Motie voorkomen pensioenkortingen

De Politieke Ledenraad van de PvdA, in vergadering bijeen op 16 november 2019 te Eindhoven,

Overwegende dat er voor ca. 8 miljoen pensioendeelnemers, jongeren en ouderen, een forse pensioenkorting dreigt per 1 januari 2020,

Overwegende dat deze korting het vertrouwen in het collectieve pensioenstelsel, één van de laatste kroonjuwelen van onze verzorgingsstaat, dreigt te ondermijnen,

Overwegende dat de kans op een goede uitwerking van het recente pensioenakkoord door de dreigende pensioenkortingen zeer verslechtert,

Constaterende dat onze Tweede Kamerfractie terecht heeft opgeroepen om onnodige pensioenkortingen te voorkomen en dat deze oproep gesteund werd door een meerderheid van de Tweede Kamer,

Van oordeel dat de nu voorziene kortingen bij o.m. de vier grootste pensioenfondsen onnodig zijn,

Van oordeel dat daarom alles gedaan moet worden om deze pensioenkorting te voorkomen, en een situatie te creëren die meer structureel de kans op kortingen verkleint en op indexering verhoogt,

Roept onze Tweede en Eerste Kamerfracties op tot:

  • Het bevorderen van een andere, meer reële maar nog steeds prudente rekenrente, gekoppeld aan meer regulering van het vermogensbeheer van de pensioenfondsen zodat dit degelijker, minder risicovol, goedkoper en duurzamer wordt;

 

  • Het verhogen van de AOW-uitkering, dat niet alleen een verlaging van het aanvullend pensioen zou compenseren, maar ook de inkomenspositie van degenen met geen of slechts een klein pensioen erop vooruit helpt;

 

  • Indien nodig, als bovengenoemde maatregelen niet tijdig genomen kunnen worden, in afwachting daarvan, toepassing van de wettelijke mogelijkheid (artikel 142 Pensioenwet) tot tijdelijke ontheffing van de plicht tot pensioenkorting per 1 januari 2020 en 2021;

 

  • Niet akkoord te gaan met verdere besluitvorming over uitwerking van het pensioenakkoord indien het bovenstaande niet wordt gerealiseerd;

 

  • Vast te stellen dat de premies voor 2020 en 2021 dienen te worden berekend tegen dezelfde rekenrente die gebruikt wordt voor het berekenen van de pensioenverplichtingen;

 

  • Voorstellen over een verhoging van de werkgeverspremie voor aanvullende pensioenen en het vaststellen van de herstelpremie te steunen zolang niet aan het bovenstaande wordt voldaan;

En gaat over tot de orde van de dag.

Gerard Bosman

Rik Hindriks

Arie de Graaf

Ronald Bethlehem

Tom Weijnen

Toelichting

 

Het recente (nog uit te werken) pensioenakkoord poogt o.m. onze aanvullende pensioenen minder kwetsbaar te maken voor kortingen en eerder te kunnen indexeren. Door al ruim een decennium niet te indexeren is de koopkracht van onze pensioenen al ernstig achteruit gegaan.

Dat terwijl onze pensioenfondsen nog steeds gemiddeld goede rendementen halen en de pensioenpotten overvol zijn. Het argument van de voorzitter van de DNB en het kabinet Rutte III dat ook de pensioenverplichtingen verdrievoudigd zouden zijn gaat alleen maar op indien je rekent met een volledig risicovrije rentevoet, zoals de huidige rekenrente.

Het kabinet wil die rente ook nog eens structureel verder verlagen in reactie op het advies van de commissie Dijsselbloem. Dat advies was overigens een uitwerking van de Nederlandse regels waarmee Nederland vergaand negatief afwijkt van de voor de Eurozone geldende regels (Eiopa). Vanuit Europa wordt niet voor niets met verbazing gekeken naar het Nederlandse beleid waarmee het vertrouwen in het beste pensioenstelsel ter wereld wordt uitgehold.

Het advies Dijsselbloem houdt overigens geen rekening met het gesloten pensioenakkoord. In dat akkoord wordt nog eens explicieter dat er geen harde pensioentoezegging bestaat. Er hoeft dus niet gerekend te worden alsof dat wel zo is – er kan een zeker risico worden genomen. Daarmee wilde het pensioenakkoord een meer structurele verbetering brengen: minder korten, meer indexeren. Het tegendeel lijkt nu te gebeuren, zelfs al voordat we beginnen aan de uitwerking van dat toch al fragiele akkoord. De korting dreigt voor 8 miljoen pensioendeelnemers per 1 januari 2020 een korting op het aanvullende pensioen. Dat is 40% van het totaal aantal deelnemers.[1] Ook in 2021 dreigen er kortingen. Naar verwachting zal een uitwerking van het pensioenakkoord pas vanaf 2022 in werking kunnen treden. Dat zal dan ook in een nieuw regeerakkoord bezegeld moeten worden.

De pensioenkorting kan cumulatief en blijvend oplopen tot minimaal 10%, maar mogelijk 15 tot 20% op de uitkering. Het gaat hierbij om gemiddelde aanvullende pensioenen van zo’n 600 euro per maand, vooral van lagere en lagere middeninkomens – leraren, verplegers, agenten, metaalarbeiders, installateurs, loodgieters, garagemedewerkers. De door Rutte III beloofde koopkrachtverbetering voor gepensioneerden zal erdoor verdampen.

Dit treft ook de jongere generaties. De komende aanpassingen (Pensioenakkoord, commissie-Dijsselbloem) leiden er toe dat bij de bepaling van pensioenpremies eveneens uitgegaan moet worden van het vrijwel ontbreken van enig rendement in de toekomst. Het is helder dat dit gaat leiden tot zeer forse premiestijgingen. Zeker bij die pensioenfondsen die tot nu toe voor de premieberekeningen met een (beperkt) verwacht rendement rekening hebben gehouden. Volgens uitspraken van pensioenvertegenwoordigers in de media zal deze aanpassing waarschijnlijk tot premiestijgingen gaan leiden die liggen tussen de 10 en 30 procent.

De kans dat de premies met dergelijke percentages gaan stijgen, lijkt gering. Als de premie echter niet verhoogd wordt moeten nogal wat pensioenfondsen de opbouw dramatisch verlagen, aldus de Pensioenfederatie, de koepel van alle pensioenfondsen. Zo zou volgens het Philips pensioenfonds het jaarlijkse opbouwpercentage dalen van 1,85 naar 1,09 procent. Dat betekent dat de doelstelling uit het Pensioenakkoord dat deelnemers na 40 dienstjaren een pensioen van 75 procent middelloon hebben opgebouwd, bij lange na niet wordt gehaald. Eerder zal het pensioen na 40 opbouwjaren vermoedelijk op gemiddeld 60 procent van het middelloon uitkomen.

Deze uitkomsten zijn bovendien gebaseerd op het maximaal toegestane opbouwpercentage. Bij nogal wat pensioenregelingen ligt het jaarlijkse opbouwpercentage daar vaak onder. Voorts is het zo dat het grootste deel van de deelnemers minder dan 40 dienstjaren heeft en dus ook minder dan dit maximale pensioen opbouwt. En daarnaast ligt het uiteindelijke eindloon waarmee deelnemers met pensioen gaan, afhankelijk van het carrièreverloop, boven het middelloon. Als we met deze factoren rekening houden, dan zou de verwachte pensioenuitkomst voor de jonge deelnemers rond de 30 à 35 procent van het eindloon uitkomen. Dat is dan het perspectief wat we de jongeren in de toekomst gaan bieden.

Veel jongeren zullen zich dan ook de (terechte) vraag stellen waarom men in een dergelijk pensioenstelsel mee zou willen doen. Waarom zouden jongere deelnemers inleggen in een pensioenstelsel dat als uitgangspunt heeft dat men de komende 50 jaar geen enkel verwacht rendement mag verdisconteren? Dat daardoor leidt tot een onnodige reductie bij de pensioenopbouw, zodat het uiteindelijke pensioen veel lager uitvalt. Wie heeft er zin om mee te doen met een stelsel waar al zolang over wordt gesoebat, maar dat uiteindelijk zo weinig pensioen uitbetaalt? Hoe kunnen we zo’n stelsel nog verplicht stellen? Zulke vooruitzichten zetten de bijl aan de wortels van ons pensioenstelsel.

Op 13 oktober jl. publiceerden ruim 40 prominente wetenschappers en bestuurders een brief aan alle fractievoorzitters in de Tweede Kamer[2] met een pleidooi voor een iets hogere rekenrente. De briefschrijvers rekenen ons voor: “dat in de eerste helft van dit jaar de vermogens van de Nederlandse pensioenfondsen met 161 miljard euro toegenomen (cijfers DNB). Dat is een stijging met meer dan 12 procent. Dat lijkt goed nieuws voor de pensioendeelnemers en dat is het ook. Het is een forse bijdrage aan ons pensioenstelsel dat in 2018 een bedrag van bijna 31 miljard uitkeerde aan 3,3 miljoen pensioengerechtigden. Omdat de pensioenfondsen in datzelfde jaar een bedrag van ruim 33 miljard aan premie ontvingen, kan deze hele vermogenswinst worden toegevoegd aan de bestaande pensioenvermogens die eind vorig jaar 1322 miljard bedroegen. Aangezien pensioenfondsen nog steeds meer premie ontvangen dan zij uitkeren, bestaat ons pensioenstelsel op dit moment feitelijk uit een goed gefinancierd omslaggedeelte met daarnaast een jaarlijkse toename van de kapitaaldekking die daar gemiddeld ver bovenuit gaat. Door de instroom van premies en inkomsten uit het belegde vermogen zal het zeker nog vele jaren duren voordat de pensioenfondsen een negatieve cash-flow zullen hebben. En dan nog zullen de fondsen een omvangrijke buffer achter de hand hebben (momenteel al 48 keer de in 2018 uitgekeerde pensioenen) waaruit de pensioenen verder kunnen worden gefinancierd. Deze situatie is uniek in de wereld. Er is geen enkel ander land dat zoveel pensioenvermogen per inwoner heeft opgebouwd als ons land.”

In 2006 heeft de politiek besloten dat de pensioentoezegging voortaan nog veel sterker moest worden gegarandeerd. Voor jong en oud zou de pensioentoezegging voor 97,5 procent moeten worden zeker gesteld. En tegenwoordig wordt in de discussie al snel gesproken over volledig gegarandeerde toezeggingen. Die garanties zijn vervolgens vertaald naar de huidige rekenregels. De pensioenfondsen mogen volgens deze regels van de pensioenwet voor hun toekomstige rendementen alleen maar rekenen met volledig risicovrije opbrengsten. Hiervoor wordt de zogenaamde euroswaprente gebruikt (de rente die banken onderling verrekenen). En daar begint het probleem.

De renteopbrengsten van staatsleningen (en daarmee de euroswaprente) zijn de afgelopen jaren zeer sterk teruggelopen. Momenteel is er zelfs sprake van negatieve rentes. Daardoor moeten de pensioenfondsen nu rekenen met een verwacht rendement van vrijwel nul en de kans bestaat dat de fondsen binnenkort van negatieve rendementen moeten uitgaan. In het theoretische geval dat de komende 50 jaar de pensioenfondsen conform de gehanteerde rekenregels geen enkel rendement meer zullen maken, is er inderdaad bij een groot aantal pensioenfondsen onvoldoende geld om aan hun toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen. Vandaar dat er tal van fondsen op deze basis een dekkingsgraad hebben onder de 100 procent. En er daarom gekort moet worden. Dat is echter om twee redenen niet verstandig.

Ten eerste hebben de Nederlandse pensioenfondsen sinds het begin van de jaren negentig, na de liberalisering van de kapitaalmarkten, jaarlijks een gemiddeld rendement gemaakt van ongeveer 7 procent (na aftrek van alle kosten). Nu zeggen resultaten van beleggingen uit het verleden inderdaad weinig over de toekomst, maar de omslag naar een verwacht rendement van 0 procent is wel erg groot. Zeker als we weten dat de meeste pensioenfondsen in ons land maar beperkt in staatsleningen beleggen.

Over het algemeen wordt het merendeel van de pensioenvermogens aangehouden in aandelen, vastgoed, grondstoffen, private equity, hedgefondsen en andere zakelijke waarden. Er moet immers rendement worden gemaakt. En van het deel dat in vastrentende waarden wordt belegd, wordt het grootste deel in bedrijfsleningen geïnvesteerd. Staatsleningen maken over het algemeen slechts een beperkt deel van de portefeuille uit. Maar op het rendement van dit beperkte deel rekenen we volgens de huidige rekenregels wel de hele portefeuille af.

De tweede reden heeft te maken met het politieke uitgangspunt. De bedoeling was om de pensioenen zo zeker mogelijk te maken. Maar precies het omgekeerde is gebeurd. Er zijn in ons land nog maar heel weinig mensen te vinden die geloven dat zij een gegarandeerd pensioen hebben. Dat geloof is echt wel verdwenen. De indexatieachterstand ligt bij veel fondsen tussen de 15 en 20 procent en met de komende kortingen erbij zal die achterstand aanzienlijk, zo niet zeer aanzienlijk oplopen. Met dit soort resultaten is het helder dat het vertrouwen van de Nederlandse bevolking in ons pensioenstelsel met rasse schreden achteruit is gegaan. De pogingen om ons pensioenstelsel steeds zekerder te maken hebben derhalve geleid tot een buitengewoon onzeker pensioen.”

Uiteraard moet ook een nieuwe, hogere rekenrente prudent blijven. De solidariteit tussen generaties moet in stand blijven. Zoals hierboven aangegeven worden ook jongeren getroffen als we nu pensioenen gaan korten. Als we niets doen zullen de aanvullende pensioenen straks structureel tientallen procentpunten lager zijn dan thans voor de huidige jongeren. De huidige methode ondermijnt daarmee het laatste kroonjuweel in onze verzorgingsstaat, de verplichte collectieve aanvullende pensioenen voor werkenden, met solidariteit tussen generaties. Dat is voor mensen met kapitaal en hoge inkomens geen probleem, zij hebben voordeel van de lage rente via hun hypotheek en hoge beleggingsrendementen. Hoge inkomens kunnen zich veroorloven individueel zelf pensioen op te bouwen via beleggingen en private pensioenproducten. Het zijn de lage en gemiddelde inkomens die de tol betalen.

Prudentie is goed, overdreven prudentie is schadelijk. Natuurlijk moeten we zorgen dat de jongeren straks ook nog een goed pensioen hebben, maar dat kan – inclusief gevolgen van stijgende levensverwachting en vergrijzing – heel goed met een prudente rente van ca. 2,4%. Dat is overigens ook vastgesteld door de commissie Dijsselbloem die heeft berekend dat 2,4% een prudente rente is om de premies op te baseren. De pensioenfondsen en ook de commissie Dijsselbloem verwachten dat ze blijvend minimaal 4% rendement kunnen maken met hun beleggingen. En dat is zeker ook het geval bij een meer maatschappelijk en risicoarm beleggingsbeleid. Kleine verhogingen van de rekenrente maken al een enorm verschil voor de dekkingsgraad. Een verhoging met 1% maakt zelfs al kortingen overbodig en iets meer kan zelfs indexering realiseerbaar maken.

En prudentie helpt ook weinig tegen een volgende financiële crisis. Dekkingsgraden zullen dan gauw verdampen, welke norm we ook kiezen. Wat daar wel tegen helpt is als pensioenfondsen minder speculatief beleggen in allerlei (dure) risicovolle constructies. Pensioenfondsen gedragen zich nu teveel als financiële instellingen met bijbehorende hoge kosten en bonuscultuur. Als pensioenfondsen minder risicovol beleggen zijn er minder zeepbellen in onze economie en kunnen ze tegelijkertijd ons land beter bestendig maken tegen een volgende crisis (meer betaalbare woningen, meer duurzame economie). Daarmee zullen ze gemiddeld wellicht minder rendement maken, maar wel een meer stabiel rendement dat ruim voldoende is om aan de verplichtingen te voldoen.

In de jaren 1990 werd het vermogensbeheer van pensioenfondsen gedereguleerd, net als de banken, en de dure commerciële beleggers en hun zeepbelproducten deden hun intrede. Onze PvdA zou een prudente verhoging van de rekenrente (tot ca. 2,4%) moeten koppelen aan regulering van het vermogensbeheer: dat moet degelijker, simpeler, goedkoper[3] en duurzamer. En bijdragen aan het algemeen, collectief belang. Ook de deelnemers van de pensioenfondsen profiteren van een meer stabiele en duurzame economie, betaalbare woningen, etc.

Pensioenfondsen tenderen nu naar financiële instellingen. Daar moet een einde aan komen. En dat is een mooi tegenwicht voor de benodigde rekenrente verhoging. Want als je maatschappelijk investeert mag je ook met een maatschappelijke rente rekenen. Het is de contramal. Bijvoorbeeld: Beleggen in regionale spreiding en valuta uitsluiten. Dus alleen de eurozone komt in aanmerking. Dan investeer je in je eigen verdienvermogen. Investeren in derivaten en private equity: verbieden. En daar biedt de wet ook gewoon de ruimte voor. De duration standaard en verplicht volledig afdekken. Niet met derivaten maar door swaps. Terug naar de maatschappelijke organisaties die ze ooit waren. Dit soort maatregelen maakt een beperkte rekenrente verhoging meer dan verantwoord.

Nu onze PvdA een grote rol gespeeld heeft bij het bereiken van het pensioenakkoord, rust op ons ook een verantwoordelijkheid hier de helpende maar ook sturende hand te bieden. In de eerste plaats door in ieder geval de verdere verlaging van de rekenrente te voorkomen, onder meer door steun van het akkoord hiervan afhankelijk te maken. In de tweede plaats door een initiatief te nemen voor een andere systematiek van de rekenrente. Het zal een lastige discussie zijn, maar ja, de PvdA is nodig voor een meerderheid in de Eerste Kamer voor het pensioenakkoord. Laten we daar (liefst samen met GL en SP) een punt van maken. Voor de Rijksbegroting heeft e.e.a. geen gevolgen. Ook de FNV dringt sterk aan op wijziging van de rekenrente en geen korting vooruitlopend op de uitwerking van het pensioenakkoord.

Maar er is nog een weg om de effecten van de korting tegen te gaan. En die weg zouden we ook moeten volgen. Het is de weg van de verhoging van de AOW-uitkering. Door een verhoging van de AOW-uitkering worden pensioendeelnemers die gekort worden op hun aanvullende pensioen, gecompenseerd.

Uiteraard compenseren we daarmee ook pensioendeelnemers die niet gekort worden op hun aanvullende pensioen. Maar de AOW is eigenlijk al veel te laag, met name zij die alleen AOW hebben of slechts een klein aanvullend pensioen komen nauwelijks rond[4]. Daarom is dit een weg die we ook moeten volgen, ook indien de rekenrente verhoogd wordt.

Het kost uiteraard wel wat, een stijging van de AOW met bijv. 10% kost zo’n 3,7 miljard euro. In de bestaande systematiek is de AOW-premie een vast gegeven en worden tekorten via de algemene middelen gefinancierd[5]. Het is onverstandig om de AOW-premie nu te verhogen, want dat zou arbeid duurder maken, terwijl daar juist de lasten omlaag moeten. Voor dekking moet dus naar belastingmaatregelen gekeken worden, door kapitaal (winst, vermogen, dividend, hoge inkomens) zwaarder te belasten. Daar zijn veel mogelijkheden voor – het effectieve belastingtarief op kapitaal is effectief slechts 9% (één van de laagste in Europa), terwijl dat op inkomen uit arbeid effectief 40% is. Dan betalen ook rijke gepensioneerden meer mee in een solidair belastingstelsel.

Het voorstel om de AOW-uitkering te verhogen is inmiddels ook overgenomen door het FNV.

Tenslotte ondersteunen we eisen om de werkgeverspremie te verhogen indien de pensioenkorting niet wordt voorkomen. Immers, indien er een tekort is kan ook de premie verhoogd worden – feitelijk is er sprake van een niet kostendekkende premie. Dat premietekort is bij het ABP, veruit het grootste pensioenfonds, intussen sinds 2009 opgelopen tot meer dan 40 miljard euro. De stijging van het werknemersdeel van de premie wordt daarbij gecompenseerd in een extra looneis. Onze motie ondersteunt dit als stok achter de deur om het kabinet Rutte III tot beweging te dwingen de pensioenkortingen in 2020 en 2021 in ieder geval te voorkomen, en tot een structurele verbetering te komen die de kans op kortingen drastisch verkleint en die op indexeringen navenant verhoogt, in een nog steeds zeer prudent, generatie-solidair collectief aanvullend pensioenstelsel.

Deze motie wordt mede ondersteund door Linksom! in de PvdA.

[1] Het gaat hier om pensioenaanspraken. Deze worden verlaagd voor nog pensioen opbouwende deelnemers, slapers (degenen die nu niet meer bij bedrijf(stak) pensioen opbouwen maar ook nog geen pensioen ontvangen, bijv. omdat ze nu elders werken of al dan niet vrijwillig werkloos zijn) en om mensen die al pensioen ontvangen. Het gaat dus ook om jongeren en huidige werkenden, die hun toekomstig pensioen verlaagd zien. Het aantal is het totaal aantal deelnemers van de fondsen waarbij nu acuut korting dreigt, te weten ABP (overheid en onderwijs), PFZW (zorg en welzijn), PMT (kleinmetaal, installatie en auto/fietsbedrijven) en PME (grootmetaal). De eerste drie zijn veruit de fondsen met het grootste aantal deelnemers.

[2] Zie: https://esb.nu/esb/20056035/ons-pensioenstelsel-verdient-beter

[3] Sinds de deregulering zijn de kosten van het vermogensbeheer de pan uit gerezen. Inmiddels bedragen ze 8 miljard euro per jaar, 25% van de ingelegde premie. Dat is absurd.

[4] Het gaat om ca. 200.000 huishoudens. Zie: https://www.maxvandaag.nl/sessies/themas/consument/meldpunt-niet-kunnen-rondkomen-van-alleen-aow/ . Een kwart van alle 65-plussers leeft van minder dan € 21.500 per jaar. Vooral (in totaal 100.000 huishoudens) onder oudere, oudere niet-westerse allochtonen en oudere gescheiden vrouwen bevinden zich relatief veel huishoudens met een zwakke inkomenspositie, soms zelfs onder de armoedegrens omdat ze te weinig AOW hebben opgebouwd. Zie: http://www.seo.nl/uploads/media/2017-09_Inkomenspositie_ouderen.pdf

[5] Het AOW-premiepercentage is sinds 1999 bevroren op 17,9%. In 2017 bracht dit 23,9 miljard op, en de rest – 13,5 miljard – wordt gefinancierd uit de Algemene Middelen van het Rijk (lees: belastinginkomsten). De uitgaven van AOW groeien licht per jaar in absolute zin, maar in percentage van ons bbp (nationaal inkomen) dalen de uitgaven. Dus wat we met z’n allen verdienen per jaar stijgt meer dan de uitgaven voor AOW dat doen. In 2017 waren er ruim 3,4 miljoen mensen met een AOW-uitkering.

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *