Start

Artikelen

  • Een Nieuwe Tien over Rood – 240 Concrete Voorstellen voor het PvdA verkiezingsprogramma 2021 – De concrete voorstellen zonder toelichting, met inleiding

         Linksom! in de PvdA

    Inleiding

    “Waar visie ontbreekt, komt het volk om” – Joop den Uyl

    Ons nieuwe programma moet ervoor zorgen dat onze PvdA weer de politieke agenda bepaalt. De kracht van het neoliberale verhaal lijkt af te nemen. We krijgen de kans om de publieke zaak weer tot iets groots te maken, dat we de markt temmen, dat we aan de schrijnende ongelijkheid een einde maken. We kunnen laten zien dat ook andere waarden een rol spelen dan alleen de individuele of economische. We moeten het radicale alternatief presenteren.

    Door het agenderen van progressieve ideeën. Radicale ideeën. Ambitieuze ideeën. Ideeën die gevoel van urgentie weergeven. Linkse politiek in Nederland gaat echt veel te veel om waardes als haalbaarheid en begrotingsevenwicht etc., etc. Het zuigt alle energie uit de progressieve beweging. Als je jouw agenda bepalend wil laten zijn moet je jouw waarden radicaal en met trots uitdragen. Onbeschaamd.

    De kern van politiek een strijd van ideeën. In het geval een progressieve partij is de kern van de strijd ideeën die verandering brengen en werken naar een betere toekomst. Een progressieve beweging is de uitdager van de status quo. Niet de beschermer. En dan leven we in een tijd waar ondanks de economische groei de koopkracht amper stijgt, maar de ongelijkheid – in inkomen, vermogen, gezondheid, levensverwachting, kansen, etc. – enorm is en nog steeds stijgt. Waar bedrijven en grote vermogensbezitters duidelijk steeds minder belasting betalen. Waar de vervuilers onze planeet vernietigen en die last niet dragen. Waar er sprake is van een plutocratie in een enorm rijk land naast schrijnende armoede. Waar ondanks dat rijke land en hoogconjunctuur er sprake is enorme tekorten in de publieke dienstverlening, en er ook hier toch private partijen niettemin geld wegsluizen voor eigen, private doeleinden. Waar de overheidsschuld obsessief is gereduceerd, terwijl private schulden gevaarlijk hoog zijn. Het is werkelijk een ongekende reeks aan kansen voor open doel.

    Als sociaaldemocratie moeten we vooral een aansprekend en wervend alternatief bieden voor het neoliberalisme, wat we als sociaaldemocraten de afgelopen decennia via de zgn. Derde Weg bijna sluipend teveel zijn gaan internaliseren. Terwijl het neoliberalisme staat voor alles wat waarvoor sociaaldemocraten niet zouden moeten staan. Voor bezuinigingen en een kleine overheid en dito publieke sector, een overheid die de vrije kapitalistische markt zoveel mogelijk ongemoeid laat met deregulering, liberalisering en privatisering, want de overheid wordt vooral gezien als een probleem, en niet als een oplossing. En daarmee voor een Angelsaksisch economisch model, gericht op korte termijn maximum aandeelhouderswaarde als belangrijkste doel. Waarin gesteld wordt dat hebzucht prima is, omdat de rijkdom van de rijksten op termijn ook zou doordruppelen naar de middenklasse en de lagere inkomens. Waarin de gemeenschap zelfs ontkend was, als toppunt van het aanbeden individualisme, met calculerende burgers die vooral zelf verantwoordelijk én aansprakelijk zijn voor hun succes en falen. Die burgers worden dan ook geacht zelfredzaam te zijn, met eigen kracht. Dat gaat gepaard met een cynisch mensbeeld, waarin burgers gewantrouwd en dus zwaar gecontroleerd moeten worden als ze wel een beroep doen op overheidsvoorzieningen.

    Als sociaaldemocraten zijn we juist voor een activistische, herverdelende, sterk regulerende overheid en een grote publieke sector. De overheid moet marktmeester zijn en onrechtvaardigheden actief bestrijden, en het algemeen, duurzame lange termijn belang boven het individuele, korte termijn belang stellen. Voor ons is de overheid een oplossing, en geen probleem. Wij kiezen daarmee voor een Rijnlands model, met een gemengde economie, waarin de schadelijke effecten van kapitalisme, marktwerking en concurrentie worden beperkt door die overheid, op basis van democratische besluitvorming, met respect voor minderheden en binnen de kaders van de rechtsstaat. Dat strekt zich ook uit tot de internationale verhoudingen, steeds meer van belang in een globaliserende wereld waar digitale techniek grenzen heeft doen verlagen. Wij versterken de emancipatie van burgers niet op basis van calculerend burgerschap, maar op basis van solidair en sociaal en ecologisch verantwoordelijk burgerschap, in een gemeenschap die niet uitsluit, maar mensen insluit en maximaal verheft naar hun talenten en mogelijkheden. We gaan uit van een positief mensbeeld, en richten ons op de facilitering, motivering en verleiding van mensen in plaats van op wantrouwen, controle en sancties.

    Door deze waarden en idealen weer centraal te stellen kan onze PvdA en de sociaaldemocratie het discours weer laten gaan over de echte problemen van deze samenleving, in plaats van de identiteitspolitiek die rechts en extreemrechts ons als problemen voorspiegelen. Het is de opdracht van ons sociaaldemocraten om duidelijk te maken dat nationalistische politiek, gebaseerd op uitsluiting en nostalgie naar een nooit bestaand verleden een valstrik is, juist voor de middengroepen en de lagere inkomens, en voor de emancipatie en bescherming van de rechten van minderheden. Wij moeten ervoor zorgen dat het debat niet gaat over een onterecht spook van migratie, over een vermeende bedreigde identiteit en op ficties gebaseerde ontkenning van ecologische bedreigingen, maar over de echte problemen van deze tijd en progressieve, solidaire antwoorden daarop. We moeten de zondebokkenstrategie van neoliberalen en extreemrechts ontmaskeren en laten zien dat niet de zondebokken, maar de neoliberalen en extreemrechts met hun schadelijke en immorele ideologie de veroorzakers zijn van de maatschappelijke problemen, en daar een helder, aansprekend en wervend alternatief voor bieden.

    Als sociaaldemocraten zijn we voor een vreedzame, (sociaal)democratische revolutie, indachtig de door Herman Tjeenk Willink in zijn terecht veel geroemde boekje ‘Groter denken, kleiner doen’ geciteerde woorden van Hans van Mierlo: “je moet de revolutie realiseren voordat zij uitbreekt.” Dat er radicale wijzigingen nodig zijn om hele normale dingen te bereiken zegt meer over de huidige status quo dan over degenen die deze wijzigingen voorstellen. Radicaal zou zijn om de uitdagingen van deze tijd (armoedecrisis, wooncrisis, klimaatcrisis, zorgcrisis, onderwijscrisis, schuldencrisis, etc.) als sociaaldemocraat te negeren en een positie in te nemen die deze uitdagingen niet het hoofd biedt. De radicalen zijn degenen die de uitdagingen negeren.

    Maak geen programma gebaseerd op electorale overwegingen, zorg dat het electoraat andere overwegingen maakt. Alleen dode vissen zwemmen met de stroom mee. Wij willen de stroom van richting veranderen, linksom!

    Wij zetten bestrijding van bestaanszekerheid en van onrechtvaardige ongelijkheid, samen met de uitdaging van een urgente, eerlijke transitie naar een duurzame en dus circulaire economie, met een sterke, moderne publieke sector en een effectief getemde en gereguleerde markteconomie, centraal. Daarbij hanteren we een agenda bestaande uit tien hoofdpunten, onze Nieuwe Tien over Rood:

    1. We bannen armoede en problematische schulden uit (Zekerheidsinkomen & schuldenoffensief).

    2. We maken werk van goed werk (meer banen, een recht in plaats van plicht op werk, hogere & eerlijke lonen, vast werk, arbeidstijdverkorting, solidair, tijdig & goed aanvullend pensioen).

    3. We gaan migratie en integratie effectief en rechtvaardig reguleren met meer vluchtelingen én arbeidsmigranten.

    4. We voeren een nieuw eerlijk, effectief en eenvoudig belastingstelsel in wat kapitaal meer en arbeid minder belast, zorgt dat de sterkste schouders echt de zwaarste lasten draagt en dat de armoedeval oplost (meer tarieven, geen boxen, geen aftrekposten/kortingen/vrijstellingen/ toeslagen, hogere belasting kapitaal, geen premies volksverzekeringen, aanpakken belastingontwijking/ontduiking).

    5. We zorgen voor betaalbaar en goed wonen (meer overheidsregie, marktregulatie, andere subsidie woningbezit, prioriteit bij betaalbare huren, vertraging & hervorming extramuralisering, betaalbare verduurzaming woningen, herinvoering wijkbeleid).

    6. We gaan eerlijk en snel naar een circulaire, duurzame energie (eerlijke energietransitie, circulaire economie, duurzame belastingen, mobiliteit en landbouw, versterking natuur & landschap, schone lucht, water en bodem, een landelijk kader en regie voor ruimtelijke ontwikkeling voor een schoon, duurzaam, veilig en natuurlijk Nederland).

    7. We zorgen voor een enorme versterking van onze publieke sector (300.000 extra banen & 15 mld. structureel extra, een geheel ander zorgstelsel zonder verzekeraars en gemeenten, goed onderwijs voor gelijke kansen, sterke en rechtvaardige veiligheid, verdubbeling cultuurbudget, een goede uitvoering, geen marktwerking, meer ruimte en betere positie professionals).

    8. We worden de markt weer meester: terug naar het Rijnlandse model (regulering marktsector, sterkere positie werknemers & consumenten, minder export/meer binnenlandse markt, eerlijke in plaats van vrijhandel, verdubbeling budget ontwikkelingssamenwerking, minder schulden/kleinere, sterk gereguleerde financiële sector, regulering digitale economie & bescherming privacy).

    9. We versterken onze democratische rechtsstaat (versterking vertegenwoordigende in plaats van directe democratie, versterking publieke controle/ombudsfuncties/ klokkenluiders, betere rechtsbescherming burgers, Europese senaat).

    10. We voeren een linkse begrotingspolitiek en we hebben een plan voor de volgende crisis (investeren, meer overheidsschuld, minder private schulden, beschermen burgers en mkb/zzp, risico’s beperken, stoppen met improviseren: voorbereiden!).

    Dit nieuwe programma voor onze PvdA moet zoveel mogelijk de kern worden van een inhoudelijk stembusakkoord met GL en SP. Daarbij moet er de afspraak worden gemaakt dat we elkaar niet eenzijdig loslaten na de verkiezingen, met name niet in de onderhandelingen naar een nieuw kabinet, en dat we de pijlen in de verkiezingsstrijd niet op elkaar richten, maar op onze gezamenlijke opponenten ter rechterzijde. Betrouwbaarheid is de achilleshiel van linkse samenwerking. Onze PvdA moet daarvoor instaan. We willen eindelijk weer een progressief kabinet, dat ingrijpende progressieve stelselwijzigingen en directe, betekenisvolle en herkenbare stappen zet ter concretisering daarvan.

    Update: de Corona-crisis

    De wereld ziet er ineens anders uit sinds plotseling het Covid-19 virus zich over de wereld heeft verspreid. Inmiddels zijn er tienduizenden dodelijke slachtoffers, en honderdduizenden ernstig zieken die lang moeten revalideren. Het heeft onze bestaansonzekerheid drastisch en met een schok enorm vergroot. Niet alleen wat betreft hoe het verder gaat met het virus – kunnen we het indammen, komt er en wanneer dan een werkend vaccin, hoe zit het met de immuniteit, komt er nog een tweede, derde (of zelfs nog meer) golf van infectie? – maar ook wat betreft onze economie: het aantal werklozen stijgt snel, bedrijven gaan failliet, ondanks alle maatregelen. En wat betekent de crisis voor de mogelijkheden om de duurzaamheidscrises (klimaat, biodiversiteit, vervuiling), de woningnoodcrisis, de ongelijkheidscrisis, etc. te bestrijden?

    Deze Nieuwe Tien over Rood is grotendeels geschreven voor deze crisis uitbrak. Maar in deze toenemende onzekerheid is het in zekere zin geruststellend dat de analyses en oplossingsrichtingen overeind blijven, sterker nog, aan kracht winnen. We wijzen onder meer op:

    -de noodzaak om de intensieve veeteelt te beëindigen, om de kans op toekomstige zoönoses te verminderen;

    -de noodzaak om de zorg geheel anders in te richten, zonder marktwerking, met veel meer publieke regie en professionele autonomie van zorgprofessionals;

    -de noodzaak om de arbeidsmarkt beter te reguleren met meer werkzekerheid en veel minder flexwerk, opdat er meer baanzekerheid is, en de noodzaak om te komen tot veel betere arbeidsbemiddeling;

    -de noodzaak om te komen tot een beter werkend inkomensvangnet voor iedereen, zonder veel voorwaarden, verplichtingen en sancties;

    -de noodzaak om onze economie anders in te richten, meer gericht op alle stakeholders, en niet alleen op korte termijn aandeelhoudersbelang, met minder private schulden die ons kwetsbaar maken, met maatregelen die belastingontwijking en overmatige beloning tegengaan, etc.;

    -de noodzaak om onze publieke sector te herwaarderen, met oplossingen voor de werkdruk, en betere beloning;

    -de noodzaak om de enorme inkomens- en vermogensongelijkheid aan te pakken, met een herwaardering van inkomens van vitale beroepen, het maximeren van beloningsverschillen, en een rechtvaardiger belastingstelsel, zonder armoedeval.

    Helaas hebben we de recente periode van hoogconjunctuur weer niet gebruikt om het dak te repareren toen deze zon scheen. De private schulden zijn hoger dan voor de schuldencrisis die begon in 2008. Werkzekerheid is verder ondergraven door flexwerk te blijven bevoordelen. De Europese systemen zijn nog steeds niet euro-proof. Neoliberale concepten zijn verder doorgevoerd met als gevolg een enorme woningnood en een enorme ongelijkheid – in inkomen en vermogen, in levensverwachting en gezondheid, in kansen en mogelijkheden. Naast schrijnende armoede bestaat schaamteloze zelfverrijking. Generaties, etnische groepen en religies worden tegen elkaar opgezet. Het cement in de samenleving van onze verzorgingsstaat vertoont ernstige betonrot. De plannen voor verduurzaming dreigen door een oneerlijke uitwerking deze nog eens te versterken. Internationale solidariteit verwordt steeds meer tot onverholen eigen volk eerst. Zondebokken worden gezocht en gevonden.

    Het is nu zaak de crisis ook te gebruiken als een kans om deze structurele misstanden nu wel aan te pakken. Gelukkig maken we tot nu toe niet weer dezelfde fout als na 2008 om niet een vangnet te bieden en niet de mensen te redden. In plaats van de overheid als bankier van last resort is de overheid nu terecht employer of lost resort. Verlenging van financiële steun – alleen nog in de vorm van lening en/of bij gift in ruil voor zeggenschap – aan grote bedrijven (>250 werknemers) moet gekoppeld zijn aan eisen van structurele aanpassingen op terrein van hun belastingontwijking, aan eerlijke beloningsverhoudingen en arbeidsverhoudingen, aan opschorting van dividenduitkeringen en bonussen, aan het aanspreken van eigen middelen, en last but not least aan concrete verduurzamingseisen. Juist nu moeten we doorpakken met het socialer, duurzamer en zekerder maken van onze samenleving. De eisen daartoe moeten niet worden opgeschort, maar aangescherpt.

    En onze politieke steun aan verlenging van financiële steun aan bedrijven en ondernemers moet afhankelijk worden gesteld aan het stevig verankeren en handhaven van die voorwaarden, en aan flankerend beleid gericht op:

    -meer concrete, directe steun aan arme huishoudens en huishoudens in problematische schulden;

    -concrete, substantiële stappen om de woningnood aan te pakken (verhuurdersheffing aanpakken, kostendelersnorm aanpakken);

    -garanties dat het begrotings- en financieringstekort niet wordt afgewenteld op lagere en middeninkomens en/of op publieke sector;

    -concrete, betekenisvolle afspraken voor verbetering arbeidsvoorwaarden in de publieke sector;

    -afspraken over nieuw zorgstelsel gericht op samenwerking in plaats van marktwerking en monopolies, in publieke regie en geïntegreerd voor de gehele zorg;

    -afspraken over Europese en mondiale solidariteit, inclusief gemeenschappelijke Europese leningen en gemeenschappelijke minimumvoorwaarden voor sociale normen en belastingtarieven voor bedrijven, een gemeenschappelijk Europees programma voor behoud en versterking van werkgelegenheid, de uitvoering van de Europese Green Deal en concrete Nederlandse bijdragen om meer vluchtelingen hier, op een betere manier, op te vangen (te beginnen met weeskinderen in Griekse en andere opvangkampen), meer te doen voor de enorme dreigende hongersnood en levensbedreigende tekorten in gezondheidszorg in de armste delen van de wereld; en

    -afspraken over snelle en eerlijke verduurzaming met de uitvoering van de Klimaatwet, de terugdringing van vervuiling (fijnstof, PFAS, plastics, etc.) en herstel van biodiversiteit (incl. stikstofaanpak), met minder risico op zoönoses en andere gezondheidsrisico’s.

    Om met Churchill te spreken: Never let a good crisis go to waste.

    De discussie over de volgende fase in de economische crisis dient zich al aan. Waar de neoliberale economen en de ambtenaren op het ministerie van Financiën[1] alweer pleiten voor het aanpakken van de staatsschuld als de ernstigste fase van de crisis voorbij is, pleiten anderen (o.m. Bas Jacobs, Coen Teulings, Paul Tang) terecht juist voor een andere focus: de overheid als vliegwiel om de economie weer aan te jagen – met veel meer duurzame investeringen (onderwijs, verduurzaming, cultuur, voldoende goede woningen, goede zorg, veiligheid) en een aanjagen van binnenlandse bestedingen door hogere lonen (door hoger minimumloon en hogere lonen in publieke sector), lagere vaste lasten (huur, zorg, kinderopvang, energie, onderwijs/scholing) en veel rechtvaardiger belastingen (inkomen versus kapitaal, sterke en zwakke schouders). Ook moet de focus liggen op het aanpakken van structurele oorzaken van bestaansonzekerheid en onrechtvaardige ongelijkheid: de schuldencrisis, de flexibilisering van werk, de vermarkting van onze publieke sector, de wooncrisis, het vastlopende belastingstelsel, etc.

    Bij voorrang moet nu gewerkt worden aan onze voorstellen voor:

    -een effectieve, publieke en gratis arbeidsbemiddeling voor iedereen die (meer, of anders) wil en kan werken, in nieuwe geïntegreerde werkwinkels, met een integrale aanpak gericht op motivering/verleiding/facilitering/beloning in plaats van verplichtingen/voorwaarden/verboden/sancties, met een afdwingbaar recht in plaats van plicht op werk, met aanbod basisbanen als sluitstuk (zie hoofdstuk II);

    -een nieuw regelarm vangnet voor inkomenszekerheid voor ieder huishouden dat onder het sociaal minimum komt, zonder kortingen, voorwaarden en verplichtingen: het Zekerheidsinkomen (zie hoofdstuk I), waarbij als tussenstap nu per direct een regelvrije bijstand voor iedereen in plaats van de tijdelijke bijstandsvoorziening voor zelfstandigen zou kunnen worden ingevoerd. Voor gepensioneerden blijft de AOW, maar moeten we voorkomen dat er nu gekort gaat worden op aanvullende pensioenen (zie hoofdstuk II) en voor studenten moeten we stoppen met het leenstelsel en collegegelden vervangen door een academicusbelasting (zie hoofdstuk VII);

    -een schuldenoffensief tegen risicovolle en problematische private schulden met meer risico bij en rechtsbescherming tegen kredietverleners, een nieuw en effectief geïntegreerd stelsel van schuldhulpverlening, veel betere en verplichte vroegsignalering, en een generaal schuldenpardon (zie hoofdstuk I);

    -investeringen in onze publieke sector, met meer collega’s, minder werkdruk, betere beloning en meer professionele autonomie, zonder marktwerking, in ons onderwijs, de zorg, de kinderopvang, de bibliotheken, de arbeidsbemiddeling, de schuldhulpverlening, het buurt-, opbouw- en jongerenwerk, de politie, onze defensie, de rechtspraak, reclassering en rechtshulp, etc. (zie hoofdstuk VII) Aparte aandacht verdient de financiering van de zorg. De crisis zal bij ongewijzigd beleid tot enorme zorgpremies leiden. We moeten radicaal breken met de individualisering van de financiering van de zorg en andere publieke voorzieningen en de financiering collectief regelen, via rechtvaardige belastingen. Zorgpremies, eigen risico en eigen bijdragen kunnen dan verdwijnen (zie hoofdstuk IV en VII);

    -investeringen in voldoende goede, duurzame woningen, met herstel van brede volkshuisvestingsbeleid en regierol van de overheid, met maatregelen tegen speculatie en prijsopdrijving, met betaalbare huren en andere woonlasten, met meer zeggenschap en rechtsbescherming van huurders (zie hoofdstuk V);

    -verduurzaming van onze economie voor oplossing van onze ernstige problemen met fossiele energie/klimaat, achteruit hollende biodiversiteit en nog steeds te grote vervuiling van onze atmosfeer, bodem en water, en ter verbetering van onze omgang met steeds schaarsere ruimte in ons dichtbevolkte land (zie hoofdstuk VII);

    -een eerlijker, duurzamer en effectiever belastingstelsel, dat arbeid niet langer zwaarder belast dan kapitaal, echt sterk progressief herverdelend werkt in plaats van regressief herverdelend zoals nu, een einde maakt aan de armoedeval, private schulden niet stimuleert, verduurzaming van consumptie en productie bevordert, en belastingontwijking en -ontduiking zeer moeilijk maakt (zie hoofdstuk IV), waarbij we met voorrang maatregelen nemen die een solidaire financiering van de kosten van de crisis mogelijk maken, zoals het direct invoeren van een vermogensbelasting voor miljonairs, verhoging van dividendbelasting en verhoging van belasting op niet geïnvesteerd vermogen bij bedrijven;

    -het beperken van de marktmacht van bedrijven, zoals in de Big Pharma, de ITC-techbedrijven, de digitale platforms die zich als monopolies gedragen, en het vergroten van de zeggenschap van werknemers. Het is ook tijd voor een nieuwe industrialisatiepolitiek, welke bedrijven steun je en onder welke voorwaarden (zie hoofdstuk VIII). Steun aan bedrijven kan alleen voortgezet worden onder strikte voorwaarden van sociaal en duurzaam ondernemerschap en publieke zeggenschap;

    -maatregelen die bijdragen aan internationale solidariteit, zoals een rechtvaardige regeling van asiel, arbeidsmigratie en integratie (zie hoofdstuk III), met als speerpunt het ontlasten van vluchtelingenkampen op Griekse eilanden, om Syrië en andere conflicthaarden, en het vergroten en deels anders besteden van budget voor ontwikkelingssamenwerking (zie hoofdstuk VII).

    Bovenal moeten we dus vooral niet doen wat de ambtenaren van Financiën nu in de ‘Brede maatschappelijke heroverwegingen’ voorstellen en de rekening afwentelen op de gewone belastingbetalers, de mensen die werken in de publieke sector en de mensen die juist overheidsbescherming nodig hebben, maar het geld halen waar het zit – de kleine groep extreem vermogenden en de multinationals die wel profiteren van de overheid maar er weinig tot niets aan bijdragen – en de overheidsschuld maar even laten wat hij is, dat kan nu ook makkelijk. De lage rente voor een land als het onze blijft nog wel even, vooral door demografische en technologische trends. En er kan veel met monetaire financiering – zie voor de te voeren begrotingspolitiek meer in hoofdstuk X.

    Laten we de kansen van de crisis niet missen, en daardoor volgende crises afwenden. Met deze Nieuwe Tien over Rood, PvdA Linksom!

    I.                We bannen armoede en problematische schulden uit

    1.      Voer een Zekerheidsinkomen voor ieder huishouden die minder verdiend dan sociaal minimum en niet een groot vermogen[2]  heeft, zonder andere voorwaarden, verplichtingen of verboden. De bijstand en de Wajong vervallen dan, en een aparte verplichte basis-AOV voor zelfstandigen is dan niet nodig. Aanvullende, bijzondere bijstand blijft mogelijk. De partnertoets wordt beperkt tot fiscale huishoudens.

    2.      De AOW, WW en WIA blijven in stand. In de AOW vervalt de opbouweis en de aparte AOW-premie. In de WW verlengen we de minimumduur van 3 naar 8 maanden, vervalt de toegangseis dat er aaneengesloten periode gewerkt moet zijn, en verlengen we de maximum WW-duur weer terug van twee naar drie jaar.

    3.      Het minimumloon omhoog naar 14 euro per uur voor iedereen vanaf 18 jaar en het sociaal minimum stijgt mee. De kostendelersnorm en wachttijden in de bijstand vervallen.

    4.      Voer een ruime bijverdienstenregeling in bij uitkering op sociaal minimum en vervang generieke fiscale arbeidskorting door arbeidstoeslag voor alleen lage inkomens.

    5.      We vergroten het risico voor kredietverleners om problematische en risicovolle schulden meer te voorkomen, Bij faillissement leggen we geen beslag meer op toekomstig inkomen, bij inleveren woning vervalt hypotheek, de zorgplicht van crediteuren wordt vergroot en het commercieel verhandelen van schulden van huishoudens wordt verboden.

    6.      Reclame voor kredietverstrekking wordt strenger gereguleerd, we investeren in onderwijs in financiële planning, iedere gemeente moet een Geldloket instellen voor gratis onafhankelijk financieel advies en we beperken het aanbod en reclame voor gokken.

    7.      Gemeentelijke vroegsignalering van risicovolle/problematische schulden wordt verplicht.

    8.      Incasso vanuit overheid naar huishoudens met schulden wordt georganiseerd met één loket en één sociale beleidslijn, zonder hoge boetes en rentes en met kwijtschelding na maximaal drie jaar. Gemeentelijke Kredietbanken mogen maximaal rente rekenen tegen hun kostprijs en private incassobureaus met woekerrentes pakken we aan door ontneming van vergunning. De wettelijke maximumrente op schulden wordt verlaagd van 13% naar3%.

    9.      De bestaande regelingen voor schuldhulpverlening (SHV) worden geïntegreerd in een nieuw gemeentelijk stelsel, met meer verplichtingen en instrumenten voor gemeenten en meer uitvoeringsbudget. Er komt een toelatingsrecht tot SHV, een bindend schuldenmoratorium, een individueel hulpverleningsplan, gemeentelijke bewindvoering en budgetbeheer, en een betere rechtspositie van de schuldenaren. Na drie jaar worden resterende schulden kwijtgescholden. Bij onvoldoende medewerking van schuldenaar wordt deze termijn verlengd.

    10.  Er komt een eenmalig schuldenpardon.

    II.              Werk blijft belangrijk, we maken werk van goed werk

    11.  We maken een eigentijds Plan voor de Arbeid gericht op maximaal 3% onvrijwillige werkloosheid, oplossen van tekorten aan arbeid, goed en eerlijk werk.

    12.  We investeren 15 miljard euro structureel extra geld in 300.000 extra banen en betere beloning in de publieke sector (onderwijs, zorg, veiligheid, etc.).

    13.  De grote investeringen die nodig zijn en die we dus gaan uitvoeren voor met name de duurzaamheidstransities en de oplossing van de woningnood worden voorzien van verplichtende voorwaarden voor veel meer banen, waarbij waar nodig mensen van werk naar werk garantie krijgen.

    14.  Investeer in ambitieuze robotagenda voor beter werk

    15.  Gerichte prikkels voor meer werk bij werkgeverslasten: hogere, gedifferentieerde franchise, collectieve verzekering ZW voor MKB in 1e half jaar, premiedifferentiatie WW en eerste half jaar WW volledig voor rekening van WW

    16.  Er komt een afdwingbaar recht op werk met een recht op gratis bemiddeling naar (ander, meer) werk:

    a)     In plaats van verplichten, verbieden en sanctioneren gaan we naar motiveren, verleiden, faciliteren en belonen, met een geïntegreerde aanpak in een persoonlijke benadering.

    b)     Bij de uitkering op sociaal minimumniveau verdwijnt de plicht tot werk. Bij de WW blijft die plicht er wel, maar ook daar gaan we ons meer richten op motivering & verleiding, facilitering & beloning.

    c)      De bemiddeling naar werk komt in plaats van bij het UWV en gemeenten bij regionale werkwinkels. Er is één loket voor alle regelingen, waarbij de professionele arbeidsbemiddelaar veel regel- en budgetvrijheid krijgt.

    d)     We investeren in goede, professionele ondersteuning, en er komt een keurmerk voor goede arbeidsbemiddeling.

    e)     De regie bij arbeidsbemiddeling komt bij de werkzoekende en de werkgever te liggen.

    f)      Werken zonder loon, waaronder de tegenprestatie, wordt uitgesloten als instrument. We stoppen met het uitgangspunt van wederkerigheid.

    g)     Arbeidsbemiddeling moet ook veel meer proactief zijn, gericht op behoud van werk. Onvrijwillige werkloosheid door gezondheidsproblemen en/of door verandering en/of beëindiging van werk moet zoveel mogelijk worden vermeden. Scholing moet nadrukkelijk tot het instrumentarium behoren.  

    h)     Arbeidsbemiddeling moet inclusief zijn, dus prioriteit geven aan mensen die wel willen, maar kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt en/of moeilijk zelfstandig aan het werk komen, en gericht op het wegnemen van belemmerende factoren naar werk. 

    i)       Bemiddeling richt zich op betaalde arbeid, werk wat voldoet aan de eisen van goed en eerlijk werk, maar desgewenst ook op vrijwilligerswerk. Prioriteit ligt bij werkzoekenden die niet zelfstandig aan werk komen, maar daartoe wel potentieel hebben en dat ook willen. De minderheid die echt niet wil of kan, al dan niet wegens zorgtaken of vrijwilligerswerk, laten we met rust.

    17.  Er komt een afdwingbaar recht op gesubsidieerde duurzame arbeid, met publieke basisbanen, op maat naar hun mogelijkheden, ten behoeve van mensen die geen regulier werk kunnen vinden ondanks alle ondersteuning, voor maatschappelijk nuttige taken die nu blijven liggen, met een vaste aanstelling en een volwaardige beloning en rechtspositie.

    18.  Voor werkloze ouderen (57-plus) worden forse kortingen gegeven bij hervatting van betaald werk – 100% in eerste jaar en 50% bij tweede jaar, onder voorwaarde van een vaste aanstelling.

    19.  We voeren fiscale dienstencheques in, waardebonnen waarmee particulieren met groot fiscaal voordeel huishoudelijke diensten van laaggeschoolden kunnen kopen.

    20.  In de publieke sector gaan we betaald werk, met name voor laaggeschoolden, als doel in zichzelf, beschouwen. We herstellen de uit oogpunt van bedrijfsmatige efficiëntie wegbezuinigde banen voor laaggeschoolden en splitsen banen waar daardoor extra banen voor laaggeschoolden ontstaan. Privatiseringen en verzelfstandigingen waarbij werk verdwenen is en/of waarbij verslechtering van arbeidsvoorwaarden plaatsvond, draaien we terug. In de banenplannen voor de publieke sector, onderdeel van ons Plan van de Arbeid, worden aparte doelstellingen opgenomen voor laaggeschoolde arbeid.

    21.  De facilitering van mensen met een arbeidsbeperking bij het vinden en behouden van betaald werk en van werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen wordt fors uitgebreid:

    a)     SW-bedrijven worden als expertcentra gekoppeld aan de regionale werkwinkels. Iedere werkwinkel moet zo’n expertcentrum hebben. Zij moeten worden omgevormd tot sociale ontwikkelingsbedrijven, die iedereen met een arbeidsbeperking (ook gedurende WW en WIA) die dat wil, helpt aan en ondersteund bij passend betaald werk, en altijd een werkvangnet biedt.

    b)     De ondersteuning vindt ook hier plaats onder regie van de werkzoekende en de werkgever.

    c)      Er worden daartoe substantiële extra middelen ter beschikking gesteld. Begeleiding van mensen met een arbeidsbeperking en hun werkgevers vraagt aanvullende, hoge competenties. Daarin wordt fors geïnvesteerd. Ervaringsdeskundigen worden uitgebreid betrokken.

    d)     De SW-bedrijven worden opnieuw opengesteld voor nieuwe instroom voor mensen met een beperking.

    e)     De bestaande rechtspositieongelijkheid tussen verschillende groepen van SW-werknemers wordt beëindigd door iedereen een goede cao-rechtspositie te geven. De SW-instellingen krijgen daartoe voldoende Rijkssubsidie.

    f)      Werkgevers moet het gemakkelijk en aantrekkelijker gemaakt worden om mensen met een beperking in dienst te nemen en te houden, door een proactieve, faciliterende dienstverlening met zo weinig mogelijk bureaucratie.

    g)     De bestaande regelingen voor facilitering van werk aan mensen met een arbeidsbeperking (zoals garantiebanen en beschut werk, jobcoach, no-riskpolis bij ziekte, subsidie voor aanpassing van de werkplek en loonkostensubsidie) worden geïntegreerd in één regeling.

    h)     De dienstverlening is gericht op individueel maatwerk voor de betrokken werkzoekende of werknemer en de betrokken werkgever, met een ruime regel- en bestedingsvrijheid voor de arbeidsbemiddelende professional, zonder aparte toegangsvoorwaarden voor ieder instrument. De persoon met een arbeidsbeperking en de werkgever hebben steeds maar één contactpersoon, voor alle vragen en ondersteuning

    i)     De rechtspositie van mensen met een arbeidsbeperking wordt versterkt, met betere klacht- en beroepsrecht, en gratis rechtshulp en professionele cliëntenondersteuning. Keuringen worden onafhankelijk ingericht – keuringsartsen krijgen een onafhankelijke rechtspositie en keurmerk.

    j)       De ondersteuning blijft duurzaam beschikbaar voor zowel de werkende met een arbeidsbeperking als zijn werkgever.

    k)     Speciale aandacht en extra begeleiding is nodig voor jongeren met een beperking, en de aansluiting van hun praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs (vso) op betaald werk.

    l)       De plicht van private en publieke werkgevers om garantiebanen volgens de Quotumwet te realiseren blijft in stand, waarbij de eisen aan die banen verscherpt worden tot vaste banen van voldoende omvang. Detachering vanuit SW-bedrijven telt niet meer mee als garantiebaan voor de banenafspraak. De handhaving wordt verscherpt. Per sector en bij grote werkgevers per bedrijf of instelling komt er een quotumheffing als de doelstellingen niet tijdig worden behaald. Deze doelstellingen worden afgeleid in een oplopend tijdschema van de huidige doelstellingen in de banenafspraak (125.000 extra, dus nieuwe banen voor mensen met een arbeidsbeperking in 2026 t.o.v. begin 2013).

    m)   Werkenden met een beperking krijgen altijd het normale, geldende loon bij die werkgever in die functie en tenminste het minimumloon of het geldende cao-loon – en rechtspositie. Werkgevers kunnen voor productiviteitsverlies een loonkostensubsidie krijgen. Deze loonkostensubsidie wordt weer afgestemd op het functieloon in plaats van op het minimumloon. Loondispensatie (waarbij loon wordt aangevuld met een uitkering, zoals nu in de Wajong) wordt afgeschaft.

    n)     De ambities voor beschut werk worden niet naar beneden bijgesteld. Beschut werk wordt integraal onderdeel van arbeidsbemiddeling aan de basis van de arbeidsmarkt, een vorm van een basisbaan, waarbij dagbesteding en zorg naadloos moet kunnen aansluiten. Ook bij beschut moet er een aparte cao komen en is de inzet duurzaam, dus vast werk.

    o)     De bestaande systemen met loonwaarde berekening en doelgroepenregister worden geschrapt. Voor beiden komt er een sterk vereenvoudigende landelijke systematiek met grote uitvoerende vrijheid voor de arbeidsbemiddelaar en een sterke rechtspositie van mensen met een arbeidsbeperking om toe te passen. Mensen in het register krijgen een uitschrijvingsrecht dat altijd hersteld kan worden.

    p)     Hoger opgeleiden moeten bemiddeld worden naar passende functies, ook om verdringing van lager opgeleiden te voorkomen. Ook hier moet aanvullende of nieuwe scholing actief aangeboden worden waar dit nuttig is. De ondersteuning is ook beschikbaar om die scholing mogelijk te maken. En waar nodig moeten ook vervoersoplossingen ingezet worden.

    q)     We voeren verplichtende regels in voor overheden en instellingen in de publieke sector om bij aanbestedingen normen voor realiseren van werk voor mensen met een arbeidsbeperking te eisen en te handhaven (social return on investment).

    r)      We gaan de uitvoering van het VN-verdrag handicap op het punt van economische, sociale en culturele rechten – zoals het recht op wonen, onderwijs en zorg – versnellen. De fysieke en digitale toegankelijkheid, ook in publieke ruimten, het openbaar vervoer, media, sport, cultuur en andere gesubsidieerde voorzieningen en in sectoren als de horeca en recreatie en publieke evenementen gaan we uiterlijk in 2025 verplichtend en afdwingbaar wettelijk vastleggen. Er komt een speciale subsidieregeling voor de noodzakelijke aanpassingen. Woningbouwnormen worden aangepast voor levensloop en handicap bestendig wonen. Bij gemeenten moet men meer snelheid maken en we investeren in gemeentelijke professionele ondersteuning van mensen met een beperking.

    s)      De uitzondering in de ondertekening van het verdrag voor Caribisch Nederland wordt opgeheven en we ratificeren ook het Facultatieve Protocol bij dit VN-verdrag. De door de regering afgegeven interpretatieve verklaringen bij het Verdrag worden in overeenstemming met de kritiek van het Nederlands Comité voor de Rechten van de Mens ingetrokken.

    22.  De Arbeids Inkomens Quote (AIQ) moet omhoog. Naast meer banen en meer mensen aan het werk bereiken we dat door de lonen substantieel te laten stijgen. Naast de verhoging van het minimumloon en structurele verhoging van lonen in de publieke sector zetten we in op een verdere loonsverhoging van de lonen van gemiddeld 5% voor de periode 2021-2024, met een vaste verhoging in euro’s als basis.

    23.  We zorgen voor eerlijke beloningsverhoudingen:

    a)     Met een Wet op maximale beloningsverschillen stellen we maximumnormen voor de verhouding tussen het hoogste en laagste loon binnen één bedrijf of instelling, bijv. dat de best en slechtst verdienende werkende niet meer dan twintigmaal mogen verschillen. Alleen met instemming van de OR kan daar een uitzondering op worden gemaakt. Iedereen telt mee, ook ingehuurde werkenden en bestuurders. En alle inkomensbestanddelen tellen mee, ook bonussen, pensioenen, extra uitkeringen en loon in natura (vervoersmiddelen, etc.);

    b)     Uitzonderingen op de Balkende-norm – een maximumbeloning in de publieke sector ter hoogte van het salaris van de minister-president – worden per direct geschrapt. Gouden handdrukken bij beëindiging dienstverbanden worden met 80% belast en variabele beloning wordt aan wettelijke beperkingen onderworpen. Bestuurders en toezichthouders mogen geen aandelen van eigen bedrijf meer ontvangen als bonus;

    c)      We schaffen het Lage Inkomens Voordeel (LIV) van werkgevers af;

    d)     We voeren alsnog een verplichte vermogensaanwasdeling in voor werknemers bij bedrijven, dat we zo vormgeven dat daarbij voor deze werknemers ook steeds meer zeggenschap ontstaat;

    e)     We zorgen voor een wettelijk afdwingbaar gelijke beloning voor gelijk werk, naar IJslands voorbeeld, en voor een verplichtend quotum van 40% voor vrouwen in topfuncties bij grote bedrijven en in de publieke sector.

    24.  We maken een einde aan de doorgeslagen flexibilisering van werk en herstellen de norm van goed werk als vast werk. Hoofdlijn is het duurder maken van flexwerk en het beter reguleren van flexwerk, met meer zekerheid voor alle werkenden, ongeacht in welke rechtsvorm ze werken, en daarmee herstel van het draagvlak van sociale verzekeringen en collectieve voorzieningen. De voorstellen van de commissie Borstlap voor het flexibiliseren van vast werk (o.m. legalisering van eenzijdig deeltijdontslag, eenzijdig wijzigen arbeidsovereenkomst over omvang, plaats en functie van werk door werkgever, minder ontslagbescherming, beperking loondoorbetaling bij ziekte van 2 naar 1 jaar) zijn voor ons onder geen voorwaarde acceptabel. Wel omarmen we de meeste voorstellen van de commissie over het reguleren van flexwerk.

    Concreet:

    a)     We voeren verdere premiedifferentiatie in voor WW-, WIA- en ZW-premies om flexwerk duurder te maken;

    b)     Voor flexwerk komt er een 10% hoger minimumloon;

    c)      Er komt een minimumtarief van € 30 per uur voor zelfstandigen zonder personeel (zzp);

    d)     Uitzendkrachten en andere werknemers binnen arbeidsrechtelijke driehoeksrelaties krijgen dezelfde (primaire en secundaire) arbeidsvoorwaarden als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de onderneming waar de werknemer feitelijk werkzaam is. De huidige mogelijkheid om bij collectieve arbeidsovereenkomst af te wijken van de hoofdregel dat voor uitzendkrachten hetzelfde arbeidsvoorwaardelijke regime toegepast moet worden als bij de inlener, wordt geschrapt;

    e)     De ‘ketenregeling’ wordt weer beperkt van drie naar twee jaar (als je langer bij een werkgever in dienst bent, dan moet je in vaste dienst worden genomen), met uitzondering voor seizoensarbeid;

    f)      Loondoorbetaling bij alle flexwerk moet altijd plaatsvinden als er niet wordt gewerkt vanwege een oorzaak die ligt in de risicosfeer van de werkgever – de huidige mogelijkheden om dat niet te hoeven doen worden uit de wet geschrapt;

    g)     Alle flex-arbeidscontracten moeten in het vervolg altijd tenminste een minimum vast aantal arbeidsuren per kwartaal omvatten per kwartaal, waarover loon wordt voldaan, met de eis van loonspreiding. Hiermee worden nul-urencontracten verboden;

    h)     We beperken het aantal mogelijke arbeidscontractvormen voor werkenden tot drie:

    -arbeidsovereenkomsten voor werknemers die voor bepaalde of onbepaalde tijd werken in dienst van een werkgever;

    -overeenkomsten voor zelfstandigen die werken voor een opdrachtgever voor eigen rekening en risico;

    -uitzendovereenkomsten voor werknemers in dienst van een uitzendbureau die tijdelijk voor een derde partij werk verrichten dat niet of moeilijk voorzienbaar is;

    i)     De manier waarop het werk feitelijk wordt uitgevoerd gaat de contractvorm bepalen, de wil van partijen is daarbij niet langer relevant. Bij de beoordeling wordt het bestaan van een gezagsrelatie bepalend. Daarbij wordt niet langer het toezicht en de leiding van de werkgever centraal gesteld, maar de inbedding in de organisatie van de werkverschaffer, waaronder of de activiteiten behoren tot de reguliere activiteiten van de onderneming of organisatie waar deze worden verricht. Er geldt een ‘werknemer, tenzij’ benadering – wanneer arbeid persoonlijk en tegen beloning wordt verricht, is sprake van een werknemer tenzij door de werkgevenden (opdrachtgever) kan worden aangetoond dat de werkende een zelfstandige betreft. Dit impliceert een omkering van de bewijslast in vergelijking met de huidige situatie;

    j)     Om oneigenlijk gebruik van driehoeksverhoudingen – zoals payrolling, contracting, detachering of uitzending – tegen te gaan, wordt de feitelijk werkgever ook de juridische werkgever. Dat impliceert tevens dat de daar geldende arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn. Er zijn twee uitzonderingen hierop:

    -bij uitzending voor tijdelijk werk blijft het werkgeverschap bij het uitzendbureau (inclusief een lichter ontslagregime, behoudens in geval van ziekte) voor een periode van maximaal een half jaar. De uitzendwerknemer moet echter wel tenminste de arbeidsvoorwaarden krijgen die ook de eigen werknemers van de opdrachtgever van het uitzendbureau ontvangen. Uitzendwerk moet ook echt tijdelijk zijn: de ketenregeling van maximaal twee jaar is van toepassing – werkt men langer bij een opdrachtgever, dan komt hij in dienst van de opdrachtgever. Uitzendbureaus krijgen voorts een vergunningplicht om de handhaving van het arbeidsrecht, de fiscaliteit en het sociale verzekeringsrecht te vergemakkelijken. We gaan fors investeren in die handhaving nu er veel aanwijzingen zijn voor grote misstanden;

    -bij detachering en contracting geldt het uitgangspunt dat het werkgeverschap van de uitbestedende opdrachtgever op wiens locatie het werk verricht wordt van toepassing is, tenzij kan worden aangetoond dat de werknemer (a) onderdeel is van de organisatie van de partij die hem inzet bij de opdrachtgever en (b) activiteiten verricht die (ook) behoren tot de reguliere ondernemingsactiviteiten van de partij die hem inzet bij de opdrachtgever;

    k)    Bij platformbedrijven (bemiddelingsbureaus) die betrokken zijn bij het beheer van de geldstroom van de betaling voor de werkzaamheden worden zij ook verantwoordelijk voor de afdrachten van (loon)belasting en/of premies. Dit draagt bij aan het bestrijden van de ontduiking daarvan bij dit werk en zorgt ervoor dat deze bedrijven niet alleen voordelen genieten maar ook verplichtingen krijgen in relatie met de arbeid die na hun bemiddeling wordt verricht. Ook bij bemiddeling van zelfstandigen moet de bemiddelde partij de fiscale afdrachten gaan verrichten. Daarenboven gaan we bij deze platformbedrijven invoeren dat degenen die het werk verrichten werknemers zijn, tenzij het platformbedrijf kan aantonen dat zij geen werkgever is als bedoeld onder i). Een platform dat de financiële en administratieve verplichtingen verbonden aan de overeenkomst tussen platform en platformwerker, of tussen platformwerker en de gebruiker van het platform, op zich neemt is een werkgever dan wel een uitzendwerkgever, tenzij het platform kan aantonen dat zij niet zelf een zelfstandige en inhoudelijke rol spelen bij de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst en de werkzaamheden van de platformwerker behoren tot de onderneming van het platform;

    l)     Er komt een arbeidsombudsman, een publiek loket waar op een laagdrempelige manier onafhankelijk en gratis informatie en advies verkregen kan worden over de rechten van werkenden en de effectuering daarvan;

    m)  Alle werkenden gaan op gelijke wijze meebetalen aan onze collectieve voorzieningen, inclusief het Zekerheidsinkomen, door arbeid voor alle werkenden – inclusief zelfstandigen – gelijk te belasten. Concreet betekent dit dat de huidige fiscale ondernemingsfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) en ondernemersfaciliteiten (incl. die voor DGA’s[3]) vervallen. De DGA gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap als arbeidsinkomen (meer hierover in hoofdstuk IV). Zelfstandigen zonder personeel worden verplicht om zich aan te sluiten bij een verplichte collectieve aanvullende pensioenvoorziening, en moeten daarover premie betalen, en aan de premie voor de studievouchers (zie hierna). Ook flexwerkers komen vanaf dag één onder een verplicht collectief aanvullende pensioenregeling vallen;

    n)   De transitievergoeding moet al vanaf dag één bij flexwerkers worden opgebouwd, en niet vanaf twee jaar zoals nu.

    o)   De Arbowet gaat ook dezelfde materiële bescherming geven voor ZZP-ers;

    p)   De collectieve regeling voor ziekteverzuim voor MKB gaat alleen gelden bij vast werk;

    q)   In de publieke sector voeren we een plicht in tot vast werk, tenzij beargumenteerd kan worden waarom dat niet kan. Dit geldt ook in subsidierelaties en aanbestedingseisen. Dit impliceert o.m. een verbod op alfahulpconstructies in de thuiszorg. De aanbestedingen en bekostiging moeten uitgaan van een normale cao en niet leiden tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden, op straffe van dat ze onverbindend worden verklaard. Uitzonderingen op de norm van vast werk moeten gemotiveerd worden en deze zijn vatbaar voor beroep;

    r)    Het laten uitvoeren van regulier werk door stageairs zonder normale beloning, al dan niet reeds afgestudeerd, wordt verboden en streng gehandhaafd.

    25.  We gaan meer investeren in beroepsonderwijs en in scholing voor werkenden. Het aanbod en de inrichting van het initieel beroepsonderwijs moet beter afgestemd worden op de vraag van werkgevers. We gaan het werkend leren en stages extra bevorderen met een aparte studiekostenregeling en ondersteuning van werkgevers. ROC’s (mbo-instellingen) met veel leerlingen uit achterstandsituaties ontvangen gericht extra overheidsgeld om voortijdig schooluitval te voorkomen. De leerplicht wordt verlengd totdat er een startkwalificatie is behaald, behoudens waar er door een beperking dat niet haalbaar is.

    26.  Er komt voor iedereen bij geboorte migratie na gelijkstelling aan of verkrijging van Nederlanderschap of bij een gelijk aantal leerrechten. Gebruik van funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs) is gratis en kost geen leerrechten. Gebruik van initieel tertiair onderwijs kost leerrechten, waarbij hoe hoger het niveau, het meer leerrechten kost. Les- en collegegeld wordt afgeschaft, maar in het hoger onderwijs komt er wel een studieheffing na afloop van de studie, gerelateerd aan het dan verdiende inkomen en de genoten studieduur (zie hoofdstuk VII). Bij migratie op latere leeftijd is er correctie op leerrechten, afhankelijk van genoten vooropleiding. De leerrechten kunnen na initieel onderwijs gebruikt worden voor bij- en nascholing of voor omscholing. Iedere werkende krijgt periodiek een loopbaan-APK bij een regionale werkwinkel, met gratis advies over te volgen scholing. Daarbij is er ook een gezondheidscheck, gericht op het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid, met eventueel advies voor en ondersteuning bij aanpassingen van werk(plek). Volgen van scholing wordt in de beloningssystematiek beloond. Werkzoekenden kunnen leerrechten inzetten voor scholing richting betaald werk. De transitievergoeding kan vrijwillig geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor leerrechten. Gedurende de loopbaan worden leerrechten weer aangevuld. De financiering van de leerrechten geschiedt tripartite door de overheid en een werkgevers- en werknemerspremie. De bestaande sectorale opleidingsfondsen worden geïntegreerd in het nieuwe leerrechtensysteem. Ook de gelden voor duurzame inzetbaarheid uit het pensioenakkoord (800 miljoen euro) moeten hierbij betrokken worden – deze gelden worden (anders dan in het pensioenakkoord) structureel gemaakt.

    26.  We gaan werk eerlijker verdelen en daardoor ook meer ruimte geven voor goede balans van werk en andere tijdsbesteding, minder overbelasting, en voor eerlijker verdelen van zorgtaken. We voeren een verplichte collectieve arbeidstijdverkorting in met een 32-urige werkweek (te verdelen over vier of vijf werkdagen). Tot en met anderhalf modaal wordt bij de omzetting het huidig inkomen gegarandeerd. Daarnaast vergroten we het volledig betaald zorgverlof naar 10 dagen kraamverlof en 4 maanden ouderschapsverlof voor beide partners. Iedere partner krijgt een individueel recht daarop. Bij niet opname daarvan vervallen bij die ouder vakantiedagen. Een eerlijke verdeling van werk tussen mannen en vrouwen en goede economische zelfstandigheid en bestaanszekerheid van vrouwen vraagt ook een grotere mate van arbeidsparticipatie van vrouwen. Dat helpt daarnaast ook bij het oplossen van tekorten op de arbeidsmarkt. We gaan banen in de publieke sector in beginsel als voltijds aanbieden en dat fiscaal voor werkgevers en werknemers aantrekkelijker maken. De kinderopvang gaan we volledig uit de belastinginkomsten financieren, publiek organiseren zonder marktwerking en uitbreiden tot een voorziening gekoppeld aan scholen, die tenminste van 7-19 uur beschikbaar is. We schrappen de huidige eigen bijdragen (zie ook hoofdstuk VII). De kinderopvangtoeslag kan dan verdwijnen. De kinderbijslag en het kindgebonden budget worden geïntegreerd in een nieuwe inkomensafhankelijke kinderbijslag.

    27.  Alle werkenden krijgen een collectief aanvullend pensioen. Er komt een wettelijke verplichting om per instelling/bedrijf of per bedrijfstak zo’n pensioen te regelen in overleg met de vakbonden. Alle werkenden worden deelnemers, ongeacht leeftijd en contractsvorm (dus ook zzp-ers en alle flexwerkers). Er komen geen keuzemogelijkheden bij de opbouw en uitbetaling van het aanvullend pensioen, met uitzondering van de mogelijkheid dat pensioenfondsen hypotheken kunnen verstrekken aan hun deelnemers, waarbij deze deelnemers kunnen kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van hun woning, in ruil voor een lagere pensioenuitkering. De doorsneepremie blijft in stand. We vergroten de zekerheid van het aanvullend pensioen en de indexering daarvan – naast het effect van een hogere AOW – door de bredere premiegrondslag (alle werkenden en hun werkgevers gaan premie betalen) en een regulering van het vermogensbeleid. Dat moet – met normen die tevens de ecologische en sociale duurzaamheid van de beleggingen bevorderen – de risico’s bij dat vermogensbeleid zodanig verminderen dat een lagere rekenrente (ca. 2%) verantwoord is. We gaan niet over tot een jaarlijkse en directe toepassing van kortingen of afzien van indexering bij onvoldoende dekkingsgraad, maar willen dat doen op basis van meerjarige, duurzame cijfers.

    28.  De bevriezing van de AOW-leeftijd op 66 jaar en vier maanden uit het Pensioenakkoord wordt verlengd van 2022 naar 2030. Daarna gaan we over naar een systematiek waarbij de AOW-leeftijd meebeweegt met de helft van de verandering van de gemiddelde levensverwachting (in plaats van met een derde van die verandering, zoals het Pensioenakkoord stelt). We maken eerder stoppen met werk mogelijk voor lagere en middeninkomens na 45 jaar werken en voor mensen die een bepaalde, bij cao vast te stellen minimumduur werken in beroepen waar statistisch gezien een significant hogere vroegere sterftekans en kans op eerdere arbeidsongeschiktheid is. De kosten daarvan verhalen we door een lagere franchise in de werkgeverslasten bij deze beroepen – dat geeft een goede prikkel om werken gezonder te maken. Voor deze groepen, en ook voor iedereen vanaf 65 jaar komt er ook een mogelijkheid om ook met deeltijdpensioen te gaan, waarbij volledig AOW uitbetaald wordt. Door de aanpassingen in het belastingstelsel (hoofdstuk IV) zorgen we dat dit netto in besteedbaar inkomen positief uitwerkt voor mensen die daar gebruik van maken, en meer naarmate het inkomen lager is. Werkgevers mogen het brutoloon aan deze werknemers verminderen met deze AOW-uitkering. Dat is in feite een loonkostensubsidie voor oudere werknemers, waarmee het voor werkgevers aantrekkelijker wordt om ouderen langer te laten doorwerken.

    29. We schaffen de fiscale expatregeling af.

    30. We bestrijden oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden en uitbuiting van arbeidsmigranten. Met een betere handhaving en verscherping van regels. We streven daarbij naar aanpassing van de Europese detacheringsrichtlijn en vooruitlopend daarop passen we zoveel mogelijk nationale regelgeving al daarop aan. Tijdelijke huisvesting voor seizoenarbeiders wordt streng gereguleerd. Het WWS is van toepassing en er komt een maximale huur gerelateerd aan het besteedbaar inkomen (zie hoofdstuk V). De rechtspositie van de huurder wordt versterkt. Er komt een vergunningplicht voor uitzendbureaus.

    III.            Migratie en integratie effectief en rechtvaardig reguleren

    31.  Vluchtelingen komen naar Europa en ons land omdat ze in eigen land niet veilig zijn, door oorlog of vervolging. Dat vraagt om een zelfbewuste Europese Unie, die effectief en proactief vrede, de universele mensenrechten en de democratische rechtsstaat bevorderd en zo nodig handhaaft – met soft en zo nodig ook hard power. De EU moet een gezamenlijk buitenlands beleid voeren, en naar een gezamenlijke defensie toewerken, binnen NAVO-verband. Het bestrijden van ongelijkheid in de wereld, het helpen voorkomen en bestrijden van ecologische crises en het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (Substainable Development Goals)[4] moet – naast vrede, mensenrechten en democratische rechtsstaat – de kern vormen van ons buitenlands beleid.[5]

    32.   De toelatingscriteria en -procedures van vluchtelingen moeten eerlijker en meer onafhankelijk worden. De lijst van veilige landen moet onafhankelijk worden vastgesteld. Procedures moeten niet moedwillig vertraagd worden om vluchtelingen en hun gezinsherenigers te ontmoedigen. Als beoordeling asielverzoek langer dan wettelijke termijn (meestal 6 maanden) duurt dan verkrijgt aanvrager een vergunning, tenzij de vertraging aan hem te wijten is.  Illegale migranten en afgewezen asielzoekers sturen we terug naar land van oorsprong. Als je niet terug kan omdat je land van oorsprong je niet toelaat, moet je een aparte tijdelijke vergunning krijgen. We sluiten geen migranten op, tenzij ze een misdrijf begaan. Kinderen die hier geboren zijn of al tenminste 5 jaar hier wonen, moeten als regel met hun verzorgende ouder(s) een verblijfsvergunning krijgen. De asielopvang in ons land wordt vergroot, met meer kleinschalige opvang en betrokkenheid van de buurt, de veiligheid wordt verbeterd en er komt goede gratis dagbesteding en scholing.

    33.   We streven naar een nieuw gezamenlijk EU-asiel en migratiebeleid. Zolang dat nog niet gerealiseerd is gaan we nationaal, of met een aantal gelijkgestemde lidstaten, al een nieuw beleid vormgeven en implementeren. Asielaanvragen gaan we faciliteren aan de buitengrenzen van de EU, op internationale (lucht)havens en in vluchtelingenkampen in Afrika en Azië. Daar komen asielkantoren die vluchtelingen registreren, beoordelen en screenen. De asieldruk op onze buitengrenzen en (lucht)havens beperken we door jaarlijks veel meer vluchtelingen uit de kampen toe te laten, die veilig gratis naar EU gebracht worden. Nationaal beginnen we met 10.000 per jaar voor de komende kabinetsperiode. Toelating geschiedt zoveel mogelijk naar de lidstaat van keuze van de vluchteling. De lasten worden in EU-verband naar draagkracht eerlijk over alle EU-lidstaten verdeeld. Het Dublin-verdrag vervalt daarmee. Daarnaast vergroten we de financiële hulp aan vluchtelingenkampen.

    34.   Arbeidsmigratie vanuit buiten de EU gaan we faciliteren en reguleren. We zullen structureel tekorten aan arbeid hebben als we dat niet doen. We richten ons daarbij vooral op Afrika, waar nu veel illegale arbeidsmigranten naar Europa trekken. Lidstaten stellen programma’s vast voor in welke sectoren of beroepen arbeidskrachten nodig zijn, welke eisen daarbij gesteld worden en welke ondersteuning daarbij geboden wordt. We zetten Europese arbeidsbureaus op in Afrika voor werving en selectie van arbeidsmigranten, waarbij een veilige en gratis reis gegarandeerd wordt, en scholing gefaciliteerd wordt. Deze arbeidsmigranten krijgen een tijdelijke verblijfsvergunning met beperkte toegang tot sociale zekerheid (wel zorg, geen bijstand). Tijden hun verblijf krijgen migranten scholing en ondersteuning bij de voorbereiding van hun terugkeer. Blijft men langer dan vijf jaar, dan kan de vergunning door de lidstaat omgezet worden in een definitieve verblijfsvergunning met volledige rechten. Terugkeer wordt gekoppeld aan bilaterale hulpprogramma’s voor de landen van herkomst – een soort Marshallplan voor Afrika.

     

    35.   De Wet Inburgering 2021 gaan we op een aantal punten aanpassen:

    -de leerroutes worden allemaal gratis, en ze worden niet aanbesteed maar door gemeenten via subsidierelaties georganiseerd, er komen landelijke kwaliteitsnormen en inspectie daarop en er komen ook betere mogelijkheden om van niveau te wisselen,

    -huisvesting en plaatsing vindt plaats waar ook werk is,

    -geen dwang en sancties, maar motivering en facilitering: geen verplicht vrijwilligerswerk maar verplicht aanbod voor participatie en betaald werk, afronding inburgeringsscholing wel als voorwaarde voor definitieve verblijfsvergunning, persoonlijk plan voor inburgering en participatie wordt afhankelijk van instemming statushouder met inhoud daarvan,

    -het ‘financieel ontzorgen’ moet maatwerk zijn – de termijn van zes maanden moet verkort en verlengd kunnen worden, maar wel met betere rechtsbescherming van de statushouder, en in de leerroutes komt ook een verplicht aanbod voor financiële zelfredzaamheid,

    -er komt verplicht aanbod voor onafhankelijke maatschappelijke begeleiding,

    -de wet gaat wat betreft scholing en maatschappelijke begeleiding ook gelden voor andere migranten van buiten de EU. Voor migranten van binnen de EU komt het scholingsaanbod en de maatschappelijke begeleiding ook beschikbaar. Gemeenten moeten dat actief aanbieden. Met het oog op deze aanpassingen wordt de invoering uitgesteld naar 2022. Gemeenten krijgen extra middelen voor een goede uitvoering.

    36.   We gaan integratie veel beter faciliteren en organiseren:

             – Integratie begint met dat andere mensen zich welkom voelen en niet gediscrimineerd worden. We gaan de antidiscriminatie-wetgeving aanscherpen en de handhaving verbeteren – het doelbewust negatief neerzetten van een specifieke groep burgers vanwege hun afkomst, etniciteit, godsdienst, seksuele geaardheid of een beperking, wordt strafbaar. De boetes op uitsluiting van mensen vanwege het behoren tot zo’n groep burgers worden verhoogd. Er komt een aparte Ombudsman voor klachten over discriminatie;

             -De bescherming en handhaving van individuele mensenrechten behoeft eveneens verscherping. Teveel vrouwen en mensen met een andere seksuele geaardheid worden beperkt in de uitoefening van hun rechten. Uithuwelijking, uitsluiting, seksuele verminking, doodsbedreigingen en eerwraak komen nog steeds veel voor, met name in orthodox religieuze gemeenschappen. Seksuele intimidatie en geweld en ander huishoudelijk geweld komt nog steeds breed in onze samenleving voor. De aanpak daarvan moet een financiële en justitiële prioriteit worden, de slachtoffers moeten we beter opsporen en beschermen en we moeten het welzijnswerk er beter op toerusten om slachtoffers te motiveren hulp te zoeken. Activiteiten die gericht zijn op specifieke deelgroepen, zoals vrouwen van een bepaalde afkomst, moeten gestimuleerd worden om een laagdrempelige, veilige omgeving te creëren;

             -Taalbeheersing is enorm belangrijk om mee te kunnen doen. In het in hoofdstuk VII voorgestelde offensief tegen laaggeletterdheid komt aparte aandacht voor activiteiten die speciaal gericht zijn op mensen en vooral ook vrouwen met een andere afkomst, en op hoe deze te verleiden en te motiveren zijn daaraan deel te nemen;

    -Het wijkbeleid in de grote steden moet weer worden opgetuigd, waarbij wooncorporaties een noodzakelijke partner zijn, samen met het terugbrengen van het buurt- en jongerenwerk, aandacht voor veiligheid, scholing, integratie en werk. We gaan hier – net als in apart beleid voor krimpgebieden – fors in investeren. We blazen de welzijnssector weer nieuw leven in met een goede organisatie voor o.m. buurt- opbouw- en jongerenwerk, publieke arbeidsbemiddeling, scholing voor jongeren en volwassenen met o.m. een offensief tegen laaggeletterdheid, schuldhulpverlening en armoedebestrijding. Dat koppelen we ook aan initiatieven voor gezonde leefstijl en goede wijkzorg. Juist in arme wijken is er nu veel zorgongelijkheid. We trekken de Rotterdamwet in, die leidt tot ongewenste gentrificatie van wijken. Wijken met een gedifferentieerde samenstelling bevorderen we niet met discriminatoir verwijderen van arme, kansarme huishoudens, maar door hun te helpen in hun ontwikkeling en perspectief, onder meer door juist in rijkere wijken meer sociale huurwoningen te realiseren. 

    IV.           Een eerlijk, effectief en eenvoudig nieuw belastingstelsel

    37.  We gaan het belastingstelsel drastisch hervormen. Het huidige stelsel vergroot de ongelijkheid, maakt arbeid te duur, veroorzaakt een armoedeval, maakt belastingontwijking te gemakkelijk en loopt vast door zijn complexiteit.[6] Dat moet precies andersom. De belastingmix moet veel evenwichtiger: het aandeel van de belastingopbrengst van belastingen op kapitaal moet omhoog, die op arbeid omlaag. De belastingen moeten leiden tot meer herverdeling van inkomen en vermogen van arm naar rijk. (Meer) werk moet ook weer gaan lonen. En het stelsel moet eenvoudig en eenduidig zijn, ook om ontduiking van belasting tegen te gaan. Het resultaat zal een lastenverlichting voor lage inkomens en een lastenverzwaring voor hoge inkomens, grote vermogens en het grootbedrijf. Per saldo gaat de wijziging tientallen miljarden aan extra belastingopbrengsten opleveren. Dit saldo wordt nog verder verhoogd doordat bij uitvoering van onze Nieuwe Tien over Rood meer werk en meer – duurzame – bestedingen zullen zijn, met dito meer belastinginkomsten. Dit saldo wordt gebruikt voor de financiering van onze overige voorstellen.[7]

    38.  In de inkomsten- en loonbelasting doen we het volgende:

    -we gaan niet naar meer gelijke tarieven, richting vlaktax, maar juist naar meer tariefschijven. Het stelsel moet juist progressiever, met stijgende tarieven naar mate het inkomen stijgt. De laagste inkomens gaan 0% betalen, de hoogste inkomens – bijv. vanaf 2 miljoen euro per jaar – gaan 80% betalen;

    -We gaan ook alle soorten inkomens gelijk belasten (nu betaal je minder over inkomen uit kapitaal dan uit arbeid), en schaffen daarmee het huidige boxenstelsel af. Inkomen uit kapitaal gaat weer belast worden op basis van het werkelijke rendement, niet meer op basis van een fictief rendement;

    -En we schaffen alle vrijstellingen, kortingen en aftrekposten af – deze fiscale voordelen hollen de effectieve tarieven uit, en ze komen vooral terecht bij de hogere inkomens. Daarbij worden de arbeidskortingen vervangen door een arbeidstoeslag voor alleen de lagere inkomens[8] en de hypotheekrenteaftrek door fiscaal gesubsidieerd bouwsparen. De verhuurdersheffing wordt afgeschaft[9];

    – In het huidige stelsel hebben de fiscale partners de vrijheid de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen naar eigen inzicht te verdelen over de respectievelijke aangiftes. In het nieuwe stelsel worden de inkomsten uit vermogen 50/50 over de fiscale partners verdeeld en opgeteld bij hun individuele inkomsten uit arbeid. Ook dit helpt om belastingontwijking te voorkomen. En het vermindert de ongelijkheid met éénverdienershuishoudens, evenals de hiervoor bepleitte afschaffing van aftrekposten;

    -Er komt een negatieve inkomstenbelasting, een uitkering in plaats van een heffing, voor iedereen die minder verdiend dan het sociaal minimum, het Zekerheidsinkomen. Dat sociaal minimum wordt verhoogd doordat we het minimumloon verhogen en de huidige koppeling van het sociaal minimum en het wettelijk minimumloon daarbij handhaven[10];

    -Voorts schaffen we de huidige fiscale toeslagen voor zorg, huur, kinderopvang en het kindgebonden budget af. In plaats hiervan schaffen we de premies in de zorg, het eigen risico in de zorg, en de eigen bijdragen in de zorg en kinderopvang of, verhogen we de kinderbijslag maar maken die inkomensafhankelijk, en stellen we een maximum huur in als percentage (30-35%) van het besteedbaar inkomen;[11]

    -De premies voor de volksverzekeringen (AOW, ANW, WLZ) vervallen, deze kosten worden – net als die van de publieke zorg en de kinderopvang – in het vervolg rechtstreeks door de overheid uit alle belastingopbrengsten gefinancierd. Daarmee verlagen we de lasten op arbeid en worden de lasten eerlijker verdeeld;

    -Deze enorme stelselwijziging zal uiteraard zorgvuldig in stappen gezet moeten worden, waarbij bij de verdere invulling van tarieven de inzet is om te komen tot een verbetering van het besteedbaar inkomen tot ca. anderhalf modaal.

    39.  We voeren een aparte vermogensbelasting in voor miljonairs, bijv. 1% voor vermogens tussen 1 en 2 miljoen en 2% voor vermogens boven 2 miljoen euro.

    40.  De erfenis- en schenkingsbelasting wordt voor grote erfenissen verzwaard. Iedere Nederlander krijgt het recht om gedurende zijn leven 150.000 euro aan erfenissen of schenkingen te ontvangen – van wie dan ook. Alles daarboven wordt met een oplopend tarief belast (zeg: de eerste 500.000 euro met 40 procent, alles daarna met 60 procent). De vrijstelling voor het kopen van een huis voor je kinderen wordt geschrapt. Dat is een onrechtvaardige subsidie van arm naar rijk en verhit de woningnood onnodig. Het apart belastingvrij schenken van bedrijfsvermogen voor bedrijfsopvolgers wordt eveneens geschrapt.

    41.  We stoppen met alle fiscale subsidiëring van schulden, zowel bij huishoudens als bij bedrijven. Bij bedrijven verdwijnt daardoor de bevoordeling van vreemd (geleend) vermogen boven eigen vermogen.

    42.  Er komen vervolgens voor bedrijven hogere in plaats van lagere tarieven vennootschapsbelasting (terug naar de niveaus aan het begin van deze eeuw; van 25 naar 35% resp. van 20 naar 29%) en de dividendbelasting wordt niet afgeschaft, maar substantieel verhoogd. De tarieven maken we meer progressief: hoe hoger de winst en het dividend, hoe hoger het tarief. Voor het mkb verhogen we de tarieven minder sterk. We bevorderen een zo hoog mogelijk Europese vloer in deze belastingen. Ook in deze belastingen vervallen in beginsel alle vrijstellingen, kortingen en aftrekposten, en de mogelijkheden om belasting uit te stellen.

     

    43.  We gaan Directeur-Groot Aandeelhouders (DGA’s) [12] veel zwaarder belasten. Zij profiteren nu ovenevenredig van vrijstellingen en andere fiscale uitzonderingen. We gaan de huidige fiscale ondernemingsfaciliteiten (inclusief de mkb-winstvrijstelling) en ondernemersfaciliteiten (incl. die voor DGA’s) schrappen. De DGA gaan we direct belasten over de winst van zijn vennootschap als arbeidsinkomen. Ook het eigen vermogen van DGA’s moet worden belast boven een bepaalde grens (bijv. eenmaal de jaaromzet) met een gelijk tarief als de inkomstenbelasting bij inkomen uit kapitaal. De aftrekposten voor auto’s, zakenetentjes, e.d. worden geschrapt. Het doorschuiven van vermogens in het successierecht voor ondernemers moet zwaarder worden aangeslagen (zie ook 40). Een bedrijf mag natuurlijk niet kapotgaan als je het doorgeeft, doordat de fiscus langskomt. De maatvoering is nu echter uit het lood, zo is door verschillende fiscalisten al vaak geconstateerd. Er moet nu eindelijk iets aan gebeuren.

    44.  We gaan de belastingontwijking en -ontwijking aanpakken:

    -Rulings (belastingafspraken voor multinationals om dubbele belastingheffing te voorkomen; vaak misbruikt om belasting te ontwijken) worden openbaar zodat ze getoetst en democratisch gecontroleerd kunnen worden.

    -Veel meer belastingcontroles bij bedrijven en grote vermogens (eenmaal per 3 jaar, in plaats van de huidige eenmaal per 40-50 jaar, bij grote bedrijven en bedrijven met groot risico of eerdere fraude ieder jaar).

    -Aanscherpen van vestigingseisen multinationals (o.m. werknemers en kantoor in NL).

    -Belastingverdragen met derdewereldlanden solidair maken en voorzien van antimisbruikbepaling.

    -Bedrijven moeten in concrete aantallen en euro’s in hun jaarverslagen aan gaan geven in welke landen zij produceren, in welke landen zij hun omzet boeken, waar zij investeren en in welk land zij hoeveel belasting betalen. Ook moeten bedrijven meer inzicht geven in hun vennootschapsstructuur.

    -Verscherpen van het toezicht op trustkantoren die nu werken voor brievenbusfirma’s. We saneren de sector met strenge regels en door illegale praktijken harder aan te pakken. Er komt een openbaar register waarin staat wie de eigenaar is van een brievenbusfirma en wie profiteert van constructies via brievenbusfirma’s en trustkantoren.

    V.             We zorgen voor betaalbaar en goed wonen

    45.   We herstellen de brede volkshuisvestingstaak voor het Rijk. Landelijke regie met regionale verschillen is nodig. Er komt weer een minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Duurzaamheid. De markt is bij de enorme woningnood niet de oplossing, maar het probleem. Er is een Nationaal Actieplan tegen de Woningnood nodig, waarbij we per jaar 100.000 woningen bouwen, waarvan tenminste ca. een derde sociale huurwoningen. We zorgen dat procedures om te bouwen sneller verlopen met een speciale Woningcrisiswet. Daarbij moet de kwaliteit van wonen en de verduurzaming van woningen meegenomen worden, evenals de levensloopbestendigheid. Het aanbod moet ook divers zijn en tegemoetkomen aan de vraag van woningzoekenden. Centraal staat het aloude sociaaldemocratische ideaal dat iedereen recht heeft op een goede, betaalbare en passende woning in een buurt die kansen biedt. Huisvesting is meer dan een dak boven je hoofd. En een goede woning is in onze tijd een energieneutrale woning. We bouwen in beginsel niet in groene, open ruimte en natuur, maar vooral in en nabij de steden. Het Rijk en de provincies herkrijgen hun regie- en kaderstellende verantwoordelijkheid, ook wat betreft locaties voor woningbouw, met bijbehorende doordrukmacht. Gemeenten zijn gebonden aan de landelijke en provinciale normen, en de provincies houden toezicht op realisering. Het gaat daarbij om normen in aantallen, betaalbaarheid, kwaliteit (waaronder energieneutraliteit en levensloopbestendigheid), diversiteit en leefbaarheid.

    46.   De benodigde bouwinspanningen vragen een acute investering in de  opleidingscapaciteit voor mensen in de bouw, de installatietechniek en de elektrotechniek. We starten een apart project voor leerwerkbedrijven in de bouw met gemeenten, corporaties en onderwijsinstellingen om de tekorten aan arbeidsplaatsen te helpen op te lossen.

    47.   We gaan het voorkeursrecht van gemeenten voor een actieve grondpolitiek versterken. Gemeenten bestemmen nu veel te weinig grond voor (sociale) verhuur. Gemeentelijke grondbedrijven en grondpolitiek zijn er niet om de financiële positie te verbeteren van de gemeente, maar om de sociale doelstellingen te realiseren. Gemeenten mogen grond niet meer tegen marktprijzen aan woningbouwcorporaties verkopen teneinde lage huren mogelijk te maken. Gemeenten kunnen gronden waarop nog geen definitieve bestemming rust opkopen en de bestemming veranderen van gronden die eigendom zijn van speculanten.

    48.   Erfpachtconstructies passen in linkse grondpolitiek en worden dus eerder uitgebouwd dan afgebouwd. Ze helpen de prijzen van woningen en dus ook de huren laag te houden.

    49.   Gemeenten krijgen meer ruimte om de OZB vorm te geven, met bijv. hogere tarieven bij dure huizen. We willen geen andere verruiming gemeentelijke belastingen teneinde gemeenten met meer lage inkomens te beschermen. Gemeenten krijgen mogelijkheid en meer bevoegdheden om weer zelf te bouwen.

    50.   Het recht op passende, sociale huurwoning in eigen woon- of werkgemeente wordt versterkt, met concrete, meetbare maximale wachttijden. De gemeente moet in de woonvisie aangeven hoe zij die omlaag brengen, met prioriteit voor mensen die urgent een dak boven hun hoofd dreigen te verliezen of al verloren hebben. De gemeente houdt de voortgang daarvan bij en rapporteert daarover openbaar.

    51.   Er komen meer mogelijkheden om met woonvergunningen voorwaarden aan koop en huur te stellen, bijv. met beperking onderverhuur aan toeristen en expats, door bevoordeling inwoners in de gemeente, door bewoningseisen, etc. Ook kunnen gemeenten beperkingen stellen aan kopen voor dure verhuur, bijv. door een maximum prijs per m² in te stellen of kopen voor verhuur gericht toe te wijzen en te verbieden.

    52.   De mogelijkheden voor antispeculatie-bedingen worden vergroot. We voeren een actief anti-woningspeculatiebeleid. Moderne huisjesmelkers pakken we aan. We tolereren niet dat rotte appels het systeem ondermijnen, door bv. teveel mensen in een huis, opsplitsing in piepkleine appartementjes of illegale verhuur via bv. AirBNB. Gemeenten kunnen dan boetes opleggen aan eigenaren die zich niet aan de regels houden en vergunningen intrekken. Er komt een aparte huisjesmelkerstaks: een extra belasting voor iedereen die meer dan tien huizen bezit.

    53.   Gemeenten moeten ook verplicht – al dan niet in regionaal verband – daklozenopvang realiseren. Oorzaken van dakloosheid moeten weggenomen worden: meer GGZ-opvang en -begeleiding; adequaat urgentiebeleid bij toewijzing woningen; vroegsignalering bij ‘life-events’ die risicovol zijn (echtscheiding, werkloosheid, etc.); en een wettelijk verbod op huisuitzetting (zeker bij huishoudens met kinderen) zonder alternatieve beschikbare huisvesting, en wanneer schuldhulpverlening wordt aanvaard. We komen met een noodplan met systeembouw voor woningen voor daklozen, waar daklozen kunnen wonen totdat er een passende reguliere woning voor hen beschikbaar is en zij daaraan toe zijn – Housing First. Vanuit onderdak wordt er passende integrale zorg en begeleiding aangeboden (zoals GGZ, SHV, verslavingszorg, jeugdzorg, etc.).

    54.   We moeten stoppen met alle huidige subsidie aan woningbezit – uiteraard wel in een afbouw naar de mate waarin betaalbare huur ter beschikking komt. Geen hypotheekrenteaftrek meer voor nieuwe hypotheken en een versnelde afbouw van de aftrek voor bestaande hypotheken. De vrijstelling in de erfenis en schenkingsbelasting voor een woning voor kinderen vervalt ook. Doordat we in Nederland mensen enorm subsidiëren om woningen aan te schaffen, liggen de prijzen kunstmatig hoog. De facto betaalt iedereen te veel voor hun huizen. Op kosten van de belastingbetaler. Lees: jij zelf. Er vindt door een hoger besteedbaar inkomen ten gevolge van andere maatregelen in de voorstellen in deze Nieuwe Tien over Rood meer dan ruimschoots compensatie plaats voor het verdwijnen van deze aftrek voor inkomens tot ca. anderhalf modaal.

    Ook verzwaren de normen om in aanmerking te komen voor een hypotheek: je moet zelf meer geld inbrengen. Dat is behalve in ons land overal de norm. De enorme hypotheekschulden geven ook een enorm risico bij een volgende crisis: meer dan twee derde van het juridisch bezit van de 90% huishoudens met de slechtste vermogensposities is inmiddels belegd met schulden. Een nieuwe bankencrisis zal het gevolg zijn. Niet genoeg mensen realiseren zich dat de Nederlandse koopwoningmarkt is gebouwd op extreem royale hypotheekschulden. Prijsopdrijving, blootstelling aan risico’s en meer volatiliteit zijn de gevolgen. Vanuit het buitenland wordt vaak met argwaan gekeken naar dit piramidespel. Veel beter is: langer huren, geld sparen en op latere leeftijd met een kleinere hypotheek kopen (of blijven huren).

    55.   Nederland heeft op macroniveau zowel een flinke koopsector als genereuze pensioenen. Op microniveau zijn het vooral jongvolwassenen die geen van beide hebben. Zij hebben geen toegang tot een koopwoning, en bouwen bovendien nauwelijks pensioen op. Hiervoor liggen twee oplossingen voor de hand.

    Ten eerste zouden de pensioenfondsen meer kunnen investeren in betaalbare huurwoningen. Gezamenlijk zouden ze hiervoor een verhuurorganisatie kunnen oprichten, waarvan zij aandeelhouder worden. Huurwoningen zijn een aantrekkelijke langetermijninvestering voor de pensioenfondsen. Hoewel betaalbare huurwoningen een lager rendement hebben, is het rendement wel stabiel. We gaan dit opnemen in het aan te passen pensioenakkoord.

    Ten tweede zouden de pensioenfondsen kunnen investeren in hypotheken voor hun leden. De leden van het pensioenfonds kunnen dan kiezen om een van rijkswege vastgesteld percentage van hun premie te gebruiken voor het aflossen van hun woning, in ruil voor een lagere uitkering na pensionering. Pensioenfondsen ontwikkelen zich dan tot levensloopfondsen. Op deze manier worden kopen en huren gelijkwaardiger alternatieven. Woningeigenaren bouwen woonvermogen op en hebben een kleiner pensioen, huurders hebben een betaalbare huurwoning en een groter pensioen waarmee ze hun huur kunnen dekken. Voor lage en lagere middeninkomens kan de overheid de keuze voor woonvermogen met een subsidie ook voor hen bereikbaarder maken. Ook dit gaan we opnemen in het pensioenakkoord.

    56.   Een nieuwe crisis op de woningmarkt komt – de vraag is alleen wanneer. Wanneer de woningprijzen dalen is dit in de eerste plaats vervelend voor huishoudens die moeten verhuizen en die een hypotheek hebben die groter is dan de waarde van hun woning. Zij komen met een restschuld te zitten (hiervoor is al voorgesteld deze restschuld voor risico van de hypotheekverstrekker te laten). Voor de overige huishoudens betekent het dat hun woning minder waard wordt, maar ze nog steeds door kunnen stromen naar een duurdere woning (die ook goedkoper geworden is). Het echte probleem is dat een neergaande prijsontwikkeling woningbezitters aanzet tot wachten: ze willen immer niet op het verkeerde moment met verlies verkopen.

    Wat zou helpen is als woningcorporaties en nieuw op te richten coöperaties anticyclisch kunnen interveniëren. Wanneer de prijzen gedaald zijn tot nabij de gebruikswaarde, kunnen zij woningen opkopen. Dit zorgt voor doorstroming op de koopmarkt, stabiliseert de prijzen, en vergroot het coöperatieve segment waar de prijzen gereguleerd zijn. De coöperatie verloot het gebruiksrecht van de woningen vervolgens onder haar leden, waarna de bewoner een aandeel in de coöperatie koopt ter grootte van de gebruikswaarde van de woning. Op deze manier bouwt een bewoner wél vermogen op, maar profiteert hij of zij niet van een eventuele overwaarde. Aan de andere kant wordt het hebben van overwaarde minder belangrijk wanneer bewoners kunnen doorstromen naar andere betaalbare coöperatieve koopwoningen die passen bij de levensfase waarin ze zitten.

    Anticyclische investeringen door coöperaties en corporaties maken de woningmarkt stabieler waardoor de pieken en dalen minder uitgesproken worden. Woningcorporaties zouden er goed aan doen nu alvast een plan te maken voor de volgende ineenstorting van de woonprijzen. Zaadjes voor een nieuw volkshuisvestingssysteem kunnen geplant worden op plaatsen waar ze geen pijn doen voor huidige bewoners en eigenaars, maar waar ze pijn voor toekomstige bewoners kunnen verminderen..

    57.   De overdrachtsbelasting wordt voor starters afgeschaft, behalve voor tweede en meerdere woningen en woningen waar men niet zelf woont – voor deze woningen wordt deze belasting vervijfvoudigd. Woningcorporaties zijn daarbij uiteraard vrijgesteld.

    58.   Het aanbod aan betaalbare huur moet fors vergroot worden. We herstellen de brede sociale huursector:

    a)  We geven woningcorporaties weer de ruimte voor het bouwen van kwalitatief goede en betaalbare huizen, ook voor middeninkomens (tot tweemaal modaal, ca. 75.000 euro).

    b)  De plannen van Rutte III om de inkomensgrens voor gezinnen iets te verhogen (naar 42.000 euro) en die van alleenstaanden te verlagen (naar 35.000 euro) moeten van tafel.

    c)   We verhogen de inkomensgrenzen om tot de huidige sociale huurgrens (€ 715,92 per maand) te worden toegelaten naar € 55.000 (ca. anderhalf modaal).

    d)  De huidige markttoets voor corporaties moet direct worden afgeschaft.

    e)  We schaffen de liberalisatiegrens af bij huur of verhogen deze tot minstens € 1200-1300 per maand – dit betekent dat de huur ook voor deze inkomens bepaalt gaat worden door de normen van het woningwaarderingsstelsel.

    f)   De huur wordt onafhankelijk van de marktwaarde van de woning door het schrappen van de WOZ-punten of deze te begrenzen tot maximaal 25 punten – het aantal wat voor invoering van de WOZ-waarde gold voor de leefomgeving. De woonomgeving mag best meetellen, maar dan gebaseerd op de werkelijke woonomgeving, niet de grillige ontwikkeling van de huizenprijzen van de markt, van speculatie en van fiscale politiek.

    g)  De huur wordt jaarlijks niet verder verhoogd dan de inflatie. Als het crisis is dan wordt de huur wettelijk tijdelijk bevroren.

    Deze maatregelen zorgen er ook voor dat er minder makkelijk als nu woningen verdwijnen uit de sociale woningvoorraad.

    59.  Woningdelen helpt ook om de acute woningnood te bestrijden, niet als een plicht maar als een recht: er komt een afdwingbaar recht tot woningdelen. In de sociale zekerheid en fiscaliteit worden sancties op woningdelen (kostendelersnorm, fiscale verzameltoets) afgeschaft en vervangen door een bonus (woningdelingssubsidie).

    60.  Maar er is meer nodig om de sociale woningvoorraad uit te breiden, zeker als we ook zoals hiervoor voorgesteld meer huishoudens daar toegang aan geven:

    a)      We schrappen de verhuurdersheffing en vervangen deze door afspraken over lagere huren en een investeringsplicht (nieuwbouw, renovatie, verduurzaming, levensloopbestendig).

    b)     We schaffen eveneens de vennootschapsbelasting en de ATAD-toepassing (een Europese richtlijn ter voorkoming van belastingontwijking met vastgoed)[13] voor woningcorporaties af.

    Dit kost geld, maar is prima te betalen (en goedkoper dan bijvoorbeeld de ongelijkheid vergrotende en prijsopdrijvende hypotheekrenteaftrek). We versoepelen de regels van de Autoriteit Wonen en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) enigszins, er wordt nu bijv. uitgegaan van te hoge rentes.

    61.  En we voeren een verevening uit tussen woningcorporaties opdat reserves aangewend kunnen worden waar de grootste opgaven bestaan. Rijk en provincies voeren daarbij regie en overrulen zo nodig gemeenten. Corporaties moeten goede publieke verantwoording geven over hun financiën, opdat zulke regie ook effectief kan plaatsvinden.

    62.  Woningcorporaties zijn veel te veel vastgoedondernemingen geworden in plaats van sociale verhuurders. Teveel corporatiebestuurders zien woningen in de eerste plaats als een economisch goed, als een object dat waarde vertegenwoordigt dat te gelde gemaakt kan worden. Een lage huur op een dure plek is dan dus kapitaalverspilling. En dan worden huurverhogingen en het meegaan met de marktgekte plots gezien als “normaliseren”. De publieke waarde is privaat kapitaalbezit geworden, ook als het van een corporatie is. Ze moeten daarom verplicht weer coöperaties worden: verenigingen van huurders met werkelijke zeggenschap van huurders. Huurders en hun organisaties moeten instemmingsrecht krijgen op het huurbeleid, waaronder het huurprijsbeleid. We zorgen voor huurteams in alle steden en draaien de bezuinigingen terug op de huurcommissies. Gemeenten kunnen ook zelf nieuwe corporaties of coöperaties oprichten. De omvang van woningcorporaties brengen we terug (bijv. max. 10.000 huurders, statutair werkgebied, geen gemeentegrensoverschrijding).

    63.  Verkoop van sociale woningen wordt zolang de woningnood voortduurt verboden, behoudens indien voor elke verkochte sociale huurwoning er aantoonbaar twee van de laagste categorie worden teruggebouwd.

    64.  Corporaties krijgen meer ruimte en taakstellingen om te investeren in voorzieningen in de buurt.

    65.  Een progressieve visie op wonen betekent echter meer dan het stimuleren van een sterke corporatiesector, het betekent ook het omarmen van nieuwe initiatieven: initiatieven die nu weliswaar nog een niche zijn, maar bijdragen aan betaalbaar wonen en die bewoners zeggenschap geven. Het gaat dan om nieuw beleid dat op termijn bestaande instituties (deels) kan verdringen. Nieuwe wooncoöperaties kunnen een inspirerend voorbeeld zijn. Tegelijkertijd is realisme geboden. Kunnen dergelijke initiatieven genoeg massa bieden om de wooncrisis te lijf te gaan? Komen deze initiatieven ook de zwaksten ten goede, of blijft het iets voor de middenklasse? Gemeenten zouden dergelijke initiatieven meer ruimte kunnen geven door coöperatieve ontwikkelaars op nieuwbouwlocaties voorrang te geven. Middels een doelgroepenverordening kan gestuurd worden op menging: op nieuwbouwlocaties kan de gemeente vaststellen voor welke inkomensgroep nieuwe woningen beschikbaar komen (en beschikbaar blijven, bij mutatie).  

    66.  Woningcorporaties moeten ook kwalitatief gaan bouwen. Een les uit onze rijke sociaaldemocratische geschiedenis is dat het belangrijk is om bij progressieve woonoplossingen een kwalitatief beter alternatief te bieden, dan de markt doet. Corporaties die visieloos blokken met kleine goedkope woningen bouwen, dat is eigenlijk net zo’n gek idee als dat negentiende-eeuwse woningbouwverenigingen mee zouden gaan in de revolutiebouw van de pandjesbazen. Een succesvolle progressieve woonagenda combineert financiële waarden en omgevingswaarden. Uitbuiting wordt uitgebannen door woningen betaalbaar en beschikbaar te houden. In nieuwbouw staat woningkwaliteit voorop en beslissen bewoners democratisch over het ontwerp van hun buurt zodat een huis een thuis kan worden.

    67.  We gaan de huren structureel verlagen en begrenzen. Tot anderhalf modaal gaan we een maximale huur invoeren van 30-35% van het besteedbaar inkomen (huurquote, vgl. NIBUD-systematiek bij hypotheken). Net zoals bij een hypotheek voor woningbezitters worden zo tot inkomens van ca. 55.000-60.000 euro de maximale woonlasten hard begrensd. We introduceren objectsubsidie van het Rijk ter compensatie van verhuurders die door de inkomensbegrenzing van de huren niet de WWS-huur in rekening kunnen brengen. We schrappen de huidige inkomensafhankelijke huurverhoging die een schandelijke stigmatisering van middeninkomens tot scheefwoners impliceert.

    68.  Lage huren kunnen worden gecombineerd met gesubsidieerde spaarprogramma’s voor huurders, zoals in Duitsland, zodat zij het zo opgebouwde eigen vermogen in de toekomst kunnen aanwenden om een woning te kopen – maar ook om de grote vermogensongelijkheid tussen de ‘haves’ en ‘have nots’ te bestrijden.

    69.  We stoppen het flexwonen door de vele constructies waar de huurbescherming nu niet meer geldt weer onder de volledige werking van huurbescherming te plaatsen. En we gaan zeker niet akkoord met constructies als ‘Passend Wonen’. De huurovereenkomsten voor bepaalde tijd voor de duur van twee of vijf jaar verdwijnen. Studenten, jongeren en promovendi hebben recht op vervangende huisvesting (en een  verhuiskostenvergoeding). We verbieden gebruiksovereenkomsten (antikraak wonen). Bij leegstand wordt verhuurd op basis van de Leegstandswet. Er komt een boete op leegstand van langer dan een jaar. 

    70.  Goede isolatie en ventilatie is belangrijk voor het energieneutraal maken van woningen, maar ook voor verbetering van het wooncomfort – denk aan de vele huurwoningen met schimmelproblemen. Verhuurders moeten hierin investeren. Voor goede isolatie en ventilatie mag geen huurverhoging worden gevraagd. De punten voor verduurzaming worden daartoe geschrapt uit de WWS. . Nu mag een verhuurder € 250 meer huur vragen voor een energieneutrale woning, terwijl de gemiddelde energierekening maar € 120 per maand is.

    71.  Alleen goed geïsoleerde en geventileerde huurwoningen worden vervolgens van het gas afgehaald. Goede oplossingen voor vervanging van gas moeten zich eerst bewezen hebben en er moeten garanties zijn dat de combinatie van huur en energielasten voor huurders van woningen tot en met anderhalf modaal structureel lagere woonlasten opleveren. Het energielabel en de verduurzaming van de woning moeten geen verdienmodel voor de verhuurder zijn. Bij de vervanging van gas krijgen huurders van sociale huurwoningen eenmalig een bedrag van het Rijk om de kosten van vervanging van apparatuur en inventaris voor koken te financieren. Het Rijk financiert dit uit de opbrengst van de CO₂ heffing (zie hoofdstuk VI).

    72.  Er komen bindende afspraken met coöperaties en verhuurders voor het energieneutraal maken van woningen per jaar voor de realisering van de doelstelling om in 2050 alle woningen van het gas af te hebben en goed geïsoleerd en geventileerd te hebben. Er komt een verbod op het verhuren van woningen met de slechtste energielabels (vooral in bezit bij particuliere verhuurders), voorafgegaan door een verbod op huurverhoging van woningen met een energielabel C of lager totdat ze minstens label B hebben. Deze verboden worden stapsgewijs aangescherpt.

    73.  Woningcorporaties en -coöperaties moeten de voorfinanciering van de verduurzaming renteloos kunnen lenen bij een apart staatsfonds, gevuld uit staatsobligaties. Gemeenten krijgen de mogelijkheid om hun WOZ-belastingtarieven lager vast te stellen bij een groener energie-label.

    74.  Woningeigenaren worden door een gemeentelijk ‘ontzorgloket’ ondersteund bij het isoleren en verduurzamen van hun woning. De isolatie-eisen voor bestaande woningen worden stapsgewijs aangescherpt. Gemeenten (of coöperaties) kunnen met hulp van het Rijk duurzaamheidsfondsen oprichten die koopwoningen verbeteren, en in ruil daarvoor een aandeel nemen in de woning. De eigenaar kan ervoor kiezen de investeringen terug te betalen en weer volledig eigenaar te worden, of de woning deels eigendom te laten blijven van het fonds. In ruil voor de gratis woningverbetering wordt deze woning onderdeel van een gereguleerd en sociaal koopsegment: een niche innovatie die langzaam mainstream kan worden.

    VI.           Duurzaam Links: Een circulaire, duurzame economie, zonder fossiele energie, met herstel biodiversiteit, dierenwelzijn en natuur en een schone, gezonde bodem, water en atmosfeer

    A)     Klimaat en energie

    75.  We gaan snel de Europese en nationale klimaatwetten uitvoeren, mede met behulp van de nieuwe European Green Deal. We maken afspraken zoveel mogelijk concreet en afdwingbaar, ook voor burgers.

    76.  De energietransitie moet eerlijk plaatsvinden. Onze PvdA moet dit afdwingen willen we de plannen steunen. Huishoudens moeten minder, en bedrijven meer betalen met o.m. een CO₂-heffing voor de industrie. Andere klimaatgassen, zoals methaan, worden op gelijke wijze belast. Het voorstel van onze TK-fractie[14] daarover wordt door ons gesteund, zij het dat we met het PvdA netwerk Duurzame Energie pleiten voor een iets hogere beginprijs (bijv. € 50 per ton CO₂-uitstoot met 5% jaarlijkse escalatie) en het niet verrekenen met al bestaande ETS-heffingen. De opbrengsten van deze heffing worden gebruikt voor subsidies duurzame energie aan bedrijven en huishoudens en aan innovatie.

    77.  We gaan de energiebelasting eerlijk verduurzamen: Een progressieve energiebelasting naar schaal van energieconsumptie en tarieven gebaseerd op uitstoot CO₂, zodat duurzame elektriciteit niet belast wordt, met kolen opgewekte elektriciteit extra zwaar belast wordt en met aardgas opgewekte elektriciteit even zwaar belast wordt als direct gebruik van aardgas. Vervuilers en fossiel grootverbruikers veel zwaarder belasten, huishoudens lager belasten. Lage inkomens krijgen een hogere belastingvrije voet voor de energiebelasting. Huidige vrijstellingen, juist vaak van de grootste vervuilers (zoals de luchtvaart) worden afgeschaft.

    78.  De opslag duurzame energie (ODE) in de energiebelasting wordt afgeschaft. De subsidies voor verduurzaming worden anders gefinancierd, o.m. uit een hogere energiebelasting op vervuilende productie. Subsidies voor verduurzaming energieverbruik (SDE+) komen in het vervolg vooral ten goede aan de lage en middeninkomens. En ze mogen niet gebruikt worden voor CO₂-opslag (CCS) of niet-duurzame biomassa. Bedrijven moeten daarin zelf investeren. De milieu-investeringsaftrek wordt geschrapt. Hiervoor in de plaats komt het innovatie- en werkgelegenheidsfonds zoals onze TK-fractie dat heeft voorgesteld.

    79.  De aardgaswinning wordt zo snel mogelijk gestaakt, zo mogelijk eerder dan nu door de regering toegezegd, ook in velden buiten Groningen. Er komt geen winning van schaliegas. De eigenaren en bewoners van door de gaswinning beschadigde gebouwen worden allen binnen een jaar gecompenseerd, met een omgekeerde bewijslast (NAM moet bewijzen dat schade niet veroorzaakt is door aardbevingen). Nederland werkt niet mee aan het gasnetwerk Nordstream II en bouwt zo snel mogelijk de import van fossiele brandstoffen uit Rusland en het Midden-Oosten af.

    80.  Waterstof kan een goede manier zijn voor energieopslag, maar dat moet dan wel groene waterstof zijn. Alleen als tussenstap zijn andere vormen van waterstof acceptabel.

    81.  Alleen echte duurzame biomassa[15] kan zolang er onvoldoende andere duurzame energiebronnen zijn in de transitieperiode gebruikt worden als duurzame energiebron, en de toepassing moet zoveel mogelijk beperkt en geprioriteerd (‘cascadering’) worden. Subsidie voor bijstook van biomassa bij kolencentrales vervalt direct – die centrales moeten direct dicht. De overige subsidies voor gebruik van biomassa worden alleen nog toegekend indien er voldaan wordt aan de strenge duurzaamheideisen en er geen andere alternatieven beschikbaar zijn.

    82.  We investeren niet in kernenergie, ook niet in extreem dure en onbewezen technieken daarbij (uitgezonderd wetenschappelijk onderzoek). De kerncentrale in Borssele gaat uiterlijk in 2025 dicht.

    83.  Het lozen van restwarmte in oppervlaktewater en in de lucht wordt belast met zodanige tarieven dat levering aan warmtenetten aantrekkelijker wordt. Uiterlijk in 2030 wordt dit verplicht. Er komt subsidie voor de aanleg van publiek beheerde warmtenetten. Warmtenetten worden verplicht door gemeenten beheerd. Investeringen in CO₂-opslag (CCS) worden alleen dan toegelaten als er geen duurzamer alternatief beschikbaar is, en alleen als tijdelijke tussenoplossing. Hergebruik van CO₂ (CCU) is wel een structureel duurzaam alternatief.

    B)     Circulaire economie

    84.  We willen in 2050 niet alleen een fossielvrije energievoorziening, maar een volledig circulaire economie: een kringloopeconomie waarin geen eindige grondstoffen worden uitgeput en waarin reststoffen (afval) volledig opnieuw worden ingezet in het systeem.

    Een circulaire economie is veel meer dan alleen recycling. Het begint met zuiniger omgaan met grondstoffen door anders te denken over producten en productieprocessen. Is het product het beste antwoord op de behoefte en kunnen bij de productie minder of andere grondstoffen worden gebruikt? In het ontwerp van producten en diensten moet al rekening gehouden worden met hergebruik, reparatie en recycling. Er moet ook energie teruggewonnen worden uit materialen, en afval storten en verbranding zonder energieterugwinning moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

    Voor iedere sector van onze economie komen er wettelijke doelstellingen, instrumenten en financiering, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050. We streven daarbij naar een breed maatschappelijk akkoord met sociale partners, overheden en de milieubeweging.

    85.  Er zijn ook nieuwe verdienmodellen nodig, waarbij je betaalt voor gebruik in plaats van voor bezit, waarbij producenten eigenaar blijven van het product. Denk aan de platforms voor auto delen, het beheer van kantoormeubilair en van medische apparaten. Dat gaan we stimuleren.

    86.  Materialen als papier, staal en glas worden al veel gerecycled. Maar er zijn nog meer materialen en producten die worden afgedankt, die kunnen worden hergebruikt en waaruit grondstoffen kunnen worden gerecycled. Afgedankte elektronica bijvoorbeeld bevatten veel zeldzame aard- en edelmetalen, die nog nauwelijks worden gerecycled. Dat gaan we verplichten.

    87.  Waar ook meer mee kan en moet is bij beton. De voorraad van beton in gebouwen en werken – zoals viaducten en bruggen – is enorm. Het vrijkomende beton wordt bijna volledig gerecycled, maar het overgrote deel van het materiaal verdwijnt in laagwaardige ophogingen en wegfunderingen. Bij de productie van beton komen echter veel broeikasgassen vrij en in dergelijke ophogingen kan ook zand of grind worden gebruikt. Belangrijke uitdaging voor de bouwsector is om de grote voorraad beton hoogwaardiger te recyclen. Daarnaast kunnen architecten in de ontwerpfase beter inspelen op mogelijkheden van hergebruik van gebouwen en onderdelen daarvan. Bijvoorbeeld door modulair te ontwerpen, waardoor een gebouw makkelijk is af te breken in modules en onderdelen van een gebouw makkelijk kunnen worden hergebruikt. Voor het hoogwaardiger recyclen van beton komen verplichtende richtlijnen.

    88.  We gaan ook veel meer gebruik maken van duurzame bosbouw voor duurzame houten gebouwen. Het bosareaal hiervoor in ons land wordt tenminste verdubbeld.

    89.  We realiseren voor 2050 100% hergebruik van grondstoffen en afval. Hiertoe wordt naar analogie van de Klimaatwet een Afvalwet ingevoerd, met afgesproken meetbare en voor de burger afdwingbare termijndoelen. Onderdeel van deze aanpak is:

    -We voeren de verpakkingsbelasting opnieuw in en verdubbelen de opbrengst.

    -Statiegeldregelingen voor alle plastic en blik verpakkingen worden verplicht gesteld.

    -Alle verpakkingen worden uiterlijk 2030 verplicht biologisch afbreekbaar, zoals bioplastics.

    C)     BTW-differentiatie

    90.  We voeren een apart laag btw-tarief in voor producten die voldoen aan eisen van:

    -ecologische duurzaamheid (circulair gebruik van grond- en afvalstoffen, geen fossiele energie, bescherming van biodiversiteit, dierenwelzijn en gezondheid mensen, geen vervuiling) en van:

    -sociale rechtvaardigheid (geen kinderarbeid, eerlijke beloning en arbeidsvoorwaarden, bescherming arbeidsomstandigheden en positie werknemers, eerlijk belasting betalen).

    Een nieuw door de overheid ingesteld en gehandhaafd keurmerk voor Duurzaam en Eerlijk Ondernemen wordt daartoe ingesteld. Het keurmerk voorziet er tevens in dat ieder product een productlabel krijgt waar aan de consument kan zien wat de sociale en ecologische prestatie of belasting van het product en de verpakking is.

    Ook gezonde producten (geen of weinig suiker en vet bv.) worden onder het lage btw-tarief geplaatst.

    Er komt een verbod op stunten met vleesprijzen. Al het vlees dat in Nederland verkocht wordt, beschikt als eerste stap over 1 ster van het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming.

    D)     Mobiliteit

    91.  We gaan veel meer investeren in minder mobiliteit (dichtbij of thuis werken), fietsen en openbaar vervoer, en we bevorderen duurzame mobiliteit:

    a)     Wat betreft rail met een nieuw Randstad-breed lightrail-project en nieuwe railverbindingen in grensregio’s, toch een nieuwe Zuiderzeespoorlijn en een treinverbinding Groningen-Almelo, alsook meer sporen naast elkaar op drukke trajecten.

    b)     Verder meer snelle fietsverbindingen, vrije rijwielpaden en fietsinfrastructuur Er komen roosterafspraken met bedrijven, universiteiten en hogescholen om de spits te ontlasten.

    c)      Investeringen moeten uit een apart staatsfonds gefinancierd worden, waar de overheid nu bijna gratis voor kan lenen.

    d)     Het OV wordt fors goedkoper, zodat het in prijs aanzienlijk wint van gemotoriseerd individueel vervoer.

    e)     Ook moeten er concrete maatregelen worden genomen voor het beprijzen van particulier vervoer met rekeningrijden gedifferentieerd naar tijd en plaats en het belasten van fossiele brandstoffen in de scheep- en luchtvaart.

    f)      Belasting op elektriciteit bij oplaadpalen wordt veel lager dan accijns voor benzine of diesel, in plaats van omgekeerd zoals nu, o.m. met een vrijstelling van energiebelasting op laadpalen.

    92.  In Europees verband moet er in het kader van de Europese Green Deal een groot project worden opgezet door de Europese Investeringsbank voor continentale hogesnelheidslijnen en fossielvrij goederenvervoer, beide met een Europese publieke netwerkbeheerder. Nationaal doen we er alles aan voor hogesnelheidslijnen naar Berlijn, naar Frankfurt en München, en naar Bremen, Hamburg en Kopenhagen.

    93.  We maken continentale vluchten duurder (met een extra belasting en zetten een stop op de groei van iedere luchthaven: Lelystad uitbreiding gaat niet door, Schiphol en regionale luchthavens mogen niet groeien. Waar al een snelle treinverbinding is, worden vluchten gestaakt, naar mate dat er voldoende capaciteit is.

    E)     Landbouw

    94.  Een radicale verandering bij de landbouw is nodig. Het moet minder vervuilend, duurzamer, natuurlijker. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de eveneens voor de mens bedreigende drastische achteruitgang van de biodiversiteit en via vervuiling en besmetting ook rechtstreeks voor een bedreiging van onze gezondheid. 

    Maar dat kan niet zonder de boeren. Het huidige systeem van concurreren op kostprijs biedt op lange termijn geen perspectief voor de sector in een druk bevolkt land als Nederland zich niet. Boeren staan nu met de rug tegen de muur, en velen zouden wel verandering willen als de prijzen stijgen. Niet alleen 84% van de insecten zijn verdwenen, maar ook 93% van de boeren.

    We moeten boeren verplichten, maar ook stimuleren en faciliteren, om zich te richten op het produceren van duurzame kwaliteitsproducten en grondgebondenheid, door te kiezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw, met zoveel mogelijk lokale productie- en consumptieketens, dier- en milieuvriendelijke landbouwconcepten en het leggen van verbinding tussen landbouw en maatschappij. Niet steeds minder boeren en meer monocultuur, maar juist meer kleine boeren en minder monocultuur, en minder dieren en meer dierenwelzijn in de veeteelt.

    Natuurinclusieve landbouw moet in 2050 volledig gerealiseerd zijn met meetbare en voor burgers afdwingbare tussendoelen in 2030. We sluiten daartoe een Plattelandsakkoord, in de geest van het Klimaatakkoord, met betrokkenheid van boeren, burgers en overheden op het platteland en natuur- en milieuorganisaties.

    95.  We streven naar een hervorming van het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid (nu 40% van de EU-begroting) met hogere kwaliteitsnormen. Directe inkomenssteun voor boeren vervangen we door subsidies die gekoppeld zijn aan het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals duurzaamheid, natuurbehoud, gezondheid en dierenwelzijn. Ook kan een deel van het landbouwbudget worden ingezet voor innovatie om onze voedselvoorziening toekomstbestendig te maken.

    96.  De transitie moet eerlijk plaatsvinden, maar dat kan ook, ook met boeren. Nu subsidiëren we melkboeren, terwijl 1 op de 5 van de miljonairs in ons land (melk)boer is. Het systeem dwingt de boeren tot grootschaligheid en export, terwijl dat een doodlopende weg is. Boeren die willen overstappen naar natuurinclusieve en kringlooplandbouw moeten gesteund worden, zij die daarin niet meewillen moeten uitgekocht worden.

    Landbouw niet primair gericht op export, maar op de binnenlandse markt. Expertise gaan we juist meer exporteren, opdat ook in de Derde Wereld een betere situatie ontstaat en we niet lokale productie daar wegconcurreren. Geen oneerlijke handelsverdragen en oneerlijke EU-landbouwsubsidie meer, zoals CETA en met de Mercosur-landen.

    97.  De macht van de inkopers en de supermarkten moet daarbij gebroken worden zodat er een eerlijke prijs ontstaat, waarin de kosten van milieubelasting verdisconteerd is. Het mededingingsbeleid wordt zodanig aangepast dat boeren meer marktmacht krijgen ten opzichte van de voedselverwerkers en supermarktketens, onder andere met het doel een verbetering van de afzetprijzen te realiseren. Verkoop onder de kostprijs wordt verboden.

    Dat ondersteunen we met gedifferentieerde btw-tarieven, laag voor milieuvriendelijke producten, hoog voor milieuvervuilende producten. Zo krijgen duurzame boeren een eerlijk inkomen en krijgen huishoudens een eerlijke, betaalbare prijs gepresenteerd.

    98.  Er komt een einde aan de bio-industrie en de intensieve veeteelt. Wij willen de omvang van de Nederlandse veestapel controleren en fors verminderen – te beginnen met een halvering in de komende 10 jaar en een volledige beëindiging van intensieve veeteelt binnen 30 jaar.  Er komt per direct een moratorium op de omvang van de veestapel in de intensieve veehouderij per diersoort, vooruitlopend op het nieuwe beleid. We geven provincies de bevoegdheid om regionaal extra eisen te stellen aan de veehouderij in het kader van de volksgezondheid en het milieu en tevens nemen we het voorzorgcriterium op als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen van veehouderijen in de AMvB’s van de Omgevingswet. Nieuwbouw van megastallen wordt niet meer toegestaan en bestaande megastallen verdwijnen.

    99.  De uitstoot van CO2, methaan, stikstof en fosfaat in de landbouw wordt verder belast. Met de opbrengsten financieren we meer subsidie voor natuurinclusieve landbouw. We brengen methaan en andere klimaat emissies onder de werking van het ETS, waardoor emissies van mest worden teruggedrongen.

    100.         We bevorderen duurzame innovaties op het platteland, zoals biologische landbouw, energieleverende kassen en regionale afzetcoöperaties. Natuurinclusieve landbouw wordt de norm. Boeren kunnen een deel van hun inkomen verdienen met de bescherming en ontwikkeling van natuur, recreatie, dienstverlening, opwekking van duurzame energie en zorg.

    101.         Om de inklinking van het veen en de uitstoot van CO₂ tegen te gaan verhogen we het waterpeil in het veenweidegebied en stemmen we het gebruik van de grond zoveel mogelijk af op de aard van het gebied (functie volgt peil). Er komt een pakket aan stimuleringsmaatregelen om boeren te helpen over te stappen op duurzame natte landbouw.

    102.         De teelt van lokale eiwitgewassen voor voedsel en veevoer wordt bevorderd. Wij willen dat er meer veevoeders uit de eigen akker- en tuinbouwrestproducten worden gehaald zodat we op termijn kunnen stoppen met de import van de dure en niet-duurzame soja. Wij willen dat de mest die op land wordt uitgereden van gezonde samenstelling is voor het milieu. De mineralen, fosfaat en stikstof gaan we daarom eerst (deels) uit de mest halen en separaat verhandelen als grondstof voor andere toepassingen. De ontheffing van Nederland in de EU om meer fosfaat uit te mogen rijden wordt direct beëindigd.

    103.         De normen voor dierenwelzijn worden verhoogd en strak gehandhaafd. Weidegang voor koeien en voldoende buitenruimte voor varkens en pluimvee worden wettelijk verankerd. Koeien kunnen grazen, kippen scharrelen, varkens wroeten. Alle stallen worden (brand)veilig. Geen varkens meer met geamputeerde staarten, op betonnen vloeren, in kraamkooien en megastallen; geen koeien die nooit hun kalveren mogen grootbrengen of in een wei mogen grazen; geen plofkippen die met gebroken vleugels het slachthuis bereiken; geen langeafstandstransporten met levende dieren, en zeker niet met dieren jonger dan twee maanden. Dieren hebben recht op een respectvolle behandeling. Landbouw- en huisdieren worden zo gehouden dat zij soorteigen gedrag kunnen vertonen. We willen regelgeving aanpassen zodat boeren verplicht worden het dierenwelzijn te monitoren en te verbeteren met moderne middelen.

    104.         Er komt een verbod op het houden en fokken van nertsen en andere (pels)dieren met als doel het verkrijgen van (een deel van) hun pels of vacht. Daarnaast komt er een verbod op de handel in, import en doorvoer van bontproducten.

    105.         Om onnodig transport van slachtdieren te voorkomen wordt het slachten in Nederland het uitgangspunt. Daar waar dat niet gebeurt wordt Europees geregeld dat er een verbod komt op veetransporten van levende dieren die langer dan 4 uur duren.

    106.         Dierenartsen krijgen een meldplicht van misstanden en er komt ook een meldpunt voor anonieme klachten. Klokkenluiders worden beschermd en gerehabiliteerd. De NVWA wordt ook drastisch hervormd en onafhankelijk gemaakt van de minister en van de te controleren sector (als onderdeel van een totale reorganisatie van het overheidstoezicht, waarbij alle toezichthouders versterkt en onafhankelijker worden en onder een gemeenschappelijke structuur komen, conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid), opdat de cultuur van het wegkijken nu eens echt wordt aangepakt. Daarbij wordt samengewerkt met de dierenbescherming en kritische dierenartsen. Slachthuizen worden permanent gevolgd met camera’s. Opsporing en vervolging van dierenmishandeling krijgt ook meer prioriteit.

    107.         Antibiotica mogen alleen worden gebruikt in uitzonderingsgevallen en op individueel niveau. De NVWA gaat meer inspecteren op antibioticagebruik, ook in geïmporteerd voedsel zoals kweekvis. We pleiten voor verder onderzoek naar de gevolgen van de Q-koortsepidemie en stellen samen met de sector een ruim schadefonds in voor alle getroffenen. Het gebruik van antibiotica in de veehouderij wordt verder afgebouwd. In een toekomstige zoönose-uitbraak (ziekte die overdraagbaar is van dier op mens, zoals Q-koorts en de Corona-virussen), stellen we het belang van volksgezondheid boven het economisch belang, hierom laten we de verantwoordelijkheid over de aanpak van een dergelijke uitbraak direct en volledig vallen onder het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport en niet gedeeltelijk onder het ministerie van economische zaken. Slachtoffers van de Q-koorts uitbraak worden alsnog ruimhartig schadeloos gesteld.

    108.         We verbieden het gebruik van pesticiden die schadelijk zijn voor mens, milieu en ecosystemen, zoals neonicotinoïden. Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen wordt bevorderd. Een progressieve belasting op pesticiden en geïmporteerd veevoer maakt de kiloknaller extreem duur en het onbespoten appeltje goedkoop. Het gebruik van patentloze, vaak biologische, zaden en pootgoed willen we stimuleren. Er dient komende kabinetsperiode een beleid te komen voor toepassing van biotechnologie gericht op een duurzaam gebruik van de planeet, de bestrijding van armoede en volksgezondheid. We zijn geen voorstander van het patenteren en in eigendom nemen van natuur door bedrijven.

    109.         Nederland moet zonder dralen strikt de Europese visserijwetgeving implementeren. Vangstrechten worden voortaan verdeeld op grond van transparante, sociale en ecologische criteria die bewezen duurzame visserij belonen en stimuleren. De puls-visserij is nog niet bewezen duurzaam. Zo belonen we de innovatieve vissers. Overbevissing in onze binnenwateren willen we tegengaan. Viskwekerijen alleen op land en zoveel mogelijk alleen vegetarische kweekvis.

    F)      Ruimtelijke Ordening

    110.         We moeten de regie van de rijksoverheid op ruimtelijke ordening weer herstellen, zonder terug te keren in verstikkende wetgeving:

    -Er komt weer een minister(ie) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Duurzaamheid.

    -We gaan de Omgevingswet aanpassen uit oogpunt van uitvoerbaarheid en handhaving milieuregels en gezondheidsnormen en meer landelijke en provinciale taakstellingen en projecten.

    -Er komt een landelijke visie voor de toekomstige ruimtelijke ordening van Nederland over 50-100 jaar die kaders stelt voor antwoorden op o.m. de zeespiegelstijging, meer extreme rivierwaterstanden en meer extreem weer (zowel droogte als juist veel regen en storm) en die uitstootreductiedoelstellingen realiseert, de biodiversiteit substantieel doet toenemen en de woningbehoeften en mobiliteitsbehoeften accommodeert, ook in relatie tot het nabijgelegen buitenland.

    111.         We omarmen daarbij de bouwstenen uit een recente studie van een aantal Wageningse wetenschappers[16]:

    a)     een derde minder dieren in de veeteelt; geen intensieve veeteelt meer;

    b)     halvering agrarisch grondgebruik; volledig circulaire, natuurinclusieve landbouw;

    c)      akkerbouw concentreren op vruchtbare kleigronden (Zeeland, polders, Noord-Holland, Friesland en Groningen), niet meer laagveengronden;

    d)     op laagveengronden vooral natte teelt (zoals cranberry’s en riet) met hogere waterstand;

    e)     bebossing verdubbelen (vooral in Noordoost-Nederland, op de Veluwe, in de Achterhoek en Noord-Brabant) en op zandgronden naaldbomen vervangen door meer loofbos en kruidenrijke graslanden (deze laten minder water verdampen en geven meer biodiversiteit);

    f)      beken verlengen om water meer te laten infiltreren in plaats van af te voeren;

    g)     landbouw verplaatsen weg van de hoge zandgronden naar lagere gronden;

    h)     duinenrij versterken door verbreding (zand winnen in diepe geulen op zee en die vlak voor de kust door golven tegen de kust laten deponeren);

    i)       op IJsselmeer eilandenrand (‘vooroevers’) aanleggen langs oevers (daardoor kan er langs de randen een vast peil blijven voor de scheepvaart terwijl er in het midden een voor de natuur goed dynamisch peil komt), en open water zuidoostkant Noordoostpolder maken (om uitdroging Weerribben te voorkomen);

    j)       volledig duurzame fossiele energie, ook zonder kerncentrales;

    k)     groene waterstofproductie en duurzame zeelandbouw (zoals kweken van schelpdieren en zeewier) rondom wind- en zonneparken;

    l)       industrie en overslaghaven op zee voor Rotterdam;

    m)   delen van de Noordzee worden natuurgebied, de visserij is volledig duurzaam;

    n)     stedengroei vooral op hoge gebieden in oosten en zuiden (Twente, Achterhoek, Drenthe, Brabant en Limburg, met o.m. een stedenrand – Brabantstad – langs de Maas), en minder in de Randstad (om verdere bodemdaling en risico’s daar ook te beperken);

    o)     inzetten op middelgrote in plaats van grote steden;

    p)     steden ook natuurlijker inrichten met groene daken/gevels, bomen en waterpartijen, minder verstening en meer wateropvang, en met woningen vooral van duurzame houtbouw en hoogwaardig gerecycled beton;

    q)     rond de steden komen wateropvangbekkens en groene gordels met (voedsel)bossen en bosteelt voor natuur en recreatie;

    r)      brede rivierdalen ontwikkelen, daar geen bebouwing toestaan, kades weg langs Maasoevers in Limburg, bufferzone met moerassige zones voor hoogwaterstanden, oevers geschikt voor o.m. biologische fruit- en veeteelt, open verbinding tussen Maas en Waal maken, veel bredere IJsselbedding;

    s)      open verbinding maken bij Kreekraksluizen tussen Ooster- en Westerschelde om getijdewerking te behouden omdat Oosterscheldekering door hoge zeespiegel vaker dicht moet.

    G)     Natuurontwikkeling, herstel biodiversiteit, bescherming wilde dieren

    112.         Er worden meer en met elkaar verbonden natuurgebieden gerealiseerd, met bescherming en herintroductie van bedreigde soorten:

    a)     We investeren in het aaneensluiten van het netwerk van alle natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, versneld en in volle omvang.

    b)     Er komen twee grote natuurgebieden in Nederland bij: de Markerwadden en het Oostvaarderswold in Flevoland. Daarnaast worden nieuwe nationale landschappen aangewezen.

    c)      Er wordt meer en meer divers bos aangelegd, ook om aan de CO₂-reductie doelstellingen te voldoen. Het bosareaal wordt tenminste verdubbeld.

    d)     De kustlijn inclusief duinen en aangrenzend natuurgebied houden we puur; bebouwing wordt uitgesloten.

    e)     In natuurgebieden zoals de Noordzee, de Waddenzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Delta is geen plaats voor schadelijke economische activiteiten als gasboring, zandsuppletie of landaanwinning. De Westerschelde wordt niet meer verder verdiept. 30% van de Noordzee wordt zee-reservaat, gesloten voor visserij en andere schadelijke activiteiten. Om de Waddenzee beter te beschermen, komt er één beheerder voor de Waddenzee.

    f)      In bestemmingsplannen komt de mogelijkheid om waardevolle landschappen met natuurinclusieve landbouw te beschermen naar analogie van waardevolle dorps- en stadsgebieden en stedelijke monumenten. Daarbij kunnen de eigenaren of beheerders subsidie krijgen.

    g)     De toegankelijkheid van natuurgebieden voor wandelaars, fietsers en ruiters wordt gewaarborgd, daar waar en wanneer dat ecologisch verantwoord is. Rond steden ontwikkelen we meer groene recreatiegebieden. Waarden als stilte, nachtelijke duisternis en de weidsheid van het landschap worden beschermd. Om waardevolle, open gebieden te behouden moet bebouwing in die gebieden duurder worden. Daarom wordt een openruimteheffing ingevoerd.

    h)     De bezuinigingen op natuur van 2011 worden ongedaan gemaakt, waarbij Staatsbosbeheer weer wordt genationaliseerd. Natuur verhuist van het ministerie Economische Zaken naar een apart klimaat, natuur en milieuministerie. Bescherming van biodiversiteit en het behoud en terugkeer van bijzondere flora en fauna worden bevorderd. Bijen en weidevogels krijgen speciale aandacht. De zalm keert weer terug in onze rivieren.

    113.         Plezierjacht wordt verboden. Beheerjacht wordt alleen onder strenge voorwaarden toegestaan bij ernstige schade of bedreiging van de volksgezondheid of veiligheid, wanneer alternatieven hebben gefaald. Stroperij is niet alleen internationaal, maar ook in Nederland een probleem. We willen een harde aanpak van de stroperij, met hoge boetes en een goede pakkans door voldoende groene buitengewone opsporingsambtenaren. Nederland zet zich in tegen de stroperij van en handel in wilde dieren en planten.

    114.         Er worden steeds meer innovatieve alternatieven ontwikkelt voor dierproeven. Wij staan achter de ambitie om Nederland in 2025 wereldleider in proefdiervrije innovatie te maken. Daartoe wordt een actieplan opgesteld.

    115.         We willen wettelijk vastleggen welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. Die zogenaamde positieflijst bestaat al voor zoogdieren, maar voor ander categorieën zoals vogels, vissen en reptielen gaan we dit ook vastleggen.

    H)     Schone en gezonde leefomgeving: bodem, water en atmosfeer

    116.         De overheid moet levens en gezondheid van haar burgers te beschermen en tevens zich te houden aan Europese wetgeving waaraan ze zich heeft gecommitteerd. Burgers kunnen dat in het vervolg bij de rechter gaan afdwingen.

    117.         De normen voor de luchtkwaliteit, zoals voor geur (ammoniak), de hoeveelheid en samenstelling van (ultra-)fijnstof en fijnstof van bio-industrie, stikstofoxiden en roet, worden aangescherpt tot tenminste het niveau dat is vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Normen op het gebied van geluid, trillingen, stank, en andere overlastgevers worden altijd vastgesteld op basis van de beste (en meest recente) wetenschappelijke inzichten. Gemeenten hebben een belangrijke de taak bij de handhaving en geven inwoners inzicht in de controle. Bedrijven die installaties vervangen krijgen geen nieuwe vergunning als zij niet de best beschikbare, duurzame technieken toepassen.

    118.         Het stikstofarrest van de Raad van State wordt strikt uitgevoerd – niet door ontwijktrucs. De maatregelen voor duurzaamheid in deze Nieuwe Tien over Rood zullen daartoe naar verwachting afdoende zijn. Op korte termijn regelen we snelheidsbeperkingen op alle snelwegen (ook ’s nachts) naar maximum 100 km/uur, uitkoop van de meest vervuilende veeteelthouders (indien mogelijk vrijwillig, maar als dat niet lukt zo nodig ook gedwongen), sluiting van alle kolencentrales, een moratorium op het aantal vliegbewegingen op ieder vliegveld, en een start met uitbreiding en herstel van natuurgebieden en van schone zones rond die natuurgebieden. De Nederlandse stikstofuitstoot moet met meer dan 50 procent omlaag om de natuur drastisch te ontzien. De kabinetsplannen voor het uitkopen van boeren nabij kwetsbare natuurgebieden zijn ontoereikend om dit te halen. Ook op andere plekken in het land zullen veehouders dieren moeten inleveren.

    119.         Met betrekking tot de uitstoot van PFAS-stoffen (ernstig giftige, kankerverwekkende stoffen, die o.m. vrijkomen bij de productie van Tefal, waterafstotende stoffen en kunstgras) worden bronmaatregelen genomen die voorkomen dat ze nog gemaakt worden. De uitstoot wordt streng verboden en gehandhaafd, ook wat betreft de afvalstromen. Er komen onafhankelijke veilige normen voor de concentratie in bodem (ten behoeve van bodemsanering) en water (voor toepassing als drinkwater).

    120.         Bij bouwen of bij ander gebruik van de grond krijgt de veiligheid en kwaliteit van het drinkwater de hoogste prioriteit. Voorraden voor de toekomst worden beschermd tegen bedreiging en vervuiling, zoals het lozen van afvalwater en de winning van zout of gas. Wij willen naar blijvend gezond water door zo spoedig mogelijk microplastics uit cosmetica en wasmiddelen te verwijderen en door waterfilters tegen vervuiling door medicijnen bij ziekenhuizen verplicht te stellen. Ook gewasbeschermingsmiddelen en mest mogen niet in het oppervlaktewater komen door lozing of afspoeling. Bij de waterzuivering worden grondstoffen als fosfaten uit afvalwater gewonnen en hergebruikt. De normen voor lozen van voor de gezondheid schadelijke stoffen door bedrijven in bodem, water en atmosfeer moeten veel strikter worden gehandhaafd en veel zwaarder, ook strafrechtelijk, worden vervolgd.

    VII.         Versterking van de publieke sector

    A.    Publieke sector algemeen

    121.         We versterken en moderniseren de publieke sector:

    a)     Publieke dienstverlening organiseren we zonder marktwerking, met politiek gelimiteerde regie. Daar heerst geen concurrentie, maar samenwerking.

    b)     We herstellen het vertrouwen in de professionals en stoppen met micromanagement en bureaucratische controles. Professionals krijgen ruime regel- en budgetruimte.

    c)      De organisaties in een moderne publieke sector hebben een menselijke maat, zijn plat met weinig overhead en onnodige bureaucratie en liefst coöperatief georganiseerd, mogen geen winstoogmerk hebben en opereren binnen publieke kaders en toezicht.

    d)     De relatie tussen cliënten en professionals staat centraal bij de kwaliteit van dienstverlening en deze moeten niet in individuele consumentrelaties worden vormgegeven – we moeten het individualisme in onze samenleving bestrijden waarin burgers tot consumenten gereduceerd worden en de Staat/publieke sector tot een ‘BV Nederland’.

     

    122.         We investeren 15 miljard euro structureel extra geld in 300.000 extra banen en betere beloning in de publieke sector (onderwijs, zorg, veiligheid, etc.).

     

    123.         In de publieke sector gaan we betaald werk, met name voor laaggeschoolden, als doel in zichzelf, beschouwen. We herstellen de uit oogpunt van bedrijfsmatige efficiëntie wegbezuinigde banen voor laaggeschoolden en splitsen banen waar daardoor extra banen voor laaggeschoolden ontstaan. Privatiseringen en verzelfstandigingen waarbij werk verdwenen is en/of waarbij verslechtering van arbeidsvoorwaarden plaatsvond, draaien we terug. In de banenplannen voor de publieke sector, onderdeel van ons Plan van de Arbeid, worden aparte doelstellingen opgenomen voor laaggeschoolde arbeid.

    124.         Bij onvoldoende prestaties en/of wanbeleid gaan publieke instellingen niet dicht of failliet, maar worden ze tijdig onder toezicht geplaatst.

     

    125.         We draaien liberaliseringen en privatisering terug waar het algemeen belang in het geding is en/of komen daarbij met extra regulering

     

    126.         Zorg, onderwijs en kinderopvang zijn een recht, geen voorziening. Die rechten moet afdwingbaar zijn.

     

    127.         We stoppen met het eisen van zelfredzaamheid. De keuzevrijheid in collectieve arrangementen beperken we.

     

    128.         We stoppen met de individualisering van kosten van publieke dienstverlening. We gaan zorg, onderwijs en kinderopvang volledig collectief via de belastingen financieren. Zonder aparte premies, eigen bijdragen en eigen risico.

    B.     De Zorg

    129.         We stoppen radicaal met marktwerking in de zorg en vervangen concurrentie door samenwerking. De Autoriteit Consument en Zorg (ACM) wordt onbevoegd in de zorg. Zorgaanbieders moeten geen winstgedreven ondernemers zijn en mogen geen winstuitkeringen doen. 

     

    130.         Iedereen in de publiek gefinancierde zorg komt in loondienst, bij voorkeur in een zorgcoöperatie.

     

    131.         Zorg moet regionaal georganiseerd worden, dichtbij de mensen.

    132.         De vrije keuze van patiënten en cliënten voor een zorgverlener gaan we wettelijk waarborgen. Hun rechtsbescherming gaan we versterken, evenals de privacybescherming.

     

    133.         Voor commerciële zorgverzekeraars is er in de publiek gefinancierde zorg geen rol meer. Wel krijgen zij het aanbod om zich om op regionale basis om te vormen tot een publiek gefinancierd en publiek aangestuurd zorgkantoor.

     

    134.         De publiek gefinancierde zorg gaan we niet meer inkopen of aanbesteden, maar vormgeven in een subsidierelatie. Die subsidierelaties worden gebaseerd op basis van door een per zorgregio periodiek vastgestelde regionale zorgvisie. Die vaststelling wordt gedaan door de gezamenlijke gemeenten in die zorgregio met behulp van een gemeenschappelijke regeling. De regionale zorgvisie behoeft ministeriële goedkeuring – onthouding daarvan kan alleen op basis van strijdigheid met de wet of strijdigheid met een periodiek door het parlement vastgesteld landelijk zorgkader. Alle publiek gefinancierde zorg gaat zo gefinancierd worden met één samenhangende regeling en één loket (het publieke regionale zorgkantoor).

     

    135.         We gaan de zorg volledig financieren door een eerlijke, rechtvaardige belastingheffing. Zorgpremies (zowel de nominale als de inkomensafhankelijke), eigen bijdragen en eigen risico verdwijnen. Dan kan ook de zorgtoeslag geschrapt worden.

     

    136.         Welke zorg nuttig en/of nodig is, blijft een zaak van politieke besluitvorming, op basis van deskundig advies. Linkse politiek bepleit daarbij een zo breed mogelijk pakket van voldoende bewezen werkende zorg. Mond/tandartszorg en paramedische behandelingen horen daarbij, evenals preventieve behandelingen en anticonceptie.

     

    137.         Er komt een andere bekostigingssystematiek in de zorg. De huidige budgetplafonds vervallen. We gaan niet meer bekostigen op basis van het aantal verrichtingen, maar gaan werken met het zgn. cappuccinomodel: de bekostiging wordt vooral gebaseerd op basis van de hoeveelheid patiënten die ze onder hun hoede hebben (de koffie). Daarnaast wordt er een kleine opslag verstrekt per ingreep of consult (de melk) en ook nog een opslag bij uitzonderlijk goede prestaties of innovaties (het schuim). Zorgkantoren krijgen de bevoegdheid – met instemming van de gemeenten in de zorgregio – subsidievoorwaarden te stellen die efficiëntie, doelmatigheid en kwaliteit bevorderen. Ook de minister van zorg – met instemming van het parlement – kan daartoe in het nationale zorgkader verplichtende voorwaarden opnemen. Tot die voorwaarden behoren in ieder geval:

    -ingrepen moeten voldoende bewezen medisch nut hebben;

    -een efficiënte verdeling van dure voorzieningen voor complexe medische zorg, waarbij onder meer gedeconcentreerde zorg voor chronisch zieken door huisartsen met participatie van specialisten wordt aangeboden;

    -dure medische technologie alleen wordt toegepast als die bewezen meerwaarde voor kwaliteit van leven en/of de levensverwachting van de patiënt oplevert ten opzichte van chirurgisch handwerk;

    -toepassing van bewezen ICT-technologie op het direct met elkaar kunnen communiceren in de hele zorg, de beveiliging en de bescherming van de privacy.

     

    138.         We beperken de prijs- en patentmacht van de farmaceutische industrie.

     

    139.         We versterken de poortwachtersfunctie van huisartsen en wijkverpleegkundigen voor toegang tot specialistische, paramedische en/of langdurige zorg, die daartoe meer capaciteit krijgen. Het CIZ wordt opgeheven. Diagnostisch onderzoek wordt bekostigd. Spoedeisende zorg wordt alleen bekostigd als het ook spoedeisend is. Indicaties vinden alleen plaats na tenminste een persoonlijk gesprek door de huisarts/wijkverpleegkundige zelf. Indicaties moeten passend zijn wat betreft de duur van te verlenen zorg.

     

    140.         Huisartsen krijgen een rol in het signaleren van zorgaanbieders die hun werk niet goed doen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg krijgt ook taak de effectiviteit van de zorgverlening te beoordelen. Deze kwaliteitsoordelen worden openbaar gemaakt.

     

    141.         We investeren veel meer in preventie van gezondheidsproblemen:

    a)     We differentiëren de btw en accijnzen naar gezondheidsgevolgen;

    b)     We verbieden ongezonde producten op scholen, sport- en zorginstellingen en roken wordt nog verder beperkt;

    c)      We vergoeden bewezen effectieve therapieën tegen verslavingen en voor gezonde leefstijl;

    d)     We stimuleren gezond bewegen;

    e)     We nemen wettelijke maatregelen voor veel lagere percentages vet, suiker en zout in ons voedsel;

    f)      We gaan de vaccinatiegraad verhogen door vaccinatie als voorwaarde op te nemen voor toegang tot kinderopvang en scholen;

    g)     We investeren meer in onderzoek naar preventie en genezing van ernstige ziekten.

     

    142.         Er komt een landelijk expertisecentrum voor de zorg.

     

    143.         We maken een eind aan de financiering en indicatie van zorg via gemeenten (WMO en Jeugdzorg). Zorgprofessionals aan niet commerciële zorgaanbieders moeten zelf de zorgindicatie verzorgen. De financiering moet landelijk geschieden, en het zorgaanbod moet worden gereguleerd in een provinciale of regionale zorgvisies, die politiek wordt besloten. Er komt snel een noodplan voor het oplossen van de tekorten in de jeugdzorg, de zorg voor mensen met een beperking, de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) als de ouderenzorg.

     

    144.         We vertragen en verminderen de extramuralisering van zorg. Niet iedereen wil en kan langer zelfstandig thuis wonen. En waar dat wel kan, moet er ook geld en ruimte zijn voor aanpassingen van woningen, nieuwe woonvormen, dagbesteding, etc. We investeren ook in de kwaliteit en de toegankelijkheid van het doelgroepenvervoer.

     

    145.         Eigen kracht en zelfredzaamheid moet een recht, geen plicht zijn. Burgers die een beroep doen op langdurige zorg krijgen dan een wettelijk recht om zelf een plan op te stellen hoe die hulp eruit moet zien. Dit recht wordt actief bevorderd en gefaciliteerd, waarbij burgers het recht hebben om zich te laten bijstaan. Voor deze bijstand kan desgewenst een beroep worden gedaan op betaalde, onafhankelijke deskundigen. Het gebruik van een PGB blijft daarbij mogelijk en wordt niet, zoals nu te vaak gebeurt, ontmoedigt. We versimpelen de procedures rondom het PGB.

     

    146.         De overheid moet zorgen voor passende ondersteuning en facilitering voor mantelzorg, met o.m. veel meer respijtzorg en zorgverlof.

    C.      Het Onderwijs

    Voorstellen

    147.         In het onderwijsbeleid voeren we een radicaal op gelijke kansen gericht beleid – nu bevestigd en vergroot het onderwijs eerder de gelijkheid van kansen. Dat vraagt in de eerste plaats om uitstel van studiekeuze tot 15/16 jaar met een investerings- en innovatieplan en -budget voor meer niveaudifferentiatie en verschillende werkvormen.

    148.         Al in de vroegste jaren wordt nu ongelijkheid in kansen opgelopen. Het huidige voorschoolse onderwijs wordt steeds minder door kinderen van ouders met een laag inkomen/lage opleiding bezocht, ook door de oplopende kosten. We maken dit onderwijs daarom gratis, d.w.z. volledig collectief uit de belastingen gefinancierd, net zoals we dat met de kinderopvang gaan doen. De voorschoolse educatie moet – voor tenminste 16 uur per week – beschikbaar worden voor alle kinderen vanaf twee jaar. Onderwijs en kinderopvang, inclusief de voorschool, worden geïntegreerd in publiek en collectief gefinancierde en georganiseerde kindercentra.

    149.         Deze centra worden onderwijscoöperaties met veel regel- en budgetruimte voor de onderwijsprofessionals. De leraar moet veel meer eigenaar van het onderwijsleerproces worden en dus ook daarover veel meer zeggenschap hebben. De lumpsum bekostiging wordt deels vervangen door meer overheidssturing opdat publiek geld ook overeenkomstig met het doel ervan effectief en efficiënt besteed wordt en er minder reserves nodig zijn. M.n. op terrein van het curriculum, personeel en huisvesting krijgt de overheid een grotere rol. Onderwijs moet weer om onderwijs draaien, zodat leraren niet zich druk hoeven te maken over statistieken en financiering.

    150.         Hiervoor hebben we al aangegeven fors te investeren in werk in de publieke sector. In het onderwijs pakken we de forse tekorten van leraren aan met minder werkdruk en meer collega’s. We verminderen de werkdruk en realiseren meer aandacht per leerling. We realiseren kleinere klassen (gemiddeld 23 leerlingen, in achterstandswijken gemiddeld 12 leerlingen) en een kleinere lestaak (max. 1/3 van de aanstelling). Er komen ook meer onderwijsassistenten (per klas tenminste één), meer vakleerkrachten (bijv. voor bewegings- en voor cultuuronderwijs) en iedere school krijgt tenminste een schoolconciërge. Er komt meer specialistische begeleiding in kader van passend onderwijs. De salarissen van leraren in het PO en VO worden gelijk getrokken. We komen met een actieplan om sneller leraren op te leiden. Deze investeringen maken onderdeel uit van de eerder genoemde investering van 15 miljard euro per jaar in de publieke sector.

    151.         We bevorderen dat de nieuwste inzichten van leerpsychologie toegepast worden in de werkvormen en didactiek in het onderwijs, met brede vorming en meer contact met ouders.

    152.         In de bekostiging moet het meeste geld en de beste leraren en leermiddelen gaan naar de moeilijkste leerlingen/scholen met de grootste pedagogische uitdagingen, in plaats van de huidige rendementsbekostiging en het huidige onderwijsachterstandenbeleid. In plaats van premies op zo snel mogelijk doorstromen willen we een premie op het bieden van kansen. Bij scholen met een extra pedagogische uitdaging ontvangt men een toeslag en een kleinere lestaak, zodat er meer individuele begeleiding gegeven kan worden. De bekostiging moet recht gaan doen aan de inspanningen van een school om leerlingen te stimuleren en te begeleiden om hun talenten optimaal te ontplooien, en dit moet niet zoals nu juist risico’s voor een school opleveren. Concurrentie tussen scholen wordt zoveel mogelijk vervangen door samenwerking.

    153.         De verschillen in kwaliteit tussen scholen moeten veel minder groot worden. Zwakke scholen moeten eerder onder toezicht worden geplaatst. Kinderen zijn anders de dupe.

    154.         In het publiek bekostigde basis en voortgezet onderwijs komt er op iedere school een toelatingsrecht. Scholen mogen leerlingen niet meer afwijzen, ook niet vanwege de religieuze identiteit van de school. Bij capaciteitsproblemen kan er tijdelijk een stop worden toegestaan, maar de school moet dat met extra publieke middelen zo snel mogelijk oplossen.

    155.         Mbo-instellingen met veel leerlingen uit achterstandsituaties krijgen gericht extra overheidsgeld om deze leerlingen naar het diploma te tillen dat voor hen haalbaar is. En we verlengen de leerplicht voor jongeren die nog geen startkwalificatie hebben en wel de potentie hebben die te halen.

    156.         Stapelen van diploma’s is een belangrijk principe voor sociale mobiliteit. Jongeren krijgen een doorstroomrecht: een diploma geeft zonder extra voorwaarden recht op vervolgonderwijs. De aansluiting wordt verbeterd, extra toegangseisen vervallen en er komen goede schakelprogramma’s. Er komt extra geld voor extra begeleiding, bijlessen en coaching van studenten die doorstromen van mbo naar hbo, in het laatste jaar mbo en het eerste jaar hbo, en voor meer professionele studieloopbaanoriëntatie en -begeleiding.

    157.         We gaan het passend onderwijs beter afdwingen en faciliteren. Leerplichtambtenaren krijgen doorzettingsmacht om kinderen met een beperking op scholen te plaatsen. Er komt landelijk één wettelijke definitie van basiszorg dat de minimumondersteuning omschrijft die iedere school moet bieden. Scholen mogen dan niet langer leerlingen weigeren omdat ze niet in staat zouden zijn passend onderwijs te leveren. We brengen de bekostiging daartoe ook op orde. Erkend moet worden dat voor sommige leerlingen speciaal onderwijs een beter alternatief blijft. Daartoe blijven een aantal van deze scholen in regionaal verband in stand. Leerlingen met een (meervoudige) beperking die geen regulier onderwijs kunnen volgen, kunnen kosteloos onderwijs volgen of naar de dagbesteding. Voor het onderwijsdeel en de onderwijsondersteuning wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen die ook, publiek bekostigd. De medicalisering van leerproblemen moet worden teruggedrongen.

    158.         We willen minder prestatiedruk in het onderwijs. Met minder toetsen. Huiswerk zoveel mogelijk afschaffen. Plezier in leren moet een prioriteit zijn. Tegelijkertijd breiden we de onderwijstijd uit. Er komt een veel breder vakkenpakket. De taal- en rekenvaardigheid, maar ook de kennis in andere vakken moet substantieel omhoog. Teveel leerlingen ontberen nu basale, noodzakelijke kennis en vaardigheden. Maar er is ook meer dan alleen cognitieve kennis. Kinderen moeten zich breed kunnen ontwikkelen, met ook vaardigheden, muziek, theater, beeldende vorming en bewegingsonderwijs. Moderne leerpsychologische kennis moet leiden tot betere didactiek, dus o.m. niet alleen leren door luisteren. Daarbij helpt het als er veel meer contact is tussen ouder, kind en leraar, ook voor tieners ouder dan 15 jaar. Geen 7 minuten op een ouderavond, maar uren. Liefst met het kind erbij. En dat er mensen worden ingevlogen voor lezingen over hoe je omgaat met leermotivatie of met angst, of over pesten of drugs.

    159.         Er komt een speciaal programma gericht op veel betere deelnamecijfers van studenten met een beperking in het mbo en het hoger onderwijs. De toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten met een beperking wordt een afdwingbaar recht, de instellingen krijgen daarvoor extra middelen.

    160.         Het komt nog steeds teveel voor dat studenten in het mbo en hbo geen stageplek krijgen door discriminatie, bijv. door een niet-westerse achternaam, een hoofddoek of vanwege hun genderidentiteit of -expressie. De onderwijsinstellingen zijn al verantwoordelijk voor het regelen van een stage. Daarenboven gaan we dat recht op stage afdwingbaar maken voor de studenten. En er komt een meldingsplicht voor discriminatie naar de Inspectie SZW.

    161.         We zorgen voor een publiek gefinancierd landelijk aanbod van basiseducatie voor laaggeletterden[17], gericht op basisvaardigheden op het terrein van in ieder geval taal, rekenen en digitale vaardigheden, waaronder het kunnen beoordelen van informatie op betrouwbaarheid. Gemeenten moeten taakstellingen en geoormerkte middelen daarvoor krijgen. Er komen speciale, gratis, laagdrempelige en aantrekkelijke scholen voor basiseducatie in alle gemeenten met een extra inzet op de wijken waar dit probleem het grootst is (dit wordt onderdeel van de eerder genoemde nieuwe wijkaanpak), met een open digitaal interactief ondersteuningskanaal en een landelijk kwaliteitskader. Bij de opzet wordt samengewerkt met volwassenenonderwijs, bibliotheken en buurtwerk/wijkcentra, en met scholen in het PO en VO: scholen bemiddelen actief voor taalonderwijs voor ouders van hun leerlingen wanneer zij constateren dat die inzet nuttig kan zijn. Er komen aparte diploma’s voor de verschillende taalniveaus met een bescheiden bonus/beloning bij het behalen daarvan.

    162.         Ook moeten we veel meer werk maken van toegankelijk volwassenenonderwijs. We organiseren een landelijk netwerk met volwassenenonderwijs: van tweede kans voortgezet onderwijs, van specifieke cursussen tot hoger onderwijs voor volwassenen – ondersteund door een ruim aanbod van digitaal afstandsonderwijs. Voor lage inkomens wordt dit gratis toegankelijk, en voor middeninkomens gaan gesubsidieerde tarieven gelden.

    163.         Bibliotheken worden gratis en gepromoot met taal- en leescafés, quizzen, publieke dictees e.d. We investeren in moderne bibliotheken, met moderne media en digitale toegang, die nauw samenwerken met scholen en het taalonderwijs. Bibliotheken worden leesbevorderingscentra. Iedere wijk en ieder dorp moet een fysieke, goed toegankelijke bibliotheekvoorziening hebben. Jongeren tot 25 jaar en inkomens tot 130% van het sociaal minimum krijgen een gratis abonnement op een onafhankelijk dagblad (al dan niet digitaal) naar keuze, gratis toegang tot muziekschool of andere culturele scholing, en een lidmaatschap bij een sportclub naar keuze. Musea worden gratis voor jongeren en minima. We verdubbelen ook het cultuurbudget en zetten een open digitale universiteit op naar het voorbeeld in het VK.

    164.         Al het onderwijs tot en met het mbo wordt gratis (het lesgeld in het mbo vervalt). Zgn. vrijwillige ouderbijdragen worden verboden. Excursies en leermiddelen worden in de bekostiging vergoed. We gaan ook de sluipende privatisering van het onderwijs tegen, door o.m. extra begeleiding in het reguliere onderwijs aan te bieden en te bekostigen.[18] Zo zorgen we dat elk kind, ongeacht de portemonnee van de ouders, gelijke kansen in het onderwijs heeft. Dat gaan we volledig financieren uit de Rijksbegroting.

    165.         De huidige studiefinanciering (rentedragende studielening en aanvullende beurs) vervangen we door een voor iedereen gelijke studentenuitkering van 1000 euro per maand plus een OV-studentenkaart (met gratis reizen in daluren) – ongeacht ouderlijk inkomen en of je thuis- of zelfstandig woont. De uitkering wordt gekort bij eigen inkomsten boven de 500 euro per maand. Er is geen partner- of vermogenstoets.

    166.         Wij stellen voor het lesgeld af te schaffen in het mbo, en voor het hoger onderwijs het collegegeld te vervangen door een door de Belastingdienst te innen studieheffing over het na afloop verdiende inkomen voor een bepaalde, maximum periode. De heffing is hoger na rato van het dan verdiende inkomen en naar rato van de verbruikte studieduur.

    VIII.       De markt meester worden: terug naar het Rijnlandse model

    A.    Gereguleerde marktwerking

    177.         De markt is ontspoord in een Angelsaksische dodemansrit. We moeten terug naar het Rijnlandse model. We moeten de markt weer meester worden. Lange termijndoelen met balans in de belangen van alle stakeholders moeten centraal komen te staan, in plaats van alleen korte termijnbelangen van aandeelhouders. Naast het private winstbelang moeten ondernemingen zich rekenschap geven over hoe zij bijdragen aan de belangen van hun werknemers en aan publieke belangen, zoals een duurzame, circulaire productie – people, planet and profit. En dat over hun hele productie- en distributieketen. Ondernemingen moeten in hun publiek jaarverslag meer verplichte onderdelen opnemen over hun sociaal en duurzaamheidsbeleid.

    178.         De overheid neemt eigendom in bedrijven die van nationaal belang zijn. We maken vijandige overnames moeilijker door werknemers een blokkerende stem te geven bij alle overnames en fusies, door een wachttijd in te voeren en door financiering door eigen vermogen te eisen. Nu worden overnames vaak gefinancierd via schuld, en dat is slecht voor het bedrijf en voor de economie als geheel. De investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn. Dit wordt vooraf getoetst. Excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen wordt wettelijk beperkt.

    179.         We pakken kartelvorming en monopolies aan en we beperken het patentrecht in duur en ook waar het algemeen belang teveel in het geding is, zoals nu bij de farmaceutische industrie en bij internetbedrijven als zoekmachines, sociale media en softwarebedrijven.

    180.         We verbeteren de huurbescherming van zelfstandige winkeliers en de rechtspositie van franchisenemers, en we passen de mededingingswetgeving aan, zodat de macht van grote inkopers tegenover kleine zelfstandigen wordt ingeperkt. Bij overheidsopdrachten garanderen we dat kleine ondernemers dezelfde kansen krijgen als grote bedrijven.

    181.         Er moeten ook scherpere regels komen voor private equity bedrijven. Het lange termijnperspectief bij bedrijven wordt ondermijnd door excessen van private equity-partijen en door activistische aandeelhouders. Die jagen bedrijven op om onderdelen af te stoten of onderdelen te verkopen zonder oog voor de belangen van werknemers of klanten. Gezonde bedrijven gaan daardoor op termijn kapot. We moeten de uitwassen van dit Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme bestrijden: de investeerder, en niet de belastingbetaler moet de grootste risicodrager zijn; excessieve schuldfinanciering en het verzwakken van de balans van ondernemingen moeten worden beperkt; de invloed van werknemers moet worden vergroot; en de kosten en het verdienmodel van private equity-partijen moeten transparant worden.

    182.         Consumentenbelangen moeten veel beter worden beschermd. Dat vraagt o.m. strengere regulering en betere handhaving, waarbij de vrije mededinging beperkt kan worden.

    De Autoriteit Consument en Markt moet zich beperken tot puur private en niet grotendeels door overheid gesubsidieerde en/of gereguleerde sectoren (dus geen zorg, onderwijs, kinderopvang, etc.) en stelt consumenten- en publieke belangen zwaarder dan pure mededingingsbelangen. Ook moet het verbod op het georganiseerd onderhandelen over prijzen van zzp-ers vervallen.

    183.         Het ACM moet proactief controleren op een nieuw door de overheid vastgesteld en gehandhaafd Keurmerk Duurzaam en Eerlijk Ondernemen. Geen zelfregulatie meer, maar harde zekerheid voor een faire beloning, goede arbeidsomstandigheden, geen uitbuiting, geen kinderarbeid, geen bijdrage aan onveiligheid, een schone, circulaire productie en distributie, geen schade aan biodiversiteit en geen vervuiling van lucht, water en bodem.

    184.         Reclame en productinformatie moet betrouwbaar zijn, met aansprakelijkheid van de producent als dat niet zo is, en productaansprakelijkheid moet veel minder eenvoudig als nu uitgesloten kunnen worden. Dat geldt des te meer voor digitale aanbieders. We zetten ons in om de misstanden die nu wekelijks bij consumentenprogramma’s te zien zijn aan te pakken met extra regelgeving en handhaving. Met scherpe en intensieve inspecties en hoge, effectieve boetes.

    185.         We gaan de mogelijkheden voor een coöperatieve sociale onderneming bevorderen, door een lager vennootschapstarief en een eigenstandige rechtsvorm.

    B.    Meer zeggenschap voor werknemers

    186.         Door de in hoofdstuk II voorgestelde collectieve vermogensaanwasdeling delen werknemers meer mee met de winst van ondernemingen. Daarbij maken we het aantrekkelijk om dit te doen in de vorm van aandelen voor werknemers, waardoor werknemers mede-eigenaar worden en ook zeggenschap verwerven.

    187.         De rechten van de Ondernemingsraad (OR) worden versterkt, o.m. met een recht op het benoemen van een deel van de leden van de Raad van Commissarissen: De Raden van Commissarissen moeten tenminste drie leden hebben die andere onderwerpen bewaken dan de beleggersbelangen, waaronder tenminste een die specifiek let op werknemersbelangen. Tenminste de helft van de leden moeten bestaan uit andere dan vooral financieel georiënteerde types.

    188.         Ook de belangen van werknemers bij platformbedrijven moet veel beter gereguleerd en gehandhaafd worden. De voorstellen in hoofdstuk II over regulering van flexwerk zal hun rechtspositie verduidelijken en vaak verbeteren.

    189.         En we versterken de zeggenschap van werknemers en hun vakbonden. Werknemers krijgen instemmingsrecht bij overnames en een sterke positie bij afhandeling van faillissementen, doorstarten, fusies en overnames. Het stakingsrecht gaan we wettelijk regelen. Er komen maatregelen om de positie van vakbonden te versterken. Onderdelen van cao’s kunnen alleen voor leden gaan gelden, teneinde free-rider gedrag tegen te gaan. In het burgerschapsonderwijs wordt aandacht gegeven aan het belang van vakbonden en van organisatie van werknemers. Er wordt niet getornd aan de algemeenverbindendverklaring van cao’s. Nepbonden, bonden die in hoofdzaak afhankelijk zijn van financiële bijdragen van werkgevers, worden uitgesloten van het cao-overleg.

    190.         We versterken de positie van werknemers in het ontslagrecht, in plaats van de verslechteringen die Rutte III wil doorvoeren. We gaan borgen dat het onderzoek bij ontslagaanvraag beter en onafhankelijker plaatsvindt, met tenminste een mondelinge hoorzitting van de werknemer en goede, gratis rechtsbijstand.

    C.     Een minder op export gebaseerde economie en eerlijke handel in plaats van vrijhandel

    191.         Onze economie moet minder afhankelijk worden het buitenland en dus van export en doorvoer. Binnenlandse bestedingen moeten veel meer de motor van onze energie worden. Teveel van de Nederlandse productie gaat naar buitenlandse consumenten. We moeten gericht beleid voeren op het verminderen van ons enorme handelsoverschot. Het is onjuist om goedkope lonen te verdedigen omdat die meer banen zouden betekenen. Ze betekenen weliswaar meer banen voor de export, maar die gaan ten koste van banen in de binnenlandse sector met een per saldo negatieve uitwerking op onze levensstandaard. Daarom moeten de lonen juist omhoog in de exportsector, zoals ook Klaas Knot, directeur van DNB, bepleit. In plaats van de huidige sterke afhankelijkheid van de export en van de financiële industrie (die beiden onze economie kwetsbaar maken voor externe invloeden) moet onze economie meer gaan steunen op hogere, duurzaam verantwoorde, binnenlandse bestedingen.

    192.         Eerlijke en duurzame handel moet volledige vrijhandel vervangen, ook in internationaal opzicht. We beoordelen handelsverdragen hierop zeer kritisch en staan geen aparte rechtssystemen hiervoor toe (geen ISDS, geen ICS). De vrijhandelsverdragen met Japan, Canada en de Zuid-Amerikaanse Mercosur-landen voldoen daar niet aan en kunnen dus niet zonder aanpassing daarop gesteund worden. Lidstaten en regio’s in lidstaten moeten op grond van economische problemen en achterstand tijdelijk ontheffing kunnen krijgen van het verbod op overheidssteun aan bepaalde bedrijven of sectoren. Daartoe worden objectiveerbare criteria en voorwaarden opgesteld, waaraan de Europese Commissie toetst.

    193.         Daarnaast verdubbelen we het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Dat budget wordt ontdaan van oneigenlijke zaken als migratie, Nederlandse handel en defensie. We zetten met name in op goed bestuur & democratische rechtsstaat, verduurzaming & tegengaan van effecten klimaatcrisis (droogte, wateroverlast, temperatuurstijging, extreem weer), emancipatie & non-discriminatie en de realisering van de VN-ontwikkelingsdoelen. Ernstige schending van mensenrechten betekent dat we geen handel bevorderen en overgaan tot sancties, liefst met zoveel mogelijk andere landen, bij voorkeur ook in EU-verband. Maar desnoods zetten we alleen de toon. De geloofwaardigheid van buitenlandse politiek moet terug.

    D.    Een minder op schulden gerichte economie met een kleinere, strak gereguleerde financiële sector

    194.         We willen ook een minder op schulden gerichte economie. De omvang van die schulden is internationaal vergeleken zorgwekkend groot, hetgeen ons zeer kwetsbaar maakt. Het is een rem op economische groei en een levensgevaarlijk gevaar voor de macro-economische stabiliteit. In plaats van de focus op reductie van overheidsschulden moeten we de focus richten op reductie van private schulden en daarmee een veel kleinere financiële sector, voor een duurzame, stabiele economische groei. We stoppen radicaal met het aantrekken van nieuwe financiële spelers uit het buitenland, zoals nu in de aanloop naar de Brexit gebeurt.

    195.         Met de door ons bepleite beperking van hypotheken zal ook de financiële sector sterk krimpen. Dat willen we nog verder bevorderen door hogere buffers bij banken te eisen. Wij willen de buffers geleidelijk verhogen naar 10 procent van het kapitaal. De gewogen risico-eisen worden eveneens verhoogd. Hard eigen vermogen is beter dan vermogen dat kan worden omgezet in eigen vermogen (coco’s). Wij willen daarom stoppen met de fiscale bevoordeling van coco’s – een soort converteerbare obligatieleningen waarmee banken strengere kapitaalregels kunnen omzeilen. In de risicomodellen van banken moeten harde ondergrenzen aan het kapitaal worden gesteld, de zogenaamde kapitaalvloeren.

    196.         Ook meer regulering helpt om de ‘Wolf on Wall Street’ te temmen. We voeren een verbod in op te risicovolle producten, verplichten tot een harde scheiding tussen nuts- en zakenbankfuncties (aparte spaarbanken)[19]. De huidige strenge bonuswetgeving wordt verscherpt: een bonus mag niet 20% maar nog maar 10% van het vaste salaris bevatten en mag niet gerelateerd zijn aan doelstellingen die speculatie bevorderen of anderszins strijdig zijn met het algemeen belang.

    197.         Ook de omvang per bank is nu te groot. We willen streven naar een stelsel van kleinere banken, die bij problemen dan ook minder kostbaar gered kunnen worden. Kleinschaligheid helpt ook de focus meer op het klantbelang te leggen en de nutsfuncties van banken te versterken. We willen ook meer diversiteit in banken, waaronder een staatsbank en een echt coöperatieve bank. SNS Bank moet daarom beslist niet naar de beurs.

    198.         Als een bank gered moet worden, wentelen we dat niet meer af op de belastingbetaler. De leiding moet dan plaatsmaken. Bij wanbeleid volgt vervolging, we schikken niet meer.

    199.         We stellen het belang van klanten centraal bij banken met regels over minima aan kantoren, persoonlijk contact en advies, geldautomaten, etc. Dit zal ook het verlies aan werkgelegenheid, met name voor lage en middelbaar geschoolde functies, deels kunnen compenseren. Het wordt eenvoudiger om van bank over te stappen – banken moeten o.m. zelfde rekeningnummer blijven gebruiken en automatische incasso’s continueren. Betaalgegevens zijn van de klant, niet van de bank. Banken beschikken alleen over de gegevens, omdat zij een nutsfunctie hebben: het veilig en goed laten verlopen van het betalingsverkeer. Banken mogen betaalgegevens niet verkopen aan derden. De gedragscode waarin de omgang met betaalgegevens is geregeld, willen wij aanpassen, waarbij de bescherming van privacy voorop staat.

    200.         Banken dragen nog steeds te weinig bij aan de overheidsfinanciën. Banken betalen geen btw. Wij willen de bankbelasting daarom verhogen. Daarnaast voeren we in Europees verband een belasting in op speculatieve transacties met aandelen (Financial Transaction Taks – FTT – of ook wel Tobin-tax genaamd).

    201.         Wij willen de bankenunie vervolmaken door de invoering van een door banken zelf gefinancierd Europees depositogarantiestelsel (DGS), zodat overheden onder druk van spaarders niet in de verleiding komen falende banken alsnog te redden. Met de invoering van een Europees DGS zorgen we ervoor dat de Europese bankenunie naast Europees toezicht en een Europees steunfonds stevig op drie pijlers rust. Daarvoor is het wel nodig dat de bankbalansen eerst verder op orde worden gebracht. Ook de verstrengeling tussen banken en overheden moet verder worden doorbroken. Staatsobligaties moeten daarom een eerlijkere weging krijgen in de Europese en internationale financiële regelgeving. Ook wordt het aandeel staatsobligaties op een bankbalans gemaximeerd.

    202.         We willen een vervolg op de discussie over de rol van banken en van de overheid bij geldcreatie en stellen regels bij het gebruik van digitale geldmiddelen als bitcoins. Geldschepping moet de samenleving dienen: een goede democratische controle op geldschepping, het voorkomen van financiële zeepbellen en het creëren van ruimte voor publieke bestedingen. We stimuleren dat geld in de productieve economie terechtkomt en ontmoedigen speculatie.

    203.         Sommige verzekeraars verkeren in zwaar weer. Wij willen dat er geen dividenden mogen worden uitgekeerd als buffers onder druk staan. De Nederlandsche Bank moet hierop toezicht houden. We bevorderen coöperatieve verzekeringen met echte zeggenschap van de deelnemers. Collectieve schadeafhandeling is slecht geregeld in Nederland. Woekerpolishouders en derivatenbezitters blijven te lang met ellende zitten. Wij willen een juridische mogelijkheid invoeren om sneller tot collectieve oplossingen te komen.

    204.         De accountants hebben bewezen zichzelf niet te kunnen reguleren. We voeren regels en verscherpt toezicht in om te waarborgen dat de controle op rechtmatigheid en op een getrouw beeld geven op juiste wijze plaatsvindt. Zij moeten een Chinese muur opzetten tussen accountantswerkzaamheden en advieswerkzaamheden. Fiscalisten, accountants en vermogensbeheerders ontspringen nog te vaak de dans bij belastingontduiking. In de praktijk worden deze mensen zelden strafrechtelijk vervolgd, terwijl hier wel mogelijkheden voor bestaan. Dat moet anders, omdat dit de mensen zijn die de ingewikkelde constructies bedenken om de fiscus om de tuin te leiden. We moeten de mogelijkheden verruimen om adviseurs te vervolgen die meewerken aan belastingontduiking en agressieve belastingontwijking.

    205.         (Semi-)overheidsinstellingen moeten ook minder speelruimte krijgen op financieel terrein met een verplichte, externe toets op investeringen en contracten. Mogelijk kan de BNG hierbij ook een rol spelen als verplichte bankier.

    E.     Regulering van het internet

    206.         De privacy van burgers moet veel beter worden beschermd en het internet moet meer worden gereguleerd:

    a)     Overheden en publieke instellingen moeten zelf controle houden over hun databestanden.

    b)     Er komt wettelijk gegarandeerde zeggenschap en transparantie over de koppeling van databestanden in publieke sectoren.

    c)      Het medisch beroepsgeheim wordt niet aangetast.

    d)     We draaien het mogelijk maken van het verkopen van je data door je bank terug.

    e)     Burgers krijgen zeggenschap en controle over wat er met hun data gebeurt en er komen strenge wettelijke voorwaarden voor het omgaan met deze data.

    f)      Bij het gebruik van algoritmes en databestanden wordt transparantie wettelijk verplicht. Stigmatiserend gebruik van algoritmes, bijv. bij het bestrijden van fraude, wordt verboden. Algoritmes mogen niet leiden tot uitsluiting op de arbeidsmarkt of verzekeringen.

    207.         We ondersteunen de ontwikkeling van een ‘publiek internet’, met waardengedreven publieke en non-profit platforms, waardoor informatie en communicatie, en daarmee datastromen, niet langer via commerciële platforms hoeft te gaan. Zo bevorderen we een divers en pluriform internet met verschillende typen spelers.

    208.         We gaan de digitale infrastructuur veel steviger reguleren. Dit geldt des te meer in het geval platformbedrijven nutsfuncties vervullen. De huidige kaders voor wetgeving en regulering lopen achter bij de alledaagse realiteit van algoritmische lock-ins, ongebreidelde verknopingen van datastromen, vervagende grenzen tussen de private infrastructuur en gebruikersvoorwaarden met een onduidelijke status. Zelfregulatie is evident onvoldoende gebleken. Het dwingend en niet transparant goedkeuren van delen van je data en surfgedrag op websites wordt verboden. Platformbedrijven moeten voor hun diensten voldoen aan dezelfde eisen als hun concurrenten: cao-naleving (Picnic), verbod op schijnzelfstandigheid (Deliveroo, Uber), beroepsvoorschriften (Uber) en belastingvoorschriften als btw en toeristenbelasting (AirBNB).

    209.         We voeren naar Frans voorbeeld een aparte belasting in op digitale diensten (Digitaks) en voeren wetgeving in om monopolyposities (zoals Google bij zoekmachines en Facebook bij sociale media) te breken. Dat kan o.m. met interoperabiliteit, het verbieden van koppelingen (zoals die nu door de Europese Commissie is verboden tussen het besturingssysteem Windows en de zoekmachine Internet Explorer), en door te verbieden dat toegang tot platforms of data uniek is – zoals nu Facebook bepaalt welk aanbod van andere partijen is toegestaan. Dataportabiliteit maakt het gebruikers mogelijk een alternatief voor Facebook te kiezen zonder gegevens te verliezen en dus zonder virtuele vrienden te verliezen.

    210.         We nemen maatregelen om jongeren beter te beschermen tegen potentieel beschadigende content en verslavend internetgedrag, en om burgers te misleiden met ‘fakenews’ – dat moet wel zeer transparant en controleerbaar gebeuren, onafhankelijk van de overheid – en bewuste manipulatie van de democratie.

    IX.            Versterking van de democratische rechtsstaat

    211.         Directe democratie verdraagt zich slecht met vertegenwoordigende democratie. Ze dreigt gauw te ontaarden in een dictatuur van de meerderheid, waarbij de belangen en argumenten van de minderheid er niet toe doen. Directe democratie is zeer gevoelig gebleken voor eenzijdige informatie en opinievorming. Vertegenwoordigende democratie met evenredige vertegenwoordiging, een lage kiesdrempel en bescherming van rechten van politieke minderheden geeft meer kans op een betere weging van het algemeen belang.

    We voeren geen referendum in, anders dan op lokaal niveau voor kwesties die alleen dat lokale niveau betreffen. Daarvoor komen hoge drempels (aanvraag gesteund door 40% van kiesgerechtigde inwoners, uitslag tenminste 50% voor van stemgerechtigden).

    Wel voeren we een uitgebreider burgerinitiatiefregeling in.

    En gaan we in wijken en dorpen vormen van gedeeltelijk zelfbeheer invoeren, bijv. op terrein van groenbeheer en -onderhoud. Daarbij is altijd ook publieke financiering en dus zeggenschap aanwezig.

    Burgerparticipatie bij totstandkoming beleid wordt verder bevorderd. Daarvoor komt een speciaal ondersteunings- en innovatieprogramma en -budget.

    212.         We versterken de representatieve, gekozen democratie met:

    a)     meer geld voor onderzoek en ondersteuning van volksvertegenwoordigers in ieder gekozen orgaan.

    b)     een veel betere vergoeding van hun werkzaamheden op lokaal en provinciaal niveau.

    c)      versterking van de positie van politieke partijen, met eisen aan democratische organisatie en financiële transparantie. Private financiering van politieke partijen mag slechts beperkt en volledig transparant plaatsvinden.

    d)     Er komt een lobbyregister.

    e)     Het nevenwerkzaamheden en -inkomstenregister wordt veel sterker gehandhaafd, met boetes en bekendmaking bij overtredingen.

    f)      Er komt geen kiesdrempel.

    g)     We versterken de rechten van parlementaire minderheden.

    h)     De informatiepositie van volksvertegenwoordigers wordt versterkt (en niet beperkt, zoals het huidige kabinet wil), ambtelijke notities en verslagen mogen niet meer worden achtergehouden.

    213.         We voeren een Grondwettelijke toetsing in van wetten. De Raad van State wordt gesplitst in een adviesorgaan van de wetgever en in een bestuursrechter, die ook deze Grondwettelijke taak erbij krijgt.

    214.         De Eerste Kamer blijft bestaan, maar krijgt een terugzendrecht. De Eerste Kamer wordt iedere twee jaar voor de helft opnieuw gekozen door de leden van de Provinciale Staten.

    215.          Gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen tussentijds door hen zelf of hun bestuur ontbonden worden voor tussentijdse verkiezingen.

    216.         We voegen de taken en bevoegdheden van de waterschappen bij de provincies. De waterschapsbelasting wordt daarbij eerlijker, en dus minder zwaar voor huishoudens.

    217.         Gemeenten worden in de komende kabinetsperiode niet meer tegen hun wil heringedeeld. De bestuurskracht van kleine gemeenten wordt versterkt met meer geld en mogelijkheden voor aantrekken van hoog genoeg geschoold personeel.

    218.         Gemeenschappelijke regelingen tussen lagere overheden worden voorzien van een verplichte dualistische structuur zoals in gemeenteraden. De bestuurders en volksvertegenwoordigers in de organen van een gemeenschappelijke regeling worden gekozen door en uit de bestuursorganen die zij vertegenwoordigen.

    219.         De burgemeester en de Commissaris van de Koning worden openbaar gekozen door de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten. De kabinetsformateur wordt door de Tweede Kamer benoemd en ontslagen.

    220.         De staatsrechtelijke rol van de Koning wordt ook in formele zin beperkt tot representatieve en extern vertegenwoordigende functies. De Grondwet wordt ontdaan van de suggestie dat wetten bij de gratie van een God verkondigd worden. Leden van Koninklijk Huis betalen gewoon belasting en hun inkomen wordt gebracht onder de maximum norm voor topbeloningen in de publieke sector. Van staatsvoorzieningen kan geen gebruik gemaakt worden voor privédoeleinden en paleizen zijn publiek bezit en worden zoveel mogelijk ook voor publiek toegankelijk.

    221.         We zetten in op verdere democratisering van de EU:

    a)     Er komt een aparte Europese Senaat met leden gekozen door en uit de leden van de nationale parlementen van de lidstaten. Deze zetelt in Straatsburg.

    b)     Het Europees Parlement wordt dan niet langer meer gekozen per lidstaat, maar op Europese lijsten van Europese partijen, en zetelt alleen in Brussel.

    c)      Het EP kiest de voorzitter van de Europese Commissie, en moet akkoord gaan met de benoeming van de andere leden ervan, waarin niet langer iedere lidstaat vertegenwoordigd is.

    d)     De voorzitter van de Europese Raad van ministers moet met instemming van de Europese Senaat gekozen worden.

    e)     Het vetorecht wordt drastisch beperkt, meerderheidsbesluitvorming wordt de norm.

    f)      De bevoegdheden van Europees Parlement worden uitgebreid.

    g)     De controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering wordt versterkt met meer bevoegdheden van de Europese Rekenkamer.

    h)     De rechtspositie van de Europarlementariërs wordt gelijk ongeacht de lidstaat waar zij vandaan komen en substantieel versoberd.

    222.         De plan- en onderzoeksbureaus van de overheid en het CBS worden wat betreft de wetenschappelijke pluriformiteit en onafhankelijkheid versterkt. Er komt een aparte onafhankelijke Uitvoeringskamer, die vooraf toetst of voorstellen voldoende uitvoerbaar zijn. De Algemene Rekenkamer krijgt de bevoegdheid om geen goedkeurende verklaring te geven. Deze kan worden overruled door een besluit van de gezamenlijke Eerste en Tweede Kamer. Er komen verplicht rekenkamers voor lagere overheden.

    223.         We versterken de publieke controle door extra middelen voor onafhankelijke, journalistiek, met als speerpunten voor versterking de lokale, regionale en Europese politiek en onderzoeksjournalistiek. De publieke omroep wordt versterkt met meer digitale mogelijkheden. Reclame wordt daar vervangen door extra bekostiging.

    224.         We versterken de democratische rechtsstaat door een substantiële versterking van het recht op openbaarheid in de Wet op de openbaarheid, en een betere regeling voor klokkenluiders.

    225.         De positie van de Ombudsman en van de Kinderombudsman worden ook versterkt. Gemeenten en provincies moeten zich aansluiten bij een regionale onafhankelijke, bij wet ingestelde Regionale Ombudsman. Burgers krijgen meer rechtsbescherming tegen besluiten van gemeenten, maar procedures worden verkort en aan het eindeloos kunnen doorprocederen wordt een eind gemaakt.

    X.              Linkse begrotingspolitiek en een plan voor de volgende crisis

    226.         We voeren een linkse begrotingspolitiek, maken een eind aan de schadelijke te grote zuinigheid bij de overheid en hebben in lijn daarmee een plan gereed voor bestrijding van de volgende (inmiddels huidige) crisis. Bovenstaande nieuwe sociaaldemocratische agenda is prima financierbaar. We halen het geld waar het zit. We zijn voor degelijke financiering van overheidsuitgaven, maar dan wel zonder neoliberale dogma’s en gericht op de langere, duurzame termijn. We voeren de volgende wijzigingen in op het begrotingsbeleid:

    a)     Hervormingen moeten voldoen aan eisen van sociale rechtvaardigheid en aan eisen van ecologische duurzaamheid.

    b)     We nemen de bezittingen en vorderingen van de overheid in aanmerking bij de herformulering van de staatsschuld.

    c)      We stappen af van de regel dat meevallers op de begroting alleen gebruikt mogen worden voor de aflossing van de staatsschuld.

    d)     Het financieringstekort hoeft ook niet per sé maximaal 3 procent op jaarbasis te zijn. Gemiddeld 3 procent voor een langere periode zou de inzet moeten zijn.

    e)     Er is daarnaast geen enkele noodzaak tot het creëren van een begrotingsoverschot. Begrotingsoverschotten moeten gebruikt worden voor investeringen.

    f)      Begrotingsdoelen moeten we afwegen tegen sociale doelen (werkgelegenheid, ongelijkheid, armoede en uitsluiting) en duurzaamheidsdoelen.

    En ja, dat moeten we Europees regelen, met een verandering van het stabiliteits- en groeipact, maar laten we daar maar eens assertief in zijn. Worden de Europese begrotingsregels niet aangepast, dan zit er niks anders op dan statelijke ongehoorzaamheid. We moeten niet te benauwd zijn om veranderingen af te dwingen, zolang het vetorecht nog bestaat. De EU zal sociaal zijn, of niet zijn.

    227.         We hadden ooit de gulden financieringsregel dat overheden konden lenen voor rendabele investeringen. Die moeten we weer hanteren. En die leningen tellen dan niet mee voor het financieringstekort, de kost gaat voor de baat uit. Investeringen gaan we zoveel mogelijk doen via een Nationale Investeringsbank (NIB) 2.0, dat voor 51% ook gevoed wordt door pensioenfondsen. NIB 2.0 geeft weer obligaties uit, die ook door ECB gekocht kunnen worden. Bij de te financieren projecten moeten steeds ook concrete, meetbare doelen als het versterken van de werkgelegenheid, het beperken van ongelijkheid en het versterken van de bestaanszekerheid betrokken worden. Waar het bedrijfsleven van deze investeringen meeprofiteert, is er van die zijde cofinanciering.

    228.         Wij pleiten voor veel meer overheidsinvesteringen. Investeren in rendabele projecten, uiteraard. Rendabel, in die zin, dat we als samenleving daarin op langere termijn de vruchten van pakken. Rendabele doelen zijn bestemmingen die de economie en samenleving toekomstbestendiger maken. Zeker nu de rente zo laag is en voorlopig ook zal blijven moeten we nu ook in deze tijd van relatieve voorspoed als overheid fors investeren. Voor het eerst in de geschiedenis is de rente op staatsleningen bij alle looptijden negatief. De rente op tweejaarsstaatsleningen is –0,85 procent, op tienjaarsleningen –0,47 procent en op dertigjaarsleningen –0,17 procent (15 augustus 2019). Daarmee verdiend de overheid voor het eerst door meer te lenen. Aflossen van staatsschuld kost juist geld. Aflossing is onnodig  en onwenselijk.

    229.         Wat nodig is, zijn minder besparingen (dat doen we o.m. door de AOW te verhogen en daarmee de aanvullende pensioenen te verlagen[20]), hogere consumptie (dat doen we door hogere inkomens te bevorderen) en hogere investeringen, zowel privaat (dat doen we door kapitaal aan te wenden voor speculatieve doeleinden of dood laten staan fiscaal onaantrekkelijk te maken en door anti-speculatie regelgeving) als publiek (dat doen we o.m. met onze investeringen in duurzaamheid en de oplossing van de woningnood. Dat zorgt voor een hogere welvaart voor huidige én toekomstige generaties.

    230.         Geen landen als zondebokken. Bij een volgende (inmiddels huidige) crisis moet de schuld niet bij een zogenaamd dom land gelegd worden, Italië bijvoorbeeld. Italië is met de hoge staatsschuld en de eigenwijze, populistische regering de ideale zondebok. Hoe onverstandig het beleid van dat land misschien ook is (niet vanwege het laten oplopen van de staatsschuld, maar vanwege het gebrek aan goede plannen voor de besteding van het geld en de slechte en oneerlijke inning van belastingen), Italië is niet de oorzaak van de huidige of een volgende crisis. Hoogstens een druppel die de emmer doet overlopen. Wie zich laat afleiden door zondebokken, komt niet toe aan het aanpakken van de werkelijke oorzaken.

    231.         Voorts moeten we in de EU Eurobonds invoeren: landen lenen geen geld op de ‘gewone’ geldmarkt, maar van de Europese Centrale Bank, waarbij landen in feite garant staan voor elkaar. Als staatsschulden oplopen gooit de private geldmarkt maar al te graag de rente voor staten omhoog. Daardoor loopt de staatsschuld verder op en ontstaat een eindeloze negatieve spiraal. Eurobonds voorkomen dat, want de ECB kan de rente in de hand houden. Ook de ECB zal voor verschillende landen verschillende tarieven rekenen, maar veel gereguleerder dan op de markt. Als je de rentevorming aan de markt overlaat geef je financiële markten de macht om landen af te straffen. Bij Italië kunnen Eurobonds het verschil zijn tussen wel en niet omvallen. Eurobonds betekenen voor landen als Nederland en Duitsland wel een iets hogere rente.

    232.         In tijden van financieel-economische crisis voeren we (neo-)Keynesiaanse begrotingspolitiek. We bezuinigen niet op de sociale zekerheid, pensioenen of de werkgelegenheid en inkomens in de publieke sector, en we verhogen niet de lasten van huishoudens ten bate van lagere lasten op kapitaal.

    233.         In een crisis worden bedrijven terughoudend met investeringen en ook burgers houden de hand op de knip. Om te voorkomen dat de economie in een spiraal naar beneden raakt, is het aan de overheid om te blijven investeren. Dat is goed voor de werkgelegenheid, goed voor de koopkracht, en er is veel nuttigs te doen: het energiezuinig maken van woningen, grootschalige duurzame energie, wijken opknappen, infrastructuur up-to-date maken, nieuwe woningen bouwen. Dan moeten er op het moment van crisis wel concrete plannen klaar liggen die direct uitvoerbaar zijn. En die investeringen moeten dan niet afhankelijk gesteld worden van private cofinanciering, zoals in het verleden vaak werd gedaan. Dat werkt niet in tijden van crisis, de overheid zal zelf verantwoordelijkheid moeten nemen. Een deel van de investeringen kan prima door semipublieke instellingen zoals de woningcorporaties gedaan worden, mits zij er de ruimte voor krijgen.

    234.         En bij de investeringen moeten ook niet ineens allerlei wettelijke procedures buiten werking gesteld worden. Regeringen grijpen een crisis graag aan om te doen wat ze al lang wilden maar waar voordien geen draagvlak voor was. Partijen die zich al heel lang ergerden aan de uitgebreide inspraakmogelijkheden bij infrastructurele plannen grepen de vorige crisis aan om daar in één klap van af te komen. De Crisis- en herstelwet werd in de markt gezet als grote aanjager van werkgelegenheid in crisistijd en kleedde de inspraak van bewoners en milieuorganisaties grotendeels uit. Snelwegen, vliegvelden (Lelystad), grote mestvergistingsinstallaties: het moest allemaal snel aangelegd kunnen worden om de crisis te bestrijden. Het verzet van milieuorganisaties werd beperkt door hun voor te houden dat ook windmolens eerder gebouwd zouden kunnen worden. De Crisis- en herstelwet van 2010 was eerst tijdelijk maar werd drie jaar later permanent. Want ook dat is een les van de crisis: tijdelijke maatregelen zijn vaak een opmaat voor permanente maatregelen. Bij een volgende crisis is het zaak ervoor te zorgen dat de crisis niet opnieuw misbruikt wordt.

    235.         Hoe slechter de economische situatie, hoe belangrijker een goed vangnet om ervoor te zorgen dat mensen niet helemaal door de bodem zakken. In economische termen is sociale zekerheid een van de ‘automatische stabilisatoren’: de koopkracht blijft enigszins op peil, wat goed is voor bedrijven. De huidige sociale zekerheid is echter een stuk uitgekleed in vergelijking met 2008. De maximale duur van de werkloosheidsuitkering is verminderd (van maximaal 38 naar 24 maanden, soms per CAO wel uitgebreid), mensen tot 27 jaar hebben minder snel recht op bijstand en ouderen moeten tegenwoordig eerst hun huis ‘opeten’ voordat ze recht hebben op bijstand. Crisis betekent vrijwel per definitie oplopende werkloosheid.

    Om de sociale zekerheid als economische stabilisator te laten werken zou het stelsel in tijden van crisis juist uitgebreid moeten worden. Regeringen hebben vaak de omgekeerde neiging: zodra het aantal uitkeringen stijgt, ontstaat de drang te gaan bezuinigen. We koppelen de duur van de WW-uitkering anticyclisch aan conjunctuur zoals het CPB eerder heeft geschetst,: de maximale WW-duur is dan korter tijdens hoogconjunctuur en langer bij laagconjunctuur. Werknemers worden zo beter beschermd als het risico op werkloosheid hoger is.

    En een regeling voor deeltijd-WW – zoals nu de NOW-regeling voor loonkostenvergoeding voor bedrijven die ernstig te leiden hebben van de crisis – zorgt ervoor dat mensen toch hun baan behouden: ze blijven in dienst maar werken minder uren en krijgen voor de niet gewerkte uren een uitkering. De regeling moet worden volgehouden tot het einde van de crisis en altijd weer heropenbaar zijn voor een volgende crisis. Er moeten strenge voorwaarden zijn dat niemand – ook geen flexwerkers – worden ontslagen, er geen dividend en bonussen uitgekeerd worden of eigen aandelen worden opgekocht, er geen belastingontwijking plaatsvindt, topbeloningen moeten worden gematigd en het bedrijf moet meewerken aan verduurzaming.

    236.         Het aantal zzp’ers is flink toegenomen na de laatste crisis. Zij hebben geen recht op WW of geld bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Broodfondsen, waarbij zzp’ers elkaar financieel ondersteunen, helpen in geval van crisis niet want dan zit iedereen in zwaar weer. Bij een volgende crisis zullen daarom veel meer mensen in armoede vervallen. Het in hoofdstuk I voorgestelde gegarandeerd Zekerheidsinkomen helpt ook om mensen te behoeden voor armoede in tijden van crisis, net als het bepleitte minimumtarief voor zzp-ers en verplichte collectieve verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid en voor aanvullend pensioen.

    De overmatige flexibilisering zal in tijden van crisis niettemin een groot risico blijven vormen, veel zzp-ers zullen onvoldoende hebben gespaard om te kunnen blijven investeren. De voorstellen in hoofdstuk II over het paal en perk stellen aan de overmatige flexibilisering heeft daarom grote urgentie.

    De overheid moet voor zzp-ers en voor het mkb risicoarme en goedkope investeringskredieten organiseren, zoals nu ook wordt gedaan.

    En we moeten de gratis scholingsmogelijkheden voor mensen in de WW en de bijstand (te vervangen door het gegarandeerde zekerheidsinkomen) drastisch verruimen, zeker in tijden van crisis. In plaats van de werklozen op te jagen naar werk dat er in tijden van crisis onvoldoende is, kunnen we beter zorgen dat mensen zich verder en beter scholen. Op termijn is dat veel beter voor de economie. Zie daarvoor ook de voorstellen in hoofdstuk II.

    237.         De maximum hypotheek maken we ook conjunctuur afhankelijk (naar Canadees voorbeeld[21]): het maximum (als percentage van het inkomen of van de woningwaarde) wordt lager bij sterk stijgende prijzen en hoger bij dalende prijzen. Dit helpt om de woningmarkt te stabiliseren. Door veel meer te investeren in betaalbare huren en het oplossen van de woningnood (zie hoofdstuk V), door drastisch schulden van huishoudens te saneren en te investeren in preventie van en hulpverlening bij schulden (zie hoofdstuk I), zorgen we dat huishoudens er bij een volgende crisis beter voor staan.

    238.         En we verhogen de vermogensbelasting voor miljonairs in tijden van crisis, omdat de inkomsten uit de belasting voor vermogensrendementsheffing dan drastisch zullen teruglopen – het rendement op vermogen in economisch is in slechte tijden laag of zelfs negatief. En we verhogen de progressieve vennootschapsbelasting op winst van bedrijven met een solidariteitsheffing op winst die niet geïnvesteerd wordt. Zo kunnen investeringen des te meer blijven plaatsvinden, maar worden dividenduitkeringen en opkopen van eigen aandelen, of het oppotten van winst in overmatige reserves in tijden van crisis extra ontmoedigd. In 2008 werd het tegenovergestelde gedaan: de vennootschapsbelasting werd verlaagd.  Zo blijft het stelsel solidair en zorgen we voor geld voor de publieke zaak.

    239.         Een van de grote problemen tijdens de vorige crisis was dat banken van schrik geen geld meer uitleenden. Doordat bedrijven gewend zijn om veel met leningen te financieren, ook hun ‘gewone’ uitgaven, had het opdrogen van de kredietverlening enorme gevolgen. Gemiddeld genomen zijn bedrijven tegenwoordig nog afhankelijker van leningen dan in 2008: de totale schuld van bedrijven is inmiddels hoger dan kort voor de vorige crisis. Een plotselinge opdroging van de kredietverlening is funest. De overheid moet blijven zorgen voor de beschikbaarheid van bedrijfskredieten in tijden van crisis. Daarbij helpt de hiervoor bepleitte publieke Nationale Investeringsbank 2.0. Deze kan in tijden van crisis bedrijfskrediet blijven leveren. Ook kan de ECB als voorwaarde stellen aan banken om in aanmerking te komen voor overheidssteun dat zij deze kredieten blijven verstrekken.

    240.         De 2600 miljard die de Europese Centrale Bank de afgelopen jaren in de financiële markten pompte leidden tot vastgoed- en aandelenbubbels en kwamen niet ten goede van de werkelijke economie. Bij een volgende crisis zou het helpen als de discussie niet gaat over wel of niet stimuleren door de ECB, maar over de vorm waarin de ECB stimuleert.

    Een van de manieren om ervoor te zorgen dat het geld daadwerkelijk de economie versterkt is wat sommigen green quantitative easing noemen (groene geldverruiming). De ECB verstrekt dan grootschalig geld aan de Europese investeringsbank, die met dat geld de investeringen pleegt die nodig zijn voor de energietransitie. Waarbij de Europese investeringsbank zelf het initiatief neemt en niet afwacht of bedrijven met investeringsplannen komen, want dat valt zelfs tijdens hoogconjunctuur al tegen, laat staan in crisistijd.

    De afgelopen jaren werd als alternatief voor de Draghi-methode ook ‘helikoptergeld’ geopperd, oftewel het rechtstreeks uitdelen van geld aan mensen. Het voordeel van groene geldverruiming ten opzichte van helikoptergeld is echter dat je zeker weet dat het geld daadwerkelijk wordt uitgegeven en dat je er een groenere energie-infrastructuur voor terug krijgt.

    Tenslotte

    We hopen dat deze agenda de sociaaldemocratie en onze PvdA inspireert voor een echt links verkiezingsprogramma, en hopelijk ook een links stembusakkoord met GL en SP (Keerpunt 2021!), ondersteund door tenminste de FNV, bij de eerstvolgende Tweede Kamerverkiezingen. We hopen ook op veel spannende, interessante discussies in en buiten onze partij, en dat het geloof in de maakbaarheid van onze samenleving en van onze idealen weer zal boven komen.

    Vrolijk voorwaarts!

    Linksom! in de PvdA


    [1] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/22/rapporten-brede-maatschappelijke-heroverwegingen

    [2] Wij denken aan: Een ruim eigen vermogen van bijv. € 100.000, plus de zelf-bewoonde eigen woning, worden vrijgesteld.

    [3] Directeur-Grootaandeelhouder

    [4] Zie: https://www.sdgnederland.nl/

    [5] Meer over de EU: zie hoofdstuk IX; meer over defensie: zie hoofdstuk VII; meer over eerlijke handel en ontwikkelingssamenwerking: zie hoofdstuk VIII.

    [6] Het stelsel beloond ook de grootste vervuilers, zowel wat betreft productie als consumptie, terwijl het juist duurzaamheid zou moeten bevorderen. Zie daarover hoofdstuk VI.

    [7] Zie ook hoofdstuk X.

    [8] Zie hoofdstuk II.

    [9] Zie hoofdstuk V.

    [10] Zie hoofdstuk I.

    [11] Voor de zorg en kinderopvang zie hoofdstuk VII, voor de huur zie hoofdstuk V.

    [12] Directeur-Grootaandeelhouder

    [13] In tegenstelling tot wat het rechtse kabinet Rutte III steeds suggereert is allang duidelijk dat dit kan. Woningcorporaties leveren diensten voor algemeen economisch belang (DAEB) en kunnen van de EU worden vrijgesteld van deze richtlijn.

    [14] Zie: https://www.pvda.nl/zeker-zijn-van-een-schone-toekomst/. Alle bedrijven gaan in dat voorstel vanaf 2021 45 euro per ton CO₂ betalen, en dat tarief stijgt 2% per jaar. In 2050 is dan tarief ongeveer 80 euro per ton CO₂. Uit de opbrengst wordt een verlaging van het vaste verminderingsbedrag in de energiebelasting met 150 euro gefinancierd, evenals een verhoging van de SDE+ subsidies (daar gaat 50% naar toe) en een innovatie- en werkgelegenheidsfonds voor bedrijfstakken die dat kunnen inzetten voor (verder) ontwikkelen van schone industrie en behoud van banen.

    [15] Het moet gaan om duurzaam geteelde biomassa en restafval, waarbij de biodiversiteit en het landgebruik van inheemse bewoners beschermd wordt. Zo mogelijk alleen uit de EU. Er gelden strenge normen voor uitstoot van fijnstof en stikstof.

    [16] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederland-is-in-2120-schoon-en-groen~b831756c/

    [17] In Nederland zijn er ongeveer 2,5 miljoen mensen van 16 jaar en ouder laaggeletterd. Meer dan de helft van hen heeft het Nederlands als moedertaal.

    [18] Scholen krijgen budget om bijspijkerlessen en huiswerkbegeleiding op school aan te bieden, zodat elke leerling die dat nodig heeft er gebruik van kan maken. Ook kunnen scholen bekostigd de mogelijkheid bieden aan leerlingen met een achterstand om een weekend- of zomerschool te volgen.

    [19] Wanneer Europese wetgeving hierover te lang op zich laat wachten, dan voeren we die eerder in met een coalitie van landen die wel al willen.

    [20] Jacobs: “Bij de pensioenen is het wenselijk om het deel via kapitaaldekking in de aanvullende pensioenen te verminderen en het deel via omslagfinanciering in de AOW te vergroten. Als de rente structureel extreem laag is, moeten mensen zich namelijk een ongeluk sparen om een behoorlijk pensioen op te bouwen.

    [21] De onderzoekscommissie huurprijzen van de Tweede Kamer adviseerde dat al in 2013. Er is helaas niets mee gedaan.

    FacebooktwitterredditpinterestlinkedinmailFacebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

Eerdere berichten