De schuldhulpverlening: hoe het nu geregeld is

In 2012 trad de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) in werking. Daarin vond een aanscherping plaats van de al bestaande zorgplicht en een kader aangegeven waarbinnen de gemeentelijke schuldhulpverlening vormgegeven dient te worden. Een paar jaar later vond een nog veel grotere decentralisatie plaats door overheveling van tal van taken op het terrein van zorg, werk en inkomen naar de gemeenten. Tegelijkertijd realiseerde het Rijk majeure bezuinigingen. De handelingspraktijken in de schuldhulpverlening zijn zeer divers. Naar het oordeel van Berenschot en de Transitiecommissie Sociaal Domein weigeren veel gemeenten bepaalde categorieën ingezetenen de toegang tot schuldhulpverlening. De bezuinigingen zullen daar zonder enige twijfel een grote rol bij hebben gespeeld. Gemeenten ontdekken steeds meer, dat een zeer groot percentage van de burgers, die sociale en/of gezondheidsproblemen hebben, ook schuldenproblemen hebben. Toch is bij de sociale wijkteams in meerderheid schuldhulpverlening zowel in competenties als in capaciteit en bevoegdheden een ondergeschoven kindje.

Wanneer iemand zich meldt bij de gemeente en niet wordt afgewezen, wordt vastgesteld welke hulpbehoefte bestaat en op welke manier het schuldhulpverleningstraject dus wordt ingericht. Het kan zijn dat iemand met een eenmalig advies of met een verwijzing naar een andere betrokken partij wordt geholpen. Hierbij kan gedacht worden aan hulp bij het aanleveren van de juiste informatie aan een schuldeiser, waardoor het pad richting een duurzame financiële situatie al een stuk duidelijk wordt. Na een doorverwijzing of eenmalig advies kan het zijn dat de problemen zijn opgelost en iemand dus effectief is geholpen. Wanneer er vervolgens weer een problematische situatie ontstaat, kan iemand zich wederom melden.

Het komt ook voor dat de gemeentelijk ambtenaar vaststelt dat er sprake is van een crisissituatie of dat iemand nu nog niet in aanmerking komt voor een schuldhulpverleningstraject. In dat geval wordt er eerst aangestuurd op het oplossen van de crisis situatie of het stabiliseren van de situatie. Een voorbeeld van een crisis is een dreigende uitzetting, waarbij iemand geen alternatieve woonruimte heeft. Voordat er een oplossing wordt gezocht voor het aflossen van de schulden zal dan eerst aan een noodoplossing moeten worden gewerkt waardoor iemand toch ergens terecht kan of de uitzetting wordt afgeblazen. Wanneer de situatie van een persoon weer stabiel is, kan eventueel worden overgegaan op een schuldenregeling voor het aflossen van schulden. De gemeente kan sinds kort ook een wettelijke adempauze (een tijdelijk bevriezing van de schulden voor maximaal zes maanden) via de rechter afdwingen om de situatie te stabiliseren en uitzettingen, afsluitingen en verdere verhoging van schulden door rente of invorderingskosten te voorkomen. Dit is echter maar een tijdelijke regeling.

Schuldhulpverlening kent een breed palet aan mogelijke dienstverlening/instrumenten. Naast een schuldenregeling voor het aflossen van schulden kan er in het kader van schuldhulpverlening ook worden besloten flankerende hulp te organiseren. Flankerende hulp is ondersteuning waarbij niet direct iets wordt gedaan aan de uitstaande schulden, maar waarbij iemand ondersteund wordt in relevante zaken hieromheen. Voorbeelden van flankerende hulp zijn: hulp bij budgetbeheer, alfabetisering/taal- en rekenonderwijs, educatie gericht op bureaucratische of financiële bekwaamheid, therapie gericht op psychologische bekwaamheid, verslavingszorg en kinderopvang.

Bij het bepalen van de hulpvraag van personen en de daaropvolgende besluiten over de te ontvangen hulp is het van belang inzicht te hebben in de specificaties van de precieze schuldensituatie. Een schulden situatie kan per persoon sterk verschillen. De achtergrond van een persoon (inkomenssituatie en bekwaamheid) en de specifieke casuïstiek (manier waarop schulden zijn ontstaan en de aard en omvang van de schulden) kunnen sterk uiteenlopen per casus. Daarnaast is het van belang om te constateren of het gaat om niet kunnen (waarbij ondersteuning en training denkbare hulprichtingen zijn), om niet-willen (waarbij een strengere aanpak gewenst kan zijn), of om een combinatie hiervan (wat in de meeste gevallen het geval zal zijn).

Om gemeenten handvatten te geven bij het vaststellen van de hulpvraag zijn in 2011 door Regioplan verschillende klantprofielen opgesteld. Recent onderzoek van Berenschot wijst echter uit dat gemeenten nog steeds moeite hebben met het bepalen van de juiste hulp. Met name op het gebied van de gedragscomponent blijkt het voor gemeentelijke hulpverleners soms lastig vast te stellen wat de beste gang van zaken is. Dat gemeenten in het hele sociale domein vaak het mantra van de calculerende, en potentieel frauderende burger, als ook dat van zelfredzaamheid en eigen kracht veelal geïnternaliseerd hebben, helpt daarbij niet.

Wanneer iemand wordt toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening start een procedure die er op is gericht een adequate oplossing te vinden gericht op de aflossing van schulden of het beheersbaar maken van schulden. Binnen de Wgs wordt gezocht naar een minnelijk weg om een afspraken met schuldeisers te maken, een betalings- en/of een schuldregeling. Hierbij bestaan twee mogelijkheden:

  1. De gemeentelijke kredietbank neemt de schulden van de schuldeisers over. Hiermee herfinanciert de gemeente de schulden en heeft de schuldenaar slechts nog de gemeente als schuldeiser. Het kan hierbij gaan om het volledige uitstaande bedrag, maar de schulden kunnen ook gesaneerd worden. In dit geval moeten gemeente en schuldenaar overeenstemming bereiken met de schuldeisers over de hoogte van de sanering.
  2. De tweede optie is dat de gemeentelijke kredietbank de schulden niet herfinanciert, maar dat de gemeente enkel bemiddelt tussen schuldenaar en schuldeisers om tot een betalingsregeling te komen. Ook hier kan het gaan om de betaling van 100% van de vorderingen of kan de schuld gesaneerd worden. Overeenstemming met de schuldeisers hierover is dus nog steeds een vereiste.

In beide gevallen kan de gemeente budgetbeheer (hierbij is er nog wel sprake van enige financiële vrijheid van de schuldenaar, maar worden bijv. wel de afbetalingen en/of vaste lasten door de gemeente betaald uit bijv. de bijstandsuitkering) of bewindvoering (waarbij de bewindvoerder bepaalt welke betalingen verricht moeten worden en de controle uitvoert op de nakoming daarvan, dan wel de betaalrekening van de schuldenaar zelf gaat beheren).

In de regel is de schuldsanering erop gericht om na drie jaar met een schone lei eruit te komen, maar die termijn is niet verplicht. Heel veel gemeenten hebben overigens geen gemeentelijke kredietbank (meer) en waar die er nog wel is, blijken de rentes soms idioot hoog te zijn.

Gezien de complexiteit van schuldsituaties met gemiddeld 14-15 schuldeisers, waaronder niet gecoördineerd optredende overheidsinstanties, waarvan sommigen een wettelijke voorrangsbehandeling hebben, kan het treffen van een schuldregeling een uitdagende opgave zijn. Daarbij kan het samenstel van regels zo ingewikkeld zijn dat bij complexe situaties verschillende deskundigen er verschillende meningen op na houden hoe de situatie geregeld zou moeten worden.

Er moeten afspraken worden gemaakt over het inkomen dat een schuldenaar moet overhouden (90% van het sociaal minimum), over de betaal- en andere verplichtingen die de schuldenaar heeft (bijv. zoeken van betaald voltijds werk, solliciteren, auto, huis en andere bezittingen verkopen, verlagen van vaste lasten, aanvragen van toeslagen e.d., geen nieuwe schulden maken, evt. eigen bedrijf verkopen of ontmantelen, etc.), waarna bij nakomen van die verplichtingen met toezicht vanuit of namens de gemeente, de schuldenaar na drie jaar de nog resterende schulden krijgt kwijtgescholden. Veel gemeenten besteden deze schuldhulpverlening uit aan een private partij, waarbij ook bewindvoering kan worden opgelegd als voorwaarde om mee te kunnen doen.

Voordat schuldhulpverleners gaan onderhandelen, moet je ‘saneringsrijp’ zijn. Vertaling: je moet twee maanden je vaste lasten hebben betaald en geen nieuwe schulden zijn aangegaan. Zie hier wederom het zelfredzaamheidsmantra. Het zal niet verbazen dat dit lang niet altijd lukt.  Dat mensen hun vaste lasten niet meer kunnen betalen en schulden maken is immers precies de reden dat ze aankloppen bij schuldhulpverlening. Het is alsof je een alcoholist vraagt eerst maar eens twee maanden van de fles af te blijven voor je hem wil helpen met zijn verslaving.

Wanneer de schuldhulpverlener en de schuldenaar er niet samen met de schuldeisers uitkomen zijn er twee opties. Wanneer slechts enkele van de schuldeisers weigert mee te werken aan een schuldregeling, kunnen schuldenaar en gemeente via de rechtbank alsnog medewerking afdwingen. Als de rechter een verzoek tot een dwangakkoord afwijst, neemt hij het Wsnp-verzoek –dat gelijktijdig met het verzoek om een dwangakkoord op te leggen moeten worden ingediend- in behandeling. De schuldenaar kan dan, met een verklaring van de gemeente, via de rechtbank een wettelijke schuldregeling aanvragen, gebaseerd op de Wsnp. In de praktijk blijken overigens veel gemeenten, als er geen overeenstemming bereikt wordt met de schuldeisers, de schuldenaar gewoon aan zijn lot over te laten. Men krijgt dan een verklaring van de gemeente, dat de minnelijke regeling in de Wgs niet gelukt is, maar verder moet de schuldenaar zelf zijn Wsnp-verzoek indienen.

De Wsnp, de Wet schuldsanering natuurlijke personen, regelt dat schuldenaren die er niet in slagen een minnelijke regeling te krijgen (aan te tonen met een beschikking van de gemeente), bij de rechter een schuldsaneringsregeling kunnen aanvragen. De rechter kan, anders dan een gemeente, de regeling wel opleggen aan de schuldeisers en benoemd een bewindvoerder. Ook hier wordt resterende schuld na drie jaar kwijtgescholden. Veel schuldeisers kiezen liever voor een Wsnp-bewind omdat de controle en de dwang op een schuldenaar hier groter geacht wordt, en men dus denkt dat men via deze weg meer van de schuld terugbetaald krijgt. Komt een schuldenaar naar het oordeel van de rechter (die toetst op een advies van de bewindvoerder) zijn verplichtingen onvoldoende na, dan wordt hij uit de schuldsanering gezet en kan hij wettelijk tien jaar lang niet tot de schuldhulpverlening worden toegelaten.

Ook kunnen mensen met een schuld sinds 2014 beroep doen op schuldenbewind op basis van de Wet curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Wcbm). Schuldenbewind, ook wel beschermingsbewind genoemd, is bedoeld voor mensen die zelf niet in staat zijn om hun financiën te beheren. Het is gericht op het stabiliseren van de financiële situatie en indien nodig op het zorgen voor basisvoorzieningen als het betalen van huur, gas, water, licht en leefgeld. De rechter bepaalt of iemand toegang krijgt tot schuldenbewind en benoemt een beschermingsbewindvoerder. De beschermingsbewindvoerder is niet verplicht om een betalingsregeling met schuldeisers te treffen. Wel behoort de beschermingsbewindvoerder na te gaan of de betreffende persoon onder schuldenbewind in aanmerking kan komen voor schuldhulpverlening of schuldsanering. Indien dat het geval is, wordt de beschermingsbewindvoerder geacht de betreffende persoon zo te begeleiden dat aan de eisen van schuldhulpverlening of schuldsanering voldaan kan worden. Indien de persoon onder schuldenbewind geen beroep kan doen op schuldhulpverlening of schuldsanering, kan de beschermingsbewindvoerder een betalingsregeling proberen te treffen met schuldeisers.

Aantallen instroom, doorstroom en uitstroom in de schuldhulpverlening

Over het aantal mensen in de schuldhulpverlening bij gemeenten doen veel verschillende cijfers de ronde. Een eenduidige, officiële statistiek met eenduidige definities en registratie bestaat helaas niet. De VNG en de brancheorganisatie van schuldhulpverleners, de NVVK, hebben ook geen poging gedaan de statistiek en registraties op orde te brengen. De cijfers die de NVVK in zijn jaarverslagen noemt zijn welbeschouwd nergens op gestoeld, omdat gemeenten niet uitgaan van gelijkluidende definities, bijvoorbeeld wanneer de schuldhulp begint. De VNG heeft er niet voor gezorgd dat we weten wat het collectief van gemeenten aan schuldhulp doet. De enigen die hun informatie op orde hebben zijn het Bureau WSNP (wettelijke schuldsanering natuurlijke personen, via de rechter) en vrijwilligersorganisaties als Schuldhulpmaatje en Humanitas, aldus de auteur van een vooronderzoek naar de schuldhulpverlening in opdracht van het ministerie van SZW, In ’t Veld, in november 2016.[i] Ook het rapport van KWIZ uit februari 2017 bevestigd dit beeld. Deze onderzoekers menen dat een centrale registratie ook geen zin heeft zolang de gehanteerde definities zoveel verschillen.

Het is daardoor onduidelijk hoeveel gebruikers zich melden bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Volgens de NVVK melden zich zo’n 95.000 gezinnen voor schuldhulp. Hoeveel daarvan worden toegelaten is volstrekt onduidelijk. Veel gemeenten hanteren categorale weigeringsgronden. De Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening hanteert zelf ook weigeringscategorieën[ii], waaraan sommige juristen het idee ontlenen dat de gemeenten bepaalde categorieën mogen weigeren. Schuldhulp weigeren zonder individuele beoordeling is echter totaal in strijd met de algemene zorgplicht van gemeenten. In het door Berenschot uitgevoerde evaluatieonderzoek, evenals in de Vierde voortgangsrapportage van de Transitiecommissie Sociaal Domein, is sprake van categorale uitsluiting. Berenschot spreekt over het vermoeden, dat een meerderheid van de gemeenten zich hiervan bedient.

Toenmalig staatssecretaris SZW Klijnsma zei keer op keer dat gemeenten die uitsluitingsgronden niet mogen hanteren. In ’t Veld: ‘Maar ze deed er niets aan, terwijl ze al die verordeningen had kunnen vernietigen. De regering kan verordeningen die in strijd met de wet zijn nietig verklaren. Brancheorganisaties als de VNG blijven verschrikkelijk in gebreke als het gaat om de informatievoorziening. De VNG laat het over aan de NVVK en de NVVK is als een slager die zijn eigen vlees keurt. Ze zijn de directeuren van de kredietbanken en de schuldhulp, en dus onderdeel van de gemeenten. Onbehoorlijke praktijken, zoals gemeenten die categorieën hulpvragers weigeren, behoren door naming and shaming keihard aan de kaak te worden gesteld. Iedereen wist dat er eenduidige definities van schuldhulpverlening nodig zijn, dat er goede databases nodig zijn en er een kwaliteitssysteem tot stand gebracht moet worden. Dat is in de schuldhulpverlening niet gebeurd. De nieuwe voorzitter van de NVVK, Marco Florijn, riep het kabinet op meer te gaan doen. In plaats van dat hij aangeeft wat hij met zijn branche gaat doen. Dat was weer een potje zwarte pieten naar de ander toe. De partijen moeten eens ophouden te vertellen wat de ander moeten doen, en zouden eens zelf orde op zaken moeten stellen.’

Een motie van 50Plus in de Tweede Kamer in 2016, die opriep tot ‘brede toegankelijkheid van schuldhulpverlening’ werd alleen gesteund door 50Plus, GroenLinks, Klein, Kuzu/Öztürk en PvdD.

Uit onderzoek van In ’t Veld en Berenschot (Evaluatie Wgs, 2016) blijkt dat veel gemeenten een aanvraag om schuldhulpverlening niet altijd zo registreren. Iemand wordt soms verwezen naar andere hulp of de aanvraag wordt eenvoudig, zonder een beschikking, niet in behandeling genomen. In ’t Veld maakt duidelijk dat dit ook in strijd met de wet is: de gemeente moet altijd een individuele beoordeling geven op een aanvraag. Ook als er beleidsregels bestaan over situaties waarin geen recht op hulpverlening bestaan in een gemeente, moet de gemeente bij een weigering schriftelijk motiveren, in een voor beroep bij de rechter vatbare beschikking, waarom in een specifiek geval de gemeentelijke zorgplicht moet wijken voor die beleidsregel. En als de rechter dat vervolgens toetst, dient de rechter tevens te oordelen of de weigering de best mogelijke gedragslijn van de gemeente was.

Voorbeelden van kenmerken waarop mensen worden afgewezen zijn onder meer het bezitten van een eigen huis, het hebben van een zzp-status, het genieten van studiefinanciering, of in het proces zijn van een echtscheiding. Het verschilt sterk per gemeente of gebruik wordt gemaakt van weigeringsgronden: sommige (samenwerkingsverbanden tussen) gemeenten sluiten niemand uit, terwijl andere gemeenten tientallen uitzonderingsregels hanteren.[iii] In de huidige praktijk omtrent de weigeringsgronden bestaat het risico dat er een sterke selectie aan de poort plaatsvindt, waarbij alleen de behapbare cases in aanmerking komen voor hulp. Complexe gevallen en kwetsbare personen dreigen hierdoor buiten de boot te vallen.

Over het aantal mensen dat niet wordt toegelaten tot de schudhulpverlening bestaan sterk verschillende cijfers, evenals als over de effectiviteit van de schuldhulpverlening. Volgens de Algemene Rekenkamer (Aanpak problematische schulden, 2016) “hebben de staatssecretaris van SZW en de minister van VenJ hebben een beperkt landelijk beeld van:

  • het aantal mensen met problematische schulden;
  • het aantal mensen met een schuld bij de rijksoverheid;
  • het aantal mensen met problematische schulden dat geen hulp krijgt;
  • het aantal mensen met problematische schulden dat wel schuldhulpverlening of schuldenbewind krijgt;
  • de resultaten van schuldhulpverlening en schuldenbewind;
  • wat er gebeurt met mensen die zonder oplossing van hun problematische schulden (tussentijds) uitstromen uit schuldhulpverlening, schuldenbewind en schuldsanering;
  • de uitgaven voor schuldhulpverlening en schuldenbewind.

Hierdoor kunnen zij de doelmatigheid en doeltreffendheid van het stelsel voor de aanpak van problematische schulden niet vaststellen en daarover geen verantwoording afleggen aan de Tweede Kamer.” In een reactie verschool de staatssecretaris van SZW, Klijnsma, zich vooral achter de autonomie van de gemeenten – er is sindsdien niets veranderd aan de informatievoorziening.

Het eerdergenoemde KWIZ rapport stelt ook: ‘De NVVK-jaarcijfers zijn niet geschikt voor het vertalen naar landelijk dekkende cijfers over schuldhulpverlening. De eerste reden is dat niet alle schuldhulpverleningsorganisaties en gemeenten aangesloten zijn bij de NVVK, waardoor er geen compleet landelijk beeld is. Tweede punt is dat niet alle NVVK-leden de gegevens aanleveren waardoor we niet weten wat de precieze dekkingsgraad van de cijfers is. Een derde reden is, zoals uit dit onderzoek ook blijkt, dat er diverse gemeenten zijn die sommige onderdelen van de schuldhulpverlening zelf uitvoeren en andere onderdelen hebben uitbesteed. De consequentie hiervan is dat per onderscheiden fase in de schuldhulpverlening het werkgebied van de NVVK-leden verschilt. De NVVK heeft weliswaar een dekkingsgraad van 93% onder de Nederlandse gemeenten, maar dit geldt niet voor elke fase van de schuldhulpverlening. De jaarcijfers van de NVVK zijn derhalve niet voor elke fase te vertalen naar landelijke cijfers.’

 Overzicht beschikbare gegevens schuldhulpverlening (Bron: KWIS rapport, 2017)

 

Fase

 

Aantal Uitstroom, doorstroom en resultaten Definities en registratie Volledigheid, representativiteit en witte vlekken
A: Melders met financiële hulpvragen Onbekend Over de uitstroom en resultaten is geen informatie beschikbaar. De definitie van financiële hulpvraag is niet eenduidig. Ook verschilt de wijze van registratie en kunnen inwoners zich bij veel verschillende loketten melden. De versnippering, definitie en registratie maakt het lastig een volledig en representatief beeld te geven.
B: Aanmelding, info en advies 90.500 – 124.000 De uitstroom ligt op 20 – 30%. Een deel daarvan is direct geholpen, inclusief informatie en advies. De doorstroom ligt op 70 tot 80 procent. De definitie van een aanmelding schuldhulpverlening is helder. De wijze van registratie van de aanmeldingen verschilt. Het aantal aanmeldingen is een onderbouwde schatting; het is echter niet volledig betrouwbaar.
C: Intake 72.500 – 98.000 Geen cijfers bekend. De definiëring van de intake is in het algemeen gelijk. Het product kan wel anders worden genoemd. Het gepresenteerde cijfer is een schatting en dus niet volledig betrouwbaar.
D: Stabilisatie 44.000 – 61.000 Over uitstroom, doorstroom en resultaten is geen landelijk cijfer bekend, wel bij individuele organisaties. Binnen stabilisatie kunnen verschillende instrumenten worden ingezet. Er is derhalve geen eenduidige registratie. De inhoudelijke doelen van stabilisatie worden wel breed gedeeld. Het gepresenteerde cijfer is een indicatie van de stabilisaties.
E: Toeleiding minnelijke regeling Onbekend Van de pogingen om een regeling te treffen waarin een schuldenaar met zijn schuldeisers overeen stemming bereikt over de wijze waarop hij zijn schuld tegen finale kwijting afbetaalt, slaagt 37 procent. Er zijn grote verschillen per organisatie. Een deel van de uitstroom gaat door naar de toeleiding Wsnp. De toeleiding naar een minnelijke regeling is in principe een duidelijk product. Inhoudelijk zitten er wel verschillen tussen de gekozen oplossingen (schuldregeling, saneringskrediet, etc.). Er is geen landelijk beeld van het aantal toeleidingen naar een minnelijke regelingen
F: Toeleidingen Wsnp 17.000 Succesvolle toeleidingen 11.700. De definities van deze fase zijn helder. Het gepresenteerde cijfer is een volledig en betrouwbaar cijfer.
G: Budgetbeheer 51.400 Geen gegevens bekend. Dit cijfer is gebaseerd op het aantal openstaande budgetbeheerrekeningen en niet op personen. Het gepresenteerde aantal geeft een volledig en representatief beeld voor Nederland.
H: Toeleiding beschermingsbewind 5.500 Onbekend. De toeleiding naar beschermingsbewind kan door veel verschillende actoren worden ingezet. De schuldenproblematiek kan daar een grondslag voor zijn. Het gepresenteerde cijfer Is een indicatie.
I: Huishoudens in een lopende minnelijke regeling Onbekend Uit de jaarcijfers van de NVVK blijkt dat 66 procent van de gestarte minnelijke regelingen na 3 jaar succesvol wordt afgerond (regeling is geslaagd). De beëindiging van een minnelijke regeling is een helder en afgebakend product. De definiëring van het resultaat kan leiden tot interpretatieverschillen.
J: Huishoudens in een lopend Wsnp-traject             36.649 86 procent stroomt succesvol uit. De definities van deze fase zijn helder. Het gepresenteerde cijfer is een volledig en betrouwbaar cijfer.

 

Van de mensen die het minnelijk traject wél succesvol afronden, valt volgens het FD (20-9-2015)  een steeds groter deel terug. In 2012 waren er 1300 recidivisten, in 2014 waren dat er 4300. Bijvoorbeeld in Rotterdam, waar 66% van de hulpvragers zijn aanvraag voor schuldhulpverlening niet doorzet.

De NVVK zelf rapporteert dat het aantal aanvragen stijgt, tot 95.000 per jaar in 2017. In 2003 waren dat er nog geen 35.000. Eén exacte oorzaak voor de toename is volgens de NVVK moeilijk vast te stellen. Wel vermoedt de NVVK dat mensen minder schroom hebben bij het vragen om hulp bij problematische schulden. Toegenomen media-aandacht, waaronder de documentaireserie Schuldig, zou de problematiek uit de taboesfeer hebben gehaald. Daarnaast maakt een levendige handel in vorderingen het voor mensen met hoge schulden moeilijker om uit te problemen te komen, stelt de NVVK (zie bij schuldpreventie). Maar nog steeds worden de meeste huishoudens met problematische of risicovolle schulden dus niet bereikt, dat zijn er samen zoals we gezien hebben naar schatting 1,2 miljoen. Slechts een kleine 8% meldt zich bij de gemeente. Daarvan valt vervolgens weer een groot deel af, omdat ze niet in behandeling werden genomen of niet werden toegelaten. En bij degenen die toegelaten worden en die dus wel ‘saneringsrijp’ zouden zijn, blijkt het lastig een betalingsafspraak te maken met schuldeisers. Cijfers van de NVVK  zeggen dat schuldeisers in slechts 37 procent van de gevallen instemmen met een betalingsvoorstel, en daarvan valt nog eens 34 procenttijdens de regeling af. Uiteindelijk is de kans op succes dus minder dan een kwart van de mensen die zich aanmelden, nog geen 2% van het aantal huishoudens met risicovolle en problematische schulden.

Ook bij de rechter is toegang tot de Wsnp niet eenvoudig: 20% van de aanvragen wordt afgewezen, nog eens 10% trekt zichzelf terug en 20% valt af tijdens de schuldsanering.

Het gaat zeker niet alleen om mensen die van een bijstandsuitkering of AOW-pensioen moeten rondkomen. Twee op de vijf mensen met een problematische schuld hebben ook een baan.

Gemiddeld genomen hadden klanten van de NVVK schuldhulpverlening in 2016 een schuld van 40.300 euro en maar liefst vijftien schuldeisers.

De schuldeisers worden maar zeer beperkt geholpen in het huidige systeem. Uit onderzoek van de Wsnp-monitor blijkt dat de mediane schuld in de schuldsanering 28.400 euro bedraagt, waarvan schuldeisers slechts 5.600 euro terugkregen. In ongeveer de helft van de zaken kon uiteindelijk minder dan 10% van de uitstaande schuld betaald worden. De verklaring voor dit drama is niet zo moeilijk te vinden. Mensen met schulden verdienen nu eenmaal weinig. Bovendien is het saneringstraject duur. Een bewindvoerder moet drie jaar lang controleren of de schuldenaar wel genoeg zijn best doet. En voordat schuldeisers ook maar een cent terugzien moet eerst die bewindvoerder betaald worden, zo’n 2500 euro.

Bij het beschermingsbewind krachtens de Wcbm neemt een bewindvoerder jouw financiën over en probeert de groei van je schulden te stoppen. Dit beschermingsbewind is in de afgelopen jaren populairder geworden. Inmiddels zitten meer dan 182.000 Nederlanders erin. Hordes zzp’ende bewindvoerders bieden zich tegenwoordig aan met de belofte je van je schulden af te helpen

Op het eerste gezicht is het opmerkelijk, want door een schuldenbewind kom je niet per se van je schulden af (dit in tegenstelling tot een betalingsregeling of de schuldsanering). Er is geen garantie op een schone lei. Bewindvoering is echter makkelijker om aan te vragen. Er zijn geen strenge voorwaarden, geen lange wachtrijen en – het mooiste van alles – je hoeft niet zelf te betalen voor bewindvoering, want als de schuldenaar niet kan betalen (en dat kan meestal niet), dan betaalt de gemeente. Sinds 2013 zijn de uitgaven aan zulke zogenaamde ‘bijzondere bijstand’ dan ook bijna verdubbeld. Hordes zzp’ende bewindvoerders boden zich aan met de belofte je van je schulden af te helpen. Mensen die omkomen van de stress door de dagelijkse stormloop van deurwaarders gaan daar natuurlijk graag op in.

[i] Roel in ’t Veld, naar aanleiding van zijn rapport ‘Een onbemind probleem, Roel in ’t Veld e.a. i.o.v. ministerie SZW, november 2016

[ii] – Artikel 3, lid 2. Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een persoon al eerder gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening.

– Artikel 3, lid 3. Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een persoon fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft en die persoon in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, is opgelegd.

[iii] In ’t Veld heeft in zijn rapport het voorbeeld van de gemeente Delft, dat tientallen weigeringsgronden voor schuldhulpverlening hanteert op zijn website: Redenen die aanleiding kunnen zijn om een aanvraag voor schuldhulpverlening niet in behandeling te nemen in de gemeente Delft (15/9/2016):

  • Er is sprake van recente schulden groter dan € 1.000,- en jonger dan een jaar (consumptieve kredieten).
  • Sommige schulden kunnen een belemmering vormen voor schuldhulpverlening: bepaalde boetes van het

CJIB, HTM boetes, NS boetes, schulden bij DUO IB Groep, schulden die te kwader trouw zijn ontstaan.

  • U heeft inkomsten uit studiefinanciering.
  • Er is vastgesteld dat er zich fraudevorderingen in het schuldenpakket bevinden.
  • Er is sprake van verschuldigde alimentatie.
  • Er is sprake van een lopende echtscheidingsprocedure.
  • Er is sprake van andere gerechtelijke procedures.
  • Er is vastgesteld dat u voldoende vermogen heeft (dat aangewend kan worden).
  • U heeft al eerder van een minnelijke (beëindigingsregeling) of wettelijke regeling gebruik gemaakt.
  • U mag maar eenmaal per 10 jaar gebruik maken van de Wet Schuldsanering natuurlijke personen.
  • Uw inkomsten en uitgaven zijn in balans.
  • Er woont een kind in huis dat geen kostgeld betaalt.
  • U of uw partner is vreemdeling.
  • U heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde duur (korter dan 3 jaar)
  • U maakt nog geen gebruik van alle voorliggende (inkomens) voorzieningen.
  • U bent niet in staat om gegevens aan te leveren.
  • Uw doorbetaling van vaste lasten is niet geborgd of te borgen.
  • Uw verslaving en overige psychosociale problematiek behoren niet tot het verleden.
  • Er is sprake van belemmerende psychische problematiek.
  • Uw onderneming is (nog) niet beëindigd.
  • U woont (nog) niet in Delft.
  • U heeft geen stabiel inkomen.
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *