Start

Artikelen

  • Een eerlijk belastingstelsel

    De groeiende ongelijkheid is een maatschappelijke veenbrand

    Deze zomer waren er door de droogte en hoge temperaturen vele natuurbranden, waaronder ook veenbranden. Veenbranden zijn moeilijk te blussen, de brand gaat in de veenlagen onzichtbaar onder de oppervlakte door en de brand kan plotseling, onverwacht op niet van te voren te verwachten plaatsen ineens weer aan de oppervlakte komen. Zo is het ook met de groeiende maatschappelijke ongelijkheid in ons land. De uitzichtloosheid van steeds meer erfelijke armoede, uitsluiting en vernedering aan de onderkant staat in schril contrast met de steeds grotere, niet meer te bevatten private rijkdom aan de bovenkant, particulieren en bedrijven die zo rijk zijn dat ze zich nergens meer iets aan gelegenheid hoeven te liggen, en dat ook niet doen – ze menen met wat goede doelen zelf wel uit te kunnen maken wie hun solidariteit verdiend en of en waar ze belasting betalen. Deze exorbitante, en soms ook exhibitionistische, zelfverrijking is minstens zo’n groot maatschappelijk probleem als de hiervoor genoemde armoede, uitsluiting en vernedering. Ze kan plotseling tot felle ontbranding komen. We hebben dat in de jaren 1930 eerder gezien. Er zijn veel aanwijzingen dat er zich nu gelijksoortige ontwikkelingen voordoen. Geschiedenis herhaalt zich weliswaar niet exact, maar rijmt wel. Dat is al onheilspellend genoeg.

    Onder invloed van neoliberale politiek is de economische positie van de middenklasse in de afgelopen dertig jaar sluipenderwijs verslechterd. Je merkt het pas als je ineens achterblijft en het land om je heen in een plutocratie is veranderd. De laatste jaren is er een kookpunt bereikt. De achtergebleven middenklasse grijpt naar zondebokken: migranten, buitenlanders, de opkomst van China. De frustratie van de achterblijvers is een gevaarlijke voedingsbodem voor nationalisme en vreemdelingenhaat. De belangen van de rijke klasse vallen nu samen met het neoliberale systeem van globalisering en vrijhandel. De rijken houden van reizen en van handelen, en dus van open grenzen. De achterblijvende middenklasse profiteert niet van het systeem en wil verandering.

    De Britse econoom Guy Standing duidt de bezittende klassen aan als renteniers en de bezitlozen als het precariaat – mensen die in een precaire situatie verkeren. De renteniers lopen zorgeloos binnen van de opbrengst van de vermogens en eigendommen. Het precariaat holt van het ene naar het andere onderbetaalde baantje in een poging in het onderwijs te voorzien. Ze hebben geen echt beroep, maar leven van wegwerpbaantjes. Ze rijden voor Uber, doen schoonmaakwerk, verkopen hamburgers, plukken tomaten of bezorgen maaltijden of pakketjes. Het zijn de verliezers van de globalisering. Standing schreef The Precariat in 2011 en kwam eind 2016 met The Corruption of Capitalism, waarin hij stelt dat de vrije markt is gecorrumpeerd. Het is het ‘kapitalisme van de weinigen, niet van de velen’, waaraan Jeremy Corbyn met Labour in 2017 zijn succesvolle verkiezingsleus ontleende. De mensen in de renteniersklasse zijn niet meer degenen die de productiemiddelen controleren, zoals begin 19e eeuw, maar zij die de technologische macht hebben. Het zijn de eigenaren van Facebook, Uber en Airbnb. Zij zijn niet de grondleggers van de deeleconomie, maar van het platformkapitalisme. Er is een groeiende kloof tussen precaristen met steeds lagere lonen en renteniers met toenemende winsten. Het sociaal vangnet bestaat voor hen niet meer, werkdagen van meer dan 12 uur zijn al lang weer normaal, net als werken op zondagen.

    Waarom teveel ongelijkheid slecht is: (1) moreel – over (on)verdiend inkomen

    (On)gelijkheid is in de eerste plaats een morele kwestie. De politiek filosoof John Rawls en de Servisch-Amerikaanse econoom Branko Milanovic[1] hanteren het uitgangspunt dat mensen fundamenteel gelijk zijn en dat elke stap verder weg van die gelijkheid verantwoord moet worden: komt het door inspanning, geluk, opleiding, intelligentie of iets anders. Ongelijkheid heeft altijd een begrijpelijke oorzaak, die vaak niet te rechtvaardigen is. De (klein)kinderen van multimiljonairs, neem bijv. topvoetballers, hoeven als ze dat willen nooit meer te werken dankzij de groei van hun erfdeel – kapitaal rendeert meer dan arbeid. Daarmee zijn we terug in de 19e eeuw. Het loont meer om een rijke man of vrouw te huwen dan op zoek te gaan naar een baan.

    Het meest bekende voorbeeld van onverdiend inkomen het toeval van de geboorte. Het is de meest fundamentele bron van onze ongelijkheid. Er is wel uitgerekend dat 50% van je inkomen afhankelijk is van het land waar je geboren bent, 20% door het inkomen van je ouders en nog eens ruim 10% door je geslacht en etniciteit. Ruim 80% is dus niet afhankelijk van je eigen verdienste. En die kleine 20% ruimte voor eigen talent en ambitie, zijn dat ook niet in ieder geval deels erfelijke eigenschappen? Tegenwoordig kunnen dubbeltjes kwartjes worden en andersom. Welvaart kan al in een paar generaties verdampen en een boerenfamilie kan al na een paar decennia een familie van doctorandussen zijn. Toch?

    Gregory Clark, een Amerikaanse econoom aan de Universiteit van Californië, schreef in begin 2014 een boek, The Son Also Rises, dat aantoont dat sociale mobiliteit een illusie is. Uit zijn onderzoek bleek dat in alle onderzochte landen[2] de sociale mobiliteit nog altijd even gering is als tijdens de middeleeuwen. De veelgeprezen meritocratie is een leugen gebleken. Ons inkomen wordt nog altijd voor 80 procent bepaalt door de plaats en het milieu waarin we geboren worden. Alle retoriek over ‘verheffing’ en ‘emancipatie’ ten spijt: onze sociale status is minstens zo erfelijk als onze lichaamslengte. Al eeuwen. Overal.

    In onze tijd en in de 19e eeuw en daarvoor is en was een erfenis een van de snelste wegen naar grote rijkdom. De dochter van Freddy Heineken erfde in 2012 3,7 miljard euro en staat sindsdien prijkt zij op de eerste plaats van de Quote 500, de ranglijst van de rijkste Nederlanders. Onder Nederlandse miljonairs geeft 36% aan dat zij hun bezit voornamelijk uit erfenissen of schenkingen hadden verkregen en in de top tien van rijkste Nederlanders staan maar liefst acht familiedynastieën.

    Voor liberalen uit de 19e en begin 20e eeuw, zoals voor door de door Rutte zo bewonderde enige andere liberale premier van ons land, Cort van der Linden, was een erfenis bij uitstek een vorm van ‘onverdiend inkomen’. In 1918 stelde zijn liberale minister Treub voor om het erfrecht op termijn geheel te schrappen, en als tussenstap te beperken tot de directe familie, en een deel daarvan te belasten. Rutte daarentegen verlaagde de erfbelasting in 2010.

    Een tweede voorbeeld van onverdiend inkomen is rijkdom uit de grond. Ook hier hadden klassieke liberalen als Smith en Ricardo kritiek op grondrenten, waarvoor de private eigenaren nooit iets gedaan hebben. Bij schaarse grond op populaire plekken werden en worden grondeigenaren, projectontwikkelaars en speculanten slapend rijk. De vastgoedsector bleek in ons land totaal gecorrumpeerd, ook bij pensioenfondsen (met als bekendste voorbeeld het Philips pensioenfonds).

    Het was wederom Willem Treub die de erfpacht invoerde om deze onverdiende inkomens af te romen. In zijn tijd steeg de grondprijs nog mee met het algemene prijspeil, maar in de laatste 60 jaar is de prijs van grond onder woningen in de meeste rijke landen, gecorrigeerd voor inflatie, meer dan verdubbeld. Daardoor is er steeds meer herverdeling van arm naar rijk: van de huurder en de nieuwe woningbezitter naar een ieder die aanspraak maakt op grondinkomen. Denk aan banken (rente), verzekeraars (polissen), tussenpersonen (provisies), makelaars (courtages), woningbezitters (hogere verkoopprijzen) en verhuurders (hogere huren). Nog saillanter is dat de gemiddelde erfenis tegenwoordig voor 50% uit onroerend goed bestaat.

    Gesubsidieerd huizenbezit (hypotheekrenteaftrek) betekent dat zich zo onverdiend inkomen stapelt op onverdiend inkomen. De tegenwoordige liberalen doen precies het tegenovergestelde als Treub en Van der Linden: verlagen van vastgoedbelastingen. In het collegeakkoord van 2014 hebben D66 en VVD – met steun van de SP! – de erfpacht van Treub in Amsterdam zelfs afgeschaft.

    Een derde voorbeeld van onverdiend inkomen zijn patenten. De liberalen in de 19e eeuw vonden patenten een vorm van werkverschaffing voor octrooiadvocaten, een parasitaire juristenklasse. Innovatie zou volgens hen juist gediend zijn zonder patentrecht. In die tijd was Nederland een van de weinige landen zonder patentrecht. Philips startte zijn bedrijf met kennis van Engelse pioniers uit de gloeilampenindustrie, nadat er in Engeland door patentrecht op dat terrein een monopolie was ontstaan. Patenthouders lijken beloond te worden voor hun vindingrijkheid, maar in werkelijkheid bevoordeelt het hen in een goede positie om te lobbyen en benadeelt huidige en toekomstige innovators, zoals patenthouder Philips en de farmaceutische industrie tegenwoordig vaak laten zien.

    Een laatste vorm van onverdiend inkomen zijn de mensen en bedrijven die de zeepbellen maken en daarmee desondanks schatrijk worden, zoals in Nederland Dik Wessels en Nina Storms met World Online. Koersen werden ook al in de 19e eeuw gemanipuleerd, kleine beleggers opgelicht en uitgeschud. Toen waren de bubbels Britse kanalen, Amerikaanse spoorwegen en Surinaamse waardepapieren, nu na de internetzeepbellen de bubbels in de financiële wereld (Amerikaanse hypotheken, zeer gecompliceerde financiële producten, DSB, de Liboraffaire en de uitwassen in de woningcorporatiesector). De internationale private equity sector gedraagt zich ook als een parasitaire sprinkhanenplaag.

    Daarom stelde de liberaal Van der Linden voor de financiële sector te hervormen: strenger toezicht, de oprichting van een staatsbank (de Rijkspostspaarbank) en een staatsverzekeringsbedrijf, een progressieve vermogensbelasting (oplopend tot zelfs 100%) om sparen te belonen maar rentenieren moest ontmoedigd worden. Inmiddels is de vermogensbelasting belasting in Nederland echter zelfs regressief: hoe hoger je rendement, hoe lager je belastingdruk. En de Postbank is door een liberaal kabinet geprivatiseerd.

    Veel huidige (neo)liberalen doen kritiek op ongelijkheid af met de beschuldiging van jaloezie. Jaloezie is een lelijk ding. Het is een kinderachtige eigenschap, van benepen lieden die een ander het licht in de ogen niet gunnen. Aleid Truijens schreef er een mooie column over.[3] Vooral als het om geld gaat is jaloezie beschamend, zo schreef ze. ‘Dat je jaloers bent als iemand er met je liefste vandoor gaat, oké. Maar types die zich eeuwig tekortgedaan voelen en ‘roofridders!’ brullen als een ander meer verdient of krijgt dan zij, zijn ronduit sneu. Jaloezie, daar kun je je best overheen zetten. Zo ben ik opgevoed, in een brave mengeling van christelijke en sociale waarden. Nette mensen zeggen het nog steeds: jaloezie is kleinzielig.

    Aleid snapte wel dat je een tikje jaloers wordt als je erachter komt dat jouw baas 66 keer zoveel verdient als jij. Dat zo’n werknemer in een verffabriek zich afvraagt: 66 keer, is dat nu nodig? Vooral als je zelf ook best hard werkt en te weinig verdient om een te huis kopen of je kinderen te laten studeren. ‘Wat maakt iemand, zoals uitgeefmevrouw Nancy McKinstry, zo uniek dat zij 15,6 miljoen per jaar moet verdienen? Wat denkt iemand die 4.373 euro per dag verdient als hij of zij in de spiegel kijkt? Ik ben het waard, het komt mij toe? Iemand als ik, die komt immers niet alle dagen voor?

    Pijnlijk komisch wordt het als veelverdieners jaloers zijn op arme mensen, zoals Eva Jinek en Jan Smit vorige week, in reactie op het plan van Jetta Klijnsma om mensen met behoud van inkomen een bedrijfje te laten beginnen. Ja hé, dat hadden zij ook wel gewild! Lekker je dromen najagen en liedjes tokkelen op de bank, met gratis geld. Maar zíj moesten alles in hun dooie eentje voor elkaar boksen.
    Wie verdient het veel te verdienen? Grappig dat rijke mensen vaak zeggen dat zij hun fortuin met blote handen hebben vergaard. Geen kwestie van geluk, maar van keihard werken, nooit klagen, geen dag verzuimd, enzovoort.
    ’ (…) ‘Afgunst is niet mooi, maar narcisme is nog lelijker.’

    Waarom teveel ongelijkheid slecht is: (2) minder groei en meer kans op conflicten

    Naast het morele argument geldt in de tweede plaats een instrumentaal bezwaar tegen teveel ongelijkheid. Empirisch onderzoek laat overtuigend zien hoe economische groei wordt tegengehouden door grote ongelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer de rijken in een samenleving zo geïsoleerd leven dat ze hun interesse verliezen in publiek bekostigd onderwijs of gezondheidszorg. Daarmee remmen ze de ontwikkeling van zowel armere mensen als de samenleving als geheel af. Piketty heeft overtuigend de economische theorie ontkracht dat ongelijkheid hoort bij economische groei en vanzelf zou afnemen. Milanovic maakt aannemelijk dat ongelijkheid ook oorlogen veroorzaakt, die uiteindelijk systeembreuken veroorzaken, ten koste van heel veel slachtoffers.

    Bovendien zijn er steeds meer aanwijzingen dat ongelijkheid gepaard gaat met allerlei maatschappelijk onheil: meer kindersterfte, geestesziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, misdaad – en minder sociaal vertrouwen, sociale mobiliteit en een lagere levensverwachting. De Britse onderzoekers Richard Wilkinson en Kate Pickett publiceerden in 2009 hun baanbrekende boek ‘The Spirit Level: Why More Equal Societies Almost Always Do Better’. Conclusie: ook rijken hebben baat bij een meer egalitaire samenleving.

    Waarom teveel ongelijkheid slecht is: (3) ondermijning van de democratie en de kloof tussen hoog en laagopgeleid – de meritocratie

    En in de derde plaats is teveel ongelijkheid slecht omdat het leidt tot een onverantwoorde concentratie van politieke macht bij de elite en frustratie bij de achterblijvers. In de VS is heel helder dat de invloed van geld op de politiek zo groot is geworden dat de rijken de regels bepalen van het spel dat zij in bijna exclusief zelf spelen. Thomas Frank, een Amerikaanse politieke publicist, schreef in 2016 Listen, Liberal, waarin hij overtuigend aantoont hoe de Democraten in de VS verbonden zijn met het grote geld en de verbinding met de witte werkende middenklasse zijn kwijtgeraakt.

    Daarmee zijn we ook bij de kloof tussen de professionele klasse en de rest. Of beter: tussen academisch geschoolden en de rest. De meritocratische samenleving, waar het SCP[4] en bijv. Evelien Tonkens[5] terecht voor waarschuwen.

    Met het afschudden van onze ideologische veren door Wim Kok, op voorzet van de toenmalige echtgenote van Bram Peper, VVD-coryfee Neelie Kroes, werd de meritocratische samenleving ook gemeengoed in onze PvdA. Gelijke kansen waren voldoende, herverdeling van inkomen, vermogen, kennis en macht verdween naar de achterkamer. In één klap werden de banden met de vakbonden doorgesneden, werd de emancipatie van de arbeidende klasse voltooid verklaard, en werd de steven van de partij gewend van sociaaleconomische zekerheid en emancipatie naar kansengelijkheid en individuele ontplooiing. Het paste naadloos bij een tijdperk van voorspoed en overvloed waarin de psyche belangrijker leek te zijn geworden dan de maag.

    Er volgde een machtsovername door een nieuwe generatie hoogopgeleide en politiek ambitieuze mannen en vrouwen. Onze volksvertegenwoordigers kwamen uit academische milieus, waar men niet meer uit eigen ervaring armoede, uitbuiting en achterstelling kende. Ze zijn ervan overtuigd dat vrijhandel en globalisering een gegeven zijn; geloven heilig in technocratie; beroepen zich op hun pragmatisme en expertise; en onderschrijven de hardvochtige beginselen van de meritocratie. In de zogenaamd klasseloze samenleving waarin alle posities gelijkelijk openstaan voor iedereen wordt de uitkomst van de wedren bepaald door talent en inzet en is dat dus eigen verdienste. Met andere woorden, wie aan het kortste eind trekt, heeft simpelweg niet goed genoeg zijn best gedaan, heeft geen academische graad behaald – en verdient geen solidariteit, maar een schop onder zijn of haar kont.

    Als ik het kan, kan iedereen het, luidt het motto van deze professionals. En het is deze vertekende existentiële ervaring (want ze zien niet dat het ook met hen met iets minder geluk anders had kunnen en nog steeds kan aflopen, dat ze vaak een enorme steun gehad hebben van ouders en/of grootouders en ze vragen zich niet af of al hun talent wel echt geheel of grotendeels hun eigen verdienste was) die veroorzaakt hoe je naar de minder gelukkigen kijkt (hetgeen in Amerika zo prangend tot uitdrukking kwam in Hillary Clintons keuze voor het woord ‘deplorables’ om al diegenen mee aan te duiden die niet haar zelffeliciterende wereldbeeld onderschrijven). Binnen onze partij hoor ik regelmatig de verwijzing naar ‘dat soort mensen’, als het over mensen gaat die voorheen op onze bescherming en steun rekenden.

    Zelf verdienen ze een goed belegde boterham, niet zelden in publieke organisaties boven de daarvoor vastgestelde normen, of als managers in bedrijven die voorop staan in de ranglijsten van vervuilers, onderbetaling, uitbuiting en big finance. Het is niet verwonderlijk dat dit de geloofwaardigheid van sociaaldemocraten bij de klassieke achterban deed verdampen. En ook hier is er weer de parallel te trekken met de Amerikaanse Democraten, namelijk dat ze er geen schroom hebben om na de politieke carrière hun politiek kapitaal te verzilveren in de financiële sector. De Clintons hebben er sinds het einde van Bills presidentschap 235 miljoen dollar mee verdiend. En ook de president van de hoop, de Nobelprijswinnaar van 2009, Barack Obama, is gezwicht voor de douceurtjes van zijn bancaire sponsors: vier ton voor een speech tijdens de jaarlijkse gezondheidszorgdag van een middelgrote New Yorkse zakenbank. In zijn afscheidsinterview sprak Obama de hoop uit ooit nog eens adviseur te worden. Niet van een ngo of de Verenigde Naties, maar van een venture capital-fonds.

    Wouter Bos begon ook bij Shell en zag geen probleem om aan de slag te gaan als goedverdienende partner bij KPMG, het accountancybedrijf dat bij tal van financiële schandalen is betrokken. De verstrengeling van PvdA-en andere politici bij Shell en andere grote bedrijven is opvallend en tegelijkertijd werden de verhoudingen met de vakbeweging steeds slechter.

    Overigens hebben de Democraten in de VS nog steeds niet geluisterd naar de oproep van Thomas Frank – Frank zelf is ervan overtuigd dat de Democraten zijn boek zelfs niet lezen. Ook Joan Williams, een Amerikaanse hoogleraar rechten, schreef in Harvard Business Review, over het dédain van de progressieve elite voor de witte werkende klasse in de VS onder de titel What So Many People Don’t Get about the US Working Class (2016).

    In ons land is het openlijke dedain minder, maar ook bij onze partijbijeenkomsten gaat het te vaak over ‘die mensen’, en zijn laagopgeleiden zwaar ondervertegenwoordigd in ons ledenbestand. En dat heeft zijn weerslag in het gevoerde beleid. Bij onze PvdA worden de banden met de vakbeweging gelukkig weer aangehaald, o.m. met de opvallende transfer van Gijs van Dijk (plv. voorzitter FNV) naar de TK-fractie, en wordt er nadrukkelijk afstand genomen van het optreden van het grootbedrijf en de ongelijkheid weer als probleem benoemd, m.n. ook door financieel woordvoerder Henk Nijboer. Net als de vorige kent ook de huidige TK-fractie maar één niet-academicus: William Moorlag.

    Hoe staat het met de ongelijkheid

    Van de totale rijkdom in de wereld, blijkt de helft in handen van de rijkste één procent. In 2030 heeft naar verwachting de rijkste 1 % twee derde van het vermogen in handen.[6] De andere helft van het vermogen moet gedeeld worden door de resterende 99 procent. Het overgrote deel van die resterende groep (90 procent) kan slechts beschikken over 14 procent van de totale rijkdom. Deze ongelijkheid creëert een vicieuze cirkel waar rijkdom en macht meer en meer geconcentreerd worden in een steeds kleiner wordende groep. De rest heeft het nakijken.

    De strijd tussen arbeid en kapitaal opnieuw in brandpunt van ongelijkheid

    De Franse econoom Thomas Piketty genereerde veel discussie met zijn boek Het kapitaal in de 21e eeuw, waarin hij aantoont dat de allerrijksten in de afgelopen eeuwen in staat geweest zijn hun vermogen sneller te doen toenemen dan de gemiddelde economische groei. Na de twee wereldoorlogen werd de welvaart weer wat evenrediger verdeeld. In de periode 1930-1980 werd de welvaart na de vernietigende Wereldoorlogen herverdeeld via hoge successierechten en progressieve belastingen tot wel 90 procent. Maar de laatste paar decennia is de kloof tussen arm en rijk weer toegenomen door denivellering, hogere belasting op arbeid en consumptie (btw), en verlaging van de belastingen voor de hogere inkomens en op vermogen.

    Het is normaal dat het arbeidsinkomensquotum (AIQ; dat deel van het nationaal inkomen dat naar betaalde arbeid gaat) schommelt met de conjunctuur. Het is echter onmiskenbaar dat sprake is van een structurele, trendmatige daling van de AIQ ten gunste van de bedrijfswinsten. De AIQ was veertig jaar geleden boven de 90, maar is na de loonmatiging van het Akkoord van Wassenaar nog veel verder gedaald, naar 81 in 1995 en staat inmiddels op 72,5. De winstontwikkeling laat de omgekeerde trend zien. Van de 19 cent die in 1995 naar de factor kapitaal ging, werd 7 cent betaald aan rentevergoedingen. De overige 12 cent was de winst. In 2016 ging van elke verdiende euro in Nederland 27 cent naar de factor kapitaal. Hiervan was 5 cent een rentevergoeding voor vreemd vermogen. De resterende 22 cent was de winst.

    Werkgevers beweren vaak dat de achterblijvende lonen de schuld zijn van de overheid. Die zou de salarissen met belastingen en premies te veel afromen. Maar de AIQ meet de bruto inkomensverdeling tussen arbeid en kapitaal, daarin speelt de belastingdruk geen rol. Een dalende AIQ betekent eenvoudigweg dat bedrijven en hun financiers een groter deel van de koek zelf houden. Ook de geringe stijging van het gemiddelde uurloon ten opzichte van de arbeidsproductiviteitsstijging kan niet te maken hebben met afroming door de overheid: het gaat hier om de bruto-bruto loonkosten die werkgevers betalen, dus de premies zijn er nog niet af.

    De (netto) koopkracht wordt natuurlijk wel beïnvloed door de overheid. Maar de collectieve lasten zijn nu lager dan begin jaren negentig, een uitdijende overheid kan dus nooit de oorzaak zijn van de stagnerende koopkracht. De laatste paar jaren zijn de lasten wel toegenomen, maar ze zijn nog altijd lager dan 25 jaar geleden. De toename van de laatste jaren had trouwens niet te maken met hogere publieke uitgaven (die zijn juist flink gedaald door de bezuinigingen), maar de extra belastinginkomsten werden gebruikt om een begrotingsoverschot te creëren en de dalende gasinkomsten te compenseren.

    Onder belangrijke invloed van de cao‐loonontwikkeling is de loonvorming sterk achtergebleven bij de economische groei. Voor het minimumloon, dat afhangt van de algemene cao-loonontwikkeling, geldt dat nog sterker vanwege bevriezingen en het achterwege laten van vierjaarlijkse aanpassingen aan de werkelijke loonontwikkeling. Over de jaren heeft de koppeling van minimumloon en uitkeringen, die van groot belang zijn voor de overheidsfinanciën, tot een omkering geleid waarin niet langer de cao‐loonontwikkeling het minimumloon bepaalt maar omgekeerd overheidsbeleid verlangt dat cao‐lonen aan de onderkant worden verlaagd. Dit vergroot de ongelijkheid van het loongebouw en verzwakt de onderhandelingspositie van werknemers en hun organisaties.

    De officiële cijfers van CBS en CPB over het AIQ in ons land zijn overigens nogal in positieve zin geflatteerd, omdat ze van andere definities uitgaan dan internationale organisaties (OECD, ILO, EU) doen. Een belangrijke factor is hoe het inkomen van zzp-ers wordt meegenomen. Dat in werkelijkheid de substantiële daling van het AIQ sinds de jaren 1990 in Nederland ongeveer net zo groot is als in andere westerse landen blijkt ook uit het feit dat het beschikbaar inkomen van huishoudens over die periode vergelijkbaar achterblijft bij de ontwikkeling van het totale nationale inkomen (bbp). Maakte het aandeel van het beschikbare huishoudinkomen in nog 54% van het nationale inkomen uit, in 2012 was dit nog maar 45%. Het aandeel van niet-financiële vennootschappen (bedrijven) is in dezelfde periode toegenomen van 3% naar 10% (voor de cijfers: DNB, 2013). Een andere relevante indicator is de ratio tussen kapitaal en nationaal inkomen. Deze hangt samen met de AIQ, aangezien een grotere kapitaalratio, bij gelijkblijvende rendementen, leidt tot een daling van de AIQ.  We weten dat deze ratio inderdaad sterk toeneemt. Het private vermogen is gegroeid van 130% van het BBP in 1993 naar 190% van het BBP in 2012[7]. Inclusief het pensioenvermogen (dat aan de huishoudens toevalt in de vorm van inkomen, maar op samenlevingsniveau wel tot het kapitaal behoort) is deze verhouding nog indrukwekkender en eveneens substantieel gegroeid in de afgelopen twee decennia.[8]

    De te lage lonen vertalen zich in steeds stijgende winsten. Het overgrote deel van die winsten wordt niet besteed aan investeringen. De afgelopen decennia stegen de winsten, maar daalden de investeringen. De winst wordt in toenemende mate uitgekeerd als dividend aan aandeelhouders, toegevoegd aan het vermogen van het bedrijf of gebruikt om de eigen aandelen mee op te kopen. Van de 203 miljard bruto jaarwinst in 2015 van niet-financiële vennootschappen werd 49 miljard uitgekeerd aan de aandeelhouders en nog eens 12 miljard vloeide naar buitenlandse bedrijfseigenaren. Er werd 74 miljard geïnvesteerd en voor 13 miljard belasting betaald. De winstcijfers waren trouwens tijdens en na de financiële crisis van 2008 nauwelijks lager dan nu.

    Bij de financiële vennootschappen (banken, verzekeraars, en een groot deel van de zogeheten brievenbusfirma’s) gaat het om nog extremere verhoudingen. In 2015 werd 19 miljard aan arbeidskrachten betaald en 106 miljard aan winst uitgekeerd. Geïnvesteerd werd er nauwelijks en ze betaalden slechts 4 miljard winstbelasting.

    Een groot deel van de winst gaat op aan het opkopen van de eigen aandelen, volgens het CBS gaat het bij de Nederlandse beursgenoteerde bedrijven jaarlijks gemiddeld om bijna twintig miljard.[9] Het opkopen van eigen aandelen heeft als doel om de aandelenwaarde van het bedrijf op te drijven en het dividend op de overblijvende aandelen te verhogen. Bovendien levert het aandeelhouders cash op waarmee ze weer aandelen van andere bedrijven kunnen kopen. Maar waarde toevoegen aan de economie doet het niet. Het overgrote deel van de aandeelhouders is eenvoudigweg speculant. Aandeelhouders van Nederlandse beursgenoteerde bedrijven verkopen gemiddeld binnen een half jaar hun aandelen weer. Het bevestigt dat het hun niet om langjarig investeren in het bedrijf te doen is maar om snelle winst op aandelen.

    De niet-financiële vennootschappen houden, naast de winst, jaarlijks ook nog eens zo’n vijftig miljard euro ‘over’, blijkt uit de Nationale Rekeningen. Die vijftig miljard, die niet als winst te boek staat, wordt gebruikt als oorlogskas voor de overname van andere bedrijven. Afgelopen jaar besteedden Nederlandse bedrijven ruim 43 miljard aan het opkopen van andere bedrijven.

    ING, de bank die op kosten van de belastingbetaler gered moest worden, keerde haar aandeelhouders zowel in 2015 als in 2016 2,5 miljard euro dividend uit. De aandelenwaarde van verzekeraar ASR steeg met 50%. ASML uit Veldhoven maakte in 2016 2,1 miljard winst en de aandelenkoers steeg in een jaar tijd met 49%. De aandeelhouders van ASML kregen 600 miljoen dividend uitgekeerd. Aandeelhouders van AEX-bedrijven maakten in 2017 een gemiddeld rendement van 16,5%. Daar zijn de percentages van Thomas Piketty niks bij. De Franse econoom liet in zijn veelbesproken boek Kapitaal in de 21ste eeuw zien dat bij rendementen van gemiddeld 5% de ongelijkheid tussen kapitaalbezitters enerzijds en werkenden anderzijds al sterk toeneemt. En geld dat verkregen wordt, moet ook weer ergens heen. Afgelopen jaar besteedden beleggers ruim 20 miljard aan Nederlands vastgoed. Het gaat daarbij voor het overgrote deel om bestaand vastgoed dat hierdoor alleen nog maar verder in prijs stijgt. Volgens dataverzamelaar Preqin kwam er daarnaast in 2017 zo’n 9,4 miljard euro terecht bij Nederlandse private-equity-fondsen, die daarmee bedrijven opkopen. In de jaren daarvoor was dat gemiddeld zo’n 2 miljard.

    Het opkopen van eigen aandelen, het op grote schaal overnemen van andere bedrijven en de hoge dividenduitkeringen hebben met elkaar gemeen dat hiermee in feite geld onttrokken wordt aan de reële economie: er wordt geen productie mee gecreëerd, het leidt slechts tot prijsstijgingen van bestaande producten, het geld verdwijnt als het ware in stijgende aandelenkoersen en oplopende vastgoedprijzen.

    Als een steeds groter deel van de taart naar de factor kapitaal gaat, gaat er automatisch een kleiner deel naar arbeid, dat is helder. Maar bovendien treden vicieuze cirkels op, waardoor er voor werkenden nog weer minder overblijft. Doordat kapitaalbezitters, zowel particulieren als bedrijven, grote hoeveelheden geld stoppen in aandelen en vastgoed drijft dat de vastgoedprijzen op. Horecazaken en detailhandel-eigenaren zijn daardoor zóveel voor de huur van hun pand kwijt dat er weinig geld meer overblijft voor de ober of winkelmedewerker. Gebrek aan loonstijging zorgt ook voor gebrek aan koopkracht, dus minder klandizie. Bedrijven gaan dan minder investeren, want investeringen in meer productie hebben weinig zin als er geen afzet is. Door die lage investeringen blijft er weer een groter deel van de winst over voor aandeelhouders, hun taartpunt neemt nog verder toe.

    En dan is er nog de wet van Kleinknecht: als de lonen laag zijn hebben bedrijven minder de neiging om te investeren in arbeidsbesparende innovaties, stelde de Delftse hoogleraar Alfred Kleinknecht vast. Dat lijkt misschien gunstig voor werkenden, maar is het niet. Wie per uur meer wil gaan verdienen, zal per uur ook meer moeten produceren. Als de arbeidsproductiviteit niet toeneemt, zullen de lonen stokken. Zo kunnen lage lonen leiden tot blijvend lage lonen, door gebrek aan innovatie en productiviteitsstijging.

    De Nederlandse economie draait inmiddels weer als een tierelier, ondanks het gevoerde kabinetsbeleid[10], maar mensen merken daar in hun beloning weinig van. Het geld gaat naar aandeelhouders of wordt gebruikt voor speculatie. Als de tekenen niet bedriegen groeit de Nederlandse economie de komende jaren met een procent of drie per jaar. Het is hoogconjunctuur. Maar tegelijkertijd neemt volgens diezelfde voorspellingen de koopkracht nauwelijks toe. Het is een trend die al veel langer gaande is. Het netto beschikbare inkomen van huishoudens is gecorrigeerd voor inflatie in de afgelopen 25 jaar nauwelijks gestegen, constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in de omvangrijke studie De sociale staat van Nederland. Terwijl de economie in diezelfde periode wel met bijna veertig procent groeide (gecorrigeerd voor het toegenomen aantal huishoudens). Het aantal werkende armen in Nederland is zelfs sinds 2001 met vijftig procent (!) toegenomen, constateerde het SCP.

    Wat we met zijn allen verdienen in ons land wordt steeds minder aan arbeid besteed. De daling leidt niet alleen tot cynisme en boosheid bij veel mensen, het is ook slecht voor de economie. De winsten komen in toenemende mate terecht bij aandeelhouders en bedrijven die het niet in de echte economie besteden maar aan vastgoed en exotische financiële instrumenten. Slechts 17% van de bedrijfswinsten wordt productief geherinvesteerd, het laagste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog. Het meeste vermogen wordt gestoken in financiële markten, speculatie of beleggingen elders in de wereld. De vermogensongelijkheid heeft inmiddels een recordhoogte bereikt.

    Terwijl onze inwoners moesten opdraaien voor de publieke kosten van een bancair privéfeestje, zit het grootbedrijf op een historisch ongekende berg spaargeld: rond de 60 miljard euro in Nederland. En wat doet het grootbedrijf? Het investeert niet in het thuisland, niet in onderzoek en ontwikkeling, niet in de eigen werknemers. Nee, het speculeert en doneert de winsten aan de aandeelhouders – na uiteraard eerst de eigen bestuurders flink te hebben gespekt.

    Het sociale contract tussen arbeid en kapitaal is ernstig ontwricht. De inkomensgroei in Nederland stagneert nu al veertig jaar. De arbeidsinkomensquote is sinds eind jaren zeventig met twintig procentpunten gedaald. De loonontwikkeling blijft al jaren achter bij de arbeidsproductiviteit. Het grootbedrijf zit op historisch ongekende kasreserves. De salariskloof tussen bedrijfstop en werkvloer is nog nooit zo groot geweest. Het grootbedrijf investeert nauwelijks en verliest zich meer en meer in spilzieke fusies en overnames. De bijdrage van het grootbedrijf aan de schatkist is in twintig jaar bijna gehalveerd, van 17 procent van de belastinginkomsten in 2000 naar 7,2 in 2018). De investeringen van het Nederlandse bedrijfsleven in onderzoek & ontwikkeling behoren tot de laagste van de Europese Unie. Bedrijven als Unilever, Shell, Philips, Akzo en Heineken hebben in dertig jaar tijd hun personeel in Nederland met driekwart verkleind door hun productie naar lagelonenlanden te verplaatsen.

    Het grote sociaaleconomische probleem van dit moment zit naast de steeds groter wordende speculatiezeepbel ook in de stagnerende koopkracht en de stagnerende binnenlandse vraag. Omdat de belastingdruk op arbeid onverminderd hoog blijft (omdat inkomsten uit kapitaal in Nederland nauwelijks belast worden), is het negatieve effect van de dalende AIQ op de koopkracht groot. Vervolgens heeft dit een negatief effect op de aantrekkelijkheid van productieve investeringen, de werkgelegenheid, en de economie meer algemeen.

    Omdat het inkomen uit kapitaal zeer ongelijk verdeeld is, met een groot deel van het kapitaal in handen van een kleine groep zeer vermogenden[11], en hun inkomens uit kapitaal veelal hoog zijn, gaat de daling van de AIQ gepaard met een toename van de inkomensongelijkheid. Overigens is die niet goed waar te nemen in de inkomenscijfers van het CBS, omdat deze inkomsten uit kapitaal zeer onvolledig in beeld worden.[12] Tegelijkertijd neemt de invloed van de kapitaalbezitters op het economische proces toe, doordat hun materiële gewicht in de economie groter wordt en hun positie versterkt wordt door de verschuiving naar een mondiaal speelveld. Hierdoor neemt hun indirecte invloed op het maatschappelijke en politieke proces toe. Zo is dit een zichzelf-versterkend proces.

    De inkomensongelijkheid in Nederland is nog veel groter dan het al lijkt

    Piketty zou echter volgens velen niet van toepassing zijn op Nederland als je goed naar de cijfers keek. Vooral bij de inkomensongelijkheid zou het hier wel meevallen. Samsom en Rutte enerzijds en Roemer anderzijds sloegen elkaar met feiten om de oren bij de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer in september 2016. De cijfers leken meer gelijkheid te suggereren. Een gebruikelijke graadmeter voor inkomensongelijkheid is de Gini-coëfficiënt, die de mate van inkomensongelijkheid in een land uitdrukt. De ‘Gini-coëfficiënt’ is een waarde tussen 0 en 1 die de mate van ongelijkheid in een land uitdrukt. Bij 0 krijgt iedereen evenveel en leven we in een totaal communistische samenleving. Bij 1 krijgt één persoon alles. Onze Gini-coëfficiënt ligt in de buurt van landen als Denemarken, Duitsland, Ierland, Frankrijk en Zweden. Zonder belastingen en uitkeringen steeg de Gini-coëfficiënt in Nederland tussen 2001 en 2015 van 0,53 naar 0,56. Na belastingen en uitkeringen is de Gini-coëfficiënt veel lager; sinds 2001 schommelt die tussen de 0,28 en 0,29. Dat dat komt doordat in Nederland veel inkomen wordt herverdeeld in relatie tot andere landen. Probleem met dit cijfer is dat je het gemiddelde inkomen neemt, er ligt dus weinig nadruk op de extremen.

    Maar je kunt ook naar de bovenste en onderste 10 procent van de bevolking kijken. En dan is het schrikken. Uit een studie van het Amsterdamse Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS)[13] blijkt dat het reële inkomen van de armste 10 procent er tussen 1977 en 2011 met maar liefst 30 procent op achteruit is gegaan, waarvan 10 procentpunt sinds 1990. De belangrijkste verklaringen zijn: lagere uitkeringen, grotere loonverschillen en een toename van tijdelijk en deeltijdwerk.

    Met name de kloof tussen de allerarmsten en superrijken groeide.  In 1977 verdiende de rijkste 10 procent 5,1 keer zoveel als de armste 10 procent; in 1990 was dat al 7 keer en in 2011 8,2 keer zoveel. Deze ongelijkheid zien we niet terug in de Gini, omdat de middeninkomens tegelijkertijd naar elkaar toegroeiden. Bij de allerarmsten zien we lagere uitkeringen, achterblijvende lonen in de lagere en middeninkomens en toenemende individualisering en stijging van kosten van huur, zorg, onderwijs en kinderopvang. De armste 10 procent is er wat betreft reëel besteedbaar inkomen sinds 1977 nauwelijks op vooruitgegaan.[14] Sinds 2000 zijn alleen de hoogste dertig procent inkomens er in reëel besteedbaar inkomen op vooruit gegaan, de andere 70% zijn er op achteruitgegaan.

    De topinkomens explodeerden tegelijkertijd, tot gemiddeld 52 keer het minimumloon. Wie, zoals topmanagers in het bedrijfsleven, zijn beloning deels in aandelen krijgt, zag de bedragen de afgelopen vijf jaar in de stijgende beurstrend zomaar verdubbelen. De hardwerkende Nederlander heeft wel degelijk het nakijken. De groei van het inkomen van huishoudens is sinds 1977 sterk achtergebleven bij de economische groei, waardoor het aandeel van huishoudens in ons totale inkomen sterk is gedaald en dat van bedrijven sterk is gestegen. De hogere winstgevendheid is niet ten goede gekomen aan hogere lonen voor werknemers.

    Uit een jaarlijks onderzoek van de Volkskrant naar de beloningen bij 114 toonaangevende bedrijven en instellingen blijkt dat de loonkloof tussen top en werkvloer steeds verder oploopt. De beloning van de hoogste bazen steeg in 2016 gemiddeld 2,8%, van 737.000 naar 757.000 euro. Dat is procentueel weliswaar lager dan de jaren daarvoor, maar de werknemers kregen er maar 1,3% bij – inclusief de werkgeverslasten van de werkgever. De kloof groeit dus weliswaar minder sterk dan in het verleden, maar hij groeit nog steeds.

    Het meest extreem is de beloningsverhouding bij Heineken: de topman Van Boxmeer verdiend 324 maal zoveel als de gemiddelde loonkosten voor één werknemer. Grote bedrijven verdedigen hun grote beloningsverschillen tussen de top en de werkvloer vaak met het argument een groot en complex bedrijf een schaars soort manager vraagt. Die schaarsheid verklaart volgens hun de supersalarissen die deze managers verdienen, en ook dat die supersalarissen de afgelopen dertig jaar verzesvoudigd zijn: de grote bedrijven zijn ook zesmaal in omvang toegenomen. Het is echter vrij discutabel of die topmanagers de juiste beslissingen voor het bedrijf nemen. Bedrijven waar de beloningsverschillen kleiner zijn presteren ook niet slechter. Het hele argument is grote onzin.

    Op dit moment moet de RvC bij de beloning van de bestuurders van een onderneming de interne beloningsverschillen binnen een bedrijf ‘meewegen’. In de praktijk wordt er vooral gelet op de beloningsverschillen met andere, vergelijkbare bedrijven, en nauwelijks op de interne beloningsverschillen.

    De groei van het aantal tweeverdieners (beter: anderhalfverdieners) compenseert de verlaging alleen in de hogere inkomensgroepen, en versterkt daardoor de ongelijkheid. Er is een steeds concentratie van tweede-verdienersinkomens bij de hoogste 10% inkomens: tweede-verdieners in die top-10% ontvangen inmiddels meer dan de helft van ale tweede-verdienersinkomens. Tegelijk maakt de eerste verdiener meer uren per week dan de eenverdiener en verdient hij of zij een hoger uurloon. Het 1,5‐verdienersmodel klinkt geruststellender voor de inkomensongelijkheid dan het is. Het gemiddelde inkomen van tweeverdieners aan de top is er in geslaagd de 48% economische groei tot 2014 bij te benen. Tegelijk vertonen eenverdieners een aanzienlijk sterkere concentratie aan de onderkant van de verdeling.[15]

    Meten we inkomens(on)gelijkheid wel goed?

    Dus: meten we wel goed? Een groep economen, waaronder Piketty, stelden op de site van denktank CEPR dat macro-economische data én inkomensgegevens, die je vaak allebei nodig hebt, zodanig van aard verschillen dat je er weinig aan hebt als je wil rekenen aan ongelijkheid. Het instrumentarium om mee te meten is, kort gezegd, eigenlijk best gebrekkig. Er zijn intussen zat aanwijzingen voor een groeiende ongelijkheid in het besteedbaar inkomen in Nederland, die (nog) niet terechtkomen in de statistiek.

    De ING noemde er in 2017 twee. De eerste is dat de inflatie voor lagere inkomens sinds 2000 zo’n 33 procent bedroeg en die voor hogere inkomens maar zo’n 27 procent. Dat ligt aan het verschil in bestedingspatronen. Een tweede is dat huurders sinds 2009 hun lasten met 18 procent zagen stijgen (subsidies zijn meegerekend). Kopers zagen hun lasten, door de dalende hypotheekrente, juist afnemen, met een procent of drie. Aangezien lagere inkomens vaker huren, en hogere inkomens vaker kopen, is hier eveneens sprake van een toenemende ongelijkheid in besteedbaar inkomen, nadat de woonlasten zijn betaald.

    En dan is er de waarschijnlijke overschatting van het arbeidsinkomen van de ZZP’er in de gehanteerde statistiek. Zowel De Nederlandsche Bank als het centraal Planbureau wezen daarop. De ongelijkheid is dan groter, en de Gini-coëfficiënt zou dan een stuk hoger liggen. Dat is inmiddels ook wel duidelijk geworden.

    Maar er speelt nog meer. Voor het berekenen van inkomens gebruikte het CBS tot 2017 steekproeven. Maar steekproeven hebben moeite met het meten van topinkomens. De groep van topinkomens is erg klein, maar enorm belangrijk voor het beeld van de inkomensverdeling. Dat maakt het lastig om ze op de goede manier mee te nemen in een steekproef. Vanaf 2017 gaat CBS dat op basis van alle belastinggegevens doen. Maar ook dat zal de structurele onderschatting van hogere inkomens niet geheel beëindigen. We weten niet precies hoeveel de rijkste Nederlanders aan belasting ontduiken; hoeveel ze opsparen in hun eigen bedrijven; hoeveel ze aan zichzelf uitkeren boven een kwart miljoen euro. Omdat de belastingen veel inkomen uit kapitaal niet in beschouwing nemen is de werkelijke inkomensongelijkheid veel groter dan de statistiek laat zien.

    Vermogensongelijkheid in Nederland is zeer groot

    De vermogensongelijkheid in ons land is veel hoger dan de inkomensongelijkheid, daar is iedereen het wel over eens. Volgens het CPB ligt die op 0,92 – hoger dan in de VS, en stijgend. De rijkste 1% bezat in Nederland volgens het CBS in 2015 ruim 295 miljard euro aan privaat vermogen[16], bijna 28% van het totaal. Dat is overigens een half procent lager dan in 2014, hetgeen komt door de sterk gestegen huizenprijzen waarvan gewone huishoudens relatief meer profiteren dan de rijksten, die ook veel ander vermogen hebben buiten de eigen woning. De 7500 rijkste huishoudens (0,1% van het totaal aantal huishoudens) bezat in 2015 ruim 117 miljard euro aan privaat vermogen (11% van het totale private vermogen – 1061 miljard euro), ofwel ruim 15,5 miljoen euro per huishouden.

    Een leuke manier om inzicht te geven in de vermogensverdeling is de Parade van Pen(Zie : https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2017/06/parade-van-pen-de-vermogensverdeling-in-2015).Dat gaat als volgt: stel je voor dat in een optocht alle huishoudens van Nederland in één uur tijd voorbijkomen, in volgorde van de hoogte van hun vermogen. De lengte van de vertegenwoordigers van deze huishoudens is evenredig gemaakt aan hun vermogen. Je krijgt zo een enorme stoet van dwergen, met helemaal achteraan enkele reuzen. Het gemiddelde vermogen is 1.74 ‘meter’, dat komt pas na 45 minuten langs. Aan het eind volgen de ‘reuzen’ met een gemiddelde lengte van 9 meter!

    Wiemer Salverda toont aan dat het topaandeel in en de ongelijkheid van de vermogensverdeling nog veel hoger is als we uitgaan van het netto-vermogen, dus na aftrek van schulden, en ook juist zeer sterk gestegen zijn. Het aandeel van de vermogenstop 10% in alle vermogens bedraagt 66 procent, verreweg het hoogste niveau ooit bereikt met de beschikbare cijfers. Twee derde van alle vermogens is in handen van een tiende van alle huishoudens. Dat is ruim vier procentpunten meer dan in 2012, en 10 procentpunten meer dan in 2009 – het laagste punt, dat werd voorafgegaan door een daling met twee procentpunten vanaf 2006.

    In overeenstemming met de definitie van netto-vermogens presenteert Salverda ook de Gini-coëfficiënt als maat van ongelijkheid berekend, inclusief negatieve vermogens. De coëfficiënt heeft de waarde nul als de verdeling helemaal vlak is en alle eenheden evenveel vermogen bezitten, en deze coëfficiënt bedraagt 100 procent als alle vermogen in handen van een enkel huishouden is. De ontwikkeling van beide indicatoren, het topaandeel en de Ginicoëfficiënt, verloopt bijna parallel. De Gini legt de nadruk op het midden van de verdeling, maar het topaandeel is zo enorm groot dat het de coëfficiënt sterk beïnvloedt. De Gini bereikt in 2013 het niveau van 0,89. Inmiddels staat hij op 0,92. Dat is buitengewoon hoog, niet alleen voor ons land maar ook in een internationale vergelijking. Het stijgt nota bene uit boven de uitkomsten voor de Verenigde Staten (0,87 in 2013; Wolff 2014, 12) en Zwitserland (0,85 in 2010, Statistik Schweiz 2014, 69), en ook ver boven het minder goed vergelijkbare Duitsland (0,78 in 2012, Grabka en Westermeier 2014, 153). De conclusie kan niet anders zijn dan dat de vermogensongelijkheid in Nederland een ongekend niveau heeft bereikt.

    Betekent dit gegeven dat de topvermogens ook hoger zijn dan ooit? – vraagt Salverda zich vervolgens af. Het zou ook kunnen dat ze minder (hypotheek)schulden hebben. Zoals bekend zijn die omvangrijk in ons land. Als je kijkt naar de nominale omvang van het netto-vermogen (na aftrek van schulden) voor de bovenste 10% tegenover de rest, dan bezit in 2013 de top 10% 701 miljard euro en de rest 359 miljard euro. Beide segmenten bereiken een hoogtepunt in 2008 (resp. 737 en 563 miljard) en dalen daarna. De daling voor de top is echter veel geringer (7%) dan voor de rest (37%). De rijksten lijden hier dus wel maar veel minder en ze handhaven zich beter dan de rest. Als gevolg daarvan is hun vermogensaandeel scherp gestegen en zo ook de algemene ongelijkheid volgens de Gini- coëfficiënt.

    Bij de vermogens- en schuldverhoudingen in de onderste 90% speelt het eigenwoningbezit de hoofdrol. Dit bezit, na aftrek van de schulden, bepaalt grotendeels het verloop van hun totale vermogen. Hun overige (voornamelijk financiële) vermogen is stabiel. Het eigenwoningvermogen stijgt van 91 miljard euro in 1993 naar 356 miljard euro op de top van 2008 en daalt daarna met meer dan de helft, in het bijzonder in het jaar 2012. Tegelijk exploderen hun schulden. Die worden na 2008 niet minder maar lopen juist fors verder op en overtreffen het netto-vermogen steeds meer – met ruim 300 miljard in 2013. Twee derde van hun juridisch eigendom is dan belegd met schulden. Raghuram Rajan’s (2010) “Let them eat credit” is actueler dan ooit voor de onderste 90%.

    De top 10% ziet er volkomen anders uit. Hun eigenwoningbezit is aanzienlijk en overtreft aan het einde van die periode dat van de gehele resterende 90 procent: 201 miljard euro tegen 157 miljard euro. Binnen het vermogen van de top 10% zelf bezien is het belang van het eigen huis echter veel geringer dan voor de onderste 90%, en het fluctueert ook minder over de jaren. Tussen 2008 en 2013 verliest het weliswaar een kwart aan waarde, maar dat is slechts half zoveel als de onderste 90 procent. De reden daarvan is niet een gunstiger prijsontwikkeling van huizen van de top, maar een veel geringere hypotheekschuld. Bovendien stijgt die schuld na 2008 niet maar neemt ze licht af. Schulden vormen slechts 15% van het brutovermogen van de top 10% – tegenover 80% voor de onderste 90%.

    Schuld is echter maar een deel van het verhaal. Opvallend is dat het overige (financiële) vermogen van de top 10% na een aanvankelijk daling in 2009 zich snel herstelt en al in 2010 het eerdere topniveau achter zich laat – in 2013 goed voor 500 miljard euro. Zo bezien worden de rijken veel rijker. Hun aandeel in het totaal van deze vorm van vermogen stijgt naar 71 procent. Hierbij staat hun aandelenbezit voorop (203 miljard euro): zij bezitten 90 procent van alle aandelen. Het vermogen van de top 1% steeg naar 282 miljard euro oftewel 26,6 procent van het totaal in 2013, en 40 procent van de top 10% (701 miljard).

    De ontwikkeling van de top 1% ontwikkeling schraagt die van de complete top 10%. De topvermogens zijn verantwoordelijk voor meer dan 60 procent van de spurt omhoog sinds 2009. Vergeleken met eerdere jaren lijkt de rol van de subtop- 9% recent iets aan belang te winnen, daarom is het beeld van de top 10% van belang naast de top 1%. Voor de top 1% geldt nog sterker wat hierboven al gesteld is. Hun huizenbezit (26 miljard euro) omvat slechts 7 procent van het totale huizenbezit (7%) en hun schulden (42 miljard euro) omvat slechts 5% procent van alle schulden. Deze aandelen zijn gering, maar het tegendeel geldt voor hun andere vermogen (256 miljard euro): 36% van het algemeen totaal en 51 procent van het top 10% totaal (500 miljard euro). Dat geldt daarbinnen in het bijzonder voor hun aandelenbezit: het vormt 67 procent van alle aandelen bezit en driekwart van dat van de top-10% (203 miljard euro).

    Alman Metten (PvdA-Europarlementariër van 1984 tot 1999) becijferde[17] dat het vermogen van Nederlandse miljonairs (2% van alle huishoudens) 25 maal zo groot is als het vermogen van de onderste helft van de huishoudens. Drie jaar geleden was dat nog 14 maal zo groot. Wat telt zwaarder, vraagt Metten, voor de economische veiligheid van jou en je gezin, en voor je kansen in de samenleving: inkomen, dat iedere maand weer opnieuw verdiend moet worden, en dat wegvalt bij ziekte of overlijden? Of vermogen, dat bezit is en dus wettelijk beschermd, wat er ook gebeurt? Als we naar gelijkheid kijken is het op zijn minst vreemd om niet naar de verdeling van vermogen te kijken, zoals in het politieke debat wel veel gebeurt.

    En ook hier meten we niet goed

    Daar komt bij dat het door de Belastingdienst gerapporteerde inkomen uit kapitaal niet gebaseerd is op echte waarnemingen, maar wordt geschat met een fictief rendement. De rijksten, die veel beleggen, verdienden de afgelopen jaren doorgaans meer dan dat fictieve rendement en betaalden dus eigenlijk te weinig belasting. De rest juist minder, vanwege dalende huizenprijzen (na de crisis zaken de huizenprijzen in vijf jaar cumulatief met 27%) en sparen tegen nul-rentes, en zij werden dus juist te hoog belast. Miljonairs genoten, volgens Metten, over 2011-2013 een rendement van ruim 68 miljard euro op hun vermogen van 949 miljard euro, maar betaalden slechts belasting over 38 miljard euro. Een voordeeltje van bijna 200.000 euro per huishouden, dat niet belast is en niet als inkomen is geregistreerd. Voor de onderste helft van vermogensbezitters werkt het andersom. Zij verloren 6,4 miljard euro aan vermogen maar moesten 4% belasting betalen over 2,5 miljard euro fictief rendement, die de fiscus hen toedichtte. Leuker kunnen we het niet maken – door het kennelijke onvermogen van onze belastingdienst om uit te gaan van het werkelijke rendement wordt de inkomensongelijkheid nog groter en blijft deze buiten de cijfers. Bovendien: veel vermogen geeft ook veel vermogenswinst van je vastgoed, aandelen, obligaties en ander bezit. Omdat vermogenswinst geen inkomen is, wordt het niet meegenomen in die lage Gini-coëfficiënt van inkomensongelijkheid. Maar de waarde van bezit stijgt op de langere termijn gewoon mee met de economische groei, en is dus een grote bron van koopkracht – voor wie het heeft.

    Daarmee komen we op één van de grote raadsels in de Nederlandse cijfers over ongelijkheid. Hoewel de vermogens enorm ongelijk zijn verdeeld, valt dat voor de inkomens alles mee. Vreemd genoeg hebben Nederlanders met veel vermogen vaak helemaal niet zoveel inkomen. Slechts een derde van de vermogendste 10 procent hoort ook bij de 10 procent met de hoogste inkomens.

    Hoe kan dat? Een belangrijk deel van de verklaring is de zwarte doos van het Nederlandse belastingstelsel Box II. In Box II geef je al het inkomen op dat je met je eigen bedrijf hebt verdiend. Maar het Nederlandse belastingstelsel is zo ingericht, dat je er goed aan doet de inkomsten uit eigen bedrijf zo veel mogelijk te beperken. Het Centraal Bureau voor de Statistiek ziet pas dat een bedrijfseigenaar inkomen heeft als het bedrijf winst uitkeert. Je betaalt namelijk pas belasting op het moment dat je onderneming winst uitkeert of de aandeelhouder zijn aandelen verkoopt. Daar zit de crux, want zolang je onderneming geen winst uitkeert en de aandeelhouder zijn aandelen niet verkoopt, heeft de bedrijfseigenaar geen inkomen en betaalt deze ook geen inkomstenbelasting.  Zo kunnen bedrijfseigenaren belastingheffing tot sint-juttemis uitstellen. Je moet als bedrijfseigenaar wel minimaal een ‘gebruikelijk loon’ aan jezelf uitkeren. Minimaal is dat ongeveer 44.500 euro. Maar dit is natuurlijk een schijntje voor de vermogendste Nederlanders. Omdat bedrijfseigenaren dus geen inkomen aangeven op hun belastingaangifte, zie je veel inkomen ook niet terug in de statistiek.

    Neem de hoogste binnenkomers in de Quote 500. In 2017 kreeg fitnessketen Basic-Fit een notering aan de Amsterdamse beurs. Eigenaren Eric Wilborts en René Moos verkochten tijdens de beursgang ieder voor ongeveer 30 miljoen euro aan aandelen. Of althans, hun gezamenlijke bedrijf AM Holding verkocht die aandelen en kreeg de opbrengsten. Het CBS ziet die tweemaal 30 miljoen euro niet.

    Dit is eerder regel dan uitzondering. Vrijwel alle vermogende Nederlanders herbergen hun geld in een bedrijf. De 10 procent rijkste Nederlanders bezit ongeveer 100 procent van dit type bedrijfsvermogen. En slechts 5800 huishoudens (de rijkste 0,08%) bezitten tezamen bijna de helft van al dit soort vermogen.

    In 2013 constateerde de commissie-Van Dijkhuizen, die onderzoek deed naar een ander belastingstelsel, dat bedrijfseigenaren op ‘grote schaal gebruikmaken van de mogelijkheid winst in te houden.’ Een conservatieve schatting liet zien dat bedrijfseigenaren ongeveer 13,4 miljard euro winst konden uitdelen, maar daarvan slechts 3,6 miljard euro uitkeerden.

    Directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) stellen nu een hoog inkomen en dus belastingheffing uit, en doen gemiddeld slechts eens in de zeven jaar aangifte, terwijl de fiscus met alle andere belastingplichten wel jaarlijks afrekent. DGA’s zitten zo hun geld op te potten totdat het weer aantrekkelijker wordt om het uit te keren, in plaats van het geld in de economie te besteden. Dit is slecht voor het economisch herstel en onrechtvaardig naar de andere belastingbetalers.

    Hoe kan het dus dat de vermogensongelijkheid zo groot is, terwijl de inkomensongelijkheid alles meevalt? Het antwoord is simpel: het valt niet mee. De inkomensongelijkheid is in werkelijkheid groter dan de statistici rapporteren.

    Het slechte nieuws is dat we niet precies weten hoeveel groter de inkomensongelijkheid zou zijn als we het verborgen inkomen in bedrijven zouden meerekenen. Voor Nederland zijn die gegevens simpelweg niet beschikbaar. Maar dat die zwarte doos belangrijk is, laat onderzoek uit het buitenland haarfijn zien. Kijk maar weer naar Noorwegen. In het afgelopen decennium leek dat land het onmogelijke te doen. Overal groeide de inkomensongelijkheid, maar de Noren presteerden het om het aandeel van de meestverdienende één procent in het totale inkomen met bijna de helft te laten krimpen. Uit onderzoek van de Noorse econoom Alstadsæter blijkt echter dat er een simpele verklaring is. Voor de Noorse belastingdienst maakte het vroeger weinig uit of je winst uitkeerde of het opspaarde in eigen bedrijf, maar door een belastinghervorming in 2005 kreeg Noorwegen plotseling een stelsel dat erg op dat in Nederland lijkt, waarin het voordelig werd om geld in je eigen bedrijf te stallen. Het gevolg: de Noren onderschatten nu, net als wij, de inkomensongelijkheid. Want, zo liet Alstadsæter zien, reken je de ingehouden winst mee, dan verdubbelde het inkomensaandeel van de meestverdienende 1 procent weer.

    Tussen de regels door sneuvelen er nogal wat heilige huisjes als je het werk van deze economen leest. Zo denken veel mensen bijvoorbeeld dat de Verenigde Staten een van de meest ongelijke landen ter wereld zijn, véél ongelijker dan Nederland. Maar is dat wel zo? Ook hier maken de details van het belastingstelsel alle verschil. In 1987 werd het in de VS namelijk voordeliger om winst uit te keren, in plaats van het op te potten. En laat nu net ongeveer de helft van de toename in de Amerikaanse ongelijkheid in 1987 hebben plaatsgevonden. ‘Het belang van opgepot bedrijfsinkomen voor ongelijkheidsmaatstaven verschilt per land en maakt internationale vergelijkingen van inkomensongelijkheid moeilijk,’ constateert Alstadsæter dan ook.

    Hoe dieper je graaft in deze materie, hoe vreemder het wordt. Neem dit bijvoorbeeld: van de winst die nog wél uitgekeerd wordt uit het eigen bedrijf, en die dus meetelt in de ongelijkheidscijfers, telt het CBS sinds 2001 alle uitkeringen boven een kwart miljoen euro niet meer mee.

    En: Stel, je verkoopt voor een miljoen aan aandelen van je bedrijf om daar een huis van een miljoen mee te kopen. Dan is dat volgens het CBS geen inkomen. Je hebt één vorm van vermogen (aandelen) omgezet in een andere vorm van vermogen (een huis) – dat is ‘een vermogenstransactie’, niet ‘inkomen.’

    Het gevolg: wéér worden de topinkomens fors onderschat. Die niet-getelde winstuitkeringen zijn volgens het CBS maar liefst 40 procent van alle winstuitkeringen.

    Ook in Nederland is dus het vermogen in toenemende mate in handen gekomen van een kleinere welvarende groep.[18] Het lijkt er zelfs op dat de rijken hebben geprofiteerd van de financiële crisis. In 2012 becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat de rijkste 1 procent van Nederland (zo’n 74.000 huishoudens) bijna een kwart (23,4 procent ofwel 273 miljard euro) van het totale vermogen[19] bezaten. De grote vermogens die in het buitenland zijn gestald zijn daarin niet eens meegerekend. Vóór de financiële crisis hadden de allerrijksten nog ‘slechts’ een vijfde van het vermogen in handen.

    De vermogens van huishoudens zijn zeer ongelijk verdeeld. Veel huishoudens sparen wel via verplichte pensioenopbouw, maar teren gelijktijdig in op andere besparingen. Een groot deel van de huiseigenaren jonger dan 45 jaar heeft per saldo een negatief vermogen; hun restschuld is hoger dan de waarde van hun pensioenopbouw. Veel oudere huishoudens daarentegen hebben juist grote netto-vermogens. Het vermogen is dus in bezit van de oudere generatie en niet bij de jongere generatie, die daardoor weinig ruimte heeft voor investeringen in eigen bedrijf of het volgen van kwalitatief goed onderwijs. Dat verschil zet een rem op de economische ontwikkeling.

    Al deze factoren leiden tot de conclusie dat de vermogensongelijkheid in Nederland veel groter is dan uit de CBS-cijfers blijkt. Dit betoogden de hoogleraren Wiemer Salverda en Bas van Bavel recentelijk ook in een artikel op de economensite Me Judice, waarbij ze er ook op wezen dat de rijkste Nederlanders in de Quote 500 ruim tweekeer zoveel vermogen hebben dan deze groep bij het CBS heeft.

    De rijkste 1% Nederlanders bezit nu ruim een kwart van het totale vermogen in Nederland. En het inkomen van de rijkste 500 mensen steeg met 6%, terwijl uitkeringen omlaaggingen. Het huidige belastingstelsel versterkt die scheve verhoudingen. Nederland is geen nivelleringsparadijs. We zijn in een waanzinnige ratrace terecht gekomen waarin vermogen veel meer winst oplevert dan inkomen uit werk. Internationale bedrijven en een rijke elite halen alles uit de kast om belasting te ontduiken of ontwijken. De rekening komt terecht bij de armsten, in Nederland en in de arme landen. Uiteindelijk ondermijnd de groeiende ongelijkheid de gehele samenleving.

    Naast de impact van de financiële crisis en de daaropvolgende recessie heeft ook de vermogensconcentratie een hogere werkeloosheid tot gevolg en verklaart het mede de toename van het aantal ZZP’ers – inmiddels al meer dan 800.000. Uit onderzoek van de OESO blijkt dat hoe meer ZZP’ers er zijn, hoe armer en ongelijker een land is. Die toename toont aan dat het MKB – doorgaans de motor van innovatie en aanjager van de economie – in de knel zit. Eenmansbedrijven worden niet groter, waardoor de groei van de werkgelegenheid stokt. Lonen staan continu onder druk, wat goed is voor de winsten van bedrijven, maar slecht voor de koopkracht van burgers. De spreiding van kennis, macht en inkomen – in de jaren 1970 een lonkend perspectief – valt in de huidige economische en politieke verhoudingen steeds moeilijker te realiseren.

    Vermogen is geconcentreerd aan de top, terwijl mensen aan de onderkant de eindjes aan elkaar moeten knopen. De vermogensongelijkheid in Nederland is vergelijkbaar met landen als Polen of de Verenigde Staten. Slechts in notoir ongelijke samenlevingen, zoals laatmiddeleeuws Italië, werd dit niveau bereikt. De rijkste familie in Nederland (Brenninkmeijer) heeft een geschat vermogen van 23 miljard euro, terwijl ruim 3,2 miljoen Nederlanders (de armste 20 procent) samen een negatief vermogen hebben van ca. 26 miljard euro. De rijkste familie heeft dus ongeveer evenveel vermogen als de gezamenlijke schuld van een vijfde van de Nederlanders. De vijf rijkste families van Nederland hebben samen een geschat vermogen van 32,5 miljard euro, ongeveer evenveel als ruim 3,2 miljoen Nederlanders samen (armste 20-40 procent groep): 33,6 miljard euro. De armste 20 procent Nederlanders hebben samen een negatief vermogen.

    Ongelijkheid tussen woningbezitters en huurders – bevordering van private schulden

    Als je nog beter naar de cijfers kijkt dan blijkt ook dat er grote ongelijkheid is tussen huiseigenaren en huurders. Over de hele liggen inkomens van huurders fors lager dan die van huiseigenaren. Huurders zijn vooral lagere inkomens, en hun koopkracht is meer dan gemiddeld aangetast. Extreme rijkdom wordt niet alleen gevoed door steeds hogere topsalarissen, maar evenzeer door inkomen uit sterk geconcentreerd bezit. Let op: bezit is wat anders dan vermogen, bij bezit nemen we ook zaken in aanmerking die door schulden zijn gefinancierd. Als je geld hebt kun je makkelijker financieren, en als je goed naar de cijfers kijkt zie je dat er een enorme hefboomwerking is van die schuldfinanciering. Door dat er enorme rendementen worden gemaakt kunnen de kosten van de lening makkelijk terugverdiend worden, geholpen door lage rente én fiscale rentesubsidie.

    Mensen die dus met leningen veel bezit kunnen financieren, houden daar een veel groter vermogen aan over. Ook dat zie je niet terug in de officiële CBS-statistieken. Het bezit is in ons land extreem geconcentreerd bij een steeds kleinere groep superrijken. De top 10% inkomens verdiend zo’n 32 maal meer aan inkomen uit bezit dan de laagste 10% inkomens (bij deze laatste groep is dat inkomen zelfs negatief).

    De prijzenstijging van woningen vergroot de vermogensongelijkheid zeer sterk – mensen steken zich in grote schulden met verschillen tussen hen die op een ‘goed’ dan wel op een ‘slecht’ moment een huis kochten, plus grote geografische verschillen. Grote vermogensverschillen geven mensen met geld ook extra voordeel op de koopmarkt – in Amsterdam heeft zelfs een kwart van de kopers geen hypotheek nodig.

    In plaats van de focus op reductie van overheidsschulden moeten we de focus richten op reductie van private schulden, voor een duurzame, stabiele economische groei. De wereld is in wezen een systeem van met elkaar verbonden balansen. Van banken, van burgers, van bedrijven. Het bezit van de een is het krediet van de ander, en zo bestaat een complex systeem van communicerende vaten, groot en klein. Het krediet groeit en is nu wereldwijd 250 procent van het bbp. Van afbouw van leningen, van het verkleinen van de hefboom is sinds Lehman geen enkele sprake. Integendeel. De langdurig lage rentes kunnen ervoor zorgen dat er geld wordt geleend voor projecten of activiteiten die bij een hogere rente helemaal niet zouden zijn ondernomen of ontplooid. Het is dan ook zeer de vraag of het nieuwe bezit dat tegenover al dat extra krediet staat, in dat grote systeem van communicerende balansen, van goede kwaliteit is – en blijft. Als wereldwijd de productiviteitsstijging geen gelijke pas houdt met de groei van het krediet, dan gaat dat fout. Dat zal blijken, als de rente een keer met een schok omhooggaat. Niet vandaag, wellicht ook niet dit jaar, maar eens.

    Collectieve verarming

    Er is sprake van collectieve verarming in de westerse wereld na 2004, zo blijkt uit het rapport Poorer than Their Parents? A New Perspective on Income Inequality van het adviesbureau McKinsey (2016). Tussen 1995 en 2004 ging minder dan 2% van de burgers in westerse landen er in reëel inkomen op achteruit. In de tien jaren daarna, van 2004 tot 2014, groeide dat cijfer tot 65 à 70%. Nederland was een van de landen die door McKinsey in detail zijn bestudeerd. Eén van de berekeningen gaat over inkomensoverdracht: de uitkeringen en subsidies die boven op het loon komen. Alle groepen in Nederland hebben in de periode 2004-2014 méér geld van staatswege ontvangen, behalve de armste 20%. Die ging er als enige niet alleen in inkomen, maar ook in financiële steun op achteruit. De onderzoekers keken ook naar belastingen. Daarbij is het beeld omgekeerd. Iedereen is méér belastingen gaan betalen, behalve de rijkste 20%.

    De onzekere arbeidsomstandigheden (flexwerk en zzp-ers), volgens het rapport de voornaamste reden waarom huidige generaties minder verdienen dan hun ouders, zijn in Nederland het ergst: ons land is kampioen flexwerken. Dat komt door de hoge belastingen hier op arbeid en doordat flexwerk hier extreem veel goedkoper is dan vast werk. En ook hier geldt: de zwaarste arbeidsomstandigheden vind je aan de onderkant. Van alle soorten werk wordt laaggeschoold werk het vaakst uitgevoerd in een tijdelijk dienstverband. Uit het rapport komt naar voren dat een grote meerderheid van onze burgers armer wordt dan hun ouders, maar dat dit lot wel oneerlijk is verdeeld. We worden bijna allemaal minder rijk, maar de armsten nog sneller dan de rest. Wie onder aan de economische ladder stond, kreeg de wind vol in het gezicht.

    Gecorrigeerd voor inflatie is het gemiddelde huishoudinkomen de afgelopen 40 jaar nauwelijks toegenomen. Ook zijn de cao-lonen, gecorrigeerd voor inflatie, sinds 1980 niet gestegen. Een eenverdiener die afhankelijk is van het cao-loon en er geen periodieken en dergelijke bij kreeg, ging er de afgelopen 35 jaar dan ook niet op vooruit. De toegenomen rijkdom (gemeten in bbp per hoofd van de bevolking, gecorrigeerd voor inflatie) zit vooral bij tweeverdieners, mensen die carrière maakten en mensen met inkomen uit vermogen. Drie vaak onderbelichte factoren veroorzaken toenemende inkomensverschillen:

    • Mensen gaan ‘opwaarts’ relaties aan (hoogopgeleid trouwt met hoogopgeleid)
    • Loononderhandelingen gaan over procenten in plaats van centen (en twee procent erbij is op het minimuminkomen een schijntje ten opzichte van twee procent voor hoge inkomens)
    • Het feit dat veel uitkeringen (AOW, bijstand) verstrekt worden per huishouden terwijl lonen individueel zijn. Tweeverdieners verdienen twee inkomens, samenwonende AOW-ers of bijstandsgerechtigden krijgen maar pakweg 140 procent van een alleenstaandenuitkering.

    De middenklasse bedreigd?

    Volgens de WRR bleek uit een studie van Paul de Beer uit 2008 dat de middenklasse een stabiel segment van de Nederlandse samenleving is en dat de angst voor het verdwijnen van de middenklasse vooralsnog ongegrond is. Sinds 2008 is er echter het nodige veranderd. Gevoelens van onbehagen lijken eerder toe dan af te nemen, terwijl er nu ook groeiende zorgen bestaan over de sociaaleconomische positie van delen van het middensegment van de Nederlandse samenleving. Institutionele zekerheden voor de middengroepen zijn geringer geworden waardoor ze nu meer dan voorheen iets te verliezen hebben. Het aantal stabiele banen in het middensegment neemt af door de flexibilisering van arbeid en investeringen in middelbare en ook hogere opleidingen leveren minder op in termen van beroep. Het Nederlandse debat maakt duidelijk dat het vraagstuk van de bedreigde middenklasse niet langer een Amerikaanse aangelegenheid is. In de Verenigde Staten verschenen al eind jaren 1980 studies over de middenklasse waarin gesproken werd van fear of falling (Ehrenreich 1989) of falling from grace (Newman 1988).

    Deze thematiek wordt nu ook in West-Europa geagendeerd. In Frankrijk spitst het debat zich toe op de vraag of de sociale mobiliteit aan het stagneren is. Daarbij gaat het er niet alleen om of jongere generaties een hoger of lager beroep uitoefenen dan hun ouders, maar ook om de vraag hoe hun levensomstandigheden eruitzien. De moeite die bepaalde middengroepen hebben om een eigen huis te kopen, de flexibilisering van de arbeidsmarkt, de toename van schulden, hogere vaste lasten en zelfs kortere vakanties worden gezien als tekens dat de huidige middenklasse het minder goed heeft dan voorheen, zelfs wanneer zij in professioneel opzicht tot dezelfde beroepscategorie behoren als hun ouders. Kenmerkend voor het Franse debat is de interesse in verschillen tussen de generaties, mede omdat de Franse verzorgingsstaat oudere generaties beter bedient dan jongere. Daarnaast is er veel aandacht voor de vrees van middengroepen voor sociale daling (la peur du déclassement).

    De omvang van de Duitse middenklasse is in de periode 1997-2010 afgenomen. Daarnaast is er ook in Duitsland veel aandacht voor de emoties en gevoelens van middengroepen, waaronder het fenomeen van dalingangst (Abstiegangst). Ander Duits onderzoek laat zien dat onder een bepaald segment van de middenklasse – de geschoolde en halfgeschoolde arbeiders – de angst voor baanverlies meer is toegenomen dan onder hogere of lagere sociaaleconomische klassen. Ook maakt een substantieel deel van de middenklasse zich zorgen of zij hun huidige levensstijl op oudere leeftijd kan behouden en of hun kinderen eenzelfde levensstandaard weten te realiseren.

     Begin juli 2017 kwam de WRR met het rapport De val van de Middenklasse. De conclusie was dat de middenklasse in ons land niet in het nauw zit, maar zich wel steeds onzekerder voelt over hun toekomst en die van hun kinderen: ‘In tegenspraak tot veel verontrustende verhalen is er geen sprake van dat het middensegment van de Nederlandse samenleving wordt uitgehold of in verval is geraakt.’

    (…) ‘Middengroepen weten in meerderheid hun positie te handhaven en sociale daling te voorkomen. Dat doen zij door harder te werken in meer onzekere omstandigheden. Zij hebben vaker twee inkomens nodig, moeten rekening houden met de flexibiliteit en tijdelijkheid van werk, dienen werk en zorgtaken te combineren, en meer zelfredzaamheid aan de dag te leggen om risico’s het hoofd te bieden. Dit alles gaat gepaard met toenemende gevoelens van onzekerheid. Ook is er het gevoel dat de overheid te weinig doet voor het midden.’ Met andere woorden: de middenklasse moet steeds harder lopen om op dezelfde plek te blijven staan. Daarbij wordt ze in feite door de overheid en de hele buitenwereld afgeleid en gestoord. Ondertussen moet de middenklasse ook nog steeds meer andere taken doen. Daar komt nog bij dat mensen in deze groep continu het gevaar lopen ontslagen te worden. Uit de vele gesprekken die er met deze groep gevoerd zijn, komt duidelijk naar voren dat de middenklasser zeer onzeker is over zijn of haar baan en over de overheid. Ook geven de mensen in deze groep keer op keer aan dat ze steeds vaker achter het net vissen.

    De belangrijkste bevindingen van de WRR-verkenning zijn:

    • Het maatschappelijk midden is te heterogeen en te breed om van “de” middenklasse of “de” middengroep te spreken. Daarom spreken we van het middensegment of van m
    • Aan het vooruitgangsoptimisme van middengroepen is een einde gekomen. Middengroepen moeten zich extra inspannen om hun positie te handhaven en sociale daling te voorkomen.
    • Veel middengroepen in Nederland zijn toegerust om te voldoen aan moderne eisen van inzetbaarheid en weerbaarheid en zijn daarom in staat om hun middenpositie te handhaven.
    • De belangrijkste bedreigingen voor het middensegment zijn:

    (1) de afgenomen waarde van een middelbare opleiding (diploma-inflatie, hoger opgeleiden verdringen middelbaar opgeleiden),

    (2) het verdwijnen van routinematige administratieve functies en de groei van laagbetaalde dienstenbanen, en

    (3) een afkalvend middensegment uitgaande van markt- of bruto-inkomens.

    • In het maatschappelijk midden is er een subsegment dat wordt bedreigd. Dat kwetsbare segment bestaat vooral uit mbo’ers met een routinematige, administratieve baan of een verzorgend of dienstverlenend beroep. Zij hebben een grotere kans op baanverlies of een laag inkomen. Indien aanvullende inkomsten wegvallen, bijvoorbeeld door baanverlies van een partner, is sociale daling al snel een realiteit.
    • Mbo’ers zijn in hun opvattingen over de politiek en maatschappelijke kwesties sterk op lager opgeleiden gaan lijken. Dat geldt ook voor gevoelens van onbehagen en het gevoel geen grip te hebben op de eigen toekomst. Zij zijn zeer kritisch over immigratie, open grenzen, en hebben een gering vertrouwen in de EU en de Tweede Kamer.

    Volgens de WRR is er sprake van baanpolarisatie: terwijl de aandelen van hoog én laagbetaalde beroepen in de totale beroepenstructuur groeien, daalt het aantal beroepen uit het middensegment. Dit verschil in uitkomsten komt vooral door de groeiende groep verzorgenden, veelal vrouwen, die relatief weinig verdienen, maar zichzelf niet aan de onderkant van de beroepenhiërarchie plaatsen en daar ook qua opleiding niet thuishoren. Een andere bedreigende ontwikkeling voor de middenberoepen is dat bepaalde middenberoepen (vooral routinematige administratieve functies) verdwijnen of al verdwenen zijn. Vooral vrouwen (sterk oververtegenwoordigd in deze beroepen) én ouderen (gaan misschien minder gemakkelijk om met nieuwe technologieën) zullen hieronder te lijden hebben.

    Het aandeel huishoudens met een middeninkomen daalde tussen 1990 en 2014 van 68 naar 57 procent, hun inkomensaandeel daalde in deze periode van 71 naar 57 procent. Deze dalende tendensen worden in belangrijke mate tenietgedaan door de herverdelende werking van de Nederlandse verzorgingsstaat en door het feit dat hogere inkomens veelal grotere huishoudens hebben (en dus een lager gestandaardiseerd inkomen). Uitgaande van gestandaardiseerde huishoudinkomens (waarmee rekening wordt gehouden met de omvang van huishoudens en de betaalde belastingen en premies) is het aandeel huishoudens met een middeninkomen omvangrijk en vrij stabiel. Alleen na 2006 daalde het aandeel huishoudens met een middeninkomen licht: van 80 naar 76 procent van alle huishoudens. Ook hun inkomensaandeel bleef over de jaren heen vrij stabiel, al daalde dit tussen 2010 en 2014 ook licht (van 79 % naar 77 %). De middeninkomens beschikken over ongeveer twee derde van het totale vermogen. Het betreft bijvoorbeeld huishoudens met een afbetaald eigen huis of zelfstandigen met een laag of middeninkomen, maar met een aanzienlijk (bedrijfs-)vermogen.

    Er zijn geen aanwijzingen dat middeninkomens vaker dan vroeger terugvallen in armoede. Over het algemeen is de inkomensdynamiek begrensd. De meerderheid van alle huishoudens blijft door de jaren heen in dezelfde inkomensgroep. In geval van neerwaartse mobiliteit blijft dat in bijna alle gevallen beperkt tot één inkomensklasse. Tussen de 12 en 28 procent van huishoudens met een middeninkomen maakt in een jaar tijd een inkomensdaling mee en komt daardoor in een lagere inkomensklasse terecht. De meeste op- of neerwaartse dynamiek ontstaat door veranderende persoonlijke omstandigheden in het huishouden (samenwonen, scheiding, kind krijgen, kind uit huis) dan wel wat betreft werk (verlies van werk of nieuwe baan). Kortom, het middensegment blijft wat betreft inkomen in het midden – mede door het stelsel van belastingen en sociale zekerheid. De dynamiek die soms ontstaat komt vooral door veranderingen in het gezin of op het werk.

    Het rapport wordt volgens de site Follow the Money surrealistisch als de WRR als belangrijkste bevinding vaststelt dat ‘het maatschappelijk midden te heterogeen en te breed [is] om van “de” middenklasse of “de” middengroep te spreken.’ De WRR kiest echter voor een wel erg brede definitie van de middenklasse – zelf spreken ze van ‘het middensegment’. Ze kijken dan naar iedereen (tussen 25 en 65 jaar) met geen lagere opleiding, die in een zgn. midden-beroep werkt (dit zijn routinematige dienstenberoepen – bijvoorbeeld administratief, verkoop, verzorgenden –, kleine werkgevers, zelfstandigen en zelfstandige boeren, supervisors over handarbeid – ‘voormannen’ – en hooggeschoolde handarbeid) en een middeninkomen heeft. De middeninkomens zijn volgens de WRR huishoudens met een huishoudinkomen tussen 60 en 200 procent van het mediane inkomen.

    Het mediane inkomen is het exacte midden van de inkomensverdeling, dat wil zeggen dat 50 procent van alle huishoudens (of personen) een hoger inkomen heeft en 50 procent een lager inkomen. Het gaat dan om het netto-besteedbaar inkomen van huishoudens na afdracht van premies en belastingen en gecorrigeerd voor verschillen in huishoudsamenstelling. Ook worden huishoudens naar hun inkomen ingedeeld in 10- of 20-procentsgroepen (of te wel: naar inkomensdecielen of -kwintielen). De 20 procent huishoudens met de laagste inkomens worden hier als lage inkomens gezien, de 20 procent met de hoogste inkomens als hoge inkomens. De middeninkomens zijn dan alle huishoudens in het derde tot en met het achtste deciel (of het tweede, derde en vierde kwintiel). Dat maakt de definitie van de middengroepen wel erg breed.

    Uit de focusgroepengesprekken met vertegenwoordigers van middengroepen komt het aspect van onzekerheid naar voren als een dominant kenmerk van hun positie. Die onzekerheid leidt tot zorgen over de vormgeving van de eigen toekomst en die van hun kinderen, en soms ook tot een korte-termijn-oriëntatie die vergelijkbaar is met die van lagere sociale groepen. Die onzekerheid heeft twee belangrijke bronnen, namelijk ontwikkelingen op de arbeidsmarkt (diploma-inflatie en flexibilisering van werk) en de verminderde bescherming door een terugtrekkende overheid. Men ervaart dat de verzorgingsstaat er vooral is voor de lagere klasse en dat men er zelf weinig profijt van heeft.

    De WRR: ‘De stelselherzieningen die sinds het einde van de jaren 1980 zijn doorgevoerd zijn samen te vatten met het begrippenpaar versobering en activering. De overheid doet een groter beroep op de zelfredzaamheid van burgers. Dit blijkt onder meer uit diverse privatiseringen die plaatsvonden in de sfeer van sociale zekerheid, waardoor risico’s bij bedrijven of individuele burgers werden gelegd. Al in de jaren 1990 werd de Ziektewet vervangen door de verplichte loondoorbetaling bij ziekte door werkgevers. Niet de overheid, maar individuele werkgevers dragen sindsdien gedurende twee jaar de financiële risico’s van ziekte. Het kabinet Rutte II verlaagde de maximale duur van werkloosheidsuitkeringen van 3 naar 2 jaar. Hiermee werd het financiële risico van langdurige werkloosheid teruggelegd bij individuele burgers (de sociale partners hebben inmiddels een regeling getroffen om dit derde werkloosheidsjaar te compenseren). Het kabinet Rutte II verhoogde tevens het eigen risico van burgers in de zorg en schafte de publieke studiefinanciering af. Wel kunnen studenten nu een gunstige lening afsluiten om de studiekosten te financieren.

    Als dergelijke ontwikkelingen doorzetten, kunnen ze leiden tot een residualisering van verzorgingsstaatarrangementen. Dat wil zeggen dat de overheid wel garant staat voor de sociale voorzieningen voor de meest kwetsbare burgers, maar dat van minder kwetsbaren wordt verwacht dat ze primair hun eigen problemen oplossen. De bijstand is een voorbeeld van zo’n residuale voorziening: alleen huishoudens zonder andere inkomsten komen voor bijstand in aanmerking. Ook in de volkshuisvesting wordt veel gesproken van residualisering: woningcorporaties mogen alleen goedkope huurwoningen aanbieden voor lagere-inkomensgroepen en niet voor huishoudens met midden- of hogere inkomens. Vooral middengroepen dreigen door zulk beleid tussen wal en schip te vallen: ze krijgen minder bescherming van de verzorgingsstaat, maar zijn ook minder in staat zichzelf te redden, zoals het hogere segment.

    Dit is ook de conclusie van enkele SCP-studies over het ‘profijt van de overheid’. De overheid draagt door sociale zekerheid en door belasting- en premieheffing sterk bij aan meer gelijkheid. Als we enkel naar het secundaire inkomen van huishoudens kijken, dragen de hogere inkomens meer af en ontvangen zij minder. Voor de lagere inkomens geldt het omgekeerde. Kijken we echter naar het profijt dat huishoudens hebben van diverse overheidsvoorzieningen (het tertiaire inkomen) dan ontstaat een ander beeld. Juist de middeninkomens hebben verhoudingsgewijs het minste profijt van diverse overheidsvoorzieningen. Bij de middeninkomens (vooral het vierde tot en met het zevende deciel) is het netto-profijt geringer dan bij zowel de lagere als de hogere inkomens. Voor sommige voorzieningen (zoals gezondheidszorg en maatschappelijke ondersteuning) geldt dat vooral lagere inkomens ervan profiteren, terwijl ze bovendien minder eigen bijdragen hoeven betalen en zorgtoeslag ontvangen. Voor andere voorzieningen (onderwijs, cultuur, maar ook de fiscale behandeling van de eigen woning) geldt dat vooral de hogere inkomens er profijt van hebben. Dus Minder voor het midden, zoals de titel van de vorige SCP-studie over dit onderwerp luidde.’

    Onder het oppervlak van de stagnerende inkomensontwikkeling treden grote verschuivingen op, daar gist met name de arbeidsmarkt.[20] Tussen 1977 en 2014 groeide de bevolking met 2,7 miljoen personen oftewel met 20%. De groei vormt het saldo van gelijktijdige krimp en groei. Kinderen en volwassenen zonder inkomen verdwenen massaal (‐2,6 miljoen); werknemers (+1,6 miljoen), zelfstandigen (+0,4 miljoen) en ook gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden (samen +2,6 miljoen) groeiden. De groei van uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden berust voor een aanzienlijk deel op de juridische individualisering van bestaande uitkerings‐ en pensioenrechten (AOW) sinds de midden jaren tachtig, niet op een uitbreiding van die rechten. Door de massale groei van tweede verdieners in huishoudens (+0,75 miljoen) is de traditionele eenverdienersmaatschappij afgelost door de twee‐ of meerverdienersmaatschappij. De sterke groei van het aantal werknemers heeft de werkgelegenheidsgraad van personen verhoogd maar niet die van huishoudens. Additionele huishoudens zijn naar rato voorzien van een werknemer en de overige werknemers hebben zich gevoegd in huishoudens waar er al tenminste een aanwezig was. Circa drie kwart van alle werknemers deelt tegenwoordig een huishouden met een of meer andere werknemers. Dat maakt een einde aan de situatie waarin het loon van de voltijds kostwinner in grote lijnen de verdeling van huishoudinkomens bepaalde.

    Deze veranderingen hebben grote verschuivingen tot gevolg in de inkomensverdeling. Het aantal tweeverdienershuishoudens is massaal opgeschoven naar de hogere regionen van de verdeling. Voor inkomens is de concentratie aan de top sterker dan voor aantallen. We weten dat tweede verdieners meer uren per week werken tegen hogere uurlonen. Mede daardoor treedt een steeds sterkere concentratie op van tweede‐verdienersinkomens in de inkomenstop‐10%. Tweede verdieners in die Top‐10% ontvangen inmiddels meer dan de helft van alle tweedeverdienersinkomen. Tegelijk maakt de eerste verdiener meer uren per week dan de eenverdiener en verdient hij of zij een hoger uurloon. Het 1,5‐verdienersmodel klinkt geruststellender voor de inkomensongelijkheid dan het is. Het gemiddelde inkomen van tweeverdieners aan de top is er in geslaagd de 48% economische groei tot 2014 bij te benen. Tegelijk vertonen eenverdieners een aanzienlijk sterkere concentratie aan de onderkant van de verdeling. De sterke groei van tweeverdieners sinds 1977 is het saldo van langdurige groei en recente krimp.

    Voorafgaand aan de crisisperiode is al sprake van afnemende paarvorming in de jongere leeftijdsgroep en daarmee van een afnemende frequentie van tweeverdieners. Dit wordt gemaskeerd door groei onder ouderen, wat de verschuiving naar de top versterkt. Dit zet op termijn het tweeverdienersmodel onder druk.

    Tegelijkertijd wordt het tweeverdienersmodel ongelijker. Alleen onder hoogopgeleiden groeit de paarvorming en het twee‐verdienen nog. Zij dragen de verschuiving naar de top: de gewerkte uren en uurlonen van tweede verdieners stijgen snel over de hogere 2‐procentsgroepen. Deze ontwikkeling in de paarvormig ten gunste van hoogopgeleiden is ook voor 2003 al te traceren. Het werpt de vraag op of huishoudvorming moeilijker wordt voor laag en middelbaar opgeleiden.

    Daarbij lijkt het hebben van kinderen meer een luxe te worden: in de 2‐procentgroepen aan de bovenkant van de inkomensverdeling steeg hun aantal licht of daalde het minder. Hoger opgeleiden zien sinds de crisis ook als enige hun werkgelegenheidsgraad stijgen. Hun opleiding wordt echter in toenemende mate onderbenut, tot 40% van hun populatie, aanzienlijk meer dan op de andere opleidingsniveaus. Ze bezetten in toenemende mate banen op niet wetenschappelijk niveau, wat bijdraagt aan een cascade van verdringing op de arbeidsmarkt.

    De massale opkomst van tweeverdieners beïnvloedt behalve de inkomensverdeling ook de werkgelegenheidsverdeling. In de voltijds‐kostwinnerswereld bevinden laagbetaalde werknemers en hun huishoudens zich onderin de inkomensverdeling, nu worden ze gespreid over de volle breedte van de verdeling, tot aan de top. Van de banen met het laagste beroepsniveau bevindt zich meer dan een derde in de bovenste helft van de verdeling. Twee laagbetaalde tweeverdieners kunnen samen hogerop klimmen, of tweede en derde verdieners verrichten laagbetaald werk naast een eerste verdiener met goedbetaald werk. Het eerste komt zeker voor maar het tweede is aanmerkelijk belangrijker. In de bovenste helft van de inkomensverdeling wordt 60 à 75 procent verricht door additionele verdieners. Zij concurreren aan de onderkant van de arbeidsmarkt ‐ tegen de achtergrond van een hoger inkomen, doorgaans op deeltijdbasis en met een betere opleiding ‐ met het laagopgeleide arbeidsaanbod dat op deze banen is aangewezen en voor het inkomen afhankelijk is van werken in voltijd. De overgrote meerderheid van deze laagopgeleide banen is tegenwoordig in deeltijd en wordt ingenomen door beter opgeleide personen. Het leidt tot een vicieuze cirkel van grotere inkomens‐ en arbeidsmarktongelijkheid. Het is van groot belang dat beleid dat werken aan de onderkant wil bevorderen hiermee rekening houdt en zich niet louter richt op lagere lonen en loonkosten.

    De inkomstenbelasting kent sinds 2001 de arbeidskorting die maximaal wordt op het niveau van het minimumloon, bedoeld als gunstiger voor de onderkant van de verdeling en als stimulans voor betaald werk sorteert ze in de tweeverdienerswereld ook een omgekeerd effect. Het laagbetaalde werk raakt oneigenlijk verspreid over de hele inkomensverdeling zoals we hierboven al zagen in de brede spreiding van laagopgeleide beroepen. Het betreft echter ook werk dat (per uur) beter beloond is, omdat het belastingstelsel op jaarbasis werkt en op die basis naar het minimumloon kijkt. Dit spreekt direct uit het feit dat meer dan een derde deel van de volwassen vrouwen verdiensten heeft tot aan het niveau van het minimumloon op jaarbasis – en klaarblijkelijk de gewerkte uren aanpast – tegenover minder dan 7 procent die het minimumloon verdient op uurbasis.

    Al is de eenverdienerswereld verdwenen, er zijn nog wel degelijk eenverdieners over: 1,9 miljoen, die even zo vele huishoudens vormen. Eenverdieners met een meerpersoonshuishouden vormen 11 procent van de werknemers in 18 procent van de huishoudens, met 15 procent van alle looninkomen. In verhouding tot de massa van tweeverdieners leidt dit tot een belangrijk probleem van solidariteit: waarom inkomen herverdelen naar huishoudens waarin slechts een persoon een overigens vergelijkbare positie op de arbeidsmarkt inneemt?

    Een andere relevante ontwikkeling waarmee ook middengroepen te maken hebben is de toegenomen complexiteit en kwetsbaarheid van primaire relaties. In een relatief korte periode heeft Nederland de verandering doorgemaakt van een traditionele kostwinnerssamenleving naar een samenleving met een tweeverdienersmodel, waarbij beide partners carrière en zorg combineren. Het op elkaar afstemmen van twee loopbanen en het verdelen van zorgtaken is vaak een complexe opgave die niet zonder risico’s is. Ook is er een grotere variëteit aan huishoudvormen ontstaan.

    Huishoudens bestaan steeds vaker uit één persoon en minder vaak uit paren met kinderen. Het aandeel paren met thuiswonende kinderen is de afgelopen decennia sterk gedaald, van 44 procent in 1981 tot 28 procent in 2010. In diezelfde periode steeg het aandeel alleenstaanden van 22 naar 36 procent. De inkomenspositie van huishoudens hangt nauw samen met hun huishoudvorm. Hogere-inkomensgroepen zijn veelal samenwonenden of gezinnen met kinderen en combineren vaak meerdere arbeidsinkomens in het huishouden; lagere-inkomensgroepen zijn verhoudingsgewijs vaker alleenstaand of alleenstaande ouder en zijn in beide gevallen eenverdiener. Dit maakt hogere en middeninkomens echter ook gevoeliger voor het financiële risico van echtscheiding. Onderzoek laat zien dat het aantal echtscheidingen in Nederland sinds de jaren 1960 sterk is gestegen, maar sinds de jaren 1990 vrij stabiel is gebleven. Wel steeg het totaal aantal relatie-ontbindingen. Dit komt doordat er steeds meer niet-gehuwde samenwonenden uit elkaar gingen (CBS 2009).

    Daarnaast kwam echtscheiding voorheen vaker bij hogere statusgroepen voor, tegenwoordig zijn er juist bij lagere statusgroepen meer echtscheidingen. Diverse studies laten een negatief verband zien tussen opleidingsniveau en echtscheidingen: lager opgeleiden zijn vaker gescheiden dan hoger opgeleiden. Recent onderzoek van het CBS wijst uit dat dit niet alleen geldt voor gehuwden, maar voor alle samenwonende stellen. Bij de laagste inkomensgroep (eerste kwintiel) was 4,5 procent van alle stellen (met minimaal 1 kind) binnen één jaar tijd uit elkaar gegaan. Bij de hoogste inkomensgroep (vijfde kwintiel) was dit 1,4 procent (cijfers over 2014) (CBS 2016a). Bij de hoogste inkomensgroep is de kans op relatieontbinding maar half zo groot als bij de laatste inkomensgroep. Bij de middeninkomensgroepen ligt de kans op relatieontbinding ergens daartussenin, maar ook zij hebben een significant geringere kans op relatieontbinding dan de laagste inkomens (CBS 2016b).

    Er is veel te doen over de financiële positie van één-kostwinnaar-gezinnen. Met name christelijke partijen pleiten om hen fiscaal te compenseren. Links doet dit doorgaans af als aanrechtsubsidies, bedoeld om het mogelijk te maken dat de vrouw thuisblijft, niet hoeft te werken, en dus afhankelijk blijft van de wel verdienende man. Slecht voor de emancipatie van vrouwen dus. Teveel vrouwen werken niet of slechts parttime, en dat is slecht voor hun financiële onafhankelijkheid. Door minder te werken is er levenslang een lagere baankans, een lager uurloon, een hogere kans om financieel in de problemen te komen bij scheiding of overlijden van de partner, en een lager pensioen. Het is beter dat ook vrouwen volwaardig meedoen in het arbeidsproces en dat we de banen én de zorgtaken eerlijk verdelen.

    De verschillen zijn echter nu wel erg groot en er zijn ook specifieke groepen die nu in de problemen komen. Het Nibud maakt zich m.n. zorgen om de traditionele kostwinnersgezinnen met twee of meer kinderen. Hierbij werkt één van de ouders en verdient rond 35.000 euro bruto per jaar. Dit is een modaal inkomen, het inkomen dat het meest voorkomt in Nederland. In Nederland bestaan zo’n 87.000 gezinnen waarbij één van de partners een jaarinkomen heeft tot 35.000 euro per jaar. Deze gezinnen hebben het financieel gezien zwaar en noemt het Nibud een echte risicogroep. Ze krijgen geen kwijtschelding van lokale lasten en krijgen geen zorg- of huurtoeslag. Het Nibud ziet dat zij rond kunnen komen als zij in een huis wonen met een huur van maximaal 528 euro, wat volgens het CBS de gemiddelde huur is voor deze inkomensgroep. Maar als ze in een duurdere huurwoning wonen, een auto hebben, met het gezin op vakantie willen of als de kinderen lid van zijn een sport- of muziekvereniging zijn, komen zij maandelijks al snel honderden euro’s tekort. En dat komt steeds vaker voor.

    De WRR beveelt aan de onzekerheid van de middenklasse te verminderen en hun weerbaarheid te vergroten. Wij sluiten ons daarbij aan, maar vullen dat ook aan: de middenklasse mag anders dan in de VS misschien nog niet aan het verdwijnen zijn, zij staat ook financieel wel degelijk onder druk. En er moet dus ook meer gebeuren willen we niet in Amerikaanse scenario’s terechtkomen. De globalisering van de economie heeft sinds de deregulering van de financiële markten sedert de jaren 1980 en 1990 nieuwe dimensies verkregen, mondiale belastingconcurrentie en belastingontwijking leiden tot een race naar de bodem en ook op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden zijn we in een nieuwe fase van internationale concurrentie met een terugkeer naar 19e eeuwse verhoudingen verzeild geraakt.

    Het belastingsysteem maakt nu de ongelijkheid groter

    Ons fiscale stelsel is teveel toegesneden op Nederland als renteniersnatie en de bijbehorende belangen van de uit zijn voegen gegroeide financiële sector. Renteniers betalen geen AOW-premie en geen andere premies voor volksverzekeringen en geen inkomensafhankelijke ziektekostenpremie, terwijl ze wel het recht hebben op deze kostbare voorzieningen.

    In het huidige belastingstelsel wordt werken zwaar belast en door maatregelen tijdens de crisis is dit nog verder toegenomen. De belastingdruk op arbeid is nu bijna driemaal zo hoog als die op kapitaal. Bedrijven maken grote winsten sinds de crisis en de lonen zijn op deze stijging van de winsten achtergebleven. Dit wordt heel helder gemaakt in de Macro Economische Verkenningen 2016 onder het kopje arbeidsinkomensquote (AIQ). Ook is loonstijging één van de stokpaardjes van DNB-voorzitter Knot. Dus laat de overheid ervoor zorgen dat de lonen hard stijgen ten koste van de bedrijfswinsten.

    Iedere euro die in Nederland met arbeid wordt verdiend, wordt met 40-45% belast, terwijl iedere euro die met kapitaal hier wordt verdiend, slechts met 9% wordt belast[21]. Een verschuiving van inkomen van arbeid naar kapitaal, dus een daling van de AIQ, raakt dus direct de inkomsten van de overheid en daarmee de mogelijkheden van de overheid om de fysieke, sociale en technologische infrastructuur te onderhouden waar de Nederlandse welvaart in belangrijke mate op gebouwd is. Ook tast dit de mogelijkheden aan tot sociale herverdeling, die de sterk toegenomen bruto-inkomensongelijkheid in Nederland nu nog dempt. Eerder werd al geconstateerd dat dit sociale systeem steeds meer onder spanning komt te staan (WRR, 2014). De belastingopbrengsten uit winst als percentage van de belastingopbrengsten laten een structurele daling zien. De werkenden moeten een steeds groter deel van de belastingen opbrengen. Het probleem in Nederland is niet dat de collectieve uitgaven te hoog zijn, maar dat de collectieve lasten zo oneerlijk zijn verdeeld.

    In 1998 kwam 44 miljard gulden loon- en inkomstenbelasting binnen, en 42 miljard gulden aan vennootschaps-, dividend-, vermogens- en erfbelasting. Die verhouding is nu (2018) 51 miljard euro versus 30 miljard euro. Overheden wereldwijd verkleinen tekorten liever met de btw dan met de vennootschapsbelasting. Ook Rutte III kiest daar weer voor. In Nederland is in 2001 de vermogensbelasting voor rijke spaarders flink omlaaggegaan en in 2010 ging ook de erfbelasting naar beneden. Nederland kent de laagste belastingdruk op kapitaalinkomen van alle EU-landen. In 1995 was dat nog bijna 20%. Het EU-gemiddelde is 31,4%. Ook het aandeel van belasting op kapitaalinkomen in de totale belastingopbrengst behoort met 15,4% tot de lagere in de EU, samen met een aantal Oost-Europese landen. Door deze politiek wordt het private vermogen nu slechts beperkt belast.

    De effectieve belasting op bedrijfswinsten is zeer gering en wordt, zonder noemenswaardig politiek debat, steeds verder teruggebracht. Dat vergroot de ongelijkheid omdat bedrijfswinsten voor een groot deel terechtkomen bij de rijkste particulieren, die veruit de meeste aandelen bezitten. Sinds 1980 is de vennootschapsbelasting (=belasting over de winst van bedrijven) zo ongeveer gehalveerd, in ons land van 48% naar 25%. Sinds 2000 daalt het aandeel van de vennootschapsbelasting in de totale belastingopbrengsten. In 2000 was dat nog 17%, nu is dat gezakt tot 10%, een verschil van ruim 10 miljard euro. Nederland is één van de koplopers in het aanjagen van internationale belastingconcurrentie naar steeds lagere tarieven en kan dus ook zelf nu al eenzijdig stappen nemen die dit proces doen keren. Het Nederlandse tarief is formeel weliswaar 25%, maar in de praktijk is het effectieve tarief slechts 7%, één van de laagste in Europa. Rutte III doet daar nog een forse schep boven op door de vennootschapsbelasting nog verder te verlagen en de dividendbelasting zelfs af te schaffen. Dat kost respectievelijk 3 en 1,4 miljard euro! Ook in de gewijzigde plannen blijft de totale verlaging van belastingen voor bedrijven met een zelfde bedrag dalen. Rutte-3 hevelt de 1,9 miljard euro die het handhaven van de dividendbelasting oplevert namelijk doodleuk over naar een verdere verlaging van de vennootschapsbelasting. Die was 25 procent en wordt nu 20,5 in plaats van 21 procent, terwijl het lage tarief niet naar 16 procent gaat (zoals in het regeerakkoord stond) maar naar 15 procent. Het kost de belastingbetaler pakweg tweederde van het bedrag dat het niet afschaffen van de dividendbelasting oplevert. De rest gaat naar wat klein grut, maar blijft in de fiscale bedrijfskolom. De effectieve belastingdruk is bij multinationals is de laatste jaren al met 5% gedaald. Vanaf de eeuwwisseling is de ratio VPB inkomsten – BBP dalend. In 20004 was de 2e schijf nog 34,5%. Rutte III brengt dit in vrije val. Een bizarre ontwikkeling die totaal onhoudbaar is. Kennelijk wil Rutte-3 koste wat het kost het begrotingsoverschot van 6 miljard euro – de afgelopen zes jaar door u en mij bijeengebracht, via pakweg 50 miljard euro aan lastenverzwaringen en bezuinigingen – doorsluizen naar het bedrijfsleven. Gaat het niet via de afschaffing van de dividendbelasting, dan via de verdere verlaging van de vennootschapsbelasting. Wat dit tot een van de grootste herverdelingsoperaties uit de naoorlogse geschiedenis maakt. Herverdeling van arm naar rijk, wel te verstaan, van arbeid naar kapitaal. Het had zo uit de koker van Reagan en Thatcher kunnen komen: ‘trickle-up economics’.Bij zelfde ratio als rond de eeuwwisseling zou er jaarlijks 10-15 (!) miljard extra te besteden zijn. Tijd om de balans te herstellen!

    Verder is het belastingstelsel steeds minder ingericht naar draagkracht. Dit komt mede door de vele aftrekposten waarvan vooral hogere inkomens profiteren. Hierdoor is het belastingstelsel nauwelijks progressief, over de hele linie komt de effectieve druk uit rond de 40%. De sterkste schouders dragen hierdoor nu niet de zwaarste lasten. De marginale druk (het deel van de extra inkomsten dat men kwijt is aan hogere lasten) ligt voor de inkomensgroepen tussen minimumloon en driemaal modaal nog aanzienlijk hoger. De totale belastingdruk is de afgelopen periode nagenoeg gelijk gebleven, en ligt rond de 40% van het bbp. Maar de belastingdruk is de afgelopen tijd wel verschoven van bedrijven en aandeelhouders naar werkenden.

    Ons belangstelsel bevorderde voorts de groei van de hoogste inkomens: Vanaf de jaren 1970 is het topbelastingtarief structureel omlaaggegaan – van 80% (Den Uijl), naar 72% (Oort), naar 60% (Vermeend), naar 52% (nu) naar 49,5% (voorstel Rutte III). Het toptarief wordt al snel bereikt (bij een inkomen van ruim anderhalf modaal) en is daarmee niet gericht op de echte topinkomens. In de belastingvoorstellen van Rutte III wordt dat nog verder verlaagd, en blijven er maar twee tariefschijven over.

    In ons land wordt niet het vermogen zelf, maar het rendement dat je daarop maakt, belast. Kleine spaarders hoeven nu niets te betalen en dat moet zo blijven. Per persoon is er in Nederland een vrijstelling van € 25.000 (was tot 2017 € 21.330) per persoon. Wie minder dan dit bedrag heeft, betaalt geen belasting over zijn vermogen.

    Op dit moment wordt niet uitgegaan van het werkelijk rendement, maar van een fictief rendement van 2,9% (was tot 2017 4%) en daar wordt dan 1,2% x 30% belasting over geheven. Het tarief wordt vanaf 2017 gekoppeld aan de rente over de afgelopen 5 jaar. Bij grotere vermogens geldt een hoger tarief: boven de € 100.000 geldt een tarief (mede op basis van rendementen op beleggingen) van 4,7% x 30%, en voor vermogens boven de € 1 miljoen een tarief van 5,5% x 30%. Het gaat daarbij over het vermogen in box 3. Dit betreft spaartegoeden, aandelen, obligaties, tweede huis. Geen onderdeel is de eigen woning, het eigen bedrijf of pensioenvermogen.

    De wijzigingen die in 2017 zijn ingegaan maken het systeem iets eerlijker en werken nivellerend uit: grote vermogens (vanaf € 350.000) gaan er op achteruit, kleinere vermogens fors op vooruit. Maar het blijft oneerlijk. De meeste mensen met een klein vermogen halen in de praktijk een veel lager rendement, 2% of nog minder en betalen dus nu teveel. Mensen die sparen krijgen een rente van 0,4 tot zelfs 0% (Triodos) bij een aantrekkende inflatie, dus die hebben eigenlijk een negatief rendement. Terwijl de grote vermogens vaak wel het dubbele rendement (8% of meer) behalen en dus veel te weinig betalen. De kleine spaarder die op 1 januari 2005 € 40.000 op de bank zette en daar jaarlijks rente over ontving heeft in 2015 € 48.855 op de bank staan. In tien jaar tijd is het bedrag met 22% gestegen. Over dit rendement heeft de kleine spaarder 32% belasting betaald. De grote belegger die op 1 januari 2005 45.000 aandelen Shell bezat en jaar in jaar met het dividend dat hij uit zijn aandelen Shell ontving opnieuw aandelen Shell kocht, heeft op 1 januari 2015 bijna 71.000 aandelen Shell. De waarde van zijn belegging is bijna verdubbeld, van bijna € 1 miljoen naar bijna € 2 miljoen. Over dit rendement heeft de grote belegger 19% belasting betaald. De grote belegger betaald dus nu relatief veel minder belasting dan de kleine spaarder. Er is in Nederland een grote groep mensen is die erg veel geld heeft. Op de spaarrekening, in aandelen en obligaties, in onroerend goed of in luxe goederen. Een kleine groep rijke mensen bezit zelfs meer geld dan miljoenen huishoudens samen. Jaar in jaar uit zien zij hun vermogen stijgen. Deze groep kan meer bijdragen aan de samenleving door meer belasting te betalen over hun grote vermogen.

    Het totale vermogen in ons land minus (hypotheek)schulden bedraagt ongeveer 2500 miljard euro, 4 maal ons bbp. De vermogensbelasting levert echter minder dan 4 miljard op, 0,16%. Ook internationaal gezien scoort Nederland hier extreem laag. Oorzaak is dat slechts vrije besparingen worden aangeslagen. Tegelijkertijd worden kleine spaarders te zwaar belast.

    De huidige regeling draagt nog steeds bij aan de oververhitting van de woningmarkt. Veel vermogende ouders steken hun geld nu in vastgoed als belegging: een tweede huis voor hun kinderen of voor de verhuur. Een op de vijf woningen in Amsterdam wordt nu al gekocht door iemand die er niet zelf gaat wonen. En tot nu toe legt dat geen windeieren: de waarde van de huizen schiet omhoog, net als de prijzen voor verhuur, zoals ook voor Airbnb. Het is een vicieuze cirkel. Huisjesmelken is een van de beste beleggingen. In 2016 werd op een pandje in Amsterdam alleen al een speculatiewinst van 23% geboekt. De fiscus blijft ook dan uitgaan van een fictief rendement van 2,9 tot 4%. Daardoor wordt nu de kleine spaarder veel te zwaar belast en de vermogende speculant nu juist veel te weinig. Het bevorderd daardoor dat kapitaal niet geïnvesteerd wordt, en dat kapitaal zoveel meer oplevert dan arbeid.

    Volgens het kabinet is de politiek breed gedragen oplossing om uit te gaan van het werkelijke rendement op je vermogen “zeer complex en binnen afzienbare termijn voor de Belastingdienst niet uitvoerbaar.” In plaats daarvan heeft het kabinet nu dus per vermogenstitel (spaarsaldo, aandelenportefeuille, onroerend goed) het systeem zo gemaakt dat periodiek het in aanmerking te nemen rendement herijkt wordt op basis van in de markt gerealiseerde rendementen. De vermogensmix van de belastingplichtige is daarbij langs forfaitaire maatstaven gedifferentieerd, zodat die gemiddeld beter aansluit bij de genoten rendementen. Het tarief van 30% is ongewijzigd gebleven.

    Gelijke kansen, ongeacht geslacht, geaardheid, geloof, leeftijd, opleiding etc. is een belangrijk uitgangspunt. Voor ons betekent dat dat iedereen bij geboorte gelijk is. De praktijk is een andere. Sommige worden geboren met een gouden lepel in de mond, hun ouders zijn schatrijk, anderen hebben ouders met helemaal niks. Via erfenissen en schenkingen krijgen kinderen van rijke ouders een voorsprong op kinderen wiens ouders geen vermogen hebben. Het erven van vermogen vergroot de mogelijkheden van de erfgenaam, zonder dat ze er zelf iets voor hoeven doen. De successiebelasting (erf- en schenkingsbelasting) kan een belangrijke bijdrage leveren aan een samenleving met gelijke kansen. Dat doet het nu nauwelijks. Zeer grote vermogens gebruiken nu bovendien de erfbelasting om belastingen te ontwijken. En de huidige regeling waarbij een ton aan gift voor kinderen wordt vrijgesteld van belasting als het besteed wordt aan de koop van een woning voor kinderen, bevorderd niet alleen de erfelijke ongelijkheid, maar ook de verdere verhitting van de woningmarkt.

    Op dit moment is het woonbeleid zo, dat sociale huur en sociale initiatieven belast worden en dat bezit gesubsidieerd wordt – de wereld op zijn kop. Per jaar ontvangen woningbezitters netto 13 miljard euro (hypotheekrenteaftrek minus eigen woningforfait), en huurders maar 2,9 miljard euro (huurtoeslag plus borgstelling rijk voor leningen woningcorporaties minus opbrengst verhuurdersheffing). Door eigenwoningbezitters zoveel te bevoordelen boven huurders vergroot de staat op dit moment de ongelijkheid enorm.

    Fiscaal wordt op dit moment voorts het aangaan van private schulden gestimuleerd. Het grootste deel van private schulden van huishoudens in ons land zit in hypotheken. Woningen zijn nu een aantrekkelijke belegging, fiscaal gesubsidieerd. Huidige prijzen zijn wederom zeepbel: grote systeemrisco’s. De daling komt ooit. Naast de stimulerende werking van de hypotheekrenteaftrek zijn ook de huidige regels om in aanmerking te komen voor een hypotheek een probleem. Nu werkt het zo: hoe meer hypotheken de banken verstrekken, des te meer de huizenprijzen stijgen, waardoor mensen weer meer hypotheek nodig hebben, etc. Zo zijn er binnen de kortste tijd weer enorme hypotheekschulden. Als twee kopers met een vergelijkbaar inkomen om een huis concurreren, dan wint degene die zich het meest in de schulden kan steken. Dat is vragen om zeepbellen, als de hypotheekschulden eigenlijk niet houdbaar zijn in tijden van crisis. M.a.w.: wanneer onvoldoende eigen vermogen tegenover de schulden staan.

    Het vervelende van sterke prijsstijgingen van woningen is ook dat ze de kans op prijsdalingen vergroten. Ervaring en onderzoek leren dat langdurige prijsstijgingen die (ver) boven de inflatie gaan (zoals voor 2008 en nu weer), gevolgd worden door forse prijsdalingen: de zeepbel barst een keer. De Nederlandse hypotheekschuld is gegroeid naar 646 miljard euro. Dat is meer dan de 550 miljard euro op het hoogtepunt van de huizenbubbel in 2007. De fluctuaties in de huizenwaarden in combinatie met het feit dat in ons land die vooral door hypotheken worden gefinancierd (waarin Nederland sterk afwijkt van andere EU-landen) zorgt ervoor dat onze economie erg kwetsbaar is, en daarmee overschrijden we overigens ook regels van het Europese begrotingsbeleid. Door deze kwetsbaarheid kwam de crisis in 2008 in ons land harder aan en duurde de crisis ook langer.

    Stijgende huizenprijzen zijn een probleem, voor starters, maar ook voor de meeste verkopers – die moeten meestal ook weer een nieuw huis kopen. Door de subsidiëring van hypotheken en woningbezit wordt de vraag nog steeds verder aangejaagd, zeker nu vastgoed één van de weinige aantrekkelijke beleggingen is. Het aanbod van betaalbare woningen wordt verder beperkt doordat projectontwikkeling zich steeds meer toelegt op de ontwikkeling van relatief grote, dure woningen – amper 10% is goedkoper dan 200.000 euro. Welvarende en goed verdienende gezinnen en stellen drukken steeds meer alleenstaanden en jongeren en ook minder verdienende jonge gezinnen uit de woningmarkt. Steeds meer worden woningen opgesplitst en tegen hoge prijzen verhuurd. Expats en Airbnb rukken op, ten koste van duurzame verbintenis en betrokkenheid bij de buurt. Vermogende huizenbezitters worden steeds rijker door te beleggen in woningen die in waarde stijgen, terwijl vooral jonge mensen niet meer kunnen kopen en aangewezen zijn op steeds duurdere huurwoningen. Voor hen die achterbleven op de huurmarkt pakte het beleid desastreus uit.

    Met de enorme flexibilisering van arbeidscontracten is het voor veel jongeren bijna niet meer mogelijk een hypotheek te sluiten. Er zijn steeds meer ‘boemerangkinderen’ die na de studie weer bij de ouders gaan wonen, en zzp-ers delen nu heel dure huurwoningen. Veel van de woningen die nu verkocht worden komen in handen van mensen die al een huis hebben. Ze gebruiken het als belegging en verhuren het aan mensen die zich geen koophuis kunnen veroorloven, en hoeven ook nog maar eens vermogenswinstbelasting te betalen over een fictief rendement van tot maximaal 4%, terwijl het werkelijke rendement tot viermaal hoger kan liggen. Die huurders zijn vervolgens zoveel geld kwijt aan woonlasten dat ze niet genoeg kunnen sparen om zelf een huis te kunnen kopen.

    Iedere overheidssteun voor koopwoningen drijft de woningprijzen weer verder op, waardoor met name de lage inkomens slechter af zijn. De ongelijkheid blijkt toe te nemen door het overheidsbeleid om eigen woningbezit te stimuleren. De conclusie is onontkoombaar: De overheid moet radicaal stoppen met het beleid van het stimuleren van de koop van woningen via schulden. Ook dat moet een doel van de belastingherziening zijn.

    De vermogensgroei door de vastgoedhausse veroorzaakte ook de gedachte aan een verhuurdersheffing. In 2007 begon de crisis en werden de reserves te aanlokkelijk om niet in een greep in de kas te doen bij sociale verhuurders met een aparte heffing. Een linkse politiek, die ook een rationele toets doorstaat, zou echter betekenen dat het ondersteunen van de vraag van lage inkomens met een inkomensafhankelijk woonlastenbeleid, niet zou worden gecombineerd met een belastingmaatregel, die de huren juist verhoogd. Circa vijf miljoen huurders in 2,4 miljoen woningen zijn hiervan de dupe. De verhuurdersheffing heeft negatieve gevolgen voor de beschikbaarheid van sociale huurwoningen. Ook zijn er ongewenste inkomenseffecten ten koste van huishoudens met lagere inkomens. Er zijn steeds meer mensen met lage inkomens die hun huur niet meer kunnen betalen en mensen (starters, jonge gezinnen, eenpersoonshuishoudens na een echtscheiding, ouderen die aangepast willen wonen) die geen betaalbare woning kunnen vinden.

    De persoonlijke fiscale toeslagen (voor huur, zorgkosten en voor kinderopvang) leiden nu tot een armoedeval (doordat ze inkomensafhankelijk zijn, stijgt het besteedbaar inkomen fors minder als je meer gaat verdienen), ze zijn in toenemende mate ontoereikend omdat de kosten sterker stijgen en ze zijn één van de grootste veroorzakers van problematische private schulden, door de complexiteit van het systeem, met name bij wisselende inkomens – die een sterk toenemend fenomeen zijn door de flexibilisering van de arbeidsmarkt en draaideurwerkloosheid bij falend re-integratiebeleid, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Bovendien maken de toeslagen het stelsel uitvoeringstechnisch complex, moeilijk controleerbaar en duur. Dit systeem behoeft dringend aanpassing, zonder dat daarbij de lage en middeninkomens nog verder in de problemen komen.

    Belastingontwijking en -ontduiking

    Financieel is Nederland een wereldspeler van formaat. Nederland staat derde op de ranglijst van landen met het beste handelsklimaat. Onze bankensector heeft viermaal de omvang van ons nationaal inkomen. Jaarlijks stromen vele duizenden miljarden euro’s Nederland in en uit. Bijna de helft van de wereldwijde omzet van de handel in olie, koffie, gas, graan, soja, koper en zink loopt door Nederland, onder meer via bedrijven als Gunvor, Trafigura en Vitol. Van de honderd grootste bedrijven ter wereld maken er tachtig om fiscale redenen gebruik van rechtspersonen in Nederland. Dat komt vooral door ons uitgebreide belastingverdragen-netwerk met grondstof-exporterende landen, vaak ontwikkelingslanden. Uit onderzoek van Oxfam Novib blijkt dat ontwikkelingslanden jaarlijks minstens 460 miljoen euro aan belastinginkomsten mislopen via brievenbusmaatschappijen in Nederland. In het rapport De Nederlandse Route, Hoe arme landen inkomsten mislopen via belastinglek Nederland beschrijft Oxfam Novib de grote rol die Nederland speelt in internationale belastingontwijkingspraktijken.

    Amerikaanse bedrijven hebben nu bijna 500 miljard dollar winst opgepot in Nederland. Méér dan in Bermuda of Zwitserland. Nederland loopt elk jaar ruim 7 miljard euro mis aan belastingontwijking. De hele EU loopt 100 miljard euro mis. Dankzij het vriendelijke Nederlandse belastingregime betaalde bijv. Google in 2014 over ruim 10 miljard Europese inkomsten nog geen drie miljoen euro belasting. Ook ontwikkelingslanden lopen 100 miljard euro mis. Dat staat in het rapport Tax Battles van Oxfam Novib uit 2016. Lang heeft minister Dijsselbloem namens de regering ontkent dat Nederland een belastingparadijs was. Maar na de Panama Papers in voorjaar 2016 werd toegegeven dat ons land een onderdeel van het probleem is, maar dat het nu onderdeel zou gaan uitmaken van de oplossing. In december 2016 verscheen echter het in opdracht van de FNV opgestelde rapport Survival of the Richest van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO), waaruit bleek dat Nederland vorig jaar nog steeds 236 ‘sweetheart tax deals’ sloot, geheime afspraken met multinationals over lagere belastingtarieven. Het bleek dat 151 Nederlandse multinationals in de periode 2005-2014 meer dan 30 miljard euro minder belasting hebben betaald dan op basis van het winstbelastingtarief mocht worden aangenomen.

    De EU besloot in 2016 om per 31 december 2018 een ongewenste ontwijkingsroute voor Amerikaanse multinationals te sluiten. Maar in december 2016 wist Jeroen Dijsselbloem dat besluit uit te stellen tot 1 januari 2024! En in juni 2017 werd uit een nieuw onderzoek van de FNV[22] duidelijk dat er nog steeds een groot aantal ontwijkingsroutes zijn, en dat de staat zelfs fiscaal onderzoek van multinationals financiert om deze routes in kaart te brengen. De FNV onthulde drie nieuwe routes: de Curaçaoroute, de Hongarijeroute en de Zwitserlandroute. Deze routes worden gebruikt door Ahold, Aegon, G-Star en de BCD Groep (Cheaptickets.nl, Vliegwinkel.nl en het reisbureau voor o.a. het Europees Parlement). De FNV wil dat deze routes direct gesloten worden en dat bedrijven die belasting ontwijken worden uitgesloten van aanbestedingen.

    Het is een gênante vertoning. Ambtenaren en ministers bedelen om multinationals zijn Europese hoofdkantoor in Nederland wil vestigen. En dat terwijl Nederland zo hoog staat op de lijstjes die de internationale concurrentiekracht van landen in kaart brengen. Eigen kracht eerst, zou je zeggen. Maar kennelijk is dat niet genoeg. Na het gebedel komen de fiscale cadeautjes. Sinterklaas bestaat en hij heeft ook een vestigingspiet, de Netherlands Foreign Investment Agency, het NFIA. Dat is een agentschap van het ministerie van Economische Zaken dat buitenlandse investeerders en (Europese) hoofdkantoren van multinationals naar Nederland moet halen. Tot wel 80 procent korting op je reguliere belastingaanslag kun je krijgen, bleek uit een e-mail tussen honderden pagina’s documenten die NRC Handelsblad op basis van de Wet openbaarheid van bestuur overhandigd kreeg. De NIFA vergoedde tot voor kort zelfs de fiscale advieskosten van bedrijven die hier een vestiging overwegen. De Tweede Kamer heeft in 2017 uitgesproken dat dat laatste niet meer mocht. Zoals de Kamer eerder per motie uitsprak dat Nederland geen belastingparadijs mag heten.

    Onze reputatie als een vestigingsplaats waar je zaken kunt doen met de fiscus, is alom bekend. Die fiscale voordelen zijn binnen Europa de logische instrumenten in de concurrentiestrijd tussen kleine en grote landen. De grote, zoals Duitsland en Frankrijk, hebben een natuurlijk overwicht. Een grotere thuismarkt, dus een groter aanbod van werknemers en hoger-opgeleiden, en een markt met meer consumenten. Kleine landen (België, Luxemburg, Zwitserland, Ierland, Nederland) verweren zich traditioneel met een liberaal belastingregime. Of het bankgeheim. Of beide.

    Een vergelijkbaar moeizame omgang met de fiscale praktijk zie je in de relatie tussen de NS en het ministerie van Financiën als enig aandeelhouder van de Spoorwegen. De concurrentiewaakhond ACM gaf de NS in 2017 geleden een recordboete van 40,5 miljoen euro wegens marktmisbruik bij een aanbesteding in Limburg in 2014. In het besluit daarover bespreekt de ACM ook de rol van een financieringsmaatschappij van de NS in Ierland bij de aanbesteding. De NS gebruikt deze Ierse maatschappij om zijn Nederlandse belastingen te drukken. Zonder deze Ierse dochter was het bod van de NS op de aanbesteding onhaalbaar. Op het moment dat de NS de aanbesteding bijna klaar had, liet het ministerie van Financiën telefonisch weten dat de Ierse financieringsdochter moet worden opgedoekt. Consternatie bij de NS. Wat te doen? Druk overleg en mailverkeer volgt. Aan het eind van de rit wijzigt de NS het bod in Limburg niet, maakt het ministerie geen bezwaar tegen de Ierse fiscale route en wordt de telefonische opdracht om de Ierse dochter te ontmantelen ook niet schriftelijk bevestigd. Pas ná de Limburgse aanbesteding komen er nieuwe afspraken over de Ierse belastingroute.

    De belastinggrondslag in Nederland zelf is ernstig aangetast. Belastingontwijking door bedrijven en ontduiking door particulieren, kost de Nederlandse economie miljarden euro’s per jaar. In Nederland gevestigde multinationals kiezen verschillende routes om de fiscus te omzeilen. De kern van bijna al deze routes is dat multinationals hun winsten verschuiven naar landen waar die niet of nauwelijks worden belast. Dit kost onze schatkist miljarden euro’s per jaar. Hoogleraar belastingrecht Geerten Michielse kwam in 2009 met de volgende schatting: in de jaren 80 liep onze schatkist hierdoor ca. €2 mld. mis, in de jaren 90 ca. €4 mld. per jaar en vanaf 2003 loopt dit exponentieel op tot gemiddeld ca. €15 mld. per jaar in 2007. Per saldo betekent dit dat ieder Nederlands huishouden per jaar €2000 extra belasting betaalt om dit lek te dichten. Grote bedrijven ontwijken met internationale fiscale constructies de fiscus terwijl het MKB het volle pond aan vennootschapsbelasting betaalt.

    Ook worden overnames (Corus, HEMA, Douwe Egberts etc.) van Nederlandse bedrijven door buitenlandse bedrijven voor een groot deel door de Nederlandse belastingbetaler gesubsidieerd. Net als bij de hypotheekrenteaftrek, konden bedrijven de rente van een lening om een overname te financieren tot voor kort volledig aftrekken. Dit soort overnames van Nederlandse bedrijven door buitenlandse ondernemingen leidt in het buitenland tot politieke beroering. In Nederland blijft het politiek opvallend stil.

    De olifant in de kamer is dus dat het steeds makkelijker werd om belasting te ontduiken.[23] Een hele industrie van Luxemburgse vermogensadviseurs, Zwitserse bankiers en Panamese advocaten heeft de drempel tot belastingfraude in de afgelopen decennia steeds verder verlaagd. De opbrengsten werden hoe langer hoe groter, en de risico’s steeds kleiner. Recent verscheen er een fascinerend onderzoek van de economen Annette Alstadsæter, Niels Johannesen en Gabriel Zucman dat laat zien hoe belangrijk het meerekenen van zulk vermogen is. Zelfs voor een egalitair land als Noorwegen. Het drietal gebruikte de Panama Papers, Swiss Leaks en Noorse belastinggegevens om de ontduiking aan de top in te schatten. Het is natuurlijk geen verrassing dat rijke Noren veel vaker in belastinglekken als de Panama Papers en Swiss Leaks voorkomen dan de huis-tuin-en-keuken-Noor. En dus neemt de ongelijkheid enorm toe zodra we dit verborgen vermogen meerekenen. Het economendrietal schat dat de rijkste 0,1 procent van de Noren niet 8,5 procent maar 12,7 procent van het totale vermogen bezit. Daarmee is bijna de helft van de afname in vermogensongelijkheid sinds de Tweede Wereldoorlog in één klap verdwenen. En vergis je niet: belasting ontduiken is niet een uniek Noorse volkssport. Sinds 2009 heeft de Nederlandse overheid een inkeerregeling, waardoor belastingontduikers boetevrij alsnog hun zwart gespaarde vermogen kunnen aangeven bij de Belastingdienst. Tussen 2009 en 2014 kwam hierdoor al ruim negen miljard euro aan verborgen vermogen aan het licht. Je kunt ervan uitgaan dat er nog heel wat types zijn, die angstvallig proberen hun vermogen verborgen te houden. Wat in ieder geval duidelijk is: de ongelijkheid is groter dan we denken, omdat vooral de rijkste inkomensgroepen veel verzwijgen voor de Belastingdienst.

    De zeer vermogende particulieren (zvp’ers) maken net als multinationals op grote schaal gebruik van complexe belastingconstructies. Eén op de tien miljonairs overweegt Nederland om fiscale redenen te verlaten, blijkt uit onderzoek van de Van Lanschot Bankiers. Ze verhuizen vaak naar België, London of Monaco. Of ze verhuizen hun vermogen naar Zwitserland, Singapore of Hong Kong, omdat daar geen of zeer weinig vermogensbelasting wordt geheven. Een andere mogelijkheid is dat zvp’ers hun vermogen via verschillende routes uiteindelijk stallen in een trust in een belastingparadijs. Daarmee ontduikt de zvp’er de box 3-heffing, 30 procent over een fictief rendement van 4 procent. Voor het faciliteren van deze vormen van belastingontwijking hebben Credit Suisse, UBS en Wegelin recent voor miljarden dollars aan de Amerikaanse belastingdienst moeten terugbetalen. In ons land wordt nog steeds te weinig gedaan om belastingontwijking aan te pakken, ook uit angst dat dit de reputatie van ons vestigingsklimaat aantast. Hiermee bijt Nederland zichzelf in de staart. Vast staat dat rijke Nederlanders en grote Nederlandse multinationals gebruik maken van diverse routes om belasting te ontwijken, of in sommige gevallen zelfs illegaal te ontduiken. Vast staat ook dat daardoor de belastinggrondslag in ontwikkelingslanden uitgehold wordt.

    Multinationals ontwijken massaal belasting in ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd snakken arme landen naar belastinginkomsten. Het uitbannen van armoede in de wereld, kan niet zonder wereldwijde herverdeling van inkomens. Ook bij het International Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank begint dat besef door te dringen. Overheden wereldwijd verkleinen tekorten liever met de btw dan met de vennootschapsbelasting. In Nederland is in 2001 de vermogensbelasting voor rijke spaarders flink omlaaggegaan en in 2010 ging ook de erfbelasting naar beneden. Door deze politiek wordt het private vermogen nu slechts beperkt belast. De effectieve belasting op bedrijfswinsten is zeer gering en wordt, zonder noemenswaardig politiek debat, steeds verder teruggebracht. Dat vergroot de ongelijkheid omdat bedrijfswinsten voor een groot deel terechtkomen bij de rijkste particulieren, die veruit de meeste aandelen bezitten.

    Internationale belastingconcurrentie en –ontduiking leidt ertoe dat grote bedrijven en kapitaal steeds minder belast worden. De ophopende kapitalen bij tropische belastingparadijzen verstoren de economische kringloop en veroorzaken zeepbellen op de internationale kapitaalmarkten.

    Nederland is internationaal kampioen in het faciliteren van belastingontwijking. Per jaar stroomt er een schier onwaarschijnlijk bedrag van € 4000 miljard door Nederlandse brievenbusfirma’s, meer dan in welk land dan ook. Brievenbusbedrijven moeten worden bestreden – bij voorrang die van Russische ondernemingen en oligarchen die op de sanctielijst staan of daarmee indirect zijn verbonden zoals Gazprom, en van de bedrijven en personen die de Griekse belastingen vermijden.

    Onderzoek laat zien dat deze zogenaamde ‘investeringen’ over het algemeen alleen gericht zijn op het doorsluizen van geld, de reële waarde die aan de Nederlandse economie wordt toegevoegd is verwaarloosbaar. Ontwikkelingslanden verliezen ongeveer anderhalf keer zoveel geld aan belastingontwijking en –ontduiking als ze aan hulpgelden ontvangen. Belastingontwijking en –ontduiking kost de EU-landen zelf nu gezamenlijk zo’n € 1000 miljard per jaar. Voor Nederland loopt dat bedrag op tot zo’n € 30 miljard per jaar: zo’n eenderde van ons totale budget voor gezondheidszorg en bijna tien keer het budget van ontwikkelingssamenwerking; tegen een geschatte opbrengst van slechts € 0,5 tot € 1,5 miljard per jaar. Volgens de Stichting Economisch Onderzoek hebben slechts 3500 mensen in Nederland hun baan te danken aan dit voor multinationals uiterst gunstige belastingklimaat. Tachtig van de honderd grootste ondernemingen ter wereld hebben inmiddels in ons land vennootschappen om hun inkomsten zo belastingvrij mogelijk door te geleiden.

    Starbucks is een goed en bekend voorbeeld hoe die belastingontwijking in zijn werk gaat. Deze onderneming heeft in Nederland een grote koffiebranderij staan, die op jaarbasis een omzet heeft van honderden miljoenen euro’s, met daarop een aanzienlijke winst. Er wordt door Starbucks een verdwijntruc op deze winst toegepast door zgn. royalty’s af te dragen aan een BV in het Verenigd Koninkrijk. Deze royalty’s zijn een vergoeding voor het gebruiken van het recept voor het maken van ‘echte’ Starbuckskoffie. Deze royalty’s mogen worden afgetrokken van de winst en alleen over het resterende bedrag behoeft Starbucks koffie te betalen. Daardoor kan Starbucks de winst stelselmatig drukken en betaalt zij maar zo’n 5% belasting over deze winst, in plaats van 25%. De Belastingdienst heeft deze praktijk goedgekeurd met een zgn. ruling. Het is dus niet onrechtmatig, maar wel uiterst onrechtvaardig.

    De FNV schat de gemiste jaarlijkse inkomsten op 6 miljard euro aan directe belastingfraude, 2 miljard euro aan oninbare belastingschulden en naar schatting 30 miljard door onvoldoende grip op de informele economie. Deze gemiste inkomsten worden ook wel de tax-gap genoemd. De afgelopen jaren is gevraagd om inzicht in de omvang van de tax-gap in Nederland, maar het kabinet weigert tot nu toe de omvang van de tax-gap te berekenen. In diverse andere Europese landen wordt het berekenen van de tax-gap gebruikt wordt om een optimale omvang van de belastingdienst te kunnen vaststellen. Uit een Engelse studie naar de tax-gap voor alle Europese landen blijkt dat Nederland rond de 30 miljard euro per jaar misloopt.

    Voor een goed functionerend belastingstelsel is het van groot belang dat de belastingmoraal hoog blijft. Nu 85% van de bevolking het idee heeft dat zijzelf meer betalen doordat anderen frauderen met belastingen of belastingen ontwijken, is het noodzakelijk om dit stevig en snel aan te pakken. Anders daalt de belastingmoraal, met alle gevolgen van dien. Naar aanleiding van het rapport ‘Miljarden voor het oprapen’ onder medewerkers van de Belastingdienst heeft het vorige kabinet in zijn regeerakkoord vastgelegd extra te willen investeren in controles. Maar door extra bezuinigingen op de publieke sector, waaronder de belastingdienst, werd onder Rutte II per saldo juist bezuinigd op het personeel en de kwaliteit van de belastingdienst. Tegelijkertijd neemt het aantal ingewikkelde bedrijfsaangiftes steeds verder toe. Telde Nederland aan het eind van de vorige eeuw 300.000 ondernemingen, vandaag de dag zijn dat er 1,2 miljoen, vier keer zo veel. Aangiftes van ondernemingen worden daarom gemiddeld nog maar eens in de 40 à 50 jaar gecontroleerd. Belastingdienstmedewerkers geven aan dat er nog steeds miljarden voor het oprapen liggen als er meer mensen zijn om het werk te doen. Door de aanhoudende bezuinigingen wordt de naleving van en daarmee het vertrouwen in het huidige belastingstelsel ondermijnd. Binnen een nieuw belastingstelsel moet dat echt anders. Goede naleving levert draagvlak en inkomsten op.

    Het bieden van belastingvoordelen voor bedrijven zorgt voor een onwenselijke herverdeling van publieke naar private actoren en van het MKB naar de multinationals. De zwaarste schouders met de meest vernuftige belastingadviseurs dragen de lichtste lasten, zo betoogt Roos van Os, senior onderzoeker bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen in S&D van juni 2015. Zij constateert moreel gezwalk bij onze politici op dit thema en concludeert dat ondanks veel lippendienst effectieve maatregelen tot nu toe uitblijven. Het laten voortduren van ontduiking van belastingen is een immorele keuze die de ongelijkheid internationaal en nationaal sterk doet toenemen. Roos van Os kenschetst de situatie door Nederland een pretpark voor het grootkapitaal te noemen.

    Een concrete en meetbare aanpak van belastingontwijking en -ontduiking door multinationals en superrijken moet een belangrijk onderdeel vormen van de belastingherziening. Volgens voormalig FIOD-rechercheur Jan van Koningsveld (gepromoveerd op offshore-vennootschappen, gehoord door de parlementaire commissie financiële constructies) brengen vermogende Nederlanders naar schatting 150 miljard euro onder in belastingparadijzen. Om belastingfraude tegen te gaan moet flink geïnvesteerd worden in de kwaliteit en capaciteit van de Belastingdienst. Daar is nu onvoldoende capaciteit om te controleren of bedrijven en huishoudens zich aan de belastingregels houden.

    Eerlijke verduurzaming

    Bij ongewijzigd beleid betalen huishoudens met lage inkomens ruim 5% van hun inkomen aan klimaatbeleid en de hoogste inkomens slechts 1,5%. De laagste inkomens betalen percentueel drie keer zoveel als de hoogste inkomens. Ook komt 80% van de verduurzamingssubsidies terecht bij de hoogste inkomens.

    Voorts blijkt dat het vooral de bedrijven zijn die het meest profiteren van het geld dat beschikbaar is voor het klimaat. Zij ontvangen zo’n 2 miljard euro. De huishoudens ontvangen 750 miljoen euro, waarvan 80% terechtkomt bij de hogere inkomens en slechts 20% bij de laagste inkomens. Dat komt omdat hogere inkomens meer profiteren van bijvoorbeeld subsidie voor elektrische auto’s en verduurzaming van hun (eigen) woning. De klimaatvoornemens van Rutte III zullen de lasten voor de laagste inkomens doen toenemen tot 6,2% van hun besteedbaar inkomen. Voor huishoudens die tussen 71.000 en 89.000 euro verdienen wordt dat 1,5%, een stijging van slechts 0,4%. Dat maakt de ongelijkheid in besteedbare inkomens dus groter. Bij ongewijzigd beleid zullen de kosten van het klimaatbeleid in 2050 voor de laagste inkomens toenemen tot ruim 17% van hun besteedbaar inkomen!

    De lastenverdeling van de verduurzaming, die het kabinet Rutte III in het verlengde hiervan voorstelt, is erg onrechtvaardig. De lusten van de enorme omslag naar een duurzame economie komen vooral bij de hogere inkomens terecht, terwijl de lasten van duurdere energie vooral de lage inkomens treft, die de investeringskosten niet kunnen dragen en de bevoegdheid vaak missen om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Zo wordt in het regeerakkoord de huursector vergeten. Beseft moet worden dat de gemiddelde huurder een groter deel van het inkomen aan energie kwijt is dan de gemiddelde koper. In dat licht is ook de € 300 miljoen voor verbetering van coöperatiebezit natuurlijk volstrekt ineffectief en werkt contraproductief om bij de ‘gewone Nederlander’ draagvlak te krijgen voor de verduurzaming.

    Het Nederlandse bedrijfsleven betaalt op dit moment weinig voor verduurzaming van de energievoorziening. Wel ontvangt het blijkens een rapport van onderzoeksinstituut CE-Delft uit maart 2017 driekwart van alle subsidies (!). Van de subsidies op duurzaamheid gaat driekwart naar de welgestelden, becijferde het onderzoeksinstituut CE Delft. Zonnepanelen, zuinige auto’s, groen beleggen, warmtepompen, allemaal zaken waar de overheid een centje bijlegt. De mensen met een kleinere beurs krijgen via hun woningbouwvereniging een bescheiden bijdrage in de energiekosten. In die kosten zit het spectaculaire verschil.

    In 2018 gaat de energierekening voor de burger er volgens het ministerie van Economische Zaken met 70 euro omhoog. De verklaring luidt dat we minder gas en elektriciteit gebruiken dan verwacht. Dat komt doordat de verduurzaming sneller gaat dan men dacht, en dat is mooi. Daardoor komt er wel minder belastinggeld binnen dan verhoopt, en dat moet worden goedgemaakt door de heffing te verhogen. CE-Delft berekende dat de lasten voor de minderbedeelde huishoudens de komende decennia kunnen oplopen tot 17 procent van hun inkomen. De energieprijs voor bedrijven is de afgelopen jaren gedaald, zeker ten opzichte van andere Europese landen. Volgens voormalig minister Kamp is dat goed voor de Nederlandse concurrentiepositie, maar dat is dus concurreren op een ongelijk klimaatveld ten koste van de verduurzaming. En oneerlijk ten opzichte van gewone burgers. We willen daarom af van de lage tarieven voor grootverbruikers.

    De klimaatlasten voor bedrijven zijn voorts veel minder hoog dan die voor huishoudens. Huishoudens betalen in 2021 zo’n 180 euro per ton CO2-uitstoot, meer dan alle sectoren uit het bedrijfsleven. De lichte industrie betaalt minder dan 100 euro per ton CO2, de land- en tuinbouw minder dan 50 euro en de zware industrie en energiesector zelfs minder dan 25 euro. Dat komt o.m. omdat je nu minder energiebelasting (een lager tarief) betaalt per verbruikte kilowattuur stroom of m3 gas naar mate je meer verbruikt. De laagste lasten dus voor de grootste vervuilers: het bedrijfsleven is verantwoordelijk voor 90% van de CO2-uitstoot in ons land. Het bedrijfsleven ontvangt wel 75% van alle subsidies voor duurzame energie, huishoudens maar een kwart. De energieprijs voor bedrijven is de afgelopen jaren gedaald, zeker ten opzichte van andere Europese landen. Volgens voormalig minister Kamp was dat goed voor de Nederlandse concurrentiepositie, maar dat is dus concurreren op een ongelijk klimaatveld ten koste van de verduurzaming. En oneerlijk ten opzichte van gewone burgers.

    Rutte III wil energiebelasting heffen op basis van CO2-uitstoot. Grijze stroom en gas krijgen een hogere heffing en worden duurder. Groene energie juist goedkoper. Om de tarieven in verhouding tot de CO2-uitstoot beter in balans te brengen, gaan de tarieven van de eerste schijf aardgas in de energiebelasting omhoog. De tarieven in de eerste schijf voor elektriciteit gaan dan omlaag. In het regeerakkoord van Rutte III staat dat het gaat om een verandering van + 3 cent in eerste schijf aardgas, en – 0,72 cent elektriciteit. Het gevolg voor veel huishoudens op korte termijn? De energierekening wordt duurder, tenzij je zelf je energie opwekt.

    Hoe kan het dat de liefhebbers van windenergie nauwelijks bijdragen aan de kosten ervan? We hebben het over een zeer pervers effect. Over de gas- en lichtrekening worden drie belastingen geheven. Energiebelasting, btw en de Opslag Duurzame Energie (ODE), die eigenlijk geen belasting mag heten. Die laatste is de boosdoener. De transitie naar een duurzame samenleving wordt zwaar gesubsidieerd, ruim 31 miljard euro, uit te geven tussen 2016 en 2032. Daarvan worden vooral windenergie, biomassa en grootschalige zonneparken betaald. De subsidie moet worden opgebracht uit de ODE. Aan het begin van de regeling, in 2013, kostte die per huishouden maar een paar euro, omdat er nog maar weinig gesubsidieerde energie werd opgewekt. Naarmate de duurzame energieproductie op stoom komt, gaat de ODE rap mee omhoog. In 2017 was het per huishouden 60 euro, over drie jaar is het 200 euro. En zo loopt het verder op.

    Het gaat mis vanwege de zonnepanelen op het dak. Die zijn zo’n groot succes dat het ministerie van Financiën in de jongste Miljoenennota (voor 2018) het voorhoofd fronst. De afgelopen jaren verdubbelde het aantal zonnepanelen bijna jaarlijks. In 2015 liep het Rijk 80 miljoen belastingopbrengst mis. Dat worden dus honderden miljoenen. Immers, hoe meer zonnepanelen, hoe minder elektriciteit u afneemt, des te minder belasting u betaalt. Het beroemde streven van ‘nul op de meter’, zowel gas als licht, betekent dat er nul euro energiebelasting, btw en vooral ODE wordt afgedragen.

    Die tekorten beginnen nu te bijten. De huishoudens die niet energetisch zelfkazen, zullen steeds meer betalen voor de transitie. De grootste windmolenliefhebbers zijn de mensen die hun eigen energie opwekken, en dus steeds minder meebetalen. Het perverse effect gaat nog verder: hoe duurder de duurzaamheidsopslag de komende jaren wordt, des te sneller verdient u de zonnepanelen op het dak terug.

    Drie à vier jaar wordt de terugverdientijd van zonnepanelen. Nog meer mensen zullen zonnepanelen plaatsen omdat ze geen dief van hun eigen portemonnee willen zijn. En de rekening van de transitie komt terecht bij de mensen die geen eigen dak hebben om panelen op te leggen, die hun huis huren, of die niet zomaar een paar duizend euro kunnen ophoesten. In Duitsland hakken ze al langer met dit bijltje en zei vakbondsvoorzitter Vassiliadis laatst in Die Welt dat ‘de Energiewende de elite een goed geweten én een goede opbrengst heeft opgeleverd. Dat is een combinatie die echt power heeft.’ In een brief aan de Kamer schreef minister Kamp in 2017 ‘dat ODE en energiebelasting bij een steeds kleinere groep moet worden opgehaald. Dit zou (…) op termijn mogelijk een risico kunnen vormen voor draagvlak en solidariteit voor de energietransitie.’ Let wel, solidariteit van arm met rijk.

    Verduurzaming kan niet zonder het winnen van de hearts & minds van de bevolking. Het gaat om het actief stimuleren door de overheid van een mentaliteitsverandering wat betreft het belang van economie ten opzichte van het belang van de natuurlijke omgeving, van het maken van andere consumptiekeuzes, van – vaak ook – vermindering van productie en consumptie, en van kennis en bewustwording over de impact (ecologische footprint) van de eigen consumptie. Om voldoende publiek draagvlak te scheppen voor de zeer ambitieuze doelstellingen en de daarmee samenhangende publieke offers is het noodzakelijk dat lagere inkomens ook kunnen profiteren van de energietransitie en zeker niet de rekening krijgen gepresenteerd, zoals nu dreigt met de manier waarop de Subsidie Duurzame Energie (SDE+) wordt gefinancierd – met de Omslag Duurzame Energie.

    Voorkomen moet worden dat duurzaamheid de hobby wordt van de rijken worden, gefinancierd door de minder bedeelden in onze maatschappij. Iedereen moet kunnen profiteren, dan kunnen we ook van iedereen offers vragen. Denivellerende bijeffecten van duurzaamheid moeten te allen tijde krachtig worden blootgelegd en bestreden. Duurzaamheid is niet een zaak van “het establishment” of “de elite”. Het moet een zaak van alle Nederlanders zijn. Er ontstaat nu een nieuwe tweedeling, de duurzamen versus de onduurzamen. Die laatste groep ontstaat door gebrek aan overheidsbeleid, dat erop gericht is de maatschappelijk minder bedeelde groepen in het proces mee te nemen en mee te laten profiteren, niet alleen maar bijdragen. Doe je dat niet dan zien zij de ongelijkheid juist toenemen door verduurzaming, en zal men dus ook steeds cynischer worden over het verduurzamingsbeleid. Alleen de energietransitie al betekent dat als we de rekening daarvan niet herverdelen, de modale burger driemaal zoveel geld kwijt is. Terwijl de kosten van elektriciteitsproducenten dalen (bron: onderzoek CE Delft, 2017). In Duitsland werden sinds 2011, toen daar de energiewende begon jaarlijks circa 300.000 huishoudens afgesloten omdat ze hun rekening niet meer konden betalen.

    Belasting moet vervuiling en vervuilers belasten en duurzaam gedrag belonen. En ook moeten we zorgen voor een eerlijke verdeling van lusten en lasten van verduurzaming. Dit kunnen we doen in de fiscale en beprijzingsfeer doen.

    Omzetbelasting moeten we daarbij mede als instrument inzetten. Hogere omzetbelasting in ruil voor lagere inkomstenbelasting is goed voor de economische groei en de groei van de werkgelegenheid, maar dan moet het wel gaan om duurzame groei. Dat vraagt om differentiatie in tarieven met aanzienlijke bevoordeling van duurzame en gezonde productie en distributie.

    Contouren van een ander, eerlijk belastingstelsel

    We voeren een eerlijker belastingstelsel in, waarin lasten op arbeid niet meer zwaarder zijn dan die op kapitaal en veel meer de zwaarste lasten op de sterkste schouders laat neerkomen. Een nieuw, eerlijk en sociaal belastingstelsel zorgt voor meer gelijkheid in inkomen, bezit en vermogen, voor meer banen, en voorkomt fraude, belastingontwijking én schulden door veel eenvoudiger te zijn én draagt bij aan een eerlijke verduurzaming van onze economie.

    In de eerste plaats gaan we niet minder tariefgroepen (een tweetaks zoals Rutte III wil of zelfs een vlaktax: iedereen hetzelfde tarief) maar juist meer tariefgroepen invoeren. De laagste inkomens, bijv. tot 20.000 euro, betalen daarbij niets. En het hoogste tarief (bijv. 80%, conform de aanbeveling van Piketty) reserveren we voor de echt hoogste inkomens, bijv. vanaf 1 miljoen euro. In de successierechten (erfenisbelasting) verhogen we de tarieven voor kinderen (niet voor partners) met grote erfenissen en verlagen we die voor kleine erfenissen.

    We voeren in plaats van de Participatiewet een gegarandeerd basisinkomen[24] in, een negatieve inkomstenbelasting voor iedereen die onder het sociaal minimum komt. Verdien je niet genoeg om boven de armoedegrens uit te komen? Dan maak je geen geld over naar de Belastingdienst, maar maakt de Belastingdienst geld over naar jou. Op die manier kunnen we een keiharde vloer in de economie bouwen. Iedereen die onder de armoedegrens zakt, of je nu een baan hebt of niet, wordt daar onvoorwaardelijk – zonder sollicitatieplicht of tegenprestatie – bovenuit getild. Een leven zonder armoede wordt een recht in plaats van een gunst. Een gegarandeerd basisinkomen is een regelarme uitkeringen van 70% van het minimumloon (dat we onder ad 1 al met zo’n 10% willen verhogen), we komen dan ongeveer op 1200 euro per maand netto (plus vakantiegeld) zonder kortingen en zonder wachttijden, zonder verplichtingen en verboden. De tegenprestatie wordt geschrapt. Kinderen en partners moeten gewoon in huis kunnen wonen. Wel blijft er een aparte norm voor een gezamenlijk huishouden (1600 euro netto) – het is niet redelijk en nodig, maar wel onnodig belastingdruk verhogend, om ook de partner van een veelverdiener een inkomensaanvulling te geven. De enige toets is of men als huishouden niet teveel inkomen en/of vermogen heeft (waarbij de eigen woning en een redelijke franchise worden vrijgesteld), en men Nederlander (of daarmee gelijkgesteld is) en ouder is dan 17 jaar.[25]

    Voor mensen die meer gaan verdienen nemen we het gegarandeerde basisinkomen niet meteen weg, maar faseren we het geleidelijk uit (met een marginaal belastingtarief van bijvoorbeeld 30, 40 of 50 procent, waardoor werken altijd blijft lonen). Kleine baantjes leiden vaak tot meer werk, maar dan moet je ze in het begin niet te zwaar belasten. En er is geen risico dat je je inkomenszekerheid via het gegarandeerd basisinkomen verliest na een tijdje werk.

    Ook kunstenaars, ondernemers, werkenden en mantelzorgers kunnen gebruik maken van het gegarandeerd basisinkomen. En studenten, mensen met een arbeidsbeperking, gepensioneerden en nabestaanden. De Participatiewet, de Wajong, de ANW, de AOW en de studiefinanciering vervallen. Uiteraard blijven de werknemersverzekeringen (zoals WW, WIA, Ziektewet, verplichtstelling aanvullende pensioenen) in stand. Hiermee wordt een aanzienlijke vereenvoudiging en dito besparing in uitvoerings- en controlekosten bereikt.

    Meer tariefgroepen is de enige van de hier voorgestelde veranderingen die niet bijdraagt aan vereenvoudiging, maar deze is wel eenvoudig uitvoerbaar en handhaafbaar. Voor het overige is het devies: keep it simple, om belastingontwijking en strategisch belastinggedrag én schulden te voorkomen. Belastingadviseurs en fiscalisten worden overbodig, maar we hebben genoeg ander, maatschappelijk wel nuttig werk voor hen in de aanbieding.

    In de tweede plaats schaffen we in beginsel alle aftrekposten, vrijstellingen (behalve een aantal franchises voor laag inkomen en vermogen, zoals voor kleine spaarders, een normale woning en kleine erfenissen) en uitstelmogelijkheden af, en we gaan alle inkomens, ongeacht de bron, gelijk behandelen, of het nu inkomen uit arbeid, uit vastgoed uit aandelen, uit winst op onderneming of winst uit een aanmerkelijk belang is. Kapitaalinkomen wordt dan net zo zwaarbelast als arbeidsinkomen. Dit betekent dat het huidige systeem met boxen kan vervallen, hetgeen een belangrijke vereenvoudiging en daarmee ook sterk verminderde kans op belastingontwijking betekent.

    Bij het kapitaalinkomen vervangen we het fictief rendement door het werkelijk genoten kapitaalinkomen als grondslag voor belastingheffing. In beginsel willen we blijven uitgaan van een heffing op het rendement op vermogen en niet op het vermogen zelf. Maar dan moeten we wel de huidige vrijstellingen voor het eigen bedrijf, de eigen woning en het pensioenvermogen in de derde pijler schrappen. Die vrijstellingen geven nu teveel aanleiding tot oneigenlijk gebruik (bijv. door inkomen uit vermogen oneindig uit te stellen of met vermogenstransacties belastingheffing te voorkomen) en dragen zeer bij tot de groei van de inkomens- en vermogensongelijkheid.

    Wat betreft de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek en het eigen woningforfait, en van de vrijstelling van de eigen woning bij kapitaalinkomen: hiervoor is wel een overgangsregime nodig. Lopende hypotheken en nieuwe hypotheken op bestaand bezit worden ontzien, met uitzondering van hypotheken boven bijv. vijf ton. Ook moet er wel eerst voldoende nieuwe huurwoningen beschikbaar komen.

    Tegelijkertijd verhogen we de subsidie aan huurders, waarbij de huurtoeslag vervangen wordt door lagere huren met de huurquotaregeling. Daarin worden de gesubsidieerde huren gekoppeld aan inkomensgrenzen zoals dat ook met hypotheken gebeurt. Dan kan de huurtoeslag ingeruild worden door lagere huren. Voor huurders moet dat netto in meer besteedbaar inkomen resulteren. Wij zijn voor een zodanig huurprijsbeleid dat er voor inkomens waar nu de huurtoeslag voor geldt een maximum huurquote komt – een maximum deel van je netto inkomen dat aan huur kan worden besteed. Daarbij kan worden aangesloten bij de berekeningsmethodiek van het NIBUD. Daarmee wordt rekening gehouden met inkomen en de samenstelling van het huishouden. In de praktijk betekent dit dat de huur van een sociale huurwoning nooit meer dan 25-30% is van je netto inkomen. De liberalisatiegrens in de huursector vervalt, waardoor de huurprijsbescherming wordt uitgebreid naar alle inkomens en sociale woningbouwcoöperaties ook voor middeninkomens mogen bouwen. De WOZ-waarde wordt uit het woningwaarderingsstelsel geschrapt. De verhuurdersheffing wordt vervangen door een investeringsplicht.

    Ook buiten de hypotheken moeten we stoppen met iedere fiscale subsidiëring van schulden. Dus geen aftrekposten meer voor kosten en rente van leningen.

    De regel dat pensioenen alleen belast wordt bij de premieheffing, niet bij de uitkering, blijft voor collectieve pensioenen gehandhaafd. Wel vervalt de pensioenpremieaftrek voor private pensioenen (3e pijler).

    In het huidige stelsel hebben de fiscale partners de vrijheid de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen naar eigen inzicht te verdelen over de respectievelijke aangiftes. In het nieuwe stelsel worden de inkomsten uit vermogen 50/50 over de fiscale partners verdeeld en opgeteld bij hun individuele inkomsten uit arbeid. Ook dit helpt om belastingontwijking te voorkomen. En het vermindert de ongelijkheid met éénverdienershuishoudens, evenals de hiervoor bepleitte afschaffing van aftrekposten.

    Voorts schaffen we aparte premieheffing voor de volksverzekeringen (zoals de AOW, de ANW, de WLZ (Wet langdurige zorg) en de ZVW, de zorgverzekeringswet) af. Renteniers, dus mensen met alleen inkomen in box 3, worden in het huidige stelsel vrijgesteld van het betalen van deze premies, terwijl er wel recht bestaat op deze zeer kostbare voorzieningen. Door deze premies te vervangen door financiering via de belastingen, gaan zij ook naar draagkracht meebetalen. Dit betekent ook dat arbeid niet meer met deze premieheffingen apart belast wordt. Hiermee wordt tevens de AOW (c.q. het daarvoor in de plaats komende gegarandeerde basisinkomen) volledig gefiscaliseerd. Voor wat betreft de gevolgen voor de zorgverzekeringen zie verderop in dit betoog).

    Ook schaffen we de huidige persoonsgebonden toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden regelingen) af. In plaats daarvan gaan we de individuele kosten van huren drastisch verlagen zoals hierboven aangegeven en die van de zorg en de kinderopvang zelfs op nul brengen. Eigen bijdragen, het eigen risico en individuele premies worden geschrapt. Zorg en kinderopvang worden volledig collectief en publiek gefinancierd uit de algemene middelen van de Staat. De kinderbijslag wordt geschrapt, in combinatie met verhoging van de lonen, het minimumloon en het daaraan gekoppelde sociaal minimum, en van het besteedbare inkomen door verlaging van belasting voor de lagere inkomens en het schrappen c.q. verlagen van individuele kosten voor zorg, kinderopvang, onderwijs en huur. Er komt één nieuwe toeslag voor terug: we vervangen de huidige arbeidsaftrek door een arbeidstoeslag voor werkenden in loondienst met de laagste inkomens. Ook deze arbeidstoeslag wordt verstrekt in de vorm van een uitkering van de belastingdienst. Werk gaat daardoor aan de onderkant van het loongebouw meer lonen voor de werknemer. Deze arbeidstoeslag wordt automatisch uitgekeerd, dus geen aanvraagprocedure. Uitgegaan wordt van de loongegevens die opgegeven worden door de werkgever. De werkgever is aansprakelijk bij onjuiste of niet tijdige verstrekking.

    Wij gaan de erfbelasting (successierechten) eerlijker maken met een substantieel hogere erfenisbelasting (niet tussen partners, maar tussen generaties) met 29%, conform de kansspelbelasting voor zeer grote erfenissen boven de 1 miljoen euro en een gelijktijdige verhoging van de vrijstellingen aan de voet voor kinderen verhogen naar € 30.000 (nu iets meer dan €20.000). We schrappen de huidige mogelijkheid om belastingvrij een ton te schenken aan huizen-kopende kinderen. Verder dient er onderzocht te worden hoe kan worden voorkomen dat mensen die een grote erfenis nalaten geen erfbelasting betalen, waarna er actie kan worden ondernomen om dit tegen te gaan. Om onnodige belastingschulden te voorkomen dient de erfbelasting standaard pas te worden betaald als de erfenis is ontvangen.

    De werkgeverslasten willen we radicaal met name voor laaggeschoolde banen omlaag brengen door de franchise (vaste korting per werknemer) in de grondslag voor werkgeverslasten te verhogen (gedifferentieerd hoger voor laaggeschoolde arbeid) zodat bedrijven met meer werknemers een relatief voordeel genieten ten opzichte van kapitaalintensieve bedrijven. Geld niet benutten voor investeringen die ook meer en beter werk opleveren wordt zo zeer onvoordelig gemaakt.

    Volgens de directeur van werkgeversorganisatie AWVN is het mogelijk om hiermee zelfs 250.000 banen te creëren aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Denk aan computerhulp aan huis, de piccolo terug in hotels, baliefuncties in de zakelijke dienstverlening. Geld niet benutten voor investeringen die ook meer en beter werk opleveren wordt zeer onvoordelig gemaakt. Tegelijkertijd belasten we het vele, nu nutteloos wachtende kapitaal veel zwaarder (zie hieronder). Het bestaande LIV (Lage Inkomens Voordeel, een loonsubsidie aan werkgevers voor banen met een laag loon) vervalt.

    Daarnaast gaan we de duur van de WW-uitkering koppelen aan de conjunctuur: de maximale duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur. De maximale duur wordt weer drie jaar. Werknemers worden zo beter beschermd als het risico op werkloosheid hoger is. En we gaan premiedifferentiatie instellen in de WW-premies, waarbij werkgevers die grote aantallen werknemers de WW insturen meer premie betalen. De financiële verantwoordelijkheid voor het eerste halfjaar van de WW wordt volledig bij werkgevers gelegd. Hierdoor worden begeleiding van werknemers en van-werk-naar-werktransities aantrekkelijk voor werkgevers. Ontslaan wordt kostbaarder en dus ontmoedigd. Er zal structureel extra werkgelegenheid zijn, zonder extra overheidskosten.

    We maken voorts nieuwe banen voor laaggeschoolden met fiscaal voordelige dienstencheques. Een dienstencheque is een waardebon waarmee particulieren op een belastingvriendelijke manier huishoudelijke diensten kunnen kopen. Dienstencheques zijn vooral bekend in België waar ze behoorlijk succesvol zijn: zo’n 140.000 mensen werken daar nu op basis van inkomsten van dienstencheques. Ze hebben tot doel laaggeschoolden werk te laten doen dat daarvoor vaak zwart werd gedaan. Werknemers (én hun opdrachtgevers) betalen dan geen belasting, maar hebben ook geen sociale zekerheid en pensioen. Boven op het belastingvoordeel voor de klant, subsidieert de overheid het dienstenchequesysteem door de aangesloten bedrijven extra te vergoeden voor elke binnengebrachte dienstencheque. Op deze manier kan het erkende dienstenchequebedrijf de huishoudhulpen een vast contract voor bepaalde of onbepaalde duur bieden. Het dienstenchequebedrijf betaalt het loon en vakantiegeld, vergoeding tijdens ziekte, een arbeidsongevallenverzekering, etc. Met dit systeem zorgen we voor meer banen voor betere persoonlijke dienstverlening, zowel in de private als publieke sector. Bij persoonlijke dienstverlening kan je denken aan huishoudelijke hulp, wassen, strijken, boodschappen doen, het bereiden van maaltijden, kleine kledingreparaties, het onderhouden van tuin en/of huisdieren, kinderoppas, tuinonderhoud, huisdierenverzorging, hulp bij verplaatsingen, etc. Nu gebeurt veel van dit werk in een omvangrijk zwart circuit.

    Bij na werkloosheid herintredende ouderen (55-plus) voeren we vrijstelling van werkgeverslasten (100% in eerste jaar, 50% in tweede jaar) in.

    Wij willen voorts de zogenoemde extraterritoriale (‘expat’) regeling afschaffen. Het is niet te verdedigen dat buitenlandse werknemers fors (30% van hun inkomen is nu belastingvrij)[26] minder belasting betalen dan Nederlandse. Als buitenlandse expertise schaars is, moeten werkgevers en uitzendbureaus die buitenlandse werknemers inhuren daar zelf voor betalen.

    We gaan Directeur-Groot Aandeelhouders (DGA’s) veel zwaarder belasten. Zij profiteren nu ovenevenredig van vrijstellingen en andere fiscale uitzonderingen. De doelmatigheidsmarge in de gebruikelijk-loonregeling van DGA’s moet daarom worden verlaagd, van 30% naar 10%. Ook het eigen vermogen van DGA’s moet worden belast boven een bepaalde grens (bijv. eenmaal de jaaromzet) met een gelijk tarief als de inkomstenbelasting bij inkomen uit kapitaal. De aftrekposten voor auto’s, zakenetentjes, e.d. worden geschrapt. Het doorschuiven van vermogens in het successierecht voor ondernemers moet zwaarder worden aangeslagen. Een bedrijf mag natuurlijk niet kapotgaan als je het doorgeeft, doordat de fiscus langskomt. De maatvoering is nu echter uit het lood, zo is door verschillende fiscalisten al vaak geconstateerd. Er moet nu eindelijk iets aan gebeuren.

    Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft. Bijv. een verhoging van de vennootschapstarieven naar 35% (nu 25%) respectievelijk 29% (nu 20%), zoals dat nog in 2001 was. Gelet op de ongelijke vermogens- en winstposities tussen het grootbedrijf en het MKB gaan we een verdere differentiatie in de tarieven ten gunste van het MKB invoeren. Het MKB verschaft meer werkgelegenheid per euro omzet dan het grootbedrijf.(Zie: https://www.ftm.nl/artikelen/cbs-onderzoek-echoot-boodschap-ez?share=1). We steunen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Het vestigingsklimaat is niet grotendeels afhankelijk van het belastingtarief, beschikbaarheid van hoogwaardige arbeid, sociale stabiliteit, beloning van investeren in duurzaamheid en banen, hoogwaardige infrastructuur, cultureel en anderszins een fijn land om te verblijven zijn tenminste net zo belangrijk. En bedrijven die alleen maar bezig zijn met snel geld verdienen en wegsluizen zijn economisch niet duurzaam relevant.

    We schrappen ook alle vrijstellingen, zoals de innovatiebox (waar multinationals te makkelijk geld maar tegen 5% kunnen laten belasten) en de deelnemersvrijstelling en voordelen met betrekking tot herstructurering van schulden en verliezen, waarmee zelfs algehele belastingvrijstelling verkregen kan worden.

    We staan geen negatief inkomen meer toe, het minimuminkomen is altijd 0 euro, en waarborgen een eerlijke vermogensetikettering (indien het vermogen voor het merendeel privé of voor de onderneming wordt aangewend, wordt het vermogen daar in volledigheid opgenomen).

    We gaan ook een gelijke aftrek van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting invoeren. De ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen (rente aftrekbaar, winsten belast) in de vennootschapsbelasting leidt tot allerlei fiscale constructies en tot overmatige schuldfinanciering. Een gelijke aftrek voor zowel eigen als vreemd vermogen haalt die perverse prikkel weg. Dit zal een domper zijn voor in Nederland gevestigde financieringsvennootschappen (‘brievenbussen’), maar juist weer gunstig voor concernfinanciering vanuit Nederland van reële investeringen. Een gelijke vermogensaftrek is bovendien relatief gunstig voor het midden- en kleinbedrijf omdat het MKB verhoudingsgewijs met veel eigen vermogen is gefinancierd.

    We verhogen de bankenbelasting om bestaande hypotheken die onder water staan te saneren. Deze belasting mag niet worden doorberekend aan klanten.

    Om belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan nemen we de volgende maatregelen:

    -Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.

    -Veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per 3 jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude ieder jaar).

    -Aanscherpen van vestigingseisen multinationals (o.m. werknemers en kantoor in NL).

    -Belastingverdragen met derdewereldlanden solidair maken en voorzien van antimisbruikbepaling.

    -Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.

    -Verscherpen van het toezicht op trustkantoren die nu werken voor brievenbusfirma’s. We saneren de sector met strenge regels en door illegale praktijken harder aan te pakken. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s en trustkantoren.

    Btw- en accijnsverhogingen zijn voor ons alleen voor specifieke goederen en diensten aanvaardbaar uit oogpunt van verduurzaming van onze economie en om redenen van gezondheidspreventie. Een duurzame en gezonde leefstijl moet bevorderd worden met lage tarieven voor producten en diensten die daaraan bijdragen, en hogere tarieven voor de andere producten. Voor vlees gaat het hoge btw-tarief gelden. Ook zijn wij voorstander van het afschaffen van de aftrek van voorbelasting bij de btw voor ondernemers. Deze regeling wordt vaak oneigenlijk gebruikt, het geeft ondernemers ten opzichte van andere burgers een onredelijk voordeel, en is voor de belastingdienst uitvoeringstechnisch kostbaar en complex.

    Een uitbreiding van gemeentelijke belastingen is alleen aanvaardbaar als dit de maatregelen om nationaal de belastingen eerlijker over rijk en arm te verdelen niet frustreert. Een progressieve verhoging van de OZB kan daarbij een middel zijn. Ook zijn we uit oogpunt van verduurzaming voor een differentiatie van WOZ-tarieven op basis van een dan wel beter gecertificeerd energielabel van gebouwen. Een ingezetenenheffing wijzen wij om zijn denivellerende effecten uitdrukkelijk af. Er komt een wettelijke kwijtschelding van gemeentelijke en waterschapsheffingen voor alle inkomens tot het minimumloon.

    Wij willen dat de rekening en de voordelen van de energietransitie ook meer qua draagkracht verdeeld worden. Bottomline is dat de laagste en middeninkomens (tot bijv. anderhalf modaal) er met een normaal consumptie- en energieverbruik er niet op achteruit gaan. Dat kan door een hogere belastingvrije voet in de energiebelasting voor lage inkomens, door te zorgen dat sociale huurwoningen minder energielasten hebben, en door gerichte ondersteuning van lage inkomens bij verduurzaming en oprichting/deelname aan energiecoöperaties. Duurzaamheidssubsidies moeten daarnaast zo worden vormgegeven dat ze vooral bij de lage inkomens terecht komen. Ook moet er voor de mensen die nu werken in de fossiele en milieuvervuilende industrie vervangende werkgelegenheid gerealiseerd worden.

    Belangrijkste maatregel is een fors hogere CO2-uitstoot beprijzing. Nu is dat maar 5 euro per ton CO2 uitstoot. Om effectief te zijn moet dat volgens het CPB naar 60 tot zelfs 300 euro per ton CO2-uitstoot. De Nederlandse CO2-emissies zullen tussen nu en 2050 moeten worden afgebouwd. Vóór het jaar 2050 zal er daarom een emissieplafond zijn hoger dan nul emissies. De opbrengsten van veilingen van emissierechten of emissieheffingen worden via een ‘klimaatbonus’ of ‘koolstofdividend’ aan lage en middeninkomens ter beschikking gesteld voor verduurzaming van woning en/of voor energiezuinige apparaten. Andere klimaatgassen, zoals methaan, worden op gelijke wijze belast.

    De energiebelasting gaan we verduurzamen: Een progressieve energiebelasting naar schaal van energieconsumptie en tarieven gebaseerd op uitstoot CO₂, zodat duurzame elektriciteit niet belast wordt, met kolen opgewekte elektriciteit extra zwaar belast wordt en met aardgas opgewekte elektriciteit even zwaar belast wordt als direct gebruik van aardgas. Vervuilers/fossiel grootverbruikers veel zwaarder belasten, huishoudens lager belasten. Lage inkomens krijgen een hogere belastingvrije voet voor de energiebelasting. Huidige vrijstellingen, juist vaak van de grootste vervuilers (zoals de luchtvaart) worden afgeschaft. Tot en met anderhalf modaal wordt er een garantie gegeven dat er geen negatief financieel effect van energietransitie optreedt bij een normaal energieverbruik.

    De opslag duurzame energie (ODE) in de energiebelasting wordt afgeschaft. De subsidies voor verduurzaming worden anders gefinancierd, o.m. uit een hogere energiebelasting op vervuilende productie.

    Subsidies voor verduurzaming energieverbruik komen in het vervolg vooral ten goede aan de lage en middeninkomens. En ze mogen niet gebruikt worden voor CO2-opslag (CCS)[27] of niet-duurzame biomassa. Bedrijven moeten daarin zelf investeren. De milieu-investeringsaftrek wordt geschrapt. De postcoderoosregeling[28] wordt zo snel mogelijk even gunstig en toegankelijk gemaakt als huidige salderingsregeling. Na 2020 moeten beide regelingen vervangen worden door één regeling met zodanige tarieven dat decentraal geproduceerde duurzame energie aantrekkelijk blijft en decentrale opslag van energie op ogenblikken van een overschot aan elektriciteit (veel wind en veel zon) aantrekkelijk wordt. Over elektriciteit die direct gebruikt wordt door de lokale producent of het lokale producentencollectief zelf, wordt geen belasting geheven; over de elektriciteit die aan het net geleverd wordt, alléén btw, mits die niet gepaard gaat met CO₂-uitstoot.

    Duurzame apparaten, diensten en producten komen onder het laagste btw-tarief, zoals biologische producten en ander duurzaam geproduceerd voedsel, openbaar vervoer, reparatiediensten, het circulair ophalen en verwerken van afval, etc. Vervuilend gedrag moet juist zwaarder belast worden, zoals vleesconsumptie, producten van intensieve landbouw en visserij, e.d.

    Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijk wordt. Op termijn wordt dit verplicht.

    We voeren de verpakkingsbelasting opnieuw in en verdubbelen de opbrengst. Statiegeldregelingen voor plastic en blik worden verplicht gesteld. Wij willen dat ieder product een productlabel krijgt waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is. Alle verpakkingen worden verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics. We realiseren op afzienbare termijn 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken termijndoelen.

    Vergroening in de autobelastingen is tot nu toe vooral uitgemond in belastingvoordelen, in plaats van deze vorm te geven via budgetneutrale tariefdifferentiaties. We voeren kilometerheffing in, gedifferentieerd naar vervuiling, regio en tijdstip, voor al het gemotoriseerd vervoer op de weg. Daarbij maken we zo mogelijk onderscheid naar het aantal mensen dat in een auto zit, om samenrijden te stimuleren. De voorbereiding daarvan moet direct starten en invoering zodra het technisch gereed is. We beginnen met het vrachtvervoer.

    Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen is nu veel hoger dan accijns voor benzine of diesel. Dat gaan we per direct omdraaien, o.m. met een vrijstelling van energiebelasting op laadpalen.

    Voor 2021 gaan we onbelaste reiskostenvergoeding afbouwen en de bijtelling van auto van de zaak verhogen tot een kostendekkend niveau en aanwenden van de opbrengsten voor een fijnmazigere infrastructuur van het openbaar vervoer en fietsen.

    Het vervoer over water moet voor 2050 geheel duurzaam zijn, zowel op zee als voor de binnenvaart. Er komt een uitstootheffing voor vaartuigen. We voeren accijnzen in op de internationale bunkers voor scheepvaart en luchtvaart in het Europese verband waarbij Nederland als trekker fungeert en tevens verlaging van landingsrechten en havengeld. We stoppen met overslag van fossiele brandstoffen. Fossiele brandstof voor binnenscheepvaart wordt belast (geen “rode diesel” meer) en fossiele brandstof voor zeescheepvaart wordt belast. Elektrisch varen is technisch al geen probleem meer.

    We stoppen met de groei van de luchtvaart (het totale aantal vluchten wordt wettelijk bevroren op maximaal het huidige niveau) en voeren een hoge belasting in op fossiele vliegtuigbrandstof, met name voor continentale vluchten.

    De uitstoot van CO2, methaan, stikstof en fosfaat wordt verder belast. Met de opbrengsten financieren we o.m. meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.

    Bovenstaande belastingherziening is niet budgettair neutraal, het gaat per saldo miljarden euro’s opleveren. We halen het geld op waar het zit, en vooral waar het nu dood staat in plaats van geïnvesteerd wordt, en waar het nu een negatieve rol speelt (bijv. met speculatie, vooral op de woningmarkt). Per saldo is het dus een lastenverzwaring voor met name het grootbedrijf en de rijken, en een lastenvermindering voor de lagere inkomens, met een nader te berekenen opbrengst, waarmee goed, sociaal en duurzaam beleid deugdelijk en solidair gefinancierd kan worden. Bij de precieze vormgeving van alle maatregelen gaan we goed kijken naar de precieze inkomenseffecten, waarbij we garanderen dat lage en middeninkomens, bijv. tot anderhalf modaal, er niet op achteruitgaan. En uiteraard moet de invoering zorgvuldig geschieden opdat specifieke groepen niet in de problemen komen, met soms overgangsregimes.

     

     

    [1] hoogleraar aan City University van New York, voormalig hoofdeconoom van de onderzoeksafdeling van de Wereldbank en auteur van Wereldwijde ongelijkheid, welvaart in de 21e eeuw (2017)

    [2] Engeland, de VS, India, Japan, Korea, China, Taiwan, Chili en Zweden

    [3] De Volkskrant, 10 juli 2017

    [4]Zie:https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2014/Verschil_in_Nederland/SCR_2014_per_hoofdstuk:OelcQ6mPTsy98s5GcKfQTg/H3_Een_ideaal_met_een_keerzijde.org

    [5] Zie: https://www.evelientonkens.nl/wp-content/uploads/2015/10/swierstra_tonkens_-_de_schaduwzijde_van_de_meritocratie.pdf

    [6] https://www.trouw.nl/samenleving/de-rijksten-worden-nog-rijker-en-dat-is-een-economische-ramp~a3b95051/

    [7] Aldert Boonen, Vermogen maakt verschil: de verdeling van vermogen en de gevolgen ervan. De Burcht/Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging, publicatie nr. 6 (De Burcht, Amsterdam 2015, p. 23-24

    [8] Loonontwikkeling en arbeidsinkomensquote. Notitie ten behoeve van het rondetafelgesprek met de commissie SZW, 14 september 2016, Bas van Bavel, Universiteit Utrecht.

    [9] Wegens bezuinigingen op het CBS houdt het bureau deze cijfers overigens sinds zomer 2016 niet meer bij.

    [10] Zie o.m. de analyse van Bas Jacobs, hoogleraar economie aan de Erasmus School of Economics, op zijn weblog: https://basjacobs.wordpress.com/2016/09/17/ing-heeft-gelijk-overheidsbeleid-in-de-periode-2011-2017-kostte-volgens-het-cpb-ongeveer-365-000-banen/

    [11] van Bavel & Salverda, ‘Vermogensongelijkheid in Nederland’, Economisch-statistische berichten 99, nr. 4688, 27 juni 2014, pp. 396-399.

    [12] Wiemer Salverda, ‘De tektoniek van de inkomensongelijkheid in Nederland’, in: Monique Kremer, Mark Bovens, Erik Schrijvers & Robert Went (red.), Hoe ongelijk is Nederland?, WRR Verkenning 28 (2014) pp. 39-58.

    [13] http://www.gini-research.org/system/uploads/512/original/Netherlands.pdf?1380138293

    [14] https://economie.rabobank.com/publicaties/2018/februari/besteedbaar-inkomen-huishoudens-nederland-staat-vrijwel-stil/

    [15] Zie paper: Wiemer Salverda voor ronde tafelgesprek Arbeidsinkomensquote Commissie voor Financiën Tweede Kamer, 15 mei 2018, Uit de economie druppelt weinig inkomen omlaag, op de arbeidsmarkt stroomt het omhoog

    [16] Het gaat hier om het totale private vermogen: aandelen, obligaties, spaar- en bankrekeningen, huizen en andere bezittingen. Pensioenen zijn door het CBS niet meegeteld, omdat mensen nu niet bij hun pensioen kunnen komen – het is geen ‘vrij’ vermogen. Zouden aanvullende pensioenen wel worden meegerekend (in totaal staat er ruim 1000 miljard euro uit bij Nederlandse pensioenfondsen) dan is de ongelijkheid in vermogen een stuk kleiner, maar nog steeds fors. Het CPB neemt in haar berekening van de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid het pensioenvermogen wel mee.

    [17] http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/nederland-hard-op-weg-naar-de-1-procent-samenleving

    [18] De vijf rijkste families van Nederland bezitten ongeveer driekwart (73,6 procent) van het vermogen van de vijftig rijkste families van Nederland en ruim 30 procent van de 500 rijkste Nederlanders en verdienen daarom speciale aandacht. (Bron: Quote)

    [19] Vermogen is het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen bestaan vooral uit banktegoeden, effecten, onroerend goed en ondernemingsvermogen. De schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning en consumptief krediet. Pensioenen zijn niet meegerekend.

    [20] Bron: Wiemer Salverda, position paper rondetafelgesprek Tweede Kamer, ‘Uit de economie druppelt weinig inkomen omlaag, op de arbeidsmarkt stroomt het omhoog’, 15 mei 2018

    [21] Bas Jacobs, ‘Belastingen op kapitaalinkomen in Nederland’, Tijdschrift voor Openbare Financiën 47, nr. 1 (2015) pp. 29.

    [22] Zie: https://www.fnv.nl/over-fnv/nieuws/nieuwsarchief/2017/juni/Nieuwe-belastingtrucs-onthuld.-FNV-Politiek-moet-dit-soort-belastingmigratie-verbieden/

    [23] Het volgende is ontleend aan https://decorrespondent.nl/5733/waarom-de-inkomensongelijkheid-in-nederland-groter-is-dan-we-denken/344904727167-6ef17882 van Jesse Frederik.

    [24] Een gegarandeerd basisinkomen is geen universeel basisinkomen (dat wil zeggen: een basisinkomen voor iedereen, arm en rijk). Voordeel van een universeel basisinkomen is weliswaar dat er geen stigma meer zou zijn op het ontvangen van deze ‘uitkering’ (iedereen krijgt haar immers). Maar met een universeel basisinkomen zouden we een grote rondpompmachine moeten optuigen: miljoenen mensen zouden een basisinkomen krijgen én duizenden euro’s aan extra belastingen moeten ophoesten. Het gevolg is dat de marginale belastingtarieven – de belasting die je betaalt op iedere euro die je éxtra verdient – fors omhoog moeten. Stel dat je een uur extra gaat werken, en stel dat je 10 euro per uur verdient. Met een ‘marginale’ druk van 40 procent mag je daar dan 6 euro van houden. Meer werken loont in dat geval. Maar met de invoering van een universeel basisinkomen zouden de marginale belastingtarieven oplopen naar 70 procent, of misschien nog hoger. Van die 10 euro zou je er nog maar twee of drie mogen houden. Het zou goed kunnen dat mensen in zo’n geval zeggen: laat maar, ik ga niet extra werken. Of sterker nog: ik ga veel minder werken. Dat zou daarom grote economische schade kunnen opleveren. En er zou ook voor de overheid een verkeerde prikkel van kunnen uitgaan, dat we niet meer streven naar volledige werkgelegenheid en dat geheel aan de mensen zelf overlaten. Zoals hiervoor betoogd kan pech in het leven iedereen overkomen, en maakt maatschappelijke ongelijkheid dat de kansen daarop ook ongelijk verdeeld zijn en dat die ongelijkheid ook schrikbarend toeneemt. Een overheid die aanspreekbaar blijft op volledige werkgelegenheid en eerlijk delen van werk is bij een gegarandeerd basisinkomen beter dan bij een universeel basisinkomen gewaarborgd. Een gegarandeerd basisinkomen is betaalbaar en voorkomt een hoge marginale druk op meer gaan werken. Het helpt armoede te bestrijden, garandeert inkomenszekerheid, zonder een betuttelende overheid die diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en werken blijft altijd lonen, ook voor de overheid.

    Voor een uitgebreidere beschrijving van dit voorstel, zie: http://gerardbosman.com/2018/08/09/een-hard-gegarandeerd-sociaal-minimum-zonder-verplichtingen-en-verboden/

    [25] Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft vorig jaar berekend dat de Nederlandse armen, gezamenlijk, 2,2 miljard euro per jaar tekortkomen. Ter vergelijking: dat is anderhalf keer de dividendbelasting – geen geld zou het kabinet Rutte III zeggen. Of nog wat andere vergelijkingen: hogere inkomens ontvangen jaarlijks 14,2 miljoen euro aan subsidie via de hypotheekrenteaftrek, we geven nog steeds 6 miljoen euro per jaar aan fossiele energie en de zorg kost ons jaarlijks 96 miljoen euro.

    Natuurlijk zou een negatieve inkomstenbelasting nog duurder zijn, omdat niet alleen de armen ervan profiteren maar ook degenen die iets boven de armoedegrens zitten. Hoeveel duurder wordt het basisinkomen zo? Dat weten we niet precies, want die som is voor Nederland nog niet gemaakt. Maar stel dat de negatieve inkomstenbelasting hier twee tot drie keer zoveel zou kosten als de Nederlandse armen gezamenlijk tekortkomen. Met zo’n (veel) te hoge schatting komen we uit op 4,4 tot 6,6 miljard. Dat is veel geld, maar het is nog altijd minder dan 1 procent van het bbp. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de besparingen op de zorgkosten, op politie en justitie, en op de forse bureaucratie binnen de huidige verzorgingsstaat. Conclusie: deze variant van het basisinkomen is prima betaalbaar.

    [26] Om in aanmerking te komen voor de regeling moet men tenminste 37.000 euro per jaar verdien – ongeveer modaal – en hun oude huis moet tenminste 150 km verwijderd zijn geweest van de Nederlandse grens. De vrijstelling is veel hoger dan kosten die de doelgroep (schaarse academici en ICT-ers) maakt om naar Nederland te komen. Bovendien profiteert een goedverdienende bovenlaag buitensporig van het geboden belastingvoordeel: ook bestuursvoorzitters van grote bedrijven en profvoetballers ontvangen de vrijstelling. Op zijn minst ligt verlaging en maximering van het voordeel dus voor de hand. Ook zou tenminste de looptijd (nu 8 jaar) moeten worden verkort. Dit waren ook de adviezen van bureau Dialogic aan staatssecretaris Wiebes van Financiën in juni 2017. Volgens Dialogic zou afschaffing minder expats betekenen en daarmee de concurrentiepositie verslechteren. Volgens ons kunnen we beter zelf investeren in goede opleidingen en onderzoek, en bedrijven zelf de kosten laten betalen als ze denken dat dat een rendabele investering is.

    [27] Rutte III zet zeer zwaar in op CCS (afvang en opslag van CO₂ onder de grond). De PvdA werkgroep duurzaamheid hierover: “Binnen de ambitie van 56 miljoen ton CO₂-uitstoot reductie springen de 20 miljoen ton van CO₂ afvang en opslag (CCS, naar de Engelse afkorting) in de industrie en afvalverbrandingsinstallaties in het oog. Over CCS wordt in Nederland al zeker 15 jaar vooral heel veel gepraat en geruzied. CCS kan een belangrijke bijdrage leveren aan de terugdringing van CO₂ uitstoot, vooral als een interim-oplossing voor de periode waarin een volledig duurzame energievoorziening nog niet kan worden gegarandeerd en een deel van de benodigde energie nog uit fossiele bronnen zal worden verkregen. Fundamenteel is CCS echter géén duurzame, toekomstbestendige oplossing. Het schuift het CO₂ uitstootprobleem door naar volgende generaties met een maatregel waarvan de inzet per definitie eindig is. Dit betekent dat het ten onrechte als duurzaamheidsmaatregel wordt ingeboekt in het Regeerakkoord. Ook wetenschappers geven aan dat CCS nodig kan zijn als tussenoplossing, zeker in de industrie en in combinatie met biomassa, maar proefprojecten mislukten wegens gebrek aan publiek draagvlak of economische en commerciële haalbaarheid. In de jaren na het in 2010 afgeschoten Barendrecht-project durfde geen politicus zich openlijk te associëren met CCS. En nu staat het, zeer prominent, in het regeerakkoord. Het regeerakkoord wedt wel erg op dat ene CCS paard. Voor nog lang niet alle grote CO₂-bronnen is duidelijk hoe de afvang gaat werken. Verder is nog helemaal niet duidelijk of er ondergronds wel voldoende opslagcapaciteit is. Alhoewel het injecteren van gassen en vloeistoffen in olie- en gasreservoirs een bekende technologie is (bv. om de olieproductie uit oude velden te stimuleren) is dit omgeven met technische uitdagingen en navenant hoge kostenrisico’s. Tenslotte wordt in publicaties over CCS te gemakkelijk gesproken over het hergebruiken van bestaande infrastructuur (pijpleidingen, platforms, putten). Het omkeren van de functionaliteit (productie wordt injectie) is niet eenvoudig en vergt veel onderzoek aan de bestaande systemen om vast te stellen of deze geschikt zijn voor injectie van CO₂, dat overigens bij de in de reservoirs heersende omstandigheden gas noch vloeistof is, maar zgn. superkritisch, hetgeen specifieke technische oplossingen zal vereisen. Dan is er ook nog de vraag van de snelheid waarmee opschaling mogelijk is. Is de industrie in staat om in zo’n korte tijd CO₂ af te vangen tot het niveau van 20 miljoen ton per jaar? Hoe snel kan de ondergrondse opslagcapaciteit, als die er al is, gemobiliseerd worden? Het nauwkeurig vaststellen van de beschikbare capaciteit en hoe die te benutten vergt nog veel, gedetailleerd reservoir-technisch onderzoek aan de individuele reservoirs. Met betrekking tot injectie in reservoirs is er geen “one-size-fits-all” benadering. Dat alles vergt veel tijd en een enorme inspanning, die onmiddellijk moet beginnen, om in 2030 tot die 20 miljoen ton te komen. De door Rutte III voorgestelde minimumprijs voor CO₂ in de elektriciteitssector gaat niet helpen; de industrie blijft buiten schot terwijl je juist daar met een hogere CO₂-prijs de prikkel voor CCS en andere opties zou willen versterken. CCS in de elektriciteitssector hoeft voorlopig niet; de kolencentrales worden immers gesloten. Pas na 2030 hoeven we serieus aan CCS op biomassa- en gascentrales te gaan denken, al zou onderzoek en demonstratie vóór 2030 misschien wel raadzaam zijn. In het licht van het onbekende terrein, dat met CCS betreden wordt, en de vermoede grote technische en commerciële risico’s is de vraag gerechtvaardigd welke afweging deze regering zal maken, als opslag van CO₂ duurder blijkt te zijn dan extra opwekcapaciteit van schone energie? In het akkoord wordt expliciet vermeld dat SDE+ subsidie ook gebruikt kan worden voor de stimulering van CCS-technologieën. Wij achten dat ongewenst, omdat op deze wijze fondsen voor ontwikkeling van duurzame energie, resp. energiebesparing (zonnepanelen, woningisolatie, enz.), potentieel kunnen worden aangewend voor een weliswaar nodige, maar niet duurzame technologie (CCS). Het verschaft de industrie een alibi om de overschakeling naar echt duurzame energie te vertragen. CCS moet primair door de industrie zelf worden ontwikkeld en gefinancierd. De commerciële stimulans daartoe moet komen van een realistische beprijzing van CO₂ uitstoot en niet van overheidssubsidies vanuit SDE+.

    Nota bene: Naast CCS krijgt CCU (Carbon Capture & Utilisation) steeds meer aandacht in wetenschap en media. Gezien de aandacht in het akkoord voor CO₂ afvang zou op z’n minst vastlegging van CO₂ (in bodem of planten) en recycling van CO₂ (met waterstof en CO₂ syngas maken) in beeld moeten zijn (zie Volkskrant Opinie 19 oktober 2017 – “CO₂ moet je niet opslaan maar recyclen”).”

    [28] De Postcoderoos regeling (fiscale benaming is de Regeling Verlaagd Tarief) is ruim drie jaar geleden geïntroduceerd als financieringsmogelijkheid om gezamenlijk zonne-energie op te wekken, zonder dat de zonnepanelen op het eigen dak hoeven te liggen. De regeling biedt 15 jaar lang vrijstelling van energiebelasting over de zonne- of windenergie die de deelnemers in een project gezamenlijk opwekken. Dit betekent dat zonnepanelen niet langer op het eigen huis of bedrijfspand hoeven te liggen, maar ook elders geïnstalleerd kunnen worden. Bijvoorbeeld op een groot agrarische dak net buiten het dorp, op het dak van het lokale dorpshuis of zelfs op een beschikbaar stuk grond in de buurt. Deelnemers richten samen een coöperatie op of maken gebruik van een bestaande VVE (Vereniging Van Eigenaren) en investeren gezamenlijk in een zonnedak door het kopen van zonparticipaties. Deze zonparticipaties geven jaarlijks recht op de opbrengst van één zonnepaneel. De panelen in het project zijn namelijk eigendom van de gezamenlijke coöperatie. In ruil voor hun deelname (investering) ontvangen deelnemers, naar rato van het aantal zonparticipaties, jaarlijks een teruggave van energiebelasting die zij betaald hebben over de energie die zij thuis gebruiken. Dit recht op teruggave van de energiebelasting voor deelnemers wordt door de overheid voor (minimaal) 15 jaar gegarandeerd en geldt vanaf het moment dat de Belastingdienst het project goedkeurt. De hoogte van de investering per zonnepaneel/ zonneparticipatie is afhankelijk van de keuzes van de lokale energie coöperatie.

    Een Postcoderoos is een afgebakend gebied waarbinnen een lokale energie coöperatie haar deelnemers kan werven omdat zij -bij deelname- recht hebben op teruggave van de energiebelasting. Voorwaarde is wel dat deze deelnemers op het net aangesloten zijn via een kleinverbruikersaansluiting (max. 3 x 8o Ampère). Dit Postcoderoos gebied wordt bepaald door de plaats (postcode) waar de productie-installatie voor de opwek gesitueerd is. Dit 4-cijferige gebied vormt het hart van de roos. Het Postcoderoos gebied wordt gevormd door dit hart samen met alle aan dit hart aangrenzende 4-cijferige postcodegebieden (die de blaadjes van de roos vormen). Ook wanneer een aangrenzend postcodegebied maar met een klein puntje grenst aan het hart kan het gebied tot de roos gerekend worden.

    Sinds 1 januari 2016 is het begrip Postcoderoos verruimd en mag de productie-installatie ook in een van de blaadjes gesitueerd zijn, het administratieve centrum mag dus als het ware één viercijferig gebied worden opgeschoven. Op deze manier kunnen coöperaties ook gebruik maken van daken aan de randen van de roos c.q. de kans om aan het project deel te nemen voor meer mensen mogelijk te maken.

    [28] Salderen in het kader van energieleverantie in Nederland betekent dat door de energieleverancier de terug geleverde energie wordt afgetrokken van het verbruik van de afnemer. Hierdoor ontvangt de afnemer dezelfde prijs (inclusief belastingen en transportkosten) voor de terug geleverde energie als die hij betaalt voor de energie die hij op een ander tijdstip van de energieleverancier afneemt. Een afnemer mag het overschot van zijn zelf opgewekte elektriciteit terug leveren aan het net en op jaarbasis verrekenen met de op een ander moment uit het elektriciteitsnet afgenomen elektriciteit, tegen hetzelfde tarief. Als er meer dan het eigen verbruik wordt opgewekt moet voor het meerdere een ´reële vergoeding´ worden betaald die in de praktijk neerkomt op de kale stroomprijs.

    Eigenaren van zonnepanelen betalen over de terug geleverde energie geen energiebelasting. Daarbij maakt het voor de afnemer niet uit wanneer in het jaar er stroom wordt afgenomen. Dus als de gemiddelde afname nul is, valt er ook niets te betalen. Het “belastingvoordeel”, de uitgespaarde belasting door eigen opwek, voor de groeiende groep salderende particulieren, komt jaarlijks neer op 40 miljoen euro. Dit bedrag komt niet meer als energiebelasting bij de overheid binnen, en de overheid moet dat langs een andere weg compenseren. Dit wordt dus eigenlijk vooral gefinancierd door mensen die niet in het bezit zijn van zonnepanelen. Vaak zijn dit lagere inkomens.

    Rutte III wil de salderingsregeling in 2020 vervangen door een vergoeding voor de geleverde stroom aan de hoogste bieder die jouw stroom wil kopen en een terug-lever vergoeding van de overheid voor het fiscale deel. Hoe dat er precies uitgaat zien is nog onduidelijk. Volgens het regeerakkoord levert de vervanging wel 640 miljoen euro aan bezuiniging op. In ieder geval krijgt de eigenaar van zonnepanelen niet meer hetzelfde tarief voor geleverde stroom als hij heeft betaald voor de afgenomen stroom zoals het nu nog is.

    [28] De doeleinden die het kabinet Rutte III formuleert voor verduurzaming van de gebouwde omgeving zijn op zichzelf goed. Maar aan de middelen om die doeleinden te bereiken schort het ook hieraan. Het kabinet zou in de eerste plaats moeten inzetten op verduurzaming van huurwoningen, enerzijds omdat huurders, anders dan particuliere woningeigenaren, tot nu toe nauwelijks hebben kunnen profiteren van saldering en andere stimuleringsregelingen, anderzijds omdat “huishoudens met lage inkomens een aanzienlijk groter aandeel van hun inkomen kwijt zijn aan kosten voor het klimaatbeleid dan huishoudens met hoge inkomens. Het grotere aandeel van huishoudens met een laag inkomen gaat nog verder oplopen als Nederland in de toekomst klimaat-neutraal wil zijn.” (Bron: CE-Delft “Rechtvaardigheid en inkomenseffecten van het klimaatbeleid”, maart 2017, publicatienr. 17.7J51.07). Helaas reserveert het kabinet niet meer dan ongeveer 100 miljoen euro per jaar in de vorm van korting op de verhuurdersheffing voor woningcorporaties. Dat zou het 5 of 10-voudige moeten zijn om te zorgen dat enige tienduizenden woningen per jaar verduurzaamd kunnen worden. Om de geformuleerde ambities waar te kunnen maken is het nodig om 200.000 woningen per jaar energieneutraal te maken.

    Een belangrijk onderdeel van verduurzaming van de gebouwde omgeving betreft “bestaande woningen gasvrij maken”. Daarvoor moeten “bestaande gasnetten vervangen worden”. De grote vraag is door welke nieuwe infrastructuur die vervangen moeten worden om “in de resterende warmtebehoefte” te voorzien. Het beste antwoord kan van buurt tot buurt verschillen. Het kabinet Rutte III wil de beslissing daarover in handen leggen van “het netwerkbedrijf”. Het kabinet lijkt zich niet te realiseren hoe ingrijpend de beslissing is voor bewoners, woningcorporaties, lokale bedrijven, het lokale klimaat en de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, kortom hoe zeer de beslissing bij uitstek een zaak is van publiek belang. Het kabinet schrijft weliswaar dat de beslissing genomen moet worden “in overleg met de gemeenten”, maar kan de beslissing veel beter in handen leggen van de gemeente. De ambitie van Rutte III is dat in 2021 nieuwe woningen en gebouwen ‘in de regel’ niet meer met aardgas verwarmd worden, en minimaal 50.000 nieuwbouwwoningen aardgasloos worden opgeleverd. Tevens zullen voor het eind van de kabinetsperiode 30.000 tot 50.000 bestaande woningen per jaar aardgasvrij worden gemaakt of in ieder geval zodanig energie‐efficiënt dat ze op korte termijn aardgasloos gemaakt kunnen worden (“aardgasloos-ready”). Het zal vaak een lastige beslissing zijn, niet alleen vanwege de verschillen in belangen van de vele betrokkenen, maar ook vanwege de expertise die daarbij vereist is. Het kabinet moet daarvoor een kenniscentrum opzetten dat onderzoek doet naar de beste oplossingen, innovaties stimuleert en kennis beschikbaar stelt.

     

    Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmailFacebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Eerdere berichten