Hoofdstuk I. We bannen armoede en problematische schulden uit

Een Nieuwe Tien over Rood – 240 concrete voorstellen voor een nieuw PvdA verkiezingsprogramma 2021

     Linksom! in de PvdA

Voorstellen:

1.      Voer een Zekerheidsinkomen voor ieder huishouden die minder verdiend dan sociaal minimum en niet een groot vermogen heeft, zonder andere voorwaarden, verplichtingen of verboden. De bijstand en de Wajong vervallen dan, en een aparte verplichte basis-AOV voor zelfstandigen is dan niet nodig. Aanvullende, bijzondere bijstand blijft mogelijk. De partnertoets wordt beperkt tot fiscale huishoudens.

We maken een harde, voldoende hoge inkomensvloer tegen armoede met een Zekerheidsinkomen: ieder[1] huishouden dat minder verdiend dan het sociaal minimum, betaalt geen belasting maar krijgt zijn inkomen zonder voorwaarden, verplichtingen en verboden anders dan ook een vermogenseis met een ruime vrijstelling[2] aangevuld tot het sociaal minimum voor het betreffende huishouden. O.m. arbeidsplicht, medewerkingsplicht, taaleis en tegenprestatie vervallen daardoor. Zie daarover ook in hoofdstuk II, voorstel 16.

Er hoeft geen nieuw duur opsporingssysteem meer voor controle op deze eisen worden opgezet, nu het werken met algoritmen in het bestaande SyRI-systeem door de rechter is verboden.[3] Het kabinet Rutte III heeft echter een spoedwet aangekondigd met een nog omvangrijker controlesysteem, de Wet Gegevensverwerking door Samenwerkingsverbanden. Naast overheidsdatabases kan de overheid met deze wet ook private databronnen aan elkaar koppelen. Wederom hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State fundamentele kritiek in hun negatieve adviezen.[4]

Het Zekerheidsinkomen is niet individueel, maar per huishouden. Niet de huidige praktijk van de Participatiewet, maar die van de Belastingdienst (‘fiscale partner’) wordt de norm voor een gezamenlijke huishouding. Door de koppeling hebben betrokkenen ook belang bij juiste registratie: anders zijn er ook nadelen of problemen met fiscale toedeling van inkomen, erfrecht, erfenisbelasting, etc. Veel privacy schendende controles zoals nu in de bijstand worden overbodig bij deze fiscale definitie van gezamenlijk huishouden.

Een postadres moet verder volstaan voor de toekenning van het Zekerheidsinkomen, om te voorkomen dat dak- en thuislozen niet in aanmerking komen.

De bijstand en de Wajong kunnen bij invoering van het Zekerheidsinkomen vervallen, met uitzondering van de bijzondere bijstand – die blijft bij gemeenten voor aanvullend maatwerk.

De in het pensioenakkoord en in het advies van de Commissie Regulering van Werk (de commissie Borstlap) voorziene verplichting van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen op het niveau van het sociaal minimum kan bij introductie van een Zekerheidsinkomen ook achterwege blijven. Door de beperkte partnertoets en de hoge vermogensvrijstelling vervalt de noodzaak van weer een aparte regeling met een eigen premieregime.

2.      De AOW, WW en WIA blijven in stand. In de AOW vervalt de opbouweis en de aparte AOW-premie. In de WW verlengen we de minimumduur van 3 naar 8 maanden, vervalt de toegangseis dat er aaneengesloten periode gewerkt moet zijn, en verlengen we de maximum WW-duur weer terug van twee naar drie jaar. In de WIA zorgen we voor keuring onafhankelijk van de uitkeringsinstantie en voor een correctie op de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid om huidige benadeling van lage inkomens te corrigeren.

Voor gepensioneerden blijft de AOW gelden: daarin is anders dan bij het Zekerheidsinkomen geen inkomens- en vermogenseis. In de AOW vervalt wel de opbouweis, waardoor het AOW-hiaat verdwijnt voor mensen die niet altijd in ons land hebben gewoond. De aparte AOW-premie vervalt (zie hoofdstuk IV) en we wijzigen de AOW-leeftijd (zie hoofdstuk II).

De WW en de WIA, net als andere werknemersverzekeringen blijven in stand.[5] De minimumduur van de WW verlengen we van 3 naar 8 maanden, dat geeft meer ruimt om te voorkomen dat mensen in de schulden komen door een te snelle terugval in inkomen, en we versoepelen de toegangsvoorwaarden. Nu moet je 26 weken aaneengesloten gewerkt hebben in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag om voor WW in aanmerking te komen, daar komen veel flexwerkers niet aan. We schrappen daarom de voorwaarde dat het aaneengesloten moet zijn. De maximumduur van de WW duur, die bij de vorige crisis vreemd genoeg verkort werd van drie naar twee jaar, brengen we weer terug naar drie jaar. We gaan ook sleutelen aan de WW-premie, zie hoofdstuk II.

De WIA blijft ongewijzigd, maar we gaan wel de keuring onafhankelijker inrichten, nu is de keuringsarts gebonden aan het beleid en belang van het UWV. Ook werkt nu de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid negatief uit voor de uitkeringshoogte van lagere inkomens. Dat gaan we aanpassen.

3.      Het minimumloon omhoog naar 14 euro per uur voor iedereen vanaf 18 jaar en het sociaal minimum stijgt mee. De kostendelersnorm en wachttijden in de bijstand vervallen.

We verhogen het minimumloon conform de FNV-eis van 14 euro per uur. Het sociaal minimum stijgt mee: de koppeling tussen minimumloon en sociaal minimum blijft op 70% voor een alleenstaande en op 100% voor een gezamenlijk huishouden. Daarmee stijgt het sociaal minimum naar € 1568 per maand voor een alleenstaande (+ € 367,57 t.o.v. het huidige niveau) en 2240 euro (+ € 604,40 t.o.v. het huidige niveau) per maand voor een gezamenlijk huishouden.

De verhoging van het sociaal minimum leidt tot deze hogere uitkeringen bij het Zekerheidsinkomen (nu nog bijstand en Wajong) en bij de AOW.

De kostendelersnorm en de lagere normen voor jongeren van 18-21 jaar vervallen, evenals de huidige wachttijden voor jongeren en sommige groepen anderen in de bijstand.

4.      Voer een ruime bijverdienstenregeling in bij uitkering op sociaal minimum en vervang generieke fiscale arbeidskorting door arbeidstoeslag voor alleen lage inkomens.

Betaald werk moet lonen: Als je werkt moet je meer verdienen dan in een uitkering, en je moet meer geld overhouden. Er komt een ruimere bijverdienstenregeling dan nu in de bijstand.[6] Bijv. bijverdiensten voor 50% vrijstellen in het eerste half jaar, 30% in het tweede half jaar en 20% voor het tweede jaar, met een maximum aan de vrijstelling tot aan de genoemde percentages van het wettelijk minimummaandloon. Kleine baantjes leiden vaak tot meer werk, maar dan moet je ze in het begin niet te zwaar belasten. Voor wat we rekenen tot inkomen, sluiten we aan bij de fiscale definitie daarvan – ander inkomen is dus geheel vrij.

We vervangen voorts de huidige fiscale arbeidskorting door een specifieke arbeidstoeslag voor alleen lage inkomens. We vervangen ook de inkomensafhankelijke fiscale toeslagen (zorg-, huur- en kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget) die nu voor een groot deel voor de armoedeval[7] verantwoordelijk zijn, zie daarvoor bij hoofdstuk IV.

5.      We vergroten het risico voor kredietverleners om problematische en risicovolle schulden meer te voorkomen, Bij faillissement leggen we geen beslag meer op toekomstig inkomen, bij inleveren woning vervalt hypotheek, de zorgplicht van crediteuren wordt vergroot en het commercieel verhandelen van schulden van huishoudens wordt verboden.

We gaan problematische en risicovolle private schulden te lijf door in de eerste plaats het risico van schulden meer bij kredietverstrekkers leggen door bij faillissement geen beslag meer toe te staan op toekomstig inkomen (bijv. eenmaal in de 6 jaar) en de lijst van bezittingen die je mag houden bij faillissement te moderniseren (in beginsel alleen registergoederen inleveren). Ook bij hypotheken komt er meer risico bij de kredietverstrekker. Bij het inleveren van het onderpand (de woning) vervalt de hypotheekschuld. We gaan de zorgplicht vergroten van crediteuren ten tijde van het aangaan van koop-, leen- en huurovereenkomsten. Het commercieel verhandelen van schulden van huishoudens wordt verboden. De zorgplicht van banken e.a. blijft ook bij uitbesteding van incasso bij de oorspronkelijke partij in stand, ook wat betreft aansprakelijkheid.

6.      Reclame voor kredietverstrekking wordt strenger gereguleerd, we investeren in onderwijs in financiële planning, iedere gemeente moet een Geldloket instellen voor gratis onafhankelijk financieel advies en we beperken het aanbod en reclame voor gokken.

Ook anderszins investeren we in preventie van problematische en risicovolle private schulden. We verzwaren de regulering van reclame voor kredietverstrekking, investeren in onderwijs in financiële planning op scholen en verplichten alle gemeenten tot de instelling van een Geldloket waar gratis, onafhankelijk financieel advies, hulp en informatie verkregen kan worden. We pakken ook gokverslaving aan. Reclames voor gokken worden verboden, waarschuwingen en voorlichting geïntensiveerd. Het aanbod van gokken wordt sterk beperkt en gereguleerd/gecontroleerd.

7.      Gemeentelijke vroegsignalering van risicovolle/problematische schulden wordt verplicht.

Gemeentelijke vroegsignalering moet verplicht georganiseerd worden. We verplichten de woningcorporaties, zorgverzekeraars, energieleveranciers en waterbedrijven dat zij bij twee maanden achterstand melding doen bij de gemeente. De gemeente moet dan zorgen dat hulpverleners contact leggen met de bewoners, om hen te ondersteunen om weer grip te krijgen op hun geld. Gemeenten moeten ook kijken hoe ze nóg vroeger in actie kunnen komen. Door bijvoorbeeld samen met corporaties en nutsbedrijven alert te zijn op ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals werkloosheid, echtscheiding of verlies van een naaste. Corporaties en andere bedrijven kunnen hun klanten dan in contact brengen met instanties die hen hierbij ondersteunen.

8.      Incasso vanuit overheid naar huishoudens met schulden wordt georganiseerd met één loket en één sociale beleidslijn, zonder hoge boetes en rentes en met kwijtschelding na maximaal drie jaar. Gemeentelijke Kredietbanken mogen maximaal rente rekenen tegen hun kostprijs en private incassobureaus met woekerrentes pakken we aan door ontneming van vergunning. De wettelijke maximumrente op schulden wordt verlaagd van 13% naar3%.

We voorkomen ook dat private schulden onnodig oplopen. Sociale incasso vanuit de overheid (vaak de grootste schuldeiser) gaan we organiseren door maatwerk toe te passen bij incasso door overheden, met één incassobureau voor alle overheden (dus incl. CJIB) en één beleidslijn voor het afschrijven van oninbare vorderingen. We stoppen met idioot hoge boetes en schelden in beginsel na drie jaar schulden kwijt als SHV daar al niet voor geholpen heeft. We verplichten dat Gemeentelijke Kredietbanken met lage rentes werken (maximaal de rente waarvoor gemeenten zelf kunnen lenen plus aantoonbare kosten). Iedere schuldenaar krijgt nog maar te maken met één deurwaarder, die niet commercieel moeten werken en dus in dienst komen bij Justitie. We voeren een vergunningsplicht in voor private incassobureaus inom onoorbare praktijken tegen te gaan en bij overtreding te kunnen sanctioneren. Private incassobureaus die woekertarieven rekenen pakken we aan met forse boetes en bij herhaling het ontnemen van hun vergunning. Schulden mogen niet meer commercieel worden verkocht. De zorgplicht van de kredietverstrekker blijft altijd in stand. We verlagen de wettelijke maximumrente op schulden van 13% naar 3%.

9.      De bestaande regelingen voor schuldhulpverlening (SHV) worden geïntegreerd in een nieuw stelsel, waarin de huidige Wgs, de Wsnp en de Wcbm (voor het SHV-deel) in opgaan. Er komt een toelatingsrecht tot SHV, een bindend schuldenmoratorium, een individueel hulpverleningsplan, publieke bewindvoering en budgetbeheer, en een betere rechtspositie van de schuldenaren. Na drie jaar worden resterende schulden kwijtgescholden. Bij onvoldoende medewerking van schuldenaar wordt deze termijn verlengd.

In plaats van de huidige Wgs, Wsnp en (het schuldenbewind bij) de Wcbm voeren we een geheel nieuw volledig publiek Schuldhulpverleningsstelsel in, volledig geïntegreerd. Dit voorkomt het opeenvolgen van procedures voor verschillende regelingen en ontlast de rechtbank. Wel moet de kwaliteit van de SHV bij gemeenten hiervoor drastisch omhoog. Er geldt een toelatingsrecht en soms zelfs (via de rechter) wordt gedwongen hulpverlening mogelijk. De gemeente moet binnen zes weken een hulpverleningsplan vaststellen, op maat opgesteld gegeven de specifieke situatie van de schuldenaar, waarbij er direct een voor iedereen bindend schuldenmoratorium ontstaat: alle schulden worden bevroren en incasso’s kunnen alleen via de gemeente plaatsvinden en alleen in overeenstemming met het plan. De gemeente kan bewindvoering en budgetbeheer instellen en schulden overnemen, in bijzondere situaties (bijv. in geval van te grote overlast en/of maatschappelijke kosten) kan dat ook zonder schuldhulpverleningsverzoek worden opgelegd. Daartoe komt een door het Rijk gevoed fonds. Bewindvoerders zijn bij de gemeente in dienst en moeten gediplomeerd zijn. Het plan moet naast op het maximaal betalen van de schulden ook gericht zijn op het bieden van nieuw perspectief voor de schuldenaar. Er is intensieve begeleiding gericht op het verkrijgen van houdingen en vaardigheden (in die volgorde) die de kans op recidive effectief verkleint. Eventuele kosten daarvan worden gefinancierd uit de bijzondere bijstand. Schuldhulpverleners moeten goed opgeleid zijn en ruime regel- en budgetruimte hebben. Gemeenten krijgen hiertoe ruime extra middelen. Schuldenaren en schuldeisers kunnen over besluiten van de gemeente in beroep bij de rechter. Zo’n beroep heeft geen schorsende werking. Na drie jaar worden resterende schulden kwijtgescholden, tenzij de schuldenaar onvoldoende meewerkt, dan wordt deze termijn verlengd (in plaats van, zoals nu, de schuldhulpverlening te staken).

10.  Er komt een schuldenpardon voor alle problematische schulden die na 5 jaar leven op minimumniveau resteren.

Er komt een schuldenpardon – een kwijtschelding van alle problematische schulden, als iemand al 5 jaar op niveau van beslagvrije voet heeft moeten leven. Dat geeft schuldenaren met uitzichtloze, problematische schulden een nieuw perspectief, en vergroot het risico van kredietverleners hetgeen bijdraagt aan schuldpreventie door vermijding van risicovolle kredietrelaties.

Toelichting

i.          Schandelijk veel armoede in een zeer rijk land

Nederland staat nummer 14 op de lijst van de rijkste landen ter wereld.[8] Alleen een aantal olie- en gasstaten (Qatar, Brunei, de VAR, Koeweit, Noorwegen), een aantal andere belastingparadijzen (Macau, Luxemburg, Singapore, Ierland, Hong Kong, Zwitserland en San Marino) en de Verenigde Staten (nummer 12) gaan ons voor.

Toch is er in ons land bittere armoede, toenemende problematische en risicovolle schulden, zijn mensen steeds meer afhankelijk van vormen van liefdadigheid (voedselbanken, kledingbanken, speelgoedbanken, etc.) en wordt het aantal daklozen groter. Bestaanszekerheid in zijn meest elementaire vorm van eten en drinken, een dak boven je hoofd met energielevering en een zorgverzekering zijn voor een deel van de bevolking niet meer bereikbaar. Armoede wordt ook steeds meer erfelijk, kinderen die in armoede opgroeien hebben een verhoogde kans op ook arm te blijven.

Het is een grote schande dat in ons rijke land er zoveel mensen in armoede leven en afhankelijk zijn van liefdadigheid. Afhankelijk van de definitie hebben we het over 6 tot ruim 8% van onze ruim 7 miljoen huishoudens (cijfers 2018), zo’n 420.000-600.000 huishoudens, zo’n 1 tot 1,1 miljoen mensen. Ongeveer de helft daarvan leeft in langdurige armoede (tenminste vier jaar). Van deze arme huishoudens maken tenminste 264.000 tot 280.000 kinderen deel uit, waarvan 110.000-170.000 in langdurige armoede. Je kunt het ook afmeten aan de stijgende vraag bij de Voedselbanken: ieder jaar stijgt de vraag, in 2018 6% meer.

ii.          Geldgebrek: te laag sociaal minimum, te lage bijstandsuitkeringen

De belangrijkste oorzaak van armoede is geldgebrek. Volgens het Nibud kwamen arme huishoudens in 2018 al € 217 per maand tekort, en dit tekort stijgt al jaren achter elkaar. Voor een gezin met twee kinderen loopt dat op tot € 275 per maand. Daarbij moet bedacht worden dat dit tekorten zijn op de normbudgetten die CBS, SCP en Nibud voor armoede berekenen. Deze normbudgetten (€ 1040-1135 per maand voor een alleenstaande, en € 1960-2100 voor een gezin met twee kinderen in 2018) waren nog veel hoger dan het sociaal minimum, de bijstandsuitkering (in 2018 respectievelijk € 943 en € 1346 per maand), waardoor mensen die daarvan afhankelijk zijn, nog veel meer tekortkomen. Bovendien gaan deze tekorten uit van erg lage normbedragen voor bijv. huur – in werkelijkheid zijn de vaste lasten voor velen hoger.

De bijstand was ooit bedoeld om inkomenszekerheid te verschaffen, een vangnet om te zorgen dat je niet in armoede zou vervallen. Misschien is het goed als we hier nog even in herinnering roepen hoe dat ging. In 1963 wist onze eerste vrouwelijke minister Marga Klompé (KVP) de Algemene bijstandswet door de Tweede Kamer te loodsen. Voortaan was een leven zonder armoede niet langer, zo schreef ze, ‘een zaak van barmhartigheid, maar van recht.’ En de uitkering moest vooral niet te karig zijn. ‘Een bloemetje op tafel hoort erbij,’ vond Klompé. Dat bloemetje dat kun je inmiddels wel vergeten, mensen kunnen niet meer hun vaste lasten, hun voedsel en kleding, de kosten van hun kinderen betalen.

iii.          Kortingen in de bijstand: kostendelersnorm en partnertoets

Sommigen hebben ook nog kortingen: de kostendelersnorm. Door deze norm worden bijstandsgerechtigden nu gekort op hun uitkering als er meerdere personen in huis wonen, tenzij het gaat om degene met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, jongeren tot 21 jaar, studenten en commerciële onderverhuurders/kamerbewoners. Normaal is de bijstand gebaseerd op 70% van het minimumloon, als er 1 persoon extra woont is dat 50%, bij 2 extra personen 43,33%, bij 3 extra personen 40% en bij 4 of meer extra personen 38%.

De argumentatie voor de korting is dat men kostenvoordeel geniet bij een gezamenlijk woonadres en dat er anders door stapeling van uitkeringen achter één voordeur een behoorlijk totaalinkomen kan ontstaan. Het voorbeeld van de regering daarbij was dat van een gezin met één kostwinner tegen een modaal salaris en een gezin met volwassen inwonende kinderen die allemaal in de bijstand zitten. De familie Bijstand was beter af dan de familie Kostwinner. Dat voorbeeld was natuurlijk niet helemaal eerlijk, want als die kostwinner ook die volwassen inwonende kinderen had, konden die kinderen ook bijstand aanvragen of, beter nog, werken, waardoor het totaalinkomen van de familie Kostwinner wel degelijk hoger zou zijn geweest dan dat van de familie Bijstand. Daarnaast kun je afvragen hoeveel van dit soort families Bijstand er eigenlijk zijn. 

In de praktijk[9] leidt het tot grote problemen, met name bij oudere inwonende kinderen, al dan niet vanwege een (arbeids)beperking of zorg, en bij inwonende ouder(s), bijv. vanwege mantelzorg. Het is ook een groot probleem bij gepensioneerden met onvolledige AOW en geen ander inkomen, die aangewezen zijn op aanvullende bijstand, en bij hen die samenwonen of gehuwd zijn met een (nog) niet toegelaten vreemdeling, die bijv. nog in procedure is. Met de huidige enorme woningnood leidt deze kortingsregeling tot nog grotere problemen.

De kostendelersnorm komt bovenop de partnertoets: het inkomen en vermogen van de partner wordt naast dat van jouzelf in aanmerking genomen om te bepalen of je recht hebt, en als je een gezamenlijke huishouding voert, en beiden minder verdiend dan het sociaal minimum, dan krijg je samen niet tweemaal 70% van het minimumloon (de norm voor een alleenstaande), maar 100% van het minimumloon. De definitie van een gezamenlijk huishouden is in de bijstand veel ruimer dan bij de fiscus. Van een gezamenlijke huishouding is in de bijstand sprake “indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben” (huisvestingscriterium) én “zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins” (zorgcriterium). Voor de belasting zijn fiscale partners alleen samenwonende gehuwden en samenwonende geregistreerde partners, waaronder ook samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract. Het gaat dus om een juridisch vereiste (gehuwd zijn/geregistreerd partnerschap/notarieel samenlevingscontract) en een huisvestingscriterium, maar niet om een zorgcriterium. Bij de bijstand betekent samenwonen een korting, bij de fiscus willen betrokkenen zelf juist de status van samenwonend: naast een officiële erkenning van hun relatie gaat het daarbij om bijv. erkenning van natuurlijke of geadopteerde kinderen, regelen van erfrecht, en fiscale faciliteiten als toerekening van elkaars inkomen. Dit leidt bij de bijstand tot een soms maniakale en zeer privacy verstorende en intimiderende opsporingspraktijk, met speurtochten naar meer tandenborstels, onderbroeken van vermeende partners, aanmoedigen van verklikkers, bespiedingen door rechercheurs en cameraopnames van overnachtingen van die vermeende partners.

iv.          Kortingen in de bijstand: jongeren

Ook krijgen jongeren beneden de 21 jaar nu nog lagere bijstandsuitkeringen, € 259,78 per maand (2020, voor alleenstaande jongeren zonder kinderen), omdat ervan uitgegaan wordt dat ouders bijdragen. Of die ouders dat ook doen en kunnen, speelt geen rol. Jongeren tot 27 jaar hebben bovendien een wettelijke wachttijd van vier weken, waarin ze moeten aantonen dat ze voldoende naar betaald werk gezocht hebben, alvorens ze een uitkering krijgen. Tot voor kort, toen de rechter daar een eind aan maakte, waren er veel gemeenten die ook aan ouderen een wachttijd oplegden, in strijd met de wet.

v.          Kortingen in de bijstand: vermogenstoets

Als je teveel vermogen hebt, dan moet je dat eerst opmaken voordat je recht op bijstand krijgt. Die vermogensgrens is € 12.450, – voor een gezin en een alleenstaande ouder en € 6.225, – voor een alleenstaande (bedragen voor 2020). Schulden – behalve studieschulden en schulden aan familieleden – mogen worden afgetrokken. Er zijn geen andere vrijstellingen van vermogen. Dat geldt ook voor waardevolle bezittingen, zoals een auto, motor, boot of caravan, en de afkoopwaarde van verzekeringen. Ook de eigen woning (minus de nog uitstaande hypotheek) wordt daarbij in aanmerking genomen. Dat moet je dus eerst maar verkopen. Waar je dan kan wonen en of dat ook lukt, en hoe je dan in de tussentijd aan inkomen moet komen, Joost mag het weten.

En dan wordt de bijstandsuitkering voor alle bijstandsgerechtigden pas aan het einde van de maand verstrekt, je moet dus zelf altijd al de eerste maand voorschieten – wel kan je een voorschot krijgen, per gemeente verschillend.

vi.          Voorwaarden en verplichtingen hebben bijstand als vangnet zo lek als een vergiet gemaakt

En van een recht op bijstand is al helemaal niet meer te spreken. De bijstand is volgehangen met voorwaarden en verplichtingen. Zo bestaat inmiddels een identificatieplicht, een arbeidsplicht (met o.m. een sollicitatieplicht en een plicht om je in te schrijven bij een uitzendbureau), een inlichtingenplicht, een budgetteringsplicht, een medewerkingsplicht, een taaleis en een tegenprestatie. Allemaal met enorme controle inspanningen en verstikkende sancties. Het gaat niet meer om mensen die pech hebben in het leven en geholpen moeten worden, nee het zijn klaplopers die gedwongen moeten worden iets te doen voor hun geld. De tegenprestatie heeft zelden een relatie met re-integratie (zie daarvoor ook onder hoofdstuk II). De sancties beteken altijd kortingen, met soms nog een boete, of zelfs het geheel vervallen van de uitkering.

Minister Klompé draait zich om in haar graf. Al in 1963 wilden sommige partijen de bijstand volhangen met verplichtingen en sancties. Maar daar was Klompé mordicus tegen. Iedere bevolkingsgroep moest met opgeheven hoofd om hulp kunnen vragen. In haar woorden:‘Ik wilde er niet van uitgaan dat wie een beroep doet op bijstand een fraudeur is. Dat mag je de 99 procent van de mensen die het goed doet niet aandoen.’ Helaas maken we in Nederland onze wetten niet meer voor die 99 procent, maar voor de 1 procent.

De bejegening is geheel gebaseerd op wantrouwen en vernedering. Hele dossiers moeten steeds opnieuw en op papier worden ingeleverd. Brieven beginnen met waarschuwingen tegen fraude en daarop staande sancties. Zelden wordt gevraagd aan betrokkenen hoe het met hun gaat. Niet hun problemen en perspectief staan centraal, maar hun bureaucratische, vaak onzinnige verplichtingen. Die worden afgevinkt en dat is het dan. Als de bureaucratie een keer een fout maakt – en dat komt minstens zo vaak voor als bij de cliënten – dan is het een bijna onneembare vesting om je verhaal te halen. Cliënten voelen zich vaak niet veilig om te klagen, de afhankelijkheid is groot. Andersom is de effectiviteit van al die interventies zeer gering. Meer daarover in hoofdstuk II.

Wij zeggen het Jesse Frederik in zijn Den Uyl-lezing na: Wij zijn de Partij van de Arbeid, en moeten niet meer de Partij van de Betutteling zijn. Werkloosheid, zo zijn we teveel gaan denken, is een individueel probleem. Individuen met te weinig ‘human capital,’ of zoiets. Mensen zijn in de eerste plaats werkloos omdat er niet genoeg werk is, niet omdat ze niet willen werken.

vii.          De neoliberale armoede-is-eigen-schuld redenering

Die behandeling en bejegening van uitkeringsgerechtigden heeft ook een politiek-ideologische onderbouwing in het neoliberale gedachtengoed, waarin succes, en dus ook falen, een individuele keuze is. Geldgebrek is daarin al gauw een karaktergebrek, dat de overheid vooral niet moet belonen met correcties op het inkomen. Neoliberalen doen het voorkomen alsof vrijheid in de eerste plaats een individuele prestatie is. Met als logische implicatie dat het individu de volledige verantwoordelijkheid kan dragen voor wat er met hem gebeurt. Dat de overheid daar geen omkijken meer naar heeft, en zelfs niet moet hebben – want dan nemen betrokkenen onvoldoende eigen verantwoordelijkheid.

De cruciale schakel tussen neoliberalisme en sociaaldemocratie is het idee van persoonlijke autonomie. Dat klinkt goed voor een emancipatiepartij, vanwege de connotatie met mondigheid en ontwikkeling: je neemt je leven in eigen hand. Maar het wordt benauwend als je je realiseert dat daarom van jou wordt verwacht dat je in competitie treedt met alle anderen, dat je winst moet maken op je leven. Neoliberalen prijzen zo’n samenleving aan als een high opportunity, high risk society. Het lullige is alleen dat de opportunities voor de ene klasse zijn en de risks voor de andere. Men bouwt geen succesvol politiek beleid op een verkeerde maatschappijdiagnose. Als de maatschappelijkheid ineenschrompelt ten gunste van de markt resteert voor de mensen weinig anders dan mee te doen in ratrace naar individueel succes en status.

De sociaaldemocratie is een drijvende kracht geweest in de opbouw van onze verzorgingsstaat. Niets heeft de mensen meer vrijheid gegeven dan de verzorgingsstaat. De bron van vrijheid lag in het succes van collectieve actie en het organiseren van solidariteit, die mensen in staat stelde tot een grotere grip op hun eigen lot. Daarmee erkennen sociaaldemocraten, anders dan neoliberalen, dat maatschappelijke ongelijkheid een dominante factor is bij het behalen van persoonlijk succes of falen, en dat die ongelijkheid nog versterkt doorwerkt in het opvangen van pech en tegenslag, die mensen gewoon kan overkomen. Het toeval en het noodlot heeft voor mensen met weinig middelen en kansen nu eenmaal veel grotere gevolgen.

Teveel mensen zijn gaan geloven in een soort ideaalbeeld van assertieve individuen die hun mannetje en vrouwtje staan in de wereld van markt en strijd. Dan is het logisch dat de afkeer van afhankelijkheid groeit. Daar ligt de bron van sociale ontbinding. Als je succes hebt, dan is het jouw verdienste, als je faalt, dan heb je het aan jezelf te wijten. Dat deugt natuurlijk helemaal niet: de samenleving is complexer dan ooit en dan zeggen we tegen het individu dat het al de risico’s maar moet kunnen overzien. De staat kan dat niet meer, ondanks alle toezicht die hij uitoefent, maar van het individu veronderstellen we dat het dat wél kan. Terwijl volgens ons maatschappelijke misstanden, maar soms ook noodlot of dikke pech, meer dan voorheen bepalen of iemand vastloopt.

viii.          Zelfredzaamheidsparadox

Het is een vergissing, met ingrijpende gevolgen, om aan te nemen dat ons emancipatieproces is voltooid. En dat we nu een maatschappij hebben van economisch zelfredzame, autonome individuen. Het resultaat is wat de WRR een ‘zelfredzaamheidsparadox’ noemt: door van iedereen evenveel verantwoordelijkheid te vragen, verliezen sommige groepen juist de regie over het eigen leven. Dit betreft in ieder geval de financiële analfabeten – volgens het Nibud heeft 40% van de Nederlanders moeite met financiële administratie. Daaronder zitten ook de 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

Het helpt dan ook niet dat we het zo ingewikkeld gemaakt hebben: Mensen met een uitkering hebben te maken met 13 verschillende inkomensregelingen met 8 verschillende definities van inkomen en vermogen, en 27 formulieren.[10]De impliciete veronderstelling achter veel van de huidige regels lijkt te zijn dat iedereen altijd netjes de post bijhoudt en begrijpt, reageert op aanmaningen, zich voortdurend bijschoolt, op tijd zijn pensioen organiseert, actieve keuzes in de zorg maakt en, mocht er iets mis gaan, de juiste wegen weet te bewandelen om die fouten te herstellen’, schrijft de WRR in Weten is nog geen doen. En daarmee ‘ligt de lat in de participatiesamenleving’ volgens de WRR ‘behoorlijk hoog’.

En voor hen die het wel weten, heeft de WRR erop gewezen dat weten nog geen doen is.[11] Handelingsbekwaamheid vraagt meer dan alleen kennis in tijden van persoonlijke crisis. Denkvermogen is nog geen doenvermogen. Stress, schaamte en gebrek aan toekomstperspectief maken ook hoogopgeleiden met financiële problemen soms vleugellam. Niet-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleiding en tegenslag zijn niet vanzelfsprekend aanwezig bij iedereen met goede cognitieve vermogens.

De WRR wijst erop dat veel overheidsarrangementen geen rekening houden met normale menselijke tekortkomingen. Die komen, zo stelt de WRR, niet alleen voor bij kwetsbare mensen, met een lager IQ of opleiding, maar bij iedereen, ook bij u en bij mij, en dus ook bij hoger opgeleide mensen. Bij baanverlies, echtscheiding, rouw, ziekte, burn-out en stress verminderd ons doenvermogen – de capaciteit om gedachten, emoties of gedrag te beheersen. Ook ‘wij’ openen de post weleens een poosje niet, leven ongezond, drinken iets teveel of gooien er met de pet naar. Omdat we even niet anders kunnen of willen. Of het ‘niet opbrengen’. Temperament, zelfcontrole en overtuiging spelen een belangrijke rol bij zelfredzaamheid – niet iedereen is er in gelijke mate mee bedeeld, en te trainen valt het maar moeilijk. Niet iedereen heeft ook dezelfde aanleg voor zelfredzaamheid. Mentale vermogens blijken verder ook variabel in een mensenleven.

De afgelopen jaren hebben gedragswetenschappers veel onderzoek gedaan naar hoe dit soort mentale belasting werkt. De conclusies, die in Weten is nog geen doen worden samengevat, zijn zo evident dat je je afvraagt waar het enthousiasme over nieuwe keuzemogelijkheden voor burgers precies vandaan komt. Kort gezegd komt het hier op neer: hoe meer denkwerk verricht moet worden, hoe groter de kans op vermoeidheid en het maken van vergissingen. Daarbij wordt de geest van mensen soms in beslag genomen door grote gebeurtenissen. Ziekte, bijvoorbeeld, of het overlijden van een naaste, verkleinen wat onderzoekers ‘mentale bandbreedte’ noemen. Wie zorgen, onrust of verdriet heeft, heeft minder ruimte om over prozaïsche zaken zoals de inhoud van je berichtenbox op mijnoverheid.nl na te denken. Met name financiële problemen vormen een bedreiging voor het beslisvermogen. Geldgebrek lijdt tot stress, en stress verkleint de mentale bandbreedte verder. Het gevolg daarvan is vaak nog meer financiële problemen, omdat een verkeerde beslissing of nalatigheid geld kan kosten.[12]

Het gaat vooral ook om de optelsom. Voor iedere afzonderlijk keuze is het niet overdreven om te verwachten dat een burger informatie verzamelt, die bestudeert, verschillende opties afweegt en vervolgens tijdig en wijs beslist. Maar het is de hoeveelheid en frequentie waarmee die cyclus doorlopen moet worden die mensen uitput. De hoeveelheid tijd en aandacht die iemand kan besteden aan het maken van beslissingen is nu eenmaal beperkt. Wie zijn tijd vult met, zeg, nadenken over hoeveel eigen risico te verdragen is bij het afsluiten van een zorgverzekering, houdt minder tijd over om een spaarplan op te stellen. De uren die worden besteed aan het schrijven van sollicitatiebrieven, kunnen niet worden besteed aan uitpluizen welke van de 27 inkomensregelingen die Nederland telt nu precies op jouw situatie van toepassing zijn. En naarmate de teleurstellingen zich opstapelen, het perspectief achter de horizon verdwijnt en de vernederingen en wantrouwende bejegening door blijven gaan, verdwijnt ook de energie om nog iets te doen.

Je moet om hulp te krijgen loketten aflopen, formulieren invullen, intakegesprekken voeren. Hier is iets vreemds aan de hand: hoe minder je hebt, hoe meer bureaucratie er over je heen wordt gestort. Terwijl je daar juist steeds minder energie voor hebt. Laat dit even tot u doordringen: in de moderne verzorgingsstaat wordt je probleem een reden om je uit te sluiten van een oplossing. Je hebt een drugsprobleem, daarom zit je in de verslavingszorg, maar daar word je geschorst omdat je drugs blijft gebruiken. Je hebt een gedragsprobleem, daarom zit je bij een jeugdzorginstelling, maar daar moet je weg omdat jij je niet gedraagt. Je hebt schulden en overziet de financiële problemen niet meer, maar je moet eerst je administratie op orde hebben voordat je toegelaten kan worden tot de schuldhulpverlening. We moeten het zelfredzaamheidsdogma radicaal door het toilet spoelen.

En we moeten een eind maken aan de keuzejungle waar teveel burgers in verdwalen. Zo slaagt bijvoorbeeld de helft van bevolking er volgens de WRR niet in om regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. De zelfredzame burger die soepeltjes door bureaucratische hoepels springt en volledig op de hoogte is van alle regels is volgens de WRR eerder uitzondering dan regel. Ondertussen lijkt de samenleving zich steeds meer op de bekwame homo economicus in te stellen. Jezelf bijscholen, opdrachten binnenhengelen en constant je netwerk onderhouden zijn de vereisten van de flexibele arbeidsmarkt. Thuis moeten zorgverzekeringen, energieleveranciers en hypotheekverstrekkers met elkaar vergeleken worden. En wie een schrale oude dag wil voorkomen, moet tijdig nadenken over zijn pensioen.[13] De WRR haalt in dit verband de Duitse socioloog Hartmut Rosa aan, die stelt dat er sprake is van ‘sociale versnelling’, waarbij de toekomst zich steeds meer aan het heden opdringt. Wie nu niet handelt, betaalt daarvoor later de prijs. Het gevolg is ‘keuzestress’ die nog eens wordt versterkt door de wetenschap dat een misstap je duur kan komen te staan.[14]

ix.          De paradox van de steeds meer controlerende, en tegelijkertijd terugtrekkende overheid

Want de tweede paradox is dat de overheid zich terugtrekt en tegelijkertijd de burgers meer dan ooit in de gaten houdt. Er is veel te doen over privacy, maar de sociale dienst kan je badkamer controleren, onder je bed kijken, je slaapkamerkasten doorzoeken, buren laten klikken, camera’s plaatsen, sociale rechercheurs laten bespioneren, enzovoorts.

x.          Geen integrale aanpak van problemen

De econoom John Maynard Keynes adviseerde ooit: laat de werklozen gaten graven om ze vervolgens door anderen dicht te laten gooien. Dat advies hebben we in onze moderne verzorgingsstaat ter harte genomen. De ene overheidsdienst begraaft nu mensen in de problemen, zodat een andere ze weer kan opgraven. Nederland is bezaaid met instellingen die afgerekend worden op het oplossen van deelproblemen, met enorm kostbare, contraproductieve beleidsaccumulatie. Ieder deelprobleem zijn eigen regelsysteem met verplichtingen, voorwaarden, verboden, controles en sancties. Hoe dieper je in de shit zit, hoe moeilijker het is om hulp te krijgen.

Het CJIB wil dat iemand zijn boetes betaalt. De deurwaarder wil geld zien. De politie wil hem opsluiten. De crisisopvang wil hem weer thuiskrijgen. De sociale dienst wil dat hij aan het werk gaat. De psychiater wil hem van zijn depressie genezen. De maatschappelijk werkster wil hem in de schuldhulpverlening. De schuldhulpverlening wil dat hij zijn post opent. En de dagbesteding wil hem zingevend bezighouden. De mensen die buiten de boot vallen, zie je in beleidsdocumenten niet meer terug, hooguit als restcategorie: ‘Uitstroom naar onbekend.

xi.          Je recht halen steeds moeilijker, maar overheid steeds meer geïnstitutionaliseerd wantrouwen

Het recht is steeds vaker iets dat je moet halen. Zelf alles aanvragen, steeds opnieuw. Een enorm aantal bewijsstukken inleveren. Onzinnige sollicitaties uitvoeren, gratis verplicht werk uitvoeren, vernederende cursussen volgen. En daar blijft het niet bij: als je iets fout hebt gedaan, dan komt het ‘recht’ ineens razendsnel naar je toe. Sterker nog, dan dendert het als een sneltrein over je heen. Bij problemen gaat er een intimiderende, vernederende en vooral ook zeer kostbare controlemachine in werking en wordt, vooral door de overheid, boete op boete geplaatst. Gevolg: waanzin, vernedering, verspilling. De overheid is boos, achterdochtig en gefrustreerd. Het is management by insult. Geen wonder dat mensen geen vertrouwen meer hebben in de politiek. Ontbinding ontstaat waar binding ontbreekt. Er is geen binding meer vanwege een geïnstitutionaliseerd wantrouwen van de burger door de Staat. En rechtsbijstand wordt steeds meer iets waar je ook het geld voor moet hebben, ook dit kabinet wil er weer op bezuinigen.

De overheid met een neutraal mensbeeld is verdwenen. Zo is er, onder druk van de publieke opinie, al jaren sprake van een steeds sterker wordende aanname dat uitkeringsgerechtigden misbruik maken, frauderen, oneigenlijk aanspraak maken, onwillig en niet gemotiveerd zijn, etc. Zie ook de recente idiote fixatie op WW-uitkeringen voor ‘vakantie vierende Polen’[15] en de meer dan schandalige en onwettige praktijken van terugvordering van kinderopvangtoeslagen door de Belastingdienst[16]. Terwijl de praktijk laat zien dat mensen aan de onderkant van de samenleving en aan de onderkant van de arbeidsmarkt echt in de problemen zitten en met moeite het hoofd boven water kunnen houden. De ingezette teneur van werken voor je uitkering, verplichte participatie op straffe van boete en maatregelen, zijn bovendien dreigementen die vaak geen kracht bijgezet kunnen worden in de vorm van beschikbare reële betaalde arbeid voor deze doelgroep.

‘De oorzaak van het dichtslibbende systeem is dat het mechanisme drijft op het uitsluiten van risico’s met tot uitgangspunt verworden wantrouwen als resultaat. Voor het bedrag aan controles om risico’s uit te sluiten kun je heel wat risico lopen. En ja, dan zal het af en toe fout gaan.’ Aldus Herman Tjeenk Willink in zijn zeer lezenswaardige boekje ‘Groter denken, kleiner doen’.

xii.          Werkende armen

Een groep die vaak wordt vergeten zijn de mensen die een betaalde baan hebben, maar te weinig verdienen om van rond te komen. Hoe beperkter de werkweek, hoe hoger de kans is op armoede. Werk wordt als hét middel gezien om uit de armoede te komen. Maar armen mét werk vormen zelfs 41 procent van de armen boven de achttien; dat zijn er meer dan mensen met een bijstandsuitkering. Twee op de vijf arme volwassenen werkt. Volgens het SCP leven 235.000 werkende volwassen onder de armoedegrens, bijna een derde van het totaal aantal volwassen armen. Dit waren in 2016 volgens het SCP 133.000 werknemers in loondienst (2% van alle werknemers) en 101.000 zzp-ers (9% van alle zzp-ers). Onder de laatste groep is het risico op langdurige armoede groot. Zzp-ers hebben door de vermogenstoets vaak geen recht op aanvullende bijstand: bedrijfsvermogen telt vaak mee. Veel flexwerkers hebben geen recht op WW en lopen bij laagconjunctuur grote risico’s. Hun lonen zijn ook vaak zeer laag, waardoor ze onder de armoedegrens blijven.

xiii.          De neoliberale redenering hogere-uitkeringen/minimumloon-leiden-tot-meer-werkloosheid

De neoliberale ideologie stelt dat hogere uitkeringen aan mensen in armoede leiden tot hogere werkloosheid. Deze komt ook tot uiting in de CPB-rekenmodellen, al is het CPB wel zeer recent tot de conclusie gekomen dat het aantal banen dat zou verdwijnen door verhoging van het minimumloon veel minder is dan ze eerst hadden ‘berekend’.[17] Daarbij stelt het CPB wel als voorwaarde dat bij het verhogen van het minimumloon het sociaal minimum (bijstand, maar ook de AOW) niet – of in ieder geval niet volledig – meestijgt. Daarbij wordt betoogd dat werken anders niet voldoende zou lonen, en het CPB gelooft nog steeds in de fictie van het financieel prikkelen van werklozen als oplossing van hun werkloosheid.

De redenering is (te) simpel: als je uitkeringen verhoogt dan heb je minder prikkel om te werken, zelfs als je tegelijk de lonen tenminste even veel verhoogt. Of er ook werk is, en of je daarvoor ook in aanmerking komt, daar rekent het model niet mee. Wat de maatschappelijke kosten van armoede zijn ‘uiteraard’ ook niet. We weten dat wel. Problematische schulden kosten ons bijv. 11 miljard (!) euro per jaar, heeft het Nibud uitgerekend.

De neoliberale redenering stelt ook dat een hoger minimumloon leidt tot meer werkloosheid. Zeshonderd economen, onder wie 7 Nobelprijswinnaars, toonden echter in 2015 zelfs aan dat er door verhoging van het minimumloon geen banen verloren gaan, maar juist erbij komen. Uit een studie door de wetenschappers Sonn en Lathrop waarin de effecten van het verhogen van het minimumloon in de VS sinds 1938 worden geanalyseerd, blijkt eveneens dat de werkgelegenheid toeneemt. Vakbondshistoricus Sjaak van der Velden komt tot dezelfde conclusie in zijn recente onderzoek voor De Burcht, het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging, over loonstrijd en loonontwikkeling in Nederland. Ruim driekwart van de tussen 1970 en 2015 gecreëerde werkgelegenheid is niet te danken aan loonmatiging, zoals vaak wordt beweerd, maar aan andere factoren.

‘Een kwart van de restaurants zal verdwijnen’, beweerde restauranteigenaar Tom Douglas in reactie op het plan om de minimumlonen in Seattle te verhogen. Hij was niet de enige, want velen voorspelden economische rampspoed. Bedrijven zouden sluiten, banen zouden verdwijnen. Op 1 april 2015 werd het minimumloon in Seattle toch verhoogd van 9,32 naar 11 dollar per uur. Maar de economische Apocalyps kwam niet. Integendeel. Een half jaar later noemt Douglas zichzelf naïef. Na de loonsverhoging gebeurde namelijk precies het tegenovergestelde van wat hij had beweerd. Er kwamen restaurants bij. Seattle staat bovenaan de lijst van Amerikaanse staten waarin het aantal banen is toegenomen. In heel Amerika strijden werknemers en vakbonden onder de leus Fight for 15 voor een hoger minimumloon. In Seattle zal het minimumloon de komende jaren verder worden verhoogd, tot 18 dollar per uur.

Een Duitse studie[18] naar de effecten van de recente invoering en verhoging van het minimumloon daar concludeert dat het minimumloon een duidelijk opwaarts effect heeft gehad op andere lage lonensegmenten, zonder dat het een nadelig effect heeft gehad op de economische groei of de werkgelegenheid. In buurland Groot-Brittannië is een meta-analyse gedaan naar de werkgelegenheidseffecten van het minimumloon. De conclusie is dat in de minimumloonliteratuur in Groot-Brittannië geen bewijs te vinden is voor belangrijke negatieve werkgelegenheidseffecten.[19] Andere wereldwijde meta-analyses vinden eveneens geen of slechts een zeer gering negatief effect.[20]

Het verhogen van de lonen en sociale uitkeringen is niet alleen goed voor de mensen die deze ontvangen, maar ook voor bedrijven – vooral lokale ondernemingen – en voor de economie als geheel. Dat komt omdat mensen meer gaan besteden. Het extra loon wordt immers uitgegeven aan bijvoorbeeld dagelijkse boodschappen, maar ook aan restaurants, de kapper, sport of theater. 

En dat werken moet lonen moeten we niet realiseren met het loslaten van de huidige koppeling tussen het wettelijk minimumloon en het sociaal minimum, een oud sociaaldemocratisch strijdpunt en verworvenheid, maar door de hiervoor voorgestelde arbeidstoeslag voor lage inkomens in te voeren, het bijverdienen bij de uitkering op sociaal minimum bij het opnieuw gaan werken aan te passen en de armoedeval in het belastingstelsel (met de huidige fiscale toeslagen en heffingskortingen) aan te pakken – zie daarvoor hoofdstuk IV.

xiv.          De Participatiewet is één grote dwaling en mislukking

De Participatiewet is misschien wel het grootste dieptepunt in de geschiedenis van onze partij. De vernietigende eindevaluatie van de SCP van de Participatiewet van november 2019[21] moet leiden tot een radicale koerswijziging. De conclusies van de SCP liegen er niet om: “De invoering van de Participatiewet heeft nauwelijks geleid tot verhoging van de baankansen, zoals beoogd met de wet. Voor de grootste groep, de klassieke bijstandsgerechtigden, is er amper een verschil. Voor mensen die het recht op toegang tot de sociale werkvoorziening verloren, daalde de kans op werk. Voor jonggehandicapten met arbeidsvermogen stegen de baankansen. Hun inkomenspositie verslechterde echter en het gaat vaker om tijdelijk werk.” 

De problemen zijn deels ook structureel van aard. Aannames in de wet blijken niet te kloppen met de praktijk. Zo is niet iedereen in staat om te werken en heeft de overgang van verschillende wetten naar één Participatiewet niet geleid tot minder complexiteit. Verder is een deel van de doelgroep niet in beeld. Een ander probleem is de wijze van financiering binnen de wet. Gemeenten ontvangen van het Rijk middelen om mensen die onder de Participatiewet vallen naar werk te begeleiden. Die middelen zijn vrij te besteden. Als gemeenten op uitkeringen besparen, mogen ze het restant houden en ook vrij besteden. Dit prikkelt gemeenten om hun inspanningen bewust te richten op de meest kansrijke groep binnen de totale doelgroep.”

Het uitgangspunt van de Participatiewet was de gedachte dat mensen die een uitkering ontvangen betaald werk kunnen en willen verrichten, mits dat onder de juiste omstandigheden gebeurt. Volgens gemeenten is een groot deel van de doelgroep echter niet binnen afzienbare tijd in staat om te werken. Ruim 60% van de brede doelgroep van de Participatiewet geeft zelf ook aan niet in staat te zijn om te werken. De helft van hen verwacht dat in de toekomst wel te kunnen. De andere helft denkt nooit meer te kunnen werken, vooral vanwege gezondheidsklachten. De mogelijkheid om aan het werk te gaan, is daarmee niet toegenomen sinds de invoering van de Participatiewet.

Met de invoering van de Participatiewet is de Wajong-regeling voor jonggehandicapten afgeschaft voor nieuwe instroom met arbeidsvermogen. Voor de invoering van de Participatiewet werkte 29% van de 18-jarige Wajong-ers in het derde jaar na instroom, terwijl dat sinds de invoering van de wet voor 18-jarige vergelijkbare jonggehandicapten vanaf 2015 38% is. Een toename dus, maar de inkomenspositie van jonggehandicapten is verslechterd. Ze werken vaak in deeltijd en steeds vaker via een tijdelijk contract. Jonggehandicapten in het doelgroepenregister (Banenafspraak) zijn wel vaker duurzaam (langer dan een jaar) aan het werk.

Van de wachtenden van eind 2014, die te maken kregen met de Participatiewet, kwam 39% in de vier daaropvolgende jaren aan het werk. Van de wachtenden in eerdere jaren, die bleven vallen onder de Wsw, was dit 55% tot 63%. Als men een baan vond, betrof dit in 52% van de gevallen een baan voor minimaal één jaar. Voor invoering van de Participatiewet was dit zo’n 70%. Ze zijn daarbij ook vaker afhankelijk van een uitkering om in hun levensonderhoud te voorzien. Onder de wachtenden van 2014 zijn echter minder werkenden te vinden die vier jaar later geen uitkering hebben (42%) dan onder die van 2010-2013 (47% tot 55%).

De klassieke bijstandsgerechtigden zien de baankansen nauwelijks verhoogd sinds de invoering van de Participatiewet. Hun baankansen waren laag vóór invoering van de Participatiewet (7%) en zijn dat sindsdien ook gebleven (8%). De kans om uit te stromen uit een bijstandsuitkering is eveneens maar iets gestegen: van 15% naar bijna 16%. Ook voor deze doelgroep geldt o.a.: minder banen voor ten minste een jaar, minder vaste contracten, meer kleine banen tot 20 uur per week.

Ook de FNV bestempelt de Participatiewet als mislukt: ‘Deze wet is vooral gericht op het straffen van werklozen. Er is nog steeds een banentekort, maar dat pakken ze niet aan. Jaarlijks wordt er 2 miljard euro uitgegeven aan de re-integratie van werkzoekenden, maar het zijn vooral gemeenten zelf en re-integratiebureaus die er iets mee opschieten. Werklozen krijgen er geen baan door en de re-integratie sluit niet aan bij de wensen en mogelijkheden van henzelf en die van de arbeidsmarkt. Daarom moeten we hier met z’n allen tegen strijden. Juist ook door de mensen die wél in dienst zijn van een werkgever. Uitkeringsgerechtigden worden monddood gemaakt, geïntimideerd. Ze komen niet in verweer, omdat ze anders hun uitkering verliezen’, aldus Maaike Zorgman, bestuurder van FNV Uitkeringsgerechtigden in het FNV Magazine (nr. 2, 2017).

Het ‘activerend arbeidsmarktbeleid’ werd met de Participatiewet tot op zijn meest extreme vorm uitgerekt. Niet de uitkering en dus niet de inkomenszekerheid stond centraal, maar de faciliteiten om zelfredzaam te zijn, om daarmee op eigen kracht de kansen te grijpen en zelf weer in je inkomen te voorzien. Een kwestie van je zelf inspannen, en als dat dan niet lukt, dan zal het wel eigen schuld zijn geweest. En ondertussen moet je nederig en dankbaar zijn, en iets terug doen voor de maatschappij, die dat toch allemaal voor je financiert.

xv.          Geen onvoorwaardelijk, universeel basisinkomen, maar een Zekerheidsinkomen

Sommigen bepleiten ter vervanging van deze gekmakende, ineffectieve en miljoenen kostende participatiedwang een onvoorwaardelijk basisinkomen. Een inkomen dat iedereen krijgt, zonder voorwaarden dus, als individuele basisinkomenszekerheid. Wij zijn daar niet voor om een aantal redenen.

In de eerste plaats omdat een hoog genoeg basisinkomen voor iedereen leidt tot een enorm rondpompen van geld. Degenen die zelf hun inkomen verdienen moeten om zo’n hoog basisinkomen te financieren enorm hoge belastingen betalen. Dat zal noodgedwongen ook de belasting op inkomen uit arbeid betreffen. De Rotterdamse econoom Bas Jacobs heeft zelfs de grote pleitbezorger van het onvoorwaardelijk basisinkomen, Rutger Bregman, ervan overtuigd dat dit desastreus zou zijn voor de arbeidsparticipatie.[22] De belastingen op arbeid zouden dramatisch moeten stijgen om iedereen een hoog basisinkomen te geven – 70% of meer: Van iedere 10 euro die je met werken verdiend, zouden er maar 3 of 2 overblijven. Dan is het risico wel erg groot dat mensen zeggen, laat maar, ik ga niet meer werken. Of erger nog: ik ga minder werken. Arbeid moet blijven lonen en betaald werk blijft, anders dan wat sommige bepleiters van een onvoorwaardelijk basisinkomen menen, belangrijk en moet dat ook blijven.

Een lager basisinkomen, waar voorstanders van een onvoorwaardelijk basisinkomen vanwege de kosten en de belastingdruk voor pleiten, doet onrecht aan het grootste probleem, structureel geldgebrek als oorzaak van armoede en schulden. En dan hebben we het nog niet eens over de neoliberale versie van het basisinkomen, die tegelijkertijd met een te lage uitkering ook nog de fiscale inkomenstoeslagen wil schrappen en in plaats van meer nivellering pleit voor minder nivellering met een voor iedereen gelijk belastingtarief (vlaktax). Dat kunnen sociaaldemocraten nooit voor hun rekening nemen.

En veel voorstanders van een onvoorwaardelijk basisinkomen leggen zich ook neer bij het verdwijnen van (perspectief op) betaald werk. Er zijn zelfs utopisten bij die denken dat robotisering betaald werk geheel zal doen verdwijnen. En vaak verdwijnt dan ook de financiering van de arbeidsbemiddeling als bron van dekking van de uitgaven voor een onvoorwaardelijk basisinkomen. Dat kan een Partij van de Arbeid al helemaal niet voor zijn rekening nemen. Het is een volledige miskenning van het feit dat betaald werk zoveel meer is dan alleen een inkomen.

Maar er is wel verandering nodig. Van wantrouwen naar vertrouwen. Van plichten naar rechten. Van complexiteit naar eenvoud. Van financiële prikkels naar een inkomenszekerheid. Maar met behoud van het streven naar volledige werkgelegenheid, en erkenning van de waarde van betaald werk. Daarover meer in hoofdstuk II.

xvi.          Een nieuw sociaal contract tussen burgers en overheid

De eerdergenoemde bevindingen van de WRR en de Nationale Ombudsman moeten gevolgen hebben voor het sociale contract tussen overheid en burger. ‘Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid hun niet over de rand duwt en dat momenten van onoplettendheid en mentale zwakte niet direct ingrijpende gevolgen hebben’, schrijft de WRR. Dat betekent dat eigen verantwoordelijkheid en ‘zelf kiezen’ als gietijzeren maatstaf voor beleid tekortschieten. 

De WRR doet ook suggesties om de contractvoorwaarden tussen overheid en burger te herzien. Zo roept ze de overheid terecht op om begripvol te zijn wanneer mensen onder mentale druk staan. In de praktijk komt dat neer op terughoudend zijn met sancties. Ook vraagt de WRR om coulance wanneer uitstaande rekeningen aan de overheid niet direct worden vereffend. In plaats van het huidige systeem van automatische boetes en incassobureaus moet de overheid zich eerst verdiepen in de redenen waarom betaling uitblijft om te voorkomen dat schuld op schuld wordt gestapeld. Dat zijn wenselijke en haalbare veranderingen waarmee de overheid zich barmhartiger kan en moet tonen.

Maar uiteindelijk is de WRR op zoek naar iets groters. De conclusie dat mensen nu eenmaal regelmatig tekortschieten in hun keuzes, vertaalt zich in de oproep ‘zeer terughoudend’ te zijn met het bieden van keuzevrijheden als het gaat om ‘essentiële financiële voorzieningen’ zoals ziektekosten en pensioenen.

De menselijke realiteit is anders, rommeliger. Dat maakt ons ook als mens en onderscheidt ons ook gelukkig van robotten. De overheid moet zich daarom niet gedragen alsof de burger een ‘onuitputtelijk mentaal budget’ heeft. Dat zijn woorden die recht tegen de tijdgeest ingaan. Juist bij het zoeken naar werk, uitkeringen, zorg en pensioen wordt steeds meer van individuen verwacht. Dan is dit het moment om te bezien of iedereen ook echt uit de voeten kan met nog meer keuzevrijheid. Luidt het antwoord nee, en daar lijkt het sterk op, dan is het koesteren van zelfredzaamheid als hoogste goed onverstandig.

De WRR beveelt aan om het aantal keuzes te verminderen, met standaardopties te werken, en actief verleidingen te verminderen – of het nu om alcohol, drugs, roken, goedkoop krediet, vrij reizen, een zorgverzekering of de zorgtoeslag gaat. En die dus niet (zoals bij bijv. pensioenen dreigt) te vergroten. Wie even geen keuze kan maken dient er een toebedeeld te krijgen – de veiligste. Anders gezegd: neem het menselijk tekort serieus. Als iets dat erbij hoort en niet per definitie strafbaar, laakbaar of beboetbaar is.

xvii.          Teveel private schulden

De omvang van de private schulden in ons land bedreigt onze welvaart en veroorzaakt enorme problematische schulden. Dit laatste ook omdat de schuldenindustrie teveel geliberaliseerd is en de schuldhulpverlening volstrekt ineffectief en te ontoegankelijk is.

Meer dan 3 miljoen huishoudens (ruim 42% van alle huishoudens) heeft schulden en/of te weinig financiële reserves. Van de Nederlandse huishoudens heeft 40% te weinig spaargeld en 15% heeft zelfs helemaal geen spaargeld. Dit betekent dat deze huishoudens niet of onvoldoende in staat zijn financiële tegenvallers op te vangen.

Iets meer dan één op de zes huishoudens (17% van alle huishoudens, 1,4 miljoen huishoudens) heeft risicovolle (staan rood + betalingsachterstanden + creditcardschuld) of problematische schulden (kunnen op eigen kracht schulden niet meer afbetalen). Gemiddeld hebben mensen met problematische schulden 15 verschillende schuldeisers; de gemiddelde schuld in deze groep is 40.000 euro (met stijgende trend).

Slechts een klein deel van deze groep (ca. 5%) meldt zich bij schuldhulpverlening (SHV). Een groot deel van hen die zich wel melden wordt niet toegelaten of trekt zich terug, door allerlei formele drempels[23] Het aantal mensen dat wordt toegelaten daalt zelfs, terwijl het aantal mensen met risicovolle en problematische schulden stijgt.

De effectiviteit van de SHV is zeer gering. De koepel van schuldhulpverleners, de NVVK, noch het ministerie van SZW vinden het niettemin niet hun taak om met gelijke definities en criteria de effectiviteit te monitoren, een ieder verschuilt zich achter de schaamlap van de gemeentelijke autonomie.[24]

Een klein deel kan geholpen worden in de gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Daarbij probeert de SHV, vaak een door de gemeente ingehuurde commerciële partij, afspraken te maken met de schuldenaar en de schuldeisers, en de gemeente kan ook helpen met budgetbeheer (bijv. de vaste lasten rechtstreeks betalen). Dat is allemaal op vrijwillige basis, de zgn. minnelijke regeling. Richtlijn is dat het minnelijke traject maximaal 4 maanden mag duren, maar dit wordt vaak overschreden.

Als dat niet lukt (bijv. omdat de schuldeisers niet willen meewerken; in ruim 70% van de aanvragen om SHV komt er geen minnelijke regeling tot stand), dan kan de schuldenaar naar de rechter om wettelijke schuldsanering aan te vragen (Wsnp). Vaak zonder enige hulp. Vaak is al eerder duidelijk dat een minnelijke regeling niet gaat lukken, maar moet toch eerst dat traject worden afgerond. Ondertussen loopt de schuld snel op met rentes, incassokosten en boetes. De rechter kan in kader van de Wsnp schuldsanering opleggen met afspraken over maandelijkse afbetalingen en kwijtschelding van de restschuld na 3 jaar, waarbij de schuldenaar onder bewindvoering wordt geplaatst. Maar zo’n 12.500 schuldenaren vragen per jaar een Wsnp aan (met een dalende trend), waarbij zo’n 40% wordt afgewezen (met een stijgende trend), 88% van de wel toegelaten schuldenaren komt eruit met een schone lei.[25] Als je als schuldenaar je niet houdt aan de voorwaarden van de Wsnp dan kan die tussentijds beëindigd worden, en heb je 10 jaar lang geen toegang.

Naar schatting 20-30% van degenen die succesvol uit een minnelijk traject komen, krijgen opnieuw problematische schulden (recidive). Na beëindiging van een traject heeft vier jaar later 4 tot 7 procent opnieuw een betalingsachterstand op een nieuw afgesloten krediet en 9 tot 16 procent een betalingsachterstand op de premie voor de Zorgverzekeringswet. De kans op terugval is na een schuldbemiddelingstraject kleiner dan na een WSNP-traject of een saneringskrediet. Tijdens en na een Wsnp-traject wordt relatief weinig hulp geboden door gemeenten om terugval te voorkomen.[26]

En als dat allemaal niet lukt is er nog schuldenbewindvoering mogelijk onder het regime van de Wcbm. Daarbij wordt op verzoek van de schuldenaar door de rechter wel bewindvoering opgelegd, maar is er geen sprake van schuldsanering. Alle schuld moet terugbetaald worden. Bewindvoering wordt uitgevoerd door commerciële partijen, en de kosten van bewindvoering onder Wcbm moet een gemeente bij bijstandsgerechtigden verplicht vergoeden uit de bijzondere bijstand. Het aantal schuldbewindvoeringen op grond van de Wcbm neemt alarmerend toe. Sommige gemeenten proberen nu de kosten daarvan te drukken door bewindvoerders in dienst te nemen. Er zijn ook veel klachten over de kwaliteit van bewindvoerders, en rechters geven toe weinig tijd te hebben om daarin te controleren en te handhaven.[27]

Schuldeisers ontvangen gemiddeld van mensen in de SHV maar 10-12% van hun vorderingen terug. De directe kosten van SHV zijn ca. 500 miljoen euro per jaar. Maar de extra maatschappelijke kosten van problematische schulden zijn een veelvoud van dat bedrag. Het Nibud schat ze op € 11 miljard per jaar (verzuim, minder productiviteit, administratie, (jeugd)zorg, maatschappelijke opvang, maatschappelijk werk, inzet wijkteams, bijzondere bijstand, criminaliteit, etc.). Meer dan 50% van mensen met problematische schulden hebben gezondheidsproblemen, waaronder ook verslavingen.

Aanpak van schulden van huishoudens moet een topprioriteit zijn. Het systeem faalt nu aan alle kanten: Schuldsanering is voor de schuldenaar een hel, schuldsanering geeft schuldeisers in de meeste gevallen hun geld niet (geheel) terug, de enige die echt baat heeft bij deze industrie is de schuldenindustrie zelf en jij en ik betalen voor deze gigantische verspilling.


[1] Het geldt niet voor tijdelijke arbeidsmigranten, ook niet uit andere EU-lidstaten – net zoals dat nu ook zo is bij de bijstand. Voor studenten: zie hoofdstuk VII.

[2] Wij denken aan: Een ruim eigen vermogen van bijv. € 100.000, plus de zelf-bewoonde eigen woning, worden vrijgesteld. Een vermogenstoets doet afbreuk aan de eenvoud en vraagt om controle, maar die is ook al van belang bij een hogere en effectievere belasting op kapitaal, als door ons bepleit onder IV. Zonder vermogenstoets is er een te grote prikkel om beschikbaar inkomen om te zetten in vermogen, en zou daarmee de inkomenstoets uithollen.

[3] Zie: https://bijvoorbaatverdacht.nl/nooit-meer-een-systeem-als-syri/

[4] Lees hier meer over bij: https://platformburgerrechten.nl/2018/11/13/alle-gegevens-die-over-u-worden-verzameld-kunnen-tegen-u-gebruikt-worden/

[5] Voor wat betreft de WW-duur zie hoofdstuk X. Voor wat betreft de WW-premie en de AOW-leeftijd zie hoofdstuk II. Voor wat betreft de AOW- en WIA-premie zie hoofdstuk IV.

[6] Nu mag je in de bijstand 25% van je loon met een maximum van 215 euro netto per maand (bedragen 2020) bijverdienen zonder korting, en dat geldt alleen als je 27 jaar of ouder bent, en voor maximaal 6 maanden van je bijstandsuitkering. Alleenstaande ouders mogen daarenboven 30 maanden 15% met een maximum van 136,26 euro netto per maand bijverdienen zonder korting. Bedragen variëren in de praktijk per gemeente. Een aantal inkomsten (zoals toeslagen) zijn wettelijk vrijgesteld van korting op bijstand, maar veel gemeenten voeren daar een eigen aanvullend beleid in. In principe moet je alle inkomsten, ook giften, aan de gemeente doorgeven, tot aan inkomsten uit verkoop van inventaris – bijv. via Marktplaats – aan toe. Er zijn gemeenten die hun geld besteden aan controles op zulke sites…

[7] Armoedeval is de ‘val’ waarin inkomens vastzitten doordat bij meer salaris – door hoger loon of door meer werk – er minder toeslag en andere voordelen worden ontvangen, waardoor er netto nauwelijks meer geld overblijft.

[8] Zie: https://pureluxe.nl/2019/04/rijkste-landen-wereld-2/

[9] Zie: https://www.nrc.nl/nieuws/2015/08/14/kostendelersnorm-bijstandswet-raakt-vooral-kwetsbare-ouderen-a1413979 en: https://www.sociaalweb.nl/blogs/weg-met-de-kostendelersnorm

[10] Hoe belastend het zelfstandig burgerschap kan zijn blijkt uit een casus van de Nationale Ombudsman die de WRR aanhaalt. Een alleenstaande ouder met schoolgaande kinderen, een deeltijdbaan, een aanvullende uitkering en een huurwoning krijgt inkomsten van twaalf verschillende instanties. In dit geval komen er tachtig betalingen per jaar binnen waarvoor achttien formulieren moeten worden ingevuld. Stel je de papierwinkel voor, plus de kans dat er ergens misschien een foutje wordt gemaakt.

[11] https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2017/04/24/weten-is-nog-geen-doen

[12] In de rapporten van de Nationale Ombudsman is deze vicieuze cirkel terug te zien. In zijn rapport “In het krijt bij de overheid” is te lezen hoe mensen steeds dieper wegzakken in de schulden omdat ze achterlopen bij het betalen van rekeningen aan het UWV en de Belastingdienst. Vaak begon het met een boete die werd opgelegd vanwege een foutief ingevuld formulier of te laat doorgegeven informatie.

[13] De WRR ontraadt daarom het bieden van meer keuzemogelijkheden in het aanvullend pensioen. De meest kwetsbare mensen zullen daar het meest de dupe van worden. Helaas hebben sociale partners en het kabinet zich daar niet door laten leiden bij het recente Pensioenakkoord.

[14] Wat deze keuzejungle veroorzaakt, kunnen we lezen in Geen fraudeur, toch boete, een rapport dat de Nationale Ombudsman in 2014 publiceerde. De berichten van de ombudsman staan vol met gevallen waarin de burger zonder opzet door teveel verondersteld handelingsvermogen in de problemen komen: afgestudeerden die zich na het in ontvangst nemen van hun bul niet meteen afmelden voor hun ov-jaarkaart en daardoor een schuld opbouwen, werkzoekenden die beboet worden omdat ze het overzicht van hun sollicitatiepogingen verkeerd invullen, gezinnen die honderden euro’s kwijt zijn aan het incassobureau vanwege één gemiste betaling.

[15] De uitzendbureaus die hier bewust op sturen werden echter in alle commotie vaak buiten beschouwing gelaten, terwijl zij juist de Poolse migranten met deze praktijk uitbuiten, zoals CNV en FNV terecht aangaven. Zie: https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4534606/uitzendbureaus-polen-arbeidskrachten-migranten-kosten-ww-vakantie

[16] Waarbij opgemerkt moet worden dat bijna de hele Tweede Kamer hier boter op zijn hoofd heeft door eerst schande te roepen over fraude en de regering vroeg om hier meer werk van te maken.

[17] https://www.cpb.nl/kansrijk-arbeidsmarktbeleid-update-minimumloonbeleid#docid-160195

[18] Der Mindestlohn: Bisherige Auswirkungen und Zukünftige Anpassung, Gemeinsame Stellungnahme von IMK und WSI anlässlich der schriftlichen Anhörung der Mindestlohnkommission. Von Alexander Herzog-Stein, Malte Lübker, Toralf Pusch, Thorsten Schulten, Andrew Watt; Policy Brief WSI Nr. 24 (April 2018). https://www.boeckler.de/pdf/p_wsi_pb_24_2018.pdf

[19] Does the UK Minimum Wage Reduce Employment? A Meta-Regression Analysis. By Megan de Linde Leonard, T. D. Stanley, Hristos Doucouliagos (July 2013): https://doi.org/10.1111/bjir.12031   

[20] The employment effect of minimum wage using 77 international studies since 1992: A meta-analysis. By Michael Chletsos and Georgios P. Giotis; University of loannina, Department of Economics, Greece; MPRA Paper No. 61321 (Jan. 2015). 

https://mpra.ub.uni-muenchen.de/61321/1/MPRA_paper_61321.pdf en Does Employment Respond to the Minimum Wage? A Meta-analysis of Recent Results in the New Minimum Wage Research. By Dale Belman and Paul Wolfson.

https://werugreenwich.files.wordpress.com/2014/11/what-does-the-min-wage-do-15.pdf
https://research.upjohn.org/up_press/227/

[21] https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2019/11/19/eindevaluatie-van-de-participatiewet

[22] Zie: https://decorrespondent.nl/8225/deze-variant-van-het-basisinkomen-is-realistisch-en-betaalbaar/316210125-2f75431a

[23] Uiteenlopend van onvoldoende zelfredzaamheid (geen geordende administratie bijv.) (!), een nog lopende scheiding, een eigen bedrijf dat eerst geliquideerd moet worden, een woning die beneden de hypotheekwaarde verkocht moet worden, etc. etc. Zie ook: https://nos.nl/artikel/2251491-daling-aantal-mensen-in-de-schuldsanering-baart-zorgen.html

[24] Zie: https://demonitor.kro-ncrv.nl/artikelen/onderzoek-schuldhulpverlening-niet-gericht-op-schuldenvrij-maken-clienten

[25] Zie: https://www.bureauwsnp.nl/binaries/content/assets/wsnp/onderzoek/monitor-wsnp17.pdf

[26] Zie: http://www.seo.nl/uploads/media/2015-73_Duurzaamheid_schuldentrajecten.pdf

[27] https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2229917-weinig-zicht-op-kwaliteit-bewindvoering-mensen-in-de-schulden-de-dupe.html

FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *