Toelichting motie eerlijk en eenvoudig belastingstelsel (Politieke Ledenraad PvdA, 10-10-2020)

Enorme, onrechtvaardige, schadelijke en gevaarlijke ongelijkheid

De inkomens- en vermogensongelijkheid in ons land is veel groter dan onze officiële statistieken ons willen doen geloven. In de officiële statistieken wordt de inkomensongelijkheid weg-gedefinieerd. Dat komt vooral omdat inkomen uit vermogen nauwelijks belast wordt, en de statistiek uitgaat van belastinggegevens. Dat terwijl we ook volgens de officiële statistiek wel enorme vermogensongelijkheid hebben, en ook die wordt nog eens onderschat. Alleen landen als de Verenigde Staten van Amerika doen het nog slechter, en ons belastingstelsel versterkt op dit moment die ongelijkheid.

De veelgebruikte Gini-coëfficiënt[1] is een ontoereikende maat van ongelijkheid. Salverda heeft al in 2014 gepleit voor een andere meting van ongelijkheid[2]. Het gestandaardiseerde inkomen, waar in het beleid doorgaans alle aandacht naar uit gaat, vormt het sluitstuk van de initiële inkomensvorming, de inkomensherverdeling en de inkomenscorrectie voor huishoudgrootte en -samenstelling. Salverda laat de toenemende ongelijkheid van de inkomensvorming zien die er achter schuil gaat. Onder de stabiele Gini-coëfficiënt van de gestandaardiseerde-inkomensverdeling treden al met al zoveel verschuivingen op dat de grote meerderheid van de huishoudens wel degelijk een toenemende ongelijkheid ervaart.

Die enorme ongelijkheid is onrechtvaardig omdat ze voor het grootste deel niet gebaseerd is op eigen verdienste. Te grote ongelijkheid is ook economisch schadelijk (rijken hebben geen belang meer bij publieke uitgaven. Bovendien zijn er steeds meer aanwijzingen dat ongelijkheid gepaard gaat met allerlei maatschappelijk onheil: meer kindersterfte, geestesziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, misdaad – en minder sociaal vertrouwen, minder sociale mobiliteit en een lagere levensverwachting)[3] en het leidt tot een bedreiging van de democratie door een te grote concentratie van macht. Piketty heeft overtuigend de economische theorie ontkracht dat ongelijkheid hoort bij economische groei en vanzelf zou afnemen.

Alman Metten (econoom en PvdA-Europarlementariër van 1984 tot 1999) becijferde[4] dat het vermogen van Nederlandse miljonairs (2% van alle huishoudens) 25 maal zo groot is als het vermogen van de onderste helft van de huishoudens. Drie jaar geleden was dat nog 14 maal zo groot. Wat telt zwaarder, vraagt Metten, voor de economische veiligheid van jou en je gezin, en voor je kansen in de samenleving: inkomen, dat iedere maand weer opnieuw verdiend moet worden, en dat wegvalt bij ziekte of overlijden? Of vermogen, dat bezit is en dus wettelijk beschermd, wat er ook gebeurt?

Een leuke manier om inzicht te geven in de vermogensverdeling is de Parade van Pen (2015). Dat gaat als volgt: stel je voor dat in een optocht alle huishoudens van Nederland in één uur tijd voorbijkomen, in volgorde van de hoogte van hun vermogen. De lengte van de vertegenwoordigers van deze huishoudens is evenredig gemaakt aan hun vermogen. Je krijgt zo een enorme stoet van dwergen, met helemaal achteraan enkele reuzen. Het gemiddelde vermogen is 1.74 ‘meter’, dat komt pas na 45 minuten langs. Aan het eind volgen de ‘reuzen’ met een gemiddelde lengte van 9 meter!

De vermogensongelijkheid is, zoals Piketty heeft aangetoond, veel belangrijker voor het meten van ongelijkheid dan inkomensongelijkheid. Ook omdat vermogensongelijkheid in de statistiek de inkomensongelijkheid maskeert.

Hoe de statistiek de enorme ongelijkheid maskeert[5]

Een belangrijk deel van de verklaring dat veel inkomen uit vermogen buiten beschouwing wordt gelaten is de zwarte doos van het Nederlandse belastingstelsel Box II. In Box II geef je al het inkomen op dat je met je eigen bedrijf hebt verdiend. Maar het Nederlandse belastingstelsel is zo ingericht, dat je er goed aan doet de inkomsten uit eigen bedrijf zo veel mogelijk te beperken. Het Centraal Bureau voor de Statistiek ziet pas dat een bedrijfseigenaar inkomen heeft als het bedrijf winst uitkeert. Je betaalt namelijk pas belasting op het moment dat je onderneming winst uitkeert of de aandeelhouder zijn aandelen verkoopt. Daar zit de crux, want zolang je onderneming geen winst uitkeert en de aandeelhouder zijn aandelen niet verkoopt, heeft de bedrijfseigenaar geen inkomen en betaalt deze ook geen inkomstenbelasting. Zo kunnen bedrijfseigenaren belastingheffing tot sint-juttemis uitstellen. Je moet als bedrijfseigenaar wel minimaal een ‘gebruikelijk loon’ aan jezelf uitkeren. Minimaal is dat ongeveer 44.500 euro. Maar dit is natuurlijk een schijntje voor de vermogendste Nederlanders. Omdat bedrijfseigenaren dus geen inkomen aangeven op hun belastingaangifte, zie je veel inkomen ook niet terug in de statistiek.

Neem de hoogste binnenkomers in de Quote 500. In 2017 kreeg fitnessketen Basic-Fit een notering aan de Amsterdamse beurs. Eigenaren Eric Wilborts en René Moos verkochten tijdens de beursgang ieder voor ongeveer 30 miljoen euro aan aandelen. Of althans, hun gezamenlijke bedrijf AM Holding verkocht die aandelen en kreeg de opbrengsten. Het CBS ziet die tweemaal 30 miljoen euro niet. Dit is eerder regel dan uitzondering. Vrijwel alle vermogende Nederlanders herbergen hun geld in een bedrijf. De 10 procent rijkste Nederlanders bezit ongeveer 100 procent van dit type bedrijfsvermogen. En slechts 5800 huishoudens (de rijkste 0,08%) bezitten tezamen bijna de helft van al dit soort vermogen.

Hoe dieper je graaft in deze materie, hoe vreemder het wordt. Neem dit bijvoorbeeld: van de winst die nog wél uitgekeerd wordt uit het eigen bedrijf, en die dus meetelt in de ongelijkheidscijfers, telt het CBS sinds 2001 alle uitkeringen boven een kwart miljoen euro niet meer mee. En: stel, je verkoopt voor een miljoen aan aandelen van je bedrijf om daar een huis van een miljoen mee te kopen. Dan is dat volgens het CBS geen inkomen. Je hebt één vorm van vermogen (aandelen) omgezet in een andere vorm van vermogen (een huis) – dat is ‘een vermogenstransactie’, niet ‘inkomen.’ Het gevolg: wéér worden de topinkomens fors onderschat. Die niet-getelde winstuitkeringen zijn volgens het CBS zelf maar liefst 40 procent van alle winstuitkeringen.

Daar komt bij dat het door de Belastingdienst gerapporteerde inkomen uit kapitaal niet gebaseerd is op echte waarnemingen, maar wordt geschat met een fictief rendement. De rijksten, die veel beleggen, verdienden de afgelopen jaren doorgaans meer dan dat fictieve rendement en betaalden dus eigenlijk te weinig belasting. De rest juist minder, vanwege dalende huizenprijzen (na de vorige crisis zakten de huizenprijzen in vijf jaar cumulatief met 27%) en sparen tegen nul-rentes, en zij werden dus juist te hoog belast.

Miljonairs genoten, volgens Metten, over 2011-2013 een rendement van ruim 68 miljard euro op hun vermogen van 949 miljard euro, maar betaalden slechts belasting over 38 miljard euro. Een voordeeltje van bijna 200.000 euro per huishouden, dat niet belast is en niet als inkomen is geregistreerd. Voor de onderste helft van vermogensbezitters werkt het andersom. Zij verloren 6,4 miljard euro aan vermogen maar moesten 4% belasting betalen over 2,5 miljard euro fictief rendement, die de fiscus hen toedichtte.

In 2013 al constateerde de commissie-Van Dijkhuizen, die onderzoek deed naar een ander belastingstelsel, dat bedrijfseigenaren op ‘grote schaal gebruikmaken van de mogelijkheid winst in te houden.’ Een conservatieve schatting liet zien dat bedrijfseigenaren ongeveer 13,4 miljard euro winst konden uitdelen, maar daarvan slechts 3,6 miljard euro uitkeerden. Directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) stellen nu een hoog inkomen en dus belastingheffing uit, en doen gemiddeld slechts eens in de zeven jaar aangifte, terwijl de fiscus met alle andere belastingplichten wel jaarlijks afrekent. DGA’s zitten zo hun geld op te potten totdat het weer aantrekkelijker wordt om het uit te keren, in plaats van het geld in de economie te besteden. Dit is slecht voor het economisch herstel en onrechtvaardig naar de andere belastingbetalers.

En dan is er nog de wijze waarop inkomen uit bezit wordt meegenomen in de statistiek. Metten[6] wijst er bijvoorbeeld op dat inkomen dat gebruikt wordt om rente mee te betalen niet als inkomen wordt beschouwd, het werkelijk inkomen wordt verminderd met die rentebetaling (rente wordt kennelijk niet uit inkomen betaald, zo merkt Metten terecht cynisch op). Omdat de hoogste inkomens de hoogste schulden en dus ook de hoogste rentebetalingen doen (zij kunnen zich dat veroorloven), worden hierdoor de hoogste inkomens kunstmatig verlaagd, en wordt zo de inkomensongelijkheid opnieuw kunstmatig verkleind. Daarenboven wordt inkomen uit waardetoename van bezit niet als inkomen beschouwd. Inkomen uit bezit bestaat vooral uit verkoopwinst op bezit van aandelen of onroerend goed. Dit bezit is extreem omvangrijk en geconcentreerd: 2% van de huishoudens bezit de helft van alle financiële waarden, de onderste helft van de huishoudens bezit daarentegen slechts 2%. De 10% rijkste huishoudens bezit driekwart van alle financiële waarden. Hun inkomen uit dat bezit wordt niet meegenomen in de statistiek van de inkomensongelijkheid in Nederland.

Leuker kunnen we het niet maken – door het kennelijke onvermogen van onze belastingdienst om uit te gaan van het werkelijke rendement wordt de inkomensongelijkheid nog groter en blijft deze buiten de cijfers. Bovendien: veel vermogen geeft ook veel vermogenswinst van je vastgoed, aandelen, obligaties en ander bezit. Omdat vermogenswinst geen inkomen is, wordt het niet meegenomen in die lage Gini-coëfficiënt van inkomensongelijkheid. Maar de waarde van bezit stijgt op de langere termijn gewoon mee met de economische groei, en is dus een grote bron van koopkracht – voor wie het heeft.

Al deze factoren leiden tot de conclusie dat de vermogensongelijkheid in Nederland nog veel groter is dan uit de CBS-cijfers blijkt. Dit betoogden de hoogleraren Wiemer Salverda en Bas van Bavel ook in een artikel op de economensite Me Judice[7], waarbij ze er ook op wezen dat de rijkste Nederlanders in de Quote 500 ruim tweekeer zoveel vermogen hebben dan deze groep bij het CBS heeft.

Zo komt het dus dat een bijstandtrekker volgens de conventionele inkomensvergelijkingen een hoger inkomen zou hebben dan de prinses van Oranje die 150 miljoen euro verkoopwinst maakt op aandelen Adyen. En leg maar eens aan een huurder uit dat de winst van een paar ton op een huis dat tien jaar geleden gekocht is, het inkomen en de koopkracht van het huishouden van de eigenaar niet beïnvloedt.

Kiezers onderschatten de ongelijkheid enorm. GroenLinks liet daar in 2018 onderzoek naar doen.[8] Het is daarom van groot belang om kiezers hierover beter te informeren. Zelfs het miljonairsblad Quote roept links Nederland op om de bestrijding van ongelijkheid tot speerpunt te maken.[9]

Het is niet dat we het ons niet kunnen veroorloven om armoede uit ons land te verbannen, het is de hebzucht van degenen die enorme hoeveelheden kapitaal verzamelen en de onwilligheid van onze overheid om tot correctie en dus tot fiscale herverdeling over te gaan, die veroorzaakt dat deze schandalige misstand blijft bestaan.

Huidig belastingstelsel versterkt de ongelijkheid

Een beschaafde, en zeker een sociaaldemocratische politiek is er op gericht de ongelijkheid te beperken, onder meer door herverdeling van ‘kennis, macht en inkomen’ – om met Den Uyl te spreken. Het herverdelen van inkomen en bezit doen verzorgingsstaten vooral met hun belastingstelsel.

In het huidige belastingstelsel echter subsidiëren de armen de rijken in plaats van andersom en wordt kapitaal nauwelijks belast en werken zwaar belast – en door maatregelen tijdens en na de vorige crisis is dit nog verder toegenomen.[10] De inkomens- en vermogensongelijkheid blijkt bij correctie voor kapitaalinkomen (waaronder ook die van bezit) en voor flexwerkinkomen in ons land enorm te zijn, en stijgend. De belastingdruk op arbeid is nu ruim viermaal zo hoog als die op kapitaal. Iedere euro die met arbeid wordt verdiend wordt effectief met 40-45% belast, die welke met kapitaal wordt verdiend slechts met 9%. Inmiddels is de vermogensbelasting belasting in Nederland zelfs regressief: hoe hoger je rendement, hoe lager je belastingdruk.

Nederland kent de laagste belastingdruk op kapitaalinkomen van alle EU-landen. In 1995 was dat nog bijna 20%. Het EU-gemiddelde is 31,4%. Ook het aandeel van belasting op kapitaalinkomen in de totale belastingopbrengst behoort met 15,4% tot de lagere in de EU, samen met een aantal Oost-Europese landen. Nederland is één van de koplopers in het aanjagen van internationale belastingconcurrentie naar steeds lagere tarieven en kan dus ook zelf nu al eenzijdig stappen nemen die dit proces doen keren. Het Nederlandse tarief is formeel weliswaar 25%, maar in de praktijk is het effectieve tarief slechts 7%, één van de laagste in Europa. De effectieve belastingdruk is bij multinationals is de laatste jaren al met 5% gedaald.

Rijksbelastingen en premieontvangsten naar grondslag (2018). Bron: Ministerie van Financiën[11]

Belasting- en premieontvangsten 2018 (Bron: Ministerie van Financiën en CBS). De belasting/heffing van decentrale overheden maakt geen onderdeel uit van het totaal.

Dat de belastingen voor bedrijven de afgelopen decennia zo sterk zijn gedaald heeft alles te maken met economische mythes, zo liet Mirjam de Rijk in haar boek ‘51 mythes over wat goed zou zijn voor onze economie’ goed zien. Misschien wel de belangrijkste mythe is dat belastingverlaging voor bedrijven goed zou zijn voor de economie en de werkgelegenheid. Dat zeggen werkgevers altijd: geef ons lagere belastingen, dat is goed voor de werkgelegenheid. Nee dus: Als bedrijven meer geld overhouden, blijken ze niet te gaan investeren. Ze gebruiken het geld om eigen aandelen op te kopen, voor hogere dividenden of voor overnames. Allemaal zaken die niets toevoegen aan de reële economie. Voor investeren is afzet nodig, en daarvoor is koopkracht nodig. Tweederde Nederlandse economie is namelijk afhankelijk van de binnenlandse vraag. De koopkracht blijft echter steeds verder achter, o.m. door deze belastingpolitiek ten gunste van het grootbedrijf en het grootkapitaal.

En voor de belasting op huishoudens is ook al decennia een denivellering gaande. Vanaf de jaren 1970 is het topbelastingtarief structureel omlaaggegaan – van 80% (Den Uyl), naar 72% (Oort), naar 60% (Vermeend), naar 52% (nu) naar 49,5% (voorstel Rutte III). Het toptarief wordt al snel bereikt (bij een inkomen van ruim anderhalf modaal) en is daarmee niet gericht op de echte topinkomens. In de belastingvoorstellen van Rutte III wordt dat nog verder verlaagd, en blijven er maar twee tariefschijven over. Nog even en we zitten in de neoliberale natte droom van een vlaktax: één tarief voor iedereen.

Tabel belastingtarieven in Nederland19702020
BtwLaag4%9%
Hoog12%21%
InkomstenbelastingMinima36%36,5%
Modaal48%41%
Rijk80%52%
Winstbelasting48%17,5-21%
Dividendbelasting25%15%

Armoedeval

En dan is er ook nog het probleem van de armoedeval. Nu betalen Nederlanders in de eerste en tweede belastingschijf nauwelijks inkomstenbelasting, maar wel veel premies voor de volksverzekeringen. Daardoor zijn de marginale tarieven ook voor lage inkomens bijzonder hoog (tot wel 90%!) en houden ze van hun brutoloon netto maar weinig over. Dat inkomensverlies moeten we vervolgens repareren met huur-, zorg- en kinderopvangtoeslagen, kindgebonden budgetten en wat al niet meer. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt in Nederland zelden een kwartje.

Een hele fiscale kerstboom vol belastingtarieven, heffingskortingen en inkomenstoeslagen beoogde van Nederland een beschaafd, sociaal land te maken. Maar de keerzijde is dat iemand die probeert te ontsnappen aan de armoede, door meer te werken en carrière te maken, zijn of haar subsidies kwijtraakt en zo weinig overhoudt van al die ijver en ambitie. Tot een modaal inkomen ga je er nauwelijks op vooruit als je bruto meer gaat verdienen, doordat de toeslagen dan verminderen of uiteindelijk geheel wegvallen.

Wie arm is in Nederland en rijker probeert te worden, vindt de Belastingdienst op z’n weg. ‘Als nivelleren een feest is, dan is de armoedeval de comazuiper die de dansvloer onderkotst’, zo stelde Mathijs Bouman in een column terecht. Want wat heb je aan inkomensgelijkheid als het mensen in een afhankelijke positie houdt? Hoe durven we ons belastingstelsel ‘progressief’ te noemen, als in de praktijk de hoogste marginale tarieven door de laagste inkomens worden betaald?

De fiscale toeslagen (huur, zorg en kinderopvang) veroorzaken ook veel schulden: 27% moet deze terugbetalen, bij kinderopvang is dat zelfs 40%! Dat komt vooral door wisselende inkomens, en de jaarsystematiek. Men krijgt de toeslagen als voorschot op basis van een geschat inkomen per jaar. Valt dat tegen, dan moet je terugbetalen. Vaak kunnen lage inkomens dat niet. Bovendien vraagt 17% van de rechthebbenden geen zorg- of huurtoeslag aan. Het systeem is te complex en te risicovol. Tenslotte veroorzaakt het systeem ook grote uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst en veel controlekosten en -ellende.

Maar toeslagen zijn nu wel nodig om de steeds stijgende lasten aan huur, zorg en kinderopvang te kunnen opvangen. Alleen een hoger besteedbaar inkomen helpt daar onvoldoende tegen. We moeten zorgen dat de lasten omlaag gaan.

Lagere huren, sparen in plaats van lenen voor woningen

Allereerst de huren. Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf. Niet genoeg mensen realiseren zich dat de Nederlandse koopwoningmarkt is gebouwd op extreem royale hypotheekschulden. Prijsopdrijving, blootstelling aan risico’s en meer volatiliteit zijn de gevolgen. Vanuit het buitenland wordt vaak met argwaan gekeken naar dit piramidespel. Veel beter is: langer huren, geld sparen en op latere leeftijd met een kleinere hypotheek kopen (of blijven huren). Prioriteit bij het oplossen van de woningnood moet liggen bij betaalbaar huren weer tot norm maken. Een ander woningbeleid voorziet in een structurele miljardeninvestering ten behoeve van de opdrachten van de woningcorporaties (die weer coöperaties van huurders zouden moeten worden):

  • 100.000 nieuwe woningen per jaar;
  • fors lagere huren (afgedwongen met een maximum huurquote van 1/3 van het besteedbaar inkomen tot anderhalf modaal);
  • renovatie, verduurzaming en levensloopbestendig maken van alle woningen voor 2030.

Die miljarden kunnen vrijgemaakt worden bij het vervallen van de huidige 14 miljard (!) subsidie[12] aan hypotheekrenteaftrek en daarenboven nog van de huidige vrijstelling van woningbezit bij inkomen uit vermogen, welke beiden voor het grootste deel bij de hogere inkomens terecht komt. Deze wijziging is dus ook behoorlijk nivellerend en zorgt dat er een eind komt aan de kunstmatige prijsopdrijving van woningen door de fiscale subsidies. We herstellen de brede volkshuisvestingstaak van de sociale woningbouw door deze ook weer te laten bouwen voor de middeninkomens, en we breiden de huurbescherming uit: door de liberalisatiegrens te laten vervallen, het puntenstelsel (WWS) te verbeteren (geen WOZ-waarde meer verdisconteren; verduurzaming woningen geen meer huurverhoging dan de energielasten minder worden, geen extra punten meer voor basale voorzieningen als een toilet), en maken een einde aan het flexwonen.

Lage huren kunnen worden gecombineerd met gesubsidieerde spaarprogramma’s voor huurders, zoals in Duitsland, zodat zij het zo opgebouwde eigen vermogen in de toekomst kunnen aanwenden om een woning te kopen – maar ook om de grote vermogensongelijkheid tussen de ‘haves’ en ‘have nots’ te bestrijden.

Wie vervolgens met een levensloopperspectief kijkt naar vermogensopbouw, ziet dat de opbouw van woonvermogen (door de afbetaling van de hypotheek) concurreert met het opbouwen van een pensioen. Iedere euro kan tenslotte maar één keer uitgegeven worden. Wie een blik over de grens werpt, ziet dat landen met meer eigenwoningbezit over het algemeen een minder genereuze pensioenvoorziening kennen. Woningeigenaren lossen tijdens hun werkzame leven hun hypotheek af, en hebben daarna lage woonlasten. Ze hebben daarom minder pensioenuitkeringen nodig. In landen met een grote huursector, zijn de pensioenen juist flink ontwikkeld. Saillant detail: in zulke landen investeren pensioenfondsen vaak in huurwoningen. Nederland heeft op macroniveau zowel een flinke koopsector als genereuze pensioenen. Op microniveau zijn het vooral jongvolwassenen die geen van beide hebben. Zij hebben geen toegang tot een koopwoning, en bouwen bovendien nauwelijks pensioen op. Hiervoor liggen twee oplossingen voor de hand.[13]

Ten eerste zouden de pensioenfondsen meer kunnen investeren in betaalbare huurwoningen. Gezamenlijk zouden ze hiervoor een verhuurorganisatie kunnen oprichten, waarvan zij aandeelhouder worden. Huurwoningen zijn een aantrekkelijke langetermijninvestering voor de pensioenfondsen. Hoewel betaalbare huurwoningen een lager rendement hebben, is het rendement wel stabiel.

Ten tweede zouden de pensioenfondsen kunnen investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken. Voor lage en lagere middeninkomens kan de overheid de keuze voor woonvermogen met een subsidie ook voor hen bereikbaarder maken.

Beide mogelijkheden gaan we stimuleren in de door ons gewenste regulering van het vermogensbeheer van pensioenfondsen. Die zijn nu teveel zakenbanken geworden. Het belang van hun deelnemers moet weer voorop komen te staan. Met minder risico kunnen nog steeds uitstekende rendementen worden behaald. Met veel minder kosten ook.

Stop met individualisering van zorg- en kinderopvangkosten

Wie vindt dat kosten voor ziekte en hulpbehoevendheid een eigen verantwoordelijkheid zijn, of misschien zelfs eigen schuld (‘dan had je je er maar beter tegen moeten verzekeren’), of dat zorg een ‘consumptiegoed’ is waarbij het inkomen nu eenmaal bepaalt hoeveel je ervan kunt consumeren, zal kiezen voor het individualiseren van de zorgkosten. Het is een politieke keuze, geen wetenschappelijke of economische keuze.

Onze PvdA moet in haar verkiezingsprogramma duidelijk maken dat stijgende individuele zorgkosten een politieke, ideologische keuze is. En dat wij staan voor een links, solidair alternatief, met solidariteit tussen arm en rijk en tussen ziek en gezond. Dat de zorgkosten collectief prima financierbaar zijn – ook als je fors daarin extra investeert, als je bereidt bent het geld daarvoor te halen waar het zit, en tegelijkertijd de zorg veel efficiënter en effectiever organiseert.

De afgelopen jaren is de ongelijkheid in toegang tot gezondheidszorg onmiskenbaar toegenomen. Dat heeft te maken met dat de kosten steeds meer, inkomensonafhankelijk, geïndividualiseerd worden (hogere nominale premies, het hoge eigen risico, hogere eigen bijdragen, een te beperkt verzekerd pakket), met het feit dat tweederde van de zorgkosten via premies op arbeidsinkomen drukken maar kapitaalinkomen buiten beschouwing houden, en met het feit dat een deel van de zorg niet meer publiek wordt aangeboden, door bijvoorbeeld de sluiting van verzorgings- en verpleegtehuizen.[14]

Ook de marktwerking in de zorg vergroot de ongelijkheid. Een systeem dat gebaseerd is op individueel slim keuzes maken – voor polissen, voor zorgaanbieders, eventueel voor een hoger eigen risico – beloont de slimste kiezers, de hoger opgeleiden. De al bestaande enorme inkomens- en vermogensongelijkheid in ons land wordt door het zorgstelsel zo nog verder versterkt, hetgeen we onder meer tot uiting zien komen in sterk afwijkende gemiddelde levensverwachtingen, vooral als we kijken naar de levensverwachting in goede gezondheid, tussen laag en hoogopgeleid.

Nu ‘bezuinigen’ we door kosten te individualiseren: premiestijging[15], eigen risico[16], eigen bijdragen[17], onderbrengen van delen van noodzakelijke zorg naar de aanvullende verzekering (fysiotherapie, tandartszorg), afschuiven zorgverlening op mantelzorgers (zelfredzaamheid/eigen kracht). Dat is geen bezuiniging, geen betere kostenefficiëntie, maar lastenverschuiving van overheid naar de burger, en m.n. naar de burger die (veel of erg) ziek is. Dit laatste leidt ook tot schijnbare belangentegenstelling tussen patiënt en weinig zieke premiebetaler (‘zorgconsument’). En is de bijl aan solidariteit tussen ziek en gezond.

Hoewel de kosten vanuit het collectief bezien beheerst worden, kunnen ze op individueel niveau enorm stijgen. De kosten van dergelijke hulp zijn immers voor de eigen portemonnee. Veel mensen kunnen dit niet betalen en zullen daarom van hulp afzien. Het drukt met andere woorden de kosten van verzekeraars en premiebetalers, niet die van patiënten. Het individualiseren van de kosten betekent dat de kosten nog steeds worden gemaakt, maar zieken betalen ze nu zelf.

Door de zorg niet meer via premies maar uit de algemene belastingen te financieren, worden inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdragen ook overbodig: de zorg wordt dan immers al betaald naar inkomen en vermogen. Het heffen van inkomensafhankelijke eigen bijdragen lijkt eerlijk, maar heeft als nadeel dat hoge inkomens gaan winkelen buiten het publieke bestel, waardoor het draagvlak voor de publieke zorg vermindert. Ook zijn er vermogenden die hun geld voortijdig wegsluizen naar hun kinderen, om daarmee de eigen bijdragen van bijvoorbeeld verpleeghuizen te ontlopen. ABN Amro heeft er zelfs een aparte pagina voor op haar website: ‘Kan ik door een schenking voorkomen dat ik een hogere WLZ-bijdrage moet betalen?’ De eigen bijdragen vergen bovendien een enorme bureaucratische rompslomp. Het is allemaal te vermijden door de zorg via de algemene belastingen te bekostigen. Omdat nog een belangrijk deel van de zorgpremie inkomensafhankelijk via de werkgever loopt, dragen mensen die niet in loondienst zijn, zoals renteniers, niet via die route mee. Het huidige systeem maakt arbeid duurder en vergroot de ongelijkheid tussen rijk en arm.

Door het schrappen van de aparte zorgpremies (ZVW en WLZ) en het schrappen van het eigen risico en eigen bijdragen in de zorg is er ook geen zorgtoeslag meer nodig. We moeten radicaal stoppen met de individualisering van de kosten voor publieke zorgverlening – die blijft gereserveerd voor zorg die we niet publiek vergoeden omdat ze niet noodzakelijk en/of nuttig is. Dus we schrappen eigen risico, eigen bijdragen en aparte zorgpremies hier volledig. Het CAK kan daarmee worden opgeheven.

Hetzelfde geldt voor de kinderopvangtoeslag, waar we de kinderopvang gratis maken door deze collectief te financieren en als publieke voorziening integreren met het onderwijs (inclusief voorschool). We gaan publieke zorg, onderwijs en kinderopvang net als de veiligheid volledig uit de belastingopbrengsten financieren.

Individualisering van de financiering van collectieve publieke dienstverlening ondermijnt de solidariteit en holt een rechtvaardige kostenverdeling uit. Het leidt tot schadelijk calculerend gedrag van burgers. We maken een eind aan de keuzejungle en prestatiestresswaar teveel burgers in verdwalen. Op steeds meer terreinen acht de overheid de burger zelf verantwoordelijk. Maar dat is nog maar de helft van het mensbeeld dat de overheid ons voorhoudt. Burgers zijn niet alleen zelf verantwoordelijk, we houden ze voor dat zij ook zelf het beste weten wat zij nodig hebben en hoe zij hun belangen in dezen het beste kunnen behartigen. De nadruk op eigen verantwoordelijkheid van de burger leidt ook tot het aansprakelijk stellen van de burger als die een fout maakt. Er is een bijna maniakale nadruk op rechtmatigheid bij de overheid.

Maar calculerend gedrag op dat terrein is niet altijd wenselijk vanuit het publieke, algemeen belang. Het stimuleren van individueel kostenbewustzijn heeft een neveneffect. De burger wordt gereduceerd tot een consument. Een consument die vooral zijn eigen belang moet behartigen. Deze mentaliteit is inmiddels dieper in onze samenleving geworteld dan goed voor ons is. Steeds agressievere ‘zorgconsumenten’ bij zorgaanbieders en dito ouders bij de scholen van hun kinderen. Zij is ook zichtbaar bij bestuurders van (semi)publieke instellingen die de geleidelijke aanpassing van hun salaris aan de Balkenende-norm aanvechten bij de rechter onder de titel dat zij ‘ook rechten’ hebben. De relatie tussen cliënten en professionals staat centraal bij de kwaliteit van dienstverlening en deze moeten niet in individuele consumentrelaties worden vormgegeven – we moeten het individualisme in onze samenleving bestrijden waarin burgers tot consumenten gereduceerd worden en de Staat/publieke sector tot een ‘BV Nederland’.

Belastingontwijking

Er is in Nederland op grote schaal sprake van belastingontwijking en belastingontduiking, met name over vermogen en kapitaalinkomen. Nederland is internationaal kampioen in het faciliteren van belastingontwijking. Per jaar stroomt er een schier onwaarschijnlijk bedrag van € 4000 miljard door Nederlandse brievenbusfirma’s, meer dan in welk land dan ook. Uit onderzoek van Oxfam Novib blijkt dat ontwikkelingslanden jaarlijks minstens 460 miljoen euro aan belastinginkomsten mislopen via brievenbusmaatschappijen in Nederland. Het trekt ook veel crimineel geld aan, zoals van de maffia uit Italië en Rusland. De Amsterdamse Zuidas is in feite één grote witwasfabriek. Brievenbusbedrijven moeten worden bestreden – bij voorrang die van Russische ondernemingen en oligarchen die op de sanctielijst staan of daarmee indirect zijn verbonden zoals Gazprom, en van de bedrijven en personen die bijv. de Griekse belastingen vermijden. Onderzoek laat zien dat deze zogenaamde ‘investeringen’ over het algemeen alleen gericht zijn op het doorsluizen van geld, de reële waarde die aan de Nederlandse economie wordt toegevoegd is verwaarloosbaar. Ontwikkelingslanden verliezen ongeveer anderhalf keer zoveel geld aan belastingontwijking en –ontduiking als ze aan hulpgelden ontvangen.

In juni 2017 werd uit een nieuw onderzoek van de FNV[18] duidelijk dat er nog steeds een groot aantal ontwijkingsroutes zijn, en dat de staat zelfs fiscaal onderzoek van multinationals financiert om deze routes in kaart te brengen. De FNV onthulde drie nieuwe routes: de Curaçaoroute, de Hongarijeroute en de Zwitserlandroute. Deze routes worden gebruikt door Ahold, Aegon, G-Star en de BCD Groep (Cheaptickets.nl, Vliegwinkel.nl en het reisbureau voor o.a. het Europees Parlement). De FNV wil dat deze routes direct gesloten worden en dat bedrijven die belasting ontwijken worden uitgesloten van aanbestedingen.

Het is een gênante vertoning. Ambtenaren en ministers bedelen om multinationals zijn Europese hoofdkantoor in Nederland wil vestigen. En dat terwijl Nederland zo hoog staat op de lijstjes die de internationale concurrentiekracht van landen in kaart brengen. Eigen kracht eerst, zou je zeggen. Maar kennelijk is dat niet genoeg. Na het gebedel komen de fiscale cadeautjes. Sinterklaas bestaat en hij heeft ook een vestigingspiet, de Netherlands Foreign Investment Agency, het NFIA. Dat is een agentschap van het ministerie van Economische Zaken dat buitenlandse investeerders en (Europese) hoofdkantoren van multinationals naar Nederland moet halen. Tot wel 80 procent korting op je reguliere belastingaanslag kun je krijgen, bleek uit een e-mail tussen honderden pagina’s documenten die NRC Handelsblad op basis van de Wet openbaarheid van bestuur overhandigd kreeg. De NIFA vergoedde tot voor kort zelfs de fiscale advieskosten van bedrijven die hier een vestiging overwegen. De Tweede Kamer heeft in 2017 uitgesproken dat dat laatste niet meer mocht. Zoals de Kamer eerder per motie uitsprak dat Nederland geen belastingparadijs mag heten.

Onze reputatie als een vestigingsplaats waar je zaken kunt doen met de fiscus, is alom bekend. Die fiscale voordelen zijn binnen Europa de logische instrumenten in de concurrentiestrijd tussen kleine en grote landen. De grote, zoals Duitsland en Frankrijk, hebben een natuurlijk overwicht. Een grotere thuismarkt, dus een groter aanbod van werknemers en hoger-opgeleiden, en een markt met meer consumenten. Kleine landen (België, Luxemburg, Zwitserland, Ierland, Nederland) verweren zich traditioneel met een liberaal belastingregime. Of het bankgeheim. Of beide.

Een vergelijkbaar moeizame omgang met de fiscale praktijk zie je in de relatie tussen de NS en het ministerie van Financiën als enig aandeelhouder van de Spoorwegen. De concurrentiewaakhond ACM gaf de NS in 2017 geleden een recordboete van 40,5 miljoen euro wegens marktmisbruik bij een aanbesteding in Limburg in 2014. In het besluit daarover bespreekt de ACM ook de rol van een financieringsmaatschappij van de NS in Ierland bij de aanbesteding. De NS gebruikt deze Ierse maatschappij om zijn Nederlandse belastingen te drukken. Zonder deze Ierse dochter was het bod van de NS op de aanbesteding onhaalbaar. Op het moment dat de NS de aanbesteding bijna klaar had, liet het ministerie van Financiën telefonisch weten dat de Ierse financieringsdochter moet worden opgedoekt. Consternatie bij de NS. Wat te doen? Druk overleg en mailverkeer volgt. Aan het eind van de rit wijzigt de NS het bod in Limburg niet, maakt het ministerie geen bezwaar tegen de Ierse fiscale route en wordt de telefonische opdracht om de Ierse dochter te ontmantelen ook niet schriftelijk bevestigd. Pas ná de Limburgse aanbesteding komen er nieuwe afspraken over de Ierse belastingroute.

Belastingontwijking door bedrijven en ontduiking door particulieren, kost de Nederlandse economie miljarden euro’s per jaar. Grote bedrijven ontwijken met internationale fiscale constructies de fiscus terwijl het MKB het volle pond aan vennootschapsbelasting betaalt. De kern van bijna al deze routes is dat multinationals hun winsten verschuiven naar landen waar die niet of nauwelijks worden belast. Dit kost onze schatkist miljarden euro’s per jaar.

De belastinggrondslag in Nederland zelf is ernstig aangetast. Voor Nederland loopt het bedrag aan gemiste belastinginkomsten op tot zo’n € 30 miljard per jaar: zo’n een derde van ons totale budget voor gezondheidszorg en bijna tien keer het budget van ontwikkelingssamenwerking; tegen een geschatte opbrengst van slechts € 0,5 tot € 1,5 miljard per jaar. Volgens de Stichting Economisch Onderzoek hebben slechts 3500 mensen in Nederland hun baan te danken aan dit voor multinationals uiterst gunstige belastingklimaat. Tachtig van de honderd grootste ondernemingen ter wereld hebben inmiddels in ons land vennootschappen om hun inkomsten zo belastingvrij mogelijk door te geleiden.

Voor een goed functionerend belastingstelsel is het van groot belang dat de belastingmoraal hoog blijft. Nu 85% van de bevolking het idee heeft dat zijzelf meer betalen doordat anderen frauderen met belastingen of belastingen ontwijken, is het noodzakelijk om dit stevig en snel aan te pakken. Anders daalt de belastingmoraal, met alle gevolgen van dien. Naar aanleiding van het rapport ‘Miljarden voor het oprapen’ onder medewerkers van de Belastingdienst heeft het vorige kabinet in zijn regeerakkoord vastgelegd extra te willen investeren in controles. Maar door extra bezuinigingen op de publieke sector, waaronder de belastingdienst, werd onder Rutte II per saldo juist bezuinigd op het personeel en de kwaliteit van de belastingdienst. Tegelijkertijd neemt het aantal ingewikkelde bedrijfsaangiftes steeds verder toe. Telde Nederland aan het eind van de vorige eeuw 300.000 ondernemingen, vandaag de dag zijn dat er 1,2 miljoen, vier keer zo veel. Aangiftes van ondernemingen worden daarom gemiddeld nog maar eens in de 40 à 50 jaar gecontroleerd – tot grote onvrede van de FNV-ers bij de Belastingdienst. Belastingdienstmedewerkers geven aan dat er nog steeds miljarden voor het oprapen liggen als er meer mensen zijn om het werk te doen. Door de aanhoudende bezuinigingen wordt de naleving van en daarmee het vertrouwen in het huidige belastingstelsel ondermijnd. Binnen een nieuw belastingstelsel moet dat echt anders. Goede naleving levert draagvlak en inkomsten op.

Het bieden van belastingvoordelen voor bedrijven zorgt voor een onwenselijke herverdeling van publieke naar private actoren en van het MKB naar de multinationals. De zwaarste schouders met de meest vernuftige belastingadviseurs dragen de lichtste lasten, zo betoogde Roos van Os, senior onderzoeker bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen, al in S&D van juni 2015. Zij constateert moreel gezwalk bij onze politici op dit thema en concludeert dat ondanks veel lippendienst effectieve maatregelen tot nu toe uitblijven. Het laten voortduren van ontduiking van belastingen is een immorele keuze die de ongelijkheid internationaal en nationaal sterk doet toenemen.

Een concrete en meetbare aanpak van belastingontwijking en -ontduiking door multinationals en superrijken moet een belangrijk onderdeel vormen van de belastingherziening. Volgens voormalig FIOD-rechercheur Jan van Koningsveld (gepromoveerd op offshore-vennootschappen, gehoord door de parlementaire commissie financiële constructies) brengen vermogende Nederlanders naar schatting 150 miljard euro onder in belastingparadijzen. Om belastingfraude tegen te gaan moet flink geïnvesteerd worden in de kwaliteit en capaciteit van de Belastingdienst. Daar is nu onvoldoende capaciteit om te controleren of bedrijven en huishoudens zich aan de belastingregels houden.

Ons belastingstelsel is een pretpark voor het grootkapitaal geworden. Het vergroot de ongelijkheid enorm, terwijl die toch al enorm toeneemt. Wie rijk en vermogend is betaald effectief veel minder belasting, vooral door aftrekposten, vrijstellingen en uitstelmogelijkheden. De sterkste schouders met de meest sluwe belastingadviseurs betalen in ons land de minste belastingen. Jan en Annie Modaal en de mensen die daar niet aan toekomen betalen het feestje van het grootkapitaal, waar het geld ongekend tegen de plinten klotst. Door alleen naar gelijke kansen te kijken, die mede door de enorme inkomens- en vermogensongelijkheid steeds meer een fictie zijn, blijven meer gelijke uitkomsten buiten beschouwing.

Contouren van een nieuw belastingstelsel

We gaan daarom het belastingstelsel geheel op de kop zetten. We willen een eerlijk stelsel, dat te grote inkomens- en vermogensongelijkheid herverdeeld, de sterkste schouders weer de zwaarste lasten laat betalen en dat arbeid niet langer zwaarder belast dan kapitaal. We willen een effectief stelsel, waarbij belasting niet via allerlei kunstgrepen ontweken of ontdoken kan worden en waarin mensen niet vastzitten in een armoedeval. En we willen een eenvoudig stelsel, dat mensen begrijpen en goed uitvoerbaar is, en geen pretpark voor belastingadviseurs meer is. De hoofdlijnen daarvan zijn als volgt.

Er komen in de loon- en inkomstenbelasting niet minder, zoals het huidige kabinet wil, maar juist meer tariefschijven, inclusief een miljonairstarief (bv. 80%). De laagste tariefschijven gaan omlaag, bij de laagste inkomens zelfs tot nul, en mensen met een hoog inkomen en/of vermogen gaan veel meer betalen.

Alle inkomen, ongeacht de bron, wordt gelijk behandeld, en inkomen uit kapitaal gebaseerd op het werkelijke rendement (nu worden spaarders te zwaar belast en aandelen- en vastgoedbezitters veel te weinig). De huidige bevoordeling van kapitaalinkomen vervalt met het schrappen van het boxenstelsel. Kleine kapitaalbezitters (bijv. tot anderhalve ton) gaan minder betalen, grote kapitaalbezitters gaan meer betalen. Voor de bepaling van het werkelijk rendement gaan we uit van de waardevermeerdering van het bezit in het voorafgaande belastingjaar.

In het huidige stelsel hebben de fiscale partners de vrijheid de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen naar eigen inzicht te verdelen over de respectievelijke aangiftes. In het nieuwe stelsel worden de inkomsten uit vermogen 50/50 over de fiscale partners verdeeld en opgeteld bij hun individuele inkomsten uit arbeid. Ook dit helpt om belastingontwijking te voorkomen. En het vermindert de ongelijkheid met éénverdienershuishoudens.

We schrappen bovendien alle aftrekposten, heffingskortingen, vrijstellingen en uitstelmogelijkheden, zowel in de inkomensbelasting als in de vennootschapsbelasting. Deze komen nu vooral ten goede aan de hoge inkomens en vermogens en er wordt veel belasting mee ontweken. Dit leidt tot een grote herverdeling van rijk naar arm en bevorderd een hogere arbeidsinkomensquote. Dit vereenvoudigt het belastingstelsel enorm, maakt de tarieven effectief en transparant en bestrijdt misbruik en belastingontwijking.

We schrappen ook de aparte premies voor volksverzekeringen (AOW, WLZ, ZVW) – de uitgaven voor de AOW en de zorg worden in het vervolg uit de belastinginkomsten betaald, waardoor ook inkomen uit kapitaal van huishoudens en bedrijven eraan gaan meebetalen.

En we schrappen de fiscale inkomenstoeslagen voor huur, zorg en kinderopvang, zoals hiervoor aangegeven.

We voeren een aparte vermogensbelasting in voor miljonairs, bijv. 1% voor vermogens tussen 1 en 2 miljoen en 2% voor vermogens boven 2 miljoen euro.

De erfenis- en schenkingsbelasting wordt ook verzwaard. Iedere Nederlander krijgt het recht om gedurende zijn leven 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast (zeg: de eerste 500.000 euro met 40 procent, alles daarna met 60 procent). De vrijstelling voor het kopen van een huis voor je kinderen wordt geschrapt. Dat is een onrechtvaardige subsidie van arm naar rijk en verhit de woningnood onnodig. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers wordt geschrapt.

Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting (terug naar de niveaus aan het begin van deze eeuw; dus van 25 naar 35% resp. van 20 naar 29%) en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft, maar verhoogd. De tarieven maken we progressief: hoe hoger de winst en het dividend, hoe hoger het tarief. We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief, beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn tenminste net zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant.

We schrappen ook alle vrijstellingen, zoals de innovatiebox (waar multinationals te makkelijk geld maar tegen 5% kunnen laten belasten) en de deelnemersvrijstelling en voordelen met betrekking tot herstructurering van schulden en verliezen, waarmee zelfs algehele belastingvrijstelling verkregen kan worden.

We stoppen met alle fiscale subsidiëring van schulden, zowel bij huishoudens als bij bedrijven, zoals hiervoor aangegeven.

We gaan de huidige fiscale ondernemingsfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) en ondernemersfaciliteiten (incl. die voor Directeur-Grootaandeelhouders, DGA’s) geheel laten vervallen. De DGA gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap als arbeidsinkomen. Daarmee volgen we het advies van de Commissie Borstlap.[19]

Er zijn nu grote verschillen tussen werkenden in fiscale behandeling van werk en in inkomensbescherming. Zo betalen zelfstandigen geen werknemerspremies (WW, WAO/WIA, ZW), en geen verplichte aanvullende pensioenpremie. De verschillende behandeling van inkomensbronnen in ons belastingstelsel impliceert voorts dat looninkomsten meer worden belast dan inkomsten uit onderneming. Zelfstandig ondernemers hebben diverse ondernemingsfaciliteiten (zoals de Landbouwvrijstelling, de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen, de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en de herinvesteringsreserve) en ondernemersfaciliteiten (zoals de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de mkb-winstvrijstelling) die maken dat er minder belastingen en premies (ook voor volksverzekeringen als AOW, ANW en WLZ) verschuldigd zijn.

Daarnaast zijn er specifieke voordelen voor DGA’s. De juridische splitsing tussen de persoon en de vennootschap maakt dat voor de DGA: i) de inkomsten van zijn onderneming worden belast met vennootschapsbelasting, ii) eventuele dividenduitkeringen alsmede voordelen uit (latere) verkoop van de aandelen worden belast met inkomstenbelasting tegen een tarief van 26,25 procent (box 2) en iii) de dga geacht wordt een “gebruikelijk loon” te genieten dat wordt belast met inkomstenbelasting in box 1 (conform de looninkomsten van een werknemer). Deze systematiek maakt het mogelijk dat er veel (arbeids)inkomen van de DGA achterblijft in de vennootschap dat pas op een later moment (met name bij verkoop van de aandelen) wordt belast in de inkomstenbelasting tegen een tarief van 26,25 procent. Van deze mogelijkheid voor belastinguitstel wordt door dga’s in omvangrijke mate gebruikgemaakt. DGA’s lenen nu excessief bij de eigen vennootschap om zo belastingheffing te ontkomen (nu voor gezamenlijk 55 miljard euro!). DGA’s delen zo geld niet uit als dividend en zetten het ook niet in als ondernemingsvermogen, maar wenden het voornamelijk aan voor private consumptie.

Het resultaat is een ongelijke behandeling van arbeidsinkomen, met name wanneer bij een zelfstandige arbeid de voornaamste bron van inkomen is. Dit doet zich voor, indien een zelfstandige geen of marginaal kapitaal heeft geïnvesteerd in zijn onderneming. Het arbeidsinkomen van de zelfstandige wordt in dat geval te laag belast en het arbeidsinkomen van DGA’s kan in dat geval worden onderschat. Dit bevordert arbitrage tussen de fiscale regimes en de juridische vorm waarin arbeid wordt aangeboden.

De fiscale verschillen werken door naar andere collectieve (inkomens)voorzieningen, die verschillen in lasten creëren. Dit is het geval indien deze (inkomens)voorzieningen het inkomen als maatstaf nemen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de toeslagen: de fiscale voordelen van zelfstandigen brengen mee dat zij nu eerder en meer beroep kunnen doen op toeslagen dan andere werkenden.

Bij elkaar leiden alle verschillen tot grote verschillen in lasten op arbeid afhankelijk van de vorm waarin deze arbeid wordt verricht, dat een grote prikkel geeft tot zelfstandig ondernemerschap in plaats van werknemer, met een zeer beperkte bestaanszekerheid, en doordat de regelgeving de handhaafbaarheid bemoeilijkt, tot schijnconstructies. Ook leidt het tot forse uitholling van de financiering van de sociale zekerheid en van de collectieve voorzieningen. De fiscale voordelen voor zelfstandigen (zowel zelfstandig IB-ondernemers als DGA’s) leiden tot lagere collectieve inkomsten als gevolg van lagere ontvangsten van belastingen en premies. Dit gaat om forse bedragen die, gezien de volumeontwikkeling van ondernemers, duidelijk zijn gegroeid. De budgettaire derving van de twee grootste ondernemersfaciliteiten, de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling, is opgelopen van circa 1,4 miljard euro in 2004 naar circa 3,8 miljard euro in 2019.

Alle werkenden gaan op gelijke wijze meebetalen aan onze collectieve voorzieningen, inclusief het Zekerheidsinkomen, door arbeid voor alle werkenden – inclusief zelfstandigen – gelijk te belasten.

We steunen het voorstel voor GroenLinks om een naheffing te plegen bij multinationals die uit Nederland vertrekken naar belastingparadijzen.

En last but not least komen we met een fors offensief tegen belastingontwijking en -ontduiking:

-Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.

-Veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per 3 jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude ieder jaar).

-Aanscherpen van vestigingseisen multinationals (o.m. werknemers en kantoor in NL).

-Belastingverdragen met derdewereldlanden solidair maken en voorzien van antimisbruikbepaling.

-Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.

-Verscherpen van het toezicht op trustkantoren die nu werken voor brievenbusfirma’s. We saneren de sector met strenge regels en door illegale praktijken harder aan te pakken. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s en trustkantoren.

Zo’n grote stelselverandering kost uiteraard tijd. Zorgvuldigheid gaat boven snelheid. De beoogde koopkracht- en werkgelegenheidseffecten moeten goed bewaakt worden. Ook moet er bij bijv. afschaffing hypotheekrenteaftrek eerst voldoende betaalbare huur en bouwsparen als alternatief voldoende gerealiseerd zijn. Richtsnoer is dat we de koopkracht tot ca. anderhalf modaal (ca. € 55.000 per jaar) willen verbeteren, en dat we werkgelegenheid, betaalbaar wonen, effectieve tarieven en uitvoerbaarheid willen bevorderen. Gefaseerde invoering is daarbij een noodzaak.

Netto moet de stelselwijziging, afhankelijk van de precieze parameters, tientallen miljarden euro’s per jaar opleveren – we beogen bewust geen budgettair neutrale wijziging. Er is sprake van lastenverzwaring bij hoge inkomens en vermogens en bij – vooral kapitaalintensieve en/of vermogende – bedrijven. Bij lage en middeninkomens is er sprake van een lastenverlichting. Nivellering is wel degelijk een feest! Deze extra inkomsten worden gebruikt om de extra uitgaven uit andere onderdelen van ons programma te financieren. Zoals het aanpakken van de woningnood, structurele investeringen in de publieke sector (onderwijs, zorg, veiligheid, welzijn, cultuur), het verhogen van het minimumloon naar 14 euro per uur met behoud van huidige koppeling aan het sociaal minimum, in betere arbeidsbemiddeling, meer geld voor internationale solidariteit, en een eerlijke verduurzaming.

De verduurzaming van het belastingstelsel is hierboven buiten beschouwing gebleven. Dat vraagt een tweede spoor, waarbij de grootste vervuilers de meeste lasten dragen. Met een eerlijker energiebelasting, een effectieve CO₂-heffing, verpakkingsbelasting, rekeningrijden, kerosinebelasting, vliegtaks, btw-differentiatie, en andere noodzakelijke maatregelen. Dat is ook allemaal zeer belangrijk, maar deze motie richt zich vooral op bestrijden ongelijkheid.

Ook Europese belastingen blijven hier buiten beschouwing, zoals een gewenste digitaks. De motie richt zich nu eenmaal op het nationale verkiezingsprogramma.

Gerard Bosman


Noten:

[1] De ‘Gini-coëfficiënt’ is een waarde tussen 0 en 1 die de mate van ongelijkheid in een land uitdrukt. Bij 0 krijgt iedereen evenveel en leven we in een totaal communistische samenleving. Bij 1 krijgt één persoon alles. Na belastingen en uitkeringen is de Gini-coëfficiënt in ons land laag: sinds 2001 schommelt die tussen de 0,28 en 0,29. Dat dat komt doordat in Nederland veel inkomen wordt herverdeeld in relatie tot andere landen.

Probleem met dit cijfer is dat je het gemiddelde inkomen neemt, er ligt dus weinig nadruk op de extremen. Maar je kunt ook naar de bovenste en onderste 10 procent van de bevolking kijken. En dan is het schrikken. Met name de kloof tussen de allerarmsten en superrijken groeit. Sinds 2000 zijn alleen de hoogste dertig procent inkomens er in reëel besteedbaar inkomen op vooruit gegaan, de andere 70% zijn er op achteruitgegaan. De topinkomens explodeerden tot gemiddeld 52 keer het minimumloon. Wie, zoals topmanagers in het bedrijfsleven, zijn beloning deels in aandelen krijgt, zag de bedragen de afgelopen vijf jaar in de stijgende beurstrend zomaar verdubbelen. Deze ongelijkheid zien we niet terug in de Gini, omdat de middeninkomens tegelijkertijd naar elkaar toegroeiden.

[2] Wiemer Salverda, ‘De tektoniek van de inkomensongelijkheid in Nederland’, https://pure.uva.nl/ws/files/2346874/159402_446071.pdf

[3] Zie Wilkinson en Picket, ‘The spirit level: why equality is better for everyone’, bevestigd in: WRR: https://www.wrr.nl/publicaties/verkenningen/2014/06/04/hoe-ongelijk-is-nederland. Zie ook: https://www.sg.uu.nl/series/de-lift, een serie lezingen van econoom Robert Went (WRR), besproken en samengevat in: https://www.sg.uu.nl/artikelen/2018/04/grote-ongelijkheid-desastreus-voor-de-samenleving-en-de-economie

[4] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederland-hard-op-weg-naar-de-1-procent-samenleving .

[5] Zie ook: https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/cbs-meet-meer-ongelijkheid-maar-verkoopt-het-als-minder; https://decorrespondent.nl/5733/waarom-de-inkomensongelijkheid-in-nederland-groter-is-dan-we-denken/2585440982124-265e0fd1; https://www.groene.nl/artikel/vermogen-of-verdienste, https://www.rtlnieuws.nl/economie/opinie/artikel/3758051/nederland-misschien-wel-veel-ongelijker-dan-we-denken?redirect_from=rtlz

[6] Zie: http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/weggedefinieerd-inkomen-onttrekt-tweedeling-en-grotere-ongelijkheid-aan-het-zicht

[7] https://www.mejudice.nl/artikelen/detail/cbs-meet-meer-ongelijkheid-maar-verkoopt-het-als-minder

[8] Zie: https://groenlinks.nl/nieuws/kiezers-van-linkse-en-rechtse-partijen-verenigd-pleidooi-voor-minder-ongelijkheid

[9] https://www.quotenet.nl/nieuws/a216956/rijk-nederland-doet-het-waanzinnig-maar-de-rest-staat-stil-216956/

[10] https://www.groene.nl/artikel/en-de-winnaar-is-het-bedrijfsleven van Mirjam de Rijk

[11] Zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32140-50.html

[12] Vergelijk dat eens met de nauwelijks 2 miljard (huurtoeslag  minus verhuurdersheffing) die naar de huurders met lagere inkomens gaat.

[13] Met dank aan dr. Cody Hochstenbach, publicist en postdoctoraal onderzoeker in stedelijke geografie aan de Universiteit van Amsterdam.

[14] De meest omvangrijke manier waarop de zorgkosten zijn geïndividualiseerd is helaas niet in kaart te brengen. Het gaat dan om alle mensen die zelf hun zorg organiseren en betalen vanwege de hogere eigen bijdragen of omdat de betreffende zorg überhaupt niet meer wordt vergoed. Die kosten worden nergens geregistreerd en zijn dus onbekend. Door de veranderingen in de langdurige zorg hebben alleen de ‘allerzwaarste’ hulpbehoevenden nog recht op een plek in een tehuis. Wie het kan betalen koopt daardoor veel zorg zelf in, en soms zelfs een complete plek in een (te)huis. Alleen wie 24 uur per dag zorg nodig heeft, heeft tegenwoordig nog recht op een plaats in een tehuis of andere verblijfsinstelling. Wie al in een tehuis zat, mag daar blijven. Maar de komende jaren sterft deze populatie langzaam uit en worden nog veel meer tehuizen gesloten. Het bezuinigde bedrag loopt daardoor nog op.

[15] Sinds de afschaffing van het ziekenfonds in 2006 betaalt verder iedereen dezelfde nominale premie voor een verplichte particuliere verzekering. In het begin zorgde de zorgtoeslag ervoor dat die premie voor de basisverzekering voor de lagere en middeninkomens inkomensafhankelijk werd gecompenseerd. Maar de zorgtoeslag is de afgelopen jaren flink uitgekleed.[15] Daardoor compenseert die toeslag voor de groep die nog voor zorgtoeslag in aanmerking komt gemiddeld slechts 39% van de nominale zorgpremie.

Al met al zijn mensen met een laag of middeninkomen een veel groter percentage van hun inkomen kwijt aan zorgkosten dan wie meer verdient. Om een voorbeeld te geven: een stel met een gezamenlijk bruto-inkomen van 34.000 euro (netto zo’n 2500 per maand) is maandelijks 260 euro aan inkomensonafhankelijke zorgpremie kwijt (basis- en aanvullende verzekering) en heeft geen recht op zorgtoeslag. Nog afgezien van het eigen risico dat kan oplopen tot 65 euro per maand en eigen bijdragen voor bijvoorbeeld tandarts, medicijnen of gemeentelijke zorg. Veel mensen kunnen de zorgpremie niet of slechts met veel moeite betalen. De zorgverzekeraars hebben te maken met ruim 300.000 wanbetalers: mensen die al meer dan een half jaar geen premies hebben betaald. Het leed voor de verzekeraars is overigens te overzien, want er is wettelijk geregeld dat in zo’n geval de werkgever of uitkeringsinstantie verplicht is om de achterstallige premie (mét opslag) in te houden op het loon of de uitkering.

Een vrij onbekende maar substantiële denivellering van de zorgkosten zat in de staart van de hervorming van de langdurige zorg. Het grootste deel van de langdurige zorg die vroeger werd gefinancierd via de AWBZ, de algemene wet bijzondere ziektekosten, valt sinds 2015 namelijk onder de zorgverzekeraars (via de Wet Langdurige Zorg, WLZ). Het verschil? De AWBZ werd betaald via een inkomensafhankelijke premie, terwijl de kosten van de zorgverzekeraars voor bijna de helft opgebracht worden door de inkomensonafhankelijke (nominale) premie die voor iedereen gelijk is. De jaarlijkse zorgpremie neemt daardoor toe. Niet in één klap maar in stappen, want de overheid verzacht de kosten de eerste paar jaar nog een beetje. En dat gebeurt nu nog extra, omdat de bevriezing van het eigen risico gefinancierd moet worden uit de nominale premie.

Het andere tweederde deel van de zorgkosten wordt nog wél inkomensafhankelijk gefinancierd: via de fiscus met de inkomensafhankelijke premie voor de WLZ, via het deel dat werkgevers meebetalen aan de zorgverzekeraars (ZVW) en via de inkomensafhankelijke eigen bijdragen voor langdurige zorg en ondersteuning.

Mensen die hetzelfde inkomen op een andere manier binnenkrijgen, zoals AOW’ers of ZZP’ers, betalen daarbovenop de (belasting-) bijdrage aan de ZVW. Voor 2015 kwam dat neer op ruim 940 euro per jaar. Deze groepen zijn ruim 85 euro per maand kwijt en met eigen risico maximaal 109 euro. Dit verschil staat wel erg ver af van de oorspronkelijke gedachte: een basisverzekering voor iedereen, onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde prijs.

[16] Het gaat dan in de eerste plaats over het verhogen van het eigen risico. In 2011 waren de 13,5 miljoen Nederlandse premiebetalers nog maximaal 170 euro per jaar aan eigen risico kwijt, inmiddels is dat 385 euro. Wie medicijnen gebruikt, bloed laat prikken of naar een specialist moet, betaalt de eerste 385 euro zelf. De helft van de mensen is jaarlijks het hele eigen risico kwijt, de andere helft verbruikt een deel ervan.

De redenering achter het eigen risico wisselt: soms is de argumentatie dat het een rem zet op het zorggebruik, soms dat het de basispremie laag houdt doordat zieken een deel van hun kosten zelf betalen. De eerste redenering is opmerkelijk omdat het bij het eigen risico om zorg gaat waar een verwijzing van de huisarts voor nodig is. Blijkbaar vindt de huisarts doorverwijzing noodzakelijk, maar het eigen risico moet er vervolgens voor zorgen dat dit advies van de huisarts niet wordt opgevolgd. De tweede redenering is ook opmerkelijk, omdat ziekte daarin klaarblijkelijk wordt gezien als eigen schuld of eigen verantwoordelijkheid: het is kennelijk beter om de kosten door zieken te laten betalen en niet door alle premiebetalers gezamenlijk.

Als mensen minder zorg krijgen dan nodig heet dat in beleidsjargon zorgmijding. Een term die suggereert dat het aan de patiënt of hulpbehoevende ligt dat hij of zij de zorg niet tot zich neemt. ‘Zorgmijder’ doet denken aan junks en daklozen, aan verwarden die niet door hebben dat ze hulp nodig hebben, aan zorgbehoevenden die zich opsluiten achter de geraniums terwijl de hulpverleners in groten getale op de stoep staan. Of aan doktersangst of over-optimisme. Zorgmijding bestaat, maar voor mensen waar geen zorg voor is of die de benodigde zorg niet kunnen betalen, is zorgtekort of geldtekort misschien een adequatere term. In de praktijk leidt zorgmijding, omdat patiënten daardoor te laat goede zorg krijgen, op termijn tot hogere zorgkosten. Nu het eigen risico twee jaar bevroren is, zien we dat de kosten daarvan eenvoudig afgewenteld worden met een hogere premie.

Het eigen risico verleidt mensen ook tot gokken: met een vrijwillig hoger risico kun je forse premieverlaging realiseren, tot 300 euro per jaar. Tussen verzekeraars bestaan hierover grote verschillen. Steeds meer mensen kunnen die verleiding niet weerstaan: in 2012 koos 6,9% voor een vrijwillig hoger eigen risico, nu is dat al 12,3%. Van de groep verzekerden die kiest voor verhoging van het eigen risico, maakt ruim 72 procent de keuze voor het maximumbedrag: een vrijwillige verhoging van 500 euro. Dat komt neer op 8,9 procent van alle zorgverzekerden. Als er echter dan plotseling hoge zorgkosten ontstaan, en er is onvoldoende inkomen, dan zijn er in toenemende mate schulden, die nog eens verzwaard worden door verhoging van premie met 25% (!) bij meer dan zes maanden achterstallige premie plus invorderingskosten.

[17] Ook de eigen bijdragen bij gemeenten gingen omhoog: het bedrag dat mensen moeten bijbetalen voor hulp en begeleiding thuis of als ze in een tehuis terechtkomen. Gemeenten, bepalen zelf hoe hoog die (meestal inkomensafhankelijke) eigen bijdragen zijn. Zo steeg de eigen bijdrage voor dagbesteding van mensen die een hersenbloeding hebben gehad (in jargon ‘niet aangeboren hersenletsel’) in sommige gemeenten naar 750 euro per maand. In de ene gemeente krijg je de aanleg van een traplift vergoed, in de andere niet, in de ene gemeente is er veel hulp beschikbaar om als verstandelijk beperkte toch zelfstandig te kunnen wonen, in de andere vrijwel niets. Deze verschillen zijn voor het overgrote deel niet terug te voeren op verschillende behoeften van gebruikers, maar op financiële keuzes van gemeenten. Er kwamen bij de Nationale Ombudsman meer dan 900 klachten in een jaar tijd binnen over de eigen bijdragen, naast veel andere klachten over de zorg. Het is de vraag of dit niet een keer zal sneuvelen bij het Europese comité voor sociale grondrechten. En terecht, want grondrechten zijn er niet voor niets!

Tot 2014 waren er verschillende tegemoetkomingen voor chronisch zieken en gehandicapten, vanuit de redenering dat zij anders oneerlijk veel geld aan zorg kwijt zijn. Die landelijke regelingen zijn met ingang van 2015 afgeschaft, en in plaats daarvan kregen gemeenten een – veel kleiner – bedrag om aan tegemoetkomingen te besteden. Per saldo leverde dit het rijk een bezuiniging op van 580 miljoen. De meeste gemeenten hebben zelf hiervoor geen regeling gemaakt – onlangs wees een rechter erop dat dit juridisch niet zo maar kan.

In februari 2016 publiceerde het blad Binnenlands Bestuur een onderzoek waaruit bleek dat ruim een kwart van alle hulpbehoevenden afziet van gemeentelijke zorg of ondersteuning vanwege de gestegen hogere eigen bijdragen.

[18] Zie: https://www.fnv.nl/over-fnv/nieuws/nieuwsarchief/2017/juni/Nieuwe-belastingtrucs-onthuld.-FNV-Politiek-moet-dit-soort-belastingmigratie-verbieden/

[19] Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/01/23/rapport-in-wat-voor-land-willen-wij-werken

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *