Een eerlijk en goed pensioen

  1. In de AOW vervalt de opbouweis. De Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) vervalt daarmee. De AOW wordt voorts individueel: dat impliceert dat de huidige korting bij samenwonenden (50% in plaats van 70% van het WML) vervalt. Deze AOW-verbeteringen en de verhoging van de AOW-uitkering door de stijging van de WML worden deels gefinancierd door het vervallen van de premievrijstelling voor AOW-ers en de afschaffing van de ouderenkorting. Deze wijzigingen werken in combinatie met andere wijzigingen in de belastingen zo uit, dat iedereen, ook ouderen, tot tenminste anderhalf modaal erop vooruitgaat.
  2. De verhogingen en verbeteringen van de AOW vergroten het aandeel van het omslagstelsel (1e pijler: AOW) en verkleinen het aandeel van het kapitaalstelsel (2e pijler: aanvullend pensioen) in ons pensioenstelstel, waarmee dat stelsel in tijden van structureel lage rentes (o.m. door de vergrijzing/ontgroening) beter toekomstbestendig is, en de aanvullende pensioenen weer geïndexeerd kunnen worden in plaats van gekort.
  3. Alle werkenden in loondienst en zzp-ers gaan verplicht een collectief aanvullend pensioen opbouwen in de 2e pijler, vanaf hun eerste werkdag.
  4. De omkeerregeling (waarbij geen belasting betaalt wordt over de pensioenpremie en het pensioenvermogen, maar wel over de pensioenuitkering) blijft in stand, maar wordt beperkt tot verplichte collectieve pensioenregelingen – 2e pijler; het individuele 3e pijler pensioen valt daardoor buiten dit fiscale voordeel).
  5. We gaan de pensioenpremie bruteren en opnemen in het loon. Dan betaalt de werknemer zelf voor zijn eigen pensioen en heeft dan dus ook zelf de zeggenschap erover. De governance van pensioenfondsen moet daarop worden aangepast: dus geen werkgevers meer in bestuur.
  6. De bevriezing van de AOW-leeftijd wordt verlengd van 2022 naar 2030. Daarna gaan we over naar een systematiek waarbij de AOW-leeftijd meebeweegt met de helft van de verandering van de gemiddelde levensverwachting (in plaats van met een derde van die verandering, zoals het Pensioenakkoord stelt).
  7. Daarenboven gaat de AOW-leeftijd eerder in voor mensen die al tenminste 45 jaar hebben gewerkt in loondienst. voor mensen die een bepaalde, bij cao vast te stellen minimumduur werken in beroepen waar statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en/of kans op eerdere arbeidsongeschiktheid is. De kosten daarvan verhalen we door een lagere franchise in de werkgeverslasten bij deze beroepen – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken. Voor deze groepen, en ook voor iedereen vanaf 65 jaar komt er ook een mogelijkheid om met deeltijdpensioen te gaan, waarbij volledig AOW uitbetaald wordt. Werkgevers mogen het brutoloon aan deze werknemers verminderen met deze AOW-uitkering. .
  8. Het vermogensbeleid van pensioenfondsen moet saaier, degelijker en simpeler. Met het huidige pensioenvermogen en de huidige premies is een rendement van 2,5% boven op de inflatie al genoeg om de toekomstige pensioenen te garanderen, inclusief indexatie, de vergrijzing en hogere leeftijdsverwachting. Een grotere mate van zekerheid is meer waard dan hoge maar onzekere rendementen. Door te beleggen in huurwoningen bijvoorbeeld is een constant rendement van 4-5% mogelijk. Datzelfde geldt voor rendement uit hypotheken: zouden niet banken maar pensioenfondsen de hypotheekleningen verstrekken, dan kwam de hypotheekrente terecht bij (toekomstige) gepensioneerden in plaats van bij de aandeelhouders van banken. Pensioenfondsen moeten breder kijken dan alleen een goed pensioen voor de bij hen aangesloten leden. Het is ook in het belang van de leden van pensioenfondsen dat er geïnvesteerd wordt in meer vaste banen in ons land, in de energietransitie, in meer betaalbare woningen, in goede betaalbare zorg, in onderwijs en innovatie. We moeten daarom het vermogensbeheer van pensioenfonds weer reguleren opdat rendementen aanzienlijk meer zekerder worden en maatschappelijk duurzaam zijn:
  9. Producten met een te hoog risicoprofiel worden uitgesloten en verboden. Zoals hedgefondsen, private equity en derivaten.
  10. Premie in euro’s, dan ook investeren in euro’s. Het kleine beetje extra rendement dat te halen is met investeren in landen buiten de eurozone weegt niet op tegen de risico’s. Geen valutarisico betekent dat je dat risico ook niet hoeft af te dekken. Er zijn voldoende goed renderende investeringen in onze Europese economie. Woningen, hypotheken, bedrijven groot en klein. We maken van onze pensioenfondsen weer gewoon publieke investeerders.
  11. We sluiten een akkoord met de pensioenfondsen waarbij zij zich verplichten tot het oprichten van een gezamenlijke verhuurorganisatie van woningen voor hun gezamenlijke pensioendeelnemers, waarvan zij aandeelhouders worden.
  12. We sluiten voorts een akkoord met de pensioenfondsen opdat zij investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van de hypotheek op hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Dat percentage is hoger naarmate het inkomen lager is. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken.
  13. Binnen de pensioensector wordt de Wet Normering Topinkomens van toepassing op inkomens van bestuurders in besturen en uitvoerende organisaties. Bonussen worden gemaximeerd en onderworpen aan de beperkingen die ook voor banken gelden.
  14. Ieder pensioenfonds kent een Raad van Toezicht, samengesteld op basis van voordracht door het verantwoordingsorgaan. De verantwoordingsorganen krijgen directe zeggenschap over premie, indexatie en de toe te passen projectie rendementen. Het bestaande adviesrecht wordt vervangen door recht van amendement. Er komt directe zeggenschap van verantwoordingsorganen over de wijze van overgang van het oude stelsel naar het nieuwe stelsel door een goedkeuringsrecht. De verantwoordingsorganen bestaan uitsluitend uit direct gekozen vertegenwoordigers van deelnemers (waaronder slapers) en gepensioneerden. De besturen van pensioenfondsen worden samengesteld voor tenminste1/3 door voordracht vanuit verantwoordingsorganen, 1/3 % door voordracht vanuit vakbonden en1/3 door voordracht vanuit de Raad van Toezicht.
  15. Omdat het karakter van pensioenfondsen verandert naar vermogensbeheer gaat het primaire toezicht over van De Nederlandse Bank naar de Autoriteit Financiële Markten.

Gerard Bosman, januari 2021

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *