Een Plan voor de Arbeid 2021

  1. We gaan sturen op volledige werkgelegenheid voor iedereen die betaald werk wil en kan, met goed en eerlijk werk – met een goede rechtspositie en beloning. We stappen af van het onterechte idee van een evenwichtswerkloosheid. Onvrijwillige werkloosheid leidt tot hoge, vermijdbare maatschappelijke kosten en persoonlijk drama. In tijden van crises scheppen we anticyclisch extra publiek werk en breiden we de scholingsinspanningen en de inkomensbescherming uit. Publieke banen als schokdempers om de bestedingen op peil te houden en de kosten van werkloosheid te vermijden. Het helpt ook tegen te grote inflatie of deflatie. Dit financieren we met solidariteitsheffingen waar nog wel veel geld verdiend wordt en met neokeynesiaans begrotingsbeleid dat tijdelijk extra begrotings- en financieringstekorten toestaat (tot 100% bnp) – hetgeen nu ook minder risicovol is dankzij structureel lagere rentes door de vergrijzing/ontgroening. Daarmee voorkomen we grote maatschappelijke kosten van crises en verkorten we de herstelperiodes. Betaalde arbeidskrachten zullen hierdoor en door de vergrijzing/ontgroening een schaarser goed worden, hetgeen een opwaartse druk geeft op de lonen en daarmee van de binnenlandse bestedingen – hetgeen ook weer werkgelegenheid bevordert. We sturen naar duurzame bestedingen, opdat de groei zich niet vertaald in negatieve milieueffecten. Alleen groei die zich binnen milieugrenzen (klimaat, circulaire economie, biodiversiteit/dierenwelzijn, gezondheid) en sociale grenzen (armoede/private schulden, ongelijkheid, werkloosheid, dakloosheid, gezonde levensverwachting, gelijke kansen) begeeft draagt bij aan onze brede welvaart.
  2. We investeren structureel 15 miljard extra per jaar aan 300.000 extra banen en aan beter betaalde banen in de publieke sector, bovenop de effecten van het hoger WML. Door verlaging van werkdruk gepaard gaande met meer autonomie en minder bureaucratie voor professionals, en de verbetering van de lonen worden de huidige kwantitatieve en kwalitatieve tekorten weggenomen en de onvrijwillige werkloosheid enorm verlaagd. Een deel van deze investeringen vloeien terug door hogere belastingopbrengsten en minder uitkeringen. Ongeveer een derde gaat naar het onderwijs/kinderopvang, een derde naar de zorg en een derde naar de rest van de collectieve sector (politie/justitie, defensie, welzijn, uitvoeringsorganisaties, openbaar vervoer, overheden, etc.). Veel van deze banen bleken in de covid-19 crisis vitale beroepen te zijn. De overheid publiceerde zelfs een lijst – het wordt tijd om dat ook te erkennen door minder werkdruk en een betere beloning en rechtspositie te realiseren. Bij de rijksoverheid organiseren we meer inhoudelijke deskundigheid en ervaring, zonder dat dit ten koste gaat van de onafhankelijkheid. Er komt meer aandacht en waarborgen voor uitvoerbaarheid en evaluatie van beleid.
  3. Van deze 300.000 extra banen worden tenminste een vijfde deel gereserveerd voor lager en middelbaar opgeleiden, zoals wijk- en schoolconciërges, bewakers van fietsstallingen, speeltuinmedewerkers, conducteurs, personeel voor stationsloketten en treincatering in het openbaar vervoer, beveiligers, schoonmakers, hoveniers, catering- en kantinepersoneel, loketmedewerkers, etc. Hierbij gelden de volgende bijzonderheden:
    • Een deel van deze extra banen wordt gecreëerd door baansplitsing, voor laag- en middelbaar geschoolde ondersteuning van hoger geschoolde professionals (bijv. assistenten in zorg en onderwijs/kinderopvang).
    • Bij de bedrijfsvoering in de publieke sector gaat maatschappelijk nuttige werkgelegenheid als doel voor aan het doel van efficiënte bedrijfsvoering en dat wordt in de bekostiging mogelijk gemaakt en beloond.
    • Alle privatiseringen en verzelfstandigingen van de laatste 25 jaar, die tot verlies van werk hebben geleid of waarbij verslechteringen van arbeidsvoorwaarden hebben plaats gevonden, worden opnieuw op hun nut en noodzaak onderzocht. Bij de toekomst van dit soort sectoren moeten de banen en goede arbeidsvoorwaarden, samen met de kwaliteit voor de cliënten centraal worden gesteld door daar de regels op toe te spitsen. Plannen als van de NS nu om tot meer stations zonder werknemers te komen, treincatering af te schaffen of zelfrijdende treinen gaan we blokkeren.
  4. We voeren de financiële dienstencheque in naar Belgisch model. Concreet: particulieren kunnen tegen het (verhoogde) WML per uur met een subsidie van 20% voor maximaal het wettelijk minimumloon maal twaalf per kalenderjaar dienstencheques afnemen, voor het inhuren van mensen voor huishoudelijk werk (schoonmaken, wassen, strijken, boodschappen doen, klein verstelwerk, bereiden van maaltijden, hulp bij verplaatsingen e.d.). Deze bedragen worden verhoogd met de premie voor een verplichte pensioenopbouw. Doel is werkgelegenheid te creëren voor laaggeschoolden en het terugdringen van zwartwerk.
  5. We vervangen het Groeifonds van Rutte III door een Nationaal Breedwelvaartsfonds van 60 miljard euro:
    • Doel is niet primair economische groei (dat is slechts een middel), maar brede welvaartsbevordering. Een bijdrage leveren aan economische groei is geen voorwaarde.
    • Groeibevordering die alleen privaat neerslaat wordt uitgesloten.
    • Prioriteit ligt bij investeringen in de kennis- en innovatiestructuur, de duurzaamheidstransities (klimaat/energie; biodiversiteit; circulaire economie; gezond en veilig milieu), digitalisering/robotisering/kunstmatige intelligentie, oplossen woningnood en leefbaarheid, en vermindering private schulden.
    • Het fonds wordt mede gebruikt voor sectorspecifieke steun voor herstel na de huidige covid-19 crisis, ook voor de cultuursector en met speciale aandacht voor het mkb.
    • Deze en andere overheidsinvesteringen worden steeds gekoppeld aan werkgelegenheidsdoelstellingen voor nieuwe extra, goede banen en aan garanties voor begeleiding en scholing naar vervangend werk waar banen bij transities verloren gaan.
    • Het fonds wordt een wettelijk verankerd begrotingsfonds waarop het budgetrecht van het parlement volledig op van toepassing is.
    • Waar het bedrijfsleven van de investeringen meeprofiteert, is er van die zijde cofinanciering.
  6. We voeren een recht op betaald werk in. Dat recht bestaat in de eerste plaats uit een recht op gratis, goede arbeidsbemiddeling voor iedere werkzoekende en loopbaanbegeleiding voor iedere werkende. Dat vraagt een ander systeem. Het huidige systeem werkt averechts: het ontmoedigt en stigmatiseert, verdringt bestaande arbeid, lost problemen niet op, is niet inclusief, en het resultaat is per saldo contraproductief. Centraal probleem is het ontbreken van eigen regie, met teveel uitgaan van wantrouwen en verplichtingen/verboden/sancties, inzetten van ineffectieve of zelfs contraproductieve instrumenten, nauwelijks scholing en oplossing van werk-belemmerende omstandigheden/complexe problemen, niet gericht zijn op goed, duurzaam en eerlijk werk, onvoldoende financiële middelen en regelruimte, onvoldoende kwaliteit bemiddelaars en ontbrekend netwerk. De contouren van een nieuw stelsel zijn:
    • We verschuiven het paradigma principieel van wantrouwen naar vertrouwen, in de overtuiging dat de meeste mensen graag betaald willen werken. We concentreren de ondersteuning op intrinsiek gemotiveerde werkzoekenden en werkgevers. Beleidsambities zoals ‘sluitende aanpakken’ en ‘iedereen een traject’ laten we daarmee los. Iedereen die wil krijgt een – gratis – traject. Met de zogenoemde ‘niet-willers’ onder werkgevers en werklozen kun je in gesprek gaan om de motivatie te peilen en te bevorderen, maar zonder de disciplinerende context van waaruit dat met het huidige beleid gebeurt. Onbetaalde dwangarbeid, zoals met de huidige tegenprestatie of onbetaalde werkervaringstrajecten, wordt verboden als instrument. Dat voorkomt ook verdringing van betaald werk.
    • Ook impliceert het uitgangspunt van eigen regie een grotere keuzevrijheid voor werklozen ten aanzien van de doelen die zij zich kunnen stellen en de invulling van trajecten waar ze aan deelnemen. Mensen zouden hierbij moeten worden ondersteund door een breed participatiebegrip – ze doen er ook toe als ze geen betaald werk hebben – en zouden professionele en transparante adviezen moeten krijgen in situaties dat zij – of hun werkgevers – onvoldoende zicht op de mogelijkheden hebben die er zijn.
    • Ook voor werkgevers geldt dat het belangrijk is dat zij regie hebben over de manier waarop ze invulling kunnen geven aan werk voor kwetsbare groepen.
    • We ontkoppelen de arbeidsbemiddeling organisatorisch, juridisch en financieel van het verkrijgen van een uitkering. Dit maakt dat de arbeidsbemiddeling, anders dan nu, gericht wordt op goed, eerlijk en duurzaam werk dat aansluit bij de wensen van de werkzoekende en van de werkgever die werknemers zoekt, in plaats van mensen zo snel mogelijk uit de uitkering te krijgen, zoals nu, waarbij hoe groter de problemen zijn om werk te kunnen krijgen, des te minder je geholpen wordt. We willen dat de arbeidsbemiddeling gestuurd wordt op de kwaliteit en effectiviteit van die bemiddeling zelf en de tevredenheid daarover van werkzoekenden en werkgevers.
    • We integreren de huidige arbeidsbemiddeling bij gemeenten en het UWV in één nieuwe organisatie, regionale werkwinkels, één per arbeidsregio. De huidige overgang van dossiers van UWV naar gemeenten blijkt in de praktijk nogal eens zand te strooien in de arbeidsbemiddeling, mede doordat de dienstverlening van het UWV niet aansluit op de gemeentelijke dienstverlening. Het is effectiever en efficiënter de arbeidsbemiddeling te integreren in één organisatie met één aanspreekpunt. Iedereen die (meer, beter, ander) werk zoekt en iedere werkgever die duurzaam werknemers zoekt, kan hier terecht.
    • De te verlenen ondersteuning moet inclusief zijn, dus prioriteit geven aan mensen die wel willen, maar kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt en/of moeilijk zelfstandig betaalde arbeid kunnen verwerven of behouden. Het is gericht op het wegnemen van belemmerende factoren, en daarbij wordt samengewerkt met gemeenten en relevante instellingen. De arbeidsbemiddeling kan loonkostensubsidie, een no-risk polis bij ziekte, subsidie voor aanpassen van de werkplek, een jobcoach, en andere ondersteuning verstrekken indien men dat nuttig acht voor het verkrijgen van goed, duurzaam en eerlijk werk.
    • Scholing behoort nadrukkelijk tot het instrumentarium, daartoe werken de werkwinkels samen met instellingen voor beroeps- en volwassenenonderwijs.
    • De werkwinkels krijgen ook tot taak om gratis loopbaanbegeleiding aan te bieden. Deze hulp moet proactief zijn, gericht op behoud van werk. Onvrijwillige werkloosheid (door beëindiging of verandering van werk, door verandering van persoonlijke omstandigheden of door gezondheidsproblemen) voorkomen is het hoofddoel. Iedere werkende krijgt een periodieke (2-jaarlijkse) loopbaankeuring en gezondheidscheck, gericht op het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid, met eventueel advies voor en ondersteuning bij aanpassingen van werk(plek). Dit laatste kan een bijdrage leveren aan kleinere gezondheidsverschillen en verschillen in levensverwachting tussen laag en hoogopgeleiden, verschillen die nu enorm zijn en schreeuwen om een aanpak. De adviezen zijn niet verplichtend, maar de keuring kan bij cao of bij ontbreken daarvan met instemming van ondernemingsraad c.q. de meerderheid van het personeel, verplicht worden. Scholing is ook hier beschikbaar. Daartoe wordt een nieuw leerrechtensysteem afgesproken (zie hierna).
    • De werkwinkels worden tripartite bestuurd door sociale partners en gemeenten.
    • Het nieuwe stelsel zal langdurige uitval krachtig moeten tegengegaan. Daarvoor is integrale, effectieve, individuele begeleiding en ondersteuning zodat werkenden die met werkloosheid of arbeidsongeschiktheid te maken krijgen of daarmee worden bedreigd, tijdig naar ander, passend werk kunnen overschakelen en uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk weer aan het werk komen. Iedereen die dat wil, krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact is. Re-integratieprogramma’s zinvol moeten zijn, dat wil zeggen dat ze mensen daadwerkelijk voorbereiden op doorstroom naar de arbeidsmarkt. Ze moeten zich dus richten op het vergroten van kennis, vaardigheden en competenties die ook daadwerkelijk op de arbeidsmarkt worden gevraagd. Arbeidsbemiddeling is een professioneel vak, dat vraagt om goed opgeleide professionals, ondersteund door toegepast onderzoek naar wat werkt en wat niet werkt.
    • We investeren structureel 1 miljard euro extra in deze nieuwe arbeidsbemiddeling en loopbaanbegeleiding.
  7. In de tweede plaats impliceert een recht op betaald werk dat er altijd een aanbod is voor vrijwillige, inclusieve publieke basisbanen:
    • Banen die op maat gemaakt worden (voltijds of in deeltijd, werktijden, thuiswerkmogelijkheden) en passen bij de mogelijkheden die werkzoekenden hebben, normaal betaald (tenminste het wettelijk minimumloon en opbouw aanvullend pensioen).
    • Met een vaste aanstelling (dus zonder uit- of doorstroomdoelstelling) en daarbij horende normale rechtspositie.
    • Het bestaande beschut werk gaat hierin op.
    • Er komt een toets om verdringing van reguliere banen door deze basisbanen te voorkomen.
    • Er is bij deze basisbanen geen toegangsselectie en geen uitstroom- of doorstroomdoelstelling, maar er is wel ondersteuning om je verder te ontwikkelen.
    • De werkwinkels zorgen in overleg met alle overheden, publieke instellingen en non-profit verenigingen en stichtingen het aanbod van deze banen. Deze worden door het rijk in een open-eind regeling gefinancierd, waarbij de besparing op de uitkering van mensen die deze banen vervullen wordt ingezet. Dit maakt het aantrekkelijk om je als publieke of non-profit werkgever te melden met basisbanenmogelijkheden en garandeert een aanbod dat ‘bottom-up’ tot stand komt voor maatschappelijk nuttige taken.
    • Resultaat is dat niemand meer onvrijwillig werkloos is of wordt. In de publieke sector moeten we de waarde van werk ook breder bezien dan alleen bedrijfsmatig. Indachtig het motto van de sociale New Yorkse bakkerij Greyston: ‘we don’t hire people to bake brownies, we bake brownies to hire people’. Arbeid als de voornaamste waarde. En de overheid als ‘employer of last resort’. Het geeft zin aan het bestaan en werk voor mensen is goed voor de samenleving als geheel.  De werkgarantie wordt wettelijk vastgelegd.
  8. Werkgevers moet het gemakkelijk en aantrekkelijker gemaakt worden om mensen met een beperking in dienst te nemen en te houden, door een proactieve, faciliterende dienstverlening met zo weinig mogelijk bureaucratie:
    • De bestaande regelingen voor facilitering van werk aan mensen met een arbeidsbeperking (zoals garantiebanen en beschut werk, jobcoach, no-riskpolis bij ziekte, subsidie voor aanpassing van de werkplek en loonkostensubsidie) worden geïntegreerd in één regeling. Nu kennen deze regelingen ieder zijn eigen voorwaarden, indicaties en geldstromen. Dat bemoeilijkt om mensen aan betaald werk te helpen: als je vastlegt wie in aanmerking komt, sluit je altijd mensen uit.
    • Er wordt aan iedere werkwinkel een expertisecentrum voor werken met een beperking gevestigd in samenwerking met de sociale werkvoorziening in de arbeidsregio.
    • De dienstverlening is gericht op individueel maatwerk voor de betrokken werkzoekende of werknemer en de betrokken werkgever, met een ruime regel- en bestedingsvrijheid voor de arbeidsbemiddelende professional, zonder aparte toegangsvoorwaarden voor ieder instrument. De persoon met een arbeidsbeperking en de werkgever hebben steeds maar één contactpersoon, voor alle vragen en ondersteuning.
  9. In tegenstelling tot het kabinetsvoorstel handhaven wij ten aanzien van garantiebanen de afzonderlijke doelstellingen voor de overheid en de publieke sector. Daarbij gaan we de door Rutte III voorgestelde bolus-malusregeling ter vervanging van de quotumheffing per 2022 wel invoeren. Deze regeling voorziet erin dat werkgevers die wel voldoende mensen met een arbeidsbeperking aanstellen tenminste netto niet meer betalen, en als men nog beter presteert een beloning krijgen (ongeveer 5000 euro per gerealiseerde extra baan). Anders dan het huidige voorstel willen we die bonus alleen bij vaste banen van voldoende omvang (tenminste 25,5 uur) verstrekken. Werkgevers die ondermaats presteren gaan meer betalen.
  10. Mensen met een beperking die gaan werken maar minder kunnen werken en/of minder productief zijn, ontvangen het normale functieloon en rechtspositie – de werkgever wordt daarbij met loonkostensubsidie gecompenseerd. De bestaande loondispensatie in de Wajong, waarbij het loon niet wordt aangevuld tot het minimumloon, maar tot de bijstandsnorm, met alle kortingen en normen die daarbij horen en waarbij geen aanvullend pensioen en WW-recht wordt opgebouwd, wordt afgeschaft.
  11. We gaan de keuring voor arbeidsongeschiktheid ten behoeve van een WIA-uitkering onafhankelijker inrichten, nu is de keuringsarts gebonden aan het beleid en belang van het UWV. We brengen deze functie onder bij de werkwinkels. We verhogen de WGA-uitkeringen.
  12. We voeren voorts verplichtende regels en minimumnormen in voor overheden en instellingen in de publieke sector om bij aanbestedingen normen voor realiseren van werk voor mensen met een arbeidsbeperking te eisen en te handhaven (social return on investment).
  13. Voor werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt de instroom bij SW-instellingen (sociale werkvoorziening) weer wordt opengesteld en die er verplicht in iedere arbeidsregio weer moet komen. De bestaande rechtspositieongelijkheid tussen verschillende groepen van SW-werknemers wordt beëindigd door iedereen een goede cao-rechtspositie (tenminste WML, aanvullend pensioen en een vaste aanstelling) te geven. De SW-instellingen krijgen daartoe voldoende Rijkssubsidie. Ze worden omgevormd tot ontwikkelbedrijven, die iedereen met een beperking of te grote afstand tot de arbeidsmarkt ondersteunt en helpt aan passend, betaald werk. Er worden daartoe substantiële extra middelen ter beschikking gesteld. Begeleiding van mensen met een arbeidsbeperking en hun werkgevers vraagt aanvullende, hoge competenties. Daarin wordt fors geïnvesteerd met een extra structureel budget van 250 miljoen euro. Ervaringsdeskundigen worden uitgebreid betrokken.
  14. We gaan een half miljard structureel meer investeren in beroepsonderwijs en in scholing voor werkenden. Het aanbod en de inrichting van het initieel beroepsonderwijs moet beter afgestemd worden op de vraag van werkgevers. Praktijkleren, dat in buitenland succesvol is juist voor lager opgeleide werkenden, is in ons land relatief onderontwikkeld. We gaan het werkend leren en stages extra bevorderen met een aparte studiekostenregeling met loonkostensubsidie en ondersteuning van werkgevers. ROC’s (mbo-instellingen) met veel leerlingen uit achterstandsituaties ontvangen gericht extra overheidsgeld om voortijdig schooluitval te voorkomen. De leerplicht wordt verlengd totdat er een startkwalificatie is behaald, behoudens waar er door een beperking dat niet haalbaar is.
  15. Er vinden nu voorts te weinig gerichte investeringen plaats in met name kennis, kunde en vaardigheden tijdens de loopbaan, en dan met name bij minder hoog opgeleiden. Deze onderinvesteringen leiden tot onderbenutting van het persoonlijk menselijk kapitaal als van de daarvan te verwachten maatschappelijke baten. Het leidt zowel tot arbeidstekorten (er kan geen geschikt personeel gevonden worden) als tot werkloosheid (mensen kwalificeren zich niet voor de beschikbare banen). Ook op het toppunt van onze recente hoogconjunctuur stonden er nog steeds ruim 1 miljoen mensen onvrijwillig langs de kant, terwijl tegelijkertijd het aantal vacatures recordhoogtes bereikte. De middelen voor scholing en ontwikkeling van werkenden nu vooral terecht komen bij diegenen die dat het minst nodig hebben (hoger opgeleid, jonger, vast contract) – werkenden die leren het meest nodig hebben (wat lager opgeleid, wat ouder, veelal met een flexcontract), leren daardoor het minst. Werkenden ervaren nu ook nauwelijks de noodzaak tot scholing en ontwikkeling, of pas wanneer het bij dreigend ontslag vaak al te laat is. En het onderwijsaanbod is ook gebrekkig en voornamelijk gericht op initiële scholing en op relatief langdurige diploma-gevende trajecten. We lullen al een leven lang over levenslang leren, maar het is nog steeds niet gelukt om daar invulling aan te geven. Dat terwijl we zien dat het niet tijdig volgen van bij- en herscholing, of omscholing, wanneer aan bestaand werk een einde dreigt te komen, een belangrijke oorzaak is van onvrijwillige werkloosheid. We gaan daarom eindelijk een wettelijk stelsel van leerrechten invoeren:
    • Iedereen krijgt bij geboorte (en bij immigratie na gelijkstelling aan of verkrijging van Nederlanderschap) een gelijk aantal leerrechten. Bij migratie op latere leeftijd is er correctie op leerrechten, afhankelijk van genoten vooropleiding.
    • Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs) is gratis en kost geen leerrechten. Gebruik van initieel tertiair onderwijs kost leerrechten, waarbij hoe hoger het niveau, het meer leerrechten kost. De leerrechten kunnen voorts gebruikt worden voor bij- en nascholing of voor omscholing.
    • Volgen van scholing wordt in de beloningssystematiek beloond.
    • Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor scholing richting betaald werk.
    • De transitievergoeding kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor leerrechten.
    • Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld.
    • De financiering van de leerrechten geschiedt tripartite door de overheid en een werkgevers- en werknemerspremie.
    • De bestaande sectorale opleidingsfondsen worden geïntegreerd in het nieuwe leerrechtensysteem. Ook de gelden voor duurzame inzetbaarheid uit het pensioenakkoord (800 miljoen euro) moeten hierbij betrokken worden – deze gelden worden (anders dan in het pensioenakkoord) structureel gemaakt.
  16. We dringen de overmatige flexarbeid fors terug:
    • Nulurencontracten worden verboden.
    • De bewijslast of iemand een werknemer is wordt omgedraaid.
    • De ‘ketenregeling’ wordt weer beperkt van drie naar twee jaar (als je langer bij een werkgever in dienst bent, dan moet je in vaste dienst worden genomen), met uitzondering voor seizoensarbeid.
    • We beperken het aantal contractsvormen tot drie: werknemer, uitzendkracht en zelfstandige. Hoe de gezagsrelatie feitelijk is, gaat de contractrelatie bepalen, waarbij geldt dat iemand een werknemer is, tenzij de werkgever/opdrachtgever bewijst dat dit anders ligt. De feitelijk werkgever wordt ook de juridisch werkgever (van belang bij bijv. platformbedrijven).
    • Als platformbedrijven betrokken zijn bij het beheer van de geldstroom voor de betaling van de werkzaamheden moeten zij ook zorgdragen voor de afdracht van (loon)belasting en sociale premies. Ook bij bemiddeling van zelfstandigen moet de bemiddelde partij de fiscale afdrachten gaan verrichten.
  17. We verhogen het wettelijk minimumloon (WML) met telkens 10% per 2022, 2023, 2024 en 2025, met behoud van de koppeling aan het sociaal minimum, waardoor de AOW, bijstand, Wajong, WAO/WIA, en WW meestijgen (voor toeslagen en LIV zie hierna). Daarbij gelden de volgende bijzonderheden:
    • Er wordt een WML per uur ingevoerd conform het initiatiefwetsvoorstel van de PvdA.
    • De minimumleeftijd voor het WML wordt verlaagd van 21 naar 18 jaar.
    • Voor minderjarige werkenden gaan we uit van treden van 20%-punt per leeftijdsjaar van het verhoogde WML.
    • We gaan uit van de doorwerking van deze verhogingen van het WML in de andere lonen conform de verkenning van het CPB hierover van 11-12-2020.
    • Deze verhoging wordt deels gecompenseerd door hogere belastinginkomsten.
  18. Tegelijkertijd met het verhogen van het WML worden de werkgeverslasten verlaagd met een tijdelijke, aflopende loonkostensubsidie voor banen tot tweemaal modaal, ter hoogte van de door CPB berekende extra loonkosten van het hogere WML (zie CPB, Kansrijk arbeidsmarktbeleid, update minimumloonbeleid, april 2020), per jaar met 20% aflopend. De huidige Lage Inkomens Voordeel (LIV) in de werkgeverslasten verdwijnt daarbij. De lastenverlichting wordt alleen verstrekt voor vaste banen (incl. voorlopige aanstelling met uitzicht op vaste dienst).
  19. We voeren een wettelijk minimumtarief in voor zzp-ers van € 30 per uur. Hieruit moet ook de verplichte aanvullende pensioenpremie betaald worden.
  20. We vervangen de huidige bijstandsuitkering krachtens de Participatiewet (incl. IOAW en IOAZ) en de Wajong door een Zekerheidsinkomen, dat voor ieder huishouden het inkomen aanvult tot het (hogere) sociaal minimum, zonder nadere verplichtingen en verboden. Hierbij gelden nog de volgende bijzonderheden:
    • De kostendelersnorm vervalt.
    • Voor een gezamenlijk huishouden worden alleen fiscale partners in aanmerking genomen.
    • Er geldt een vermogensvrijstelling van € 100.000 plus de waarde van de eigen bewoonde woning.
    • Er geldt een giftenvrijstelling van € 100 per maand, en teruggave bij de jaarafrekening van periodiek te betalen kosten (zoals bij energie) en opbrengsten van verkoop van roerende goederen, die niet met dat doel zijn ingekocht, worden vrijgesteld bij een herformulering van wat als inkomen gezien wordt (en leiden dus niet meer tot kortingen).
    • De uitkering wordt juridisch, financieel en organisatorisch ontkoppelt van de arbeidsbemiddeling. Daarmee vervallen o.m. de huidige sollicitatieverplichting, meewerkingsplicht, de tegenprestatie, de taaleis, en de inlichtingenplicht anders dan opgave van inkomen en vermogen (die men online zelf per maand kan wijzigen en achteraf gecontroleerd wordt).
    • De uitkering wordt landelijk verstrekt.
    • Het Zekerheidsinkomen maakt de in het pensioenakkoord overeengekomen invoering van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zzp-ers overbodig.
    • Mensen die duurzaam (tenminste een half jaar) uitstromen naar betaald werk zodat ze geen Zekerheidsinkomen meer ontvangen alsdan een premie van € 2000.
  21. Het Zekerheidsinkomen betekent ook een enorme besparing aan uitvoeringskosten van deze verplichtingen en de controle daarop. We trekken de sanctiewet sociale zekerheid in, schaffen algoritmen als opsporingsmethode af (die werkt in de praktijk discriminerend) en heffen het inlichtingenbureau rechtmatigheidscontrole gemeenten op (ook bij de zorg). Door het opheffen van veel verplichtingen is er ook veel minder te controleren. Wat overblijft aan informatieplichten wordt niet meer gecontroleerd met privacy schendende methoden, en de bewijslast wordt niet meer omgedraaid. Fouten worden onderscheiden van opzettelijke fraude. Sancties worden proportioneel. We gaan het zeer eenvoudig maken om wijziging gegevens door te geven, zowel digitaal als telefonisch of via geldloketten bij iedere gemeente (zie hierna).
  22. De bijzondere bijstand blijft in stand bij gemeenten voor aanvullend maatwerk om armoede en problematische schulden te voorkomen, zonder inkomensgrenzen. De huidige beperkende regels daarbij vervallen. De toekenning geschiedt op basis van een door de gemeenteraad vastgestelde gemeentelijke verordening, waarbij een hardheidsclausule en bezwaar- en beroepsprocedure verplicht zijn. Gemeenten ontvangen van het Rijk een doeluitkering voor de bijzondere bijstand met een progressief stelsel, gebaseerd op de inkomensverdeling in gemeenten. Deze wijziging geschiedt voor het Rijk budgettair neutraal.
  23. We maken de toegang tot de WW makkelijker. Nu moet je 26 weken aaneengesloten gewerkt hebben in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag om voor WW in aanmerking te komen, daar komen veel flexwerkers niet aan. We schrappen de voorwaarde dat het aaneengesloten moet zijn. En we verlengen de WW-duur – de minimumduur van 3 naar 8 maanden (dat geeft meer ruimt om te voorkomen dat mensen in de schulden komen door een te snelle terugval in inkomen) en de maximumduur weer terug van 2 naar 3 jaar (in tijden van crisis moet je de bescherming uitbreiden). Daarnaast voeren we een permanente regeling in voor deeltijd-WW. We voeren premiedifferentiatie in bij de WW waarbij naarmate er meer instroom is een hogere premie verschuldigd is.
  24. We zorgen voor eerlijke beloningsverhoudingen:
    • Met een Wet op maximale beloningsverschillen binnen één bedrijf/organisatie, met een wettelijke norm voor maximale beloningsverschillen en afwijkingsmogelijkheden alleen met instemming van OR/meerderheid personeel.
    • De werkingssfeer van de Wet normering topinkomens wordt uitgebreid naar o.m. woningcorporaties, pensioenfondsen (incl. hun uitvoeringsorganisaties), het Koningshuis, zorgaanbieders en alle instellingen die geheel of grotendeels afhankelijk zijn van overheidsbekostiging, en bestaande vrijstellingen vervallen direct – schijnconstructies zoals nu bij de publieke omroep worden uitgesloten.
    • Voor verbetering beloning in publieke sector zie onder werk.
  25. Er komt een verplichte moderne collectieve vermogensaanwasdeling, waarmee werkenden bij bedrijven meedelen in de vermogensopbouw bij het bedrijf en bij aandeelhouders. Bij voorkeur in vormen waarmee ook zeggenschap verkregen wordt. De hoogte is bij bedrijven die dividend uitkeren tenminste gelijk aan de hoogte van de dividenduitkering.
  26. Er komt meer betaald zorgverlof: 10 dagen kraamverlof en 4 maanden ouderschapsverlof voor beide partners, overeenkomstig het besluit van het Europees Parlement, en wel volledig doorbetaald (met een maximum inkomen van tweemaal modaal) en volgens het Noorse model: iedere partner heeft een individueel recht en als één van die partners zijn of haar verlof niet opneemt vervallen bij die partners vakantiedagen.
  27. We voeren een tijdelijk coronaverlof in, waarmee werknemers recht krijgen op extra betaald verlof als dat nodig is om thuis kinderen op te vangen, en een recht op thuis werken als de aard van de werkzaamheden dat mogelijk maken. De werkgevers worden voor het coronaverlof gecompenseerd.
  28. Eerlijk werk gaat ook over betere rechten van arbeidsmigranten en geen oneerlijke concurrentie over de ruggen van werknemers. Werknemers in de EU moeten zeker zijn van een eerlijk loon, waar ze ook werken en waar zo ook vandaan komen. De handhaving moet worden versterkt, o.m. met een Europese arbeidsinspectie, waartoe recent besloten is. De aanpassing van de Europese detacheringsrichtlijn daarover wordt strikt uitgevoerd en in de EU strijden we voor scherpere richtlijnen, waarbij geen sectoren meer worden uitgezonderd (zoals nu de transportsector), de periode waarin de richtlijn niet van toepassing is, wordt beperkt tot maximaal een maand en ook sociale premies betaald moeten worden in het land waar feitelijk gewerkt wordt. Ook de mogelijkheid voor lidstaten om keten- en brievenbusconstructies niet te verbieden, moet worden geschrapt. Zolang dat nog niet zo is, moeten we dat in ieder geval in ons land wel verbieden.  
  29. We maken een einde aan de misstanden bij de huisvesting van seizoenarbeiders. We voeren direct de adviezen van de Commissie Roemer uit:
    • Alle arbeidsmigranten moeten geregistreerd staan in de Basis Registratie Personen (BRP).
    • Arbeidsmigranten moeten zelfstandige huisvesting hebben.
    • Er komt een verbod op de combinatie van werkgever en huurbaas.
    • Er wordt streng gehandhaafd op hygiëne en gezondheidsregels, ook bij het vervoer.
    • Werkgevers en uitzendbureaus mogen niet meer tussen de zorgverzekeraar en de verzekerde arbeidsmigrant zitten. De zorgpas moet in bezit zijn van de arbeidsmigrant. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst loopt de verzekering nog door zolang de arbeidsmigrant nog in ons land verblijft.
    • Uitzendbureaus krijgen opnieuw weer een vergunningplicht, nu blijkt dat er op grote schaal fraude wordt gepleegd met arbeidsmigranten. Zij moeten vooraf een waarborgsom storten, die vervalt bij ontneming van de vergunning. Bestuurders van uitzendbureaus moeten een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) hebben en aan wettelijke criteria voldoen. Er komen maatregelen tegen turboliquidaties en doorstart van malafide uitzendbureaus.
    • Werknemers komen zoveel mogelijk in vaste dienst.
    • Werkgevers en opdrachtgevers worden aansprakelijk voor goede naleving van alle voorschriften.
    • Er komen zowel landelijke als gemeentelijke informatieloketten voor arbeidsmigranten in hun eigen taal.
  30. We versterken de positie van werknemers in het ontslagrecht. We gaan borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand.

Gerard Bosman, januari 2021

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *