgevers moeten betalen, en daar een wettelijk minimumtarief in te voeren in plaats van de huidige fiscale zelfstandigenaftrek. Payrollconstructies en nul-urencontracten worden verboden.

We moeten een einde maken aan schijnconstructies van zelfstandigheid, met bijzondere aandacht voor platformbedrijven. Werken bij platformbedrijven gaat goed zo lang het goed met het bedrijf en de economie. Maar er is ook direct een probleem als de economie tegen zit. Dan hebben de platformwerkers een zeer zwakke positie. Ze zitten in een klap zonder inkomen en kunnen alleen op de bijstand terugvallen. Niet fijn voor hen, en de economie als geheel kan bovendien sterker gaan schommelen. Maar belangrijker: de platformwerkers zijn ijzersterke concurrenten voor werknemers. Werkgevers zitten niet aan ze vast en de bruto kosten per uur worden gedrukt omdat er minder geld naar verzekeringen en belastingen gaat. Je zou wel gek zijn om te kiezen voor een arbeidscontract, als er zo’n eenvoudig, goedkoop en weinig verplichtend alternatief is. De groei van platformwerk, juist onder de sterkste spelers op de arbeidsmarkt, beïnvloedt zo de onderhandelingspositie van de overgebleven werknemers. Want hoe gaat ‘de rest’ de verplichte risicoverzekeringen voor ziekte en werkloosheid betalen? Wie wil er dan nog betalen voor verplicht pensioen? Wat betekent nog meer zzp-ers voor de belastinginkomsten? Dit soort schijnconstructies zijn daardoor een ernstige bedreiging voor de positie van andere werknemers en van de bestaanszekerheid van ons allen.

Voor alle werknemers versterken we de rechtspositie, o.m. in het ontslagrecht en de resterende ongelijkheid voor jongeren bij het minimumloon schaffen we af.

Door concurrentie op goedkoopste arbeidsvoorwaarden binnen de EU is vrij verkeer van diensten verworden tot uitholling van rechten van werknemers. Dat moet worden bestreden door die rechten veel meer centraal te stellen en te beschermen. Met name in de transportsector moet er meer gebeuren.

De handhaving door de Inspectie SZW van schijnconstructies bij flexwerk en arbeidsmigratie moet ook worden versterkt. Uitzendbureaus krijgen opnieuw een vergunningenplicht om misstanden tegen te gaan.

Meer zeggenschap voor werknemers

We versterken ook de zeggenschap van werknemers, o.m. door meer bevoegdheden van de Ondernemingsraad (OR) bij fusie, overname, doorstarten en afhandeling van faillissement, en door een sterkere positie van werknemers in Raden van Commissarissen en Raden van Toezicht. Vakbonden – je collectief organiseren als werknemer – moeten beter worden gefaciliteerd bij hun belangrijke werk. We gaan het stakingsrecht wettelijk regelen, vakbondsleden moeten betere positie kunnen krijgen in cao’s om free-rider-gedrag tegen te gaan, er moet verplicht aandacht voor het belang van vakbonden zijn in het onderwijs en aan de algemeen verbindend verklaring van cao’s wordt niet getornd.

Prima financierbaar

Tot slot: dit is allemaal heel goed financierbaar. Als we de vennootschapsbelasting op de winst van bedrijven niet verlagen, maar weer verhogen naar het niveau van bijv. 2004, dan is er alleen al een opbrengst van 15 miljard euro per jaar. Aanpak van belastingfraude en – ontwijking levert ook al gauw tenminste 5 miljard euro per jaar op. Het afschaffen van het boxenstelsel in de inkomstenbelasting (waardoor inkomen anders dan uit arbeid veel minder zwaar belast worden), en het afschaffen van alle aftrekposten en vrijstellingen (in combinatie met een meer naar draagkracht ingericht tarievenstelsel) levert ook tientallen miljarden euro’s op. En dan hebben we het nog niet gehad over de opbrengst van het fiscaliseren van de volksverzekeringen en de veel lagere uitvoeringskosten van de sterk vereenvoudigde regelingen voor uitkeringen, werk en belasting. Het is eerlijker naar draagkracht, zekerder, effectiever, verminderd private schulden en veel eenvoudiger. Daar komt bij dat er veel investeringsruimte is door het absurd lage begrotingstekort en staatsschuldniveau (de volledige staatsschuld kan sowieso al weggestreept worden tegen de zekere toekomstige extra belastingopbrengsten op de nog uit te keren aanvullende pensioenen), door de historisch ongekend lage rente (waardoor geld lenen voor de overheid eigenlijk zelfs geld oplevert) en de noodzaak bij pensioenfondsen om mee te investeren (gegeven de hiervoor voorgestelde regulering van hun vermogensbeheer).

We kunnen het doen, als we het willen. Het vraagt alleen een moedige, radicale maar ook aansprekende politieke keuze. Er is een alternatief. Durf te kiezen. Laten we het doen, PvdA Linksom!

 

 

 

[1] Zie: http://gerardbosman.com/2018/10/18/een-zeker-volwaardig-eerlijk-en-tijdig-collectief-pensioen-voor-iedereen/

[2] Zie: https://decorrespondent.nl/8389/basisinkomen-vergroot-de-armoede-onzin/3783231187692-9838bd05

[3] Zie hiervoor: http://gerardbosman.com/een-nieuwe-koers/schulden/

[4] UWV (2018), Arbeidsmarkt­prognose 2018-2019

[5] Centraal Bureau voor de Statistiek (2017), 1,3 miljoen mensen willen (meer) werken

[6] De term ‘Werkwinkels’ is van de Argumentenfabriek

[7] Zie: Wegwerkzaamheden, Tien ideeën voor de wereld van werk, te downloaden op: https://www.awvn.nl/topics/toekomstvanwerk/

[8] Zie: Rest: Why You Get More Done When You Work Less (hier vertaald onder de titel: Rust in uitvoering, meer voor elkaar krijgen door minder te werken) van de Amerikaanse publicist Alex Soojung-Kim Pang

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Niet de zorg, maar het zorgstelsel is duur

Met lege handen & woorden vol onmacht tekent Wouter Bos afgelopen zaterdag in de Volkskrant[1] het falen van zijn rol als zorgbestuurder en de inrichting van onze zorg. Hij wijst voor de steeds maar stijgende kosten naar allerlei kanten. De macht van de farmacie komt langs, een ouder wordende en veeleisende bevolking, politici die bang zijn voor het electoraat & dokters die het gesprek met de patiënt over lastige keuzes mijden.

Het collectief wegkijken van de noodzaak om keuzes te maken in de zorg stelt hij aan de kaak. Hij pleit ervoor om burgers duidelijk te maken dat niet alles meer kan nu de zorgkosten sneller stijgen dan het nationaal inkomen. Dat laatste is echter onjuist. Al vijf jaar stijgt het nationaal inkomen sneller dan onze zorguitgaven.

(Zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/22/zorguitgaven-stijgen-in-2017-met-2-1-procent en: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/20/zorguitgaven-stijgen-in-2016-met-1-8-procent )

De groei van de zorguitgaven is prima financierbaar en helemaal niet onhoudbaar. Maar dan moeten we natuurlijk wel het inkomen wat we verdienen willen aanwenden voor wat kiezers altijd aangeven als prioriteit nummer één: goede zorg. En dus niet de belastingen verlagen bij degenen die het overgrote deel van dit inkomen verdienen, multinationals en vermogenden, maar die daar juist verhogen. 

Groot is echter onze verbazing dat de olifant in de kamer, de marktwerking in de zorg, door Wouter Bos, eens leider van de PvdA, niet eens wordt aangestipt. Terwijl dat nu juist de grootste oorzaak van inefficiëntie en dus onnodige kosten in de zorg is. Als de privatisering van de zorg niet eens meer wordt benoemd door een sociaaldemocraat, is het tijd voor reflectie.

Terwijl heel Europa de zorg publiek regelt, bekeert Nederland zich vanaf 2006 tot een nieuw geloof: de marktwerking. Het nieuwe Jeruzalem wordt beloofd. Niet alleen wordt de zorg er goedkoper van, maar ook de kwaliteit en efficiëntie zullen toenemen, verklaart het kabinet.

Het ministerie van VWS geeft de directe aansturing uit handen en benoemt verzekeraars tot regisseurs van de zorgmarkt. Slechts toezicht op afstand door de Zorgautoriteit is nodig om vraag en aanbod perfect af te stemmen En dat hebben we geweten.

De zorg aan patiënten knipt men op in producten en aan elk lichaamsdeel hangt voortaan een prijskaartje. Dan wordt de productiemachine aangezet en worden van zorgverleners concurrenten gemaakt. De gevolgen zijn inmiddels bekend. In een paar tijd exploderen de zorgkosten. Nederland klimt van Europese middenmoter op tot een van de duurste zorgstelsels ter wereld, vlak achter Amerika.

Sindsdien worden niet zorgverzekeraars, die jaarlijks de miljardenreserves doen groeien, bevraagd op hun meerwaarde voor de zorg, maar krijgen zorgverleners de zwarte piet toebedeeld. Ze zouden te slecht en traag werk afleveren. Niet de grootste private verzekeraar Achmea waar 1 op de 3 Nederlanders verzekerd is, wordt gekapitteld om haar zucht naar winstuitkering in de zorg, maar patiënten worden als immoreel betiteld om hun beroep op zorg.

Zorgverleners worden opgejaagd om meer te produceren. Meer patiënten zien per spreekuur, snellere zorg bieden en meer verzekeringstaken uitvoeren per contact.

Patiënten krijgen te maken met dure rekeningen op de mat door niet dekkende rommelpolissen. Zorgverzekeraars zijn niet transparant over hun verzekeringen en de vergoedingen. Er wordt een  dichte informatiemist opgetrokken om de vele honderden verzekeringspolissen.

Burgers zien steeds meer kosten op zich afkomen. De overheid verschuift collectieve lasten naar het individu via premiestijging, eigen risico, eigen bijdragen en zorgverlening door mantelzorgers. Dat is geen betere kostenefficiëntie, maar lastenverschuiving van overheid naar de burger die ziek is. Zo is een schijnbare belangentegenstelling tussen de patiënt en de weinig zieke premiebetaler, de zorgconsument, geschapen. De bijl aan de solidariteit tussen ziek en gezond. Het is teleurstellend dat de sociaaldemocraat Bos, verantwoordelijk voor veel van deze verschuivingen van het collectief naar het individu, voor die welbewuste aantasting van de solidariteit wegkijkt.

De tijden van de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten lijken achter ons te liggen. De toch al grote gezondheidskloof tussen arm en rijk zien we toenemen, doordat patiënten om financiële motieven de adviezen van de huisarts niet meer opvolgen.

Terwijl zorgverzekeraars geen verantwoording hoeven af te leggen voor hun bijdrage aan de zorg, wordt er door hen wantrouwen op zorgverleners en patiënten geprojecteerd. Zorgverleners doen hun werk niet goed en patiënten vragen te veel. Vanuit die achterdocht is door verzekeraars een verplichting aan zorgverleners opgelegd om medische gegevens van patiënten af te staan voor het bigdata-project ValueBasedHealthCare. Deze verzameling van medische gegevens gebeurt veelal zonder dat toestemming van de patiënt, doel, noodzaak en wetenschappelijke evidentie vast staan

De patiënt moet aantonen dat hij niet teveel zorg vraagt & de zorgverlener moet aantonen dat hij waarde toevoegt en dat gezondheidswinst wordt geboekt. Hoewel de wetenschappelijke onderbouwing van het, uit de Amerikaanse automobielindustrie overgewaaide, project ontbreekt, zetten verzekeraars en ministerie van VWS door. De zorgverlener wordt, op straffe van een financiële sanctie, contractueel verplicht medische gegevens te delen met het dataproject & moet als de data-analyse dat aangeeft de zorg aan de patiënt afbouwen. Niet de patiënt en arts bepalen meer samen wat goed en rechtvaardig is, maar de over ons verzamelde big data bepalen wanneer de zorg moet worden afgebouwd.  De verminderde schadelast komt ten bate van de miljardenreserves van de zorgverzekeraars, met een uitzicht op winstuitkering aan diens aandeelhouders.

Deze wurgende en onethische contracteisen aan zorgverleners worden door verzekeraars niet gedeeld met verzekerden. Aan de voorkant glimt het verzekeringsproduct prachtig, aan de achterkant wordt de patiënt via de gegijzelde zorgverlener gekort.

Een ernstig door de overheid toegestaan en door verzekeraars afgedwongen breuk in het beroepsgeheim van zorgverleners is realiteit geworden. Nut, noodzaak en wetenschappelijke onderbouwing van deze Kafkaëske zorgbrede bigdataverzameling ontbreken. En ondertussen worden zorgverleners door deze administratie voor veertig procent van hun tijd afgehouden van patiëntenzorg. Het maakt hen murw en velen verlaten de gezondheidszorg nu de sector vol staat van een commerciële moraal die haaks staat op hun beroepsmoraal.

Zie hier de staat van de zorg anno 2018, 12 jaar na de vermarkting van de zorg.Terwijl driekwart van de Nederlanders, van VVD tot SP, geen marktwerking in de zorg wil, zet de regering haar privatiseringskoers voort. Het mag geen verrassing zijn dat burgers hun vertrouwen in de overheid verliezen nu deze haar basistaken verzaakt en de wens van de bevolking negeert. Het sociale grondrecht op zorg en het recht op privacy wordt door onze overheid en verzekeraars ernstig geschaad.

De vraag is kortom: hoe lang wordt het falen van marktwerking in de zorg nog geloochend? Hoe lang nog duiken onze regering, parlement en Wouter Bos nog weg voor het door marktwerking veroorzaakte verval van de zorg?

Zorg behoort tot het publiek domein en mag niet onderhavig zijn aan commerciële doeleinden. Onze collectief opgebrachte premies behoren direct het functioneren van zorgverleners en de zorg aan patiënten ten goede te komen. De exodus van zorgverleners uit de zorg heeft alles van doen met de aantasting van hun beroepsbelofte om patiënten niet te schaden & het aan hen toevertrouwde geheim te houden.

Maak daarom van zorgverleners geen boekhouders. Laat ze hun werk doen, biedt hen vertrouwen, ruimte en geef ze een vast loon vanuit dienstverband. Geef patiënten de zekerheid dat we als gemeenschap elkaars lasten dragen. En bevestig burgers in hun wens om solidair met elkaar te blijven.

Als leden van  PvdA en SP roepen wij onze partijen en het parlement als geheel op verantwoordelijkheid te nemen. Breng de zorg terug in het publiek domein en stop de uitholling van de solidariteit. De tijd is rijp voor een zorgstelsel zonder marktwerking en met volledige collectieve financiering. Het zal de betaalbaarheid, kwaliteit en efficiëntie van de zorg met  sprongen doen verbeteren en zal de sector weer aantrekkelijk maken voor intrinsiek gemotiveerde zorgverleners.

 

Gerard Bosman (Linksom! in de PvdA) en Cobie Groenendijk (psychiater, SP-lid) zijn beiden lid van comité Nationaal Zorgfonds.

 

[1] https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/stop-met-wegduiken-voor-pijnlijke-keuzes-in-de-zorg-bepleit-wouter-bos~ba656629/

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Een zeker, volwaardig, eerlijk en tijdig collectief pensioen voor iedereen

  1. Over rekenrente, vermogensbeheer, pensioenzekerheid en indexering

 

Het Nederlandse aanvullende pensioensysteem is het laatste kroonjuweel van het fameuze poldermodel. In plaats van het te koesteren willen de neoliberalen, VVD en D66 voorop, er nu met de bijl op inhakken. Naast de neoliberale ideologie die de eigen keuzevrijheid bejubeld hebben zij rugwind gekregen doordat de pensioengaranties steeds meer een papieren werkelijkheid dreigen te worden, o.m. door het niet meer indexeren. Dit heeft grote koopkrachteffecten: 12 jaar niet indexeren kost je zo’n 27% pensioen! De werkelijkheid is dat de pensioenreserves niet leger maar juist voller zijn, nog steeds stijgen, en ruim voldoende zijn om ondanks de vergrijzing, zelfs als er nauwelijks rendement wordt gemaakt de komende jaren, aan de toekomstige verplichtingen te voldoen.

Waarom dan toch niet indexeren, dreigen met pensioenkortingen, sterk stijgende pensioenpremies en de daarmee verband houdende crisispraat over ons pensioenstelsel? Pensioenfondsen zijn wettelijk verplicht om uit te gaan van een fictief zeer laag rendement, de zgn. rekenrente, ondanks dat de werkelijke rendementen zeer hoog waren. Dat wordt verdedigd doordat rendementen ineens kunnen omslaan in grote verliezen. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat die rekenrente ons meer pensioenzekerheid biedt. De pensioenonzekerheid wordt veroorzaakt door iets anders, en daar doen we nog steeds niets aan: risicovol beleggingsbeleid.

Pensioenfondsen zijn zich de afgelopen decennia steeds meer gaan richten op snelle hoge rendementen. De fondsen zijn beleggers geworden in financiële ‘producten’ die financiële bubbels aanjagen, in plaats van investeerders gericht op echte economische productie. Bubbels die op enig moment altijd barsten. Behalve dat deze beleggingen de economie en werkgelegenheid kunnen schaden, maken ze de Nederlandse pensioenen ook uiterst afhankelijk van de financiële markten. Het systeem van dekkingsgraden en rekenrente zorgt ervoor dat de fondsen zich richten op een schijnwerkelijkheid. Een goed pensioenrendement is in dat systeem in werkelijkheid lucht.

Het grootste gevaar voor de Nederlandse pensioenen is dat het vermogen als sneeuw voor de zon wegsmelt bij een financiële crash. Daar helpt een lage rekenrente niets tegen, daar helpt alleen een ander beleggingsbeleid tegen. De grote wisselingen in beleggings­rende­menten wakkeren ook de spanningen aan tussen verschillende generaties premiebetalers c.q. pensioenontvangers: hoe groter de verschillen in resultaat, hoe belangrijker het wordt aan wie het verlies of de winst wordt toegerekend. Gaat de premie omhoog/omlaag of juist de pensioenuitkering? Het kost bovendien miljarden aan goudgerande beloningen en bonussen voor ­beleggingsbedrijven en ­handelaren.

Nog niet zo lang geleden, tot halverwege de jaren negentig, belegden pensioenfondsen verplicht vrijwel louter in echte bedrijven, in woningen en in staatsobligaties. Met de deregulering van de financiële sector in de jaren 1990 werden die regels losgelaten. Inmiddels beleggen pensioenfondsen voor minstens 85% in het buitenland en in de wildste financiële producten. In plaats van zich steeds verder te verknopen met de financiële industrie zouden pensioenfondsen weer moeten transformeren tot werkelijk publieke instellingen, die niet het snelle maar onzekere hoge rendement vooropstellen, maar maatschappelijk investeren. Dat leidt tot minder hoge pieken in beleggingsrendementen, maar ook tot minder diepe dalen.

Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler. Met het huidige pensioenvermogen en de huidige premies is een rendement van 2,5% boven op de inflatie al genoeg om de toekomstige pensioenen te garanderen. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Door te beleggen in huurwoningen bijvoorbeeld is een constant rendement van 4-5% mogelijk. Datzelfde geldt voor rendement uit hypotheken: zouden niet banken maar pensioenfondsen de hypotheekleningen verstrekken, dan kwam de hypotheekrente terecht bij (toekomstige) gepensioneerden in plaats van bij de aandeelhouders van banken.

Pensioenfondsen moeten breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. We hebben allemaal, ook de pensioengerechtigden, belang bij een gezonde duurzame economie, een functionerende rechtsstaat, een goede infrastructuur, deugdelijk onderwijs en innovatie. Het is ook in het belang van de leden van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie. Pensioenfondsen zouden samen met overheid en sociale partners tot een nationale investeringsagenda moeten komen.

We moeten daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn. Als rendementen minder veranderlijk zijn omdat ze minder risicovol zijn, is het ook verdedigbaar dat het werkelijk rendement telt bij het bepalen hoe het pensioenfonds ervoor staat, en niet een fictieve, zeer lage rekenrente. Dan stijgt de dekkingsgraad, kan er weer geïndexeerd worden en kan het vertrouwen in het pensioenstelsel weer toenemen.

We moeten het beleggingsbeleid van pensioenfondsen zo reguleren dat de risico’s veel kleiner worden en daardoor de rekenrente kan worden geschrapt. Dat betekent naast een verplichting om een belangrijk deel (bijv. 25%) in Nederland en nog eens een gelijk percentage in de rest van de EU te investeren, we risicovolle en speculatieve beleggingen en beleggingen die in financiële, ecologische of sociale zin niet duurzaam of rechtvaardig zijn moeten verbieden en andere beleggingen in zakelijke waarden moeten beperken. Ook moeten we een plafond invoeren voor de uitvoeringskosten van de beleggingen. Uitgangspunt voor het financieel toetsingskader om te beoordelen of pensioenfondsen mogen indexeren, premies moeten verhogen of uitkeringen moeten korten, worden dan de werkelijk behaalde rendementen.

 

  1. Over solidariteit tussen generaties en de lachende derde: de werkgevers

 

En hoe zit het met de bewering dat ouderen het pensioen van jongeren ‘opeten’ of dat jongeren veel te veel moeten betalen doordat ouderen hun leven lang te weinig betaalden? Verplichte, collectieve aanvullende pensioenen kennen in ons land een verplichte doorsneepremie. De doorsneepremie houdt in dat iedere werknemer een even hoog percentage premie betaalt en daarmee jaarlijks ruim twee procent van zijn pensioen opbouwt, zodat hij of zij na 40 tot 45 jaar werken een volledig pensioen heeft. De premie die een 25-jarige inlegt kan echter 42 jaar renderen, de premie van een zestigjarige slechts zeven jaar (uitgaande van en pensioenleeftijd van 67). Volgens sommigen het toppunt van ‘oud teert op de zak van jong’. Met oneerlijkheid tussen jong en oud heeft dit echter niet zo veel te maken. Wie jong is wordt immers ooit oud, en wie oud is was ooit jong.

Tot pakweg de crisis van 2008 vond de pensioenstrijd voornamelijk plaats tussen werk­gevers en werknemers. De eersten betalen twee derde van de pensioenpremie, werknemers een derde. Eenzelfde verdeelsleutel is logisch als er moet worden bijgestort omdat de dekkingsgraad onder de maat is – in feite is de premie dan immers te laag geweest – maar met die redenering gingen werkgevers niet akkoord, het was toch crisis? Maar juist in crisistijd zouden we voor bescherming van werknemers en gepensioneerden moeten staan!

Bij de discussies over veranderingen in het pensioenstelsel helpt het niet dat oud en jong elkaar als concurrenten zijn gaan beschouwen. Daardoor vliegen oud en jong elkaar in de haren, met werkgevers als lachende derde. Doordat het pensioensysteem gebaseerd is op veel verschillende mechanismen is het niet moeilijk om selectief te winkelen en er een mechanisme uit te pikken dat uitermate onrechtvaardig is voor ouderen – of juist voor jongeren. Belangrijker is dat we de werkgevers weer aanspreken op hun verantwoordelijkheid om bij te storten. De overheid en de publieke sector (ABP en PFZW) zouden daarbij voorop moeten lopen.

Rutte III is van plan de doorsneesystematiek aan te passen. Het premiepercentage blijft voor iedereen gelijk, maar naarmate iemand jonger is, geeft de betaalde premie recht op meer pensioen, is nu het plan. De overgangskosten van die wijziging zijn hoog: zo’n 100 miljard euro. Gevaren zijn er ook: wie tot z’n veertigste niet in vaste dienst is – zoals een groot deel van de huidige 40-minners – of vanwege kinderen parttime werkt, en daarna alsnog vast werk bemachtigt, bouwt zonder ‘doorsneesystematiek’ straks veel minder pensioen op. Een fundamentelere oplossing zou zijn dat alle werkenden pensioen opbouwen, dus ook ZZP-ers en flexwerkers, ook sectoren en bedrijven waar nu geen aanvullend pensioen is, en ook de hoge inkomens die nu niet meebetalen aan het collectieve systeem. We gaan daarom niet akkoord met afschaffing van de doorsneesystematiek.

 

  1. Over een verplicht collectief aanvullend pensioen voor iedereen

 

Een belangrijke echte bedreiging van ons systeem van aanvullende pensioenen is dat steeds minder mensen (voldoende) collectief pensioen opbouwen. Mensen met lage inkomens doen vaker allerlei vormen van laag betaald, kortdurend flexwerk, en flexwerkers bouwen nauwelijks pensioen op. Hun pensioenopbouw gaat pas in als ze ergens langer dan twee maanden werken (uitzendkrachten zelfs pas na zes maanden) en veel flexbaantjes zijn korter dan die twee of zes maanden. ZZP-ers bouwen helemaal geen pensioen op, tenzij ze hier zelf geld voor opzij zetten met een (dure!) regeling van een verzekeraar.

Vanuit het perspectief van veel ZZP-ers hoeft er niet zo veel te veranderen: voor ZZP-pensioensparen geldt ongeveer dezelfde fiscale subsidie, en veel ZZP-ers sparen zelf óf hebben te weinig inkomen om premie te betalen. Maar vanuit het perspectief van de samenleving als geheel is er wel reden om ook voor ZZP-ers een collectieve pensioenvoorziening in te voeren. Dat is rechtvaardiger, verstevigt het financieel draagvlak en toekomstbestendigheid van ons collectief, solidair pensioensysteem, beperkt de kosten van ouderen met armoede en vergroot de koopkracht van ouderen (ook in het belang van jongeren!). ZZP-ers moeten daarom in plaats van de huidige zelfstandigenaftrek een wettelijk minimumtarief krijgen, dan kunnen zij de pensioenpremie betalen door het in rekening te brengen bij hun opdrachtgevers in plaats van bij de belastingbetaler. En het gaat het onvrijwillige ZZP-schap tegen, waar dit nu te goedkoop is. Flexwerkers en uitzendkrachten moeten ook vanaf het eerste uur pensioen opbouwen. De huidige franchises en uitsluitingen daarbij moeten worden verboden. Ook dit helpt vast werk te bevorderen, door flexwerk duurder te maken voor werkgevers.

Ook zijn er nu te veel sectoren en ondernemingen die geen collectief aanvullend pensioen kennen. Daarvoor moeten we een apart pensioenfonds maken, dat verplicht premies int en pensioenen uitkeert, en met een pensioenregeling die door de minister van SZW met instemming van het parlement wordt vastgesteld. Hoge inkomens dragen voorts nu niet bij aan collectieve pensioenregelingen, ook al omdat zij vaak buiten de cao vallen. Dit moet wettelijk worden verboden, ook om de stijgende exhibitionistische loonongelijkheid tegen te gaan. De aanvullende pensioenuitkering moet daarbij gemaximeerd worden.

 

  1. Een eerlijke en tijdige pensioenleeftijd

 

De huidige, snelle stijging van de pensioenleeftijd verergert op korte termijn de werkloosheid, en maakt die voor werkloze ouderen des te schrijnender. De snelle verhoging van de pensioenleeftijd is ook een grote bron van onzekerheid en ontevredenheid. De gemiddelde levensverwachting stijgt in ons land snel. Een 25-jarige man in 1975 zou gemiddeld genomen 73,7 worden, een vrouw 79,5. Veertig jaar later, nu dus, wordt dezelfde man gemiddeld 81 en de vrouw 84,3 en de toename is nog niet voorbij. De 25-jarige mannen en vrouwen van nu moeten voor gemiddeld 15,65 jaren pensioen opbouwen (bij een pensioenleeftijd van 67), veertig jaar geleden was dat 11,65 jaar (bij een pensioenleeftijd van 65). De berekeningen laten zien dat de pensioenrelevante levensverwachting van een 25-jarige met ruim een derde toegenomen is ten opzichte van veertig jaar geleden.

Op zichzelf is de stijgende levensverwachting natuurlijk fijn. We leven langer, waarvan ook een substantieel deel nog in goede gezondheid. Ouderen zijn nu veel actiever dan vroeger, al zijn er ook meer ouderdomsziekten en is eenzaamheid een groot en groeiend probleem. De vergrijzing en de stijging van de levensverwachting betekenen echter ook een stijgende kostenpost voor de ouderenzorg en de pensioenen. Deze kosten moeten door de ontgroening door een steeds kleinere groep werkenden worden opgebracht. Wat betreft de pensioenen geldt dat alleen voor de AOW, die via een omslagsysteem gefinancierd wordt: de kosten worden op jaarbasis omgeslagen over de werkenden, die daar premie voor betalen. Wel wordt de stijging van de premie gedempt doordat er een groeiende bijdrage uit de Rijksbegroting wordt gefinancierd – feitelijk is dat een gedeeltelijke fiscalisering: de belastingbetaler, ook de gepensioneerde, betaalt mee, ook als ze al gepensioneerd zijn.

Bij de aanvullende pensioenen werkt het anders. Deze worden immers gefinancierd met een kapitaalstelsel: werkenden sparen feitelijk voor hun aanvullend pensioen in een collectieve pensioenpot per sector of bedrijf, en bij de premievaststelling wordt rekening gehouden met de (stijging van de) levensverwachting. Het probleem voor de rijksbegroting raakt dus alleen de AOW.

Maar er is nog iets aan de hand: De verschillen in leeftijdsverwachting zijn zeer groot. Die van mensen met een lage opleiding en een laag inkomen blijven ver achter. De hoogste inkomens leven in Nederland gemiddeld 7,5 jaar langer dan de laagste inkomens. Kijken we naar de levensverwachting in goede gezondheid, dan loopt het verschil zelfs op tot ruim 18 jaar! Mensen met een hbo- of wo-diploma leven gemiddeld 72 jaar in goede gezondheid, laagopgeleiden slechts ruim 53 jaar. Dat betekent dat je met een laag inkomen veel minder lang van je pensioen kunt genieten. Wie na zijn 50ste een zwaar beroep uitoefent – metselaar, timmerman of verpleegkundige bijvoorbeeld – veroudert in een jaar tijd biologisch niet 12, maar 28 maanden, becijferde gezondheidseconoom Bastian Ravesteijn in 2016 in zijn proefschrift.

Laagopgeleiden beginnen gemiddeld eerder met werken en werken daardoor gemiddeld 10 jaar langer dan hoopopgeleiden. Ze betalen daardoor langer premies, betalen mee aan de studie van de hoogopgeleide en gaan gemiddeld eerder dood, dus krijgen minder lang een pensioenuitkering. De bedrijfsartsenvereniging NVAB heeft al gewaarschuwd dat het voor sommige werknemers nu al moeilijk is om de pensioenleeftijd te halen. Ze kampen vaker met aandoeningen. Het kan om fysiek zwaar werk gaan, maar ook bij veel stress en bij onregelmatige werktijden met ploegen- en nachtdiensten. Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) komen er als we niets veranderen tot 2030 ruim 600.000 kwetsbare ouderen bij.

En juist de mensen die het gezondst kunnen doorwerken en een veel hogere levensverwachting hebben, gaan nu het jongst met pensioen. De gemiddelde feitelijke pensioenleeftijd gaat voor hoger- en lager opgeleiden steeds meer uiteenlopen: hoger opgeleiden verdienen meer, kunnen vermogen opbouwen (bijv. een huis dat verkocht kan worden of spaargeld), krijgen meer aanvullend pensioen, en kunnen zich daardoor vaker veroorloven om eerder met vroegpensioen te gaan.

Het nieuwe 65 is al 67-plus en jonge generaties mogen zich op 70 jaar en meer verheugen. Dat geeft scheve ogen, zeker waar het vroegpensioen tien jaar terug nog de trend was. Het zet jongeren op tegen de oudere generaties en vermindert het draagvlak. Het is een typisch voorbeeld van een neoliberale bezuiniging, ondoordacht op zijn sociale gevolgen, eenzijdig gebaseerd op het verkleinen van de tekorten bij de Rijksoverheid zonder te letten op de tekorten bij gewone mensen, en rigide, ongedifferentieerd toegepast, terwijl er grote verschillen zijn in leeftijdsverwachting, o.m. tussen hoog- en laaggeschoold en zware en minder zware beroepen.

De pensioenleeftijd moet minder snel stijgen. We zien nu dat steeds meer mensen de snel stijgende AOW-leeftijd niet redden, en zijn aangewezen op werk dat eigenlijk niet meer gaat of de WW of zelfs de bijstand. De pensioenleeftijd steeg de afgelopen jaren met drie maanden per jaar en de komende jaren gaat dat tempo zelfs omhoog naar vier maanden per jaar, terwijl het water veel mensen nu al aan de lippen staat. Zeker met de hoge werkloosheid onder ouderen betekent deze verhoging dat men in de bijstand komt in plaats van de AOW.

Nu betekent elk jaar dat de gemiddelde levensverwachting stijgt ook dat iedereen een heel jaar extra moet doorwerken tot de AOW, terwijl we weten dat de levensverwachting niet voor iedereen evenveel stijgt. Bovendien: waarom zou elk jaar dat je extra leeft per se volledig (100%) werkend moeten worden ingezet? Je leeft toch niet om alleen maar te werken?! Als we deze koppeling niet loslaten moet in 2040 iedereen naar verwachting al tot bijna 70 jaar doorwerken. Voor jongeren in 2040 wordt de leeftijd waarop zij met pensioen kunnen helemaal onzeker. Wij vinden daarom de koppeling aan de levensverwachting zoals die nu is ongewenst.

We moeten de AOW-leeftijd bevriezen op 66 jaar zolang de werkloosheid onder ouderen nog zo hoog is. In ieder geval mag de verhoging naar 67 jaar niet eerder plaatsvinden dan in 2030. Daarnaast willen we de koppeling die nu wettelijk optreedt vanaf 2021 aan de levensverwachting structureel verzachten. Wij willen elk jaar extra gemiddelde levensverwachting vertaalt zich in een half jaar langer kunnen genieten van je AOW (vanaf 2030). Dat betekent dat de pensioenleeftijd maar voor de helft meestijgt met de stijging van de gemiddelde leeftijdsverwachting. In de huidige projecties betekent dat een AOW-leeftijd in 2060 van 68 jaar en 6 maanden, in plaats van 71 jaar en 3 maanden.

De enorme verschillen in pensioenleeftijd en het aantal jaren dat men pensioenpremie betaald versus het aantal jaren dat je pensioen ontvangt tussen hoge en lage inkomens zijn oneerlijk. Wij willen een collectief gefinancierd en gereguleerde differentiatie van de pensioenleeftijd door deze afhankelijk te maken van het gemiddelde inkomen tussen je 18e en je 60e. Hoe lager dat inkomen, hoe eerder je dan met pensioen gaat. Ook moet het mogelijk worden om bij cao voor zware beroepen een eerdere pensioenleeftijd af te spreken.

En tenslotte zetten we ook in op generatiecontracten met oud naast jong banen, met 80% werken-90% loon-100% pensioenopbouw regeling voor ouderen die dan jongeren kunnen coachen. Vier ouderen is dan één nieuwe baan. Organiseer stimulansen voor werkgevers om jongeren op echte banen in de 80/90/100 variant aan te nemen. Dit soort oplossingen slaan ook een brug tussen generaties, die nu als concurrent tegen over elkaar op de arbeidsmarkt staan.

 

  1. Verhoog de AOW en maak het een tot een echt basispensioen

 

De AOW wordt zoals hiervoor al aangegeven via een omslagstelsel gefinancierd: de huidige werkenden betalen premie voor de huidige uitkeringsgerechtigden. Dat is anders dan bij de aanvullende pensioenen, waar werknemers zelf kapitaal opbouwen voor het eigen toekomstige pensioen (waarbij de risico’s gedeeld worden). Dat laatste heet een kapitaalstelsel. Omslagstelsels en kapitaalstelsels hebben ieder hu eigen risico’s en voordelen, dus een mix geeft de meeste pensioenzekerheid.

In de huidige situatie, waarin juist de aanvullende pensioenen onder druk staan, is het verstandig het aandeel van het omslagstelsel te versterken. Aanvullende pensioenen kunnen dan eerder geïndexeerd worden, want de toekomstige verplichtingen van pensioenfondsen zullen dalen. Verhoging van de AOW geeft ook de mensen die geen of maar een klein aanvullend pensioen hebben meer inkomen. Zeker in combinatie met huidige hoge individuele zorg- en huurkosten hebben juist deze ouderen vaak een zeer laag besteedbaar inkomen.

Nu kent de AOW ook nog opbouweisen. Als je immigrant bent, heb je nu een AOW-hiaat – voor elk jaar dat je na je 15e levensjaar niet in Nederland hebt gewoond, krijg je twee procent AOW minder. Mis je één jaar in de opbouw, dan is het hiaat te overzien: je wordt ‘slechts’ twee procent gekort. Maar als je 15 jaren mist, is de korting (15 jaren x 2% =) dertig procent. Je krijgt dan maar zeventig procent AOW. Als je inkomen onder het sociaal minimum (1059,70 per maand voor een alleenstaande; 1449,17 euro bij samenwonenden) uitkomt, dan kom je in aanmerking voor aanvullende inkomensondersteuning (AIO), die de AOW tot aan dat minimum aanvult. Dat is een speciale regeling voor AOW-gerechtigden, uitgevoerd door de SVB, die ook de AOW uitvoert. Bij deze AIO gelden niet de eisen uit de bijstand, zodat je daarvoor niet eerst je vermogen (eigen woning) hoeft aan te spreken en je mag ook langer in het buitenland verblijven. Niettemin krijgen mensen minder dan andere pensioengerechtigden. We zien deze korting ook regelmatig bij emigranten, die een tijd in het buitenland hebben gewerkt en weer terug gekomen zijn naar Nederland. Zij hebben zich deze korting vaak niet gerealiseerd.

 De AOW moet met zo’n 10% worden verhoogd. De opbouweisen vervallen daarbij. Tegelijkertijd laten we de AOW-premie vervallen. De AOW moet geheel uit de algemene middelen worden gefinancierd. Nu drukt die eenzijdig op de kosten van werk, hetgeen werk duur maakt en mensen en bedrijven met vermogen en winst niet laat meebetalen. Daarmee kan ook voldoende geld worden opgehaald waar het zit, om zowel een verhoging van de AOW, het afschaffen van de opbouweisen als een eerlijke, tijdige pensioenleeftijd worden gefinancierd.

 

  1. Niet minder, maar meer pensioenzekerheid en collectiviteit

 

Het vertrouwen dat mensen hebben in een goed (toekomstig) pensioen kreeg de afgelopen jaren harde opdonders. En dan kan een vicieuze cirkel ontstaan: als het collectieve systeem blijkbaar zo onzeker is, spaart iedereen die het kan betalen liever z’n eigen kostje bij elkaar – en wie dat niet kan betalen is de klos. Verzekeraars hebben overigens belang bij de onzekerheid over het collectieve pensioen, zij willen graag meer individuele pensioenen of levensverzekeringen afsluiten en onzekerheid helpt daarbij.

De redenering van Rutte III en de werkgevers is dat garanties over de hoogte van het aanvullend pensioen moeten worden ingetrokken. Met onzekere beleggingsopbrengsten is het nu eenmaal lastig om een uitkering te garanderen die soms pas over veertig jaar ingaat. Het heeft de schoonheid van de eenvoud: gewoon geen beloften meer doen. Dan ben je ook van die verdomde rekenrente en dekkingsgraadberekeningen af. Werkgevers hebben belang bij het loslaten van de belofte: zij willen graag de loonkosten verlagen. Maar een beter of zekerder toekomstig pensioen levert het afschaffen van beloften natuurlijk niet op, integendeel.

Als de belofte van een waardevast pensioen wegvalt, ontstaat al gauw een domino-effect. Want als de uitkering niet vaststaat, zullen mensen op een andere manier willen controleren of ze krijgen wat hun, gezien de betaalde premies, toekomt. Een eigen pensioenpotje dus, waarbij individuele keuzes meer bepalend worden voor het beleggingsresultaat – dan kan je alleen jezelf wat verwijten. En dan gaan de vele vormen van solidariteit die er in het huidige pensioenstelsel zitten al gauw schuiven: willen mensen die goed geboerd hebben tijdens winstgevende beleggingsjaren hun pot dan nog delen met mensen die hun potje vooral opbouwden in slechtere beleggingstijden? Of met mensen die pech hebben door inflatie of deflatie? En als je toch een ‘individueel potje’ hebt, hoe logisch is het dan nog dat je via je werkgever vastzit aan één bepaald pensioenfonds? Maar als dat wordt losgelaten, hoe hou je dan risico­selectie door pensioenfondsen en door premiebetalers buiten de deur?

Hierboven is echter al aangetoond dat de houdbaarheid van ons aanvullend pensioensysteem helemaal geen probleem hoeft te zijn – als je de beleggingsrisico’s van pensioenfondsen maar goed beperkt. Bovendien kan de overheid met een zeer gewenste verhoging van de AOW als basispensioen de houdbaarheid van aanvullende pensioenen verder verhogen. Als alle werkenden gaan deelnemen komen er ook weer meer premies binnen, waardoor er ook weer meer risicodeling mogelijk is.

Individualisering van aanvullende pensioenen geeft bovendien grote risico’s. In landen waar mensen zelf mogen kiezen zijn de kosten hoger, maar de beleggingsresultaten lager. Fondsen waren er veel extra geld kwijt aan klantenwerving, of er ontstond een soort oligopolie met weinig marktwerking. De ervaringen met de keuzes uit zorgverzekeringen zijn duidelijk: het aantal overstappers is zeer gering, de transparantie over de gevolgen van een keus dramatisch slecht, de markt is feitelijk verdeeld. Bij pensioenen speelt extra dat mensen op korte termijn denken, terwijl pensioenen beslissingen vereisen over 40 jaar.

Het CPB stelde in juli 2016 terecht dat het voor een individu bijna onmogelijk is pensioenen te vergelijken. Als de individualisering doorzet dan moeten werkenden straks door een oerwoud gegidst worden van franchises, rekenrentes, langlevenrisico’s en pensioenholidays. Een heel leger aan pensioenadviseurs en pensioenverzekeraars zullen er een goed belegde boterham aan verdienen, maar de meeste werkenden zullen massale verarming en ongelijkheid op hoge leeftijd tegemoet gaan. Men wordt dan teruggeworpen op de AOW, en zolang die nog opbouweisen en kortingen kent, zullen de slachtoffers daarvan aangewezen zijn op aanvullende uitkeringen.

Financieel analfabetisme is van alle tijden. Twee-derde van de wereldbevolking lijdt eraan, concludeerde de Wereldbank in 2015. Niettemin moet volgens de heersende opinie in en rond het Binnenhof nu ook de aanvullende pensioenen, geïndividualiseerd en gecommercialiseerd worden. De burger moet zelf keuzes kunnen maken. Het is net of mensen die in het Amsterdamse Bos al verdwalen in het Amazone-oerwoud worden gedropt.

Zowel de WRR (Weten is nog geen doen) als de Nationale Ombudsman (In het krijt bij de overheid) waarschuwen dat overschatting van de zelfredzaamheid van de burger nu al heeft geleid tot grote financiële problemen, ook bij werkenden. De WRR stelt terecht dat eigen verantwoordelijkheid en ‘zelf kiezen’ als gietijzeren maatstaf voor beleid tekortschieten. De WRR beveelt aan om het aantal keuzes te verminderen en dus beslist niet te vergroten. Te vrezen valt dat de WRR tot nu toe bij het pensioendossier nog niet erg gehoord wordt.

Individualisering van aanvullende pensioenen zonder belofte van een waardevast pensioen zal de ongelijkheid nog verder toenemen. Een groot deel van de mensen zal kiezen voor nu meer bestedingsvrijheid met een lager pensioen na hun 70e. Of ze stellen de premiebetaling uit om een mooier huis of duurdere auto te kopen. Verleidingen genoeg. De gevolgen van deze keuzes komen straks geheel voor eigen rekening, verkeerde beleggingskeuzes is dikke pech, eigen schuld – zelfredzaamheid, weet u nog? Ook tussen generaties zal er sprake zijn van een wisselend beleggingssucces. Het nieuwe systeem zal leiden tot nog meer scheve ogen en keuzestress, meer bureaucratie en kosten, en ongelijkere pensioenen. Die zullen met het nieuwe systeem ook niet zekerder worden, integendeel.

Uit een doorberekening van het CPB van voorstellen die binnen de SER besproken worden (Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met een collectieve risicodeling) blijkt bovendien dat eigen pensioenpotten bij je pensioenfonds een wig drijven tussen generaties. Uit de CPB-berekeningen bleek dat 40-plussers er op achteruit gingen (tot -10%) en jongeren erop vooruit. De gesprekken in de SER gingen vooral over hoe deze achteruitgang van de ouderen te compenseren.

In plaats van individualisering en het onzekerder maken van aanvullende pensioenen moeten we pensioenen zekerder maken, de collectiviteit versterken (door iedereen die werkt onder het stelsel te brengen), en werkgevers weer aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Zo maken we ons pensioenstelsel zekerder, eerlijker en meer solidair.

 

  1. Conclusies

 

  1. Het pensioencontract moet gericht blijven op een welvaartsvast, geïndexeerd aanvullend pensioen ter hoogte van tenminste 70% van het gemiddeld verdiende inkomen. Er komt geen nieuw contractsysteem, de huidige pensioentoezegging blijft gehandhaafd.
  2. We gaan niet akkoord met afschaffing van de doorsneesystematiek en behouden alle onderdelen van het huidig verplichte collectieve systeem. Er komen geen eigen pensioenpotjes.
  3. Alle werkenden moeten verplicht aanvullend pensioen gaan opbouwen, dus ook ZZP-ers en flexwerkers, ook sectoren en bedrijven waar nu geen aanvullend pensioen is, en ook de hoge inkomens die nu niet meebetalen aan het collectieve systeem. Flexwerkers en uitzendkrachten moeten ook vanaf het eerste uur pensioen opbouwen. De huidige franchises en uitsluitingen worden verboden. Voor sectoren en ondernemers zonder collectief aanvullend pensioen maken we een apart pensioenfonds, dat verplicht premies int en pensioenen uitkeert, en met een pensioenregeling die door de minister van SZW met instemming van het parlement wordt vastgesteld. Hoge inkomens dragen voorts nu niet bij aan collectieve pensioenregelingen, ook al omdat zij vaak buiten de cao vallen. Dit moet wettelijk worden verboden, ook om de stijgende exhibitionistische loonongelijkheid tegen te gaan. De aanvullende pensioenuitkering moet daarbij gemaximeerd worden.
  4. We spreken werkgevers weer aan op hun verantwoordelijkheid om eventuele premieverhogingen mede te financieren en bij tekorten bij te storten. De overheden moeten als werkgever bij hun pensioenfondsen het goede voorbeeld geven.
  5. We bevriezen de pensioenleeftijd op 66 jaar zolang de werkloosheid onder ouderen nog zo hoog is. In ieder geval mag de verhoging naar 67 jaar niet eerder plaatsvinden dan in 2030. Daarnaast willen we de koppeling die nu wettelijk optreedt vanaf 2021 aan de levensverwachting structureel verzachten. Wij willen elk jaar extra gemiddelde levensverwachting vertaalt zich in een half jaar langer kunnen genieten van je AOW (vanaf 2030). Dat betekent dat de pensioenleeftijd maar voor de helft meestijgt met de stijging van de gemiddelde leeftijdsverwachting.
  6. De enorme verschillen in pensioenleeftijd en het aantal jaren dat men pensioenpremie betaald versus het aantal jaren dat je pensioen ontvangt tussen hoge en lage inkomens zijn oneerlijk. Wij willen een collectief gefinancierd en gereguleerde differentiatie van de pensioenleeftijd door deze afhankelijk te maken van het gemiddelde inkomen tussen je 18e en je 60e. Hoe lager dat inkomen, hoe eerder je dan met pensioen gaat. Ook moet het mogelijk worden om bij cao voor zware beroepen een eerdere pensioenleeftijd af te spreken.
  7. We zetten ook in op generatiecontracten met oud naast jong banen, met 80% werken-90% loon-100% pensioenopbouw regeling voor ouderen die dan jongeren kunnen coachen. Vier ouderen is dan één nieuwe baan voor een jongere.
  8. We verhogen de AOW waardoor ook de financiële positie van pensioenfondsen verder verbetert. En we maken van de AOW een echt basispensioen door de opbouweisen te schrappen, de aparte AOW-premie te schrappen en de AOW geheel uit de algemene middelen te financieren. Nu drukt die eenzijdig op de kosten van werk, hetgeen werk duur maakt en mensen en bedrijven met vermogen en winst niet laat meebetalen.

 

 

 

 

 

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail