Toelichting motie werk als recht in plaats van als plicht (Politieke Ledenraad PvdA, 10-10-2020)

De Participatiewet is één grote mislukking gebleken. Uit de Eindevaluatie door het SCP blijkt dat geen enkele doelgroep erop vooruit is gegaan qua werk. Ook de WRR en de Commissie Borstlap laten zien dat de arbeidsbemiddeling op alle fronten faalt. Het Nibud heeft zelfs met veel te lage vasten lasten berekend dat huishoudens in de bijstand honderden euro’s per maand te kort komt. Het verbaast dan ook niet dat de armoede stijgt – bij voortzetting huidig beleid volgens een gezamenlijk onderzoek van SCP en CPB zal de armoede in ons rijke land met een kwart stijgen. En mede daardoor blijft het aantal huishoudens met problematische schulden ook toenemen. Armoede wordt ook steeds meer erfelijk, de kloof wordt ook door kinderen van mensen met langdurige armoede steeds moeilijker te dichten. De bijstand als inkomensvangnet is over de hele linie te laag en sommigen komen nog slechter uit door een complex woud van kortingen, uitsluitingen, verplichtingen en voorwaarden – de bijstand als vergiet in plaats van als vangnet. En al helemaal niet de beoogde trampoline. En het geheel levert miljarden aan maatschappelijke kosten van armoede op, zonder enig perspectief op verbetering, en nog eens miljarden aan zinloze uitvoeringskosten, waarmee bijstandsgerechtigden vooral als onbeschermd wild mee worden opgejaagd. Liefdadigheid neemt steeds meer de beschermende en hulpverlenende rol van de overheid over. Het is de ultieme uitkleding van de verzorgingsstaat waar onze sociaaldemocratie zo hard voor gevochten heeft.

Het roer moet drastisch om. Onze PvdA moet de mislukking ruimhartig erkennen en een radicaal ander pad inslaan. Er is een complete paradigma wisseling nodig. Dat doen we door betaald werk niet meer als plicht, met al zijn dwang en sancties, maar als – afdwingbaar! – recht te definiëren. Dat betekent in de eerste plaats dat de overheid veel meer moet inzetten op het maken en bevorderen van werk. Met extra aandacht voor banen ten behoeve van mensen die kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt. En – in de tweede plaats – dat de publieke sector ook de rol op zich neemt van ‘employer of last resort’ – als je niet op reguliere wijze werk kan vinden dan maken we op maat daar betaald werk voor je.  En in de derde plaats betekent een recht op werk ook een recht op gratis, goede en nabije arbeidsbemiddeling voor iedereen die (meer, anders) werk zoekt. Ten vierde betekent het dat we de uitkering op het sociaal minimum (bijstand) niet meer afhankelijk maken van het voldoende zoeken en meewerken aan het vinden van betaald werk. We breken radicaal met het idee van wederkerigheid en het opjagen van werkzoekenden. Dit zogenaamd ‘activerend arbeidsmarktbeleid’ is ontaardt in idiote betutteling en werkt contraproductief. De uitkering moet omhoog, de kortingen en de voorwaarden en verplichtingen moeten verdwijnen. In plaats hiervan komt eigen regie van de werkzoekende, motivering en facilitering. Dat geeft ook de ruimte om te kunnen kiezen voor zorgtaken, vrijwilligerswerk en creatieve bezigheden. En desnoods om helemaal niets te doen. Zonder dat dit leidt tot niet meer kunnen rondkomen.

Daarbij moeten we de zaak drastisch versimpelen. Nu is het voor veel hulpbehoevenden veel te complex. Het kennis- en doenvermogen van veel burgers, met name die met problemen, wordt nu fors overschat – van de 2,5 miljoen (!) laaggeletterden in ons land, maar ook van u en mij. Simpele, eenduidige regelingen zijn ook makkelijker uitvoerbaar en beter handhaafbaar. Door meer regel- en budgetruimte voor professionele uitvoerders met goede rechtsbescherming van burgers kan ook de bureaucratie veel beter bestreden worden, wordt de werkdruk verminderd en het arbeidsplezier vergroot.

Betaald werk blijft belangrijk en maakbaar

Betaald werk is in onze tijd hét middel tot erkenning, ontplooiing, sociale contacten en dagritme. Betaald werk geeft mensen ook een onderhandelingspositie over je inkomen. Het maakt je minder afhankelijk, mits je ook de arbeidsverhoudingen en de zeggenschap van werknemers goed regelt. Wat betaald werk betekent, besef je pas goed als je het onvrijwillig niet meer hebt. Het is belangrijk dat onze PvdA blijft strijden voor goed en zinvol betaald werk, met een goede, zekere rechtspositie, voor iedereen die dat wil. De meeste mensen willen dat ook, met name hen die onvrijwillig geen betaald werk (meer) hebben.

Het is onzin om te verwachten dat betaald werk zal verdwijnen, en dat we, voor zover dat al zo zou zijn, daar niets aan zouden kunnen doen. We leggen ons als Partij van de Arbeid nooit neer bij het verdwijnen van (perspectief op) betaald werk. Het is beslist geen zegening als betaald werk overbodig zou worden, al is het verdwijnen van vies, ongezond, en vervelend werk door automatisering en robotisering natuurlijk voor de meeste mensen niet iets om te betreuren. Wel moeten we die veranderingen beter sturen, gericht op nieuwe werkgelegenheid, ook voor lager en middelbaar opgeleiden.

We moeten onze prioriteit voorts leggen op hen die willen, niet op het opjagen van die paar procent die echt niet willen – dat is bovendien nutteloos en kost alleen maar geld, tijd en energie die we beter kunnen besteden aan hen die wel willen. Bovendien geeft het ruimte aan hen die hen tijd willen besteden aan zorgtaken (kinderen, mantelzorg), vrijwilligerswerk en creatief werk. We vallen hen niet meer lastig met voorwaarden en verplichtingen.

De werkloosheid dreigt door de huidige crisis enorm toe te nemen. De Nederlandse Bank (DNB) voorspelt voor 2021 een werkloosheid van 7,3% van de beroepsbevolking, 700.000 werklozen. En dat neemt nog toe bij een tweede corona-golf tot 9%, 1 miljoen werklozen.[i] Het CPB verwacht een werkloosheid van 7% in 2021, en bij een tweede golf zelfs van 10%.[ii] Dat zijn dramatische cijfers, die schreeuwen om een zeer ambitieuze aanpak.

We maken een modern Plan voor de Arbeid met een doelstelling van maximaal 3% onvrijwillige werkloosheid van banen van tenminste 20 uur en met tenminste 80% van de banen met een vast contract.

Dat doen we door:

  1. 300.000 extra banen te creëren in de publieke sector om daar de ernstige tekorten te ledigen – in het onderwijs, de zorg, het welzijnswerk, in de veiligheidssector (van politie tot reclassering), in de arbeidsbemiddeling, bij meer bibliotheken, etc. Goed betaalde banen ook met veel meer eigen regel- en budgetruimte, minder bureaucratie en een zekere, goede rechtspositie. We trekken daar structureel 15 miljard euro voor uit.[iii]
  2. Investeren in betaald werk economisch aantrekkelijker te maken – door investeren in kapitaal veel zwaarder te belasten, door de marktsector te reguleren tegen bestaande misstanden en door investeren in betaald werk goedkoper en eenvoudiger te maken.
  3. Noodzakelijke overheidsinvesteringen in ecologische verduurzaming (circulaire economie; klimaat/energietransitie; biodiversiteit en dierenwelzijn herstellen, vervuiling en gevaren voor gezondheid tegengaan), in oplossen enorme woningnood, en in meer onderzoek en innovatie, te koppelen aan concrete werkgelegenheidsdoelen en plannen.
  4. Arbeidsdiscriminatie en -uitbuiting actief tegen te gaan, en herstel van vast werk als norm (stop de flex!), met veel meer regulering en handhaving.
  5. De ondersteuning van mensen met een arbeidsbeperking en hun werkgevers veel beter te organiseren.
  6. De overheid te laten fungeren als ‘employer of last resort’ – de werkgever waar je altijd op kunt terugvallen. Waar betaald werk niet vooral een kostenfactor is, maar een zelfstandige waarde kent, vooral voor hen die niet regulier werk kunnen vinden of doen. Er komt een afdwingbaar recht op een publieke basisbaan.
  7. Een veel intensievere en op motivering en eigen regie ingerichte, proactieve, faciliterende, gratis en laagdrempelige arbeidsbemiddeling te organiseren, die financieel en organisatorisch geheel is ontkoppelt van uitkeringen. De plicht tot werk vervalt voor uitkeringen op het sociaal minimum. We vervangen de bijstand en de Wajong met een Zekerheidsinkomen.

We lichten hieronder een aantal van deze plannen nader toe.

Investeer in publiek werk

De publieke sector is hard toe aan een publieke herwaardering. Niet alleen als de helden van de zorg, het onderwijs en de agenten in de wijk, die veel waardevol werk doen – vitale beroepen versus bullshit-jobs. Maar ook omdat het niet waar is wat rechts-neoliberaal Nederland altijd roept, dat alleen bedrijven ons geld verdienen. Mensen die werken in de publieke sector geven ook geld uit van hun loon, en hun bestedingen zijn ook van vitaal belang voor onze economie. De publieke sector als geheel is de grootste werkgever in ons land, en dat kan nog veel beter. Dat is goed voor onze belastinginkomsten, goed voor de werkgelegenheid en onze economie. En ook voor ons welzijn. Een goede publieke sector levert meer op dan hij kost.

Als PvdA zijn wij ideologisch voor een sterke, activistische overheid en publieke sector, en nemen afstand van een kleine overheid en publieke sector als ideologisch doel. Het maakt economisch niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient.

Investeringen in de publieke sector leveren meer werk op dan investeringen door de marktsector. Een euro besteed door de overheid levert gemiddeld genomen zelfs meer werkgelegenheid op dan een euro besteed door de markt. Dat heeft met drie dingen te maken:

1) De overheid kan sturen op werkgelegenheid, de markt doet dat niet.

2) De publieke sector bestaat vaker uit diensten en dat is arbeidsintensiever.

3) Publieke bestedingen vloeien minder weg naar het buitenland.

Er zijn grote tekorten aan arbeidskrachten in de publieke sector, waar je ook kijkt: onderwijs, zorg, politie, de welzijnssector, de arbeidsbemiddeling, de rechterlijke macht, de reclassering, de asielopvang en de inburgering, etc. Dit leidt tot ernstige kwaliteitsproblemen met de dienstverlening. Oorzaken zijn te lage beloning, te grote werkdruk en te weinig professionele autonomie. We moeten die tekorten met prioriteit aanpakken.

Nu, met de huidige crisis en zeer onheilspellende werkloosheidsprognoses, is dat belangrijker dan ooit: organiseer vervangende publieke werkgelegenheid met een omvangrijk investerings- en opleidingsprogramma. Het probleem in Nederland is niet dat de collectieve uitgaven te hoog zijn, maar dat de collectieve lasten zo oneerlijk zijn verdeeld. Er is genoeg ruimte om te investeren, als we ook bereid zijn tot die eerlijke verdeling. Daarover straks meer.

We maken ook een resoluut einde aan de marktwerking in de publieke sector. “De gedachte dat de markt collectieve diensten zou kunnen organiseren van hogere kwaliteit tegen een lagere prijs is keer op keer een misvatting gebleken. Tijd om radicaal te zijn: wat publiek is, is publiek. Daar gaan we niet concurreren maar samenwerken. Afgeschermd van het kapitalisme. Werken voor de overheid moet meer gewaardeerd worden. Klaar met het bashen van ambtenaren. Stoppen met de zelfgenoegzame onderverdeling tussen echte banen en “gecreëerde banen” omdat ze collectief gefinancierd worden. Want die mensen, de politieagent, de brandweerman, de schoonmaker, de wijkverpleegkundige zijn helden! De publieke taken moet ook weer echt publiek worden.[iv]

De publieke sector moet een plek zijn waar je trots op kunt zijn om te mogen werken. Je werkt niet alleen voor de publieke zaak, maar je bent goed opgeleid, en je verdient ook goed, en bent als regel in vaste dienst. En je hebt veel professionele autonomie, zowel in termen van regelvrijheid als in budgetvrijheid.

De organisaties in een moderne publieke sector hebben een menselijke maat, zijn plat met weinig overhead en onnodige bureaucratie. Organisaties in de publieke dienstverlening zijn bij voorkeur coöperatief en mogen niet langer een winstoogmerk hebben. Dat laatste betekent met name een grondige wijziging in de kinderopvang en in de zorg. Anders dan de oud-minister van VWS en huidig directeur van zorgverzekeraar VGZ, Ab Klink, meent, kan innovatie en efficiëntie prima plaatsvinden in een publiek stelsel.

Er vindt nu juist veel maatschappelijke verspilling plaats door concurrentiemechanismen, onnodige financiële reserves die aangehouden moeten worden omdat overheidsgaranties ontbreken, en door marktwerking gedreven pervers gedrag (zoals hoge salarissen en bonussen, winstuitkeringen, schaalvergroting en fusies uit financiële motieven, rendementsdenken en ander calculerend schadelijk financieel gedrag, aanbieders die de krenten uit de pap met winst inpikken en de onrendabele zaken laten liggen voor de overheid, etc.). En het leidt anderzijds ook tot tekorten, zoals we al lang weten door de wachtlijsten en nu nog eens pijnlijk duidelijk werd bij de Covid-19 pandemie.

We maken de publieke sector tot employer of last resort

In de publieke sector moeten we de waarde van werk ook breder bezien dan alleen bedrijfsmatig. Indachtig het motto van de sociale New Yorkse bakkerij Greyston: we don’t hire people to bake brownies, we bake brownies to hire people. Arbeid als de voornaamste waarde. Het geeft zin aan het bestaan en werk voor mensen is goed voor de samenleving als geheel. Het product is een afgeleide.

Baansplitsing is daarbij een belangrijk instrument. De onderwijsassistent en de vakkracht bewegingsonderwijs keren terug of worden vanzelfsprekend. Zo ook de zorg assistent en de hulp in de peuterspeelzaal. De bibliotheek medewerker en de bewaakte fietsenstalling. De huismeester en de bewaker van het overheidsgebouw. We moeten de schoonmakers, de hoveniers voor het openbare groen, de beveiliging, het caterings- en kantinepersoneel weer zelf in dienst nemen, loketten heropenen en uitbreiden, conducteurs en schoolconciërges weer in dienst nemen, etc. In de banenplannen voor de publieke sector nemen we aparte doelstellingen en instrumenten op voor laaggeschoolde arbeid.

Alle liberaliseringen, privatiseringen en verzelfstandigingen van de laatste 25 jaar, die tot verlies van werk hebben geleid of waarbij verslechteringen van arbeidsvoorwaarden hebben plaats gevonden, zoals die in het openbaar vervoer, de postmarkt, nutsbedrijven, re-integratie, de kinderopvang etc., worden opnieuw op hun nut en werkgelegenheidseffecten onderzocht. Bij de toekomst van dit soort sectoren moeten de banen en goede arbeidsvoorwaarden, samen met de kwaliteit voor de cliënten centraal worden gesteld door daar de regels op toe te spitsen.

Sinds de invoering van de Participatiewet is de arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking gedaald in plaats van gestegen. In 2016 had 28% van de totale beroepsbevolking geen betaald werk. Dit percentage was aanzienlijk hoger voor mensen met een beperking: 47% voor mensen met een chronische ziekte, 64% voor mensen met een lichamelijke beperking en 78% voor mensen met een ernstige psychische beperking.[v] Voor mensen die voorheen in de sociale werkvoorziening (SW) werkzaam waren, is de kans op het vinden van een baan zelfs afgenomen van 50% naar 30%.[vi] Het moet dus anders, het moet veel beter.

Garantie- en basisbanen als sluitstuk van een afdwingbaar recht op betaald werk

Sluitstuk – niet het beginpunt – van een recht op betaald werk is gesubsidieerde arbeid, hetgeen we doen door loon- en andere subsidie aan private werkgevers bij verminderde productiviteit en/of extra kosten (garantiebanen), of in de vorm van basisbanen in de publieke sector. Niet een vast aantal basisbanen als doelstelling, maar een afdwingbaar recht (geen plicht!) om publieke taken (die geen reguliere arbeid verdringen) op maat en naar wens van de werkzoekende te kunnen vervullen, normaal betaald (tenminste een cao-loon hoger dan het wettelijk minimumloon en opbouw aanvullend pensioen) met een vaste aanstelling (dus zonder uit- of doorstroomdoelstelling) en daarbij horende normale rechtspositie, voor hen die er niet in slagen regulier werk te vinden. Het bestaande beschut werk gaat hierin op.

De plaatsing kan ook bij SW-instellingen (sociale werkvoorziening), waar de instroom weer wordt opengesteld[vii] en die er verplicht in iedere arbeidsregio moet komen. Ze worden omgevormd tot ontwikkelbedrijven, die iedereen met een beperking of te grote afstand tot de arbeidsmarkt ondersteunt en helpt aan passend, betaald werk. Er worden daartoe substantiële extra middelen ter beschikking gesteld. Begeleiding van mensen met een arbeidsbeperking en hun werkgevers vraagt aanvullende, hoge competenties. Daarin wordt fors geïnvesteerd. Ervaringsdeskundigen worden uitgebreid betrokken.

Voor publieke werkgevers vervangen de basisbanen de garantiebanen. De plicht van private werkgevers om garantiebanen volgens de Quotumwet te realiseren blijft in stand, waarbij de eisen aan die banen verscherpt worden tot vaste banen van voldoende omvang. Detachering vanuit SW-bedrijven telt niet meer mee als garantiebaan voor de banenafspraak. De handhaving wordt verscherpt. Per sector en bij grote werkgevers per bedrijf of instelling komt er een quotumheffing als de doelstellingen niet tijdig worden behaald. Deze doelstellingen worden afgeleid in een oplopend tijdschema van de huidige doelstellingen in de banenafspraak (125.000 extra, dus nieuwe banen voor mensen met een arbeidsbeperking in 2026 t.o.v. begin 2013). Werkenden met een beperking krijgen altijd het normale, geldende loon bij die werkgever in die functie en tenminste het minimumloon of het geldende cao-loon – en rechtspositie. Werkgevers kunnen voor productiviteitsverlies een loonkostensubsidie krijgen. Deze loonkostensubsidie wordt weer afgestemd op het functieloon in plaats van op het minimumloon. Loondispensatie (waarbij loon wordt aangevuld met een uitkering, zoals nu in de Wajong) wordt afgeschaft. De bestaande systemen met loonwaarde berekening en doelgroepenregister worden geschrapt. Voor beiden komt er een sterk vereenvoudigende landelijke systematiek met grote uitvoerende vrijheid voor de arbeidsbemiddelaar en een sterke rechtspositie van mensen met een arbeidsbeperking om toe te passen. Mensen in het register krijgen een uitschrijvingsrecht dat altijd hersteld kan worden.

Ga uit van eigen regie van de werkzoekende/werknemer en de werkgever bij arbeidsbemiddeling: maak de bijstand regelvrij

Bij een recht op werk hoort ook een recht op gratis, goede arbeidsbemiddeling. Daar is nu veel mis. Op de arbeidsbemiddeling is het afgelopen decennium gigantisch bezuinigd, met dramatische gevolgen, zowel bij het UWV als bij de gemeenten. Maar ook het systeem, waarbij de organisaties vooral financieel geprikkeld worden om zo snel mogelijk de uitkeringen te beperken, werkt contraproductief. En, omdat het Rijk niettemin niet vertrouwd op die prikkels, er zijn ook veel landelijke regels die contraproductief werken.

Een deel van de bijstandsontvangers heeft meerdere problemen, zoals schulden, relatieproblemen, taalproblemen, gezondheidsproblemen, lastige kinderen, isolement, etc. Deze multiproblematiek vraagt om een integrale aanpak, over de beleidsterreinen heen. Dat wordt echter belemmerd doordat het recht op ondersteuning afhankelijk is van voorwaarden die zijn vastgelegd in verschillende regelingen: voor ieder facet van de problematiek is er een eigen regime. De bedoeling hiervan is de controle op rechtmatig gebruik en het opsporen van fraude te bevorderen. Maar dat heeft ook een keerzijde. Door de jaren heen is zo een sterk gefragmenteerd systeem ontstaan. Dit zorgt voor schotten tussen de verschillende regelingen/voorzieningen. Die schotten belemmeren soepele overgangen van de ene naar de andere regeling/voorziening en frustreren mogelijkheden om met een integrale aanpak doeltreffende maatwerkoplossingen te realiseren.

Daar komt bij dat aanvraagprocedures en uitvoeringsprocessen, uit efficiëntie en/of bezuinigingsoverwegingen, steeds verder zijn gestandaardiseerd en gedigitaliseerd. Ondersteunende dienstverlening is daardoor te weinig persoonlijk en bovendien niet voor iedereen toegankelijk. Zo kent Nederland circa 2,5 miljoen laaggeletterden die meestal niet digitaal vaardig zijn. Ook gebrek aan doen-vermogen kan eraan bijdragen dat mensen niet in staat zijn datgene te doen dat van hen wordt verlangd in de sfeer van het aanvragen van de ondersteuning die zij nodig hebben. De vraag is dan ook of het huidige beleid het zelfredzaamheidsvermogen van haar burgers niet overschat. De WRR bepleit in dit verband over te schakelen naar van een rationeel naar een meer realistisch beleidsadagium.

De groeiende fragmentatie in wet- en regelgeving maakt het bestaande systeem complex. Illustratief in dit verband is het effect dat bijverdienen naast de bijstandsuitkering heeft op de toeslagen die iemand ontvangt. Ook het systeem dat is opgetuigd voor de verrekenen van inkomsten met de bijstandsuitkering is ingewikkeld. Tezamen vergroot deze gecombineerde complexiteit de kans op fouten bij het doorgeven van veranderingen in de inkomenspositie en, in het verlengde hiervan, de kans op boetes wegens schending van de informatieplicht.

Zoals uit de Eindevaluatie van de Participatiewet door het SCP blijkt, werkt de nadruk op verplichtingen van werkzoekenden averechts. De huidige verplichtingen leiden tot minder regie van de werkzoekende en van de werkgever die werkenden zoekt. Op straffe van hoge financiële sancties worden werkzoekenden zelfs verplicht de regie over hun loopbaan over te dragen aan uitvoeringsinstanties zodra zij in het zicht komen van het zgn. activerend arbeidsmarktbeleid. Dit heeft voor zover er al werk gevonden wordt, een negatief effect op de duurzaamheid en kwaliteit van het gevonden werk. Bij kwetsbare groepen dragen sancties zelfs bij aan verergering van hun problematiek, in plaats van dat er ook maar een begin wordt gemaakt met de oplossing daarvan. Het huidige op wantrouwen gebaseerde stelsel belemmert de duurzame re-integratie naar betaalde arbeid.

Hetzelfde geldt voor categorale verplichtingen, zoals de door de commissie-Borstlap beoogde inzet van verplichte stages voor alle bijstandsgerechtigden. Onder het huidige sanctiesysteem heeft dit beleid meer weg van dwang en drang dan van het hanteren van de menselijke maat. Bijstandsgerechtigden werken mee, niet omdat ze menen dat deze deelname bijdraagt aan hun reïntegratie op de arbeidsmarkt, maar om te voorkomen dat hun uitkering wordt verlaagd.

Het betekent een radicale breuk met het huidige beleid om bij ieder probleem weer een nieuwe verplichting op te leggen bij de werkzoekende:  In plaats van de gemeente te verplichten om bijstandsgerechtigden te ondersteunen bij bijvoorbeeld het oplossen van schulden, stelt het huidige kabinet voor een nieuwe met sanctie bedreigde verplichting voor bijstandsgerechtigden te creëren  (namelijk om te werken aan het oplossen van hun schulden).

De psychologie leert ons dat ervaren grip op de eigen omstandigheden een basisvoorwaarde is voor psychisch welzijn en de motivatie voor gedragsverandering. Het via disciplinerend beleid onder dreiging van sancties verminderen van regie werkt daarom deactiverend en vormt bovendien een gezondheidsrisico zonder dat het de kans op werk aantoonbaar vergroot. Vergroten van eigen regie is een logische route om daadwerkelijk aan te kunnen sluiten bij individuele wensen en mogelijkheden van werklozen en om het alom beoogde individuele maatwerk te kunnen realiseren. Werkgevers worden nu geconfronteerd met ongemotiveerde kandidaten.

We stellen daarom voor bij de arbeidsbemiddeling uit te gaan van de eigen regie van de werkzoekende en van de werkgever die werkenden zoekt. Wat betreft de werkzoekende betekent dat we radicaal stoppen met alle verplichtingen, voorwaarden, verboden die nu verbonden zijn aan een bijstandsuitkering, hetgeen ook impliceert dat de nu daaraan verbonden sancties bij niet naleving daarvan, vervallen. In plaats daarvan gaan we uit van verleiden, motiveren, faciliteren en belonen.

Het paradigma verschuift principieel van wantrouwen naar vertrouwen, in de overtuiging dat veruit de meeste mensen graag betaald willen werken. We concentreren de ondersteuning op intrinsiek gemotiveerde werkzoekenden en werkgevers. Beleidsambities zoals ‘sluitende aanpakken’ en ‘iedereen een traject’ laten we daarmee los. Iedereen die wil krijgt een – gratis – traject.Met de zogenoemde ‘niet-willers’ onder werkgevers en werklozen kun je in gesprek gaan om de motivatie te peilen en te bevorderen, maar zonder de disciplinerende context van waaruit dat met het huidige beleid gebeurt. Onbetaalde dwangarbeid, zoals met de huidige tegenprestatie, wordt geschrapt als instrument.

Ook impliceert het principe van regie een grotere keuzevrijheid voor werklozen ten aanzien van de doelen die zij zich kunnen stellen en de invulling van trajecten waar ze aan deelnemen. Mensen zouden hierbij moeten worden ondersteund door een breed participatiebegrip – ze doen er ook toe als ze geen betaald werk hebben – en zouden professionele en transparante adviezen moeten krijgen in situaties dat zij – of hun werkgevers – onvoldoende zicht op de mogelijkheden hebben die er zijn. Ook voor werkgevers geldt dat het belangrijk is dat zij regie hebben over de manier waarop ze invulling kunnen geven aan werk voor kwetsbare groepen.

Regie door werklozen impliceert ook een keuzevrijheid voor werklozen om andere doelen te stellen en trajecten deel te nemen voor maatschappelijke participatie dan alleen de route van betaald werk, bijv. vrijwilligerswerk – ze doen er ook toe als ze geen betaald werk hebben, bijv. omdat ze zorgtaken prioriteit geven, of vanwege beperkingen. Het stigma van werkloosheid kan daardoor verminderen en het kan leiden tot meer maatschappelijke erkenning van mantelzorgtaken. Wel moet hen dan ook professioneel en transparant voldoende inzicht geboden worden in de mogelijkheden die ervoor hen zijn. Belangrijk is dat die alternatieve participatieroutes niet verplichtend en disciplinerend zijn. Verplicht vrijwilligerswerk is geen vrijwilligerswerk.

Ontkoppel organisatorisch en financieel arbeidsbemiddeling van uitkeringen, en integreer alle arbeidsbemiddeling achter één loket van nieuwe regionale werkwinkels

De mensen op wie de arbeidsmarkt de grootste afstand heeft, worden nu het minst geholpen. Ze worden aangeduid als het granieten bestand. Degenen die het makkelijkst uitstromen, worden het meest geholpen. Er is een enorme druk op gemeenten om vooral snel tot uitstroom te komen, dat gaat nu eenmaal met degenen met de kleinste afstand het snelst. Dat die er vaak zonder hulp ook wel (en soms zelfs eerder) waren gekomen, verdwijnt uit beeld. De gemeente moet zelf tekorten in het bijstandsbudget opvangen en met de tegelijk doorgevoerde decentralisatie van belangrijke delen van de zorg, worden gemeenten gedwongen vooral op het gemeentelijk budget en op schadelast aan uitkeringen te sturen. Gemeenten mogen besparingen op de voor de uitvoering van de Participatiewet ontvangen middelen zelf houden en vrij besteden. Dat prikkelt gemeenten om hun inspanningen te richten op de meest kansrijke groep binnen de totale doelgroep.Ook bij het UWV speelt deze zelfde perverse prikkel. Dit staat op gespannen voet met het streven naar een maatschappij waarin zo veel mogelijk mensen kunnen deelnemen aan het arbeidsproces. De mensen binnen de doelgroep van de Participatiewet voor wie ondersteuning het duurst is, blijven eerder buiten beeld bij gemeenten en werkgevers. Dit ondanks de verplichting voor werkgevers om banen specifiek voor de doelgroep te creëren en de verplichting voor gemeenten om beschutte werkplekken te realiseren.

Ook de Commissie Borstlap wijst hierop: “In de praktijk blijkt deze prikkel gemeenten aan te moedigen de inzet op re-integratie afhankelijk te maken van een daaraan voorafgaande kosten-baten analyse. Alleen als de baten hoger zijn dan de kosten, wordt er geïnvesteerd in re-integratie activiteiten. De consequentie van deze werkwijze is dat gemeenten hun re-integratieactiviteiten gaan richten op de meest kansrijke kandidaten. Vooral in grote steden kan dit ertoe leiden dat mensen met een lage loonwaarde met rust worden gelaten. Ze worden dan informeel ontheven van de sollicitatieplicht en zo in feite afgeschreven voor de arbeidsmarkt, terwijl ook zij talenten hebben die zouden kunnen worden benut. (…) De bezuinigingen die de laatste jaren zijn doorgevoerd in het sociale domein, versterken deze trend. Zo hebben mensen met een lage loonwaarde veel begeleiding nodig om hun resterende arbeidskracht op de arbeidsmarkt te verzilveren. Het ontbreekt gemeenten aan de middelen om daarin te investeren.“ De commissie toont met cijfers aan dat juist op het moment dat de uitgaven aan uitkeringen vanwege economische omstandigheden toenemen, de uitgaven aan actief arbeidsmarktbeleid afnemen. Terwijl dat natuurlijk juist andersom zou moeten.

Er wordt daardoor nauwelijks gestuurd op de kwaliteit en effectiviteit van de arbeidsbemiddeling. Die kwaliteit en effectiviteit is dan ook doorgaans bedroevend, met hoge doorloopsnelheid van medewerkers die hun cliënten niet of slecht kennen, en weinig contacten hebben bij werkgevers. Hun instrumenten zijn beperkt, want daarvoor is geen of zwaar onvoldoende budget. Ze mogen ook bijna niets zelf beslissen, want net als hun cliënten, worden ook zij niet vertrouwd, en zitten ze gevangen in verstikkende protocollen en te kleine budgetten.[viii]

De commissie Borstlap is het eens met SCP en WRR dat de arbeidsbemiddeling nog steeds slecht werkt, en dus de uitkering als eindstation functioneert. Van de mensen in de bijstand verwacht een derde zelf nooit meer aan het werk te komen. Vooral lichamelijke en geestelijke beperkingen, maar ook sociale beperkingen spelen hierbij een grote rol. Langdurig in de bijstand betekent minder kans op werk, na twee jaar is de kans gereduceerd tot 5%. Daardoor is 70% van de bijstandsgerechtigden langdurig afhankelijk van die uitkering. Komen ze toch weer aan het werk, dan is dat vaak tijdelijk, waarna men weer terugvalt in de uitkering. In het huidige systeem verpietert het eens beschikbare menselijk kapitaal en wordt de afstand tot de arbeidsmarkt gaandeweg steeds groter. Als gevolg hiervan sluiten vraag en aanbod na verloop van tijd niet meer op elkaar aan. De kans op het verkrijgen van een reguliere, betaalde baan wordt zo na verloop van tijd steeds kleiner. De commissie benadrukt voorts het huidige gebrek aan een proactieve inzet gericht op het voorkomen van (langdurige) uitval uit het arbeidsproces en het gebrek aan acties gericht op het behoud en de verdere doorontwikkeling van menselijk kapitaal.

Een andere factor waarop de commissie wijst, hangt samen met manier waarop we het systeem van arbeidsbemiddeling hebben ingericht. Is iemand met een werkloosheidsuitkering na maximaal twee jaar niet aan het werk, dan draagt het UWV het dossier over naar de gemeente die verantwoordelijk is voor het verstrekken van bijstand. Deze overgang blijkt in de praktijk nogal eens zand te strooien in de activeringsmachine, mede doordat de dienstverlening van het UWV niet aansluit op de gemeentelijke dienstverlening. Een vraag die daarbij opkomt is hoe effectief het eigenlijk is om twee verschillende typen organisaties (namelijk UWV en gemeenten) zich te laten bekommeren om de re-integratie van dezelfde persoon. Zou het niet effectiever zijn om de mens centraal te stellen en de re-integratietaak, ongeacht het type uitkering, toe te vertrouwen aan één instantie?, zo vraagt de commissie zich terecht af.

De commissie Borstlap: “Per saldo sluit het bestaande systeem mensen eerder uit- dan in. Schrijnend hierbij is dat de meest kwetsbare mensen hieraan het meest worden blootgesteld. Dat maakt mensen passief, zorgt voor maatschappelijke problemen en voedt maatschappelijk onbehagen. Het zal duidelijk zijn dat de waarden van werk zo onvoldoende tot hun recht komen. Willen we die waarden waarborgen dan is er dus werk aan de winkel.”

We stellen daarom voor om naast de bijstand regelvrij te maken, ook de organisatie en financiering van uitkeringen en arbeidsbemiddeling principieel los te koppelen. Concreet stellen wij voor om de arbeidsbemiddelende taken van het UWV en de gemeenten te integreren in nieuwe regionale werkwinkels. Er komt daardoor één loket voor alle regelingen voor advies en hulp naar (beter, meer) werk. Voor alle werkenden, werkzoekenden en werkgevers. Deze hulp moet proactief zijn, gericht op behoud van werk. Onvrijwillige werkloosheid (door beëindiging of verandering van werk, door verandering van persoonlijke omstandigheden of door gezondheidsproblemen) voorkomen is het hoofddoel. Scholing behoort nadrukkelijk tot het instrumentarium. Alle werkenden krijgen periodiek een gratis loopbaan- en gezondheidscheck aangeboden. De te verlenen ondersteuning moet inclusief zijn, dus prioriteit geven aan mensen die wel willen, maar kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt en/of moeilijk zelfstandig betaalde arbeid kunnen verwerven of behouden. Het is gericht op het wegnemen van belemmerende factoren, en daarbij wordt integraal gewerkt – de bemiddeling heeft beslis- en budgetbevoegdheid voor inzetten van ondersteuning daarbij, ongeacht het domein waarin deze problemen spelen (van kinderopvang organiseren, scholing, schuldhulpverlening tot verslavingszorg en huisvesting).

De regionale werkwinkels (één per arbeidsregio) krijgen laagdrempelige loketten dichtbij de mensen en worden bestuurd door sociale partners en gemeenten, met betrokkenheid van de publieke instellingen voor beroepsonderwijs in de regio. Aan iedere werkwinkel is een SW-instelling verbonden als expertcentrum en ontwikkelbedrijf voor kwetsbare mensen op de arbeidsmarkt. Zo wordt de huidige complexe en verdeelde steun vervangen door één regeling met één uitvoerder en één loket, voor alle hulp om mensen aan (meer) werk te helpen, van scholing tot loonkostensubsidie en no-riskpolissen voor werkgevers.

Het nieuwe stelsel zal langdurige uitval krachtig moeten tegengegaan. Daarvoor is integrale, effectieve, individuele begeleiding en ondersteuning zodat werkenden die met werkloosheid of arbeidsongeschiktheid te maken krijgen of daarmee worden bedreigd, tijdig naar ander, passend werk kunnen overschakelen en uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk weer aan het werk komen.

Verdubbel het budget (nu ca. vier miljard euro) structureel voor betere, effectieve en proactieve arbeidsbemiddeling en loopbaanbegeleiding

Er zal aanzienlijk meer geïnvesteerd moeten worden in maatwerk en individuele begeleiding van diegenen die niet op eigen kracht weer aan de slag kunnen. Passende hulp impliceert effectieve en persoonlijke begeleiding die niet is gekoppeld aan de uitkering die iemand ontvangt, maar wordt afgestemd op de ondersteuning die nodig is om langdurige uitkeringsafhankelijkheid te voorkomen. Iedereen die dat wil, krijgt een persoonlijke intake, een re-integratieplan op maat en een persoonlijke, veel beter opgeleide werkcoach, met een veel lagere caseload per werkcoach zodat er voldoende persoonlijk contact is. Re-integratieprogramma’s zinvol moeten zijn, dat wil zeggen dat ze mensen daadwerkelijk voorbereiden op doorstroom naar de arbeidsmarkt. Ze moeten zich dus richten op het vergroten van kennis, vaardigheden en competenties die ook daadwerkelijk op de arbeidsmarkt worden gevraagd. Essentieel is verder dat deze programma’s persoonlijk groei en een intrinsiek gemotiveerde inzet stimuleren. Trainingen die zijn gericht op het verkrijgen van ander werk moeten met het oog hierop niet willekeurig zijn, maar aansluiten bij de persoonlijke interesses en voorkeuren zodat aanwezige talenten optimaal kunnen worden benut. Arbeidsbemiddeling is een professioneel vak, dat vraagt om goed opgeleide professionals, ondersteund door toegepast onderzoek naar wat werkt en wat niet werkt.

De commissie Borstlap wijst voorts op het huidig cyclisch investeringsmodel waardoor er in tijden van recessie vaak bezuinigd wordt op in plaats van geïnvesteerd wordt in activerings- en begeleidingsbudgetten. Zo is er tijdens de vorige recessie sterk bezuinigd op de persoonlijke dienstverlening bij het UWV; het budget voor activerend arbeidsmarktbeleid is bij het UWV de laatste jaren gehalveerd. Tegelijkertijd hebben gemeenten twee-derde van hun budgetten voor activering en begeleiding verloren. Het gevolg hiervan is dat mensen in tijden van laagconjunctuur te lang zonder begeleiding op de bank blijven zitten. Ze worden daardoor steeds minder ‘arbeidsfit’ en zijn daardoor steeds lastiger plaatsbaar op de arbeidsmarkt. Bovendien slinken in tijden van economische neergang de mogelijkheden om via een opleidingsplek stapsgewijs terug te keren. Gaandeweg raken werkzoekenden zo steeds verder van huis. Dat moet precies andersom. We moeten fors investeren in professionals die weten hoe ze talenten van mensen tot volle bloei kunnen laten komen en ook de ruimte hebben om dat volop te ondersteunen. Niet 50 miljoen incidenteel zoals het huidige kabinet voorstelt, maar eerder een verdubbeling van het huidige budget (van 4 naar 8 miljard euro structureel).

Vervang de bijstand en de Wajong door een regelvrij Zekerheidsinkomen, en schrap per direct de kostendelersnorm

We maken een harde, voldoende hoge inkomensvloer tegen armoede met een Zekerheidsinkomen: ieder[ix] huishouden dat minder verdiend dan het sociaal minimum, betaalt geen belasting maar krijgt zijn inkomen zonder voorwaarden, verplichtingen en verboden anders dan ook een vermogenseis met een ruime vrijstelling, aangevuld tot het sociaal minimum voor het betreffende huishouden.

  1. Een Zekerheidsinkomen als regelvrije bijstand

Van een recht op bijstand is door de Participatiewet nu eigenlijk niet meer te spreken. De bijstand is volgehangen met voorwaarden en verplichtingen. Zo bestaat inmiddels een identificatieplicht, een arbeidsplicht (met o.m. een sollicitatieplicht en een plicht om je in te schrijven bij een uitzendbureau), een inlichtingenplicht, een budgetteringsplicht, een medewerkingsplicht, een taaleis en een tegenprestatie. Allemaal met enorme controle inspanningen en verstikkende sancties. Het gaat niet meer om mensen die pech hebben in het leven en geholpen moeten worden, nee het zijn klaplopers die gedwongen moeten worden iets te doen voor hun geld. De tegenprestatie heeft zelden een relatie met re-integratie. De sancties beteken altijd kortingen, met soms nog een boete, of zelfs het geheel vervallen van de uitkering.

Minister Klompé draait zich om in haar graf. Al in 1963 wilden sommige partijen de bijstand volhangen met verplichtingen en sancties. Maar daar was Klompé mordicus tegen. Iedere bevolkingsgroep moest met opgeheven hoofd om hulp kunnen vragen. In haar woorden:‘Ik wilde er niet van uitgaan dat wie een beroep doet op bijstand een fraudeur is. Dat mag je de 99 procent van de mensen die het goed doet niet aandoen.’ Helaas maken we in Nederland onze wetten niet meer voor die 99 procent, maar voor de 1 procent.

De bejegening is geheel gebaseerd op wantrouwen en vernedering. Hele dossiers moeten steeds opnieuw en op papier worden ingeleverd. Brieven beginnen met waarschuwingen tegen fraude en daarop staande sancties. Zelden wordt gevraagd aan betrokkenen hoe het met hun gaat. Niet hun problemen en perspectief staan centraal, maar hun bureaucratische, vaak onzinnige verplichtingen. Die worden afgevinkt en dat is het dan. Als de bureaucratie een keer een fout maakt – en dat komt minstens zo vaak voor als bij de cliënten – dan is het een bijna onneembare vesting om je verhaal te halen. Cliënten voelen zich vaak niet veilig om te klagen, de afhankelijkheid is groot. Andersom is de effectiviteit van al die interventies zeer gering.

Die behandeling en bejegening van uitkeringsgerechtigden heeft ook een politiek-ideologische onderbouwing in het neoliberale gedachtengoed, waarin succes, en dus ook falen, een individuele keuze is. Geldgebrek is daarin al gauw een karaktergebrek, dat de overheid vooral niet moet belonen met correcties op het inkomen. Neoliberalen doen het voorkomen alsof vrijheid in de eerste plaats een individuele prestatie is. Met als logische implicatie dat het individu de volledige verantwoordelijkheid kan dragen voor wat er met hem gebeurt. Dat de overheid daar geen omkijken meer naar heeft, en zelfs niet moet hebben – want dan nemen betrokkenen onvoldoende eigen verantwoordelijkheid.

De cruciale schakel tussen neoliberalisme en sociaaldemocratie is het idee van persoonlijke autonomie. Dat klinkt goed voor een emancipatiepartij, vanwege de connotatie met mondigheid en ontwikkeling: je neemt je leven in eigen hand. Maar het wordt benauwend als je je realiseert dat daarom van jou wordt verwacht dat je in competitie treedt met alle anderen, dat je winst moet maken op je leven. Neoliberalen prijzen zo’n samenleving aan als een high opportunity, high risk society. Het lullige is alleen dat de opportunities voor de ene klasse zijn en de risks voor de andere. Men bouwt geen succesvol politiek beleid op een verkeerde maatschappijdiagnose. Als de maatschappelijkheid ineenschrompelt ten gunste van de markt resteert voor de mensen weinig anders dan mee te doen in ratrace naar individueel succes en status.

De sociaaldemocratie is een drijvende kracht geweest in de opbouw van onze verzorgingsstaat. Niets heeft de mensen meer vrijheid gegeven dan de verzorgingsstaat. De bron van vrijheid lag in het succes van collectieve actie en het organiseren van solidariteit, die mensen in staat stelde tot een grotere grip op hun eigen lot. Daarmee erkennen sociaaldemocraten, anders dan neoliberalen, dat maatschappelijke ongelijkheid een dominante factor is bij het behalen van persoonlijk succes of falen, en dat die ongelijkheid nog versterkt doorwerkt in het opvangen van pech en tegenslag, die mensen gewoon kan overkomen. Het toeval en het noodlot heeft voor mensen met weinig middelen en kansen nu eenmaal veel grotere gevolgen.

Teveel mensen zijn gaan geloven in een soort ideaalbeeld van assertieve individuen die hun mannetje en vrouwtje staan in de wereld van markt en strijd. Dan is het logisch dat de afkeer van afhankelijkheid groeit. Daar ligt de bron van sociale ontbinding. Als je succes hebt, dan is het jouw verdienste, als je faalt, dan heb je het aan jezelf te wijten. Dat deugt natuurlijk helemaal niet: de samenleving is complexer dan ooit en dan zeggen we tegen het individu dat het al de risico’s maar moet kunnen overzien. De staat kan dat niet meer, ondanks alle toezicht die hij uitoefent, maar van het individu veronderstellen we dat het dat wél kan. Terwijl volgens ons maatschappelijke misstanden, maar soms ook noodlot of dikke pech, meer dan voorheen bepalen of iemand vastloopt.

Het is een vergissing, met ingrijpende gevolgen, om aan te nemen dat ons emancipatieproces is voltooid. En dat we nu een maatschappij hebben van economisch zelfredzame, autonome individuen. Het resultaat is wat de WRR een ‘zelfredzaamheidsparadox’ noemt: door van iedereen evenveel verantwoordelijkheid te vragen, verliezen sommige groepen juist de regie over het eigen leven. Dit betreft in ieder geval de financiële analfabeten – volgens het Nibud heeft 40% van de Nederlanders moeite met financiële administratie. Daaronder zitten ook de 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

Het helpt dan ook niet dat we het zo ingewikkeld gemaakt hebben: Mensen met een uitkering hebben te maken met 13 verschillende inkomensregelingen met 8 verschillende definities van inkomen en vermogen, en 27 formulieren.[x]De impliciete veronderstelling achter veel van de huidige regels lijkt te zijn dat iedereen altijd netjes de post bijhoudt en begrijpt, reageert op aanmaningen, zich voortdurend bijschoolt, op tijd zijn pensioen organiseert, actieve keuzes in de zorg maakt en, mocht er iets mis gaan, de juiste wegen weet te bewandelen om die fouten te herstellen’, schrijft de WRR in Weten is nog geen doen. En daarmee ‘ligt de lat in de participatiesamenleving’ volgens de WRR ‘behoorlijk hoog’.

En voor hen die het wel weten, heeft de WRR erop gewezen dat weten nog geen doen is.[xi] Handelingsbekwaamheid vraagt meer dan alleen kennis in tijden van persoonlijke crisis. Denkvermogen is nog geen doenvermogen. Stress, schaamte en gebrek aan toekomstperspectief maken ook hoogopgeleiden met financiële problemen soms vleugellam. Niet-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleiding en tegenslag zijn niet vanzelfsprekend aanwezig bij iedereen met goede cognitieve vermogens.

De WRR wijst erop dat veel overheidsarrangementen geen rekening houden met normale menselijke tekortkomingen. Die komen, zo stelt de WRR, niet alleen voor bij kwetsbare mensen, met een lager IQ of opleiding, maar bij iedereen, ook bij u en bij mij, en dus ook bij hoger opgeleide mensen. Bij baanverlies, echtscheiding, rouw, ziekte, burn-out en stress verminderd ons doenvermogen – de capaciteit om gedachten, emoties of gedrag te beheersen. Ook ‘wij’ openen de post weleens een poosje niet, leven ongezond, drinken iets teveel of gooien er met de pet naar. Omdat we even niet anders kunnen of willen. Of het ‘niet opbrengen’. Temperament, zelfcontrole en overtuiging spelen een belangrijke rol bij zelfredzaamheid – niet iedereen is er in gelijke mate mee bedeeld, en te trainen valt het maar moeilijk. Niet iedereen heeft ook dezelfde aanleg voor zelfredzaamheid. Mentale vermogens blijken verder ook variabel in een mensenleven.

De afgelopen jaren hebben gedragswetenschappers veel onderzoek gedaan naar hoe dit soort mentale belasting werkt. De conclusies, die in Weten is nog geen doen worden samengevat, zijn zo evident dat je je afvraagt waar het enthousiasme over nieuwe keuzemogelijkheden voor burgers precies vandaan komt. Kort gezegd komt het hier op neer: hoe meer denkwerk verricht moet worden, hoe groter de kans op vermoeidheid en het maken van vergissingen. Daarbij wordt de geest van mensen soms in beslag genomen door grote gebeurtenissen. Ziekte, bijvoorbeeld, of het overlijden van een naaste, verkleinen wat onderzoekers ‘mentale bandbreedte’ noemen. Wie zorgen, onrust of verdriet heeft, heeft minder ruimte om over prozaïsche zaken zoals de inhoud van je berichtenbox op mijnoverheid.nl na te denken. Met name financiële problemen vormen een bedreiging voor het beslisvermogen. Geldgebrek lijdt tot stress, en stress verkleint de mentale bandbreedte verder. Het gevolg daarvan is vaak nog meer financiële problemen, omdat een verkeerde beslissing of nalatigheid geld kan kosten.[xii]

Het gaat vooral ook om de optelsom. Voor iedere afzonderlijk keuze is het niet overdreven om te verwachten dat een burger informatie verzamelt, die bestudeert, verschillende opties afweegt en vervolgens tijdig en wijs beslist. Maar het is de hoeveelheid en frequentie waarmee die cyclus doorlopen moet worden die mensen uitput. De hoeveelheid tijd en aandacht die iemand kan besteden aan het maken van beslissingen is nu eenmaal beperkt. Wie zijn tijd vult met, zeg, nadenken over hoeveel eigen risico te verdragen is bij het afsluiten van een zorgverzekering, houdt minder tijd over om een spaarplan op te stellen. De uren die worden besteed aan het schrijven van sollicitatiebrieven, kunnen niet worden besteed aan uitpluizen welke van de 27 inkomensregelingen die Nederland telt nu precies op jouw situatie van toepassing zijn. En naarmate de teleurstellingen zich opstapelen, het perspectief achter de horizon verdwijnt en de vernederingen en wantrouwende bejegening door blijven gaan, verdwijnt ook de energie om nog iets te doen.

Je moet om hulp te krijgen loketten aflopen, formulieren invullen, intakegesprekken voeren. Hier is iets vreemds aan de hand: hoe minder je hebt, hoe meer bureaucratie er over je heen wordt gestort. Terwijl je daar juist steeds minder energie voor hebt. Laat dit even tot u doordringen: in de moderne verzorgingsstaat wordt je probleem een reden om je uit te sluiten van een oplossing. Je hebt een drugsprobleem, daarom zit je in de verslavingszorg, maar daar word je geschorst omdat je drugs blijft gebruiken. Je hebt een gedragsprobleem, daarom zit je bij een jeugdzorginstelling, maar daar moet je weg omdat jij je niet gedraagt. Je hebt schulden en overziet de financiële problemen niet meer, maar je moet eerst je administratie op orde hebben voordat je toegelaten kan worden tot de schuldhulpverlening. We moeten het zelfredzaamheidsdogma radicaal door het toilet spoelen.

Want de tweede paradox is dat de overheid zich terugtrekt en tegelijkertijd de burgers meer dan ooit in de gaten houdt. Er is veel te doen over privacy, maar de sociale dienst kan je badkamer controleren, onder je bed kijken, je slaapkamerkasten doorzoeken, buren laten klikken, camera’s plaatsen, sociale rechercheurs laten bespioneren, enzovoorts.

De ene overheidsdienst begraaft nu mensen in de problemen, zodat een andere ze weer kan opgraven. Nederland is bezaaid met instellingen die afgerekend worden op het oplossen van deelproblemen, met enorm kostbare, contraproductieve beleidsaccumulatie. Ieder deelprobleem zijn eigen regelsysteem met verplichtingen, voorwaarden, verboden, controles en sancties. Hoe dieper je in de shit zit, hoe moeilijker het is om hulp te krijgen.

Het CJIB wil dat iemand zijn boetes betaalt. De deurwaarder wil geld zien. De politie wil hem opsluiten. De crisisopvang wil hem weer thuiskrijgen. De sociale dienst wil dat hij aan het werk gaat. De psychiater wil hem van zijn depressie genezen. De maatschappelijk werkster wil hem in de schuldhulpverlening. De schuldhulpverlening wil dat hij zijn post opent. En de dagbesteding wil hem zingevend bezighouden. De mensen die buiten de boot vallen, zie je in beleidsdocumenten niet meer terug, hooguit als restcategorie: ‘Uitstroom naar onbekend.

Het recht is steeds vaker iets dat je moet halen. Zelf alles aanvragen, steeds opnieuw. Een enorm aantal bewijsstukken inleveren. Onzinnige sollicitaties uitvoeren, gratis verplicht werk uitvoeren, vernederende cursussen volgen. En daar blijft het niet bij: als je iets fout hebt gedaan, dan komt het ‘recht’ ineens razendsnel naar je toe. Sterker nog, dan dendert het als een sneltrein over je heen. Bij problemen gaat er een intimiderende, vernederende en vooral ook zeer kostbare controlemachine in werking en wordt, vooral door de overheid, boete op boete geplaatst. Gevolg: waanzin, vernedering, verspilling. De overheid is boos, achterdochtig en gefrustreerd. Het is management by insult. Geen wonder dat mensen geen vertrouwen meer hebben in de politiek. Ontbinding ontstaat waar binding ontbreekt. Er is geen binding meer vanwege een geïnstitutionaliseerd wantrouwen van de burger door de Staat. En rechtsbijstand wordt steeds meer iets waar je ook het geld voor moet hebben, ook dit kabinet wil er weer op bezuinigen.

De overheid met een neutraal mensbeeld is verdwenen. Zo is er, onder druk van de publieke opinie, al jaren sprake van een steeds sterker wordende aanname dat uitkeringsgerechtigden misbruik maken, frauderen, oneigenlijk aanspraak maken, onwillig en niet gemotiveerd zijn, etc. Zie ook de recente idiote fixatie op WW-uitkeringen voor ‘vakantie vierende Polen’[xiii] en de meer dan schandalige en onwettige praktijken van terugvordering van kinderopvangtoeslagen door de Belastingdienst[xiv]. Terwijl de praktijk laat zien dat mensen aan de onderkant van de samenleving en aan de onderkant van de arbeidsmarkt echt in de problemen zitten en met moeite het hoofd boven water kunnen houden. De ingezette teneur van werken voor je uitkering, verplichte participatie op straffe van boete en maatregelen, zijn bovendien dreigementen die vaak geen kracht bijgezet kunnen worden in de vorm van beschikbare reële betaalde arbeid voor deze doelgroep.

‘De oorzaak van het dichtslibbende systeem is dat het mechanisme drijft op het uitsluiten van risico’s met tot uitgangspunt verworden wantrouwen als resultaat. Voor het bedrag aan controles om risico’s uit te sluiten kun je heel wat risico lopen. En ja, dan zal het af en toe fout gaan.’ Aldus Herman Tjeenk Willink in zijn zeer lezenswaardige boekje ‘Groter denken, kleiner doen’.

Wij zeggen het Jesse Frederik in zijn Den Uyl-lezing na: Wij zijn de Partij van de Arbeid, en moeten niet meer de Partij van de Betutteling zijn. Werkloosheid, zo zijn we teveel gaan denken, is een individueel probleem. Individuen met te weinig ‘human capital,’ of zoiets. Mensen zijn in de eerste plaats werkloos omdat er niet genoeg werk is, niet omdat ze niet willen werken. We schrappen alle verplichtingen en verboden bij het bijstandsvangnet, evenals alle daaraan verbonden sancties.

Er hoeft geen nieuw duur opsporingssysteem meer voor controle op deze eisen worden opgezet, nu het werken met algoritmen in het bestaande SyRI-systeem door de rechter is verboden.[xv] Het kabinet Rutte III heeft echter een spoedwet aangekondigd met een nog omvangrijker controlesysteem, de Wet Gegevensverwerking door Samenwerkingsverbanden. Naast overheidsdatabases kan de overheid met deze wet ook private databronnen aan elkaar koppelen. Wederom hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State fundamentele kritiek in hun negatieve adviezen.[xvi] Wij zetten een dikke streep door deze plannen.

  • Een Zekerheidsinkomen als negatieve inkomstenbelasting

Het Zekerheidsinkomen kan automatisch worden uitgekeerd door de Belastingdienst op basis van het daar bekende inkomen. Iedereen kan dat inkomen zelf online aanpassen. Bij de uitkering wordt vermeld op welke inkomensgrondslag dat is gedaan en hoe men dat kan wijzigen.

  • Een Zekerheidsinkomen per huishouden, zonder kostendelersnorm

Het Zekerheidsinkomen is niet individueel, maar per huishouden. Niet de huidige praktijk van de Participatiewet, maar die van de Belastingdienst (‘fiscale partner’) wordt de norm voor een gezamenlijke huishouding. Door de koppeling hebben betrokkenen ook belang bij juiste registratie: anders zijn er ook nadelen of problemen met fiscale toedeling van inkomen, erfrecht, erfenisbelasting, etc. Veel privacy schendende controles zoals nu in de bijstand worden overbodig bij deze fiscale definitie van gezamenlijk huishouden.

De kostendelersnorm vervalt per direct, vooruitlopend op de invoering van het Zekerheidsinkomen.[xvii] Door deze norm worden bijstandsgerechtigden nu gekort op hun uitkering als er meerdere personen in huis wonen, tenzij het gaat om degene met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, jongeren tot 21 jaar, studenten en commerciële onderverhuurders/kamerbewoners. Normaal is de bijstand gebaseerd op 70% van het minimumloon, als er 1 persoon extra woont is dat 50%, bij 2 extra personen 43,33%, bij 3 extra personen 40% en bij 4 of meer extra personen 38%.

De argumentatie voor de korting is dat men kostenvoordeel geniet bij een gezamenlijk woonadres en dat er anders door stapeling van uitkeringen achter één voordeur een behoorlijk totaalinkomen kan ontstaan. Het voorbeeld van de regering daarbij was dat van een gezin met één kostwinner tegen een modaal salaris en een gezin met volwassen inwonende kinderen die allemaal in de bijstand zitten. De familie Bijstand was beter af dan de familie Kostwinner. Dat voorbeeld was natuurlijk niet helemaal eerlijk, want als die kostwinner ook die volwassen inwonende kinderen had, konden die kinderen ook bijstand aanvragen of, beter nog, werken, waardoor het totaalinkomen van de familie Kostwinner wel degelijk hoger zou zijn geweest dan dat van de familie Bijstand. Daarnaast kun je afvragen hoeveel van dit soort families Bijstand er eigenlijk zijn. 

In de praktijk[xviii] leidt het tot grote problemen, met name bij oudere inwonende kinderen, al dan niet vanwege een (arbeids)beperking of zorg, en bij inwonende ouder(s), bijv. vanwege mantelzorg. Het is ook een groot probleem bij gepensioneerden met onvolledige AOW en geen ander inkomen, die aangewezen zijn op aanvullende bijstand, en bij hen die samenwonen of gehuwd zijn met een (nog) niet toegelaten vreemdeling, die bijv. nog in procedure is. Met de huidige enorme woningnood leidt deze kortingsregeling tot nog grotere problemen. Het bestraffen van woningdelen met een korting op de bijstandsuitkering verergert de woningnood en vergroot de financiële problemen van bijstandsgerechtigden, terwijl woningdelen voor woningzoekenden en bijstandsgerechtigden juist een voordeel zou opleveren. We moeten zo snel mogelijk een eind maken aan deze idiotie.

De kostendelersnorm komt nu bovenop de partnertoets: het inkomen en vermogen van de partner wordt naast dat van jouzelf in aanmerking genomen om te bepalen of je recht hebt, en als je een gezamenlijke huishouding voert, en beiden minder verdiend dan het sociaal minimum, dan krijg je samen niet tweemaal 70% van het minimumloon (de norm voor een alleenstaande), maar 100% van het minimumloon. De definitie van een gezamenlijk huishouden is in de bijstand veel ruimer dan bij de fiscus. Van een gezamenlijke huishouding is in de bijstand sprake “indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben” (huisvestingscriterium) én “zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins” (zorgcriterium). Voor de belasting zijn fiscale partners alleen samenwonende gehuwden en samenwonende geregistreerde partners, waaronder ook samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract. Het gaat dus om een juridisch vereiste (gehuwd zijn/geregistreerd partnerschap/notarieel samenlevingscontract) en een huisvestingscriterium, maar niet om een zorgcriterium. Bij de bijstand betekent samenwonen een korting, bij de fiscus willen betrokkenen zelf juist de status van samenwonend: naast een officiële erkenning van hun relatie gaat het daarbij om bijv. erkenning van natuurlijke of geadopteerde kinderen, regelen van erfrecht, en fiscale faciliteiten als toerekening van elkaars inkomen. Dit leidt bij de bijstand tot een soms maniakale en zeer privacy verstorende en intimiderende opsporingspraktijk, met speurtochten naar meer tandenborstels, onderbroeken van vermeende partners, aanmoedigen van verklikkers, bespiedingen door rechercheurs en cameraopnames van overnachtingen van die vermeende partners.

Een postadres moet verder volstaan voor de toekenning van het Zekerheidsinkomen, om te voorkomen dat dak- en thuislozen niet in aanmerking komen.

  • Een Zekerheidsinkomen met ruime vrijstellingen voor bijverdiensten en vermogen

Betaald werk moet lonen: Als je werkt moet je meer verdienen dan in een uitkering, en je moet meer geld overhouden. Er komt een ruimere bijverdienstenregeling dan nu in de bijstand.[xix] Bijv. bijverdiensten voor 50% vrijstellen in het eerste half jaar, 30% in het tweede half jaar en 20% voor het tweede jaar, met een maximum aan de vrijstelling tot aan de genoemde percentages van het wettelijk minimummaandloon. Kleine baantjes leiden vaak tot meer werk, maar dan moet je ze in het begin niet te zwaar belasten. Voor wat we rekenen tot inkomen, sluiten we aan bij de fiscale definitie daarvan – ander inkomen is dus geheel vrij.

Als je teveel vermogen hebt, dan moet je dat eerst opmaken voordat je nu recht op bijstand krijgt. Die vermogensgrens is € 12.450, – voor een gezin en een alleenstaande ouder en € 6.225, – voor een alleenstaande (bedragen voor 2020). Schulden – behalve studieschulden en schulden aan familieleden – mogen worden afgetrokken. Er zijn geen andere vrijstellingen van vermogen. Dat geldt ook voor waardevolle bezittingen, zoals een auto, motor, boot of caravan, en de afkoopwaarde van verzekeringen. Ook de eigen woning (minus de nog uitstaande hypotheek) wordt daarbij in aanmerking genomen. Dat moet je dus eerst maar verkopen. Waar je dan kan wonen en of dat ook lukt, en hoe je dan in de tussentijd aan inkomen moet komen, Joost mag het weten. Dat verruimen we aanzienlijk. Wij denken aan: Een ruim eigen vermogen van bijv. € 100.000, plus de zelf-bewoonde eigen woning, worden vrijgesteld. Een vermogenstoets doet afbreuk aan de eenvoud en vraagt om controle, maar die is ook al van belang bij een hogere en effectievere belasting op kapitaal. Zonder vermogenstoets is er een te grote prikkel om beschikbaar inkomen om te zetten in vermogen, en zou daarmee de inkomenstoets uithollen.

  • Een voldoende hoog Zekerheidsinkomen

Op de Politieke Ledenraad van oktober 2019 is onze motie unaniem aangenomen tot (stapsgewijze) verhoging van het Wettelijk Minimumloon (WML) tot 14 euro per uur met behoud van de huidige koppeling van het sociaal minimum aan het WML. Dat betekent onder meer dat ook de bijstandsnormen en dus ook het Zekerheidsinkomen met zo’n 40% verhoogd worden ten opzichte van de huidige bijstandsbedragen.

De bijstand was ooit bedoeld om inkomenszekerheid te verschaffen, een vangnet om te zorgen dat je niet in armoede zou vervallen. Misschien is het goed als we hier nog even in herinnering roepen hoe dat ging. In 1963 wist onze eerste vrouwelijke minister Marga Klompé (KVP) de Algemene bijstandswet door de Tweede Kamer te loodsen. Voortaan was een leven zonder armoede niet langer, zo schreef ze, ‘een zaak van barmhartigheid, maar van recht.’ En de uitkering moest vooral niet te karig zijn. ‘Een bloemetje op tafel hoort erbij,’ vond Klompé. Dat bloemetje dat kun je inmiddels wel vergeten, mensen kunnen niet meer hun vaste lasten, hun voedsel en kleding, de kosten van hun kinderen betalen. Doordat het minimumloon is achtergebleven bij de mediale loonontwikkeling is ook de bijstand daarbij achtergebleven. Dat effect is nog verder versterkt doordat bij koopkrachtreparaties vooral is ingezet op verhoging van de arbeidskorting, waarvan niet-werkenden niet profiteren. Een en ander gebeurde onder invloed van de neoliberale gedachte dat vergroting van het verschil in inkomen tussen werkenden en niet-werkenden een positieve prikkel zou opleveren om te gaan werken. Daarmee werd volkomen miskent dat deze mensen geen prikkels nodig hebben, maar adequate hulp. Het heeft dan ook alleen maar meer armoede en hogere maatschappelijke kosten opgeleverd.

Voor 2021 is een verdere verlaging van het sociaal minimum voorzien ten gevolge van een beslissing van Rutte I. Rutte II heeft dat wel verzacht, maar het staat nog steeds te gebeuren. Die vergroting van de afstand tussen WML en sociaal minimum moet direct worden teruggedraaid. En uiteraard moeten we dan ook de huidige aparte lagere WML-bedragen en dito sociaal minimumbedragen voor 18-21-jarigen schrappen.

Nederland staat nummer 14 op de lijst van de rijkste landen ter wereld.[xx] Alleen een aantal olie- en gasstaten (Qatar, Brunei, de VAR, Koeweit, Noorwegen), een aantal andere belastingparadijzen (Macau, Luxemburg, Singapore, Ierland, Hong Kong, Zwitserland en San Marino) en de Verenigde Staten (nummer 12) gaan ons voor.

Toch is er in ons land bittere armoede, toenemende problematische en risicovolle schulden, zijn mensen steeds meer afhankelijk van vormen van liefdadigheid (voedselbanken, kledingbanken, speelgoedbanken, etc.) en wordt het aantal daklozen (nu al 40.000) steeds groter. Bestaanszekerheid in zijn meest elementaire vorm van eten en drinken, een dak boven je hoofd met energielevering en een zorgverzekering zijn voor een deel van de bevolking niet meer bereikbaar. Armoede wordt ook steeds meer erfelijk, kinderen die in armoede opgroeien hebben een verhoogde kans op ook arm te blijven. Eén op de negen kinderen groeit op in armoede.

Het is een grote schande dat in ons rijke land er zoveel mensen in armoede leven en afhankelijk zijn van liefdadigheid. Afhankelijk van de definitie hebben we het over 6 tot ruim 8% van onze ruim 7 miljoen huishoudens (cijfers 2018), zo’n 420.000-600.000 huishoudens, zo’n 1 tot 1,1 miljoen mensen. Ongeveer de helft daarvan leeft in langdurige armoede (tenminste vier jaar). Van deze arme huishoudens maken tenminste 264.000 tot 280.000 kinderen deel uit, waarvan 110.000-170.000 in langdurige armoede. Je kunt het ook afmeten aan de stijgende vraag bij de Voedselbanken: ieder jaar stijgt de vraag, in 2018 6% meer.

Volgens het Nibud kwamen arme huishoudens in 2018 al € 217 per maand tekort, en dit tekort stijgt al jaren achter elkaar. Voor een gezin met twee kinderen loopt dat op tot € 275 per maand. Daarbij moet bedacht worden dat dit tekorten zijn op de normbudgetten die CBS, SCP en Nibud voor armoede berekenen. Deze normbudgetten (€ 1040-1135 per maand voor een alleenstaande, en € 1960-2100 voor een gezin met twee kinderen in 2018) waren nog veel hoger dan het sociaal minimum, de bijstandsuitkering (in 2018 respectievelijk € 943 en € 1346 per maand), waardoor mensen die daarvan afhankelijk zijn, nog veel meer tekortkomen. Bovendien gaan deze tekorten uit van erg lage normbedragen voor bijv. huur – in werkelijkheid zijn de vaste lasten voor velen hoger.

De neoliberale ideologie stelt dat hogere uitkeringen aan mensen in armoede leiden tot hogere werkloosheid. Deze komt ook tot uiting in de CPB-rekenmodellen, al is het CPB wel zeer recent tot de conclusie gekomen dat het aantal banen dat zou verdwijnen door verhoging van het minimumloon veel minder is dan ze eerst hadden ‘berekend’.[xxi] Daarbij stelt het CPB wel als voorwaarde dat bij het verhogen van het minimumloon het sociaal minimum (bijstand, maar ook de AOW) niet – of in ieder geval niet volledig – meestijgt. Daarbij wordt betoogd dat werken anders niet voldoende zou lonen, en het CPB gelooft nog steeds in de fictie van het financieel prikkelen van werklozen als oplossing van hun werkloosheid.

De redenering is (te) simpel: als je uitkeringen verhoogt dan heb je minder prikkel om te werken, zelfs als je tegelijk de lonen tenminste even veel verhoogt. Of er ook werk is, en of je daarvoor ook in aanmerking komt, daar rekent het model niet mee. Wat de maatschappelijke kosten van armoede zijn ‘uiteraard’ ook niet. We weten dat wel. Problematische schulden kosten ons bijv. 11 miljard (!) euro per jaar, heeft het Nibud uitgerekend.

De neoliberale redenering stelt ook dat een hoger minimumloon leidt tot meer werkloosheid. Zeshonderd economen, onder wie 7 Nobelprijswinnaars, toonden echter in 2015 zelfs aan dat er door verhoging van het minimumloon geen banen verloren gaan, maar juist erbij komen. Uit een studie door de wetenschappers Sonn en Lathrop waarin de effecten van het verhogen van het minimumloon in de VS sinds 1938 worden geanalyseerd, blijkt eveneens dat de werkgelegenheid toeneemt. Vakbondshistoricus Sjaak van der Velden komt tot dezelfde conclusie in zijn recente onderzoek voor De Burcht, het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging, over loonstrijd en loonontwikkeling in Nederland. Ruim driekwart van de tussen 1970 en 2015 gecreëerde werkgelegenheid is niet te danken aan loonmatiging, zoals vaak wordt beweerd, maar aan andere factoren.

De invoering van een hoger minimumloon in zowel de VS, Verenigd Koninkrijk als Duitsland hebben nauwelijks tot geen stijging van de werkeloosheid veroorzaakt. Die ervaringscijfers en nu ook de recente cijfers van het CPB bevestigen het ongelijk van de tegenstanders, mits je het in stappen doet.

Volgens het CPB kost een verhoging van het minimumloon met 40% met behoud van de huidige koppeling aan het sociaal minimum bijna 25 miljard euro per jaar. Dat zijn echter alleen de bruto-effecten – verzuimd wordt te vermelden dat er ook extra belastinginkomsten zijn, ook omdat verwacht mag worden dat de arbeidsproductiviteit stijgt. Het grootste deel van de kosten gaat overigens naar de verhoging van de AOW. Daarmee zou niet alleen de armoede onder gepensioneerden met alleen AOW of met alleen een zeer klein aanvullend pensioen worden bestreden, maar ook de dekkingsgraden van de pensioenfondsen in één klap dramatisch verbeteren. Het pleidooi voor een hogere AOW is al in een motie van ons in de Politieke Ledenraad van oktober 2019 unaniem aangenomen.

  • Een Zekerheidsinkomen ter vervanging van bijstand en Wajong

De bijstand en de Wajong kunnen bij invoering van het Zekerheidsinkomen vervallen, met uitzondering van de bijzondere bijstand – die blijft bij gemeenten voor aanvullend maatwerk.

De in het pensioenakkoord en in het advies van de Commissie Regulering van Werk (de commissie Borstlap) voorziene verplichting van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen op het niveau van het sociaal minimum kan bij introductie van een Zekerheidsinkomen ook achterwege blijven. Door de beperkte partnertoets en de hoge vermogensvrijstelling vervalt de noodzaak van weer een aparte regeling met een eigen premieregime.

  • Geen universeel basisinkomen

Sommigen in onze partij bepleiten ter vervanging van de huidige gekmakende, ineffectieve en miljoenen kostende participatiedwang een universeel basisinkomen. Een inkomen dat iedereen krijgt, zonder inkomens- en vermogensvoorwaarden dus, als individuele basisinkomenszekerheid. Wij zijn daar niet voor om een aantal redenen.

In de eerste plaats omdat een hoog genoeg basisinkomen voor iedereen leidt tot een enorm rondpompen van geld. Degenen die zelf hun inkomen verdienen moeten om zo’n hoog basisinkomen te financieren enorm hoge belastingen betalen. Dat zal noodgedwongen ook de belasting op inkomen uit arbeid betreffen. De Rotterdamse econoom Bas Jacobs heeft zelfs de grote pleitbezorger van het onvoorwaardelijk basisinkomen, Rutger Bregman, ervan overtuigd dat dit desastreus zou zijn voor de arbeidsparticipatie.[xxii] Ook Alfred Kleinknecht, emeritus hoogleraar Technische Universiteit Delft, betoogt recent in Economisch-Statistische Berichten overtuigend waarom een individueel universeel basisinkomen een slecht idee is.[xxiii] De belastingen op arbeid zouden dramatisch moeten stijgen om iedereen een hoog basisinkomen te geven – 70% of meer: Van iedere 10 euro die je met werken verdiend, zouden er maar 3 of 2 overblijven. Dan is het risico wel erg groot dat mensen zeggen, laat maar, ik ga niet meer werken. Of erger nog: ik ga minder werken. Arbeid moet blijven lonen en betaald werk blijft, anders dan wat sommige bepleiters van een onvoorwaardelijk basisinkomen menen, belangrijk en moet dat ook blijven.

Een lager basisinkomen, waar voorstanders van een onvoorwaardelijk basisinkomen vanwege de kosten en de belastingdruk voor pleiten, doet onrecht aan het grootste probleem, structureel geldgebrek als oorzaak van armoede en schulden. En dan hebben we het nog niet eens over de neoliberale versie van het basisinkomen, die tegelijkertijd met een te lage uitkering ook nog de fiscale inkomenstoeslagen wil schrappen en in plaats van meer nivellering pleit voor minder nivellering met een voor iedereen gelijk belastingtarief (vlaktax). Dat kunnen sociaaldemocraten nooit voor hun rekening nemen. Evenmin als het wegbezuinigen van alle arbeidsbemiddeling, zoals de Vereniging voor Basisinkomen doet in haar voorstel voor een basisinkomen 2.0.

Maar er is wel verandering nodig. Van wantrouwen naar vertrouwen. Van plichten naar rechten. Van complexiteit naar eenvoud. Van financiële prikkels naar inkomenszekerheid. Maar met behoud van het streven naar volledige werkgelegenheid, en erkenning van de waarde van betaald werk. En daar dan ook echt werk van maken.


[i] https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/persberichten-2020/dnb389042.jsp

[ii] https://www.cpb.nl/juniraming-2020#

[iii] In de zorg financieren we deze investeringen weer terug door een eind te maken aan de enorme verspilling die daar nu plaatsvindt. In het alternatieve zorgstelsel dat wij voorstaan – zonder marktwerking, zonder rol voor verzekeraars en gemeenten, zonder gekmakende bureaucratisering; maar o.m. met veel meer samenwerking, een geheel nieuw bekostigingssysteem, met zorgcoöperaties waarin iedereen in loondienst is, met een sterke publieke regulering van medicijnen en met veel meer zorgpreventie – kan zelfs tenminste 25 miljard euro structureel worden bespaard, terwijl de kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg verbeterd worden.

[iv] Banninglezing door Lodewijk Asscher, De Rode Hoed, maart 2018

[v] Centraal Bureau voor de Statistiek, Meting IVRPH-indicatoren 2016, 2018; NIVEL, Meting indicatoren voor monitoring van het VN Verdrag voor de rechten van mensen met een handicap; stand van zaken 2012-2016 in Nederland, Utrecht: 2018.

[vi]  Zie:  https://www.scp.nl/Nieuws/Invoeren_Participatiewet_en_afsluiten_sociale_werkvoorziening_heeft_baankansen_Wsw_doelgroep_verminderd

[vii] De bestaande rechtspositieongelijkheid tussen verschillende groepen van SW-werknemers wordt beëindigd door iedereen een goede cao-rechtspositie te geven. De SW-instellingen krijgen daartoe voldoende Rijkssubsidie.

[viii] De bezuinigingsdrift leidt ook tot minder bijzondere bijstand. In de Wet werk en bijstand (Wwb) werd een langdurigheidstoeslag ingevoerd voor mensen die langere tijd in de bijstand zitten. Hoe langer in de bijstand hoe groter namelijk het risico op armoede. De Participatiewet maakte van deze toeslag een individuele voorziening: de toekenning moet het voorwerp worden van maatwerk. Zoals zoveel blijkt bij gemeenten die financiële zorgen en onzekerheden kennen betekent maatwerk zelden meer, en meestal minder geld. Sommige gemeenten vullen dit ‘maatwerk’ al zo in dat ze deze hele voorziening categoriaal inperken of zelfs geheel afschaffen. Hiermee wordt de bijstand als vangnet nog verder ondermijnd.

[ix] Het geldt niet voor tijdelijke arbeidsmigranten, ook niet uit andere EU-lidstaten – net zoals dat nu ook zo is bij de bijstand.

[x] Hoe belastend het zelfstandig burgerschap kan zijn blijkt uit een casus van de Nationale Ombudsman die de WRR aanhaalt. Een alleenstaande ouder met schoolgaande kinderen, een deeltijdbaan, een aanvullende uitkering en een huurwoning krijgt inkomsten van twaalf verschillende instanties. In dit geval komen er tachtig betalingen per jaar binnen waarvoor achttien formulieren moeten worden ingevuld. Stel je de papierwinkel voor, plus de kans dat er ergens misschien een foutje wordt gemaakt.

[xi] https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2017/04/24/weten-is-nog-geen-doen

[xii] In de rapporten van de Nationale Ombudsman is deze vicieuze cirkel terug te zien. In zijn rapport “In het krijt bij de overheid” is te lezen hoe mensen steeds dieper wegzakken in de schulden omdat ze achterlopen bij het betalen van rekeningen aan het UWV en de Belastingdienst. Vaak begon het met een boete die werd opgelegd vanwege een foutief ingevuld formulier of te laat doorgegeven informatie.

[xiii] De uitzendbureaus die hier bewust op sturen werden echter in alle commotie vaak buiten beschouwing gelaten, terwijl zij juist de Poolse migranten met deze praktijk uitbuiten, zoals CNV en FNV terecht aangaven. Zie: https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4534606/uitzendbureaus-polen-arbeidskrachten-migranten-kosten-ww-vakantie

[xiv] Waarbij opgemerkt moet worden dat bijna de hele Tweede Kamer hier boter op zijn hoofd heeft door eerst schande te roepen over fraude en de regering vroeg om hier meer werk van te maken.

[xv] Zie: https://bijvoorbaatverdacht.nl/nooit-meer-een-systeem-als-syri/

[xvi] Lees hier meer over bij: https://platformburgerrechten.nl/2018/11/13/alle-gegevens-die-over-u-worden-verzameld-kunnen-tegen-u-gebruikt-worden/

[xvii] Hierover heeft de Politieke Ledenraad van de PvdA al unaniem een motie aangenomen in oktober 2019.

[xviii] Zie: https://www.nrc.nl/nieuws/2015/08/14/kostendelersnorm-bijstandswet-raakt-vooral-kwetsbare-ouderen-a1413979 en: https://www.sociaalweb.nl/blogs/weg-met-de-kostendelersnorm

[xix] Nu mag je in de bijstand 25% van je loon met een maximum van 215 euro netto per maand (bedragen 2020) bijverdienen zonder korting, en dat geldt alleen als je 27 jaar of ouder bent, en voor maximaal 6 maanden van je bijstandsuitkering. Alleenstaande ouders mogen daarenboven 30 maanden 15% met een maximum van 136,26 euro netto per maand bijverdienen zonder korting. Bedragen variëren in de praktijk per gemeente. Een aantal inkomsten (zoals toeslagen) zijn wettelijk vrijgesteld van korting op bijstand, maar veel gemeenten voeren daar een eigen aanvullend beleid in. In principe moet je alle inkomsten, ook giften, aan de gemeente doorgeven, tot aan inkomsten uit verkoop van inventaris – bijv. via Marktplaats – aan toe. Er zijn gemeenten die hun geld besteden aan controles op zulke sites…

[xx] Zie: https://pureluxe.nl/2019/04/rijkste-landen-wereld-2/

[xxi] https://www.cpb.nl/kansrijk-arbeidsmarktbeleid-update-minimumloonbeleid#docid-160195

[xxii] Zie: https://decorrespondent.nl/8225/deze-variant-van-het-basisinkomen-is-realistisch-en-betaalbaar/316210125-2f75431a

[xxiii] Zie: https://esb.nu/esb/20059830/het-onvoorwaardelijke-basisinkomen-is-een-doodlopende-weg

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *