Zorg Linksom!

  1. We gaan de publieke zorg net als onderwijs uit de belastingopbrengst betalen. Naast het vervallen van de zorgpremies (ZVW, WLZ) vervalt ook het eigen risico in de Zorgverzekeringswet (ZVW) en de eigen bijdragen in de Wet Langdurige Zorg (WLZ) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en voor medicijnen. Het Centraal Administratie Kantoor (CAK), dat nu de eigen bijdragen in de WLZ en WMO int, kan daarmee worden opgeheven. Ook de zorgtoeslag kan hiermee vervallen.
  2. We verhogen de collectieve zorguitgaven met € 10 miljard structureel door:
    • meer en beter betaald personeel (ca. 5 miljard van de 15 miljard extra structurele uitgaven voor de publieke sector gaat naar de zorg),
    • het ophogen van de basiscapaciteit (met o.m. betere bereikbaarheid van spoedeisende zorg, meer intensive care reservecapaciteit) en van de GGD, met invoering van een centrale regie bij rampen en epidemieën,
    • minder snelle extramuralisering (meer tehuizen langer open houden en meer dagbesteding), en
    • het oplossen van kwalitatieve tekorten en realisering van gewenste verbeteringen (zoals nieuwe vormen van zorg in de wijk).
    • De wachtlijsten in de Jeugdzorg, en met name de problemen bij meervoudige, complexe problematiek schreeuwen om een oplossing. In de Jeugdzorg zorgen we daarnaast voor een structurele oplossing van de 18-plus overgangsproblematiek, door het mogelijk te maken deze zorg ook na meerderjarigheid te verlengen.
    • De wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) moeten ook snel weggewerkt worden. Het verkorten van de wachttijd voor mensen met autisme, persoonlijkheidsstoornissen, trauma’s en licht verstandelijke beperkingen krijgt prioriteit. Teneinde de stijging in de doorgeleiding naar gespecialiseerde GGZ tot staan te brengen is moeten we in de geestelijke gezondheidszorg alles richten op de zogeheten ‘vroegsignalering’ en op snelle interventie, het zo snel mogelijk zorgen voor zorg, aangepast werk en wonen voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn.
    • Het basispakket van publiek bekostigde zorg wordt uitgebreid met mond/tandartszorg, fysiotherapie, anticonceptie en effectieve zorgpreventie.
    • Alle gesubsidieerde zorg wordt – binnen bovenstaande kaders – weer een recht, in plaats van een voorziening. Eigen kracht en zelfredzaamheid wordt een recht, geen plicht. Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. We versimpelen de procedures rondom het PGB. De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. meer respijtzorg en zorgverlof.
    • Innovatie wordt bevorderd met een landelijk expertisecentrum, dat goede praktijken breder beschikbaar maakt en geld beschikbaar stelt voor innovatieve experimenten en onderzoek. Er is o.m. meer aandacht en geld nodig voor bestrijding van depressies, voor zeldzame vormen van kanker, voor onderzoek naar en begeleiding van dementerenden, etc.
  3. Ter financiering van de extra uitgaven voor de zorg komt er een pakket aan maatregelen, gericht op het bestrijden van de enorme verspilling, die het huidige zorgstelsel veroorzaakt. In de eerste plaats gaan we samenwerken bevorderen en zelfs verplichten, in plaats van dat zorgaanbieders elkaar concurreren:
    • Dat betekent ook een spreiding van zorgvoorzieningen die minder overlapt en efficiënt is.
    • De keuzevrijheid voor een zorgverlener blijft, maar dat betreft vooral de behandelaar (een andere arts of verpleger bijv.), niet primair de zorgorganisatie.
    • Tweedelijns zorg wordt regionaal aangeboden. En nationale concentratie van dure, zeer gespecialiseerde zorg (incl. ggz en jeugdzorg).
  4. Er komt zo een regionaal afgestemd aanbod van samenwerkende zorgaanbieders:
    • met dure specialisatie in hoogwaardige centra en een breed aanbod van basiszorg (incl. GGZ); waarin cure en care elkaar effectief en efficiënt aanvullen;
    • waarin ingezet wordt door tijdige interventie dure specialistische hulp te voorkomen; en waarin het langer thuis met zorg kunnen wonen (als recht, niet als plicht!) ook adequaat gefaciliteerd wordt.
    • We willen in de wijken komen tot basiszorgcentra met apotheken, huisartsen, spreekuren van specialisten, fysiotherapie, etc., en kleinschalige woonzorgvoorzieningen, met goede thuiszorg en wijkverpleging, en activiteitenbegeleiding.
    • De regelgeving moet aangepast worden om innovatieve initiatieven voor gedeconcentreerde zorg voor chronische aandoeningen door huisartsen met participatie van specialisten mogelijk te maken. Voor een adequate aanpak van chronische aandoeningen hebben we een gedeconcentreerde zorgvoorziening nodig die dicht bij de mensen staat en laagdrempelig toegankelijk is. Een aantal specialisten kunnen dan bijvoorbeeld op invitatie van de huisarts een dagdeel in de week tegelijkertijd aanwezig zijn om ingewikkelde patiënten multidisciplinair te zien.
    • Er moet voorts veel meer gebruik gemaakt worden van het vergunningenstelsel volgens de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) om tot een intelligente planning van dure voorzieningen voor complexe medische zorg binnen regio’s te komen.
    • Een groot probleem is nu ook de ICT-versnippering, waardoor artsen, apothekers en verpleegkundigen te vaak niet van elkaar weten wat ze doen. Hiertoe worden in de subsidievoorwaarden regels gesteld die voldoen aan de hoogste privacy-eisen, en er wordt onder strakke aansturing en voorwaarden innovatiegeld ter beschikking gesteld, die op termijn ook weer geld bespaart.
  5. Marktwerking frustreert samenwerking niet alleen omdat zorgverleners elkaars concurrenten zijn, maar ook omdat in een ‘markt’ samenwerking al gauw beschouwd wordt als kartelvorming – en dat is nu verboden. We schrappen de marktwerking in de zorg en maken daarmee de Autoriteit Consument en Markt (ACM) niet bevoegd in het stelsel van publiek bekostigde zorg.
  6. In de tweede plaats zorgen we voor een ander bekostigingssysteem waarbij het aantal verrichtingen veel minder een rol speelt en alleen medisch nuttige ingrepen en behandelingen worden vergoed. Volgens Gert Westert, hoogleraar kwaliteit van zorg aan het Radboud Universitair Medisch Centrum, kan er in ziekenhuizen zeker twintig procent worden bespaard als artsen anders worden betaald én elkaar veel meer aanspreken op hun manier van werken. Hij gaat er vanuit dat in de cure zo’n dertig procent van de zorg niet of nauwelijks te maken heeft met het medische nut ervan maar slechts voortkomt uit het aanbod. De Inspectie voor de Gezondheidszorg krijgt tot taak ook de effectiviteit van de zorgverlening te beoordelen. Deze kwaliteitsoordelen worden publiek gemaakt. Daarbij wordt o.m. gekeken naar het percentage hersteloperaties – de inspectie kan zorgaanbieders daarop aanspreken.
  7. Iedereen in de publiek bekostigde zorg komt in de derde plaats in loondienst, er mogen geen winstuitkeringen meer worden verstrekt. Specialisten komen verplicht in loondienst, bij huisartsen schaffen we de goodwill af. Huisartsen, apothekers, tandartsen, paramedici, ambulancediensten en andere zorgaanbieders die nu als ondernemer werken moeten ook in loondienst komen bij hun eigen onderneming, tegen een soort ‘gebruikelijk loon’, zonder aparte private vermogensopbouw. Activiteiten die zij verrichten in niet-publieke zorg, bijv. gefinancierd door zorgverzekeraars en/of patiënten zelf, moeten in een financieel gescheiden entiteit plaatsvinden.
  8. De toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg krijgt in de vierde plaats een brede, maar strakkere poortwachter bij huisartsen (die daartoe lagere patiëntennormen en meer assistenten in hun bekostiging krijgen) en wijkverpleegkundigen. Indicaties vinden alleen plaats op basis van tenminste een persoonlijk gesprek met de patiënt door de huisarts of de wijkverpleegkundige. Diagnostisch onderzoek wordt gesubsidieerd. Spoedeisende hulp is alleen beschikbaar als het ook spoedeisend is.
  9. In de vijfde plaats: Hulpmiddelen kopen we zoveel mogelijk centraal in op indicatie van huisarts of (wijk)verpleegkundige. Er wordt daarbij ook gewerkt met centrale uitleenmagazijnen. Brillen en gehoorapparaten worden verstrekt door erkende opticiens en audiciens binnen bepaalde vergoedingsregels.
  10. De dure medicijnprijzen worden in de zesde plaats met een pakket van maatregelen substantieel verlaagd. we beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie. We volgen de voorstellen uit de initiatiefnota van GL, PvdA en SP hierover van eind 2017. Allereerst wordt daarin het volgende voorgesteld om onderzoek en ontwikkeling van medicijnen van het in de handel brengen daarvan te ontkoppelen:
    • Met de instelling van een onafhankelijk (niet aan de farmaceutische industrie gelieerd) Nationaal Fonds Geneesmiddelenonderzoek. In overleg met patiëntenorganisaties kan daarmee door overheid en wetenschap prioriteiten bepalen voor geneesmiddelenonderzoek;
    • Bij het overdragen van licenties moeten door de overheid voorwaarden worden gesteld aan de fabrikant die de toegankelijkheid – ook in prijs – garanderen;
    • Versterking van innovatieve modellen voor ontwikkeling van medicijnen, met een eerlijke prijs en rendement, zoals Fair Medicine;
    • De overheid moet daarnaast investeren in ontwikkelingstrajecten van medicijnen voor specifieke groepen patiënten, met afspraken over prijzen en over de beschikbaarheid van verkregen data;
    • De Autoriteit Consument en Markt moet meer bevoegdheden krijgen om misbruik van macht door de farmaceutische industrie aan te pakken, bijv. bij excessief hoge prijzen en rendementen. En die mogelijkheden ook beter gebruiken;
    • Agressieve en excessieve marketingtactieken van de farmaceutische industrie moet aan banden worden gelegd. Belangenverstrengeling tussen artsen, zorginstellingen, patiëntenorganisaties en fabrikanten wordt streng verboden en gehandhaafd. Niet met zelfregulering, zoals nu, maar door de overheid. Er moet geïnvesteerd worden in onafhankelijke patiëntenvoorlichting. Er komt een verbod op commerciële sponsering van patiëntenorganisaties – in plaats van deze sponsoring organiseert de overheid adequate subsidiëring. Artsen mogen alleen andere dan generieke medicijnen voorschrijven, indien zij dat – in verantwoording naar het zorgkantoor – medisch kunnen verantwoorden;
    • In plaats van het huidige transparantieregister over betalingen tussen de farmaceutische industrie, artsen en apothekers, dat nu door henzelf beheerd wordt, komt er een publiek beheerd register, dat voor iedere zorgverlener en iedere geneesmiddelenfabrikant verplicht wordt, goed gecontroleerd wordt en waarbij sancties volgen aan het onjuist invullen ervan;
    • We gaan de octrooiwetgeving aanpassen – deze beschermen nu teveel de winsten van fabrikanten op al ontwikkelde medicijnen, in plaats van dat ze de ontwikkeling van nieuwe medicijnen stimuleren. Patenten moeten voor een veel korte periode dan de huidige 20 jaar gelden, niet verlengd moeten worden bij slechts marginale wijzigingen, en aan strengere voorwaarden moeten voldoen. Hier zetten we ons internationaal voor in;
    • Op korte termijn kunnen en moeten we wel dwanglicenties inzetten. Door een dwanglicentie kan de overheid (of iemand die door overheid is aangewezen) gebruik maken van een octrooi voordat dit is afgelopen, zonder toestemming van de octrooihouder. Daarmee wordt het monopolie doorbroken en kunnen generieke middelen eerder toegang krijgen. Dit generieke middel dat via een dwanglicentie verkregen wordt, kan afkomstig zijn uit een ander land of in Nederland geproduceerd worden. En de octrooihouder ontvangt een redelijke vergoeding, volgens internationale richtlijnen. Dwanglicenties toepassen kan ook de prijsonderhandeling onder druk zetten omdat de positie van de overheid wordt versterkt.
  11. Fabrikanten van medicijnen besteden voorts het overgrote deel van hun onderzoeksbudget aan de doorontwikkeling van bestaande geneesmiddelen. Er wordt ingezet op de grootst mogelijk winst, in plaats van therapeutische meerwaarde. Verschillende toelatingsmaatregelen kunnen ervoor zorgen dat we dat weer omdraaien:
    • Er moeten meer voorwaarden gesteld worden aan medicijnen die worden toegelaten tot de markt. Data moeten beter worden geregistreerd en er moet gekeken worden naar de meerwaarde die een nieuw middel heeft ten opzichte van bestaande geneesmiddelen. Wanneer een fabrikant een nieuw middel op de markt brengt wordt dat middel toegelaten op basis van onderzoeksgegevens die de fabrikant zelf aanlevert. Toelating zou verbonden moeten zijn aan striktere voorwaarden voor registratie van data, zowel in de trial fases als daarna. Ook het effect van nieuwe geneesmiddelen moet veel strakker geregistreerd worden. Fabrikanten moeten verplicht worden onderzoek te doen naar biomarkers. Er is op dit moment geen vergoeding voor onderzoek naar diagnostische testen en analyse van patiënten materiaal. De ontwikkeling van voorspellende testen moet gestimuleerd worden. Vergoeding van deze testen is via reguliere bekostiging op dit moment lastig. Er moet een experimenteerartikel komen voor gepersonaliseerde medicijnen;
    • Door eigen bereidingen van apothekers wettelijk goed te regelen, ontstaat er een alternatief voor te dure geneesmiddelen;
    • Prijsonderhandelingen en de voorwaarden van vergoeding door de overheid van medicijnen moeten altijd – anders dan nu – openbaar zijn.
  12. De extreem hoge prijs van sommige geneesmiddelen zet de beschikbaarheid van geneesmiddelen onder druk. De prijzen moeten gewoon omlaag. Door wetten te veranderen en beter samen te werken kan dat ook. Er zijn verschillende mogelijkheden om dat voor elkaar krijgen:
    • De huidige manier waarop maximumprijzen voor geneesmiddelen worden vastgesteld is niet representatief. Door in Nederland het ‘Noorse model’ te hanteren, waarbij de maximumprijs gebaseerd wordt op het gemiddelde van de drie laagste prijzen van de tien landen waar mee vergeleken wordt, zal de maximumprijs lager uitvallen. Hierdoor kunnen de maximumprijzen van geneesmiddelen met honderden miljoenen naar beneden;
    • De vergoedingslimieten van het Geneesmiddelen Vergoedingen Systeem (GVS) zijn sinds 1998 niet meer opnieuw berekend. Omdat er nu veel meer generieke middelen met een aanzienlijk lagere prijs dan het origineel, beschikbaar zijn, kan een nieuwe berekening tot een flinke besparing leiden;
    • Als geneesmiddelen voor nieuwe, maar niet geregistreerde indicaties worden gebruikt zou een lagere prijs moeten gelden en of een beperking van de duur van het octrooi;
    • Door prijsonderhandelingen met een geheime uitkomst, die de minister voert met de industrie, is niet transparant hoeveel wordt betaald voor een geneesmiddel. Er kan tot lagere prijzen gekomen worden door andere aanbieders toe te laten en door meer informatie met elkaar te delen;
    • Samen sta je sterker. Dus als ziekenhuizen en landen meer mogelijkheden hebben om samen te werken, kunnen zij een beter blok vormen tegen de farmaceuten. Gezamenlijke inkoop, een grotere inkoopmacht, zorgt voor eerlijkere prijzen;
    • We hevelen dure geneesmiddelen over naar het ziekenhuisbudget. In het ziekenhuis is sprake van meer mogelijkheden voor monitoring van effecten van deze middelen en een doelmatigere inkoop omdat ziekenhuizen lagere prijzen kunnen bedingen. Daarnaast is een belangrijk voordeel van de overheveling van specialistische middelen dat de voorschrijvend specialist niet uitgelokt wordt om zijn voorschrijfbeleid te laten bepalen door een keuze voor middelen die niet onder het ziekenhuisbudget vallen, in plaats van het meest optimale middel te kiezen;
    • Ziekenhuizen moeten vergoeding van medicijnen ontvangen op basis van netto inkoopprijs en niet op basis van lijstprijs. Op dit moment kunnen ziekenhuizen winst maken op inkoop van dure geneesmiddelen. Sinds 2012 is er een wijziging van de beleidsregel dure geneesmiddelen, opgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Vanaf dat moment worden geneesmiddelen niet meer vergoed op basis van de netto inkoopprijs, maar op basis van de lijstprijs. Korting blijft dus onzichtbaar. Daarnaast vormt deze mogelijkheid een prikkel voor ziekenhuizen om dure middelen te kiezen, waarop immers winst gemaakt kan worden. Als zorgverzekeraars op basis van nacalculatie toch gaan vergoeden betekent dat een overschrijding van het budget of verdringing van andere zorg binnen het ziekenhuis. Zorgverzekeraars hebben niets gedaan aan doelmatigheid, zij hadden kunnen weten dat een aantal behandelingen onnodig zijn maar hebben gewoon betaald. Zelfs als een richtlijn van de beroepsgroep een bepaalde behandeling onzin vindt, wordt deze toch uitgevoerd én vergoed. De NZa ziet niet toe op doelmatige inkoop door zorgverzekeraar. Er zouden regionale (onafhankelijke) beoordelingscommissies moeten komen die bindend advies geven;
  13. Voorts moeten we het overmatig gebruik van medicijnen beperken:
    • We gaan artsen beter voorlichten. Artsen doen hun best, maar schrijven soms toch een duurder medicijn voor, terwijl er goedkopere varianten beschikbaar zijn met dezelfde werking.. Betere voorlichting, leidt tot beter voorschrijven.
    • Het voorschrijven van een medicijn is maatwerk. Soms kunnen doses naar beneden, of kan een patiënt zelfs helemaal stoppen met het nemen van een medicijn, terwijl de fabrikant de arts dwingt om toch hogere doses voor te blijven schrijven. Onafhankelijk onderzoek naar de effectiviteit en veiligheid van kortdurender gebruik van geneesmiddelen is nodig.
  14. Belangrijk is ook, in de zevende plaats, dat we gaan bezuinigen op de zorgbureaucratie. Medisch specialisten zijn 38% van hun werktijd kwijt aan administratieve handelingen en aiossen zelfs 46%. En het merendeel van die handelingen ervaren ze als onzinnig, aldus een enquête onder ruim 3000 specialisten en aiossen. De denktank Ontregel de Zorg berekende op een ‘schrapdag’ dat wijkverpleegkundigen zelfs bijna 50% van hun tijd kwijt zijn aan administratie. Eerder bleek uit een enquête van de FNV Zorg en Welzijn onder 13.000 zorgmedewerkers dat ze gemiddeld 40% van hun tijd kwijt zijn aan administratie. Hier is veel geld te besparen: 1 uur per week minder besteden aan administratie door verpleegkundigen levert per jaar al 114 miljoen euro op. We gaan de administratie beperken tot maximaal 20% van de tijd, voor alle ruim 1 miljoen zorgmedewerkers. De bureaucratische verantwoording wordt tot een minimum beperkt. Geen uitgebreide DBC’s en productcodes meer en geen minutenregistraties. Minimale protocollen en richtlijnen. Geen uitsplitsing van bevoegdheden van verplegers in de regelgeving. Institutioneel wantrouwen naar professionals in de zorg wordt vervangen door vertrouwen en hen een medeverantwoordelijkheid te geven in een efficiënt en doelmatig beheer. In de thuiszorg gaan we weer terug van taakgerichte zorg naar persoonsgerichte zorg in zelfsturende teams, zonder minutenzorg en afvinklijstjes, maar met meer tijd en aandacht voor een persoonlijke relatie met de cliënt. Resultaatsbekostiging (‘schoon huis’) wordt weer vervangen door indicatie van het benodigde aantal uren.
  15. Maar wat echt vermindering van verspilling in de zorgkosten zal brengen in de administratie is, in de achtste plaats, dat we de zorg niet meer via verzekeraars en gemeenten laten bekostigen. Alle publiek bekostigde zorg gaat via één wet bekostigd worden met regionale zorgkantoren en regionale zorgvisies binnen één landelijk zorgkader (ZVW, WLZ, WMO en Wet Jeugdzorg gaan hierin op). Zorg wordt niet meer ingekocht of aanbesteed, maar bekostigd in duurzame subsidierelaties (vergelijkbaar met het onderwijs, maar dan regionaal georganiseerd). Gemeenten en zorgverzekeraars spelen geen rol meer in de financiering en indicatie van de publiek bekostigde zorg. Door gemeenten niet meer te belasten met de zorg en met de bijstand, worden de gemeentelijke financiën en lasten ook veel beter beheersbaar en betaalbaar, en kunnen zij zich concentreren op hun andere taken (uitdagingen genoeg: schuldhulp, welzijn, betaalbaar wonen, verduurzaming, etc.). Zorgverzekeraars moeten zich beperken tot wat resteert voor aanvullende zorgverzekeringen. De transitie vindt op gelijke wijze plaats als bij de opheffing van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties (PBO’s). Er is dus nadrukkelijk geen nationalisatie en dus ook geen schadeloosstelling aan de orde. Dit wordt, eventueel stapsgewijs, ingevoerd per 2025.
  16. Last but not least bij het verlagen van zorgkosten: We investeren veel meer in preventie. Dat verlaagt op termijn de zorgkosten. Dit gaan we doen:
    • We verhogen btw en accijnzen voor ongezonde producten en verlagen die op gezonde producten.
    • We verbieden ongezonde producten op scholen (incl. de schoolterreinen), sportvelden en -clubs (inclusief kantines) en zorginstellingen.
    • Roken wordt ook op terrassen en in de openbare ruimte verboden, en aparte rookkamers worden verboden.
    • Bewezen effectieve programma’s tegen verslavingen en voor een gezonde leefstijl worden ondergebracht in de publiek bekostigde zorg.
    • We stimuleren sporten, met meer sport, spel en beweging op school, en geven iedere jongere een gratis lidmaatschap van een sportclub.
    • We nemen wettelijke maatregelen voor een veel lager percentage van vet, suiker en zout in producten, in plaats van het veel te slappe akkoord dat daarover nu is afgesproken.
    • Kinderen die niet gevaccineerd zijn volgens het rijksvaccinatieprogramma worden niet toegelaten tot scholen en de kinderopvang.
    • We investeren meer in onderzoek naar preventie en genezing van ernstige ziekten en compenseren daarbij meer dan volledig het vervallen van fiscale subsidiëring van giften daarvoor.
    • De kost gaat hier voor de baat uit. Financiering geschiedt via het Brede Welvaartsfonds.

Gerard Bosman, januari 2021

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *